VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3556

Japan · 1,428 pages · 337 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3556_1220 view scan ↗

English

The 19th of August 1779 had to believe that Radja Ismael, as he writes, would be more devoted to the Company than his brother, it would nevertheless not square with good faith to leave a prince who, since his submission to the Company and succession to the government of Siac, has behaved as a sincere friend and ally of the Company and has done everything that one could reasonably expect of him, now that he was attacked, helpless and his possessions a prey to his enemy, since one had more than once admonished him to the most steadfast adherence to the Company with this pressing argument, that it was the Company that could maintain him in the peaceful possession of his realm. All of which, having subsequently been maturely considered, it was unanimously approved and resolved to come to the aid of the King of Siac, Radja Mahomet Ali, with the utmost speed, and to that end to properly equip the bark the Geertruida Susanna, the sloop the Liceroa, and the pantjallang the Bestendigheid, 348 701 The 19th of August 1779. equipped and reinforced with two sergeants, four corporals, one drummer, and forty-eight privates under the Military Lieutenant Johan Andries Rensel, to dispatch them thither tomorrow evening if at all possible, as well as to entrust the command over this expedition to the said officer and to the Master of Equipage Hermanus Ielgerhuijs, whom it was found good to send along, and to order them by a written instruction: That, upon entering the river of Siac, they must immediately seek to inform the King of their dispatch to his assistance, and at the same time have his Highness informed in the name of this Government that he must offer brave resistance to the enemy, in order thus to press him from both sides and force him to retreat. That they must have this message delivered to his Highness successively by two or three persons, if they have any opportunity to do so, and consult in that regard with The 19th of August 1779: with the Siaker Samal, who has shown himself inclined to accompany them thither. That in the meantime, without stopping anywhere except in case of the utmost necessity, they must sail up the river as far as the place of residence of the King, and ask all fleeing or other subjects of that Prince whom they meet along the way about the state of affairs, in order to make the necessary use thereof, yet nevertheless not defer more to their reports than prudence shall allow, nor consider any others to be authentic than those deemed credible by the said Siacker Iamal, in order to prevent deception; That although it might be reported to them in the aforementioned or any other manner that Radja Ismael's fleet was defeated, driven off, or had departed again without having undertaken anything, they must nevertheless continue their journey to the Residence of the King, in 349. 703 The 19th of August 1779. order to ascertain the truth thereof more closely, and, finding it to be so, then return; That they must attack all vessels of Radja Ismael and his faction that they encounter along the way, and, as far as can possibly be done, destroy them or drive them off while inflicting all possible damage, in order in that manner to clear the river of Siac of that rabble while sailing up toward the King's Residence; That they must especially not only attack courageously the fleet itself of Radja Ismael, whether it might have been forced by the resistance encountered or otherwise to come back down the river, or upon the arrival of the Company's vessels might not yet have advanced as far as the Residence of the King, or might be found there engaged in the attack, and by capturing or destroying most of those vessels inflict as much damage upon Radja Ismael as would be at all possible, but also pursue him to outside the river, The 19th of August 1779. and having thus ruined and scattered his fleet, remain lying for twenty-four hours in or outside the mouth of the river at the place where they shall deem it safest, but, perceiving no more enemy vessels during the same, return hither. However, upon further consideration of whether, if Radja Ismael might already have surprised and captured Siac, one should nonetheless damage him with the destruction of his vessels, it was considered that this could have the most adverse and bitter consequences for the Malacca Colony, since Radja Ismael, who has declared that he intends nothing against the Company and remains responsible for its damages, would then certainly seek to avenge himself on the Company's defenseless subjects who are to be found with considerable quantities of linens in the interior of the Siac realm, by robbing them of everything, without one being able to prevent him from doing so, as one could not penetrate into the country with a handful of men to protect them.

Dutch transcription

Den 19 Augustus 1779 hads van te gelooven, dat Radja Isma„ „el gelijk hij schrijft, der Compagnie meer toegedaan zoude zijn, dan zijn broeder het egter met de goede trouwe niet zoude quadreeren eenen Vorst, die zedert zijne onderwerping aan de Compagnie, en successie in het bestier van Siac, zig als een opregten vriend en Bondgenoot van de Compagnie gedragen, en alles gedaan hads, wat men van hem naar billijkheid ver„ „wagten kon, nu hij aangevallen wierdt, hulpeloos en zijne bezittingen ten prooije van zijnen Vijand te laaten daar men hem meer dan eens tot de volstandigste aankleeving aan de Com„ „pagnie had't vermaand met deeze drang„ ƒ „reden dat het de Compagnie was, die hem in de viedige possessie van zijn Rijkkon mainteneeren Al hetwelke vervolgens ryplijk over„ „wogen zijnde is unannter goedgevonden en verslaan den Koning van Siac Radja nahomet Ali, ten allersjudigsten te hulp te komen, en ten dien einde de bark de Geertruida Susanna, de sloep de Liceroa en de pantjallang de Bestendigheid behoorlijk uitgerust 348 701 Den 19. Augustus 1779. uitgerust, en versterkt met twee sergeanten — vier Corporaals, een Tambour en agt en veertig Gemeenen, onder den Leutenant ƒ „ Mititair Johan Andries Rensel, bij maar eenige mogelijkheid morgen avond derwaarts te depecheeren, mits„ „gaders den gemelden Officier en den 10 Equipagiemeester Hermanus Ielgerhuijs dien men goed vonds mede te zenden, het gezag over deeze Expeditie op te draagen, en hun bij eene schriftelijke 9 Instructie te gelasten Dat zij in de rivier van siac komende, aanstonds den koning moeten tragten kennis te geeven van hunne uit„ „zending ter zyner adsistentie, en zyne 6 teffens in't naame deezer Hoogheid 17. 7 Regeeringe laaten aanzeggen dat hij den Vijand dappere tegenweer moet bieden ten einde hem dus van weerskanten te benauwen, en tot de retraite te noodzaaken Dat zij deeze boodschap door twee of drie persoonen successivelijk aan moeten laaten doen zijne Hoogheid zoo zy er maar eenige gelegenheid toe hadden, en daar omtrent te raade gaan ƒ met . Den 19 Augustus 1779: met den siaker Samal, die zig genee„ „gen heeft beloond om hun derwaarts te verzellen Dat zij ondertusschen zonder zig elders buiten de hoogste noodzaalelijk „heid op te houden, de rivier moeten opvaaren tot aan de Residentie plaats van den koning, en alle de vlugtende of andere onderhoorigen van dien Vorst welken zy onderweegs ontmoeten, vira„ „gen na den staat der zaaken gonder„ om er het noodig gebruik van te maaken dog egter aan hunne rapporten niet meer defereeren, dan de voorzigtigheid zal toelaaten, nog ook eenige andere voor egt houden, als die door den ge= ƒ „melden siacker Iamal geoordeeld worden geloofwaardig te zijn, tot voor „koming van misleiding; Dat ofschoon hun op de evengemelde of eenige andere wijze gerapporteerd mogte worden, dat Radja Ismaels vloot gesla„ „gen verjaagd of zonder iets te hebben ondernomen, weder vertrokken was zij. evenwel hunne reize moeten voortzesten tot aan de Residentie van den Koning, ten 349. 703 den 19 Augustus 1779. ten einde de waarheid daar van nader te verneemen, en, het zoo bevindende, dan te rug keeren; Dat zij alle de vaartuigen van Radja Ismael en zijnen aanhang, dewelke zij onderweegs aantreffen, moeten attaquee„ „ren, en, zoo veel het immers geschieden kan, vermielen, of met toebrenging van t alle mogelijke schade verjaagen, om indiervoegen de rivier van Siac, onder het opzeilen naar 's konings Residentie van dat gespuis te zuiveren; Dat zy voornaamelijk de vloot zelfs van Radja Ismael, 't zij dat die door den ontvangen tegensland of 1 andersins mogte weezen genoodzaakt de rivier weder te komen afzakken of bij de komste van Comp:s vaartuigen K Residentie van den nog niet tot aan de Koning mogte weezen gevorderd, of daar gevonden mogte worden bezig met de altaque, niet alleen ianmoedig zullen moeten antosten, en door het overmeeste„ „ „ren of vermelen van de meesten dier vaartuigen Radja Ismael zoo veel scha„ de toebrengen, als immers: mogelijk 7 zoude zijn, maar hem ook tot biiten de rivier . Den 19 Augustus 1779. ^vloat rivier vervolgen, en zijne dus geruineerd en verstrooid hebbende, in of buiten den mond der rivier ter platze, waar zij zulks het veiligste zullen oordeelen, een etmaal blijven leggen, dog, geduurende hetzelve geen vijandelijk vaartuig meer gewaar wordende, herwaarts retourneeren Maar bij overweeging wijders, of men 1 Radja Ismael, indien hij Siac reeds mogte hebben overrompeld en ingenomen, nogtens met de destructie zijner vaartuigen zoude beschadigen! is geconsidereerd dat zulks van de allernadeeligste en bitterste ge„ t „volgen voor de Malaccasche Colonie zoude kunnen weezen, dewijl Radja Ismael, die betuigd heeft niets tegen de Compa¬ 2 „gine in zin te hebben en voor haare schade responsabel te blijven, zig dan zekerlijk 9 op Comp:s weerlooze onderdaanen, die met aanzienlijke partijen lijwaaten in de binnenlanden van het Siacsche Rijk te vinden zijn, zoude tragten te wreeken met hun van alles te berooven, zonder dat men hem zulks zoude kunnen bletten, alzoo men met een handje vol volks het land niet kon indringen, om hun.

NL-HaNA_1.04.02_3556_1225 view scan ↗

English

to protect them against him. And for this reason it being judged more advisable, in such cases, to have the commanders of the expedition dispatch a letter to Radja Ismael, which shall be written in their name and given to them along, to inquire whether he, having now conquered Siac, is or is not inclined to fulfill what he promised to the Governor and the Council in his aforesaid letter; and consequently resolved to order them that, if Radja Ismael, before their arrival there, should have succeeded so far in his enterprise that he had already overpowered the King's residence Mapoera, and they obtain certain news thereof, not to sail any further, nor to undertake anything offensive, but to have the letter attached to the instructions delivered to him by one or another, with a request to reply to it in writing, and, 19 August 1779 having obtained that answer, to send it hither immediately, in order to await the further orders of this government, so that Radja Ismael might not be brought under the delusion by their speedy return that they left the Siac river out of cowardice; but that in the meantime, if contrary to expectation they should be hostility attacked by the fleet of Radja Ismael, they must defend themselves as becomes men of honor. Lastly, it was deemed necessary and resolved to give them along two small native vessels, in order therewith quickly to obtain intelligence of all news or occurrences of any importance. Malacca in the Castle, date as above. Signed: P. L. de Bruijn, A. A. Wernolij, P. A. D. v. Schilling, A. F. Leuiker, F. Ahierens, Iohannes Lijnslager, and A:s Couperus. Friday, 27 August 1779. In the forenoon. Council Meeting. All present. The Governor communicated to the meeting 27 August 1779: that yesterday evening there had come to His Honour an emissary from Radja Ismael, bringing along a letter for the Supreme Indian Government at Batavia, and one for His Honour and the Council; that His Honour, both from the said emissary and through the covert inquiries made by His Honour's order among the crew of his vessel, had learned that upon Radja Ismael's appearance before Mopoera, or the residence of the King of Siac, such weak resistance was offered that he had dared fearlessly to approach the King's pleasure-house standing on the riverbank with his vessel and step out there; that the King having immediately thereupon taken flight with two or three of his domestic servants, everyone had submitted to Radja Ismael; that the latter had then admonished the multitude to fear nothing, since no harm would befall them, and everyone could therefore observe his office and duty as before. Producing 27 August 1779. His Honour produced the translation of the second of the said letters from Radja Ismael, which upon reading was found mainly to contain: that after long wandering he had obtained his places on Siac; that he submitted to the orders of this government and requested to be supported as one had done for his brother, declaring likewise that he wished to act as his brother; that he also requested to know whether or not one was inclined to leave him in possession of Siac; that he did not intend ever to undertake any evil against this government, and that one should not be uneasy about that, although his father had not acted properly toward the Company; that he had truly resolved to cherish a sincere friendship for this government in his heart. Whereupon, after mature deliberation, it was taken into consideration that the King of 27 August 1779. Siac had already in this spring received news of Radja Ismael's intention to make an invasion into that kingdom, and had written to this government that his penjajaps or war vessels were being made ready, with a request for fifty small barrels of gunpowder; That according to the General Resolution of 28 April, twenty barrels or 1000 lb having been sent to him for payment, he might well have driven away Radja Ismael with them, just as he had done not long ago, according to the report to the Supreme Indian Government by separate letter from Governor Crans of 15 February 1775, or at least have resisted him until the Company came to the aid of His Highness with its force; That this nevertheless did not happen, but on the contrary Radja Ismael having penetrated the said kingdom with ease and having also been immediately accepted by its subjects, one could easily deduce therefrom that he had a large 27 August 1779. following there, of whose loyalty he must have been assured in order to dare venture such an attack, which otherwise might have turned out badly for him; That although Radja Ismael declared by his said letter that he wished to submit to the orders of this government, subsequently requesting to be allowed to know whether or not one was inclined to leave Siac in his possession, one nevertheless could not hope that he would allow himself to be moved by the orders and even by threats of this government to vacate that kingdom again for his brother, since he had previously already been given to understand that for his sake one would do no wrong to the King of Siac, who behaved well, and he therefore also had to leave him in peace, if he did not wish to bring down upon himself the severe wrath of the Supreme Government, without this and further serious admonitions having [illegible] him rule over Siac.

Dutch transcription

350. 705 hun tegen hem te beschermen. En uit deezen hoofde raadzaamer geoordeeld zijnde, in dusdanigen gevallen, door de ƒ - Commandanten van de Expeditie te laa„ - ten afzenden een brief aan Radja Ismael, die op hunnen naam geschre¬ „ven en hun mede gegeven zal worden, ter afvraaginge of hij nu Siac over„ „wonnen hebbende, al of niet gezind zij te volbrengen wat hij bij zynen voor „gemelden brief aan den Heer Gouverneur J en den Raad beloofd heeft " en dien¬ „volgens verstaan hun te gelasten by aldien Radja Ismael, die op heen aam geschreven en hem mede gegeven N zal worden voor hunne komste ginder in zijne onderneeming tot zoo verre mogte weezen gereusseerd, dat hij 's ko¬ „nings-Residentie-plaats Mapoera al oovermeesteerd hads, en zij daar van zekere tijding krijgen, dan met verder te vaaren, nog iets offensiefs te bestaan, maar door den eenen of anderen aan hem te laaten bestellen den by de In„ „structie gevoegden brief, met verzoek om er schiftelijk op te antwoorden, en Den 19. Augustus 1779. dat Den 19 Augustus 1779 dat antwoord bekomen hebbende, hetzelve ten eersten herwaarts te zeiden, ten einde de nadere ordres deezer Regeeringe in te wagten, op dat door hunne spoedige re„ „rugkeering Radja Ismael niet in den waar gebragt mogte worden, dat zij uit met blooheid de siacsche rivier verlieten„ dog dat zy intusschen, tegen verwagting door de vloot van Radja Ismael vij„ „andelijk aangerand wordende zig wee„ „ren moeten gelijk het mannen van eer betaamt Laastelijk is noodig geagt en verstaan him mede te geeven twee kleine inland„ „sche vaartuigen, om daar mede spoedig kundschap te erlangen van alle tijdin „gen of voorvallen van eenig belang. Malacca in het Casteel dato voorschreeven /getekend/ P: L. de Bruijn, A A Wernolij, P. A. D. v Schilling, A F Leuiker, F. Ahierens Iohannes Lijnslager en A:s Couperus Vrijdag den 27. Augustus 1779. 's Voormiddags. Vergadering van Politie Allen present De Heer Gouverneur heeft ter Verga„ „deringe 351. 707 Den 27. Augustus 1779: deringe gecommuniceerd, dat gisteren as oud bij zijn Ed: was gekomen een zendeling van Radja Ismael, mede brengende een brief voor de Edele Hooge Indische Regeering te Batavia, en een voor zijn Ed: nevens d den Raad, dat zijn Ed zoo wel van ^door den gemelden zendeling, als de op order van zijn Ed: bedektelijk gedaan navor„ „sching bij het volk van zijn vaartuig„ vernomen hads, dat aan Radja Ismael ter gelegenheid zijner verschijning voor Mopoera of de Residentie-plaats van den koning van Siac, zulks eene zwakke resistentie was geboden, dat hij met zijn vaartuig het speelhuis van den Koning aan den rivierkant staande, schroome „loos hads durven naderen, en daar uitstappen; dat den koning daar op immediaat de vlugt genomen hebbende met twee of drie zijner Huis bedienden, een ieder zig aan Radja Ismael. onder„ „werpen hadt; dat deeze toen de mei„ „nigte hads vermaand nergens voor bedugt te zijn dewijl haar geen leed zoude geschieden, en elk derhalven zijn ampt en pligt gelijk te vooren kon waarneemen Produceerende Den 27. Augustus 1779. Produceerende zijn Ed. het Translaat van den tweeden der gemelden brieven van Radja Ismael, hetwelk by Lecture be„ „vonden wierds hoofdzaakelijk te behelzen, dat hij na lang zwervens zijne plaatzen op siac bekomen had, dat hij zig onder wierp aan de bevelen deezer Regeeringe ƒ en verzogt hem zoo te willen onder„ „steunen, als men zijnen broeder gedaan hads, betuigende insgelijks te willen handelen als zinen broeder; dat hij ook verzogt te weeten, of men niet, of al genegen ware om hem in het bezit van Siac te laaten; dat hij niet geintentioneerd was ooit eenig kwaad tegen deeze Regeering te on¬ „derneemen, en dat men daar over niet ongerust moeste zijn, schoon zijn vader niet behoorlijk tegen de Com„ „pagnie gehandeld hads; dat hy waar„ „lijk beslooten hadt eene opregte vriend „schap voor deeze Regeering in zijn horte te koesteren. Waar op rijpelijk gedelibereerd zijnde, is in aanmerking genomen, dat de Koning van 352. 709 Den 27. Augustus 1779. van Siac al in dit voorjaar narigt beko„ „men hadt van Radja Ismaels voornee„ „men om eene invasie in dat Rijk te doen, en aan deeze Regeering geschreven dat zijne panjajabs of oorlogs-vaartuigen „heiel in gereed„schap wierden gebragt, met verzoek om vijftig vaatjes buskruids; Dat hem volgens Gemeene Resolutie van den 28. April, twintig vaatjes of 1000. —: lb. voor betaaling toegezonden zijnde, hij daar mede Radja Ismalt wel hadt kunnen verjaagen, gelijk hy dat niet lang geleden gedaan hads, naar het be „rigt aan de Edele Hooge Indische Re„ „geering bij aparten brief van den Heer Gouverneur Crans van den 15 Februari 1775. , of hem ten winsten kunnen tegen„ „staan, ho. dat de Compagnie zijne Hoog „heid met haare magt te hulp kwam; Dat zulks nogtans niet geschied maar Radja Sinkel in tegendeel niet gemak ten gemelden Rijke ingedrongen en ook aanstonds by dies onderzaaten aangenomen zijnde, men daar uit lig„ „telijk kon opmaaken, dat hy er een grooten Den 27. Augustus 1779. grooten aanhang hads, van welks getrouw heid hy verzekerd waeste zijn geweest om zulks eenen aanslag te durven waagen, die hem anders kwaalijk hadt kunnen bekomen Dat of schoon Radja Ismael by zynen gemelden brief verklaarde, zig aan de bevelen deezer Regeeringe te willen onderwerpen, met verzoek vervolgens om te mogen weeten, of men niet of al genegen ware Siac in zijn bezit te laaten, men egter niet verhoopen kon dat hij door de bevelen en zelfs door bedreigingen deezer Regeeringe zig zoude laaten beweegen, om dat Rijk voor zinen boeder weder in te ruimen, dewijl men hem bevoorens al hadt te kennen gegeven, dat men ten zijnen gevalle den Koning van Siai, die zig wel droeg geen ongelijk zoude aandoen en hij hem daar om ook met viede moeste laaten, indien hij zig met de gevoelige gramschap van de Hooge Regeering wilde op den hals haalen zonder dat dit en nadere ernstige aanmaani„ „gen hem de heerschappij over Siac hadden

NL-HaNA_1.04.02_3556_1231 view scan ↗

English

had a large following, of whose loyalty he must have been assured to dare risk such an attack, which otherwise might have ended badly for him; That although Radja Ismael in his aforementioned letter declared his wish to submit to the orders of this Government, subsequently requesting to know whether one might be inclined to leave Siac in his possession or not, one could nevertheless not hope that he would allow himself to be persuaded by the orders and even threats of this Government to give up that Realm again to his brother, because he had previously already been informed that in his case no injustice would be done to the King of Siac, who behaved well, and that he should therefore leave him in peace, unless he wished to bring upon himself the sensible wrath of the High Government; without this and further earnest admonitions having been able to make him put the rule over Siac out of his mind; That one would consequently have to use force to expel him again from that Realm, but that this could not only bring about the ruin of the Malacca inhabitants (as is easily demonstrated from the remarks in the Resolution of the 19th instant), but one would also, in that case, turn the people of Siac who had deserted their king and joined Radja Ismael into enemies, and the means to compel them to accept a king to the liking of the Company would become too costly, while the outcome thereof would nevertheless be uncertain; That Radja Mahomet Ali, or the now fled King, prior to his submission to the Company, had acted, if not more, at least just as recalcitrantly against it as Radja Ismael, but having since given it satisfaction in every respect, one could not consider it improbable that Radja Ismael could and would also do the same, because he was weary of wandering, as he has indicated on several occasions, and might well aspire to a quiet life, so as no longer to be regarded by friends and enemies as a Rebel and Enemy of the Company; That one could not even doubt this, when taking into consideration both the seriousness with which he gives assurances of friendship and goodwill from the beginning to the end of his aforementioned letter in order to be restored to the favor and protection of the Company, and his strong request in a letter to the Captain of the Malays here to intercede for him with this Government, as well as the notice he caused to be given to the Malacca inhabitants residing within Siac to simply continue their trade quietly without fearing anything, as has been written by some of them to their Principals here; That Radja Mahomet Ali having no one but himself to blame for Radja Ismael having stepped into his rule, since he would never have been trapped therein if he had been on his guard against internal and external enemies, and, pursuant to the repeated exhortations of the respective gentlemen Governors, had taken the necessary measures to be able to withstand an attack from outside until he was supported with relief from the Company; consequently the Company, without the least injury to its honor and reputation, could refuse him its assistance for restoration to a government that he had allowed to be taken from him through his carelessness and laxity therein; That for all these reasons one presently had no safer course to choose, until one should be furnished with the orders of the High Government in that regard, than to refrain from hostilities, and indeed to bring to the attention of Radja Ismael the boldness and blameworthiness of his conduct, but nevertheless, in order not to make him hopeless and desperate, to promise that one would write in his favor to the High Government, if one could be assured of his sincere submission and loyalty to the Company; And it was consequently approved and understood by unanimous vote: First, to instruct the Commanders of the Expedition to Siac, from whom no letter has yet been received, that if the news of Radja Ismael's victory should be true, they are to return hither with the Company's vessels, whether they have already received an answer to the letter of Radja Ismael given along with them or not; provided, however, that before their departure they make known to him through one person or another that this Government, upon the received news of his victory and his assurance to the same that he, just like his brother Radja Mahomet Ali, sincerely with the

Dutch transcription

353. 711 hadden kunnen doen uit de gedagten zetten. Dat men overzulks geweld zoude moeten gebruiken om het weder uit dat Rijk te verdrijven, dog dat niet alleen de ruine der Malaccasche ingezetenen zoude kunnen naar zig sleepen (:gelijk zulks uit het geremarqueerde by Resolutie „grijpen van den 19 deezer ligt te bewijzen is:) maar men ook in dien gevalle de Siac„ „kers welke hunnen koning af en Radja Ismael toegevallen waren, tot Vijanden zoude krijgen, en de middelen, om hun te verpligten tot het aanneemen van eenen koning naar den zin van de ^ kunnen Compagnie, te kostbaar zoude worden terwijl de uitkomst daar van tog on„ „zeker zoude zijn; Dat Radja Mahonimet Ali - of de tans gevlugte Koning voor zine ouderwerping aan de Compagnie, indien niet meer, ten minsten even zoo weder„ strevig als Radja Ismael tegen dezelve ƒ gehandeld, dog haar sedert in allen deele genoegen gegeven hebbende, men het niet - voor onwaarschijnlijk houden kon dat Den 27. Augustus 1779 Radja Den 27. Augustus 1779. grooten aanhang hads, van welks getrouw„ heid hy verzekerd waeste zijn geweest om zulks eenen aanslag te durven waagen, die hem anders kwaalijk hadt kunnen bekomen; Dat of schoon Radja Ismael by zynen gemelden brief verklaarde, zig aan de bevelen deezer Regeeringe te willen 2 onderwerpen, met verzoek vervolgens om te mogen weeten, of men niet of al genegen ware Siac in zijn bezit te laaten, men egter niet verhoopen kon dat hij door de bevelen en zelfs door bedreigingen deezer Regeeringe zig zoude laaten beweegen, om dat Rijk voor zinen broeder weder in te ruimen, dewijl men hem bevoorens al hads te kennen gegeven, dat men ten zijnen gevalle den Koning van Siac, die zig wel droeg geen ongelijk zoude aandoen en hij hem daar om ook met viede moeste laaten, indien hij zig met de gevoelige gramschap van de Hooge Regeering wilde op den hals haalen zonder dat dit en nadere ernstige aanmaani„ „gen hem de heerschappij over Siac hadden 353. 711 hadden kunnen doen uit de gedagten zetten. Dat men overzulks geweld zoude moeten gebruiken om het weder uit dat Rijk te verdrijven, dog dat niet alleen de ruine der Malaccasche ingezetenen zoude kunnen naar zig sleepen (:gelijk zulks int het geremarqueerde by Resolutie „grijpen van den 19. deezer ligt te bewijzen is:) maar men ook in dien gevalle de Siac„ „kers welke hunnen koning af en Radja Ismael toegevallen waren, tot Vijanden zoude krijgen, en de middelen, om hun te verpligten tot het aanneemen van eenen koning naar den zin van de ^ kunnen Compagnie, te kostbaar zoude worden terwijl de uitkomst daar van tog on„ „zeker zoude zijn Dat Radja Mahonimet Ali - of de tans gevlugte Koning voor zijne ouderwerping aan de Compagnie, indien 2 niet meer, ten minsten even zoo weder„ - stevig als Radja Ismael tegen dezelve gehandeld, dog haar sedert in allen deele genoegen gegeven hebbende, men het niet - voor onwaarschijnlijk houden kon dat Den 27. Augustus 1779 Radja Den 27. Augustus 1779. Radja Ismael ook hetzelfde zoude kun„ „nen en willen doen, dewijl hy van het zwerven moede was, gelijk hij het te meer„ „maalen heefd te kennen gegeven, en na een stil leeven wel mogte aspireeren, om niet langer bij vrienden en vijanden voor een Rebel en Vijand van de Com„ „pagnie te worden aangezien. Dat men zelfs hier aan niet twijfelen kon, wanneer men agt sloeg, zoo op den ernst, waar mede hij van het begin tot het eind van zynen meergemelden brief verzekering van vriendschap en welmee„ - nendheid geeft, om in de gunst en pro¬ „tectie van de Compagnie te worden hersteld en zijn kragtig verzoek bij een brief aan den Capitein der Ma„ „leyers alhier, om zig voor hem by deeze Regeering te interesseeren, als op de aanzegging, die hij aan de binnen Siac zynde Malaccasche ingezetenen heeft laaten doen, van hunnen handel maar gerustelijk voort te zetten zonder ergens voor te vreezen, gelijk daat door eenigen van dezelven aan hunne Principaalen alhier 354. 713 Den 27. April 1779 alhier geschreven is; Dat Radja Mahomet Ali niemand als zig zelven te wijten hebbende, dat Radja Isinael in zijne heerschappije is getreden, dewijl hij daar nimmer in't verslooten zoude zijn, by aldien hij tegen 14 in -en úitwendige Vijanden op zijne toede geweest was, en naar de herhaalde aanspoo„ Heeren ringen, van de respective aan Gou „verneurs de noodige maatregelen beraamd hads om eenen aanval van buiten ce kunnen uitharden tot dat hij met secours van de Compagnie oudersteund wierdt, de Compagnie gevolgelijk zonder de minste krenking haarer eere en reputatie hem kon weigeren haaren bijsland ter herstellinge in een bestier„ dat hy door zine onagtzaam- en slap¬ „heid in hetzelve zig hadt laaten ontnee„ „men 0 Dat men om alle deeze redenen tans geene zekerer partij te kiezen hadt tot dat men daar omtrent met de ordres van de Hooge Regeering zoude weezen gemuneerd dan zig van hostiliteiten te onthouden, en Radja Ismael wel onder het oog te brengen de stout en wraakbaar heid - Den 27. Augustus 1779. wraakbarheid van zijn bestaan, dog, om hem egter niet hoopeloos en vertwijfeld te maaken, te belooven, dat men in zijnen faveure aan de Hooge Regeering zoude schrijven, indien men zig van zijne opregt onderwerping en getrouw heid aan de Compagnie verzekerd kon houden En is dienvolgens met unanime stemmen goedgevonden en verstaan Eerstelijk aan de Commandanten van de Expeditie naar Siac, van dewelken men nog geen schrijvens ontvangen heeft laast te geeven, om, wanneer de tijding van Radja Ismaels overwinning waar mogte weezen, met Comp:s vaartuigen herwaards weder te keeren, 't zij dat zij - op den hun medegegeven brief van Radja Ismael al antwoord hebben bekomen of niet, mits egter voor hun vertrek door den eenen of anderen hem laatende bekendmaaken, dat deeze Regeering op de erlangde tijding van zyne overwinning en zyne verzekering aan dezelve, dat hy even als zynen broe¬ der Radja Mahomet Ali opregt met de

NL-HaNA_1.04.02_3556_1237 view scan ↗

English

355½ 715 the 27th of August 1779. the Company and its subjects, had recalled them, and if they, upon their arrival in the Siak river having received no intelligence of the said event, might have attacked any vessel of Radja Ismael, to excuse themselves toward him as if this had occurred on their own initiative, with a message of the following content: That the Company is accustomed to assist with its power its Friends and Allies who deal sincerely and faithfully with it, as Radja Mahomet Ali has always done since his submission to the Company, whenever they fall into difficulties, and that this Government for that reason sent Company vessels thither, but that no hostile actions would have been committed by them if it had been known that Radja Ismael was already placed in possession of Siak, and was disposed to live in peace and friendship with the Company. Firstly. The 27th of August 1779. Secondly, to point out to Radja Ismael, in reply to his letter, the surprise of this Government at his arrival in the river of Siak, with the purpose of putting himself in possession of that Realm, and even more at the accomplishment already of that purpose, remarking at the same time that nothing less had been expected than that Radja Ismael, to whom recently pardon was granted by the Noble High Indian Government for his former actions against the Company, with this express condition, among others, that Radja Ismael should persevere in peaceful sentiments, and leave his Lord Brother, Radja Mahomet Ali, unmolested, as the Governor and Council wrote to Radja Ismael in their letter of the 1st of November 1776, nevertheless so shortly thereafter would undertake to come and disturb Radja Mahomet Ali in a dominion which he possessed with the consent and under the protection of the Company, and that one can therefore also not 356 717 The 27th of August 1779: state with any certainty how this hostile action against Radja Mahomet Ali will be received by the High Government; but further to inform him that, in consideration of the success of his undertaking and upon the assurance received in his letter that he is sincerely disposed toward the Company and has resolved to maintain a true friendship with it, one would write about this in the most favorable terms to the High Government at Batavia, presenting the received letter to the Same; provided that Radja Ismael sincerely promises the Governor and Council that, upon being confirmed by the High Government in the Regency over Siak, he will likewise, without the least exception, accept and swear to, as well as sacredly maintain and observe, the Contract which was concluded in the year 1174 according to the Malay, or 1761 according to the European reckoning, between the Company and Radja Alam, and subsequently, after he had assumed the government, The 27th of August 1779. was accepted and sworn to in the most solemn manner by Radja Mahomet Ali, both for himself and for his Successors; that Radja Ismael consequently will always advocate and favor the shipping and trade of the Company's subjects to the Realm of Siak as well as the interest of the Company itself with the most sincere goodwill, as Radja Mahomet Ali has always done to the particular satisfaction of the Company; that Radja Ismael also in the meantime, or before one receives an answer from the High Government, will not cause the least injury or molestation to the Malacca merchants or their Authorized Agents and other inhabitants who are currently within the Jurisdiction of Siak or shall arrive there hereafter, nor permit such to be done by others, 357. 719 but on the contrary will provide them with all the freedom and facility in the continuation of their trade which they require and have hitherto enjoyed; and that Radja Ismael finally will not conduct any trade with any of the European Foreign Nations, nor enter into any alliance, but always adhere strictly to the Company and its subjects. Whereupon, the letters drafted by the Lord Governor in accordance with this Resolution having been read, it was resolved to conform thereto. Malacca in the Castle on the date aforementioned. Signed: P. L. de Bruijn, A. A. Werndlij, J. A. D. v. Schilling, A. T. Lemker, F. Therens, Johannes Lynslager, and A. Couperus. Agrees, J. Thierens The 27th of August 1779 Read D. Coijus Examined Various No. 10. Papers

Dutch transcription

355½ 715 den 27: Augustus 1779. de Compagnie en haare onderzaaten zal handelen, hun te rug ontboden heeft, en zoo zy met hunne komste in de Siacsche rivier geene kundschap van de gemelde gebeurenis gekregen heb„ bende, eenig vaartuig van Radja Ismael mogten hebben geattaqueerd, zig dientwegen by reme, even of zulks op eigen goedvinden geschiedde te laaten verschoonen, met eene bood„ schap. van den volgenden inhoud Compagnie gewoon is haare Dat de Vrienden en Bondgenooten, die opregte „lijk en getrouwelijk met haar handelen gelijk Radja Mahomet Ali sedert zijne onderwerping aan de Compagnie ƒ altoos gedaan heeft met haare magt bij te staan, wanneer zij en ongele„ V genheden geraaken en dat deeze Re¬ „geering uit dien hoofde Comp. s vaar „tingen derwaarts heeft gezonden, dog dat door dezelven geene vijandelijke actien gepleegd zouden zijn, indien men geweten hadt, dat Radja Ismael reeds in het bezit van Siai gesteld, en gezind was in vreede en vriend¬ „schap met de Compagnie te leeven Ten E Den 27: Augustus 1779. - Ten Tweeden aan Radja Ismael in antwoord op zijnen brief; voor te houden de verwondering deezer Regelen - „ringe over zijne komste in de rivier van Siac, met oogmerk, om zig in het bezit van dat Rijk te stellen, en nog meer over de bereiking reeds van dat oogmerk, onder remarque teffens van - niets minder vervagt te hebben, dan dat Radja Ismael, aan wien v'onlangs door de Edele Hooge Indische Regee¬ „ring pardon is verleend van zijne voo¬ „rige bedrijven tegen de Compagnie, met — 2 dit uitdrukkelijk beding, onder anderen, „ dat Radja Ismael in vreedzaau sentimenten zoude volharden, en zynen Heer Broeder, Radja Mahomet Ali¬ ongemolesteerd laaten, gelijk de Gouverneur ede en Raad zulks by hunnen brief van den 1. November 1776 aan Radja Ismael geschreven hebben, evenwel zoo kort daar na onderneemen zoude Radja Ma „honiet Ali te komen ontrusten in eene heerschoppije, die hy met toestemming„ „en onder de protectie van de Compagnie bezat, en dat men daar om ook niet geene 356 717 Den 27. Augustus 1779: O geene zekerheid melden kan, hoe deeze vyandelijke actie tegen Radja Aiaho ^ Hooge met Ali by de Regeering zal worden opgenomen. ! dog hem wijders te kennen te geeven, dat men uit consi „deratie van het succes zijner ouder¬ „neeming en op de erlangde verzeke„ „ring bij zijnen brief, dat hy omtrent de Compagnie opregtelijk gezind is, en besloten heeft eene waare vriend „schap met haar te onderhouden, daar over op het favorabelste aan de Hooge Regeering te Batavia zoude schrijven, onder aanbieding van den ontvangenen brief voor Hoog dezelve mits dat Radja Ismael den Gouver„ „neur en Raad met alle hartelijkheid beloove, dat hij door de Hooge Regee¬ „ring in het Regentschap over siac a bevestigd wordende, het Contract dat in den jaare 1174 naar de Maleidsche, of 1761. naar de Europi¬ „sche zijdrekening tusschen de Compa „gine en Radja Alam gesloten en vervolgens door Radja Ma¬ homet Ali, na dat hy in de regeering 2 was. Den 27. Augustus 1779. was gekomen zoo voor zig, als voor zijne Successeuren, op de plegtigste wijze geaccepteerd en bezwooren is insgelijks zonder de minste unt zou„ „dering zal accepteeren en bezweeren mitsgaders heiliglijk onderhouden en nakomen; dat Radja Ismael dien„ „volgens de vaart en handel van Comps onderdaanen op het Rijk van Siac zoo wel als het belang van de Com„ „pagnie zelfs steeds met de sinceerste welmenendheid zal voorstaan en begunstigen, gelijk Radja chahomet Ali altoos tot bijzonder genoegen van de Compagnie gedaan heeft, dat Radja Ismael ook intusschen, of voor dat men antwoord van de Hooge Regeering krijgt aan de Malaccasche kooplieden of hunne Gemagtigden en andere ingezetenen, die zig tans binnen de Iuzisdictie 5 van Siac bevinden, of na deezen daar komen zullen, geen het minste nadeel of overlast zal doen, nog gedoogen dat zulks door anderen gedaan 357. 719 gedaan worde, maar hun daarentegen alle de vrijheid en faciliteit in het voortzetten van hunnen handel beschik„ „ken, die zij noodig en tot hier toe ge„ „noten hebben; en dat Radja Ismael eindelijk met niemand der Europische Vreemde Natien eenigen handel zal drijven, nog in eenig verbond treeden maar zig alloos bepaaldelijk aan de Compagnie en haare onderzaaten houden Waar na gelezen zijnde de door den Heer Gouverneur volgens deeze Resolutie ontworpen breeven, is verstaan zig daar mede te con„ „formeeren Malacca in het Casteel dato voorsz getek:t P: L: de Bruijn, A A Werndlij J. A. D. v. Schilling A. T. Lemker, F. Therens, Iohannes Lynslager en ACoripenis Accordeert Jrn Thierins Den 27: Augustus 1779 Leerst ƒ D Coijus Nagezien Diverse No. 10. Papieren

NL-HaNA_1.04.02_3556_1247 view scan ↗

English

358 721 Today, the 19th of August 1779, appeared before me, Christiaan Godfried Baumgarten, First Sworn Clerk of Police of this Government, the Bandhara of Siac, Samal, who arrived here from Siac today, and the Chinese and Nachoda Pang, who, being questioned by me on the orders of the Right Honorable Sir Pieter Gerardus de Bruijn, Governor and Director of this city and Fortress, related: That five days ago, or precisely on the 15th of this month, Radja Ismael, with a fleet of 40 large penjajaps and kakaps, all equipped with artillery and manned by 800 to 1000 men, arrived at Bouquit batoe, and after he had lingered there a very short time to await the rising tide, entered the river of Siac; That upon the arrival of that fleet in the said river, armed men continuously came ashore with and alongside Radja Ismael; That these men who came ashore took prisoner the Radja Toenkola, being the Captain or the Head of the fishermen at Siac, and all the fishermen residing along the river bank; That the wives and children of those fishermen followed their husbands; That the Appearers do not know what Radja Ismael did with the said Toenkola, but they do know that he sent the captured fishermen on board his vessels in order to row them up the river of Siac; That Radja Ismael had also captured the first-mentioned Appearer, but that, having previously received orders from the King at Siac to flee to Malacca in case anything of the sort La: A. should happen, and because he had double reason to fear Radja Ismael since he had served against him in previous years, he sought an opportunity to flee, and finally obtained it under the pretext that he would take along some provisions and his wife and children; That, after the said escape, he went on board the last-mentioned Appearer's vessel; That that vessel had already drifted down the river and lay in the mouth of it, somewhat out of sight of Radja Ismael's fleet, in order to set sail for Malacca as soon as its Nachoda, the second Appearer herein, should obtain some fish roe; That the said second Appearer had also already, about twelve days ago, received a letter from the King of Siac for delivery to the Right Honorable Governor here, which he indeed delivered today; That the frequently mentioned second Appearer was ashore upon the arrival of Radja Ismael's fleet, was likewise taken prisoner by Radja Ismael's men, and brought before their Lord; That Radja Ismael then caused to be taken from this Appearer, under the pretext that this was done on loan, two blunderbusses and three muskets that he had with him, and in return handed over a paper written in the Malay language, with orders to deliver it to any of the Company's cruisers that might arrive; That after receiving this paper, which he had neglected to bring ashore here, though his crew had already gone on board to fetch it, he fled with the first-mentioned Appearer on board 50 359. /5 his vessel, which, as mentioned before, lay almost ready to sail, set sail therewith, and, as written above, arrived here today; That by this departure both Appearers were unable to obtain further knowledge of Radja Ismael's undertakings, other than that Radja Ismael rowed up the river with his vessels, and that which they have related and which is set down herein; The first-mentioned Appearer further related that there was no merchant vessel down the river when Radja Ismael entered it, and that the King of Siac had twelve penjajaps lying up the river, but that the artillery had not yet all been brought on board them, and that His Highness's other vessels were still hauled up on shore. Thus related in Malacca at the Castle, date as above. Signed with one Malay and some Chinese characters, and written around it by Bandhara Samal and Nachoda Pang. Below stood: which I attest. Signed C. G. Baumgarten, First Sworn Clerk. Baumgarten Clerk Agrees 723 Examined BB Carsoo La. B. 360 725 Translation of a Malay missive written by Radja Ismael, calling himself Sultan Abdul Jalil Rachmat Shah, to the Right Honorable Sir Governor and the Council at Malacca, received the 19th of August 1779. After the usual compliments. This serves to inform my friend the Governor and the Council that I send this letter because I have no time to inform the Company otherwise, but am in haste to settle my affair, without knowing whether it will turn out well or not well. I am not at all inclined to wage war against my brother, the King of Siac; but if he wages war against me, what else can I do against it than fight as well. If it can be done, I request that the Company do not interfere with us at all, but that it accept whichever of the two of us shall have had the fortune to triumph, for I intend to undertake nothing at all against the Company, but shall, if I triumph, possibly be more devoted to it than my brother is. Should it happen that I wage war with my brother, and there is anything belonging to the Company at Siac, and as much as the value of a pin should be lost thereof, then I am answerable for it. I will not deviate from the aforesaid. Tamat. Written in the year 1193. Below stood: Thus translated according to the statement of the Sworn Interpreter Intje Taijer, below by me, signed C. G. Baumgarten, First Sworn Clerk. In the margin: for the statement, it was signed with some Malay letters. Agrees. Baumgarten J Nagelien Woutersz 1

Dutch transcription

358 721 Op heden den 19. Augustus 1779 compareerden voor mij Christiaan Godfried Baum„ garten, Eerste Gezworen klerk van Politie deezes Gouverne„ „ments, de op heden van Siac gearriveerde Bandhara aldaar Samal, en de Chinees en Nachoda Pang, dewelke ter ordre van den wel Edelen Gestrengen Heer Pieter Gerardus de Bruijn, Gouverneur en Directeur deezer stad en Fortresse, door mij ondervraagt zijnde, relateer„ den Dat nu vijf dagen geleden over eigenlijk den 15. deezer Radja Ismael met eene vloot van 40 zoo groote pan„ jajabs als kakaps, allen met geschut voorzien en niet 800. – a 1000 –. koppen bemant, op Bouquit batoe aangeko„ „men, en na dat hij aldaar een zeer korten tijd verloefd hadt, om het wassende water af te wagten, de revier van siac binnen geloopen was Dat bij de komste dier vloot in de gemelde rivier gesta„ „dig gewapend volk met en benevens Radja Ismael aan land gekomen is; dat deeze aan land gekomen manschappen, den Radja Toenkola / zijnde de Capitein of het Hoofd der visschers op Siac, en alle de aan de revier kant woonagtige visschers, gevangen genomen hadden; Dat de vrouwen en Kinderen dier visschers hunne mannen gevolgt zijn Dat de Comparanten niet weeten wat Radja Ismael met gemelden Toenkola gedaan, maar wel, dat hij de gevangen visschers aan boord van zijne vaartuigen ge„ „konden heeft, om dezelven de revier van Siac opwaarts te roeijen; Dat Radja Ismael ook dien eerstgemelden Comparant heedt gevangen gekregen, dog dat hij bevoorens ordre van den Koning te Sice bekomen hebbende; bij aldien iets diergelijks La: A. diergelijks gebeurde, naar Malacca te vlugten, en de„ „wijl hij dubbelde reden hadt om Radja Ismael te vreezen nademaal hij in voorige jaaren tegen denzelven gedient hadt, gelegendheid tot de vlugt gezogt en ook eindelijk onder het gebruikte voorwendzel van eenige behoeften en vrouw en Kinderen te zullen medeneemen, bekomen hadt; Dat hij zig naar de gemelde ontkoming aan boord van des laastgemelden Comparants vaartuig begeven hadt; Dat, dat vaartuig bereets de revier afgezakt geweest, en in den mond derzelve eenigzints uit het gezegt van Radja Ismaels vloot gelegen hadt, ten einde zoo dra dies Nachoda, de tweede Comparant in deezen, nog wet vischkuit zoude hebben bekomen, naar Malacca te steevenen Dat de gemelde tweede Comparant ook bereets voor om„ „trent twaalf dagen een brief van den Koning van Siac ter bestelling aan den Wel Edelen Heer Gouverneur alhier ontvangen hadt, gelijk dezelve ook heden door hem was besteld geworden; Dat hij meergemelde tweede Comparant bij de komste van Radja Ismaels vloot aan land geweest, en door Radja Ismaels volk insgelijks gevangen genomen, en voor deezen hunnen Heer gebragt was; dat Radja Ismael hem Comparant toen, onder voor„ geeven dat zulks ter leen geschiedde, hadd laaten wegnee„ „men twee bij zig gehadt hebbende donderbussen en drie snaphaanen, en daar en tegen weder overhandigt een in de Maleitsche taale geschreven papier, met ordre om, wanneer een Comp:s kruisser kwam, het aan denzelven af te geven; dat hij na den ontvangst van dit papier, hetwelke hij verzuimt hadt alhier aan land te brengen, dog om het welke te haalen zijn volk bereets naar boord gevaa„ „ren was, met den eerstgemelden Comparant naar boord van 50 359. /5 van zijn als vooren gemeld omtrent zeil reede leggend vaartuig gevlugt, daar mede onder zeil gegaan, en gelijk voorschreven staat, heden alhier gearriveert is; Dat zij beide Comparanten door dit vertrek zijn buiten staat geraakt meerdere kennisse van Radja Ismael's onderneemingen te bekomen, als dat Radja Ismael met zijn vaartuigen de revier opwaarts geroeid is, en het gene zij gerelateerd hebben, en in deezen ter neder gesteld is; Nog relateerde de eerstgemelde Comparant dat 'er geen handel-vaartuig beneden in de revier was, toen Radja Ismael binnen dezelve kwam, en dat de koning van siac boven inde revier twaalf panjajabs hadt leggen, dog dat het geschut nog niet altemaal aanboord van dezelve gebragt geweest was, en dat zijn Hoogheid verdere vaartuigen nog op de wal opgehaald lagen Aldus gerelateerd Malacca in het Casteel datum ut supra /:getekend/ met een maleitsche en eenige chineesche caracters en daar om geschreven gesteld door Bandhara Samal en Nachoda Pang /daar onder stond/ quod attestor /getekend C. G. Baumgarten E: G. Klerk Laumgarten klerk Accordeert 723 Nagezin BB Carsoo La. B. 360 725 Translaat Maleitsche Missive geschreven door Radja Ismael, zig noemende Sultan Abdul Talil Rachmat Cha, aan den Wel-Edelen Gestrengen Heer Gouverneur en den Raad te Malacca, ontvangen den 19. Au„ „gustus 1779. Na de gewoone Complimenten. Deeze dient om mijnen Vriend den Heer Gouverneur en den Raad kennisse te geeven, dat ik deezen brief zende dewijl ik geen tijd heb om anders der Compagnie kennisse te geeven, maar haast heb om mijn zaak af te doen, zonder te weeten of het goed of niet goed zal uitvallen, Ik ben in 't geheel niet geintentioneerd mijnen broeder den Koning van Siac te beoorbogen; dog bij aldien hij tegen mij oorloogt wat zal ik daar tegen anders doen als ook te vegten. Kan het geschieden zoo verzoeke ik dat de Compagnie zig in 't geheel niet met ons bemoeije, maar dat zij den genen van ons beiden aanneeme, dewelke het geluk zal hebben gehadt te trium„ „pheeren, want, ik gedenk in 't geheel niets tegen de Com„ pagnie te onderneemen, maar zal, haar, bij aldien ik triumpheere, mogelijk meerder toegedaan zijn, als het mijn broeder is. Geschiedt het dat ik met mijn broeder oor„ „looge, en het is 'er iets dat de Compagnie toebehoord op op Siac, en daar van raakt de waarde van een spelt verlooren, zoo ben ik 'er. Ik zal van het gemelde niet afwijken. Thamat Geschreven in het jaar 1193 /onderstond/ Aldus ge„ „translateerd volgens opgaave van den Gezworen Tolk Intje Taijer (lager) door mij (getekend/ C. G. Baumgar„ „ten, E. G. Klerk (in margine) voor de opgaave /was getekend) met eenige Maleitsche letters. Accordeert. agarten J Nagelien Woutersz 1

NL-HaNA_1.04.02_3556_1255 view scan ↗

English

La. O: 361. 727 Instructions for the Military Lieutenant Johan Andries Hensel and Master Attendant Hermanus Selgerhuijs, to regulate themselves accordingly during the expedition to Siac. Whereas it came to our knowledge yesterday that Radja Ismael has dared to enter the river of Siac with a fleet of forty vessels, both large panjajabs and kakaps, all equipped with cannon and manned by eight hundred to one thousand men, certainly with the intention of taking possession of that Kingdom; as can be clearly gathered from his letter written to us: we have therefore, in order to prove to the King of Siac, as a faithful Friend and Ally of the Company, the help and assistance which he in fairness might expect from us against the execution of this evil plan of his, resolved in the Council of Policy to dispatch thither at once the bark Geertruida Susanna, the sloop Ciceroa, and the pantjallang Bestendigheid, all provided with the necessary ammunition and provisions, the first being reinforced with two Corporals, a Drummer, and twenty-four soldiers, and each of the latter two with a sergeant, a Corporal, and twelve soldiers, in full armaments, under the command of both Your Honors, specifically such that the Military personnel shall be under Lieutenant Hensel and the Seafarers under Master Attendant Selgerhuijs, and to give Your Honors the following orders for your guidance in this expedition. 1. After the receipt of these Instructions, Your Honors must board the bark Geertruida Susanna and with it, along with the sloop Ciceroa and pantjallang Bestendigheid, set sail as soon as the occasion permits, setting course for the river of Siac. 2. Having arrived there, Your Honors must try to give notice to the King of that Kingdom of Your Honors' dispatch to his assistance, and also have His Highness informed in our name that He must offer brave resistance to the enemy, in order to constrain him from both sides and force him to retreat. Your Honors must have this message delivered to His Highness successively by two or three persons, if Your Honors have any opportunity thereto, and in this matter consult with the Malay Samal, a native of Siac, who crosses over with Your Honors for that purpose. Meanwhile Your Honors must, without lingering anywhere except in case of the utmost necessity, sail up the river with the said sloop and pantjallang as far as the Residence of the King of Siac, and inquire about the state of affairs there from all the fleeing or other subjects of that Monarch whom Your Honors encounter underway, in order to make the necessary use of it, without however paying more regard to their reports than prudence allows, nor believing any other news than that deemed trustworthy by the said Siacker Samael, to prevent deception. 3. Even if it should be reported to Your Honors in the aforementioned or any other manner that Radja Ismael's fleet has been beaten, driven off, or, without having undertaken anything, has departed again, Your Honors must nonetheless continue your journey up to the Residence of the King of Siac, in order to learn the truth thereof more closely, and, finding it to be so, then turn back. 4. All the vessels of Radja Ismael and his adherents that Your Honors encounter underway, Your Honors must attack and, as far as is at all possible, destroy, or drive off while inflicting all possible damage, in order in that manner, without lingering to pursue single fleeing vessels, to clear the river of Siac of that rabble while sailing up to the King's Residence. 362. 729 5. In case the enemy, whether through the resistance offered him or otherwise, should be forced to abandon his undertaking, and he comes drifting down the river, or upon Your Honors' arrival there should not yet have advanced to the King's Residence, and thus his entire fleet is encountered by Your Honors, Your Honors must not only bravely attack him, and inflict as much damage as would be at all possible by capturing or destroying most of his vessels, but also pursue him to outside the river, and, having thus ruined and scattered his fleet, remain lying for twenty-four hours in or outside the mouth of the river, at the place where Your Honors shall judge it safest, but, perceiving no more enemy vessels during the same, return back hither. 6. If, on the contrary, Your Honors encounter only single vessels underway and not the whole enemy fleet, you must deal with them as ordered here before under Section 4, until Your Honors arrive at the King's Residence, and finding the enemy there engaged in the attack, act against him as has been prescribed to Your Honors in Section 5. 7. But, in case Radja Ismael, before Your Honors' arrival yonder, should have succeeded so far in his undertaking that he had already captured the King's Residence, and Your Honors obtain certain news thereof, then Your Honors must sail no further, nor attempt anything offensive, but have the letter given to Your Honors for that purpose delivered to Radja Ismael by one person or another, and with a request to reply to it in writing, the Draft of this letter being appended hereto, and,

Dutch transcription

La. O: 361. 727 Instructie voor den Luite Nademaal ons op gisteren ter kennisse gekomen is, dat Radja Ismael zig verstout heeft met eene vloot van veertig zoo groote panjajabs als kakaps, allen met geschut voorzien en met agt honderd of duizend koppen bemand, de rivier van Siac binnen te loopen, zekerlijk met intentie om zig in het bezit van dat Rijk te stellen; gelijk dat niet duister uit zijnen aan ons geschrevenen brieff kan worden afgenomen: zoo hebben wij, om tegen de uitvoering van dit zijn kwaad des„ sein den koning van Siac, als een getrouwen Vriend en Bond„ genoot van de Compagnie, te bewijzen de hulpe en adsistentie, die hij naar de billijkheid van ons zoude kunnen verwagten, in Raade van Politie besloten de bark de Geertruida Susan„ na, de sloep de Ciceroa, en de pantjallang de Bestendigheid, alle voorzien van de benoodigde amunitie en provisien, mits„ „gaders de eerste versterkt met twee Corporaals, een Tamboer„ en vier en twintig soldaaten, en ieder der beide laaste met een sergeant, een Corporaal, en twaalf soldaaten, met hunne volle wapenen, ten eersten derwaarts te expedieeren, onder het gezag van Uw E. beiden, zoo naamelijk, dat de Militairen zullen staan onder den Luitenant Hensel en de Zeevaaarenden onder den Equipagie overzigter Selgerhuijs, en Uw E. tot hun narigt in deeze expeditie mede te geeven de volgende orders. Na den ontvangst deezer Instructie moeten UwE. zign aan boord begeeven van de bark de Geertruida Susanna, en daar mede, nevens de sloep de Ciceroa en pantjallang de Besten„ digheid, zoo dra de gelegenheid zulks toelaat, onder zeil gaan„ cours stellende naar de rivier van Siac „nant Militaire Johan Andries Hen„ „sel, en Equipagie opzigter Hermanus Selgerhuijs, om zig daar naar in de expeditie naar Siac te reguleeren. 2. 2. Aldaar gekomen zijnde, moeten UwE: tragten den Ko„ „ning van dat Rijk kennisse te geeven van UwE. uitzending ter zijner adsistentie, en zijne Hoogheid teffens uit onzen naame laaten aanzeggen, dat Hij den vijand dapperen tegenweer moet bieden, ten einde hem dus van weerskanten te benauwen, en tot de retraite te noodzaaken. Deeze boodschap moeten uwE. door twee over drie persoonen successivelijk aan zijne Hoogheid laaten doen, zoo UwE. daar maar eenige gelegenheid toe hebben, en in deezen te raade gaan met den op Siac t'huishoorenden Ma„ „leijer Samal, welken ten dien einde met uw E. overvaart. Ondertusschen moeten UwE. , zonder zig elders buiten de hoogst noodzaakelijkheid op te houden, met de gemelde sloep en pan„ tjallang, de rivier opvaaren tot aan de Residentie plaats van den Koning van Siac, en alle de vlugtende of andere onder„ „hoorigen van dien Vorst, dewelke UwE. onderweegs ontmoeten, vraagen na den staat der zaaken aldaar, om 'er het noodig gebruik van te maaken, zonder egter op hunne rapporten meer„ „der regard te slaan, als de voorzigtigheid zal toelaaten, nog ook eenige andere berigten te gelooven, als die door den gemelden Siacker Samael geoordeeld werden geloofwaardig te zijn, tot voorkoming van misleiding. Afschoon nu op de evengemelde ofer eenige andere wijze aan Uw E. gerapporteerd mogte werden, dat Radja Ismaels vloot geslagen, verjaagd, ofer, zonder iets te hebben ondernomen, weder vertrokken is, moeten Uw E. evenwel hunne reize voord„ zetten tot aan de Residentie van den Koning van Siac, ten einde de waarheid daar van nader te verneemen, en, het zoo be„ „vindende, dan te rug keeren. Alle de vaartuigen van Radja Ismael en zijnen aanhang„ dewelke uwE. onderweegs ontmoeten, moeten Uw E. attequeeren„ en, zoo veel het immers geschieden kan, vernielen, of met toebrenging van alle mogelijke schade verjaagen, om indier„ voegen 3. 4. 362. 729 „voegen, zonder zig met het vervolgen van enkelde vlugtende vaartuigen op te houden, de rivier van Siae onder het opzeilen naar 's Konings Residentie, van dat gespus te zuiveren. Bij aldien de vijand, 't zij door den hem geboden tegenstand, of anderzins, mogte weezen genoodzaakt om zijn voorneemen te staaken, en hij de rivier komt afzakken, dan wel bij uwE: komste aldaar nog niet tot aan de Residentie van den Koning mogte weezen gevorderd, en dus zijne gansche vloot door uwE. ontmoet wordt, moet uw E: denzelven niet alleen manmee„ de „dig aantasten, en door het overmeesteren of vernielen van meesten zijner vaartuigen zoo, veel schade toebrengen, als immers mo„ „gelijk zoude zijn, maar hem ook tot buiten de rivier ver„ „volgen, en, zijne vloot dus geruineerd en verstroot hebbende in of buiten de mond der rivier, ter plaatze, waar UwE. zulks het veiligste zullen oordeelen, een etmaal blijven „leggen, dog, geduurende hetzelve geen vijandelijk vaartuig meer gewaar werdende, herwaarts te rug keeren. Waarentegen Uw E. , maar enkelde vaartuigen en niet de gansche vijandelijke vloot, onderweegs rencontreerende daar mede handelen moeten gelijk hier vooren onder §4. geordon„ „neerd is, tot dat uw E. komen aan 's Konings Residentie en den vijand daar vindende bezig met de attaque, zoodanig tegen hem ageeren als D 5. uwE. is voorgeschreven. Maar, bij aldien Radja Ismael voor uw E. komste ginder in zijne onderneeming dus verre mogte weezen gereusseerd, dat hij 's Konings Residentie plaats al over„ „meesterd hadt, en uw E. daar van zekere tijding krijgen, dan moeten UwE. niet verder vaaren, nog iets offensiefs be„ „staan, maar door den eenen of anderen aan Radja Ismael laaten bestellen den uw E. ten dien einde mede gegeven worden„ den brief, & mett verzoek om 'er schriftelijk op te antwoorden, t 't Conceppt van deezen brief is hier agter gevoegd en, 5. 6: 7

NL-HaNA_1.04.02_3556_1258 view scan ↗

English

and, having received that answer, to send the same to us immediately, in order to await our further orders; but if in the meantime you are unexpectedly attacked in a hostile manner by the fleet of Radja Ismael, it goes without saying that Your Honors must defend yourselves as becomes men of honor. To bring Your Honors' letters hither and our answer back, the two small native vessels are suitable, which depart under Your Honors' convoy; by which Your Honors must give us knowledge of all tidings or occurrences of any importance. Your Honors are most earnestly recommended to receive no natives, whether Siackers or others, on board, nor to trust them more than is consistent with prudence, but on the contrary always to be vigilant and on Your Honors' guard, not to esteem the enemy too lightly, in all Your Honors' undertakings to keep in view the honor of the flag of the Dutch State, to take proper care of the keels, war material, provisions, and crews entrusted to Your Honors, to maintain good discipline among the latter, and even also to live with one another in peace and harmony; in order thus to foil the ruses and ambushes that might be employed against Your Honors, and always to be in a posture to vigorously attack and defeat the enemy wherever or whenever Your Honors meet the same, with the Blessing of the Almighty, which we heartily wish Your Honors. Malacca in the Castle, the 20th of August 1779 / signed: / P. G. de Bruijn / in the margin was written: / By order of the Honorable Governor and the Council /: signed / F:s Thierens Sec.s Agrees Baumgarten Sworn Clerk ze 363. 731 The Commanders of the Company's vessels arrived in the river of Siac, Iohan Andries Hensel and Hermanus Telgerhuijs, write this letter to Radja Ismael, to inquire politely of His Highness whether the same now, having conquered Siac, is inclined faithfully to fulfill what His Highness promised in his latest letter to the Governor and Council of Policy at Malacca, namely of being more attached to the Company than his Brother Radja Ali has constantly shown himself toward it, or whether Radja Ismael is differently disposed! The undersigned requesting to have a prompt written answer thereto, in order to communicate it to their Masters. Written on the Company's bark the Geertruida Susanna in the year 1779 /: signed: / J:n A:s Hensel / and H: Telgerhuijs Baumgarten Sworn Clerk Agrees Examined BCarpov 364 733 Translation of the Malay Missive written by Radja Ismael, styling himself Sulthan Abdul Salil Rachmat Cha Caliphadul Mominin, who has his court at Siac at Indrapoura, to the Right Honorable Pieter Gerardus de Bruijn, Governor and Director of the City and Fortress of Malacca, as well as the Council, received the 26th of August 1779. After the customary Compliments. Furthermore I make known to my Friend that, being inclined to send a letter of friendship to my Friend, I cause Said Abdul Hachman to depart for Malacca, to meet my Friend and to convey my many greetings. Further it serves that, having departed from Lanthaar to Siac without giving my Friend notice thereof, I redouble my greetings. I also communicate herewith that from of old until now I have had to wander hither and thither in other People's lands, and places on islands and at sea, but now through God's help, shown to His slave, I have obtained my places at Siac; of which I give knowledge to my Friend. La. D I I submit myself to the orders of my Friend; for in my heart there reigns a sincere affection, and I therefore request that my Friend support me, as my Friend has done for my brother. I wish likewise to act as my brother has acted. But if my Friend has no true inclination to leave me in possession of Siac, then I request an answer in order to know such, as I also request to be informed if my Friend is inclined thereto. I do not intend ever or at all to undertake any evil against my Friend. Believe me, my Friend, and do not be uneasy because my Father did not act toward the Company as was proper. I have written a letter to the Lord General and the Government at Batavia, and I rely on my Friend regarding its delivery. Furthermore I make known to my Friend, in case any vessel of my Friend for trade goods is at Siac or Patapahan, that my Friend send a trusted person to Siac so that I can trade with him; for I desire to cause no unrest over anything that belongs to my Friend, but I am sincerely disposed toward my Friend and the Company. I will also make inquiry as far as possible after that which belongs to the Moors at Siac or Pattapahan. My 365. 735 May my Friend please not have any distrust of me at all in his heart, as if I had evil intentions; for I have truly resolved to cherish a sincere friendship with my Friend in my heart. I have nothing as a token of life, except that I pray to God for His blessing. Thamat Written in the Year 1193, the 9th day of the month Saban, on Sunday, being the 22nd of August 1779 / underneath was written / Thus translated according to the statement of the Sworn Interpreter Intje Taijer, Malacca in the Castle, the 26th of August 1779, by me / signed / C: G: Baumgarten Sworn Clerk / in the margin was written / for the statement / signed / with some Malay characters J Baumgarten Sworn Clerk Agrees that the Government 26th August I no 6 Examined P Woutersz

Dutch transcription

en, dat antwoord bekomen hebbende, ons hetzelve ten eersten toezenden, om onze nandere ordres in te wagten; dog intusschen buiten verwagting door de vloot van Radja Ismael vijandelijk aangerand wordende, spreekt het van zelfs dat UwE. zig wee„ „ren moeten gelijk het mannen van eer betaamt Om de brieven van Uw E. naar herwaarts en ons ant„ „woord te rug te brengen zijn, de twee kleine inlandsche vaar„ „tuigen geschikt, die onder uwE. convooi vertrekken; met dewelken Uw E. ons kennis moeten geeven van alle tijdingen of voorvallen van eenig gewigt Wordt uw E. ten ernstiesten aanbevoolen geene inlan„ „ders, 't zij Siackers of anderen, binnen boord te ontvangen, nog hun meer te vertrouwen, als met de voorzigtigheid overeenkomt, maar daarentegen steeds waakzaam en op uw E. hoede te zeijn, den vijand niet te gering te agten, in alle Uw E. onderneemingen, de eer der vlagge van den Nederlandschen staat in het oog te houden, voor de aan uw E. toevertrouwde kielen, krijgsting, provisien, en manschappen behoorlijke zorg te draagen, onder de laasten eene goede disci„ „pline te onderhouden, en zelfs ook met elkanderen in vrede en eendraagt te leeven; ten einde zoo de listen en laagen, die tegen uw E. mogten in het werk gesteld worden, te verijdelen, en altoos in postuur te zijn van den vijand, waar over wanneer uwE: denzelven ontmoet, vigoreuselijk te kunnen aantasten en verslaan met den Zegen van den Almagtigen, dien wij Uw E. van harte toewenschen. Malacca in het Casteel den 20. Augustus 1779 / getekend:/ P. G. de Bruijn / in margine stond/ Ter ordonnancie van den Edelen Heer Gouverneur en den Raad /:getekend/ F:s T hierens Sec. s Accordeert Naumgarten Gj Klerk ze 363. 731 De Commandanten van Comps: in de rivier van siac gekomen vaartuigen Iohan Andries Hensel en Her „manus Telgerhuijs schrijven deezen brief aan Radja Is„ „mael, om zijner Hoogheid vriendelijk af te vraagen, of Dezelve nu, Siac overwonnen hebbende, genegen is getrouwelijk te volbrengen wat zijne Hoogheid bij zijnen jongsten brief aan den Gouverneur en Raad van Politie te Malacca belooft heeft, van naamelijk der Compagnie meer toegedaan te zullen zijn, dan zijn Broeder Radja Ali zig steets omtrent haar betoond heeft, dan over Radje Ismael anders gezind is! Verzoekende de ondergete„ „kenden daar op spoedig een schriftelijk antwoord te mo„ „gen hebben, om het aan hunne Gebiederen te commu„ „niceeren. Geschreven op Comps. bark de Geertruida Susanna in het jaar 1779 /:getekend:/ J:n A:s Hensel/ en H: Selgerhuijs Paumgarten E. G: Kleef Accordeert Nagezien BCarpov 364 733 Translaat Maleitsche Missive geschreeven door Radja Ismael, zig noc„ „mende Sulthan Abdul Salil Rach„ „mat Cha Caliphadul Mominin, die zijn kelel te Siac op Indrapoura heeft, aan den Wel Edelen Gestrengen Heer Pieter Gerardus de Bruijn Gouverneur en Directeur der Stad en Fortresse Malacca, benevens den Raad, ontvangen den 26. Augustus 1779 Na de gewoone Complimenten Wijders maak ik mijnen Vriend bekend, dat ik genegen zijn„ „de eenen brief van vriendschap aan mijnen vriend te zenden, naar Malacca vertrekken laat Said Abdul Hachman, om mijnen vriend te ontmoeten, en mijne veelvuldige groete af te leggen. Voorts dient dat ik van Lanthaar naar Siac vertrokken zijnde, zonder mijnen Vriend daar van kennisse te geeven, mijne groete verdubbelde. Nog Communiceere bij deezen, dat ik van ouds af tot nog toe ginds en herwaarts heb moeten zwerven in andere Lieden landen, en plaatzen op eilanden en in zee, dog tans doer Gods hulpe, aan zijnen slaaf beweezen, mijne plaatzen op Siac bekomen heb; waar van ik mijnen Vriend kennisse geeff. La. D Ik Ik onderwerpe mij aan de beveelen van mijnen Vriend; want in mijn hart heerscht een opregt genegentheid, en ik verzoek derhalven dat mijn Vriend mij, gelijk mijn Vriend mijnen broe„ „der gedaan heefft, ondersteune Ik wil insgelijks handelen gelijk mijn broeder gehandeld heeft Edog heeft mijn Vriend geene waare genegentheid om mij Siac in bezit te laaten, zoo verzoek ik antwoord, ten einde zulks te weeten, gelijk ik ook verzoeke onderrigt te worden, bij aldien mijn Vriend daar toe genegen is. Ik ben niet geintentioneerd ooit of wit eenig kwaad tegens mijner Vriend te onderneemen. Gelooft mij mijn Vriend, en wees niet ongerust om dat mijn Vader niet zoo als het behoorde tegens de Compagnie gehandeld heeft. Ik heb een brieff aan den Heer Generaal en de Regeering te Batavia geschreven, en ik vertrouw nopens dies bestelling of mijnen Vriend Wijders maak ik mijnen Vriend bekend, bij cildien ver slofgep van mijnen Vriend voor negotie goederen zig op Siac of Patarfacke bevindt, dat mijn Vriend een vertrouwd persoon naar Siac zende op dat ik met hem kan handelen; wanst ik begeer over niets dat mijn Vriend toebehoord onlusten te veroorzaeken, maar ik ben opregt teegens mijnen Vriend en de Compagnie geziend ook zal ik naar mogelijkheid onderzoek doen na het geene wat van de Moeren op Siac of Pattapahan is, Mijn 365. 735 Mijn Vriend gelieve in't geheel geen mistrouwen op mij in zijn hart te hebben, als of ik kwaat in zin hadt; want ik heb waarlijk beslooten een opregte vriendschap met mijnen Vriend in mijn hart te koesteren Ik heb niet tot een teeken des leevens, als dat ik God om zijnen zegen bid Thamat Geschreven in het Iaar 1193 den 9 dag der maand Saban op zondag, zijnde den 22. Augustus 1779 /onderstond/ Aldus getranslaaleert volgens op gaave van den Gezweren Tolk Intje Taijer, Malacca in het Casteel den 26. Augustus 1779, door mij /getekend/ C: G: Baumgarten E. G. klerk /inmarg „ne stond/ voor de opgaave /getekend/ met eenige Maleitsche caracters J Daumgarten E EG: klerk Accordeert dat e ring 2e Au ik geene 6 Nagesien P Woutersz

NL-HaNA_1.04.02_3556_1267 view scan ↗

English

366. 737 Malacca To the Right Honorable and Valiant Sir Pieter Gerardus de Bruijn Governor and Director of the city and fortress, together with the other Honorable Gentlemen of the Council of Policy there Right Honorable and Valiant Sir and Honorable Gentlemen After receiving the order from your Honor, we, the undersigned servants, proceeded on board and set sail that same evening, but due to contrary winds and calms, arrived before the mouth of the Strait of Campar on the 24th of this month, where in the evening a small vessel from Malacca came alongside us with a letter from your Honor. We sent the said Malay with his vessel on reconnaissance, who returned on board to us on the 25th of this month at 11 o'clock at night. He reported to us that he had spoken with a native in the forest whom he himself had previously commanded as head, and that this man had told him that the country had surrendered to Radja Ismael, but the aforementioned Malay did not want to come close to him, whereupon he asked him to go on board to us with him, La. E but but he refused and said that he was going to a vessel of Radja Ismael which lay in the river of Gontong to gather the people together to place themselves under Radja Ismael, but we did not attach any credence to this and continued our journey past the village of Boekie Batoe. On the morning of the 26th at daybreak we sent one of our native vessels to the aforementioned village, which returned on board at 11 o'clock and reported to us that all the inhabitants of the said village had gone upriver to Radja Ismael, and they brought aboard 4 Chinese in a prahu whom they had found there, who declared to us that Radja Ismael had taken the country, and the king had fled with two men, including Nachoda Jora, a Javanese, without offering the slightest resistance to his enemy, but before his flight had set fire to his own dwelling and powder magazine, whereupon we requested the Chinese to deliver the letter from your Honor to Radja Ismael, but the Chinese refused to take the letter upriver out of fear of Radja Ismael. The said Chinese declared to us that last night a said from Radja Ismael had already been dispatched with a letter to your Honor. Subject to your Honor's favorable pleasure, we have decided to proceed so far up the river of Siac as above the island Poelo Gontong to obtain further news and also to see if we can get the letter upriver from there; we are also halfway forced to do so in order to obtain fresh water. Wherewith we, as duty-bound servants of your Honor, 367 739 deem it our duty to give notice thereof to your Honor, and have the honor with all respect to call ourselves, at the bottom was written: Right Honorable and Valiant Sir and Honorable Gentlemen, lower: your Honor's humble and duty-bound servants, signed: J:n A Hensel and H=s Selgerhuijs. In the margin was written: on the brigantine De Geertruida Susanna, 26 August 1779. — G. Klery Agrees. — Pheumaarten and Examined. van Rossum La. K 368. 741 To Lieutenant Johan Andries Hensel and Equipment Overseer Hermanus Selgerhuijs, Commanders of the expedition to Siac Good Friends, The Said Abdul Rachman, who arrived here yesterday afternoon, has delivered to the undersigned Governor a letter from Radja Ismael, in which he writes to us that he has already conquered Siac. And if this report is true, as under the circumstances, although we have not yet received any writing from you, we must infer, we order you to return at once with the bark and the other vessels, whether you have already received an answer to the letter given to you for Radja Ismael or not. But before your departure, you must have it made known to Radja Ismael by one means or another that upon receiving the news of his victory and upon his assurance to us that, just like his brother Radja Mahomet Ali, he will deal sincerely with the Company and its subjects, we have recalled you. For otherwise he might think that you had left the river of Siac out of cowardice. The surrender of the King's place of residence, Mapoera, to Radja Ismael is said to have taken place on the 19th of this month. We therefore do not doubt that you will have received news of it as soon as you entered the Siac river. But if, having remained ignorant of that event, you should have attacked any vessel of Radja Ismael, you must offer an excuse to him on that account with a message of the following content: That the Company is accustomed to assist with its power its friends and allies who deal sincerely and faithfully with it, as Radja Mahomet Ali has always done since his submission to the Company, whenever they get into difficulties, and that for this reason we have dispatched you thither, but that no hostile actions would have been committed by you if you had known that Radja Ismael had already been placed in possession of Siac and was minded to live in peace and friendship with the Company. However,

Dutch transcription

366. 737 Malacca Aan den Wel-Edelen Gestrengen Heer Pieter Gerardus de Bruijn Gouverneur en Directeur der stad en fortresse beneevens de verdere E Heeren Raaden van Politie aldaar wel Edele Gestrenge Heer en E Heeren Naer de ontfangst der order van uwel Edele Gestrenge hebben wij ondergetekende dienaaren ons aan boord vervoegd, en zijn denselven avond nog onder zeil gegaan, dog zijn door Con„ „trarie wind en stilte, op den 24: deezer voor de mond van straat Campar gekomen, alwaar s' avonds een klein vaartuig van Ma„ „laua met een brief van uwel Ed: Gestr: bij ons aanboord kwam, stuurden gemelden Maleijer met zijn vaartuig op kundschap, denwelken op den 25 deezer 's nagts om 11 uur weder bij ons aanboord kwam, denzelven rapporteerde ons dat hij eenen Jnlander in 't bosch gesprooken hadde, dien hij zelfs bevoorens als hoofd gecommandeert hadde, denzelven hem geseid hadden dat het land aan Radja Ismael over was, dog den voorens genoemden Maleijer wilde niet digt bij hem komen, waar op hij denzelven verzogt om met hem naar boord bij ons te gaan, La. E maar maar denzelven heeft het geweigeed en zijde, dat hyj naar een vaartuig van Radja Ismael zoude gaan het welk in de ri„ „vier van Gontong lag om het volk bij een te roepen om onder„ Raadje Ismael te staan, dog zonden wij daar geen geloof aanslaan, maar vervorderden onze rijze verbij de Negorij boe„ „kie batoe, den 26. 'smorgens met den dag stuurden wij een van onze Inlandsche vaartuigen naar voorensgemelde negorij dewelke om 11. uur weder aan boord kwam, rapporteerde ons dat al de ingezeetenen van gemelde Negorij naar boven bij Radje Ismael waaren, en bragten 4 chineezen in eene praauw mede. aanboord die zij daar gevonden hadden, dewelke ons verklaar„ „den dat Raadje Ismael 't land in hadde, en de koning met twee man gevlugt was als Nachoda Jora een Iavaan zonder de minste tegenstand te bieden aan zijnen vijand dog voor zijne vlugt zijn eigen woonhuis en kruit kelder in de brand gestoken, waar op wij de chineesen verzogten om de brief van Uwel Edele Gestrengen naar Radja Ismael te brengen maar de chineesen wilden de brief niet naar boven brengen uit vrees voor Radja Ismael gem: chineesen verklaarden ons als dat de voorleden nagt een said van Radja Ismael met een brief aan uwel Edele Gestrengen al afgezonden was, hebben wij bij uwel Edele Gestr: gunstige welmening besloten om de „zoo ver„ rivier van Siac „ op te loopen tot boven het iiland Poelo gontong om nadere tijding te krijgen en ook te zien of wij daar van daan de brief naar boven kunnen krijgen, meede zijn wij ook „half genoodzaakt daar toe om vers water te krijgen. Waarmede wij als pligtschuldige Dienaaren van uwwel Edel= Gestr 367 739 Gestrengen verpligt agtende uwelEd: Gesr: daar van kennis te gewen, en hebben de eere ons met alle eerbied om te noe„ „men, /:onderstond/ wel Edele Gestrenge Heer en E Heeren /:lager/ uwel Edele Gestr: onderdaanige en pligtschuldige Dienaaren /getekend/ J:n A Hensel en H=s Selgerhuijs /:in margine stond:/ op de Brigantijn de Geertruida Susanna den 26 Augustus 1779. — G. Klery Acordeert. — Pheumaarten en Nagezien. van Rossum La. ik 368. 741 Aan den Luitenant Johan Andries Hensel, en Equipagie-opzigter Hermanus Selgerhuijs, Com„ mandanten van de expeditie naar Siac Loelle Vrieuden De Leid Abdul Rachman, die E 6 gisteren namiddag hier is gearriveerd, heeft E aan den ondergetekenden Gouverneur een brief besteld van Radja Ismael; waar in hij ons schrijfs Siac reeds overwonnen te hebben: ƒ En, indien dit berigt waar is, gelijk wij het in't dies omstandigheden, schoon wij van UwE nog geen schrijvens ontvangen hebben, moeten opmaaken, gelasten wij UwE, niet de bark en de overige vaartuigen ten eersten te rug te keeren, 't zij dat uwE op den hun medegegeeven brief voor Radja Ismael al antwoord hebben bekomen of niet. Maar UE moeten voor hun ver= „trek door den eenen of anderen Radja Ismael laaten bekendmaaken, dat wij op de erlangde tijding van zijne overwin„ „ning, en op zijne verzeekering aan ons, dat hij even als zijnen broeder Padja Mahomet Ali opregt met de Compagnie en haare ouder„ „laaten „ „zaaten zal handelen, UwE terug ontboden hebben. Want anders zoude hij kunnen denken dat uwE. uit blooheid de rivier van Siac verlaten hadden De overgang van 's Konings Residentie. plaats Mapoera aan Radja Ismael wordt gezegd op den 19 deezer geschied te weezen Wij wijfelen derhalven niet, of UwE zullen daar van tyding gekreegen hebben, zoo dra UwE in de Siacsche rivier kwamen: Maar indien UwE van dat voorwal onkundig ge„ „bleven zijnde, eenig vaartuig van Radja Ismael mogten hebben geattaqueerd moeten UE zig dientwegen bij hem laaten ver„ schoonen met eene boodschap van den vol„ „genden inhoud. Dat de Compagnie gewoon is haare Vrienden en Bondgenooten, die opregtelijk en getrouwelijk met haar handelen, ge¬ lijk Radja Mahomet Aili sedert zyne onderwerping aan de Compagnie altoos gedaan heeft, met haare magt bij te staan, wanneer zij in ongelegenheden geraaken, en dat wij EwE uit dien hoofde derwaarts afgezonden hebben, dog dat door UwE geene vijandelijke actien ge= „pleegd zouden zijn, indien hurh geweten hadden, dat Radja Ismael reeds in het bezit van Siac gesteld en gezind was in viede en vriendschap met de Cou¬ „pagnie te leeven. Egter 1

NL-HaNA_1.04.02_3556_1273 view scan ↗

English

However, you must not let it appear that you have received any order from us to this effect, but on the contrary act as if this message originated from yourself. We expect from you a prompt and well-considered execution of our orders, while, after greetings, we remain, was signed: Your Good Friends, signed: P: L. de Bruijn, A: A: Werndlij, I. A. D. v. Schilling, A. F. Lemker, F. Thierens, Johannes Lijnslager, and R:s Corperus. In the margin was written: Malacca in the Castle, the 27th of August 1779. Below was written: P. S. Having received your letter of the 26th instant upon the closing of this, it serves in reply thereto that you must guide yourself according to the order that we have given you herebefore, and for the delivering of the message to Radja Ismael regarding your recall, employ the two men of his people who are now departing thither again; after which you must return to Malacca without further delay. J. Baumgarten Clerk Agrees. La. F. 370 745 To Radja Ismael The Governor of the City and Fortress of Malacca Pieter Gerardus de Bruijn, together with the Council, writes this letter to Radja Ismael, wishing all that is good and that may tend to the welfare of well-disposed peoples in this Strait. If the Governor and Council were surprised to receive knowledge, by a letter from Radja Ismael which they received on the 19th of this month, that Radja Ismael, without their foreknowledge and permission, had ventured to enter the river of Siac, with the sufficiently evident intention of putting himself in possession of that realm, the surprise of the Governor and Council was yet much greater when they learned, from the letter written to them by Radja Ismael with the Said Abdul Rachman and delivered here yesterday afternoon, that Radja Ismael had already achieved his aforesaid intention. The Governor and Council are willing to admit to having expected nothing less than that Radja Ismael, to whom pardon was recently granted by the Noble High Indian Government for his former actions against the Company, with this explicit condition among others that Radja Ismael should persist in peaceful sentiments and leave unmolested his Lord Brother, Radja Mahomet Ali, as the Governor and Council wrote to Radja Ismael in their letter of the 1st of November 1776, would nevertheless so shortly thereafter undertake to disturb Radja Mahomet Ali in a dominion which he possessed with the consent and under the protection of the Company. And therefore the Governor and Council can also not report with any certainty to Radja Ismael how this hostile action against Radja Mahomet Ali will be received by the aforementioned High Government. However, since Divine Providence has permitted Radja Ismael to see himself so easily put into the possession of Siac, and Radja Ismael gives the strongest assurance in his aforementioned letter that His Highness is sincerely disposed toward the Company and has resolved to maintain a true friendship with it, the Governor and Council are inclined to write about this in the most favorable manner to the High Government at Batavia, presenting the received letter to the Same, provided that Radja Ismael cordially promise the Governor and Council that he, upon being confirmed by the High Government in the Regency over Siac, will likewise accept and swear to, without the least exception, and also holily maintain and observe, the Contract that was concluded in the year 1174 according to the Malay or 1761 according to our reckoning between the Company and Radja Alam, and subsequently, after he had come into the Government, accepted and sworn to in the most solemn manner by Radja Mahomet Ali, both for himself and for his successors; that Radja Ismael consequently will always support and favor, with the most sincere goodwill, the navigation and trade of the Company's subjects to the Realm of Siac, as well as the interest of the Company itself, just as Radja Mahomet Ali has always done to the special satisfaction of the Company; that Radja Ismael will also in the meantime, or before we have an answer from the High Government, do not the least damage or harassment to the Malaccan merchants or their authorized agents and other residents who are currently within the jurisdiction of Siac, or who shall come there hereafter, nor permit that such be done by others, but on the contrary grant them all the freedom and facility in the continuation of their trade that they require and have enjoyed up to now; and that Radja Ismael finally shall carry on no trade with any of the European foreign nations, nor enter into any alliance, but always adhere specifically to the Company and its subjects. The Governor and Council request Radja Ismael to send them soon a positive and clear answer on all these points, in order that the Governor and Council may present the same, together with Radja's letter, to the High Government with a Company vessel that is scheduled to depart for Batavia within eight days; while the Governor and Council assure Radja Ismael that, if His Highness conducts himself in the manner stated herebefore, the subordinates of Radja Ismael shall also be allowed to come and trade at Malacca freely and openly, without having anything to fear. Tamat! Written in the Castle of Malacca, the 27th of August 1779. Signed: P. G. de Bruijn. In the margin was written: Company's Seal impressed in red sealing wax, and underneath: By order of the Noble Lord Governor and the Council, signed: F. Thierens, Secretary. Agrees. Examined. J. V. Overree Baumgarten E. G. Clerk 179 H

Dutch transcription

369 743 Egter moeten UwE niet doen blijken hier toe eenigen last van ons ontvangen te hebben, maar zig in teegendeel gelaten als of deeze boodschap van uwE zelfs voortkwam N Wij verwagten van uwE eene slipte en weloverlegde executie van onze ordres, ter„ „wijl wij na groete blijven /onderstond:/ Uwe Goede Vrienden /getek:/ P: L. de Bruijn A: A: Werndlij. I A D. v Schilling, A F Lemker, F Thierens, Iohannes Lijnslager en R:s Coriperus /in margne stond:/ Malacca in het Casteel den 27 Augustus 1779. /onderstond. P: S. Op het sluiten deezes ontvangen hebbende UwE brief van den 26 courant dient daar op tot ant: G „woord, dat Uwh zig rigten moeten naar de order e die wij UwE hier vooren gegeven hebben, en tot het doen van de boodschap aan Radja Ismael wegens uw=e terugroeping emploijeeren, de ƒ. twee man van zijn volk, die tans weder der„ „waarts vertrekken; waar na UwE zouder 2 langer vertoef naar Malacca vederkeeren ƒ moeten J Kaumgarten klerjk Acordeert : La. F. 370 745 Aan Radja Ismael De Gouverneur van de Stad en Fortresse Malacca Pieter Gerardus de Bruijn, benevens den Raad, schrijft deezen brief aan Radja Ismael, onder toewen„ „sching van al wat goed is, en tot heil van welgezinde Volkeren in deeze Straat strekken kan. Waren de Gouverneur en Raad verwonderd bij een e brief van Radja Ismael, dien zij op den 19. deezer maand ontvingen, kundschap te erlangen dat Radja Ismael, zonder hunne voorkennisse en permissie, bestaan hadt de rivier van Siac in te loopen, met een genoeg„ „zaam blijkbaar oogmerk om zig in het bezit van dat Rijk te stellen, de verwondering van den Gouver„ „neur en Raad was nog veel grooter, toen zij uit den brief, door Radja Ismael aan hun geschreven met den Said Abdul Rachman, en gisteren namiddag hier „voorsch. aangebragt, vernamen, dat Radja Ismael zijn, oog„ „merk reeds bereikt hadt. De Gouverneur en Raad willen wel bekennen, niets minder verwagt te hebben, dan dat Radja Ismael, aan wien onlangs door de Edele Hooge In„ „dische Regeering pardon is verleend van zijne voorige bedrijven bedrijven tegen de Compagnie, met dit uitdrukkelijk beding onder anderen, dat Radja Ismael, in vreedzaa„ „me sentimenten zoude volharden, en zijnen Heer Broeder, Radja Mahomet Ali, ongemolesteerd laaten, gelijk de Gouverneuren Raad zulks bij hunnen brief C van den 1. November 1776 aan Radja Ismoel geschre„ „ven hebben, evenwel zoo kort daar na onderneemen zoude Radja Mahomet Ali te komen ontrusten in eene heerschappije, die hij met toestemming en onder de protectie van de Compagnie bezat. En daarom kun„ „nen de Gouverneur en Raad ook met geene zekerheid aan Radja Ismael melden, hoe deeze vijandelijke actie tegen Radja Mahomet Ali bij de welgemelde Hooge Regeering zal worden opgenomen. Maar, nadien de Godlijke Voorzienigheid aan Radja Ismael toegelaten heeft zig zoo gemakkelijk in de possessie van Siac gesteld te zien, en Radja Is„ „mael de sterkste verzekering geeft bij zijnen voor„ „gemelden brief, dat zijne Hoogheid omtrent de Com„ „pagnie opregtelijk gezind is, en besloten heeft eene waare vriendschap met waar te onderhouden, zijn de Gouverneur en Raad genegen, om daar over op het favorabelste aan de Hooge Regeering te Batavia te schrijven, onder aanbieding van den ontvangen brief voor Hoogdezelve, mits dat Radja Ismael den vy 371. 747 den Gouverneur en Raad met alle hartelijkheid beloo„ „ve, dat hij, door de Hooge Regeering in het Regent„ „schap over Siac bevestigd wordende, het Contract dat in den jaare 1174 naar de Maleitsche of 1761 naar onze tijdrekening tusschen de Compagnie en Radja Alam gesloten, en vervolgens door Radja Maho„ „met Ali, na dat hij in de Regeering was gekomen, 6 zoo voor zig, als voor zijne Successeuren, op de pleg„ „tigste wijze geaccepteerd en bezworen is, insgelijks zonder de minste uitzondering zal accepteeren, en bezweeren, mitsgaders heiliglijk onderhouden, en nakomen; dat Radja Ismael dienvolgens de vaarten handel van Comps. onderdaanen op het Rijk van Siac, zoo wel als het belang van de Compagnie zelf, sleeds met de sinceerste welmeenendheid zal voorstaan en begunstigen, gelijk Radja Ma¬ „homet Alialtoos tot bijzonder genoegen van de Compagnie gedaan heeft; dat Radja Ismael ook in„ „tusschen, of voor dat wij antwoord hebben van de Hooge Regeering, aan de Malaccasche Kooplieden of hunne Gemagtigden en andere ingezetenen, die zig tans binnen de Iurisdictie van Siac bevinden, of na deezen daar komen zullen, geen het minste nadeel of overlast, zal doen, nog gedoogen dat zulks door anderen gedaan worde, maar hun daaren tegen alle de vrijheid en faciliteit in het voortzetten van van hunnen handel beschikken, die zij nodig en tot hier toe genoten hebben; En dat Radja Ismael eindelijk met niemand der Europesche Vreemde Natien eenigen handel zal drijven, nog in eenig verbond treeden, maar zig altoos bepaaldelijk aan de Empagnie en haare onderzaaten houden, De Gouverneur en Raad verzoeken Radja Ismael, om hun op alle deeze pointen spoedig een positieff en duidelijk antwoord te laaten toekomen, op dat de Gouverneur en Raad hetzelve, nevens Radja's brief, aan de Hooge Regeering kunnen presenteeren met een Comps. vaartuig, dat binnen agt dagen naar Batavia staat te vertrekken; terwijl de Gouverneur en Raad Rachja Ismael verzekeren dat, wanneer zijne Hoogheid zig indiervoegen gedraagd als hier voo„ „ren gezegd is, de onderhoorigen van Radja Ismael ook vrij en frank op Malacca zullen mogen komen en handelen, zonder iets te vreezen te hebben. Thamat! Geschreven in het Casteel Malacca den 27. Augus„ „tus 1779 (Getekend/ P. G. he Bruijn (inmargine stond) Comps. Zegel gedrukt in roode Lak /en daar onder / Ter ordonnancie van den Edelen Heer Gouverneur en den Raad /getekend/ F:r Hierens Sec.:s Accordeert. Nagezien J. V. Overree Saumgarsten E. G. Klerk 179 H

NL-HaNA_1.04.02_3556_1279 view scan ↗

English

3 La. H. 372. 749 Journal or Daily Register 1779. kept by the undersigned Military Lieutenant Iohan Andries Hensel and Rigging Master Hermanus Telgerhuijs, also to serve as a Report of their actions during the expedition to the river of Siacs. Friday the 20. August in the afternoon, having been handed Instructions by the Honorable Severe Lord Governor Pieter Gerardus de Bruijn in order to regulate ourselves accordingly, we immediately went on board the bark the Geertruida Susanna pursuant to the same, and shortly thereafter two Corporals, twenty-four Common Soldiers, and one Drummer having also come on board, we set sail at seven o'clock in the evening, when the wind began to blow from the North with a light breeze, together with the Sloop the ciceroa and the pantjallang the Bestendigheid, each reinforced with a sergeant, a Corporal, and twelve Common Soldiers, alongside the two Native vessels provided to us, setting a course to the Southwest, subsequently divided the men into two watches to take turns standing guard, and during the night had light and slack breezes with continuous rain. Saturday the 21. August, in the morning watch wind and weather as before; at sunrise the ships in the Malacca roadstead, as far as they could be seen, bore North East by East, estimated at five miles from us. In the forenoon and afternoon the wind variable, light, and dead calm, squally sky. At eleven o'clock we were compelled by calm and the current setting us strongly to the South East to drop anchor in six fathoms of stiff ground, then bore the Poele Pietjes to the West, estimated at four miles from us, placed the sailors at the cannon and the Soldiers at their designated stations; and whereas we judged that the two iron three-pounder cannons would be of greater service forward on the forecastle than in the cabin, which was very obstructed, we had them brought thither, as well as cartridges filled and the live shot brought on deck, while at the same time we issued rations to the Soldiers for half a month. In the evening and at night the wind westerly, the current to the South East, on which account we remained at anchor. Sunday the 22. August in the morning at 4 o'clock the wind shifted to the East with a topgallant breeze and heavy rain, wherefore we immediately signaled with a gunshot for the vessels accompanying us to weigh anchor; whereupon we set sail, setting a course to the West South West. At five o'clock the point of Tanne Dato bore South by East, four miles from us. At about nine o'clock we were compelled by calm and an adverse current 373. 751 to anchor at a depth of ten fathoms of stiff ground, had fair weather, inspected the cannons and found seventeen pieces to be wet inside, of which we were compelled to fire five pieces loaded with live shot, drew the charge from the rest, and loaded them again with a bar-shot and a grape-shot. In the afternoon at one o'clock the wind South East, a light topgallant breeze, we immediately set sail as the current was favorable to us, heading South directly toward the point of Tanne Dato; but had to come to anchor again at about four o'clock at a depth of seven fathoms of stiff ground, as the wind suddenly shifted to the South West with a heavy squally sky over the land and thunderstorms, then bore the point of Tanne Dato South by East, and were estimated at two to two and a half miles from it. At night the wind South West and dead calm, with heavy rain. Monday the 23. August, in the morning at seven o'clock the wind South East, light and slack breezes, we set sail, but due to contrary winds came to anchor again at eight o'clock at a depth of 8½ fathoms of stiff ground and the previous bearing. Furthermore, it became completely calm until three o'clock in the afternoon, when the wind shifted to the East with a light breeze, wherefore we set sail and steered straight for the point of Tanne Iote, but had to come to anchor again at about four o'clock as the wind shifted to the south; we then had a heavy squally sky over the land of Sumatra, with thunder, lightning, and severe squalls, and notwithstanding that we set sail again at about half past six o'clock when the wind was East South East, we nevertheless had to drop anchor again at seven o'clock or shortly thereafter because it fell calm. At night the wind South, light and calm; we remained lying at anchor. Tuesday the 24. August, at the break of day, the wind East and East South East, a light breeze; we set sail, course to the South, but at half past six o'clock, as the wind shifted to the south and the current was against us, came to anchor again at a depth of 13 fathoms; riding at anchor we bore the point of Tanne Dato South East by South, and estimated to be 2 miles from it, it subsequently falling dead calm. In the afternoon at one o'clock the wind North East and North, a light and slack breeze; we set sail, setting the course to the South South East. In the afternoon at three o'clock we received a small vessel alongside, with which we received a letter from the Honorable Severe Lord Governor of the City and Fortress of Malacca, sent that vessel directly into the river to inquire about the state of affairs; in the evening we passed depths from 12 to 13 and 16 fathoms; at the latter depth, after having signaled thereof to our companions with a gunshot, we came to anchor at 9 o'clock in the Strait of Campar. At night we remained lying at anchor, the wind South East by South and South West, with a heavy Sumatra squall, though little rain. Wednesday the 25.

Dutch transcription

3 La. H. 372. 749 Journaal of Dagregister 1779. gehouden door den ondergetekenden Luitenant Militair Iohan Andries Hensel, en Equi„ „pagie-opzigter Hermanus Telgerhuijs, om teffens te dienen tot Rapport van hunne verrigting in de expeditie naar de rivier van Siacs vrijdag den 20. Augustus 'snamiddags door den wel Edelen Gestrengen Heer Gouverneur Pieter Gerardus de Bruijn, ons ter handen gestelt zijnde eene Instructie, ten einde ons daar naar te reguleeren, begaven wij ons ingevolge dezelve terstond aan boord van de bark de Geertruida Susanna, en kort daar op meede aan boord gekomen zijnde twee Corporaals, vier en twintig Gemeene Militairen en een Tamboer, gingen wij 's avonds om zeven uuren, wanneer de wind met een labbere koelte uit het No. begon te waaijen, benevens de Sloep de ciceroa en de pantjallang de Bestendigheid ieder versterkt met een sergeant, een Corporaal en twaalf Gemeene Mili„ „tairen, mitsgaders de ons mede gegevene twee Inlandsche vaartuigen, onder zeil, Cours stellende om de Zw. verdeelden vervolgens het volk in twee kwartieren om bij beurten de wagt te houden, en hadden 'snagts labbere en slappe koeltens met Continueelen regen. Saturdag n ep Saturdag den 21. Augustus, In de dagwagt wind en weer als even; met zons op„ „gang peilden de schepen op de Malaccasche reede voor zoo vorre men dezelve zien kon N. O. L. O. naar gissing vijf mijlen van ons. P voor - en 'snamiddag de wind fariabel, labber en doodstil„ buragtige lugt. om elf uuren wierden door stilte en den ons sterk om de Z. O. zettenden stroom genoodzaakt op zesvaam stekgrond het anker te laaten vallen, pelden toen de Poele Pietjes in 't W. naar gissing vier mijlen van ons, plaatsten de zeevaarenden bij het canon en de Militairen op hun„ „ne bescheiden plaatzen; en nademaal wij oordeelden dat de twee ijzere drie ponder Canons voor op de bak van meerder dienst dan in de hutte die zeer belemmert was, zouden zijn, zoo lieten dezelve naar derwaards brengen, mitsgaders cardoesen vullen en het scherp op het dek brengen, terwijl tef„ „fens aan de Militairen voor een halven maand randzoen verstrekten. 's avonds en 'Pnagts de wind westelijk, de stroom om de Zo: weshalven geankert bleeven leggen. Zondag den 22. Augustus Smorgens om 4. uuren liep de wind naar het Oos„ „ten met een bramzeits koelte, en sterke regen, weshalven op stond met een schotsein voor de bij ons hebbende vaar„ tuigen deden om anker te ligten; waar op onderzeilgingen cours stellende om de w. Z. w. om vijf uuren pelden de hoek van Tanne Dato Z: L. O. vier mijlen van ons. omtrent negen uuren waaren door stille en tegenstroom ge„ noodzaakt 373. 751 noodzaakt op de diepte van tien vaam stek grond tet ankeren hadden goed weer, visiteerden de Canons, en bevonden zeventien pees van binnen nat te zijn, waar van mij genoodzaakt waren vijf pees met scherp gelaaden, te moeten afschieten, haal„ den de overige af en ladeden dezelve weder met een knup„ „pelkogel en een druif 's middags om een uur de wind Z. O. labbere bramzeils koelte, gingen; dewijl de stroom ons dienstig was, direct onder zeil„ Cours om de Z. regt op de hoek van Tanne Dato aan; dog moes„ „ten omtrent vier uuren weder ten anker koomen op de diepte van zeven vaam stek grond, nadien de wind subiet naar het Z. w: liep met zwaare buragtige lugt over het land, en donderbuien, peilden toen de hoek van Tanne Dato Z. L. O. en waaren naar gissing twee a twee en een halve mijlen daar van af. 'Pnagts de wind Z. W. , en doodstil, met zwaren regen„. Maandag den 23. Augustus, 'Smorgens om zeven uuren de wind 2. 0. Cab„ ber en slappe koeltens, gingen onder zeil, dog twamen door contrarie wind om agt uuren weder ten anker op de diep, en te van 8½. vaam stekgrond, en de voorige pijling. Voorts wierd het ten eenmaal stil, tot smiddaags om drie uuren, wanneer de wind naar het Oosten liep met een labbere koelte, weshalven onderzeil gingen, en regt op de hoek van Tanne Iote aan stuurden, maar moes„ „ten, dewijl de wind naar het zuiden liep, omtrent vier uuren weeder ten anker komen; hadden toen een zwaare buragtige buragtige ligt over het land Sumatra, met donder, meerligt en harde valwinden, en niet tegenstaande wij omtrent half zeven uuren, wanneer de wind: aan 't O. Z. o. was, weder onder zeil gingen, moesten wij egter om zeeven uuren of kort daar op dewijl het stil wierdt, hetzelve weder laaten vallen„ Pnagts de wind Z. labber en stil; bleeven geankerd leggen: Dingsdag den 24. Augustus Met het aanbreeken van den dag, de wind Oen Oz0: labber koelte; gingen onder zeil, Coers om de 2, dog kwaa„ „men om half zeeven uuren, dewijl de wind naar het zuiden liep en de stroom ons tegen was, weder ten anker op de diepte van 13. – vaam; gestrekt leggende peilden de hoek van Tanne Dato Z. O. L. Z. , en gisteren 2. mijlen daar van af te zijn, wordende voorts dood stil 's middags om een uur de windo. No„ en N: labbere en slappe koelte; gingen, onder zeil, de coers stel„ „lende om de Z: Zo: P agtermiddags om drie uuren kreegen een klein vaartuig aan boord, waar mede wij een brief van den wel-Edelen Gestrengen Heer Gouverneur der Stad en Fortresse Ma„ lacca ontvingen, zonder dat vaartuig direct binnen de rivier, om naar den tostand der zaaken te verneemen; savonds passeerden de dieptens van 12. tot 13. lb 16. vaam op laastgemelde diepte, na dat met een schoot daar van sein aan onze makkers gegeven hadden, kwaamen wij om 9. uuren in straat Campar ten anker Snagts bleeven geankerd leggen, de wind Zo L. 2. en Z. W. met een hevige Sumatra, dog weinig regen Woensdag: den 25.

NL-HaNA_1.04.02_3556_1283 view scan ↗

English

374. 753 Wednesday the 25th of August. In the morning, the wind southeast, a light breeze, weighed anchor and let it drift upstream with the current, but shortly thereafter it becoming calm, we had to be towed by the boat until around half past ten o'clock, when due to the calm and counter-current we came to anchor at a depth of seven fathoms. In the afternoon at three o'clock, the wind northerly and the current serving us, we set sail, course around southeast; at sunset, Bukit Batu bore south. In the evening around half past eight o'clock, we had to come to anchor due to the counter-current. At night at half past ten o'clock, the vessel sent out yesterday came back on board with the Raden who was on it, who reported to us that he had spoken to a man in the forest (being a native who had formerly been under his command) who had told him that the country had already been overpowered by Raja Ismael, but that this savage had not wanted to come close to him, much less go on board with him, but to the request made to that end had answered him that he would rather go to the kakap of Raja Ismael, which lay in the river Gontong for the summoning of the people to be under Raja Ismael. Gontong is a river that is directly opposite the aforementioned village and runs into the sea, but into which we could not enter because it is very small, wherefore we decided to continue our journey to the river Siak, the more so as we could place no reliance on this loose rumor. Until now we had not seen a single small proa, whereas formerly it was full of them here. N. 25 2 At night, the wind south and southeast, fresh and moderate breeze with little rain, remained lying at anchor until. Thursday the 26th of August. In the morning at daybreak, when the wind was southeast by east, a light breeze, fine weather, and the current was serving us, wherefore we weighed anchor and let ourselves drift upstream with the current. At sunrise, the village of Bukit Batu bore west by south. In the forenoon at 10 o'clock, we had to come to anchor due to the counter-current at a depth of thirteen fathoms; then Tanjong Balai bore southeast, estimated to be a mile from it. In the morning at the break of day, we had sent one of the native vessels we had with us to the village of Bukit Batu, which came back on board around eleven o'clock and reported to us that the people had fled from that village, bringing along at the same time in a proa four Chinese who had been found there, who declared that Raja Ismael had overpowered the country, and Raja Ali had fled with two men, namely the Nakhoda Soerra and a Javanese, without having offered any resistance to his enemy; that this was already eight days ago, and that Raja Ismael had sent a letter from Malacca to the Right Honorable Governor and the Council; wherefore we resolved to give notice thereof to the aforementioned our Lord Masters, as we also dispatched a letter to that end with one of our proas. In the afternoon at half past four o'clock, the current being favorable to us 375. 755 and the wind blowing with a fresh to light breeze from the east, we set sail, tacked up the river with the current, and came at night around half past ten o'clock, after we had fired a shot as a signal for our companions, to anchor at a depth of 13 fathoms, subsequently got a strong Sumatran with heavy rain. Friday the 27th of August. At sunrise, the mouth of the river Siak bore south-southeast, estimated to be one and a half miles from it. In the morning, the wind southeast, a light breeze with rain; at half past six o'clock we got the benefit of the current, weighed anchor and had the bark towed upstream by the boat; fired a live shot at a vessel lying under the shore to get it alongside, which thereupon retreated into the forest, and, as the current had run out, came to anchor again around half past ten o'clock half a mile from the river Siak on the previously mentioned bearing. In the afternoon at half past four o'clock, dead calm, but getting the current with us, we weighed anchor and had ourselves towed by the boats, whereby we came inside the river Siak and in the evening around half past eight o'clock came to anchor under Pulau Gontong at a depth of five fathoms, muddy bottom; fired a signal shot for our companions to anchor likewise. Before the mouth of the river, we found the depth at three-quarters tide to be 2½ fathoms. For the rest of the night we had good weather, but had not seen any vessel yet. Saturday the 28th of August. In the morning at half past six o'clock we got the current with us, therefore weighed anchor and had ourselves towed by the boat; but had to in the forenoon at nine o'clock, because the sloop and pantchiallang were falling too far behind, come to anchor again half a mile below Pulau Tanggi or two islands lying in the river; then sent the boat with a Sergeant and four men ashore and to a village named Rampa, who shortly thereafter came back on board and brought us a report that there were no people in that village, but that there was much poultry running around, and rice and other goods had lain there in abundance; could see no vessels except at a great distance from us, which seemed to be afraid of us. In the evening at half past eight o'clock, the sloop and pantchiallang, which had not been able to come up because the current had pulled them into the river of Pulau Gontong, came to anchor near us. At night at half past ten o'clock, a vessel from Malacca with two men of Raja Ismael's people came on board with us, with which was received a letter from the Right Honorable Governor and the Council there, by which we were summoned; wherefore we had a vessel fetched from the shore in order to be able to send the aforementioned two men upriver with it; but we ourselves were also obliged to let it drift somewhat further upstream, in order

Dutch transcription

374. 753 Woensdag den 25. Augustus 's Morgens de wind z. O. labbere koelte, ligeden anker„ en lieten het met de stroom opwaards drijven, dog kort daar op het stil wordende„ moesten ons met de schuit laaten boegseeren tot om half elf uuren, wanneer door stilte en tegenstroom ten anker kwaamen op de diepte van zeven vaam„ 'P agtermiddags om drie uuren de wind Noordlijk, en de„ stroom ons dienende; gingen onder zeil, cours om de Z. O:, met zons ondergang palden Boekit batoe Z. 's avonds circa half negen uuren moesten door tegenstroom ten anker koomen. Pnagts om half elf uuren kwai het gisteren uitgezonden vaartuig weder aan boord, met den zig daar op bevindenden Radeen, dewelke aan ons rapporteerde, dat hij in 't bosch eene man gesproken hadt, (zijnde een eerlijds onder zijn Commando gestaan hebbende neeger:) die hem gezegt hadt dat het land be„ „reeds door Radja: Ismael overmeestert was, dog dat deezen wilde niet digt bij hem hadt willen koomen, veel weniger met hem naar boord gaan, maar op het daar toe gedaan verzoek hem geandwoord hadt, maar de kakap van Radja Ismael te willen gaan, die de rivier Gontong lag ter bij eenroeping van het volk om onder Radja Ismael te staan. Goutong is een rivier die regt over de gemelde negorij is en in zee loopt dog in dewelke wij niet komen konden doordien dezelve zeer klein is, weshalven wij besloten onze reize naar de rivier Rac te vervorderen, te meer daar wij op dit losse gerugt geen staat maken konden. Tot nog hoe hadden wij geen een prauwtje gezien, daar het voor deezen N. 25 2 deezen hier vol van was. 'snagts de wind 2. en 20. wrisse en gemene koelle met weinig ree„ „gen, bleeven geankerd leggen tot. Donderdag den 26 Augustus 'sMorgens met den dag, wanneer de wind Z. O. t. O, een labbere koelte, mooij weer, en de stroom ons dienenende was, wes„ halven anker ligteden en ons met de stroom opnaards lieten drijeen. Met zons opgang peilden de Negorije Boekit-batoe W. 2: W: 's voormiddags om 10. uuren moesten door tegen Stroom op de diep„ te van dertien vaam ten anker komen, peilden toen Tanjong Balo Z. O. gisten een wijl van dezelve afte zijn. 'S morgens met het aanbreeken van den dag hadden wij een van de bij ons hebbende Inlandsche vaartuigen naar de negorij Boekit batoe gezonden, dewelke circa elf uuren weder aan boord kwam en ons rapporteerde dat het volk uit die negorij gevlugt was, teffens in eene prauw mede brengende vier aldaar gevonden hebben„ de Chineesen, dewelke verklaarden dat Radja Ismael het land „twee overmeestert; en Radja Alie met „ man, namlijk den Nachoda Soerra en een Iavaan gevlugt was, zonder zijnen vijand eenigen tegenstand geboden te hebben, dat zulks bereeds agt dagen geleden was, en dat Radja Ismael een brief van Malacca aan den wel-Edelen Gestrengen Heer Gou„ „verneur en den Raad gezonden hadt; weshalven wij resol„ veerden daar van aan welgemelde onze Heeren Gebieders kennis te geven, gelijk wij ook ten dien, einde met een van onze prauwen een brief afzonden. 'S agtermiddags om half vijf uuren de stroom ons diens„ „tig ree„ 375. 755 Vrijdag den 27. tig zijnde en de wind met een frisse tot labbere koelte uit het oosten waaijende, gingen wij onder zeil, laveerden met de stroom de rivier op, en kwaamen snagts circa om half elf uuren, na dat wij een schoot tot een sein voor onze makkers hadden gedaan, ten anker op de diepte van 13. – vaam, kreegen vervolgens een sterke Suma, „tra met zwaare regen. Augustus Met zons opgang peilden de mond van de rivier Pi„ „ac 2. ½0. gisten een en een halve mijl daar van af te zijn; Smorgens de wind Z. O. labbere koelte met reegen; om half zeven uuren kreegen de stroom te baat, ligten anker en lieten de bark door de schuit opwaarts boegseeren; deeden een schoot met scherp op een onder de owal leggend vaartuig om het aan boord te krijgen, het welke daar op zig binnen het bosch retireerde, en kwaamen, dewijl de stroom afgeloopen was, omtrent half elf uuren weder ten anker een halve meil van de rivier Siac af op de voorwaards gemelde pijling. 's namiddags om half vijf uuren doodstil, dog de stroom me„ „de krijgende, zoo ligteden, anker, en lieten ons door de schuiten boegseeren, waar door wij binnen de rivier Siac en acte 's avonds Circa half negens uuren onder Poelo Gontong op de diep„ te van vijf vaam mooder grond ten anker kwaamen; deeden een seinschoot voor onze makkers om insgelijks te ankeren. voor de mond van de rivier bevonden wij met drie quart tijwa„ „ter de drepte 2½. vaam te zijn. voor het overige der nagt hadden mij diep alo van diens„ „ wij goed weer, dog nog geen vaartuig gezien Zaturdag den 28. Augustus 'Smorgens om half zeven uuren kreegens de stroom mede, ligteden derhalven anker en lieten ons door de schuit boegseeren; dog moesten 's voormiddag om negen uuren door dien de sloep en pantjallang te verre agter uit raakten, een halve mijl beneden Poele tangie„ of twee in de rivier leggende eilanden, weder ten anker komen, stuurden toen de schuit met een Sergeant en vier man naar land en een negorij Rampa genaamt, dewelke kort daar op weder aan boord kwaamen en ons rapport bragten, dat in die negorije geene menschen waaren, dog dat er veel pluim vee was rondloopende, en rijst en andere goederen in overvloed aldaar gelegen hadden, konden geene vaartuigen buiten als op een verre distantie van ons zien dewelke bevreest voor ons scheenen te zijn: 's avonds om half agt uuren kwam de sloep en pantjallang, „kunnen die niet op hadden „ koomen, door dien de stroom hun in de rivier van Poelo Gontong getrokken hadt bij ons ten anker. 'snagts om half elf uuren kwam een vaartuig van Malacca met twee man van Radja Ismael 't volk bij ons aan boord, waar mede een brief van den wel Edelen Gestrengen Heer Gouver„ „neur en den Raad aldaar, ontvangen, bij den welken wij op„ ontboden wierden; weshalven een vaartuig van de wal lieten haalen, ten einde daar mede de gemelde twee mannen naar boven te kunnen zenden; dog wij zelfs waren ook genood„ zaakt het nog wat hoger opwaarts te laaten drijven, ten einde

NL-HaNA_1.04.02_3556_1287 view scan ↗

English

in order to be able to provide ourselves with drinking water, of which we were in need, since all the people had fled and we could get none of them on board. Sunday the 29th of August, at six o'clock in the morning, the two men who arrived yesterday from Malacca were sent to their master, Radja Ismael. Shortly thereafter, some vessels were seen ahead, whose crew spoke with those of the proa we had dispatched. One of these vessels subsequently came alongside our ship, bringing an envoy from Radja Ismael named Padoeka Sedewa, to whom we made known the orders we had received, with which he seemed well pleased, simultaneously assuring us of Radja Ismael's goodwill and that this prince would fulfill everything he had promised. At half past seven in the forenoon, we weighed anchor and had ourselves towed by the boat to just off the settlement of Tilobatie, where we anchored at half past eight, and the boat was to go ashore to fetch drinking water. Having obtained six half-leggers full, we weighed anchor again and let ourselves drift down with the current, keeping the boat ahead of the bow to tow us, but about five o'clock in the afternoon we got stuck in the mud, as it was dead low water. Having gotten afloat again at half past five, we came to anchor until half past ten at night, when, after firing a shot as a signal to weigh anchor, we set sail, the wind then being southeasterly and shifting around. We tacked now over one and then over the other bow, fired a signal shot to that end, and subsequently drew the live charges from the cannon. Monday the 30th of August. At sunrise, we took a bearing on Boekit Batoe to the west, and at half past seven, due to a strong counter-current, we came to anchor off and near this place. At twelve o'clock noon, as the current turned, we weighed anchor and let the vessel drift before it, furthermore sending the proas we had with us to Malacca, as they merely hindered our drifting. In the afternoon it became dead calm, and at sunset we took a bearing on the point of Tanjang Pato, north-northwest, estimated at one and a half miles from us. Being unable to draw the live charge of a 3-pounder cannon, which was loaded with a bar shot and a grape shot, we were obliged to fire it off here. In the evening around eight o'clock, we were forced by a counter-current to anchor, and to that end fired a shot as a signal to our companions. Tuesday the 31st of August. At half past one at night, the wind being southerly and the current favoring us, we weighed anchor and signaled the vessels with us with a shot, whereupon we set sail together. At sunrise, we took a bearing on the point of Tanjong Iato, estimated at one and a half miles from us to the south. In the fore- and afternoon, the wind was south and south-southeast, a fresh topgallant breeze; we set our course about north-northeast by north and north-northeast, but due to calm and contrary winds, we were forced at sunset to anchor close off the Malacca roads at a depth of twenty fathoms, taking a bearing on Mount St. Paulus east-northeast. In the evening at seven o'clock, the current turned in our favor, wherefore we set sail, and around half past nine anchored on the roads here. In addition to what is cited in this daily journal, we deem ourselves obliged to report further that the Padoeka Sadewa, sent on board to us by Radja Ismael, when we questioned him about the circumstances in Siac, related, besides what was noted on the 29th of this month: That upon the arrival of Radja Ismael before the King's residence, Radja Mahomet Ali had resisted the landing of the former for about half an hour; That Radja Ismael, however, did not let this deter him, but called out to Radja Mahomet Ali not to shoot at him, since they were brothers, simultaneously asking him whether one brother might not pay a visit to the other; That in this encounter, two men of Radja Ismael's and three men of Radja Ali's people were killed, and the last-mentioned prince had meanwhile fled; That following this flight, Radja Ismael immediately took possession of the realm, and after being informed two or three days later that Radja Ali had retreated to Patapahan, he immediately sent his natural mother and about forty concubines after him; That Radja Mahomet Ali had not set fire to his own residence himself, but that this was done by his subjects; Furthermore, the said Padoeka Sadewa assured us of the sincerity of Radja Ismael's heart toward the Company, and that if he could remain in possession of Siac, he would strictly fulfill everything he had promised. This Padoeka Sedewa subsequently wishing to know from us whether Radja Ismael would be able to remain in the said possession, we informed him that we were ignorant in that regard, and that his prince (Radja Ismael) could be informed by no one other than our highly respected masters at Malacca. We then made our departure for Malacca known to this envoy, and at the same time informed him that this was not done out of any fear or apprehension

Dutch transcription

376:1. 757 einde ons van drinkwater te kunnen voorzien, waar aan wij gebrek hadden, nadien het volk altemaal gevlugt was, en wij niemand van hun aan boord konden krijgen: Zondag den 29: Augustus 's morgens om zes uuren stuurden de op giste „ren van Malacca gekomen twee mannen naar hunne Heer Radija Ismael; kort daar op zaagen eenige vaar„ „tuigen voor uit, welkers manschap met die van de door ons weggezonden praauwe spraaken; een dier vaartuigen kwam vervolgens bij ons aan boord, en daar mede een afgezant van Radja: Ismael genaamt Padoeka Zede„ wa, denwelken wij de ontvangen orders bekend maakten, en waar mede hij wel in zijn schik scheen te zijn, ons tes„ „fens verzekerende, dat Radja Ismaels welgezindheid, en dat die vorst al het geene zoude nakomen, het welke hij beloofd hadt. 'S voormiddags om half agt uuren ligteden anker, en lieten ons door de schuit boegseeren tot voor de negorij Tilo batie daar wij om half negen uur ten anker kwaamen, en de schuit aan land zouden om drinkwater te haalen, en zes halve leggers vol bekomen hebbende, ligten wij weder an„ „ker en lieten ons met de stroom afdrijven, hebbende de schuit voor de boeg om te boegseeren, dog raakten. 'S namiddags omtrent vijf uuren in de modder vast, dewijl het dood laag water was; om half zes uuren weder vlot geraakt wezende kwaamen wy ten anker tot. snagts half elf uuren, wanneer, na dat een schoot voor een C an sien om anker te ligten gedaan hadden onderzeil gingen, zijnde toen dewind Z. oostelijk en rondlopende; wendeden het dan over de eene en dan over de andere boeg, deeden ten dien einde een sein schoot en haalden vervolgens het scher„ van het canon. Maandag den 30. Augustus Met zons opgang pelden Boekit batoe west en kwamen om half agt uuren door sterke tegenstroom af en aan deeze plaats ten anker: 's middags om twaalf uuren de stroom kenterende ligt „den anker en lieten het voor denzelven afdrijven, stuurden voorts de bij ons hebbende praauwen naar Malacca„ dewijl zij ons in het afdrijven maar tegen hielden. 's namiddags wierd het dood stil en met zons ondergang peil„ „den de hoek van Tanjang Pato N. W: na gissing een en een halve mijl van ons, Het scherp van een drie ponder Canon, dat met een knuppel kogel en een druif geladen was, niet kun„ nende afhaalen, waaren wij genoodzaakt hetzelve alhier af te schieten. 's avonds omtrent agt uuren moesten wij door tegenstroon„ ten anker komen, en ten dien einde een schoot voor een zein voor onze makkers doen. Dingsdag den 21. Augustus Pnagts om half een uwr de wind zuidelijk zijnde en de stroom ons dienende, ligteden wij anker, en deden door een schoot daar van sein aan de bij ons zijnde vaartuigen, waar op wij gezamenlijk onderzeil gingen 377. 759 gingen, en met zons opgang de hoek van Tanjong Iato naar gissing een en een halve mijl van ons in het zuide peulden, Tvoor- en 'snamiddags, de wind, z, en Z. ZO. frisse brams„ zeils koelte, boegden de Cours om de N. O. t. N. en N. N. o, dog moesten door stilte en contrarie wind met zon„ nen ondergang digt voor de Malaccasche rede op de diep„ „de berg te van twintig vam ten anker komen, pelden „ st. Pau„ „lus O. L. N. Savonds om zeven uuren, kreegen de stroom meede, weshalven on„ derzeil gingen, en omtrent halftien uuren op de reede alhier ten anker kwamen. Boven het aangehaalde in dit Dagregister agten wij ons verpligt nog te rapporteeren, dat de bij ons door : Radja Ismael aan boord gezonden Padoeka zadewe toen wij hem na de omstandigheeden van Siac ondervraag „den, buiten het aangetekende op den 29. deezer, rela„ teerde, Dat bij de komste van Radja Ismael voor 's konings Residentie Radje Mahomet Ali, zig omtrent een half uur tegens de landing van den eerstgemel„ den aangekant hadt; Dat Radja Ismael zig egter daar aan niet ge„ „stoort, maar Radje Mahomet Alie hadt toege„ „roepen, van niet op hem te schieten, dewijl zij broe„ ders waaren, hem teffens, afvragende, of de eene broe„ „der bij den anderen geen visite mogte komen afleg„ gen. Dat de gen Dat bij die rencontie twee man van Radja Tismaels en drie man van Radja Alies volk gesneuveld, en de laastgenoemde vorst middeler wijlen gevlugt was. Dat Radja Ismael naar deeze vlugt direct possessie van het Rijk genomen, en na twee of drie daagen onderrigt geworden zijnde, dat Radja Alie zijne reitraiti naar Patapahan genomen, direct zijn lijflijke moeder en om„ „trent veertig bijwijven agter na gezonden hadt. Dat Radja Mahomet Alie niet zelfs zijn woonhuis in brand gestooken hadt, maar dat zulks door des„ zelfs onderdaanen geschiedt was; voorts verzekerde ons de gemelde Padoeka Padewa van de opregtheid van Radja Ismaels hart voor de com„ „pagnie, en dat hij bij aldien in de possessie van Siac kon blijven, alles op het stipste zoude nakomen, het gene hij beloofd hadt Deeze Padoeka zedere vervolgens van ons willen„ de weeten of Radja Ismael in het gemelde bezit zoude kunnen blijven, hebben wij hem te kennen gegeeven dat wij daar omtrent onkundig waaren, en zijn Vorst (:Radja Ismael:) door niemand als door onze veel gerespecteerde Gebieders op Ma„ „lacca, onderrigt konde worden. vervolgens maakten wij deezen zendeling ons vertrek naar Malacca bekend, en onderrigteden hem teffens dat zulks niet geschiedde uit eenige vreeze of bedugtheid

NL-HaNA_1.04.02_3556_1291 view scan ↗

English

Examined. fear, but in compliance with the orders received, to which he replied that this was very well known to them, having already felt the force of the Company's arms twice. Furthermore, from the conversation held on this occasion, we could observe nothing other than that the inhabitants of Siac are more devoted to Radja Ismael than to Radja Mahomet Alie. Wherewith we hope to have completed this expedition to satisfaction, and count it an honor to be, with respect, beneath stood, Right Honorable and Noble Sirs, lower, Your Right Honorable and Noble humble and dutiful servants, signed, I: A: Hensel and H:s Belgerhuijs, in the margin stood, Malacca, 6 September 1779. Agreed. Baumgarten In person, J: Roijers. Translation of a Malay letter written by Radja Ismael, calling himself Padoeka Siri Sulthan Abdul Jalil Rachmat Shah Chaliphatul Muminin, residing at Indrapura, to the Right Honorable Pieter Gerardus de Bruijn, Governor and Director of the city and fortress of Malacca, as well as the Council, received on 10 September 1779. After the customary compliments, the same reads as follows: This serves to inform my friend that I have duly received my friend's letter and accepted it with all honors. Upon reading the same, it appeared to me that my friend was very displeased with me because of my undertakings without the prior knowledge of my friend. I therefore ask many times for forgiveness for what has happened. Next to God and his Prophet, I hope and trust, regarding the offenses I have committed, henceforth in my friend's support. Concerning the letter which I have written to my friend, the Lord General at Batavia, and requested that transport thither may be obtained, and the sincere and decisive answer desired by my friend regarding the maintenance of a sincere friendship and unity, as well as the safeguarding of the interests of the Company, may my friend please know that the contracts with the Company originate from my father, who died at China Palan, meaning thereby his uncle Radja Alam. And as these serve entirely for prosperity, this father of mine has maintained them with a most sincere heart, and always promoted the Company's interests in the river of Siac. By the dispensation of God, my aforementioned father has passed away, but the aforementioned contract has remained in force and was maintained by my brother. Nor can one ever deviate from that contract, as its maintenance is in the service of the Company, which continually and always must retain the supreme authority. Now that my brother is out of the administration of affairs within Siac, and I am his successor to maintain and uphold the aforementioned contract unanimously concluded by my father, who died at China Palan, with the Company, I will also in no way deviate from that covenant entered into by my aforementioned father, but strictly comply with the same in everything, just as he did, and sincerely promote the Company's interests. If it should happen that I were to deviate from the aforementioned contract, I would sin against God and his Prophet, and clearly demonstrate that I was minded to ruin Siac. The Company should therefore in no way doubt all that I have said; for I take the maintenance thereof upon myself in all sincerity. No trade that is prohibited by the Company shall be carried on within Siac; nor shall foreign Europeans find any admittance with me. And if any of the inhabitants here are discovered carrying on such trade, I shall send him to my friend at Malacca. The Malacca traders who are at Siac and Patapahan, I shall support as much as possible and care for them. Furthermore, I must inform my friend that my brother having arrived with me on the 2nd of this month of September, we have settled everything with each other and are now in agreement. So that my friend may judge thereof himself, as well as of the fact that my brother has transferred to me the performance of all that he has performed until now for the Company within Siac, I am now sending, to attend upon my friend at Malacca, Padoeka Sri Dewa, who is a minister of my brother, from which this will most clearly appear. I have at present nothing as a token of my sincerity that could accompany these lines, except a pair of elephant tusks and a pikul of wax, of which I request a kind acceptance. Tamat. Written in the year 1193, on the 22nd day of the month Shaban, on Friday, being the 3rd of September 1779. Beneath stood: Translated according to the statement of the sworn interpreter Intje Taijer, lower, by me, signed, C: G: Baumgarten, First Sworn Clerk, in the margin stood, for the statement, signed, with some Malay letters. Agreed. J: Baumgarten, First Sworn Clerk D: Woutersz Examined.

Dutch transcription

37 378. 761 Nagezien bedugtheid, maar in nakominge der ontvangen orders, waar op hij repliceerde dat hun zulks als bereeds twee maal gevoel van Comp:s wapenen gehad hebbende, zeer wel bekend was. Wijders hebben wij uit het bij deezen gelegentheid gehouden ge„ sprek niet anders kunnen opmerken, als dat de inwooners van Siac, Radja: Ismael, meerder dan Radja Mahomet Alie, toegedaan zijn. waar meede wij hoopen deeze expeditie naar genoegen te hebben volbragt en het ons voor een eere rekenen met eerbied te zijn /:onderstond:/ wel- Edele Gestrenge Heer en E. E. Heeren, /:lager:/ Uwel Edele Gestr: en E. E. onder„ daanige en trouwschuldige Dienaaren /:getekend:/ I: A: Hensel, en H:s Belgerhuijs /:in margine stond:) Malacca den 6.„ September 1779. Accordeerd Saumgarten Lijbelijk J: Roijers. . Ma„ heid La. 379 3 319. 763 Translaat Maleits Missive geschreven door Radja Ismael, zig noe„ mende Padoeka Pirie Sulthan Ab„ „dul Ialil Rachmat Cha Calipha„ „due Mominin, resideerende te Indra„ poura, aan den wel- Edelen Gestrengen Heer Pieter Gerardus de Bruijn Gouverneur en Directeur der stad en Fortresse Malacca, benevens den Raad ontvangen den 10. Septem„ „ber 1779. Nade gewooklijke Complimenten dezelve uid aldus Deeze dient om mijnen vriend te bedeelen; dat ik mijnes Vriends brief wel ontvangen, en met alle eerbewijzingen gerecipieerd heb. Bij lecture van denzelven bleek mij, dat mijn Vriend zeer mis„ noegd op mij was, wegens mijne ondernemingen buiten voorken„ „nisse van mijnen Vriend. Ik verzoeke derhalven veel„ vuldigmaalen om vergiffenisse van het gene er geschied is. Haast God en zijnen Propheet hoop en vertrouwe ik, wegens mijne begaane misdrijven voortaan op mijnes Vriends maintenue. Belangende den brief, welken ik aan mijnen Vriend, den Heer Generaal te Batavia, geschreven en verzogt hebbe dat transport naar derwaards moge 'erlangen, en het door mijnen Vriend begee„ „de opregte en beslissende andwoord wegens het onderhouden eene opregte vriendschap en eensgezindheid, mitsgaders het waar„ neemen der belangens van de Compagnie, gelieve mijn vriend te weeten dat de contracten met de Compagnie voortkomstig zijn zijn van mijnen Vader, die op China Palan overleden is. A E„ alzo dezelelven allezints tot welvaart strekken, heeft deeze mijn vader ze met een aller opregts hart onderhouden, en Comp. s be„ langen in de rivier van Piac altoos behartigt. Door de schikking Gods is gemelde mijn vader overleeden, dog het voorschreven gecontracteerde is in zijn kragt gebleeven en door mijnen broeder onderhouden. Ook kan men van dat contract nooit afwijken, alzo dies onderhouding de dienst is van de Compagnie, dewelke gedurig en altoos het Oppergezag moet blijven behouden. „Nademaal nu mijn broeder uit het bewind der zaaken binnen Siac is, en ik zijn successeur ben om het gemeld door mijnen te Chiena Palan overleden vader met de com„ pagnie, eens gezind gesloten contract te onderhouden en staande te doen blijven, zal ik ook in geenen deele afwij„ „ken van dat verbond, door mijnen meergemelden vader aan„ gegaan maar het zelve, gelijk hij gedaan heeft, in alles stip„ „telyk nakomen, en Comp. s belangens opregt behartigen. Bij aldien het gebeurde dat ik van het meergemelde con„ „tract kwam aftewijken zoude ik zondigen tegen God en zijnen Propheet, en klaarblijkelijk aantoonen, dat ik gezind was Siac te bederven. De Compagnie wille derhalven geen„ zints twijffelen aan al het gene ik gezegt heb; want de on„ derhouding van hetzelve neeme ik in alle opregtheid op mij. Geen handel, die bij de Compagnie verboden is, zal bin„ nen Siac gedreven worden; ook zullen de vreemde Euro„ „piers geen ingang bij mij vinden. En bij aldien iemand van de ingezetenen alhier ontdekt wordt diergelijken handel te drijven, zal ik hem naar mijnen vriend op t meenende daar mede zijnen oom Radja Alam Malacca 380. 765 Malacca Zenden. De Malaccasche traffiquanten die zig op Stac en Pata„ pahan bevinden, zal ik zoo veel mogelijk ondersteunen en voor hun zorgen. Voorts moet ik mijnen Vriend Communiceeren, dat mijn broeder op den 2. deezer maand September bij mij gearri„ „alles veerd weezende, wij met elkanderen beslist hebben en tans eensgezind zijn. Op dat nu mijn vriend zelfs daar over kan oordeelen; gelijk ook daar oveer dat mijn broeder aan mij opdragt gedaan heeft van de waarneeming van al het gene hij tot dusverre voor de Compagnie binnen Siac verrigt heeft, zende ik tans, om mijnen vriend te Malacca op te wagten, Padoeka Pri Dewa die een Mi„ nister is van mijnen broeder, waar uit zulks ten klaarsten zal blijken. Ik heb tans niets tot een teken mijner opregtheid, het welke deeze regels zoude kunnen verzellen, als een paar Olifants lan„ „den en een pikel wasch, waar van ik eene genegen accep„ „tatie verzoeke. Thamat Geschreven in het jaar 1193, den 22. dag der maand schee„ ban op vrijdag zijnde den 3. September 1779. (:onderstond:) Getranslateert volgens opgaave van den Gezworen Tolk jntje Taijer (:lager:/ door mij (:getekend:) C: G: Baumgar„ ten, Eerste Gezw: klerk (:in margine stond:) voor de op„ „gave (:getekend:/ met eenige Maleitsche letters. Accordeert. J Saumgarten E Gklerk # En g zag de op d lacca D: Woutersz Nagesien

NL-HaNA_1.04.02_3556_1299 view scan ↗

English

381 767 Treaty, entered into and concluded by the Governor and Director of this City and Fortress Pieter Gerardus de Bruijn, and the Political Council, on behalf of the General Dutch East India Company, with the Penghulu and the Ampat Suku of Rembau. Whereas the Penghulu and Ampat Suku of Rembau and its jurisdiction, having made a request to the Governor and Political Council of this city and Fortress that, instead of the deceased First Regent Raja Adil, no other Supreme Chief be appointed, but that the governance of that district might henceforth be entrusted and conferred upon the Penghulu and the Ampat Suku; the Governor and Council having condescended to that request, and for that reason having deemed it necessary to renew the contract concluded in the year 1759 with Daeng Cambodia and associates concerning Rembau and its jurisdiction, with such alterations and additions as the present time and circumstances require, in order to maintain good intelligence and correspondence between the General Dutch East India Company and Rembau, and to advance the interest of the said Company as well as the prosperity of the Malacca and Rembau communities: so the Governor and Council of this city and Fortress on behalf of the aforesaid Company on the one part, and the Penghulu and two Ampat Suku of Rembau present here, Abdul Ingsas, Boeyong, and Rhaé, together with the Plenipotentiaries of the two remaining or absent Ampat Suku Gading and Sola, named Siradja Ia and Boesoe, on the other part, have agreed with one another, subject to the further approval of Their High Excellencies, the Governor-General and the Council of the Dutch East Indies at Batavia, regarding the following points: 1. That the nine negorijen of Rembau and whatever falls under its jurisdiction, to the governance of which the aforementioned Penghulu and Ampat Suku have been admitted and authorized this day in the Political Council of this Government, shall henceforth always be governed by one Penghulu and four Ampat Suku; provided, however, that the person who upon the death of the Penghulu is elected as his successor shall not be permitted to act as such, nor be recognized by anyone, before he has been confirmed in that office by the Governor and Council, having made a proper request to that end. 2. That the Penghulu and Ampat Suku, along with their subordinates, shall be faithful and true to the General Dutch East India Company, and shall conduct themselves to the utmost of their ability in all submission toward the same, as is fitting and proper for faithful neighbors and vassals, without ever undertaking anything against it, directly or indirectly; furthermore, that they shall hold all of the Company's friends as their friends, and enemies as their enemies, including therein in the first place especially the King of Johor and his subjects, against whom they shall never commit any hostilities, under whatever pretext it might be. 3. That in case any European or Native in the service of the aforesaid Dutch East India Company should seek shelter and residence under the jurisdiction of the Penghulu and the Ampat Suku, they shall, as soon as they obtain knowledge thereof, without regard to rank or condition, and without permitting him to embrace the Mahometan religion, take him into custody, and immediately 769 382. send word thereof to the Governor and Council at Malacca, or have him transported hither to be delivered into the hands of the said Malacca Government. 4. That the Penghulu and Ampat Suku shall also grant no protection, under whatever pretext it may be, to any of their subordinates who are suspected of engaging in the enticement of slaves or of having committed other punishable offenses, but shall surrender them in good faith when they are demanded by the Governor and Council at Malacca, or in their name by the Fiscal of this Government, in order, after proper investigation, to acquit them or to make them undergo their deserved punishment. 5. That the Penghulu and Ampat Suku, without the least delay, shall cause to be apprehended and brought back not only the slaves who have run away or been carried off from Malacca and are still present elsewhere within the Territory of Rembau, but also all those who might arrive there in the future in the said manner; on this condition, that for each of the former, or the slaves currently being in one or another of the nine Rembau negorijen, the Penghulu with the Ampat Suku shall receive as a bounty ten rds. and the possessor of such a slave fifteen rds., but that for each of those who arrive there in the future there shall be paid twenty rds., half for the Penghulu with the Ampat Suku, and the other half for the captor of such a slave. 6. That, on the other hand, the Company shall also always cause to be returned all ill-disposed persons who, having taken refuge hither from Rembau and its jurisdiction,

Dutch transcription

381 767 Conoiier, aangegaan en gesloten door den Gouverneur en Directeur deezer Stad en Fortresse Pieter Gerar„ „dus de Bruijn, en den Politiquen Raad, van wegen de Generale Nederlandsche Oostindische Compagnie, met den Bnghoeloe en de Ampat„ „soekoes van Rombouw Nademaal de Ponghoeloe en Ampatssekoes van Rombouw en dies Ressert aan den Gouverneur en Politiquen Raad deezer stad en Fortresse verzoek gedaan hebbende, dat in plaatze van den overledenen Eersten Regent Radja Hadiel geen ander Opper„ „hoofd gesteld, maar de bestiering van dat landschap voer alsoos opgedragen en geconfereerd mogte worden aan den Penghoeloe en de Ampatsoekoes, door den Gouverneur en Raad in dat ver„ „zoek gecondescendeerd, en uit dien hoofde noodig geoordeeld. is het in den jaare 1759 met Dain Cambodia c. S. geslo„ „ten Contract, Rombouw en dies Ressort betreffende, te vernieu„ „wen, met zoodanige alseratien en ampliatien, als de presente tijd en omstandigheden komen te vereisschen, ten einde tus„ „schen de Generale Nederlandsche Oostindische Compagnie en Rombouw eene goede intelligentie en correspondentie te onderhouden, en het belang van de gemelde Compagnie zoo wel, als het welvaaren van de Malaccasche en Kom„ „bouwsche Gemeenten, te bevorderen: zoo zijn de Gouverneur en Raad deezer stad en Fortresse van wegen de meergemelde Compagnie ter eene, en de hier aanweezende Ponghioeloe en twee Ampatsoe koes van Rombouw Abdul Ingsas, Boeij„ ong en Rhaé, mitsgaders de Gevolmagtigden van de twee overige of daar verbleven Ampatsoekoes Gading en Sola, zijnde genaamd Siradja Ia en Boesoe, ter andere zijde, met elkanderen op nadere approbatie van Hunne Hoog Edelheden, den Gouverneur Generaal en de Raaden van La. K. Nederlands Nederlands Indien te Batavia, overeengekomen omtrent de volgende pointen. Dat de negen Negorijen van Rombouw en hetgene daar onder resserteert, tot welker bestiering de voorgenoemde Ponghoeloe en Ampatsoekoes op heden in de Vergadering van Politie deezes Gou„ „vernements zijn geadmitteerd en geauthoriseerd, voortaan al„ „toos zullen worden bestierd door een Ponghoeloe en vier Ampassee„ koes, dog dat egter de gene, die bij overlijden van den Pongkoeloe tot zijnen successeur verkoren wordt, als zoodanig niet zal mogen fungeeren, nog ook van iemand erkend worden, voor dat hij door den Gouverneur en Raad in dat ampt geconfirmeerd is, daar toe behoorlijk verzoek doende. Dat de Ponghoeloe en Ampassoekoes, nevens hunne On„ derhoerigen, de Generale Nederlandsche Oostindische Compag„ „nie, gehouw en getrouw zullen zijn, en zig naar uiterste vermogen in alle onderdaanigheid omtrent Hoog dezelve Ge„ „draagen, gelijk het getrouwen Nabuuren en Veessaalen toestaat en betaamt, zonder daar tegen ooit iets te onderneemen, di„ „rectelijk of indirectelijk; Voorts dat zij alle Compagnies Vrienden voor hunne Vrienden, en Vijanden voor hunne vijanden, zullen houden, daar onder in de eerste plaatze spe„ „ciaal begrijpende den Koning van Iohor en zijne Onderdaa„ „nen, tegen dewelken zij nimmer eenige vijandelijkheden zullen pleegen, onder wat voorwendzel het ook zoude mo„ „gen zijn Dat bij aldien eenig Europeer over Inlander, in dienst van de voorschreven Nederlandsche Oostindische Compagnie zijnde, onder de Iurisdictie van den Ponghoeloe en de Ampatsoekoes schuil- en verblijfplaats mogte zoeken, zij hem, zoo dra zij 'er kennis van krijgen, zonder regard te slaan op rang of staat, en zonder hem te permitteeren de Maehomelaansche Religie te omhelzen, in verzekering zullen neemen, en daar van decadelijk 2. 769 382. daadelijk aan den Gouverneur en Raad te Malacca kund„ „schap doen, of hem naar herwaarts laaten transporteeren, om in handen van de gemelde Malaccasche Regeering over„ geleverd te worden. Dat de Pongkoeloe en Ampaitsoekoes ook aan geenen van hunne Onderhoorigen, die suspect zijn van zig met slaaven seductie op te houden, of andere strafwaardige de„ „licten gepleegd te hebben, bescherming zullen verleenen, onder wat pretext het ook zij, maar hun ter goeder trouwe uitleveren, wanneer zij van den Gouverneur en Raad te Malacca, of in hunnen naame door den Fiscaal deezes Gouvernements, gerequireerd werden, om na behoorlijk onderzoek hun vrij te spreeken of de verdiende straffe te doen ondergaan. Dat de Ponghoeloe en Ampatsoekoes zonder het minste retardement zullen doen opvangen en te rug brengen niet alleen de van Malacca weggelopen over weggevoerde en zig elders binnen het Gebied van Rombouw nog bevin„ „dende slaaven, maar ook alle die, welke in het vervolg op de gezegde wijze daar zouden mogen aankomen, on„ „der deeze conditie dat voor ieder van de eersten, of de tans in de eene of andere van de negen Rombouwsche Negerijen zijnde slaaven, de Ponghoeloe met de Ampatsoekoes tot eene premie genieten zal tien rds. en de bezitter van zoodanigen slaaf vijftien rds. , dog dat voor ieder van die er in het vervolg aankomen betaald zullen worden twintig rds, de helfte voor den Ponghoeloe met de Am„ „patsbekoes, en de wederhelfte voor den agterhaaler van zulk een slaaf. Dat daarentegen de Compagnie ook steeds zal doen te rug geeven alle kwaadwillige persoonen, welke, uit het Rombouwsehe en dies Ressort herwaarts de wijk genomen hebbende, 4. 5. 6.

NL-HaNA_1.04.02_3556_1302 view scan ↗

English

having, could be claimed by the Ponghoeloe and the Ampaitsoekoes; likewise the slaves who have run away from there and are staying here, provided that twenty rds. are paid by their owners to the apprehenders of the latter for each person. That the Ponghoeloe and Ampatsoekoes shall not only themselves conduct no trade with Foreign Europeans, but shall also, as much as lies in their power, ensure that it is not conducted by their subordinates. That the Ponghoeloe and Ampassoekoes shall deliver or cause to be delivered to the Dutch East India Company, without the least withholding, all the tin from Lingi, Rombouw, and Calang that they or their subordinates collect, which Company binds itself to accept an annual quantity of thirty-two thousand katies or forty thousand pounds thereof at the price of thirty-six round Spanish reals for the bahar of 300. –. katies or 375. — lb, provided that the Company shall pay no more than thirty-four Spanish reals for each bahar of whatever is delivered annually above the aforementioned quantity of 40000. –. lb., yet nevertheless fully retaining the power, which it has had and exercised according to the previous Contracts, immediately to confiscate entirely for its own benefit all the tin that it catches on smuggling routes across smuggling places, and also to have the liberty, upon finding that the presently agreed-upon price of thirty-six Spanish reals for the bahar up to the limited quantity of 40000. –. lb. fails to meet expectations, namely, when no more considerable quantity of tin than has now for some time been brought down should be delivered thereby, or the Company had reason to think that secret outlets were being sought for this mineral, to be permitted to return to the price of thirty-four Spanish reals, as well for the bahar of the aforementioned 40,000. –. lb. as for the remainder. That on this account the Ponghoeloe and Ampassoekers shall never permit their subordinates to sell any tin, however little it may be, to the Salangorese or other Bugis, whether for cash or in exchange for necessities, but that they shall on the contrary forcefully prevent this, and seek to persuade their subordinates to desist completely from trade with that nation and to come seek their necessities at Malacca; while the Company promises to afford them all help and assistance therein. That, for the promotion of a mutually tranquil passage and traffic, the Ponghoeloe and Ampatsoekoes shall also tolerate no acts of piracy, but shall curb and oppose them through exemplary punishment, under penalty of remaining themselves answerable for it upon the transgression of their subordinates in this regard. That likewise, whenever they might occasionally perceive that any ill-disposed persons hereabouts are making preparations or equipment for hostile undertakings, they shall exert all their power to divert and lead them away from it by gentle means, but, if they do not listen, by more forceful means. That no vessels, whosesoever they may be, shall be permitted to pass Malacca from the North to the South, or from the South to the North, without first calling at this place to obtain a pass, on penalty of confiscation of vessel and cargo. The Pongkoeloe and Ampatsoekoes finally promising, both for themselves and for their successors in the government over Rombouw and its jurisdiction, sacredly to maintain and fulfill their aforementioned obligations, and also to cause them to be maintained and fulfilled, as long as the Sun and Moon give their light, without departing therefrom in the least; just as the Governor and Council in the name of the Dutch East India Company likewise promise to conduct themselves according to this Contract, and, whenever those of Rombouw, Lingi, etc., are found faithful, ever to show them its favorable and fatherly protection. In witness of the truth and sincerity, this Contract was solemnly sworn upon the Alcoran in the Council of Policy by the Ponghoeloe, Ampatsoekoes, and Plenipotentiaries present here, ratified with their signatures alongside those of the Governor and Council, and sealed with both the seal of the Company and that of Rombouw; three identical instruments having been made thereof, the one to be sent to Batavia to the Honorable High Indian Government, the second to be preserved here, and the third to be taken along by the Pongkoeloe and Ampatsoekoes to Rombouw. Done at Malacca in the Fortress on the 11th of August 1779. Signed: P. G. de Bruijn, A. A. Werndlij, I. A. O. von Schilling, A. F. Lemker, Iohannes Lijnslager, and A. Couperies. In the margin stood the Company's seal pressed in red sealing wax, and underneath it, by order of the Honorable Governor and the Council, signed: F. Thierens, Secretary. The translation of this Contract was signed with various characters, and around them written down by Abdul Ingsaf, Boeijong, Rhae, Siradja Ia, and Boesoe; in the margin stood the seal of Lombouw pressed in black ink. Agrees, Paumgarten— G. Clerk [illegible]

Dutch transcription

hebbende, door den Ponghoeloe en de Ampaitsoekoes zouden me„ „gen worden gereclameerd; zoo mede de van daar weggelopen en zig hier ophoudende slaaven, mits dat aan de agterhaa„ „lers van de laasten door hunne eigenaars voor ieder belaald worden twintig rds. Dat de Ponghoeloe en Ampatsoekoes niet alleen zelfs geene negotie met Vreemde Europeers drijven, maar ook zoo veel het in hun vermogen is zorgen zullen, dat die door hunne Onderhoerigen niet gedreven werdt. Dat de Ponghoeloe in Ampassoekoes al het tin van Lingi, Rombouw en Calang, hetwelk zij of hunne Onderhoerigen inzamelen, zonder de minste agterhouding, zullen leveren of doen leveren aan de Nederlandsche Oostindische Compag„ „nie, dig zig verbindt om daar van jaarlijks eene quantiteit van twee en dertig duizend katies of veertig duizend pon„ „den aan te neemen tot den prijs van zes en dertig ronde spaansche reaalen voor de baar van 300. –. katies of 375. — lb, mits dat de Compagnie voor ieder baar van hetgene boven de gemelde quantiteit van 40000. –. lb. jaarlijks geleverd wordt niet meer zal betaalen, dan vier en dertig spaansche reaalen, dog evenwel volkomelijk behouden de magt, die zij volgens de voorige Contracten gehad en geoefend heeft, om al het tin, dat zij op sluikwegen over sluikplaatzen attrap„ „peert, daadelijk ten haaren behoeven voor het geheel te con„ „fisqueeren, en ook de vrijheid hebben, om bij bevinding, dat de tans bedongen prijs van zes en dertig spaansche reaalen voor de baar, tot de gelimiteerde quantiteit van 40000. –. lb. , aan de verwagting niet komt te voldoen, te weeten, wan„ „neer daar door geene aanmerkelijker quantiteittins dan nu eenigen tijd afgebragt is, geleverd wierde, over de Compag„ „nie reden hadde van te denken, dat met dit mineraal heimelijke uitwegen gezogt worden, ) te rug te mogen keeren tot den prijs van vier en dertig spaansche reaalen, zoo 383. 771 zoo wel voor de baar van de gemelde 40'000. –. lb, als voor het overige. Dat de Ponghoeloe en Ampassoekers uit dien hoofde min„ „mermeer gedoogen zullen, dat hunne Onderhoorigen eenig tin, hoe weinig het ook zij, aan de Salangoreeschen op andere Boegineeschen verkoopen, 't zij voor contant of in ruiling tegen benoodigdheden, maar dat zij zulks in tegendeel met kragt zullen beletten, en hunne Onderhoorigen tragten te beweegen, om van den handel met die natie geheel en al af te zien, en hunne behoeften op Malacca te komen zoe„ „ken; terwijl de Compagnie belooft hun daar in alle hulp en bijstand te zullen toebrengen: Dat de Ponghoeloe en Ampatsoekoes ook, ter bevorderin„ „ge van eene wederzijdsche geruste passage en trafijk, geene zeerooverijen tolereeren, maar dezelve door exemplaire strafoeffening weezen en tegengaan zullen, subpoene van bij overtreeding hunner Onderhoorigen in dit opzigt zelfs daar voor aanspreekelijk te blijven. Dat zij insgelijks, wanneer zij somtijds gewaar mogten werden dat eenige kwaadwilligen hier omstreeks prepara„ „tien of toerustingen tot vijandelijke onderneemingen maa„ „ken, al hun vermogen zullen inspannen, om de zoodani„ „gen daar van te diverteeren en af te leiden door zagte, dog, daar niet na luisterende, door kragtdaadiger middelen. Dat geene vaartuigen, van wien die ook zijn, uit de Noord naar de Zind, of uit de Zuid naar de Noord, Ma„ „lacca zullen mogen passeeren, zonder deeze plaats alvoo„ „rens aan te doen, om eene sas te haalen, op poene van con„ „fiscatie van vaartuig en laading Beloovende de Pongkoeloe en Ampatsoekoes eindelijk, zoo 10. 11. 12. zoo voor zig, als voor hunne successeuren in hett bestier over Rombouw en dies Ressert, hunne voorschreven verbin„ „tenissen heiliglijk te zullen onderhouden en nakomen, ook doen onderhouden en nakomen, zoo lang de zon en Maan haar schijnzel geeven, zonder daar van in het minste af te wijken; gelijk de Gouverneur en Raad in den naam van de Nederlandsche Oostindische Compagnie mede belooven zig naar dit Contract te zullen gedraagen, en, wanneer die van Rom„ „bouw, Lingi enk. getrouw bevonden worden dezelven steeds haare gunstige en vaderlijke protectie bewijzen. Ten oerkonde van de waarheid en opregtheid, is ditt Con„ „tract door de hier aanweezende Ponghoeloe, Ampatsoekoes, en Gevolmagtigden, in Raade van Politie, plegtiglijk op den Alco„ „ran bezworen, met hunne handtekeningen, nevens die van den Gouverneur en Raad, bekragtigd, en met het zegel &de van de Compagnie als van Rombouw bezegeld; zijnde daar van gemaakt drie eensluidende Instrumenten, het een om naar Batavia aan de Edele Hooge Indische Regeering ge„ „zonden, het tweede om hier bewaard, en het derde om door den Pongkoeloe en Ampatsoekoes naar Rombouw medegeno„ „men te worden. Gedaan de Malacca in de Fortresse den 11. Augustus 1779 getekend/ P. G. de Bruijn, A. A. Werndlij, I. A. O. von Schilling„ A. F: Lemker, Iohannes Lijnslager en A. Couperies /:in mar„ „gene stond, Comps. zegel gedrukt in roode lak en daar onder ter ordonnancie van den Ed. Heer Gouverneur en den Raad /getekend F:s Thierens Sec. s , Het Translaat van dit Contract was getekend, met verscheide caracters en daarom geschreven gesteld door Abdul Ingsaf, Boeijong, Rhae, Siradja Ia en Boesoe, in margine stond het zegel van Lombouw gedrukt in zwarten inkt Accordeert Paumgarten— G Klerjk La. L. 773 384 8 ƒ d 8 8 S: 5 8 5 6 b 5 8 5 S d 5 9 5 5 21 8 te d5 5 8 ½ 8 9 5 6 98 8„ le e 8 5 e 8 N d 302 8 d 6d ƒ e 8 6 3 6 v b O d 1 7 8 5 8 3 d 0 5 de do 83 5 : 6 1 8 5 6 g 5 5 5 5 5: 5 8 Hen 1 : : 8 1 8 e aas en. D 1 . : : . : 1 1 5 385. 775 - P 5 400 8 ƒ . 2 5 - ƒ 1 6 d 5 Bents e ƒ S 9 5 8 83 - 16 ƒ H 5 7 8 5 8 5 1 . 1 5 Bruijn ƒ : „ 1 : : 8 : e 8 9 - . d. d 1 ƒ 1-8 1 1 2 5 t n end 9 6 43 E ende 9 5 ƒ 1 5 „ 2 ƒ 8 „ 1 5

NL-HaNA_1.04.02_3556_1311 view scan ↗

English

To the Honorable, Stern Sir Pieter Gerardus de Bruijn Governor and Director of this City and Fortress, etc. Honorable, Stern Sir: Pursuant to Your Honor's most esteemed written order, we, the undersigned, proceeded on board the bark de Eendragt lying here in the Roads, and have thoroughly inspected the same, and found said vessel to be in a condition to undertake the voyage to Batavia with complete confidence, as we have been unable to discover any defects whatsoever, neither in its hull, nor in its spars and rigging. We flatter ourselves that we have complied with Your Honor's orders, and remain with due respect, Honorable, Stern Sir, Your Honor's humble servants, H:s Velgerhuijs and Jacob Schol, Malacca, the 11th of September Anno 1779. Agreed. J. Baumgarten La. M. 386. 7777 S ƒ Examined P. Woutersz 387. 779 I, the undersigned Michiel Woller, Master of the Company's bark de Eendragt, hereby declare that the defects found on the said vessel upon arrival here in the roads have been properly repaired, and that it has been provided with everything necessary in such a manner that I can now safely undertake the voyage to Batavia with it. Malacca, the 10th of September 1779. M. Woller. J. Baumgarten Agreed 781 To the Honorable, Stern Sir Pieter Gerardus de Bruijn, Governor and Director of the City and Fortress of Malacca with its jurisdiction. Honorable, Stern Sir, Having been instructed by Your Honor to inquire with the Envoy of Radja Ismael, Padoeka Sri Dewa, about what has occurred in Siac since the arrival of the said Prince, and in particular how the present form of government there is actually situated; I have, in compliance with that order, presented myself to the said Envoy and learned the following from him: That he, Padoeka Sri Dewa, under the reign of Radja Ali, was one of the sukús of the Siak Realm, and that he currently still attends the assembly convened by Radja Ismael, though without assurance that he will continue to hold that office in the future. That Radja Ismael, after he had placed himself in possession of Siac, sent an envoy with a letter to Radja Ali at Patapahan, and invited that prince to come to him at Mapoera, under assurances made on oath that not the slightest harm would be done to him. La. N. 388. That Radja Ali did indeed come down, and that Radja Ismael, who had received word thereof, sent to meet him one of his, Radja Ismael's, brothers named Toenkoe Douat, together with his sister, the separated wife of Radja Ali, as well as some other women and their retinue, in order to escort the last-mentioned Prince to Mapoera. That upon their arrival at Mapoera, Radja Ali took up his lodgings with his and Radja Ismael's aunt, named Toenkoe Boeti. That Radja Ismael immediately wished to pay a visit to Radja Ali at the said house, but that Prince, upon receiving the message thereof, returned the answer that he could not receive Radja Ismael, but was inclined to pay the first visit, and would come to wait upon him. That Radja Ali thereupon (supported by two men, as he was ill and very weak) went to Radja Ismael, and was very cordially received by him, 389 783 and that on that occasion the said Princes assured each other under oath that they would do no harm, nor cause any harm to be done, to one another. That Radja Ismael continues to treat Radja Ali amicably; and that the latter likewise shows himself to be friendly and accommodating, just as they also frequently visit one another, and Radja Ismael almost always consults with Radja Ali regarding the arrangements which he might wish to make in the administration over there in the future; though it is unknown to him, the Envoy, whether those Princes have already concluded a firm agreement concerning the government over the Realm of Siac. That he, the Envoy, was instructed by Radja Ismael to prepare himself to depart for Malacca, whither he wished to send him, and that to this end he might request a credential from Radja Ali, which he did; but received as an answer from Radja Ali: my seal has been burned, I can therefore give no impression thereof; nor can I write; and further, regarding the difficulty raised by him, the Envoy, that he would not be considered credible: you have, after all, been to Malacca multiple times, and are thus known to many people as a former Minister of mine; therefore you may depart with peace of mind and report at Malacca what is known to you. That Radja Ismael's intention is that the government be restored to the old footing, and the country henceforth

Dutch transcription

Aan den Wel Edelen Gestrenge Heer Pieter Gerardus de Bruijn Gouverneur en Directeur deze Stad en Fortresse E=a Wel Edele Gestrenge Heer: Ingevolge uwer Wel-Edelen Gestrenge zeer gevenereerde Schrifte„ „lijke order, hebben wij ondergetekendens, ons begeven aan boord van de alhier ter Rheede leggende Barcq de Eendragt, en de„ zelve exactelijk gevisiteert mitsgaders dien bodem be„ „vonden in staat te zijn om de reize naar Batavia met vol„ komen gerustheid te kunnen onderneemen, door dien wij, nog aan dies romp, nog aan dies rondhouten en tuijagie ee„ „nige gebreeken hoe genaamt hebben kunnen ontdekken. Wij flatteeren ons aan Uwer wel Edelen Gestrenge onder te hebben voldaan, blijven met verschuldigden Eerbied /:onderstond:) Wel Edele Gestrenge Heer /:lager:/ Uw wel Edele Gestrenge ootmoedige Dienaaren /:getekend:/ H:s Velgerhuijs en Iacob Schol, (:in margine:/ Ma„ „sacca den 11. September A„o 1779. Accordeert. J Vaermngerten La. M. 386. 7777 S ƒ agesien P Woulerz 387. 779 Ik ondergetekende Michiel Woller, Gezaghebber van Comps. bark de Eendragt, verklaare bij deezen, dat het gemelde kieltje van de daar aan bevonden gebreken bij aankomste hier ter rheede, naar be„ „hooren gerepareerd, en van al het noodige zooda„ „nig voorzien is, dat ik daar mede nu gerustelijk de reize naar Batavia kan onderneemen. Malacca den 10. September 1779. /getekend/ M. Woller. J Baumgartten lije Accordeert 781 Aan den Wel- Edelen Gestrengen Heer Pieter Gerardus de Bruijn, Gouverneur en Directeur der Gt stad en Fortresse Malacca met den resorte van dien. Wel-Edele Gestrenge Heer Door Uwe Wel-Edele Gestr: gelast: zijnde bij den Gezant van Radja Ismael Padoeka Sri Dewa, te inquireeren na hetgene in Siac is voorgevallen sedert de komsten van den gemelden Prins en inzonderheid hoe het met de tegenwoordige regeeringsvorm aldaar eigen„ „lijk gelegen zij; zoo heb ik ter voldoening aan dat bevel mij vervoegt bij den gemelden Gezand en het navolgende van hem vernoomen Dat hij Padoeka Sri Dewa, onder de Regeering van Radja Ali is geweest een der soekoes van het Siaccische Rijk, en hy ook tans de vergadering die Radja Ismael be„ „legd nog bywoond, zonder egter verzekering te hebben van ook in het vervolg dat ca„ „racter te zullen blyven bekleeden Dat Radja Ismael, na dat Hij zig in de possessie van Siac gesteld hadt, een Afgezout met een brief aan Radja Ali naar Patapa„ „ham gezonden, en die vorst, onder met eede La. N. 388. gedaane gedaane verzekeringen dat hem geen het minste leed zoude geschieden, bij zig naar Mapoera ge„ „noodigt heeft. Dat Radja Ali ook afgekomen is, en dat Radja Ismael, die daar van narigt bekomen hads, hem te gemoet gezonden heeft, een van zijne Radja Ismaels/ broeders genaamt Toenkoe Douat, benevens zijn Lyster de ge„ separeerde huisvrouw van Radja Ali, mits¬ „gaders nog eenige andere vrouwen en hun gevolg, ten einde den laastgemelden Vorst naar Mapoera te geleeden: Dat bij hunne komste te Mapoera Radja Ali zijn logies genomen heeft bij zijne en Radja Ismaels Tante, met naame Toen¬ „koe Boeti Dat Radja Ismael terstond een visite bij Radja Ali aan het gemelde huis heeft willen komen afleggen, dog dat die Prins op de daar van bekomen boodschap heeft laaten antwoorden, Radja Ismael niet te kunnen accepteeren, maar genegen te zijn de eerste visite te geeven, en hem te zullen komen opwagten Dat Radja Ali ook daar op (onder„ „steund door twee mannen, dewijl hy ziek en zeer zwak was) naar Radja Ismall deezen gegaan en door denzelven zeer nieudelijk ontvangen 13 „ 389 783 ontvangen is, en dat bij die gelegenheid de ge„ „melde Prinsen met eede verzekerd hebben elx kanderen geen leed te zullen doen of laaten doen Dat Radja Ismael voortvaart met Radja Ali: vriendelijk te behandelen; en dat deezen zig insgelijks viendelijk en toegeevende be„ „toont, gelijk zy ook veel bij elkanderen ko„ „men, en Radja Ismael meest altoos met Radja Ali raadpleegd, over de schikkin„ „gen, die Hig in de huishouding ginder, in het vervolg wilde maaken, dog dat het hem Gezant onbekend is of die Vorsten bereets nopens de Regeering over het Rijk Siac een vaste overeenkomst geslooten hebben Dat hij Gezant door Radja Ismael gelaast was zig gereed te maaken om naar Malacca te vertrekken, werwards hij hem zeuden wilde n en dat hij ten dien einde een credentiaal van Radja Ali verzoeken kon, gelijk hy ook gedaan dog van Radja Ali ten antwoord bekomen 141. hads, mijn schap is verbrand, ik kan „ derhalven geen afdrukzel daar van geeven; ook kan ik niet schrijven; en voorts op de door hem Gezand geopperde zwaarigheid van niet voor geloofbaar te zullen gehouden worden gij zijt immers meermaalen op Malacca geweest, en dus bij veele Lieden voor een geweezen Munister van mij bekend, derhalven kant gij gerust vertrekken en op Malacca keunis geven van hetgene u bekend is Dat Radja Ismaels intentie is dat de Regeering op den ouden voet gebragt en het land voortaan O

NL-HaNA_1.04.02_3556_1322 view scan ↗

English

henceforth be governed again by an Old King, being he himself, and a Young King, which shall be Radja Ali. That Radja Ali indeed raises no objection against this, but that in this regard, as has already been cited previously, nothing has yet been definitely determined. That Radja Ismael had proposed to have a seal made there provisionally, whereby he would be titled as Old King and Radja Ali as Young King, about which proposal Radja Ali, when the Envoy informed him thereof, smiled, but that no such seal had yet been made. That Radja Ismael had therefore written alone and under his own signet, but that this Letter, being the one brought hither by the aforementioned Envoy, was written under the eyes and at the residence of Radja Ali, whither Radja Ismael had betaken himself, at the same time consulting with Radja Ali about what he wished to write. That on this occasion Radja Ali had not only laid open before Radja Ismael all the papers concerning the administration of Siac, but had also simultaneously instructed him on the contents of the Contracts, laws, and customs. That these papers were the only thing that Radja Ali took with him on his flight to Patapahan and has now brought back again. Everything set down herein being that which the humble subscriber deems worthy of Your Right Honorable's attention, he has the honor to be, with due respect, Right Honorable Sir, Your Right Honorable's most humble and faithful Servant, was signed C. L. Baumgarten, First-Class Clerk, in the margin Malacca the 11th of September 1779. Agrees. J. Baumgarten First Clerk Examined. D: Roijns. 69 Copy Separate Letters from The Governor and Director of Java's Northeast Coast To Their High Excellencies from The 4th of October to The 3rd of December, Anno 1779. No. 22. 785 Samarang The 4th of October anno 1779. Folio 390. To His High Excellency, The Right Honorable, Highly Esteemed Reinier De Klerk, Governor General, and The Right Honorable Members of the Council of the Dutch East Indies; etc. etc. etc. Right Honorable, Highly Esteemed Lord, and Right Honorable Gentlemen! Immediately after the receipt of Your High Excellencies' respected separate dispatch of the 27th of August last, which was only on the 22nd of September past with the ship Zuidbeveland, I sent the letter enclosed therein from His High Excellency the Governor General to the Sultan to Djocjocarta for delivery, and receiving the answer thereto from the prince today, I take the liberty to present it to Your High Excellencies. The Sultan persisting in the request to have his Homage performed in Batavia and not in Samarang, I shall await Your High Excellencies' further disposition and orders in that regard, and in the meantime accept the Homage on the Emperor's behalf, unless Your High Excellencies might see fit to suspend it now as well, which I however do not expect, which I then request to be informed of speedily, as I expect the Envoys for that purpose in Samarang at the latest in the latter part of this month. The matter of the Solo deserters I shall keep in mind in accordance with Your High Excellencies' honored intention, and let no opportunity that appears favorable to me pass by without making use of it to effect their surrender or return. The Emperor has dismissed Raden Tommongong Tjoero Dipouro, mentioned in my separate submission of the 13th of July last, and it having now also occurred to him that Mantrie Singo Widjoijo, whom I sent to Batavia and Your High Excellencies, according to the respected separate dispatch of the 25th of May previously, placed on Edam, is innocent of what has been charged against them, the prince has made it known to me that he would gladly have that man back, wherefore I request Your High Excellencies that the said Singo Widjoijo may be sent back to Java. With perfect respect and true high esteem, may I be permitted to remain dutifully, Below was written: Title; lower: Your High Excellencies' humble and faithful servant; was signed: I: R: van den Burgh; in the margin: Samarang, date as above. Agrees. Marheijs 787 Page 391. Samarang the 3rd of December Anno 1779. To His High Excellency! The Right Honorable, Highly Esteemed Reinier De Klerk, Governor General, and the Right Honorable Members of the Council of the Dutch East Indies; etc. etc. etc. Right Honorable, Highly Esteemed Lord and Right Honorable Gentlemen! Yesterday I received the first news that the Panembahang Adipattij Tjacra Ningrat was bedridden with a severe fever, and today I am already obliged to give notice to Your High Excellencies that this Prince Regent of Madura, after an illness of only three days, passed away on the 28th of November, according to the letters accompanying this in Copy under letters A. and B. from the Bepattij Raden Aria Wira Nagara and the Commander van der Niepoort of the aforesaid date. The orders which I am dispatching today to the Eastern Salient, both regarding the administration of affairs on Madura concerning Land and people, and for the prevention of disturbances and the disruption of good Tranquility, as well as regarding the effects, both of the deceased and those belonging to the Regency, and what further has any relation to one and the other; appearing from my answer

Dutch transcription

voortaan weder door een ouden, die Hij zelfs, en een Iongen koming, hetwelke Radja Ili zal zijn geregeerd wordt. Dat Radja Ali wel niets daar tegen in„ „brengt, dog dat daar omtrent gelijk voorwaarts bereeds is aangehaald, nog niets vast bepaald is Dat Radja Ismall geproponeerd hadt om ginder bij provisie een schap te vervaardigen waar bij zij als Oude en Radja Ali als Ionge„ Koning getituleerd zoude worden, over welke pro„ „positie Radja Ali toen de Gezant hem daar van verwittigde geglimlagt heeft, dog dat er nog geen zoodaanig zegel gemaakt was Dat Radja Isinael derhalven alleen en onder zijn eigen signet geschreven hadt dog dat die Brief zijnde de door den meergemelden Ge¬ „zant alhier aangebragt geschreven is onder het oog en ten woonhuijze van Radja Aliwer¬ „waarts Radja Ismael zig begeeven hadl„ teffens met Radja Ali raadplegende over geene Hij schrijven wilde het Dat by deeze gelegentheid Radja Ali voor Radja Ismael niet alleen hads open gelegd alle de papieren raakende het bestier van Siac maar hem teffens ook onderrigt van den inhoud der Contracten wetten en usantien Dat deeze papieren het eenigste geweest zijn dat Radja Ali by zijn vlugt naar Patapahan meede genoomen en tans weder te rug gebragt heeft Het in deezen ter nedergestelde alles zijnde, het „geene de nederige tekenaar uwer Wel Edele Gestr attentie waardig oordeeld, heeft hy de eere met het ver„ „schuldigde ontzag te zijn /onderst:/ Wel Edele Gestrenge en trouws Heer /lager /uwer wel Edele Gestr: ootmoedigste Dienaar /was getek.:t/ C. L. Baungarten, E. L. klerk /in margine/ Malacca den 11 September 1779 Accordeert J Saumgarten GKlerk Nagezien D: Roijns. 69 d e Copia Aparte Brieven van Den Heere Gouverneur en Directeur van Iavas- Noord-Oost=-Kust Aan Hunne Hoog Edelheeden van Den 4e. October, tot Den 3e. December, Ao 1779. No No. 22. er alle zijn heeft estr het ver„ ge dienaar Malacca 785 Hoog Edelheid. Achtbaaren Heere De Klerk. De wel Edele Ge„ van Nederlandsch enz: t Achtbaren Heere„ E Heeren! Edelheden gere„ 1 Jongstleden, dat Zuiabeveland zijne Hoog Edel„ sulthan naar het antwoord daar heid het VWE Jan bij het ver„ r en niet te sa„ en Hoog Edelhe„ intusschen de zij Vwe Hoog k egter niet ver„ verzoeke te mo„ 7ber anno 1729. D 1. 390. en 785 Samarang Den 4:' October anno 179. Quijt V. 390. Aan zijn Hoog Edelheik. Den Hoog Edel, Gestrenge, Groot Achtbaaren Heere Reinier De Klerk, Gouverneur Generaal, en De wel Edele Ge¬ „strenge Heeren Raaden van Nederlandsch Indie; enz: enz: enz: Hoog Edel, Gestrenge, Groot Achtbaren sbeer„ en Wel Edele Gestrenge Heeren! Direct na den ontvangst van uwer Hoog Edelheden gere„ specteerde aparte missive van den 27:e augustus Jongstleden, dat eerst den 22:' September passato met het schip Zuiabeveland is geweest, heb ik de daar in geslooten brief van zijne Hoog Edel„ heid Den Heere Gouverneur Generaal aan den Sulthan naar Djoejocarta ter bestelling gezonden, en heeden het antwoord daar op van den vorst ontvangende, neeme ik de vrijheid het VWE Hoog Edelheden aantebieden. De Sulthan bij het ver„ zoek blijvende om zijne Homoge te Batavia en niet te Sa„ „marang te laten doen, zal ik daar omtrent uwer Hoog Edelhe„ den nadere dispositie en ordres afwagten, en intusschen de Homage van 's Keijzers wegen accepteeren, ten zij vwe Hoog Edelheden mogten goedvinden die nu /:dat ik egter niet ver„ wagte:/ ook op te schorten, dat ik dan spoedig verzoeke te mo„ „gen Samarang den 4:' october anno 1729. -. „gen weeten, alzoo ik op zijn langste, in het laast van deeze maana„ de Gezanten daar toe te Samarang te wagten hebbe. De zaak der Solosche overlopens zal ik ingevolge uwer Hoog Edelheden g'eerde intentie in gedagten houden en geen gelegend„ heid, die er mij gunstig toe voorkomt, laten passeeren, zonder en gebruik van te maaken om de over of te rug gave te bewerken. Den Keijzer hieft den Raden Tommongong Tjoero Dipouro„ vermeld bij mijn submisse aparte van den 13:' Iuli Jongstleeden ge„ „dimoveerd, en nu ook in de gedagten gevallen zijnde dat den Man„ trie singo widjoijo, die ik naar Batavia gesonden en VW Hoog Edelheden volgens gerespecteerde aparte van den 25:e Mei bevoorens op Edam geplaatst hebben onschuldig aan het hun ten Lasten ge„ „legde is, heeft den vorst mij laten blijken, dat ij die man gaarn wederom zoude hebben, waarom ik uwe Hoog Edelheden ver„ „zoeke dat gemelde singo widjoijs naar Iava te rug mag„ gesonden worden. Met volmaakte eerbied, en waare hoog agting zij het mij g'oor„ loofa pligtschuldig te blijven. —. /:onderstond:/ Titul /:lager:/ uwer Hoog Edelheden onderdanige en trouwe dienaar /:was getekend:/ I: R: van den Burgh. /:in margine:/ Samarang dato als even. . Accorseert. Marheij Si 787 Zijd. 391. Samarang den 3:' December A:o 179. — Aan zijn Hoog Edelheid! Den Hoog Edel, Gestrenge, Groot Achtbaren Heere, Reinier De Klerk, Gouverneur Generaal, en de wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Ne„ „derlands Indie; enz: enz: enz: Hoog Edel, Gestrenge, Groot Achtbaren Heer le en Wel Edele Gestrenge Heeren! Gisteren kreeg ik de eerste tijding, dat den Panembahang Adi„ „pattij Tjacra Ningvat, aan de heete koorts bedlegerig was, en heden ben ik al verpligt, uwe Hoog Edelheden te moeten kennisse geven, dat dien Prins Regent van Madura, na eene ziekte van maar drie dagen, den 28=en November overleden is„ volgens de deeze in Copia /:onder L=ta A. en B: / verzellende brieven van den Bepattij Radien Aria wira Nagara, en den Ge„ zaghebber van der Niepoort de dato voormeld. De ordres die ik heden naar den Oosthoek afzende, zoo om„ trent de directie van zaaken op Madura over Land en volk„ als ter voorkoming van ongeregeldheden en Hooring der goede Rust, mitsgaders ook omtrent de goederen, zoo van den overle„ „dene, als die tot het Regentschap gehooren, en wat tot een en an„ „der verder eenige betrekking heeft; blijkende bij mijn antwoord H F

NL-HaNA_1.04.02_3556_1330 view scan ↗

English

Samarang the 3rd December Anno 1779. To those letters, which under lit. C and D also lie here alongside, I request Your High Nobilities, for the sake of brevity, that I may refer to them, in the hope that those orders may appear as satisfactory to Your High Nobilities as I deem them at this juncture, since I suspect no harm from this death, nor that anyone will undertake anything detrimental, and therefore, not deeming my presence in the Eastern Corner necessary either, I shall also, in the hope of Your High Nobilities' favorable interpretation, not proceed thither, but remain in Samarang, the more so because the least movement is after all the best, and I may also rely on the good direction and vigilance of Commander van der Nepoort: The deceased Prince, who did not reach the age of 30 years, leaves behind none other than ten illegitimate children, among them four sons, of whom the eldest must be about six years old, who, however, even if he were of competent age, in my opinion could not come into consideration for the succession so long as others are closer and more legitimate to it, as I regard the two legitimate sons of the Panembahang who died before or in 1770 who are still existing, or rather the eldest of these, being the Radeen Tommongong Soera Adiningrat, Regent in Sidajoe, because the youngest, being the Radeen Tommongong Djoijo Diningrat whose mother is the Raden Ajos Ceilon also on account of his bad conduct and, through debauches, weak bodily constitution, does not deserve to come into consideration, but 789 Samarang the 3rd December Anno 1779. — P5 392. rather, as said before, the first, regarding whom the principal reasons why the now deceased Panembahang was preferred above him in the succession in 1770 no longer hold place, but have ceased, as his previous ailments and afflictions have ceased to such an extent that I consider him capable of the administration of Madura, and also dare to trust that this worthy Prince, esteemed by small and great and especially beloved by the Madurese, will therein give no less satisfaction to Your High Nobilities than his late father, and now also deceased cousin, have done, and he himself has also given in the administration of the Regency of Sidajor, now almost 25 years in succession: for all which reasons and motives I believe I have full liberty most respectfully to nominate this Radeen Tommongong Soero Adiningrat to Your High Nobilities as Regent of the districts of Bancallang, Sampang, Arosbaja, and that which is commonly, in distinction from Sumanap and Pamacassang, called Madura, under the name of Adipattij Tjacra Diningrat, and the honorary title of Panembahang, the latter in consideration that he, by virtue of his birth, can and may bear that title without giving offense to the princes, that he is already older, and has no less merit than the recently deceased Panembahang had, and especially because the Regent of Sumanap now also bears the title of Pangerang, and the latter is proud enough to otherwise elevate himself above the Madurese Prince and claim rank, which at times could have bad consequences, the more so since the subordinates on both sides have long held no good will toward one another. Through this arrangement the Regency of Sidajoe will fall vacant, and as the consequently departing Regent has no son, his only legitimate half-brother, the aforementioned Radeen Tommongong Djoijo Diningrat, is not suitable for any administration and is also incapable, I know, if Your High Nobilities incline to leave Sidajoe under someone from the house of Madura, of no better person to nominate as Regent of that district than Radeen Pandji Dewa Coessoema, who is an illegitimate son of the previously deceased Panembahang and a foster child of the late worthy old Bepattij Maas Aria, as well as a person of good disposition and good qualities; but should Your High Nobilities lean more toward appointing a Javanese chief again in the Regency of Sidajoe on this occasion, then I take the liberty to recommend for that Pandje Codowanning Pattij, who according to the reports is also a vigilant person of good promise, and a son of the former first Regent in Sourabaija, Tjondronogoro, who is still alive, and thus a genuine Eastern Javanese, while I request for whichever of these two Your High Nobilities shall be pleased to prefer a commission as Tommongong, under the name he shall come to choose, and I furthermore urge here that I soon, regarding one and the other, with the disposition of Your High Nobilities Samarang the 3rd December anno 1779. may H

Dutch transcription

Samarang den 3:' December Ano 179—. op die brieven, dat /:onder L=ta Cem D: / hier ook nevens lega, ver„ „zoek ik uwe Hoog Edelheden, om de korthid te betragten, mij daar aan te mogen gedragen, in hoope dat die ordres, vwE Hoog Edelheden zoo voldoende mogen voorkomen, als ik dezelve, in dit tijds gewrigt houde, alzoo ik geen kwaad uit dit sterfge„ =val vermoede, of dat iemand iets nadeligs ondernemen zal, en daarom mijne tegenwoordigheid in den Oosthoek, ook niet nood„ zakelijk agtende, zal ik ook al in hoope van uwer Hoog Edelhe„ den welduiding, mij niet derwaards begeven, maar op Sama„ „rang blijven, te meer wijl de minste beweeging dog de beste is, en ik mij ook op de goede directie en waakzaamheid van den Ge„ zaghebber van der Nepoort, verlaten mag: Den overleden Prins, die nog geen 30. Jaaren oud geworden is, laat geen andere als Tien onegte kinderen na, daar onder vier zoons, waar van de oudste Circa ses Jaaren weezen zal, dog die„ al hadt hij een Competente ouderdom, mijns erachtens, tot de successie niet in Consideratie zoude kunnen komen, zoo lange andere daar toe nader en wettiger zijn, zoo als ik de nog exteeren„ de twee Egte zoons, van den voor- of in 1770. overleden Panemba„ hang beschouwe of eigentlijk van deeze, den oudsten, zijnde den Radeen Tommongong Soera Adiningrat, Regent te Si„ dajoe, om dat den Jongsten, zijnde den Radeen Tommongong Djoijo Diningrat /:wins moeder de Radem Ajos Ceilon is :/ook al uit hoofde van zijn slegte Conduites, en door debauches de bi„ le Lichanms Constitutie, niet verdiend in aanmerking te komen, maar 789 Samarang den 3:' December Anno 1719. — P5 392. maar wel, als voorzigde; den eersten, omtrnt wien tans geen plaets meer vinden, maar gecesseerd zijn, de voornaamste redenen, waarom den nu overleden Panembahang, in 1770. boven Hem, in de successie, is geprefereerd geworden, alzoo zijne voorige onge„ makken en kwalin zoo verre gecesseerd zijn, dat ik ibem in staat tot het bestier van Madura kenne, en ook durve vertrouwen, dat deeze bij blein in groot in agting, en insonderheid bij den Ma„ „durees beminden braven Prins, daar in geen minder genoegen, Vwe Hoog Edelheden geven zal, dan wijlen zijn vader, en nu ook overleden Neef, hebben gedaan, en hij zelfs ook heeft gegeven, in het bestier van het Regentschap Sidajor, nu bijna 25. Jaaren agter een: om alle welke redenen en motiven, ik vermeene volle vrij„ heid te hebben deezen Radeen Tommongong Soero Adiningrat, Vwe Hoog Edelheden eerbiedigst te mogen voordragen, tot Regent van de districten van Bancallang, Sampang, Arosbaja en het geene gememnlijk, met onderscheiding van Sumanap en Pamacassang, Madura word genoemd, onder de naam van Adipattij Tjacra Diningrat, en den eer tijtel van Panem„ bahang, dit laatste in't Consideratie, dat wij ii't hoofde van zijne geboorte dien titul voeren kan, en mag, zonder de vorsten aanstoot te geven, dat wij reeds onder is, en geen minder verdiensten heeft, als den nu Jongst overleden Panembahang heeft gehad, en wel voor„ namentlijk, om dat den Regent van Sumanap, tans ook den titul van Pangerang voerd, en deeze grootshartig genoeg is, om anders hem boven den Madurus Prins te verheffen en den rang te pretendee„ 1 „ren „ren, dat somwijlen kwaade gevolgen zoude kunnen hebben, te „meer wijl al sedert lange wederzijdsche onderhorige elkander geen goed hart toedragen. Door deeze schikking zal het Regentschap Sidajoe open vol„ len, en wijl de dienvolgende aftequane Regent, geen zoon heeft, zijn eenigste egte halve Broeder, den voorwaarts al beschreeven Radeuw Trommongong Djoijo Diningrat, tot geing bestier Convenieerd, en ook niet in staat is, weete ik, als uwe Hoog Edelheden inclineeren, om Sidajoe onder iemand uijt het huis van Madura, te laten, geen beter tot Regent van dat district, voor te dragen, als Radeen Pandji Dewa Coessoema, dat een on„ egte zoon van den voor- overleden Panembahang, en een opvoede„ ling van wijlen den ouden braven Bepattij Maas Aria, mits„ gaders een perzoon van een goeden inborst, en goede qualiteiten is, dog indien uwe Hoog Edelheden meer mogten overhellen, om bij deeze gelegendheid, in het Regentschap van Sidajoe, weder een Javaans hoofd te stellen, dan nieme ik de vrijheid, daar toe te re„ Commandeeren, Pandje Codowanning, Pattij, die na de rappor„ ten, ook een vigilant perzoon, van goede verwagting, en een zoon van den nog in Leven zijnde, geweezen eerste Regent te Sourabaija Tjondronogoro, en dus een Egte Oosten Javaan is, terwijl ik voor den geene die uwe Hoog Edelheden van deze beide zullen ge„ lieven te prefereeren, verzoeke een acte als Tommongong, met den naam die zal komen te verkiezen, en hier bij nog insteere, dat ik spoedig, op een en ander, met de dispositie vwer Hoog Edelheden Samarang den 3:' December anno 1779. -. mag H

NL-HaNA_1.04.02_3556_1333 view scan ↗

English

Samarang the 3rd of December anno 1779. Page 7 393: may be honored. Having been honored on the last day of October with Your High Excellencies' much respected separate letter of the 15th prior, I subsequently sent the letter received with it for the Sultan to Djocjocarta, and having received a letter from that monarch in response, of which I offer Your High Excellencies a copy translation under Letter E, requesting that his Prime Minister might now depart for Batavia, so that if His High Excellency the Lord Governor-General were indisposed, to then render the homage to the Lord Director-General, I applied such an answer thereto, on the 19th of November past, as dictated by Annex Letter T. I hope that Your High Excellencies will be pleased to approve it, and trust that you will be convinced along with me that it is nothing other than a caprice of the Sultan that he does not wish to have the due homage paid here in Samarang according to the accommodating arrangement of Your High Excellencies, as has already been done on the Emperor's behalf, and that it certainly offends him, having since caused it to be told to me through the chief of Rhijn that he begged pardon regarding his ignorance that the season currently did not permit sending his envoys to Batavia, and was prepared to await further the pleasure of the Company in this matter, with which it has remained up to the present day. In the Highlands, meanwhile, all is otherwise well, and the desirable peace and quiet that Java enjoys everywhere has suffered no offense along the shores in the Company's territory during this year either, except only in the past month of September, in the Regency of Damak, through the doing of the still ill-disposed descendants of Pangerang Rongo who perished in 1778, who ventured another coup with a party of rabble, but being directly and manfully opposed by the Regents of that district, and watch having likewise been kept in other places against their encroachment, the band dispersed, without anything further having been heard of them, or it having been discovered where or under whom the leaders have hidden themselves again. In East and West Balemboangang everything now having been arranged according to the dispositions of Your High Excellencies of the year 1778, everything there is currently also peaceful and quiet, and the Island of Noessa having been surveyed, nothing was found upon it other than some sprouted Pisang and Tarrak saplings, which have all been destroyed, and thus up to the present day everything also meets the expectations around that region, except that it has not yet been possible to prevent the continual robbery of the bird cliffs, from which the nests have now recently mostly been harvested again by robbers, to the great detriment of the leaseholders. Military Lieutenant George Otto Dijkman having passed away at Banjoewangi, the command there, subject to the approval of Your High Excellencies, has been entrusted to fellow Lieutenant Pieter Mierop, and a Lieutenant now lacking from the establishment at Sourabaija, I take the liberty to propose to Your High Excellencies for advancement the nine-year Ensign Fredrik Fisser serving at Samarang, and Sergeant Leonhard Iacob Immink as Ensign. Lastly, I request to be allowed to repeat here my petition made in the submission of the 4th of October, that the mantri of the Emperor placed on Edam, Singo widjoijo, may be sent back to Java, and to be allowed to remain submissively with perfect respect and true high esteem. Underneath: Title. Lower: Your High Excellencies' humble, very obedient, and faithful servant. Was signed: J: R: van den Burgh. In the margin: Samarang, date as above. Agrees, Samarang the 3rd of December anno 1779. Markeij Samarang the 3rd of December anno 1779. Annex Letter A. Copy translation of a Javanese letter written by the Madurese Regent Raden Aria Wirjanagara to the Lord Extraordinary Councilor of the Dutch East Indies, and Governor and Director on and along Java's Northeast Coast Johannes Robbert van den Burgh, received at Samarang the 2nd of December anno 1779. Alongside this I have the honor to report to Your Right Honorable, that the Panembahan, Your Right Honorable's brother, on Sunday the 19th of the light of Dulkahidah of this year, or the 28th of November 1779, has exchanged the temporal for the eternal. Underneath: Written at Madura on Sunday the 19th of the month Dulkahida in the year Alip 1705. Lower: Translated by me. Was signed: Am Bilstijn, sworn translator. Annex Letter B. Copy of a separate missive written by the Senior Merchant and Authority over the Eastern Salient Rudolph Florentius van der Niepoort to the Lord Extraordinary Councilor of the Dutch East Indies, and Governor and Director on and along Java's Northeast Coast Johannes Robbert van den Burgh, dated Sourabaija the 28th of November 1779. At this very moment I receive from the Bancallang Commandant Morgenstern and Regent Aria Wirjanagara the unpleasant news that His Highness the Panembahan of Madura came to pass away this morning at about nine o'clock. In the meantime, until orders from Your Right Honorable on how I am to conduct myself in this unexpected circumstance, I shall the Regent

Dutch transcription

791 Samarang den 3:' December anno 1729. — Pag: 7 393:- mag worden vereerd. Den Laatste October vereerd geworden zijnde met uwer Hoog Edel„ heden veel gerespecteerde aparte van den 15:e bevoorens, heb ik vervol„ gens, de daar bij ontvangen brief voor den Sulthan naar Djocjocan„ ta gesonden, en daar op een brief van dien vorst ontfangen hebbende, waar van ik uwe Hoog Edelheden Copia Translaat /:onder L=r E:/ aanbiede, met verzoek dat zijnen Rijksbesturder, tans naar Bata„ via mogt vertrekken, om als zijn Hoog Edelheid den Heere Gouver„ neur Generaal onpasselijk was, dan de Homage aan den Heere Directeur Generaal afteleggen, heb ik daar op zodanig antwoord, den 19:' November passato toegepast, als de Bijlage L=a Te dicteera. Ik hoop dat Vwe Hoog Edelheden dat zullen gelieven te approbeeren, en vertrouwe dat Hoogst Deselven zig met mij wel overtuigd zullen willen houden, dat het niet anders, dan een Caprice van den sul„ than is, dat bij de schuldige hulde, ingevolge de toegevende schik„ king vwer Hoog Edelheden, hier te Samarang niet wil laten doen„ zoo als van 's Keijzers wegen reeds is geschied, en dat 'hem zekerlijk tegen de borst stoot, hebbende mij seedert, door het opperhoofd van Rhijn laten zeggen, dat excus verzogt, omtrent zijne onwetendheid. dat het saisoen tans niet permitteerde zijne zendelingen naar Batavia te laten vertrekken, en bereid was, nader het wel beha„ gen van de Compagnie in deezen af te wagten, waar bij het tot hee„ P den toe gebleeven is. In de Bovenlanden is ondertusschen overigens alles wel, en de winschelijke Rusten vreede die Java alomme geniet, heeft langs de C G Samarang den 3:' December anno 179. —. de Stranden in Compagnies gebied, geduurende dit Jaar ook geen aanstoot geleden, als allien in de gepasseerde maand September, in het Regentschap van Damak, door toedoen van de nog kwalijk gezin„ den afstammelingen, van den in 1778. omgekomen Pangerang Rongo, die met een partij opgeraapt volk, weder een Coup hebben gewaagd, maar direct door de Regenten van dat district, man„ moedig tegen gegaan, en op andere plaatsen tegen haaren indrang teffens gewaakt weezende, is de hoop uit een geraakt, zonder dat men iets naders van dezelve gehoord heeft, of te ontdekken is geweest, waar of onder wien de aanvoerders zig weder ver„ „schuild hebben. In Ooster, en wester Balemboangang nu alles naar de schik„ kingen Vwer Hoog Edelheden van den Jaare 1778. ingerigt zijnde, is daar tans ook alles vreedzaam en stil, en het Eiland Noessa opgenomen weezende, daar op niet anders gevonden, dan eenige weder opgeschooten Piesang en Tarrak Boomtjes, die alle zijn geruineerd geworden, en dus beantwoord tot heeden toe, alles ook aan de verwagting om dien ooirt, behalven dat nog niet betet heeft kunnen worden, de geduurige berooving der vogelklippen, waar uit nu Jongst de Nesjes door Roovers weder meerendeels zijn g'oogst: tot groot nadeel van de Pagters. T Banjoewangis den Liuitenant Militain George Otto Dijkman overleden weezende, is op de approbatie Ver Hoog Edelheden het Commando daar op gedragen, aan den mede Lieu„ tenant Pieter Mierop, en nu te Sourabaija een Lieutenant aan 793 394. zij g aan de bepaaling manqueerende, neeme ik de vrijheid uwe Hoog Edelheden tot avancement voor te dragen, den te Samarang militee„ rende negen Jarigen vaandrig Fredrik Fisser, en tot vaendrig den sergeant Leonhard Iacob Immink. Laastelijk verzoek ik hier te mogen herhaalen mijne instan„ tie bij submisse van den 4:' october, dat den op Edam geplaatsten mantrie van den keijzer Singo widjoijo, naar Iava te rug mag gezonden worden, en met volmaakte eerbied en waare hoog 1 achting onderdanig te mogen blijven. . /:onderstond:/ Titul /:lager:/ uwer Hoog Edelheden onderdanige, zeer gehoorzaame en trouwe dienaar /:was getekend:/ I: R: vanden Burgh„ /:in margine:/ Samarang dato als boven. — Accorseert Samarang Den 3:' December anno 1729. —. Markeij sie Samarang Den 3:' December anno 1729. -. Nevens deeze heb ik de eere uwel Edele Gestr. Groot Achtbr. te rap¬ „porteeren, dat den Panembahan uwel Edele Gestr: Groot Achtb=res Broeder op sondag den 19=e van het Licht Dulkahidah dezes jaars of den 28:' November 1779. het tijdelijke met het eeuwige heeft komen te verwisselen. /onderstond:/ Geschreeven te Madura op Sondag den 19. ' der maand Dulkahida in het jaar warroe 1705. /:lager:/ getranslateerd door mij /:was getekend:/ A=m Bilstijn, p„l Transtate. ~. ee Copia apart missive geschreeven door den opperkoop„ man en Gezaghebber over den oosthoek Rudolph Florentius van der Niepoort, aan den Heer Raad Extra- ordinair van Nederlandsch Jndie, mitsgaders Gouverneur en Directeur op en Langs Javas Noord. oost. kust Iohannes Robbert van den Burgh, gedateerd Sourabaija den 28=' November 1779. —. Soo momentelijk krijge ik van den Bancallangs Commandant Mor„ genstern en Bepattij Aria wirianagara de onaangenaame tij„ ding, dat zijn Hoogheid den Panembahan van Madura heeden morgen de klokke Circa Negen uuren is komen te overleijden, ik zal intusschen, tot dat met vwel Edele Gestr. Achtb=e ordre, hoe mij in deeze onverwagte omstandigheid te verhoude hebbe, den Bepattij Copia Translaat Iavaanse briev geschreven door den Maauries Bepattij Radeen Aria wirjanagara, aan den Heer raad Extra= ordinai„ „vamr van Nederlandsch Jndie, mitsgaders Gouver„ neur en Directeur op en langs Javas noord oost. kust Johannes Robbert van der Burgh, ontvan¬ „gen te Samarang den 25' December anno 1779. —. Bijlaag Lra. A. Bijlaag Sra B. 2 aan„ H

NL-HaNA_1.04.02_3556_1337 view scan ↗

English

79 Page 11. 395 Samarang, the 3rd of December anno 1779. instructing him to pay all possible attention to the country's government, and also to manage everything in the dalem according to the customary course, where he will now stay night and day in the manner of the country; also warning him to be attentive to all unlawful assemblies and to watch the conduct of the Radens, sons of the Panumbahan who passed away in anno 1770; while I shall further require of him and the Commandant to warn me at the slightest detection of danger or tumultuous designs by anyone, whereupon I shall immediately cross over to prevent further consequences, but otherwise, so as to cause no commotion, remain here. I shall also instruct the Bepattij to ensure that the state ornaments are dispatched to Your Highly Noble Esteemed Honor with the customary formalities, while otherwise hoping that these provisional arrangements of mine will meet with Your Highly Noble Esteemed Honor's approval, remaining with all respect.— It was subscribed: title; lower down: Your Highly Noble Esteemed Honor's most obedient servant; it was signed: R: F: v: d: Niepoort; in the margin: Sourabaija, date as above. — Copy Translation of a Javanese letter written by the Gentleman Extraordinary Councillor of the Netherlands Indies, as well as Governor and Director of Java's Northeast Coast, Johannes Robbert vander Burgh, to the Radeen Aria Wirja Nagarra, Depattij at Bancallang, dated Samarang, the 2nd of December 1779. Appendix Letter C. I have received your letter written on the 19th of the month Dulkahidat in the year 1705, and learned from it most unexpectedly that the Panembahang, your master, on that day, exchanged the temporal for the eternal. I do not doubt that you, immediately after this untimely death, observed custom in and concerning everything, and also took up and will keep your residence in the front of the dalem until another Regent shall have been appointed by the Company in place of the deceased, whilst I emphatically recommend and charge you in the meantime to be attentive and watchful over everything concerning the direction and administration of country and people, and likewise over the conduct of others, and to ensure that nothing occurs contrary to good order without immediately remedying it and giving notice thereof to the Commander van der Niepoort at Sourabaija, whose orders you will also have to observe in and concerning one and all. Furthermore, I also especially charge you to take good care of the property, both that belonging to the late Panembahang and that belonging to and with the Regency, so that nothing thereof may be removed, concealed, or purloined, as I shall hold you responsible at all times for whatever shall subsequently be found missing; whilst it serves for your information that I have also issued orders to dispatch from Sourabaija to Bancallang, as commissioners, Captain Basch and the Junior Merchant van Ysseldijk, to make an inventory of all those goods together with and alongside Commandant Morgenstern, in the presence of you and other persons who, according to custom and the laws of the country, ought to assist therein, and to seal them immediately as far as possible, so that they may further remain in your custody and accountability until the time arrives when they can be disposed of to and on behalf of those who are entitled to them, with the exception, however, of the state ornaments belonging to the Regency, as I expect that, according to custom, these will be sent to me here in Samarang. Under 797 Samarang, the 3rd of December anno 1779. Rij. 13. 396. With my greetings, I wish you in the meantime health and much blessing. - It was subscribed: Samarang, the 2nd of December 1779; it was signed: I: R: van den Burgh. Copy of a separate missive written by the Gentleman Extraordinary Councillor of the Netherlands Indies, and Governor and Director of Java's Northeast Coast, Johannes Robbert van den Burgh, to the Senior Merchant and Commander of the East Hook, Rudolff Florentius van den Niepoort, dated Samarang, the 2nd of December 1779. — Appendix Letter D. Most unexpectedly, I have learned from Your Honor's separate letter of the 28th of November, and a letter from the Bancallang Pepattij Radeen Aria Wira Nagara, of the untimely death of the Prince Regent of Madura, the Panimbahang Adipattij Tjacra Ningrat; and approving the orders provisionally established by Your Honor concerning the management of the affairs of that Regency and the maintenance of good order there, I also deem it unnecessary for Your Honor to cross over thither in person, so long as everything there remains quiet and at peace, but indeed as soon as anything should occur that requires Your Honor's presence and needs to be smothered in its infancy or countered, for in such an unexpected event Your Honor will have to proceed in person to Bancallang, and regarding matters that brook no delay, directly execute such measures as are serviceable to restrain those of ill intent and bring them to their duty; while I, in order to prevent as much as possible everything that could arise, deem it advisable and therefore require of Your Honor, to [illegible] all the remaining

Dutch transcription

79 Pag: 11. 395 Samarang Den 3:' December anno 179. .. aanschrijve alle mogelijke attentie op 'slands Regeering te houden, ook alles in den dalm na gewoone loop te beheeren, waar hij nu na 's Lands wijze wel nagt en dag vertoeven zal, ook waarschouwen, attent te zijn op alle saamenrottingen en te waaken op het gedrag den Radems zoons van den in anno 1770. overledene Panumbahan, terwijl hem met den Commandant verder demandeere zal, mij met de minste bespeuring van onraad of tumultueuese voornemens van den een of anderen, te waar„ schouwen, als wanneer direct over zal gaan ter voorkoming van verdere gevolge, dog anders om geen opschuading te maa„ ken, hier blijven. Den Bepattij zal ik ook aanschrijven te zorgen, dat vwel Edele Gestr: Achtb=r de Statie ornamenten met de gewoone for„ maliteiten toegeschikt worden, terwijl overigens in hoope, dat deeze mijne provisioneele schikkingen uwel Edele Gestr: Achtb: approbatie zullen wegdragen, met alle eerbied verblijve.— /:onderstond:/ titul /:lager:/ uwel Edele Gestr: Achtb=re aller gehoor„ zaamste dienaar /:was getekend:/ R: F: v: d: Niepoort /:in margine:/ Sourabaija dato als voorn. — Copia Translaat Iavaanse briev geschreven Bijlaag L=ra C. door den Heer Raad Extra. ordinair van Ne„ „derlandsche Jndie, mitsg=s Gouverneur en Direc„ teur van Javas Noord Oost Kust Johannes Robbert vander Burgh, aan den Radeen Aria wirja Nagarra, Depattij te Ban„ „callang, gedateerd Samarang den 2:' xber: 1779. Ik heb ver briev geschreeven den 19.=' der maand Dulkahidat in het Jaar 1705. ontvangen, en daar uit op het onverwagtste vernomen, dat den Panembahang vw Meester, op dien dag, het G Samarang Den 3:' December anno 1779. —. het tijdelijke met het eeuwige verwisseld heeft. Ik twijffele niet, of vw zal direct na dit ontijdige sterf ge„ val, in en omtrent alles, de gewoonte g'observeerd, en ook vwr in„ „trek en verblijf, voor in den dalm genomen hebben en houden„ tot dat van wegens de Compagnie een ander Regent in plaats van den overledene zal weezen aangesteld, terwijl ik vw met na„ „druk aanbeveele en opdraage, om intusschen attent en waak„ zaam te weezen, op alles wat de directie en het besteer van land en volk betreft, en zoo mede op het gedrag van andere, en dat niets voorvalt, dat tegen de goede ordre strija, zonder er aan„ stonds in te voorzien, en kennisse van te geven, aan den Ge„ zaghebber van der Niepoort te sourabaija, wiens ordre uw in en omtrent een en ander, ook zal te observeeren hebben. voorts gelaste ik vw ook wel speciaal zorge te dragen voor de Goederen, zoo wel die den overleden Panembahang toe„ komen, als die bij en tot het Regentschap gehooren, op dat niets daar van vervoerd, verduistert of ontvreemd worde, al„ zoo ik vw ten allen tijden voor het geene in het vervolg bevonden zal worden te manqueeren, verantwoordelijk zal houden, ten„ wijl tot Vw narigt diend, dat ik ook ordres heb gesteld, om van Sourabaija naar Bancallang als gecommitteerdens te laten overgaan den Kapitain Basch in den onderkoop„ man van ijsseldijk, om met en nevens den Commandant Morgenstern, ten overstaan van VW, en andere perzonen die na den gebruike en slands wetten, daar bij behooren te assisteeren, alle die goederen te Inventariseeren, en zoo ver„ „re mogelijk direct te verzegelen, om zoo verder onder Vw berusting en verantwoording te blijven, tot dat de tijd daar is, dat en ten behoeve van den geene, die er regt op hebben, over kan worden gedisponeerd, met uitzondering egter van de sta„ tie ornamenten die bij het Regentschap gehooren, alzoo ik ver„ „wagte dat die na gewoonte; mij hier te Samarang zullen „gezonden worden. Onder F 797 Samarang Den 3:' December anno 1779. Rij. 13. 396. Onder mijne groete, wensch ik Vw intusschen gezondheid en veel zegen. - /:onderstond:/ Samarang den 2.:' december 1779. /:was geteekendt:/ I: R: van den Burgh. „ e Copia aparte missive geschreeven door den Bijlaag L=a D. Heer Raad Extra. ordinair van Neder„ landsch Jndië, en Gouverneur en Directeur van Iavas Noord oost kust Johannes Robbert van den Burgh, aan den opper„ koopman en Gezaghebber over den oosthoek Rudolff Florentius van den Niepoort, gedateerd Samarang den 2:' decemb:r 1779. — Op het onverwagtste heb ik uit VWE: aparte van den 28. ' No„ „vimber, en een brief van den Bancallangs pepattij Radeen Aria wira Nagara vernomen; het ontijdig overlijden van den prins Regent van Madura den panimbahang Adipattij Tjacra Ningrat, en goedkeurende, de bij pro„ visie door VWE: omtrent de beheering der zaaken van dat Re„ gentschap en bewaring der goede ordres daar, gestelde ordres, ach„ te ik het ook niet noodzakelijk dat VwE: zelfs derwaards oversteekt, zoo lange daar alles stil en in Rust is, maar wel zoo dra en iets mogte voorvallen, dat VWE: tegenwoordigheid vorderd en diend in de geboorte gesmoord: of tegen gegaan wor„ den, want in zoo een onverwagt geval, zal VWE: zig in per„ zoon waar Bancallang moeten begeven, en omtrent zaa„ ken die geen uitstel lijden, direct zulke middelen hebben werk„ stellig te maaken, als dienstig zijn, om hen die kwaad willen te beteugelen en tot haar pligt te brengen, terwijl ik, om zoo veel mogelijk alles wat zoude kunnen exteeren voor tekomen, raadzaam vinde en VWE: daarom demandeere, om alle de nog

← previousnext →