Inventory 3556
Japan · 1,428 pages · 337 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
Third Officer a sergeant of the Burgher Guard Tenth company Captain the Secretary of Police. First Officer a former ensign of the Pennists or Burgher Guard Second Officer a sergeant of the Militia, and Third Officer a sergeant of the Burgher Guard The non-commissioned officers can be appointed from all nations in proportion to their strength in each company, when the same is formed. To arm all the aforementioned men, our stock of small arms, in the quantity of 764 firelocks and 555 cutlasses (including those used in the garrison), is by far not sufficient. I admit that the maintenance of more than 2000 firelocks with bayonets here locally will cost the Company rather high. But they are absolutely necessary in time of war, and even more so, considering that many weapons then become unserviceable and cannot be repaired. XLVI. How matters stand with our artillery is evident from the tables that I sent to Batavia along with my separate letter of 15 February last. XLV. Some pieces are entirely defective and others cannot be used for long. However, we must manage with them as best we can, until the High Government will have provided for this. XLVII. The fine and coarse ammunition that we have on hand, I judge to be sufficient. But since of the former there is generally a remainder of five or six years, and consequently the best strength is gone from it, it cannot have the same effect as fresh powder, as appears from the reports regarding the powder tests that are inserted into the resolutions. And how is it also possible that powder in this hot climate, which is incomparably more humid than the European one, can remain good for such a long time, since saltpetre easily absorbs moisture, whereby the powder loses its strength. XLVIII. Our artillery personnel, consisting of 1 Extraordinary Fireworker, 1 Bombardier, 1 Gunner's Mate, and 12 Gunners, who are native Christians, do not have the least knowledge of its proper handling. But even if they were skilled and experienced, their total is nevertheless far too small to be able to handle seventy-two pieces of cannon that lie on the bastions. In order to provide for this defect according to our ability, I judge that in time of siege the Master of the Equipage with all the sailors and craftsmen should be placed with the artillery, and, these men still being too few, fifteen or twenty native Christians from each of the aforementioned companies must be added to them, who will be able to learn the art of artillery in a short time just as perfectly as our aforesaid artillery personnel. Concerning the Company's vessels stationed here, I refer to paragraph XI and what will be said in paragraph LI, adding that if the brigantine the Geertruide Susanne cannot be dispatched to Batavia, it must be placed as close as possible to the mouth of the river, to help keep the enemy out of it until we are formally about to be enclosed, at which time that vessel as well as the others can be abandoned and its crew withdrawn inside the fortress. Of the relief that can be counted on in different monsoons XLIX. Relief we cannot expect from any other place than Batavia, and I do not doubt that the High Government will send it to us, in proportion to the enemy's feared or known strength, as soon as Their High Excellencies receive word of his design upon this conquest of the Dutch Company or of its actual siege. During the East and South monsoon, or rather from May until the middle of November, vessels come here from Batavia and Java; consequently, we could look forward to relief in this and in no other season. But since the siege of this place will also likely be undertaken in that same period, it is very doubtful whether the news thereof will be conveyed to Batavia so quickly, and the necessary relief follow upon it, that we, still being in a state of defence, do not need to capitulate with the enemy. Of means to be notified in time LI. Considering our brigantine as well as one of our sloops or pantchiallangs, when it is dispatched to Batavia with the report of the arrival of an enemy fleet before, or the siege of, this fortress, would sometimes run the risk of being taken; I think that one could use with more certainty two baloos or small native vessels that carry sails and oars, manned each with six Europeans and twelve natives, as well as provided with small artillery, small arms, and whatever else is necessary to fend off the attacks of pirates. These vessels ought always to be kept in readiness and stationed near the Vogeleiland below the fortress, in order to set sail at the first command; however, if upon departure from there they could be overtaken by the enemy, one can station them in the bay of Kattapahang, to which place one can deliver the dispatches over land in little more than an hour's time. They will, I think, be able to continue their journey with the help of the oars, even when the wind does not serve them, and easily avoid the enemy vessels, since they can enter all corners and coves where European vessels dare not approach, as well as through their
Dutch transcription
171. 366 Derde Officier een sergeant van de Burgerij Tiende compagnie Capitein de Secretaris van Politie. Eerste Officier een oud vaandrig van de Pennisten of Burgerij Tweede Officier een sergeant van de Militie, en Derde Officier een sergeant van de Burgerij De Ouderofficiers kunnen van alle de natien naar proportie haarer sterkte by elke com„ „pagnie worden aangesteld, wanneer men dezelve formeert. Om alle de voorschreven manschappen te wapenen is onze voorraad van handgeweer, ter quantiteit van 764. –. p. s snaphaanen en 555 ps houwers (daar onder gerekend hebgene in het Guarnisoen gebruikt wordt) op verre na niet toereikende. Ik beken, dat het onder„ „houd van ruim 2000. –. p. s snaphaanen met bajonetten hier ter plaatze de Comp wat hoog zal komen te slaan. Maar zij zijn in tijd van oorlog volstrekt noodzaa„ „kelijk, en zelfs meer, gemerkt veele ge„ „weeren dan onbruikbaar en niet gerepa„ „reerd kunnen worden. N L. V7. Hoe het met onze artillerij geschapen staat, consteert bij de Tables, die ik nevens mijnen aparten brief van den 15 Februari laastleden naar Batavia gezonden heb. X L V. Eenige Eenige stukken zijn geheel defect en anderen kunnen niet lang gebruikt worden. Egter moeten wij ons met dezelven behelpen zoo als wij het best kunnen, tot dat de Hoo„ „ge Regeering daar in zal hebben voorzien XI. VII Het kind en grof scherp, dat wij aan handen hebben, oordeel ik toereikende te weezen. Maar dewijl van het eerste doorgaans een resland van vijf of zes Jaaren, en daar van gevolge¬ „lijk de beste kragt weg is, kan hetzelve van dat effect niet zijn als het nieuwe kund gelijk dat blijkt bij de Rapporten wegens het kruidproeven die bij de Resolutien — worden geinsereerd. En hoe is het ook mo„ „gelijk dat het kruid in deeze warme luijt„ streek die ongelijk vogtiger is als de Europi„ „sche, zoo langen tijd goed kan blijven, daar het salpeter de vogtigheid ligt aanneemt waar door het kruid zijne kragt verliest XL. VIII. Onze Artillerij- bedienden, bestaande in 1. Extraordinair Vuurwerker 1. Bombardier, 1 Constapelsmaat, en 12 Busschieters, die inlandsche Christenen zijn hebben de minste kennis niet van derzelver behoorlijke behandeling. Maar al waren zij kundig en ervaaren, hun gehaal is tog veel te gering om twee en zeventig stukken canons, die op de bastious leggen te kunnen manieeren. Ten einde in dit gebrek naar 1781 368. naar vermogen te voorzien, oordeel ik dat in tijd van belegering de Equipage=pzigter met alle de Zeevaarenden en Ambagtslie„ „den bij de artillerij geplaatst, en, deeze manschappen nog te weinig zijnde, daar bij van elk der voorgenoemde compagnien vijf„ „tien of twintig inlandsche Christenen ge„ „voegd moeten worden, die de Artillerij- konst in korten tijd even zoo volmaakt zullen kunnen leeren, als onze gemelde Artillerij- bedienden Nopens Comp. s hier bescheiden voartui„ „gen refereer ik mij tot S XI en hetgene § L.I. gezegd zal worden, met bijvoeging dat indien men de brigantijn de Geertruide Susanne, niet naar Batavia kon depechee„ „ren dezelve zoo na mogelijk aan den moond van de rivier moet leggen, om den vijand uit dezelve te helpen weeren tot dat wij formeel slaan te worden ingesloten, wan¬ „neer men dat kieltje zoo wel als de anderen kan verlaaten en de equipage daar van binnen de Vesting trekken. Van het secours daar in diffe¬ „rente mousons op gerekend kan worden XL. IX C. 1„ secours kunnen wij van geene andere plaatze verwagten, als van Batavia, en ik swijfel niet of de Hooge Regeering zal ons hetzelve, naar evenredigheid van 's vijands te dugten of bekende magt toeschikken, zoo dra Hunne Hoog-Edelheden van zijnen toe „leg op dit conquest der Nederlandsche Maatschappij of van dies actueele belege„ „ring narigt ontvangen Geduurende de Oost- en Zuidmouson, of eigenlijk van Mai„ tot in het midden van November komen„ hier vaartuigen van Batavia en Iava - zij gevolg zouden wij in dit en geen ander na ƒ saison z ontzet kunnen uitzien. Maar„ vermits de belegering deezer plaatze ook waarschijnelijk in datzelfde tydperk zal worden ondernomen, slaat het zeer dubieus of de tijding daar van wel zoo schielijk naar Batavia zal worden overgebragt, en er het noodige secours op volgen, dat wij nog in staat van defensie zijnde, met den vijand niet behoeven te capituleeren. Van middelen om tijdig. verwit„ tigd te zijn L.I. Gemerkt onze brigantijn zoo wel als een D. 176. 370 een onzer sloepen of pantijallangs, wanneer die naar Batavia wordt afgezonden met het berigt van de komste eener vijandelijke vloote voor of de belegering van deeze Vesting, somtijds gevaar zoude loopen van„ „genomen te worden; meen ik dat men met meer zekerheid zoude kunnen gebrui„ „ken twee baloos of kleine inlandsche vaartuigen, die zeilen en riemen voeren bemand ieder met zes Europeers en twaalf Inlanders, mitsgaders voorzien van klein geschut, handgeweer, en hetgene verder noo„ „dig is om de aanvallen van zeroovers af te keeren. Deeze vaartuigen dienen sleets in gereedheid en geplaatst te zijn — bij het Volgen-eiland onder de Vesting, om op het eerste bevel 't zeil te gaan; dog; indien zij bij vertrek van daar door den — vijand zouden kunnen agterhaald worden, kan menze in de bogt van kattapahang leggen werwaarts men over land in wei„ „nig meer dan een uur tijds de depeches kan bezorgen. zij zullen denk ik met behulp van de riemen hunne reize kunnen voortzetlen, zelfs wanneer de - wind hun niet dient, en de vijandelijke vaartuigen gemakkelijk ontwijken, de„ „wijl zij alle hoeken en gaaten kunnen inloopen, daar de Europische vaartuigen niet durven genaaken mitsgaders door hunne
English
reach Batavia within a shorter time than one of our sloops or pantjallangs, on account of their lightness and swiftness. But if we, as might sometimes happen, receive word of the enemy's intention before he even appears here in sight, and that he is to arrive from the North, we could also dispatch the bark the Geertruida Susanna to Batavia with that news. Of the capitulation which, in the event of a surrender (which God forbid), ought to be stipulated. I. I. If we were willing to hear of surrender at the beginning of the siege, the enemy would certainly grant us a free march-out with all military honours and other advantageous conditions, in order to turn elsewhere with his forces, which would then still be little weakened, and pursue his progress. But no honour-loving Minister will allow himself to be moved to such cowardice. We must, on the contrary, steadfastly endure the hardest siege as long as possible, or until the enemy, having made a breach in the rampart, makes it time for us to capitulate with him in order to prevent a general assault, since we cannot await one due to the weak state of our garrison. If, in this case, we can still stipulate some advantageous conditions, it would be a stroke of good fortune in our misfortune; otherwise, having done the enemy much damage by a courageous defence and having delayed his further progress, one must accept yielding oneself as a prisoner of war. The articles of the treaty which I deem necessary to propose to the enemy, after having previously stipulated that two persons of distinction shall be sent from both sides to serve as Hostages or Sureties so that no hostilities or irregularities are committed during the negotiation, are these: 1. The entire garrison, consisting of the Governor and Political Council, together with the European Militia or those serving thereunder, the Artillerymen, seafarers, Craftsmen, Christian Burghers, Malays, Moors, Gentiles, and Chinese; under their respective officers, as well as all the other Servants of the Dutch East India Company and inhabitants of this place who have served in the Fortress since the siege, shall march out with all honours of war, that is with full arms, flying colours, and beating drums, taking with them six metal field pieces at the choice of the Governor, one hundred rounds of live ammunition, and the further required munitions. 2. All non-combatants, such as the Clergy and other Servants, together with the wives, children, further next of kin, and slaves of the Company's Servants, Christian Burghers, Malays, Moors, Gentiles, and Chinese, shall also be allowed to follow them unhindered. 3. However, two or more Ministers shall remain in the fortress until the artillery, munitions, provisions, merchandise, cash, etc. therein, which belong to the Dutch East India Company, have been pointed out to the Commissioners whom the victor shall appoint for the receipt or taking over thereof. 4. The march-out of the aforementioned garrison shall take place through the breach on . . . - - at seven o'clock in the morning. 5. After they have reached a certain distance to be further determined, the Christian Burghers, Malays, Moors, Gentiles, and Chinese shall be disarmed by our side, thanked for their faithful services rendered to the state of the United Netherlands and its East India Company in the siege of this Fortress, and granted permission to betake themselves to their homes, or wherever they find it most advisable. Since these inhabitants have had to bind themselves under oath to serve the state of the United Netherlands and its East India Company in time of war against whatever power it might be in this Fortress or the lands belonging thereunder, they shall not be punished for having taken up arms, nor molested in the free possession of their goods, houses, lands, etc., nor shall the same be taken from them. Each of these and the other Burghers and inhabitants, of whatever nation they may be, shall be free to depart from here whithersoever they wish, either immediately or within the space of five consecutive years calculated from the day of the surrender of this Fortress, and shall in the meantime also have the faculty to settle their affairs according to their ability, without being hindered therein in any manner. 6. All the said inhabitants who remain here, and the Company's Servants with theirs until they depart, shall retain and enjoy the free exercise of their Religion. 7. The Company's servants, with their wives, children, further next of kin, and slaves, after the Christian Burghers, Malays, Moors, Gentiles, and Chinese have been discharged, shall, outside the Fortress,
Dutch transcription
2 hunne ligt- en suelheid binnen korter tijd, dan een onzer sloepen of pantjallangs, Batavia beslevenen. Maar, zoo wij (gelijk het somtijds zoude kunnen gebeuren) van s vijands voorneemen tijding krijgen voor dat hij zelfs hier in het gezigt verschijnd, en dat hij uit de Noord staat aan te ko¬ „men, zouden wij met die tijding ook de bark de Geertruida Susanna naar Batavia kunnen depecheeren. van de capitulatie, die bij over„ gaave (dat God verhoede) zoude behooren te worden bedongen I. I. Bij aldien wij in den aanvang der be„ „legering van overgave wilden hooren, zal de vijand ons zekerlijk eenen vrijen uit„ „tog=t met alle krijgseer en andere nuttige voorwaarden toeslaan, om met zijne dan nog weinig verzwakte magt zig naar elders te wenden, en zijne progressen te vervolgen. haar tot zulk een laf„ hartigheid zal geen eerlievend Minister zig laaten beweegen. Wij moeten in tegendeel de hardste belegering onverzet„ „telijk verduuren, zoo lang immers mogelijk E. 188: 372 mogelijk of tot den vijand eene bres in de wal gemaakt hebbende, het dus tijd voor ons geworden is om met hem te capitu„ „leeren, ter voorkominge van eenen ge„ „neraalen storm, alzoo wij dien niet kunnen afwagten wegens den zwak„ „ken slaat onzer bezetting. kunnen wij in dit geval nog eenige voordeelige conditien bedingen, het zouden een ge¬ „lik in ons ongeluk zijn, dog anders moet men het voor lief neemen, door eene manmoedige defensie den vijand veel afbreuks gedaan en hem in zijnen verderen voortgang opge„ „houden hebbende, zig krijgsgevangen te geeven De verdragpunten, die ik nien den vijand te moeten voorleggen na vooraf bedongen te hebben dat van weerzijden twee persoonen van dissriec„ „tie gezonden zullen worden, om voor Gijzelaars of Landsmannen te strek¬ ken dat geduurende de onderhandeling geene vijandelijk- of ongeregeld heden ge„ „pleegd worden zijn deeze De gansche bezetting, beslaande in den Gouverneur en Politiquen Raad mitsgaders de Europische L. III Militie 1 4 7 i. 5 Militie of die daar onder dienst doen, de Artilleristen, zeevaaren. „den, Ambagtslieden Christen Bur„ „gers, Maleijers, Mooren, Ientieven, en Chineeschen; onder hunne respective officieren, ook alle de overige Die„ naaren van de Nederlandsche Oost „indische Compagnie en ingezetenen deezer plaatze, welke sedert de bele¬ „gering in de Vessing gedient hebben, zullen niet alle eertekenen, dat is met volle wapenen, vliegende vaar„ „dels en slaande trommels in't „trekken, mede voerende zes ne„ „taalen veldstukken ter keuze van den Gouverneur, een honderd scherpe schooten, en de verder benoodigde munitie Ingehinderd zullen hun ook mogen volgen alle onweerbaaren, gelijk de Leestelijkheid en andere Bedienden, mitsgaders de vrouwen kinderen, verdere naastbestaanden en slaaven van Comps Dienaaren Christen Burgers, Maleijers, Mooren Tenlieven en Chineeschen- -Haar twee of meer Ministers zullen in de vesting blijven, tot dat 2. 3. 185. 374. dat van de daar in zijnde artillerij, munitie, provisiën, koopman„ „schappen contanten enz: welke der Nederlandsche Oostindische Compa¬ „gnne toe behoeren; aanwijzing zal weezen gedaan aan de Commissa¬ „rissen die de overwinnaar tot dezelver ontvangst of overnee„ „ming zal benoemen De uittogt van de voorschre¬ „ven bezetting zal door de bres geschieden op. . - - sogtens te zeven uuren Na dat zij opzekeren nader te bepaalen afsland zal gekomen zijn, zullen de Christen Bzurgers Maleijers, Mooren, Jenlicvese, en Chineeschen, van onze zijde ontwapend, voor hunne getrouwe diensten den staat der vereenig¬ „de Nederlanden en Deszelfs Oostindische Compagnie in de be„ „legering deezer Vesling gedaan, bedankt en hun permissie ver¬ „leend worden, om zig naar hunne wooningen, of waar zij het best geraden vinden, te kunnen begeven Vermits deeze ingezetenen zig onder 4. 5. - . onder eede hebben moeten verbinden, om den staat der vereenigde Nederlan„ „den en Deszelfs Oostindische Comp. , in tijd van oorlog, tegen wat mogenheid zulks zoude mogen zijn in deeze Vesling, of de daar onder behoorende landen te dienen zullen zij voor dat zij de wa= „penen hebben opgevat niet mogen gestraf t nog in de vrije bezitting hunner goederen, huizen, erven enz: gemolesteerd, of hun dezelven ontnomen worden. lk van deeze en de overige Burgers en ingezetenen, van wat natie die ook zijn, zal vrij slaan terstond dan wel bin¬ „nen den tijd van vijf agtereenvolgende jaaren, gerekend van den dag der overgaa„ re deezer Vesting van hier te delogeeren werwaarts zij willen, en zullen inmid„ „dens ook de faculteit hebben, om hunie zaaken naar vermogen te redden, zon¬ „der daar in op eenigerhande wijze belemmerd te worden. Alle de gemelde ingezetenen die hier verblijven, en Comps Dienaaren met de hunnen tot dat zij vertrekken. zullen de vrije oeffening hunner Religie behouden en genieten. Comp:s dienaaren zullen met hunne vrouwen, kinderen, verdere naastbe¬ staanden en slaaven na dat de Christen Burgers, Maleijers, Mooren, Tentieven en Chineeschen afgedankt zijn, buiten de Vestig — 7.
English
1825. 376 to remain there until the ships and smaller vessels suitable for their transport are ready, so that they may depart therewith to Batavia or elsewhere, whithersoever the Governor and Political Council shall deem fit. Suitable lodgings assigned in the fortress. Near the lodgings occupied by the evacuated garrison of Company Servants, a house shall be assigned where the artillery, ammunition, and weapons, both of the same and of the discharged Burghers, Malays, Moors, Sepoys, and Chinese, may be kept until the day of embarkation; which house, as well as the lodging of the Governor and Political Council, shall be occupied by a strong guard from our side, and care shall be taken that no one of the said garrison, except these and other necessary guards, shall obtain any weapons whatsoever. The Governor and Political Council, as well as the officers of the Militia, Artillery, and Navy, together with the qualified bookkeepers, clergy, and chief surgeons, shall have full freedom 10. A. to go outside the fortress whithersoever it pleases them; but all other Company Servants, without distinction, shall be forbidden to venture a foot's breadth beyond the boundaries of their quarters, and accordingly a guard from our side shall be posted to prevent this. All the Registers of Resolutions, Letters, Accounts, and other documents that the Governor and Political Council might need for their protection or accounting, the Governor shall be permitted to remove and take with him from the Secretariat, the Trade Office, and the Pay Office. 13. Our brigantine, ships, and pantjallangs, together with the vessels of all private merchants navigating under the flag of the Dutch State, shall be put in condition for the transport of Company Servants, their families, slaves, and baggage, and provided with provisions for a voyage of two months. In case these vessels are not sufficient to transport all the men and baggage, the Conqueror 12 4. 185. 378. the Conqueror shall lend private or other ships of his nation for that purpose, and a written bond shall be handed to him by the Governor and Council stating that the Company shall not only pay him the freight, which shall be agreed upon beforehand, but also compensate for any damage that these ships might have suffered through one accident or another on the return voyage. The ships and smaller vessels carrying the garrison across shall be provided with the necessary Passes to continue their voyage unmolested. In the meantime, while these ships and vessels are being made ready to sail and the monsoon permits departure therewith, the Conqueror shall provide for the provisions of the Company Servants and their people, so that they suffer no want. The sick and wounded who are not in a condition to be transported across the sea shall remain here. The officers or persons of rank and distinction shall be treated according to their station, and the Commoners 15. 16. 17. in the Hospital shall be provided with all that is necessary for their maintenance and cure, after whose recovery the Conqueror shall arrange their transport to the place whither the Governor and others have departed, sending along the bill of expenses, which shall be paid on the part of the Company. The entire garrison, from the Governor down to the common man, both Company Servants and Christian Burghers, Malays, Moors, Sepoys, and Chinese, fit and unfit for arms, women and children, shall keep their furniture, valuables, cash, slaves, in a word all movable goods, under whatever name they might be understood, freely and without trouble, and they shall be granted the necessary time with all assistance to transport the same out of the Fortress, store them elsewhere outside, and take them along upon their departure, or else sell them, or deal with them in such manner as shall suit them. 19. 18. 1845. 380. 19. Since several Servants of the Company have purchased and possessed fixed or immovable property, such as houses, grounds, and gardens lying both within and without the Fortress, and have valid deeds of purchase thereof, they shall be at liberty to appoint Attorneys from among the residents remaining here, who may sell, exchange, and alienate the same for their benefit, as can best be done to their advantage within the period of five consecutive Years. If the wives of Company Servants, in order to settle their affairs, should choose to remain here for some time, this shall be granted to them along with the free exercise of Religion, and they shall be protected against all molestation. As soon as the capitulation is settled on both sides, the Land Gate shall be surrendered to the troops of the Conqueror, but none of these troops shall be permitted or let further into the fortress than the officers who are sent to and fro. 22. 20. 21.
Dutch transcription
1825. 376 worden, om daar in te verblijven tot dat de schepen en mindere vaartuigen tot hun transport geschikt, in gereed-heid zijnde, zij daar mede vertrekken kun„ „nen naar Batavia of elders, werwaarts de Gouverneur en Politiquen Raad hes zullen goedvinden. Vesting bequame logementen aangewezen Omtrent de logementen, die de uitgetrokken bezetting van Comp:s Die„ „naaren betrekt, zal een huis aange„ „wezen worden, daar men de artillerij„ munitie en wapenen zoo van dezel„ „ven, als van de gecongedieerde Bur„ „gers, Malegers, Mooren, Tentieven en chineeschen bewaaren kan, tot den dag der inscheeping; welk huis zoo wel als het logement van den Louver¬ „neur en Politiquen Raad door eene sterke waagt van onze zijde bezet en gezorgd zal worden dat niemand van de gemelde bezetting behalven deeze en andere noodige gardes ee¬ „nige wapenen, hoe genoemd beko¬ „men De Gouverneur en Politique Raad, gelijk ook de officieren van de Militie, Artillerij, en zeevaart, mitsgaders de gequalificeerde boek„ „houders, kerkelijken en opperchirur „gijns, zullen volkomen vrijheid 1 hebben 10. A. hebben, om buiten de vesting te gaan werwaarts het hun behaagt; maar allen overigen Comps Dienaaren, zonder onder„ „scheid, zal het verboden zijn zig een voet breet buiten de paalen van hin quartier te begeeven, en overzulks eene wagt van onze zijde gesteld worden om zulks te beletten. Alle de Registers der Resolu„ „tien, Brieven, Rekeningen en ander documenten die de Gouverneur en Politique Raad tot hunne dekking of verantwording mogten noodig hebben, zal de Gouverneur van de Secretarij . het Negotien en soldij-comptoir mogen ligten en medeneemen. 13. Onze bugontijn, scheepen en pant„ „jallangs mitsgaders de vaartuigen van alle particuliere handelaaren die onder de vlagge van den Nederlandschen slaat navigeeren, zullen tot transport „ hunne van Comp. s Dienaaren biten „ huis gezin „nen slaaven, en bagagien in staat gebragt, en met levensmiddelen voor eene reize van twee maanden voor zien worden - zij aldien deeze vaartuigen niet toereikende zijn, om alle de manschap„ „pen en bagagien te vervoeren, zal de Overwinnaar 12 4. 185. 378. Overvinnaar particuliere of andere schepen zijner natie daar toe leenen, en hem een verbandschrift van den zou „verneur en Raad ter hand gesteld wor„ „den dat de Compagnie hem niet al„ leen de vragt, welke tevooren bedon¬ „gen zal weezen, zal betaalen, waar ook de schade vergoeden, welke die schepen door het eene of andere toe „val op de heerreize mogten hebben geleden. De schepen en mindere vaartui„ „gen die de bezetting overvoeren, zullen mes de noodige Passen voor „zien zijn, om onverlet hunne reize voort te zellen. Middelerwijlen dat die schepen en vaartuigen zeilvee gemaakt worden, en de mouson toelaat daar mede te vertrekken, zal de overwin¬ naar voor de leevensmiddelen van Comp s Dienaaren en de hunnen zorgen, zoodanig dat zij geen ge„ „brek leiden: De zieken en gequetsten die niet in staat zijn over zee getranspor„ „teerd te worden, zullen hier blijven De officiers of persoonen van rang en distinctie zullen naar hunne staat behandeld, en de Gemeenen 15. 16. 17. in in het Hospitaal van al het noodige tot hun onderhoud en geneering naare„ „zien worden, na welker herstelling de Overwinnaar hun transport waor de plaats, werwaarts de Gouverneur en anderen vertrokken zijn, zal be„ „schikken, met overzending van de Onkostrekening, die van Comps zijde betaald zal worden. De gansche bezetting, van den Gouverneur tot den gemeenen man toe, zoo wel Comp. s Dienaaren, als Christen Burgers, Maleijers, Mooren¬ secitieven, en Chineeschen, weerbaare en onweerbaaren, vrouwen en kinde„ „ren zullen hunne meubelen, koste„ „lijkheden, contanten, slaaven, met een woord alle roerbaare goederen, onder wat benaaming men dezelven zoude kunnen of wilden begrijpen, vrij en onbekommerd behouden, en hun de noodige tyd met alle be¬ „hulpzaamheid vergund worden, om dezelven uit de Vesting te vervoeren, buiten elders te bergen, en bij hun vertrek mede te nee„ „men, dan wel te verkoopen, of er zoodanig mede te handelen, als het hun zal convenieeren. 19. 18. 1845. 380. 19: Nadien verscheiden Dienaaren van de Compagnie vaste of onroerende goe„ „deren, als huizen, erven, en linnen zoo wel binnen als buiten de Vesling leggende, gekogt en bezeten mits„ „gaders daar van deugdelijke koopbrie„ „ven hebben, zal het hun vrij slaan on= „der de hier blijvende ingezetenen Gemagtigden aan te stellen, die de„ „zelve voor hun verkoopen, verruilen en alieneeren, zoo als het best tot hun voordeel geschieden kan binnen den tijd van vijf agtereenvolgende Jaaren Wanneer de vrouwen van Compts Dienaaren, om hunne zaaken te red „den verkiezen mogten hier een tijd lang te blijven zal haar zulks ne„ „vens eene vrije Lodsdienst-oeffe„ „ning, vergund, en zij zullen tegen 0 allen overlast beschermd worden Zoo dra de capitulatie van weer„ „zijden gereguleerd is, zal aan de troupes van den Overwinnaar de Landpoort ingeruimd worden, dog niemand van die troupes verder in in de vesting mogen komen of gelaten worden als de officiers, die men over en weder zeudt. 22. 20. 21.
English
22. Everything concerning the garrison or otherwise not mentioned in this capitulation remains reserved to be brought forward at the ratification thereof. In concluding these remarks, I further add that, just as the siege by a European enemy will notoriously be perilous, so on the other hand, a hostile attack by the Malays or Bugis in these parts is little to be feared; they have no knowledge of, nor the necessary implements of war for, the regular siege of a fortress to be able to compel its surrender. Nevertheless, one must also throw up against them the earthen works, or half-redoubts, which I have previously judged necessary, in order to keep them away from the city so that they do not set it on fire. And since one can dispatch more men and artillery against them than against a European enemy, without fear of stripping the Fortress bare, one can also construct more half-redoubts on several roads, such as from Heerenstein, Pringi, Simabok, and 185: 382. and elsewhere, which will be capable of keeping these attackers in check and making them retreat. Malacca in the Castle, 31 March 1779. /was signed/ P. G. de Bruijn. Agrees. Paumgarten First Sworn Clerk La. C: 186. 383. On this day, 22 March 1779, I, Christiaan Godfried Baumgarten, First Sworn Clerk of Policy of this Government, by order of the Right Honorable Pieter Gerardus de Bruijn, Governor and Director of this city and Fortress, interrogated the Chinese resident here, Tjioe Tionko, Nakhoda of the brigantine of the Chinese merchant Tjoe Ru, which arrived yesterday from Riouw, concerning what had been ordered of him by the Viceroy at Riouw, Radja Hadjie, upon handing over the letter brought here by him, to make known orally to the aforementioned Lord Governor. Whereupon the said Nakhoda, and the Chinese resident here, Tan Potjouw, who appeared before me with him, reported having received orders from the said Radja Hadjie to present, upon delivering his letter: That since the prohibition of navigation from Java to Riouw, there had been great scarcity and dearness of that grain at the latter place, which itself had no rice crops; on account of which, and because all further necessities had to be brought from elsewhere, the inhabitants of Riouw were very poor and destitute; That, if in addition the prohibition against the admission of Chinese junks were maintained, Riouw would be totally ruined, because the junks brought many goods there, such as coarse bowls, dishes, etc., which the people of Riouw themselves needed, needed, or could exchange again for provisions, and in return transported freshly cut timber and ebony, as well as agar-agar and trepang; the only articles whose collection and exchange with the junk crews provided the people of Riouw with their livelihood; That the navigation of the Junks to Riouw had never been prohibited, but that they, as long as Riouw had been in alliance with the Honorable Company, had arrived there freely and unhindered; That these vessels did not import or export any prohibited goods, but traded solely in articles that had always been permitted to private merchants; That he, Radja Hadjie, would never deviate from the Alliances of his ancestors in the governance of Riouw, but on the contrary would endeavor to remain a sincere and faithful ally of the Honorable Company, for which he had the greatest respect; That he was therefore also very apprehensive of the consequences that might flow from it if the aforementioned prohibition continued to hold, since his subjects, relying on the freedom of trade of old, pressed by poverty and hunger, might proceed to extremes which he would be unable to prevent, whereby he, though innocent, would acquire a bad reputation and be plunged into difficulties and unrest, at a time when he sought nothing more earnestly than a good name and the preservation of peace, and that he therefore 385 therefore found himself obliged to request that the repeatedly mentioned prohibition might be revoked again; That he was prepared to be and remain faithful to the Company in all things according to the contents of the Contracts, and, if authorized to do so, to guard against all illicit trade that was now carried on freely and boldly in pepper and tin, and even to prevent it by force, not only by seizing what was brought to Riouw, but also by cruising better in front of Palembang than is currently done, and, if the Sultan of Palembang nevertheless would not cease smuggling, to chastise him for it, whether with or without the assistance of the Company; That he therefore also firmly trusted that the Honorable Company would give a favorable consideration to his request and allow his subjects to continue enjoying a trade that had never yet been forbidden to them; That he himself did not intend to conduct commerce, but wished to leave all trade to his subjects, particularly now since toll was taken from the reigning king's vessels as well as from those of the common people, notwithstanding that formerly the vessels genuinely belonging to the reigning King of Riouw had been toll-free. Thus Thus done and related, Malacca in the Castle, date as above. /signed/ with some Chinese characters, and written thereover, drawn up by Tjioe Tionko and Tan Potjouw /underneath stood/ which I witness /signed/ C. G. Baumgarten First Sworn Clerk Examined Casparus Geel: Gunneberg Agrees C. Baumgarten First Sworn Clerk 188 387. [illegible]
Dutch transcription
22. Al hetgene raakende de bezetting of anderzins bij deeze capitulatie niet mogte weezen aangehaald, blijft gere„ „serveerd om bij de ratificatie derzelve te worden voorgebragt en Besluite deezer aanmerkingen voeg ik er nog bij, dat, zoo haghelijk de be„ „regering van eenen heropischen vijand no„ „toir weezen zal, zoo wensig daarentegen te dugten is de vijandelijke aanval van de Maleijers of Bougineeschen hier om„ „streeks zij hebben geene kennis van nog het noodig krijgsting tot de regel„ „maalige belegering eener Vesting, om dezelve tot de overgaave te kunnen dwingen. Egter dient men ook tegen hun de aarden werken, of halve redouten welke ik hier vooren noodig geoordeelt heb, optewerpen, ten einde hun van de stad te weeren, op dat zij die niet in den band sleeken. En dewijl men tegen hun meer manschappen en geschut kan uitzenden, dan tegen eenen Europischen e vijand, zonder vrees van de Vesting te ontblooten kan men ook meer halve redouten op verscheiden weegen als van heerenslein, Pringi, Simabok, en 185: 382. en elders aanleggen die in staat zullen zijn, om deeze aanvallers in bedwang te E houden en te doen wijken Malacca in het Casteel den 31. Maart 1779. /was getekend/ P: G. de Bruijn. Accordeert. Paumgarten E. G. kle La. C: 186. 383. Op heden den 22 Maart 1779. , hebbe ik Christiaan Godfried Kaumgarten, Eerste Gezworen Klerk van Politie deezes Gouverneneents ter ordre van den Wel-Edelen Gestrengen Heer Pieter Gerardus de Bruijn, Gouverneur en Directeur deezer stad en Fortresse, den Chinees en inwooner alhier Tjioe Tionko Nachoda van de op gisteeren van Riouw gearriveerde brigantijn ƒ van den. Chinees Koopman Tjoe Ru, ondervragd na hetgene hem door den Onderkoning te Riouw Radja Hadjie, bij overhandiging van den brief„ door hem alhier aangebragt, gelast was, mond„ „deling aan den welgemelden Heer Gouverneur te kennen te geeven. Waar op de gemelde Nachoda, en de met hem voor mij gecompareerde Chinees en inwooner alhier Tan Poljoúw relateerden van gemelden Radja Hadjie laast ontvangen te hebben, om bij overgave van zijnen brief voor te draagen, ƒ Dat sedert het verbod der vaart van Java op Riouw ter laastgemelde plaatze, die zelfs geen rijst-gewas hadt, groote schaarsheid en duurte van dat graan geweest was, waar door en om dat ook alle verdere behoeften van elders gebragt moesten worden, de inwooners van Riouw zeer arm en behoeftig waren 3 Dat, bij aldien daarenboven het verbod teg gen de admissie van Chinasche jonken bleef sland „houden, Riouw totaliter geruineerd zoude worden, om dat de jonken veele goederen, als groove kommen, schotels enz. aldaar aanbragten die de Riouwers zelfs benoodigt O waren. waren, dan wel tegen leevensmiddelen weder konden verruilen, en daarentegen weder ver¬ „voerden vers-ebben - en timmerhout, mitsgader agar agar en tripangs; de eenigste artikelen, =en verruiling welker verzameling aan de Jonklieden den Riouwers hun onderhoud verschoften Dat de vaart der Jonken op Riouw nooit verbode geweest was, maar dat dezelve, zoo lange Rioúw in verbond met de E. Compagnie gestaan hadt, vrij en onverhinderd aldaar gekomen waren Dat deeze vaartuigen geene verboden waaren in of uit voerden, maar eenelijk handel dreeven in artikelen, dewelke altoos voor de particulier handelaars gepermitteerd waren geweest Dat hij Radja Hadjie nooit afwijken zoude van de Verbonden zijner voorzaaten in het beslier van Riouw maar daarintegen tragter zoude een opregt en getrouw bondgenoot van de E Compagnie, voor dewelke hij het grootste ontsag hadt, te blijven G Dat hij daarom ook zeer bedugt was, voor de gevolgen, die wanneer het voorschreven verbod bleef standgrijpen, daar uit zouden kunnen voortvloijen, nademaal zine onderdan G „nen, stennende op de vrijheid van den handel 3 van oudsher, door armoede en honger gepraugd tot uitersten zouden kunnen overgaan, die hij buiten staat was te bestellen, waar door hij hoewel onschuldig, in een kwaaden naam ko¬ „men, en in moeijelijkheden en onhisten ge„ id ƒ C „dompeld zoude worden, in een tijd dat hij ua 7 niets ernstiger als een goeden naam en de conservatie van rust tragiede, en dat hij zig derhalven F 385 derhalven verpligt vondt te verzoeken, dat het meergemeld verbod weder mogte worden in¬ „getrokken Dat hij bereid was der Compagnie naar „ den inhoud der Contracten in alles getrouw te zijn en te blijven, en, bij aldien daar toe 0 gewestigd wierdt, tegen allen morshandel, die tans vrij en onbeschroomd in peper en tin geplegt wierdt, te waaken, ja zelfs door ge„ „weld te beletten, niet alleen met hetgene op Riouw wierdt aangebragt aan te haalen, maar ook met voor Palembang beter te kruissen — O dan nu gedaan wordt, en, indien de sullan van Palembang evenwel het sluiken niet ƒ agterlaten wilde; hem daar over te kastijden 't zij niet of zonder behulp van de Compagnie Dat hij dierhalven ook vastelijk vertrouwde, 6 dat de E Compagnie op zijn verzoek, een gunstige reflegie zoude slaan en zijne onderdaanen laaten blijven jonisseeren van een handel die hun nog nooit verboden geweest was. Dat hij zelfs niet geintentioneerd was negotie te drijven, maar allen handel e aan zijne onderdaanen wilde overlaaten C 6 bijzonder tans daar van des regeeren„ „den konings vaartuigen zoo wel, als van die der gemeene lieden, tot genoo¬ O „men wierdt, niet tegenslaande eertijds G =de vaartuigen, die weezenlijk den regel„ „renden Koning van Riouw toebehoord hadden, tol vrij geweest waren Aldus C daar Aldus gedaan en gerelateerd Malacca in het Casteel dato voorschrevene. /getekent/ met eenige Chineesche larackers, en daarom ge„ „schreven, gesteld door Tjioe Tionko en Jan Potjouw /onderstond/ quod attestor /getekent/ EL Kanuigarten E. Z. Klerk Nagezien Carsp Gell: prunaberg Accordeert J Daumgarten G. Klerp G 188 387. 8 ƒ 8 Dien 3 8 5 fr ƒ 8 Chris 5 8 55 9 3 9 5 9 8 6 6 5 C 3 TeZam 9 e 5 x 3 5 6 & N 5 8 6 C P de N Een Se 5 8 9 6 E N 5 2 N ƒ De 5 e Jd: 8 o de 8 8 ed 9 2 ƒ A 10 Liena 5 e 3 5 3 5 Not. 0 3 :- @ 88„ - e 8 6 5 5
English
389 9 8 Sedet g 8 ƒ 5 Her Sp 8 25 E 9 E 9 5 8 1 „ 1 3 Gerat Gero 81 3 5 5 Schut No de 5 S S 8 8 9 1 8 ƒ 18 ƒ 5 1 1 v 8 3 5 8 8 8 Tollen E 8 5 . teken 1 vs do 5 8 6 get 8 8 eer 18 Copy Separate Letters from The Right Honourable Governor and Director of Java's Northeast Coast To Their High Excellencies at Batavia from the 21st of January to the 12th of September 1779. No. 11 1 24. 190. 390. Samarang, the 21st of January, in the year 1779. Copy. To His High Excellency The High Noble, Severe, Highly Esteemed Lord, Reijnier De Klerk, Governor General, and the Right Honourable Severe Lords Councillors of the Netherlands Indies; etc., etc., etc. High Noble, Severe, Highly Esteemed Lord, and Right Honourable Severe Lords! While reiterating my ever-increasing gratitude and obligation for the manifold benefactions and goodnesses with which Your High Excellencies have long favored me, and assuring my everlasting acknowledgment for the great trust and the many proofs of approval of my management with which Your High Excellencies have honoured me in more than one respect, and especially since Your High Excellencies were pleased to continue me in the most satisfactory manner in the governance of this coast in 1777, I take the liberty, with respect, submission, and a constant deference to the high pleasure of Your High Excellencies, to humbly solicit hereby once again for my honorable discharge from the Government of Java after the end of August next, or of the present year 1779, and for my relief Samarang, the 21st of January, in the year 1779. in the most reputable manner, retaining quality and rank, to the Capital, in the hope that I may then hand over the administration of this blessed coast to the person to whom it is entrusted in that more advantageous state for the Company, in which I may assure Your High Excellencies that, by God's blessing under Your High Excellencies' wise government, flourishing Java currently is. I do myself the honour to remain submissively with due respect and the highest esteem. it was signed below: High Noble, Severe, Highly Esteemed Lord, and Right Honourable Severe Lords; lower: Your High Excellencies' most obedient, faithful, and humble servant; signed: J. R. van den Burgh; in the margin: Samarang, date as above. Agrees. Markeij Sa. Lease 195 392 Samarang, the 16th of March, in the year 1779. To His High Excellency! The High Noble, Severe, Highly Esteemed Lord Reijnier De Klerk, Governor General, and the Right Honourable Severe Lords Councillors of the Netherlands Indies; etc., etc., etc. High Noble, Severe, Highly Esteemed Lord, Right Honourable Severe Lords! The favorable disposition which Your High Excellencies, upon my repeated request for my discharge from the Government of this coast, as appears from the gracious contents of Your High Excellencies' respected collective letter of the 19th of February last, have been pleased to take, being no less reputable than honourable to me, has also renewed in me the sentiments of gratitude and obligation which I already owed to Your High Excellencies for a great number of tokens of favour, and will acknowledge here through all times; and particularly sensible of the high approval granted by Your High Excellencies constantly, and now so brightly shining upon all my transactions during my nearly eight-year direction, and no less affected by the trust Samarang, the 16th of March, in the year 1779. with which Your High Excellencies continue to honour me, as well as by the gracious manner in which Your High Excellencies have granted my request and relieved me from the administration of this coast for the coming year, nothing remains for me but, with lasting expressions of thanks for the new tokens of favour with which Your High Excellencies as it were overwhelm me, to dutifully submit myself to the high pleasure of Your High Excellencies, and thus promptly, with zest, honour, and fidelity, to continue in the administration of affairs until the end of the appointed time, upon the as encouraging as satisfactory declaration that such would be nothing other than agreeable to Your High Excellencies, and with confidence that Your High Excellencies will continue to favour and support me with the so powerful influences of Your High Excellencies' vigorous protection and patronage, of which I hereby most humbly implore the continuation. I will meanwhile await my successor, the Lord Johannes Siberg; however, now that Your High Excellencies have been pleased to prolong my stay in the administration until the month of July or August 1780, and a transfer cannot be effected more clearly than with the closing of the books, it is also further my prayer that Your High Excellencies will be pleased to determine finally the time at which that shall take place to the end of August 1780, and to permit me otherwise to remain in authority until the day of my departure, or that time
Dutch transcription
389 9 8 Sedet g 8 ƒ 5 Her Sp 8 25 E 9 E 9 5 8 1 „ 1 3 Gerat Gero 81 3 5 5 Schut No de 5 S S 8 8 9 1 8 ƒ 18 ƒ 5 1 1 v 8 3 5 8 8 8 Tollen E 8 5 . teken 1 vs do 5 8 6 get 8 8 eer 18 Copia Aparte Brieven van Den Heere Gouverneuer en Derecteuer van Iavasc Noord oost Cust Aan Hunne Hoog Edelheeden te Batavia van den 21: Januarij tot den 12. September 179. No. 11 1 24. 190. 390. Samarang Den 21:' Janujari Ao 179. Copia. Aan zijn Hoog Edelheid Den Hoog Edel Gestrenge Groot Achtbaaren Heere, Reijnier De Klerk, Gouverneur Generaal en De wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Ne„ „derlandsch Indie; enz: enz: enz: Hoog Edel. Gestrenge, Groot Achtbaren Heere, en Wel Edele Gestrenge Heeren! Onder herhaaling van mijne steeds toenemende dank en verpligting, voor de menigvuldige weldaaden en goedheden, waar mede uwe Hoog Edelheden mij sedert lange begunstigde, en met verzeekering van mijne altoos durende erkentinisse, voor het groot vertrouwen, en de veele bewijzen van goedkeuring over mijne directie, waarmede uwe Hoog Edelheden mij in meer dan een opzigt, en inzonderheid hebben vereerd, sedert dat uwe Hoog Edelheden in 1777, mij op de satisfactoirste wijze„ gelievden te Continueeren in het bestier van deeze kust, neemt ik de vrijheid met eerbied en submissie en eene bestendige onderwerping aan het hoge welbehagen, uwer Hoog Edelhe„ den, bij dezen andermaal, onderdanig te solliciteeren, om mijne dimissie uit het Gouvernement van Iava, na ult=o augustus aanstaande of van het presente Jaar 1779. en om mijne verlos„ „sing Samarang Den 21:' Januari A:o 1779. -. „sing op de reputatieuste wijze, behoudens qualiteit en rang naar de Hoofdplaats, in hoope dat ik dan het bestier van deeze gezegende kust, aan de geene die het word toevertrouwd, zal mogen overge„ ven, in dien voor de Maatschappij voordeliger staat, waar in ik uwe Hoog Edelheden mag verzeekeren, dat door Gods zegen, onder uwer Hoog Edelheden wijzer Regeering, het bloeiende Java tans is. Ik geve mij de eere met schuldige eerbied en de meeste hoog achting submis te blijven. - /:onderstond:/ Hoog Edele Gestrenge Groot Achtbaaren 1eere, en wel Edele Gestrenge Heeren / /:lager:/ uwer Hoog Edelheden zeer Ge„ „hoorzame, getrouwe en onderdanige Dienaar /:was geteekendt:/ I: R: van den Burgh. /:in margine:/ Samarang dato als boven. - Accosdeert. Markeij Sa. Pagt 195 392 Samarang Den 16„' Maart Ano 179. —. Aan zijn Hoog Edelheid! Den Hoog Edele Gestrenge, Groot Achtbaaren Heere Reijnier De Klerk, Gouverneur Generaal, en De wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands w _ ro Indie; enz: enz: enz: Hoog Edel, Gestrenge, Groot Achtbaren Heere Wel Edele Gestrenge Heeren! De favorabele dispositie, die uwe Hoog Edelheden, op mijne herhaalde instantie, om mijne demissie, uit het Gouvernemint van deeze kust „ blijkens den gratinussen inhoud, van Uwer Hoog Edelheden gerespecteerde gemene missive van den 19. e Februari Jongstleden, hebben gelieven te neemen, niet minder reputatieus als honorabel voor mij zijnde, heeft in mij ook vernieuwd, de gevoe„ „lens van dank en verpligting, die ik voor een groot aantal gunst bewijzen, uwe Hoog Edelheden reeds schuldig was, en door alle tijden hier erkennen zal; en bezonden gevoelig, aan de hooge goed„ keuring, door uwe Hoog Edelheden steeds, en nu zoo doorstralende, op alle mijne verrigtingen, geduurende mijne bij na Agt Iaarige directie, verleend, en niet minder getroffen, over het vertrouwen; waar S Samarang Den 10:' Maart Ano 179. — waarmede uwe Hoog Edelheden mij blijven vereeren, als over de gratieuse wijze, op dewelke uwe Hoog Edelheden, in mijne instan„ „tie bewilligd, en mij mit het bewind over deeze kust, tegen het aan„ staande Jaar, ontslagen hebben, blijft mij ook niets over, dan met duurzaame dank betuigingen, voor de nieuwe gunstbewijzen, waar mede uwe Hoog Edelheden mij als overlaad, mij schuldpligtig te onderwerpen, aan het hooge welbehagen van VwE: Hoog Edelheden, en dus volvaardig met Lust, ier en trouwe, in het bewind van zaaken te blijven Continueeren, den bepaalden tijd uit, op de zoo aanmoedigende als satisfactoire betuiging, dat zulks uwe Hoog Edelheden niet anders den aangenaam zoude zijn, en met vertrouwen, dat uw Hoog Edelheden, mij zullen blijven begun„ „stigen en onderschragen, met de zoo vermogende invloeden van uwer Hoog Edelheden kragtaadige mainctenue en protectie„ waar van ik de Continuatie bij deezen ootmoedigst afsmee„ ke. Ik zal ondertusschen mijn vervanger, de Heer Iohannes Siberg, afwagten, dan, nu uwe Hoog Edelheden, mijn ver„ blijf in het bestier, hebben gelieven te prolongeeren, tot de maand Iuli of augustus 1780. en een Transport niet Liquider, als met het sluiten der Boeken, geschieden kan, zoo is ook nog mijn beede, dat uwe Hoog Edelheden, de tijd, waar op dat zal moeten geschieden; finaal gelieven te bepaalen, op ultimo Augustus 1780:, en mij te permitteeren, om overigens, in het gezag te mogen blijven, tot den dag van mijn vertrek, of dat tijd
English
192. 394 Samarang the 10th of March Anno 1779. time and opportunity will permit, to undertake the journey to Batavia in the coming September or October, and before the change of the monsoon. Having successively received Your High Excellencies' honored separate dispatches of the 26th of January and 9th of February last, I take the liberty hereby to serve in reply that in the answer to the letter written last autumn on behalf of Bantam's sovereign to Pangerang Ario Djoijo Coessoemo in the Mataram, the passage regarding the sending of envoys has been left untouched; perhaps deliberately so out of political consideration, but however this may be, if the Sultan shows an inclination to send envoys to the Bantam court, I shall endeavor to dissuade him from it in a friendly manner, as there are many reasons to consider correspondence between those two courts questionable, and it would certainly not be easy, once permitted, subsequently to prevent reciprocal embassies. Regarding the courts, I presently have nothing special to report, other than that the rulers appear well and still equally disposed to eradicate the remaining recalcitrant descendants of Pangerang Rongo; and as nothing has been seen or heard of those ill-disposed persons for a long time, everything along the shores is also quiet, and the farmer is busily engaged in rice cultivation without disruption, in order to benefit from the fertile rains. Samarang the 10th of March Anno 1779. rains that are currently falling and which, if continuing for a little longer, give a favorable prospect of a blessed crop and a good harvest. Your High Excellencies' intention not to readmit the former first Regent of Tegal to Java upon his return from his pilgrimage to Mecca will, even if he were not fraught with bad intentions and it prevents the consequences thereof, at least deter other Regents from following him in an undertaking such as this, from which no general benefit can derive. While awaiting with Your High Excellencies what Gusti Moera Jambi at Balij Badong and the petty king at Kloenkong will do upon the further urging made by Administrator van der Niepoort to surrender the son of the Balimboangang Pangerang Willis, who by their own admission is with them, and his adherents, I meanwhile thank Your High Excellencies for the authorization to deliver for payment to the Regents of Damak, Samarang, and Wieradessa some muskets, flintlocks, and carbines for the security of their districts, and thus also for the promise to supply me with muskets as far as the stock permits, and subsequently with carbines after delivery from the Netherlands. A letter addressed to Your High Excellencies from the Pontianak Resident Kloek having been delivered to me yesterday via Grissee, who requested its prompt forwarding, I have the honor to present it herewith to Your High Excellencies, and 193. 396 Samarang the 10th of March Anno 1779. and to testify that, with the utmost gratitude, true high esteem, and profound respect, I remain no less sincerely than dutifully. High Noble, Right Honorable, and Worshipful Gentlemen, Your High Excellencies' humble, faithful, and dutiful servant, was signed: I. R. van den Burgh. In the margin: Samarang, date as above. Agrees with the original. Markeij Samarang the 7th of April Anno 1779. To His High Excellency The High Noble, Right Honorable, and Worshipful Gentleman Reijnier De Klerk Governor-General, and the Right Worshipful Gentlemen Councillors of the Dutch Indies, etc., etc., etc. High Noble, Right Honorable, and Worshipful Gentlemen! Having, by highly respected order of the Governor-General, made inquiries after the writer of a certain letter, who therein calls himself Iman Sadjati Sulthan Oemoedin and brings forward many fictitious grievances against the Panembahang of Madura and his uncle, the Radeen Tommongong, Regent at Sidajoe, this writer was discovered to be named in truth Radeen Pandjie Nata Dipoero; and I have had the same, together with his four sons and a son-in-law, quietly lured from Madura to Sourabaija by Administrator at Sourabaija van der Niepoort and the Ensign and Commandant at Bancallang Morgenstern, detained there, and subsequently brought hither, together with
Dutch transcription
192. 394 Samarang Den 10=e Maart Anno 1779. — tijd in gelegentheid, toelaten zal, in September of october daar aan en voor de Kentering van de mousson, de reise naar Batavia aantenemen. Na den andere ontvangen hebbende uwer Hoog Edelheden g'eerde aparte missive van den 26:e Januari en 9.:' Februari j=o Leeden, neeme ik de vrijheid bij deezen daar op te dienen, dat bij het antwoord, op de brief, van weegens Bantams vorst, in het gepasseerde najaar geschreeven aan pangerang Ario Djoijo Coessoemo in de Mattarm, de periode, raakende het zenden van Gezanten, onaangeroerd gelaaten is; misschien wel met voordagt uit een politicq inzigt, doch hoe of wat dit zijn mag, zal ik, als den sulthan mij laat blijken genegen te weezen, Gezanten naar het Bantamsche hoff te zenden, him in het vruendelijke daar van tragten te diverteeren, alzoo, en veele redenen zijn, om de Correspondentie tusschen die beide Ho„ „ven, voor bedenkelijk te houden, en het ook zeeker miet gemak„ kelijk zoude vallen, het doen van gezantschappen, over en weer„ — als het eens was toegelaten, naderhand te beletten. Weegens de Hoven weet ik tans niets speciaals te melden, als dat de vorsten wel en nog even gesind scheinen, om de nog wienspannigs discendenten: van Pangerang Rongo uit te ƒ roeijen, en nu seedert lange van die kwaadwillige niets verno„ „men nog gehoord wordende, is ook langs de stranden alles in rust, en den Landman ongestoord, ieverig bezig, aan de Rijst Culture, om zich te nutte te maaken de groeijzaames regens. gd Samarang Den 10:' Maart Anno 1779. — regens, die tans vallen, en die nog wat aanhoudende, een favo„ „rabel voor uitzigt, op een gezegend gewasch, en goeden oogst geven„ Het voornemen uwer Hoog Edelheden, om den naar Me„ „cha ter bedevaart zijnde geweezen Tagals eerste Begent, na te rug komst niet weder op Iava te admitteeren, zal, zoo hij al met geen kwaade voornemens mogt bezwangert weezen, en het de gevolgen daar van prevenieerd, dan doch andere Re„ genten afschrikken om hem te volgen, in een onderneming als deeze, daar geen nut voor het algeween uit voortvloeijen kan. Met Vwe Hoog Edelheden nog afwagtende wat Gusti Moe„ „ra Jambi te Balij Badong, en het Koningje te Kloenkong, zullen doen, op de nadere aandrang, door den Gezaghebber van der Niepoort gedaan, om de, na hun eigen voorgeven bij hun zijnde zoon van den Balimboangangs pangerang willis, en zijn adherenten, uit te leveren, bedank ik ondertusschen uwe Hoog Edelheden voor de qualificatie, om aan de Reginten van Damak, Sama„ rang en wieradessa eenige murquetiers snaphaanen en Carbijns, ter bevijling hunner districten, tegen betaaling te mogen afgeven, en dus ook voor de toezegging van mij met musquetiere geweeren te zullen gerieven zoo vel den voorraad toelaat, en vervolgens met Carbijns, na aanbreng uit Nederlande Over Grissel bij mij gisteren besteld weezende, een brief aan uww Hoog Edelheden houdende, van den Puntianas Resiaent Kloek, die een spoedige voortzending daar voor heeft verzogt, geeve ik mij de eere, die in deezen uwe Hoog Edelheden aan te bieden, en 193. 396 Samarang Den 10:' Maart Anno 179. — en te betuigen, dat ik met de uitterste dankbaarheid, waare Hoog achting en diep ontzag, niet minder oprechs als schuldig blijve. —. /onderstond:/ Hoog Edel Gestrenge Groot Achtbaaren Heere en wel Edele Gestrenge Heeren /:lager:/: uwer Hoog Edelheden ootmoedigen, trouw en pligt schuldigen dienaar /:was getekend:/ I: R: van den Burgh„ /in margine:/ Samarang dato als even. — Accorateert. Markeij su t Samarang den 7:' April Ano 179. — Aan zijn Hoog Edelheed:! Den Hoog Edel, Gestrenge, Groot Achtbaaren Heers Reijnier De Klerk Gouverneur Generaal, en De wel Edele Ge„ strenge Heeren Raaden van Nederlandsch Indie; enz: enz: inz: Hoog Edele Gestrenge Groot Achtbaren 1eers„ en Wel Edele Gestrenge Heeren! ij hoog gerespecteerd bevel van Den Heere Gouverneur Generaal, mij g'informeerd hebbende, na den schrijver van Zee„ keren brief, die zig zelve daar bij noemd Iman Sadjati sul„ „than Oemoedin en veele gefingeerde bezwaaren voortbrengd, tegen den Panembahang van Madura, en zijnen oom den Radeen Tommongong Regent te Sidajoe, is dien schrijven ont„ dekt, ten regten genaamd te weezen Radeen Pandjie Nata 9 Dipoero, en heb ik den zelven, nevens zijn vier zoons, en een schoonzoon, door den Gezaghebber te Sourabaija van den Nie„ poort en den vendrig en Commandant te Bancallang Morgenstern in stilte van Madura naar Sourabaija doen lokken, daar aanhouden, en vervolgens herwaards brengen, mitsg=s
English
P 9. 198. 398 Samarang The 7th of April Anno 1779. as well as now the pleasure of sending up that Dreeper together with his wife with the ship Foreest, at the disposal of Your High Excellencies, he being according to his own account and letter Appendix letter A page 12 of the Authority van der Nipoort, dated 13th of February Appendix letter B page 15 last, both going over in copy along with this, a native of Madura, and even related to the Prince, but already put out of service by the last deceased Panembahang, because he sought to make himself too well liked among the common man. I consider him, and now also his sons, whom I will therefore also send to Batavia with the next opportunity by ship, to be dangerous subjects on Madura, who in one incident or another could brew trouble, and will therefore be better placed elsewhere. The Panembahang of Madura, whom I, because he was not yet at home from Samarang at that time, and also to cause no commotion on Madura, had not informed in this matter, was astonished by it, and without letting it show however, also somewhat touched, being unable to penetrate why Radeen Pandjie Nata Dipoero and his sons were detained, but after I had the reasons made known to him as soon as they were here in safety, he has given us to know his satisfaction about it, 12 and even thanked the Bancallang Commandant Morgenstern, that he in his absence had kept the matter so quiet and these dangerous persons, thus without anyone's knowledge on Madura F E D Samarang The 7th of April Anno 1779. Madura, and without making any trouble, had gotten to Sourabaija, which however did not succeed before the Authority had invited the Dreeper by a note, under the pretense of having to speak with him in person about the answer from His High Excellency to his letter. The Mantrie Singo widjoijo, sent to me by the Emperor for banishment from Java, because in the past year he supposedly struck one of his subordinates with a fine for pointing out the hiding place of pangerang Rongo to ours, I also let be transported under arrest at the disposal of Your High Excellencies; although it appears to me that that man, less guilty in this matter, is the sacrifice of his wedono, one of the Emperor's court grandees, the Raden Tommongong Tjocro Dipouro, who has long been under suspicion with me, and still lies, of having colluded underhanded with Rongo. Furthermore, I send clapped in chains Singo Pattij, one of the chiefs of the gang that invaded Tjincalsewos in the past year, Rogo Djiwo, all followers of the fallen pangerang Rongo, and later Wongso Soeto, and Dak Mandar of his son Radeen Soemo Diwongso and then also Noes 195 400 Samarang The 7th of April Anno 1729. Noer Kalam from Caliwoengo, who passed himself off as a Tappa and tried to gain a following, also all five subjects whom I request may be banned forever from Java. With absolute respect and true high esteem, may I be permitted to remain dutifully. undersigned: High Noble Valiant Most Honorable Lords and Noble Valiant Lords. lower: Your High Excellencies' humble and faithful Servant was signed: I. R. van der Burgh in the margin: Samarang date as above. Agrees Markeij su. Samarang The 7th of April Anno 1779. Appendix Letter A. The relator says that he was born on Madura and his father had been the Radeen Demang Karta Joedo, who had fallen in the Chinese revolt at Sidaijoe; That the relator was now circa 56 years old, and when his father aforesaid had fallen, the deceased Panembahan, being his uncle, had raised him like a child in his dalm, until he had reached the age of seventeen years, when the said Panembahan then had appointed him as Prejaij Nijoko or councillor in his father's place; Further the relator says that during the troubles between the Sultan and the Company, he was sent into the field at the head of a troop of Madurese 3000 men strong by the Noble Lord van Hogendorff on the recommendation of the old interpreter Bappa Bastam, together with two other chiefs named Maas Aria and Pourbo Diningrat; That he, having been in the army at Malessie for about five months, was requested back by the Panembahan from the Noble Lord van Hogendorff, to help act against the Tappa Bappa Isap, who had invaded Madura, which the aforementioned Noble Lord granted and had let him return together with Maas Aria and Pourbo Diningrat with their 3000 head; That the Tappa Bappa Isap having fallen, the Tommongong Diposono at Toeban had become an enemy against the Company, and had subjected himself to the Sultan; but the said Diposono also having fallen by the Company's arms, the Tommongong Rasca Nagarra was again in his place, and he relator chief over 300 Account of the Radeen Pandjie Nata Diepoero of Madura, given the 6th of April 1779. Madurese
Dutch transcription
P 9. 198. 398 Samarang Den 7=e April Anno 1779. . mitsgaders tans het genoegen dien Dreeper nevens zijn wijf met het schip Foreest, ter dispositie van uwe Hoog Edelheden op te zenden, zijnde hij volgens zijn eigen Belaas en schrijven Bijlaag ht: A: paijs 12. van den Gezaghebber van der Nipoort, de dato 13:' februari Bijlag h„r 3. pap: 15. Jongstleeden, bijde in Copia nevens deeze overgaande van Ma„ „dura afkomstig, en zelfs verwand aan den Prins, maar al door den Laast overleden Panembahang buiten bediening gesteld, om dat hij zig te zeer bij den gemunen man; tragte bemind te maaken. Ik houde Ibem, en nu ook zijne zoons, die ik daar„ „om mede bij eerst volgende scheeps gelegentheid naar Bata„ „via zenden zal, voor gevaarlijke subjecten op Madura, die bij het een of ander voorval kwaad zoude kunnen brouwen, en daarom beter elders zullen zijn geplaatst. Den Panembahang van Madura, die ik, om dat hij toen„ „maals van Samarang nog niet te huis was, en ook om geen beweeging op Madura te maaken in deezen niet had ge„ „kent, is daar over verwonderd, en zonder het egter te laaten blijken, ook wat geraakt geweest, niet kunnende penitreeren, waarom Radeen Pandjie Nata Dipoero, en zijn zoons, aangehouden wierden, maar na dat ik Ibem, zoo dra als zij hier in zeekerheid waaren, de redenen hab laten bekendt maaken, heeft wij zijn genoegen daar over te kennen gegeven, 12 en zelfs den Bancallangs Commandant Morgenstern bedankt, dat hij bij zijn afweezen, de zaak zoo stil gehouden„ en deeze gevaarlijke perzoonen, zoo zonder iemands weeten op Madura F E D Samarang Den 7:' April Anno 1779. —. Madura, en eenigen omslag te maaken, naar sourabaija ge„ kregen hadt, dat egter niet gelukt is, voor dat den Gezaghebberen den Dwreeper, bij een briefje hadt genodigd, onder voorgeven van hum over het antwoord van zijn Hoog Edelheid, op zijn brief, in perzoon te moeten spreeken. Den Mantrie Singo widjoijo, door den Keijzer mij gezonden, ter verbanning van Iava, om dat hij in het voor„ leeden Jaar, een zijner onderhoorige, in een boete zoude gesla„ gen hebben, over het aanwijzen, aan de onze, van de schuil„ plaats, van pangerang Rongo, laat ik ook ter dispositie van uwe Hoog Edelheden in arrest overvaaren; ofschoon het mij voorkomt, dat die man min schuldig in deezen, het slagt- offer van zijn wedono, een van 's Keijzers Hof„ grooten den Raden Tommongong Tjocro Dipouro is, die bij mij seedert lange onder suspicie gelegen heeft, in nog legd van met Rongo, onder de hand te hebben geheuld. Voorts zende ik in de ketting geklonken op Singo Pattij, een van de hoofden der bende, die in het voor„ leeden Jaar Tjincalsewos hebben geinvadeerd gehad, Rogo Djiwo. . . . alle navolgens van den gesneuvelden pangerang Bongo, en naderhand Wongso Soeto, en O Dak Mandar. . . ) van zijn zoon Radeen Soemo Diwongso„ en dan ook nog Noes 195 400 Samarang Den 7:' April Anno 1729. —. Noer Kalam. van Caliwoengo, die zig voor een Tappa uitgegeven en getragt heeft aanhang te maaken, ook alle vijf subjecten, dewelke ik verzoeke, dat voor altoos van Iava mo„ „gen worden geweerd. Met volmaakte erbied en waare hoog agting zij het mij g'oorloofd pligtschuldig te blijven. /:onderstond:/ Hoog Edel Gestrenge Groot Achtbaaren Heers en wel Edele Gestrenge Heeren. /:lager:/ uwer Hoog Edelheden onder„ „danige en trouwe Dienaar /:was getekend:/ I: R: van der Burgh„ /:in margine:/ Samarang dato als boven. „. Accorsseert Markeij su. # Samarang Den 7: April Anno 179. — Bijlaag Lra A. Den Belatant zegt, dat hij te Madura geboren was en zijn va„ den was geweest den Radeen Demang Karta Joedo, die in de Chineese revolte te Sidaijoe was komen te Sneuvelen; Dat den Relatant thans Circa 56. Jaaren oud was, en doe zijn va„ „der voornoemd gesweuvelt was, had hem den overledene Panem„ bahan, als zijn oom zijnde, gelijk een kind in zijn dalm opge„ voedt, tot dat hij den ouderdom van seventien Jaaren berijkt had, wanneer hem gemelde Danembahan als toen tot Prejaij Nijoko of raads-heer in zijn vaders plaats had aangestelt; Wijders zegt den Relatant dat hij door de Edele Heer van Hogen„ dorff in de Troubelen tusschen den Sulthan en de Compagnie op recommandatie van den oude Tolk Bappa Bastam, nevens nog twee andere hoofden in naame Maas Aria en Pourbo Diningrat, aan het hoofd van een Troup Madureesen sterk 3000. mannen was in het veld gezon„ „den geworden; Dat hij omtrent vijf maanden, in het Leger te Malessie ge„ „weest zijnde, hij door den Panembahan van De Edele Heer van Hogendorff was te rug verzogt geworden, om tegens den Tappa Bappa Isap, die Madura geinvadeert had, te helpen ageeren, het geene welmelde Edele Heer toegestaan en hem „nevens Maas Aria en Dourbo Diningrat met hunne 3000. koppen had laten retourneeren; Dat den Tappa Bappa Isap gesneuveld zijnde, den Tommon„ gong Diposono te Toeban tegens de Compagnie was vijand geworden, en zig aan den sulthan onderworpen had; dogh gemelde Diposono door 'sCompagnies wapenen mede ge„ Snuvelt zijnde, was den Tommongong Rasca Nagarra weder in desselfs plaats, en hij relatant tot hoofd over 300. Relaas van den Radeen Pandjie Nata Diepoero van Madura, gegeven Den 6=e April 1779. — Madureese
English
Pg12 196: 402 Samarang the 7th April Anno 1779. appointed Madurese warriors, with orders to restore peace to Toeban again; That he having carried this out according to the high intention, The Noble Gentleman van Hogendorff had given him as a gratuity for it 6 Negorijen, but the Noble Gentleman van Hogendorff having received his discharge from Iava, and having been replaced by the Noble Gentleman Hartingh, the district of Djipang was overrun by the sultan's younger brother the pangerang Bintoro, whereupon he the relator was summoned by the Noble Gentleman Hartingh and asked whether he had heart enough to face that malcontent. And having answered yes, and having gone thither with 300 Madurese, he had also had the good fortune to drive that pangerang away from there with much loss of his men. Some time thereafter he had requested of the Noble Gentleman Hartingh to be allowed to go to Madura and to maintain himself there as a freeman, but the Noble Gentleman had refused him this, but some time thereafter making his repeated instance regarding this to the Panembahan, the latter had discharged him and given him three Dessas for his subsistence, but about five years thereafter they had been taken from him again, without knowing the reasons for it; The relator had then since that time done nothing else than occupy himself with the reading of God's learned books, and also instructed other congregations, in accordance with the faith, how they were best to conduct themselves. He had also had no other reasons to lead such a secluded life than solely because he was a great sinner, and wished to beseech God for the forgiveness thereof until the end of his life, but that he in his letter to his High Nobility had expressed himself somewhat sharply against the present Panembahan and the Regent at Sidaijoe, the reasons were that he had seen many common Madurese had gone around day and night to pray to God that he would drive away the devils, which were so numerous on Madura, that they might not come to misfortune through them; And the relator having had to observe this daily, he had seen fit to communicate this to his High Nobility, in order to make provision therein through the panembahan, for the welfare of the country and people. He says further that he knew well the dispatched Raden Aris, being a nephew of the deceased Panembahan and thus the relator's uncle, but had never associated with him, since the latter had lived at Balega and he on Madura. He says further, besides his five sons present here, to have six daughters on Madura named Sakanin, Salama, Katti, Sarina, Salasse, and Nia, the first being married to the panakawan Baka, the second to his son-in-law Eerman, the third to the Madurese Kersso, the fourth to the Madurese Derst, but the last two are still unmarried. Finally, the relator says he has directly nor indirectly no more pupils or adherents instructed by him on Madura, as he had always set a good example to all people, and repeatedly advised them against all evil, declaring he can account for the same before God and the world; But because the relator had presumed to write a letter to his High Nobility, he had done so because he had long known him as Authority in the Eastern Salient, otherwise he would never have done so. Thus done and related at the Government of Samarang on the date aforesaid. underneath some characters written set by the Raden Pandje Natta Dipoero Lower In the presence Zagt3: 197: 404 Samarang the 7th April Anno 1779. — of me was signed C: D: Boltze, sworn scribe, in the margin as witnesses was signed Carta Bassa and J: Lk Schoester. — Copy of a separate missive written by the titular Upper Merchant and Authority over the Eastern Salient Rudolph Florentius van der Niepoort to The Gentleman Johannes Robbert van den Burgh, Governor and Director of Iava's North-East Coast, dated Sourabaija the 13th February 1779. Pursuant to your Right Honourable's high order, I have not only inquired after the person who calls himself Iman Sadjati or Sulthan Oemabin, and who has addressed to his High Nobility the letter of which your Right Honourable has been pleased to send a copy, but I have also, under the pretext of wishing to speak to him orally regarding his High Nobility's answer, lured him here and taken him into custody, having him conveyed under cover of this and under escort of a corporal and four privates to your Right Honourable, or as far as they will be able to make the voyage by sea, which I hope will be at least far below Toeban, to prevent inconveniences, as that zealot was said to have formerly been Regent at Toeban! He is named Pandjie Notto Adipoero and, being very closely related to the deceased Panembahan, the latter, after he was dismissed as Regent at Toeban, appointed him as Niaka on Madura, but because he sought to make himself all too beloved among the common man, the Panembahan, on the advice of the former Regent Adipatti Maas Aria, who
Dutch transcription
Pg12 196: 402 Samarang Den 7: April Anno 179. Madureese krijgers aangesteld, met ordre om Toeban weder in rust te herstellen; Dat hij zulks na de hoge intentie uitgevoerd hebbende, De Edele Heer van Hogendorff hem tot een douceur daar voor gegeven had 6. Negorijen, dog de Edele Heer van Hogendorff zijn ontslag van Iava gekreegen hebbende, en door de Edele Heer Hartingh ver„ vangen zijnde, was het district Djipang door 'ssulthans Iongere Broeder den pangerang Bintoro over rompeld, waar op hij rela„ „tant door de Edele Heer Hartingh was ontboden en gevraagd ge„ „worden, of hij hart genoeg had, om dien malcontente het hoofd te bieden. En Ja geantwoord hebbende, en met 300. madureezen na derwaards gegaan zijnde, had hij ook het geluk gehad, dien pangerang met veel verlies der zijne daar van daan te verdrijven. Eenige tijd daar na haa hij aan de Edele Heer Hartingh versogt om na Madura te mogen gaan en zig aldaar als een vrijman te mogen erneeren, dog de Edele Heer had hem zulx gewijgerd, maar eenige tijd daar na zijne iterative Jnstantie bij den Pa„ „nembahan daar omtrent doende, had die hem ontslagen en drie Dessas tot zijn bestaan gegeven, maar waaren hem Circa vijf Jaaren daar na weder afgenomen geworden, zonder de redenen daar van te weeten; Den Relatant had dan seedert die tijd niets anders gedaan, als zig met het Leezen van Gods geleerde Boeken op te hou„ „den, en ook wil andere Gemeentens, over een komende met het geloof, onderregt, hoe zij zig best te gedraagene hadden. Hij had ook geen andere redenen gehad om zulk een afge„ „zonderd Leven te voeren als alleen, om dat hij een groote zon„ daar was, en God om vergiffenis derzelve tot het einde zijns Levens te willen smeeken, maar dat hij zig bij zijnen briev aan zijn Hoog Edelheid wat scherp tegens den presenten Panemba„ „han en den Regent te Sidaijoe had uit gelaten, waaren de ree„ „den, om dat hij gezien had, veele gemeene Madureesen dag en nagt waaren rond gegaan om God te bidden, dat hij de Dui„ vels 8 8 H E Samarang Den 7:' April Anno 1779: —. „vels, die zoo veele te Madura waaren, wilde verdrijven, dat zij door dezelve niet tot ongeluk kwamen; En den reclatant zulx dagelijks hebbende moeten ontwaaren, had hij goed gevonden zulks aan zijn Hoog Edelheid te bedeelen, om bij den pa„ nembahan daar in te voorzien, tot welzijn van Land en volk. Wijders zegd hij, dat hij den verzondene Raduw Aris wel kende, zijnde een Neeff van den overledene Panembahan en des zijn Relatants Oom, maar had zig nooit met hem opgehou„ „den, alzoo dezelve op Balega en hij te Madura gewoondt hadt. Wijders zegd hij, buiten zijne alhier present zijnde vijf zoons nog te Madura te hebben ses Dogters genaamd Sakanin, Salama, Katti Sarina Salasse, en Nia, zijnde de eerste getrouwt met den panakawan Baka„ de tweede met zijn schoonzoon Eerman, de derde met den Ma„ durees Kersso, de vierde met den Madurus Derst, dog de twee laaste zijn nog ongetrouwt. Eindelijk zegd den relatant, direct nog indirect geene door hem onderregte Leerlingen of aanhangelingen te Madura meer te hebben, als hebbende alle menschen altoos met een goed exem„ pel voorgegaan, en haar telkens van alle kwaad afgeraaden, betuigende het zelve voor Godt en de wareldt te verantwoor„ „den; Dog om dat den relalandt zig verstouwt had, om een briev aan zijn Hoog Edelheid te schrijven, zoo had hij zulx gedaan, om dat hij hoogst denzelve als Gezaghebber in den Oosthoek lange gekent had, anders zoude hij zulx nooijt gedaan hebben. Aldus Gedaan en gerelateerd ten Gouvernemente Samarang dato voorschreven. /:onderst=d eenige Caracters omschreeven:( gesteld door den Radeen Pandje Natta Dipoero /: Lager :/ Inken„ „nisse Zagt3: 197: 404 Samarang Den 7=' April Anno 1729. — „nisse van mij /:was geteekend:/ C: D: Boltze, geswoore scri„ ba, /:in margine:/ als getuigen /:was geteekend:/ Carta Bassa en J: L=k Schoester. — Copia aparte missive geschreeven door den titulain Bijlaag L=ta 23. opperekoopman in Gezaghebber over den oosthoek Rudolph Florentius van der Nepoort„ aan Den Heer Johannes Robbert van den Burgh, Gouverneur en Directeur van Iavas Noord- oost-Kust, gedateerd Sourabaija den 13e Februari 1779. Ingevolge uwel Edele Achtb=n hooge ordre hebbe ik mij niet alleen geinformeert na de perzoon, die zig noemt Iman Sa„ „djati of Sulthan Oemabin, en die den brief, waar van vwel Edele Achtb=r Copia heeft gelieve te zenden, aan zijn Hoog Edel„ „heid geaddresseert heeft, maar ook hebbe ik hem onder voor„ windzel, dat hem over zijn Hoog Edelheids antwoord geern mon„ „deling wilde spreeke, hier gelokt, en in verzeekering genomen„ laatende hem onder geleide deezes en onder escorte van een Cor„ poraal en vier gemeene tot Vwel Edele Achtb=re overvaare ofte zoo verre zijde reise over zee zulle kunnen krijgen, dat ik hoops ten minste verre beneden Toeban weezen zal, ter voorko„ „ming van ongelegenheeden, wijl dien Dweeper voor deeze Regent te Toeban geweest zoude zijn! Hij is genaamd Pan„ „djic Notto Adipoero in zeer na geparenteert zijnde aan den overledene Danembahan, heeft die Hbem, na dat wij als na Regent te Toeban afgezet was, tot Niaka te Madura aangesteld, dog wijl hij zig al te zeer bemindt zogt te maaken bij den gemeene man, heeft den Panembahan hem, op raad van den domn braavn Dipattij Maas Ariao. N. die
English
Samarang the 7th of April in the Year 179... who feared that the consequence thereof could be dangerous, deposed, and afterwards he never came out again, but has always occupied himself with studying the Quran and other Arabic books. His wife, whom he brought with him, accompanies him, but his four sons, a daughter-in-law, and a son-in-law, also brought by him, have remained here, partly until I shall have received Your Right Honorable's intention regarding them, among whom there are already three grown boys, and partly because I did not trust all of them together in a small vessel. I remain with all profound respect. underneath was written: title, lower: Your Right Honorable's most obedient servant, was signed: R: F: van der Niepoort, in the margin: Sourabaija date as above. Agrees. Warheij See Page: 17. 406 Samarang the 1st of June in the Year 1779. To His Excellency! The Right Honorable, High and Mighty Lord Reijnier De Klerk, Governor-General, and the Right Honorable Gentlemen Councilors of the Dutch Indies; etc. etc. etc. Right Honorable, High and Mighty Lord, and Right Honorable Gentlemen! In the year 1772, when I was in Soura Carta, the Susuhunan already indicated to me that he would gladly see the Captain of the Dragoons and First Resident at his Court, Fredrik Lodewijk van Stralendorff, promoted to Senior Merchant, and also already in 1775 the Sultan, in the letter which I present in original to Your Excellencies (see Letter A), requested that rank for the Merchant and First Resident at Djocjocarta, Ian Matthijs van Rhijn, but having indicated to the Emperor thereupon that such changes could no longer take place, and having also rejected the Sultan's request just as my reply to him of the 1st of December 1775 (see Letter 23) demonstrates, the matter remained there, until recently when the Sultan in the letter to me, which I also present in original to Your Excellencies. Samarang the 1st of June in the Year 1779. Excellencies (under Letter C) once again requested the actual rank of Senior Merchant for the First Resident in the Mataram, van Rhijn; and especially desired that I should submit his petition to Your Excellencies, and that the Emperor (who must have heard this, and would certainly be jealous if the Sultan's First Resident were favored with a higher rank than his) sent me the letter accompanying this for Your Excellencies, and thereby directly makes the same request in favor of the First Resident at Soura Carta, van Stralendorff; And thus being obliged to present these requests to Your Excellencies, may I be permitted to note that each ruler requests nothing more for his First Resident than their predecessors have had, and was granted last according to Your Excellencies' general missive of the 2nd of March 1762, that the Regulation on the Promotion of Servants title I: section 13, promises the First Residents at Soura Carta and Djocjocarta the actual rank of Senior Merchant after the expiration of time, and van Stralendorff has now already served for 12 years and van Rhijn also already for 6 years as such, each to the satisfaction of his ruler, which both of them also currently give me; wherefore I humbly request that Your Excellencies please give favorable consideration to these petitions of the rulers, the more so because the contrary, or if not as much regard were paid to their requests now as happened in 1762, would offend them Zigt9 196: 408 Samarang the 1st of June in the Year 1779. and very likely give a disadvantageous impression. Upon the change in 1762 of the then Captain and First Resident at Soura Carta, Ian Christoffel Beuman, to Senior Merchant, it pleased Your Excellencies to let him retain the command over the Dragoons in the latter capacity, but subsequently, it being approved by Your Excellencies in the general missive of the 24th of August 1762 that, at the request of the Emperor for another officer with the Dragoons, Captain Ian Christoffel Klette was sent to Soura Carta, he also remained there until his death, and then the company passed to the present Captain and Resident van Stralendorff, with the addition since of a Second Lieutenant, because on solemn occasions, and when the First Resident cannot simultaneously function as Captain, always besides him four officers are needed, namely three for the front and one at the guard with the ruler, and therefore, and because the Emperor will now be no less set upon it than in 1762 that the Dragoons at his Court have, besides the Chief, a Captain at their head just as those at Djocjocarta with the Sultan do, I take the liberty to respectfully propose and request Your Excellencies that, if Your Excellencies please give consideration to the petition of the Emperor in favor of the First Resident van Stralendorff by promoting him to Senior Merchant, the command
Dutch transcription
Samarang Den 7:' April Anno 179. —. die vreesde, dat het gevolg daar van gevaarlijk konde zijn, afgezet„ en naderhand is hij nooijt weder uitgekome, maar heeft zig altoos opgehouden met het studeeren in den Alcoran en andere Ara„ bische- Boeken. zijn vrouw, die hij mede gebragt heeft, verzelt hem, dog zijn vier zoons een schoon-dogter en schoonzoon, door Hem mede gebragt, zijn hier verbleeve, eensdeels tot dat uwel Edele Achtb=re intentie omtrent dezelve, waar onder reeds drie volwasse knaapen zijn, ontvange zal hebbe, en anderdeels, wijl hun alle te zamen niet vertrouwde in een klijn vaartuigh verblijve met alle diep ontzag. /:onderstond:/ titul /:lager:/ uwel Edele Achtbaares allen gehoor„ zaamste dienaar /:was getekend:/ R: F: van der Niepoort /:in margine:/ Sourabaija dato als vooren. Accossdeert. Warheij Sie Pag: 17. 406 Samarang Den 1.:' Iunij Anno 1779. — Aan zijn Hoog Edelheid! Den Hoog Edel Gestrenge Groot Achtbaren Heers„ Reijnier De Klerk, Gouverneur Generaal en De wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Ne„ „derlandsch Indie; enz: enz: enz: Hoog Edel Gestrenge Groot Achtbaren Heer„ en Wel Edele Gestrenge Heeren! In het Jaar 1772. , toen ik te soura Carta was, heeft den soesoehoenang mij al te kennen gegeven gehad, dat gaarns zoude zien, dat den Kapitain der Dragonders en eerste Resident aan zijn Hoff Fredrik Lodewijk van Stralendorff, wierde ge„ changeerd tot opperkoopman, en ook al in 1775. heeft den sul„ than, bij de brief die ik in origineel uwe Hoog Edelheden /vide L=a A:/ aanbiede die qualiteit verzogt voor den Koop„ man en eerste Resident te Djoojocanta Ian Matthijs van Rhijn, doch den keijzer daar op te kennen gegeven hebbende dat zoort gelijke Changementen geen plaats meer konde vinden, en Sutthans verzoek ook zodanig gerejecteerd hebbende als mijn antwoord aan hem van den 1=e December 1775. /:vide L=a 23:/ aantoond is het daar bij gebleven, tot nu onlangs dat de Sulthan bij de brief aan mij, die ik ook al in Origineel uwe Hoog Edelheden. Samarang Den 1:' Iuni Anno 1779. — Edelheden /:onder L=a C:/ offereere andermaal de effective qualiteit van opperkoopman voor den eersten Resident in de Mattarm van Rhijn; verzoekt en wel speciaal begeerd, dat ik zijne in„ „stantie VWE Hoog Edelheden voordragen zoude, en dat den keijzer /die dat moet gehoord hebben, en zeeker Jalours zoude weezen als sulthans eerste Resident met hoger qualiteit begunstigd wierd als den zijne :/ mij de brief, die dezen verzeld voor Vwe Hoog Edelheden gezonden heeft, en daar bij het zelfde verzoek in faveur van den eersten Resident te Soura Carta van Stra„ lendorff direct doet; En dus verpligt zijnde deeze verzoeken uwe Hoog Edelheden voor te dragen zij het mij geoorlooft er bij aan te merken, dat ider vorst voor zijn eerste Resident niet meer verzoekt als haare predecesseuren hebben gehad, en toegevoegd is geworden laast blijkens uwer Hoog Edelheden gemeene missive van den 2:' Maart 1762. , dat het Reglement op de bevordering der Dienaaren til: I: 513. de eerste Residen„ ten te Soura Carta en Djoepocarta, de effective qualiteit van opper koopman toezegd, na tijds expiratie, en van Stralendorf nú al 12. Jaaren en van Rhijn ook al 6. Jaaren, als zoda¬ „nig heeft gefungeert, ider tot genoegen van zijn vorst, en dat zij beide mij tans ook geven; alwaaromme ik onderdanig ver„ zoek dat uwe Hoog Edelheden eene favorabele reflectie op dee„ ze instantien der vorsten gelieve te slaan, te meer om dat het tegendeel of als nu zoo veel reguard op haare verzoe„ „ken niet geslagen wierd als in 1762. is geschied, 1ben offen„ „seeren Zigt9 196: 408 Samarang Den 1=' Iuni Anno 1779. — „seeren en veel ligt een nadeelig denkbeeld geven zoude. Bij het Changement in 1762. van den toenmaligen Kapitain en eersten Resident te Soura Carta Ian Christoffel Beuman tot opperkoopman, behaagde het uwe Hoog Edel: heden hem in laast genoemde qualiteit het Commando over de Dragonders te laten houden, maar vervolgens door uwe Hoog Edelheden bij gemene missive van den 24:e augustus 1762 voor wel gedaan opgenomen zijnde, dat op verzoek van den Eeij„ „zer om nog een officier bij de Dragonders den Kapitain Ian Christoffel Klette naar soura Carta gezonden was, is die daar ook gebleven tot zijn dood, en toen de Compagnie overgegaan op den tegenswoordigen Kapitain en Resident van Stralendooff, met toevoeging sedert van een sous Lui„ „tenant, om dat er bij plegtige gelegentheden, en als den eersten Resident, met teffens als Kapitain fungeeren kan, altoos bui„ ten hem, vier officieren, te weeten drie voor het front, en een aan de wagt bij den vorst, nodig zijn, en daarom en wijl den Keijzer 'er nu niet minder als in 1762. op zal zijn gesteld, dat de Dragonders aan zijn Hoff, buijten het opperhooft zoo wel een Kapitain aan hun Hooft, hebben als die te Djocjocarta bij den sulthan, neeme ik de vrijheid Vw Hoog Edelheden eerbiedig voor te stellen en te verzoeken, om als uwe Hoog Edel„ heden reflectie gelieven te slaan op de instantie van den Keij„ zen in faveur van den eersten Resident van Stralendorff met hem te Changeeren tot opperkoopman, dat aan het Com„ „mando
English
command of the Company Dragoons at Soura Carta may be conferred upon the Lieutenant of that corps, Iohan Adolph Faupell, with a promotion to Captain, and that he then be succeeded as Lieutenant by the Sub-Lieutenant Frans Reijnhart Bies, at which time there will be an equal number of officers of the same rank at both Courts. Recently, some subjects of Pangerang Aria Mancoenagara having again fled to the Mataram, he notified me thereof by the letters that I take the liberty of presenting to Your Right Excellencies in copy under letter D alongside this, and had it added orally that, trusting in the Company's protection, he continued to hope that the Company would also maintain him in this matter. However, since the Sultan has not yet been willing to surrender the deserters of this Prince, about which I had the honor of entertaining Your Right Excellencies in my separate dispatch of 29 September 1776, and has refused to listen even after any representations made since the return of his envoys from Batavia in that year, and since his Prime Minister Danoeredja gave him the written account that I accidentally obtained in the original and offer to Your Right Excellencies in translated copy see letter C, I dare not promise myself any better success from a new demand than before, but Samarang, 1 June Anno 1779. fear rather that the Sultan, having been led by that account to the belief that Your Right Excellencies place the right on his side in this matter, would show himself offended anew. For this reason, I shall also let the matter take its course until Your Right Excellencies please to instruct me with orders, which I humbly request, as to what I shall do in this, while I am no less apprehensive that Pangerang Mancoenagara, when his patience runs out, will seize the first and best opportunity to revenge himself upon the Sultan. That could then have unpleasant consequences, the more so as the Emperor, who otherwise keeps Maassait in check, already indicated in 1776 that he takes the Pangerang's side in this matter and considers himself the most insulted, because the lands that Maassait holds under him are his, and thus the deserters are in fact also his subjects; and the Sultan also paid no heed to the request for the handover made at that time on behalf of the Emperor, according to custom, by his Prime Minister. He might well do so if Your Right Excellencies yourselves would please encourage him thereto and give him to understand that the retention of those deserters, far from satisfying Your Right Excellencies, rather appears to break the mutual friendship, good harmony, and peace, and particularly to conflict with Article 4 of the deed by which we confirmed the registers of the lands back and forth with the Susuhunan in 1774. And that Your Right Excellencies, as readily as you respond to all reasonable requests from them, would just as gladly see that he surrendered the deserters, if not even to Maas Sait, then to the Company, to be returned by me to the Pangerang under the sacred promise of doing no harm to those people. This being everything I know of it, I pray Your Right Excellencies to take my humble considerations in good part. The Captain of the Chinese at Sourabaija, Tan Tinlo, having died suddenly, I take the liberty of respectfully proposing to Your Right Excellencies in his place the senior or first of the two Lieutenants there, Han Tianpit, who is a son of the last previously deceased Captain of that nation, Han Boeijko, and that he may then be replaced as Lieutenant by the Chinese Ian Hoetzing, who is also residing there and is a relative of the now deceased Tan Tinlo and of Ian Tjanlo, who in former days also served as Captain of the Chinese at Sourabaija. The deceased Tan Tinlo having become the farmer at the latest farming auction for half of the harbormasteries at Sourabaija, and the rice farm there, in Passerouang, Banger, and Bangil, of the harbormasteries under Pama Cassang, of the salt negorijs Simemis, Bantjing, and Anien, and also of the harvest of bird's nests in Western Balemboangang, I request Your Right Excellencies' honored authorization, pursuant to Article 9 of the latest Batavia farm conditions, to allow all those farms, as they were possessed by the deceased until the farm term shall have expired, to the widow and executors, to be administered by them for the account of the estate and nine minor orphans who would otherwise suffer a great loss, seeing that the deceased, having so recently bid for all those farms, spent most of his fortune on expenses in order to draw the revenues from them. With complete respect and true high esteem, let it be permitted me to remain dutifully, underneath stood: Right Honorable, Most Noble and Mighty Lords and Honorable, Noble Sirs! lower: Your Right Excellencies' humble and faithful servant was signed: J. R. van den Burgh in the margin: Samarang, date as above. Agrees. Marhuijs Seconded
Dutch transcription
„mando over de Compagnis Dragonders te Soura Carta, mag worden opgedragen aan den Luitenant onder dat Corps Io„ han Adolph Faupell, onder een bevordering tot Kapi„ tain, en deeze dan gesuccedeert als Luitenant, door den sous Luitenant Frans Reijnhart Bies: wanneer aan beide de Hoven, even veel officieren, en van gelijke qualiteit zul„ len zijn. Enlangs weder eenige onderhorige van pangerang Aria Mancoenagara, naar de Mattarin gelopen zijnde, heeft hij mij daar van kennisse gegeven bij de brieven die ik in Co„ d 28 pia /:onder L=ra D: / de vrijheid gebruike bezijden deeze VwE Hoog Edelheden aan te bieden, en 'er mondeling bij laaten voe„ gen, dat hij vertrouwende op Compagnies protectie, hoopen bleef, dat die hem ook in dezen mainctineeren zoude, dan vermits de Sulthan, nog niet is te disponeeren geweest, de overlopers van deezen Prins, waar over ik de eere had uwe Hoog Edelheden te onderhouden bij mijn aparte van den 29=e September 1776. uit te leveren, en zelfs na geene vertogen daar toe heeft willen luisteren, sedert de te rug komst in dat Jaar, zijner Gezanten van Batavia; en dat zijnen Rijks„ „bestirder Danoeredja, hem het schriftelijk verhaal heeft gedaan, dat ik op een toevallige wijze, in origineel ben magtig geworden, en in Copia Translaat /:vide L=ra C:s/ Vwe Hoog Edelheden aanbieden, durve ik mij van eene nieu„ „we opeissching gemn beter succes als voorheen beloove, maar Samarang Den 1=e Iuni Anno 1779. ~. vreese 196. 410. Samarang Den 1:e Iuni Anno 1779. — vreese veel eer, dat den sulthan, door dat verhaal in het denkbeeld gebragt zijnde, dat uwe Hoog Edelheden in dezen het regt aan zijne zijde stellen, zich op nieuw gebelgd zoude toonen, alwaaromme ik het ook op zijn beloop zal laaten, tot dat Vwe Hoog Edelheden mij met ordres, daar ik onderda„ nig om verzoeke, gelieve te iunieeren, wat ik in deezen zal doen, terwijl ik niet minder bedugt ben, dat Pangerang Mancoenagara, als zijn geduld ten einde is, de eerste ge„ „legentheid de beste zal waarnemen; om zich op den sultan te revengeeren, en dat dan onaangenaamt gevolgen hebben kan, te meer den keijzer, die anders Maassait in teugel houd, in 1776. al heeft te verstaan gegeven, in deeze Bijlen, se Fg. zaak spangerangs partij te trekken, en zich het meest bele„ „digd te agten, om dat de Landen die Maassait onder hem heeft, de zijne, en dus de overlopers inderdaad, ook zijne onderdanen zijn, en den sulthan op het toen van wegen den Keijzer, na het gebruik gedaan verzoek door zijnen Rijks„ bestierden, om de overgave, ook al geen reflectie heeft willen slaan; dat Hij misschien wel doen zoude; als vwe Hoog Edelheden zelfs hem daar toe gelievde aan te moedigen, en te verstaan te geven, dat de aanhouding van die overlopers Vwe Hoog Edelheden, wel verre van te voldoen, veel eerder voorkomt, om de onderlinge vriendschap, goede harmonie en rust te breeken; en wel speciaal te strijden, tegen art=n 4. der acte, waar bij wij in 1774. met den soesoehoenang, de Registers Dijlt. Samarang Den 1:' Iuni: Anno 179. — Registers der Landen over en weer bekragtigd heeft, en dat uwe Hoog Edelheden, zoo bereidwillig als aan alle billijke verzoeken van hen beantwoorden, ook om een en ander even zoo gaarne zoude zien, dat bij de Drossers uitleverde, zoo niet zelfs aan Maas Sait, dan aan de Compagnis, om door mij, aan den pangerang te worden weder gegeven, onder de heilige beloften; van die menschen geen kwaad te zullen doen. Dit het geens zijnde, wat iker op weete, bidde ik 1776 Hoog Edelheden mijne geringe Consideratien met weldui„ „ding op te nemen. Den Kapitain der Chineesen te Sourabaija Tan Tinlo subict overleden zijnde, neme ik de vrijhid VwE Hoog Edelheden in zijn plaats, eerbiedig voor te dragen, den oudste of eerste van de twee Luitenants aldaar Han Tianpit /:die een zoon van den laast voor overleden Kapitain dier natie Han Boeijko is:/ en dat deeze dan als Luitenant mag vervangen worden, door den Chines Ian Hoetzing, die daar mede gezeten, en een verwand is, van den nu overle„ den Tan Tinlo, en den in vroeger dagen mede als Bapi„ tain der Chineesen te Sourabaija gefungeert hebbende Ian Tjanlo. Den overledens Tan Tinlo bij de Jongste Verpagting, Pagter geworden weezende, voor de helfte van de Sabandha„ rijen, te sourabaija, en de Rijst pagt daar, te Passerouang„ Banger en Bangil, van de Sabandharijen onder Pama„ „Cassang 208: 412. Samarang Den 1.:' Iuni A:o 1779. „ Cassang, van de zout negorijen Simemis, Bantjing en Anien„ en zoo mede van den Jnzaam der vogelnesjes in wester-Ba„ „lemboangang, verzoeke ik uwer Hoog Edelheden g'eerde qua„ „lificatie, om ingevolge art=l I X. van de Jongste Bataviasche Pagt. Conditien, alle die pagten, zoo als dezelve door de overle„ „dens zijn gepossideert, tot dat het Pagt.-termijn geëxpireerd zal weezen, te mogen laaten, aan de weduwe en Executeuren, om door deeze te worden geadministreerd voor reekening des boe„ dels en Negen onmondige weezen, die anders een groot verlies zoude lijden, gemerkt de overledene, zoo onlange alle die Pach„ ten eerst aangeslagen hebbende, zijn meeste vermogen, daar in te kosten gelegd heeft, om 'er de revenuen van te trekken. Met volmaakte eerbied en waare hoog achting, zij het mij g'oorloofd pligtschuldig te blijven. . /:onderstond:/ Hoog Edel Gestrenge Groot Achtbaren Heere en wel Edele Gestrenge Heeren ! /:lager:/ uwer: Hoog Edelheden onderda„ nige en trouwe dienaar /:was getekend:/ I: R: van den Burgh /:in margine:/ Samarang dato als even. —. Accorsseert. Marhuij s 2ged:
English
Samarang the 1st June Anno 1729. Appendix Lra A. Copy from a copy translation Javanese missive written by the Sultan Amingkoeboeana etc. at Djoojocarta to the Governor and Director of this Coast Johannes Robbert van den Burgh, received at Samarang the 28th October 1775. With the greatest pleasure I received Brother's agreeable missive, along with the harnesses of red leather with yellow silk reins and tassels for six horses, belonging to the carriage which was most kindly sent to me by His High Excellency the Governor General through the care of Brother. I therefore have the honor hereby to declare that these fine things are highly agreeable to me, and therefore express my most friendly gratitude for them, as well as for the kindest and most salutary blessing of Brother and Madam for the permanent prosperity of myself, the Pangerang Adipattij Anom Mangcoenagara, and the Ratoes. But Brother, the chief Van Rhijn has now attended to his duties well here for two years already and has not yet received promotion. I therefore take the liberty to request for him from Your Honorable that it might please the Governor General and the Councillors of the Indies to favor him with the absolute rank of Senior Merchant, and I do not doubt that my request will be agreeable to Brother. While Brother is greeted most cordially not only by me and the Pangerang Adipattij Anom Mangcoenagara, but Madam is also greeted by the Ratoes, we also have the honor to wish the same complete prosperity, health, and satisfaction to the end of days. Below stood: Written at Djocjocarta the 29th of the month Roeah 1701, or the 24th October 1775. Lower: Translated by me, was signed: C: D: Boltz, Sworn Translator. Still lower: Agrees, was signed: C: P: Boltze, Translator. 201. 414. Samarang the 1st June Anno 1729. Copy Missive written by the Governor and Director of Java's North-East Coast Johannes Robbert van der Burgh to the Sultan Amingkoeboeana etc. at Djocjocarta, dated Samarang the 1st December 1775. Appendix Lro B. With great joy I learned from Your Majesty's latest letter that the red leather harnesses and silk reins and tassels for six horses, belonging to the previously sent carriage, had arrived well and were agreeable to Brother. While I truly do nothing more gladly and with greater pleasure than to answer the wish and desire of Brother in all reasonable matters, I also hope shortly to be placed in a position to offer Your Majesty the pistols promised in the previous letter; at least I shall do so as soon as they are sent to me from Batavia, having written specifically for them again these past days. Yet it seems as if I shall never succeed regarding the foreign girls requested by Brother. I recently received two from Macassar and placed them directly with Adipattij Soero Dimongollo to be examined and well attended to; but the fairest of the children having caught the smallpox, and having died of it at Nieij Adipattij's, I can only offer Your Majesty the other one, just as she is now being transported to Djocjocarta under good supervision, in the hope that she may please you. It appears to me that Your Majesty is misinformed regarding the promotion of Chief Van Rhijn; for upon his appointment I directly arranged for him everything that Chief Lapro received at the request of Your Majesty after he had already served for 2 to 3 years as Chief at Djoojocarta; namely the title of... Samarang the 1st June Anno 1729. Appendix Lra A. Copy from a copy translation Javanese missive written by the Sultan Amingkoeboeana etc. at Djocjocarta to the Governor and Director of this Coast Johannes Robbert van den Burgh, received at Samarang the 28th October 1775. With the greatest pleasure I received Brother's agreeable missive, along with the harnesses of red leather with yellow silk reins and tassels for six horses, belonging to the carriage which was most kindly sent to me by His High Excellency the Governor General through the care of Brother. I therefore have the honor hereby to declare that these fine things are highly agreeable to me, and therefore express my most friendly gratitude for them, as well as for the kindest and most salutary blessing of Brother and Madam for the permanent prosperity of myself, the Pangerang Adipattij Anom Mangcoenagara, and the Ratoes. But Brother, the chief Van Rhijn has now attended to his duties well here for two years already and has not yet received promotion. I therefore take the liberty to request for him from Your Honorable that it might please the Governor General and the Councillors of the Indies to favor him with the absolute rank of Senior Merchant, and I do not doubt that my request will be agreeable to Brother. While Brother is greeted most cordially not only by me and the Pangerang Adipattij Anom Mangcoenagara, but Madam is also greeted by the Ratoes, we also have the honor to wish the same complete prosperity, health, and satisfaction to the end of days. Below stood: Written at Djocjocarta the 29th of the month Roeah 1701, or the 24th October 1775. Lower: Translated by me, was signed: C: P: Boltzo, Sworn Translator. Still lower: Agrees, was signed: C: P: Boltze, Translator.
Dutch transcription
Samarang Den 1=e Iuni Anno 1729. —. Bijlaag La. A. Copi â Copia Translaat Javaansche missive gesch: door den Sulthan Amingkoeboeana etz: to Djoojocarta; aan Den Heer Gouverneur en Directeur deezer Kuste Johannes Robbert van den Burgh, ontvangen te Samarang den 28=en october 1775. Met het grootste genoegen ontfing ik Broeders aangenaame missive nevens de Tuigen van rood leer met geele zijde Lijsels en quasten voor ses paarden, behoorende tot de koets die mij door zijn Hoog Edelheid den Heere Gou„ verneur Generaal, aller genegenst onder bezorging van Broeder toegezonden is; Jk hebbe dan de eere mij bij deeze te verklaaren, dat mij die fraaijigheden ten hoogsten aangenaam zijn, en dierhalven mijne vruendelijkste dankbaar„ heid daar voor betuige zoo wel, als voor Broeders en Mevrouws genegenste en heilrijkste zegen wensch ter bestendige welvaart van mij, den pange„ rang Adipattij Anom Mangcoenagara en de Ratoes. Maar Broeder het opperhoofd van Rhijn heeft nu al twee Jaaren wel alhier opgepast en is nog niet verbeterd; Jk nieme dierhalven de vrijheid voor hem bij vwel Ed=e Achtb=r te verzoeken dat den Heere Gouver„ neur Generaal en de Heeren Raaden van Jndie behaagen mogte, hem met de absolute qualiteit van opperkoopman te begunstigen, en ik twijffele niet, of mijn verzoek zal Broeder aangenaam weezen. Terwijl Broeder niet alleen door mij, en den pangerang Adipattij Anom Mangcoenagara benevens Mevrouw door de Ratoes aller„ hartelijkst gegroet werd, maar wij hebben ook de eere, dezelve een volkome welvaart, gezondheid en genoegen toe te wenschen tot leng„ te van dagen. /:onderstond:/ Geschreeven te Djocjocarta den 29. ' der maand Roeah 1701. ofte den 24:' october 1775. /:lager:/ getranslateerd door mij /: was getekend:/ C: D: Boltz, geswoore Translateur. /:nog lager:/ Accor„ „deert /:was getekend:/ C: P: Boltze, Translateur. — 201. 414. Samarang Den 1:e Iuni Anno 1729. Copia Missive geschreeven door Den Heer Bijlaag Lro B. Gouverneur en Directeur van Javas noord Oost: Kust Johannes Robbert van der Burgh, aan den Sulthan Aming¬ koeboeana etc=a te Djocjocarta, geda„ „teerd Samarang den 1=e december 1775. Met veel blijdschap, heb ik uit vw Majesteits laatste vernomen, dat de Boodleere tuigen, en zijde Lijssels en en, voor ses paarden, tot de bevoorens gezonden koets gehoo„ wel bezorgd en aangenaam bij Broeder waren geweest, l ik waarlijk niets liever en met meer genoegen doe, dan de wensch en het verlangen van Broeder in alle billijke ken te beantwoorden, hoop ik ook eerstdaags in staat ge„ te worden, Vw Majesteit de bij vorige beloofde pistoo„ te kunnen offereeren, ten minsten ik zal dat doen, zo dra zelve mij van Batavia gesonden worden; hebbende ik en dezer dagen nader om geschreeven. baar het scheint, als of ik omtrent de door Broeder ver„ de overwalsche meissies, nooit zal kunnen slaagen. - Ik onlangs twee van Macassar gekreegen, en die direct bij Adipattij Soero Dimongollo geplaatst, om geëxa„ erd en wel opgepast te worden; dog de blankste de Kinder„ te gekregen hebbende, en daar aan bij Nieij Adipattij den zijnde, kan ik VW Majesteit de andere maar aanbie„ zoo als die tans onder goed toesigt naar Djocjocarta getrans„ ad word, in hope dat bevallen mag. t komt mij voor dat VW Majesteit omtrent de verbete„ van het opperhoofd van Rhijn, verkeerd is onderregt; bij zijn aanstelling, heb ik hem direct bezorgd, alles wat Opperhooft Lapro, op versoek van vw Majesteit, gekreegen heeft, na dat hij reeds 2. â 3. Jaaren als opper„ fa te Djoojocarta hadt gefungeert; te weeten den titul Dg 25. en Samarang Den 1=e Juni An Bijlaag Lra. A. Copi â Copia Translaat Javaansche missive gesch: door Amingkoeboeana etz: to Djocjocarta; act Gouverneur en Directeur deezer Kuste Jo¬ Robbert van den Burgh, ontvangen te den 28=en october 1775. Met het grootste genoegen ontfing ik Broeders aangenaa nevens de Tuigen van rood leen met geele zijde Lijsels en quaste paarden, behoorende tot de koets die mij door zijn Hoog Edelheid verneur Generaal, aller genegenst onder bezorging van Broede is; Ik hebbe dan de eere mij bij deeze te verklaaren, dat mij die ten hoogsten aangenaam zijn, en dierhalven mijne vriendelij heid daar voor betuige zoo wel, als voor Broeders en Mevrouws en heilrijkste zegen wensch ter bestendige welvaart van mij rang Adipattij Anom Mangcoenagara en de Ratoes. Maar Broeder het opperhoofd van Rhijn heeft nu al t wel alhier opgepast en is nog niet verbeterd; Jk nieme dierh vrijheid voor hem bij uwel Ed=e Achtb=re te verzoeken dat den 16e neur Generaal en de Heeren Raaden van Indie behaagen mogt de absolute qualiteit van opperkoopman te begunstigen, en niet, of mijn verzoek zal Broeder aangenaam weezen. Terwijl Broeder niet alleen door mij, en den pangerang Anom Mangcoenagara benevens Mevrouw door de Ra hartelijkst gegroet werd, maar wij hebben ook de eere,d volkome welvaart, gezondheid en genoegen toe, te wensch te van dagen. /:onderstond:/ Geschreeven te Djocjocarta den 29=' der maa 1701. ofte den 24:' october 1775. /:lager:/ getranslateerd do getekend:/ C: P: Boltzo, geswoore Translateur. /: nog lag „deert /:was getekend:/ C: P: Boltze, Translateur. —
English
201. 414. Samarang the 1st of June Anno 1779. — Copy of a letter written by the Honourable Senior Merchant, Governor and Director of Java's North East Coast Johannes Robbert van der Burgh, to the Sultan Amang- kubuwana etc. at Djocjocarta, dated Samarang the 1st of December 1775. With great joy, I learned from Your Majesty's latest letter that the red leather harnesses, and silk reins and tassels, for six horses, belonging to the coach previously sent, had arrived safely and were pleasing to Brother, and as I truly do nothing more gladly and with greater pleasure than to comply with the wish and desire of Brother in all reasonable matters, I hope also in the near future to be enabled to offer Your Majesty the pistols promised in the previous letter, at least I shall do so as soon as they are sent to me from Batavia; I having written for them again in more detail just recently. But it appears as though I shall never be able to succeed regarding the overseas girls requested by Brother. — I recently received two of them from Macassar, and placed them directly with Njai Adipati Sura Dimanggala, to be examined and properly looked after; but the fairest-skinned one having contracted smallpox, and having died of it at the house of Njai Adipati, I can only offer the other one to Your Majesty, as she is now being transported to Djocjocarta under good supervision, in the hope that she may please you. It appears to me that Your Majesty has been misinformed regarding the promotion of the Resident van Rhijn; for upon his appointment, I directly procured for him everything that the Resident Lapro, at the request of Your Majesty, only received after he had already served for 2 to 3 years as Resident at Djocjocarta; namely the title and rank of Senior Merchant, which Lapro never had, and the Resident Stralendorff at Soura Carta is not more than that either, and how then shall I procure more for van Rhijn, since it conflicts with the Company's orders, and I know that for that reason the Right Honourable Governor General and the Council of the Indies are not inclined to favour either Stralendorff or van Rhijn with the effective rank of Senior Merchant; also please let Brother know that such cannot happen without the approval of the Gentlemen Directors in Holland; it is meanwhile indeed true that the Resident Stralendorff earns a higher salary, but he draws that because he is at the same time Captain of the dragoons at Soura Carta, just as Vermeer, who likewise earns a higher salary, is with Your Majesty at Djocjocarta. I therefore request Brother not to take it amiss of me that I cannot comply with his request in favour of van Rhijn. For the kind greetings from Brother and Pangeran Adi- pati Anom Mangkunegara to me, and from the Ratus to my wife, we express our thanks, while I reciprocally salute Your Highness and Pangeran Adipati Anom, and my wife salutes the Ratus, wishing you health, salvation, prosperity, and an increase of pleasure. Beneath stood: Written at Samarang on Friday the 1st of December 1775. Was signed: J: R: van den Burgh. 202 416 Samarang the 1st of June Anno 1779. — Copy. Translation of a Javanese letter, Appendix Letter C. written by the Sultan Amang- kubuwana, etc. at Djocjocarta; to the Honourable Governor and Director of this Coast Johannes Robbert van den Burgh; received at Sama- rang the 6th of May 1779. —. I request Brother very kindly to please help the Resident Jan Matthijs van Rhijn to become an effective Senior Merchant, for after all he has attended to my court for a long time; Brother please therefore propose such to my grandfather the Right Honourable Governor General and the other Gentlemen of the Council of the entire Indies; I rest assured that His High Excellency and the Gentlemen of the Council of the Indies as well as Brother will grant this my request. Brother furthermore being most cordially greeted by me and the Pangeran Adipati Anom Mangkunegara, as well as Madam by the Ratu, wishing God's constant salvation and blessing. Beneath stood: Written at Djoc- jocarta on Monday the 16th of the month Rabi al-Akhir in the year Wawu 1705 or the 3rd of May 1779. Lower down: Translated by me. Was signed: C: P: Boltze, Sworn Translator. Still lower: Agreed. Was signed: C: P: Boltze, Translator. 29. 87. Samarang the 1st of June Anno 1779. — Appendix Letter D. Appendix Letter D. Copy of a translation of a Javanese letter written by the Pangeran Adipati Mang- kunegara at Soura Carta, to the Honourable Governor and Director of this Coast Jo- hannes Robbert van der Burgh; re- ceived at Samarang the 26th of April 1779. From the Resident van Stralendorff, I have duly received Your Honour's letter, with the iron and nails sent to me, and while I herewith convey my due thanks to Your Honour for these, I cannot fail to testify that both were very agreeable to me. Four of my Mantris, named Jaya Wigena, Jajeng Asta, alias Seba Merjaya, Drapta Bahu, and Demang Malang Cudaka of Kaduwang, having deserted from me and made their way to Djocjocarta, I have made this known to the Resident Stralendorff. The Emperor has given me his permission for the marriage in the coming month. Beneath stood: Translated by me. Was signed: C: P: Boltze, Translator. — Copy of a translation of a Javanese letter written by and to the same as above; received at Sama- rang the 29th of May 1779. Having given notice to the gentleman van Stralendorff of the request of the Raden Paju Sula, to be permitted to endow her two sisters, she being already joined in marriage to the son of the Tum- enggung Puspa Kusuma, thus I let
Dutch transcription
201. 414. Samarang Den 1:e Iuni Anno 1729. — Copia Missiv geschreeven door Den Heer Bijag Sr. B. Gouverneur en Directeur van Javas noord Oost: Kust Johannes Robbert van der Burgh, aan den Sulthan Aming¬ koeboeana etc=a te Djocjocarta, geda„ „teerd Samarang den 1=e december 1775. Met veel blijdschap, heb ik uit vw Majesteits laatste brief vernomen, dat de Roodleere tuigen, en zijde Lijssels en quasten, voor ses paarden, tot de bevoorens gezonden koets gehoo„ „rende, wel bezorgd en aangenaam bij Broeder waren geweest, en wijl ik waarlijk niets liever en met meer genoegen doe, dan aan de wensch en het verlangen van Broeder in alle billijke zaaken te beantwoorden, hoop ik ook eerstdaags in staat ge„ steld te worden, Vw Majesteit de bij vorige beloofde pistoo„ =len te kunnen offereeren, ten minsten ik zal dat doen, zo dra dezelve mij van Batavia gesonden worden; hebbende ik en nog dezer dagen nader om geschreeven. Maar het scheint, als of ik omtrent de door Broeder ver„ langde overwalsche meissies, nooit zal kunnen slaagen. - Ik heb en onlangs twee van Macassar gekreegen, en die direct bij Nieij Adipattij Soero Dimongollo geplaatst, om geëxa„ mineerd en wel opgepast te worden; dog de blankste de Kinder„ „ziekte gekregen hebbende, en daar aan bij Nieij Adipattij overleden zijnde, kan ik VW Majesteit de andere maar aanbie„ den, zoo als die tans onder goed toesigt naar Djocjocarta getrans„ porteerd word, in hope dat bevallen mag. Het komt mij voor dat VW Majesteit omtrent de verbete„ ring van het opperhoofd van Rhijn, verkeerd is onderregt; want bij zijn aanstelling, heb ik hem direct bezorgd, alles wat het opperhooft Lapro, op versoek van vw Majesteit, eerst gekreegen heeft, na dat hij reeds 2. â 3. Jaaren als opper„ hoofd te Djoojocarta haat gefungeert; te weeten den titul Pg25 en E Samarang Den 1:e Iuni Anno 1779. —. en rang van opperkoopman, men heeft Lapro nooit gehad, en meer is het opperhoofd Stralendorff te Soura Carta ook nog niet, en hoe zal ik dan van Rhijn meer bezorgen, daar het tegen 's Compa„ „gnies ordres strijd, en ik weet, dat om die reden den Heere Gouver„ neur Generaal en de Raaden van Indie, niet inclineeren, nog Stralendorff, nog van Rhijn met de effective qualiteit van op„ perkoopman te begunstigen; ook gelieve Broeder te weeten dat zulx niet geschieden kan zonder het goedvinden van de Heeren Majo„ res in Holland; het is ondertusschen wel waar, dat het opper„ hoofd stralendorff meerder gagie wind, maar die trekt hij, om dat te gelijk Ritmeester van de dragonders te soura Carta, zoo als vermehr, die mede meer gagie wind, bij Vw Majesteit te Djocjocarta is: Ik versoek dierhalven Broeder, mij niet qualijk te nemen, dat ik aan desselfs instantie, in faveur van van Rhijn net kan voldoen. Voor de vriendelijke groete van Broeder, en pangerang Adi„ pattij Anum Mangcoenagara aan mij, en van de Ratoes aan mijn Huisvrouw, betuigen wij onze dank, terwijl ik reci„ proque VW Hoogheid en pangerang Adipattij Anum, en mijn vrouw de Ratoes salueerd, en bij gezondheid, heil, voor„ spoed en vermeerdering van genoegen toewensche. „ /:onderstond:/ Geschreven te Samarang op vrijdag den 1=e Decem„ ber 1775. /:was getekend:/ I: R: van den Burgh. 202 416 Samarang Den 1: Iuni Anno 1779. — _ Copi â. 1opia Translaat Iavaansche missive Bijlaag Lra C. geschreeven door den Sultan Aming¬ „koeboeana, etz: to Djoejocarta; aan Den Heer Gouverneur en Directeur dezer Kuste Johannes Robbert van den Burgh; ontfangen te Sama„ rang den 6=e Mei 1779. —. Ik verzoeke Broeder zeer vrienbelijk, om dog het opper„ hoofd Jan Matthijs van Rhijn te helpen, dat hij effectiev opperkoopman word, want hij heeft immers al lange aan mijn hoff opgepast; Broeder gelieve zulx dierhalven aan mijnen groot vader den Heere Gouverneur Generaal en de ver„ dere Heeren Raaden van gansch Indie voor te dragen; Ik houde mij verzekert, dat zijn Hoog Edelheid en de Heeren Raaden van Jndie zoo wel, als Broeder in deeze mijne in„ „stantie zullen bewilligen. Werdende Broeder wijders zoo door mij en den pangerang Adipattij. Anom Mangkoenagara, als mede Mevrouw door de Ratoe aller hartelijkst gegroet en Godes bestendige hijl en zegen toegewenscht. . /:onderstond:/ Geschreeven te Djoc„ Jocarta op maandag den 16=e der maand Rabioelachir in het Jaar wahoe 1705. ofte den 3:' mei 1779: /:lager:/ getranslateerd door mij /:was getekend:/ C: P: Boltze, geswoore Translateur, /:nog lager:/ accordeert /:was getekend:/ C: P: Boltze, Translat.:r en 29. 87. : Samarang Den 1=e Iuni Anno 1779. — Bijlaag L=a D. Bijlaag Lta. D. Van het opperhoofd van Stralendorff, heb ik vwel Edele Achtb:r missive, met het mij gezonden ijzer en spijkers, wel ontvangen, en terwijl ik bij dezen daar voor, aan Vwel Ed=e Achtb=re mijn schuldige dank aflegge, kan ik ook niet nalaten te betuigen, dat mij een en ander zeer aangenaam is geweest. Vier van mijne Mantries in naame Ioijo wigeno, Iaijing Asto, alias, Sebo Merdjoijo, Drapto Bahoo, en Damang Mallang Tjoedoko van Kadoewang, van mijn gedrost zijnde en zig na Djocjocarta begeven hebbende, heb ik zulks aan het opperhoofd stralendorff te kennen gege„ De Keijzer, heeft mij tot het uittrouwen in de aanstaande maand, zijne toestemming gegeven. /:onderstond:/ getranslateerd door mij /:was getekend:/ C: P: Boltze, Translateur. — Copia Translaat Javaansche missive geschreven door en aan als even; ontvangen te sama„ rang den 29=e' mei 1779. . _ Aan de Heer van Stralendorff kennisse gegeven hebbende van het verzoek den Radeen Pijoe Soela, om haar bijde sus„ „ters te mogen bedeelen, dat zij reeds met de zoon van den Tom„ mongong Poespo Koessoemo in den Egt verbonden is, zoo e Copia Translaat Iavaansche brief geschree„ ven door den pangerang Adipattij Man„ „coenagara te Soura Carta, aan Den Heer Gouverneur en Directeur dezer kuste Jo„ hannes Robbert van der Burgh; ont„ vangen te Samarang den 26=e April 1729. . ven. ƒ ƒ laate
English
Page 19. 205. 418. Samarang The 1st of June Anno 1779. I provide brother herewith the letters of communication to the Regents at Tagal and Pattij, with a friendly request to forward the same. Furthermore, two more of my subordinates have run away, namely the Loira Oevan Agoeng and the Trumpeter Gedder, both being pawned persons. I also lodged my complaint regarding the matter concerning the people at Banjoemaas who belong under me. Below stood: translated by me was signed C: P: Boltze, Translator. Copy Translation Javanese Memorial Appendix Letter Z: from the Raden Adipattij Danoe Ridja, received at Samarang the 23rd of December 1776. When I was recently in Batavia, on Saturday evening the 4th of the month of Sawal, I was summoned to the Lord General by the European Translator, the said Translator saying to me, "Raden Adipattij, the Lord General sends for Your Honour," whereupon I replied, whether I should appear there alone or together with my retinue, and the answer was, that I was to come alone. I left upon that, and when I arrived at the house of the Lord General in the city, the Lord General said to the Translator, tell the Adipattij Danoeridja, the reasons that I have had him summoned alone are because I have received a letter from the Governor of Samarang, stating that the Sultan had detained seven subordinates of Mancoenagarra. The Translator then said to me, "Raden Adipattij! Is it truly so, that the Sultan has detained seven subordinates of Mancoenagarra?" Whereupon I replied, please tell the Lord General Samarang The 1st of June Anno 1779. General, that no one has been taken from Mancoe Nagarra's people, but that these seven came of their own accord; and when I informed the prince of this, he had those people come into his dalm and put the following questions to them: are you people of Mancoenagarra? Whereupon they answered yes; what then do you come to do here? Whereupon they said, we come to present our life and death, and if Your Highness grants us mercy, we most humbly request to be allowed to remain living here; the prince further asking, why did you go away from Mancoenagarra? Whereupon they also answered, because we cannot endure the treatment of Mancoenagara, for if we commit even the very slightest offense, he puts us under arrest, and takes our wives into the dalm, and they do not come outside again unless we ransom them with money; the prince further asked, have you also perhaps committed some misdeed over which proceedings could be taken, or are you indebted to Mancoenagara in money? Whereupon they answered no again. Upon this I said to the Translator that among all Javanese it is customary that they may go live wherever they wish, provided that they are free people; the Translator having reported all this to the Lord General, His Right Honourable addressed me in Malay in this manner, "Raden Adipattij, as for what you say, it is also true in Holland that several people do so; and that is not all, but tell the Sultan that I request him not to undertake anything that is unjust, and I place great trust in the Sultan regarding Java, because he is the eldest, and I believe you too." Upon this I replied, Your Right Honourable, I most humbly thank you for the trust that you are pleased to place both in my prince and in me, and I would dare to vouch that my prince will never do anything improper, unless he were first provoked by others; upon this the Lord General replied: I also thank you very kindly. On 204. 420. Samarang The 1st of June Anno 1779. On Tuesday morning the 7th of the month of Sawal, I was again summoned into the Castle together with my companions, and the Lord General gave me my leave to depart: this is all that my grandfather the Lord Governor General entrusted to me. Below stood: Written at Djoojocarta on Saturday evening the 2nd of the month of Doelkaidat in the Year Djee 1702. Lower: translated by me was signed C: P: Boltze, Translator. Marhuijse Agrees. Duijdt: Samarang The 13th of July Anno 1779. To His Right Honourable! The Right Honourable, Strict, Highly Esteemed Lord Reijnier De Klerk, Governor General, and The Honourable Strict Lords Councillors of the Netherlands Indies; etc: etc: etc: Right Honourable, Strict, Highly Esteemed Lord and Honourable Strict Lords! With the ship Foreest, I am having transported in custody to the capital, at the disposal of Your Right Honours, Mochamat Dassik alias Joijo Lono and Resco widjoijo, both former Mantries, and subordinates of the Emperor, sent to me by the prince for banishment for all their lives, because as robbers, with a party of people, they attempted to plunder some villages: Their former Chief, one of the first court dignitaries, the Raden Tommongong Tjocro Dipouro, who is said to have given them the charge and at the same time the order to pass themselves off as subordinates of the Mataram Court, having also fallen into disgrace, stands to be dismissed, and perhaps also to be sent for banishment to the Company
Dutch transcription
Pag l9. 205. 418. Samarang Den 1=e Iuni Anno 1779. — laate ik Broeder hier nevens de Communicatie brieven aan de Reginten te Tagal en Pattij geworden, met vriendelijk ver„ zoek, om den zelve voort te zenden. Wijders zijn mij weder twee onderhorige weg geloopen als den Loira Oevan Agoeng en den Trompetter Gedder, zijnde alle bijde verpandelingen. Ik heb ook mijn beklag gedaan weegens de zaak raakende de volkeren te Banjoemaas die onder mij gehooren. — /:onderstond:/ getranslateerd door mij /:was getekend:/ C: P: Boltzo„ Translateur. — Copia Translaat Javaansche Memoril Bijlaag Le Z: van den Radien Adipattij Danoe Ridja, ontvangen te Samarang den 23=' December 1776. —. Wanneer ik Jongst te Batavia was wierd ik op Saturdag sa„ vonds den 4:' der maand sawal door den Europeese Translateur bij den Heere Generaal ontboden zeggende gemelde Translateur tegens mij „ Radeen Adipattij den Heere Generaal laat VwE „roepen, waar op ik antwoorde, of ik alleen, dan wel te zaamen „met mijn gevolg aldaar zoude verschijnen, en het antwoord was, „van alleen maar te moeten komen, Ik vertrok daar op en wan„ neer ik in het huis van den Heere Generaal in de stad kwam„ zijde den Heere Generaal tot den Translateur, zegt aan den Adi„ pattij Danoeridja, de reedenen dat ik hem heb alleen laaten roe„ pen, zijn, om dat ik een brief van den Gouverneur van Samarang ontvange hebbe, behelzende dat den Sulthan seven onderhoorige. van Mancoenagarra aangehouden hadt, den Translateur zegde toen tegen mij, Radeen Adipattij! is het waarlijk zoo, dat den Sulthan seven onderhoorige van Mancoenagarra heeft aangehouden, waar op ik antwoorde, gelieft aan den Heere Generaal e Samarang Den 1:e Iuni Anno 1779. — Generaal te zegge, dat er niemand van Mancoe Nagarras volk afgenomen is, maar dat deezen seven van zelfs gekomen zijn„ en wanneer ik den vorst zulks te kennen gaf, liet hij die men„ „schen in zijn dalin komen en deet aan haar de volgende vrage: ben Jij volk van Mancoenagarra! waar op zij ja antwoorden, wat komt zij dan hier doen! waar op zij zijden wij komen ons Le„ ven en doot te presenteeren, en als ons Vwe Hoogheid genade geeft, verzoeke wij ootmoedigst alhier te mogen blijven woonen, vragen„ de de vorst nog verder, waarom ben jij van Mancoenagarra weg gegaan! waar op zij mede antwoorden, om dat wij de behande„ ling van Mancoenagara niet kunnen uitstaan want als wij maar het allergeringste pecceeren, dan zet hij ons in arrest, en neemt onze vrouwen in den dalm, en die komen dan ook niet weder buiten als wijse niet met gela loosen; den vorst vroeg nog verder, heb zij ook somtijds iets misdaan, waar over te pro„ cedeeren valt of ben Jij aan Mancoenagara geld schuldig. waar op zij weder antwoorde neen: Hier op zijde ik aan den Transla„ teur dat het onder alle Javaanen gebruikelijk is, dat zij kunnen gaan woonen waar zij willen, mits dat het vrije menschen zijn; den Translateur van dit alles aan den Heere Generaal verslag gedaan hebbende, sprak mij zijn Hoog Edelheid op maleids in dee„ „zer voege aan, Radun Adipattij wat uw zegge betrefd, zoo is het ook in Holland waar, dat zulks verscheide menschen doen; en dat is niet met allen, maar zegd aan den Sulthan, dat ik hem laat verzoeken, niets te onderneemen dat onbillijk is, en ik stelle groot vertrouwe in den Sulthan omtrent Iava, om dat hij de oudste is, en ik geloof uwe ook. Hier op antwoorde ik, uwe Hoog Edelheid, Jk danke aller ne„ drigst voor het vertrouwe dat dezelve zoo wel in mijnen vorst als in mijn gelieve te stellen en ik zoude wel durve Caveeren, dat mijnen vorst nooit iets onbetamelijks doen zal, ten waare, dat hij eerst door andere getergt wierde, hier op antwoorde den Heere Generaal; Ik danke uwe mude zeer vriendelijk: 1 op 204. 420. Samarang Den 1: Iuni Anno 1779. -. Op Dingsdag 'smorgens den 7:' der maand Sawal wierde ik weder in wel met mijne maats in het Casteel ontboden en den Heer Generaal gaf mij mijn afscheid om te kunnen vertrekken: dit is het alles wat mij groot vader den Heere Gouverneur Generaal opgedragen heeft. /:onderstond:/ Geschreeven te Djoojocarta op Saturdag avond den 2=' der maand Doelkaidat in het Jaar Djee 1702. /:lager:/ getrans„ lateerd door mij /:was getekend:/ C: P: Boltze; Translateur. — Marhuij se Accordeert. Duij dt: Samarang Den 13:' Iulij Aono 1749. — Aan zijn Hoog Edelheed! Den Hoog Edel, Gestrenge, Groot Achtbaren Heere Reijnier De Klerk, Gouverneur Generaal, en De wel Edele Ge¬ strenge Heeren Raaden van Nederlandsch Indie; enz: enz: enz: Hoog Edel, Gestrenge, Groot Achtbaren Heere„ en O Wel Edele Gestrenge Heeren! Met het schip Foreest, laat ik ter dispositie van 1776 Hoog Edelheden in verzekering naar de 1oofdplaats trans„ porteeren Mochamat Dassik /:alias:/ Joijo Lono in Resco widjoijo, bijde geweezen Mantries, en onderhorige van den Keijzer, door den vorst mij ter verbanning voor al hun Leven gezonden, om dat zij als rovers, met een partij volk getragt hebben, eenige Ne„ gorijen uit te plunderin: Hun geweezen Hoofd een der eersten Hofs grooten den Raden Tommongong Tjocro Dipouro, die hen daar toe Last, en teffens ordre zoude gegeven hebben, om zig voor onderhorige van het Mattarmsche Hoff te moe„ ten uitgeven, mede in disgratie geraakt zijnde, staat gedi„ moveerd, en misschien ook wel ter verbanning aan de Com„ „pagnie
English
Samarang, 13 July Anno 1779. to be handed over to the Company, as I have ordered the Chief van Stralendorff to insist upon, because this Tjocro Dipouro, more than suspected of many wicked deeds, is particularly suspected by me of having secretly colluded with the disturbers of the peace in the past year; furthermore Dak Sijak, of Damak, because he is said to have provided shelter for some time to one of the sons of the fallen Pangerang Rongo, by the name of Soero Dipouro, along with four of his retinue, according to the statement of the Damak Regents; Karti Dito, of Damak, apprehended as a spy among a troop of armed Damak Javanese, who is not only accused of having followed the aforementioned Rongo, but who previously also served under a band of robbers, who plundered and burned down the Bancharij at Cajoemaas, within the Sultan's territory; and then also Tro Wongso, of Damak, who, armed with a pike, attacked some men who were surrounding a village in the Damak region to conduct a search for some of the ill-disposed individuals still roaming about, whom it was believed were hiding in that village; all three persons who deserve, and also ought to serve as a deterrent to others, to remain banished from Java forever. With perfect respect and true high esteem, may I be permitted to remain dutifully, Below stood: Right Honorable, Valiant, and Highly Esteemed Sir, and Honorable Valiant Sirs! Lower: Your Right Excellencies' humble and faithful servant. Was signed: J. R. vander Burgh. In the margin: Date as above. Samarang, 13 July Anno 1779. Agrees. Markeij Ia. s Samarang, 10 August Anno 1779. To His Right Excellency: The Right Honorable, Valiant, Highly Esteemed Sir Reinier De Klerk, Governor-General, and the Honorable Valiant Sirs, Councillors of the Netherlands Indies; etc. etc. etc. Right Honorable, Valiant, Highly Esteemed Sir, and Honorable Valiant Sirs! Having been successively honored with Your Right Excellencies' esteemed separate missives of 25 May, 14 June, and 8 July last, I take the liberty in answering them herewith to note initially that, having informed the Panembahang of Madura of the intended deportation to Ceylon of Radeen Pandjie Nata Dipoura with his wife and four sons, with the receipt of a monthly allowance of twenty rixdollars at his expense, the Prince expressed his satisfaction to me regarding that banishment and showed himself willing to provide the allowance. I express my gratitude to Your Right Excellencies for the favorable consideration you have been pleased to give to the requests of the princes and my recommendation in favor of the first Residents at the Emperor's and Sultan's courts, van Stralendorff and van Reijn respectively, for obtaining the effective rank of Senior Merchant. In notifying the Sultan thereof, I have at the same time complied with Your Right Excellencies' pleasure expressed in separate letters of 14 June past, and conferred with him about the case of the deserters of the year 1776, which Your Right Excellencies rightly call an odious case, and which I fear will sooner or later, in one way or another, still have consequences; and by means of friendly remonstrations, and in order to give no offense by avoiding the name of Pangerang Aria Mancoenagara and by calling those deserters the Emperor's subjects, thus attempted to persuade him to extradite them, or to send them to me, according to the copy of the letter of 21 July last (see Letter A hereto annexed); but received directly a refusing answer thereto, as appears from the translation of the Sultan's letter (see Letter B); but since the manner of that refusal, and especially the expression "and yet Mancoenagara's subjects who have absconded hither, I can truly not well consent to return," left me some hope that upon a further attempt he would give the desired consideration, having made new efforts and representations thereto in a later letter of the 2nd of this month (see Letter E), in order, if possible, to bring the Sultan to the view that the deserters, as they indeed are, must be regarded as subjects of the Emperor, and on that foundation to persuade him to extradite them, he answered me in substance (see Copy Translation Letter D): 1. that in case one continues to insist on the extradition of the people of Mancoenagara, he then also requests that Mancoenagara, even if it were only for one or two nights, may come to him to renew the old friendship, and to swear to him, the Sultan, that he will henceforth abide by it, etc. Which, in my opinion, being a sought-after pretext, cannot, and is also not advisable, to be granted: I say cannot be granted because, since Mancoenagara (according to the brief account of the origin and the end of the last Javanese war, which I believe was written by the late Mr. Hartingh, and also rests in the secret chest at the secretariat of Your Right Excellencies), already at his rise could not be persuaded to take the oath of loyalty to the Sultan, but declared that he would rather die than swear loyalty and friendship to him, will now also not be moved to do so and deliver himself into the power of his sworn enemy, who has since taken away his lawful wife, wronged him on all occasions, and cursed him down to the fourth generation, and that, even if it were possible to force Mancoenagara to do so, it would nevertheless not be advisable, because, by the slightest accident, during such a forced
Dutch transcription
2uijs. 205: 422 Samarang Den 13:' Juli Anno 179. —. „pagnie overgegeven te worden, daar ik het opperhoofd van Stralendorff gelast hebbe op aantedringen, om dat deeze Tjo„ cro Dipouro, meer dan suspect aan veele kwaade bedrijven, en bizonder bij mij verdagt is, van onder de hand in den voor„ leden Jaars, met de Rustverstoorders te hebben geheuld; voorts Dak Sijak, van Damak, om dat hij aan een der zoons van den gesnuuvelden pangerang Rongo, in naame soero Dipouro, met vier van zijn gevolg eenigen tijd schuil„ plaats zoude verleend hebben, volgens opgave van de Da„ maksche Regenten; Karti Dito, van Damak, als een bespieder onder eene troup gewapende Damaksche Javaanen opgeligt, en die niet allien beschuldigd word gemelde Rongo te hebben gevolgd, maar dat ook bevoorens heeft gesorteerd onder een troup Rovers, dewelke de Bancharij te Cajoemaas, onder Sulthans territoir hebben uitgeplunderd en verbrand; en dan ook op Tro wongso, van Damak, die met een piek gewapend ingevallen is op eenig volk, dat eene Negorij in het Damaksche omcingelden, om onderzoek te doen na eenige van de nog zwer„ „vende kwalijk gezinden, die men wilde, dat zig in die Nego„ rij verborgen hielden, alle drie perzoonen die verdienen, en ook ten afschrik van anderen behooren voor altoos van Java verbannen te blijven. — Met Met volmaakte eerbied en waare hoog agting zij het mij ge„ „oorloofd pligtschuldig te blijven. ~. /:onderstond:/ Hoog Edel Gestrenge Groot Achtbaaren Heere, in wil: Edele Gestrenge Heeren ! /:lager:/ Uwer Hoog Edelheden onderdanige en trouwe dienaar /:was getekend:/ I: R: vander Burgh, /:in mar„ gins:/ dato als even. —. Samarang Den 13:' Juli Anno 1729. — Accordeert. Markeij Ia. s 206 424 Samarang Den 10=e Augustus A:o 1779. — Aan sijn Hoog Edeheid: Den Hoog Edel, Gestrenge, Groot Achtbaren Heere Reinier De Klerk, Gouverneur Generaal, en De wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Ne„ „derlands Indie; enz: enz: enz: Hoog Edel, Gestrenge, Groot Achtbaren Heere en e Wel Edele Gestrenge Heeren! Na den anderen vireerd geworden zijnde, met uwer Hoog Edelheden geagte aparte missives van den 25:e Mei, 14=' Iuni en 8: Iuli Jongstleden, neeme ik de vrijheid daar op bij dezen ant„ woordende, aanvankelijk te noteeren, dat ik den Panembahang van Madura van de voorgenomen verzending naar Cei„ lon van Radeen Pandjie Nata Dipoura met zijn wijf en vier zoonen, onder genot van een maandelijks onder„ houd van Twintig rijksdaalders ten zijnen Lasten, kennis„ „se gegeven hebbende, de Prins over die verbanning mij zijn genoegen betuigd en tot fournissement van het onderhoude zig gewillig getoond heeft. Ik betuige vwe Hoog Edelheden mijne dank, voor de gun„ stige reflectie die hebben gelieven te slaan op de verzoeken der vorsten en mijne voordragt in faveur van de eerste Resi„ „denten 1 Zuij 35. „denten aan 's Keijzers en Sulthans. hoff, van Stralendorff en van Reijn respective, ter erlanging van de effective qua„ liteit van opperkoopman. Ik heb den Sulthan, daar van kennisse gevende, teffens voldaan aan uwer Hoog Edelheden goedvinden bij aparte Letteren van den 14=' Iuni passato, en Hem onderhouden over het geval der overlopers van den Jaare 1776. /:dat uwe Hoog Edelheden met regt, een hatelijk ge„ val noemen, en vreese ik vroeg of laat, op de een of andere wijze nog gevolgen hebben zal: / mitsgaders door vriendelijke remonstratien, en om geen aanstoot te geven met vermijding der naam van Pangerang Aria Mancoenagara, en door die overlopers Keijzers onderdaanen te noemen, zoo getragt te persuadeeren dezelve uitteleveren, of aan mij te zen„ den, volgens Copia brief van den 21=e Iuli Jongstleden /:vide L:a A: hier nevens:/ maar daar op direct een weigerend ant„ „woord gekreegen, blijkens Copia Translaat van 'T Sulthans brief; /:vide L=ra B: / dan vermits de wijze van die weigering, en speciaal de uitdrukking en dog Mancoenagara zijn naar „herwaards gedroste onderdaanen, kan ik waarlijk niet wel „inwilligen, om weder uittekeeren ' mij eenige hoop overliet, dat Wij op eene nadere tentame de begeerde reflectie zoude slaan, bij latere brief van den 2:' hujus /:vide L=ra E: / daar toe nieuwe pogingen, en vertogen gedaan hebbende, om was het mogelijk den sulthan in het denkbeeld te brengen dat de overlopers, zoo als zij in der daad zijn, voor onderdaanen van den Keijzer Samarang den 10:e' Augustus Anno 179 — moeten 207. 426 Samarang den 10=e Augustus Anno 1779. —. moeten gehouden worden, en op dat fondament tot de uitlevering over te haalen, heeft Hij mij /:vide Copia Translaat L=a D: / in substantie g'antwoord, 1. dat ingevalle men blijft aandringen „op de uitlevering der volkeren van Mancoenagara, wij „dan ook verzoekt, dat Mancoenagara al: was het maar „voor een of twee nagten tot tbem mag komen om de oude „vriendschap te vernieuwen, en Ibem sulthan te zweeren, „dat 1ij 1bem daar mede voortaan bij blijven zal, etc:a Dat„ na mijn gevoelin een gezogt requisit zijnde, niet kan, en ook niet raadzaam is, dat worde ingewilligd: Ik zegge niet kan worden ingewilligd, om dat, wijl Mancoenagara /:volgens het kort verhaal van den oorspronk en het einde van den Laatsten Javaschen oorlog, dat meene ik door wij„ „len de Heer Hartingh geschreeven is, en ook in de secreete Kas ter secretarije van uwe Hoog Edelheden berust:/ al bij zijn opkomst niet te overreden geweest zijnde, om aan den sulthan den eed van trouwe te doen, maar betuigd heeft liever te willen sterven, dan Hem trouw en vriendschap te ziveeren, nu ook niet zal te beweegen zijn, dat te doen en zig zelfs overtegeven in de magt van zijn geswooren vij„ „and, die Hem sedert zijn wettige vrouw ontnomen, bij alle gelegendheden tort gedaan, en tot in het vierde Lid ge„ vloekt heeft, en dat, als het al mogelijk was om Man„ coenagara daar toe te dwingen, aan egter met raadzaam zoude weezen, om dat, door het minste toeval, bij een dus ge„ brongen Ri37.
English
Samarang the 10th August Anno 1779. — forced meeting on the part of the Pangerang, and extorted submission, and oath of allegiance, Iava might be disturbed, however good and sincere the intention of the Sulthan may be in this matter, although I also dare not vouch for that, as I rather lean toward the notion that a snake lies in the grass in this matter, or indeed a hidden design of the Sulthan, if not openly or directly, then through indirect means and detours, to get the pangerang out of the way once he was at Djoejocarta, now that his repeated request of two years ago to remove Mancoenagara from Iava remains without effect. - And since this matter appears to me of too great an interest and consequence to do anything further therein without Your Right Excellencies' prior foreknowledge and approval, I shall leave the sultan's letter unanswered until Your Right Excellencies shall be pleased to furnish me with orders in this regard, whilst I take the liberty to submit here as my opinion /:which always remains submitted to Your Right Excellencies' wiser judgment:/ that the sultan's request ought either to be left entirely unanswered, or to be finally refused to him, and presented to him that, since he, despite the constant consideration given to his reasonable requests, is so disinclined to answer legitimate representations, one is likewise not inclined to constrain the pangerang to something to which he cannot be said to be obliged, and which the sultan also 208: 428 Samarang the 10th August A=o 1779. —. cannot demand of him on good grounds, but only seems to have devised in order thereby to evade the extradition of the deserters. After the receipt of Your Right Excellencies' collective letter of the 25th June last, I forwarded the letters enclosed therein for the rulers, and gave Their High Reverences to know that I would expect their Envoys in the coming September to pay the dutiful homage to His Right Excellency the Lord Governor-General here for this occasion. The Emperor, as will appear to Your Right Excellencies from his letter enclosed herein, being very content with this, has also already written to me that he wished to send his Envoys in September, but has since requested an extension until after the Poassa in October; but that the sultan is not inclined thereto, and also not inclined to follow the arrangement of Your Right Excellencies in this matter, will appear to the Very Same from the Enclosures Letter B. and D., and his letter likewise forwarded herewith, as well as his request to send his Envoys to Batavia. I have, as appears from enclosure Letter C. and still further through the first Resident van Rhijn, certainly attempted to divert him therefrom, and even made known that the time was already too far spent to arrange transport to Batavia for his Envoys in this year, but nevertheless remaining disinclined to abandon his intention, I must in this matter also 2529 Samarang the 10th August A=o 1779. —. request and await Your Right Excellencies' further pleasure, with the remark that if Your Right Excellencies yield to the sultan, and admit his Envoys to Batavia, whether still in this, or in the coming Year, then those of the Emperor will not well be able to pay the homage here alone, but ought also to depart for Batavia, and that this likewise occurring to the pleasure or through the doing of the sultan, his pride will be flattered, and his conceit strengthened, that whatever he urges, wills, and desires, must happen. The Emperor in the meantime also being well pleased that the requested Two hundred broadswords shall be requisitioned for him from the fatherland, having already on several occasions asked the chief van Stralendorff about the counter-gifts for him, I request Your Right Excellencies to send them, and to authorize me to deliver them, since the presents for the sultan apparently will not come soon anyway. With perfect respect and true high esteem, let it be permitted me to remain dutifully. —. /:at the bottom stood:/ Right Honorable Noble, Great and Respected Lords, and well Honorable Noble Lords: /:lower down:/ Your Right Excellencies' humble and faithful servant /:was signed:/ I: R: van den Burgh /:in the margin:/ date as above. . Agrees.
Dutch transcription
Samarang den 10:' Augustus Anno 1779. — „dwongen ontmoeting, aan de zijde van den Pangerang, en afge„ perste onderwerping, en eed van trouwe, Iava ontrust zoude kunnen worden, hoe goed en opregt de intentie van den Sul„ than ook in deezen weezen mag, daar ik egter ook niet voor durvr instaan, alzoo ik eerder overhelle tot het denkbeeld, dat in deezen een adder onder het gras schuld, of wel een verbor„ gen voornemen van den Sulthan, om zoo niet opentlijk of direct, dan door indirecte menies en omwegen, den pangerang als wij eerst te Djoejocarta was, uit den weg te krijgen, nu zijn voor twee Jaaren herhaala verzoek, om Mancoenagara van Iava te verwijderen, blijft buiten effect. - En nadien deeze zaak, mij van te veel aanbelang en gevolgen voorkomt, om en iets verders in te doen, zonder uwe Hoog Edelheden preala„ „ble voorkennisse en goedvinden zal ik 's sulthans brief onbe„ antwoord laten, tot dat uwe Hoog Edelheden mij met ordres in deezen zullen hebben gelieven te munieeren, terwijl ik de vrij„ heid neeme, hier voor mijn gevoelen /:dat aan vwer Hoog Edelheden wijzer oordeel, altoos blijft gesubmitteerd :/ nog op„ tegeven, dat 's sulthans verzoek of geheel onbeantwoord diend gelaten, of Ibem finaal geweigerd te worden, en voorgehouden„ dat wijl tbij, in weerwil van de geduurige reflectie, die op zijne billijke instantie geslagen word, zoo ongenegen is aan regt„ matige vertoogen te beantwoorden, men ook niet is geinclineerd de pangerang te Constringeeren tot iets, waar toe wij niet kan gezegd worden, verpligt te weezen, en dat wij sulthan ook op 208: 428 Samarang den 10:e Augustus A=o 1779. —. op goede gronden niet van Hbem vergen kan, maar alleen schemt uitge„ dagt te hebben, om daar door de uitlevering der overlopers te ontleg„ gen. Na den ontvangst Vwer Hoog Edelheden gemeene Letteren van den 25:' Juni Jongstleiden, heb ik de daar in geslooten geweest zijnde brieven voor de vorsten voortgezonden, en Hunne Hoog= Ewrheden te kennen gegeven, dat ik in september aanstaande, Haare Gezanten verwagten zoude, om de schuldige hulde aan zijn Hoog Edelheid den Heere Gouverneur Generaal, voor deeze reize, hier afteleggen. Den Keijzer zoo als uwe Hoog Edelhe„ den bij zijne in deezen leggende brief voorkomen zal, daar mede zaer Content, heeft mij ook reeds geschreeven, dat in septem„ „ber zijne Gezanten zenden wilde, dog sedert prolongatie ver„ zogt, tot na Poassa in october; maar dat den sulthan daar toe, en ook al niet inclineerd, om in deezen de schikking vrer Hoog Edelheden te volgen, zal Hoogst Dezelven bij de Bijlaa„ gen Lta B. en D. , en zijne in deezen mede overgaande brief, zoo wel blijken, als zijn verzoek, om zijne Gezanten naar Batavia te zenden. Ik heb, blijkens de bijlagen Lra. C.„ en nog nader door den eersten Resident van Rhijn, wel ge„ tragt, ibem daar van te diverteeren, en zelfs te kennen gegeven, dat de tijd alreeds te verre verlopen was, om in dit Jaar zijne Gezanten naar Batavia transport te bezorgen, maar eg„ ter ongenegen blijvende, van zijn voornemen aftegaan, moet ik ook al in deezen uwe Hoog Edelheden nader goedvinsen ver„ 2529 Samarang den 10:' Augustus A=o 179. —. verzoeken en afwagten, onder aanmerking, dat als uwe Hoog Edelheden den sulthan toegeven, en zijne Gezanten te Batavia, het zij nog in dit, of in het aanstaande Jaar, admitteeren, dan die van den Keijzer alleen hier niet wel de hulde zullen kun„ nen doen, maar ook naar Batavia dienen te vertrekken, en dat dit almede ten gevalle of door toedoen van den sul„ than geschiedende, zijne grootheid gevleid, en zijne inbeelding gesterkt zal worden, dat al wat Hij drijft, wil en begeerd, geschieden moet. Den Keijzer ondertusschen ook wel te vreeden, dat de ver„ zogte Twee honderd pallasschen, voor hem uit het vaderland zullen worden g'eijscht, al een en andermaal het opperhoofd van Stralendorff, na de Contra geschenken voor Ibem, ge„ vraagd hebbende, verzoek ik uwe Hoog Edelheden die te zenden, en mij te qualificeeren om dezelven aftegeven, terwijl nu dog de presenten voor den sulthan, apparent niet spoedig komen zullen. Met volmaakte eerbied en waare hoog agting, zij het mij ge„ oorloofd pligtschuldig te blijven. —. /:onderstond:/ Hoog Edel Gestrenge Groot Achtbaaren 1eere, en wel Edele Gestrenge Heeren: /:lager:/ uwer Hoog Edelheden onder„ danige en trouwe dienaar /:was getekend:/ I: R: van den Burgh /:in margine:/ dato als boven. . Accordeert.
English
209. 430. Samarang the 10th of August Anno 1779. Copy of a letter written by the Councillor Extraordinary of the Dutch East Indies and Governor and Director of Java's Northeast Coast Johannes Robbert van der Burgh, to the Sultan Amingkoeboeana etc. at Djoojocarta; dated Samarang 21 July Anno 1779. Appendix Letter A. I have the honour to communicate to Your Highness that immediately after receiving your letter, in which Brother requests me to assist the Chief Ian Matthijs van Rhijn in obtaining the effective quality of Senior Merchant, I did my utmost to procure Your Highness that pleasure. The result is that His Right Honourable the Governor General and the Council of the Indies, in order to give a new token of the esteem which His Honour inextricably retains for Your Highness, and the willing affection which Their Right Honourable Honours possess to increase on all occasions the pleasure of Your Highness, true friend, have also immediately given the most favourable consideration to that request, and, to please Your Highness, have favoured Chief van Rhijn with the honorary title, rank, and prerogatives of Senior Merchant. Having recently been informed that Brother, in order to better divert himself, wished to have another small vessel that can not only row but also sail, I discussed this with Chief van Rhijn. As he found one of my small vessels, which is equipped with a sail and everything, to be to the taste that will apparently satisfy Brother, I immediately gave orders, in order to comply all the sooner with Your Highness's desire, to alter whatever needs to be changed on it, intending, as soon as it is ready, to offer the same to Brother as a token of my true friendship. And as I have also understood that Your Highness would gladly be served with some other things, I offer the same alongside this: 75 ells of gold braid, and 2 Trumpets, Samarang the 10th of August Anno 1779. and add to this for our son Pangerang Adipattij Mangcoenagara also: 25 ells of gold braid, but not being provided with any French horns, I shall order them from Batavia, and as soon as I receive them, send them to Your Highness. I do not doubt in the least that Brother will be convinced anew by all of this that not only I, but most especially His Right Honourable the Governor General and the Council of the Indies, are continually inclined to increase Your Highness's pleasure and to give consideration to all reasonable requests. Keeping myself no less assured of Your Highness's willingness to do the same from his side, it is on that foundation that I shall herewith bring to Your Highness's attention a matter about which I spoke to you three years ago. Brother will well remember that I requested then that several persons who had deserted from Soura Carta to the Mattaram, being subjects of the Emperor, be sent back there. Yet this has not happened, and since then even more others have fled to the Mattaram and remained there. I reiterate my brotherly advice given at that time and even request Your Highness, for the preservation of the peace and quiet with which Heaven currently blesses dear Java, and to make lasting the pleasure that Your Highness himself enjoys therein, to surrender all those deserters or send them to me, in which case I bind myself to ensure that no harm shall come to them on this occasion on account of the fault they committed. Truly, Brother, I desire nothing in this matter but that which is equitable and can serve to everyone's well-being and pleasure, and which I would not also do wholeheartedly for Brother; while furthermore I can and may solemnly assure Your Highness that His Right Honourable the Governor General and the Council of the Indies not only remain assured that 210. 432. Samarang the 10th of August Anno 1779. Your Highness will further consider the justice of conceding in this matter, but will gladly endeavour thereby to give a token of true affection, and to give consideration to reasonable representations, as well as to do everything that is necessary for the constant maintenance of unity, good harmony, and peace on Java. Furthermore, I communicate to Your Highness that Chief van Rhijn will deliver to Your Highness a letter from His Right Honourable the Governor General and the Honourable Councillors of the Indies, and that, pursuant to that letter, I shall await here in the coming month of September the usual embassy on behalf of Your Majesty to pay homage to the Governor General, in order to perform that ceremony before me, since Their Right Honourable Honours are willing, for this occasion, to excuse Your Highness's ambassadors from the journey to Batavia, provided that the solemnities that ought to take place are performed here. Furthermore, I inform Brother on this occasion that it has pleased His Most Serene Highness the Prince of Orange and Nassau etc. etc. etc. and the High and Noble Lords Directors in Holland to appoint me as Councillor Extraordinary of the Indies. I do not doubt whether this will be as pleasing to Your Highness as the welfare of Your Highness and your princely House is and shall be to me. Furthermore, I greet Brother most cordially, and likewise salute Pangerang Adipattij Anum Mangcoenagara in the most friendly manner; and my wife does the same to the Ratoes, wishing God's best salvation and blessings continuously for many years to come. Below stood: Written at Samarang on Wednesday the 21st of July 1779. Was signed: J. R. van den Burgh.
Dutch transcription
209. 430. Samarang den 10=e Augustus Anno 1779. —. Copia missive geschreven door den Heren Raad Bijlaag L=a A. Extra-ordinair van Nederlands Indië en Gouverneur en Directeur van Javas Noord- Oost- Kust Johannes Robbert van der Burgh, aan den sulthan Amingkoeboeana &=a te djoojocarta; gedateerd Samarang 21:e Iuli A=o 1779. — Ik heb de eere uw Hoogheid te Communiceeren, dat ik direct na den ontvangst van desselfs brief, waar bij Broeder mij verzoekt, om het opperhoofd Ian Matthijs van Rhijn, te helpen aan de effective qualiteit van opperkoopman; mijn best gedaan hebbe, om Vw Hoogheid dat genoegen te bezorgen, met dat gevolg, dat zijn Hoog Edelheid den Heere Gouverneur Generaal, in de Raaden van Indië, om een nieuwen blijk te geven, van de agting dewelke Hoogst De„ zelven onafscheidelijk bij blijft, voor uw Hoogheid, en de bereid„ willige genegendheid die Hunne Hoog Edelheden hebben, om bij alle gelegendheden het genoegen van Vw Hoogheid Waaren waaren vriend te vermeerderen, op dat verzoek ook aanstonds de favorabelste reflectie geslagen, in het opperhoofd van Rhijn, ten gevalle van Vw Hoog„ heid, begunstigd hebben, met den eere titul, rang en prerogativen van opperkoopman. Inlangs mij te kennen gegeven zijnde, dat Broeder, om zig te beter te kunnen diverteeren, verlangde te hebben nog een vaartuigje, dat niet alleen roeien, maar ook zijlin kan, heb ik met het opperhoofd van Rhijn, daar over gesprooken, en die een van mijne vaartuigjes, dat met een zijl, en alles is voorzien, in de smaak vindende, dat het Broeder apparent zal voldoen, heb ik, om te spoediger aan Vw Hoogheids verlangen te voldoen, aanstonds ordre gesteld, om het geene er aan diend veranderd te worden te vermaaken, van voor„ nemen zijnde, om zoo draa klaar is, het zelve Broeder tot eene blijk van mijne waare vriendschap aan te bieden. En dewijl ik ook verstaan hebbe, dat Vw Hoogheid, met eenige andere dingen gaarne zoude zijn gediend, offereere ik denzelven nevens deeze 75. ellen goude passementen, en 2. Trompetten, Ligth . . Samarang den 10:e' Augustus A„o 1779. —: en vorge daar nog bij voor anzen zoon pangerang Adipattij Mangcoenagara ook 25. ellen goude passementen, maar van geene waldhoorns voorzien zijnde, zal ik die van Batavia ontbieden, en zoo dra ik dezelve krijge, vw Hoogheid toezende. Ik twijffele er nu in het minst niet aan, of Broeder, zal uit dit een en ander, op het nieuw worden overtuigd, dat niet alleen ik, maar„ wel voornamentlijk zijn Hoog Edelheid den Heere Gouverneur Ge„ niraal en de Raaden van Jndie, bij aanhoudendheid genegen zijn, het genoegen van uw Hoogheid te vergrooten; en op alle billijke verzoe„ ken reflectie te slaan; en mij niet minder wel verzeekert hou„ dende, van vw Hoogheids bereidwilligheid, om het zelvde van zijne zijde te doen, is het op dat fundament, dat ik bij dezen vw Hoogheid maagtig maken zal eene zaak, waar over ik nu drie Jaaren ge„ leeden denzelven, al eens onderhouden hebbe. Het zal Broeder nog wel bekend zijn, dat ik toen verzogt, om eeni„ ge van Soura Carta naar de Mattari gedroste perzoonen, als onderdanen van den Keijzer zijnde, derwaards te rug te zenden, dan dit nog niet geschied, en zelfs sedert meer andere naar de Mattarin geloopen, en daar verbleven zijnde, hierhaale ik mijne toen gegeven broederlijke raad, en verzoeke zelfs Vw Hoogheid, om ter bewaring van de Rust en vreede, waar mede den Hemel het lieve Iava tans zegend, en om het genoegen dat uw Hoogheid daar ii't zelfs geniet, bestendig te doen zijn, alle die drossers uitte„ leveren, of aan mij te zenden, in welk geval ik mij verbinde te zor„ gen, dat hen voor deeze roise weegens hun begaane fout, geen Leid ge„ schieden zal: waarlijk Broeder ik verlange in deezen niets, dan het geene billijk is, en tot een iders wel zijn en genoegen strekken kan, en dat ik niet met hartelijkheid ook voor Broeder zoude doen, terwijl ik boven dien Vw Hoogheid plegtig kan, en mag verzeekeren, dat zijn Hoog Edelheid den Heere Gouverneur Generaal en de Raaden van Jndie niet alleen zig verzeekerd houden, dat VW 210. 432. Samarang den 10=e Augustus A=o 1779. —: Vw Hoogheid de regtmatigheid van toegeving, in deezen nader zal overwegen, maar daar gaarne mede zal tragten een blijk te ge„ „ven van waare genegendheid, en om op billijke vertogen reflectie te slaan, mitsgaders alles te doen, wat tot bestendige onderhoud van eendragt, goede harmonie en vreede op Iava nodig is. Wijders Communiceere ik vw Hoogheid, dat het opperhoofd van Rhijn vw Hoogheid zal bezorgen, een brief van zijn Hoog Edel„ heijd den Heere Gouverneur Generaal en de Edele Heeren Raaden van Indie, en dat ik ingevolge van die brief, het gewoone Gezantschap van wegens Vw Majesteit, ten aflegging van hulde aan den Heere Gouverneur Generaal in de maand september aanstaande hier ver„ wagten zal, om die plegtigheid bij mij afteleggen, alzoo wunne Hoog Edelheden voor deeze reis, Vw Hoogheids Gezanten, wel willen excuseeren van de reise naar Batavia als hier maar worde afgelegd, de solemniteiten die behooren te geschieden. Nog geve ik Broeder bij deeze gelegendheid kennisse, dat het zijne Doorlugtigste Hoogheid den Heere Prince van Oranje en Nas„ sauw etc: etc: etc: en de Hoog Edele Heeren Majores in Holland, heeft behaagd mij aantestellen tot Raad Extra-ordinair van Indie; Jk twijffele met of dit zal Vw Hoogheid zoo aangenaam weezen als mij is en weezen zal den welvaard van Vw Hoogheid en vorstelijke Huis: voorts groet ik broeder aller hartelijkst, en salueere mede pan„ gerang Adipattij Anum Mangcoenagara op het vriendelijkste„ en dat doet ook mijn vrouw de Ratoes, onder toewensching van Gods beste heil en zeegen bij aanhoudendheid nog veele Jaaren. /:onderstond:/ Geschreeven te Samarang op woensdag den 21=e Juli 1779. /was getekend:/ I: R: van den Burgh. —. : Dg43
English
Samarang the 10th August Anno 1779. Enclosure Letter B. I have well received Brother's missive, and at the same time understood from its contents that Brother, upon receipt of my missive, had directly done his utmost to obtain, upon my request made therein, for the chief Ian Matthijs van Rhijn, from His Right Honourable my grandfather the Lord Governor-General and the further Councillors of the Indies, the effective rank of senior merchant at my court Djocjocarta Adiningrat, through favourable presentation and proposal, all the more because I lived in sincere harmony and alliance with His Right Honourable my grandfather the Lord Governor-General and the further Councillors of the Dutch Indies; and since Their Right Honours were fully convinced of this, they also always sought to put into effect that which could serve to my pleasure, and that they consequently in my regard had thus appointed the aforesaid chief van Rhijn with the title, rank, and quality of effective senior merchant; for which I cannot refrain from humbly expressing my sincere gratitude to Brother as well as to my grandfather the Lord Governor-General, together with the Right Honourable Lords Councillors of the Dutch Indies. Further, Brother having heard indirectly that I was having inquiries made for a small vessel in which one could row as well as sail, and thereupon also having offered all of his own small vessels to the chief Ian Matthijs van Rhijn, with the result that he selected one of them which according to his thoughts would satisfy me, and that Your Right Honourable would therefore have it provided with whatever is still necessary for it, in order to have it delivered directly to me thereafter; Item, that I would gladly be served with braids and trumpets, and that Your Right Honourable therefore offered me 75 ells of gold braid and 2 trumpets, but not being provided with French horns, had given an order for the purchase of the same, and would likewise send them to me upon receipt from Batavia; so I express my gratitude for this, which Brother's son Pangeran Adipati Anum Mangkunegara also does for the 25 ells of braid sent to him by Brother. Brother reminding me in his missive how, now three years ago, Your Right Honourable, in the letter written at that time, had most earnestly requested and at the same time advised me to restore to His Majesty the subjects who had deserted from the Emperor from Surakarta to here, so I serve in friendly reply on this point that I have not only restored to His Majesty all subjects who deserted from the Emperor to here, but that His Majesty has also done this regarding my subjects who had deserted to Surakarta; however, I truly cannot well consent to return Mangkunegara's subjects who deserted to here, Brother as well as the Company indeed knowing well what is amiss between me and Mangkunegara. Your Right Honourable having pleased to communicate to me that I was to expect a letter from Their Right Honours with Mr. van Rhijn, as well as that Brother would expect my envoys in Samarang in the month of September to solemnly pay the due homage at court on the presentation of and to His Right Honourable my grandfather, so I serve in answer to this that I will not well be able to send my envoys to Samarang, as my heart is not at ease with it, but it may cause unrest, a son his father, and a grandson his grandfather, not having met each other in a long time. With great pleasure I have seen from the further contents of Brother's missive that Your Right Honourable was appointed by His Highness the Lord Prince of Orange and Nassau and the Lords Directors in the fatherland as Extraordinary Councillor of the Dutch Indies, for which I am exceedingly glad, and express thanks to Brother for the communication. I, together with my son the Pangeran Adipati Anum Mangkunegara and Ratu Ambu, greet Brother, together with your wife and little son, with heartfelt wishes for Jehovah's dearest blessings. Written at Yogyakarta Adiningrat on Thursday the 15th of the month Rajab in the year Wawu 1705, or the 29th of July 1779. Translated by me, was signed, C: P: Bolz. Translator. Copy. Translation of a Javanese missive written by the Sultan Hamengkubuwana etc. at Yogyakarta, to the Lord Johannes Robbert van den Burgh, Extraordinary Councillor of the Dutch Indies, and Governor and Director on and along Java's Northeast Coast, received at Samarang 1st August 1779.
Dutch transcription
Samarang den 10:e Augustus Anno 1729. — Bijlaag Lta. B. Ik. hebbe Broeders missive zeer wil gerecipieerd, en tef„ fens uit dies vervatte inhoud verstaan, dat Broeders op ontvangst mijnen missive direct Hoogst Desselvs uitterste bist, in het werk had gesteld, om, op mijne daar bij gedaane instantie, voor het opper„ hoofd Ian Matthijs van Rhijn, bij zijn Hoog Edelheid mijn groot vader den Heere Gouverneur Generaal en de verdere Raaden van Jndie, de effective qualiteit van opperkoopman, aan mijn hoff Djocjocarta Adiningrat, te obtineeren, door favorabele voorstel„ ling en voordragt, te meer om dat ik met zijn Hoog Edelheid mijn Groot vader den Heere Gouverneur Generaal, en de verdere Raa„ den van Nederlandsch Jndie, in opregte harmonie en verbondschap Leefde; en dewijl Hunne Hoog Edelheden, daar van ten vollen overtuigd waaren, ook daarom altoos zogten, dat geene dat tot mijn genoegen konde strekken, in het werk te stellen dat zij dienvolgens ten mijnen reguarde, voormeld opperhoofd van Rhijn, met den titul, rang en qualiteit van effectiev opperkoopman, aldus hadden aangesteld; waar voor ik niet kan afzijn, broeder zoo wel als mijn groot vader den Heere Gouverneur Generaal, be„ nevens de Hoog Edele Heeren Raaden van Nederlands Jndie, mijn opregte dankbaarheid humbel te betuigen. wijders Broeder van ter zijde gehoord hebbende, dat ik liet zoe„ ken na een kleijn vaartuigje, daar men mede roeijen en zeilen konde, en daar op aan het opperhoofd Ian Matthijs van Rhijn ook alle Hoogst: Desselfs vaartuigjes zijnde aangeboond, met dat ge„ volg, dat een derzelven heeft uitgezogt, het geen na zijn E. gedagten 1: Copia Translaat Javaansche missive geschree„ ven door den Sulthan Amingkoeboeana etc: to Djoojocarta, aan den Heere Johannes Robbert van den Burgh, Raad Extraordi„ nair van Nederlands Jndie, en Gouverneur en Directeur op en langs Javas Noord-oost- kust, ontvangen te Samarang p=mo aug=s ao 1779: d 1 mij Pijt5 215. 434 Samarang den 10:e Augustus A=o 179:~ mij zoude voldoen, en dat uwel Ed=e Groot Achtb=re over zulks, van het nodige nog daar aan voorkomende, zoude laten voorzien, om mij daar na dan direct te doen geworden; Jtem, dat ik gaarne zoude gediena weezen van passementen, en Trompetten, en dat uwel Ed=e Groot Achtb=re mij daar om offereerde 75. ellen goude passementen, en 2. Trompetten, dog van geen waldhoorns zijnde voorzien, Com„ missie tot den Jnkoop van die gegeven had, en mij dezelve, bij ont„ vangst van Batavia, almede zoude toezenden; zoo betuige hier voor mijne dankbaarheid, het geene Broeders zoon pangerang Adipatty Anum Mangcoenagara mede doet, voor de door Broeder aan hem toegezondene 25. ellen passement. Broeder mij bij Hoogst- Desselvs missive inaagtig makende, hoe nu drie Jaaren geleeden, uwel Ed:e Groot Achtb=re mij, in de dier tijd geschreeven brieve, op het ernstigste had verzogt en teffens aan„ geraaden, om de van Soura Carta van den Keijzer na herwaards overgelopene onderdaanen, weder aan zijn Majesteit te restitu„ eeren, zoo diene ik op dit poinct in vriendelijke rescriptie, dat ik niet alleen alle van den keijzer na herwaards overgelopene onderdaanen, aan zijn Majesteit hebbe gerestitueerd, maar dat zijn Majesteit dit ook heeft gedaan omtrent mijn. onderdaa„ nen, welke naar soura Carta gedrost geweest zijn, dog, Mancoe„ nagara zijn na herwaards gedroste onderdaanen, kan ik waar„ „lijk niet wel inwilligen, om weder uittekeeren, weetende broeder benevens de Compagnie immers wel, wat tusschen mij en Man„ Coenagara hapert. Uwel Ed=e Groot Achtb=re mij hebbende gelieven te Communiceeren dat ik met de heer van Rhijn een briev had te verwagten van Hunne Hoog Edelheden, als mede dat Broeder in de maand Sep„ tember mijne sendelingen te Samarang zoude verwagten, om â Cootij de schuldige homage plegtig afteleggen, op de voorstelling van en aan zijn Hoog Edelheid mijnen groot vader, zoo diene ik hier op in antwoord, dat ik mijne sendelingen niet wel na Samarang zal E Copia Samarang den 10=e Augustus Anno 179: — zal kunnen zenden, alzoo mijn wart daar mede niet gerust is, maar ongerustheid geven kan, een zoon zijn vader, en een klein zoon zijn groot vader, in langen tijd malkander niet hebben ontmoes. Met groot genoegen hebbe ik gezien uit de verdere inhoud van Broeders missive, dat vwel Edele Groot Achtb=re door zijn Hoog heid den Heere Prince van Oranje en Nassauw, en de Heeren Be¬ windhebberen in het vaderland, was aangesteld tot Raad Extra= ordinair van Nederlands Jndie, waar over ik ten hoogsten verblijck ben, en Broeder dank betuige voor de Communicatie. Ik benevens mijn zoon den pangerang Aaipattij Anum Man„ Coeagara en ombok Ratoe, groeten broeder benevens Mbevrouwe en zoontje, onder hartelijke toewensching van Iehovas dierbaarste Zegeningen. /:onderstond:/ Geschreven te Djoojocarta Adiningrat op Donder„ dag den 15. e der maand Redjab in het Jaar wouw 1705. ofte den 29=e Iuli 1779. /:lager:/: Getranslateerd door mij /:was get:/ C: P: Bolz. Tr:
English
212. 436 Samarang the 10th August Anno 1779. Annex L:a C. Copy of the letter written by the Councillor Extraordinary of the Dutch East Indies and Governor and Director of Java's Northeast Coast Johannes Robbert van den Burgh, to the Sultan Hamengkubuwana etc. at Yogyakarta, dated Samarang 2nd August anno 1779. Having duly received the letter written to me by Your Highness on the 15th of the month Rajab, in the year Wau 1705, I must declare in reply thereto, that I had indeed not expected that, whereas the Company observes all that is just and equitable and complies with Your Highness, Brother would pay so little regard to my repeated admonition and request to extradite the Solo deserters in question, since they are after all just as much subjects of the Emperor as the people whom Pangeran Adipati Anom Mangkunegara has under him at Yogyakarta are subjects of Your Highness the Sultan; and besides, the retention of these deserters may even cause Your Highness unpleasantness, if others should take it into their heads that they are now likewise entitled to detain and apprehend subjects of Your Highness, whereas Your Highness, on the contrary, by handing them over would give proof that you seek nothing more than peace and contentment, and are more inclined to follow the good counsel that I have given Your Highness with the prior knowledge of Their High Mightinesses on behalf of the Company, than to act otherwise, and that solely on account of displeasure against someone who is after all at too great a distance from Brother to wish to show it to him in that manner. Yet I am even more astonished, Brother, at your writing that you cannot send envoys to Samarang to pay the required homage here before the Lord Governor-General, as I cannot understand what Your Highness can have against this, or what the reason is why Your Highness is unwilling to follow such a favorable arrangement, for the saving of expenses for Your Highness, and the sparing of trouble and danger for the envoys; and since I can assure Brother that it will particularly astonish and displease His High Mightiness the Lord Governor-General, and also the Lords Councillors of the Indies in the highest degree, that Your Highness, their friend and ally, pays no regard to their special indulgence, but is the only one who does not receive their wise and gracious arrangement with respect, I therefore find myself obliged, in continuing friendship and affection, to advise my Brother Your Highness to comply with the requisition, and to have the customary homage paid here in Samarang by your envoys, all the more so since time has already passed so far that I could not provide them with transport to Batavia this year; but should Your Highness in this matter, contrary to my advice, remain of another mind and unwilling to comply with the equitable requisition of Their High Mightinesses, then I shall expect a letter from Brother for Their High Mightinesses, and send it to Batavia. Furthermore, I greet Brother most cordially, and likewise salute Pangeran Adipati Anom Mangkunegara in the friendliest manner, as does also my wife the Ratu, wishing God's best salvation and blessing continuously for many years to come. At the bottom was written: Written at Samarang on Monday the 2nd August anno 1779. Was signed: J: R: van den Burgh. Copy Page: 49. 213. 438 Samarang the 10th August Anno 1779. Annex L:ta D. Copy Translation of the Javanese letter written by the Sultan Hamengkubuwana etc. at Yogyakarta, to the Lord Johannes Robbert van den Burgh, Councillor Extraordinary of the Dutch East Indies and Governor and Director on and along Java's Northeast Coast, received at Samarang the 6th August 1779. Brother, I have duly received Your Right Honorable's answer to my letter, and thank Your Right Honorable for your request and counsel to extradite again the deserters of Mangkunegara, on the grounds that they were just as much subjects of the Emperor as the people whom Brother's son the Pangeran Adipati Anom Mangkunegara has under him at Yogyakarta are my subjects, but Brother, in my view matters do not stand quite thus, for my son Pangeran Adipati Anom Mangkunegara is only to be equated with my grandson, namely the Pangeran Adipati Anom at Surakarta, son of the Emperor, who also bears that name; but in case Brother along with the Company continues to insist on this request that I shall hand over the people of Mangkunegara, then I also very kindly request both Brother and the Company that he may then come over to me, even if it were only for one or two nights, to renew our old friendship and to swear to me that he will henceforth abide by it, whereupon I shall hereafter restore to him all his people who are among mine, and if he should doubt my aforementioned good intention, then I request Brother, together with the Company, to be willing to stand surety for me in that regard, that I shall return those people, as I am of the opinion that Brother is after all aware, and so is the Company, of the matters between me and Mangkunegara. I
Dutch transcription
212. 436 Samarang den 10=e Augustus A:o 1779. — Bijlaag L=a C. Copia missive geschreeven door den Heer Raad Extra- ordinair van Nederlands Jndië en Gouverneur en Directeur van Javas Noord. oost. Kust Johannes Robbert van den Burgh, aan den Sulthan Aming„ koeboeana &=a te Djoejocarta, gedateerd Samarang 2:' Augustus anno 1729. —: De briev door vw Hoogheid mij geschreeven den 15. e der maand Redjab, in het Jaar wou 1705. wel ontvangen hebbende, moet ik in ant„ woord daar op betuigen, dat ik inderdaad niet had verwagt, dat daar de Compagnie alles wat regt en billijk is observeert, en VW Hoogheid inwilligd, Broeder zoo weinig reguard zoude slaan, op mijne herhaalde aanmaning en verzoek, om de bewuste solosche overlopers, uit te leveren, wijl dat immers, zoo wel onderdaanen van den keijzer zijn, als de volkeren, die pangerang Adipattij Anum Mancoenagara te djocjocarta onder hem heeft, onderdaanen van vw Hoogheid den sulthan zijn; en boven dien de aanhouding deezer Drossers vw Hoogheid zelvs onaangenaamheden verwekken kan, als andere in het denkbeeld vallen, nu ook geregtigt te weezen, onderdaa„ nen van vw Hoogheid op- en aan te houden, terwijl vw Hoogheid in tegendeel, met de overgave eene blijk zoude geven, dat denzelven niets meer dan rust en genoegen zoekt, en mier genegen is, den goe„ „den raad, die ik vw Hoogheid met voorkennisse van Hunne Hoog Edelheden van weegens de Compagnie gegeven hebbe te volgen als anders te doen, en dat alleen uit hoofde van misnoegen, tegen iemand, die immers in een te verren afstant van Broeder is, om hem dat op die wijze te willen toonen. Maar nog meer Broeder staa ik verwonderd, over desselvs schrijven, dat geen Gezanten naar Samarang zenden kan, om hier de schul„ dige homago voor den Heere Gouverneur Generaal afteleggen, alzoo ik niet kan begrijpen, wat vw Hoogheid daar tegen hebben kan„ of wat de reden is, waarom vw Hoogheid ongenegn is, te volgen, Pag 47. eene Samarang den 10:' Augustus A=o 1779. —. eene zoo gunstige schikking, tot menagement van kosten voor vw Hoogheid, en uitwinning van moeite en gevaar voor de Gezanten; en dewijl ik Broeder verzeekeren kan, dat het speciaal zijn Hoog Edelheid den Heere Gouverneur Generaal, en ook de Heeren Raaden van Jndie, ten uitersten verwonderen en mishagen zal, dat vw Hoogheid haaren vriend en Bondgenoot, geen reflectie op Haar bezonder toegevendheid slaat, maar de eenigste is, die haare wijze en gratieusse schikking met eerbiede, zoo vinde ik mij, in't bijblij„ vonde vriendschap en toegenegentheid verpligt, mijn Broeder vir Hoogheid te raaden, aan het requisit te voldoen, en door des„ selvs Gezanten hier te samarang de gewoone hulde te laten af„ leggen, te meer daar de tijd alreeds zoo verre verlopen is, dat ik hen dit Jaar geen transport naar Batavia zoude kunnen bezor„ gen; doch blijft vw Hoogheid ook in deezen tegen mijne raad bij andere gedagten, en onwillig om aan het billijke requisit Hun„ ner Hoog Edelheden te voldoen, dan zal ik van Broeder eene briev verwagten voor Hunne Hoog Edelheden, en die naar Batavia Voorts groet ik Broeder aller hartelijkst, en salueere mede pange„ rang Adipattij Anum Mancoenagara op het vriendelijkste, en dat doet ook mijn vrouw de Ratoe, onden toewensching van Gods beste heil en zeegen bij aanhoudendheid nog veele Jaaren. —. /:onderstond:/ Geschreeven te Samarang op Maandag den 2:' Au„ gustus anno 1779. /:was getekend:/: I: R: vanden Burgh. —. Copia zenden. Pag: 49. 213. 438 Samarang den 10:' Augustus A„o 1729. — Bijlaag Lta. D. Copia Translaat Javaansche missive ge„ schreeven door den sulthan Amingkoeboe„ „ana etc:a te Djoejocarta, aan Den Heere Iohannes Robbert van der Burgh„ Raad Extra-ordinair van Nederlandsch Indie en Gouverneur en Directeur op en langs Iavas Noord-Oost-Kust, ontfan„ gen te Samarang den 6=e Augustus 1779. — Broeder ik heb het antwoord van uwel Ed=e Groot Achtb=re op mijn brief wel ontvangen, en bedanke uwel Ed=e Groot Achtb=r voor Hoogst: Derzelver verzoek en raadgevingen, om de overlopers van Mancoenagara weder uit te Leveren, terwijl dat zoo wel onderdaanen, van den Keijzer waaren, als de volkeren die Broeders zoon den pangerang Adipattij Anum Mancoe„ nagara te djocjocarta onder hem heeft, mijn onderdaanen zijn, maar Broeder, het is daar mede na mijn gedagten zoo niet gelee„ gen want mijn zoon pangerang Adipattij Anum Mancoe„ nagara, is alleen gelijk te stellen met mijn klein zoon als den pangerang Adipattij Anum te Soura Carta, zoon van den Keijzer, welke ook die naam voert, dog ingevalle Broeder nevens de Compagnie op dit verzoek blijft aandringen, dat ik de volkeren van Mancoenagara zal uitleveren, dan ver„ „zoek ik ook zeer vriendelijk zoo aan Broeders als de Comp=e dat hij als dan, al was het maar voor een of twee nagten tot mij mag overkomen, om onze oude vriendschap te vernieuwen en mij te swieren dat hij mij voortaan daar mede zal bij blijven, wanneer ik Hbem hier na, alle zijne onder mij zijnde vol„ keren zal restitueeren, en zoo hij mogt twijfffelen aan mijn voorgemelde goede intentie, danr verzoek ik Broeder met de Compagnie, voor mij als Borg daar omtrent te willen in„ stran, dat ik die volkeren nn't keeren zal, alzoo ik van gevoe„ len ben, Broeder immers bewust is en ook de Compagnie de zaaken tusschen mij en Mancoenagara. Jk
English
Samarang the 10th August Anno 1779. such a favorable arrangement, for the economizing of costs for Your Highness, and the saving of trouble and danger for the Envoys; and whereas I can assure Brother that it will especially exceedingly surprise and displease His High Excellency the Lord Governor-General, and also the Lords Councillors of the Indies, that Your Highness, their friend and Ally, pays no regard to Their particular indulgence, but is the only one who does not honor their wise and gracious arrangement, so do I find myself, in the continuation of friendship and affection, obliged to advise my Brother Your Highness to comply with the requisition, and to have the customary homage paid by His envoys here in Samarang, the more so as the time is already so far advanced that I could not provide them transport to Batavia this year; but if Your Highness, also in this matter against my advice, remains of another mind, and unwilling to comply with the equitable requisition of Their High Excellencies, then I shall expect a letter from Brother for Their High Excellencies, and send it to Batavia. Furthermore I greet Brother most cordially, and likewise salute Pangerang Adipattij Anum Mancoenagara in the most friendly manner, as does also my wife the Ratoe, wishing God's best salvation and blessing continuously for many more years. At the bottom stood: Written at Samarang on Monday the 2nd August anno 1779. Was signed: I: R: van den Burgh. Copy Page 49. 213. 438 Samarang the 10th August Anno 1779. Appendix Letter D. Copy Translation Javanese missive written by the Sultan Amingkoeboeana etc. at Djocjocarta, to The Honorable Iohannes Robbert van der Burgh, Extraordinary Councillor of the Dutch Indies and Governor and Director on and along Java's North-East Coast, received at Samarang the 6th August 1779. Brother, I have duly received the answer of Your Honorable Grand Right Respectable to my letter, and thank Your Honorable Grand Right Respectable for His utmost request and counsels to extradite again the defectors of Mancoenagara, while those were subjects of the Emperor as well as the people whom Brother's son the Pangerang Adipattij Anum Mancoenagara has under him at Djocjocarta are my subjects, but Brother, in my opinion the matter does not stand thus, because my son Pangerang Adipattij Anum Mancoenagara is only to be equated with my grandson like the Pangerang Adipattij Anum at Soura Carta, son of the Emperor, who also bears that name; but in case Brother alongside the Company continues to insist upon this request, that I shall extradite the people of Mancoenagara, then I also very kindly request both Brother and the Company that he may then, even if only for one or two nights, come over to me, to renew our old friendship and swear to me that he will henceforth abide with me in this, whereupon I will hereafter return to Him all his people who are under me; and if he should doubt my aforementioned good intention, then I request Brother with the Company to be willing to act as surety for me in that regard, that I shall return those people, since I am of the opinion, Brother is indeed aware, and also the Company, of the matters between me and Mancoenagara. I G Samarang the 10th August Anno 1779. I have until today, notwithstanding what has in this regard been argued by Your Honorable Grand Right Respectable, not yet been able to bring myself to send my envoys to Samarang to pay the homage to His High Excellency my grandfather the Lord Governor-General, and to do so before Your Honorable Grand Right Respectable, as my heart on this matter still remains uneasy; and whereas Brother had been pleased to remind me that it would then be best that I wrote a letter to Their High Excellencies about it, so do I now comply with that, with the answer that I serve to the missive of Their High Excellencies wherein I request that I may, according to former custom, send my envoys to Batavia. Further Brother and Madam are greeted from the heart by me and Pangerang Adipattij Anum Mancoenagara, as well as the Ratoe, wishing God's most precious blessings, and an enduring health upon this earth. At the bottom stood: Written at Djocjocarta Adiningrat on Thursday the 22nd of the month Radjab in the year Wa-u 1705, or the 5th August 1779. Below lay: translated by me, was signed: F: P: Boltze, Translator. Agrees. Markeij 2951 214. 440 Samarang The 18th September 1779. To His High Excellency, The High Noble Rigorous Grand Right Respectable Lord Reinier De Klerk, Governor-General, and The Right Honorable Rigorous Lords Councillors of the Dutch Indies, etc. etc. etc. High Noble Rigorous Grand Right Respectable Lord and Right Honorable Rigorous Lords! The Lieutenant of the Company of Dragoons at Djocjocarta Iohan Philip Schwalm having suddenly deceased, I take the liberty to propose to Your High Excellencies for advancement to Lieutenant the Cornet of the Samarang Dragoons Carel Fredrik von Booze, and in turn to Cornet the Sergeant Jacob Pentzlin, who in anno passato in the action against the descendants of Pangerang Rongo earned an officer's position, and whom I, pending the favorable approval of Your High Excellencies, have now provisionally favored therewith and already ordered to Djocjocarta, because through the death of Lieutenant Schwalm aforementioned and the transfer to the Infantry of Cornet Sijlvius, there was over there, besides the Captain of Horse, only one officer with the Dragoons, and this one alone could not observe the guard at the Sultan's. With
Dutch transcription
Samarang den 10:e Augustus A=o 1779. —. eene zoo gunstige schikking, tot menagement van kosten voor Vw Hoogheid, en uitwinning van moeite en gevaar voor de Gezanten; en dewijl ik Broeder verzeekeren kan, dat het speciaal zijn Hoog Edelheid den Heere Gouverneur Generaal, en ook de Heeren Raaden van Jndie, ten uitersten verwonderen en mishagen zal, dat vw Hoogheid haaren vriend en Bondgenoot, geen reflectie op Haar bezonder toegevendheid slaat, maar de eenigste is, die haare wijze en gratieusse schikking net eerbiede, zoo vinde ik mij, in't bijblij„ vande vriendschap en toegenegentheid verpligt, mijn Broeder vir Hoogheid te raaden, aan het requisit te voldoen, en door des„ selvs Gezanten hier te samarang de gewoone hulde te laten af„ leggen, te meer daar de tijd alreeds zoo verre verlopen is, dat ik hen dit Jaar geen transport naar Batavia zoude kunnen bezor„ gen; doch blijft vw Hoogheid ook in deezen tegen mijne raad bij andere gedagten, en onwillig om aan het billijke requisit Hun„ ner Hoog Edelheden te voldoen, dan zal ik van Broeder eene briev verwagten voor Hunne Hoog Edelheden, en die naar Batavia zenden. Voorts groet ik Broeder aller hartelijkst, en salueere mede pangi„ rang Adipattij Anum Mancoenagara op het vruendelijkste, en dat doet ook mijn vrouw de Ratoe, onder toewensching van Gods beste heil en zeegen bij aanhoudendheid nog veele Jaaren. . /:onderstond:/ Geschreeven te Samarang op Maandag den 2:' Au„ gustus anno 1779. /:was getekend:/: I: R: van den Burgh. —. Copia Pag: 49. 213. 438 Samarang den 10:e Augustus A„o 179. — Bijlaag Lra D. Copia Translaat Javaansche missive ge„ schreeven door den sulthan Amingkoeboe„ „ana eto:a te Djocjocarta, aan Den Heere Iohannes Robbert van der Burgh„ Raad Extra-ordinair van Nederlandsch Indie en Gouverneur en Directeur op en langs Iavas Noord- Oost-kust, ontfan„ gen te Samarang den 6=e Augustus 1779. Broeder ik heb het antwoord van uwel Ed:e Groot Achtb=re op mijn brief wel ontvangen, en bedanke uwel Ed=e Groot Achtb=r voor Hoogst. Derzelver verzoek en raadgevingen, om de overlopers van Mancoenagara weder uit te Leveren, terwijl dat zoo wel onderdaanen, van den Keijzer waaren, als de volkeren die Broeders zoon den pangerang Adipattij Anum Mancoe„ nagara te djocjocarta onder hem heeft, mijn onderdaanen zijn, maar Broeder, het is daar mede na mijn gedagten zoo niet gelee„ gen want mijn zoon. pangerang Adipattij Anum Mancoe„ nagara, is alleen gelijk te stellen met mijn klein zoon als den pangerang Adipattij Anum te Soura Carta, zoon van den Keijzer, welke ook die naam voert, dog ingevalle Broeder nevens de Compagnie op dit verzoek blijft aandringen, dat ik de volkeren van Mancoenagara zal uitleveren, dan ver„ „zoek ik ook zeer vriendelijk zoo aan Broeders als de Comp=e dat hij als dan, al was het maar voor een of twee nagten tot mij mag overkomen, om onze oude vriendschap te vernieuwen en mij te sweiren dat hij mij voortaan daar mede zal bij blijven, wanneer ik Hem hier na, alle zijne onder mij zijnde vol„ keeren zal restitueeren, en zoo hij mogt twijfffeluw aan mijn voorgemelde goede intentie, dan verzoek ik Broeder met de Compagnie, voor mij als Borg daar omtrent te willen in„ staan, dat ik die volkeren in't keeren zal, alzoo ik van gevoe„ len ben, Broeder immers bewust is en ook de Compagnie de zaaken tusschen mij en Mancoenagara. Jk G Samarang den 10„e Augustus A:o 1779. —. Ik heb tot heeden toe, in waerwil van het ten deezen betoogde door Vwel Ed:e Groot Achtb=re, nog niet over mij kunnen verkrijgen„ om mijne zendelingen, ter aflegging van de homagie, aan zijn Hoog Edelheid mijn groot vader den Heere Gouverneur Generaal na samarang te zenden, en die bij vwel Ed=e Groot Achtb=re te doen, alzoo mijn hart hier over als nog ongerust blijft; en dewijl Broeder wij indagtig had gelieven te maaken, het als dan het beste was, dat ik desweegen een brief aan Hunne Hoog Edel„ hedens daar over schrijfde, zoo voldoen ik tans daar aan, met het antwoord, dat ik diene op de missive van Hunne Hoog Edelheden waar inne verzoeke, dat ik, na voorige gewoonte mijn zendelingen naar Batavia zenden mag. wijders word Broeder, en Mevrouw, van mij en pangerang Adipattij Anum Mancoenagara, mitsgaders de Ratoe van harten gegroet, onder toewensching van Godes dier baar„ ste zegeningen, en een duurende gezondheid op deezer aard. /:onderstond:/ Geschreeven te djocjocarta Adiningrat op Dondin„ dag den 22=e' der maand Radjab in het jaar wahoe 1705. ofte den 5:e' augustus 1779. /:lagen:/ getranslateerd door mij /:was gete„ kend:/ F: P: Boltze, Translateur. — Accorsseert. Markeij su 2951 214. 440 Samarang Den 18:' September 1779. — Aan Zijn Hoog Edelhied. Den Hoog Edel Gestrenge Groot Achtbaren Heere Reinier De Klerk Gouverneur Generaal en De wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Ne„ „derlandsch Indie; enz: enz: enz: Hoog Edel Gestrenge Groot Achtbaren beene len Wel Edele Gestrenge Heeren! Den Luitenant onder de Compagnie Dragonders te Djoc„ „Jocarta Iohan Philip Schwalm subict overleeden weezende, neeme ik de vrijheid uwe Hoog Edelheeden om avan„ cement tot Luitenant voor te dragen den Cornet onder de Samarangsche dragonders Carel Fredrik von Booze en weder tot Cornet den wagtmester Iacob Pentzlin, die in anno passato in de actie tegen de afkomelingen van pangerang Rongo een officiers plaats heeft verdiend en ik op de gunstige approbatie uwer Hoog Edelheden daar mede nu provisioneel begunstigd en reeds naar djoc„ Jocarta gecommandeert heb, om dat door het overlijden van den Luitenant Schwalm. voormeld en het Changement tot de Jnfanterij, van den Cornet Sijlvius, aldaar buiten den Rilmeester maar een officier bij de dragonders was, 24 en deezen alle in de wagt bij den Sulthan niet waarnee„ men konde. Met
English
Samarang the 18th of September 1779. With perfect respect and true high esteem, may I be permitted to remain dutifully. Below stood: Right Honorable, Valiant, Highly Esteemed Lord, and Honorable, Valiant Lords, lower: your Right Noble Honors' humble and faithful servant, was signed: I: R: van den Burgh, in the margin stood: Samarang the 18th of September 1779. Agreed. Markeij Incoming Secret Letter Book with the Enclosures Transmitted 1780. Second Part 1 Second Part Incoming Secret Letter Book with the Enclosures Transmitted 1780. Second Part Register of the Secret papers, which by order of the Honorable Esteemed Lord Jacob Roeland Thomaszen, Master of Laws, Governor and Director of the Moluccas, per the private Bark of the Ternate Civic Captain Lieutenant Feit Landauw, the Anna Christina, are being sent to Batavia, consigned and addressed To his Right Noble Honor the Right Noble, Valiant, Highly Esteemed and Far-Ruling Lord Reijnier de Klerk Governor General, along with the Honorable, Valiant Lords Councillors of the Dutch Indies This Register Original Secret Dispatch from and to the persons as in the head of this document, dated this day. A A Bundle of secret Enclosures marked from No 1 to No 24, belonging to the aforesaid dispatch, behind which are two Lists of the retinue of the King and Crown Prince of Tidore Original Dispatch from Their Right Noble Honors, to the King and Grandees of the Realm of Tidore, which is now, by reason of the departure of his Highness to Batavia, returned again to Their said Honors. Ternate in Fort Orange the 29th of May 1779. was signed: H: A: de Chalmot acting secretary H: A: de Chalmot acting secretary 1 Agreed 3 Batavia To his Right Noble Honor The Right Noble, Valiant, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord Reijnier de Klerk Governor General along with The Honorable Valiant Lords Councillors of the Dutch Indies Right Noble, Valiant, Highly Esteemed, Valiant, Wise, Provident, Discreet, very Generous Lord Honorable Valiant Lords! Intending to reply fully at the customary time to your Right Noble Honors' highly esteemed secret letters of the 6th of November and 31st of December 1778, I send this in advance, primarily to congratulate Your Right Noble Honors most respectfully on an event that is as momentous as it is remarkable and remarkable for the prevailing interest of the Company, entwined with the public welfare, but which will also always serve for the dread and fear of the Moluccans, and the reassurance of our good and faithful Allies. This joyful Event, the execution of which according to my humble abilities and best knowledge had been maturely considered beforehand, undertaken with all possible caution and discretion, and crowned through Heaven's blessing with a fortunate outcome, then consists in the capture of three of the greatest Enemies of the Company, namely the Kings of Tidore and Bachian and the Crown Prince of the first-named Realm, who is hated by his own people, of whom the first is now departing with the private Bark the Anna Christina, belonging to the Captain Lieutenant of the Civic Guard Feit Landauw, and the latter has already been sent with the Pantjalling Ternaten on the 17th of this month to the Indian Capital to be at Their said Honors' widely renowned wise disposal for the public tranquility and prosperity of the Moluccas; but the second, or the King of Bachian, I must still detain here, since I flatter myself that during his interrogations, which have not yet taken place due to the multitude of duties relating to Tidore affairs, several secrets will be discovered. Not until after a slow and calm investigation 3 investigation of everything that occurred from the Year 1758 until the present time regarding the Courts of Tidore and Bachian, without having neglected the reading of the preceding cases and successively concluded Contracts with the said Courts, did I proceed to that unavoidable decision, in order to make the aforementioned Rulers of those Realms experience that the Company has been provoked too long by their perpetual deviations from the sworn treaties, not to make them finally feel its rightful displeasure and to punish them in such a manner that their treacherous designs are completely and utterly foiled, and their power to proceed further therein is wholly destroyed. If your Right Noble Honors already in the Year 1766, by Their said Honors' secret letter of the last day of December, judged on good grounds that "maintaining the balance between the Moluccan Principal Kings has indeed for a long time been the principal object of a beneficial and prudent manner of governing, and one that best suited the interest of the Dutch Company, but when their malevolent conduct requires an absolute change of System, one must then, according to time and means, provide for it by suitable measures; and that when one must once resort to the force of arms
Dutch transcription
Samarang den 18:' September 179. . Met volmaakte eerbied en waare hoog agting, zij het mij g'oorloofd pligtschuldig te blijven. . /:onderstond:/ Hoog Edel Gestrenge Groot Achtbaaren Heere, en wel Edele Gestrenge Heeren, /:lager:/ uwer Hoog Edelheden on„ „derdanige en trouwe dienaar /:was geteekend:/ I: R: van den Burgh, /:in margine stond:/ Samarang den 18.' September 1729. —:- Accorsteert. Markeij su, Inkomend Secreet Bboek met de Bijlagen Overgekoomen. 1780. Tweede Deel 1 Tweede Deel Inkomend Secreet Bboek met de Bijlagen Overgekoomen 1780. Tweede Deel m Pay1 Register der Secrete papieren, die ter ordre van den wel Edelen Achtbaaren Heer Jacob Roeland Thomaszen, Mr. Gouverneur en Directeur der Moluicos, per de particuliere Bark van den Ternaatsch Burger Kapitein Luitenant Feit Landauw, de Anna Christina, naar Batavia werden gezonden, ge„ consigneert en beschreven Aan zijn Hoog Edelheid den Hoog Edelen Gestrengen Groot Achtbaren en wijd gebiedenden Heere Reijnier de Klerk Gouverneur Generaal, nevens de wel Edele Gestrenge Heeren Raa. „den van Nederlandsch Indië Dit Register Originele Secrete Missive van en aan als in den Hoofde dezes, gedateerd op heden. Een Een Bundel secrete Bijlagen gemerkt van N=o 1 tot No. 24, tot voormelde missive behorende, waaragter twee Lijsten van het gevolg van den Koning en Kroonprins van Tidore Originele Missive van Hunne Hoog Edelheden, aan den Koning en Rijksgrooten van Tidore, die tans, mits het ver„ „trek van zijn Hoogheid naar Ba„ „tavia, weder aan Hoogst dezelve word terug gezonden. Ternaten in 't Kasteel Orange den 29. Meij 1779. (was getekend) H: A: de Chalmot pl secretars HH: de Chalmot p=r secret=s 1 Accordeert 3 Batavia Aan zijn Hoog Edelheid Den Hoog Edelen Gestrengen Groot Achtbaren wijdgebiedenden Heere Reijnier de heer Gouverneur Generaal nevens De Wel Edele Gestrenge Heeren Raden van Neder„ „lands Indië Hoog Edele Gestrenge Groot Achtbare Man, „hafte wel wijze, voorzienige, Discrete zeer Genereuse Heer Wel Edele Gestrenge Heeren! uwer Hoog Edelheden veel g'eerde secrete brieven van den 6: November en 31: December 1778 ter gewoonlijke tijd volle, „dig zullende beantwoorden, laat ik deze voorafgaan, om voor„ „naamlijk Uwe Hoog Edelheden op het eerbiedigste te vergelukken met eene gebeurtenis, die zoo gewigtig als merkwaardig en merswaardig is voor het prevalerend belang der Maatschap„ „pije, verknogt met het algemeen welzijn, maar ook altoos tot schrik en vrees der Moluccanen, en gerustelling on„ „zer brave en getrouwe Bondgenoten zal strekken. Dit heugelijk Evenement, welkes uitwerking naar mijne ge„ „ringe vermogens en beste kennis lagen tevoren rijpelijk over„ „gelegd, met alle mogelijke voorzigtigheid en beleid ondernomen, en door 's Hemels zegen met een gelukkig uitslag be„ „kroond, bestaat dan in de gevangenneming van drie der grootste Vijanden van de Compagnie, namelijk de Koningen van Tidore en Batchian en de bij zijn eigen land„ „aart gehaat zijnde Kroonprins van het eerstgemelde Rijk, van welken de eerste met de particuliere Bark de Anna Christina, toebehorende den Kapitein Luitenant der Bur„ „gerij Feit Landauw, tans vertrekt, en de laatste reeds met de Pantjalling Ternaten op den 17. dezer verzon„ „den is naar de Indiasche Hoofdplaats tot Hoogstder„ „zelver alomberoemde wijse dispositie voor de publieke rust en welvaart der Moluccos; dog de tweede, of de Koning van Batchian moet ik hier nog aanhouden, dewijl ik mij vlije dat bij de ondervragingen van hem, die als nog niet gedaan zijn wegens de menigvuldige bezigheden met betrekking tot de Tidorsche zaaken, verscheiden ge„ „heinen zullen werden ontdekt. Niet eerder, dan na een langzaam en bedaard on„ „derzoek 3 „derzoek van al het voorgevallene zedert het Jaar 1758. tot den tegenwoordigen tijd, ten aanzien van de Hoven van Tidore en Batchian, zonder egter de doorlezing der voor„ „gaande gevallen en Successive gemaakte Contracten met de ged: Hoven te hebben verzuind, ben ik tot dat on¬ „ vermijdelijk besluit overgegaan, ten einde de voornoem„ „de Vorsten dier Rijken te doen ondervinden dat de Com„ „pagnie te lange getergd is door hunne onophoudelijke af„ „wijkingen der bezworene verbonden, om hen niet ein„ „delijk haar regtmatige misnoegen te doen gevoelen en zoodanig te straffen, dat hunne verraderlijke desseinen geheel en al verij„ „deld, en hun vermogen om daar in verder voort te kunnen gaan ganschelyk vernietigd werden. Hebben uwe Hoog Edelheden al in den Jare 1766. bij Hoogst derzelver secreten brief van ultimo De„ „cember op goede gronden geoordeeld dat „ het evenwigt te „houden, tusschen de Moluccosche Hoofd Koningen wel „zedert en geruimen tijd het principaalste oogmerk is „geweest eener voordelige en voorzigtige wijze van regeeren; „en die het meeste quadreerde met het intrest van de „ Nederlandsche Maatschappije, dog wanneer het „kwaadwillig gedrag derzelven eene volstrekte verandering van „ Sijstema vereischt, men dan naar mate van tijd en ver„ „mogen niet gepaste middelen daar in moet voorzien; en dat „ wanneer men eens tot het geweld der wapenen moet