Inventory 3568
Coromandel · 402 pages · 52 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
63 which is described there at length. Reasons for the shortfall at Nagapatnam. One hopes that the Gentlemen Masters will be satisfied therewith and will console themselves with the poor outcome. Report concerning the contracting for this year. offer. For therein it is described at length what a consternation that invasion has caused from Palliacatta to this place. It is true, Naider Alichan has not yet penetrated to this place. But his invasion has nonetheless prevented our merchants from making collections in the Oudeaarpalium district since the month of June. To which, accordingly, they have also attributed their shortfall. Which we hope Your Right Honorable Right Worships will be pleased to accept as sufficient, and furthermore will be pleased to console yourselves with this disadvantageous result of the collection, as having been caused by impediments against which we had no power. How it will now go with the collection for this Which has not yet taken place at Sadras or Palliacatta, for reasons when the contracts were concluded and what was advanced to the merchants thereupon. Subject to the approval of the Gentlemen Masters. this year, time must tell. Concerning Sadras and Palleacatta, the prospects are not favorable, as long as the theater of war remains so close by. And therefore it would not yet be advisable to make any contracts there at present for the Demands of this year. But because the danger is not yet so close by, we have contracted with our merchants on the 11th of December. However, we at first advanced them only five, but later, upon their urgent solicitations, and in consideration of the fact that it is now the best time for the collection, another 15000, or in total 20000 Pagodas for delivery: Which we hope will be approved by Your Right Honorable Right Worships. At Jaggernaikpoeram, Palicol and Checked J Luyken 2 64 Confidence of the Government that the contracting in the North will take place shortly. And that the Demands will be completely fulfilled. Report on the sales in 1779/80. and Bimilipatnam, the contracts will also, we trust, be concluded shortly; for there, until now, or as long as Haider Ali remains with his troops on this side of the river Kistna, it can take place without danger. And accordingly we hope and trust that those will again be completely fulfilled. As for ours, we shall take as much care for its fulfillment in good woven fabrics as can be expected from faithful and honor-loving Servants. However poorly the collection has turned out, and however much reason we consequently also had to fear that the sales would look even more disadvantageous, because, J v Luyken which succeeded better than in anno 1778/9, as is further shown in the general Summary and herewith because it has stood completely dead still at Palleacatta and Sadras from the invasion of Haider Ali, or from the end of the month of June until the present day, we nevertheless, contrary to all expectation, have the pleasure to impart that the same has succeeded rather better than in the previous year. By the accompanying General Summary of the sold merchandise on this coast in the recently expired Financial Year 1779/80, we therefore hope that Your Right Honorable Right Worships will see with some pleasure that the profits obtained on the merchandise sold on this coast have amounted to the noteworthy sum of ƒ372040: which, by comparison against anno 1778/9, when the profits yielded sum of Checked 65 The increased profit is called considerable. ƒ322342:2:8, shows a greater advantage of ƒ49697:16:8, as can be seen further in the following Demonstration; Namely this year Anno 1779/80 Anno 1778/9 more less At Nagapatnam ƒ 210:17:8 ƒ 68:19: ƒ —:—: ƒ 40704:1:8 At Sadraspatnam ƒ 75396:14:8 96018:6: ƒ —:—: ƒ 20646:1:8 At Palleacatta ƒ 7485:6:8 ƒ 19395:18:8 ƒ —:—: ƒ 11910:12:— At Jaggernaekpoeram ƒ 1305:1:8 ƒ 129:3:8 823:18:— —:—: At Bimilipatnam ƒ 13000:—: ƒ 87364:16:8 ƒ 42635:3:8 —:—: Total ƒ 372040: ƒ 322342:2:8 ƒ 72959:8: ƒ 73261:5:— The more deducted from the less ƒ 322342:3:8 It appears that in the latest financial year more was gained ƒ 49697:16:8 agrees ƒ 49691:16:8 Which one may truly call a considerable increase in profit, when one pays attention to the present times. Yet apparently our profits would ƒ 73261:5:— But it could nevertheless have succeeded even better for the reasons stated in the margin. And the sale of the sugar and camphor brought by the Triton and Hoorn would also have helped much toward this. have been rather more considerable if we had been able to provide Sadraspatnam, Jaggernaikpoeram and Bimilipatnam with somewhat more nutmegs and mace, because that would have caused the sale of both the cloves and the Japanese bar copper to rise noticeably. Although, moreover, the consumption of the latter, especially around Jaggernaikpoeram, is very much hampered by the arrival of Swedish sheet copper, which, although it is not as good as the Japanese bar copper, is nevertheless used by the native for the striking of dabboes; which causes much harm to our trade in the same at Jaggernaikpoeram and Bimilipatnam. And it would also have helped not a little toward this if we had been able to sell the sugar and the camphor brought from Batavia by the ships Triton and Hoorn for a suitable price. 1 Checked J Luyken The 1
Dutch transcription
63 wat daar bij al in het breede beschreeven is. Reedenen van de non voldoening te Nagapatnam aan hoopt aat de Heren Magores zig daarmede voldaan zullen hhouden en zig den slegten uijtslag zullen getroosten. verslag ontrent de aanbesteeding voor dit Jaar. bieden. want daar bij in het breede be„ schreeven is, wat een consternatie dien in„ vat al verwekt heeft van Palliacatta af tot hier toe. Het is wel waar Naider Alichan is nog niet tot hier toe door gedron„ gen. Dog zijnen inval heeft egter onze kooplieden belet, om in het ordeaar paliums districkt inzaam te kunnen doen, sedert de maand Iunij. Waaraan zij dienvol„ gende ook hunne te kort koming hebben toegeschreeven. Het geen wij hoopen dat uwe Hoog Edele Hoog Agtbaare voor vol„ doende zullen gelieven aan te neemen, en zig voorts deezen nadeeligen uijtslag van den inzaam wel zullen gelieven te troosten, als veroorzaakt zijnde door impedimenten waar tegen wij niets vermogten. Hoe het nu met den inzaam voor dit Die nog niet op Sadras of Pallia„ „catla is geschied, om reden wanneer hij de Contracten gesloten zijn en wat daarop aan de kooplieden is verstrekt. op approbatie der Heeren Meesters dit Jaar gaan zal moet de tijd leeren. om„ „trent Sadras en Palleacatta zijn de voor uijtzigten niet favorabel, zoo lang het toneel van den oorlog en zoo digte bij blijft. En derhalven zou het nog niet raadzaam wee„ zen om daar tans eenige aanbesteeding te doen op de Eijsschen van dit Jaar. Dog wij hebben, om dat het gevaar nog niet zoo na bij is, op den 11: December gecontia„ „teerd met onze kooplieden. Egter aan haar eerst maar vijf, dog naderhand, op haar dringende sollicitatien, en uijt aanmerking het tans den besten tijd van den inzaam is, nog 15000:, of in 't geheel 20'000: Sa„ gooden op leverancie verstrekt: Het geen wij hoopen dat door uwe Hoog Edele Hoorg Agtb: zal worden geapprobeerd. op Iaggernaikpoeram, Palicol en Nagesien J Luyken 2 64 vertrouwen der Regeering, dat de aanbesteedingen om de Noord eerst„ woags geschieden zullen. En dat de Eijschen compleet zullen worden voldaan. Verslag van den vertier in 17 3/80 en Bimilipatnam, zullen de Contracten, dit vertrouwen wij, ook eerstdaags gesloten worden; want het daar, tot nog toe, of zoo lang Harder Ali, met zijne trouppes aan deeze zijde van de rivier de kistna blijft, zonder gevaar geschieden kan. En dienvolgende hoopen en vertrouwen wij dat die weder Compleet zullen worden voldaan. wat de onze aangaat, we zullen voor dies voldoening in deugdzaam geweef, zoo veel zorg draagen, als van trouwe en eerlievende Dienaaren, kan worden verwagt. Hoe slegt den inzaam ook is af„ geloopen, en hoe veel reeden wij dienvolgende ook hadden, om te vreezen dat het er met den vertier nog nadeeliger zou uijtzien, want, Jv Luyken die beter als in anno 177 8/9 ge„ slaagt is, zoo als nader aangetoond word bij het generaal Sommarium en hier nevens want die volstrekt van den inval van Haider Ali, of van het laast van de maand Junij af, tot heeden toe op Palleacatta en sadras dood stil staat, hebben wij egter tegen alle verwagting aan, het genoegen te be„ deelen, dat dezelve vrij beter geslaagt is, als in het voorige Jaar. Bij het nevensgaande Generaal sommarium der verkogte koopmanschappen ter deezer kuste in het Jongst geexpireerde Boekjaar 1729/80, hoopen wij derhalven, dat uwe Hoog Edele Hoog Agtb: nog al met eenige wel gevallen zullen zien, dat de winsten op de vertierde koopmanschappen ter deezer kuste behaald, bedraagen hebben eene naamwaardige somme van ƒ372040: het geen bij vergelijking tegen anno 1778/9 wanneer de winsten gerendeerd hebben vate Nagesien 65 De vermeerder de winst wordt aanzienlijk genoemd. „322342: 2: 8:, een meerder voordeel aan„ „toond van ƒ49697: 16:8:, zoo als nader te zien is bij de ondervolgende Demon„ „stratie; Namentlijk dit Iaar A:o 17 7/80 A:o 17 8/9 meerder minder Te Nagapatnam _ _ _ _ - _ ƒ 210:17:8ƒ68:19: ƒ —: —: ƒ 40704:1:8: „ Sadraspatnam - - - - - - „ 75396:14:8: 96018:6: „ —: —:-„ 20646:1: 8: „ Palleacatta. - - - - - - - „ 7485:6:8„ 19395:18:8„ —: —: — „ 1910:12: „ Iaggernaekpoeram - - - - „1305:1:8: ƒ129:3:8: 823:18:— —: -:. „ Bimilipatnam; - - - - - „13000:—:„87364:16:8„ 42635:3:8: —: —: - Teld - - - - -ƒ3700: ƒ 23:2:ƒ2959:8: ƒ3261:5:- Het meerdere van het mindere gedetraheerd Zijnde - - - - - - - - - „ 322342:3: 8: Blijkt, dat er in het Jongste boekjaar meerder gewonnen is - - - - - - - - ƒ469:16: 8: acordeet ƒ 49691:16: 8: Dat men waarlijk wel een aanzienlijke winst vermeerdering noemen mag, wanneer men agt geeft op den presenten tijd. Dan vrij aanzienlijker, zouden appa„ „ 73261:5:— rentelijk ee Dog had egter nog beter kunnen slaagen om reedenen ter zijden gemeld. En zou hier toe ook veel geholpen hebben den vertier der zuijker en kamfer met de Triton en Hoorn aangebragt. „rentelijk onze winsten geweest zijn, zoo wij Sadraspatnam, Iaggernaikpoeram en Bimilipatnam van wat meerder nooten en foeli hadden kunnen voorzien, want dat den vertier; zoo wel van de nagelen als het Japans staaf koper merkelijk zou hebben doen rijzen. Hoewel boven dien den aftrek in het laaste, voor al omtrent Jag geraik„ „ poeram, zeer gestremt wordt, door den aanva van Zweeds plaat koper, dat schoon het niet zoo goed als het Japansch staaf koper en door den inlander egter tot het slaan van dabboesen gebruijkt wordt; het geen veel nadeel toebrengt aan onzen handel in het zelven op Jaggernaik poeram en Bimilipatnam. En hier toe zou ook niet wijnig geholpe hebben, zoo wij de zuijker en de kamfer met de scheepen de Triton en Hoorn van Batavia aangebragt voor een Convenabel prijs had„ 1 den Nagesien J Luyken Den 1
English
66 trusts that the Gentlemen will be satisfied with the advances. Promises to do everything possible to continue the present trade. The state of the arrears described, and what has been paid off at Palicol. could dispose of them. As there is currently no advantageous prospect of this, we trust that Your Right Honorable High Mightinesses will be pleased to be satisfied with the obtained advances. While we, for our part, assure Your Right Honorable High Mightinesses that we will do everything possible to make the trade succeed well this year as well. Regarding the arrears of the merchants on this coast, there is currently nothing else to report except that the merchants of Palicol have reduced their debit by ƒ 1412: 4: 8. We take the liberty, according to annual custom, to offer herewith to Your Right Honorable High Mightinesses a general summary of their arrears closed as of the end of August 1780, F Luyken Demonstration of how much they still amounted to under the end of August 1780. And in what amount the indebted offices participate. Palicol Hope for the settlement of the Palicol and Jaggernaikpoeram debts. whereby it is clearly demonstrated that, because the merchants of Palicol have reduced their debit, the general arrears of the merchants on this coast, which at the end of August of last year amounted to . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . ƒ 71340: 7: — at the end of August 1780 only amounted to - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - ƒ 69928: 2: 8 in which Portonovo with . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . ƒ 50946: 6: — Palicol . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . ƒ 5985: 10: — and Jaggernaikpoeram . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . ƒ 12996: 6: 8 come to participate. Which for the whole, as said, again by . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . ƒ 1412: 4: 8 Which, as far as Palicol and Jaggernaikpoeram are concerned, will indeed within a few years amounts to . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . ƒ 69928: 2: 8 Examined 1 67 But not for those of Portonovo, reasons why. years be liquidated, considering that for the settlement of the Jaggernaikpoeram arrears there is only lacking the crediting of the freight charges of the linens sent by the merchants on recognition, expected from Batavia, which we anticipate shortly. However, concerning Portonovo, we fear that those debts will have to be written off as hopeless, because those merchants, the majority of whom were people of small means, were entirely ruined by the recent plundering of that place. And concluding herewith this article, whose slight reduction we hope will nonetheless be somewhat pleasing to Your Right Honorable High Mightinesses, Demonstration of the cash on hand on this coast. Conclusion of the usual report. Reasons why the pay-books cannot be sent over. we have the honor to report, with relation to the cash on hand, according to annual custom, that we, according to the last received reports, were provided with it both here and at our subordinate factories as follows: At Nagapatnam at the end of December in Pagodas, gold and silver specie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Pagodas 150600: 14: — At Sadraspatnam at the end of August . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Pagodas 1540: 1: 60 At Palleacatta at the end of July . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Pagodas 1672: 18: — At Palicol at the end of August . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Pagodas 4448: 18: 20 At Jaggernaikpoeram at the end of July . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Pagodas 22642: —: — At Bimilipatnam at the end of June and July . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Pagodas 11479: 14: — Amounting together to . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Pagodas 192375: 18: — And concluding our usual report herewith, we hope that Your Right Honorable High Mightinesses will generally be pleased with our transactions. Although we are annually accustomed on this occasion to present to Your Right Honorable High Mightinesses Examined J Luyken 68 What will be done regarding them in order to be able to send them over in October. Offering of three drafts for money accepted into the treasury. the pay-books of this office, we must nonetheless request that you not hold it against us that this is not currently done, because our pay-bookkeeper, through some pay papers from Bimilipatnam and Jaggernaikpoeram going missing during the transfer hither, has thus far not been able to proceed with the closing of the aforesaid books. However, as we shall write about this shortly to the said factories, we trust that they can without fail be sent off in the coming month of October. In accordance with the qualification obtained from Your Right Honorable High Mightinesses by extract of the Homeland letter of 25 September 1778, to draw annually three to four tons of gold on the same, we have accepted some money here into the treasury; and for that have issued three drafts (the originals of which accompany this) Demonstration to whom they have been granted. drawn on the General Dutch East India Company, to be paid after the conclusion of the spring sale of the year 1782: which we request may be honored with payment, namely: A draft to Miss Carolina Susanna Simons, widow Cantervisscher c.s., in the amount of ƒ 10510: 12: 8, to be paid to the gentlemen David and Abraham Valentijn, merchants in Amsterdam. A draft to Miss Anna Chatarina Discolij, widow Duijnevelt, in the amount of ƒ 2782: 1: 8, to be paid to the Reverend Mr. Mattheus Gargon Muratel, preacher of the Manor of Burg c.s. And a draft to the same, in the amount of ƒ 8300: 6: 8, to be paid to the gentlemen David and Abraham Valentijn, merchants in Examined F Luyken
Dutch transcription
66 sen vertrouwt dat de Heeren Mago„ des met de avancen genoegen zullen neemen. Eon belooft tot voortzetting van den presenten handel alles aan te wonden. Den staat der agterstallen beschre„ wat daarop te Palicol safgelegt den kunnen van de hand zetten. Dan hier toe voor als nog geen voordeelig uijtzigt zijnde, vertrouwen wij dat uwe Hoog Edele Hoog Agtbaare met de behaalde avancin genoegen zullen gelieven te neemen. Terwijl wij van onze zijde uwe Hoog Edele Hoog Agtb: verzekeren, dat wij alles zullen aanwenden wat maar mogelijk is, om den handel ook in dit Jaar wel te doen slaagen. Omtrent de Agterstallen der kooplieden ter deezer kuste, tans niets anders te bedeelen vallende, als dat de Palicolsche Handelaaren hunnen debet met ƒ 1412: 4:8: verminderd hebben, neemen wij de vrijheijd na Jaarlijk„d „sche gewoonte uw Hoog Edele Hoog Agtbaare neevens deezen aan te bieden een generaale samentrekking van derzelver agter„ stalten en ven F Luyken Aantooning hoe veel die nog be„ draagen hebben onder ult:o aug:s 1780. En voor hoeveelen de agter„ stallige Comptoiren in partici„ Palicol peeren. Hoope tot het verevenen der Palicolsche en Jaggernaikpoeram„ sche schulden. „stallen onder ult:o aug.:s 1780 afgesloten waar bij duijdelijk gedemonstreerd wordt, dat wijl de Palicolsche kooplieden hundien debet verminderd hebben, de generaale agterstallen van de kooplieden ter deezer kuste, welke onder ult:o aug:s vor9 groot geweest zijn. . . - . . . „ 7340: 7: — onder ult:o aug:s 1780 nog maar bedraagen hebben - - - - - - - „69928: 2: 8: waarin Portonovo met. . . . . . . . - . ƒ 50946: 6: — „. . . . . . „ 5985: 10: — en Iaggernaikp:r „. . . . . . . . . „ 12996: 6: 8: 18 komen te participeeren. Het geen voor het geheel gelijk gezegt, wederom met. . . . . . . . . . . . . . . . ƒ 1412: 4: 8:: Die voor zoo ver het Palicol en Jagger„ „naskpoeram aangaat wel binnen wijnig uijtmaakt. . . . . . . . . . . . ƒ69928:2: 8: Jaaren Nagesien 1 67 Maar niet tot die van Portonovo reedenen waarom Jaaren zullen worden geliquideerd, gemerkt en tot het verevenen der Iaggernaik poeram„ „sche agterstallen alleen maar manqueerd, de van Batavia verwagt wordende ten goede brenging van de vragt penningen der door de kooplieden op recognitie ver„ „zonden lijwaaten. Die wij eerstdaage te gemoet zien. Dog Portonons betreffende, wij vreezen dat die schulden als hopdoos zullen moeten worden afgeschreeven; uijt hoofde die Marchan„ „deurs, waarvan het grootste gedeelte luijden vangering vermogen waren, door de Jongste plundering van die plaats tot aal geruineerd geworden zijn. En hiermeede van dit articul afstappende, welkers geringe vermindering wij hoopen dat aan uwe Hoog Edele Hoog Agtb: nog al eenigzins aangenaam zal weezen te voren 8:2 :8: Aantooning van de ter deezer kuste aan handen zijnde Contanten Bepaaling van het gewoon verslag. Reedenen waarom de soldij-boeken niet kunnen overgaan. vooren gekomen, hebben wij, met relatie tot de Contanten, na Jaarlijksche gewoonte de eer te bedeelen, dat wij daarvan, volgens de laast ontvangen rapportin, zoo hier als of onze onderhoorige Factorijen zijn voorzien ge„ weest, als volgd. Te Nagapatnam onder ult:o December aan Pagooden, goude en zilvere specien pr/o 150600: 14: — Te sadraspatnam onder ult:o augs . . . . . „ 1540: 1: 60: „ „ Julij . . . „ 1672: 18: — „ Palleacatta „ Palicol. . . . „. „ aug:s - - - - „ 4448: 18: 20: wat „ Paggernaik p:r „ „ Julij - - - - . „ 22642: —: — om „den. „ Bimilipatnam „ „ Junij en Julij. . . . „ 11479: 14:- Bedragende te zamen Rpo: 192375: 18:- En hier meede ons gewoon verslag bepaalende, hoopen wij dat uwe Hoog Edele Hoog Agtb: over het algemeen genoegen zullen gelieven te neemen, in onze verrigtingen. schoon wij Jaarlijks gewoon zijn, uwe Hoog Edele Hoog Agtbaare bij deeze gele„ gendheijd Nagesien J Luyken 68 20: nat vanromtrnt zal wordngdaan om ze in october te kunnen overzen, Aanbiedang van drie Assignatien van in Cas geaccepteerde gelden „gendheijd aan te bieden de soldij boeken van dit comptoir, moeten wij egter verzoeken het ons niet kwalijk te neemen, dat het tans niet geschied, om reeden onzen soldij-boekhouder door het bij den overbreng na herwaards absent raken Ee„ van eenige soldij papieren van Bimilip:mn en Jaggernaik poeram tot nog toe niet in staat is met het sluijten der voorsz: Boeken voort te vaaren. Dan wijl wij hier over eerstdaags schrij„ „ven zullen na de gemelde Factorijen, vertrouwen wij dat die in de maand october aanstaande, zonder fout zullen kunnen worden afgezonden Ingevolge de erlangde qualificatie van uwe Hoog Edele Hoog Agtb: bij extract Patria „sche missive van den 25. September 1778, om Jaarlijks drie à vier tonnen gouds op Hoogde„ „zelven te mogen trekken; hebben wij eenig geed alhier in Cassa geaccepteerd; en daar voor drie assignatien (:waarvan de origineele hier nevens den. _ onder aantooning aan wie ze zijn verlaend. nevens overgaan:) op de Generaale Neder„ „landsche oost-Jndische Compagnie verleend, om na het aflopen der voorjaarsche verko„ ping van anno 1782, voldaan te worden: welke wij verzoeken, dat door betaaling mogen worden gehonoreerd, namentlijk: Een Assignatie aan Me Juffrouw Carolina Susanna Simons, weduwe Cantervisscher C: S: groot ƒ10510: 12:8:, om voldaan te worden aan de Heeren David en Abraham Valentijn koop„ „lieden te Amsterdam: Een Assignatie aan Mejuffrouw Anna Chatarina Discolij, wedeuwe Duijnevelt groot ƒ2782:1:8:, om betaalt te worden aan den Eerw: Heer Mattheus Gargon Muratel Predi„ cant der Heerlijkheijd Burg C: S: En een Assignatie aan als even groot v ƒ 8300: 6:8: om betaald te worden aan de Heeren David en Abraham valentijn kooplieden te Nagesien F Luyken
English
69 further presentation of another four bills of exchange, on account of outstanding bonus funds. Communication to whom they have been granted. Request for their payment in Amsterdam. Furthermore, in accordance with the favorable concession of Your High Noble High Mightinesses, we have granted four bills of exchange upon Your Lordships for outstanding bonus monies, namely One to the Chief Administrator here, Philippus Jacobus Dormieux, amounting to ƒ5874:15:- to be paid to the Honorable Gentlemen Pieter and Meijnard Mossel, former aldermen of Enkhuijzen, and associates; One to the merchant Blaaukamer, amounting to ƒ13:8:8: to be paid to the Right Honorable Worshipful Jean Salomon Lacle, Mayor of Haarlem, and associates; One to the merchant Padama, amounting to ƒ410:10:8: to be paid to Mr. Godlieb Silo, merchant on the Heeregragt in Amsterdam, and associates; And one to the junior merchant Mr. Jacob Pieter de Neijs, amounting to ƒ3284:2:8:, to be paid to the Honorable and Learned Mr. Arnoldus Adrianus van Tets, alderman and councillor in the city council of Dordrecht, and associates; which we likewise request you will be pleased to honor favorably. While wishing the precious blessing of Heaven upon the illustrious persons of Your High Noble High Mightinesses and the important interests of the Company, we take the liberty to name ourselves with all reverence and high esteem, Illustrious, High Born Prince and Lord, and High Noble High Worshipful Gentlemen! Your Illustrious High Born and Your High Noble High Mightinesses' humble and faithful servants, A. van Vlissingen J. Vernitter J. E. von Daselmann Cossel M. Stoffenberg J. D. Obone J. D. Simons P. E. van Halm Accama Nagapatnam In the Castle, the 27th of January 1781 Examined: Fr. Luyken Examined: J. v. Luyken No. 2. Netherlands. To the Illustrious High Born Prince and Lord, Willem, By the grace of God Prince of Orange and Nassau, Hereditary Stadtholder, Hereditary Captain and Admiral General of the United Netherlands, etc., etc., etc., as Supreme Governor General and Supreme Director of the Noble East India Company, along with The High Noble High Worshipful Gentlemen Directors delegated to the Assembly of the Seventeen, at the Chamber of Amsterdam. Illustrious, High Born Prince and Lord, High Noble High Worshipful Gentlemen! Following the dispatch of our humble letters of the 4th of September 1780 with the ship the Triton, we had the high honor to receive Your High Noble High Mightinesses' highly respected missive of the 6th of December 1779, accompanied by various enclosures, among which we also received a third bill of exchange amounting to three thousand five hundred three-swami pagodas, to be paid to us at forty days' sight by James Henry Casamaijor and Charles Oakley, Esquires, in Madras. However, because due to the present war the roads are far too unsafe to send a paper of such great importance overland from here to Madras in order to be presented to the said gentlemen for acceptance, especially as we have not yet received the first or second bill of exchange, we have hitherto postponed its dispatch, in the hope that Your High Noble High Mightinesses will be pleased to be satisfied therewith, considering the motive that compelled us to it. However, now that navigation from here to the north is open again, we shall send this bill of exchange in the coming days, or with the first-departing vessel, to Palleacatta, so that from there it may be presented for acceptance by the resident chiefs, whom we shall at the same time instruct to have the bill properly protested if it should not be accepted and paid. Of which, should this unexpectedly happen, we shall immediately inform Your High Noble High Mightinesses, while sending proper proof of that refusal or non-payment. Wherewith we commend Your High Noble High Mightinesses to the precious protection of God, while we do ourselves the honor to remain with all reverence and high esteem, Illustrious, High Born Prince and Lord, and High Noble High Worshipful Gentlemen, Your Illustrious High Born and Your High Noble High Mightinesses' humble and faithful servants, Wm. Vlissingen J. Doortreeck J. D. Simons von Daselmann M. Stoffenberg Hossel D. Obone Accama P. W. van Halm Nagapatnam In the Castle, the 27th of January 1781 Examined: F. Luyken No. 3. Secret Patria. To His Serene Highness and The High Born Prince and Lord, Willem, By the grace of God Prince of Orange and Nassau, Hereditary Stadtholder, Captain and Admiral General of the United Netherlands, etc., etc., etc., Supreme Governor General and Supreme Director of the Noble East India Company, along with The High Noble High Worshipful Gentlemen Directors delegated to the Assembly of the Seventeen, at the Presidial Chamber of Amsterdam. Illustrious, High Born Prince and Lord, High Noble High Worshipful Gentlemen, The opportunity having presented itself again to present the Company's papers, according to custom via Ceylon, to Your Serene Highness and High Noble High Worshipfuls, may I be permitted to enclose herewith not only the copies of the separate letters written by myself and the Council on the 29th of July and 15th of October 1780, as well as on the 27th of this month, to Their High Nobilities the Noble High Indies Government at Batavia, but also copies of secret missives which I alone had the honor to dispatch to Them on the 15th of October of last year and under today's date; to which I take the humble liberty to Your Serene Highness Examined: J. Luyken
Dutch transcription
69 nadere aanbieding van nog vier Assignatien, wegens te goed hebbende douceur gelden. Communicatie aan wie ze al verleend zijn. verzoek om duis voldoeninig te Amsterdam. vervolgens hebben wij nog, Conform de gun„ stige Concessie van uwe Hoog Edele Hoog Agtb: vier Assignatien op Hoogdezelven verleend voor te goed heb„ „bende Douceur penningen, als Een aan den Hoofd administrateur alhier Philippus Jacobus Dormieux groot ƒ5874:15:- om te worden voldaan aan de wel Edele Heeren Pieter en Meijnard Mossel oud schepenen van Enkhuijzen C: S: Een aan den koopman Blaaukamer, grot ƒ13: 8: 8: om te worden voldaan aan den wel Edelen Agtb: Heer Jean Salomon Lacle Burgemeester te Haarlem C: S: Een aan den koopman Padama groot ƒ 410: 10:8: om te worden betaald aan de Heer godlieb Silo, koopman op de Heere gragt te Amsterdam C: S: En een aan den onderkoopman M:r Jacob Pieter de Neijs, groot ƒ 3284:2:8:, om te worden voldaan aan den wel Edelen gestr: Heer M:r Annoldus Adrianus van Tets, scheepen en Raad in de vroedschap te Dordregt C: S: die wij almeede verzoeken goed gunstiglijk te voldoen. Terwijl wij onder toewensching van 't Hemels Dierbaaren zeegen over uwe Hoog Edele Hoog Agtb: illustre perzoonen, en 's Compagnies importante belangens, de vrijheijd vrijfid neemen, on met aleebie en hoogigting te nomen. Doorlugtige, Hoog Gebooren, vorst en Heere, En Hoog Edele Hoog Agtbaare Heeren! uw Doorlugtige Hoog Gehooren Nagapatnam en uw Hoog Edele Hoog Agtbaarens In 't Casteel den 27: Januarij onderdanige en Trouwschuldige Dienaaren 1781 A=n Clissingen t J: Vernitter J: E d: Daselmann Cossel M: Stoffenberg ƒi Jk D„n Oboene J: D: S: mons P: E: V: Halm Accama Nagesien Fr Luyken - 1o Nagesien Jv Luyken No. 2. 7 00rs Nederland. Aan den Doorlugtigen Hoog Gebooren Vorst en Heere Willem Bij de gratie Gods Prince van Orange en Nassauw, Erf. stadhouder, Erf. Capitain en admiraal Generaal der vereenigde Nederlanden Etc=a Etc:a Etc:a als opper. gouver„ „neur Generaal, en opperbewindhebber van de Edele oost. Jndische Maatschappije De Hoog Edele Hoog Agtbaare Heeren Bewindhebberen ter vergadering van de Seeventhienen gecommitteerd Ter kamer Amsterdam, Doorlugtige, Hoog Gebooren vorst, en Heere Hoog Edele Hoog Agtbaare Heeren! Na het afgaan van onze humble letteren van den 4: September 1780, met het schip de Triton, hadden wij de hooge eere te Benevens recipieeren recopieeren, uwer Hoog Edele Hoog Agtb: zeer gerespecteerden missiven van den 6: De„ „cember 179, verzeld van diverse bijlaagen, waar onder wij ook ontvangen hebben een Pertia wisselbrieff groot drie duijsend vijf honderd Driebeeldige pagooden, om op veertig dagen zigt, aan ons betaald te worden; door James Henrij Casamaijor en Charles Oakelij Esq=rs te Madras. Dan wijl door den tegenwoordigen oorlog de wegen al te onvijlig zijn, om een papier van zoo veel gewigt van hier overland na Madras te zenden, om aan de gemelde Heeren ter acceptatie aangeboden te kunnen worden; vooral daar we den primo of secundo wissel¬ brief nog nit hebben ontvangen, hebben wij dies verzinding tot nog toe uijtgesteld, in hoope Nagesien F Luyken 72 hoofde dat uw Hoog Edele Hoog Agtbaare daarmeede genoegen zullen gelieven te neemen om het motief dat er ons toe heeft verpligt. Dan tans de vaart van hier na de noord weer open zijnde, zullen wij die wiselbrief eerst daags, of met het eerst„ vertrekkende vaartuijg na Palleacatta zenden, om van daar, door de opperhoofden ter acceptatie te kunnen worden aangeboden. Die wij teffens zullen aanschrijven om zoo ge„ melden wisselbrief niet mogt worden geaccepteerd en betaald, daartegen dan behoorlijk te laaten protesteeren. Waarvan wij, zoo dit onverhoopt eens gebeuren t mogt, uwe Hoog Edele Hoog Agtbaare ten eersten kennis zullen geven, onder toezending van een behoorlijk bewijs, van die wijgering of non betaaling waar Waarmede wij uw HoogEdele Hoog Agtb: beerlen in de dierbaare bescherminge Godes, terwijl wij ons de eere geven van met alle eerbied en hoogagting te blijven. Doorlugtige, Hoog Gebooren vorst en Heere, En Hoog Edele Hoog Agtbaare Heeren. Uw Doorlugtige Hoog Gebooren en uw Hoog Edele Hoog Agtbaarens onderdanige en f rouij serjudige Duinaaron Wm Vllssingen J: Doortreeck J:D: Simont : PaSelmann M: Stfenbrg i ƒ D Hossel D: Hloee Nccama. P: WV: Halm Nagapatnam In 't Casteel den 27. Januarij 1781 F Nagesien F Luyken N. 3. Secreet 73 Satria, Aan zijn Doorlugtigste Hoogheijd, en Den Hoog gebooren Vorst, en Heere Willem, Bij de gratie Gods Prince van Orange en Nassauw, Erf stadhouder, Capitain, en admiraal generaal der verEenigde Nederlanden Etc:a Etc:a Etc:a, opper Gouver„ neur Generaal, en opper bewindhebber van de Edele Oost Indische Maatschafpij De Hoog Edele Hoog Agtbare Heeren Bewindhebberen Ter vergedering van Seventhienen gecommitteerd ter praesidiale kamer Amsterdam, Doorlugtige Hoog Gebooren Vorst en Heere, Hoog Edele Hoog Agtbare Heeren, De gelegendheijd zig weeder opgedaan Benevens hebbende hebbende om 's Comp„s papsieren, volgens gewoonte over Ceijlon aan uwe Door„ tugtige Hoogheijd, en Hoog Edele Hoog Agtbare aantebieden, zoo zij mij geoor„ loofd hier in te sluijten, niet alleen de afschriften van de apparte Letteren, die door mij en den Raad op den 29. ' Ju„ lij, en 15. ' October 1780. , mitsgaders off den 27. ' deeser aan Haar Hoog Edelens de Edele Hooge Indiasche Regeering te Batavia geschreeven zijn, maar ook Copia Secreete missives, welke ik alleenig de eere hadde op den 15. Oc„ tober Anno pass:o, en onder heedigen datum aan Hoogst Deselve aftevaar digen, waar aan ik de nedrige vrijheijd neem, om uwe Doorlugtige Hoog„ „heijd Nagesien J Luyken
English
74 Highness, and not to weary the Right Honorable worshipful attention with a double narrative, to conduct myself with the utmost veneration. I have the high honor most strongly to recommend Your Serene Highness and Your Right Honorable, together with the state of the Company's momentous interests, to the protection of the Almighty, and myself to Your most potent favor and protection, with sincere profession that it will at all times serve as an extraordinary fortune to me to be allowed to call myself with the utmost respect and deep awe, Illustrious High-born Prince and Lord, Right Honorable Worshipful Lords, Your Serene Highness and Right Honorable's Humble and Faithful Servant, W. Vlissingen Nagapatnam, In the Castle of Your Serene Highness and Your Right Honorable, the 27th of January 1781. Checked, F. Luyken By the ship Hoorn, Batavia. To His High Honor, The Right Honorable, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord, Reijnier De Klerk, Governor-General, Together with The Honorable Gentlemen Councillors of the Netherlands Indies. Right Honorable, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord, and Honorable Gentlemen! I had the honor, both by secret copy via via Ceylon in the month of February, as well as subsequently directly with the ships of that place, to receive Your High Honors' most revered secret letters of the 5th of November 1779, as well as the 30th of April and 6th of June of this year, serving in answer to my humble secret letters of the 15th of January, 20th of May, and 15th of October 1779, as well as the 15th of January 1780; to which I now do myself the honor dutifully to reply. And to that end, making a beginning with the first-mentioned missive, speaking only of indigenous affairs, concerning which Your High Honors, Checked, F. Luyken 76 Honors, regarding the dispute with the Nabab Mahomet Alichan over the pearl fishery, have been pleased to remark that this had now been a regular subject in my letters to the same for so long that Your High Honors earnestly longed for a desired end. And that it would accordingly be very agreeable to Your High Honors to be informed, the sooner the better, of what outcome had resulted from the further negotiation that His Excellency was to have resumed with me. To which I, now serving with a humble answer, take the liberty herewith to state that shortly after the departure of my humble letters of the 15th of January 1779, the Ceylon Government also entrusted the merchant and chief of Sadraspatnam, Blaaukamer (who was then at Madras for the settlement of the Tuticorin disputes), with the commission to settle the dispute with the Nabab over the pearl fishery. And consequently, since that time, no one on behalf of His Excellency the Nabab has come to me anymore to treat on that affair, nor even that favorite of His Highness of whom I made mention in my aforementioned humble separate advices. This, and it being considered by me at the same time that 77 treating on one and the same matter by two distinct persons might very easily be detrimental to the interest of the Company, I have, both for this reason and because Your High Honors in secret letters of the 27th of April 1779 were pleased to write to me that upon any further request from the Nabab or from whomsoever it might be, and thus above all not on my own accord, I was not to meddle further in the business of the pearl fishery than the previous stipulations permitted, caused no further application to be made in that regard; especially not because Your High Honors at the same time prohibited me from taking a single step further in that matter, even regarding any expenditures, however small, without Your further approval. And therefore I have left the settlement of of that dispute to the merchant Blaaukamer, who writes to me in his latest short letter dated the 26th of August last that with respect to his commission he could not yet be certain of anything, while he was daily delayed with fair promises; from which it is very easy to deduce that he has not yet advanced far, and things might well continue like this for some time, especially if he is not allowed to spend any money or settle the matter through the English Government. At least I can assure Your High Honors with a sincere heart that for the settlement of that dispute 78 dispute I have done everything that Your High Honors could expect from a faithful and honorable servant of the Company. But as long as one must come to the court of the Nabab with closed hands, there will, in my humble opinion, never be an end to it, unless His Excellency, brought into distress by the present circumstances, must endeavor to win over the Dutch East India Company to his interests. Concerning the Tanjore court, it was rightly observed by Your High Honors that we currently appeared to live in good harmony with it. Since I dare assure Your High Honors that in many
Dutch transcription
entc 74 heijd, en Hoog Edele Hoog Agtbare waardige attentie met een dubbeld ver„ haal niet te vermoeijelijken, mij met de uijtterste veneratie te gedragen. Ik heb de hooge eere uw Door„ lugtige Hoogheijd, en uw Hoog Edele Hoog Agtbare, nevens den staat van 's Compagnies Zwaarwigtige belangens in de bescherming des Aller„ hoogsten, mitsgaders mij in Hoogst Derselver veel vermogende gunst en protexie op het kragtigst aan„ te beveelen, onder sinceere betuijging dat mij ten allen tijde tot een son„ derbaare geluk strekken zal, mij met de uijtterste Eer„ bied, en dief ontsag te mogen noemen noemen Voorlugtige Hoog gebooren vorst en Heere, Hoog Edele Hoog Agtbare Heeren, Ut Doorlugtige Hoogheijd, en Hoog Edele Hoog Agtbarens Ootmoedige en Getrouwe Nagapatnam In het Casteel van uw Doorlugtige Hoog heijd, en uw Hoog Edele Hoog Agtbare den 27 e Januarij 1781. Dienaar, W. Vlssingen Nagesien F Luyken Per het schip Hoorn, Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edele Groot Agtbaare Wijd Gebiectende Heere Reijnier De Klerk, Gouverneur Generaal, Beneevens De Wel Edele Heeren Raaden India. van Nederlandsch Hoog Edele Groot, Agtbare wijd gebiedende T Heere, en Wel Edele Heeren! Ik heb de Een gehad zoo Copia Secreetj5 over over Ceijlon in de maand februarij als naderhand direct met de schee„ „pen van dit Daar, te recipiei„ „ren uw Hoog Edelheedens zeer gevenereerde Secreete brieven van den 5. November 1779. , mits„ „gaders 30:e april en 6:e Iunij dee„ „zes Iaars, dienende in antwoord op mijne needrige Secreete letteren van den 15:e Ianuarij, 20: Maij, en 15. October 1779. mitsgaders 15:e Januarij 1780; waar op ik mij tans de Eere geeve Schuldpligtig„ „lijk te rescribeeren. En ten dien eijnde een Aanvang maakende met den eerst gemelde Missive, eenlijk Spreekende van Inlandse Zaaken, waar omtrent uwe Hoog Edelheedens Nagesien F Luyken 76 Edelheedens, nopens, het verschil„ met den Nabab Machomet Alichan over de Paarl visscherij, hebben gelieven te remarqueeren, dat dit nu al zoo lang een gewoon onderwerp in mijne brieven aan Hoog dezelven hadt Uijtgemaakt, dat uwe Hoog Edelheedens zeer verlangden na een gewenschte eijnde En dat het dien volgende Uwe Hoog Edelheedens zeer aange„ „naam zoude weesen hoe eerder zoo beeter te mogen verneemen, van wat gevolg de naden on„ „derhandeling, die zijn Excellentie met mij zoude laaten hervat„ „ten, geweest was. Waar op ik tans in needrig antwoord zullende dienen, de wij„ „heijd neem bij deesen ter neder te „stellen, dat kort na het afgaan van mijne needrige letteren van den 15:e Januarij 1779. , door de Ceijlonsche Ceijlonsche Regeering, aan den koop„ „man en Sadraspatnams opper„ „hoofd Blaaukamer (:die toen ter verevening van de Tutucorijnsche verschillen op Madras was:) ook de Commis„ „sie is opgedragen geworden, om het different met den Nabab over de paarlvisscherij te verEve„ „nen. En dien volgende is Seedert niemand meer van Weege zijn Excellentie den Nabab bij mij ge„ „komen, om over die affaire te han„ „delen, ook niet dien gunsteling van zijn Hoogheijd, waar van ik bij mijn voormelde needrige apparte advisen melding ge„ „maakt heb. Dit, en teffens door mij geconsidereerd weezende dat het. Nagesien F Luyken - 77 het handelen over een en dezelfde zaak door twee bijsondere persoo„ „nen veel ligt nadeelig voor het be„ „lang van de Maatschappij zoude kunnen weezen, heb ik, zoo hier om, als uijt hoofde Uwe Hoog Edelheedens mij bij Secreete letteren van den 27:e april 1779. hebben ge„ „lieven aanteschrijven, dat ik bij nader aanzoek van den Nabab of van wie het ook weesen mogt, en dus voor al niet uijt mij selfs, mij met het werk van de Paarl visscherij niet verder moest bemoeij„ „en, als de voorige bepaaling toe„ „lieten, dierwegens geen nader Aan„ „zoek laaten doen; voor al niet wijl uwe Hoog Edelheedens mij daar bij teffens geinterdiceerd hebben, om een enkelde stap verder in die zaak te treeden, zelfs niet omtrent ee„ „nige Spendatien hoe gering ook buijten Hoog desselfs nader goedvinden. En derhalven heb ik het sevenen van 3 van dat verschil overgelaaten aan den Koopman Blaauka„ „mer, die mij bij zijn laaste briefje in dato 26:e Augustus Jongstleeden Schrijft, dat hij ten opsigte zijner Commissie, zig nog van niets konde verseeke„ „ren, terwijl hij dagelijks met goede beloften wierde opgehou„ „den, waar Uijt zeer ligt op te maaken is, dat hij nog niet ver„ gevorderd is, en daar bij zou het nog wel eenige tijd kunnen blij„ „ven Continueeren, voor al zoo hij geen geld spendeeren mag, of de zaak door weege van het Engelsch Gouvernement af„ „doen. Ten minsten ik kan Uwe Hoog Edelheedens met een opregt, gemoed verseekeren, dat ik ter afdoening van dat verschil Nagesien F Luyken 78 verschil alles heb aangewend, wat Hoog dezelve van een trouw en Eerlievend Dienaar van de Maat„ „schappij kunnen verwagten. Maar zoo lang men aan het Hof van den Nabab met gesloten handen komen moet, zoo zal er na mijn gering begrip nooijt een eijnde van worden, Aen zi zijn Exceltentie door de presente om„ standigheeden in het nauw gebragt, tragten moet de Nederlandsche Oost-In„ „dische Maatschappij in zijne belangens over te haalen Betreffende het Ians„ „coursche hof, is door Uwe Hoog„ Edelheedens te regt opgemerkt, dat wij daarmeede tans in een goede harmonie scheenen te lee„ Nadien ik Hoogdezel„ „ven verseekeren durf, dat 'er in „ven. veele
English
for many years before, no better harmony had existed. However, whether the great lack of money that currently prevails in the Tanjore kingdom, both with the prince and his subjects, is the principal cause of this, I would not dare to state for certain. Nevertheless, I can inform Your High Excellencies that the regular envoy of the Tanjore court, Anatje Pandidaar, on the 20th of August last again handed over to me a letter written to me by the Albeschik, for and on behalf of the prince, accompanied as usual by some small gifts, in which he informed me, among other things, that the prince was very hard-pressed for money because the war had commenced, furthermore stating that because I took a great interest in the prosperity of His Highness, and was moreover a good friend of his, the Albeschik, the prince as well as he lived in the hope that I would be pleased to comply with the requests made in that letter. Whereupon he, the Albeschik, in the name of the prince, not only requested to assist His Highness with an advance payment of five years of recognition money, amounting at 5,000 pardrums per year to Pard:s 25,000.—, but also to be willing to lend His Highness in addition 75,000.—, or together Pard:s 100,000.—, further indicating that if this request were granted by me, His Highness would immediately provide a receipt for the recognition money and a bond confirmed with His seal for the money to be lent, which he promised would be repaid as soon as the fine Nelij, that is in the month of May of the coming year, had been harvested. Concerning this request, which as usual was concluded with some compliments, I deliberated together with the Council on the 26th of August. But we understood that the same difficulties on account of which we politely declined a similar request in the month of March 1779 still applied, principally the lack of a sufficient supply of cash to be able to spare such a sum. And because, moreover, the orders recently received from Your High Excellencies dictate not to make any advance to the prince, either on a bond or a mortgage, without Your authorization, we understood that we could not well proceed with any money loan. However, in order not to entirely rebuff the prince—with whom the Company currently lived in very good harmony again—by flatly refusing His Highness's request, especially at a time when the prince was so very hard-pressed for money, we decided at the same time to answer the prince's letter in friendly terms: that, with apologies regarding the requested loan of 75,000 Pardauws, besides the advance payment of recognition money up to the year 1780/81 already made to the prince, we would still have 15,000 pard:s delivered to His Highness's envoy, under receipt confirmed with his seal, for the recognition money of the years 1781/82, 1782/83, and 1783/84, if His Highness were pleased to accept it; but that we could not advance the requested sum of 75,000 pardauws on a bond, on account of our own lack of cash. The regular letter carrier of His Highness having departed for Tanjore with this letter, he returned here on the 26th of September, bringing a letter along with a receipt for the further agreed advance payment of three years of recognition money to the prince, along with some robes of honor for the customary gift. Furthermore, the said Albeschik informed me in this letter that, having informed His Highness of the granted advance payment of the 3 years of recognition money, the prince had answered that he had lived in the hope that the Dutch Company, which for many years had maintained friendship with His Highness, would have accommodated Him with the money he needed in this current state of affairs, and that if the Company had not been provided with it either, we might well have raised those funds from private individuals to lend to him, or that we should at least have provided the requested 5 years of recognition money, since the amount offered by me could help little. Yet after having mentioned this beforehand, the said Albeschik nevertheless offered me a receipt confirmed with the prince's seal for 15,000.— pardauws of recognition money for 3 years, namely: from the year Jan Isane Pamenij Plawa Samwatserom or from 1781/2 to Anno Jan Arba Samanaijn Sooba Kroetoe Samwaserom or 1783/4, with the request to send him this amount of 15,000 pardauws as soon as possible, further indicating that the prince would be very pleased if I could assist His Highness with another 2 years of recognition money. This request having been deliberated upon by me and the Council on the 29th of September, we decided thereupon to answer His Highness in friendly terms that, on account of our own need for cash, we could make no further advance payment of 2 years of recognition money without placing ourselves in embarrassment for money. We have not only done this since, but also noted regarding the private negotiation of money that we indeed could raise money for the account
Dutch transcription
veele Iaaren bevoorens geen beeten harmonie heeft plaats gehad. Dan of hier van het groot gebrek aan geldt, dat thans in het Tansjoursche rijk zoo wel bij den vorst, als zine onderdanen heerselt„ de principaale Oorzaak is, zoude ik niet voor seeker durven stellen. Dog egter kan ik Hoog„ „ deselve bedeelen, dat den gewoo„ „nen, zendeling van het Tans„ „toursche Hof, Anatje Pan„ didaar op den 20:e Augustus pass:o aan mij weeder overhan„ „dtigt heeft, Een brief door de Albeschik, voor ende van wee„ „gen den vorst, aan mij ge„ „schreeven na gewoonte verzeld zijnde van eenige geringe geschen„ „ken, waar bij hij mij onder ande„ „ren te kennen gaf, dat den vorst zeer verleegen was om geld, door dien Nagesien F Luyken 79 dien er met den oorlog een begin ge„ „maakt was, met betuijging verder, dat dewijl ik veel deel nam in de welvaart van zijn Hoogheijd, en buijten dien van hem Albeschik een goed vriend was, de vorst zoo wel als hij in die hoope leefde dat ik aan de petitien, die bij die brief gedaan wierden, wel zoude gelieven te voldoen. Waar op hij Albeschik Uijt naam van den vorst niet alleen versogt om zijn Hoogheijd te ad„ „sisteeren met Een voor uijt verstrec„ „king van vijf Iaarige recognitie pen„ „ningen, uijtmakende â 5000. par„ „drums sjaars - - - Pard:s 25000. —. maar ook om zijn Hoog„ „heijd daar en boven nog „ 75000. –. ter leen te willen geeven m of tesamen Pard=s 100'000. –. onder te kennen geeving verder, dat wanneer dit versoek door mij toe„ „gestaan wierdt, zijn Hoogheijd O ten. d 3 ten eersten bezorgen zou een quitantie voor de recognitie penningen, en een obligatie met Hoog desselfs Zegul bekragtigd voor het geld, dat ter leen zou gegeeven worden, en het geen hij beloofde dat weeder zou worden gerestitueerd, zoo dra de fijne Nelij, dat is in de maand Meij van het aanstaande Iaar gesneeden was. over dit versoek het geen na gewoonte besloten wierdt met eenige Complimenten, heb ik neevens den Raad gedelibereerd op den 26. Aug=s Dan wij begreepen dat de eijge zwaarigheeden waar om wij in de maand maart 1779. een diergelijk versoek beleefdelijk van de hand ge„ „weesen hebben, als nog militeerden, principaal gebrek aan een genoeg zaa„ „me voorraad van Contanten, om er een diergelijke Som uijt te kun„ „nen missen. En dewijl daar en booven de Nagesien J Luyken 80 de ordres nu nog Iongst van Uwe„ Hoog Edelheedens ontvangen dic„ „teeren, om dan den vorst nog op obli„ „gatie, of hijpoteecq Eenige verstrekking te doen, buijten Hoog derselver qua„ lificatie, verstonden wij niet wel tot eenige geld leening te kunnen overgaan; Dan egter om den vorst, waarmeede de Comp: tans weeder in een zeer goede harmonie leefste, niet ten eenemaal voor het hoofd te Hoo„ „ten, door zijn Hoogheijds versoek glad afteslaan, voor al in een tijd dat den vorst zoo zeer verleegen om geld was, beslooten wij teffens, op 's vorsten brief, in vriendelijke termen te antwoor„ „den, dat wij met Excusatie van de ter leen versogte 75000. Pardauws, behalven de bereeds aan den vorst gedaan voor uijt verstrekking van recognitie penningen tot den Iaare 176/81. nog aan Hoogdes„ selfs zendeling, onder quitantie, met zijn zegul bekragtigd zou„ „den laaten afgeeven 15000. pard=s voor voor de Recognitie penningen van de Iaaren 17/82. 178 2/3. en 178 8/4. , zoo zijn Hoogheijd die geliefde te Ac„ „cepteeren; maar dat wij de ver„ „sogte Som van 75000. pardauws op Obligatie niet konden fieeren, uijt hoofde, van eijgen gebrek aan Contanten. Met dit Schrijven den gewoonen brieve drager van zijn, Hoogheijd na Tansjour vertrok„ „ken zynde, kwam op den 26. Sep„ tember alhier te rug, meede brengende een brief neevens een quitantie van de nader Aan den vorst, geaccor„ voor Uijt verstrekking van „cteerde Iaaren Recognitie Pennin„ drie „gen; neevens eenige Eerkleederen tot het gewoone geschenk. Wijders gaf den gemelden Al„ „beschik mij by deesen brief te kennen, dat hij zijn Hoogheijd g'informeerd hebbende van de toegestaane voor uijt verstrekking der 3. Jaarige Nagesien F Luyken 81 Iaarige recognitie penningen, den vorst g'antwoord hadt, dat hij in hoope hadt geleefst, dat de Hollandsche Comp:, die 'tzeedert lange Iaaren de vriend„ „schap met zijn Hoogheijd onderhouden hadt Hoog deselve wel gerieft zou„ hebben, met het geld dat hij in deese tijds gesteldheid van nooden hadt, en dat wanneer de Comp: daar van ook niet voorzien was, geweest, wij die penningen wel van particulieren hadde kunnen opneemen, om aan hem ter leen te geeven, of dat wij ten minsten de versogte 5. Iaarige Recognitie penningen hadden dienen te besorgen, wijl het door mij aange„ „boodene bedragen, weijnig helpen kon Dog na dit voor af te hebben aangehaald, bood mij den gemelden Albeschik egter aan, een quitantie met 's vorsten zegel bekragtigt weegens 15000. –. pardauws recognitie penningen voor 3. Iaaren te weeten: van het Iaar Ian Isane Pa„ „menij Plawa Samwatser om of van 178½. tot Anno Jan Arba Samanaijn Samanaijn Sooba Kroetoe Samwa „serom of 178 /4. met versoek om dies bedragen van 15000. pardauws hem ten spoedigsten toetezenden, on„ „der, te kennen geeving verder, dat den vorst zeer verheugd zoude weesen, wanneer ik zijn Hoog„ „heijd nog met 2. Iaar recognitie penningen assisteeren kon. Over dit versoek door mij en der Raad op den 29. Sep„ „tember, gedelibereerd zijnde, beslooten wij daar op zijn Hoogheijd in vriendelijke termen te antwoorden dat wij om de wille van Eigene benodigdheijd van Contanten geen verdere voor uijt verstrekking, van 2. Iaarige recognitie penningen kon „den doen, zonder ons zelfs in verleegendheid te brengen om geld, Dit hebben wij niet alleen Seedert gedaan, maar ook omtrend de particuliere geld negotiatie aan gemerkt, dat wij wel geld voor reeke ning Nagesien F Luyken 8
English
account of the Company, if the general scarcity of cash among our own inhabitants could have permitted this for the present. And since that scarcity did not allow such, and besides it was not very much the custom of the Company to borrow money from private individuals as long as the ordinary affairs in its service took their course, it was hoped that His Highness would be pleased to excuse us in this matter. And since we have thus far received no answer to this writing of ours, I trust that for the time being we shall remain free from all requests in that regard. In which desirable prospect I hope that Your High Nobles will be pleased to approve the aforementioned further provision of recognition moneys, especially since we did not dare to refuse him everything outright. And while I shall continue to look forward to a favorable answer to this, I express to Your High Nobles my humble obligation for the granted approval of my conduct in anno 1779, both with respect to the advance provision of recognition moneys for 3 years to the King of Tanjore, as well as in relation to the permitted passage to Jaffanapatnam of the Tanjore cornacs in order to be allowed henceforth to go and select the three recognition elephants for His Highness there themselves again annually, although in making that concession I did not dare to make the slightest stipulation for the future. Checked F Luyken 83 to make, because His Highness might thereby have been led to the idea that one regarded his present sitting on the throne of his ancestors as very precarious and not lasting, which certainly would not have been pleasant to him. Yet nevertheless, although nothing was stipulated in this regard, I shall, in the event of an unexpected change in that kingdom or if it should happen to fall into other hands again, take good care that that permission, namely to be allowed to send cornacs to Jaffna, is not drawn into consequence. Concerning Cannegasawea Poele, I have never written anything to Your High Nobles that was not founded on reports to which I trusted I might defer credit. Yet it appears afterwards that he did not have as many friends at the Tanjore court as he had imagined. At least he has not been restored up to now, but currently stays most of the time at Madras, by reason of the Governor and Council having appointed him as Renter of Naloer and the province of Kiewaloer for 60,000 pagodas in the year. Since I, since the dispatch of my respectful separate letters of 15 January 1778, 15 October 1779, and 15 January 1780, have heard nothing further from His Excellency the Nabob Mahomet Alichan with respect to the complaints lodged by His Excellency's Havildar against the Paleacatte Chief Dadama, I trust that that matter may therewith be considered settled. In the secret letter written by me Checked F Luyken 84 and the Council together, the matter concerning the departure of our inhabitants and those of the villages having been duly answered, I now take the liberty to answer the one point set down in Your Nobles' missive addressed to me alone. When I arrived here in anno 1771, these very same customados, indeed even more, which are now stated by the Chief Painter in his account as having to be paid out by him, were paid and divided in such manner as is stated by him. Thus I have introduced no novelty, but have merely left it to that old custom, without intending any private gain thereby. But concerning the customados stated by him for the Governor, I request Your High Nobles not to consider them as, and equate them with, those customados which were previously regarded and enjoyed by the Governor and Chief Administrator as a gratuity from the collected linens, but that Your Nobles be pleased to regard this benefit of 2 to 3 pagodas solely as a reimbursement for the expenses which a Governor, as long as he takes upon himself the supervision of the chintzes, is obliged to incur for the extra maintenance of peons and cannekappels, as these have been specially employed and maintained by me to keep a continuous watch over the painters and their dwellings, in order thereby to preserve the Company from damage. For they are nothing other than poor coolies who live in wretched little houses and barely enjoy half a fanum or 2 stuivers a day for daily wages, Checked F Luyken 85 whereby those people, by reason of their poverty, often have to make use of the linen that has been given into their hands to paint, in order to cover their nakedness therewith. Yet over and above their aforementioned impoverished condition, and the disadvantage that is to be expected therefrom and cannot otherwise be prevented than by constantly having them watched both by night and by day, there lurks yet another great evil among them, namely that for lack of sustenance they pawn the rough linens, and also the half-painted ones (though seldom the already finished chintzes), with one or another Malabar, and since they afterwards have no money to redeem the pawned goods again, all that loss falls to the account of the one who has taken upon himself the supervision of the chintzes, if he wishes to have the pieces that have been pawned back again, as has happened to me more than once.
Dutch transcription
82 ning van de Comp: zouden hebben kunnen opneemen, zoo de algemeene Schaarsheijd van Contanten bij onse eijge ingeseetenen, dit voor het Zee„ „genwoordige hadt kunnen permit„ teeren. Aan wijl die Schaars„ „heijd zulx niet toeliet, en het buij„ „ten des niet zeer de gewoonte van. de Comp: was, om bij particulieren geld ter leen opteneemen, zoo lang de Ordinaire Zaaken in haaren dienst hunnen voortgang hadden; men hoopte dat zijn Hoogheid ons in deesen zou gelieven te Excuseeren. En nadien wij op dit ons Schrijvens tot nog toe geen antwoord bekomen hebben, vertrouw ik, dat wij voor eerst van alle aanzoeken dierwee„ „gens zullen bevrijd blijven. In welk wenschelijk voor uijtsigt ik hoop, dat uwe Hoog Edel„ „heedens de voorschreeve nadere verstrekking van recognitie pennin„ „gen zullen gelieven goed te keuren, Vooral 3 vooral wijl wij hem alles niet finaal hebben durven weijgeren. En terwijl ik hier op een gun¬ „stig antwoord zal blijven te ge„ „moet zien, betuijg ik aan Uwe Hoog Edelheedens mijne needrige verpligting voor de verleende goed„ „keuring Aan mijne behandelinge, in anno 1779. , zoo met opsigt tot de voor uijt verstrekking van Recognitie penningen voor 3. Iaaren aan den Tansjourschen vorst; als met relatie tot de toegestaane overvaart na Iaffenapat„ „nam, van de Tansjoursche Cornax om de drie Recognitie Eliphanten voor zijn Hoog„ heijd voortaan zelfs weeder Iaarlijks aldaar te mogen gaan uijtkippen, Schoon ik bij die ver„ „gunning geen de minste bepaaling voor den volgenden tijd heb duren maaken. Nagesien F Luyken 83 maaken, om reeden zijn Hoogheid, daar door in het denkbeeld zoude hebben kunnen worden gebragt, dat men zijne presente Sitting op den Throon zijner voorvaderen als zeen wankelbaar, en niet bestendig aan zag, dat hem zeekerlijk niet Aan„ „genaam zou geweest zijn. Dan egter, Schoon hier omtrent niets bedongen is, zal ik bij een onver„ „hoopte verandering in dat Rijk of wanneer het weeder in andere handen mogt komen te geraaken, wel zorge draagen, dat die ver„ gunning, namentlijk om Cornax na Iaffena te mogen zenden, niet in Consiquentie getrokken wordt. Noopens Cannegasawea Poele, heb ik uwe Hoog Edelheedens nimmer iets geschreeven, het geen niet gefundeert geweest is op berigten Waar aan ik vertrouwde geloof te mogen defereeren. Aan Dan het blijkt van agteren dat hij zoo veel vrienden niet aan het Tansjourse hoff gehadt heeft, als hij zig wel heeft ver„ „beeld. Ten minsten hij is tot nog toe niet hersteld, maar houd zig tegen„ woordig den meesten tijd op Ma„ „dras op, uijt hoofde den Gouverneur en Raad hem aangesteld hebben tot Pagter van Naloer en de provin„ „cie, Kiewaloer voor 60'000. pajoo„ „den in het Daar. Dewijl ik tseedert het af„ „gaan mijner Eerbiedige apparte letteren van den 15. Januarij 1778. 15. october 1779. en 15. Januarij 1780. , niets naders van zijn Excellentie den Nabab Ma„ „homet Alichan vernomen heb met opzigt tot de klagten door zijn Excellenties, Haweldhaar Zee„ „gen het Palleacats opperhoofd Dadama geformeerd, vertrouw ik dat die zaak daarmeede voor afge„ „daan kan gehouden worden. Bij den Secreeten brief door mij Nagesien F Luyken 84 mij en den Raadt, te zaamen geschreeven, behoorlijk beantwoord zijnde de zaak„ raakende het Uijtwijken van onse in„ „woonders en die der Dorpen, neem ik tans de vrijheid, het eene poinct, bij Hoog derzelver missive aan mij al„ „leen gerigt, ter needer gesteld, te beant„ „woorden „Toen ik hier in Anno 1771. Aan„ kwam, wierden die eijgens te Costu„ „mados Ja selfs nog meer, die nu door den Hoofd Schilder bij zijne verantwoording zijn opgegeeven, dat door hem moeten worden uijtgekeerd, betaald, en in diervoegen, gelijk door hem gezegt word verdeeld. Dus ik geen nieuwigheijd inge „voerd, maar het eeniglijk bij die oude gewoonte gelaaten heb, zonder daar„ „meede eenig eijgen gewin te bedoelen Dog betreffende de door - hem opgegeeve Custumados voor den Gouverneur Ik versoeke Uwe Hoog Edelheedens Edelheedens, om die niet te Conside„ „reeren, als, en gelijk te stellen met die Costumados, welke bevoorens van de ingesamelde Lijwaaten bij den Gou„ verneur en Hoofd-administrateur als een douceur aangemerkt, en genoo„ „ten geworden zijn, maar dat Hoog „deselven dit genot van 2. â 3. pa„ „gooden eenlijk gelieven aantemerken als eene weeder vergelding voor de ongelden, die een Gouverneur zoo lange hij het opsigt over de Chitsen op zig neemt verpligt is te doen, voor het Extra onderhoud van pions en Cannekappels, want die door mij appart in dienst gesteld en aan„ „gehouden geworden zijn, om een Con„ „tinueele toesigt te houden op de Schilders, en hunne Wooningen, ten eijnde de Comp: daar door voorschaade te bevrijden. want het niet anders dan arme koelies zijn, die in slegte huijsjes woonen en naauwlijks Een halve fanum of 2. Stuijvers Idaags voor dag loon genieten waar Nagesien F Luyken „ 85 Waar door die menschen uijt hoofde van hunne armoede dikwils gebruijk moeten maaken van het Lijwaat, dat haar in handen gegeeven is, om te beschilderen om daarmeede hunne Schaamte te bedekken. Dog boven en behalven hunnen voorschreeven armoedigen toestant, en het nadeel dat daar uijt te wagten is, en niet anders kan voor„ gekoomen worden, dan door gestaa„ „dig zoo wel bij nagt als over dag„ op hun te laaten passen, schuijld er nog een groot quaad onder deselve, dat ze namentlijk de ruwe Lijwaaten, en ook wel de half geschilderde, (:dog wijnig de bereeds afgewerkte Chit„ „zen:) bij den eene of den andere Malla„ „baar uijt gebrek aanleevens onder„ „houd verpanden, en dewijl ze nader„ „hand geen geld hebben om het ver„ „pande, weederom in te lossen, komt al die Schaade die geene welke het opsigt van de Chitsen op zig genomen heeft, ten laste, wil hij de, stukken die verpand zijn weeder te rugge hebben gelijk mij meer dan eens -
English
has occurred. If this is indeed so, as it is in truth, then I trust that Your Right Excellencies will do me the justice of agreeing with me that with the benefit of 2 to 3 pagodas on each corgie of chintz, no personal gain was intended. For this, truly, as Your Right Excellencies yourselves are pleased to observe, would be far too trifling a matter for a Governor to seek a livelihood thereby. Nor, since the so-called complainants (whom people have been pleased to call painters) came forward with their complaints against the chief painter, have I wished to enjoy a single doit more of those so-called costumados. While at the same time, in order to prevent all groundless complaints, I thought fit to discharge all the private peons and cannekappels whom I had taken into service. Yet this has suited precisely the wish of those coolies and their instigators: for they were then able to proceed with the work according to their own pleasure, in which subsequently such a delay has occurred that the chintzes that were demanded in the year 1778 for the year 1779 for Europe will not be ready and dispatched before the coming year 1781. Which, I trust, will not be imputed to me, on the grounds that it would ill become me as Governor to go around among the coolies in person to urge them on to work; and just as little will the present interpreter, to whom by higher order I have assigned the oversight of the Company's chintzes, make those rounds. If he is thus to ensure that the Company's chintzes are ready according to their list, he will have to keep in service that very same personnel that I discharged, from which it then naturally follows that the payment of those expenses will have to be found out of the aforementioned so-called costumado. And this is then also the true reason why I did not contradict the statement in the accounting of the chief painter, who is a poor wretch, as are all his fellow comrades, because those costumados are so trifling that they are scarcely worth mentioning. And proceeding herewith to answer Your Right Excellencies' secret missive of 30 April of this year, I thank the same in the first place for the answer sent to me so promptly to my humble question posed by letter of 15 October 1779, as to how I should conduct myself concerning a certain report from the Tuticorin chief Van Angelbeek. Regarding which I assure the same that I shall proceed with all circumspection and secrecy, to the end that no occasion be given to those whom we have in view to form a conception of which they may perhaps not even have thought as yet. Yet if indeed such an intention as is maintained by the chief Van Angelbeek should have been forged, and one addresses oneself to me with it, I shall conduct myself strictly according to what Your Right Excellencies have prescribed to me in that regard, namely merely to keep that matter lingering, while indicating my surprise and astonishment at such an unheard-of and far-fetched pretension, the legitimacy of which will then also be directly contradicted by me; adding that since I could not have been provided with an order or instruction upon so singular and strange a demand, I cannot declare myself upon it either directly or indirectly, but that I shall write about it to Your Right Excellencies and await the orders of the same. Meanwhile, I certainly, as Your Right Excellencies had expected, would have already consulted the Ceylon Governor Falck about this affair and requested his considerations. Yet since I had already been informed that Mr. Van Angelbeek had informed the Ceylon Governor Falck of that case, and moreover the circumstances at Madras shortly thereafter changed their aspect so greatly that my apprehension of an application on that account thereby vanished entirely, I also, in order to soil no unnecessary paper in that respect, merely let the matter rest quietly and omitted the correspondence with Mr. Falck about it, which, as now appears in retrospect, would have been unnecessary, because nothing more is heard or spoken of that affair. That I requested my dismissal from the administration of this Government in my secret instead of in the general letter took place after the example of Governor Haksteen, concerning which misstep I most humbly beg pardon; Yet since it has not pleased Your Right Excellencies, for the present, owing to the precarious circumstances of the times, to condescend to my humble petition, but instead have thought fit to encourage me to continue in authority here for the time being, I shall therefore, in order to fulfill the confidence with which Your Right Excellencies have been pleased to honor me, and for which I am most exceedingly grateful to the same, once again assume the administration of affairs here on the Coast, just as if anew, even as I assume the same hereby, with the assurance that, with Divine assistance, I shall endeavor to govern this Government to the best advantage of the Company with all fidelity and vigilance. And since I shall need the wise counsels of the same for that purpose, I beseech Your Right Excellencies earnestly and from the heart not only to support me therewith from time to time, but also the missteps that I sometimes, in this delicate balance of affairs
Dutch transcription
eens gebeurd is. Is dit nu zoo gelijk het in waar „heijd is, zoo vertrouw ik, dat Uwe Hoog Edelheedens mij het regt zullen doen weedervaaren, van met mij toetestemmen, dat met het genot van 2. â 3. pagooden op ijder Corgie Chitsen geen eijge voordeel bedoeld geworden is. Want dit waar lijk zoo als uwe Hoog Edelens zelve gelieven aantemerken, een al te gering zaak zou weesen voor een Gouverneur om daar door een middel van bestaan te zoeken. Ook heb ik, Seedert de zoo genaamde klaagers, (:die men Schilders heeft gelieven te noemen met hunne klagten tegen den hoofd Schilden zijn uijtgekomen, geen duijt meer van die zoo genaamde Costumados willen genieten. Terwijl ik teffens, om alle op te raa„ „pen klagten voor te kunnen komen, goedvond om al de Particuliere pions en Nagesien J Luyken 86 en Cannekappels die ik in dienst genomen hadt, aftedanken. Dog dit heeft Juijst met den wensch dier koelies en hunne opstookers gestrookt: want ze toen na hun eijgen zin met het werk konden voortvaaren, waar in vervolgens zodanig een ver„ „traaging gekomen is, dat de Chit„ „sen, die in Anno 1778. voor den Iaare 1779. voor Europa gevraagd geworden zijn, niet voor het volgende Iaar 1781. gereed weesen, en afgaan zullen. Het geen ik vertrouw dat mij niet zal geweeten worden, uijt hoofde het mij als Gouverneur kwa„ „lijk passen zou om in persoon bij de koelijs rondt te gaan, om haar tot het werk aantespooren; En even zoo min zal den presenten Tolk aan wien ik ophooger ordre het opsigt over Comp:s Chitsen opgedraa„ „gen heb, die ronde doen. wil hij dus zorgdraagen, dat Comp:s Chitsen op haar Lijsdt gereed zyn. zijn, zal hij dat eijgenste volk in dienst moeten houden, dat ik afgedankt heb, waar uijt dan weeder van zelfs volgd, dat de betaling dien ongelden uijt de voornoemde zoo genaamde Custumado zal moeten gevonden worden. En dit is dan ook de waare reeden, waarom ik de opgave bij de verandwoording van den Hoofdschilder, die een Armen hals is, gelijk alle zijne meede makkers zijn, niet tegen gesproo„ „ken heb, wijl die Costumadas zoo ge„ „ring zijn dat zij naauwlijks de moeijte waardig zijn genoemd te worden. En hiermeede overgaande, ter beant„ „woording van Uwe Hoog Edelhee„ „dens Secreete missive van den 30. april deeses Iaars, bedank ik Hoog deselve in de Eerste plaatsche voor het mij zoo spoedig toegezonde antwoord op mijne needrige vraag bij brief van den 15. October 1779. Gedaan, hoedanig ik mij zou hebben te gedraagen om„ „trent zeeker berigt van het Zutu„ „corijns opperhoofd van Angel„ „beek. waar Nagesien J Luyken 87 Waar omtrent ik Hoog dezel„ „ve verzeekere met alle omzigtig„ „heijd en Secretesse te werk te zul„ „len gaan, ten eijnde aan die geene waar op wij het oog hebben geen aan„ „leijding te geeven tot het formeeren van een denkbeeld, waarom te mis„ „schien zelfs nog niet eens gedagt heb„ „ben. Dan zoo 'er waarlijk zoodanig een voorneemen als door het op„ „perhoofd van Angelbeek, gesusti„ „neerd wordt, mogt gesmeed weesen, en men zig daarmeede bij mij addres„ „seerd, zal ik mij stiptelijk gedraagen na het geen uwe Hoog Edel„ „heedens mij dierweegens hebben voorge„ „schreeven, om namentlijk die zaak maar Sleepenste te houden, onder te kennen geeving van mijne Surprise en verwondering over zoo, Een ongehoor„ „de en verre gesogte pretentie, welken„ wettigheid, dan ook door mij direct teegen gesprooken worden zal; on„ „der bijvoeging, dat dewijl ik niet voorsien heb kunnen weesen van een order order of Instructie op zoo een Sin„ „guliere en vreemde Eijsch, ik mij daar op ook niet, het zij direct of in„ „direct, kan verklaaren, maar dat ik daar over aan Uwe Hoog„ „Edelheedens Schrijven en Hoog„ „derselver ordre affwagten zal. Intusschen, zou ik, zeekerlijk, zoo, als uwe Hoog Edel„ of „heedens verwagt hadden, over deese affaire den heer Ceijlons Gou„ „verneur Falck al geraad pleegd, en zijn Edeles Considteratien ver„ zogt hebben. Dan dewijl ik bereeds onder„ - „rigt was, dat de heer van Angel„ „gelbeek van dat geval de Edele heer Ceijlons Gouverneur Falck g'informeerd hadt, En boven dien de omstandigheeden te Madras kort daar na zoo zeer van gedaante verandert waaren, dat daar door mijne bedugting voor een Aansoek dierweegen ten eenemaal verdeveen, zoo heb ik ook, om ten dien opsigte geen, onnodig papier te bekladden; het daar bij maar stil laaten berusten Nagesien F Luyken E 88 berusten, en de Conrespondtentie daar over met de Edele heer Falck agter weege gelaaten, het geen zoo als nu van Agteren blijkt, onnodig zoude geweest zijn, wijl niets meer van die affaire gehoort of gerept wordt. Dat ik mijne dimissie Uijt„ het bestier van dit Gouvernement bij mijne Secreete in Steede van bij de gemeene brief versogt heb, is na het voorbeeld van de Edele heer Gouverneur Haksteen geschied, omtrend welke mistap ik zeer needrig om Excuus vraag; Dan dewijl het uwe Hoog Edelheedens niet behaagd heeft, voor als nog, mits de neetelige tijds omstandigheeden, in mijne demoedige gestaane beeste te Con„ „descendeeren, maar daar en Leesen goedgevonden hebben mij te animee„ „ren, om in het gesag alhier voor eerst nog te Continueeren Zoo zal ik om te voldoen Aan het vertrouwen waarmeede Uwe uwe Hoog Edelheedens mij hebben gelieven te verEeren, en waar voor ik Hoog dezelve ten hoogsten dankbaar zij het bestier van zaaken hier ter Custe, Schoon in de allen„ Criticqste zijds gesteldheid zijnde waarin deese landen ooijt bevoo„ „rens geweest zijn, weederom even als op nieuw Aanvaarden gelijk ik het zelve Aanvaarde bij deesen, onder verseekering dat ik, onder den Goddelijken bijstand, trag„ „ten zal dit Gouvernement, ten besten van de Maatschappij met alle trouwe en wakkerheijd te Be„ „stieren. van wijl ik daar toe Hoog derselver wijse raadgevingen zal noodig hebben Smeek ik uwe Hoog Edelheedens met na druk en van harten, om mij daar meede niet alleen van tijd tot zijd te ondersteunen, maar ook de mistappen die ik Zomwijlen. in dit netelige Lijst geweigt van zaaken Nagesien F Luyken 8 O 1„
English
favourably to pardon matters that might be committed through ignorance. Meanwhile, in compliance with Your High Honours' authorization regarding the annual alteration of the signals in this Government, I have already prepared a new list for that purpose. The first set of which was sent with the return ship the Triton to Cabo de Goede Hoop, which will be followed by the second and third set via Ceijlon. In the meantime, I also present the first set to Your High Honours with the bearer of this letter, just as is done with the second together with the duplicate of this, while I shall furthermore, with respect to the sealing and writing of the signal letters, strictly adhere to Your High Honours' Secret Resolution of 21 April last, of which I have received the extract. Thus much in answer to Your High Honours' esteemed letter of 30 April; I now proceed to that of 6 June. In my respectful letter of 15 January of this year, continuing from what was advised in my separate letter of 15 October 1779, with respect to the matters that occurred regarding the leasing of Bimilipatnam, I gave Your High Honours a detailed account, up to the point that from here authorization was granted to the Bimilipatnam Chiefs, upon their earnest writing and favourable proposal, by letter of 15 November 1779, on the footing of the first 5-year contract, not only to lease Bimilipatnam with the 12 villages belonging under it, together with the village of Polle Sillij, and another village of their choice, for the Company from the Visianagaram Princes for 20,000 Ropias per year, or in five years 100,000 Ropias, but also to advance this amount to Their Highnesses, to be repaid again in five years from the lease of the aforesaid villages, provided that the princes bound themselves to the three conditions stipulated by me and the Council in the contract. Among which conditions, mentioned at length in my often-mentioned humble writing of 15 January 1780, the first and foremost was that on the principal being advanced to the princes until full payment, an annual interest of 4 percent should be paid, after deducting, however, the annual 20,000 Ropias or the agreed lease sum for a year. And since we judged that such a condition could not be regarded as anything other than very reasonable, we were also expecting a speedy reply, and no other than that the contract, concluded and mutually signed on the prescribed footing, would be sent to us. Yet in this we were very far mistaken. The said answer did not appear until the month of May last, and thus fully six months after we had written to them. After the chiefs had made some weak excuses about this, which could not stand the test at all, they reported to us in their secret letter of 1 May essentially: That upon the notification from the Prince, Gjitta Rama Rasoe, that he was ready to hear such proposals as the chiefs might be authorized to make to him concerning the entering into a new contract, they had immediately sent the servant China Tambie to Visianagaram with the three main conditions contained in our missive of 15 November 1779. But that he had reported to them that the Princes, upon those proposals, had not only at once absolutely refused to give their consent to paying interest money stipulated in our aforementioned letter on the principal to be advanced; but in addition had given to understand that they already stood to lose enough on the lease to be ceded, which they now left to the Company for 5 thousand Ropijen less per year than was done in the previous 5-year contract, not counting the relinquishment of their right to the Panados of the merchants, which they at least estimated at just as high a value as the principal repaid to those merchants in the previous five-year contract; and since therefore, taken altogether, the Rajas could well calculate that on the present lease they would purely lose 225 thousand Ropias in the 5 years, they consequently deemed themselves justified in every respect to remain exempt from paying the demanded interest, which would amount to 12,000 Ropijen over the 5 years. Subsequently they reported that the Rajas, having shown themselves inclined to enter into a contract again on the footing of the previous five-year contract, had not only offered to pay interest of half a percent per month, or 6 percent per year, on the one hundred thousand Ropijen to be advanced; but even interest of 3/4 percent per month, or nine percent per year, provided that the chiefs took over Bimilipatnam and its dependencies on the same conditions as they were ceded in the previous 5-year lease. And they further remarked that, having taken this offer into consideration, they found that even if it were possible for them, under the present circumstances of the times, to lease out Bimilipatnam and the thirteen villages that belonged to it at that time, just as advantageously now as was done in anno 1769 for 16,000 Ropijen per year, the loss on that lease would nevertheless amount to 21,100 Ropijen in the five years.
Dutch transcription
89 zaaken door onkunde mogt begaan„ gunstiglijk te verschonen. Ondertusschen heb ik in vol„ „doening, aan Hoog derselver quali„ ficatie, raakende het Iaarlijks veranderen der Seinen in dit Gou„ „vernement, bereeds een nieuwe Lijst daar toe in gereedheijd gebragt. Waar van het Eerste stel met het Re„ „thour Schip de Triton na Cabo de Goede Hoop gesonden is, dat door het tweede en derde Sel over Ceijlon zal gevolgdt worden. In midden biede ik Uwe Hoog Edelheedens ook het eerste stel met brengen deeses aan, zoo als met het tweede geschied nee„ „vens het Duplicaat deeses, ter„ wijl ik mij voorts met opsigt tot het sluijten en beschrijven der seijn brieven, stiptelijk gedraagen zal na Hoog derzelver Secreete Reso„ lutie van den 21. april Iongstlee„ den den, waar van ik het Extract ontvangen heb. Dus veel, ter beantwoor„ „ding van Hoog derselver g'Eerde van den 30. April, ga ik over tot die van den 6. Junij. Bij mijne Eerbiedige let„ teren van den 15. Ianuarij dezes Iaars, heb ik ten vervolge van het geadviseerde bij mijne Aparte van den 15. October 1779, met opsigt tot de voorgevallen zaaken raakende het in pagt neemen van Bimilip=m, aan Uwe Hoog Edelheedens een breedvoerig verslag gedaan, tot zoo verre dat, van hier de Bi„ „milipatnamsche Opperhoofden op hun ernstig schrijven, en favo„ „rable voordragt, bij brief van den 15. November 1779. qualifikatie verleend was, om op den voet van het eerste 5. Iaarig Contract, niet Nagesien F Luyken 90 niet alleen Bimilipatnam met de daar onder gehoorende 12. dorpen, neevens het dorp Polle Sillij, en nog een ander dorp, ter haarer keuse, voor de Comp: van de visiana„ „garamsche Princen in pagt te nee„ „men voor 20'000. Ropias in het Daar, of in veif Iaaren 100'000. –. Ropias, maar ook dit bedragen aan Hunne Hoogheedens voor uijt te verstrekken, om in vijf Iaaren uijt de pagt den voorsz: dorpen, weederom voldaan te worden, mits de vorsten zig tot de door mij en den Raad bepaalde drie Conditien bij het Contract verbonden. Onder welke Conditien, breedvoerig vermeld bij mijn meer gewaagt needrig schrijvens van den 15. Januarij 1780. , de Eerste en voor„ „naamste, was, „ Dat op het aan„ „de vorsten voor uijt verstrekt „wordende Capitaal tot de volle betaaling „betaaling toe, Iaarlijks zoude moe„ „ten bestaald worden, den Intrest van 4. percento na detraheering egter Iaarlijk van 20'000. Ropias of de bedongene pagt Schat voor een Paar En nademaal wij oordeelden, dat een diergelijke Conditie niet anders dan als zeer billijk kon worden aangemerkt, waren wij ook een spoedig, en geen ander antwoord verwagtende, dan dat het Contract op de voorgeschree„ „rene voet geslooten en over en weeder geteekend, ons zoude worden toegesonden Dan wij hebben hier in zeer verre misgetast. Het gemelde Antwoord kwam niet eer te voorschijn als in de maand Maij Iongstleeden, en dus ruijm zes maanden na dat wij hun ge„ schreeven hadden. Na dat de opperhoofden hier over eenige flaauwe Excusen, welke in Nagesien F Luyken 91 in het geheel, geen proef konden houden, gemaakt hadden, melden zij ons bij haaren Secreeten brief van den E:e Maij hoofd zakelijk. Dat zij op het aanzeggen van den Prins, Gjitta Rama Rasoe, dat hij gereed was, zoda„ „nige voorstellen aantehooren, als zij opperhoofden bevoegd mogten weesen, weegens het Aangaan van een Nieuw Contract aan hem te doen, terstond den dienaar China Tambie na visianagaram gezonden hadden, met de drie hoofd voorwaardens, ver„ „vat bij onse missive van den 15. No„ „vember 1779. Maar dat deese aan hun hadt gerapporteert, dat de Princen op die voorstellingen niet alleen ten eersten volstrektelijk geweijgerd hadden, hunne toestemming te geeven, tot het betaalen van Intrest gelden bij onse opgemelden brief, op het voor uijt te Schietene Capitaal bepaald 3 3 F Luyken bepaald; maar daaren boven nog hadsten te kennen gegeeven, dat zij genoeg kwamen, te verliesen op de af te sta„ ne pagt, die zij nu voor 5. duijsend Ropijen minder sjaars aan de Comp: overlieten, dan bij het voorig 5. Iaarig Contract was geschied, on„ „gereekend de afstand van hun regt op de Panados der koop„ „lieden, die z' ten minsten geno„ „men op even zoo een hooge waarde stelden, als het Capitaal, bij het voorig vijf Iaarig Contract aan die kooplieden te rug betaald, en nadien dus in het geheel genomen zij Radjas wel konden reekenen op de tegenswoordige Pagt Suijver in de 5. Iaaren 225. duijsend Ro„ „pias te zullen verliesen; zij zig gevolgelijk in allen deelen gewettigd agten bevrijdt te blijven van de betaling der gevorderde Intressen die op 12000. Ropijen in de 5. Iaaren te staan kwamen. vervolgens melden zij dat de Radjas zig geneijgd getoond hebbende 70 Nagesien 11 - 92 op den voet van het voorige vijfjaarig Contract, weeder een Contractatie aan te gaan, niet alleen aangeboden hadden, den Intrest van Een half percento 'smaands of 6. ten hondert Jjaars, op de voor te schietene, Een hondert duijsend Ropijen, te betaa„ „len; maar zelfs de Renten van /4. percento 'smaands of neegen ten hon„ „dert Sjaars, mits dat zij opperhoof„ „den Bimilipatnam en derselver onderhoorigheeden kwamen overte„ „neemen op deselfde voorwaarden als bij de voorige, 5. Iaarige pagt zijst waren afgestaan. En remarqueerden voorts dat zij deese aanbieding in overweeging ge„ „nomen hebbende bevonden hadden, dat alschoon het haar mogelijk ware, in deese, tijds omstandigheijd Bimilipatnam, en de Derthien te dier tijd daar toe geresorteerd heb„ „bende dorpen, nu even zoo voordee„ „lig als in anno 1769. was geschied voor 16000. Ropijen Sjaars te ver„ „pagten, het verlies op die pagt nog„ thans in de vijf Iaaren op 21100. Ropijen
English
Rupees would amount to, whereas the interest on the money to be advanced amounted to only 20,000 Rupees, so that the Company, intending to calculate those interests to the benefit of the lease, would still suffer a loss of well over One thousand Rupees after the termination of the lease period. And that consequently they had deemed it most appropriate to make known to the Rajas that they were completely bound by this Government to the proposals communicated to Their Highnesses, and furthermore that it was consequently beyond their power to enter into negotiations regarding any others, as had since been done by them. After having related this beforehand, they further report that as soon as Patmanaboe Rasoe, brother of the deceased Jaggenadoe Raasoe, had learned of the calculated dispute regarding Checked F Luyken 93 regarding the interest monies, and of the Rajas' displeasure on that account, he had employed all his influence with Their Highnesses to maintain in full force the Sanadoe granted by the merchants for the benefit of himself and his brother, and that with such good effect that the Princes had openly expressed their disinclination toward the annulment thereof. And since the Chiefs continue to state that this caused a new and significant obstacle to concluding the intended Contract, they merely kept the matter pending, while their trust in the effective and well-meaning intercession of the Commandant Dantla Wenkatarasoe, who now governed the realm as Divan in place of Paggenadoe Rasoe, had given them a well-founded hope of gradually clearing all difficulties out of the way. Yet of this powerful intercession, and of all the expectations based thereon by them, they found themselves suddenly deprived by the march of the said Commandant to the mountains, whither he had been ordered with the army of the Rajas to march up in order to bring to a halt the inhabitants thereof who had stirred up a very detrimental rebellion, with which he had been occupied until late in the past month of April. And since all public affairs remained suspended due to the absence of the Commandant as Divan, the Chiefs also recalled the servant China Tambie from there after his departure. Especially because shortly thereafter followed the summons and departure of Sitta Rama Rasoe to Madras, whereby all transactions were brought completely to a standstill. After all this had been put forward by the chiefs to excuse the failure to answer our letter of 15 November 1779, they nevertheless come closer to the matter by informing us: That since the return of the Commandant Wenkata Rasoe to Visianagaram, they have been assured from reliable sources that all parties were unanimously inclined to Checked F Luyken 94 to bring the five-year Contract with the Company to a conclusion, and that the Government of Visianagaram had already written to Tjetta Rama Rasoe about this to request his consent; furthermore, they say that they had also been assured that through the intervention of the Commandant and his friends, Latmanaboe Rasoe had been persuaded to renounce the Panadoe that had been made to his brother's benefit, and that thus all our conditions would be granted, except for the payment of any interest on the capital to be advanced, by reason of the lower lease for which the lands would be ceded. While they furthermore, at the conclusion of their said letter, requested authorization from me and the Council to be permitted to contract on the said basis. This request of theirs having been taken into further consideration by me and the Council on 25 May last, we resolved, for reasons described in that Resolution, to authorize the Bimilipatnam chiefs to enter into a five-year Contract regarding regarding the leasing of Bimilipatnam with the Twelve villages subordinate thereto, together with the Village of Pollepellij, and another village of their choice, from the Visianagaram Princes for a sum of 100,000 Rupees, provided that the two remaining articles mentioned in our previous letter of 15 November 1779, speaking of the Panados of the Merchants etcetera, are granted, and the Princes come to accept 45,000 Rupees in cash and the remaining 55,000 Rupees in merchandise of the capital to be advanced to them. This having been written to the chiefs by secret missive of 7 June last, we had expected to receive the answer and the reciprocally signed Contract before the dispatch of this letter; but since we waited in vain thereafter until 29 September, without the prescribed Contract or any letter regarding it having been received from Bimilipatnam, we thought it proper to sentence each of the two chiefs, for their far-reaching indifference and negligence in answering our letters, to a fine of three Checked F Luyken
Dutch transcription
Ropijen zoude komen te beloopen daar den Intrest der voorteschie„ „tene gelden, maar op 20'000 Ropijen, te staan, kwam, zoo dat de Comp: die rhenten ten voordeele van de„ pagt, willende bereekenen, nog na het uijt eijnde van de pagt zijd ruijm Een duijsend Ropijen Schaade zou komen te lijden En dat zij dienvolgende het gevoegelijkstgeagt hadden, de Rad„ „jast te kennen te geeven. dat zij door deese Regeering geheellijk be„ „paald waaren aan de voorstellen aan hun Hoogheedens meede gesteeld, mitsgaders dat het dien„ „volgende buijten haare magt was, weegens, eenige Andere, in onderhande„ „ling te treeden, zoo als seedert door hun gedaan was. Nadit voor af verhaalt te hebben, melden zij verder dat zoo dra Patmanaboe Rasoe, broeder van de overleedene Jag„ „genadoe Raasoe, kennis gekree„ „gen hadt van het gereeken verschil weegens Nagesien F Luyken 93 weegens de Intrest penningen, en der Rajas misnoegen dierweegens, hij al zijn vermogen bij hunne Hooghee„ „dens in het werk hadt gesteld, om de Sanadoe ten voordeele van hem en zijn broeder door de kooplieden verleend, in volle kragt te behouden, en, dat met zoo een goed gevolg, dat de Princen opentlijk hunne ongeneijgdheid te kennen gegeven had„ „den ter vernietiging van dezelven. En dewijl hier door dus vervolgen de Opperhoofdens een nieuw en gewigtig„ beletzel tot het sluijten van het bedoeld, Contract veroorzaakt was, hadden zij slegts die zaak Slee„ pende gehouden, terwijl haar vertrouwen op de kragtdadige en welmeenende voor„ „spraak van den Kommandant Dantla wenkatarasoe, die thans in Steede van Paggenadoe Rasoe het rijk als Divan bestierde, haar een gegronde hoop gegeven hadt, langsamerhand alle zwarigheeden uijt den weg te ruijmen Dan van deese vermogende voor„ spraak, en alle de daar op door haar ge¬ „vestigde verwagting hebben zij zig op eenmaal beroofd gezien, door den optogt, van den gemelden Commandant na het gebergte, werwaarts hij gelast geworden was met - met het krijgs volk der Radjas op te trekken om de bewooners van het zelve die een seer schadelijke opstand ver„ „wikt hadden, tot Stilstand te brengen, waarmeede hij tot in het laast den ver„ „leedene maand april beesig geweest was. En dewijl door het afweesen van den Commandant als Divan„ alle openbare zaaken opgeschort geblee„ ven zijn, hebben ook de Opperhoofdens na zijn vertrek, den dienaan China Tambie van daar te rug ontbooen. Insonderheid wijl kort daar op volgde het op ontbod en vertrek van Sitta Rama Rasoe na Ma„ „dras, waar door alle verrigtingen geheel tot stil stand gebragt wa„ „ren. Na dat dit alles door de op„ „perhoofden was bijgebragt, om het niet beantwoorden van onsen brief van den 15. November 1779. goed te maaken, ko„ „men zij egter nader ten zaake, door ons te berigten. Dat Zeedert de terug komst van den kommandant Wenkata Rasoe te visianagaram, zij van goeder hand verzeekerd geworden zijn, dat alle parthijen een pariglijk geneijgd waaren, om Nagesien F Luyken 1 ƒ „ 94 om het vijf Iaarig Contract met de Comp: tot een besluijt te brengen, en dat de Regeering van Visianagaram daar over reeds aan Tjetta Ra„ „ma Rasoe geschreeven hadt, om zijne toestemming, te versoeken; vervolgens zeggen zij, dat zij teffens verzeekerd waaren, geworden dat door de tusschen komst van den kommandant en zijne vrienden, Latmanaboe Rasoe overgehaald geworden was tot den af„ stand van de Panadoe, die in zijn broeders voordeel gemaakt was, en dat dus alle onse voorwaardens zou„ „den worden ingewilligd, uijtgenomen de betaling van eenige Intrest op het voor te erschietene Capitaal om reeden van de mindere pagt, waar voor de Landen zouden worden afge„ staan Terwijl zij overigen in het stot van haaren gemelden brief, van mij en den Raad qualificatie verzogten, om op den gemelden voet te moge Contracteeren. Dit hun versoek op den 25. Maij Iongstleeden door mij en den Raad in nadere overweeging genomen zijnde, hebben wij om reedenen bij die Resolutie beschreeven, beslooten de Bimilipatnam „sche opperhoofden te qualificeeren, tot het aangaan van Een vijff Iaarig Contract weegens weegens het in pagt neemen van Bimi„ lipatnam met de daar onder gehoorende Twaalf dorpen, neevens het Dorp Polle pellij, en nog een ander dorp ter hunner keuse, van de visianagaramsche Prin„ cen voor een Somma van 100'000. Ro„ „pijen, mits dat de twee overige arti„ „culen bij onse voorige brief van den 15e November 1779. vermeld, spreekende van de Panados der Kooplieden ensz: worde ingewilligd, en de Princen van het aan haar voor uijt te verstrekkene Capitaal 45000. Ropijen in Contant, de overige 55000. Ropijen in Koopmanschap„ „pen komen te accepteeren. Dit de opperhoofden aan„ „geschreeven zijnde bij Secreete missive van den 7. Iunij Jongstleeden had„ „den wij verwagt het antwoord, en het over en weeder geteekend Contract nog te ontvangen voor het afgaan deeses; Dog dewijl wij daar na tot den 29. 7ber te vergeefs gewagt heb„ ben, zonder dat het voorschreeve Contract of eenig schrijven dierwee„ „gens van Bimilipatnam ont„ vangen is, vonden wij goed een ieder„ van de beijde opperhoofden, over haa¬ „re verre gaande onverschilligheid, en na„ latigheid in het beantwoorrden onzer brieven te Condemneeren in een boete van drie Nagesien F Luyken
English
three months' salary for the benefit of the poor, in the trust that this mild penalty will teach them for the future to be somewhat more attentive in answering our letters; while we at the same time took into consideration the critical time in which we live, and which, so far as we can gather from the reports sent by them to Iaggernaijkpoeram and Palicol, is no less dangerous around Bimilipatnam. And since we, by this as well as by other reports received here, were advised from all sides to observe prudence in everything, and above all not to expose the money of the Company to the least danger, we furthermore resolved to write to the chiefs and emphatically order them, in case the aforementioned contract with the princes was not already completely concluded and signed upon the receipt of our letter, and the money etcetera handed over to their Highnesses, to immediately cease all negotiations in that regard until our further orders. This having been written to them by letter of the 28th of September, I must await the outcome of that order with patience; but I hope that the imposed fine will have prompted the chiefs to a better observance of their duty in this matter, and that I shall thus be enabled to communicate the outcome of this entire affair to Your Right Noblenesses on a further occasion. In the meantime, I shall shortly hold up to the Bimilipatnam chiefs Their High Honours' recommendation, namely to show more circumspection and better deliberation in the future in handling the Company's affairs, especially in business of such a nature as concerns the entering into of a contract, than has taken place in this instance; on which occasion I shall also write to the said chiefs to investigate how well-founded the assertion of the Rimidian prince is, that in his country better and more durable linens could also be obtained 20 percent cheaper than at Palicol, Iaggernaijkpoeram, and Bimilipatnam, although I already provisionally regard the same as a rodomontade to secure, by that means, a good sum of money from the Company in order to settle his arrears at Madras with it, after which I fear he would leave the Company in the lurch. Yet I shall nevertheless not fail to communicate to Your Right Noblenesses, at the first opportunity, the report that I shall receive from Bimilipatnam regarding this. In order to free the Company from the great damage which it has to bear from time to time through the perishing of the elephants, I will, according to Their High Honours' desire, very gladly make the proposed suggestion to the Tanjore court at the first opportunity, namely that, since the recognition elephants are currently selected at Jaffanapatnam by the Prince's own cornacs and mahaldaars, we may henceforth also have the liberty to send those animals to Tanjore immediately upon their arrival, or that otherwise the vessel in which they are transported may put into a Tanjore seaport and disembark those animals. Yet, since I doubt a favorable result in this regard, I shall first have the honor herewith to lay before Your Right Noblenesses the difficulties that operate against it. The first and principal difficulty is the attachment of the inhabitants of this country, and especially those of Tanjore, to their old customados or customs, from which they will not deviate for all the treasures that one might offer them. The second difficulty is the fatigue of the elephants themselves, which, when disembarked here at the roadstead from the thonij in which they were laden at Jaffanapatnam or Manaar, must be dropped into the sea and further towed to the shore with catamarans, so that these animals, being utterly exhausted, would not be in a condition to cover a journey of half an hour, much less that of 3 to 4 days' walking; and this may well be regarded as the principal cause why so many of those animals perish here before they can be transported to Tanjore; to which, thirdly, is also added the change of air, food, and drinking water that these animals must undergo, so that if they are not first treated here through the use of medicines, for which native doctors come from the country, and gradually accustomed to the food and the water, not a single one would arrive alive in Tanjore. Besides this, there remains yet a fourth difficulty, which is of no less weight, and this is the cornacs themselves. For Your Right Noblenesses please to know that it is not the cornacs and mahaldaars who have fetched the elephants from Jaffanapatnam that transport those animals to Tanjore. No, for that purpose other servants of the court, though also under the name of cornacs and mahaldaars, are sent hither upon my letter to the Albeschik to fetch those animals, and if they, according to the declaration of the cornacs returned from Jaffanapatnam, are healthy and have the required good marks, they are accepted; but if even the least thing is lacking, or if those animals look very emaciated, as is usually the case—since those animals have little room in such a thonij and cannot get sufficient food, because of which they decline so much in 3 days that one
Dutch transcription
95 drie maanden gagie ten behoeve van de armen, in vertrouwen dat deese zagte peenaliteijt haar voor het vervolg leeren, zal wat attenten te weesen in het beantwoorden onser brieven; Terwijl wij teffens in overweeging namen de Critique Lijd, die wij beleeven; en die voor zoo verre wij kunnen opmaa„ „ken uijt de berigten door haar na Pag„ „gernaijkpoeram en Palicol gesonden, omstreeks Bimilipatnam niet min dangereus is. En dewijl wij hier door gelijk meede door andere berigten alhier ontvangen, van alle zijden aangeraaden wierden, om in alles de voorsigtigheid te be„ „tragten; en voor al om het geld van de Comp: aan geen het minste„ gevaar te Exponeeren, besloten wij al ver„ „der de opperhoofden aan te schrijven, en met nadruk te gelasten, om zoo het voorschreeven Contract met de vorsten op den ontvangst van onse brief niet bereeds, volkomen gesloten, en geteekend, mitsgaders het geld ensz: aan hunne Hoogheedens afgegeeven was, om im„ mestiaat alle onderhandelingen daar omtrent te staaken, tot onse nadere ordre n worde C ordre. Dit hun aangeschreeven zijnde bij brief van den 28. 7ber moet ik het gevolg van die ordre met geduld blijven afwagten, dog ik hoope dat de opgelegde boete, de opperhoof„ „den zal opgewekt hebben tot een betere betragting van hun pligt in dit stuk, en dat ik dus, daar door in staat zal gesteld wor„ „den, den uijtslag deeser gansche zaak, bij een nadere geleegendheijd aan uwe Hoog Edelheedens te kunnen bedeelen. Ondertusschen zal ik eerst daags de Bimilipatnamsche opperhoofden voorhouden Hoog„ „derselver recommandatie, om naa„ mentlijk in de behandeling van Comp:s zaaken, vooral in affaires van dien aard als het aangaan van een Contract betreft, voortaan meerder omsigtigheijd, en een beeter overleg te betoonen, als in deesen heeft plaats gehadt, bij welke geleegend„ „heijd ik teffens de gedagte opper„ „hoofden aanschrijven zal, om te onderzoeken, in hoe verre gegrond zij het Nagesien F Luyken 1 96 het voorgeeven van den Rimidi„ schen vorst, dat in zijn Land beeter en deugdsaamen Lijwaaten ook 20. percento beeter koop zou„ „den te bekoomen weesen, als op Palicol, Iaggernaijkpoeram, en Bimilipatnam, Schoon ik het selve bereeds bij voorraad beschouw als een Rodemontade om zig door dat middel van een goede Somma gelds van de Comp: meester te maaken, om daar„ „meede zijne agter stallen op Ma„ „dras te voldoen, waarna ik vrees, dat hij de Maatschappij, agter het net zou laaten visschen. Dan ik zal egter niet nalaa„ ten, het verslag dat ik daar van, van Bimilipatnam ontvan„ „gen zal, uwe Hoog Edel„ „heedens bij de eerste geleegendheid te bedeelen: Om de Maatschappij te bevrijden van de groote schaacle, welke zij van zijd tot Lijdt te dragen heeft, door het Creveeren den der Elifanten, wil, ik Zeer gaarne na Hoogderselver, begeerte, bij de eerste geleegendheid den geproponeer„ „den voorslag aan het Tans„ „joursche hof doen, namentlijk dat wijl de recognitie Elifanten tans door 'S Vorsten eijge Cor„ „naxe en Mahaldaars op Iaf fenapatnam worden uijtge„ „kipt, wij ook voortaan de vrijheid mogen hebben, om die beesten direct na hunne aankomst na Tansjour te zenden, of dat anders, het vaartuijg waar in zij overge„ voerd worden, in een Tansjoursche zee haren aangieren en die beesten ontscheepen mag. Dog dewijl ik aan een goed rensit dierweegens twijffele, zoo zal ik vooraf de Eere hebben de Swaa„ „righeeden, die daar teegen oppereeren bij deesen voor uwe Hoog Edel„ „heedens bloot te leggen. De eerste en voornaamste Swarigheid is, degebondentheid van de Nagesien F Luyken 91 de Inwoonders deeses Lands, en wel principaal die van Tansjour aan hunne, Oude Custumados of gewoontens, waar van zij niet afwijken zullen voor alle schat„ ten, die men haar zoude mogen aanbieden. De tweede zwaarigheid is, de vermoeijtheid van de Elifanten, zelfs, die wanneer alhier ten rheede uijt de Thonij ontscheept worden, waar in ze te Iaffa„ napatnam of Manaan geladen zijn, in zee gestort, en voorts met Cattemarauws na de wal geboeg„ seerd worden moeten, zoo dat die dieren ten eenemaal afgemat zijnde, niet in staat zouden weesen, Een weg van Een half uur, veel min die van 3. â 4. et„ „maalen gaans afteleggen, en dit mag men wel voor de princi„ „pavale oorsaak aanmerken, waarom alhier 1 8 - alhier zoo veel van die beesten komen te Creveeren, voor dat ze na Tansjour kunnen werden over „gebragt, waar bij derdens nog komt, de verandering van lugt, kost, en drink water, dat die beesten moeten ondergaan, zoo dat wanneer ze alhier niet eerst door het gebruijk van me„ „dicijnen, waar toe Inlandse meesters uijt het land komen, en lang Samerhand aan het eeten en het water gewoon ge„ „maakt worden, geen een levendig in Tansjour zoude komen. Buijten des residteert er nog een vierde zwarigheid die niett minder van gewigt is, en dit zijn de Cornax zelfs. want Uwe Hoog Edel„ „heedens gelieven te weeten dat niet de Cornax en Mahal„ dhaar, Nagesien F Luyken 98 dhaars, die de Elifanten van af„ „fanapatnam hebben afgehaald, die beesten na Tansjour overbrengen Neen, daar toe worden andere bediendens van het Hof, dog ook onder de naam van Cornax en Mahaldaars, op mijn Schrijven aan den Albeschik, dit heen ge„ „sonden, om die beesten aftehaalen, en, zoo ze volgens verklaaring van de van Iaffanapatnam te rug gekeerde Cornax gesond zijn, en de verEijscht wordende goed teekens hebben, g'accepteerd, dog zoo in maar het geringste aan komt te ontbreeken, of die dieren 'er zeer vermagerd Uijtzien, zoo als dat doorgaans is, wijl die beesten in, zoo een Thonij weijnig ruijm te hebben, en geen ge„ „noegsaam voedsel kunnen krij„ „gen, waar door ze in 3etmaalen zodanig vervallen, dat men deselve voor
English
would not recognize as the very same animals that were shipped at Jaffnapatnam, they will not accept them, but having viewed them with a sort of contempt, will leave them standing. From all of which Your High Excellencies will very easily be able to gather, that the direct acceptance of those animals by the Cornax, and the transfer to Tanjour, can just as little be made into a custom at the Court as the direct sailing in of the Thonij, and the disembarkation of the elephants loaded therein, into one of the seaports of the Tanjourian Empire. Yet nevertheless I shall do my best in this matter to see whether it might once succeed. And as I hope to report the outcome thereof on a subsequent occasion, I meanwhile thank Your High Excellencies for the favorable trust which Your High Excellencies have been pleased to place in me in this regard. In my humble secret dispatch of 15 January of this year, I had the honor to inform Your High Excellencies that we had decided on the 10th preceding to send a copy of the Nabab's letter to Palleacatta to Chief Tadama, with orders to elucidate to me and the Council as soon as possible how matters stood regarding the Chialengeniers of the Serkar and those of the Company, and whether any separation had ever taken place in that regard; to which Chief Tadama served in reply by his separate letter of 15 March of this year, that the Chialengen at Palleacatta have at all times belonged under the obedience of the Company, and the Chialengeniers have obeyed the orders of the Chiefs, as was confirmed from all mouths. After which he further remarked that His Excellency the Nabab was also fully aware of this, for otherwise, thus Tadama continues, he would not have written to the former Palleacatta Chief, Mr. Dormieux, by letter of 7 February 1772: I do not know which of your honors acts contrary to custom regarding the dispatch of Chialengen as otherwise; and further: I write your honor this, so that your honor shall understand what was cited above, and also to make your honor's people act fairly in matters which, according to old customs, have existed both regarding the dispatch of Chialengen and other interests, etcetera. Which statement he not only further proves by transmitting an extract translation of a letter, but he also adds thereto, for the further confirmation of our right, a copy translation of a copy declaration, granted under the administration of the aforementioned Dormieux by the Company's merchants, the Company's native servants, and head Chialengeniers, concerning which he maintains with very much justice that it is likewise confirmed therein according to the truth, that the Chialengeniers, and thus also their vessels, are under the authority of a person who is dependent on the Company, and not on the Serkar. And to demonstrate this even more clearly, he presents to us a statement from the Persian writer, from which it appears that in the time of Chief Dormieux, two Chialengen were built at Palleacatta by the then haweldhaar, contrary to ancient custom. Subsequently he remarks, and as it seems to us not without grounds, that the Nabab's pretense that in the time of Sadatullah Khan, the Chialengen were divided into two parties, was sooner to be doubted than affirmed, unless old proofs could be produced from the Nabab's side from which that privilege could be derived; because, he says further, it was dangerous to rely on attestations from the present dependents of the Nabab, as those people were bribed and constrained to give evidence. It is, he says further, indeed true that one finds no proofs among the archives of the Company at Palleacatta that assert the right to the Chialengen, much less can prove that the same belongs to the Serkar, and therefore, thus he reasons, it decides itself that since the Company had always possessed that prerogative, it also had the nearest right to stand upon the lawfulness of that matter, the more so if close attention was paid to the entire conduct of the Nabab, namely: to gradually rob the Company of all privileges, and if it were possible, to make it remove from there. We deliberated upon the contents of the aforementioned missive on 7 April last, and since we saw asserted there, but by the transmitted proofs fully confirmed, that the Chialengeniers and thus also the Chialengen had at all times stood under the obedience of the Company, but not under that of the Serkar, we thought fit not only to consider ourselves fully satisfied with the answer of Chief Tadama, but also resolved, while presenting the aforementioned proofs, to address the Nabab, Mahomet Ali Khan, shortly, or as soon as between His Highness and
Dutch transcription
voor die eijgenste beesten niet zou„ „de erkennen, die te Iaffnapat„ „nam afgescheept zijn, zullen zij deselve niet Accepteeren, maar met een zoort van veragting besien hebbende, Staan laaten Uijt al het welke Uwe Hoog Edelens zeer faciel zullen kun„ nen opmaaken, dat het direct accepteeren van die beesten door de Cornax, en het overbrengen na Tansjour, even zoo min tot een gewoonte aan het Hof zal kun„ nen gemaakt worden, als het di„ rect aangieren van de Thonij, en ontscheeping van de daarin gela„ „dene Eliphanten, in Een der Zee„ „haavens van het Tansjoursche Rijk. Dan des niet te min zal ik daar toe mijn best doen of het eens mogt lukken. En dewijl ik den Uijtslag daar van Nagesien F Luyken 99 van bij een nadere geleegendheijdt hoope te bedeelen, bedank ik Uwe Hoog„ „ Edelheedens ondertusschen voor het gunstig vertrouwen het geen Hoog deselven ten deezen opsigte in mij hebben gelieven te stellen Bij mijn needrig Secreet schrijven van den 15. Januarij dee„ ses Iaars, hadt ik de Eer Uwe Hoog Edelens te bedeelen, dat wij op den 10: bevoorens beslooten had„ „den Copia van des Nababs brief na Palleacatta aan het opper„ hoofd Tadama te zenden, met last om mij en den Raad ten eersten te elucideeren, hoedanig het omtrent de Chialengeniers van den Serkar, en die van de Comp: geleegen was, en of daar om¬ „tiend ooijt eenige Separatie hadde plaats gehadtt! waar op het opperhoofd Tadama bij zijnen apparten brief van den 15:e Maart deeses 18ƒ deeses Iaars in antwoord gediend heeft, dat de Chialengen te Val„ „leacatta ten allen Lijde onder de gehoorsaamheijd van de Comp:, be„ „hoord, en de Chialengeniers de ordre van de opperhoofden geobedieerd heb„ „ben, zoo als uijt alle monden wierdt bevestigd Waarna hij verder reman„ „queerde dat zulks zijn Excel„ „tentie den Nabab ook ten vollen bewust was, want hij zoude anders /:dus vervolgd Fada„ ma / aan het geweesen Pallea„ „cats opperhoofd d' heer Dor„ „mieux bij brief van den 7. ' fe„ „bruarij 1772. niet geschreeven hebben, Ik weet niet wie van UwelEd:s omtrent het af„ „geeren van Chialengen als ander„ „sints, tegens het gebruijk han„ Ik Schreijf „deld; En verder uwel Ed: Nagesien Jn Luyken 100 Uwel Ed: deesen, op dat Uwel Ed: het vooren aangehaalde zal ver„ staan, en ook om UwelEd: volk billijk te doen handelen, in zaa„ ken, die volgens oude gewoontens, zoo omtrent het aflangen van Chialengen, als andere belangens gesubsisteerd hebben &=r Welk gezegde hij niet alleen nader bewijst, door het overzenden van een Extract Translaat brief, maar hij voeget 'er teffens tot meer„ „den bevestiging van ons regt nog bij, Een Copia Translaat van een Copia verklaring, door Comp:s kooplieden, 's Comp:s Inlandse Bediendens, en hoofd Chialenge„ „niers onder de opperhoofdij van voorm: Dormieux verleend, waar omtrent hij met zeer veel regt soutineerd dat daar in al„ meede na waarheid bevestigd Wordt wordt, dat de Chialengeniers, en dus ook hunne vaartuijgen, onder het gesag van een persoon staan„ die afhankelijk van de Comp:, en niet van den Perkar is. En om dit nog klaarden aantetoonen, bied hij ons aan een„ opgave van den Persiaans Schrij¬ „ver waar uijt blijkt, dat 'er ten zijde van het opperhoofd Dormieux, door den toenmali„ „gen haweldhaar, twee Chialen„ „gen op Palleacatta aange„ „bouwt zijn, strijdig met het oud gebruijk Vervolgens remarqueerd hij, en zon het ons toeschijnt niet zonder grond, dat het voorgeeven van den Nabab, dat ten tijde van Satoelachan, de Chialengen in twee partijen zouden verdeel geweest zijn, eerder in twijffel te trekken, dan te affirmeeren was, Aen Nagesien F Luyken 101 ten zij er oude bewijsen, van Nababs„ zijde (waar uijt dat voorregt kon gederiveerd worden) te produceeren waaren; uijt hoofde zegd hij ver„ „den, het gevaarlijk was opgetuijg„ schriften van de tegenwoordige dependenten des Nababs te berus„ „ten, alsoo die menschen omgekogt en geconstringeerd wierden om getuijge„ nissen te geeven. Het is, zegt hij verder wel waar, dat men onder de Archi„ „ven van de Compagnie te Pallea„ „catta geen bewijsen vind, die het regt op de Chialengen beweeren, veel min bewijsen kunnen, dat het selve den Serkar toebehoord, en derhalven dus reedenkaveld hij, decideerd, het zig van zelfs, dat dewijl de Comp altoos van dat prerogatief gepassideerd hadt, zij ook het naaste regt bezat, om op de wettigheijd, van die zaak te blij„ ven staan, te meer als nauwkeurig gelet. gelet wierd, op het geheele bedrijf des Nababs, namentlijk: om de Comp: van alle previlegien allengs„ „kens te berooven, en waare het mo„ gelijk van daar te doen verhuij¬ sen. Over den inhoud van den opgemelden missive hebben wij op den 7. april Iongstleeden gebe„ „soigneerd, en nadien wij daar bij beweerd, dog bij de overgezonden bewij„ „zen, volkomen bevestigd zagen, dat de Chialengeniers en dus ook de Chia„ „lengen, ten allen tijden onder de ge„ „hoorsaamheijd van de Comp:, maar niet onder die van den Sercan gestaan hadden, vonden wij goed, ons niet alleen met het ant„ woord van het opperhoofdt Ia„ „dama volkoomen voldaan te houden, maar verstonden ook om onder aanbieding van de voorsz: bewijsen, den Nabab, Machomet Alichan, eerst daags, of zoo dra het tusschen zijn Hoogheijd en Nagesien J Luyken
English
and the Secret Committee at Madras, arising from the dispute over the provision of funds for the continuation of the war (as one is assured here on good authority) against the Marathas and the Nabob of the Kingdom of Mysore, Haider Ali Khan, will be decided, to demonstrate in very polite terms the right of authority that the Company has had and exercised from ancient times, to the exclusion of the Sirkar, over the chialengen and chialengeniers at Palleacatta; whereby we also understood not only to request him in the most polite manner to allow the Company to enjoy this privilege according to ancient custom, but also to assure from our side that we will take care that neither by the chief nor by anyone else there the least infringement is made upon the rights of the Sirkar. And thus we hope that Your Right Nobilities will be pleased to be satisfied with this our resolution, as it is founded upon credible evidence. Yet, when I shall be able to give notice of this in a convenient manner to His Highness the Nabob Muhammad Ali Khan, I truly do not yet know how to determine. At least since the descent of Haider Ali Khan into the Carnatic lowlands, wherein he has not only penetrated close to Madras, but has also wrought much destruction and has already engaged in battle with the English army near Conjeeveram on up to two occasions, in which the English have lost very many men, no suitable opportunity has presented itself to me for that purpose. Examined F Luyken And thus I have thought fit not to importune His Highness for the present with such a minor dispute, principally because on that account not the least movement has been made any longer at Palleacatta, either by His Highness himself or by his servants. Furthermore, with regard to the conduct of the Palleacatta Chief Tadama maintained toward the Nabob and his Havildar, I take the liberty respectfully to note the following. Already, by separate letters of 20 July, 12 August, and 3 November 1779, I have written to Chief Tadama: First: That henceforth, both by him and all other servants of the Company who wish to carry on any business or private trade, principally in piece goods or cloths, the toll will have to be paid that from of old has been paid to the Sirkar by private merchants for the import and export of such merchandise. Secondly: That care must be taken by him that no private goods are imported in the name of the Company. And thirdly, in future times no longer to prevent the Sirkar from levying tolls on the rice and paddy that Company merchants or others from the Company shall purchase, to be sold again by them to others, or provided to the weavers on delivery of piece goods, as being contrary to the ancient customs, expressing my trust Examined F Luyken that that order would be promptly complied with by him, as I hoped that thereby all disputes that had existed between him and the Havildar over the piece goods, paddy, and rice toll would be forever cleared out of the way. And of this, His Highness the Nabob was also informed by me by letter of 5 November of last year, adding that I hoped that thereby all differences that had existed between the Chief and the Havildar over the toll on the aforesaid articles would be forever cleared out of the way, to the complete satisfaction of His Highness. And regarding which also up to the present day not the least further movements have been made, whereby I trust that His Highness has been satisfied with the orders dispatched by me to Palleacatta, which have since been promptly observed there. But regarding Your Right Nobilities' further order given to me, to make an exact investigation into the defrauded toll on 14 bales of piece goods reported by the Havildar, in order, upon finding that through the course of time some reduction or deduction in the toll might have been introduced sub- and obreptitiously by the chiefs, then to take proper care that the old customs of the toll were again introduced according to equity! I must in truth declare not to know to whom I shall address myself for an exact investigation in this regard, when I may not rely on the justification of a chief. For if I turn to those on the side of the Nabob or his Havildar, or indeed to those who are salaried servants of our Company or in any way subordinate to the chief of the place, Examined F Luyken then neither of the two will bear witness to the truth without it leaning to the advantage of one side or the other. And consequently it would (in order to be able to investigate such a matter according to the truth) be necessary that the persons who are informed of that matter appear before me in person. Yet, because those on the Nabob's side will not be persuaded to come to Nagapatnam, I request, on that account, that I may be excused from the ordered further investigation; while in the meantime, both on behalf of Your Right Nobilities and myself in Council, I shall earnestly warn Chief Tadama to take careful guard henceforth against introducing any innovations from which any legitimate reasons for complaints could be given to the rulers of the country, in order that, upon doing the contrary,
Dutch transcription
102 en het Secreet Committe te Ma„ „dras gereesen different, over fournis„ „sement van penningen tot voortset„ „ting van den oorlog (zoo als men hier van goeder hand verseekerd. is teegens de maratters en den Na„ „bab van het Maisoerse Rijk Haider Alichan, zal weesen, beslist, in zeer beleefde termen naden te vertoonen, het regt van gesag dat de Compagnie met uijtsluij„ „ting van den Percar van Oude tijden af, over de Chialengen en Chialengeniers op Palleacatta ge„ had, en geoeffenct heeft, waar bij wij tefffens niet alleen verstonden hem op de beleefste wijze te ver„ „zoeken om de Maatschappij volgens oud gebruijk van dit voornegt, te willen laaten gaudeeren, maar ook van onsen kant te verseekeren, dat wij zorg zullen draagen, dat nog door het opperhoofd, of ijmand an„ „den aldaar de minste inbreuk ge„ „maakt word op de regten van den Serkar Serkar. En dus hoopen wij, dat Uwe Hoog Edelheedens, met dit ons be„ „sluijt genoegen zullen gelieven te neemen, alsoo het opgeloofwaardige bewijzen gefundeerd is. Dan wanneer ik hier van op een gevoeglijke wijze kennis zal kunnen geeven aan zijn Hoogheid den Nabab Machomet Alichan„ weet ik waarlijk nog niet te bepaalen. Ten minsten Seedert den aftogt van Haider Alichan in de Car„ „naticasche beneden Landen, waar in hij niet alleen tot digt bij Madras is door gedrongen, maar ook veele verwoestingen, aangeregt, en zelfs, bereeds met het Engelsch leegen bij Cangiewarom tot twee „maalen toe, slag geleeverd heeft, waar bij de Engelschen zeer veel volk verlooren hebben, is mij daar toe geen geschikte geleegendheijd voorgekomen Nagesien F Luyken 103 voorgekomen. En dus heb ik goed gevonden, zijn Hoogheijd voor eerst, met zulk een gering disput niet te impor„ „tuneeren, principaal wijl dierwee„ „gens, nog door zijn Hoogheijd zelfs of door zijne Bediendens geen de„ minste beweeging meer op Pallea„ „catta gemaakt is. Wijders neeme ik de vrijheijd, met opsigt tot het gedrag van het Palleacatsch Opperhoofd Tada„ „ma, teegens den Nabab en zijnen Hameldhaar gehouden, eerbiedig het volgense te noteeren Bereeds, heb ik bij apparte letteren van den 20. Julij, 12. au„ „gustus, en 3. November 1779. , het opperhoofd Tadama aangeschree„ „ven. Primo: Dat voortaan zoo wel door hem, als alle andere dienaaren van de Comp:, die eenige negotie zal heid negotie of particuliere handel willen drijven, principaal in Lijwaaten of kleeden de Thol zal moeten wor„ „den betaald, die voor den in en uijtvoer op diergelijke Coopmanschap „pen van Ouds door particuliere handelaaren aan den Percar be„ taald geworden is. Sweedens: dat door hem zorge zal moeten gedragen worden, dat geen particuliere goederen ingevoerd worden, op de naam van de Compagnie; En derdens, om in den volgtijd niet meer te beletten, dat door den Sercar tol geheeven wordt van de Rijst, en Nelij, die Comps koop„ „lieden of andere van de Comp: zul„ „len koopen, om weederom door haar aan andere verkogt, of aan de weevers op leverantie van Eij„ „waaten verstrekt te worden, als strijdig zijnde teegens de oude gewoontens, met betuijging dat ik vertrouwde Nagesien F Luyken 104 vertrouwde, dat door hem aan die ordre prompt zoude worden, vol„ „daan, wijl ik hoopte dat daar door alle geschillen, die 'er tusschen hem, en den haweldhaar over de Lywaat, Nelij en Rijst tol geweest was, voor althoos zoude weesen uijt de weg geruijmd: En hier van is, zijn Hoogheijd den Nabab teffens door mij g'informeerd geworden bij brief van den 5. November des voor„ „leeden, Iaar, met bijvoeging dat ik hoopte dat daar door alle dif„ „ferenten, die tusschen het Opperhoofd en den Haweldaar over de Thol van voorm„te Articulen geweest wa„ ren, voor althoos zouden weesen uijt de weg geruijmd tot volkoomen genoegen van zijn Hoogheijd. En waaromtrent dan ook tot heeden toe geen de minste nadere beweegin„ „gen gemaakt geworden zijn, waar door ik vertrouw dat zijn Hoog„ „heijd, met de door mij na Palleacatta affgevaardigde Ordres, die daar seedert prompt 1 „- 3 prompt geobserveerd zijn, genoegen geno„ „men heeft. Maar betreffende, Hoog „derselver nadere last, aan mij gegee„ ven, om een Exact ondersoek te doen na de door den haweldhaar opgegee„ „ven gefraudeerde Thol van 14. pak„ „ken Lijwaaten, om bij bevinding, dat door verloop van tijd, door de op„ „perhoofden sub en obreptief, eenige vermindering of afkorting in de Thol mogt zijn geintroctuceerd, als dan behoorlijk zorg te dragen, dat de oude Custumados der Thol weeder na billijkheid wierde ingevoerd! moet ik in waarheijd betuijgen, niet te weeten bij wien ik mij dierweegens tot een Exact ondersoek addresseeren zal, wanneer ik mij op de verantwoording van een opperhoofd niet verlaaten mag. want koom ik bij die, aan de Zijde van den Nabab of desselfs Haweldhaar, dan wel bij die welke loontrekkende dienaaren van onse Comp: of eenigsints onder het opper= „hoofd van de plaats gesubordineerd zijn Nagesien F Luyken 105 zijn, zoo zal geen van beijde de waar„ „heijd getuijgenisse geeven, of het selve zal ten voordeele van den een of andere kant overhellen. En dienvolgende zouhet (:om zulk een zaak na waarheijd te kunnen, ondersoeken:) noodig weesen dat de persoonen die van die zaak onderrigt zijn zelfs voor mij kwamen. Dan wijl die van Nababs, zijde niet zullen weesen over te haalen om na Nagapatnam te komen, versoek ik, uijt dien hoof„ „de dat ik g'excuseerd mag blijven van het g'ordonneerde naden onder„ „soek; Terwijl ik ondertusschen het opperhoofd Tadama zoo van weegen Uwe Hoog Edelens als van mij op den Raad, ernstig waar„ schouwen, zal, om zig voortaan zorg„ „vuldig te wagten voor het invoeren van alle nieuwigheeden, waar uijt eenige regtmatige reedenen aan de vorsten van het Land tot klag„ „ten gegeeven zoude kunnen worden, ten eijnde, bij het doen van het zee„ „gendeel 16/. aten aan selfs welke neerd
English
contrary, not to oblige Your High Nobilities to proceed to severe measures against him. And since I trust that this recommendation will carry so much weight with him that he will henceforth carefully guard against the slightest misstep in this matter, I have further to note with respect to the European and Japanese bar copper that we recently, by general letter of 16 August, instructed the Daggernaijkpoeram Secunde De Ravallet to send hither one sample of each sort of the European and Japanese bar copper brought to Mazulipatnam; which I shall present to Your High Nobilities at the earliest opportunity upon receipt. Furthermore, I respectfully bring to Your High Nobilities' notice that the two young daughters with their retinue, who are described in the letter from the Noble Lord Governor of Ceylon, Falck, dated 9 November 1779, as brides for the King of Candia, arrived here in the past month of July, and departed yesterday with the customary honors on the sloop Ceylon for Manaar. Wherewith, after having recommended Your High Nobilities' most illustrious persons, together with the welfare and luster of our Company, to the precious protection of God; I remain with all respect and high esteem, High Noble, Right Honorable, Wide-Ruling Lord, and Honorable Lords! Your High Nobilities' very humble and obedient servant, (was signed) R: van Vlissingen. (in the margin) Nagapatnam, in the Castle, 15 October 1780. Batavia. Examined: F Luyken Secret Copy via Ceylon. Batavia. To His High Nobility, The High Noble, Right Honorable, Wide-Ruling Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General, together with The Honorable Lords Councillors of the Netherlands Indies. High Noble, Right Honorable, Wide-Ruling Lord, and Honorable Lords! By my secret letter of 15 October 1780, I informed Your High Nobilities, among other things, of the decision taken by me and the Council on 29 September last, to strictly forbid the Bimilipatnam chiefs from entering into a new five-year contract with the Visianagaram Princes concerning the lease of Bimilipatnam and the villages belonging thereto, unless it had already been concluded and signed, and the lease-tribute promised therefor had been handed over to Their Highnesses, before the receipt of that order, which was sent to them by letter of that same date. More than a month after the dispatch of that letter, we received a secret letter from the Bimilipatnam chiefs dated 19 July 1780, from which we saw with the greatest astonishment the far-reaching imprudence of which the servants had made themselves guilty by delivering merchandise to the value of fifty-five thousand rupees to the high servants of the Visianagaram Princes prior to entering into the contract with those rulers (for which I and the Council had authorized them by letter of 7 June previous); and this at a time when the ruler Gjittarama Rasoe was still in Madras, and they were thus completely uncertain whether the Visianagaram Princes would be inclined to agree to the two conditions determined by the letter of the Government of 15 November 1779. Then, because that delivery had occurred without authorization from me and the Council, we decided on 14 November last to leave the amount of that merchandise, to a sum of fifty-five thousand rupees, directly to the account and responsibility of the chiefs, unless that amount had been paid back to the Company by the end of August 1780. This having subsequently been written to them in emphatic terms by letter of 28 November, we simultaneously on that occasion persisted in our previously mentioned resolution of 29 September, and consequently instructed the chiefs that we will hold all negotiations or contracts that might be conducted or concluded by them with the Visianagaram rulers or their ministers after the receipt of the said letter as void and of no value; in which decision we hope that Your High Nobilities will be pleased to acquiesce, for the reasons adduced therefor in the secret resolutions of 29 September. In the meantime, we are as yet unaware whether a contract has actually been concluded between the Visianagaram Princes and the chiefs or not, because we have as yet received no answer to our secret letters of 29 September and 28 November last. Which will certainly have been caused by the turbulent times, as the chiefs will thereby have been prevented from sending their letters overland; which we therefore, as shipping is now open, expect shortly by sea, whereupon we shall not fail to communicate the outcome of that matter to Your High Nobilities as soon as is ever possible. By the aforementioned secret letter of 19 July, the Bimilipatnam chiefs subsequently informed us of the payment by the Visianagaram Princes of four thousand fifty rupees for the arrears of gifts, both on account of the Nabobship of Chicacol and for the customary annual gift of 100 new Nagapatnam pagodas, requesting authorization for its
Dutch transcription
gendeel, Uwe Hoog Edelheedens, niet te verpligten tot Strengen maatregelen omtrent hem over te gaan. En nadien ik vertrouw dat deese recommandatie, bij hem van zoo veel gewigt zal weesen, dat hij zig voortaan voor den min„ sten mistap in deesen zorgvul„ „diglijk zal wagten Heb ik nog ten opsigte van het Europasch en Iapans Staaf„ „kooper, de een bij deesen te noteeren, dat wij nog onlangs bij gemeene brief van den 16. Augustus, den Dag„ „gernaijkpoeramsch Secunde de Ravallet hebben aangeschreeven, om van het op Mazulipatnam, aangebragt wordende Europasch en Iapans Staafkoper, van elke zoort Een Monster herwaarts te zenden; het geen ik bij ontvangst uwer Hoog Edelheedens ten eersten zal Aanbieden. Voorts laat ik nog Eerbiedig tot Nagesien F Luyken -. 106 tot uw Hoog Edelen narigt strek„ „ken, als dat de twee Ionge dogters met haar gevolg, die bij brief van den Edelen heer Ceijlons Gouver„ „neur Falck in dato 9:e Novem„ „ber 1779. als Bruijds voor de Koning van Candia beschree„ ven staan, in de maand Iulij passato alhier, Aangekoomen mitsgaders, met de gewoone Een bewijsingen op gisteren per de Chialoup Ceijlon, na Manaar vertrok„ „ken zijn 1e daarmeede na Uwe Hoog „Edelheedens zeer Illustre Persoonen, neevens den welvaart en Luijsten onzer Maatschap„ „pij, in de Dierbaare Protectie Godes te hebben gerecommandeert; met alle Eerbied en hoog agting en blijven en biedig blijven. /:onderstond:/ Hoog Edele Groot Agtbare wijd Gebiedende Heere, en Wel Edele Heeren /:lager:/ Uwer Hoog Edel= „heedens, zeer onderdanige en Schoorsaamen Dienaar /:was geteekend:/ R: van vlis„ fingen, /:in margine:/ Naga„ „patnam, In't Casteel den 15. e october 1780. — Batavia Nagesien F Luyken 107 Copia Secreet over Ceijlon. Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd. Den Hoog Edele Groot Agtbaare wijdgebiedende heere M:r Willem Arnold Atting, Gouverneur Generaal, Beneevens. De Wel Edele Heeren Raaden van Nederlands India. Hoog- Edele Groot Agtbaare wijd Gebiedende Heer, en. WelEdele Heeren! 9 Bij mijne Secreeten brief van den 15: October 1780, gaff ik onder anderen 3 a anderen aan uwe Hoog Edel„ „heedens kennis, van het besluijt door mij en den Raad op den 29. e September Iongstleeden ge„ „nomen, om de Bimilipat„ „namsche opperhoofdens met allen nadruk te interdiceeren het aan„ „gaan, van een nieuw vijf Iaarig Contract met de visianagaram„ „sche Princen over het in pagt nee„ „men van Bimilipatnam en de daar onder gehoorende Dorpen, zoo het niet bereeds voor den ontvangst dier ordre, welke hun„ bij brief van dien eijgen datum is, toegesonden, geslooten en ge„ teekend, mitsgaders den daan„ voor uijtgeloofden Lagtschat aan hunne Hoogheeden afge„ „geven was. Ruijm een maand na het verzenden van dien brief ont„ ringen wij een Lecreeten brief van de Bimilipatnamsche opperhoofdens gedateerd den 19 Nagesien F Luyken 108 19:e Iulij 1780. , waar uijt wij met de grootste verwondering zagen de ver„ „re gaande onvoorzigtigheijd, waar aan de Bediendens, zig Schul„ „dig gemaakt hadden, door aan de Hooge Bedienden van de visianagaramsche Princen voor het aangaan van het Con„ „tract met die vorsten (waar„ toe ik en den Raad hun qua„ „lificatie gegeven hadden bij mis„ „sive van den 7. Iunij bevoo„ „rens:) af te geven voor vijf en vijftig duijzend Ropijen aan Koopmanschappen, en zulks nog wel in een tijd wanneer den vorst Gjittarama Rasoe nog op Madras was, en zij dus nog volkoomen onzeeken waren of de visianagaramsche Princen wel geneegen zouden weesen in te, willigen de twee voorwaar„ „dens bij den brief der Regeering van den 15. November 1779. bepaald. Van Dan wijl die afgave buijten qualificatie van mij en den Raad was geschied, besloten wij op den 14. November laastleeden, het be„ „draagen, van die Koopmanschap„ „pen tot eene Somme van vijf en vijftig duijzend Ropijen direct voor reekening en verant„ „woording der opperhoofden te laaten zoo dat bedraagen, on„ „der ultimo Augustus 1780, niet weeder aan de Compagnie voldaan geworden was. Dit hun vervolgens bij brief, van den 28 November in termen van nadruk aan„ „geschreeven zijnde, hebben wij teffens bij die geleegendheijd ge„ voor persisteerd bij ons overgewaagd besluijt van den 29. September, en, dien volgende de opperhoof„ „den aangeschreeven, dat wij alle onderhandelingen of Con„ tractatien, die daar over na den ontvangst van gemelden brief Nagesien J Luyken 109 brief door hun met de visiana„ „garamsche vorsten, of derzel„ „ver ministers mogten gehouden of geslooten weesen, houden zullen voor nietigen van gee¬ „ner waarde, in welk besluijt wij hoopen dat Uwe Hoog„ „Edelheedens genoegen zullen gelieven te neemen, om de daar voor bijgebragte reedenen, bij Se„ „creete Resolutien van den 29 September. Ondertusschen zijn wij tot nog toe onkundig, off er tusschen de visianagaramnsche Princen in de opperhoofden werkelijk een Contract geslooten is, of niet, wijl wij tot nog toe geen antwoord ontvangen hebben op onse Secreete brieven van den 29. September en 28. november Iongstleeden. Het geen zeeker„ „lijk door de onrustige tijden zal veroorsaakt weesen, alsoo de opperhoofden daar door zullen wederhouden. ie weederhouden geworden zijn, om hunne brieven overland te zen„ „den: Die wij derhalven wijl de vaart tans open is, eerst „daags over zee verwagten, wan„ „neer wij niet manqueeren, zul¬ „len, den uijtslag van die zaak aan uwe Hoog Edelheedens, zoo spoedig als immers mo„ „gelijk is te bedeelen. Sij den opgemelden Secreete missive van den 19. Iulij gaven de Bimilipatnamsche opperhoofden aan ons vervol„ gens kennis van de afgave van de Visianagaramsche Princen van vier duijzend vijftig Ropijen voor de agterstallige geschenken, zoo weegens het Nababschap van Chicacol als voor het gewoon Daar„ „lijks geschenk van 100. nieuwe Nagapatnamsche pagooden, met versoek om qualifikatie tot dies Nagesien F Luyken
English
that write-off. However, this having been brought up for discussion by me, an objection was raised as to whether an error might not have occurred in that regard, because the same had been issued according to the receipts sent with it, up to and including the year 1779, although the latest contract with the princes had already expired by the end of August 1778. And as we, so far as is known to me and the Council, have bound ourselves to the delivery of the one and the other under the aforementioned contract, but under no other papers, we also found it proper, while suspending our decision on that point, to write to the chiefs and instruct them to provide us promptly and as distinctly as possible with the reasons why the aforementioned gifts were paid by them up to the year 1779, whereas the contract by which those gifts were promised had already expired by the end of May 1778. On which requisition I accordingly also expect a reply shortly; when final disposition will be made regarding it, as equity shall demand. Concerning the state of the war between the English and the Nabab Hoider Alichan Bahadoer, referring myself with respect to the secret letter which is currently being written by me and the Council to Your Right Excellencies, I still have the honor to impart that the former minister of the Theuver of Ramanadapoeram, who was taken prisoner in the year 1772 by the English and the Nabab Mahometh Alichan, has made an application to me to be assisted with cash and war supplies, in order thereby to bring about the restoration of his prince with the Nabab Haider Alichan. However, because the Company, in lending money to native princes, has so often suffered damages that one must not proceed to that except in the very utmost necessity, I and the Council resolved on 14 November to politely decline the aforementioned request of the minister of the former Ramanadapoeram Theuver, by merely replying to him that the circumstances in which the Company's possessions on this Coast currently find themselves do not allow us to assist him with money or other goods for the advancement of his master's cause. Which has since then also been done by me, in confidence of Your Right Excellencies' approval. Which I likewise hope to obtain for our secret resolution of 28 November 1780, whereby I and the Council have permitted a certain prominent native named Baba Saib, and 13 other prominent natives, together with 6 women, who had fled hither with all their belongings from a place called Kiliekotte, situated two hours' walk south of Tritjenapalij, to take up their residence in this city; and this because Your Right Excellencies will certainly be pleased to consider with us that such a request in the present times cannot well be turned down to poor refugees without committing unmercifulness. The harmony and concord between the Tanjore court and me still subsisting as I had the honor to mention in my separate letters of 15 October 1780, I have for that reason, in my letter of 28 October, requested the Albeschik to send the necessary cornacs and mahaldaars hither, to have the three elephants on hand here for Jan Tjoun fetched away (for the fourth recently died) in reduction of the obligation for the years 1778/9 and 1779/80; but they have not appeared up to now, possibly out of fear that they might sometimes be intercepted along the way by the people of Haider Alichan. And therefore I shall repeat my request further in the next few days, with the intimation that we are not obliged to keep those animals for so long, whereupon I do not doubt that the requested cornacs will promptly be sent hither. After I had brought this document this far in readiness, I received a letter from the Bimilipatnam chiefs dated 31 December. From which I have the pleasure to impart preliminarily to Your Right Excellencies that all negotiations between the chiefs and the Visianagaram princes concerning the lease of Bimilipatnam have ceased, and the 55000 Rupees advanced in merchandise have fortunately been paid into the treasury. The merchant Blaaukamer also just informs me by a letter of the 8th of this month that the dispute with the Nabab over the pearl fishery had, contrary to all expectation, been settled, on the two following conditions: Firstly: That at every fishery of 180 thonies, 30 are granted to him. And secondly: That he would be allowed to exercise jurisdiction over his own people sent to the fishery. And since the conclusion of the aforementioned agreement depends solely upon the ratification of the said articles by the Ceylon Governor Falck, I have no doubt whatsoever that this vexing dispute will finally be cleared out of the way, with which I therefore also take the liberty to congratulate Your Right Excellencies from the heart. Meanwhile, in accordance with the order, I take the liberty to insert herewith a short strength report of the personnel stationed here, the cannons on hand, mortars, flintlocks, cutlasses, ammunition of war, powder, and vessels, as drawn up in the past year according to the model received here, the one and the other consisting of the following:
Dutch transcription
110 dies afschrijving Dan dit door mij in ommaa„ „ge gebragt zijnde, wierdt en bedenking gemaakt of daar„ „ omtrent niet wel eenig abuijs plaats hadt, uijt hoofde het zelven volgens daar bij overge¬ „zonden, quitantien afgegeeven was, tot den Iaare 1779. inclu„ „sive, Schoon het laaste Contract met de vorsten bereeds onder ultimo Augustus 1778. was g'expireerd. En nadien wij ons voor zoo ver het mij en den Raad bekend is, bij het voorschreeve contract, dog bij geen andere papieren tot de afgave van het een en ander verbonden hebben, vonden wij teffens goed, om met Surcheance van ons besluijt no„ „pens dat poinct de opperhoof„ „den aan te schrijven en te ge„ lasten om aan ons ten eersten en zoo distinct als mogelijk was. we was opte geven, de reedenen waarom de voorschreeve geschenken door haar betaald zyn tot den Iaare 1779. , daar het Contract, waar bij die geschenken beloofd zijn bereeds met ultimo Maij 1778. geexpireerd is. Op welk requisit ik dienvolgende ook eerstdaags antwoord verwagt; wanneer er ten finaalen op zal worden gedisponeerd, zodanig als het de billijkheijd zal verEijsschen Nopens den Toestand van den oorlog tusschen de Engel„ schen en den Nabab Hoider Ali„ chan Bahadoer, mij met een„ „bied gedraagende aan den Secree„ „ten brief die tans door mij en den Raad aan Uwe Hoog„ „ Edelheedens geschreeven wordt, heb ik nog de Eer te bedeelen, dat den geweesen Minister van den in den Jaare 1772. , door de Engelschen en den Nabab Ma„ hometh Alichan, gevangen genomen Nagesien F Luyken 111 genomen Theuven van Rama„ nadapoeram, bij mij aansoek ge„ daan heeft om met Contanten en Oorlogs-behoeftens geassisteerd te mogen worden, om daar door bij den Nabab, Haiden Ali„ „chan, de herstelling van zijnen vorst te bewerken. Dan dewijl de Compagnie, bij het leenen van geld aan In¬ „landsche vorsten, zoo dik„ werf schaade geleeden heeft, dat men, daar toe niet als bij de alleruijterste noodsaake„ lijkheijd moet overgaan, heb ik en den Raad op den 14=e November beslooten, het voor„ schreeve versoek van den Mi¬ „nisten van den geweesen Ra„ manadapoeramsche Theu„ ver beleefdelijk van de hand te wijsen, door hem slegts te antwoorden, dat de omstan „digheeden waar in Compag¬ „nies bezittingen ter deeser Custe thans om ree„ Se gen thans verseeren, ons niet toelaaten om hem tot bevordering van zijn 'S Meesters zaak met geld of andere goederen te assisteeren. Het geen seedert dan ook door mij gedaan is, in vertrouwen van H:oog derselver approbatie Die ik almeede hoop te erlangen op ons Secreet be„ „sluijt van den 28. November 1780:, waar bij ik, en den Raad aan zeeker voornaam Inlan¬ „der Baba Saib genaamd, en aan nog 13. andere voorname in„ landers, neevens 6. vrouwen, die met al hun goederen van een plaats kiliekotte genaamd twee uuren gaans bezuijden Tritjenapalij geleegen na hen„ „waarts de vlugt genomen had„ „den, gepermitteerd hebben om in„ deese Stad hun verblijf te mogen neemen; en zulks uijt hooofde Uwe Hoog Edelhee„ dens Nagesien F Luyken „dens zekerlijk, wel met ons zul„ len gelieven te Considereeren, dat men een diergelijk versoek in den tegenwoordigen tijd niet wel zonder onbarmhertigheijd te pleegen aan arme vlugte„ „lingen kan van de hand wijsen. De harmonie, en Eendragt tusschen het Tansjoursche hoff en mij, nog zodanig subsistee„ rende als ik de Eere hadt te melden bij mijne aparte Letteren van den 15: October 1780. , heb ik uijt dien hoofde bij mijnen brief van den 28. October den Albeschik versogt, om de noodi„ „ge Cornax en Mahaldaars hen„ „waarts te zenden, om de drie hier aanhanden zijnde Eli„ „fanten voor Jan Tjoun (want de vierde onlangs gestorven is:) aftelaaten haalen in mindering der verpligting voor de Iaaren 177 82/9. en 1737/80; Dog ze zijn tot nog toe niet opgedaagd, mo„ gelijk uijt vrees dat die som„ tijds en zin on hee tijds onder weg door het volk van Haider Alichan mogten worden opgeligt. En derhalven zal ik mijn versoek eerst daags nader hen„ „haalen, onder aanzooning dat wij ongehouden zijn die beesten zoo lange aantehouden, wanneer ik niet en twijfel of de versogte Cornax, zullen ten eersten, hen„ waarts gesonden worden Na dat ik deesen tot hier toe hadt in gereedheijd ge„ bragt, ontving ik een brief van de Bimilipatnamsche opperhoofden gedateerd den 31:e December. Waar uijt ik bij voorraad het genoegen hebbe uw Hoog „ Edelheedens te bedeelen dat al„ „le onderhandeling tusschen de opperhoofden en de visiana„ garamsche Princen over de pagt van Bimilipatnam gestaakt en de vooruijtverstrek„ te 55000. Ropijen aan koop„ manschappen Nagesien F Luyken 2 113 manschappen, gelukkiglijk in Casse voldaan geworden zijn. Ook meld mij zoo even den koopman Blaau¬ „kamer bij een brief van den 8. deeser dat het verschil met den Nabab over de Paarl visscherij tegen alle verwagting aan, verevend was, op de twee volgende voorwaardens. Primo: Dat hem bij ieder E visscherij van 180. Thonies 30. worden toegestaan. En Secundo. Dat hij de Jurisdictie, over zijn eijgen volk dat ten visscherij Houwor„ „den gezonden, zou mogen oef„ „fenen. En nadien het treffen van oo sche 31:e e a„ an rs rek van de voorschreeve over een„ „komst, alleen afhangd, van het ratificeeren der gemelde Articulen, door den heer Ceij„ „lons Gouverneur Falck, twijfel ik geensints of dat verdrietig verschil zal eynde„ lijk eens weezen uijt den weg geruijmd, waarmeede ik den „halven dan ook de vrijheid nee„ „me uwe Hoog Edelheedens van harten te feliciteeren. Ondertusschen neem ik na de ordre de vrijheijd bij dee„ sen te insereeren Een korte stenk„ te van de alhier bescheijde man„ schappen, de aanhanden zijnde kanons, mortieren, Snaphaa„ „nen, houwers, ammonitie van oorlog kruijt, en vaarthuij„ „gen, gelijk in Anno pass:o opge„ „maakt na het alhier ontfan„ gene model, bestaande het een en ander in; als volgd. N Nagesien F Luyken
English
114 At this Factory there are present today the following servants, heads, among which native sepoys and European children included: 47. 6. 5. 6. 5 26. 24. 2. 821. 244 182. 395. 53. 5. 1006. 891. further: 26 pieces brass cannon. 10 mortars. 183 iron cannon. 1031 muskets. 1344 cutlasses. 18497 shot. 1938 bombs. 2045 hand grenades. 46228 musket balls. 57550¼ lb gunpowder. And the following vessels, namely: 2 barks: D' Liefde, 90 feet long, and den Eendragt, 84 feet. 2 sloops: 't Loo, 73 feet, d' Walvisch, 56 feet. 1 pantjalling, 56 feet long. 1 lighter. 3 thonys, of which 1 at Nagapatnam and 2 on the northern Coromandel Coast, and 1 boat. Nagapatnam, the last of August 1780. from the administration up to qualified assistants inclusive ecclesiastical medical artillery trades performing various services Amounting together to according to the last regulation or now more militia seafaring less While 1. 1. 37. 3. 3. 2. 2. 5. 115. While, further, after having commended Your High Nobilities to the protection of God, I give myself the honor to remain with all high esteem, was signed: R: van Vlissingen in the margin: Nagapatnam, In the Castle, The 27th of January 1781. Agreed. A: V: Vlissingen Checked F Luyken Checked Jn Luyken Checked Jn Luyken No: 3. Batavia. To His High Nobility, The High Noble, Right Honorable, Widely Ruling Lord, Reijnier De Klerk, Governor General, Together with The Honorable Lords Councilors of the Dutch Indies. High Noble, Right Honorable, Widely Ruling Lord, and Honorable Lords! Since the English private two-masted vessel Hibernia, commanded by Captain Joseph Greenewaij, is about to depart within a few days from Pondicherry for Bengkulu, we seize that opportunity to send this along with our duplicate missive of the 22nd of this month to Your High Nobilities. This letter is principally arranged to give notice to Your High Nobilities, as quickly as possible for us, of the invasion of Hyder Ali Khan into the Carnatic lowlands, with an army of over 60000 men, if credit may be given to the English reports received thereof. Checked J Luyken 136 With this, he is already said to be on this side of the mountains, a mere three days' journey above Tiruchirappalli, and intending to advance toward Madras. But how far this rumor, which still requires confirmation, is true, time will teach us within a few days. Meanwhile, it is only too true that a detachment of cavalry belonging to the aforementioned army, estimated at four to five thousand men strong, attacked Porto Novo on the 22nd of this month, at around one o'clock in the afternoon, most unexpectedly, and plundered virtually everything there. Which unfortunate fate also befell the Danish factory and our factory, notwithstanding that Resident Topander had the Dutch flag hoisted as soon as they surrounded our factory. Yet how great the damage is that the Company has suffered thereby, we cannot yet determine. However, we fear that it will be substantial, since we have learned from private reports that the goods plundered from our factory were loaded onto 17 camels. With these and with the other plundered goods from the Danish factory and from the principal inhabitants, they withdrew that same evening around 9 o'clock to the remainder of their detachment, which was then encamped just past Vanoorpalayam, taking along as captives our Resident Topander and the clerks Willuk and Sterft, together with the Danish Resident Harrop, the havildar of the Nawab, Cutti Ayyan, and some of the principal inhabitants, as well as the grandson of the Company's courtier, after they had first set fire to several houses, including those of two Company merchants. Checked F Luyken 117 What has further become of the aforementioned captives, or where they have been taken, we do not know for certain, as the aforementioned corps departed with them the following day. However, the most probable guess is that they marched northwards. And for this reason, we have also dispatched a harkara or letter carrier in that direction with a letter to the commander of the aforementioned troops, to effect the release of Resident Topander and the aforementioned two clerks, which we hope will be of effect for their sakes, as they are truly in a pitiable condition in this state. Yet however unexpected and unfortunate this invasion may have been for the Company, Resident Topander still managed to find an opportunity to secure the Company's money in a water chelinga that was lying on the river, and into which the flagman had fled with his family. Whom, with the aforementioned cash, which is packed into two money chests, we expect here daily according to the report received thereof from the Porto Novo interpreter. Thus much concerning the invasion of Porto Novo, an act truly. Checked P Luyken
Dutch transcription
114 Op dit Comptoir zijn op heeden in weesen d' volgende Dienaaren koppen te waarond=/ Inlandse Sipaijen en zaamen Europaesen kinderen toepassen 47. 6. 5. 6. 5 26. 24. 2. 821. 244 182. 395. 53. 5. 1006. 891. voorts. 26. p:s Metaale Canons. 10 „ Mortieren 183. „ yzere canons. 1031. „ Snaphaanen. 1344. „ houwers. 18497. „ Scherp. 1938. „ Bommen. 2045. „ handgranaaten. 46228. „ snaphaan kogels. 57550¼ lb: Buskruit En d' volgende vaartuijgen; als. 2. Barken; D' Liefde lang 90. en den Eendragt 84. voeten. 2. Chialoupen 't L00. „ 73. „ d' walvisch 56. „ 1. Pantjalling lang 56. voeten. 1. schouw 3. Thonijs, waar van 1. te Nagap=n en 2. op noorder Corman„ del, en. 1. Schuijt. Nagapatnam ultimo augustus 1780. van d' politie tot g:' adsistenten inclusive „ „ kerkelijke - - - - - - „ „ Geneeskunde - - - - - „ „ Arthillerij - - - - - „ „ Ambagten - - - - - „ „ diverse dienst doende. . .. Tesamen bedragende - -- volgens d' laaste bepaling - of nu meerder - - - - - „ „ Militie - - - - - - - „ „ Zeevaart - - - - - 90 minder - - - - - - - - Terwijl —. 1. 1. 37. 3. 3. . 2. 2. 5. 115. . Terwijl ik wijders na Uwe Hoog Edelheedens in de pro„ tectie Godes te hebben gere„ „commandeerd, mij de Eere geeve met alle hoog agting te blijven. /:onderstond/:/ Hoog Edele Groot Agtbare wijd Gebie„ „dende Heere, en wel Edele Heeren! Uwe Hoog Edelheedens zeer ootmoe„ dige en Schoorsaame dienaar¬ /:/was geteekend:/ R: van vlissingen /:in margine:/ Nagapatnam In't Casteel Den 27' Januarij 1781. Accordeerd. AV: Vlissingen Nagesien F Luyken Nagesien Jn Luyken Nagesien Jn Luyken No: 3. Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edele Groot Agtbaare Wijd Gebiedende Heere„ Reijnier De Klerk, Gouverneur Generaal. Beneevens. De Wel Edele Heeren Raaden van Nederlandsch India, Hoog-Edele Groot Agtbaare Wijd Gebie= „dende Heere, en Wel Edele Heeren! Dewijl het Engelsch Particulier opia 1 115 twee twee mast Scheepje Hibernia gevoerd door Capitain Ioseph Greenewaij, binnen weijnige da„ „gen van Londicherij na Ban „coele staat te vertrekken, zoo Capteeren wij die geleegendheijd om behalven onsen duplicaat missive van den 22:e hujus ook deese daar meede Aan Uwe Hoog Edelheedens aftezende Werdende denselven ten principaalen ingerigt om aan uw Hoog Edelheedens zoo spoedig als ons mogelijk is k „nis te geeven van den in val van Haider Alichan in des Carnaticasche beneeden landen, met een armee, zoo men aan de daar van ontvangen Engelsche Lijdin„ „gen geloof Refereeren mag, van ruijm 60000. man. Hiermeede Nagesien J Luyken 136 Hiermeede zou hij bereeds aan deese kant van het gebergte, pas, drie dagen rijsens boven Triche„ „napalij staan, en van meening zijn, na Madras voort te ruk„ „ken. Dan hoe ver dit gerugt, dat nog Confirmatie verEijscht waar zij zal de tijd ons binnen wijnig dagen leeren. Intusschen is het egter maan al te waar, dat een detachement Cavallerij, behoorende tot de voor„ schreeve Armee, na gissing Sterk vier â vijf duijsend man, op den 22. deeser, des na middags omtrent Een Uur op het aller onverwagt„ ste. in Portonovo gevallen zijn, en daar genoegzaam alles geroofd hebben. welk ongelukkig tot ook de Deensche en onse Loge is te beurt gevallen, niet teegenstaande den Resident Topander, zoo dra zij onse Loge omcingelde de holland„ sche sche vlagliet hijsen. Dan hoe groot de Schaaden is, die de Comp: daar bij geleeden heeft, kunnen wij nog niet bepaalen Maar wij vreesen egter dat ze aanmerkelijk weesen zal, uijt hoofde wij van particulier Lijding erlangd hebben, dat de uijt sonse Loge geroofde goederen, zonder ge„ laaden geweest zijn op 17: Camee„ Hiermeede en met de overige geroofde goederen, uijt de deensche Loge, en van de voornaamste inge„ „zeetenen, zijn zij nog dien eijgen avond Circa 9. uuren na het overige gedeelte van hun detachement, dat toen even voor bij wannaar„ „palium gecampeert lag, te rug ge„ „trokken, gevangkelijk meede voe„ „rende onsen Resident Sopan„ „der, en de pennisten Willuk, en Sterft, neevens den deenschen Resident Harrop, den Hawel„ dhaar Nagesien F Luyken len. d 117 dhaar van den Nabab Koetie Aijen, en Eenige van de voornaam„ „ste ingezetenen, mitsgaders den klijn zoon van Comp: Courantien, na dat zij voor af verscheijde huijsen, en daar onder ook die van Twee Compagnies kooplieden in den brand gestroken hadden. wat 'er verder van de voorschree„ „ve gevangenen geworden is, of waar na toe zij vervoerd zijn weeten wij niet zeeker, wijl het voor„ „schreeve Corps sdaags daan aan met hun vertrokken is. Dan de waarschijnlijkste„ gisting is, dat zij noordwaards opgetrokken zijn. En hier om hebben wij ook dien oort, uijt, een Harcar of brie„ ven drager met een brief, aan den Chef der voorschreeve troupes afge„ zonden, om het ontslag van den Resident Iopander en de voor„ schreeve Twee Pennisten te bewven „ken 3 ken, het geen wij hoopen dat van Effect weesen zal, om hunnent wil, want zij waarlijk in dee„ „zen toestand beklaagens waardig zijn. Dan hoe onverwagt en on„ „gelukkig deesen inval ook voor de Comp: mag zijn geweest, heeft den Resident Jopander nog geleegendheid weeten te vin„ „den, om Comp: gelet te bergen, in een water Chialeng, die op de revier lag, en waar in den vlaggeman met zijn familie gevlugt was. Die wij met de voorsz: Contanten, welke in twee geld kisten zijn afgepakt, hier, dagelijks ver„ „wagten volgens daar van ont„ vangene Lijding van den Porto„ navoschen Tholk. Dus veel van den in„ val in Portonovo een daad waarlijk. Nagesien P Luyken 3
English
118 truly which has greatly dismayed us, and no less the English. What the consequences thereof will be with respect to our position remains dark to divine, and accordingly we shall, while continuing to hope for the best, vigilantly watch so as not to be taken by surprise ourselves. Because of the captive abduction of the Resident Spander, together with the Clerks Wulick and Herft, the Company's Lodge and Warehouses there were exposed and lying open as a prey to the public, and we judged it necessary to provide for this as best as possible. And accordingly we also saw fit yesterday to have the Sadraspatnam Second Simons and the bookkeeper here, Wouter Pietersz, proceed immediately to Portonovo, in order to be able to take possession of our Lodge again until our further orders, the former in the capacity of Resident, and the other as clerk. And in accordance with this resolution, the bookkeeper Wouter Pietersz will depart by sea for Portonovo this very evening, and the other as soon as he shall have received our orders, which are being dispatched today, Whereby we have at the same time written to him to send us as soon as possible after his arrival at Portonovo a detailed and very distinct report, both of the plundered goods and their amounts, and of whatever they might have left behind, further adding a distinct specification of the ready money and linens that remained under the responsibility of the merchants, 119 merchants, as well as of those which they have already delivered in fulfillment of the demand for the year 1780, and must still deliver, upon the 10,000 pagodas advanced to them for that demand, in order to enable us by that statement to make a formal calculation of the damage that the Company has suffered by that surprise attack. And of this, and of whatever further happens to take place on this coast, we shall report to Your High Nobilities as soon as possible, as is our duty. Meanwhile hoping that these our provisional arrangements in relation to Portonovo will obtain the favorable approval of Your High Nobilities. Wherewith, after wishing Heaven's precious blessing over Your High Nobilities' illustrious persons and the Company's possessions in the Indian regions, we have the honor to remain with all veneration, High Noble, Grand and Right Honorable, Far-Ruling Gentlemen, and Well-Born Gentlemen, Your High Nobilities' humble and obedient servants. Signed: R. van Vlissingen, P. P. Dormieux, Es. P. Haselman, S. Mossel, J. D. Simons, Mt. Stoffenberg, and Fk. Wm. Bloeme. In the margin: Nagapatnam in the Castle, the 29th of July, anno 1780. Batavia Checked Fr Luyken 120 Batavia To the same as above. We have had the high honor to receive via Ceylon Your High Nobilities' secret missive of the 5th of November of the past year, dealing in general with the general exodus that took place here in the year 1778, and the reasons that might possibly have moved our residents, as well as the villagers, to proceed to such a rebellious act. To which we now take the liberty respectfully to reply. When in our humble letter of the 25th of September 1781 we gave notice to Your High Nobilities of the tumult that had arisen among the collective inhabitants here, we stated the cause thereof according to the truth. This we can not only assure Your High Nobilities in conscience, but we even dare to add that the rioters themselves initially were able to put forward nothing else than that it occurred because we had caused to be published the placard in question, whereby we had imposed upon the inhabitants of this town a tax of 1½ fanams or 6 stuivers for every square rod that their houses, dwellings, or gardens should measure. In addition to this, a few days after the exodus had begun, they furthermore indirectly made known their desire that there might be revoked the gratuity granted by us to the Fiscal for issuing permits 121 permits for the unloading and loading of ships and lesser vessels, item chelings, for which that officer enjoyed no more than: for a three-masted ship: Pagodas 2. — for a two-masted sloop: Pagodas 1. ½ for a one-masted sloop: Pagodas 1. — for a double cheling: Pagodas —. fanams 6. — for a single ditto: Pagodas —. fanams 3. — etc. And as these were the only points of grievance over which our inhabitants complained and had become rebellious, we resolved, in order to quell this rebellion at its birth, to give them immediately as much satisfaction therein as was possible for us. This took place subsequently by the suspension of the said placard until Your High Nobilities' further orders, and by mitigating the customados granted to the Fiscal. And herewith we trusted that peace in this town would have been completely restored again, and that everyone would have returned to his house or property. But how greatly we had mistaken ourselves in this, we soon began to notice. For then, those who had previously behaved as peaceful residents began to lift the cloak of hypocrisy. They had seen how easily they had obtained from us the revocation of the placard and the reduction of the customados of the fiscal. And thus they imagined that they would have been able to dictate terms to us in everything, and only had to demand something in order to
Dutch transcription
118 waarlijk die ons, en niet minder de Engelsche zeer geconsterneerd heeft. wat de gevolgen daar van met, opzigt tot ons weezen zul„ „len, zijn, nog duijster te raaden, en disen volgende zullen wij en het besten van blijven hoopende, voorzigtelijk toezien om almeede niet Overvallen te worden. Voor het gevangkelijk weg„ 50„ voeren van den Resident pander, neevens de Pennisten wulick en Herft, Comp„s Loge en Pakhuijsen aldaar ten prooije van het algemeen bloot en oper„ staande, hebben wij noodza„ kelijk geoordeeldt daar in zoo veel mogelijk hoe een zoo beeter te moeten voorzien En dien volgende vonden wij ook opgisteren goed, om ten Eersten den Sadraspatnams Secunde Simons, en den boekhou„ der der alhier Wouter Pietersz: na Portonovo te laaten overgaan, ten Eijnde tot onse nadere ordre wederom bezit van onse, Loge te kunnen nee„ „men, den Eersten in qualiteijt van Resident, en den anderen als pen„ „nist. En in over Een stemming van dit besluijt zal den boekhouden Wouter Pietersz, nog van avond over zee na Portonovo vertrek„ ken, mitsgaders den anderen zoo dra hij onse Ordres, die heeden afgaan zal ontvangen hebben, Waar bij wij hem teffens hebben aan geschreeven om na zijn aan„ „komst op Portonovo, aan ons zoo spoedig mogelijk overtesenden een breedvoerig en zeer distinct berigt zoo van de geroofde goederen, en dies bedragen, als van het geen zij nog mogten hebben agter gelaaten, on„ „der bijvoeging verder van eene dis„ tincte Specifikatie der Contanten en Lijwaaten, welke onder de Kooplieden Nagesien J Luyken 119 kooplieden ter hunnen verandwoording verbleeven zijn, mitsgaders van die welke zij bereeds in voldoening van den Eijsch voor Anno 1780. geleeverd hebben, en nog leeveren moeten, op de, aan haar, op dien Eijsch voor uijt verstrekte, 10'000. Lagooden, ten eijnde door die opgave ons in staat te stellen om een formeele beree„ „kening te kunnen maaken van de Schaade, die de Maatschappij bij die overrompeling geleeden heeft. En hier van, en van het geen er op deese kust alverder komt te gebeuren zullen wij aan uw Hoog „Edelheedens zoo dra mogelijk verslag doen, na gehoudenisse. Intusschen verhoopende dat deese onse provisioneele, Schikkin„ „gen, met Relatie, tot Portono„ va, de goed gunstige approbatie van Uwe Hoog Edelheedens erlangen zullen. Waarmeede na toewensching van Theemels dierbaare Zeegen over Uwe uwe Hoog Edelheedens Illustre Perzoonen en 's Comp:s bezittin„ „gen in de Indiasche gewesten, wij ons de Eere geeven, met alle veneratie te blijven /:onderstond:/ Hoog Edele Groot Agt„ „baare wijd Gebiedende heere, en wel Edele Heeren, /:lager:/ Uwe Hoog Edelheedens En„ „derdanige en Schoorsame dienaaren /:was geteekend:/ R: van vlissingen, P: P: Dormieux, E:s P: Haselman, S. Mos„ J: D: Simons, M:t „sel, Stoffenberg, en F=k W=m Bloeme. /:in margine:/ Naga„ patnam in't Casteel den 29. Iulij anno 1780.— Batavia Nagesien Fr Luyken 120 Batavia Aan als vooren Wij hebben de Hooge Eere ge„ hadt over Ceijlon te ontvangen uwer Hoog Edelheedens Secreete missive van den 5: November de anno passato han„ „delende in het generaal over de alge„ meene uijtwijking, die hier in anno 1778. heeft plaats gehad, en de ree„ „denen, die mogelijk onse ingeseete„ „nen, zoo wel als de Dorpelingen, zouden kunnen bewoogen hebben om tot zulk een oproerige daat over te gaan. Waar op wij tans, de vrijheid neemen met Eerbied te antwoorden. „soen wij bij onsen needrigen van den 25e September 17781. aan Uwe Hoog Edelheedens kennis gaven, van het Zumult dat onder de ge„ „zamentlijke inwoonders alhier ontstaan was, hebben wij na waar„ „heijd de oorzaak van het zelve gemeld. Dit kunnen wij niet alleen Uwe „ uwe Hoog Edelheedens in Con„ „cientie verzeekeren, maar durven er nog wel bijvoegen, dat de oproen„ „makers zelfs in den beginnen niets anders hebben weeten voortebren„ „gen, als dat het geschiede, om dat wij hadden laaten publicee„ ren het bewuste Placaat waar bij wij de inwooners deeser stadt opgelegt hadden een be„ lasting van 1½. fan: of 6. Stuij„ „vers voor ieder quadtraat roede„ die hunne huijsen, wooningen of thuijnen zouden groot weesen. Hier bij hebben zij, eenige da„ „gen na dat de uijtwijking begon„ „nen was, nog van ter zijde te kennen gegeeven, derselver ver„ „langen, dat wederom mogt wor„ „den ingetrokken, het door ons aan den Fiscaal toegestaan douceur voor het verleenen van permissie briefjes Nagesien J Luyken 121 briefjes tot het lossen en laaden van scheepen, en mindere vaartuijgen item Chialengen, waar voor dien officier niet meer genoten heeft; als. voor Een drie Mast, Schip Pag: 2. —: „ Twee Maste Chialoup „ 1. ½. „ Een Mast Chialoup „ 1. —. „ dubbelde Chialeng - - - - „ —. p„s 6. —. „ Enkelde d.:o - - - - - „ —. „ 3. —. &a En nadien dit de Eenigste Poincten van bezwaar waren, waar over onze inwooners klaagden en op„ „roerig geworden waren, resolveerden wij, om dit oproer in zijn geboorte, te sluijten; al aanstonds, om hun daar in zoo veel genoegen toe te brengen als ons mogelijk was. Dit geschieden vervolgens door het Surcheeren van het gemelden Placcaat tot uwe Hoog Edel„ „heedens nadere ordre, en door het miligeeren van de Custumados „ „ den 3 „ den Fiskaal toegestaan. En hiermeede vertrouwde wij dat de rust in deese stad wederom volkomen zou her„ steld geweest, en een ieder na zijn huijs of bezitting, te rug ge„ „keerd zijn. Maar hoe zeer wij ons hier in misgist hadden, begon„ „nen wij wel haast te merken Alzoo toen, die geene welke zig van te vooren als vreed„ „zaame ingesetenen gedraagen hadden den mantel van Schijnhijligheid begonnen af te ligten. zij hadden gezien hoe gemakke„ lijk zij van ons verkreegen hadden de intrekking van het Placcaat, en het verminderen der Custuma„ „dos van den fiscus. En dus verbeelden zij zig dat ze ons in alles de wet zouden hebben kunnen voorschrijven, en slegts iets te vorderen hadden, om het Nagesien F Luyken te
English
to obtain. And hereupon they came forward with their accusations against the adigaars Duijnevelt and Schuneman, likewise against the overseer of the works Kenck, as well as against some other persons with trifles, firmly imagining that in this regard they would immediately obtain a favorable decision, or just as they desired. But this not succeeding as the ringleaders of the mutiny had imagined, they had to, willy-nilly, in order to preserve their standing among the common people, resort to measures to execute their once begun malicious project, and this consisted of support in cash to the already departed wild mob, as we respectfully communicated to Your High Nobilities by letter of 15 January 1779, and also reported who had made themselves guilty of this. It may well happen that some Malabars imagined they had been wronged, for there is no nation in the world that believes this sooner than a Malabar. At least they were pregnant with such thoughts at that time; as Your High Nobilities rightly remarked and we experienced from the bold proposals and requests they dared to make, for these were of such a nature that they ought rather to have been corrected most severely than that we should have granted them. Yet we have nonetheless, and principally the undersigned Governor, taken the gentlest path with that recalcitrant crowd, and regarding all the departed took no other action than to bring them to reason, while demonstrating to them their malicious and punishable conduct toward their lawful authorities, which was finally of such good effect that they allowed themselves to be persuaded, and returned to this city and villages, on the condition that the undersigned Governor would generally forgive their offense, and would restore to their private posts those who had been deprived of them by their departure and absence from this city and villages. And hereupon we not only granted a general amnesty to our inhabitants, but also restored everyone to the posts they had held before. With which this delicate matter, which has caused us so much grief, has ended, without any harm having been inflicted on anyone on that account since then. Thus at present, or since the granted pardon, we again live in the utmost calm and peace. Yet however gently we have acted, and are inclined to act, in everything with them, we nonetheless believe that for complete satisfaction for us in general, and for the deceased Adigaar Duijneveld in particular, the demotion of the merchant Tieromenij Chittij from the linen trade is absolutely required, over and above the compensation for damages suffered by the farmer of the Nagapatnam import duties etc. imposed on him and the other ringleaders, for which favorable authorization we thank Your High Nobilities with respect. However, because upon receipt of Your Honors' general advices of 5 November 1779 we could not put either the one or the other into effect to settle the aforementioned damages, for the reason that at that time too large sums of money for the delivery of linens were outstanding among the merchants, we judged it best to suspend Your Honors' authorization until we shall have closed the accounts with them for the collection of this year. Which we trust can happen shortly. When we shall not fail to have the aforementioned damages, suffered by the farmer of the import and export duties, compensated to the Company by the ringleaders previously specified by us. Against which, or actually against the complaints of the inhabitants of this city and villages, we dare assure Your Honors that the Adigaars Duijnevelt and Schuneman have defended themselves truthfully. The complaints brought against them having been malicious accusations, without a semblance of truth. And in order to produce satisfactory proof thereof to Your High Nobilities, we request permission to take for a moment as an example the so-called meeting on New Year's Day. This takes place not only at the Adigaar of the Villages by the villagers, but also at the Adigaar of the City by the citizens, and by both at the undersigned Governor. And it is a custom that is in use not only along this entire coast, whether among the English, French, or Danes, but also at Jaffanapatnam and elsewhere on Ceylon. And it seems to have been introduced by none other than the natives themselves. At least had we, or any other European nations, established it, we would certainly have set it on the New Year's Day of the Christians. But not on that of the Malabars, called Sandipo, or the so-called day of prayer, falling on 5 January. From this description Your High Nobilities will, we hope, partly see the unreasonable complaints of the villagers, for they did not complain about any novelties introduced by us, but about an old custom of their own making. Yet to show this in further detail, we shall even proceed to the customados that they contribute on such an occasion. They say that they served as a burden to them, but very
Dutch transcription
122 te verkrijgen. En hier op kwamen zij met haare beschuldigingen tegen de adigaars„ Duijnevelt, en Schuneman, item teegen den opsienden der wer„ „ken Kenck, als meede teegen eenige andere persoonen met baga„ teblen te voorschijn, zig vastelijk voorstellende dat zij daar omtrent direct een favorabele dispositie, of zoo als zij maar begeerden, zou„ „den erlangen; Dog dit niet lukkende zoo als de belhamels van het opzoen zig verbeeld had„ „den, moesten zij nolens volens om haar aanzien onder de gemeene man te bewaaren, middelen bij der hand neemen, om haar eens begonne quaadaardig project te volvoeren, en dit bestond in eene ondersteuning met Contanten aan de bereeds uijtgeweekene woeste hoop, zoo als wij uwe Hoog Edelens bij brief van den 15. Ja„ „nuarij 1779. reverentelijk bedeeld, en teffens teffens opgegeeven hebben, wie dat zig daar aan al Schuldig gemaakt had. Het kan wel gebeuren dat zig eenige Mallabaaren, verbeeld heb„ „ben verongelijkt te zijn, want, 'er geen natie in de weereld is, die dat eerder als een Mallabaar gelooft. Ten minsten zij gingen op die tijd met diergelijke gedagten Azwangen; zoo als uwe Hoog Edelheedens te regt gereman„ „queerd en wij ondervonden hebben, uijt de stoute propositien, en versoeken die zij hebben durven doen, want die van zodanig een aart waaren, dat te eerden op het Strengst hadden moeten geconrigeerd geworden zijn, dan dat wij die zouden hebben toege„ „staan. Dan we hebben des niet te min, en principaal den onder„ „geteekende Gouverneur met die beloorige Nagesien J Luyken 123 baloorige menigte de Iagtste weg ingeslagen, en omtrent alle de uijt geweekene niets anders werkstel„ „lig gemaakt, dan om haar tot treeden te brengen, onder voor„ „houding van hun boosaardig en Strafwaardig gedrag, teegens haare wettige overheeden, het geen dan eijndelijk ook van dat goed gevolg geweest is, dat zij zig hebben laaten geseggen, en na deese Stad en dorpen te rugge gekeerd zijn, onder die mits, dat den ondergeteekende Gouver„ „neur, generaliter vergeeven zou haare misdaad, en wederom in haare particuliere diensten zou laaten, stellen, die, welke door de uijtwijking en absentee„ „ring uijt deese Stad en don„ „pen daar van beroofd geworden waren. En hier op hebben wij niet alleen aan onse ingeseetenen een generale generaale Amnestie verleend, maar ook een, ieder hersteld, in de dien„ „sten die zij van te vooren bekleed hadden. Waarmeede deese delicaate affaire, die ons zoo veel verdriet veroorsaakt heeft, geeijndigd is, zonder dat Seedert aan iemand dierweegens eenig leet is toegebragt geworden. Dus wij tegenwoordig of Seedert de verleende vergiffenis, weeder in de uijterste rust en vreede leeven Dog hoe zagt wij ook in alles met hun gehandeld hebben, en geneegen zijn te hande„ „len, vermeenen wij egter, dat er tot een volleedige Satisfac„ „tie voor ons in het Generaal, en voor den overleedenen Adi„ „gaar Duijneveld in het bijzon„ „der, absollut vereijscht wordt de dimotie van den Koopman Jieromenij Nagesien F Luyken 124 Tieromenij Chittij uijt den Lijwaat handel buijten en behalven de hem„ en de overige belhamels opgelegde vergoeding van Schaabte bij den pagter der Nagapatnamse Inkomende regten &=a geleeden, voor welke gunstige qualificatie wij uwe Hoog Edelheedens met Eerbied bedanken. Edog, wijl, wij bij ontvangst van Hoogst derselven gemeene advisen van den 5. November 1779. nog het een nog het ander in het werk hebben kunnen stel„ „len tot verevening van de voor„ schreeve Schaade, om reeden er toen, te groote Somme gelds op Leverantie van Lijwaaten onder„ de kooplieden uijtstonden, hebben wij best geoordeeld, Hoog „derselver qualificatie zoo lang te surcheeren, tot wij de afreeke„ „ningen voor den inzaam van dit Jaar Daar, met hun zullen geslooten hebben. Het geen wij vertrouwen, dat eerst daags zal kunnen geschie„ den. Wanneer wij niet zullen man„ queeren, de voorschreeve schaade, bij den pagter van de in en uijt„ „gaande regten geleeden, aan de Compagnie te doen vergoeden, door de belhamels, door ons be„ „voorens opgegeeven. Waarleegen, of eijgentlijk zee„ „gen de klagten van de inwoo„ „ners deeser stad en dorpen; wij Hoog deselven verzeekeren durwen, dat zig de Adigaars Duijnevelt en Schuneman na waarheijd verantwoord hebben. Sijnde de tegen hun inge„ „bragte klagten, kwaadaardige accusatien geweest, zonder schijn van waarheijd. En Nagesien J Luyken 125 En om daar van aan Uwe Hoog Edelheedens, een voldoenend bewijs„ te produceeren, versoeken wij om voor een Ogenblik tot een voorbeeld te mogen stellen de zoo genaamde ontmoeting op Nieuw Iaarsdag. Deese geschied niet alleen bij den Adigaar der Dorpen door de Dorpelingen, maar ook bij den Adigaan der Stad door de Stee„ „delingen, en door beijde bij den on„ dergeteekende Gouverneur En is een gewoonte die niet alleen op deese geheele kust, het zij bij de Engelschen, Franschen, of Deenen, maar ook op Iaffana„ „patnam en elders op Ceijlon in ge„ „bruijk is. En door niemand anders, dan door de Inlanders, zelfs schijnt te weesen ingevoerd. Ten minsten hadden wij, off eenige andere andere, Europeesche natien, dien dan ingestelt, we zouden hem zeeker lijk bepaald hebben op den nieuw¬ Iaars, dag der Christenen. Maan niet op die der Mallabaaren, Sandipo, of de zoo genaamde dag van paresse genaamd, invallen den 5e: Januarij Uijt deese beschrijving zullen Uwe Hoog Edelheedens zoo wij hoopen, gedeeltelijk zien de onreedelijke klagten der Dorpelin„ „gen, want zij niet over eenige nieuwigheeden door ons ingevoerd geklaagd hebben, maar over een oud gebruijk van hun eijge maak¬ zel. Dog om dit nog nader aan„ teloonen, zullen wij tot de Cus„ „tumados, die zij bij zoo een gelee„ „gendheid opbrengen zelfs overgaan zij zeggen dat ze hun tot bezwaarnis gestrekt hebben, Maar zeer Nagesien F Luyken
English
Very unjustly. Because everything they offer on that occasion consists of some meager fruits of the field, such as some bananas, oranges, sugar cane, etc., alongside 4 to 5 lean goats and 20 to 25 chickens. In return for which they receive back some piece of linen or other, far exceeding the value of what they have gifted according to the customados of the land. And that this is the pure truth, we all can assure Your High Nobilities upon our honor; moreover, the undersigned Governor assures Your High Nobilities that annually, at that so-called harmful meeting for the Malabars, he has fallen short by 80, 100, and more pagodas. And of this he could, if necessary, produce the specific accounts kept by him annually. How unfair, indeed what shall we say, how ungrateful the aforementioned complaints of the villagers have consequently been, we leave entirely to the righteous judgment of Your High Nobilities. Meanwhile, in order to show how unfair their complaints were, the undersigned Governor directly abolished the aforementioned meeting, called Djandiepo by the Malabars, just as it has remained abolished ever since, although His Honor has already been requested several times by various good and well-intentioned inhabitants to reintroduce that custom; because those people, driven by their superstitious notions, firmly presume that they cannot have any fortune or blessing in their undertakings during that year if they are not allowed to meet the Lord Governor to offer him a trifle through which they may expect the blessing in their house. Meanwhile, we have abolished, as much as is possible, all the other abuses that took place in former times, and we shall take care for the future that the same are not reintroduced. Subsequently, in order to comply with Your High Nobilities' order, we investigated with all impartiality the claim of the collective painters which they brought against the head-painter or supplier of the Company's chintzes named Naijniapa, but found the same to contain nothing other than a customary payment to him as head, for his trouble and the risk of the Company's monies, which he must advance among that common folk and account for to the Company through the delivery of chintzes; after which we decided this contentious matter, which had been incited by malicious instigators, by having the 279½ pagodas paid out which the head-painter himself had acknowledged. Regarding now the chialeng wages, concerning which Your High Nobilities are pleased to require a further elucidation from us! We have the honor to report in that regard that, according to an established regulation for the chialeng workers, no more than 4 fanums for a single and 8 fanums for a double chialeng is paid here; which thus agrees with what was stated by the undersigned Governor in his marginal notes on certain complaint-writings submitted to Your High Nobilities with his letter of September 25, 1778. But in addition to that, in the time or under the administration of the Honorable Mr. Haksteen, the master of the equipment here, for maintaining in service peons and cannekappels on the beach, who are very necessary there, was granted 1 fanum for a single and 2 fanums for a double chialeng, which has been further confirmed by the present Governor, as the same serves to prevent all sorts of disputes and disorders that would otherwise daily occur between the merchants and the chialeng workers. And for which reason we request that this method, which has been in use for 15 years, may be continued. Since Your High Nobilities, under recommendation of caution, have been pleased to defer to us the introduction of the further proposal made by us, namely to be permitted to collect annually 4 stuivers, or one fanum, from each square rod that the houses and gardens within this city occupy, we hereby assure the same that we shall come to no decision in that regard except after the ripest deliberation, and when we shall be sufficiently assured of its good success. Because we would not like to see an uprising arise over this for a second time, however unreasonable it would be again. To avoid which we shall above all take care that, according to Their High Nobilities' desire, the aforementioned tax is made general, without exempting anyone, and thus also no Company servant or burgher. Meanwhile, with regard to the remark made by Your High Nobilities, namely that although our Resolution of March 26, 1778 only spoke of the houses of the Moors, Malabars, etc., it was nevertheless clearly stated in our Edict that this tax would apply to the houses of all the inhabitants of the city, we take the liberty hereby to note that the number of burghers who are here does not consist of Europeans, but of 2 to 3 Armenians, some dismissed native clerks, and for the rest of Topasses and natives who
Dutch transcription
126 Zeer ten onregten. want al wat zij bij die geleegendheid aanbieden, bestaat in eenige geringe vrug„ „ten van het veld, als wat Pisang, Chinasappelen, zuijkerriet ensz:, nee„ vens 4. â 5. magere bokken, en 20. â 25. hoenders. waar teegen zij weeden het een of ander stuk Liwaat, vrij ver„ re overtreffende de waarde van het geen zij volgens de Custumados van het Land, geschonken heb„ „ben te rug ontvangen. En dat dit de zuijvere waarheid is, kunnen wij alle op onse eer Uwe Hoog „Edelheedens verseekeren; Boven dien verseekerd den ondergeteekende Gouverneur Uw Hoog Edelheedens dat hij Iaarlijks, bij die zoo ge„ „naamde schaadelijke ontmoeting, voor de Mallabaaren, 80, 100. , en meer pagooden is te kort geschoo„ „ten. En hier van zou hij des noods produceeren kunnen de daar van Jaarlijks door hem gehoude speci¬ „fique reekeningen. ƒ H Moi onbillijk, da wat zeggen wij hoe ondankbaar derhalven, de voorschreeve klagten der Dorpelingen geweest, zijn, laaten wij volkoomen aan het regtvaardig oordeel van Uwe Hoog Edelheedens over Onstertusschen heeft den onder„ „geteekende Gouverneur om te zoo„ „nen hoe onbillijk hunne klagten waren, direct de voorsz: Ont„ „moeting, bij de Mallabaaren Djan„ „diepo genaamd afgeschaft, ge„ „lijk ze Seedert ook afgeschaft gebleeven is, Schoon zijn Edele, door verscheijde goede en wel g'intentioneerde inwoonders bereeds verscheijde maalen aangesogt ge„ „worden is, om die gewoonte wee„ „der in te voeren; Uijt hoofde die menschen door haar Super„ „stitieuse denkbeelden gedreeven, vast veronderstellen, dat zij geen geluk of zeegen in haare verrigtingen Nagesien P Luyken 127 verrigtingen, geduurende dat Gaar kunnen hebben, zoo zij den heer Gouverneur niet mogen ontmoeten, om hem eene geringheijd waar door zij den zeegen in haar huijs ver„ „wagten mogen aantebieden „Ondertusschen hebben wij al de overige misbruijken, die in voorige Lijden plaats gehad hebben, zoo veel als het moge„ „lijk is, afgeschaft, en wij zullen voor het vervolg zorge dragen dat deselve niet weeder wor„ „den ingevoerd. Wij hebben vervolgens om te vol„ „doen aan Uwe Hoog Edelheedens ordre, met alle onzijdigheijd onderzogt, de pretensie der gesamentlijke Schilders, die zij op den hoofd- Schilders of Le„ verancier van Comp:s Chitsen Naijnia„ „pa genaamd geformeerd hebben, dog de„ „selve bevonden niets anders te behelsen, dan eene gewoonlijke betaling aan hem als hoofd, voor zijne moeijte, en de Risico van Comp: gelden, die hij onder dat - dat gemeene volk moet uijtsetten, en aan de Comp: door Leverantie van Chitsen verantwoorden, waar na wij deese zwist zaak, die door quaad. aardige opstokers aange„ „blasen was, gedecideerd hebben, door de 279:½. pagooden, die den hoofd- Schilder, zelfs geagnosseerd hadt, te doen uijtkeeren. Betreffende, nu de Chia„ „lengloonen, waaromtrent Uwe Hoog Edelheedens van ons eene nadere elucidatie gelieven te vor„ „deren! We hebben daar omtrent de eere te berigten, dat volgens een geformeerd Reglement voor de Chialengeniers, hier niet meer als 4. fanums voor een Enkelde en 8. fanums, voor een dubbelde Chialeng betaald wordt; het geen dus overeen komt met het geen door den ondergeteekende Gouverneur, is opgegeeven; bij zijne kantteekeningen op zeekere klagt„ Schriften Nagesien P Luyken 128 schriften uwe Hoog Edelheedens bij zijnen brief van den 25. Sep„ tember 1778. aangebooden gesteld. Maar daar en boven is ten Lij„ „den, of onder de Regeering van de Edele heer Haksteen, aan den Equipagiemeester alhier, voor het in dienst houden van Pions en Cannekappels op het Strant, die daar zeer noodsaakelijk zijn toegestaan geworden 1. fanum voor een Enkelde, en 2. fanums voor Een dubbelde Chialeng dat door den presenten Gouverneur nader bevestigd geworden is, als strekkende het zelve tot voor„ „koming van allerlij disputen en ongereegeldheeden, die andersints dagelijks tusschen de kooplieden en de Chialengeniers zouden voor„ „vallen. En waarom wij verzoeken, dat bij deese, tseedert 15. Jaaren in gebruijk geweest zijnde methode mag worden gecontinueerd. Dewijl Dewijl Uwe Hoog Edelhee„ „dens, onder recommandatie van voor„ „zigtigheid, aan ons gedefereerd hebben gelieven, te laaten, de introductie van den door ons nader gepropo„ „neerden voorslag, om namentlijk van elke quadraat roede, die de huijzen en Thuijnen binnen deese stad koomen te beslaan, een sjaars 4. Stuijvers, of een fanum te moge invorderen, verzeekeren wij Hoog„ deselve bij deesen, dat wij dien„ weegens tot geen besluijt zullen koomen als na het rijpste over„ „leg; en wanneer wij genoegzaam van dies goed succes zullen verzeekerd zijn. Want wij hier over niet gaarne, voor de tweede maal, hoe onreede„ „lijk het ook weer weesen zou, een oproer zoude zien geboren worden. den Nagesien F Luyken 8 129 Tervermijding van het welke wij vooral zorg zullen draagen, dat na Hoog derselven begeerte, de voor„ „schreeve belasting algemeen gemaakt wordt, zonder iemand, en dus ook geen Compagnies Dienaar of Bur„ „gen uijt te zonderen. Ondertusschen neemen wij met opsigt tot de door Uwe Hoog Edelheedens gemaakte re„ „malque, namentlijk, dat Schoon onse Resolutie van den 26. Maart 1778. eenlijk sprak van de huijsen der Mooren Mallabaaren en IE: er egter duyselijk bij ons Plac„ „caat gesegt wierdt, dat die belasting gaan zou, over de huijzen van alle de ingeseete„ „nen der Stad, de vrijheid bij deesen te noteeren, dat het getal burgers, die zig alhier bevinden, niet in Europeesen; maar in 2. â 3. armeniers, Eenige afgedankte In„ „landse pennisten, en voor het ove„ „rige in toepasse in boorlingen bestaan„ welke
English
who, apart from the aforementioned Armenians, can barely find the means of subsistence for their numerous households, and thus we have excused those people who had nothing to spare from the aforementioned tax. However, we shall henceforth cause them to bear it on an equal footing alongside the Company's servants and other residents, so as to give no one any reason for discontent. Nor shall we fail to offer to Your Right Honourables in due course a concise report, in a separate document, of all that shall be performed by us on the basis of Your Right Honourables' esteemed missive of 5 November 1779. And furthermore, after we shall have obtained the aforementioned satisfaction, we shall again cause a general amnesty to be proclaimed, Checked P Luyken 130 proclaimed, and subsequently no longer tolerate that any of the inhabitants of this city or villages be molested by anyone on account of the aforementioned troubles, much less be directly or indirectly persecuted out of vengeance. And stepping away with this from this vexatious matter, we proceed to the affairs of the war. With the English private vessel the Hibernia, which departed from Pondicherij for Bancoeloe, we have dutifully given knowledge to Your Right Honourables by secret letter of 29 July 1780, of which we have since sent the duplicate via Malacca, of the invasion by Hayder Alichan into these Carnatic lowlands, and of the plundering of Portonovo. This This incident, and the general terror that Hayder Alichan had aroused by his unexpected invasion, caused us on 28 July to resolve not only to give knowledge thereof as quickly as possible to the Ceylon ministers, but also to represent to the same the weak condition of our garrison, as consisting of only 172 Europeans, 387 native soldiers (the sepoys counted among them), and 15 artillerymen; with a request to support us with counsel and assistance. As has since occurred by missive of 2 August. Whereby we simultaneously put the two following questions to those ministers. First, we asked them whether in these dangerous times, in which we are truly entirely uncertain whether the Company's possessions are targeted or not, we might proceed, without the special consent of Your Right Honourables, Checked J Luyken 9 131 Honourables, to a moderate augmentation of native troops, should we, from the further course of events, judge the enlistment of the same to be absolutely necessary. And secondly, we asked the same with how many soldiers, artillerymen, and Malays they might be able to assist us, if necessary. To this, the Ceylon ministers briefly answered by letter of 19 August that the means for the defense of Nagapatnam would have to be sought on Choromandel itself. And that, since we had asked their Honours' sentiment on the matter, they had no hesitation in declaring that it appeared to their Honours necessary that we substantially augment the Company's sepoys whom we had here in garrison, etc. Over the contents of this letter, which was at the same time accompanied by a copy of a missive written by the ministers to the Governor and Council of Cochim, we deliberated on 11 September. And since we perceived all too clearly from the reply of the Ceylon ministers, and their letter to Cochim, that in time of need we had not the least assistance to expect from there, and even less from Cochim, because the first-mentioned ministers had themselves recalled from the Malabar all their native troops to protect Tutucorijn against an attack by Hayder's marauding bands, and the latter were not even provided with enough troops to be able to Checked J Luyken 132 able to come to our aid, we resolved—because without some augmentation of troops, with our small garrison, we would not be in a position to ward off a single raiding party of Hayder's army from the walls of this city, which in some places can very easily be scaled—to recruit a further 250 common recruits to reinforce our battalion of sepoys, which consisted of only 279 head, and to have them immediately exercised in the manual of arms by European non-commissioned officers or drillmasters, without taking a single additional native officer into service for that purpose. Which resolution we trust will be fully approved by Your Right Honourables, on account of the urgent reasons that have compelled us thereto, and which are described more extensively in our aforementioned resolution of 11 September. September. And since we at the same time judged it to be of the utmost necessity that we reinforce as much as possible our corps of artillerymen, which then originally consisted of only 15 head, we resolved not only to place as many sailors from the wharf into the artillery as could be spared, but also to hire one hundred coolies for the service of the artillery to be used in transporting the ordnance as well as otherwise. As has since occurred, whereby our corps of artillerymen is now augmented to 48 men. Truly a small number to defend ten bastions with, and in case of a siege, which we hope God will graciously prevent. Yet what shall we do; the weak condition of our garrison does not permit us to draw men from it in order to Checked F Luyken
Dutch transcription
welke buijten de voormelde Arme„ niers, nauwlijks het leevens onder houwd voor haar nombreuse huijshoudingen kunnen vinden, en dus hebben wij die menschen welke niets te missen hadden van die voorschreeve belasting g'excuseerd. Dog wij zullen hun daar in voortaan neevens Comp:s Dienaaren en verdere ingezeete„ nen op een gelijken voet doen dragen, om aan niemand eenige reeden van misnoegen te geeven. Ook zullen wij niet manqueeren, uwer Hoog Edel„ heedens in der tijd aante bieden, een beknopt verslag, bij een apart geschrift, van al het geen door ons, op fundament van Hoog„ „derselver g'eerde missive van den 5. November 1779. zal wor¬ „den verrigt. En wij zullen voorts na dat wij de voorschreeve Satisfac„ „tie zullen genomen hebben, op nieuw een algemeen amnestie laaten afkondigen Nagesien P Luyken 130 afkondigen, en vervolgens niet meer gedogen, dat niemand van de inwooners deeser Stad of Dorpen, uijt hoofde van de voorschreeve Troubles door iemand gemolesteerd, veel min door wraakzugt direct of indirect vervolgd wor¬ „de. En hiermeede van deese verdrie¬ tige affaire, afstappende, gaan wij 'over tot de zaaken van den oor„ „lag. Met het Engelsche Parti„ „culiere Scheepje de Hibernia, die van Pondicherij na Ban„ „coeloe, vertrokken is, hebben wij Uwe Hoog Edelheedens bij Secreeten brief van den 29. Iulij 1780. , waar van wij Zee„ „dert het Duplicaat over„ Malacca gezonden hebben, Schuld„ „pligtig kennis gegeeven van den inval van Haijder Alichan, in deese Carnaticasche beneede Landen, en van het Uijtplunderen van Portonovo. Dit Dit geval, en den algemeenen Schrik, die Haijder Alichan door zijnen onverwagten inval hadt ven¬ wekt, deed ons op den 28. Iulij Resolveeren, om daar van niet al„ „leen zoo spoedig als mogelijk was kennis te geeven aan de Ceijlonsche Ministers, maar ook aan wel de selve te vertoonen den zwakken toestant van ons guarnisoen, als maar bestaande in 172. Europeeschen 387. Inlandsche Militairen (:de„ Sipaaijs 'er onder gereekend:) en 15. Arthilleristen; met verzoek om ons met raad en daad te onder„ Steenen. zoo als Seedert bij missive van den 2. augustus geschied is. Waar bij wij teffens aan die Ministers gedaan hebben de twee volgende vraagen. Eerstelijk hebben wij hun gevraagt, of wij in deesen dangereusen zijd waar in wij waarlijk ten eenemaal on„ zeeker zijn, of het ook op Comp:s bezit„ „tingen gemunt is, of niet, wel buijten Speciaal Concent van Uwe Hoog Edelheedens Nagesien J Luyken 9 131 Edelheedens zouden mogen over„ „gaan, tot een matige augmentatie van Inlandse Troupes, indien wij uijt den verderen toedragt der zaaken, het in dienst neemen van dezelven volstrekt nood„ „zaakelijk mogten oordeelen. En ten tweeden vroegen wij dezelven niet hoe veel Militairen, Arthilleristen en Maleijers zij ons, des noods wel zouden kunnen assisteeren. Hier op hebben de Ceijlonsche„ Ministers, bij brief van den 19. au„ „gustus, kortelijk geantwoord„ Dat „de middelen tot verdeediging „ van Nagapatnam op Chor„ „mandel zelfs zouden moeten „gezogt worden. En dat, wijl wij daar over haar wel Edele gevoelen afge„ „vraagd hadden, zij geen zwaarig„ „heid maakten te verklaaren, dat „het Haar Ed: voorkwam nood„ zaakelijk „zaakelijk te weezen, dat wij de „Compagnies Sipaijs welke wij „hier in bezetting hadden, aanmen„ „kelijk vergrooten enz: Over den inhoud van deesen brief, die teffens verzeld was, van een, Copia missive door de Mini„ sters aan den Gouverneur en Raad van Cochim geschreeven, hebben wij op den 11:e September gedelibereerd. En nadien wij uijt het antwoord der Ceijlonsche Mini„ sters, en haaren brief na Cochim maar al te duijdelijk ontwaar„ „den dat wij hier in tijd van nood geen de minste hulp van daar en nog veel minder van Cochim te wagten hadden, uijt hoofde de eerst gemelde Ministers, zelfs van de Mallabaar hadden op g'eijscht alle hunne inlandsche troupes om Tutucorijn te be„ Schermen tegen een Aanval van„ Maiders Roofbenden, en de laa„ sten zelfs van geen Troupes ge¬ „noeg voor zien waaren om ons te Kunnen Nagesien J Luyken 132 kunnen, bij Springen, besloten wij, uijt hoofde wij, zonder eenige aug„ mentatie, van troupes met ons ge„ „ring guarnisoen niet in staat zouden weezen, om een enkelde stroo„ „pende parthij van Haiders Legen, van de wallen deeser stad, welke op sommige plaatsen zeer gemakkelijk kunnen, beklom„ „men worden, aftekeeren, om tot versterking van ons bataillon Sipaaijs, het geen maar uijt 279. koppen bestond, nog 250. gemeene re„ „cruten aan te werven, en hun al aanstonds in den wapen handel te laaten oeffenen door Europeesche onder officiers of Drilmeesters, zonder daar toe een enkeld, In„ „landsche officier meer in dienst te neemen. welk besluijt, wij vertrouwen, dat door uwe Hoog Edelhee„ „dens volkoomen zal wordeng; approbeerd, uijt hoofde van de dringende reedenen die er ons toe genoodzaakt hebben; en bereeder beschreeven staan bij onze voor„ „schreeve Resolutie van den 11=e September September. En nadien wij teffens geoordeeld hebben, het van de uijtterste nood„ zaakelijkheid te zijn, dat wij ons Corps Arthilleristen, dat toen primo plan, maar bestond uijt 15. koppen, zoo veel ons moge„ lijk was versterkten, besloten wij niet alleen zoo veel Matroozen, van de Werf bij de Arthillerij te plaatschen als zouden kunnen worden gemist, maar ook ten diensten van de Arthillerij hon„ „derd Koelies aanteneemen om bij het vervoeren van het geschut als andersints te kunnen gebruijkt, worden. zoo als seedert geschied is, waar door nu ons Corps an„ thilleristen geaugmenteerd is tot 48. man. Waarlijk een gering getal, om en in Cas van beleegering, waar voor wij hoopen dat Godt ons gena„ „diglijk zal verhoeden, tien bol„ „werken meede te defendeeren. Dan wat zullen wij doen, den zwakken toestant van ons guarnisoen, laat niet toe dat wij daar volk uijt ligten, om Nagesien F Luyken
English
133 to place with the artillery, and at our factories we know of not a single artilleryman to be found who can be spared from there. We have made this known to the Ceylon Ministers by letter of the 15th of September, and have at the same time most emphatically requested them to send us at least a small reinforcement of artillerymen, if it is at all possible. On which we expect a reply daily. Yet whether we receive relief or not, we nevertheless assure Your Right Honourables that if Haider Ali should come to attack us hostilely in the beginning of the coming spring, as he has threatened us, if we do not wish to assist him with men, muskets, bullets, cannons, gunpowder, and further ammunition, we shall defend ourselves as men of honour. In the meantime, however, we would well wish that we could be assisted with two to three companies of Europeans, or else with a few hundred Malay men from Batavia, or else that Your Right Honourables would be pleased to authorize us to take into service more native troops if necessity should demand it, because with our present garrison, although already somewhat reinforced, we are not in a position to withstand a formal siege. It is indeed true that we do not know for certain whether he has his sights set on us as well. But prudence nevertheless dictates that we be mindful in good time of means of defence, and consequently we hope that Your Right Honourables will be pleased not to regard the aforementioned request as premature. The Checked F Luyken 134 The War of Cochin, the incident of Portonovo, the imprisonment of our Resident Popander, along with the two clerks, the return of our letter which we had written to Haider Alichan to effect the release of Popander without giving the slightest reply thereto, and especially the proposal which the servant of the undersigned Governor, named Irlappa, who was also held prisoner, has made to us in the name of His Highness Haider Alichan, make us fear everything. We present Your Right Honourables herewith a copy thereof, and we trust that the same will see therefrom that our fear is not entirely groundless. For without offending the English in the highest degree, and especially the Nabab Machomet Alichan, we can satisfy none of the points appearing therein, nor enter with him into an offensive and defensive alliance, as the aforementioned proposal contains. And yet we shall shortly be obliged to reply to Haider Ali, who is currently master of the field. Then we shall make known to His Highness in the politest terms that without authorization from Your Right Honourables, we cannot enter into any negotiations of that nature with His Highness. And that we have therefore, to show how inclined we are to contribute everything that may earn the friendship of His Highness, sent the aforementioned proposal to Your Right Honourables, on which we expect an answer within a few months, as we take the liberty to request herewith; it being meanwhile enough gained if we may only gain time with this answer of ours. For to enter into the proposed alliance would, to our limited knowledge, conflict entirely with our interest; at least as long as the English maintain the Nabab Machomet Alichan. Above all this, that proposal was made to us in a very insulting manner, and would thus deserve no consideration, much less any reply, were we in other circumstances. But his formidable power and our weak condition indeed oblige us to be cautious and accommodating. We shall at the same time, when we write to him again, which will happen shortly, send therewith according to the custom of the country some modest gifts, to see whether we can thereby effect the friendship of the Nabab for the Dutch Company and the freedom of Popander, along with the clerks imprisoned alongside him. Whom we otherwise fear will pay for it with their lives; for they are treated very harshly. Thus writes Popander to us in a letter of the 9th of September in very lamentable terms, and mentions in addition that they have demanded from him and the Danish Resident 40,000 Pagodas each for their freedom, under the threat that if each did not raise that sum within a month's time, they would then have to lose their lives in a deplorable manner. As can be seen in more detail from the letter itself, of which we present Your Right Honourables herewith a copy for consideration. Thus much we have deemed necessary to impart to Your Right Honourables regarding our condition and that of the Portonovo prisoners. What concerns Portonovo itself, we have received here the chest with the money of the Company, which Resident Popander was still able to secure alongside and together with his own, and have had it deposited in the Company's treasury according to the entry in our joint Resolution of the 11th of August last. Since then, the Sadraspatnam Second Simons, whom we sent thither alongside the Bookkeeper Wouter Pietersz, has sent hither all the linens of the Company and of Resident Popander that were still to be found there. Yet although we would gladly have let them stay longer, we were nevertheless obliged to recall them by letter of the 30th of September, for the reason that the Second Simons reported to us by letter of the 22nd of that month that a leader of a band of 3,000 horsemen was about to arrive there in the name of the Nabab Haider Alichan, to
Dutch transcription
133 om bij de Arthillerij te plaatschen, en op onse Factorijen weeten wij geen en keld Arthillerist te vinden, die daar van kan gemist worden. Dit hebben wij de Ceijlonsche Ministers te kennen gegeven bij brief van den 15. September, en Htaan teffens op het nadrukkelijks te verzogt, om ons tog een klijne versterking van Anthillaris ten toetezenden; zoo het maar eenig„ sints mogelijk is. Waar op wij dagelijks antwoord verwagten. Dan het zij wij ontzet krij„ „gen of niet, wij verzeekere Uwe Hoog Edelheedens egter, dat zoo Haider Ali, ons in het begin van het aanstaande voorjaar vijan„ „delijk mogt komen te attacquee„ „ren; zoo als hij ons gedreijgd heeft, zoo wij hem met geen volk, snaphaan, koegels, kanons, kruijt en verdere ammunitie willen assisteeren, wij ons als mannen van eer verdeedigen zullen Intusschen wenschten wij egter wel wel, dat wij met twee â drie Compagnien Europeeschen dan wel met eenige honderd man Maleijers van Batavia konden worden geassisteerd, dan wel dat uwe Hoog Edelheedens ons geliefden, te qualificeeren tot het in dienst neemen van meerder inlandsche troupes zoo het den nood verEijschte, wijl wij met ons tegenwoordig guarnisoen, Schoon reeds eenig„ „sins versterkt, niet in staat zijn een formeele belegering uijt te staan. Het is wel waar wij weeten niet zeeker, of hij het ook op ons gemunt heeft. Maar de voorzigtigheid brengd egter meede, dat wij bij tijds bedragt zijn opmiddelen van de„ „fensie, en dien volgende hoopen wij dat uwe Hoog Edelhee„ „dens het voorschreeve verzoek niet als voorbaarig zullen gelie„ ven aantezien. Den Nagesien F Luyken 134 Den Oorlog van Cochim, het geval van Portonovo, het gevan„ „gen houden van onsen Residtent Popander, met de beijde Vennisten, het terug zenden van onsen brief, die wij om het ontslag van Po„ panden te bewerken aan Hai„ „der Alichan geschreeven hadden; zonder daar op het allerminste ant„ woord te geeven, en vooral den voorslag, die den meede gevangen geweest zijnde Dienaar van den ondergeteekende Gouverneur in name Irlappa, aan ons, uijt naam van zijn Hoogheijd Haider Alichan, gedaan heeft, doen, ons alles dugten. Wij bieden er Uwe Hoog Edelheedens bij dee„ zen een afschrift van aan; en wij vertrouwen dat Hoog dezelven daar uijt zullen zien, dat onse vreeze, niet geheel ongegrond is. want wij kunnen zonder de Engelschen en vooral den Nabab Machomet Alichan, ten hoog„ sten te beleedigen aan geen van de daar bij voorkoomendte poincten voldoen; of ons met hem in een of - en defensive alliantie, zoo als den voorschreeven voorslag bevat, 1 inlaaten 3 in laaten. En even wel zullen wij eerst daags verpligt zijn, er Huider Alk, die tans meester in het veld is, op te antwoorden. Dan wij zullen daar op zijn Hoogheijd in de beleefste ter„ men te kennen geeven, dat wij ons, buijten qualificatie van uwe Hoog Edelheedens in geen onder„ „handelingen van die natuur met zijn Hoogheijd kunnen inlaasten. En dat wij derhalven om te zoonen, hoe geneegen wij zijn, om alles toetebrengen, wat de vriendschap van zijn Hoog„ „heijd verdienen kan, den voor„ schreeven voorslag uwe Hoog¬ „Edelheedens toegezonden heb„ „ben; waar op wij binnen eenige maanden antwoord verwagten. gelijk wij bij deesen de vrijheijd neemen te verzoeken zullende het inmiddens genoeg gewonnen zijn, zoo wij met Nagesien F Luyken 135 met dit ons antwoord, maar zijd mogen winnen. Want om in de voorgeslage al„ „tiantie te treeden, zou, na onse geringe kennis, ten eenemaal tegen„ ons belang strijden; ten minsten zoo lang de Engelschen, den Na„ „bab Machonet Alichan, maintineeren Boven dit alles, is dien voorslag, aan ons op een zeer hönende wijze gedaan; en zou dus geen re„ „flectie, veel min eenig antwoord, verdienen, waaren wij in andere omstandigheeden. Maar zijn gedugte magt en onsen zwakken toestand, verpligten ons wel, om voor„ „zigtig, en inschikkelijk te wee„ „zen. Wij zullen teffens wan„ neer wij hem weeder schrijven, het geen eerst daags geschieden zal, daar bij na 's 'Lands wij„ „ze, eenige geringe geschenken, zen„ „den, om te zien of wij daar door de vriendschap van den Nabab voor de hollandse Comp: en - en de vrijheijd van Jopander met de neevens hem gevangen Pennisten, kunnen bewerken Die wij anders weesen dat het met de dood bekoopen zul„ „len; want zij zeer hart behan„ „deld worden. Dus Schrijft ons Sopan„ „der bij een brieff van den 9. Sep„ „tember in zeer beklagelijke zer„ „men; en melt 'er bij dat zij van hem, en den Deenschen Resident ijder 40'000. Pagooden voor„ hunne vrijheid g'eijscht hebben, onder bedrijging zoo zij elk die Som, binnen een maand zijds niet opbragten, zij dan op een Tammer„ „lijke wijze hun leeven zouden moeten verliesen. Gelijk nader bij de brief zelve te zien is, waar van wij uwe Hoog Edelheedens, bij deesen een Copie tot speculatie aanbieden Dus veel hebben wij noo„ dig geoordeeld uwe Hoog Edel„ „heedens te moeten bedeelen noo„ „pens onzen toestant, en die der Portonovose Nagesien F Luyken 136 fortonovosche gevangenen. Wat nu Portonoro zelve betreft, we hebben het kistje met het geld van de Compagnie, dat den Resident Topander, met en neevens het zijne nog heeft weeten te bergen, alhier ontvangen, en in sComp:s geld kassa lanten seponeeren volgens het aangetee„ „kende bij onze gemeene Resolutie van den 11. augustus Iongst= „leeden. Seedert heeft den Sadras„ „patnamsche Secunde Simons, die wij 'er neevens den Boekhouder Wouter Pietersz, na toegezonden hebben, al de Lijwaaten van de Compagnie en den Resident Fo„ „panden, welke 'er nog te vinden waren herwaarts gezonden. Dan Schoon wijen hun gaarne langer hadden willen laaten zijn mij egter verpligt geweest hun bij brief van den 30. September terug, te roepen, om reeden de se„ „cunde Simons, ons bij brief van den 22. van die maand melde, dat aldaar een hoofd van een Bende van 3000. Ruijters stond te koomen om uijt naam van den Nabab Halder Alichan, Zoo .