VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3586

Japan · 1,024 pages · 278 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3586_0685 view scan ↗

English

Those of Tanette are quiet, but the king has not yet given notice of his accession to the throne, which he has now, however, promised to do. Notice has been sent thither. At Maros, further progress will be made with the construction of the post. In Tanette everything seems to be quiet. Although the king had not yet given notice of his accession to the throne, I nevertheless, to demonstrate the fair conduct on the part of the Honorable Company, gave notice of the change in the provisional administration here. Thereupon I received from that prince not only a polite reply, but also a promise that if he does not soon come in person himself, he will at least send his soelewattang (prime minister) hither to perform his duty, from which I therefore also wish to hope for the best. Regarding the Opposite Shore, I recently received only a short letter from the king of Bima concerning the decease of the Resident Rosselet. Consequently, according to custom, by a short letter sent thither to the Kings of Bima, Dompo, Tambora, Sangar, and Pekal, as well as to that of Sumbauwa, I shall give notice of the change in the provisional administration here, and at the same time recommend the clerk Steijns promptly to fulfill everything that was ordered to the late Resident Rosselet by the late Governor van der Voort in a separate letter of 22 October 1779, principally with respect to the princes of the Opposite Shore and especially to that of Sumbauwa, and also to inform me as soon as possible of the outcome of both matters. Concerning the Company's lands and subjects, I have the honor to report that a start having been made again with the baking of brick and the burning of lime, progress will soon be made at Maros with the further construction of the small fort. Also that I could not well refuse the request of the Tanette Prince Arou Pantjana, who came over to me shortly after the Governor's decease, to have another in place of the provisional ensign Loor, collector and shipper of the Company's tithe of rice and paddy at Sagerij, who was accused by him of improper conduct, under the promise that he would then do his utmost toward a prompt and speedy settlement of the remaining arrears. According to incoming reports, I also still have the good fortune to be able to inform Your High Noble Excellencies that the crops here in the fields stand exceptionally well, and there is thus hope for a good tithe collection, which, if at all possible, I shall try to carry out in the month of August. For better discipline for our people at Malangkerij, as well as for the Javanese auxiliary troops stationed there, whose chiefs all too often leave at their own pleasure and roam about here and there in the kampongs, as well as finally to see a proper end to the demolition of Goa, for which the retained sluggish Saleyerese, who have accomplished nothing in two months, have up to now received fifty-five rixdollars a month, I have stationed there with the necessary orders: Lieutenant Dresler, and this in place of Sergeant Solberg, who had been stationed there for some time as Postholder. From Ambon, with the private bark De Drie Gebroeders, by Governor van Pleuren, without charging any expenses, were sent back hither on the 23rd of June last, five Saleyerese presumably transported from Saleyer in the past year by the guard of Poelo Gisser, and among them Anak Craengs or King's Children, more fully mentioned in the separate letter of 30 November 1779 sent thereabout to Ambon by the late Mr. van der Voort. I have handed those people over to the chief interpreter for accommodation until an opportunity arises for their transportation to Saleyer. On that same occasion, among others, were also sent hither by the since deceased

Dutch transcription

die van Tanette zijn stil dog de koning heeft nog geen kennis van zijn komst tot den Throon gegeeven. dat hij nu egter belooft heeft te zullen doen. na derwaarts kennis gegeven op maros zal een verdere voort„ „gang met de opbouwing van de post worden gemaakt. „nis van zijn komst tot de throon gegeeven had, egter tot overtuijging van de billijke handel wijze aan de zijde der Ed: Kompagnie kennis doen geeven van de verandering in het provisioneel bestier alhier. Jk heb daar op ook van dien vorst niet alleen een beleefd antwoord ontfangen maar ook belofte gekreegen dat Hij zo niet eerstdaags in persoon zelfs ten minsten zijn soelewattang (:eerste staat minister:) ter aflegging zijner pligt na herwaarts zal zenden. waar van Jk dan ook het goede hoopen- wil. Fanedle schijnt alles stil te zijn, Jk heb den koning, schoon hij nog geen ken„ D'Overwal heb ik deezer dagen enkeld een briefje van Bimas koning ont„ den bimas resident Rosselet „ fangen, wegens het overleijden vanden Resident Rosselet, invoegen ik ook na den gebruijke bij een kleen briefje na derwaarts aan van 's gouverneurs overleiden. de Koningen van Bima, Dompo, Tambora, Sangar en Pekal ook die van sumbauwa kennis zal gegeeven van de verandering en andere nodige ordre gesteld. in het provisioneel bestier alhier en dan te gelijk den scriba steijns ook aanbeveelen om prompt te voldoen aan al het geene den overleeden Resident Rosselet door wijlen den Heer gouver„ „neur van der voort bij apart schrijvens van den 22=e october 1779. principaal met opzigt tot de overwalsche vorsten en bijzonder tot die van Sumbauwa is aangeschreeven, mits„ „gaders om mij zo dra doenlijk den uijtslag van het een en ander te bedeelen. Tompagnies Landen en Onderdaanen heb jk d'eere te melden dat met het backen van steen en het branden van kalk weeder een begin gemaakt zijnde, Maros eerstdaags weeder voortgang met de verdere opbouwing van het fortje zal werden gemaakt. - ook dat jk niet wel heb kun„ „nen ontleggen het versoek van den kort na 's Gouverneus overleiden bij mij overgekomen Tanets Prins Arou Pantjana om in plaats van de door hem van d een onschickelijk Omtrend. gedrag u overleeden. n van op Op ½ den afscheepen op Sagerij opgeroepen het gewas om de noord staat volgens de berigten extra wel. een Luitenant op de Post Malenkerij gelegt. drie gestolene anak Crains van Ambon terug gekregen. berigten van Ternaten. gedrag beschuldigden insaemelaar en afscheeper van 's Comp„s Thiende Rijst en Padij op sagerij den provisioneel vendrig Loor een ander te mogen hebben, onder belofte als dat hij als dan zijn uiterste best zoude doen tot een prompte en spoedige voldoe„ „ning van het nog agterstallige. volgens ingekomene berigten heb jk ook nog het geluk uw Hoog Edelhedens te mogen bedeelen dat het gewasch hier te velde extra wel staat en er dus hoope is tot een goede verthie„ „ning die jk zelfs bij eenige mogelijkheijd in de maand Augustus zal zien te doen. Tot een beter discipline voor ons volk te Malangkerij, ook voor de aldaar leggende Javaanse hulptroupen, welkers hoofden, na haar eijgen welgevallen maar al te dikwils afkomen en hier en daar in de kampongs rond swerven, als wel, om eens een regt einde te zien van de demoljeering van goa, waar voor de aangehoudene traage saleijereesen die in geen twee maanden iets hebben uijtgevoerd tot nu toe 's maands vijf en vijftig rijxd=s genoten hebben; heb ik aldaar met de nodige ordre geplaatst: den Luitenant Dresler en zulks in steede van den daar nu eenigen tijd als Posthouder gelegene Zergeant Solberg. van Ambon is met de particuliere Bark de Drie ge„ „broeders door den Heer Gouverneur van Pleuren na herwaarts, zonder aanreekening van eenige ongelden, den 23=e Juni Jongstleeden terug gezonden, vijf door den wagthouder van Poelo Gisser in Anno passato van saleijer presumtief vervoerde saleijereesen en daar onder gehoorende Anak Craengs of Konings Kinderen, breeder ver¬ „meld bij de daar over na Ambon door wijlen den Heer vander voor't afgezondene aparte brief van den 30=e November 1779. Jk die menschen zo lange bij den oppertolk ter inwooning overgegeeven tot dat 'er gelegentheijd ter hunner transpor„ „teering na Saleijer zal overkomen. Bij die zelfde occasie is ook onder anderen na herwaarts door den Jntusschen overleedene en sch 't de

NL-HaNA_1.04.02_3586_0687 view scan ↗

English

and news of our factory ship Azia the contracts concluded with Sandrabonij and Tello the late Governor of Ternate, Mr. Thomassen, in his Honorable letter of the 23rd of December passato, was informed that they had received news there in the month of August from Gorontalo that the Magindanaos were cruising back and forth off Cape Falso and before the river mouth there, and also that in the month of May they had steered with a strong fleet toward the Strait of Bouthong to cruise for the Batavian and Ternatan vessels, without, however, any evil consequence having been heard of up to now, just as I can now report from here. This being for the present all that I have been able to impart to Your High Nobilities as briefly as possible concerning the state of this Celebes, I respectfully take the liberty in concluding this to report that, according to the account attached hereto, it was reported to me on the 6th of this month by the Malay and resident here, Intje Raha, that six days ago off the negorij Oetang on Sumbauwa he had seen a Company ship sailing with the intention of going to Bima, which it is firmly presumed will be our factory ship Azia, which God grant. I conclude this with the most humble recommendation of my humble person to Your High Nobilities' favorable protection and with the most sincere profession that I humbly am. was written below: High Noble, Right Honorable, Rigorous, Widely Ruling Lords and Right Honorable, Rigorous Lords. lower: Your High Nobilities' submissive and dutiful servant, was signed: B:s Reijke. In the margin: Makasser in Castle Rotterdam, the 8th of July Anno 1780. I now have the pleasure of being able to inform Your High Nobilities of the good outcome of my negotiations with those of Sandrabonij and with the former dignitaries of the realm of Tello, which has entirely devolved to the Company, and that in such a manner that with the first-mentioned I have concluded, contracted, and established in full assembly the points already drafted by the late Mr. van der Voort, with this exception nevertheless, that upon their strong solicitations and demonstrated impoverished state, as well as the real decay of their land, they have been permitted, instead of the six slaves previously provisionally stipulated as a proof of homage, to suffice henceforth with delivering only two of these bondsmen annually. An article, High Noble, Right Honorable Lords, that could not well be refused and is only a trifle with respect to the four slaves; while the main objective in this matter is nevertheless fulfilled, namely the rendering of proper homage to the Noble Company by this subjugated people. The Tellonese, two days thereafter, fully ratified the conditions already proposed to them by me previously, and, renouncing all others, accepted the Noble Company as their sovereign Liege Lord, and further bound themselves in such a manner to the advantage of the Society, as may please Your High Nobilities to see from the contract sworn by them and most respectfully enclosed herewith alongside that of Sandrabonij. Decision regarding the ship Azia, which cannot make the Bima voyage, to send it back via Java to the main seat. Upon the demonstrated impossibility of being able to undertake the voyage to Bima with good success, argued by Adrianus de Keijzer, skipper of the factory ship Azia, which finally appeared here on the 13th of the past month of July, the equipage overseer Rinse, and the steersman De Siso, who is very knowledgeable about the waters around here, it was decided, for reasons that one dared not detain that vessel here needlessly, to send the same back to the main seat via Java as soon as it shall be unloaded, with which all possible speed is being made. I hope that this arrangement may carry the esteemed approval of Your High Nobilities, just as I have most humbly taken the liberty to give notice of this in this matter.

Dutch transcription

en tijding van ons komptoir schip Azia de contracten met san„ „drabonij in Tello gesloten/ overleedene Ternaats gouverneur de Heer Thomassen bij zijn Ed: brief van den 23:e December passato bedeeld geworden dat men aldaar in de maand Augustus van Gorontalo berigt had ontfangen dat de Mangindanaurs af en aan kaap Falso en voor de qual aldaar kruijsten, ook dat ze in de maand mai met een sterke vloot naar de straat Bouthong waeren gesteevend om op de Bataviasche en Ternaatsche vaartuijgen te kruijssen, zonder dat egter daar van tot nog toe, even als ik nu van hier kan bedeelen, eenig quaad ge„ „volg vernomen was. Dit voor tegenswoordig al het geene zijnde wat jk uwe Hoog Edelhed=s zo kort doenlijk nopens den toestand van dit Celebes heb kunnen bedeelen zo neem jk tot slot deezes nog eerbiediglijk de vrijheijd van te melden dat mijn na volgens het deezen bij gevoegde Relaas, den 6=e deezer door den Maleijer en Jnwoonder alhier Jntje Raha gerapporteerd is, dat hij ses dagen geleeden voor de negorij oetang op sumbauwa een Comp„s schip had zien zeijlen de wil na Bima hebbende dewelke men voor vast verondersteld dat ons komptoir schip Azia zal zijn, het geen God geeve Jk besluijte deeze met de allernedrigste recommandatie van mijn geringe persoon in uw Hoog Edelhedens gunstige protectie en met de oprechtste betuijging dat ik ootmoediglijk ben. /:onderstond:/ Hoog Edele groot Achtbaere Gestrenge, wijd„ „gebiedende Heere in wel Edele Gestrenge Heeren. /lager. / uwer„ Hoog Edelhedens onderdanige en trouwschuldige dienaar /:was geteekend:/ B:s Reijke, /:in margine:/ Makasser in het Kasteel Rotterdam den 8:e Julij Anno 1780: — Jk heb thans het genoegen uw Hoog Edelhedens te mogen bedee„ „len de goeden uijtslag mijner onderhandelingen met die van San„ „drabonij en met de geweezene Rijksgrooten van het geheel en al aan de komp=e vervallene Rijk van Tello en dat wel zodanig als dat ik met de eerstgemelde de eerstgemelde de reets door wijlen den Heer Aan als vooren! van 't slot. besluijt van het schip Azia, dat de bimase reijze niet krijgen kan, over Java na de hoofdplaats te rug te zenden. van der voort, ontworpene poincten in volle vergaedering heb ge„ „slooten, gecontracteerd in vast gesteld met deeze uijtzondering nog thans dat men op derzelver sterke sollicitatien en betoogde armoedigen staat, mitsgaders het weezentlijke verval van hun Land aan hun heeft toegestaan om in steede vande bevoorens provisioneel tot een bewijs van homage gestipuleerde zes sla„ „ven, voortaan 's jaarlijx met het leveren van maar twee deezer dienstbaere te mogen volstaan. Een artikul Hoog Edele groot Achtbaere Heeren dat men niet wel heeft kunnen ontleggen en met opzigt van de vier slaeven maar een klei„ „nigheijd is; terwijl 'er dog voldaan word aan het hoofd oogmerk in deezen naementlijk het doen van een behoorlijke Hulde aan d' Edele Kompagnie door dit onderworpene volk. De Telloneesen hebben twee dagen daar aan de hun reets door mijn bevoorens voorgestelde Conditien ten vollen bekragtigd en d' Edele komp=e met afzweering van alle andere als hun souveraine opperHeer aangenomen en zig verder zodanig ten voordeele van de Maatschappij verbonden als uw Hoog Edelhedens des gelievende uijt het door hunlieden bezwoorene en deezen nevens dat van sandrabonij eerbiedigst bij gevoegde Contract zal ko„ „men te blijken. Op de door den schipper van het hier eindelijk den 13„e der Jongst verweekene maand Julij opgedaagde komptoir schip Azia, Adrianus de Keijzer, den Equipagie op zigter Rinse en het vaarwater hier omstreeks zeer kundigen stuurman De siso betoogde onmogelijkheijd om de reise na Bima met goed succes te kunnen onderneemen, heeft men om reedenen men dien bodem hier niet noodeloos durfden aanhouden besloo„ „ten dezelve zo dra zal weezen ontlost en waar meede alle moge„ „lijke spoed word gemaekt, over Java na de Hoofdplaets te rug te zenden. jk hoope dat deeze schicking de g'eerde goedkeuring uwer Hoog Edelhedens zo wel zal mogen wegdragen als dat ik nedrigst de vrijheijd gebruijk heb hier van in deezen kennisse te res tot

NL-HaNA_1.04.02_3586_0689 view scan ↗

English

Rumors concerning the death of Sumbauwa's king. Whereupon the Bima Resident Tuhrer has been ordered as follows. Also what is necessary regarding the sappanwood. to give, since I believe by this and through the direct departure of the bearer of this, an indigenous Paduakang, to afford Your High Nobilities an opportunity, sooner than could otherwise happen, to order in time what is necessary regarding that keel to Java. From Bima the scribe Steijns has informed me that he had learned through private rumors that the King of Sumbauwa suddenly died in the beginning of June last. I have therefore ordered the Resident Tuhrer, provisionally appointed in place of the deceased Rosselet subject to Your High Nobilities' further approval, in case this might be true, to do everything possible to have the new king come hither for the renewal and swearing of the contracts, and furthermore also ordered him not only to urge the princes beyond the straits to collect and gather a good quantity of sappanwood by the coming August, but also to give notice as soon as possible of what will be obtainable, which I estimate will amount to fully two shiploads, so that I may be able to inform Your High Nobilities thereof early. Furthermore, having nothing more worthy of Your High Nobilities' attention or anything that currently requires a particular dispensation to report, I conclude this with the expression that I am with the deepest respect. Was written below: High Noble, Right Honorable, Severe, Far-ruling Lords and Well Noble Severe Lords. Lower: Your High Nobilities' humble and dutiful servant. Was signed: B.s Reijke. In the margin: 15 August. Makasser in Castle Rotterdam the 8th of July 1780. Because affairs regarding the rebels have for some time changed very much for the better and there is much hope that Sankilang's faction, which now because of some outcome still waits to undertake something advantageous, will before long completely disperse, and one can therefore now manage very well with 640 Javanese warriors, who are all currently stationed at proper places, I have, both for those reasons and to reduce the train expenses, decided to send back to the Eastern Salient a number of 280 heads, so that they will cross over thither today with the barque of the burgher Routje, with whom, subject to Your High Nobilities' esteemed approval, I have agreed upon the freight for all these, officers also included, up to rds. 400:—, being fully half less than what one ordinarily pays here to burghers for the transport of slaves. I continuously recommend myself to the precious favor and protection of Your High Nobilities and profess to be with the deepest humility. Was written below: High Noble, Right Honorable, Severe, Far-ruling Lords and Well Noble Severe Lords. Lower: Your High Nobilities' humble and dutiful servant. Was signed: B.s Reijke. In the margin: Makasser in Castle Rotterdam the 10th of September 1780. In my letters under date of 8 July, 5 August, and 10 September last, I had the honor to render Your High Nobilities a dutiful account of the state of affairs here. Now I take the liberty, in continuation thereof, most respectfully to report that with regard to the Realm of the Makassars great hope now arises to restore the same before long, as it appears in every respect that the principal chiefs of Sankilang's faction have a firm intention to abandon that rebel and seek their protection in the lap of the Honorable Company, whom they now in hindsight realize foolishly

Dutch transcription

gerugten nopens het over„ „leiden van sum bauwas koning. waar omtrent den Bimas resident Tuhrer het neven„ „staande gelast is. ook het nodige met opzigt tot het sappanhout. te geeven nadien ik vermeene uw Hoog Edelhedens hier door en door het directe vertrek van brenger deezes een Jnlandse Pa„ „duakang spoediger dan wel anders zoude kunnen geschieden gelegentheijd te geeven om in tijds het nodige omtrend dien kiel na Java te kunnen ordonneeren. van Bima heeft mij den scriba steijns vermeld, dat hij vol„ „gens particuliere gerugten vernomen had als dat den koning van Sumbauwa in het begin van Juni Jongstleeden subit zoude overlieden zijn. Jk heb diendhalven den insteede van de overleedene Rosselet op uw Hoog Edelhedens nadere goedkeuring provisioneel benoemden Resident Tuhrer gelast om ingevalle dit waar mogte zijn als dan alles wat mogelijk is in het werk te stellen om den nieu„ „wen koning na herwaarts ter vernieuwing en bezweering der Contracten te doen overkomen, mitsgaders hem ook verder bevoo„ „len om niet alleen de overwalse vorsten aan te spooren tot het op- en inzaemelen van een goede quantiteit sappanhout tegen Ab„a aanstaande maar ook van het geene 'er te krijgen zal zijn, dat ik gisse wel twee scheepsladingen te zullen bedragen, zo dra doenlijk kennisse te geeven ten einde ik in staat kan weezen uw Hoog Edelhedens vroeg tijdig daar van te verwittigen. voorts niets meerder d'attentie uwer Hoog Edelhedens waardig of iets dat eene bijzonder bedeeling thans nodig heeft te melden hebbende, zo besluijte ik deeze met betuijging dat ik met den diep„ „sten eerbied ben. /:onderstond:/ Hoog Edele groot Achtbaere, Gestrengen, wijdgebiedende Heere en Wel Edele Gestrenge Heeren, /:lager:/ uwer Hoog Edelhedens onderdanige en trouwschuldige Dienaar /:was geteekend:/ B=s Reijke, /:in margine:/ 15=e Aug=s Makasser in het Kasteel Rotterdam den 8=e Julij 1780. — Dewijl de zaeken met relatie tot de Rebellen zedert eenigen tijd zeer ten goeden zijn veranderd en 'er veele hoop is dat san„ „kilangs aanhang die nu wegens eenigen uijtkomst nog om Aan als vooren. iets 34 inleijding hoope tot herstelling van het Makassaarse Rijk. iets voordeeligs t' onderneemen maar voor hun over zien eerlange rede geheel en al zal verloopen en men dus nu zeer wel met 640. Javase krijgers, die nu alles op behoorlijke plaatsen geposteert leggen, stellen kan, zo heb ik zo om redenen van dien als tot vermin„ „dering van de Trains ongelden besloten na den oosthoek te rug te zenden een aantal van 280. koppen, invoegen dezelve dan ook op heden met de Bark van den burger Routje na derwaarts overvaaren, en met wien ik op de g'eerde goedkeu„ „ring uwer Hoog Edelhedens de vragt voor alle deeze officieren en almeede gereekend tot op rd„s 400:— heb g'accordeerd zijnde ruijm de helft minder dan men hier ordinair voor den over„ „voer van slaeven aan Burgers betaald. Jk recommandeere mij, bij aanhoudentheijd in de dierbaere gunste en protectie uwer Hoog Edelhedens en betuijge met de diepste nedrigheijd te zijn. . /:onderstond:/ Hoog Edele groot Achtbaere, gestrengen, wijdgebiedende Heere en wel Edele gestrenge Heeren, /:lager:/ uwer Hoog Edelhe„ „dens onderdanige en trouwschuldige Dienaar /:was geteekend:/ B=s Reijke, /:in margine:/ Makasser in het kasteel Rotterdam den 10=e September 1780: — Bij mijne sub dato 8=e Julij, 5:e Augustus en 10=en september laastleeden heb jk d' eere gehad uw Hoog Edelhedens schuld„ „pligtig verslag te doen van den toestand der zaeken alhier. Thans neeme jk de vrijheijd ten vervolge van dien eerbiedigst te melden dat met opzigt tot het Rijk der Makassaren zig thans groote hoope op doet om het zelve eerlange wee„ „derom op te beuren, alzo het zig in allen deelen toeschijnt dat de principaalste Hoofden van Sankilangs aanhang een vast voorneemen hebben om dien Rebel te verlaeten en haare protectie in den schoot der Edele Komp=s wien ze nu van agteren in zien Aan als Even! dwazelijk o

NL-HaNA_1.04.02_3586_0691 view scan ↗

English

The ramparts of Goa have been demolished, and the monthly wages for this paid to the Saleyerese, also eleven hundred rds. a month saved by sending back 280 Javanese. Foolishly abandoned, to seek it. As has already been shown by the crossing over of Karaeng Barombong, also named Karaeng Mamampang, with a retinue of 500 persons, and the fairly certain reports that the so very renowned Karaeng Candjilo and the Makassarese Prince Karaeng Bonto Nompo also wish to submit, which was amply mentioned in the separate letters sent to your Right Noblenesses by the late Governor van der Voort on 1 and 24 October 1779, as well as 10 June last, and recently again in the letter from the Bulukumba resident Monsieur dated 26 September past; at least the submission of Karaeng Barombong and the dispatch from here in early July to Bulukumba and Bantaeng of a company of Madurese warriors has caused such terror and dismay among the rebels, who had already threatened to attack those posts, that according to the writings of Resident Monsieur, their situation must be very miserable and desperate. If it now succeeds, Right Noble Sirs, that my efforts and proceedings, as seen in the letters to Bulukumba and especially the secret daily register, may further be blessed by the Lord's goodness, and that the remaining chiefs and electors of the Makassarese, about which there is almost no longer any doubt, successively come over to the Company, one will soon be able to proceed with the election of a king on all such terms as your Right Noblenesses have pleased to determine and will further be deemed necessary for the benefit of the Company, regarding which may your Right Noblenesses please be assured that I will use all possible caution and foresight. The ramparts of Goa being now already completely demolished, the amount of fifty-five rds. paid monthly for this to the Saleyerese has already ceased as of the end of August; while the Honorable Company, through the return to the eastern salient in early September of 280 Javanese warriors, Reasons for keeping them. Next year it is hoped that another portion can be dispatched. With the Sandrabone arrears, one must exercise some patience. Promise from Boni's King to return from the interior. Still insists on the claimed toll exemption for his envoys. warriors, has saved more than eleven hundred rixdollars a month, and I flatter myself that in the spring of 1781, if not all, at least the largest part of the same I will be able to dispatch. I say most respectfully if not all, because sometimes it might happen that owing to the weakness of our own men, for prudence sake, one would have to retain one or two companies for some time. As for those of Sandrabone, they conduct themselves very quietly and humbly. I have repeatedly had them urged to settle their arrears, yet have been able to obtain nothing, as they constantly excuse themselves with their genuinely impoverished condition, with which one will absolutely have to exercise some patience. Concerning the Court of Boni, in this regard it humbly serves that the King still finds himself in the interior; from where he wrote to me in reply to my letter of 22 June last that he intended to return here at the earliest opportunity, but that he had to postpone this a little as he was busy gathering his Boniers who are scattered so widely here and there. I have nevertheless pressed him twice since on this matter, and also at the same time in a letter of 25 July seriously reprimanded His Highness about his erroneous sentiment regarding the claimed toll exemption for his envoys to be dispatched to your Right Noblenesses, and the necessity that exists for him to send them off as soon as possible; however, I have received no satisfactory answer at all to this in His Highness's letter of 28 August past, to which I shall write the necessary reply in the coming days. Nevertheless, to the assistance requested of him by me for the ship Delfshaven, which ran aground in the Bay of Boni, that prince has shown great willingness to help, and apart from this just-cited article regarding the toll and the king's long stay in the interior, has arrears.

Dutch transcription

de wallen van goa zijn geslegt en het loon daar voor aan de saleijereese 's maands, opge„ ook elfhondert rd„s smaands, uitgewonnen, met de terug zending van 280. Javanen. dwazelijk verlaten te hebben, te zoeken. zo als alreeds blij„ „ken zijn door de overkomst van kraing Barombong ook genaamd krain Mamampang met een gevolg van 500. Perzoonen en de genoegzame zekere berigten dat zig ook in submissie wil be„ „geven den zo zeer vermaarden kraing Candjilo en den makas„ „saers Prins Krain Bonto Nompo ampel vermeld bij de door wijlen den Heer Gouverneur van der voort aen uwe Hoog Edel, „heden afgezondene aparte brieven van den 1=e en 24=e october 1779 item 10=e Juni Laestleeden, mitsgaders nog Jongst bij brief van den Boelecombas resident Monsieur de dato 26:e September passato, ten minsten de in submissie koming van krain„ Borombong en de afzending van hier in het begin van Iuli na Boelecomba en Bonthain van Een komp. madureese krij„ „gers heeft zo een schrik en verslagentheid onder de Rebellen, die al gedreigt hadden die Posten te zullen attacqueeren, ge„ „maekt dat volgens het schrijvens van den Resident Monsieur het zeer armoedig en desperaet met haar gesteld moet zijn. gelukt het nu Hoog Edele Heeren dat mijne pogingen en verigtingen, bij de brieven na Boelecomba en bijzonder het sekreete Dag„ „register te zien, verder door des Heeren goedheid mogen geze„ „gend worden en dat de overige hoofden en Kiesheeren der Ma„ „kassaaren, daar bij na niet meer aan te twijffelen is, zo successive tot de Komp=e overkomen zo zal men spoedig tot de verkiezing van een koning kunnen overgaan op alle zulke voorwaarden als uw Hoog Edelheden hebben gelieven te bepaalen en verder ten nutte van de Maatschappije zullen worden nodig geoordeelt, en waar omtrend uw Hoog Edelhe„ „den verzekert gelieven te zijn dat jk alle mogelijke om-en- „voorzigtigheid zal gebruiken. zijnde de wallen van goa thans reets ten eenemaal geslegt en dus heeft ook met ult=o Augustus al opgehouden het daar voor 's maendelijks aan t de saleijereesen uijtgegeevene montant van rd=s vijf en„ vijftig; Terwijl de E: Komp=e door de terug zending na den oosthoek in het begin van september van 280. Javaense krijgers redenen van dien „houdena. A=o aanstaande verhoopt men nog een gedeelte te zullen kunnen depecheeren. met sandrabonijs agter„ moet men eenig geduld oeff, „fenen. belofte van Bonijs Koning om uit de binnen landen terug te keeren. blijft als nog staan op de gepretendeerde thol vrijheid voor zijn gezanten. krijgers smaends ruijm Elf hondert rijksd„s heeft uitgewon„ „nen, en Jk flatteere mijn dat jk in het voorJaar 1781. zo nog niet allen, ten minsten het grootste gedeelte van dezelve zal kunnen af depecheeren. Jk zegge Eerbiedigst zo niet allen, want zomtijds zoude het kunnen gebeuren dat men door de swakheid van ons eigen volk nog eenigen tijd voorzigtig, „heids halven Een â twee kompagnien moest aanhouden. wat die van Sandrabonij betreft, dezelve houden zig zeer stil en nedrig. Jk heb ze diverse maalen laeten aanspooren tot voldoening hunner agterstal, dog nog niets kunnen krijgen als gestadig zig verexcuseerende met hun wezentlijke armoedige toestand, waar meede men absolut eenig geduld zal moeten oeffenen Aangaande Het Hoff van Bonij dientwegen diend nedrigst dat den Koning zig als nog in de binnen Landen bevind; van waar hij mijn in antwoord op mijn brief van den 22=e Juni laastleden schreef, dat van sints was om met den eersten weder na herwaarts te keeren dog dat hij zulks nog wat moest uitstellen als bezig zijnde om zijn zo zeer hier en daar verstrooijde Boniers bij een te brengen. Jk heb hier op egter naderhand nog twee maa„ „len aangedrongen en zijn Hoogheid ook teffens bij brief van den 25=e Juli ernstig onderhouden over zijn verkeerd gevoelen met opzigt tot de gepretendeerde Thol-vrijheid voor zijne na uw Hoog Edelheden af te zendene gezanten en de noodza„ „kelijkheid die 'er voor hem in resideert om dezelve hoe eerder hoe beeter af te vaardigen, dog Jk heb hier op gantsch geen voldoenend andwoord ontfangen bij zijn Hoogheids brief van den 28=e aug=s pass=o, waar op Jk eerstdaags het nodige zal rescribeeren. Egter heeft dien vorst op de hem door mij verzogte assistentie voor het in de bogt van Bonij vastgezeten hebbende schip Delfshaven, veel genegentheid tot hulpe betoond, en buiten dit even aangehaalde articul van de Thol en 's konings lang verblijf in de binnen landen heeft „stal.

NL-HaNA_1.04.02_3586_0693 view scan ↗

English

25 Further elucidation concerning the embassy of Rieouw, and that of the king of Slanganoor. At present one has no reasons to complain about this Court, as the authority on Oedjong Tanna on behalf of the king, the Tomilalang, the Datoea Baringang, and the old Glarang of Bontoalacq, give every sign of goodwill toward the Honorable Company. Concerning the embassy from Rieouw to the Court of Bonij, which appeared suspicious to Your High Mightinesses, and the further report requested regarding it, it serves most respectfully to state that, upon my inquiries made thereto through credible persons, it has been reported to me for certain that the present king of Riouw is a descendant of a Bonese Prince who in former times crossed over thither from here and married there. That this Prince, having only recently acceded to the Throne, for no other reason than on account of his kinship with Bonij's king and a request to maintain friendship, would have made him an offer of assistance in time of need, and a present of 900 rixdollars (mostly in the false shillings currently circulating here) along with a bundle of raw silk, amounting together to 1000 Spanish rixdollars. The aforementioned trusted persons have also assured me, with respect to the embassy of Jan De Pertuan, king of Slanganoor, and to clarify this mission, that this embassy was indeed directed to all three Courts, namely Boni, Soping, and Wadjo, to offer from the name of their monarch the necessary aid in the event that the three of them intended to wage war against the Company, but that they addressed themselves only to those of Wadjo, and that the latter are said to have answered them that there was no possibility of this, since Boni and Soping could never at any time engage in war with the Company, and that with this reply, which subsequently blew over from there to here and came half and half to the ears of the Datoe of Sedinring at that time, they departed back to their country. And this, High Noble and Right Honorable Sirs, is all that I have been able to learn concerning this, and which has been assured to me to have occurred in these circumstances. But notwithstanding this, upon any reappearance of such foreign envoys, I shall not fail, in accordance with the highly respected order of Your High Mightinesses, to protest most forcefully against their admission. The Principality of Inaing, whose Regentess I, according to what is noted in the secret Daily Register under the 9th and 12th of July, diverted from going at that time to the Bonthain district to fulfill certain vows, keeps very quiet. But the King of Tanette still fails to give the required notice of his accession to the Throne, about which I shall soon, as it was not advisable to do so earlier, speak with him seriously and try as much as possible to ensure that this petty ruler both fulfills his duty in this regard and pays the remaining sovereign debt amounting to 1012:8:- rixdollars. The situation is just the same with the Realm of Soping, whose king I also recently, in a letter sent to him by the captain of the Malays, reminded of his duty, which has likewise been neglected in this regard until now. Across the water everything is in peace and quiet. On the 27th of September last, I received from the hands of the envoy Njaka Boekal a letter from the collective grandees of the Realm of Sumbauwa, informing me of the demise of their King, in whose place, according to rumors mentioned in the recently received letter from Resident Fuhrer, they had elected the Datoea Djerewe, and for the communication of which a proper embassy had already been dispatched hither, without however giving notice thereof to him, the Resident, according to custom. Regarding all of which I made the necessary remarks in the reply that the returning envoy took with him. As regards the Company's Lands and Subjects, it serves most respectfully to state concerning them that during my presence at Maros to collect the tithes, I concluded with the Regents the agreement provisionally entered into by the late Governor Van der Voort to pay annually, in place of the mandatory though always very defective delivery of timber for the pier and palisades for the Post etc., 643¾ Dutch rixdollars in cash, and that I have already, as noted in today's general rescription, collected and counted into the treasury the expired six-month term calculated from primo February past to the ultimate of July last. The further completion of the Post has proceeded very hesitantly this year, caused, as the overseer of works Sundberg states, by the defective delivery of lime and stone, although I have forbidden the suppliers from selling to others as long as we are in want ourselves. However, I do not doubt that, according to the promise of the said Sundberg, it will be fully completed in the coming year, a copy of the report required from him as to how far it has already progressed being enclosed herewith for Your High Mightinesses' esteemed consideration. With regard to the Telloese, whose Realm, pursuant to what has already been communicated in my respectful letter of the 5th of August past, is now entirely forfeited to the Company, there is nothing else to report except that these peoples are presently busy cultivating the lands surrendered back to them here from the southern part.

Dutch transcription

25 nadere elucidatie omtrend het gezantschap van Rieouw. en dat van den koning van Slanganoor. heeft men thans geen reedenen om over dit Hof te klagen, gevende den hier op oedjong Tanna van wegen den koning het gezagheb„ „bende Tomilalang den Datoea Baringang en den ouden glar„ „rang van Bontoalacq alle blijken van welgezindheijd voor de E: komp: Omtrend het uwe Hoog Edelhedens bedenkelijk voorgekomen gezand, „schap van Rieouw aan het Hof van Bonij en het dientwegen nader gevorderde berigt dient eerbiedigst dat mijn op mijne daar toe gedaane uitvorsing door geloofdwaardige Perzoonen voor zeker berigt is, Dat de presente koning van Riouw een af„ „stammeling is van eender van hier in voorige tijden na derwaarts overgegaene en aldaar getrouwde Bonisch Prins. Dat deeze Prins pas onlangs tot de Throon gekomen wezende nergens anders dan om reedenen van zijn verwandschap met Bonijs koning en aanzoek tot vriendschap onderhouding hem een aanbod van assistentie in tijd van nood, en een present van 900: rd:s /:meest aen hier thans roulleerende valsche Schellingen:/ nevens een bonkus met ruwe zijde te zamen bedragende rd„s 1000:- spaans zoude hebben gedaan. voorschreevene vertrouwde Perzoonen, hebben mijn ook met opzigt tot het gezandschap van Jan De Pertuan, koning van Slanganoor en tot opheldering van deeze afzen„ „ding verzekert, dat dit gezandschap wel is afgerigt ge„ „weest aan alle drie de Hoven als Boni, soping en wadjo om uit naam van Hun vorst de nodige hulpe aan te bieden bij aldien zij Drien van voornemens waaren tegens de komp=e te oorlogen, dog dat z' zig maar enkeld bij die van wadjo hadden g'addresseert en dat deeze hun zoude g'antwoord hebben dat hier toe geen mogelijkheid was, alzo Boni en soping zig nooit of ooit in oorlog met de komp=e konde inlaten, en dat ze met dit bescheid, dat vervolgens van daar na herwaarts is overgewaaid en den Datoe van Sedinring te dier tijd half en half ter ooren is gekomen weder na hun land vertrokken zijn. En dit is Hoog Edele groot Agtbare Heeren alle het geene Jk hier omtrend heb kunnen te weeten koomen en Thaing hout zig stil moet nog kennisse van geven. en de oude Rijksschuld voldoen. sopings koning man„ „queert ook aan dit eerste die van sumbauwa heb„ „ben de dood van hun Ko„ „ning gecommuniceerd. koomen en mijn verzeekert is, zo in zijn omstande gepasseert te zijn. Dog des niet tegenstaande zo zal jk bij weder verschij„ „ninge van diergelijke vreemde Afgezanten niet manqueeren om ingevolge de Hoog gerespecteerde ordre uwer Hoog Edel„ „hedens tegens derzelven admissie op het kragtigste te pro„ „testeeren. Het Prinsdom Inaing, welkers Regentesse jk volgens het genoteerde bij het se„ „kreet Dagregister onder den 9=e en 12„e Juli gediverteert heb van in die tijd na het Bonthainse ter volbrenging van sekeere geloften te gaan, houd zig zeer still, Dog „trokken De Koning van Tanette blijft als nog ingebreeke om de vereischte de koning van Tanette kennisse van zijn komst tot den Throon te geven, waar over zijn komst tot den throon Jk hem nu eerstdaags, als niet raadsaem geweest zijnde het eerder te doen, ernstig zal onderhouden en zo veel mogelijk is tragten uit te werken dat dit vorstje zo wel aan zijn pligt in dezen voldoet als aan de betaeling der nog ten ag„ „leren staande Rijks schuld groot rd=s 1012:8:—: Even zo is het ook geleegen met het Rijk van Soping, welkers koning jk ook onlangs bij een hem door den kapitain der maleijers toegezondene brief, heb voor„ „houden zijne almeede ten dien opzigte tot nu toe ver„ „zuimde pligt Aan De overwall is alles in rust en vreede. Den 27:e September J: L: ontfing Jk uit handen van den zendeling Njaka Boekal een brief van de gezamentlijke Rijksgrooten van Sumbauwa mij bekent makende het overlijden van hun Koning in wiens plaats zij volgens gerugten vermeld bij de Jongst ontfangene brief van den Resident Fuhrer den Datoea Djerewe daer toe verkooren hadde en tot welkers Communicatie reets een behoorlijk gezandschap na herwaards zoude zijn afgezonden, zonder het mar 327 het Contract met de marose regenten vol„ „trokken. de post is nog onder„ „handen. en bebouwt zonder hem resident egter daar van na den gebruike kennisse te geven. Over welk een en ander jk bij het andwoord, dat de weder te rug keerende gezant meede genomen heeft, het nodige heb geremarqueert. wat betreft 'S Kompagnies Landen en Onderdanen, dientwegen diend Eerbiedigst dat jk bij mijn aanweezen op Maros tot het doen der verthiening met de Regenten heb gesloten het door wijlen den Heer gouverneur van der Voort= provisioneel aangegaane accoordt om Jaarlijks in steede vande verpligte dog altoos zeer gebrekkelijk geweest zijnde le„ „verantie van balken voor het zeehoofd en Pallisaden tot de Post etc:, rd=s 643¾: hollands aan kontanten te betalen, en dat jk reeds zo als bij de gemeene rescriptie van heden is genoteert het verscheene termijn van ses maanden geree„ „kent van primo Februarij pass=o tot ult„o Juli Jongstleeden heb ingepalmt en in Kassa geteld. Met de verdere voltooijing vande Post is het dit Jaar zeer schoorvoetende toegegaan, veroorzaakt zo den opzigter der werken sundberg opgeeft, door de gebrekkelijke leve„ „rantie van kalk en steen, schoon jk de leverantiers den ver„ „koop aen anderen zo lang men zelfs gebrek heeft verboden heb. Egter twijffel Jk niet of dezelve zal volgens belofte van gedagte Sundberg A=o aanstaande volkomen voltooijd ra„ „ken, gaande een Copie van het van hem gerequireerde berigt in hoe verre 'en reeds meede gevordert is, ter g'eerde speculatie van uwer Hoog Edelheden hiernevens. Ten aanzien van De Telloneesen, welkers Rijk, ingevolge het reets bedeelde bij mijn Het Tellose word beploegd Eerbiedige van den 5=e Aug=s p=o nu ten eenemaal aan de komp=e vervallen is, valt niets anders te melden als dat deeze volkeren thans bezig zijn om de aan hun hier uit het zuider gedeelte weder overgegevene landen te bebouwen

NL-HaNA_1.04.02_3586_0696 view scan ↗

English

Report concerning the navigation from here to Ambon, Banda, and Ternate, also of the state of the militia here inside the Castle, to cultivate and to plant, and that with such a zeal that one hopes to be able to levy the tithe in the coming year from it as well as from the northern part that has been placed under Maros. Having hereby briefly discussed all that which I judged worthy of Your Right Honourables' attention, I take the liberty to respectfully refer myself regarding all points of lesser importance to the daily journal attached hereto and further annexes, and to offer Your Right Honourables at the same time most humbly a report from the equipage master here Dirk Hinse, containing, in continuation of the report given by the Ambon equipage master Hogerscheid, his opinion on what manner one can sail from here to the three other eastern governments throughout the entire year. I also most submissively present to Your Right Honourables the state of the militia here, and most humbly request that the requisition for soldiers may be fulfilled as far as possible. Likewise of the Company's buildings. While I take the further liberty, in conclusion of this, to note regarding the buildings inside the Castle here that upon inspection on date 28th of July last they were found in such a poor condition as Your Right Honourables, if it pleases you, will be able to see from the copy report, most humbly attached hereto, of the overseer of works and captain of the artillery Sundberg and company and the delegates specially attached thereto. In order not to let everything fall entirely into ruin, I have already ordered the most urgent matters to be taken in hand, and shall, with Your Right Honourables' esteemed approval, thus successively have the one and the other brought back into a proper and habitable state. Just as could also be done, because of the necessity that resides in a governor living inside the Castle, with the government house, which, although virtually entirely uninhabitable, could nevertheless be remedied and made habitable with a major repair. 223 Then, because this also may not take place without prior consent from Your Right Honourables, I use most humbly the liberty to request for that purpose their esteemed permission, mentioning at the same time that the heavy timbers were demanded in the formal requisition principally for that purpose. I recommend my humble person, for the obtaining of a favorable confirmation in the administration here, once more in the most humble manner to the high favor of Your Right Honourables, and testify to be with the deepest sentiments of high esteem and respect. Was signed below: High Noble, Grand, Respectable, Rigorous, Sovereign Lords, and Well Noble Rigorous Lords. Lower: Your Right Honourables' submissive and faithful servant. Was signed: B. Reijke. In the margin: Makassar in the Castle Rotterdam the 20th of October Anno 1780. Agrees, P. Bodenpijl. Witnessing conclusion For the reading out: For the collation: A. Sadenbijl E. Ciwalette Separate Daily Journal Beginning with the 15th of October 1779 and ending the 15th of October Anno 1780: Copy First volume 31 Anno 1779. Detailed Daily Journal Arrival of Sumbawanese vessels at Malassa. Saturday the 16th Sunday the 17th Monday the 18th Access requested by the King of Bone. The dignitaries of the realm wish to request exemption from toll once more. Two Makassarese dignitaries arrived at Thaing. Tuesday the 19th nothing occurred. Message from the Bonians concerning the toll. Friday the 15th of October, I was informed by the former lieutenant of the Malays that he had heard that four Sumbawanese vessels were said to have arrived at Malassa, without it being known, however, with what intention, but that Datu Busing was probably staying thereabouts; after which I ordered him to make further inquiries. Nothing occurred. The King of Bone sent to request access to me for the day after tomorrow; however, I excused myself as being occupied with the press of business, and stated that I would invite him at a later time. Having in the meantime, however, secretly inquired what his message might be, I received word in the evening that the dignitaries of the realm, informed by the commissioners regarding my statement concerning the toll, were said to have requested His Highness to repeat once more their urgent request made in that respect, or rather that the envoys might remain exempted from the payment thereof, and that the prince had consented thereto. Wednesday the 20th, I was informed by the burgher Fabia Theunisz that yesterday evening the Makassarese princes Karaeng Baru Mamase and Karaeng Tangalla had arrived from the mountains at Karaeng Thaing with a retinue of about sixty souls. Furthermore, the toll farmer Intje Sadulla came to make known to me that the Bonian shore guard in the Bugis Kampong had come to tell him in the name of the Tomilalang that, according to the laws of Bone, all envoys of the lesser allies arriving here did not need to pay toll on their imported goods, but indeed on those which they took back with them, but that the envoys of Wajo, Soppeng, and Luwu were not subject to the one nor the other. Thursday

Dutch transcription

Berigt wegens de vaart van hier na Ambon, Banda, en Ternaten ook van den staat der mi„ „litie alhier binnen het Kasteel. bebouwen en te beplanten, en dat met zo een iever dat men hoope heeft om in het aanstaande Jaar daar van zo wel als van het Noorder gedeelte dat onder Maros getrokken is de verthiening te kunnen heffen. Hier meede nu kortelijk verhandelt hebbende al het geene jk. de attentie uwer Hoog Edelheden heb waardig geoordeeld, zo neeme Jk de vrijheid mij omtrend alle poincten van minder belang eerbiedigst te refereeren aan het dezen bijgevoegde Dag„ „register en verdere Bijlagen, En uwe Hoog Edelheden teffens nedrigst aan te bieden een berigt van den Equipagie op „zigter alhier Dirk Hinse, vervattende in opvolging van het door den Ambons Equipagiemeester Hogerscheid gegevene be„ „rigt zijn gevoelen op wat wijze met men het gantsche Jaar door van hier nade drie andere oostersche gouvernementen vaa„ „ren kan. Jk presenteere uwe Hoog Edelheden ook nog onderdanigst aan den staat der militie alhier, en verzoeke ootmoedigst dat den Eisch van militairen na mogelijkheid mag worden voldaan: Terwijl jk mijn nog vervrijmoedige om tot slot deezes aan„ item van 'skComp„s gebouwen „gaande de gebouwen binnen het kasteel, alhier, te noteeren dat dezelve bij opneem onder dato 28=e Juli J: L: zo slegt ge„ „steld zijn bevonden als uwe Hoog Edelheden des behagende uit het hier nedrigst bij gevoegde Copia berigt van den op„ „ziender der werken en kapitain der Arthillerij Sundberg C: S: en expresse daar bij gevoegde gekommitteerdens zullen kunnen b'oogen. Jk heb om alles niet ten eenemaal te laten vervallen reets het aller noodzakelijkste onder handen laeten nemen en zal onder uwe Hoog Edelheden g'Eerde goedkeuring so successive het een en ander weder in een behoorlijke en be„ „woonbaare staat doen brengen. Gelijk ook, om de noodzakelijkheid die 'er in resideert dat een gou„ „verneur binnen in het Kasteel woont, zoude gedaan kunnen wor„ „den met het gouvernement, dat schoon genoegsaam ten eene„ „maal onwoonbaar, egter met een kapitaele reparatie verholpen en 223 en woonbaar zoude kunnen worden gemaekt. Dan dewijl zulks almeede niet zonder voor afgegane bewilliging van uwe Hoog Edelheden vermag te geschieden, zo gebruike Jk nedrigst se vrij, „heid daartoe hoog derzelver g'Eerde toestemming te verzoeken, met melding teffens dat de zwaare houtwerken principalijk ten dien einde bij den formeelen Eisch gevordert zijn. Jk recommandeere mijn gering Perzoon tot erlanging van eene goedgunstige bevestiging in het Bestier alhier nog„ „maals op het aller ootmoedigste in de Hooge gunste uwer Hoog Edelheden, en betuige met de diepste gevoelens van Hoog agting en Eerbied te zijn. /:onderstond:/ Hoog Edele groot Acht„ „baere, gestrengen, wijdgebiedende Heere, en wel Edele gestrenge Heeren, /:lager:/ uwer Hoog Edelhedens onder„ „danige en trouwschuldige Dienaar /:was geteekend:/ B=s Reijke, /:in margine:/ Makasser in het Kasteel Rotterdam den 20=e october Anno 1780:— Accordeert P„ Bodenpijl. getuij linge slot voor het opgeesen voor 't nazien A „ Sadenbijl E„ Ciwalette Aparte Dagregister Beginnende met den 15=' october 1779. en Eijndigende den 15=e october Anno 1780: Copia Eerste stell 31 Anno 1779. Sicheele Dagregister komst van sumbauwa„ „rueke vaartuijgen op malasso Zaturdag den 16=e Sondag „ 17=e Maandag „ „nijs koning. de Rijksgrooten willen nogmaals vrijheijt van thol versoeken: twee macassaarse grooten op Thaing gekomen. Dingsdag den 19=e is niets gepasseerd Boodschap van de boniers over de thol. Vrijdag den 15=e October wierd mij door den oud Liculinant der Maleijers berigt hoe hij vernomen had dat vier sumbauwareese vaartuijgen op Ma„ „lassa zouden aangekomen weezen, zonder dat men egter wist; met wat oogmerk, maar dat Datoe Boesing zig daar omtrend den„ „kelijk onthield; waar na ik hem gelast hebbe nader te doen verneemen. niets voorgevallen. 7e 18=e Liet den Koning van Bonij acces bij mij vragen tegens over verzogt acces door Bo„ morgen; dog ik hebbe mij laeten excuseeren als in het drukste der bezigheden zittende en dat ik hem nader zoude laeten versoeken. Jnmiddens egter onder de hand hebbende doen verneemen= wat zijn boodschap mogte zijn, kreeg ik des avonds berigt dat de Rijks„ „grooten, door de gecommitteerdens onderrigt, nopens mijn gezegde wegens de Thol, zijn Hoogheijt zouden hebben verzogt, hunne ten dien opzigte gedaene instantie of wel dat de Gezanten van dies betaeling mogten blijven bevrijd, nogmaals te herhaelen en dat den vorst daar in hadde bewilligt. Woensdag „ 20=e wierd mij door den burger Fabia Theunisz berigt dat gis„ „teren avond uijt de gebergtens bij Craeng Thaing waeren aange„ „komen de Macassaarse Princen Craeng Baroe Mamase en Craeng Tangala met een gevolg van omtrend sestig koppen. Voorts kwam den Boomspagter Jntje Sadulla mij bekend mae„ „ken hoe den Bonijs strandwagter in de Campong Bougis, hem uijt naam van den Tomilalang was komen zeggen dat, vol„ „gens de wetten van Bonij, alle sendelingen van de mindere bondgenooten hier aankomende van hunne meede gebragte goederen geen Thol behoefden te betaelen, maar wel van die welke zij weeder meede namen, dog dat de Gezanten van wadjo„ soping en Loewoe tot het een nog ander gehoorden waaren. Donderdag

NL-HaNA_1.04.02_3586_0704 view scan ↗

English

Further report regarding the arrival of two Macassarese at Thaing. Further manifesto for the invitation of the Macassarese into submission. Envoys from Dompo departed. Message to Aron Pantjana regarding violence committed by his people. The King of Bonij invited. Asks to be excused. Audience granted to Craeng Thaing. Reluctant payers of tithes. Audience granted to Bonij's king. His arrival and message about going into the interior. Discussion concerning this. Thursday the 21st. Craeng Thaing also informed me of the arrival at her place of Craeng Baramamase and his sister Craeng Tangala, but that their retinue consisted of only thirty persons, and further requested an audience, which I postponed until a more convenient time. Friday the 22nd. I had a further manifesto posted, whereby the Macassarese were invited to submit, and sent a copy thereof to the King of Bonij. Saturday the 23rd. I dispatched home the envoys who had arrived here from Dompo a few days ago. Upon the complaints of the Soelewattang of Marang regarding Arou Pantjana, who had demanded from the aforementioned village 39 Spanish rixdollars for a certain subject who, having gambled himself away for 8 rixdollars, had fallen into the hands of the Soelewattang of Talla but had since fled; and which first-mentioned sum the village people had promised to pay on account of Arou Pantjana's threats; I sent an emissary along with the complainant to admonish that Prince to refrain from committing hostilities. Sunday the 24th. Having invited the King of Bonij for tomorrow through the assistant interpreter De Graaf, he let me know that he would send a further decision, but on Monday the 25th, the Court Interpreter came to inform me that His Highness found himself indisposed and therefore begged to be excused until a later time. Tuesday the 26th. Upon the request made to that end, I granted Craeng Thaing an audience for tomorrow, in order to bring Craeng Baroe mamase along so that he may be received into submission. Furthermore, I sent to the Bonij Madanrang a list of a multitude of reluctant payers of tithes, in order to compel them thereto, which he, according to the report of the bookkeeper Deefhout, has promised to do. Practically toward evening, the Bonij interpreter Passeere came to request an audience for the King, which I granted, although it was somewhat ill-timed. Wednesday the 27th. Around nine o'clock, the said His Highness appeared in the company of the Madanrang, Tomilalang, Datoe Baringang, Soelewattang, Aroe Tanette, and some other grandees, indicating after taking their seats that he had come to make known to me that he intended to depart for the interior. I expressed great astonishment at this, and that I had flattered myself that the representations made to His Highness in that regard would have dissuaded him from that intention, at least for the present; trying with mild reasoning to move him to abandon that journey, among other things by showing how everything in the interior was now quiet again, whereas matters here, on the contrary, were not yet entirely at peace, and his presence was therefore much more required here than there. But he simply replied that he, having firmly decided upon it, had already made preparations for it, which caused me to change my tone, countering him that I still persisted in opposing it, and would leave all the bad consequences that might arise therefrom to the account of those who might have incited him to it, and that I deemed this by no means trivial, but of such weight that a final rupture between the Company and Bonij could arise from it. Upon which he, having testified that he could not understand how such a thing could occur, since he believed that no cause for it would be given on the part of Bonij, I replied that I did not deem it necessary to explain myself at greater length; but that I could assure him that solely for his sake, and indeed because of the high esteem and affection I bore him, I had hitherto allowed myself to be satisfied with the empty promises and assurances made to me by the grandees of the realm upon the repeated complaints about many acts of violence committed by the Boniers, without those ever having been redressed; that for the future I would provide satisfaction and justice for myself through means of reciprocal force, in order thereby to deter the wrongdoers once and for all; and that I was well assured that, in case he were to depart, I would be absolutely forced to do so, and therefore requested him this

Dutch transcription

van twee macassaaren op Thaing nadere manifest ter nodiging vande macassarin in sub„ gezanten van dompo vertrocken. boodschap aan Aron Pan„ „tjana over gepleegd geweld. door de zijne den koning van Bonij ge inviteert. laat zig verschonen. Dingsdag acces aan Craeng thaing g'accordeert onwillige betaalders van tiende: acces aan Bonijs koning g'accordeert zijn komst en boodschap om Donderdag den 21=e Liet Craeng Thaing mij meede kennisse geeven vande komst nader berigt wegens de komst bij haar van Craeng Baramamase en zijn zuster Craeng Tan„ „gala dog dat haar gevolg maar uijt dertig koppen bestond, en voorts belet vragen dat ik tot nader gelegentheijd hebbe uijtgesteld: Vrijdag den 22=e Hebbe ik een nadere manifest doen affigeeren, waar bij de Macassaeren werden genodigt in submissie te komen en daar van een exempelaar gezonden aan den koning van Bonij Zaturdag den 23=e Hebbe ik de voor eenige dagen alhier van Dompo g'arriveerde gezan„ „ten na huijs gedepecheerd, Op de klagten vande Soelewattang van Marang over Arou Pan„ „tjana die van de gemelde negorij 39. rd„s spaans hadde doen eijsschen„ voor zeeker onderdaan die zig voor 8: rd„s verdobbeld hebbende, bij den Soelewattang van Talla geraakt dog zedert gevlugt was; en welke eerstgemelde somma het negorijs volk beloofd hadde op te brengen, ter zaeke van Arou Pantjanas dreijgementen; hebbe ik een zende„ „ling met den klager meede gezonden om dien Prins, te recomman„ „deeren, zig voor het pleegen van vijandelijkheden te wagten. Sondag den 24=e Door den ondertolk de graaf den koning van Bonij tegen morgen hebbende doen inviteeren, liet hij mij weeten nader be„ „scheijd te zullen zenden, dog des Maandag den 25=e kwam den Hoftolk mij berigten dat zijn Hoogheijd zig on„ „passelijk bevonden zig dus liet excusseeren tot een nadere tijd. 26=e Hebbe ik: op het ten dien eijnde gedaan versoek aan Craeng Thaing acces tegen morgen g'accordeerd, om Craeng Baroe mamase meede te brengen ten einde in submissie ontfangen te worden. voorts hebbe ik aan de Bonijs Madanrang gezonden een lijst van een meenigte onwillige betaalders van tiende, ten einde dezelve daar toe te Constringeeren, dat hij, na het berigt van den boekhouder Deefhout, beloofd heeft. Genoegsaam tegen den avond kwam, den bonijs tolk Passeere belet vragen voor den koning dat ik hoe wel wat ontijdig ge„ „accordeerd hebbe. Woensdag den 27=e Tegen negen uuren verscheen gemelde zijn Hoogheijd in in de binnen landen te gaan gezelschap van den Madanrang, Tomilalang, Datoe di Baringang missie. 33 discours daar over Baringang, soelewattang; Aroe Tanette, en eenige andere grooten, na genomen zitplaats te kennen geevende, gekomen te zijn om mij bekend te maeken dat hij voorneemens was na de binnen Landen te vertrecken. Jk betuijgde hier over zeer verwondert te zijn en dat ik mij gevlijd hadde dat de diend wegen aan zijn Hoogheijd gedaene vertoogen hem van dat voorneemen, ten minste voor als nog, zouden hebben gediverteerd; hem door zagte redenen tragtende te beweegen om die reijse te staeken en onder anderen door een vertooning hoe alles thans in de binnen Landen weeder stil was mitsgaders de zaeken alhier daar en tegen nog niet geheel in rust waaren en zijn presentie overzulks alhier vrij meer dan daar vereijschte; dog hij diende 'er enkel op, dat hij zulks vast besloten hebbende, daar toe ook reets klaerigheijd ge„ „maakt hadde, het geen mij van toon deed veranderen, hem te gemoet voerende dat ik daer tegen als nog bleef persisteeren, en alle de quaede gevolgen die daar uijt mogten ontstaan zoude laeten voor reekening van dien geenen welke hem daar toe mogten hebben aangezet en dat ik deeze gantsch niet voor gering maar wel van dat gewigt oordeelde dat 'er geene finaele verwijdering tusschen de Comp=e en Bonij uijt zoude kunnen ontslaan. op het welke hij betuijgd hebbende niet te kunnen begrijpen waar bij zulks zoude kunnen toekomen; vermits hij vermeende dat daar toe aan de zijde van Bonij geen aanleijding zoude worden gegeeven, zo dien„ „de ik daar op het niet nodig t' oordeelen mij breedvoeriger t'expli„ „ceeren; maar dat ik verzeekeren konde alleen om zijnent wille en wel ter zaeke van de hoog agting en genegentheijd welke ik hem was toedragende mij tot hier toe te hebben laeten vergenoe„ „gen met de idele beloften en toezeggingen mij door de Rijks, „grooten gedaan, op de iterative klagten over veele geweldenarijen door de Boniers gepleegd, zonder dat daar aan ooijt voldaan was, ik voor het vervolg mij zelfs satisfactie en regt verschaffen zoude door middelen van reciprocque geweld, ten einde de kwaad„ „doenders daar door eens voor al af te schricken, en dat ik wel ver„ „zeekert was, ingevalle hij kwam te vertrecken, daar toe volstrekt genoodzaekt te zullen weesen mitsgaders hem dierhalven verzogt dit k ze ng

NL-HaNA_1.04.02_3586_0706 view scan ↗

English

conversed with him about the message of the Bone people regarding the toll, requesting him to still take this and everything previously put before him into consideration; which had the success that he promised me he would deliberate further and let me know his decision. This then also being concluded, I gave him to understand that I did not know whether he was also informed of the message delivered a few days ago in the name of some of the notables of the realm (without naming the Tomilalang) concerning the levying of toll; subsequently relating the same to him, while adding that it seemed no less strange to me that the Bone people came to lay down laws to a servant of the Company, than on what grounds they arrogated that right to themselves; presenting at the same time the agreement entered into by the late deceased king for himself and his successors in the realm in the year . . . , which I subsequently recited to him word for word as proof of the improper conduct of the Bone people in this matter, since according to that document all vessels without distinction were subject to the payment of toll, and I consequently would tolerate no infringement in that regard. The prince, remaining silent upon this, looked at the Madanrang, and the latter spoke again in secret with the Tomilalang, who, not knowing how to extricate himself, appealed once again to ancient custom; whereto I replied that no customs could outweigh such agreements, but that these had to be followed, and that I therefore also expected as much, the more so as all such and other dealings must inevitably give rise to disagreements, against all of which I had guarded myself to such an extent that I was confident no one would be able to convince me of having taken a single step not founded on the utmost fairness; while asking the notables of the realm whether any of them could prove the contrary, whereupon the Madanrang, taking the floor, said they would deliberate upon it when they had returned home, which caused me to reply that I must be utterly surprised that, in case they held a different view, they were only now coming to think about it, since if that were so they ought long ago to have brought forward their grievances, but that I would still await them with pleasure. His Highness wishing to take his leave upon this, but having been requested by me to hold a private oral discussion, to which end he, together with the Madanrang, repaired with me to a private room, I asked His Highness in a friendly manner what the true purpose of his intended departure might be, and furthermore whether he had taken any offense at one thing or another, with a request not to dissimulate; whereto he, as well as the Madanrang, answered that they had no other reasons to depart than for his wife and children, and furthermore to show himself to the subjects; then the Madanrang nevertheless began to bring up the history of the toll again, saying that the document just shown was indeed known to the Bone people, but that they had feigned ignorance regarding it with respect to the message to the farmer of the toll, yet that nevertheless the exemption of the vessels of the envoys had been an ancient custom. Whereto I replied in turn that time was too short to prove the contrary to him by the documents, but that I could assure him that difficulties had always arisen over this, as proof that one had opposed clandestine transport even if it might have occurred, so that such could not earn the name of custom or favor, and that this had been the reason why, in order to prevent difficulties, I had caused the King to be requested not to permit any shipment of goods except with the prior knowledge of the farmer of the toll, under the promise of leaving a portion free for the benefit of the envoys, in accordance with the conditions by which this had been deferred to me. His Highness having further requested his leave upon this, under the renewed promise to let me know whether he would depart or stay, he subsequently returned home.

Dutch transcription

hem onderhouden over de boodschap der boniers wegens de thol: dit en alle het hem voormaals voorgehoudene als nog in Conside„ „ratie te willen neemen, het geen van dat succes was dat hij mij beloofde zig nader te zullen bedenken en mij bescheijd te doen weeten. Dit dan hier meede afgehandeld zijnde, gaf ik hem te kennen niet te weeten of hij ook onderrigt was van de boodschap voor eenige dagen uijt naam van eenige der Rijksgrooten /:zon„ „der den Tomilalang te noemen :/ gedaen over het heffen van Thol; deselve hem vervolgens verhaelende, onder bij voeging hoe het mij niet minder vreemd voorkwam dat de Boniers aan een bediende van de Comp=e wetten kwamen te geeven, als op wat grond zij zig dat regt aanmatigden, te gelijk d' over eenkomst overleggende tusschen wijlen den overleeden koning voor hem en zijne opvolgers in het Rijk aangegaan in A=o. . . . die ik hem vervolgens van woord tot woord voorhield, ten blijke van het onbetaemelijk gedrag der boniers in deesen, vermits volgens dat geschrift alle vaartuijgen zonder onderscheijd be„ „taeling van Thol subject waaren en ik dien volgende geen in„ „breuk daar omtrend gedogen zoude, den vorst hier op stil„ „swijgende, zag den Madanrang aan en deesen sprak weeder in stilte met den Tomilalang, die zig niet weetende te redden zig alweeder beriep op het oude gebruijk daar ik op diende hoe geen gebruijken tegen zodanigen over een komsten konden opwegen, maar deeze gevolgd moeste worden en dat ik zulks dierhalven ook wilde verwagten, te meer alle diergelijke en andere gedoen„ „tens volstrekt aanleijding moesten geeven tot oneenigheden, voor alle dewelke ik mij dermaten hadde gewagt dat ik mij ver„ „zeekerd hield hoe niemand mij zoude kunnen overtuijgen een enkele stap gedaan te hebben niet gegrond op de uijterste billijkheijd; onder afvrage aan de Rijksgrooten of iemand van hun het tegendeel konde aantoonen waar op den Madanrang het woord neemende zeijde daar over te zullen zitten als zij zouden t' huijs gekomen weezen, het geen mij deed repliceeren hoe ik mij ten uijtersten verwonderen moesten dat ingevalle zij in een ander begrip waaren, daar om nu eerst kwamen 33 kwamen te denken vermits zulks zo zijnde zij voor lange met hunne beswaarnissen hadden behooren voor den dag te komen dog dat ik dezelve als nog met plaisir verwagten zoude. zijn Hoogheijd hier op zijn afscheijd willende neemen, dog door mij tot een apart mond gesprek zijnde verzogt ten welken einde hij zig nevens den Madanrang met mij in een apart vertrek vervoegden, vroeg ik zijn Hoogheijd op een vriendelijke wijze wat dog het waare oogmerk mogte weezen van zijn voorgenomen vertrek!? en voorts of hij ook eenig misnoegen over het een en ander hadde opgevat met versoek om niet te dissimuleeren; daar hij zo wel als den Madanrang op diende geen andere redenen te hebben om te vertrecken, dan om zijn vrouw en kinderen en voorts om zig aan d' onderdaanen te vertoonen; dan heijt van den Madanrang begon egter weeder het historiaal van den Thol op te haelen, zeggende dat het zo even vertoonde schriftuur de Boniers wel bekend waare, dog dat zij zig daar omtrend, met be„ „trecking tot de boodschap aan den Pagter ignorant gehouden hadden maar dat des niet te min het vrijlaeten van de vaartuijgen der Gezanten een oud gebruijk was geweest. waar op ik weeder repliceerde hoe den tijd te kort viel om hem het tegendeel bij de stucken aan te toonen maar verzeekeren konde hoe daar over altoos moeijelijkheden waeren ontstaan, ten bewijse dat men zig tegen den Clandestinen vervoer aangekant hadde alschoon de„ „zelve gepleegd mogte weezen, zo dat zulks de naam van ge„ „bruijk of gunst niet konde verdienen, en dat dit de reden was geweest dat ik ter voorkoming van moeijelijkheden den Ko„ „ning hadde laeten versoeken om geen afscheep der goederen te permitteeren, dan met voorkennisse van den Pagter onder toezegging van een gedeelte vrij te zullen laeten ten behoeve van de gezanten, over eenkomstig de Conditien bij dewelke zulks aan mij gedefereert gelaeten was. zijn Hoogheijd hier op nader zijn afscheijd verzogt hebbende, trek. onder andermaelige toezegging, mij te zullen laeten weeten of hij vertrecken dan blijven zoude, is hij vervolgens na huijs gekeerd. Hier A den trek ten. en et den hem onderhouden over de„ boodschap der boniers wegens de thol: dit en alle het hem voormaals voorgehoudene als nog „ratie te willen neemen, het geen van dat succes beloofde zig nader te zullen bedenken en mij bes weeten. Dit dan hier meede afgehandeld zijnde, gaf ik hen niet te weeten of hij ook onderrigt was van de bood eenige dagen uijt naam van eenige der Rijksgr „der den Tomilalang te noemen :/ gedaen overh Thol; deselve hem vervolgens verhaelende, onder be het mij niet minder vreemd voorkwam dat de Be bediende van de Comp=e wetten kwamen te geeven grond zij zig dat regt aanmatigden, te gelijk d' overleggende tusschen wijlen den overleeden koni„ en zijne opvolgers in het Rijk aangegaan in H hem vervolgens van woord tot woord voorhield, ten het onbetaemelijk gedrag der boniers in deesen volgens dat geschrift alle vaartuijgen zonder on „taeling van Thol subject waaren en ik dien volgen „breuk daar omtrend gedogen zoude den vorst „swijgende, zag den Madanrang aan en deesen in stilte met den Tomilalang, die zig niet weetende alweeder beriep op het oude gebruijk daar ik op die gebruijken tegen zodanigen over een komsten kond maar deeze gevolgd moeste worden en dat ik zulk ook wilde verwagten, te meer alle diergelijke end „tens volstrekt aanleijding moesten geeven tot one voor alle dewelke ik mij dermaten hadde gewagt „zeekerd hield hoe niemand mij zoude kunnen ovr enkele stap gedaan te hebben niet gegrond op de uijterste be afvrage aan de Rijksgrooten of iemand van hun het aantoonen waar op den Madanrang het woord neemen over te zullen zitten als zij zouden t'huijs gekomen wee mij deed repliceeren hoe ik mij ten uijtersten verwonden dat ingevalle zij in een ander begrip waaren, daar on

NL-HaNA_1.04.02_3586_0709 view scan ↗

English

33 Private discussion with the prince about his departure, concerning the desired toll exemption by the envoys. Private discussion with the prince about his departure. came to think, since if that were so they ought to have brought forward their grievances long ago, but that I would nevertheless await them with pleasure. His Highness thereupon wishing to take his leave, but having been requested by me for a private oral conversation, to which end he, together with the Madanrang, joined me in a private room, I asked His Highness in a friendly manner what indeed might be the true purpose of his intended departure, and further whether he had taken any displeasure over one thing or another, with a request not to dissimulate; to which he, as well as the Madanrang, replied that they had no other reasons to depart than for his wife and children and further to show himself to the subjects; then the Madanrang, however, began to bring up the story of the toll again, saying that the document shown just now was well known to the Boniers, but that regarding the message to the Farmer they had acted as if ignorant of it, but that nevertheless the exemption of the envoys' vessels had been an old custom. To which I replied again that time fell short to show him the contrary by the documents, but could assure him that difficulties had always arisen over it, in proof that one had opposed the clandestine transport, even if the same might have been committed, so that such could not deserve the name of custom or favor, and that this had been the reason why I, in order to prevent difficulties, had caused the King to be requested not to permit any shipment of goods except with the prior knowledge of the Farmer, under the promise that a portion would be left free for the benefit of the envoys, in accordance with the conditions under which such had been left deferred to me. His Highness, having thereupon requested his leave more closely, under another promise to let me know whether he would depart or stay, subsequently returned home. Visit from Craengthainig. Pardon granted to Barang mamase. Her request for certain negorijen rejected. Sent regarding the guns and imperial debt, etc. Access requested for commissioners to Bonij. Departed. Hereafter appeared the Regentess of Thaing with a moderate retinue, among whom was Craeng Barang Mamase, after the latter had previously surrendered his sidearm, which was brought to me; on whose behalf she and he subsequently requested to be received in submission, in which I condescended, returning his weapon to him under a suitable admonition, which he accepted with much grace and demonstration of joy. Whereafter the Regentess, having further requested to be allowed to take possession again of the negorijen Kaponrenrang, Mangadoe, and Boeloe, situated in the Topejawa district, which I turned down, took her leave and departed. Thursday the 28th. Nothing of importance occurred. Friday the 29th. In the forenoon I sent the bookkeeper Deefhout to the King of Bonij, not only to remind him again of the promised return of the guns borrowed during the latest war, but also to urge him concerning the imperial debt and the giving of satisfaction for the violence committed both at the house of the Chinese Tio Lianko and recently at the negorij Baleanging, with further orders to inquire whether His Highness had not yet determined regarding his stay or departure to the inland. To which Deefhout brought me the answer that His Highness, having referred him to the Madanrang regarding all the aforementioned points, had told him that he would definitely depart, indeed the day after tomorrow; and that he, having subsequently gone to the Madanrang, was promised by him a speedy settlement of the aforementioned matters. In the afternoon I sent the said Deefhout to the King again to request access for commissioners tomorrow before noon, which was granted. Saturday the 30th. Merchant Kraane and Junior Merchant Monsieur departed as commissioners to the Court of Bonij, furnished by me with such instructions as can be found among the annexes, and some further verbal orders. Whereupon, on their return, they reported to me: That

Dutch transcription

33 apart discours met den vorst over zijn vertrek in de begeerde vrijheijt van Thol door de gezanten. apart discours met den vorst over zijn vertrek. kwamen te denken vermits zulks zo zijnde zij voor lange met hunne beswaarnissen hadden behooren voor den dag te komen dog dat ik dezelve als nog met plaisir verwagten zoude. zijn Hoogheijd hier op zijn afscheijd willende neemen, dog door mij tot een apart mond gesprek zijnde verzogt ten welken einde hij zig nevens den Madanrang met mij in een apart vertrek vervoegden, vroeg ik zijn Hoogheijd op een vriendelijke wijze wat dog het waare oogmerk mogte weezen van zijn voorgenomen vertrek! en voorts of hij ook eenig misnoegen over het een en ander hadde opgevat met versoek om niet te dissimuleeren; daar hij zo wel als den Madanrang op diende geen andere redenen te hebben om te vertrecken, dan om zijn vrouw en kinderen en voorts om zig aan d' onderdaanen te vertoonen; dan den Madanrang begon egter weeder het historiaal van den Thol op te haelen, zeggende dat het zo even vertoonde schriftuur de„ Boniers wel bekend waare, dog dat zij zig daar omtrend, met be „trecking tot de boodschap aan den Pagter ignorant gehouden hadden maar dat des niet te min het vrijlaeten van de vaartuijgen der Gezanten een oud gebruijk was geweest. waar op ik weeder repliceerde hoe den tijd te kort viel om hem het tegendeel bij de stucken aan te toonen maar verzeekeren konde hoe daar over altoos moeijelijkheden waeren ontstaan, ten bewijse dat men zig tegen den Clandestinen vervoer aangekant hadde alschoon de„ „zelve gepleegd mogte weezen, zo dat zulks de naam van ge„ „bruijk of gunst niet konde verdienen, en dat dit de reden was geweest dat ik ter voorkoming van moeijelijkheden den Ko„ „ning hadde laeten versoeken om geen afscheep der goederen te permitteeren, dan met voorkennisse van den Pagter onder toezegging van een gedeelte vrij te zullen laeten ten behoeve van de gezanten, over eenkomstig de Conditiën bij dewelke zulks aan mij gedefereert gelaeten was. zijn Hoogheijd hier op nader zijn afscheijd verzogt hebbende, onder andermaelige toezegging, mij te zullen laeten weeten of hij vertrecken dan blijven zoude, is hij vervolgens na huijs gekeerd. Hier visite van Craengthainig pardon verleend aan Ba„ „rang mamase haar versoek om zeekere negorijen afgeslagen. „den om de geweeren en Rijks schuld, ect. acces voor gecommitt„s bij Bonij gevraagd. „trocken. Hier na verscheinde Regentinne van Thaing met een matig gevolg waar onder Craeng Barang Mamase na dat deeze zijn heupgeweer alvoorens hadde afgegeeven dat bij mij wierd gebragt: voor den welken zij en hij vervolgens verzogt om in submissie te mogen worden ontfangen waar in ik Condescendeerde hem onder een gepaste vermaaning zijn geweer weeder over gaf dat hij met veel gratie en betooning van blijdschap aannam. waar na de Regentinne nog verzogt hebbende om weeder possessie te mogen neemen van de negorijen Kaponrenrang, Mangadoe en Boeloe in het Topejawasche geleegen; 't welk ik van de hand wees; zo nam zij haer afscheijd en vertrok. Donderdag den 28=e Js niets van belang voorgevallen vrijdag „ 29=e Hebbe ik des voor de middags den boekhouder Deefhout bij den bij bonijs koning gezon, koning van Bonij gezonden om denzelven niet alleen weeder te herinneren de toegezegde terug gave van den geweeren in den Jongste oorlog geleend maar ook aan te maanen om de Rijkschuld en het geeven van satisfactie over het gepleegd geweld zo aan het huijs van den Chinees Tio Lianko als Jongst op de negorij Balean„ „ging met verdere ordre om te verneemen of zijn Hoogheijd nog niet getermineerd waare omtrend zijn verblijf of vertrek na de binnen „landen. waar op Deefhout mij tot antwoord bragt dat zijn Hoog: over „Lant „heijd hem ten aanzien van alle de voorschreevene poincten na den Madanrang over geweesen hebbende, hem gezegt hadde voor vast en wel overmorgen te zullen vertrecken; en dat hij voorts na den wegens Madanrang gegaan zijnde door deesen nopens de opgemelde princij „ten een spoedige afdoening van dezelve beloofd was. Des nademiddags hebbe ik gemelde Deefhout weeder bij den koning gezonden om acces te vragen voor gecommitteerdens tegen morgen voor de middag het geen g'accordeerd is. Zaturdag den 30=e vertrocken als gecommitteerdens naar het Hof van Bonij den dezelve derwaarts ver, koopman Kraane en onderkoopman Monsieur, door mij gemu„ „nieert met zodanigen Jnstructie als onder de bijlagen is te vinden en eenige verder mondelijke last. waar op zij mij bij te rugkomst tot rapport bragten. Dat

NL-HaNA_1.04.02_3586_0711 view scan ↗

English

until his departure the national debt and firearms, as well as certain violence committed. Highness, concerning the sending of envoys to Batavia. concerning the claimed point of exemption from toll. their report with respect That they, notwithstanding all the reasons put forward, had not been able to persuade the king to abandon his intention to depart for the inland regions, but that he had declared himself to be utterly compelled to do so, and also that he would come to me tomorrow morning to take his leave, adding, however, that he would return soon. That, with respect to the matters still outstanding, he had testified that money had already been collected to satisfy the national debt, but the same having been spent by the grandees of the realm on other expenses, he would de novo order that this debt be discharged as soon as possible and furthermore also provide satisfaction concerning the robbery at the house of the Chinese Tio Lianko, while for the act at Baleanging the fine had already been paid according to the laws of the land, which had been offered to their deputies along with 32 firearms of the 36 borrowed in the last war; but they had requested that these might be sent to me directly. That by his Highness would be left here the soelewattang and glarrang of Bontualacq, as the only ones he could spare, and he had promised to give orders to prevent the Boniers from committing any evil deeds. That he had furthermore said he might possibly send an embassy to Batavia in the coming year, for which the time was presently too far advanced. Whereto the deputies, amid an account of some other discourses held with the grandees of the realm, which however do not merit noting, still added: how this last point, having given occasion to a conversation about the exemption from toll refused by me, the prince, having asked the Tomilalang whether he had not made a declaration of the goods taken with him and the other envoys when he had departed as such for Batavia in the year 1766, the same had answered him with a no; adding that this had also never happened, keeping himself ignorant of that which had occurred at that time, although the deputies, though not instructed on this matter, had reminded him that complaints had previously always been made about the transport of goods without payment of toll, according to what they had understood regarding this from me at the last conference held with the grandees of the realm at my house. receipt of returned firearms and of a certain fine. audience granted to the king. the fine sent back. remarkable utterance of the prince. visit from Boni's king. At noon there subsequently appeared before me the interpreter Passeere, bringing with him 34 firearms and 75 Spanish rix-dollars, the latter as a fine for the violence committed at the negorij Baleanging and imposed upon the fathers for payment, as that servant indicated, according to the laws of the land, while he furthermore requested an audience on behalf of the king for tomorrow morning, adding that for the compensation of the stolen goods from the house of the Chinese Tio Lianko, Arou Ngatacka and Jennang Atta Lamoeroe had been condemned. Granting the requested audience, I ordered him to tell his master with respect to the first two points merely that it was well, but regarding the remaining point, that it did not concern me who had to pay for the stolen goods, but that I expected that this would take place as soon as possible. In the afternoon I sent the bookkeeper Deefhout again to his Highness with the aforementioned 75 Spanish rix-dollars in order to return the same, declaring that, finding this satisfaction not in the least commensurate with the crime, I could not accept it, and that I was also not concerned with money, but that the guilty should be punished. However, according to Deefhout's return, his Highness had left the latter unanswered and thanked for the delivery; with this addition: request my brother that he may not become faint-hearted that is, displeased against me on account of my departure, since I do it solely to satisfy the grandees of the realm, and will see to it to return as soon as possible in the coming year. Sunday the 31st. Around half past seven the king of Boni appeared

Dutch transcription

tot zijn vertrek de Rijksschuld en geweeren. mitsgaders zeekere gepleegd geweld. Hoog, over het zenden van ge„ „zanten na Batavia. wegens de gepretendeerde de poinc vrijheijd van thol. hun rapport met opzigt Dat zij den koning niet tegenstaende alle bij gebragte redenen niet hadde kunnen verhaalen om van zijn voorneemen af te zien ten einde na de binnen Landen te vertrecken, maar denzelven verklaard hadde daar toe volstrekt genoodsaakt te weesen, mitsgaders dat hij morgen ochtend zoude bij mij komen om afscheijd te neemen: met bijvoeging nog thans dat hij spoedig zoude terug keeren. Dat hij met opzigt tot de nog openstaande zaeken betuijgd hadde hoe er tot voldoening van de Rijksschuld reets geld verzameld dog het zelve door de Rijksgrooten tot andere onkosten uijtgegeeven zijnde hij de novo gelasten zoude om die schuld ten spoedigsten afteleg„ „gen en voorts ook voldoening te bezorgen wegens de roof aan het huijs van den Chinees Tio Lianko, terwijl voor het bedrijf op Ba„ „leanging na 's Lands wetten de boete reets was betaald die hun gecommitteerdens waare aangeboden nevens 32. geweeren van de 36. in den laatsten oorlog geleend; dog zij verzogt hadden dat mij direct mogten worden toegezonden. Dat door zijn Hoogheijd hier zoude gelaeten worden den soelewattang en glarrang van Bontualacq, als d' eenigste die hij missen konde„ en hij beloofd hadde ordre te zullen geeven om de Boniers het be„ „drijven van alle kwaede gedoentens te beletten. Dat hij voorts hadde gezegt mogelijk in het aanstaande Jaar een gezantschap na Batavia te zullen zenden waar toe de tijd thans te verre ingeschoten was. Waar bij de gecommitteerdens onder een verhaal van eenige andere discoursen met de Rijksgrooten gehouden, dog die geen aantee„ „kening verdienen nog voegden; hoe dit laatste poinct aanlei„ „ding gegeeven hebbende tot een gesprek over de door mij geweij„ „gerde vrijheijd van Thol, den vorst aan den Tomilalang ge„ „vraagd hebbende of hij geene opgave van de goederen hadde ge„ „daan door hem en d:' overige gezanten meede genomen, toen hij in A„o 1766. als zodanig na Batavia vertrocken was den zelven zulks met neen b'antwoord had; onder bijvoeging dat zulks ook nooijt geschied was, zig ignorant houdende van het geene te dier tijd voorgevallen was, schoon hem de gecommitteerden, hoe sie t nen bi H den t Koning gen terug ontvangst van ge„ „weeren en van zeekere boete. acces aan den koning ge„ „accordeert. de boete te rug gezonden. remarchable uijtlating van den vorst. visite van Bonijs koning. hoe wel op dit stuk niet g'instrueerd hadden herinnert dat over den vervoer van goederen zonder betaeling van Thol bevoorens altoos was gedoleerd na het geene zij dierwegens van mij bij de laatste Conferentie met de Rijksgrooten ten mijnen huijse gehouden hadden verstaan. Op den middag verscheen vervolgens bij mij den Tolk Pas„ „seere meede brengende 34. geweeren en 75. rd„s spaans het laatste tot een boete wegens het geweld op de negorij Balean„ „ging gepleegd en den vaders ter betaeling, zo als dien bediende te kennen gaf, na 's Lands wetten, opgelegt, terwijl hij voorts uijt naam van den koning acces verzogt tegen morgen oc„ „tend onder bijvoeging dat tot de vergoeding van de geroofde goederen uijt het huijs van den Chinees Tio Lianko gecondem„ „neert waeren Arou Ngatacka en Jennang Atta Lamoeroe. Het versogte acces accordeerende gaf ik hem last zijnen meester met opzigt tot de twee eerste poincten eenlijk te zeggen dat het wel was, dog wat het overige poinct betrof het mij niet raakte wie het geroofde betaelen moest maar dat ik verwagten wilde dat zulks ten spoedigsten kwam te geschieden. Des nademiddags zond ik den boekhouder Deefhout weeder na zijn Hoogheijd met de bovengemelde 75. rd„s spaans ten eijnde dezelve terug te geeven onder verklaering dat ik dies voldoening in verre na niet over eenkomstig vindende met de misdaad dezelve ook niet accepteeren konde en het mij ook om geen geld te doen was, maar dat de schuldigen gestraft wierden. dog volgens Deefhouts terug komst hadde zijn, Hoogheijd het laatste onb'antwoord gelaeten en voor de toe„ „zending bedankt; met deeze bij voeging versoekt mijnen broeder dat hij wegens mijn vertrek niet kleijn hartig /:dat is misnoegd :/ tegen mij mag worden. vermits ik het alleen doe om de Rijksgrooten genoegen te geeven, en zo dra mogelijk in het aanstaande Jaar, weeder zal zien te rug te komen. Sondag den 31=e Tegen half agt uuren verscheen den koning van Bonij na voor in „

NL-HaNA_1.04.02_3586_0713 view scan ↗

English

wished him a good journey: further negotiation concerning the requested toll exemption for envoys. in the company of the Madanrang, the Tomilalang, Datoe Baringang, Arou Tanette Malolo, the Soelewattang, and glarrang, besides the Priest of Bontualacq and some others. After His Highness had sat quietly for a while, he made it known that he had come to take his leave, intending subsequently to depart on board. Whereupon, after having wished him, and furthermore also the dignitaries of the realm who are to accompany him, a prosperous and fortunate voyage in appropriate terms, and expressing how I hoped to be permitted to see him again shortly in good health, all under a solemn assurance of both the Company's and my own particular high esteem and sincere friendship; for all of which he thanked very kindly; I requested his acceptance of an Extract from the Secret Daily Register of 26 May 1767, with a translation thereof into Buginese, speaking of the toll on goods imported yonder by the envoys who had been to Batavia the year before, etc., requesting him to review the same at an opportune moment as it might serve as convincing proof of how not only Their High Excellencies but also his late grandfather Matinro E. Malimoengang had thought concerning that matter, to the shame of those who, showing completely different sentiments regarding it, moreover try to maintain the same through falsehoods. But the prince appearing to show fear or disinclination to accept that paper, I asked whether he would perhaps prefer to have it read aloud first, to which he answered yes. Wherefore I had this done by one of the sons of Jntje Sadulla, under such attentive listening both by His Highness and all the dignitaries as I have never yet seen from them. The reading being completed, I took the floor again, saying that I had brought forth this one sample among many others to show that I am not accustomed to occupying myself with falsehoods, and that I would now not doubt that His Highness would consider himself persuaded thereof, the more so as the persons named in the aforesaid Extract could be as little ignorant of what was reported therein as the Captain of the Malays, who had confirmed the same during the reading. His Highness appeared very moved, but the dignitaries of the realm no less, among whom displeasure and shame were visible in the eyes of the Tomilalang, however much he sought to conceal them by repeatedly whispering into the ear of the Madanrang, while no one else spoke; so that I offered the document once more to the prince, who accepted the same and further requested his leave once again, upon which I briefly repeated the wishes and assurances of friendship I had made, whereupon he departed and likewise all the dignitaries together. But shortly thereafter I was informed by the interpreters how, having only just stepped outside the gate of my residence, the Tomilalang tried to excuse himself regarding the goods the envoys had brought to Batavia in anno 1766, stating that not he, but others had tried to smuggle them, thus saying more than was even charged against him, though it is in fact true. In the afternoon the glarrang of Bontualacq sent to request an audience with me, which was granted for tomorrow. four slaves received in reduction of the Bone debt. Bone king sends his compliments to me. statement of the goods that the Bone envoys would have taken along. Monday 1 November The Glarrang of Bontualacq appeared around nine o'clock, bringing five slaves to serve in reduction of the debt of the realm, of which only four were accepted as capable. Tuesday 2 The Bone Prince Tosarassa came to me, sent by the king to inquire after my well-being and to request me once again not to harbor any displeasure over his departure, having only proceeded thereto for the sake of the dignitaries of the realm, as well as to make known that he himself would endeavor to return as soon as possible. I gave him the mandate to thank the prince for the compliment and to reassure him once again of my sincere friendship and affection, and that for this reason I was also hoping for his speedy return. In the evening I was informed that the goods, in the event that Bone envoys had departed for Batavia, that would have been transported thither by them, would have amounted to fully 90 thousand Spanish rijxdollars.

Dutch transcription

hem een goede reijse ge„ „wenst: naderhandeling over de be„ „geerde vrijheijt van thol voor gezanten. in gezelschap van den Madanrang, den Tomilalang, Datoe Baringang, Arou Tanette Malolo den Soelewattang en glar„ „rang nevens de Priester van Bontualacq en eenige anderen. na dat zijn Hoogheijd een poos lang stil gezeten hadde gaf hij te kennen gekomen te zijn om afscheijd te neemen als voorneemens ver„ „volgens na boord te vertrecken. waar op ik den zelven en voorts ook de Rijksgrooten die meede staan te gaan in gepaste termen een voorspoedige en geluckige reijse toegewenscht hebbende; en hoe ik wilde hoopen hem binnen korten in gezondheijd te zullen mogen weeder zien, alles onder eene ernstige verzeekering zo van 's Comp„s als mijne bijsondere hoog agting en opregte vriendschap; voor alle het welke hij zeer vriendelijk bedankte; zo verzogt ik hem d' acceptatie van een Extract uijt het Secreet Dag Register van den 26=e Meij 1767. met een translaat van dien in het Bouginees, spreekende van den Thol der goederen, door de in het Jaar bevoorens na Batavia geweest zijnde Gezanten, ginter ingevoerd, enz: hem verzoekende het zelve bij gelegentheijd eens te resumeeren als kunnende strecken tot een overtuijgende blijk hoe niet alleen Hun Hoog Edelhedens maar ook wijlen zijn grootvader Matinro E. Malimoengang over dat stuk hadden gedagt tot beschaming van de zulke die daar omtrend ge„ „heel andere sentimenten toonende, dezelve nog daar en boven door onwaarheden tragten te doen gelden. dog den vorst bevreestheijd of ongenegentheijd schijnende te toonen om dat papier aan te nee„ „men, vroeg ik of hij het zelve ook liever eerst wilde hebben opge„ „leezen dat hij met Ja. beantwoorde; weshalven ik zulks doen door een der zoons van Jntje Sadulla, onder een zo attent geluijster zo door zijn Hoogheijd als alle de grooten, als ik nog nimmer van dezelve gezien hebbe; de leesing volbragt zijnde vatte ik het woord weeder opzeggende dat ik dit eene staaltje onder veele anderen hadde bij gebragt om te doen zien hoe ik niet gewoon mij met onwaarheden op te houden, nu niet twijffelen wilde of zijn Hoogheijd zoude zig daar van wel overreed houden, te meer de persoonen in het voorsz: Extract benoemd van het daer bij vermelde zo min als den Capitain der Maleijers onkundig ta ts c„ de „ roe. ter mo 1 vier slaven in mindering van de bonijse schuld ont„ „fangen. bonijs koning laat mij Complimenteeren. C opgave van de goederen die de bonijse gezanten zou„ „den hebben meede genomen. onkundig konden zijn; die het zelve onder de leesing gestaaft hadde zijn Hoogheijd scheen zeer aangedaan dog de Rijksgrooten niet minder zuijder onder welke den Tomilalang het ongenoegen en beschaamtheijd ten„ 27 oogen uijtstak, hoe zeer hij die zogt te verbergen door den Madan„ Zatu „rang telkens in het oor te luijsteren, terwijl niemand verder sprak„ hun zo dat ik het geschrift andermaal den vorst aanbood die het zelve„ teert accepteerde en voorts nogmaals zijn afscheijd verzogt op het welke ik mijne gedaene wenschen en vriendschaps verzeekering korte „lijk herhaalde waar op hij vertrok en zo meede de gezamentlijke Grooten, dog kort daar aan wierd mij door de Tolken berigt hoe deeze maar even buijten de poort mijner wooning gekomen, den Tomia „lang zig nopens de goederen die de gezanten te Batavia in Anno 1766. aangebragt hadde tragten t' ontschuldigen en dat niet hij maar anderen die hadden getragt te sluijken zeggende dus meer dat hem zelfs ten laste word gebragt schoon het in der daad, waar is. Des nademiddags liet de glarrang van Bontualacq acces bij mij vr „gen het geen g'accordeerd wierd tegen morgen Maandag den 1=e November Den Glarrang van Bontualacq verscheen tegens negen uuren meede brengende vijf slaven om te strecken in mindering van de Rijksschuld, waar van maar vier als bekwaam geaccepteerd zijn. Dingsdag den 2=e kwam den Bonijs Prins Tosarassa bij mij door den koning gezonden om na mijn welstand te verneemen en om mij nogmaals te versoeken om geen ongenoegen te willen roeden over zijn vertrek„ als daar toe eenlijk overgegaan zijnde om de wille der Rijksgroo„ „ten mitsgaders te kennen te geeven dat hij zelfs zoude tragten om ten spoedigsten terug te keeren ik gaf hem inmandatis den vorst Maa voor het Compliment te bedanken en nogmaals te verzeekeren van twee Regen mijne Cincere vriendschap en genegentheijd mitsgaders dat ik zijn spoedige terug komst uijt dien hoofde ook was hoopende. Des avonds wierd mij berigt hoe de goederen, die ingevalle 'er bonijse gezanten na Batavia waeren vertrocken, door deselve derwaarts zouden zijn vervoerd wel 90. duijsend rijxd„s spaans zouden hebben beloopen. woensdag 1 ook versoek

NL-HaNA_1.04.02_3586_0715 view scan ↗

English

also of the Makassarese prince Craeng Data his request for Sapiria rejected. Regents appointed. Wednesday the 3rd Nothing occurred. Thursday the 4th the southern Regents of Bira, Tiro, Lemo Lemo, and Tanna Beroe arrived here. Friday the 5th nothing occurred. Saturday the 6th the Regent of Bira appeared before me, along with those belonging under his banner, named Lemo Lemo, Tanna Beroe, glarrang Ara, and Craing Bonto Tanga, and the one of Tiro alone, whose subordinates Wero, Grassing, Lange Lange, and glarrang Batang have not yet arrived. Having conversed with them for a while about the condition of their lands, I informed them that I would gladly see them depart again soon in order to prevent all outrages by the Bone people, who were likely about to arrive there with the king, about which they expressed great pleasure, stating that they would prepare themselves for it as soon as possible. After this, there also arrived in the meantime the Makassarese Prince Craeng Data and the former second Shahbandar of Gowa, requesting permission to settle with their retinue at Sapiria, which I declined, making known that I could not dispose over that matter without orders from Their High Nobilities, and that Their High Nobilities would likely not consent to it either, but that they had to have patience for some time yet, as an opportunity might then well present itself to assign them a good piece of land elsewhere for cultivation, which they then also requested, subsequently taking their leave. Sunday the 7th nothing occurred. Monday the 8th upon the report that the Regents of Bira and Tiro, the former with his subordinates, were ready to depart, having had them come before me, the first-mentioned requested that Daing Malimpo and Daeng Matiro might be confirmed as Regents of Tanna Beroe and Bonto Tanga, having been chosen thereto by the collective peoples of the land in place of the deceased Regent and Regentess; to which I, upon the corroborating testimony thereof by the glarrangs, consented, and accordingly appointed those persons as Regents with congratulations and appropriate admonitions to loyalty and obedience to the Company. The use of a parasol granted to Tiro. Aron Kaijoe having arrived is to depart again. Also, upon the request both of the said Craeng Bira and the one of Tiro, and upon the testimony given regarding it that such had always been in use previously, I granted the latter the use of a large quitasol. Subsequently, after having previously requested access to me, there came the Bone Prince Arou Kaijoe, who arrived here a few days ago from Boelecomba; who, after taking a seat and having first apologized for not having been able to fulfill his promise to capture Sankilang, recounted how he had received a letter from Arou Mampoe, wherein the same, presenting that since the death of Arou Palacca he no longer knew whom to consult with, requested him to bring about that he might obtain a pardon, since he would otherwise have to wander and roam; but that he had answered him that he himself well knew where the Company and Bone were, and he, Arou Kaijoe, trusted that a pardon would indeed be granted to him if he sought it with sincerity; about which I having expressed my satisfaction to him, he furthermore made known that the Bay of Bone was swarming with pirates, although one did not rightly know what people, but it was most likely that they must be Bone people, and that he, having come here because of the departure of the King into the inland regions, gladly wished to depart again for Boelecomba, out of fear of the evil doings of some from His Highness's retinue, asking whether in such a case he would be allowed to repel force with force; which I having answered in the affirmative, and that he, living as he does there and thus among the Company's subjects, ought to unite himself with the same; I said that his speedy departure would therefore be very agreeable to me, and that I had also ordered the same to the southern Regents who had come over here. After which I with the

Dutch transcription

ook van de macassaars prins Craeng Data zijn versoek om Sapiria ontlegt. Regenten aangesteld. hadde Woensdag den 3=e Niets voorgevallen „ 4=e zijn alhier g'arriveerd de zuijder Regenten van Bira, Tiro, Lemo eDonderdag zuijden Regenten g'arri„ Lemo en Ianna Beroe ten „veerd. 7 Vrijdag „ 5=e is niets gepasseerd prak Zaturdag „ 6=e zijn bij mij verscheenen de Regent van Bira nevens die onder hun ter visite g'accep„ zijn vendel gehooren met naemen Lemo Lemo, Tanna Beroe glarrang Ara en Craing Bonto Tanga en die van Tiro alleen welker onderhoorige wero, grassing, Lange Lange en glarrang Batang nog niet zijn g'arriveerd met dewelke ik een poos gediscoureert hebbende over de gesteldheijd hunner Landen, zo gaf ik hun te kennen gaarne te zullen zien dat zij weeder spoe„ „dig kwamen te vertrecken ten einde alle brutaliteiten van de Boniers te beletten die denkelijk met de koning aldaar stonden aan te gieren, waar over zij betuijgden zeer verblijd te zijn, en dat zij zig ten spoedigsten daar toe gereed zouden maeken. Hier na kwamen ook onderwijlen den Macassaarse Prins Craeng Data en den geweese tweede Sjahbandhaar van Goa, versoekende om nevens hun gevolg zig ter woon needer te zetten op Sapiria dat ik van de hand wees; onder te kennen gave daar omtrend niet te kun„ „nen disponeeren sonder ordre van Hun Hoog Edelheedens: en dat Hoogst dezelve daar in dinkelijk ook niet zouden bewilligen, dog dat zij nog eenigen tijd geduld moesten neemen, vermits 'er dan wel gelegentheijd zoude voorkomen om hun elders een goed stuk gronds ter bebouwing toe te wijsen dat zij dan ook versogten vervolgens hun afscheijd neemende. vorst Maandag „ 8=e Mits het berigt dat de Regenten van Bira en Siro d'eerste van twee onderhoorige zuijder met zijn onderhoorigen tot vertrek gereed waeren hun bij mij hebbende laeten komen. zo verzogten den eerstgemelde dat als Regenten van Tanna Beroe en Bonto Tanga mogten worden be„ „vestigt Daing Malimpo en Daeng Matiro als daar toe in plaats van d' overleedene Regent en Regentinne door de geza„ „mentlijke Lands volkeren verkooren weesende, waar in ik, mits het bevestigend getuijgenis van dien door de glarrang„ t ten om sondag den 7=e viel niets voor bewilligt „ A ƒ zelve„teert. welke korte Anno 174 en van aals trek„ groo 9 zijn en heb het gebruijk van een kipersol aan Tiro toe„ „gestaan. Aron Kaijoe opgekomen staat weder te vertrecken. bewilligt en die persoonen oversulks tot Regenten aangesteld hebbe onder een gelukwensching en gepaste vermaaning tot trouwe in gehoorsaamheijd aan de Comp=e. Ook hebbe ik op versoek zo van gemelde Craeng Bira en die van Tiro en op het dierwegens gegeeven getuijgenis dat zulks bevoorens altoos was in usantie geweest aan den laatstgemelde het gebruijk van een groote quitasol toegestaan. vervolgens quam na voor af versogt acces bij mij den Bonies 1 Prins Arou Kaijoe; voor weijnige dagen hier van Boelecom„ „ba g'arriveerd; die, na genomen zitplaats, eerst zijn excus gemaakt hebbende van zijn belofte, om Sankilang op te ligten, niet te hebben kunnen volbrengen, verhaalde hoe hij een brief van Arou Mampoe hadde ontfangen waar bij den zelven onder eene vertooning dat hij zedert de dood van Arou Palacca, niet meer weetende met iemand te raadplegen, hem ver„ „zogt te bewerken dat hij pardon kwam te krijgen, dewijl hij an„h „ders zoude moeten swerven en dwaalen; dog dat hij hem g'ant„ „woord hadde hoe hij zelfs wel wist waar de Comp=e en Bonij waaren, en hij Arou Kaijoe vertrouwde dat hem wel pardon zoude worden verleend als hij zulks met opregtheijd zogt; waar over ik hem mijn genoegen betuijgd hebbende, zo gaf hij wijders te kennen dat het in de bogt van Bonij Krielde van Zeeroovers, schoon men niet regt wist wat volk, maar het naast te gelooven was, dat het Boniers moesten weezen en dat hij hier gekomen zijnde mits het vertrek van den Koning in de binnen Landen gaarne weeder na Boelecomba wenschte te vertrecken, uijt vreese voor de kwaede gedoentens van sommigen uijt zijn Hoogheijts gevolg, vragende of hij in zodanig geval wel ge„ „weld met geweld zoude mogen keeren! het welk ik met Ja b'antwoord hebbende en dat hij zig als daar en dus onder 's Comp„s onderdaenen woonagtig, zig met de zelve diende te vereenigen; zeijde ik dat mij zijn spoedig vertrek overzulks zeer aange„ „naam zoude weesen; en dat ik zulks d' alhier overgekomene zuijder Regenten meede hadde bevoolen. waar na ik met den ver

NL-HaNA_1.04.02_3586_0717 view scan ↗

English

Tuesday the 9th, nothing occurred. Wednesday the 10th, the Sandraboneese grandee of the realm, Craeng Baloesang, arrived here with four slaves in reduction of the state debt, who, being found capable, were accepted. I thereupon earnestly admonished him to urge the monarch and the other grandees to a speedy settlement of one half of the debt, and also to repair hither as soon as possible in order to conclude the contract, which he promised to do. Having furthermore entered into conversation with him concerning the other rebels and the reason why none of the foremost officials had yet submitted, he declared that he must attribute this to their fear of the Boniers, who had already caused a multitude of those who had come down from the mountains to be seized. After this, I was informed on behalf of the chief interpreter that Craeng Limbang Parang and Arou Lipoecassie, having come to him, had requested him to propose to me that the negorijen situated in the Sodiang territory, named Tanke Djangan and Kalantoeboe, might be surrendered to the first-mentioned, intimating that they did not doubt that all the Macassar and Tellonese grandees of the realm would then join him; whereupon I let them know through the bookkeeper Deefhout that this could not be done, as it had been forbidden to me by Their High Noble Excellencies. Thursday the 11th, the boom leaseholder Jntje Sadulla, having with my prior knowledge paid a visit to Datoe Baringang, who had invited him, reported to me that this Prince had asked him whether I would grant pardon to Craeng Bonto Panno and Craeng Bonto Nompo if they came to ask for it, to which he, in accordance with the instructions given to him, had replied that he did not doubt it in the least, provided they were truly in earnest and followed the example of Craeng Baroe Mamase, as well as coming to submit themselves under the Company, but that he would speak to me about it and let him know further details; which I ordered him to do, and to tell him that I expected they would come soon. Friday the 12th, nothing of particular importance occurred. Saturday the 13th, there arrived here an embassy from Bouton with the returning commissioners for the extirpation of spice trees. Sunday the 14th, nothing of particular importance occurred. Monday the 15th, nothing occurred. Tuesday the 16th, having previously requested an audience, the Boni Prince Arou Ngatacka appeared before me. After having first made known that, although innocent of that crime, he had been condemned by the Court to pay half the value of the goods stolen from the house of the Chinese Tio Lianko, and had paid that sum to the Soelewattang, he requested that I might regard him just as his brother, the Datoe, and dispose of his person, with the assurance that he would serve the Company on all occasions to the best of his ability, for which I thanked him in appropriate terms. Wednesday the 17th, the Boutonese ambassadors who arrived here some days ago were received with the customary ceremonial. Thursday the 18th until Tuesday the 23rd, nothing occurred. Wednesday the 24th, the boom leaseholder Sadulla, having with my prior knowledge and in accordance with the invitation paid a visit to the Boni Pongauwa Datoe Baringang, brought me in the name of that Prince a writing containing the names of some former grandees of the realm of Tello who had addressed him and requested him to solicit on their behalf so that they might be received in submission by the Company; whereupon I ordered Sadulla to let him know that I would send further word.

Dutch transcription

43 woensdag „ „nij ontfangen. verzoek om negorijen in vrage van Datoe Baringang over twee macassaarse rebellen. denzelven nog in discours geraakt over de verdere Rebellen in de reden dat 'er nog dat 'er geene van de voornaamste amptenaeren in submissie kwaamen, zo verklaarde hij zulks te moeten toeschrijven, aan hunne vreese voor de Boniers, die 'er reets een meenigte van de geene die uijt de gebergtens afgekomen waaren, hadden doen opvatten. 10=e Den Sandrabonijs Rijksgroot Craeng Baloesang hier vier slaven van sandrabo, g'arriveerd met vier slaeven inmindering van de Rijksschuld, die als bekwaam weesende zijn g'accepteerd, zo hebbe ik den zelven ernstig vermaend den vorst en de verdere Grooten tot een spoe„ „dige verevening van d' eene helfte der schuld op te wecken en zig ook zodra mogelijk herwaarts te begeeven ten eijnde het Con„ „tract te sluijten, dat hij toezeijde. Hier na wierd mij van wegen den oppertolk berigt hoe Craeng an„ het sodiangse afgeslagen. Limbang Parang en Arou Lipoecassie bij hem gekomen zijnde, verzogt hadden aan mij voor te dragen dat aan den eerstge„ „melde mogten worden overgegeeven de negorijen in het so„ „diangse gebied gelegen met naemen Tanke Djangan en Ka„ „lantoeboe, onder te kennen gave: dat zij niet twijffelden of alle de Macassaarse en Telloneese Rijksgrooten zouden zig als dan bij hem vervoegen; waar op ik hun door den boek„ „houder Deefhout hebbe laeten weeten, dat zulks niet konde geschieden vermits het mij door Haar Hoog Edelhedens verboden was. Donderdag den 11=e Den Boomspagter Jntje Sadulla met mijne voorkennisse een visite afgelegt hebbende bij Datoe Baringang, die hem hadde laeten inviteeren, zo bragt denzelven mij tot rapport hoe dien Prins hem gevraagd hebbende of ik aan Craeng Bonto Panno en Cra„ „eng Bonto Nompo wel pardon zoude verleenen als zij daarom kwamen versoeken, hij daar op Conform de hem gegeeven inman„ „datis g'antwoord hadde daar aan geensints te twijffelen als het hun regt ernst was en zij het voorbeeld van Craeng Baroe Ma„ „mase volgden mitsgaders zig onder de Compagnie kwamen Dingsdag den 9=e niets voorgevallen te onies lecom¬ cus exc te r rou ver„ ant„ ij en a 3 Ja met o 471 Zaturdag „ retour der Boutonse Com„ „missianten. Sondag den 14:e Maandag „ 15=e Boutons gezanten ingehaald. Dingsdag „loneese om pardon. Donderdag „ 18„' tot te submitteeren, dog dat hij mij daar over spreeken en hem na„ „der bescheijd zoude laeten weeten; het geen ik hem gelast, en om hem te doen aanzeggen dat ik wilde verwagten dat zij spoedig komen zouden. vrijdag den 12=e niets van besondere belang gepasseert. 13=e Arriveerde alhier een gezantschap van Bouton met de terug gekeerde Commissianten tot extirpatie van specerij boomen. niets van sonderling belang voorgevallen. Dingsdag „ 16=e verscheen na voor af versogte acces bij mij den Bonije visite van Aren Agatacka Prins Arou Ngatacka, die, na voor af gedaene te kennen gave hoe hij door het Hof gecondemneerd in de betaeling van Vri de helft der waerde van de geroofde goederen uijt het huijs van den Chinees Tio Lianko, schoon aan dat misdrijf on„M „schuldig, die somma aan den Soelewattang hadde voldaan: de Reg neemn verzogt dat ik hem even als zijnen broeder den Datoe van sedeen„ „ring aanmerken en over zijn perzoon mogte disponeeren met verzeekering dat hij de Comp=e bij alle gelegentheden na vermo„ „gen zoude ten dienste slaan waar voor ik hem in gepaste termen hebbe bedankt. Woensdag den 17=e zijn d' alhier voor eenige dagen g'arriveerde Boutonse gezanten met het gebruijkelijk Ceremonieel ingehaald. niets gepasseerd. „ 23=e woensdag „ 24=e Den Boomspagter Sadulla met mijn voorkennisse, Conform aansoek van verscheijde sel, invitatie, bij den bowijs Pongauwa Datoe Baringang een visite afgelegt hebbende, bragt mij uijt naam van dien Prins een geschrift vervattende de naamen van eenige geweesene Rijksgrooten van Tello die zig aan hem g'addresseerd en versogt hadden om voor hem te solliciteeren, ten einde bij de Comp=e in submissie te mogen worden ontfangen, waar op ik Sadulla last gegeeven hebbe hem te doen weeten dat ik nader bescheijd zoude zenden. Donderdag 1

NL-HaNA_1.04.02_3586_0719 view scan ↗

English

43 consented to the admission of Arou Mampoe by Bonij Friday the 3rd to to the Regents of Zaleijer. take their leave appropriate admonition to them. Thursday the 25th to Wednesday 1st of December nothing occurred. Thursday 2nd, a certain Bonian envoy, who arrived here a few days ago, having informed me in the name of the King that the former king of Goa, Aroe Mampoe, and the Sumbawan Prince Datoe Boesing had made an application to His Highness to be received in submission, who had answered them that he would first give notice of this to me; and that the monarch had therefore sent him hither to learn my approval in this matter, I ordered him to tell his master that I had no objection to His Highness provisionally accepting the aforementioned two Princes. Sunday 5th, nothing of particular note occurred. Monday 6th, The Bonto Bango and the other joint Regents of Saleijer appeared before me to take their leave, being on the point of departure. After an initial expression of my exceptional satisfaction to those who had remained faithful to the Company in the recent troubles that arose there, I admonished the remainder, and in particular the Bonto Bango, in the most serious manner not to allow themselves to be misled in the future into rising up against the Company, adding that for this occasion, out of sheer pity, one had been willing to forgive and forget what had happened, but that they were not to expect such a thing again. For which admonition they expressed their gratitude, promising to observe it sacredly henceforth. Furthermore, as a consequence of my promises previously made to some of those who remained loyal to the Company to remember them in due time, I appointed as second Regent of Balle Boelo one Daeng Matalli, who expressed his obligation for this; and subsequently I represented to the Regents that, as I required some more working people for the coming year, they should leave over 150 of their subordinates and order with respect to Tanne Malawa. Tuesday the 7th to Friday complaint about refused payment of tithes and Sunday and the same repeated again. the governor's indisposition subordinates here under lesser chiefs of their choice, which they willingly accepted. Finally, as it had been made known to me that the Bonians, or others who pretended to be such, were increasingly beginning to settle on the Island of Tanna Malawa, I strictly ordered both the repeatedly mentioned Regents and the Resident Voll to cause those people to move away from there by amicable representations, or, should they not listen to them, by means of force, in order to prevent the ruin of the timber forest on that Island; which having been promised by them, they took their leave. 31st, nothing else occurred except that I repeatedly had the bookkeeper Deefhout, as well as the chief interpreter, lodge complaints with the Bonian soelewattang, not only about the refusal of the required tithes by a multitude of Bonians, but also about various acts of violence committed by them against the Company's subjects and regarding their paddy. Concerning which the aforementioned state official, after the usual manner, repeatedly made promises to provide redress, but the result of which has hitherto, at least for the greatest part, failed to materialize. Saturday the 1st of January to 13th of February 1780. Except for several further protests and complaints made in my name on the aforementioned subjects to the soelewattang and also to the Pongauwa Datoe Baringang with little more fruit than before, though accompanied by the most serious threats, nothing of importance occurred in all this time. This was principally caused by the severe illness and confinement to bed by which I have been afflicted since the middle of November, having hitherto had to keep to my bed for the greater part of the time; being so incapacitated

Dutch transcription

43 geconsenteerd in d' admissie van Arou mampoe bij Bonij vrijdag den 3=e tot aan de Regenten van Zaleijer. neemen afscheijd toepasselijke vermaning aan dezelve. Donderdag den 25=e tot Woensdag „ 1=e December niets voorgevallen. Donderdag „ 2=e zeeker Bonies zendeling alhier voor weijnige dagen g'arriveerd, mij uijt naam van den Koning hebbende doen weeten, dat den geweesene koning van Goa Aroe Mampoe en den sumbarees Prins datoe Boesing, bij zijn Hoogheijd aansoek hadde laeten doen om in submissie ontfangen te worden, die hun hadde g'ant„ „woord daar van eerst kennisse aan mij te zullen laeten geeven; en dat den vorst hem dierhalven herwaarts hadde gezonden om daar omtrend mijn goedvinden te verstaan, hebbe ik hem gelast zijn meester te zeggen dat ik wel lijden mogt dat zijn Hoogheijd de gemelde beijde Princen bij provisie accepteerde. Sondag „ 5=e niets van sonderlinge aanmerking voorgevallen. Maandag. „ 6=e De Bonto Bango en verdere gezamentlijke Regenten van saleijer bij mij verscheenen om afscheijd te neemen, als op hun vertrek staande, hebbe ik na een voor afgaande betuijging van mijn sonderling vergenoegen aan die geenen welken in de Jongst aldaar ontstaane troubles de Comp=e getrouw gebleeven waa„ „ren, de overige en insonderheijd de Bonto Bango op de aller ernstigste wijze vermaand om zig in het vervolg niet meer te laeten verleijden om tegen de Comp=e op te staan, onder bijvoeging hoe men voor deese reijse uijt een enkel meedelijden het gepasseerde wel hadde willen vergeeven in vergeeten, dog dat zij zulks niet meer te wagten hadden. voor welke vermaaning zij hun dankbaarheijd betuijgden onder belofte dezelve voortaan ƒ heijliglijk te zullen nakomen. Voorts hebbe ik als een gevolg van mijne beloften voormaals aan eenige derzulke gedaan die de Comp=e trouw gebleeven zijn om hen in der tijd te zullen bedenken, tot tweede Regent van Balle Boelo aangesteld eenen Daeng Matalli die daer voor zijn verpligting te kennen gaf; en vervolgens aan de Regenten voorgehouden hoe ik voor het aanstaande Jaar nog eenig werk volk benodigende zij ruijm 150. van hunne onderhoorigen ig „ . en ordre ten opzigte van Tanne Malawa. Dingsdag den 7=e tot Vrijdag doleantie over geweijgerde voldoening van thiende en Sondag en het selve nader herhaald. 's gouverneurs indispositie onderhoorigen onder mindere hoofden na haere keuse zoude die, „nen hier te laeten dat zij bereidwillig hebben aangenomen. Eijndelijk hebbe ik zo wel de meermelde Regenten als den Resident voll mits de mij gedaene te kennen gave dat de Boniers of wel anderen die zig daar voor kwamen uijt te geeven zig meer en meer op het Eijland Tanna Malawa begonden needer te zetten, ernstig gelast om dat volk door minnelijke vertogen of zo zij daar na niet luijsteren mogte door middelen van geweld van daar te doen verhuijsen ten einde het ruineeren van het houtbosch ten dien Eijlande te prevenieeren; het geen door dezelve toegezegt zijnde zo namen zij hun afscheijd. „ 31=e niets anders voorgevallen dan dat ik door den boekhouder Deefhout zo wel als door den oppertolk alweeder ver„ gepleegd geweld door bomiers. „ scheijdene maelen hebbe laeten doleeren bij den Bonijs soe„ „lewattang niet alleen over het weijgeren van de verpligte tiende door een meenigte Boniers, maar ook over verscheij„ „dene brutaliteiten door dezelve aan 's Comp„s onderdaanen en omtrend hunne padij gepleegd. waar omtrend voormelde staats dienaar, na den gewoonen trant telkens belofte gedaan heeft redres te zullen bezorgen maar waar van het gevolg tot hier toe, immers voor het grootste gedeelte, agter gebleeven is. Zaturdag den 1=e Ianuarij tot 13=e Februarij 1780. , Behalven verscheijde nadere protestatien en doleantien, uijt mijn naam over de vooren„ „staande onderwerpen bij den soelewattang en ook bij den Pongauwa Datoe Baringang met weijnig meerder vrugt dan voor heen, schoon met de ernstigste bedreij„ „gingen verzeld gedaan, is in al deesen tijd niets van belang g'exteerd. principaal veroorsaakt door de swaare ziekte en bedlegerigheijd waar van ik zedert het midden van November aangetast tot hier toe nog voor het meerendeel van den tijd het bedde hebbe moeten houden; als dermaten niet „

NL-HaNA_1.04.02_3586_0721 view scan ↗

English

arrival in the interior, and of his intention to send envoys to Batavia. Wednesday The Butonese envoys received for a visit. A certain Macassar grandee on Thaing asserts that others are to follow. weakened no less in the faculties of the soul than in the body, that I found myself incapable of even the slightest affairs of any importance, and due to a remnant of lameness in the right hand, unable to use the pen, indeed even merely to sign my name. Monday the 14th. Having previously requested audience, there appeared before me the Bonian Pongauwa Datoe Baringang together with the Soelewattang and Djema Tongang. The last-mentioned made known that he had been sent hither by the king to communicate to me his arrival in the interior and at the same time to congratulate me on the entry of this year. Having thanked him for this, he further made known that His Highness had likewise instructed him to inform me that the Bonians, wishing to send an embassy to Batavia this year, requested a decisive answer concerning the toll on the goods that were to be transported with their transport vessels. To which I answered that, expecting Their High Mightinesses' reply to my letters regarding this daily, I would communicate the same to His Highness as soon as I had received it; adding, however, how I, being privately informed thereof, did not doubt that my conduct would be found in accordance with Their High Mightinesses' intention. Above which I gave him instructions that whenever he should depart again for the interior or send someone thither, to compliment His Highness and that I already greatly longed to see him again soon. Tuesday the 15th. Nothing occurred. The 16th. Having previously requested audience, the Butonese envoys were with me to pay the New Year's compliment; on which occasion I notified them to prepare themselves for departure. Thursday the 17th. It was reported to me by the burgher Fabia Theunisz, living at Malenkeerie, functioning as interpreter, how early yesterday morning an emissary from Craeng Gantarang Pangang, one of the former electors of Goa, had come to him to announce that he was of the intention to submit to the Honourable Company and, already being on the way, had requested him, Fabia, to come to Patiro in order to fetch him from there; that he had immediately ridden thither and, having waited in vain until noon, had returned, but had left a certain emissary, Daeng Mamangong, there with orders that if the said Prince should come, to bring him to Thaing. So that he arrived there in the evening, and upon the request made thereto, had come to him, Theunisz, further making known his intention, in the hope and confidence of being received in submission by me, pursuant to the amnesty offered by the posted Manifesto, and furthermore that he would subsequently be favorably permitted to settle in the village of Toborong without being compelled to remain on Thaing. To which he had also related that several other grandees were also of the intention to submit themselves, but were still prevented by fear, now awaiting whether he would be accepted. Upon this report I instructed Fabia to announce to the said grandee of the realm that he could come to me with an easy mind and that I would grant him pardon, along with the other grandees who also submit with a sincere heart and whom he might be able to persuade thereto, provided that he could meanwhile have audience requested with me. Friday the 18th. The aforementioned Fabia Theunisz came to me again, making known that Craeng Gantarang Pangang, with expressions of gratitude for the favor offered him, had declared that he was only awaiting my order to receive him; further recounting how the Bonian Prince Arou Ngatacka, having arrived on Thaing yesterday with a party of armed men under the pretense of wanting to go hunting around Bonto Bonto, had caused the said grandee of the realm to

Dutch transcription

komste in de binnen landen. en van zijn voorneemen om gezanten na Batavia te zonden. Woensdag „ De Boutonse gezanten ter visite ontfangen zeekere macassaars Rijks„ niet minder in vermogens van de ziel als naar het Lichaam verswackt, dat ik mij zelfs tot de geringste bezigheden van eenig belang onbe„ „kwaam en door een overblijfsel van lammigheijd aan de Regter hand buijten staat hebbe bevonden om de penne te gebruijken Ja zelfs enkel mijne naam te teekenen. Maandag den 14=e Na voor af verzogt acces bij mij verscheenen zijnde den Bonijs berigt wegens bonijs konings Pongauwa Datoe Baringang nevens den Soelewattang en Djema Tongang gaf den Laastgemelden te kennen door den koning herwaarts gezonden te zijn om mij desselfs aan„ „komst in de binnen Landen te Communiceeren en teffens te ver„ „gelucken met den intreede van dit Jaar, waar voor ik bedankt hebbende gaf hij verder te kennen dat zijn Hoogheijd hem ge„ „last hadde mij insgelijks te verwittigen dat de Boniers gaarne dit Jaar een gezantschap na Batavia wenschende te zen„ „den een uijtsluijtend antwoord verzogten nopens den Thol van de goederen die met hunne transport vaartuijgen stonden ver„ „voert te worden. op het welke ik diende dat ik dagelijks Haar Hoog Edelhedens antwoord op mijn schrijvens dierwegens te ge„ „moet ziende het zelve zijn Hoogheijd, zo dra ik het ontfan„ „gen hadde, bedeelen zoude, met bijvoeging egter hoe ik als daar van in het particulier g'informeerd niet 'twijffelde of mijn gedrag zoude over een stemmig bevonden worden met Haar Hoog Edelhedens intentie waar en boven ik hem inmandatis g'af om wanneer hij weeder na de binnenlanden vertrecken of iemand derwaarts zenden mogte zijn Hoogheijd te Compli„ „menteeren en dat ik reeds zeer verlangde hem spoedig wee„ „der te zien. 16=e zijn na voor af verzogt acces bij mij geweest de Boutonse gezanten; ter aflegging van 't nieuw Jaars Compliment; bij welke gelegentheijd ik deselve hebbe aangezegt zig tot ver„ „trek gereed te maeken. Donderdag den 17=e wierd mij door den burger Fabia Theunisz, op Malenkeerie „groot op skaing g'aurend. als tolk fungeerende, gerapporteerd, hoe gisteren in den vroegen Dingsdag den 15=e viel niets voor morgen geeft voor dat anderen staan te volgen. prins op Thaing morgen bij hem gekomen was een zendeling van Craeng ganta„ „rang Pangang, een der geweesene kiesheeren van goa, ter bekendmaeking dat denzelven van intentie om bij d' E: Comp=e in submissie te komen en, zig reets op weg bevindende, hem Fabia hadde doen versoeken om op Patiro te komen, ten einde hem van daar afte haelen; Dat hij ten eersten derwaarts gereeden tot op den middag te vergeefs gewagt hebbende terug gekeerd, dog zeeker zendeling Daeng Mamangong, daar gelae„ „ten hadde met ordre om indien gemelde Prins komen mogte hem op Thaing te brengen, invoegen hij des avonds aldaer g'arriveerd, en op het daer toe gedaene verzoek, bij hem Theunisz. gekomen was, onder nadere te kennen gave van zijn voorneemen, in die hoope en vertrouwen van in submissie bij mij te zullen worden ontfangen, ingevolge d' aangebodene amnestie bij het g'affigeer„ „de Manifest en voorts dat hem vervolgens gunstig zoude worden toegestaan om zig in de negorij Toborong te mogen needer zetten zonder genoodzaekt, te zijn op Thaing te blijven. waar bij hij nog hadde verhaald dat nog verscheijde andere grooten meede van intentie waaren om zig in submissie te begeeven dog als nog door vreese belet wierden als nu afwagtende of hij zoude g'accepteerd worden. Op dit berigt gaf ik Fabia last gemelden Rijksgroot aan te kundigen dat hij gerustelijk bij mij komen en ik hem pardon verleenen zoude nevens de verdere grooten die zig met een op„ „regte hart meede submitteeren en hij daar toe mogte kunnen overhaelen mitsgaders dat hij inmiddens acces bij mij konde laeten vragen. Vrijdag den 18=e kwam opgemelde Fabia Theunisz weeder bij mij, te kennen geevende komst van zeker bonijs dat Craeng Gantarang Pangang, onder dank betuijging voor de hem aangebodene gunste, verklaard hadde maar op mijne ordre te wagten om hem te ontfangen; verhaelende voorts hoe den Bonijs Prins Arou Ngatacka gisteren met een parthij gewapende man„ „schap op Thaing gekomen onder voorgeeven van omstreeks Bonto Bonto op de Jagt te willen gaan, gemelden Rijksgroot hadde doen de doen

NL-HaNA_1.04.02_3586_0723 view scan ↗

English

have the Regentess conferred with about that. received in submission. caused him to be requested to accompany him thither, making known that his real intention was to attack two places, but that the way was unknown to him, which request Craeng gantarang Pangang had declined, but that Arou Ngatacka had nevertheless departed without anyone knowing whither. I ordered Fabia to inquire of Craeng Thaing concerning the latter, or rather where Aron Ngatacka had gone, with the notification that it had been her duty to give me notice of his arrival on Thaing and his purpose, as well as that I, on account of her neglect in this matter, held her accountable for the evil consequences should he undertake anything other than hunting, adding that he was not even at liberty to do such toward Bonto Bonto or elsewhere in the Macassar region, as it now belongs to the Company. Saturday the 19th I was informed by Fabia Theunisz. that the said Bone Prince Arou Ngatacka had already returned yesterday with his people from Thaing back to the Bugis Kampong, and that he therefore had not yet delivered the message with which he was charged to Craeng Thaing, which I approved. He has departed again. Sunday the 20th nothing occurred. Monday the 21st The former Goa kinsman Craeng gantarang Pangang, accompanied by his son, as well as a nephew of Craeng Manoedjong and some lesser Macassars of their retinue, this morning, after having previously requested an audience, were brought to me unarmed by the chief interpreter, and having most humbly asked for pardon for their rebellion, I granted them the same with an appropriate serious address, and consequently delivered their sidearms back into their hands; for which, filled with an extraordinary joy that shone on their faces, having given thanks, they among other things made known that they had long since formed the intention to submit, but had been deterred therefrom out of fear through the instigation of ill-disposed persons, who three Macassar grandees had made them believe that the Europeans sought nothing else than to get them into their hands through sweet words in order to banish them from here, of the contrary of which they testified they were now assured, with the promise to make every effort to persuade their countrymen also to follow their example. their promises. Tuesday the 22nd to Saturday the 26th nothing of particular importance occurred. complaint about unwilling payers of tithes. Sunday the 27th Upon the complaints received from the shipper at Marol, Sergeant Kintzing, regarding the unwilling payment of the due tithe by a multitude of Bone people, I sent the Captain of the Moors thither, with orders to proceed further to the remaining provinces to persuade them to pay by showing a written sealed document from the Pongauwa Datoe Baringang, granted at my request and handed to that emissary. Monday the 28th to Wednesday the 1st of March, nothing occurred. Arou Mampoe and associates departed for the interior. Thursday the 2nd it was reported to me by the burgher Fabia Theunisz. that Craeng Gantarang Pangang had told him the day before yesterday that he had received certain information that the former Goa king Arou Mampoe, together with the Craengs Candjilo and Sapana, had retreated from Parigi to the Bone interior and had even been fetched by emissaries of Arou Tanette Malolo. Friday the 3rd to Wednesday the 8th nothing occurred. discovery of contraband trade on Thaing. Thursday the 9th it was reported to me that some days ago a small Paduakang had arrived at Thaing via the river of Goa, whose crew had pretended to be people of the Adatouang of Sedeenring, but who had been discovered to have offloaded a quantity of opium there, which was now being sold there almost publicly and even around the house of the Regentess; while the importers had departed again after a stay of two days. Whereupon

Dutch transcription

43 de Regentinne daar over doen onderhouden. in submissie ontfangen. doen versoeken om hem derwaarts te verzellen, onder te kennen gave: dat zijn weezentlijke intentie waare om twee plaatsen t'attacqueeren dog hem den weg onbekend was, welk versoek Craeng gantarang Pan„ „gang van de hand geweesen hadde, dog dat Arou Ngatacka des niet te min vertrocken was, zonder dat men wist werwaarts. Jk gaf Fabia last om zig bij Craeng Thaing naar het laast gemelde of wel waar Aron Ngatacka na toe was te informeeren, onder aan„ „kundiging dat het haar pligt was geweest mij van zijn komst op Thaing en zijn oogmerk te doen kennisse geeven, mitsgaders dat ik, mits haar versuijm in deezen, de quaede gevolgen voor haare reekening liet zo hij iets anders onderneemen mogte dan Jagen met bijvoeging dat hem zulks ook nog niet eens vrij stond, na Bonto Bonto of elders in 't Macassaarse te doen als thans de Compagnie toebehoorende. Zaturdag den 19=e wierd mij door Fabia Theunisz. berigt dat op gemelden Bonijs hij is weder vertrocken. Prins Arou Ngatacka reets gisteren met zijn volk van Thaing weeder na de Bougineese Campong terug gekeerd; en hij dus de boodschap waarmeede hij belast was nog niet aan Craeng Thaing gedaan hadde dat ik goed gekeurd hebbe. Sondag den 20=e niets voorgevallen Maandag „ 21=e De geweesene Goas kisheir Craeng gantarang Pangang in drie macassaarse groten gezelschap van zijn soon, mitsgaders een neef van Craeng Manoedjong en eenige mindere Macassaeren van hun gevolg deezen morgen na voor af verzogt acces, ongewapend door den oppertolk bij mij gebragt en door dezelve op het ootmoe„ „digste om parden over hun opstand verzogt zijnde, hebbe ik haar het zelve, onder een toepasselijke ernstige aan„ „spraak verleend, en hun over zulks hunne heupgeweeren E weeder ter handen gesteld; waar voor zij, vervuld van een ongemeene blijdschap die in hun aangezichten uijtblonk, be„ „dankt hebbende; zo gaven zij onder anderen nog te kennen dat zij al voor lange het voorneemen hadden opgevat om zig t' onderwerpen maar uijt vreese daar van weederhouden wae„ „ren geworden, door d' instigatie van kwaad gezinden, die ude hun te . hunne beloften. Dingsdag den 22=e tot doleantie over omvillige betaalders van thiende Maandag den 28=e lot Donderdag Arou Mampoe C: s: na se binnen landen vertrocken. Vrijdag den 3=e tot Woensdag „ 8=e „del op Thaing hun hadden diets gemaakt dat d' Europeesen niets anders zogten dan hun door soete woorden maar in handen te krijgen ten eijnde z' van hier te verzenden van welker tegendeel zij betuijgden als nu verzeekert te zijn, met belofte alle devoir te doen om hunne landslieden meede over te haelen, hun voorbeeld te volgen. Zaturdag „ 26=e niets van sonderling belang gepasseerd. Sondag „ 27=e Hebbe ik op d' ontfangene klagten van den afscheeper te Marol den Zergeant Kintzing, over onwillige betaeling der verschuldigde tiende, door een meenigte Boniers den Ca„ „pitain der Mooren derwaarts gezonden, met last om ook verder te gaan na de overige provintien, om dezelve tot voldoe„ „ning te persuadeeren door vertooning van een schriftelijk gezegeld geschrift van den Pongauwa Datoe Baringang op mijn versoek verleend, en aan dien zendeling ter hand gesteld. woensdag „ 1=e Maart, niets voorgevallen. „ 2=e wierd mij door den burger Fabia Theunisz. gerappor„ „teerd dat Craeng Gantarang Pangang hem op eer giste„ „ren gezegt hadde zeeker berigt bekomen te hebben dat de geweesen Goas koning Arou Mampoe nevens de Craengs Candjilo en Sapana uijt de Parigi na de Bonijse binnen Landen geweeken en zelfs door sendelingen van Arou Tanette Malolo zouden afgehaald weezen. niets gepasseerd. Donderdag „ 9=e wierd mij berigt dat voor eenige dagen een kleene Paduakang door de ontdekking van morshan„ rivier van Goa op Thaing gekomen was, welker opvaarende hadden voorgegeeven volk van den Adatouang van Sedeenring te weezen, dog dewelke men had ontdekt dat aldaar een parthij amfioen afge„ „zet hadden, die thans aldaar genoegsaam opentlijk en zelfs omtrend het huijs van de Regentinne verkogt wierd; terwijl d' aanbrengers na een verblijf van twee dagen weeder vertrocken waeren. waar op vals de

NL-HaNA_1.04.02_3586_0725 view scan ↗

English

51 counterfeit schellingen in Friday the 10th until certain Macassar prince received in submission of a smuggling vessel at Thaing the Regentess whereupon I ordered the citizen Theunisz to inquire further into the matter and furthermore to keep a watchful eye whenever similar vessels might come up the river again, in order to report to me immediately. Owing to the import from outside of a multitude of counterfeit ship schellingen, which are thought to come from Borneo, whereby everyone is made reluctant to accept even the good ones, although formerly very popular, I made known to the moneychangers and others, as well as through the soelewattang to the Bone people, that they may cut up and throw away all counterfeit schellingen, but will remain obliged to accept the good ones. Tuesday 21st nothing happened except that the Bouton envoys received their dispatch on the 15th. Wednesday 22nd the Macassar Prince Craeng Bonto Panno was introduced to me by his son-in-law the Bone Pongauwa Datoe Baringang to submit himself, whereupon I granted him a pardon upon the return of his kris and an appropriate admonition. Thursday the 23rd upon the report given to me by Fabia Theunisz that a vessel further report of the arrival through the river of Goa had arrived at Thaing, whose crew claimed to be people of Sedeenring and to have been sent thither by the Datoe with some goods for his wife and further family; I ordered the said Fabia together with the bookkeeper Deefhout not only to inspect the same, but also, upon finding contraband goods, to address Craeng Thaing concerning its admission. Friday the 24th the said servants having departed today for the aforementioned purpose to Thaing, inquiry in that regard brought back the report that they found in the said vessel a lot of coarse Coast linens, seemingly of an English sort, and having confronted Craeng Thaing with the unauthorized arrival and admission thereof, she had, as it were, asked her grandees whether they knew nothing about the old law in that regard; but these giving no answer thereto, she had subsequently said that I should not pay attention to market gossip as if she were engaged in illicit trade; whereupon they had replied that this could not be market gossip the walk introduction of his Friday visit of Arou Pan- report of more departed Macassars who claim to wish to come in submission. visit of Craing Bon- tolancas cum suis be, but indeed a proven truth, as was to be seen from the inspection, with an admonition therefore not to unload the vessel before and until I should give permission thereto, which she had said she would comply with. Saturday the 25th until nothing remarkable occurred. 31st the introduction of his Right Honorable the Right Honorable High Esteemed Lord Governor-General Reinier de Klerk was accomplished. Toward the evening I received a visit from the Tanete Prince Aron Pantjana, who however had nothing remarkable to say. Saturday the 1st of April I was informed by the chief interpreter that Craeng Gantarang Pangang, together with the two Princes who had come in submission with him, mentioned under the date of 21st of February, having gone to the mountains to persuade the remaining Macassar grandees still residing there likewise to submit to the Company; he, the chief interpreter, related that he had met there only Craeng Patalassang, who had declared that he was already inclined of his own accord to submit, but that he, having received emissaries from the Craengs Bonto Manaij and Bodia as well as the glarrangs Tompo Boelo, Mangassa, and Patjelikang, who also had the same intention, with the request to wait for them there until they could join him in order thus to depart hither together, he had promised them such and would also do so until the upcoming full moon, but if they did not come by then, he would come down alone with his people. Thereafter the Macassar Princes Craing Bontolancas and Craeng Data appeared before me to congratulate me on the arrival of the New Year, after which they made a request to be allowed to take up residence at Sapiria, which I rejected because that village lies too close to the sea, yet with an admonition to look out for another piece of land behind Goa and to indicate the same to me, with the promise to put them in possession thereof, if practicable. After the said Princes had departed, there came to me the Thursday 30th to Soelewattang Right Honorable tjana

Dutch transcription

51 valsche schellingen in Vrijdag den 10„e tot zeeker macassaars prins in submissie ontfangen van een smockel vaar„ „tuijg op Thaing de Regentinne op ik aan den burger Theunisz last gegeeven hebbe om zig daar ontrend nader t' informeeren en om voorts een waakend oog te houden wanneer er weeder diergelijke vaartuijgen de rivier opkomen mogten ten einde mij daar van ten eersten rapport te doen. Mits den aanbreng van buijten van een meenigte valsche scheepjes schellingen, die men meend dat van Borneo komen, waar door een ieder afkeerig word gemaakt om ook de goede, schoon voortijds zeer gewild, t'accepteeren, hebbe ik aan de wisselaars en anderen zo meede door den soelewattang aande Boniers doen weeten datze alle val„ „sche schellingen, door kappen en weg werpen kunnen maar gehouden zullen blijven de goede t' ontfangen. Dingsdag „ 21=e is niets gepasseerd dan dat de Boutonse gezanten den 15=e hun depeche gekreegen hebben. woensdag „ 22=e Js. den Macassaars Prins Craeng Bonto Panno door zijn schoon zoon den Bonies Pongauwa Datoe Baringang bij mij g'introduceert om zig te submitteeren waar op ik hem pardon verleend hebbe onder terug gave van zijn kris en toepasselijke vermaening Donderdag den 23=e op het mij gegeeven berigt door Fabia Theunisz, dat 'er een vaartuijg nader berigt vande komst door de rivier van Goa op Thaing. was gekomen welker opvaarende voor„ „gaven volk van sedeenring en door den Datoe derwaarts gezonden te zijn met eenige goederen voor zijn vrouw en verdere famille; hebbe ik gemelde Fabia nevens den boekhouder Deefhout gelast om het zel„ „ve niet alleen te visiteeren maar ook bij bevinding van Contra bande whaaren Craeng Thaing over dies admissie t' onderhouden. Vrijdag den 24=e gemelde bediendens heden ten voorsz: einde na Thaing vertrocken zijnde, ondersoek dierwegens bij bragten tot keer berigt dat zij in het gemelde vaartuijg een parthij grove lijwaten Cust, zo het scheen Engelsche zoort, gevonden en Craeng Thaing d' ong'oorloofde komst en admissie van dien voorgehouden hebbende, zij quasi aan haere Rijksgrooten hadde gevraagd of zij daar omtrend niets wisten van d' oude wet; dog deese daar op geen and„ „woord geevende, vervolgens gezegt hadde dat ik mij aan geen passer praatjes als of zij zig met morshandel op hield moeste stooren; waar op zij weeder hadden gediend dat dit geen passer praatjes konden zijn de wandeling voorstelling van zijn vrijdag visite van Arou Pan„ berigt van nog uijtge„ „weken macassaren die voorgeven in sub„ „missie te willen komen. visite van Craing Bon„ „tolancas C: S: zijn maar wel een beweesen waarheijd gelijk uijt de visitatie was he „men te blijken, onder vermaening dierhalven om het vaartuijg niet te lossen voor en aleer ik daar toe permissie kwam te geeven, dat zij gezegt hadde te zullen nakomen. Zaturdag den 25=e tot is niets sonderling voorgevallen „ 31= Js de voorstelling van zijn Hoog Edelheid den Hoog Edelen groot Achtbaeren Heer Gouverneur Generaal Reinier de klerk volbragt. Tegen den avond ontfing ik een visite van den Tanets Prins Aron Pantjana, die egter niets sonderling te zeggen had. Zaturdag den 1=e April wierd mij door den oppertolk berigt dat Craeng gantarang Pan„ „gang, nevens de twee met hem in submissie gekomene Princen vermeld onder dato 21=e februarij, zig na het geberg te begeeven hebben„ „de om de zig aldaar nog bevindende overige Macassaarse grooten te beweegen zig insgelijks aan de Comp=e t'onderwerpen; hem opper„ „tolk verhaald hadde aldaar eenlijk Craeng Patalassang te hebben aangetroffen, die betuijgd hadde, uijt zig zelven reets genegen te zijn geweest om zig te submitteeren, dog dat hij sendelingen gekreegen hebbende van de Craengs Bonto Manaij en Bodia mitsgaders de glarrangs Tompo boelo, Mangassa en Patjelikang, die ook dezelve intentie hadden, met versoek om op hen dierhalven zo lange daarva kennis te wagten dat zij bij hem konden komen ten einde dus te saemen, na herwaarts te vertrecken, hij hun zulks beloofd hadde en het zelve ook doen zoude tot het aanstaande volle ligt, dog wanneer zij dan niet kwamen hij alleen met de zijnen zoude afkomen Hier na verscheenen bij mij de Macassaarse Princen Craing Bonto„ „lancas en Craeng Data, om mij met den intreede van het nieuwe Jaar te vergelucken, waar na zij versoek deeden om zig met 'er woon na sapiria te mogen begeeven, dat ik hebbe van de hand geweesen om dat die negorij te na aan zee is leggende, met aanmaening nog thans om na 20„ een ander stuk Lands agter goa uijt te zien en mij het zelve op te geeven met belofte hun, des doenlijk, in dies bezit te stellen. Na dat gemelde Princen vertrocken waaren kwam bij mij de Donderdag „ 30=e om Soelewattang Hoog Edelheijd „tjana

NL-HaNA_1.04.02_3586_0727 view scan ↗

English

53 Complaints about violence committed by Tanetterese on Sagerie. Information thereof given to Aron Pantjana with request to assist the subjects. And had a protest lodged about it with Aron Tanette. Monday. The sulewatang of Craeng Catene, complaining about Craeng Tanette; who, having sent to him for four of his buffaloes that were supposedly stolen and carried off to the settlement Tompo, the untruth whereof had nevertheless appeared upon investigation, had nonetheless seen fit to send a large party of armed people to Sagerie under the command of a certain Lasarassa and three other petty princes, who, under the pretext of wishing to seize a certain Tanetterese named Latanki, had completely plundered the settlement Sailong and robbed the inhabitants of all their goods, consisting of such articles as stood mentioned in a note which the said sulewatang delivered to me; with the further addition how two days thereafter, two pabitjaras had come to Craeng Cattene to announce to him on behalf of Craeng Tanette that he would not only have to make all the Tanetterese move away from Sagerie, but also to make a division of those who, mutually married to subjects, had children. Whereto by Craeng Cattene the only answer given was that he could do neither the one nor the other without orders from his master. Towards the evening I received a visit from the Tanette Prince Arou Pantjana, to whom, after holding another conversation concerning the unwillingness of his subjects to pay the tithe; against which he promised to make provision; I gave notice of the aforementioned case, and of my intention to lodge a complaint against it in the most serious terms and to demand satisfaction, with an admonition nevertheless, in case the frequently mentioned Craeng Tanette might meanwhile venture to do the subjects any molestation, to maintain and support them vigorously, which he promised; and for that purpose to depart to Sagerie as speedily as possible. Sunday the 2nd nothing occurred. The 3rd I dispatched the first envoy Daeng Mandjarekie and Captain of the Moors Abdul Cadier to Tanette with a written instruction containing a complaint about the violence committed by his people on Sagerie according to the report under the first of this month, and to demand satisfaction thereof as well as simultaneously the settlement of the state debt. Tuesday the 4th nothing occurred. Wednesday the 5th, upon the complaints made concerning the kidnapping of three subjects from the settlement Matjina in Maros, by a certain Anrongoeroe Joa of Arou Paling orang named Lawagie, who had nevertheless on that occasion been shot dead by a nephew of Craeng Tanralile, while one of his accomplices named Tjalla Ballang had transported the said three people hither; I lodged a complaint both with the sulewatang and the Pongauwa, which last mentioned sent the same to me on Thursday the 6th, with an accompanying message that, having got into his hands three of the accomplices in that brutal enterprise, he had already had the guiltiest one put to death, and that he would summon Arou Paling orang hither or if necessary even fetch him from Maros himself. Friday the 7th, after access previously requested, the Bone state fiscal and the glarrang of Bontuala came to me to make known that the King, in place of the deceased Moentoe, had appointed the second interpreter Passeere as first court interpreter, for which I instructed them to thank His Highness. Saturday the 8th nothing occurred. Sunday the 9th the Captain of the Moors Abdul Cadier and first envoy Daeng Mandjarekie returned from Tanette, reporting concerning their experiences there: That upon their arrival at Tanette, having presented the contents of their instruction to the King in the presence of practically all the grandees of the realm, the same had given the following answer thereto: 1st That he had not had subjects of the Company plundered, but indeed his own. 2nd That his order to make a hostile incursion into the Company's land for that purpose had not occurred until after he discovered

Dutch transcription

53 klagten over gepliegd geweld door Tanetteresen op Sagerie. lange daar van aan Aron Pantjana kennis gegeven met versoek en daar over bij Aron„ Tanette doen protesteeren: Maandag „ soelewattang van Craeng Catene, klaegende over Craeng Tanette; den welken bij hem gezonden hebbende om vier zijner buffels, die gestolen en na de Negorij Tompo vervoerd zouden weezen, waar van nogthans d'onwaarheijd bij onderzoek gebleeken was, des niet te min hadde kunnen goedvinden een groote troup gewa„ „pend volk na Sagerij te zenden, onder aanvoering van eenen Lasa„ „rassa en drie andere Prinsjes, die, onder voorgeeven van zeekeren Tanetterees Latanki te willen opligten, de negorij Sailong geheel uijtgeplunderd en d' Jnwoonders van alle hunne goederen beroofd hadden, bestaande in zodanige articulen als vermeld stonden bij een notitie, die gemelde soelewattang mij over„ „handigde; met verdere bijvoeging hoe twee dagen daar aan, twee pabitjaras bij Craeng Cattene gekomen waeren om hem uijt naam van Craeng Tanette aan te zeggen dat hij niet alleen alle Fanettereesen van Sagerie zoude hebben te doen verhuijsen, maar ook een verdeeling te maeken van die geene welke over en weeder met onderdaanen getrouwd, kinderen hadden. waar op door Craeng Cattene alleen ten antwoord was gegeeven dat hij nog het een nog het ander doen konde zonder ordre van zijn Gebieder Tegen den avond ontfing ik een visite van den Tanets Prins Arou Pantjana den welken ik na het houden van een ander gesprek raekende d'onwilligheijd zijner onderdaanen in het voldoen van om d' onderdanen t' assisteeren. tiende; waar tegen hij beloofde voorsieninge te zullen doen; van het voorsz: geval kennis gaf, en van mijn voorneemen om daar tegen in d' ernstigste termen te doen doleeren en satisfactie te vragen, met aanmaning nogthans om ingeval meermelde Craeng Tanette zig inmiddens onderstaan mogte de onderdaanen eenig molest aan te doen, hen kragtdoedig te maintineeren en t' ondersteunen het geen hij toezeijde; en om ten dien eijnde ten spoedigsten na Sagerie te zullen vertrecken 3=e Hebbe ik den eerste zendeling Daeng Mandjarekie en Capi„ „tain der Mooren Abdul Cadier na Tanette gedepecheert met een schriftelijke Jnstructie vervattende doleantie over zondag den 2=e viel niets voor het Ra„ niet . de k o men, het woensdag Doleantie over het roven van 's Comp„s onderdanen op maros. dezelve weder gekreegen benoemt. Zondag Antwoord van Arou Tanette op het protest. over het geweld door de zijne gepleegd op Sagerie na het vermelde onder primo deser, en om daar over satisfactie t' eijsschen mits„ „gaders teffens voldoening van de Rijksschuld. Dingsdag den 4=e Js niets voorgevallen 5=e op de gedaene klagten wegens het roven van drie onderdaenen van de negorij Matjina op Maros, door zeekeren Anrongoeroe Joa van Arou Paling orang in naeme Lawagie, die nog thans bij die occasie door een neef van Craeng Tanralile is dood geschoten terwijl eenen van zijn Complicen Tjalla Ballang geheeten de gemelde drie menschen herwaarts hadde vervoerd; hebbe ik zo wel bij den soelewattang als den Pongauwa doen doleeren, wel„ „ken laatstgenoemden mij dezelve des Donderdag den 6=e toezond met een bij gevoegde boodschap dat hij drie van de meede plig„ „tige in dat brutaal bedrijf in handen gekreegen hebbende den schul„ „digsten reeds hadde doen ombrengen en dat hij Arou Paling„ „orang herwaarts ontbieden dan wel des noods zelfs van Maros afhaelen zoude. Vrijdag den 7=e kwamen, na voor af verzogt acces, bij mij den Bonijs Rijks„ een nieuwe bonijse tolk fiscaal en den glarrang van Bontuala ter bekendmaeking dat den koning insteede van den overleeden Moentoe tot eerste „delin hoftolk hadde benoemt den tweede tolk Passeere, waar voor ik hun gelast hebbe zijn Hoogheijd te bedanken. Zaturdag den 8=e Js niets voorgevallen „ 9=e Reverteerden van Tanette de Capitain der Mooren Abdul Cadier en eerste zendeling Daeng Mandjarekie, wegens hun weeder„ „vaeren aldaar, relateerende: Dat zij bij hun aankomst te Tanette den Koning, in tegenwoordigheijd van genoegsaem alle de Rijksgrooten, den inhoud hunner Jnstructie voor„ „gehouden hebbende, den zelven daar op het volgende ant„ „woord hadde gegeeven. 1=o Dat hij geen onderdaanen van de Compagnie maar wel sijne eigene hadde laeten plunderen. 2=e Dat zijn bevel, om ten dien eijnde een vijandelijke inval in 's Comp„s land te doen, niet eer geschied was, dan na dat hij ontwaar

NL-HaNA_1.04.02_3586_0729 view scan ↗

English

33 in later report of the envoys. Monday the 10th until Rebel. had learned that Craeng Cattene had refused to give any satisfaction regarding the complaints about the theft of some buffaloes belonging to Sanetlereesen, by subjects of the Company. 3rd That concerning the debt of Matinroa Risoreang, the Tattereesen were obliged to pay it, but the settlement of that which had served for their assistance would fall too heavily, since his ancestors of old had agreed with the Company to assist one another; but that in case the Company wished to break this agreement and persist in demanding that payment, they would not only be forced thereto, but he would then also return the medal. 4th That with regard to the complaints about his indifferent behavior toward the Company, he had professed his innocence and thereby testified that he had presented his grievances to the Company two or three times, but having received little hearing, he and his people had betaken themselves to Bonij, knowing well that they are slaves of Bonij. To which the said envoys added that a certain La Eza, having asked the King, after obtaining permission to speak, whether it would not be better to deliberate over the Instruction brought along and then give an answer, the King had lashed out against him with many abusive words and chased the said La Eza away; who subsequently, as was said, had betaken himself to Arou Pantjana; and that the rumor already circulated that the other grandees would also follow his example as soon as it should come to an open rupture. Tuesday the 18th During these days nothing of singular importance occurred, report regarding the leader except that on the 14th I was informed that the Rebel Tankilang, having descended from Tasese, was at Bonto Bonto, and having had some banners sprinkled with blood, intended to attack Thaing; regarding which I immediately sent out some trusted persons on reconnaissance. Wednesday the 19th a report was brought to me by one of the aforesaid spies that further news the Rebels, to the number of about eight hundred men, were staying at Kaballoekang and genuinely intended to attack Thaing. Thursday the 20th and Friday the 21st nothing occurred. and of their march. Saturday the 22nd I received a report that a troop of Rebels with three banners had passed Batang Kaloekoe. An envoy from Bouton arrived. Toward evening a vessel from Bouton arrived here with an envoy, who made his arrival known to me, whereupon I had him complimented. Inquiry of Craeng Thaing regarding the Rebels. The Thainders supply them with provisions. Sunday the 23rd it was reported to me by Fabia Theunisz that Craeng Thaing having asked him yesterday what she ought to do in case of a hostile attack by the Rebels, he had answered thereupon, in conformity with the orders given in mandate to him and Sergeant Stolberg by me, that she had to protect herself, but that since it had been reported to him that a troop of Thainders, twelve to 15 men strong, all on horseback, had been to the Rebels and had returned, having without doubt provided them with provisions, he, having reconnoitered the surroundings of Batang Kaloekoe together with circa fifty Madurese, had found that the Rebels had already retreated back to the mountains. Monday the 24th nothing occurred. Tuesday the 25th the Boutonese envoy who arrived here was received under the customary Bouton envoy received. ceremonial. Wednesday the 26th to Tuesday the 2nd of May nothing occurred. Wednesday the 3rd news was received here that a party of Rebels had appeared Incursion of the Rebels into Poelembankeeng. in the territory of Poelembankeeng, and in the afternoon the Sandraboneese grandee of the realm Craeng Baloesang and an envoy of Craeng Anasadjing appeared before me, relating that Sankilang had arrived the day before yesterday at the negorij Panjakalang with a troop of three hundred men, having sent to the King to announce that he was about to enter Sandrabonij.

Dutch transcription

33 in naver berigt der zen„ „delingen. Maandag den 10=e tot Rebel. ontwaar was geworden dat Craeng Cattene geene voldoening hadde willen geeven op de klagten wegens het steelen van eenige buffels aan Sanetlereesen toebehoorendes, door 's Compag„ „nies onderdaanen. 3=o Dat wat de schuld van Matinroa Risoreang betrof de Tatte„ „reesen gehouden waaren die te betaelen, dog de voldoening van het geene tot haare assistentie gediend hadde te swaar zoude vallen, wijl zijn voorzaten van ouds met de Comp=e over een gekomen waaren elkander t' assisteeren; dog dat inge„ „valle de Comp=e deese over eenkomst verbreeken en op die voldoe„ „ning blijven slaan wilde, zij daar toe niet alleen wel genood„ „zaakt weesen maar hij dan ook de medaille te rug geeven zoude. 4=o Dat hij met opzigte tot de klagten over zijn onverschillig gedrag tot de Comp=e zijn onschuld te kennen gegeeven en daar bij betuijgd hadde hoe hij wel twee of drie maal zijne be„ „zwaarnisse bij de Comp=e voorgedragen maar weinig gehoor gekreegen hebbende hij zig nevens de zijne bij Bonij hadden begeeven als wel weetende slaeven van Bonij te zijn. waar bij gemelde zendelingen nog voegden hoe zeekeren La Eza„ den Koning, na bekomen verlof om te spreeken, gevraagd hebbende; of het niet beter zoude weesen over de meede gebragte Jnstructie te raad pleegen en dan antwoord te geeven! deeze daar tegen met veel scheldwoorden uijtgevaeren en gemelde La Eza weg gejaagd hadde; die vervolgens zo als gezegd wierd zig bij Arou Pantjana had vervoegd; en dat het gerugt reets liep dat ook de overige grooten zijn voorbeeld zouden volgen zo dra het maar tot een rupture komen mogte. Dingsdag „ 18=e Geduurende deese dagen viel niets van sonderling belang voor berigt wegens den hoofd dan dat mij op den 14=e berigt wierd hoe den Rebel Tankilang van Tasese afgezakt, zig op Bonto Bonto bevinden en eenige vendels met bloed hebbende doen besprengen, voor„ „neemens zoude weezen Thaing t'attacqueeren; waar omtrend ik ten eersten eenige vertrouwden op kondschap hebbe uijtgezonden woensdag nadere tijding Donderdag den 20„e en vrijdag en van hun marsch. een gezant van Bouton gekomen. vrage van Craeng Thaing omtrend: de Rebellen. de shainders bezorgen hun. proviant. Woenddag „ Jnval der Rebellen in Poelembankeeng. woensdag den 26„e tot woensdag den 19=e wierd mij door een der evengemelde spions rappert gebragt dat de Rebellen ten getalle van omtrend agt hondert koppen zig te kaballoekang onthielden en weezentlijk van intentie zoude weezen Thaing te attacqueeren. niets voorgevallen „ 21:e Zaturdag „ 22=' kreeg ik berigt dat een troup Rebellen met drie vendels voor bij Batang Kaloekoe gepasseert waaren. Tegen den avond arriveerde alhier een vaartuijg van Bouton, met een gezant, die mij zijn komst deed bekend maeken waar over ik hem hebbe laeten Complimenteeren zondag den 23=e wierd mij door Fabia Theunisz. gerapporteerd dat Craeng Thaing hem op gisteren hebbende laeten vragen wat haar bij een vijande„ „lijke attacque door de Rebellen te doen stond, hij daar op, Conform de hem door mij en aan den zergeant stolberg gegeevene inmanda„ „tis, g'antwoord hadde dat zij haar zelve moest beschermen dog dat hem zedert berigt geworden zijnde hoe een troup Thainders sterk twaalf â 15. man alle te paard na de Rebellen geweest en te rug gekomen waaren hen buijten twijffel van provisien voorsien hebbende, hij nevens Circa vijftig Madureesen omstreeks Batang kaloekoe hebbende gerecognosceert, bevonden had dat de Rebellen reets weeder na het gebergte terug getrocken waaren. Maandag den 24=e is niets gepasseerd Dingsdag „ 25=e is den alhier g'arriveerde Boutons gezant onder het gebruijke„ Boutons gezant gereespuent„ lijk Ceremonieel gerecipieerd. niets voorgevallen. 3=e wierd alhier tijding ontfangen dat zig een parthij Rebellen 2 in het Poelembankeengse hadden vertoond, en des nademiddags verscheenen bij mij den sandrabonijs Rijksgroot Craeng zee Baloesang en een zendeling van Craeng Anasadjing, verhaelende h dat Sankilang eergisteren, op de negorij Panjakalang, met een troup van drie honderd koppen gekomen aan den koning gezonden boo hebbende, = ter bekendmaeking dat hij in Sandrabonij stond tang Dingsdag „ 2=e Meij

NL-HaNA_1.04.02_3586_0731 view scan ↗

English

Rumor that Arou Pantjana wants to attack Soping. The Rebels departed for the Tourattease. Force sent thither. to come to speak with him, the latter had not only sent him in reply that he should beware of doing so, but because it appeared as if he nevertheless wanted to come, he had sent out a party of armed men to advance against him, with the result that the same had taken another route; I ordered the said high official to thank his master for the notification, conveying to him nevertheless that I would rather have seen the Sandrabonians admit the Rebel and secure his person, in which case, in addition to the bounty placed on his head, they would also have earned much glory with the Company. After this, an envoy from Soping named Goeroe Pakaijoe also came to me, recounting to me among other trivial talk on behalf of his master that Arou Pantjana reportedly intended first to attack Soping and then to unite with Wadjo and together attack Bonij, for which report I ordered the said envoy to thank his master, but that I could not nor would believe it until I saw it. Thursday the 4th I received news that the Rebel Sankilang was with his band in the Bonij settlement Beroanging, situated on the borders of the Tourattease, whereupon I ordered the chief interpreter to proceed at once to Poelembankeeng alongside a party of armed men and the Company's Madurese under Captain Dramantacka in order to overtake and attack that Rebel if possible, so that they also on Friday the 5th departed thither. Saturday the 6th and Sunday the 7th nothing occurred. Certain request of Bonij traders rejected. Monday the 8th the Bonij Soelewattang sent a request to me that the Bonij trading vessels might be permitted to dock at the customary tollhouse, which I declined. On the other hand, I sent the interpreter Theunisz to the said high official to tell him that having received news of the arrival of the Rebel Sankilang Message to the Soelewattang concerning the Rebels. in the settlement Beroanging and having sent thither some armed men under the chief interpreter to seek him out and attack him, I had him request the Soelewattang, and also would expect, to have the Boniers warned not to assist those Rebels or grant them hiding places, upon which Theunisz reported in return that the Soelewattang, having testified that he had also received news through Craeng Bankala of the appearance of the Rebels in that vicinity, had already sent the said Craeng back to his district with orders to do them all possible harm and to admit them nowhere into any trading settlements. Tuesday the 9th and Wednesday the 10th nothing happened. Thursday the 11th, after having previously requested access, Craeng Thaing appeared before me Visit of Craeng Thaing. solely to congratulate me on the New Year and on my recovery from my illness. Friday the 12th to Sunday the 28th nothing of particular note occurred. Monday the 29th, the Bonij Pongauwa Datou Baringang having had access requested of me and this having been granted for Access granted to Datou Baringang. His request for pardon for the Tellonese and release of state prisoners. Tuesday the 30th, he appeared in the forenoon in the company of the Craengs Bonto Panno and Lembaija, making such request as may be found, along with my answer, in the separate letter soon to depart to Their High Mightinesses under the main section of Tello, and furthermore for the release of the wife of Craeng Bonto Nompo with her family and slaves, which I promised him to grant shortly. Wednesday the 31st and Thursday the 1st of June nothing remarkable happened. Friday the 2nd I sent the assistant interpreter Iacobus de Graaf to Patalassang to relieve the chief interpreter Brugman, who due to indisposition requested to come hither. Saturday the 3rd the Soelewattang, on behalf of the King, had me congratulated on the completed introduction of His High Mightiness, expressing thanks for the custom observed on that occasion. Sunday the 4th and Monday the 5th nothing occurred. Tuesday the 6th died the former Macassar Elector Craeng Gantarang Pangang, recently received in submission by the Company. Wednesday the 7th the indisposed chief interpreter returned from Patalassang.

Dutch transcription

51 gerugt dat Arou Pan„ „Gana Soping wil attacqueeren. de Rebellen na het Touratse vertrocken. magt derwaarts gezonden J J 9 Zondag Maandag „ zeeker versoek van Bonijse handelaars afgeweesen. Zaturdag „ 6=e en 9 boodschap aan den soelewat„ „tang over de Rebellen. te komen om met denzelven te spreeken, deese hem niet alleen in antwoord hadde doen weeten dat hij zig daar voor zoude hebben te wagten; maar vermits het scheen, of hij des niet te min komen wilde een parthij gewapend volk hadde uijtgezonden om hem tegen te trecken, met dat gevolg dat denzelven een anderen weg ingeslagen was; ik gaf gemelde Rijksgroot last zijn meester voor de bekendmaeking te bedanken, onder te kennen gave egter, hoe ik liever zoude gezien hebben dat de sandrabo„ „niers den Rebel g'admitteerd en zig van zijn persoon verzee„ „kert hadden, wanneer zij behalven de op zijn hoofd gestelde premie nog veel roem bij de Comp=e zouden hebben ingelegt. Hier na kwam ook nog bij mij een zendeling van soping met naeme Goeroe Pakaijoe, mij onder andere beuzelpraat, uijt zijn meesters naam verhaalende dat Arou Pantjana voorneemens zoude weesen eerst soping t' attacqueeren en zig dan met wadjo te vereenigen en te saemen Bonij aan te lasten, voor welk berigt ik gemelde sendeling last gaf zijn meester te bedanken, dog dat ik het zelve niet konde nog zoude gelooven voor dat ik het zag Donderdag den 4=e kreeg ik tijding dat de Rebel sankilang zig met zijn rot in de Bonijse negorij Beroanging bevond geleegen op de grensen van het Tourattease, waar op ik den oppertolk gelast hebbe om zig nevens een parthij gewapende manschap en de Compagnie Madureesen van Capitain Dramantacka ten eersten na Poelem„ „bankeeng te begeeven ten einde dien Rebel des mogelijk t' agter„ „haelen en aan te tasten, invoegen zij ook op Vrijdag den 5:e derwaarts vertrocken zijn je niets voorgevallen 8 Liet: den Bonijs soelewattang mij versoeken dat de Bonijse handel vaartuijgen gelibereert mogten worden aan het gewoone thol huijs aan te leggen dat ik van de hand hebbe geweesen Daar en tegen zond ik den tolk Theunisz: aan gemelde Rijksgroot, om hem te zeggen hoe ik van de komst van den Rebel Tankilang in n „ Dingsdag den 9=e en woensdag „ 10=e t zijn versoek om pardon acces verleend aan Datou Baringang. voor de Telloneesen ½ en ontslaking van staats gevangenen. woensdag den 31:e en in de negorij Beroanging kennis gekreegen en derwaarts eenig gewapend volk, onder den oppertolk gezonden hebbende om den zel„ „ven op te zoeken en t' attacqueeren, ik hem Soelewattang versoe„ „ken liet en ook verwagten wilde, om de Boniers te doen waar„ „schuwen die Rebellen niet t'assisteeren of schuijl:plaats te vergunnen, waar op Theunisz tot keer berigt bragt dat den Poelewattang betuijgd hebbende, door Craeng Bankala meede kennisse te hebben gekreegen van de verscheijning der Rebellen daar omstreeks, hij gemelde Craeng reets weeder na zijn di„ „strict hadde te rug gezonden met last om deselve alle mogelijke afbreuk te doen en hun nergens in eenige negotie negorijen t' admitteeren. niets gepasseerd Donderdag „ 11=e Js na voor af verzogt acces bij mij verscheenen Craeng Thaing visite van Craeng shaing enkel om mij te vergelucken met het nieuwe Jaar en met mijne herstelling uijt mijn ziekte vrijdag den 12=e tot is niets van sonderlinge aanmerking voorgevallen Maandag „ 29=e Den Bonijs Pongauwa Datou Baringang acces bij mij hebbende laeten versoeken en zulks g'accordeerd zijnde tegen Dingsdag den 30=e zo verscheen hij des voormiddags in gezelschap van de Craengs zodanig Bonto Panno en Lembaija doende ^ versoek als met mijn ant„ „woord bij d' eerlang af te gaene aparte brief aan Haar Hoog Edelhedens onder het hoofddeel van Tello, is te vinden en voorts omde ontslaking van de vrouw van Craeng Bonto Nompo met haar famille en slaven die ik hem hebbe toe„ „gezegt eerlange te zullen verleenen Zondag „ 28=e Donderdag „ 1=e Junij niets zonderling gepasseerd. Vrijdag „ 2=e Hebbe ik den ondertolk Iacobus de Graaf na Pa„ „talassang gezonden ter aflossing van den oppertolk Brugman, die mits indispositie verzogt heeft her„ „waarts te komen. Zaturdag 24 W 68 Zaturdag den 3=e Heeft den soelewattang mij uijt naam van den koning doen vergelucken met de volbragte voorstelling van zijn Hoog „Edelheijd, onder dank zegging voor het te dier occasie in agt genomen gebruijk Maandag „ 5=e } niets: voorgevallen Dingsdag „ 6=e is overleeden den geweesen Macassaers Kiesheer Craeng Gantarang Pangang, Jongst bij de Comp=e in submis„ „sie ontfangen. woensdag „ 7=e is den indispoosten oppertolk van Patalassang ge„ „reverteerd. Zondag den 4:e en

← previousnext →