Inventory 3627
Japan · 538 pages · 335 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
355 Samarang the 22nd of June Anno 1742. Samarang the 22nd of June Anno 1732. that the Tappa called Donno had come to the Javanese Mahidin, residing in the declarant's subordinate dessa Dawe, and had ordered him to request the declarant to allow him to come and live in the declarant's subordinate district, which the declarant had promised, but of which he had first given notice to the Ronggo at Lamadjang; who thereupon had ordered the declarant not only to do so, but also to maintain him secretly in addition; wherefore the declarant had caused a house to be built for the said Tappa not far from the dessa Dawe, and had maintained him there with rice, paddy, salt, and other provisions. That while he lived there, many people had come to him; but that Ombok Sarinam, stepmother-in-law of the Ronggo at Loemadjang, and Bappa Wait, son of Bapa Roewak, had interacted with him the most. That about three months ago Bappa Roewak and his son Bappa Wait had come to him and brought along a basket with tobacco and some pieces of kayu pellet and had requested the declarant to exchange that tobacco together with the kayu pellet for onions and kesumba flowers, which the declarant had then also promised; while a little later Bappa Sarinam and his wife Ombok Sarinam, together with Bapa Tannam and the Javanese Singo from the dessa Labroek, also came into the declarant's house; but that after Ombok Sarinam had spoken a little with the said Roewak, she had departed from there again together with her husband and the said Javanese Singo; but that Bappa Tannam, together with the aforementioned Bappa Roewak and Bappa Wait, had stayed the night there; after which the declarant took the said tobacco and the kayu pellet to the Tengger district and exchanged them there for onions and kesumba flowers; with which he then went home and left them there, but the declarant, being tired, had them carried to the dwelling place of the aforementioned Tappa, where he knew that the above-mentioned Roewak was staying together with Bappa Wait and Bappa Tannam, and upon arrival at the pancuran reported that he had exchanged his tobacco and pellet wood for onions and kesumba flowers, but that he had left them behind in his house. That being at that place, the aforementioned Tappa told the declarant that he had ordered Bappa Roewak to deliver letters to Balembangan, Djamrono, and Mangoewie, and at the same time to request in Mangoewie to attack Balembangan with 1000 head of warriors and also to send 1000 head of warriors to the Tappa at Soemadjang, in order to attack the Company with them; after which the declarant, 4 days later, had also seen that he had handed over three letters to Bappa Roewak, namely, one for Balembangan, one for Djamrono, and one which he was to deliver, together with a bamboo wrapped in linen, to the king at Mangoewie, with orders that Bappa Roewak should at the same time request from the king at Mangoewie, in his the Tappa's name, for what is already mentioned here before; all of which the above-mentioned Bappa Roewak and his son Bappa Wait had then also accepted, and had subsequently departed from there together with the aforementioned Bappa Tanam, who had been ordered by the Tappa to follow them, as the declarant had also done, and returned home again. That 12 days later the declarant, together with the Javanese Wongso Tjitro, had set out on the road to Lamadjang with the carrying-load of onions; but on the way had met the Adjutant of Passourouang and some Probolinggo and Passourouang mantris, who were carrying the above-mentioned Bappa Roewak and his son Bappa Wait with them as prisoners; after which the said Adjutant asked him whether he would dare to seize the Tappa residing near the dessa Dawe. Whereupon the declarant having answered yes, he had told the declarant that he should then turn back and bring them to the dwelling place of the said Tappa, which the declarant had then also done; but upon arrival they found that the house was empty and neither the Tappa nor his wife and children were to be found; wherefore the said Adjutant, together with the declarant, had returned to the desa Wonoharso; but not long thereafter the Javanese Bappa Rampit met the wife of page 13.
Dutch transcription
355 Samarang den 22„e Junij A:o 1742. Samarang den 22„e Junij A:o 1732- Dokter rtgaff: wierd donno genaamd, bij den in zijn Relatant on„ „derhoorige desser Dawe woonagtigen Iavaan Mahidin was geko„ „men en denselven gelast had hem Relatant te versoeken, om in zijn Relatants onderhoorig district te moogen gaan woonen, 't welk Ohij Belatant wes beloofd dog daar van den Rongo: te Lamadjang eerst kennisse gegeeven had; dewelke daarop hem Relatant lad gelast, om sulx niet alhien te doen, maar denselven ook nog bovendien heij„ „melijk te onderhouden; weshalven hij Relatent, voor den gemelde Tappa Een huijs niet verre van de dessa Dawe had laaten maeken, en denselven aldaar met sipt, padij zout, en andere leevensmiddelen onderhouden had. — Dat terwijl denselven aldaar woonde, er veele menschen bij densel„ „ven waaren gekoomen; dog dat ombok jarinam steef shoonmoeder van dear Rongo te Loemadjang in Bappa wart, zoon van Bapa Roc„ „was, het meeste met denselven hadden verkeerd. —. Dat nu Circa drie maanden geleeden Bappa Roewak en desselvs zoon kappar wait, bij hem gekoomen waaren en Een kranjang met Tabak en Eenige stukken Caijoo petles meede gebragt en hem Relateurt versogt hadden, om dien Tabak neevens het Caijve pellet teegens uijer en Cassoemba bloemen te willen verruijlen, twelk hij Relatant dan ook beloofd had; terwijl er een weinig daarna Bappo Sarinam en desselvs vrouw omdok Sarinam neevens Bapa Tannam en den Javian Singo van de dessep Labroek, ook in zijn Retatants huijs mae„ den gekoomen; dog dat na dat ombok Carinam een weinig met gesmelde Roewel had gesprooken; deselve toen neevens haar man en gemelde Iavaan Singo, weder van daar vertroken waarin; maar dat Bappen Tuwnam neevens voormelde Bappa, Roewal, en Boppa wais, allaar dien nagt overgebleeven was; waarna hij Relatant de gem Tabakh: as het Caijoo vellet, na het Tengarse district gebragt en aldaar teegens duijgen en Cassoemba bloemen verruijlt had; waarmeede hij sig voorts na huijs begeven, en aldaar gelaaten had, dog dat rij Relatant, ze le gemoieden zijnde, ij Hoe na de twanplaats van vdorm: Pappa, daar hij wist. dat boven gem: Rroemat sig neevens Bappa trait en Bappa Tannam bevond, had laaten draegen en bij aankomet an de pan hoeran ertite ad dat he ijn se ak n elet ou teegens uijen en Cassoember bloemen had verzuijlt, maar dat hij deelve in zijn huijs te rug gelaaten had. Dat ter dier plaatse zijnde den eeven gemelde Iappa hem Relatant pertelok had, dat hij Bappa Roewak, brieven na Balembangan, D'jamrond en Mangoewie overtebrengen en te Mangoenie teffens versoeken lieb„ om Balemboangan met 1000. koppen, krijgers aantetasten en hem Tappa ook 1000 - koppen krijgen na Soemadjang toetesenden, ten einse daarmeede de Comp:e aan te tasten, waarna hij Relatant 4. dagen daar na teffens gesien had, dat denselven, aan Bappa Roewah, drie brie„ „den, als, een voor Balemboangan, ben voor Djamrono, en Een die hij neevens een met linne om naide bamboes, aan den koning te slan„ „goewie soude besorgen, had overgegeeven, met bevel dat hij Bappa Roewal aan den koning te Mangoewie teffens dut sijn Tappas naain zoude versoeken, om het geene hier voorene reets vermeld staat, welk alles oovengemelde Bappa Roewal, en desselvs zoon Bappa wait, dan ook aangenoomen en hun vervolgens neevens voormelde Bappa Tanam, die door den Tappa was gelast geworden, hun te volgen, van daar hadden begeeven, gelijk hij Relatant ook gedaan; en sig weeder na huijs begeeven had. —. Dat 12. daagen daarna hij Belatent sig neevens den Javaan wongso Tjitro met den piculants uijen op weg na Lamadjang had begeeven„ Hdog onderweegs den Adjudant van Passourouang en Einige Probo„ „ingose en Patsourouangse mantries ontmoet had, dewelke den omme gemelde Bappa Roewas en desselvs zoon Bappa wais, gevan„ „gen met hun meede voerden; Waarna hem de gemelde Adjudant gevraagd had, of hij den bij de desser Iawe woonagtigen Tappa wel soude durven opvatten. waarop hij delatant van Ja geantwoord hebbende, den„ „selven teegens hem Relatant had gesegd, dat hij dan weederom keeren eer hun bij de woonplaats van gem: 'appa brengen moest, 't welk hy Relatent dan ook had gedaan, dog dat zij bij aankomst bevonden hadden, dat het huijs Leedig en den Tappa nog desselvs vrouw en kin= „deren niet te vinden waaron; weshalven de genoemde Adjudant nee„ „vens hem Relitant na de deja Wonoharso te rug gekeerd was„ dog dat niet lange daarna den Javaan reappa Rampit de vrouw teegens. — van ƒ pag: 13.
English
Samarang the 22nd of June Anno 1782. Samarang the 22nd of June Anno 1782 having reported the aforementioned Tappa there, and having also undertaken to seek out the Tappa, he, the relator, had been ordered by the aforementioned Adjutant to follow Bappa Rampit; which he, the relator, had then also done; and the aforementioned Tappa, after the said Bappa Rampit had managed to lure him out of the forest to one of the empty houses of the fled inhabitants of the dessa Dawe, was seized and, with the help of Bappa Rampit and some men who had kept themselves hidden, tied up; while the same had just sat down to eat of the rice that Bappa Rampit had given him at his request. Whereafter he, the relator, brought the same to the dessa Hono karso, where the Adjutant had gone in the meantime, and surrendered him to the same; but that a little while thereafter he, the relator, on order of the Adjutant, was also tied up, under the pretext, however, that this was done solely so that he, the relator, could serve as a witness in Samarang and receive the reward there for apprehending the Tappa. That the following day in the morning, the aforementioned Tappa Wiero donno was brought ahead to Passourouang by the aforementioned adjutant, just as he, the relator, along with several other prisoners, was also taken from there to Passourouang towards noon; but that he, the relator, on the way had seen the dead body of the aforesaid Tappa lying on the road without a head. That having arrived in Passourouang, they were brought from there to Sourabaija; from where they were sent over together 2 days thereafter to Samarang: without more. was written beneath: Thus done and related at the Government of Samarang on the date written above lower down stood some characters, inscribed set by the patingie Oedo Marto beneath that was written: In the presence of me was signed: Is. Js. Rottenbuhler, Provisional Sworn Clerk Copy of the statement of the Javanese Bappa Wais of the dessa Kabantarran, sorting under Probolingo; given at Samarang the 1st of June 1783: The relator recounts that, about 3 months ago now, when he, the relator, had gotten lame legs, an inhabitant of the dessa Dawe whose name he, the relator, has not remembered, had told him that near the said dessa Dawe there lived a man named Tappa Wiero, who was also a doctor, who would indeed be able to cure him of his lameness; wherefore he, the relator, then also went thither and requested the said Tappa to please cure him; which the same then also did, and within the time of eight days brought him, the relator, completely to recovery again; whereafter when he, the relator, wanted to return home again the aforementioned Tappa had asked him whether he did not have a father: whereupon he, the relator, answered yes, and also added that the same was named Bappa Roewak; whereafter the aforementioned Tappa had ordered him, the relator, to bring his said father to him, as he wanted to request the same to carry some letters to Balamboangan and Balie; and that if he, the relator, was alone, he should just take the Javanese Singo, residing in the dessa Labroek, who was then also in the house of the Tappa, as his companion. That he, the relator, thereupon, along with the above-mentioned Singo, went to his father, who resided in the dessa Kadamangan, and recounted to his said father that the Tappa Wiero donno, who resided near the dessa Dawe and had cured him, the relator, wanted to request him to carry letters to Balemboangan and Balie, and to that end sent word requesting him to come to him; whereupon his father then also did so, and 4 days thereafter, along with him, the relator while the above-mentioned Singo had already departed some days before set out from home and took along some catties of tobacco and some pelit wood; but that, having arrived 2 days thereafter in the dessa Tading, finding themselves there in the house of the patingie Oedo Marto, also Pa Sarinam and Ombos Carinam, along with his Probolingo Relator page 75. 357
Dutch transcription
Samarang den 22„e Iunij Ao 782. — Samarang den 22„e Iunij Ao 1732 van voormelde Pappa aldaar aangebragt, had, en teffens aangenoomen hebbende om den Pappa ook op te soeken was hij Relatant door meerm: Adqusant gelast geworden, om Boppa Rampit te volgen;'twelk hij seld „tant dan ook gedaan had; en den meermelde Tapa, na de gem: Bappa Rampit, denselven uit het Booth na den der Leedige Huijsen der gerlug„ de inwoonders van de dega Dawe had weeten te lokken, opgevat en met hulp van Bappa Rampit en Eenige hun schuijl gehouden hebbende man„ vries vastgebonden had; terwijl denselven Quist was gaan needer zitten om van de Rijst die him Baper Rampi op zijn versoek had gegeeven, te beten„ Waar na hij Relatant denselven na de dessa Hono karso, daar den Adjudant sig intusschen na toe had begeeven, gebragt en aan denselven overgegeeven had, dog dat een weinig daarna hij Relatant op order van den aquidant ook was vastgebonden geworden, onder voorgeeven egter dat sulks eniglijk geschiede, op dat hij Relatant te Samarang door getuigen dienen en aldaar de belooning voor het opvasten van den Japa ontvangen konde. —. Dat saenderen daage 'smorgens den meermelde Iappa Wiero donne„ door den voormelden adjudant voor uit nu passourouang was gebragt geworden, gelijk men hem Relatant, neevens verscheide andere gevangenen, teegens den middag ook van daar na Passou„ „pouang had gevoerd, dog dat hij Relatant onderweegs het doode Lichaam van sevengem: Pappa zonder hoofd op den nog had sien zeggen. — Dat sij te passourouang gekoomen zijnde, men hun daar van daan na Sourabaija had gebragt; van waar men hun gesamentlijk 2. daagen daarna; na samarang overgesonden had: sonder meer. /:onderstond:/ Aldus gedaan en de gerelatiers ten Gouvernemente Samarang dato voorschreeven /:lager stond eenige Caracteren, omschreeven/ gesteld door den patingie Oedo Marto /:daar onderstond:/ Inkennisse van mij /:was geteekent:/ I„s J„s Rottenburter, Prov:s gest: Sciboe Copia Relaas van den Javaan 3appa wais van de dessa kabantarran, onder Probolingo sorteerende; gegeeven te Cama„ „rang den 1„e Iunij 1783:— Den Relatant verhaald, dat, mu Circa 3. maanden geleeden, wan= „neer hij Relatant Lamme beenen had gekreegen, een inwoonder van de detsa dawe wiens naam hij relatant niet onthouden heeft, hem verteld had, dat er bij de gemelde dessa dawe een Iappa wierd genaamd, woonde; die teffens doctor was; dewelke hem wel van zijne Lammigheid zoude kunnen geneeven; weshalven hij reliterert relatent, sig dan ook na derwaerts begeeven en aan gem: Tappa versogt had hem te willen geneesen; 'twelk denselven dan ook ge= „daan en hem telatant binnen de tijd van Agt daegen weeder volkomen tot herstelling gebragt had; waarna /: wanneer hij te„ „lakent weeder: wilde na huijs keeren:/ den voormelde Tappaa hem gevraagd had, of hij geen vader had: waarop hij telatant van Ioo geantwoord, en teffens bij gevoegd had, dat denselven Bappor Roewak genaamd was; waarna meerm: Tapa hem telatant had gelast, om sijnen gemelde vader bij hem te brengen, alsoo hij densel„ „ven wilde versoeken om eenige Brieven na Palemboangan en Balie over te brengen; en dat indien hij delatent alleenig was, hij dan maar den Javaans singo, woonagtig in de dessa Labroek die soen meede in het huijs van den Tappa was tot zijn makker zoude neemen. Dat hij Relatant sig daarop, neevens bevengemelde Singo na sijnen vader die in de dessa Kadamangan woonagtig was, begeeven en gem: sijnen vader verhaald had, dat den Toppa wiero donno die bij de dessa Dawe woonagtig was en hem Relatant geneeven had, heur wilde versoeken onr Brieven na Balemboangar en Bolie over te brengen en ten dien einde humn liet versoeken om bij hem te kooman; waarop sijnen vader sulx dan ook gedaan en sig 4: daegen, daarna, neevens hem re„ „batant / terwijl bovengem: Singo reeds eenige daegen van te vooren Vertrokken was / van huijs begieven en eenige Catjes Tabak en wat pellit hout meede genoomen had; dog dat 2. daegen daarna in de desja Tading gekoomen zijnde, zig aldaar in 't thuijs van den patinge Gedo Marto, too pa Sarinan en Omboss Carinam, neevens sijn Proboling Relatanti. pag:o 75. 357
English
359 Samarang the 22nd of June, Anno 1732. Samarang the 22nd of June, Anno 1702. The deponent's father's cousin Bappa Tannam and the aforementioned Javanese Singo had met; who however, except for Bappa Tannam who at the request of the deponent's father remained with them, departed again shortly thereafter; after which his said father had requested the Patingie Oedo Marto to go and barter his tobacco and pellet wood for dijen and Cassoemba flowers; which the same had then also promised, and had set out with it the next day to the Panger district; just as he, the deponent, together with his father and Bappa Tannam, had thereafter proceeded to the dwelling place of the aforementioned Tappa; where upon arrival the same had requested his father to convey letters for him to Balemboangan, Djamrono and Mangoewie, and in Mangoewie to request an assistance of 2000 heads; which his father also accepted, but stayed there for three more days; when the aforementioned patingie Oedo Marto had arrived there in a very sick state and had told his father that he had exchanged the tobacco and the pellet wood for dijen and Cassoemba flowers, but that the same were still in his house. That four days thereafter the aforesaid Tappa had handed over to the deponent's father and to him in the presence of the said patingie Oedo Marto those letters together with a bamboo sewn in linen, wherein was the book of Mangoewie consisting solely of a piece of paper that was folded in the middle and upon which some figures were painted; with the order that they should hand over the first in Balemboangan to a certain Maas Soempoeh and at the same time request to be allowed to cross over from there to Bali; and that they should hand over the second to the King of Bali Djamrono and request from the same free passage through his country; while they should deliver the third together with the sewn bamboo to the King in Mangoewie and at the same time request the same on behalf of Tappa to attack Balemboangan with 1000 warrior heads, and to also send 1000 warrior heads to the Loemadjang region to him, Tappa, because he, Tappa, wanted to attack the Company in Loemadjang and Passourouang with them; but that in the meantime they should have the Javanese Bappa Tarinam residing in Loemadjang called, because the same had promised him, Tappa, that he would accompany them on that journey. That he, the deponent, thereupon together with his father and the cousin of his father Bappa Tannam, who had been ordered by the said Tappa to follow them, set out on the road and collected in the village of Gading his father's dijen and Cassoemba flowers, which were still in the house of the patingie Oedo Marto, and had thereafter set out on the road again, and had arrived the next day in the village of Pabroek, where his father had then ordered the said Bappa Tannam to go and call Bappa Tarinam in Loemadjang, so that he would accompany them on that journey according to his promise made to the Tappa, and to that end come to the village of Kadamangan, where his father's house was; whereupon Bappa Tannam had then also set out on the road for that purpose, just as he, the deponent, together with his father had also proceeded further to the aforementioned village of Kadamangan. That the morning thereafter, after Bappa Tannam had returned and Bappa Tarinam had also arrived there, he, the deponent, and his father had set out on the road again from there together with the same, and 5 days thereafter had arrived in Palemboangan, where upon arrival they had gone to lodge with a panakawan of the regent there, named Bappa Boender; but that that afternoon his, the deponent's, father together with him, the deponent, had gone to the house of the aforementioned Maas Soempoeh, to whom the Tappa's letter was addressed, and had handed over that letter to the same; but that the same, after having read the letter, had said to them that they should just go home and come back again the next day; which they had then also done and had returned home, but the next day had gone there again, yet upon arrival had been apprehended; just as they had also captured Bappa Tannam and Bappa Sarinam, who had remained at home, after which they were collectively, by order of the Commander in Bangoewangie, transported by a vessel to Sourabaija, from where he, the deponent, together with his father, were taken to Passourouang, and there 2 8 page 17:
Dutch transcription
359 Samarang den 22„en Iunij Ao 1732. Samarang den 22„e Iunij Ao 1702. Relatants vaders Neeff Bappa Tannam en den voorn: Iavaan Singo, hadden ontmoet; dewelke egter behalven Bappor Tannam /:die op het versoek van zijn Belatants vader bij hun bleff:/ n weinig daar na Weeder vertrokken waaren; waarna gemelde zijnen vader aan den Patingie Oedo Marto had: versogt, om sijn Tabak en pellet hout teegens dijen en Cassoemba bloemen, te willen gaan verruijlen,; twelk denselven dan ook beloofd en sig 'sanderen daags daarmeede na het Pangersche district begeeven had; gelijk hij Relatant neevens zijnen vader en Bappa Tannam, hun daarna voorts na de woonplaets van Voormelde Sappa hadden begeeven; alwaar bij aankomst denselven aan zijnen vader versogt had, om voor hem brieven na Balemboangan, Djamrono en Mangoewrie op te brengen in te Mangoewie, om eenin bijstant van 2000. - Coppen te versoeken; 'twelk zijnen vader ook aangenoo„ „men dog aldaar nog drie daegen vertoeft had; wanneer den voormelde patingie Oedo Marto, aldaar in ten seer zieken staat was aangekomen en aan zijnen vader verteld had, dat hij de Tabak en het Caijde pellet tegens ruijen en Cassoemba bloemen had verruijt, dog dat deselve nog in zijn Huijs waaren.— Dat vier daegen daarna de Evengemelde Tappa: dan zijn Relatants vader en dan hem (:in het bijweesen van gen: patingie Oedo Marto:/ die bieven neevens eenen met Linnen omnaijden Bamboes, waar in het boek van Mangoewie was /: bestaande Eeniglijk in een papier dat in 't midden gevouwen was, en waarop eenige figuuren geschildert stonden:/ had overgegeeven; met beval, dat sij de Eerste te Balemboangan aan een zeekeren maas Soempoch overgeeven en teffens versoeken zouden„ om van daar na Balie te moogen oversteeken; en dat sij de twerde aan den Koning van Balie djamrono. overgeeven en van denselven de vreije passagie door desselvs Land versoeken zouden; terwijl sij den derden neevens den omnaijden Bamboes aan den koning te Mangoewie be„ „zorgen en denselven teffens uit zijn Tappas Adam versoeken zouden, om met 1000: Coppen Crijgers Balemboangan aan te tasten, en aan hen Sappa dergelijks 1000. koppen krijgers na het Loemadjangse te willen beesenden, dewil hij tappa, daarmeede de Comp:s te Doemajang en pas sou„ „jouang wilde attacqueeren; dog dat sij intussen den te Loemaijang woonagtigen Iavaan Iappa Tarinam, soude laeten roepen, dewijl den„ deselven hem Tappa belooft had, hun op dien dogt te zullen versellen. Dat hij relatant daarop neevens zijn vader en de seeff van zijn vader bepp Pannain, /:die door gewilde tappa was gelast geworden hun te volgen/ hun op weg begeeven en in de dessa gading zijn vaders rijen en Cassoemba bloemen, die nog in 't huijs van den patingie dedo marto waaren, afgehaald hadden, en daarna hun weeder op weg begeeven hadden, en sanderen daags in de dessa Pabroek aangekoomen waaren, alwaar zijn vader dan gem: Papper Tanam had gelast, on bappa Tarinam te Loemadjang te gaan roepen, ten Eijnde hum volgens desselvs aan den Tappa gedaane belofte op die reijse te veroek„ „len, en ten dien einde in de dessa Kadamangan, daar zijn vaders huijs was„ te komen; waarop sig Bappa Tannam dan ook daartoe op weg begeeven had„ gelijk hij relatant neevens zijnen vader hun ook voorts na de gemelde desse kadamangan hadden begeeven. — Dat 's morgens daarop hij Relatant en zijnen vader na dat Pappa Tannan„ te rug gekoomen en Bapper Terinain ook aldaar gearriveert was, hun neevens deselve van daar weeder op weg hadden begeeven en 5. daegen daarna te Palemboangan waaren aangekoomen, alwaar sij bij aan„ „komst bij een panakawang van den regent aldaar, Pappa Boender genaamd, waaren gaan logeeren; dog dat dien agtermiddag nog zijn Relatants vader neevens hem relatant na het huijs van voormelde Maas Poempoeh aan wien der Tappas Brieff ingerigt was, waaren gegaan en aan denselven dien brieff overgegeeven hadden; dog dat denselven na = den brieff geleesen te hebben teegens hun gesegt had, dat sij maar na huijs gaan en 'sanderen daags weederom koomen moesten; 'twelk sij dan ook gedaan en hun weeder na huijs begeeven hadden, maar 's anderen daags weeder daar na toe waaren gegaan, dog bij aankomst waaren opge- „vat geworden; gelijk men Bappa Tannam en Bappa Sarinam, die te huijs waaren gebleeven ook had gevangen genoomen, waarna sij gesamentlijk, op order van den Commandant te Bangoewangie, met een vaarthuijg na sourabaija waaren overgebragt geworden, van waar men hem delatent nevens zijnen vader na pastourouang gevoerd, en „rouang aldaar 2 8 pag„o 17:
English
361 Samarang the 22nd of June Anno 1782. Samarang the 22nd of June Anno 1783: had asked there whether they would be willing to apprehend the Tappa who had given them the letters that were found on them; whereupon they having answered that they were willing to do so, they were brought to Loemadjang by the adjutant of Passourooling and some mantris, from where they had intended to lead them further to the residence of the aforesaid Tappa; but that on the way they had met the frequently mentioned petinggi Oedo Marto, whom the said adjutant had asked whether he would dare to apprehend the Tappa; whereupon he had answered that he would indeed be willing to do so; hereupon the adjutant had said to him that he must then turn back and bring him to the residence of that Tappa, which he had then done, proceeding there together with the frequently mentioned adjutant; while they had brought him, the deponent, together with his frequently mentioned father back to Passourouang and from there back to Sourabaija, from where they were further sent over here after a few days together with all the other prisoners; nothing more. Below stood: Thus done and related at the government of Samarang, date as above. Lower down, a cross was described, placed by the Javanese Bappa Wait. Beneath it: In my knowledge, was signed: F. J. Rothenbuhler provisional sworn scribe. Copy of the report of the Javanese Bappa Tannam of the desa Djember under Poeger; given at Samarang the 1st of June 1782: The deponent relates that about three months ago, he, having sore legs, a certain Singo, inhabitant of the desa Labroek, had told him that near the desa Daws there lived a certain Tappa named Wiero Donno, who was also a very learned doctor and might perhaps be able to heal him, the deponent; for which reasons he, the deponent, had gone with the said Singo to the residence of the said Tappa and had requested him to heal his sore legs, whereupon the same had washed him the following day and thereby brought about his recovery. Whereupon, after that, he, the deponent, and the said Singo, together with Bappa Sarinam and Bok Sarinam, who had also been to the named Tappa, had departed from there to return back to their homes; but that having arrived in the desa Gading, he, the deponent, had stayed overnight in the house of the petinggi Oedo Marto, because he had met his uncle named Bappa Roewah there together with his son Bappa Wait. That the next day in the morning he, the deponent, together with his said uncle and his son, at their request, had returned back to the residence of the aforesaid Tappa Wiero Donno, where upon arrival the said Tappa had let him go south, after which, upon his return, he was ordered by the frequently mentioned Tappa to accompany his aforesaid uncle together with his son to Balemboangan and from there as far as Bali Bangoewie, because he, the Tappa, had ordered them to deliver some letters there for him, which he also showed to him at the same time, which he, the deponent, had then accepted and some days later set out on the way to Balemboangan with his said uncle and his son; without knowing, however, what the contents of those letters were, or what verbal orders the abovementioned Tappa might have given to his uncle. That having arrived in the desa Labroek, his uncle had ordered him to go and request Bappa Sarinam in the name of the frequently mentioned Tappa to accompany him to Balemboangan and Bali, whereupon he, the deponent, had gone to the house of Bappa Sarinam, but had not found him at home; wherefore, after having delivered his message to the wife of Bappa Sarinam, he had returned back to his said uncle; while some days later the said Bappa Sarinam had come to them; whereupon they had immediately departed for Balemboangan, and had arrived there some days later. That upon arrival there they had gone to lodge in the house of a certain inhabitant named Bappa Boender; while his frequently mentioned uncle together with his son went to deliver the letter for Balemboangan in the afternoon, and returned back the following morning; but that. brought. page 79.
Dutch transcription
361 Samarang den 22„e Junij Ao 1782. Samarang den 22„e Iunij Ao 1783: aldaar gevraagd had, off sij den Tappa, die de brieven, dewelke bij haar waaren gevonden geworden, wel soude willen opvatten; waarna sij k: geant= „woord hebbende sulx wel te willen doen :/ door den adjusant van passouroo„ „ling en Eenige mantries na Loemadjang waaren gebragt geworden, van waar men hun voorts tot na de woonplaet van voorm: Tappa had willen Voeren; dog dat sij onderweegs den meerm: petingie Oedo Marto hadden ontmoet, aan wien gem: adjudant gevraagd had, of hij den Tappa wel soude durven opvatten! waarop denselven geantwoord had„ „dat hij sulx wel zoude willen doen; hier op had den adjudant aan denselven gesegd, dat hij dan weederom keeren en hem bij den woonplaets van dien Papa brengen moest, 't welk denselven dan ook gedaan en sig neevens meermelde adjudant daarna toe begeeven had; terwijl omen hem Relatant needens zijn meermelde vader na passourouang en daar weeder van daan na sourabaija had te rug gebragt, van waar men hun voorts na verloop van Eenige daegen neevens alle de andere gevangenen, na herwaerts had overgesonden; zonder meer : /:onderstond/ Aldus gedaan en de gerelateert den gouvernemente Samarang dato voorsz: /:lager den kruijs omschreeven :/ gesteld door den Javaan Bappa wait /:daaronder:/ Jn kennisse van mij /:was geteekent:/ J: J:s Rothenbuhler provisioneel „. geswoore scriba: —. Copia Relaas van den Iavaan Bappa Tannam van de desse Djember onder Poeger; gegeeven te Samarang den 1„e Iunij 1782:— en Relatant verhaald dat nu Circa drie maanden geleeden, hij delatant zeere beenen hebbende, een zeekere Singo, inwoonder van de desja Labroek hem verhaald had, dat bij de deja Daws een zeekere Tappa woonde Wiero donno genaamd, dewelke teffens een zeer geleerd Doctor was, en hem Relatant misschien zoude kunnen geneesen; om welke reedenen hij relatant sig dan ook met gemelde singo na de woonplaets van gemelde Tappa begeeven en denselven versogt had, hem zijne zeere beenen te willen geneesen, waarop den „zelven hem 'sanderen drags gewasschen en hem daardoor tot herstelling gebragt had. —. Wab: daarna hij Relatant en. gemelde Singo, neevens kappen Sa= „rinam en ombok: Sarinam /:die ook bij den genoemden Tappoa waaren geweest:/ sig van daar hadden begeeven, om weeder na hunne huijsen te rug te keeren; dog dat in de dessa gading gekoomen zijnde hij relatant aldaar in 't huijs van den patingie Oldo Marto dien 't nagt was overgebleeven;, dewijl hij aldaar zijnen dom in naame boppa Roewah neevens desselv zoon Bappa wait had ontmoes. — Dat 's anderen daage 's morgens hij relatant neevens gem: zijnen Oomven desselvs zoon op derselver versoek, weeder na de woonplaets van voorm: Tappa wiero donno, te rug was gekeerd, alwaar bij aankomst den omme gem: Tappa hem had laeten gaas suijden, waar na hij, bij weederom komst, door meerm: Tappoes was gelast geworden, ons voorm: zijnen dom neevens desselve zoon na Balemboangang en daarvan daan, tot na Balie Aan= „goewie te versellen, om Reedenen hij Tappa deselve gelast had, Eenige brievens, dewelke 1: denzelven teffens aan hem vertoonde :/ voor hem aldaar te bestellen, twelk hij delatant dan ook aangenoomen en sig eenige daagen daarna met genoem den zijnen Oom en desselvs zoon op weg na Balemboangan begeeven had; zonder Egter te weeten wat de inhoud van die brieven was, of wat ordaes bovengem: Tappa aan zijnen Oom mondelings mogte gegeeven hebben. — Dat in de dessa Labroek gekoomen zijnde, zijnen Oom hem gelast had om kappa Sarinam uit naam van den meerm: Tappa te gaan versoeken om hem na Balemboangan en Balie te versellen, waarop hij telatant sig dan ook na het Huijs van Bappa Sarinam begeeven, dog denselven niet te huijs gevonden had; weshalven hij, na zijne boodschap dan de vrouw van Bappa Terinam gedaan te hebben, sig weeder na gemelde zijnen Oom had te rug begeeven; terwijl eenige daegen daarna gemelde Bappa sari„ „nam, bij hun was gekoomen; waarop sij hun direct na Balemboangan hadden begeeven, en aldaar eenige daegen daarna gearriveert waaren. — Dat zij aldaar bij aankomst in 't huijs van een seekeren inwoonder Kappa Boender genaamd, hadden gaan lrgeren; terwijl marmelde sijnen Oom neevens desselvs zoon den Brieff voor Palemboangan 's agtermiddags var gaan bestellen, en den woering daarna weeder te rug gekoomen was; dog gebragt. — dat. pag„o 79.
English
Samarang, 22 June in the year 1782. Samarang, 22 June in the year 1782. that they had gone back there the next day, while he, the declarant, together with the aforementioned Bappa Terinam, who in the meantime had remained at home, were seized shortly thereafter by some people and taken to the Tepattij, where they had seen that his uncle and his son were already bound fast; where they were sent over to Sourabaija and interrogated there. That afterwards his aforementioned uncle and his son were taken to Loemadjang, but were brought back again some days later; after which they subsequently had them transferred here together; nothing more. Below it stood: Thus done and related at the Government of Samarang, on the date aforesaid. Below it stood: A cross was set by the Javanese Bappa Tannam. Lower: In the presence of me, was signed: F. J. Rothenbuhler, provisional sworn clerk. Copy. Account of the Javanese Bappa Roewak of the desa Kadamangan in the district of Sabrang situated under Poeger; given at Samarang on 1 June in the year 1782. The declarant relates that, now about three months ago, his, the declarant's, son Bappa Wait, together with the Javanese Singo of the desa Labroek under Loemadjang, had come to him, and after the said Singo had departed again, had told him, the declarant, that near the desa Dawe under Loemadjang lived a certain Tappa Wiero Adning who claimed to be a son of the deceased Panembahan Mahameroe, who sent word requesting him, the declarant, to come to him, because he wished to have him take letters across Balemboangan and Djamrono to Mangoewie and also wished to have some auxiliary troops requested there, in order to attack the Company with them; whereupon he, the declarant, with a basket of tobacco and some pieces of kayu pellet, along with his aforementioned son Bappa Wait, set out on the road from home thither; but that having arrived after two days in the desa Gading, they met there in the house of the patingie Oedo Marto, Bappa Sarinam and his wife Ombok Sarinam, together with his, the declarant's, nephew Bappa Tannam and the Javanese Singo of the desa Labroek, and that there Ombok Sarinam told him that the aforementioned Tappa sent word requesting him, Bappa Roewak, to come to him soon, as he wished to have him deliver letters across Palemboangan and Djamrono to Mangoewie and at the same time wished to have requested there an assistance of 2000 warrior heads, in order to attack the Company at Balemboangan and Loemadjang with them; wherefore he, the declarant, after having requested the aforementioned patingie Oedo Marto to trade his aforementioned tobacco and kayu pellet for onions and kasumba flowers, because he, the declarant, wished to present the same as a gift at Balemboangan in order thereby to obtain the crossing to Bali, had then also the next day, together with his abovementioned son Bappa Wait and his nephew Bappa Tannam, whom he, the declarant, had requested for that purpose, while Bappa Sarinam, together with Ombok Sarinam and the said Singo had already departed, proceeded directly to his dwelling place; where upon arrival the aforementioned Tappa requested him, the declarant, to take a letter across Balemboangan and Bali Djamrono to Mangoewie, and to request the King or Gusti of Mangoewie to attack the Company at Palemboangan with 1000 warrior heads and to send 1000 warrior heads to him at Loemadjang, in order to attack the Company at Loemadjang and Passourouang with them, which he, the declarant, had then also promised, and had stayed there for three days; when the patingie Oedo Marto arrived there in a very sick state and told him, the declarant, that he had traded his, the declarant's, tobacco and kayu pellet for onions and kasumba flowers, but that they were still in his house, after which the aforementioned Tappa told the said patingie everything that he had requested of him, the declarant, concerning the delivery of the letters. That four days thereafter the just-mentioned Tappa, in the presence of the said patingie Oedo Marto, gave him, the declarant, three letters together with a bamboo sewn with linen, in which was the book of the King of Mangoewie,
Dutch transcription
363 Samarang den 22„e Junij A„o 1782. Samarang den 22„e Junij A„o 1782. — dat sij s anderen daags weederom daarna toe waaren gegaan, terwijl hij telatent: neevens voormelden Bappa Terinam /: die intussen thuijs waaren gebleeven:/ den weinig daarna door Eenig volk opgevat, en na den Tepattij waaren gebragt geworden, alwaar sij gedien hadden, dat zij „nen Oom en desselvs zoon reek vast gebonden waaren; waar sij na Sourabaija overgesonden en aldaar ondervraagt waaren geworden. — Dat daarna sijnen meermelden Oom en desselvs zoon: na Loemadjang gevoerd, dog eenige daegen daarna weeder was te rug gebragt geworden; waarna men hun vervolgens te zaamen na herwaerds had doen over„ „brengen; zonder meer : /:onderstond:/ Aldus gedaan en de gerelateert ten Gouvernemente Samarang, dato voorsz: /: daaronder stond/ Een kruijs /:omschreeven / gesteld, door den Iavaan Bap a. Tannam„ /lager:/ Iin kennisse van wij /:was geteekent:/ F: J: Rothenburler, pro„ „visioneel gesw: scriba. —: Copia Rilaas van den Iavaan Bappa Roewak van de dessa Kadamangan in het onder Poegers geteegene district Sabrang; gegieven te sama„ „dang den 1„e Iunij A:o 1782: —. Den delatant verhaald, dat, nu Circa drie maanden geleeden, sijn delde„ „tants zoon Bappa waet, neevens den Iavaan Singo van de dessa Lab„ broek onder Loemadjang, bij hem was gekoomen, en hem relatant, na dat gemelde Singo weeder vertrokken was, verhaald had, dat bij de dessa Dawe onder Loemagjang een seekeren Iapa wiero adnno genaamd die sig voor een zoon van den overleedene panumbaham Mahameroe rut„ „gaff woonde, dewelke hem telatant lit versoeken, bij hem te willen koo„ „men, vermits denselven hem over Balemboangan en Djamrono, na Mangoewie brieven wilde laeten brengen en ook om eenige hulp troupes aldaar wilde laeten versoeken, ten einde daarmeede de Comp„e aan te tasten; waarop hij relatent sig dan ook met een Cranjang to bak en eenige stukken Caijoe peltet, neevens zijnen gem: zoon Bappa wait„ van Huijs op wig daarna toe had begeeven; dog dat na verloop aan twee daegen in de desja gading gekoomen zijnde, zij aldaar in het tbuijt Van den patingie Oedo Marto, Bappa Sarinam en desselvs vrouw ombok Sarinam, neevens zijn relatants neeff Bapa Tannam en den Javaan Singo van de dessa Labroek had ontmoet, en dat aldaar om„ „bok Sarinam hem verhaald had, dat den voormelde Tappa hem Bappa Roewah liet versoeken, om spoedig bij hem te willen koomen, de„ „wijl hij hem over Palemboangan en Djamrono brieven na Man„ „goewrie wilde laeten overbrengen en teffens aldaar eenen bijstant van „ 2000. Coppens krijgers wilde laaten versoeken, om daarmeede de Compagnie :te Balemboangan en Loemadjang te attacqueeren; weshalven hij tela„ „tant /:na den gemelde patingie Oedo Marto versogt te hebben, zijne gemelde Tabak en Caijoe peiled; teegens uijen en Casoemba bloemen te willen gaan verruijlen; dewijl hij relatant deselve te Balemboangan wilde wog schenken om dus te verder de overvaart na Balie te bekoomen / sig dan ook 'sanderen daage nievens zijn bovengem: zoon Bappan wait, en zij sleff Bappa Tannam, dien hij rilatant daar toe versogt had / terwijl Bappee sa„ „rinam neevens omber Carinam en gemelde singo reeds vertrokken waeren:/ direct na desselvs woonplaats had begeeven; alwaar bij aankomst de Voorm: Sappa hem relatant versogt had, om een brieff over Balem- „boangan en Balie djamrono na Mangoewie te brengen, en aan den koning of Justie van Mangoewie te versoeken, om met 1000. Coppen krijgers de Compagnie te Palemboangan aan te tasten en 1000 Coppen kaijgers na Loemadjang aan hem te willen oversenden, om daar meede de Compagnie te Loemadjang en Passourouang aan te vesten twelk hij relatent, dan ook beloofd had en aldaar drie daegen lang geblee„ „ven, was; wanneer den patingie Oedo Marto aldaar in een zeer sieken staat was aangekoomen en hem velatant verteld had, dat hij sijn delatante tabak in Caijoe Pellet tegens uijer een Casoemba voloemen had verruijlt; dog dat deselve nog in sijn Huijs waaren, waarna den omme„ gemelde tappa aan gem: patingie had verhaald al het geene dat denselven aan hem relatant aangaande het oprbrengen der Brieven had versogt. Dat vier daegen daarna de eeven gem: tappa hem relatant in 't bijweesen van gemelde patingie Oedo Marto drie brieven neevens een met Ein„ „nen omnaijde Bamboes, waar in het boek van den koning van Rangoerte was 215 Van pag„o 184.
English
Samarang the 22nd of June Anno 1782. Samarang the 22nd of June Anno 1782. had handed over, consisting merely of a piece of paper folded in the middle and upon which some figures were painted, with orders: that he should deliver the first in Palemboongan to a certain Maas Soempoeh and at the same time request permission to cross over from there to Bali, and that he should then deliver the second to the King in Bali Djamrono and request a free passage through his land to Bali Mangoewie, where he should deliver the third letter, together with the aforementioned unpainted kris and the aforementioned carved bamboos, to the King, and at the same time request from him on his behalf what has already been mentioned hereinbefore, but that the deponent should have the Javanese Bappa Carinam, residing in Loemadjang, summoned, as he had promised the deponent to accompany him on that journey, etc. That the deponent thereupon, together with his aforementioned son Bappa Spait and his nephew Bappa Tannam, who was ordered by the Tapa at the deponent's request to accompany the deponent, set out from there and in the dessa Gjading retrieved the deponent's rice and kasumba flowers, which were still in the house of the patingie Oedo Marto; after which, upon arrival in the dessa Labroek, he ordered his aforementioned nephew to go to Loemadjang to ask Bappa Serinam to accompany the deponent on the journey in accordance with the promise made to the Tapa, and to that end to come to the dessa Kadamangan; after which the deponent proceeded to the dessa Kadamangan. That the next day the aforementioned Bappa Serinam indeed arrived; they then set out on the road together the following morning and arrived five days later in Balembangan, where they took up lodging with a panakawan of the regent there, named Bappa Hoender, from where the deponent, together with his aforementioned son Bappa Wait, went that afternoon to the house of the aforementioned Maas Soempoeh and delivered the letter from the Tapa to him, but was ordered by him to return the following day, Copy of the Account of the Javanese Wiero Djiwo, Cabayan, at Lamadjang; given at Samarang the 22nd of June anno 1782, etc. The deponent states that about two months ago, having gone as usual to visit his niece Mbok Serinam, he told her that he intended to go to the dessa Gading, which the deponent, together with his son, then did, but upon arrival was apprehended by some people, just as the deponent's nephew Bappa Tannam and Bappa Tarinam had also been captured, after which they were transported together by vessel from Banjoewangie to Sourabaija by order of the Commandant, from where the deponent, together with his son, was transferred to Passourouang and asked there whether they would be willing to apprehend the Tapa, who was the author of the letters found on them; to which they, having answered that they were willing to do so, were then brought from there to Loemadjang by the Adjutant of Passourouang and some mantris, from where they wished to take them further to the dwelling place of the aforementioned Tapa; but that, having met the patingie Oedo Marto on the way, they told the Adjutant of Passourouang that the aforementioned Oedo Marto was the patingie over the dessa where the aforementioned Tapa lived; whereupon the aforementioned adjutant asked the aforementioned patingie whether he would undertake to apprehend that Tapa, to which he answered yes; after which the aforementioned Adjutant, together with him and some mantris, proceeded thither; while the deponent, together with his abovementioned son, was taken back to Passourouang and from there to Sourabaija, from where they were subsequently, after the lapse of a few days, sent hither together with all the other prisoners; nothing further. Underneath stood: Thus done and deposed at the Government House in Samarang, on the date aforesaid. Below stood a cross described: placed by the Javanese Bappa Roewah. Underneath stood: In my presence, Was signed: F.k I:s Rothenbuhler, provisional sworn clerk.
Dutch transcription
365 Samarang den 22„e Iunij Ao 1782. Samarang den 22„e Iunij A„o 1782. — was /: bestaande Eeniglijk in een papier dat in 't midden gevouwen was, en waar op eenige figuuren geschilderd waaren:/ had overgegeeven, met bevel: dat hij de Eerste te Palemboongan, aan een zeekeren maar Soempoeh overgeeven en teffens versoeken zoude, om van daar na Balie te moogen oversteeken, ens dat hij de tweede dan den koning te Balie Djamrono overgeeven en om een vrijen doortogt door desselvs land na Balie Mangoewie versoeken zoude, alwaar hij de derde brieff neevens den gemelde omnaijden krieff, vnr der gem reverijlen Bamboes aan den koning overgeeven, en denselvden teffens om het geene reeds hier vooren vermeld staat, uit zijn naam versoeken zoude, dog dat hij relatant den te Loemadjang woonagtigen Iavaan Bappa Carinam soude Laaten roepen, dewijl denzelven hem had toesegging gegeeven, om hem relatant op die reijse te versellen. ae. Dat hij relatant sig daarop, neevens zijn voormelde zoon Bappa spait en zijn Beeff Bappa Tannam die door den tappa op zijn relatants versoek gelast wierd hem belatent te volgen, van daar op weg begeeven en in de desja Gjading zijn relataits rijen en Casoem„ „ba bloemen, die nog in 't huijs van den patingie Oedo Marto waeren afgehaald had; waar na hij bij aankomst in de dessa Labroek zijn bela„ „tant voorm: Hleeff had gelast, om Bappa Serinam te Loemadjang te gaan versoeken hem relatant volgens gedaane belofte aan den tesppa„ op de reijse te willen versellen, en ten dien einde in de desser kadaman„ „gan te koomen; waar na hij relatant sig voorts na de dessa kadamangan had begeeven. —. Dat 't anderen daags Eeven gemelde Bappa serinam dan ook gekoo= „men zijnde; sij sig toen den morgen daarop te zaamen weeder op weg hadden begeeven en vijfdagen daarna te Balembangan waaren aangekoomen, en aldaar bij een panakawang van den regent aldaar Bappa hoender genaamd, hun verblijff hadden genoomen, van waar hij relatant neevens zijn meerm: zoon Bappa wait, sig dien agter middag nog na het Huijs van den gem: Maas soempoeh had begeeven en aan denselven den brieff van den Tapa had opgegeeven, dog door den „zelven was gelast geworden, om 's anderen daags weederoms te koomen, Copia Relaas van den Iavaan Wiero Djiwo, Cabaij„ „an, te Lamadjang; gegeeven te Samarang den 2=e Iunij anno 1782. ere Den Relatant verhaald, dat om Circa twee maanden gelieden, hij volgens gewoonte zijne Nigt omdok Serinam zijnde gaan besoe„ „ken; aan deelve verhaald had, dat hij si na de durste gading valde 't welk hij relatant neevens zijn zoon dan ook gedaan had, dog bij aankomst door eenig volk was opgevat geworden, gelijk men zijn velae „tants Heeff Bapa Tannam en Bappa Tarinam ook had gevangen ge„ „noomen, waarna sij te samen op order van Commandant te Banjoe„ „wangie na Sourabaija met din vaarthuig waaren overgebragt gewor„ „den, van waar men hem relatant neevens zijn zoon na passourouang overgebragt en aldaar gevraagd had, of sij den Tappa die de brieven, die bij haar gevonden waaren, wel soude willen opvatten; waar op sij, geantwoord hebbende hetselve wel te willen doen, doen door den Adgudant te passouroda„ „ang en Eenige mantries daar van daar na Loemadjang waaren gebragt geworden, van waar men hun verder tot na de woonplaets van den voorm: Pappa wilde brengen; dog dat sij, onderweegs den patingie Oedo Marto ontmoet en toen teegens den Adjudant van passourouang geseid had „den, dat gem: oedd Marto, patingie was over de dessa daar den meerm: Tappoa bij woonde; waarop den gem: adjudant voorm: patingie had ge„ „vraagd of hij aan wilde neemen; om dien Tappa op te vatten op welk denselven van Ik geantwoord had:! waar na meermelde Adjusant sig neevens denselven en Enige mantries daar onatoe begeeven had; terwijl men hem tela„ „stant neevens zijnen bovengemelde zoon weeder na Passourouang en daar van daar na Sourabaija had overgebragt, van waar sij voorts na verloop van eenige daegen, neevens alle de andere gevangenen, na herwaerts waaren gesonden geworden; zonder meer /:onderstond:/ Aldus gedaan en de gerelateert ten Gouvernemente Samarang, dato voorsz: /:lagerstond Een kruijs omschreeven :/ gesteld door den Javaan Bappa Roewah /:daaronstond:/ In kennisse van mij /:was geteekent:/ F„k I:s Rothenbukler, provisioneel gesw: Shiba. — twelk. begeeven, ƒ8 8 83.
English
367 Samarang the 22nd of June, Anno 1742. Samarang the 22nd of June, Anno 1702: betaken, in order to buy sugar there, to which she had replied that he should then proceed to the dessa Dawe and, on her behalf, notify the Tappa residing there that, in accordance with his, the Tappa's, request, her, the informant's, husband had already set out some time ago with Bappa Roewal on the way to Palemboangan; after which he, the informant, had set out on his way and bought up sugar in the dessa Gading; from where he, the informant, had proceeded to the dessa Dawe, and further to the dwelling of the Tappa Wiero donno and had notified the Tappa of all that Ombok Serinam had requested him, the informant, to make known to him; after which he had wanted to return home; but along the way he met the adjutant of Passourouang together with several mantris, who had asked him, the informant, where he came from; to which he, the informant, had replied that he came from the Tappa Wiero donno; upon which they had arrested him, the informant, and taken him back to the dessa Dawe; where they had left him, the informant, under the guard of some people; while the aforementioned adjutant, together with the mantris, had departed from there; but returned a little later, whereupon they had taken him to the dessa Wono Carso; where some days later, the aforementioned Tappa together with his wife and children and other prisoners had also been brought; after which the Tappa had been taken away from there again on a certain morning, just as he, the informant, together with all the other prisoners, was also transferred from there toward midday to Passourouang, and further to Sourabaija; from where they were further sent hither. The informant declares, for the rest, that he in no way acknowledges guilt of what he has been accused of; as if he had run off to the enemy in the second Palembang War, and that he had given notice to the aforementioned Tappa of the arrival of the people sent out by the Company to capture him; nothing further. Below stood: Thus done and declared at the government of Samarang, date as above. Below: a cross made by the Cabaijan Wiero Donno. Below that: In my knowledge, was signed: J. J. Rothenbuhler, provisional sworn clerk. Copy of the statement of the Javanese Bopa Rampet, of the dessa Dawe; given at Samarang the 4th of June, Anno 1702. The informant relates that about a year ago now, a certain Tappa named Wiero donno had come down from the Panger mountain range to the dessa Dawe; for whom the patingie Oedo Marta had ordered him, the informant, together with nearly all the inhabitants of the aforementioned dessa Dawe, to build a house a little outside the dessa Dawe, which they had then done and completed the aforementioned house within a short time. That as soon as the aforementioned Tappa went to live in the house built for him, many people had come to him, to ask him for something for their illnesses or solely to speak with him, just as he, the informant, had also gone there several times and had requested from him now and then such a medicine that might maintain him in his good health. However, that about two months ago now, he, the informant, having gone out with the Javanese Bedang to buy Turkish corn or jagongs in the mountains, met the aforementioned Tappa at the side of a forest, who told them that the Company had sent out people to capture him and that for those reasons he had fled, without however having had enough time to take his wife and children with him; wherefore he had requested them to go to his house and to hide his wife together with his children and his horse; upon which they had then also proceeded thither, where upon arrival they notified the Tappa's wife of all that the Tappa had told and requested of them; after which he, the informant, took the horse and the aforementioned Bedang took the wife together with the children of the aforementioned Tappa from there to the forest and had further brought them to the dessa Caijoe Tambing; where they had delivered them to a certain Bappa Sia, and had thereafter departed from there again; but he, the informant, thinking that the footprints of the horse might betray their hiding place, had thereupon separated from the aforementioned Bedang with the Tappa's horse, in order to go hide the aforementioned horse of the Tappa in a good place, but having come near the dessa Kadasser, he, the informant, had met several mantris, who turn over.
Dutch transcription
367 Samarang den 22„en Iunij Ao 1742. Samarang den 22„e Iunij Ao 1702: begeeven, ten einde aldaar zuijker te koopen, waarop deselve had ge„ „antwoord, dat hij sig dan voorts na de dessa Dawe begeeven en van haerent weegen den aldaar woonagtigen Pappa te kennen, geeven moest dat /: inge„ „volge van zijn Iappas versoek:/ haar Relatants man sig reeds eenigen tijd geleeden met Bappa Roewal op wig na Palemboangan had begeeven; na welk hij Relatant sig op weg begeeven en in de desse Gading zuij„ „ker opgekogt had; van waar hij Relatent sig na de dessa Dawe, en voorts na de woonplaets van den Tappa Hiero donno begeeven en den Pappa te kennen gegeevens had,„ al het geene Ombok Serinam hem Relatant versogt had denselven bekent te maaken; waarna hij sig weeder na huijs had willen begeeven; dog: onder weege den adjudant van Pas= „souang neevens eenige mantries ontmoet had, dewelke hem Relatant hadden gevraagd; waar hij van daan kwam: waar op hij Relatemt geantwoord had, dat hij van den Tappa wiero donna kwam, hierop had„ „den deselve hem Relatant opgevat, en weeder na de dessie Pawe terug gevoerd; alwaar men hem Relatant onder opsigt van eenig volk had laaten blijven; terwijl sig de gemelde adjudant, neevens de man„ „tries van daar had begieven; dog den weinig daarna weederom ge„ „koomen was, waarop deselve hem na de dessa Wono Carso hadden gevoerd; alwaer eenige daegen daarna, den voormelde Iappa neevens des„ „selvs vrouw en kinderen en meer andere gevangenen ook waeren aan„ „gebragt geworden, waarna men den Tappa op een seekeren morgen weeder van daar had weg gevoerd, gelijk men hien Relatant, neevens alle de andere gevangen, teegens den middag ook van daar na Passourouang, en voorts naa T. Sourabaija had overgebragt; van waar men hun voorts na herwaerts had overgesonden. Betuigende hij telatent voor 't overige dat hij sig geensints schuldig kend aan het geene men hem ten lasten heeft „ gesegd; als of hij in den tweeden Palembangoe Oorlog. na den vijand soude sijn opgeloopen, en dat hij den teper voorm: soude hebben kennisse gegeeven, van de Aankomst van het door de Comp: uitgesondene volk oms hem op tevatten; sonder meer : /:onderstond:/ Aldus gedaan ende ge„ „delateert ten gouvernemente Samarang, dato voor s :/lager:/ee kruijs/omd:/ gesteld, door den Cabaijan triero D7 1100 /:daaronder:/ Jn kennisse van mij /:was geteekent:/ J„s J: Rothenbuller, provisionees georoen Seribe. — Copia Relaas van den Javaan Bopa Rampet, van de dessa Dawe; gegeeven te Sama„ „rang den 4=e Iunij Ao 1702. - Den Relatant verhaald, dat nu Circa een Jaar geleeden, een seekeren Pappa in naame Wiero donno uit het Pangersche gebergte na de dersa Dawe was koomen afsakken; voor wien den patingie Oedo Marta hem Relatant oneevens bij na alle de Inwoonders van de gemelde desja Dawe gelast had, een weinig buijten de dessa Dawe een huijs te bouwen twelk sij dan ook gedaan en binnen een korten tijd het gem: huijs voltoijd hadden. Dat soo dra den gemelde Tappa in 't voor hem gebouwde huijs: was gaan woonen, 'er veele menschen bij denselven gekoomen waaren, om van hem iet voor huun ziektens te versoeken of Eeniglijk om met denselven te spreeken, gelijk hij Relatant sig ook verscheide maalen, daarnatoe had begeeven en van dendelven m en dan een zoodaenig geneesmiddel, 'twelk hem bij sijne gesondheid zoude kunnen be„ „houden, versogt had. Dog, dat nu Circa twee maanden geleeden hij telatant neevens den Iavaan Bedang uitgegaan zijnde, om in 't gebergte Turks koorn of Jagongs op te koo„ „pen, aan de kant van een Boort den voorm: Tappa ontmoet hadden, dewelke teegens hun had gesegd, dat des Comp: volk had uitgedonden om hem optevatten en dat hij om die reedenen gevlugt was, zonder egter soo veel tijd te hebben gehad, om zijne vrouw en kinderen meede te neemens: weshalven hij hun ver„ zagt wad zijn buijs te gaan en zijne vrouw nreevens zijne kinderen en zij geaard te willien verschuijten; waar op sij hun dan ook daarna toe hadden begeeven„ alwaar sij bij aankomst aan des Tappas vrouw haddens te konnen gegeeven„ al het geene den Tappa hun verhaald en versogt had; waarna hij delatent het paard en gemelde Bedang de vrouw neevens de kinderen van gemelde Sappa van daar na het Booch gevoerd: en voorts na de desja Caijoe Tambing gebragt hadden; alwaar sij bij een zeekeren Bappa Sia: gegeeven, en hun daar na weeder daar van daan bbegeeven hadden, dog hij Relalant, denkende dat de Voetstappen van het paard hunne suijlplaets verraeden mogten, had sig hier op met des Iappas paard, van voormelde Bedang afgescheiden, om het gem: paard daar den Tappa op een goede plaets te gaan verbergen, dog na bij de dessa kadasser gekoomen zijnde, had hij telatant Eenige mantries ontmoet„ 1 verte. dewelke H V „ 85
English
269 Samarang the 22nd of June Anno 182— Samarang the 22nd of June Anno 102. who had asked him, the deponent, whose horse he had with him, whereupon he, the deponent, had answered that it was the horse of the Tappa Wiero Donno, and that the Tappa, having met him together with the Javanese Bedang, had ordered him to hide the same along with his wife and children, for which reasons they had done so, and he, the deponent, had led the horse and the aforementioned Bedang had led the wife and the children of the Tappa to the forest; but that he, the deponent, had left the aforementioned Boedang along with the wife and children of the aforementioned Tappa near the desa Caijoe Tambing. Upon this, the aforementioned mantris had requested him, the deponent, to go with them to look for the wife of the Tappa; which he had then also promised, and after having handed over the horse to the aforementioned mantris, had proceeded together with them to the forest where he suspected that the wife of the Tappa was; but having searched for some time in vain, they had finally arrived at the house of a certain Marto Roijo, which stood in the middle of the forest, where they had asked whether the wife of the Tappa had not been seen there. Whereupon the aforementioned Marto Hoijo had answered that a little while before she had been in his house together with the Javanese Bedang, but was now gone again. Upon this, he, the deponent, had requested the aforementioned Marto Hoijo to go look for them with him, the deponent, which he, while the mantris remained behind there at his, the deponent's, request, had then also done, and with him, the deponent, had searched around for them in the forest. That a little while later, also having met the wife along with the children of the Tappa and the Javanese Bedang, he, the deponent, had then said to them that he had already brought the horse of the Tappa to a safe place and that the people sent out by the Company had also already departed, for which reasons they no longer needed to remain in the forest, but that it would be better to return again to the house of the aforementioned Marto Noijo; whereupon they had then also done so and, together with him, the deponent, and the frequently mentioned Marto Noijo, had returned to his house. But that upon arrival, they were apprehended by the mantris who had remained there and were transported to the desa Wonocarso, whither he, the deponent, had also gone, but upon arrival was requested to search for the Tappa as well. Whereupon he, the deponent, together with some mantris who had been assigned to him, had then proceeded to the desa Dawe, where he, the deponent, had said to the aforementioned mantris and the patingi Oedo Marto, who had also been ordered to search for the Tappa and was then with him, the deponent, that they should remain there while he, the deponent, would go to the forest and look for the Tappa. Which they having then also permitted, he, the deponent, had proceeded further to the forest, where he had then finally found the aforementioned Tappa, to whom he, the deponent, had recounted that he had already hidden his horse along with his wife and children in a safe place, and that the people sent out by the Company had departed again. After which the Tappa had requested him, the deponent, to fetch a little rice for him, whereupon he, the deponent, had turned back and had told the mantris who had remained behind that he had met the Tappa and that the same had asked him, the deponent, for rice; wherefore he, the deponent, had also returned to fetch rice and to inform them of this; with the request, however, that they would hide themselves in the meantime until he, the deponent, had enticed the Tappa out of the forest and brought him into a house. After this, he, the deponent, together with the patingi Oedo Marto, had proceeded back to the forest with a little rice; where he, the deponent, had given the same to the Tappa and had requested him to return with him to the desa Dawe. Upon this, he had then also proceeded together with him and the patingi Oedo Marto to the desa Dawe and had entered an empty house there with them; at which place the Tappa had sat down to eat, but was seized from behind by the patingi Oedo Marto, and further, with the help of him, the deponent, and the mantris who had come running up at his, the deponent's, call, was bound fast, after which they had brought him to the desa Wonocarso, from where they had taken him away again; while he, the deponent, had also been apprehended at the same time; and towards midday, together with all the other prisoners, was transported to Passourouang and from there further to Sourabaija, from where they had subsequently been dispatched hither; nothing further. Below was written: Thus done and related at the Government of Samarang on the date aforesaid. Below that stood some marks along with the description: horse page 87.
Dutch transcription
269 Samarang den 22=e Junij Ao 182— Samarang den 22„e Iunij A:o 102. dewelke hem Relatant gevraagd hadden, wiens, hij bij sig had„s waarop hij Relatant had geantwoord, dat het zelve het paard van den Tappa wiero donno was, en dat den Iappar hem neevens den Iavaan Bedang /:ontmoed. hebbende/ gelast had, het selve neevens zijne vrouw en kinderen te verbergen, om welke reedenen sij sulx dan ook hadden gedaan, en hij Relatant het paarden gem: Bedang de vrouw en de kinderen van den Toppa had na het Boock gwvoerd; dog dat hij Relatant genoemde Boedang neevens de vrouw en kinderen van gem: Tappa na bij de dessa Caijoe Tambing verlaeten had, hier op hadden de gemelde mantries hun Relatant versogt om neevens hun de vrouw van den Tappa te gaan opsoeken; het welk hij dan ook belooft, en na het paard aan de voorm: mantries overgegeeven te hebben, sig neevens deselve na het 130878 /: daar hij vermoede dat de vrouw van den Iappa in was:/ begeeven had; dog eenigen tijds te vergeefs gesogt hebbende, waaren sij Eijndelijk aan het huijs van seekeren Marto Roijd, dat midden in't bosch stond, gekoomen, alwaar sij gevraagd hadden of de vrouw van den Pappa aldaar niet was gesien geworden. waarop gemelde Marto Hoijo geantwoord had, dat deselve een weinig van te vooren neevens den Iavaan Bedang in zijn huijs geweest, dog nu weeder vertrok„ „ken was, hierop had hij telatent den genoemde Marto Hoije versogt om met hem Ralatant dezelve te gaan opsoeken, 'twelk denselven /: terwijl de Manthies aldaar op zijn Relatants versoek te rug bleeven :/ dan ook gedaan en met hem Relatant in 't Bosch na deselve rond gesogt had. —. Dat sij een weinig daarna de vrouw neevens de kinderen van den Tappo en den Javaan Bedang ook ontmoet hebbende, hij relatant toen aan deselve had gesegd, dat hij het paard van den tappar reeds op een veijlige plaets had gebragt en dat het door de Comp: uitgesondene volk ook reeds vertrokken was, om: welke reedenen sij niet langer noordig hadden in het bosch te blijven, maar det het beeter zoude weesen om weeder na het Hluijs van Voormelde Marto Noijo terug te keeren; waarop deselve sulks dan ook gedaan en hun neevens hem Relatant en den meerm: Marto Noijo na desselvs huijs te rug begeeven hadden dog dat deselve bij aankomst door de aldaar verbleevene mantries opge„ „vat en na de dessa wonocarso waaren overgebragt geworden, waarna toe hij relatent sig meede had begeeven, dog bij aankomst was versogt ge„ „worden, om den tappa ook optesoeken, waarop hij Belatait sig dan ook neevens eenige mantries die men hem toegevoegds had; na de desja Dawé„ had begeeven alwaar hij Relatent, tegens de gemelde mantries en den patingie Oedo Marto /:die ok was gelast geworden om den Iappa optesoeken, en sig toen bij hem Relitent bevond:/ gezegd had, dat sij aldaar soude vertoeven, ter „wijl hij Relatant na het Boort gaan en den Iappa opsoeken zoude, 't welk deselve dan ook toegestaan hebbende, soo had hij delatant sig voorts na het Voort begeeven, alwaar hij dan ook eindelijk, den vorm: tappa had gevonden, aan wien hij relatant verhaald had, dat hij sijn paard neevens zijne vrouw een kinderen reeds op een veijlige plaets verborgen had, en dat het door de Comp„e uitgesondene volk weeder vertokken was, waarna den Iappa hem relatant had versogt ons voor hem een weinig Rijst te haalen, waarop hij relatant Weederom was gekeerd, en aan de agter gebleevene mantries verhaald had„ dat hij den tappa had ontmoet, en dat denselven hem Relatant om Rijst versogt had; waarom hij Belatant ook weederom gekeerd was om Rijst te haalen en hun sulx bekend te maaken; met versoek egter dat sij hun intussen soo lange verbergen zouden, tot dat hij Relatant den Tappa uit het Booch gelokt en in een huijs gebragt had; hier na had hij relatant sig neevens den Patingie Oedo Marto met een weinig rijst, weeder na het Boort: begieven; alwaar hij relatant deselve aan den Pappa opgegeeven en denselven verzogt had, om met hem meede na de dessa Dawe terug te keeren, hier op had denselven sig dan ook neevens hem, en den patingie Oedo Marto na de dessa Dawe begeeven en was met hun aldaar in een leedig huijs gegaan; ter welken plaetse sig den Tappa had needer geset om te eeten, dog door den patingie Oedo Marto van agteren aangegreepen, en voorts met hulp van hen Relatant in de mantries die op sijn Rela„ „tants geroep waeren koomen toeloopen, was vastgesonden geworden, waar na sij denselven na de dessa wonocarso hadden gebragt, van waar men dan„ „zelven weeder had weggevoert; terwijl men hem relatent ter zelver tijds ook opgevat had; en teegens den middag neevens alle de andere gevangenen na Passourouang en daar van daan voorts na sourabaija had over= „gebragt, van waar men hun vervolgens na herwaerds had ofgesonden; zonder meer: /:Onderstond:/ Aldus gedaan ende gerelateert ten gouvernemente Samarang dato voorsz: /: lagerstond, eenige merken„ neevens omsthreven: „paard pag„s 87.
English
371 Samarang the 22nd of June Anno 1782. Samarang the 22nd of June Anno 1782: described: set by the Javanese Bappa Rampis :below was written: In my presence :was signed: F. J. Rothenbuhler provisional sworn scribe. Copy of the report of the Javanese Bedang, of the Dessa Dawe; given at Samarang the 4th of June Anno 1783. The narrator reports that about one year ago now, a certain Tappa named Wiero donno had come down from the Tengger mountains to the dessa Dawe, for whom the petinggi Dedo Marto had ordered him, the narrator, together with nearly all the inhabitants of the aforementioned Dessa Dawe, to build a house a little outside the dessa Dawe, which they had then also done and completed the aforementioned house within a short time. That as soon as the aforementioned Tappa had gone to live in the house built for him, and many people had come to him to ask him for something for their illnesses or merely to speak with him, the narrator had likewise gone there several times and had requested from him now and then such a medicine that could keep him in good health. Yet that now about two months ago, he, the narrator, having gone out together with the Javanese Bappa Rampit to purchase Turkish corn or jagongs in the mountains, had met the aforementioned Tappa at the edge of a forest, who had told them that the Company had sent out people to apprehend him, and that he had fled for that reason; without, however, having had enough time to take along his wife and children; wherefore he requested them to go to his home and conceal his wife along with his children and his horse; whereupon they had indeed gone to his house; where he, the narrator, upon arrival, after he had made known to her all that the Tappa had told him, had brought the wife along with the children of the aforementioned Tappa from there to a forest; while Bappa Rampis had also led the horse of the aforementioned Tappa thither, after which they had gone to the dessa Caijbe Tambing and had eaten there at the house of a certain inhabitant named Bappas Dia; From where they had gone together to a certain forest named Jarang kadoeng Mengangang; while Bapa Rampit had in the meantime separated from them with the horse in order not to be discovered by its tracks, with the intention of hiding it in another place. That a little thereafter, he, the narrator, on the road at the edge of the aforementioned forest, had met his father together with the Javanese Hongso tjitro, who had asked him where he wanted to bring the wife of the Tappa, whom they had been ordered to apprehend upon discovery; and whereupon he, the narrator, had recounted to them all that the Tappa had told him, and at the same time had requested them to let him bring the wife and children of the aforementioned Tappa to the forest unhindered, which they had then also done and had allowed him, the narrator, to carry out his intention. That being in the forest, they had gone to the house of the Javanese Marto Noijo, which stood in the middle of the forest, and had returned from there back to the forest; yet that not long thereafter they had met the aforementioned Bappa Rampit and Marto Noijo, and that Bappa Rampit had told them that he had already hidden the horse of the Tappa, and that the dispatched people of the Company had departed again; wherefore he requested them to return to the house of the aforementioned Marto Noijo, since it was no longer necessary to remain in the forest; which they had then also done, yet upon arrival had been taken by some people and transferred to the dessa Wono Coorso, where he, the narrator, some time thereafter had also seen the Tappa brought in; who, however, was immediately led away again; just as he, the narrator, together with all the other prisoners, had also been transferred towards midday to Passourouang and from there to Sourabaija, from where they were subsequently sent together hither; nothing further. Below was written: Thus done and related at the Government of Samarang, date as above. Below was written: some marks, described: set by the Javanese Bedang. Below that: In my presence :was signed: F. J. Rothenbuhler, provisional sworn scribe. Turn over. Page 19. 8
Dutch transcription
371 Samarang den 22„e Iunij A:o 1782. Samarang den 22„e Junij A:o 1782: omschreeven :/ gesteld door den Javaan Bappa Rampis /: lagerstond:/ Inkennisse van mij /:was geteekent:/ f=r J: Rothen buhler provr „sioneel geswoore Triba. —. Copia Relaas van den Iavaan Bedang, van de Dessa Dawe; gegeeven te Sama„ „rang den 4„e Iunij A:o 1783. - Den Relatant verhaald, dat nu Circa Een Iaar geleeden, een zeekeren Tappa in naame Wiero donno uit het Tengersche gebergte na de dessa Dawe was koomen afsakken, voor wien, den patingie dedo Mar„ to: hem telatant neevens bij we alle de Inwoonders van de gem: Dessa Dave gelast had, een weinig buijten de dessa Dawo een Hhuijs te bouwen, 'twelk sij dan ook gedaan en binnen een korte tijd het gem: Hluijs, vltoijd hadden. —. Dat soo arae gemelde Tappa in 't voor hem gebouwde huijs was gaan woonen„ en veele menschen bij denselven gekoomen waaren om dan hum iets voor hunne ziektens te versoeken of eeniglijk om met denselven te spreeken, gelijk hij relatant sig ook verscheide maalen daar natoe had: begeeven en van denselven mu en dan een zoodanig ginees middel 't welk hem bij zijne gesondheid zoude kunnen behouden, versogt had. . Dog dat nu Circa twee maanden geleeden, hij Relatant, neevens den Iavaan Bappa Rampit uitgegaan zijnde, om in 't gebergte Turks koorn of Jagongs optekoopen, aan de kant van een Booch den voorm: Tappa ontmoet hadden dewelke teegens hun had gesegd, dat de Comp: volk had uitgesonden om hem op te vatten, en dat hij om die reedenen gevlugt was; zonder egter zoo veel tijds te hebben gehad, om zijne vrouw en kinderen meede te neemen; weshalven hij hun versogt na zijn thuijs te gaan en zijne vrouw neevens zijne kinderen en zijn paard te willen verschuijlen; waarop sij hun dan ook na desselvs huijs hadden begerven; alwaar hij Relatant bij aankomst de vrouw /:na hij haar al het giene den Iappa teegens hem gesegd had te kennen had gegeeven:/ neevens de kinderen van omme gem: Tappha daarvan saer na een Bosch had gebragt; terwijl Bappa Rampis het paard van gemelde tappa ook daara hoe had gevoerd, war na sij hun na de dessa Caijbe Tambing begeeven en aldaar bij een seekeren Jnwoonder Bappas Dia genaams gegeten hadden; Van waar sij shun te zaamen na een seeker Booth Jarang kadoeng= Mengangang, genaamd hadden begeeven; terwijl Bapa Rampit sig met het paard om door desselvs voekstappen niet ontdekt te worden, intussen van hun affgescheiden had, met voorneemen het zelve op een andere plaets te gaan verbergen. Dat een weinig daarna hij relatant op de weg aan de kant van het gemelde Boorl zijnen vader neevens den Javaan Hongso tjitro had ontmoet, dewelke hem gevraagd hadden, waar hij de vrouw van den Jappa /:die men hun had gelast bij ontdekking op te vatten :/ wilde natoe brengen: en waarop hij Reld„ „tant kan deselve al het geene den Tappa hem had verteld, verhaald en teffens versogt had; hem ongehinderd de vrouw en kinderen van meerm: tappa na het Boort te laaten brengen, 'twelk deselve dan ook gedaan en hem Re= „latent toegelaeten hadden sijn voorneemen ter uitvoer te brengen. —: Dat in 't Bosit zijnde sij hun na het huijs van den Javaan Marto Noijo /het welk midien in 't Boosh stond:/ hadden begeeven en daar van daar weeder na het voort te rug gekeerd waaren; dog dat niet lange daarna sijden voorm: Bappa Rampit en Marti Ndijo ontmoet hadden, en dat Bappa Rampit tee„ „gens hun gesegd had, dat hij het paarde van den Iappa reeds geborgen had„ en dat het uitgesondene volk der Comp„e weeder vertrokken was; weshalven hij hun versogt na het huijs van gem: Marti: Noijo te rug te veeren; aenge„ „sien het niet meer noodig was, om in het Booch te blijven,; twelk sij dan ook gedaan hadden, dog bij aankomst door eenig volk en na de detsa wono Coorso waaren overgebragt geworden, alwaar hij Relatant eenige tijds daarna den Tappa ook had sien aanbrengen; dewelke egter direct wee„ „der was weg gevoerd geworden; gelijk men hem relatant ook nee„ „vens alle, de andere gevangenen teegens den middag na Passou= „rouang en daar van daan na sourabaija had overgebragt, van waar men hun voorts gesamentlijk na herwaerds had overgeson„ „den; zonder meer: /:onderstond:/ Aldus gedaan ende gerelateert: ten Gouvernemente Samarang, Dato voorschreeven /:lagers tonde:/ eenige merken, omschreeven:/ gesteld: door den Javaans Bedang, /:daar onder:/ In kennisse van mij /:was geteekent:/ F: J=s Rothenbuhler, provisioneel geswooren scriba de van verte. peg„o 19. — 8
English
Samarang the 22nd June Anno 1732. Samarang the 22nd June Anno 1782. Copy of the Report of the Javanese Bappa Navie, of the village Dawe, given at Samarang the 3rd June Anno 1782: The Relatant states that, about a year ago now, a certain Tappa named Wiero Donno having arrived in the village Dawe, he, the Relatant, was ordered by the patingie Oeda Marta, together with several other persons, to build a house for him a little outside the village Dawe. That he, the Relatant, after the said Tappa had gone to live in the house built for him, had gone to visit him several times and had also occasionally requested something from him whereby he might maintain his health. And That about two months ago now, some mantries along with the Adjutant of Passourouang had come to the village Dawe and had said that they came to apprehend the said Tappa Wierodonno; whereupon he, the Relatant, together with most of the inhabitants of the said village Dawe, had followed them to the house of the said Tappa; but that upon arrival they had found that he, along with his wife and children, had already taken flight; wherefore they returned together to the village Wrono Carso, from where he, the Relatant, together with the Javanese Wongso Tjitro, was sent to the post Jurang-kedoeng Mengangang, with orders to keep a watchful eye outside the said post, and to apprehend the Tappa or his wife, if either of them should happen to pass by there. And That after staying there for one day, his, the Relatant's, son Bedang, having the wife of the aforementioned Tappa with him, came passing by there; who, upon his, the Relatant's, inquiry as to where he intended to take the wife of the aforementioned Tappa, whom he, the Relatant, had been ordered to take prisoner upon discovery, had answered that he wished to lead her to the forest, to bring her into safety there and to hide; for which reasons he also requested him, the Relatant, to let him carry this out unhindered, which he, the Relatant, along with the mentioned Javanese Wongso Tjitro, had then also done, and allowed the said Bedang, because he was his, the Relatant's, son, freely and unhindered to lead the wife of the aforementioned Tappa into the forest. That two days thereafter the Adjutant of Passourouang had summoned him, the Relatant, along with the aforementioned Javanese Wongso Tjitro, back to the village Wono Carso, but upon arrival had them apprehended; where he also saw that the repeatedly mentioned Tappa along with his wife and children had also already been apprehended; but that the Tappa was thereupon led away from there again, just as he, the Relatant, along with the other prisoners, was also taken from there at noon to Passourouang and further to Sourabaija; from where they were subsequently transported together to this place; nothing further. Below was written: Thus done and related at the government house at Samarang, date as above. Lower stood: Some marks, described as made by the Javanese Bappa Navie. Below that: In my presence, was signed: F. J. Rothenbuhler, provisional sworn clerk. Copy of the Report of the Javanese Wongso Tjitro, of the village Dawe, given at Samarang the 3rd June Anno 1782: The Relatant states that, about a year ago now, a certain Tappa named Wiero Donno having arrived in the village Dawe, he, the Relatant, was ordered by the patingie Oeda Marto, together with several other persons, to build a house for him a little outside the village Dawe. That he, the Relatant, after the said Tappa had gone to live in the house built for him, had gone to visit him several times and had also occasionally requested something from him whereby he might maintain his health. And That about two months ago now he, the Relatant, was ordered by the patingie Oedo Marto to follow him to Loemadjang and carry a pikol of provisions, which he, the Relatant, had then also done; but that on the way they met the Adjutant of Passourouang accompanied by [illegible]
Dutch transcription
373 Samarang den 22„e Iunij A:o 1732. — Samarang den 22„e Iunij A:o 1782. Copia Relaes van den Javaan Bappa Navie, van de dessa Dawe, gegeeven te Sch= „marang. den 3„e Iunij Ao 1782: Den Relatant verhaald, dat nu Circa den Jaar geleeden, een zeekeren Jappa in naame Wiero Donno in de dessa Dawie gekoomen zijnde hij Relatant door den patingie Oeda Marta was gelast geworden, om neevens verscheide andere persoonen, voor denselven een weinig buij„ „ten de Dessa Dawe een huijs te bouwen:—. Dat hij Relatant, na den genoemden Tappa in het voor denselven gebouw„ „dere huijs was gaan woonen, verscheide maal denselven was gaan besoe„ „ken en ook zomwijlens van denselven iets verzogt had, waar door hij bij sijne gesondheid zoude kunnen blijven. en Dat m: Circa twee maanden geleeden, er Eenige mantries neevens den Adjudant van Tassourouang in de dessa Dawe waeren gekoomen en gesegd hadden, dat sij kwaamen om den gemelde Tappa Wierodonno op te vatten; waarop hij relatant neevens de meeste Inwoonders van gemelde dessa Dawe, deselve na het huijs van gemelde Tappa had gevolgd: dog dat sij bij aankomst bevonden hadden, dat denselven reeds met vrouw en kinderen het haarepad gekoosen had; weshalven sij te samen na de dessa trono Carso te rug gekeerd waaren, van waar hij reld „tant: neevens den Iavaan Wongso Tjitro na het Boort Jurang= kedoeng Mengangang was gesonden geworden, met beves om aldaar buijten het gem: voors een waekend dog te houden, en den Tappa of desselvs vrouw, indien 'er Een van hun beide aldaar mogte koomen voor bij te gaan, op te vatten. aen: Dat na een dag aldaar vertoefd te hebben, zijn Relatants zoon Bedange, de vrouw van boven gemelde Tappa, bij sig hebbende, aldaar was komen Voor bij gaan; dewelke op zijn Relatants afvraege, waar hij de vrouw van Voormelde Tappa, die men hem Relatant gelast had bij ontdekking ge„ „vangen te neemen, wilde na to0 brengen: geantwoord had, dat hij de„ „zelve na het Bosch wilde voeren, om aldaar haar in zeekerheid te bren„ „geen, en te gaan verschuijlen; om welke reedenen hij hem telatant tef„ „ffens versogt hem sulx ongehindert te laaten ter outoven brengen,'twelk Copia Relaas van den Iaraan Wongso Tjitro, van de dessa Dawe, gegeeven te Sa= „marang den 3=e Iunij A:o 1782:— Den Relatant verhaald, dat, nu Circa ben Jaar geleeden, een zeekeren Tappa in naame wiero donno in de dessa Dawe gekoomen zijnde hij Relatant door den patingie oedo Marto was gelast geworden, om„ neevens verscheide andere persoonen voor denselven een weijnig buijten de dessa Dawe, een Huijs te bouwen. —. Dat hij Relatant, na den genoemden Tappar, in het voor denselven ge„ „bouwde Huijs was gaan woonen, verscheide maal denselven was gaan besoeken en ook somwijlen van denselven iets versogt had, waar door hij bij sijne gesondheid zoude kunnen blijven. an. Dat onu Circa twee maanden geleeden hij Relatant door den patingie gedo Marto was gelast geworden, om denselven na Loemadjang te volgen en Een Sikulants ruijen te draegen,; twelk hij telatant, dan ook ge= „daan had; dog dat sij onderweegs den adjudant van passourouang hij Relatant neevens den gewelde Javaan wongso Pjetro, dan ook heed gedaan en gem: medang, dewijl denselven zijn Relatants zoon was, vrij en ongehinderd de vrouw van ommegem: Tappa in 't book had laeten voeren. —. Dat twee daegen daarna de adjudant van passourouang hem telatant neevens voormelde Iavaan wongso Tjitro weeder na de deza Wono: Caaso had laaten te rug roepen; dog bij aankomst had laeten opvatten; alwaar hij teffens gedien had, dat meermelde Tappa neevens desselvs vrouw en kinderen ook reeds opgevat waaren; maar dat men den Tappa daarop weeder van daar had weggevoert; gelijk men hem Rela= „tant, neevens de andere gevangenen 's middags ook daarvan daar na Passourouang en voorts na sourabaija had gebragt; van waar men hun vervolgens gesamentlijk na herwaerts had, overgevoerd; zonder meer: /:onderstond:/ Aldus gedaan en de gerelateert ten gouverne= „mente Samarang, Dato voorsz: /:lagerstond:/ Eenige merken, omschree„ „ven :/ gesteld door den Javaan Bappa Navie /:daaronder / In kennisje Vaan mij /:was geteekent:/ f„s J: Rothenbuhler, prov„r gero: scriba. —. verseld. serg„s 91.
English
375 Samarang the 22nd of June Ao 1782. Samarang the 22nd of June Ao 1782. accompanied by some mantris, and that the said adjutant had asked the patingi Oedo Marto whether he would dare to apprehend the Tappa residing near the dessa Dawe. Whereupon the said patingi having answered yes, the adjutant had said to him again that he must then bring them together to the Tappa's dwelling place, which he had then also accepted, and together with him, the declarant, had turned back to bring the named adjutant to the dwelling place of the said Tappa, but that upon arrival there they had found that he had already taken flight with wife and children; wherefore they had returned together to the dessa Wonocarso, from where he, the declarant, together with the Javanese Bappa Navio, had been sent to the forest Jurang Kedong Regangan, with orders to keep a watchful eye there outside the said forest, and to apprehend the Tappa or his wife if either of them should happen to pass by there. That after having stayed there for one day, the son of the said Bappa Navie, named Bedang, having with him the wife of the said Tapa, had come passing by there, who, upon his, the declarant's, inquiry where he intended to bring the wife of the aforesaid Tappa, whom they, the declarant, had been ordered to take prisoner upon discovery, had answered that he wished to lead her into the forest in order to bring her to safety and go into hiding there, for which reasons he had also requested him, the declarant, to let him carry this out unhindered; which he, the declarant, together with the said Bappa Navie, had then also done, and had let the said Wedang, since he was the son of the aforesaid Bappa Navie, lead the wife of the above-mentioned Tappa into the forest freely and unhindered. That 2 days thereafter the adjutant of Passourouang had called him, the declarant, together with the aforesaid Javanese Bappa Navia, back to the dessa Wonocarso; but had him apprehended upon arrival; where he had also seen that the repeatedly mentioned Tappa together with wife and children had also already been apprehended, but that the Tappa had thereupon been taken away from there again; just as they had also brought him, the declarant, along with the other prisoners in the afternoon from there to Passourouang and further to Sourabaija, from where they had subsequently been transferred together to this place; nothing further. Below stood: Thus done and related at the Government of Samarang, on the date aforesaid. Below stood: A cross, described: made by the Javanese Wongso Tjitro. Beneath that: In my presence. Was signed: J. I. Rothenbuhler, former scribe. Copy of the account of the Javanese So Troeno of the Tenggerese dessa Blodo, given at Samarang the 5th of June A:o 1782. The declarant relates that about one year ago, he, the declarant, having gone to the dessa Dawe on a certain morning to purchase sugar, had heard there that the wife of the Tapa Wiero donno living nearby sold sugar, wherefore he, the declarant, had also gone thither, and had also bought sugar from the wife of the said Tappa; after which he had returned home, and since that time had never gone there again. And That now about two months ago, the lurah Nollo troeno residing in Loemadjang had given him, the declarant, orders to keep watch along the roads and passages, and to order the same to the inhabitants of the dessas Bedas, Djedjerok, Djirak, and Jurang Maling, since the Tapa Wiero donno, whom the Company had wanted to have apprehended, had fled; whom he must also take prisoner with wife and children if they should happen to pass by there; whereupon he, the declarant, had then also gone to call the patingis of the said dessas Bedas and Djedjerok, together with two inhabitants of the dessas Djirak and Djurang Maling, and with them had kept watch on the road near his, the declarant's, said dessa Blodo; after this a European along with a mantri and some people had come to him; who had stayed in his, the declarant's, house that night; but the next day had set off again from there; while a little later again a European, with some people, had arrived there and had ordered them to return home; since the aforesaid Tappa together with his wife and children had already been apprehended, for which reasons they had then also returned home. That the next day the Probolinggo mantri named Singo Mengollo had come to him, the declarant, and had apprehended him, under the pretext pages 93:C
Dutch transcription
375 Samarang den 22„e Iunij Ao 1782. Samarang den 22„e Iunij Ao 1782. Verselt door eenige mantries ontmoet hadden, en dat gemelde adjudant aan den patingie Oedo Marto had gevraagd, of hij den bij de desjen Dawe Woonagtigen Iappa wel soude durven opvatten. waarop gem: patingie van Ia geantwoord hebbende, had den adjudant weeder teegens denselven gesegt, dat hij dan hien gesamentlijk na der Tappas woonplaets brengen moest, 't welk denselven dan ook aangenoomen, en sig neevens hem rela- tant weederom had gekeerd, om den genoemden adjudant na de woonplaets van gemelde Tappa te brengen, dog dat sij bij aankomst aldaar bevonden hadden dat denselven reeds met vrouw en kinderen het Hlaasepad gekrosen had; werhalven sij te zoemen na de dessa wonocarso te rug gekeerd waaren, van waar hij Relotant neevens den Iavaan Bappa Navio na het Boors Iurang Kedong Regangan was gesouden geworden, met bevel om aldaar buiten het gem: hosst een maekend dog te houden, en den tappar of des„ „selvs vrouw, in dien 'ix een van hun beide aldaar mogte komen voorbij te gaan, op te vatten — Dat na Een dag aldaar vertoefd te hebben, de zoon van gem: twappa Navie, in paame Bedlang /:de vrouw van gewelde Tapa bij sig hebbende:/aldaar was koo„ „men voor bij gaan, dewelke op zijn relatants afvraege, waar hij de vrouw van Voormelde Tappa, die men hun relatant gelast had bij ontdekking gevangen te neemen, wilde na toe brengen! geantwoord had, dat hij deselve na het bossh wilde voeren om aldaar haar in seekerheid te brengen en te gaan verschuijlen, our welke reedenen hij hem telatant teffens versogt hem sulx ongehindert te laaten ter uitvoer brengen,; twelk hij delatant neevens gem: Bappa Navie dan ook had gedaan, en gem: wedang, dewijl denselven eevengem: Bappa Havies zoon was, vrij en ongehindert de vrouw van Ommegem: Tappa in't bosch had laeten voeren. — Dat 2. daegen daarna de adjudant: van paes sourouang hem telatant neevens voorm: Javaan Bappa, Navia na de dersee Wonocarso had laeten te rug woepen; dog bij aankomst had laeten opvatten; alwaar hij teffens gesien had, dat meermelde Tappa neevens vrouw en kinderen ook reeds opgevat waaren, maar dat men den Pappa daarop weeder van daar had weggevoert; gelijk men hun telatant, neevens de andere gevangenen 'smiddags ook daar van daan na passourou„ „ang en voorts na sourabaija had gebragt, van waar men hun vervolgens gesamentlijk na herwaerts had overgevoert; zonder meer : /:onderstont:/ Aldus gedaan en de gerelateer ten Gouvernemente Samarang, Den Relatant verhaald, dat om' Circa Een Jaar geleeden, hij Relatant op een seekeren morgen na de dessa Dawe zijnde gegaan om zuijker in te koopen, aldaar gehoord had, dat de vrouw van den aldaar digt: bij Woonende Tapa Wiero donno, zuijker verkogt, werhalven hij te„ „latant sig ook daar na toe had begeeven, bos van de vrouw van gemelde Tappa ook zuijker had gekogt; waar na hij sig weeder na huijs begeeven had, en seedert die tijd nooijt meer daar na toe was gegaan. en. Dat nu Circa twee maanden geleeden, den te Loemadjang woonagtigen oo„ „rak Nollo troeno, hem Relatant oedre had gegeeven, om langs de weegen en passagies-wagt te houden, en aan de Inwoonders van de dessas Bedas„ Djedjerok, Djirak, en Iurang Maling, salf meede te gelasten, aangesien den Tapa wiero donno, wins de Comp„s had willen laeten op vatten, sig op de vlugt had begeeven; denwelke hij ook met vrouw en kinderen, in dien deselve aldaar mogten komen voor bij te gaan, moeste gevange neemen; waarop hij Relatant dan ook de patingis van de gem: dessaas Bedas, en djedjer ook neevens. twee Inwoonders van de dessaas djirak en djurang slaling had gaan roepen en met deselve op den weg bij sijn relatants gemelde dessa Blood magt gehouden had; hierna was een Europees nevens een mantrie en Eenig volk bij hem gekoomen; dewelke in zijn relatants huijs dien nagt: geblee„ „ven waaren; dog sanderen daags sig weeder van daar hadden op wrig begeeven„ terwijl ens weinig daarna weeder een Europees, met eenig volk aldaar was ge„ „koomen, en hun had gelast, dat zij weeder na huijs zouden kieren; dewijl den voormelde Tappa neevens derselvs vrouw en kinderen reets was opgevat ge„ „worden, om welke reedenen sij hun dan ook na huijs hadden begeeven. —. Dat sanderen daags den Probolingose mantrie Singo Mengollo go= „naamd, bij hem delatant was gekoomen, en hem opgevat had, onder Copia Relaas van den Javaan So Troeno van de Tengerse desse Blodo, gegeeven te Samarang den 5„e Iunij A:o 1782. — dato voorsz: /:lagerstond: Een kruijs, omschreeven:/ gesteld door den Javaan Wongso Tjitro /:daaronder :/ In kennisse van mij /: was getekent:/ J: I: Rothenbukler pro=e gew: Sciba. Dato voorgeeven. pag„s 93:C
English
377 Samarang the 22nd of June, the year 1782. Samarang the 22nd of June, the year 1782. Alleging that the Tappa Wiero donno, when he fled, had lodged with him, the declarant; after which he, the declarant, was transferred to Passourouang, and from there afterward to Sourabaija, from where they subsequently sent him, the declarant, hither. The declarant testifying, for the rest, that he, the declarant, is wrongfully accused that the aforementioned Tappa was supposed to have lodged with him, as such was in no way true; without further additions. Below stood: Thus done and related at the government of Samarang, on the date prescribed above; lower stood: a mark, paraphrased, made by the Javanese So Proeno; below that stood: In my knowledge, was signed: J: J: Rodenbuhler provisional sworn scribe. Copy of the statement of the Rongo Promono, Head of the district of Loemadjang, sorting under Probolingo or Banger, given at Samarang the 6th of June, the year 1782. The declarant relates that, now about 11 years ago, he, the declarant, having been elevated to Rongo of Loemadjang by the currently ruling Tommongong at Banger, Djoijo Nogoro, received a report there three months afterward from the Demang Trodjo Sarie, Head of the dessa Smeroe, that at the foot of Mount Smeroe lived a former panakawang of the previously executed Tappa Panembahan Smeroo, by name Wiero donno, who also passed himself off as a tappa, and not only refused to do anything whatsoever for the Company, but also moreover seduced the common man and turned his head; Whereupon he, the declarant, had ordered him to take this Tappa prisoner, whether with kindness or with force; upon this, the Demang Trodjo Sarie had gone home, but came back ten days later with the tale that when he had gone with some men to the Tappa's residence in order to seize him, he had then found that he had already taken to flight. That he, the declarant, since that time, despite his efforts applied to that end, had been able to learn nothing more of that tappa, until about seven years thereafter, the Javanese woman Ombok Serinam had come to tell him, the declarant, that at the dessa Doek lived a Tappa, by name Wiro donno, who was at the same time a very learned doctor; Whereupon he, the declarant, had written a letter to the Tommongong Djoijo Nogorro at Banger and had given him notice thereof, to which the aforementioned Tommongong, however, had answered him, the declarant, nothing; because of which he, the declarant, since the mentioned dessa Doek was not subordinate to him, the declarant, but stood directly under the Tommongong, had then also kept quiet, the more so because he, the declarant, at that time had to have a post built for the Europeans at Loemadjang. That about 1 month thereafter, he, the declarant, had gone to Banger to speak with the Tommongong about some matters; but that upon arrival there, the mentioned Tommongong had told him that he, the Tommongong, upon receipt of his, the declarant's, letter concerning the Tappa Wiero donno, had directly sent some men to the dessa Doek to seize him, but that upon arrival they had not been able to find him, and that it was also not known to this day where he had gone; after which he, the declarant, had returned home again, and had also heard nothing more of the aforementioned Tappa. That now about two months ago, the Adjutant of Passourouang together with some mantries had come to Loemadjang and had told him, the declarant, that 4 persons, by name Bappa Roewach, Bappa Trait, Bappa Tannam, and Bapa Cerinam, had been arrested at Balemboangan because they had intended to deliver some letters to Balie for a Tappa named Wiero donno and residing near the dessa Dawe; after which they had at the same time asked him, the declarant, whether he, the declarant, perchance knew anything about this matter, seeing that the daughter of Bappa Cerinam was his, the declarant's, concubine; or whether the 4 emissaries had undertaken that journey for the tappa on his, the declarant's, order; to all of which he, the declarant, had answered that he knew nothing of the matter and that he had also had no part in it; after this, he, the declarant, had the Javanese woman Ombok Cerinam called, whom he, upon arrival, in the presence of the mentioned Adjutant, had asked where her husband was; to which she had answered that her husband [illegible]
Dutch transcription
377 Samarang den 22„e Iunij Ao 1782. Samarang den 22„e Iunij A:o 1782. — Voorgeeven dat den Tappa Wiero donno, wanneer denselven weg vlugte, bij hem Relatant dan gegierd: was, waarna hij delatant na pas„ „sourouang, en daarvan daar na sourabaija was overgebragt geworden, Van waar men hem Relatent voorts na herwaerts had overgesonden. Betuijgende hij Belatant, voor't overige dat hij Belatant ten onregte beschul„ „digt is, dat den meerm: Jappa bij hem soude aangegierd weesen, alsoo sulx in geenen deele waar was; zonder meer: /:Onderstond:/ Aldus gedaan. ende gerelateert ten gouvernemente Samarang, dato voorschreeven; /:lager stond:/: een merkt, omschreeven :/ gesteld door den Iavaan so Proeno„ /:daar onderstond:/ In kennisse van mij /:was geteekent:/ J: J: Rodenbuhler provisionel geswore scriba. —. Copia Relaas van den Rongo Promono, Hoofd van het onder Probolingo, off Banger sorteerende district Loemadjang, gegeeven te Samarang den 6„e Iunij Ao 1702. — Den Relatant verhaald, dat, nu Circa 11. Jaaren geleeden, hij Relatant, door den thans Regeerende Tommongong te Banger Djoijo Nogoro, tot Rongo Van Loemadjang verheeven zijnde, aldaar drie maanden daarna van den Demang Trodjo Sarie, Hoofd van de desja smeroe berigt ontvangen had, dat aan den voet van den Berg smerve, een geweesene panakawang van den voor deesen om 't Leeven gebragte Iappa Panembahan Smeroo in naeme Wiero donno, woonde, dewelke sig ook voor een tappa uit= „gaf, en niet allen voor de Compagnie niets hoe genaamd begeerde te doen, maar ook nog boven dien den gemeenen man overleijde en het hoofd aan het hollen maakte; Waarop hij Relatant aan denselven gelast had, dien Tappa het sij met goed= „heid of met geweld gevangen te neemen, hier op had sig den Demang Boogo jarie na huijs begreven; dog was tien daegen daarna weederom gekoomen, met verhaal, dat wanneer hij sig met eenig volk na der Iappas verblijff had begeeven, om denselven op tevatten, hij toen bevonden had, dat denselven sig deeds op de vlugs had begeeven. Dat hij Relatant seedert die tijd niets, niet teegenstaande zijn relatants ten dien eende aangewende moeijte, meer van dien tapper had kunnen ver neemen, tot dat Circa seeven Jaaren daarman, de Javaause Vrouw Ombok Serinam hem Belatant was koomen verhaalen, dat bij de derse Doek een Tappa, in naame wiro donno, woonde, die teffens een seer geleerd Doctor was, Waarop hij Relatant een Brieff aan den Tommongong Djoijo Nogorro te Banger had geschreeven en denselven daarvan had kennisse gegeeven, waarop gem: Tommongong hem Relatant egter niets had: geantwond, waar door hij Relatant, dewijl de gemelde desa doek niet onder hem relatant sorteerde, maar direct onder den Tommongong stond, sig dan ook had stel gehouden, te meer om dat hij Relatant ter dier tijd een port voor de Europeeren te soemadjang moet laaten opbouwen. — Dat Circa 1. maanden daarna: hij Relatant sig na Banger had begeven, om den Tommongong over eenige zaeken te spreeken; dog dat bij aankomst aldaar gemelde Tommongong hem verhaald had; dat hij Tommongong op den ont„ „fangst van zijn Relatante brieff aangaande den Tappa Wiero donno, di „rect eenige Volkeren na de dessa Doek had gesonden, om denselven optevatten; dog dat deselve bij aankomst denselven niet hadden kunnen vinden; en dat men ook tot ondg toe niet wist waar sig denselven had na toe begee„ „ven; na welk hij delatant sig weeder na huijs had begeeven, en ook niets meer van voormelde Tappa had vernoomen. — Dat nu Circa twee maanden geleeden den Adgudant van Passourouang neevens Eenige mantries de Loemadjang waaren gekoomen en hem belaant verhaald hadden, dat 'er 4. persoonen in naame Bappa Roewach, Bappa frait, Bappa Tannam en Bapa Cerinam te Balemboangan, waaren opgevat geworden, om reedenen deselve eenige brieven voor een Pappa, dien Wiero donno genaamd en bij de dersan Dawe woonagtig was„ na Balie, hadden willen overbrengen; waarna deselve hem telatant teffens hadden gevraagd, of hij telatant 'er zomtijds iets van die zaak wist. aange„ „sien de dogter van Bappa Cerinam zijn relatants Bijwijff mas; dan wet of de 4. zendelingen op zijn relatants ordre die reijse voor den tapper hadden ondernoomen; op welk alles hij relatant geantwoord had, dat hij niets van die zaak wist en dat hij er ook geen dees in had gehaed, hier va had hij Re= „latant de Javaanse vrouw Ombok Cerinam laaten roepen; dewelken hij bij aankomst in 't bij weesen van gemelde Adjudant gevraagd had, waar haaren man wats.t waar op deselve had geantwoord, dat haaren man neemen. sig= 1 195.
English
379 Samarang the 22nd of June Ao 1782. Samarang the 22nd of June A:o 1782— had proceeded towards the Tengger mountains in order to purchase onions there, after which he, the deponent, had brought the same into the fort and handed them over to the Postholder. That the aforementioned adjutant, along with the aforementioned mantris, intending to proceed thereafter to the dessa Dawe; he, the deponent, because he was prevented by some large boils from going along in person, had his son-in-law, named Mangoen Iudo, and his relative named Troeno-wrongso accompany the same. That two days thereafter his, the deponent's, regent the Tommongong Djoijd Adgorro at Banger had summoned him, whereupon he, the deponent, had then also proceeded to Banger; but upon arrival had found the same absent; for which reason he, the deponent, then also upon orders of the patih had proceeded to Passourouang, where two days thereafter the aforementioned regent had also arrived and had brought along the head of the Pappa Wiero donno; after which, he, the deponent, was seized and, along with all the prisoners who had been brought there, transported to Sourabaija; from where they had subsequently been sent together hither; without further statement: underneath stood: Thus done and related at the Government of Samarang on the date aforesaid: lower stood, the signature in Javanese, transcribed: set by the Rongo Promono underneath: In my presence, was signed: J:r J: Rothenbuhler, provisional sworn scriba. Copy Translation of a Javanese missive written by the Radeen Adipattij Danoeridja at DjokjoCartee, to the Radeen Rongo Prowiro dirdjo, regent at Madion, exhibited at Samarang, the 16th of May 1782. I hereby make known to Your Honour that the chief Jan Matthijs van Rhijn has received a letter from his master, the Governor and Director at Samarang; in which he makes known that the aforementioned Governor and Director at Samarang had received a letter from the Resident of Batavia, in which it was mentioned that the family of the pangerang Rongo at Gadja was staying in the districts of Jipang and Pelora. Copy of a Letter written by the Honourable Johannes Siberg, Governor and Director along Java's North East Coast, to the pangerang Adipattij Mancoe Nagara at Soura Carta, dated Samarang the 20th of May a:o 1782. In the hope that this may find Brother in a perfect state of health, I serve further to state that Brother's daughter, the radeen aijoe of Tagal, has very earnestly requested me to be allowed to be divorced from her husband, since he, being too weak of capacity to beget heirs, is very disagreeable for cohabitation. To this request, which is founded upon reason and equity, I have nevertheless been unable to consent before and until it had been fully and satisfactorily proven to me that it was in truth thus positioned and situated with her husband, the Radeen Tommongong, to which end I summoned him to Samarang and placed him in the hands of the most skillful doctors, but since they not only give the same bad testimony of the Radein Tommongong's incapacity, but also declare that he will never become capable of the marital duties, I find myself under the obligation to inform brother of this case in the friendliest manner and at the same time make a proposal for the separation of the radeen Aijoe and her husband the raadeen Tommongong, in order thus to answer her request, and as I would gladly through a second marriage fulfill this separation and thus the Raden Aijoe... Letter I: The chief van Rhijn having handed over the Javanese translation of the aforementioned letter from the Honourable Governor and Director at Samarang to the Sultan, who thereupon gave me orders that I should then command Your Honour to capture the family of the pangerang the Rongo at Djadjar, should the same happen to stay in Your Honour's subordinate districts; while I in the meantime also send herewith to Your Honour the aforementioned Javanese translation of the letter of the aforementioned Governor and Director at Samarang: underneath stood: translated by me: was signed: J:r J: Rothenbuhler: Having. Letter more; N: 2: 97:
Dutch transcription
379 Samarang den 22„e Junij Ao 1702. Samarang den 22„e Iunij A:o 1782— sig ma het Tengeroche gebergte had begeeven, om aldaar uijen in te koopen, na welk hij relastant deselve binnen het fort gebragt en aan den Posthouder overgegeeven had. Dat den voormelde adjudant sig neevens de gemelde mantries daar ona, na de dessa Dawe willende begieven; hij Relatent /: overmits hij weegens eenige groote steen puijsten verhinderd wierd om in persoon meede te gaan:/ zijnen schoon zoon in naame Mangoen Iudo, en sijnen Vroo„ O„der Troeno-wrongso genaamd, deselve had doen versellen. —. Dat twee daagen daarna sijn relatants tegent den Tommongong Djoijd Adgorro te Banger hem had laaten roepen, waarop hij Relateert sig dan ook na Banger had begeeven; dog bij aankomst denselven afweesig be„ „vonden had; waarom hij Relatent sig dan ook /: op ordre van den pepattij:/ na Passourouang had begeeven, alwaar twee daagen daarna den weerm: ook was aangekoomen en 't Hoofd van den Pappa Wiero donno meede„ gebragt had; waarna, omen hem relatant opgevet; en, neevens alle de gevangenen die aldaar waaren aangebragt, na sourabaija overgevoert had; s van waar men hun voorts gesamentlijk na herwaerts had overge„ „sonden; zonder meer: /:onderstond:/ Aldus gedaan en de gerelateert ten Gouvernemente Samarang Dato voorsz: /:lager stond, de handteekeninge in 't Javaans, omschreeven :/ gesteld door den Rongo Promono /:daar on„ „der :/ In kennisse van mij, /:was geteekent:/ J:r J: Rothenbuhler, provisio„ „neel geswore scriba. — Copia Translaat Iavaande missive geschrven door den Radeen Adipattij Danoeridja te DjokjoCartee, aan den Radeen Rongo Prowiro dirdjo, regent te Madion, vertoont te Samarang, den 16„e meij 1782. — Ik maake UE: bij deesen bekend, dat het opperhoofd Jan Matthijs van Rlijn, een brieff van desselvs gebieder den Heer Gouverneur en directeur te Samarang ontvangen heeft; waarin denselven bekend gemaakt, dat gemelde Heere gouverneur en Directeur te samarang, van den Jdavias Resident, een brieff had ontfangen, waarin verm: stond, dat sig de Jani „lier van den pangerang Rongo te Gadja, inde destricte van Jijpangn Pelora gehield Copia Brieff geschreeven door den Heere Johannes Ciberg gouverneur en Directeur op en lange Iavas Noord Oost kust, aan den pangerang Adipattij Mancoe„ Nagara te Soura Carta, gedateert Samarang den 20„e Meij a„o 1782. — In hoope dat deese Broeder in Eene volmaakte staat van gesondheid zal dogter moogen aantreffen, soo diene ik vervolgens dat Broesers de radeen aijoe van Tagal mij seer Ernstig versogt heeft om van haare man te moo„ „gen werden gescheiden, dewijl hij te swak van vermoogens om Erfgenaamen te verwekken seer onaangenaam voor de bij wooning is. —: Jn dit versoek het welk op reeden en billijkheid gegrond is, hebbe ik eg= „ter niet kunnen bewilligen voor en al eer mij ten vollen en genoeg= „doende gebleeken was; dat het met haare man den Radeen Somman„ „gong in waarheid dus gesteld en geleegen waaren, ten welken einde ik hem na samarang geroepen en in handen van de kundigste doctoo= „ren gesteld hibbe, dan dewijl die niet alleen dezelfde slagte getuigen is van des Radein Tommongongs onvermoogen geeven, maar teffens ver„ „klaare dat hij nimmer zal in staat geraaken tot de huwelijks pleg„ „tigheeden, soo vinde ik mij in de verpligting om broeder van dit geval op het vriendelijkste kennisse te geeven en teffens voorstelling te doen tot separatie van de radeen Rijoe en haare man de raadeen Tommongong om dus aan haar versoek te beantwoorden, dan daar ik gaarne door som onder huwelijk deeser scheiding vervullen en dus de Raden dijve L„a I: Hebbende het opperhoofd van Rlijn de Javaanse oversetting, van den go„ „melde brieff van den wel Edelen Heere gouverneur en Directeur te sa„ „marang aan den Sulthan overgegeeven, dewelke daarop dan mij bevel gaff, dat ik dan uE gelasten zoude, om de familie van den pangerang d' Rongo te djadjar, indien deselve sig in uE onderhoorige districten kwam= of te houden, gevangen, te neemen: terwijl ik intussen de gem: Iavaende Oversetting, van de brieff van welmelde Heere gouverneur en direc= „teur te samarang teffens neevens deese aan UE oversende /:onder„ gestond:/ getranslateert door mij /:was getekent:/ f:r J: Rothenbuhler: — Hebbende. L„r meerder; N: 2: 97:
English
381 Samarang the 22nd of July Ao 1782 — Samarang the 22nd of June Ao 1782. - Letter H: would bring more pleasure, so I must further inform brother that my eye has fallen upon the second Regent of Damak, the Tommongong Iuda Nagarra, who is the only one who has no wife, he being a man of 42 to 43 years of age, with 5 children, yet fresh, healthy and strong, and virtuous and faithful in service. If now this marital union pleases Brother and you are willing to be satisfied with my arrangement, then I very kindly request to let me know of this as soon as possible; whereupon I shall have the Radeen Aijoe of Tagal come hither, to be divorced from her husband who is currently here, and to be married to the second Regent of Damak, if she has a liking for him; of which matters, however, the Radeen Aijoe has as yet no knowledge. — Furthermore I greet brother most cordially, wishing every salvation and blessing. was written below: written at Samarang the 20th of May Ao 1782 was signed: Js Siberg. — Copy Translation of Javanese Letter, written by the Pangerang Adipattij Mancoe Nagara, at Soura Carta; to Mr. Johannes Siberg, Governor and Director along and over Java's Northeast Coast, presented at Samarang the 24th of May Ao 1782. —. Brother's friendly letter concerning my daughter the Radeen Aijoe at Tagal, I have received with much pleasure, and serve in reply thereto, that I have for a long time past entrusted and given up my said daughter to brother and to the Company: but my daughter the Radien Aijoe at Tagal has previously requested that, even though she might come to be divorced from her husband, she should not have to depart from Tagal, just as I also request the same, if it can be arranged, for the reason that she is there close to the grave of one of her ancestors. — Furthermore I come hereby to ask brother whether my son Soerjopessoemo, who is at Pronorogo, may enter into marriage with the widow of the recently deceased Panumbahan, who is currently at Sourabaija. — For the rest, I request brother to please provide me with some firearms, of whatever kind they may be, yea, even if they were carbines:— was written below: translated by me was signed: J: J. Rothenbuhler. Letter S Copy Respectful Remarks, Concerning the Regency of Tagal, with regard to the First Regent, the Radien Tommongong Tjacra Nagara. — Under the Reign of the Emperor of Java Packoeboeana the 1st, around the year 1702, the Regency of Tagal was as large as it still is now; namely: 5000. —. Tjatjas, which at that time were divided in the manner as: 1800. Tjatjas, under the Radeen Tomm: Raxo Nogorro, 1800. —ditto under the Tommongong: Wiero Nogorro, 1200: ditto or the district Djoijo Soero under four separate Chiefs, who each had 300 Tjatjas in 10 Loerahs. 200. —ditto under the Bandhaar of Tagal; On that footing it remained until around the year 1719, when the second Tommongong Wiero Nogoro was killed in the Sourabaija war and the following division was made again: - 1800. Tjatjas remained with the Radeen Tomm: Raxo Nogorro. 1500. ditto passed to the brother of the slain, under the same title and name of Tomm Wiro Nogoro, 300: ditto a certain mantri received, who had conducted himself bravely in the aforementioned Sourabaija War, with the name of Ingabeij Sosro Nogoro. 1200: ditto or the district Djoijo Soero remained as above, under the four Chiefs, and 200: ditto to the Tagal Bandhar, After which, around the year 1752, when the coastal areas had already been ceded to the Company, the following occurrence again caused a change; Tommongong Wiero Nogoro, brother of the from here. G 1 page 99.
Dutch transcription
381 Samarang den 22„e Julij Ao 1732 — Samarang den 22„e Iunij A„o 1782. - L„ H: meerder genoegen toe brengen wilde, soo moet ik broeder al verder kennisse geeven, dat mijn dog gevallen is, op den tweeden Regent van Damak den Tommongong Iuda Nagarra, die de Eenigste is welke geen vrouw heeft zijnde hij wel den man van 42. â„ 43. Jaaren oud, met J. Kinderen dog fris, gesond en sterk en deugdsaam en getrouw in den dienst„ soo nu Broeder deese Egt verbintenisse aanstaat en in mijne schikking gelieven genoege te neemen, soo versoeke ik sier vriendelijk mij sulx ten spoedigste te doen weeten; als wanneer ik de Radeen dijde van Tagal na herwaarts zal laaten koomen, om van haar man die sig thans hier bevind gescheiden en met den tweeden Regent van Damak, soo zij sin in hem heeft, getrouwt te worden; van welk een en ander Egter de Raa„ „deen aijve nog geen kennisse draagt. — Voorts groete ik broeder op het aller hartelijkste onder toewensing van alle Heil in zeegen. /:onderstond:/ geschreeven te Samarang den 20„e Meij Ao 1702 /: was geteekent:/ I„s Siberg. — Copia Translaat Javaansche Brieff, geschreeven door den pangerang Adipattij Mancoe Nagara, te Soura Carta; aan den Heere Iohannes Siberg, Gouverneur en Directeur op en Lange Iavas Noord P„t Cust, vertoont te Sama= „tang den 24„e Meij A„o 1782. —. Droeders vriendelijke brieff, aangaande mijne dogter de Radeen dijve te Tagal, hebbe ik met veel genoegen ontvangen, en diene daarop in antwoord, dat ik gem: meijne dogter sudert langen tijd herwaerds, aan broeder en aan de Comp: toeptrouw en opge„ „geeven hebbe: maar mijne dogter de tadien aijoo te Tagal heeft voordeesen versogt, om, ofschoon sij van haaren man mogte koomen te scheiden, niet van Tagal te moeten vertrekken, gelijk ik meede sulx, indien het kan weeren versoeke, om reedenen sij aldaar digt bij het graff, van Een haarer voorouderen is. — Voorts koome ik bweder bij deese te vraagen, of mijn soon Soerjopessoemo die te Pronorogo is, sig met de weduwe van den Jongst overleedene panumbahan, die haar thans te sourabaija bevind, in den Egten staat mag begeeven. — Voort overige versoeke iks breder mij beige geweeren te villen bij eten„ L„a S Copia Eerbiedige Aanmerkingen, Omtrent het Regentschap Tagal, met betrek„ „king tot den Eersten Regent den Radien Tommongong Tjacra Nagara. — Onder de Regeering van den Iavas keijzer Packoeboeana, den 1„e omtrent den Iaare 1702. was het Regentschap van Tagal groot, eeven als het nu nog is; te weeten. 5000. —. Patjas, dewelke ter dier tijd, verdeeld waaren, in voegen; als: 1800. Tjatjas, onder den Radeen Tomm: Raxo Nogorro, 1800. —d„o onder den Tommongong: Hiero Nogorro, 1300: _„o of het district Djoijo Soero onder vier afsonderlijke Hoofden, die elk 300. Tatjas in 10. Loeras hadden. „ 200. —d„o onder den Bandhaar van Tagaz; - Op dien voet is het gebleeven, tot omtrent den Jaare 1719, wanneer den Swrieden Tommongong Wiero Nogoro, in den sourabaijase oorlog sneuvelde en de volgende verdeeling weeder gemaakt wierd. - 1800. Tjatjas; bleeven aan den Radeen Tomm: Raxo Nogorro„ 1500. _„o gingen over, aan den broeder van den geoneuvelden, on„ „der dezelvde titul en naam van Tomm Wiro Nogoro, 300: _„o kreeg zeekere mantrie, die zig in den voorschreeven Cou„ „rabaijasche Oorlog dapper gedraegen hadt, met de naam van Ingabeij Sosro Nogoro. 1200: _„o of het district Djoijo soero, bleeven als boven, on„ „der de vier Hoofden, en 200: _„o aan den Tagals Bandhar, Waar na omtrent den Iaare 1752., Wanneer de stranden bereeds aan de Compagnie waaren afgestaan, de volgende gebeurtenisje Weederom verandering veroorsaakte; Tommongong Wiero Nogoro, broeder van den Van wat zoort deselve ook zijn moogen, Ia al waaren het selvs Carbijns:— /onderstond:/ getranslateert door wij /:was geteekent:/ J: J. Rothenbuhler. van hier. G 1 pog 99.
English
383 Samarang the 22nd June Ao 1742. Samarang the 22nd June A:o 1782. The aforementioned deceased defected to the present Sultan at the time the latter invaded Tagal, and having returned again to the Company afterwards, he died under arrest in Samarang: After which, or some time prior, the four separate chiefs over the district of Djojo Soero, with some people, were sent to Buitenzorg to work there, while the 1500 and 1200 tjatjas respectively became vacant as a result, and the following arrangement, as it still stands, regarding the Tagal district, totaling as above 5000 tjatjas, was made: 3300 tjatjas under the repeatedly mentioned Radeen Tommongong Raxo Nogorro; of which 1800 tjatjas that he already possessed, and 1500 ditto, or the share of the apostate second regent Wiero Nogorro, were further assigned to him for demonstrated loyalty in the aforementioned case of the Sultan, or the invasion of Tagal, when he joined the Europeans in the fort until Mancoeboemie or the present Sultan had withdrawn. 1500 tjatjas to the Ingebeij Sosro Nogorro, under the name of Tommongong Sosro Nogoro, of which 300 tjatjas that he already possessed as Ingebeij, and 1200 ditto, or the share of the four chiefs over the district of Djojo Soero exiled to Buitenzorg, which were assigned to him, just as to the First Regent or Tommongong Raxo Nogoro, for loyal service to the Company in the same case. 200 tjatjas, as of old, remained with the Bandhar. After the death of the last or second regent, the Tommongong Sosro Nogoro, the son of the First Regent Radeen Tommongong Raxo Nogorro was appointed as his successor under the name of Radeen Tommongong Pandji Tjacra Nagarra. This person is now in Batavia. But shortly thereafter the repeatedly mentioned Radeen Tommongong Raxo Nogorro having died, the aforesaid Pandjie Tjacra Nagara was appointed as First Regent in place of his father, and subsequently replaced again by his uncle or father's brother, the present second regent, under the name of Soero Rorio; while the first, or Pantjie Tjacra Nagara, assuming religious robes in Ao 1777 and departing on a pilgrimage to Mecca, gave up his position to the presently acting First Regent, the Radeen Tommongong Tjacra Nagara, married to the daughter of the Pangerang Mancoenagara; who, however, on account of a complete incapacity for marital duties, mutually insist upon a divorce. This separation can easily be effected, but the Radeen Ajoe must have another husband if matters are to go well; most Tommongongs on Java are old, and the others have a wife; moreover, she begs and pleads to remain in Tagal, and the Pangerang Mancoenagara does likewise, while he himself expresses her inclination toward the Maas Pattij of her husband, in case he might replace the same: these two love one another reciprocally, so that a means must be devised for her satisfaction and to give pleasure to the Pangerang Mancoenagara, in order to divert the prince in a proper manner from another request made to me for his son, the regent of Pronorogo, to marry the Maas Radien Aijoe, widow of the last deceased Panembahan of Madura, a proposal that, because of her kinship with those of Sourabaija and several other weighty reasons for the Company's interests, cannot be granted. All arrangements that one can or might wish to make will tend to the prejudice of the First Regent, and thus he will, without reason, have little inclination to yield his post to another, or in another scenario, to exchange Tagal for Pamalang; though his regency page 101. Sosro .. 8. 1
Dutch transcription
383 Samarang den 22„e Iunij Ao 1742. Samarang den 22„e Junij A:o 1782. — hier Voorwaards gemelde gesneuvelde, lip tot den prae „sente Sutthan over, ten tijde deese Tugal invadeerde, en daarna weeder tot de Compagnie overgekoomen zijnde is hij tot Samarang in arrest overleeden: Waar na of eenige tijd bevoorens, de vier afsonderlijke hoofden, over het district ajoijo soero, met eenig volk, na Buijten sorg versonden wierden, om aldaar te arbeiden, terwijl de 1500. -n 1200: Tjatjas respective hier door vacant geraakte, en de volgende schikking zoo als die nog plaats vind, omtrent het Tagaloche district, groot als boven. 5000. -. jatjas gemaakt wierd; 3300. —. Patjas, onder den meermelden Radeen Tommongong Raxo Nogorro; waarvan 1800- Tjatjas, die hij reeds bezat, en 1500. _„o, of het aandeel van den afvalligen twee„ „den regent wiero Nogarro, hum nader wierden toegeweesen, voor beweesene trouw, bij het gem: geval van den sulthan, of de invadeering van Tagal, wanneer hij zig bij de Europeeren in 't fort vervoegde, tot dat Mancoeboemie of den procun„ ten sulthan was afgetrokken. 1500. —. TJatjas, aan den Jngebeij Aos 0. Nogorro, onder den naam van Tommongong Tosro Nogoro, waar van 300. –. Tjatjas, die hij als Ingebeij reeds bezat, en 1200. —. _„o„ ofte het aandeel van de op buijten zorg versleevene vier hoofden, over 't district Djoijd soero, welke aan stem, eeven als aan den Eersten Regent of Tommongong Raxo Nogoro, voor ge„ „trouwe dienst aan de Compagnie in het zelvde geval toegeweesen wierden. —. 200. — Gatjas, als van ouds, bleeven aan den Bandhar: Na de dood van den Laesten of tweede Regent den Tommongong ƒ0550 Nogoro, owierd tot zijne vervanger benoemd, de zoon, van den Eersten Regent Radeen Tommongong Raxa Nagoro, onder den naam Deese bevind zig thans van Radeen Tommongong Pandji Tjacra Nagarra, dog kort op Batavia. - daarop meermelde Radeen Tommongong Raxo Nogorro overlei„ „dene, zoo wierd voorsch: Pandjie Tjacra Nagara, in plaets van zijne vaeder tot Eerste Regent aangesteld, en vervolgens weederom ver„ „vangen, door zijn Oom of vaders broeder den presenten tweede regent onder den naam van Soero Rorio; terwijl den Eersten of Pantjie Tjacra Nagara in Ao 1777. het giestelijke gewaat aanneemende, en in beede vaart na Mecca vertrekkende, zijn plaets in ruijmde aan den thans fungeerende Eerste Regent den Radeen Tommongong Tjacra Nagara, getrouwd aan de dogter van den pangerang Mancoenagara„ dog. die uit hoofde van eene volkoomene onbekwaamheid tot de Huwelijke pligten, op een scheiding weederzeids aandringen.— Heese separatie kan gemakkelijk geschieden, maar de Radeen Ajoe moet een ander man hebben, zal het wel gaan; de meeste Tommon„ „gongs op Iava zijn oud, en de andere hebben een wijff, boven dien bidt en smeekt zij van op Tagal te blijven, en dit doet meede den pange„ „rang Mancoenagara, terwijl hij selvs haare geneegendheid betuigd, tot de Maas Pattij van haare man, ingevalle hij denselven vervangen mogte: deese twee- beminnen malkander over an weeder, zoo dat 'er middel diend uitgedagt te worden, ter haaren bevreediging, en oms aan den pangerang Mancoenagara genoegen te geeven, ten einde de prins op een welvoegelijke wijso te diverteeren, van een ander bij mij gedaane versoek, voor zijn zoon den regent te pronorogo, om met den Maas Radien Aijoe weeduwe van den laast overleedene Pa= „umbahan van Madura, te trouwen, een voorstel dat om Hlaere vermaagschap met die van sourabaija, en meer andere reedenen aan gewigt, voor 'sComp„s belangens; niet in te willigen is. —. Alle Cchik„ „kurgen die men kan: of wilde maaken, zullen in projuditie strekken den den Eersten Regent, en dus zal hij zonder reeden weinig smark hebben, om zijn dienst aan een ander interuijmen, of in andere voorstelling, het zij van Tagal, woar Pamalang te verwisselen; den wel zijn Regent„ pag:o 101. Josre „schap. — .. 8. 1
English
385 Samarang the 22nd of June, Anno 1732. Samarang the 22nd of June, Anno 1732. regency, to divide into two equal portions. I do not arrogate to myself any liberty of decision, but merely take the liberty, as an only possible means toward satisfaction, to bring such in all reverence under the notice of Your Right Excellencies, with the addition: Firstly, that the present Tommongong of Pamalang will surely be persuaded to cede his office to the First Tommongong of Tagal, whenever his son, the Maas Pattij, is appointed as First Regent of Tagal, and he, out of the considerable revenues of that regency, is fully compensated for the loss of his revenues as Tommongong of Pamalang, which he indeed needs to enjoy for his maintenance and for the reduction of his pressing private debts. Secondly, that if the First Regency of Tagal were divided into two equal parts, so that one portion remains with the present First Regent, and the second passes to his Maas Pattij, under the name of Tommongong and as being married to his separated wife, the daughter of Pangerang Mancoenagara, the portion of each then, head for head, still amounts to more than the revenues of Pamalang, or those of Tagal's Second Regent. And Thirdly, that in order to accommodate the aforementioned present First Regent somewhat in the division, such could also take place after the example of the year 1719, when the First Regent had 1800, and the Second Regent 1500 Tjatjas, which of all the arrangements is still the most advantageous for the present First Regent and would please him best; for although he would prefer that no change were made, and he remained in full possession of his regency, he will nevertheless have to submit to the wiser disposition of Your Right Excellencies, and however it may turn out, he can easily bear this for the following reasons, namely: Firstly, because divisions of that nature are based on prior examples, and even the old adats assign fewer subjects to the regents, as has been demonstrated hereinbefore. Secondly, because he is thereby rid of a woman who is not well maintained, and whom he has hitherto had to satisfy through many expenditures, as compensation for the lack of cohabitation, and which, as he says, not only consumed half of his revenues, but at the same time keeps him entirely poor. Thirdly, because he is young and inexperienced, and moreover, on account of his incompetent condition, is considered by his own countrymen to be lazy and effeminate, and not being respected, having such an extensive regency only half flatters him. Fourthly and lastly, because it remains in the family, and no strangers are hereby favored, as the Tommongong of Pamalang is the father of the Maas Pattij and a grand-uncle of the First Regent, or indeed a full paternal uncle of the former Tommongong of Tagal currently residing at Batavia, or the father of this Radeen Tommongong, and therefore he is a full second cousin of the Maas Pattij, the object whom the Radeen Aijoe claims. Underneath stood: Samarang the 22nd of June, Anno 1782. Was signed: J. Siberg. Page 103. Turn over. 307 Samarang the 5th of July, Anno 1782. Batavia Samarang the 30th of July, Anno 1782. To His Right Excellency: The Right Noble, Rigorous, and Right Honorable Gentleman Willem Arnold Alting, Governor General, and the Right Noble and Rigorous Gentlemen, Councillors of the Netherlands Indies, etc. etc. etc. Right Noble, Rigorous, and Right Honorable Gentleman, and Right Noble and Rigorous Gentlemen! The resident of Soura Carta, van Stralendorff, having informed me of the demise of the Cornet François Kauno, I take the liberty to nominate to Your Right Excellencies in his place as Cornet, the military Ensign Johan Michiel Gerlach, from Ponkstad, both because he previously served for a considerable time as Sergeant in the Dragoon Corps at Soura Carta and therein always gave the utmost satisfaction, and because the said Gerlach is supernumerary to the fixed number of ensigns at Souracarta; wherefore I request that he may be transferred to Cornet with the retention of his currently earned wages of 40 guilders per month. I remain further with all high esteem and most submissively. Underneath stood the title. Lower: Your Right Excellencies' most humble servant. Was signed: J. Siberg. In the margin stood: Samarang the 5th of July 1782. The followers of the ill-disposed person who resided in the Balamboang district, but was subsequently killed there in 1780, [illegible] or the so-called Panembahan Maas Willis, mentioned in my separate humble letter of the 22nd of June last, I am dispatching under secure guard with the ship Azia to the Capital at the disposal of Your Right Excellencies, being: Oedo Marto, petinggie or former chief of the Lamadjang Segorijen Gading, Joedi Moro from Dawe Aerinam, from Lamadjang Bappa-Wait, from the Probolingo dessa Kabantarran Bappa Tanam, from Djamber, situated under Poeger Bappa Rampit Bedang all three from the dessa Dawe Wongso Tjitro Right Noble, Rigorous, and Right Honorable Gentleman, and The Right Noble and Rigorous Gentlemen! To His Right Excellency, The Right Noble, Rigorous, and Right Honorable Gentleman, Willem Arnold Alting, Governor General, and the Right Noble and Rigorous Gentlemen, Councillors of the Netherlands Indies, etc. etc. etc. Batavia. Turn over. Page 105.
Dutch transcription
385 Samarang den 22=en Iunij A„o 1732. Samarang den 22„e Iunij Ao 1732— „schap, in twee gelijke portien te verdeelen. Ik maetige mij geen vrij„ „heid aan, van beslissing, maar neeme eeniglijk de vrijheid, als ienr omoogelijk middel ter bevreediging, zulke in alle eerbied, uw Hoog Edelheeden onder het oog te brengen, met bijvoeging. ae Eerstelijk, dat den presenten Tommongong van pamalang, wel zal te persua„ „deeren weesen, om zijn dienst aan den Eersten Tommongong van Tagas aftestaan, wanneer zijn zoon den maas- pattij, als Eerste Regent van Ia= „gal; word, aangesteld, en hem uit de aansienlijke Inkomsten van dat Re= „gentschap, ten vollen vergoed worde, het gemis zijner tevenuen als Tammon„ „gong van Tamalang, dat Hij wel diend te genieten, tot zijn onderhoud„ een ter vermindering zijner particuliere drukkende schulden. . ten Tweeden, dat zoo het Eerste Regentschap van Tagal, in twee geleijken weelen verdeeld wierd, zoo dat de eene portie blijft, aan den teegenwoordigen Eersten Regent, en de tweede overgaat aan zijne maas pattij, onder den naam van Tommongong en als in Huwelijk hebbende, zijne gesepa- „teerde vrouw;, de dogter van pangerang ManCoenagara, de portie als dan van een ieder, Hoofd voor Hoofd, nog meerder bevraagd, dan de Revenuen van Pamalang, of die van den Tagals tweede Regent, en ten werden, dat om den voorschreeven teegenwoordige Eerste Regent, in de Verdeeling, een weinig te gemoed te koomen, zulks ook zoude kun „nen geschieden, na het voorbeeld van den Jaare 1719. toen den lersten Regent 1800. - en den tweede Regent, 1500: Tjatjas hadt, het geene Voor den teegenwoordigen Eersten Regent, van alle de schikkingen, nog het voordeeligste is, en hem het beste zoude aanstaan, dan of schoon hij liefst zag, dat 'er geene verandering gemaakt wierde, en hij in het volle bezit van zijn Regentschap bleef, zoo zal hij sig egter moe„ „ten onderwerpen, aan het wijser dispositieff van uw Hoog Edelheeden, en hoedaenig het ook mooge uitvallen, kan hij zig zulks, om de volgende reedenen, facies getroosten; als: P=mo Om dat verdeelingen van die natuur, gegrond zijn op voorige voorbeelden, en zelvs d' oude adats, minder voorbeelden, aan de regenten afstaan, zoo als hier voorwaards is betoogt. — AcC: om dat hij daardoor van een vijff apracht, de ij net goe oten onderhout, en door veele spandaties, tot nog toe, heeft moeten te vree„ den stellen, tot vergoeding, voor het gemis der bijslaaping, en het welk zoo hij zege, niet alleen de helfte van zijn Inkomsten Consumeer„ de, maar hem teffens geheel arm houd. —. Tert„ Om dat hij Iong en onbedreeven is, en daar bij uit hoofde van zijnen onbekwaame toestant, bij zijne eigen Land aard, voor Las en verwijft gehouden, en niet gesien weesende hem een zoo uitgestrekt Regent „schap, maar ten halve vleid. - Quarto of laastelijk, om dat het in de familie blijft, en geene vreemden hier door bevoorregd worden, als zijnde den pamalangs Tommongong, vader van den maas pattij en een oud obin van den Eersten Regent, dan wel eins volle vaders broeders, van den zig op Batavia bevindende geweesen Tagals Tommongong ofte de veider van Htem Radeen Tommongong, en Over zulks Hij een volle agter seeff van den maas pattij, het voorwerp dat den Radeen Aijoe pratendeert. /:onderstond:/ Samarang den 22=e Iunij A:o 1762. /:was getekent:/ J„s Siberg. . onderhond. . pag:o 103. vt: 307 Samarang den 5„e Iulij A:o 1782. Batavia Samarang den 30„e Iulij A„o 1702: Aan zijn Hoog Edelheid: Den Hoog Edel, gestrenge, groot Agtbaren Heere F Willem Arnhola Alting, Gouverneur Generaal en de Hel Edele gestrenge Heeren Raaden van Neederlands India; enz:d enz: enz: Hoog Edel, Gestrenge Groot Agtbaren theene„ en Wel Edele gestrenge Heeren! Dit soura Cartaus opperhoofde van Stralendorff mij berigt hebbende, het overlijden van den Cornet François Kauno, neem ik de vrij „heid in dies plaats als Cornet, uwe Hoog Edelheeden voor te draagen, dens Vaendrig militair Johan Michiel Gerlach, van Ponkstad, Zoo, om dat die bevoorens een geruijmen tijd als wagtmeester onder het Corps aragonders te soura Carta heeft gesfuingeert, en stens daarin het overbijghte genoegen gegeeven heeft, als om dat gemelde Gerlach„ zich boven het bepaald getal den vaendrigs te souracarta bevind, endarom ik versoek, dat denselvens tot Cornet mag worden gechangeert met be„ „houd van zijn thans winnende gagie van ƒ40. ter maand. Ik verbere mij Voorts met alle Hoog agting en aller submist te zijn. - /:onderstond:/ titul /:lager:/ uwer Hoog Edelheeden onderdanigste dienaer /:was ge„ „teekent:/ J: Seberg. /:inmargine stond/ Samarang den 5„e Julij 1733. De aanhangers van den is het Balemboangs destrict zich opge„ „houden hebbende kevaad gesinden, dog vervolgens alvaar gesneuvelden 1720 Donno, of zoo genaamden panumbahan Maas willis, vermeld bij mijne submissen aparte van den 22„e Junij Jongstleeden, laat ik in goede verseekering met het schip Azia naar de Hoofdplaats ter disportie uwer Hoog Edelheeden overvaaren, zijnde: Oedo Marto, petingie of geweesen: hoofd: van de Lamatjangoe Segorijen Gading, Joedi Moro us Dawe. Aerinam, van Lamadjang, Bappa- Wait, van de Trobolingos dessa kabantarran, Bappa Tanam: van Djamber, onder Poeger geleegen, Bappa Rampit Bedang - - - - alle drie van de detsa Dawe„ Wongso Tjitro Hoog Edel, gestrenge Groot Agtbaren Heere, en D' Wel Edele gestrenge Heeren! Aan zijn Hoog Edelheid. Den Hoog Edel, gestrenge groot Achtbaaren Heere, A: Willem Arnold Atting. Gouverneur generaal, en de Wel Edele gesten„ „ge Heeren Raaden van Neederlands Indie enz: enz: enz: Batavia E verte. . pag:o 105„ 8 1
English
389 Samarang the 30th of July Anno 1782. Jo Troeno, from the Tengger desa Tolodo; and Rongo Promono, head of the previously mentioned district of Lamadjang; whom I request may all be banished from Java as dangerous subjects; while I take the liberty to note that the remaining three accomplices, named: Bopa Roewak, Tjiero Djiewo, and Bappa Haeye, have passed away here in irons, and that, in hope of Your High Excellencies' approval, I have allowed to remain here the former wife of the aforementioned Maas Willis, named Ombok Milah, together with her two small children still living, as well as the Javanese woman Ombok Jerinai, to be placed under the supervision of the Chief Regent of Samarang, regarding which I believe no scruple or any objection is to be found. I otherwise honor myself, with all high respect and most submissively, to be, underneath was written: Title; lower down: Your High Excellencies' humble and faithfully bound servant. Was signed: J. Siberg. In the margin was written: Samarang, the 30th of July 1782. Agrees, Meerkens Letters Outgoing Secret and Copy Netherlands the Year 1781. For Z. [illegible] Duplicate. Outgoing Secret Letters Copy For Netherlands Anno 1781 the Year 1781 Z [illegible] Duplicate. Outgoing Secret Letters Copy For Netherlands the Year 1781: Duplicate. [illegible] Outgoing Secret Letters Copy Netherlands the Year 1781. For Z. [illegible] Duplicate. 18 26 [illegible] Duplicate. aiming that the same shall be hired at the lowest prices, first hired, with further written instructions to the Postholders that, in case of want or lack of King's vessels, they make use of these for a speedy transport of received advice letters to the 8 [illegible] 1 Head 8 391 Governor-General. And The Honorable and Severe Lords Councillors of the Netherlands Indies, etc., etc., etc. High Noble Great Respected Far-Ruling Lord. And Honorable and Severe Lords! Communication of a day before yesterday I had the honor to receive received letter, and that its contents, Your High Excellencies' secret missive of the 24th of this month, whereupon I take the liberty [illegible] respectfully to answer that I, for my bounden aiming that the same shall be hired at the lowest prices, first hired, with further written instructions to the Postholders that, in case of want or lack of King's vessels, they make use of these for a speedy transport of received advice letters to the To His High Excellency, The High Noble Great Respected Far-Ruling Lord, Anno Mr. Willem Arnold Alting, Head E [illegible] 8 observation [illegible] 8 8 393 sentiments regarding the upcoming equipping of a small cruising fleet, the deeming unnecessary of hiring 2 vliegers, means whereby, in case of a breach of peace, our ships may be informed thereof, reasons for that. Observation I have taken of what was communicated regarding the upcoming equipping of a small cruising fleet, which I do not doubt will in due time be able to achieve the intended purpose, especially if the same, according to my humble opinion, yet with submission to better judgment, takes the route, either from Batavia directly, or else from here towards the point of Bantam, between Thwart-the-Way and the fourth to the third point, subsequently crossing North-North-West towards Cracatauw, from there South by West to the 2nd Point or Tanjong Soekoelang, and even up to the south point of Prince's Island, from where, sailing some miles out to sea, one has an open view to be able to discover the arriving ships during the east monsoon. That regarding the hiring of two vliegers in order to give Your High Excellencies speedy communication of foreign ships in the strait; such, in my opinion, will be unnecessary, since good order has already been established in that regard, as between Anjer and Tjeretta two European military men hold post to hail the ships of foreign nations entering the strait, and subsequently, without loss of time, proceed directly to Batavia with their fast-sailing vessels, in order to report their findings to Your High Excellencies. That concerning the means whereby, in case of any breach of peace and the presence of enemy ships in the strait, our arriving ships could be informed thereof, in order to take the necessary precautions for their safety, the south point of Prince's Island is best situated for this purpose, whither, in that unexpected event, a trusted native could be dispatched with the required instructions to go alongside the ships entering the Strait, with the assistance of the village head there and under the pretext of supplying refreshments, as is daily done by those inhabitants. good done Head take 1 8 [illegible]
Dutch transcription
389 Samarang den 30„e Julij Ao 1782. Jo Troeno, van de Tengers desan tolodo; in Rongo Promono, hoofd van het onder vange srtererde distriet Lamadjang; die ik versoeke dat alle als gevaarlijke subjecten van Iava moogens worden overbannen; terwijl ik de vrijheid gebruik te nooteeren, dat de overige drie Complices, in naamen: Bopa Roewak, Fiero Djiewo, en Bappa Haeve alhier in de voeijen overleeden zijn, es dat ik in hoope van uw Hloog„ Edelheedens approbatie alhier heb laeten verblijven, de geweesen vrouw van den voormelden Maas Willis, in naame Ombok Milah, nevens haare noog in Leeven zijnde twe kleine kinderen, als ook de Iavaansche vrouw. Ombok Jerinai, omme onder op in toezigt van den samarang: hoofd Regent te worden gesteld, waaromtrent ik vermeen geen scrugel of eenige bedenkinge te vinden is. -. Ik verEere mij overigens met alle Hoog agting en aller submist te zijn /:onderstond:/ Titul /:lager/ uwer Hoog Edelheedens onderdanigen en trouw schuldige dienaer. /was geteekent:/ J„b Siberg, /: inmar= „gine stond:/ Samarang: den 30„e Julij 1702. —. Accordeert Meerkense Brieven Afgaande secreete ende Copia Nederland d' A„o 1781. Voor Z. bieren na ndt oleel brieven Dupt. Afgaande Secreets Brieven Copia Voor Nederland Ao 1781 d' Ao 1781 Z bieren na nde leel Graeven Dupt. Afgaande Secreete Brieven Copia Voor Nederland d' A„o 1781: Dupt. Bieren na ndt eel Greeven Afgaande secreete Brieven Copia Nederland d' A„o 1781. Voor Z. bieren na nit leel preeven Dupt. 18 26 eel Graeven not na Hieren Dupt. oogmen dat deselve ten„ minsten prijzen zullen ingehuurt worden, eersten werden ingehuurd met verdere aanschrijven aan de Posthouders om bij gebrek of ontstentenis van Konings vaartuijgen zig van deeze tot een spoedig Transport van bekoomene verpreij brieven na de 8 Dropp Vieren na ndt reel brieven 1 Hoofd 8 391 Gouverneur Generaal. En Dewel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Indie &=a &=a &=a Hoog Edel Groot Agtbaaren wijdgebiedende Heer. (En Wel Edele Gestrenge Heeren! Communicatie ener Eergisteren heb ik de Eer gehad te ontfan„ ontv: brief „gen uw Hoog Edelhedens secreete missive van en dat dies Inhoud ter oken den 24:' dezer waar op ik de vrijheijd neeme wante sael laten treken Eerbiedig te andwoorden dat ik tot mijne schuldige pogmen wat deselve ten ersten werden ingehuurd minsten prijzen zullen ingehuurt worden, met verdere aanschrijven aan de Posthouders om bij gebrek of ontstentenis van Konings vaartuijgen zig van deeze tot een spoedig Transport van bekoomene verpreij brieven na de Aan zijn Hoog Edelheid. Den Hoog Edel Groot Agtbaaren wijd gebiedende Heere A=o M:r Willem Arnold Alting, Hoofd E Tripp: bieren na nat 8 observantie reel brieven ƒ 8 8 393 gevaelens raakende de aanstaande toerusting van een kruijs vlaatje het onnodig agterde van 2. vliegers in huur te middel om ingeval van een vreedede breuk onse scheepen daar van te kunnen verwittigen reeden van dien Observantie hebbe genoomen het gecommuniceerde nopens de aanstaande toerusting van een kruijs vlootje die ik niet twijfele of sal in der tijd het bedoelde oogmerk konnen bereiken insonderheid als deselve na mijn gering oordeel nogthans met onderwerping aan beeter gevoelen de route neemt, het zij van Batavia direct, of wel van hier na de hoek van Bantam tusschen dwars in de weg, ende vierde na de derde hoek, vervol„ „gens N: M: t: N: overstekende na Cracatauw, van daar z:d ten W=ten na de 2: L: of Tanjong Soekoelang en wel tot aan de zuijd hoek van het Princen Eijland, van waar men eenige mij „len in zee stekende een ruijm gezigt heeft, om de aankomende scheepen geduurende de oost mousson te konnen ontdekken. Dat belangende het in huur neemen van twee vliegers om uw Hoog Edelhedens van de vreemde scheepen in straat, spoedig Com„ „municatie te geeven; zulks na mijne gedagten onnodig sal zijn, vermits daar omtrent reeds minsten prijzen zullen ingehuurt worden, centen werden ingehuurd met verdere aanschrijven aan de Posthouders om bij gebrek of ontstentenis van Konings vaartuijgen zig van deeze tot een spoedig Transport van bekoomene verpreij brieven na de „oo men dat deselve ten goede order is gesteld, alzoo op desekoning tusschen Anjer, en Tjeretta twee Europeeze Militairen Posthouden om de in straat komende scheepen van vreemde natien aan te doen, en vervolgens sonder tijd verzuijm, met hunne wel bezeijlde vaartuijgen zig. direct na Batavia begeeven, ten einde uw Hoog Edelhedens van haare bevinding rapport te doen. Dat betreffende de middelen waar door men ingevalle van eenige vreede breux in't aan„ „weezen van vijandelijke scheepen in de straat onse aankomende scheepen daar van soude kunnen informeeren, ten einde voor hunne veijligheijd de nodige voorsorge te gebruijken, de zuijd hoek van het Princen Eyjland best daar toe gelegen is, wer„ „waards men in het onverhoopt geval, een vertrouwd Inlander zoude kunnen depecheeren, met de ver„ „eijschte onderrigting om zig met behulp van Sko„ „nings hoofd aldaar, en onder voorwendsel van verversing aan de in Straat komende scheepen te brengen, gelijk door die Inwoonders dagelijks goede geschied Hoofd neemen 1 8 Grieven reel nat na Vieren Tripp:
English
395 The purchase of 6 horses will be put into effect as soon as possible. To be able to share news with Your High Noble Excellencies. To the Honorable, Respected Lord Commander. And the rivers as soon as possible and maintained. Takes place, upon discovering himself to be on a Dutch ship, then to deliver to the authorities such letter as he would be charged with for their security: On the seacoast, around Wynkoopsbergen, in the settlements of Boemiangan or Tjebreno, one can also have a lookout kept for incoming ships and, upon discovery of the same, immediately bring news hither overland, for which 2 to 3 days are presently required. Pursuant to Your High Noble Excellencies' pleasure, some saddle horses, namely six head, shall immediately be purchased, of which three placed halfway between Bantam and Tangerang in the Kampong Oedirandier will suffice for two to three travelers, as that road is not safe for one person alone, in order to effect a speedy arrival in Batavia, for which purpose I have also requested the King to make the roads, and especially the bridges over the rivers, and he has undertaken to give the necessary orders in this regard to have the bridges made and maintained. Meanwhile, I can assure Your High Noble Excellencies that, with regard to the one and the other, I will always be vigilant and attentive in the present precarious circumstance, in order, so far as is in my power, to contribute by all means to enable Your High Noble Excellencies, through the provision of speedy news, to secure the possession of the Dutch Company. And herewith trusting that I have in some measure complied with the intention of Your High Noble Excellencies, I have the honor to remain with the highest esteem, below stood, Your High Noble Excellencies' humble and obedient servant, was signed, L: N: Meijbaum. In margin: Bantam, the 29th of April 1781. To Their High Noble Excellencies. Yesterday afternoon I had the honor to receive your Will be hired at the lowest prices, with further orders to the Postholders that, in default or absence of King's vessels, they make use of these for a speedy transport of received dispatch letters to the head... 405 Shall keep for the observation of Their High Noble Excellencies. Communication of the purchase of horses and their placement. Of three vliegers has not yet been effected, but they shall immediately be hired, which shall be dispatched as soon as possible with the necessary order. News of the war between England and the Dutch State. Acknowledging receipt of Your High Noble Excellencies' highly respected missive of the 10th of this month, together with the separate copy of the letter of the 29th of April last directed to Your High Noble Excellencies by the Commander, the Right Honorable Lord Lieve Nicolaas Meijbaum. The orders entrusted and charged to me therein, to be able at all times to bring to the knowledge of Your High Noble Excellencies all that might occur at the mouth of the Sunda Strait as well as in the strait itself, I have taken for my dutiful observation. Already, such horses have been purchased by me to be distributed among the posts of Tjeritta, Tjeconing, and Anjer, in order to have the duplicate of the dispatch letters that are sent to Your High Noble Excellencies with a King's vessel brought overland hither by the Postholders, so as to send them across the mountains to Your High Noble Excellencies, as was done with the dispatch letter of the ship De Verstelden. These horses I shall immediately dispatch to the places of their destination with a circular order to the Postholders regarding how they shall have to conduct themselves in the future upon receiving dispatch letters. Although the purchase of three vliegers ordered of me by Your High Noble Excellencies has not yet been effected because such vessels are rarely to be obtained here, I will nevertheless make every effort to secure them, and after acquiring them, I will provide each of the three aforementioned posts with one of those prahus along with the required crew, who will be hired by me at the lowest prices, with further orders to the Postholders that, in default or absence of King's vessels, they make use of these for a speedy transport of received dispatch letters to the head... As England has declared war on the Dutch State in the month of December 1780, and our position here, and especially in the Lampongs, becomes more precarious, I find myself obliged respectfully to inform Your High Noble Excellencies...
Dutch transcription
395 den Inkoop van 6: paarden zal ten spoedigsten in 't werk werden gesteld. „ding H: H: Ed:s te kunnen bedeelen. aan d' E: Agtb: Heer Commas en de Rivieren ten spoedigst„ en onderhouden. geschied, denzelve bij ontdekking van zig op een „heden overte geven, sodanige brief, als waar meede hij ter hunner beveijliging zoude zijn gechargeerd: aan zee, omstreeks wijnkoops bergen, in de Nego„ neur „rijen Boemiangan, of Tjebreno almeede toe„ „zigt kan doen houden op de aankomende schee, „pen en, bij ontdekking van deselve ten eerste overland, waar toe nog thans 2: â 3: dagen ver„ eijscht werd, herwaards tijding te brengen. Ingevolge uw Hoog Edelhedens goed„ „vinden, sullen ten eersten eenige Reijpaarden, of ses stuks ingekogt werden waar van en drie op half weegen Bantam en Tangerang in de Campong Oedirandier geplaats voldoende zijn, voor twee â drie reijsigers /:alzo die weg voor „ten eijnde een spoedig tij, aen alleen niet veijlig is:/ om een spoedige over„ „komst na Batavia te bewerken, waar toe ik dan ook den Koning versogt hebbe, de weegen, en voor al de bruggen over de Rivieren hollands schip te bevinden, als dan aan de over„ sullen worden gemaakt „ genoomen heeft, de nodige ordres dien aangaan„ Terwijl men aan de zuijd kand van Bantam egeeven verbeekering seekeren, dat ik met opsigt van het een en ander ten welken eijnde de brugge te willen laaten maaken, en onderhouden, die aan„ „de te sullen geeven. Intussen kan ik uw Hoog Edelhedens ver„ in de presente sorgelijke omstandigheid, steeds waakzaam en attent sal zijn, ten einde zoo veel in mijne vermogen is, door alle middelen te Contribueeren, om uw Hoog Edelhedens door het geeven van spoedige tijding in staat te stellen, de Possessie van de Nederlandsche Maatschap, „pije te verseekeren. En hier meede vertrouwende eeniger maate aan de intentie van uw Hoog Edelhedens te zullen hebben voldaan, heb ik de een met de meeste Hoog agting te blijven /:onderstond:/ T: O: uw Hoog Edelhedens onderdanigen en ge„ „hoorsamen dienaar /:was get:/ L: N: Meijbaum inmargine:/ Bantam den 29:' April 1781: Aan Haar Hoog Edelhedens Op gisteren middag had ik de Eere te ontvangen uwer berten werden ingehuijd minsten prijzen zullen ingehuurt worden, met verdere aanschrijven aan de Posthouders om bij gebrek of ontstentenis van Konings vaartuijgen zig van deeze tot een spoedig Transport van bekoomene verpreij brieven na de C Hoofd vervolg pmanerin reveere ren„ 8 Brieven zeel nat Hieren Trep: 405 van Haar Hoog Edelhed:s ter observantie sal laten Communicatie der inkoop van Paarden, en derselver plaatsing van drie vliegen nog niet g'effectueerd is, dogmentsal deselve ten eersten werden ingehuurd welke ten spoedigsten sullen werden versonden met de nodije ordre. tijding, vanden Oorlog tusschen Engeland en de nederlandschen staat. bedeling den ontvanghij uwer Hoog Edelhedens Hoog gerespecteerde mis„ „sive van den 10: dezer nevens de Copij aparte brief van den 29:' April Iongstleeden door den Commandeur d' wel Edele Heer Lieve Nico„ „laas Meijbaum aan uw Hoog Edelhedens gerigt. De aan mij in deselve opgedragen en en dat de ontvangen is dres toevertrouwde ordres om in staat te zijn in allewijl ter kennissen van uwHoog Edelhedens te brengen alle het gunt dat in den mond van sundas Engte als inde straat zelve mogte voorvallen hebbe ik tot mijne schuldige obser¬ „vantie genomen. Dereets zijn door mij ingekogt zodanige Saanden om op de Posten Tjeritta, Tjeconing, en Anjer verdeeld teworden, ten eijnde het dubbeld der verpreijbrieven die met een konings vaartuijg tot uw Hoog Edelhedens gedepecheerd werden alhier door de Posthou„ „ders over Land te laten aanbrengen om deselve /: zo als geschiet is met de verprij brief van het schip de Verstelden:/ over het gebergten uw Hoog Edelhedens te doen toekoomen. deezen paarden zal ik ten eersten na de plaatsen hunner destinatie afvaardigen met eene Cir„ „culaire ordre aan de Posthouders hoedanig zij in den aanstaande bij 't bekomen van verpreij brieven zig zullen hebben te gedragen. Schoon de door uw Hoog Edelhedens aan mij geordonneerde Inkoop van drie vliegers reeden waarom den Incoop nog niet g'effectueerd is door dien soortgelijke vaartuijgen alhier zieden te bekomen zijn zo zal ik nogthans alle moeijte aanwenden om dezelve te bemagtigen en naar welkers beko„ „ming ik ijder der drie opgenoemde posten van een dier praauwen voorzien zal met het daar toe benodigde volk die, door mij, ten minsten prijzen zullen ingehuurt worden, met verdere aanschrijven aan de Posthouders om bij gebrek of ontstentenis van Konings vaartuijgen zig van deeze tot een spoedig Transport van bekoomene verpreij brieven na de van Engeland aan den Nederlandschen staat in de maand December 1780: de Oorlog heeft gedeclareerd, onse positie alhier, en speciaal op de Lampongs sorgelijker werd, zoo vinde ik mij verpligt, uw Hoog Edelhedens Eerbiesig in Hoofd strekken van D 8 Brieven reel ndt 2 Vieren 397 Diop „ 1.
English
From Their High Nobilities. To place a trusted native on the South point of Prince's Island, in order to give information at the earliest possible moment, in the hope of fulfilling Their High Nobilities' intention. To give information to Their High Nobilities regarding the supervision of the South side of Bantam, undertaken by the Regent. Between England and the Dutch State. Communication of a received letter. Informing of the receipt of Your High Nobilities' highly respected dispatch of the 10th of this month, together with the copy of the separate letter of the 29th of April last by the Commander, the Right Honorable Lord Lieve Nicolaas Meijbaum, to serve Your High Nobilities' principal post. Regarding placing a trusted native on the south point of Prince's Island, in order that if enemy ships were lingering in the strait, to secure incoming Dutch ships by handing over a secret letter for their protection, he has promised to provide such a person to whom this supervision can safely be entrusted, and whom I shall further order to give immediate notice of the slightest sighting to the nearest post, so that, upon the Postholder reporting this to me, I may be in a position to inform Your High Nobilities thereof in all haste by an overland express. Concerning the establishing of good supervision on the South side of Bantam: about this I have also informed the Regent yesterday evening during a conference with the Pangeran, who, in the name of the King, not only promised me to place a trusted native at Wijnkoopsbergen, but across the entire west point of Java up to the North side near Bantam, in such a manner that nothing will be able to pass at sea or in the strait without it being brought to my knowledge without any delay whatsoever, at which time I shall not hesitate for a moment dutifully to inform Your High Nobilities of whatever occurs. Hoping that this required performance of mine will have fulfilled the highly esteemed intention of Your High Nobilities, I take the liberty to call myself in all humility, was signed: Your High Nobilities' humble and obedient servant, was signed: W: C: Engert. In the margin: Bantam, the 14th of June 1781. To Their High Nobilities. Having received on the 25th of this month Your High Nobilities' secret dispatch of the 19th previously, I have, in compliance with what was stated therein regarding the precarious and worrisome situation in which Your High Nobilities found yourselves in these regions due to the uncertainty whether the Republic could remain out of rupture in the disturbances in Europe, gone to Court yesterday and given the King of Bantam opening and at the same time proper notice of the news recently received from the Cape of Good Hope that the King of England is said to have declared war against the Dutch State on the 20th of December 1780; and furthermore informed His Highness in a gracious and fitting manner that Your High Nobilities have felt obliged to have His Highness informed thereof, not only in view of the special relationship which the Dutch Company has with the Lands of Bantam and with the King, and His Highness in turn has with the Company, but also on account of the wholly unjust manner in which the said King of England, despite all means employed to remain in peace and neutral, is waging this war against the Dutch State. That on that ground, and by virtue of the alliances as well as the mutual obligation to observe and promote each other's welfare and safety, Your High Nobilities have ordered me to make a friendly request to the said monarch to assist and aid the Company with all might and power if it should unexpectedly be attacked in a hostile manner at Bantam, in order to ward off or expel the common enemy, in such manner as one will and may rightly expect from a faithful friend and ally. To all of which the King requested me to assure Your High Nobilities in the most friendly terms in return. News of the war of England declared against the Dutch State in the month of December 1780, whereby our position here, and especially in the Lampongs, became more worrisome, so I find myself obliged respectfully to inform Your High Nobilities.
Dutch transcription
405 399 van Haar Hoog Edelhed:s een vertrouwd Inlander op de Z: L van 't Prince Eijland te plaatsen. om ten spoedigsten kennisse hoope van voldaening aan Haar Hoog Ed:s intentie Edelhedens kennisse te gee„ toedigt aan de I:o kant van Bantam, door den Rijkbestierder aangenomen tusschen Engeland en de nederlandschen staat. Communicatie van een ontvangen brieff bedeeling den ontvanghnij uwer Hoog Edelhedens Hoog gerespecteerde mis„ „sive van den 10: dezer nevens de Copij aparte brief van den 29:' April Iongstleeden door den Commandeur d' wel Edele Heer Lieve Nico„ „laas Meijbaum aan uw Hoog Edelhedens Hoofd plaats te moeten bedienen. Ten opsigten van een vertrouwd Inlander te plaatsen op de zuijdhoek van 't Princen Eijland om bij aldien vijandelijke scheepen in straat zig onthielden de aankomende Hollandsche scheepen door het overhandigen van een Fe„ munieerde Brief ter hunner beveiliging versprooken heeft een zodanigen te zullen bezorgen aan wien deeze toezigt gerust kan werden toevertrouwt en aan wien ik wijders te krijgen van het geen zal gelasten om van de minste ontmoeting direct kennis te geeven aan de naast bijgelegene post ten einde de Posthouder mij zulx rappor „teerende ik in staat kan zijn uwHoog Edel„ „hedens per een Land expresse-daar van in alle spoed te verwittigen Betreffende het stellen van goeden toezigt aan de Zuijdkant van Bantam hier over hebbe ik meede den Rijksbestierder daar van te verwittigen hebbe ik op gisteren om souden verzuijm H: H: gebragt wordens als wanneer ik geen ogen„ avond den Pangerang onderhouden die mij gen van 't voorvallende „ blik verzuijmen zal zulx uw Hoog Edelhe„ het Ranten vam een goe onderhouden die mij uyjtnaam des Konings niet alleen beloofd aan wijnkoopsbergen een vertrouwt Inlander te zullen stellen maar over de geheele west hoek van Iava tot aan de Noord zijde bij Bantam zodanig dat en niets in Zee of in straat zal kunnen passieren of het zelve zal mij ten eersten ter kennissen „dens schuldpligtig te bedeelen. Verhoopende deeze mijne verschuldigde verrigting aan de Hoog d'Eerde Intentie uwer Hoog Edelhedens zal hebben voldaan zo neeme de vrijheijd mij in alle ootmoed tenoemen /:onderstond:/ F: O: uw Hoog Edelhedens onderda„ „nigen en gehoorsamens Dienaer /:was getekend:/ W: C: Engert /:in margine:/ Bantam den 14: Iunij 1781: Aan Haar Hoog Edelhedens. Den 25: dezer ontfangen hebbende uw„ „Hoog Edelhedens secreete missive van den 19 tijding, vanden Oorlog van Engeland aan den Nederlandschen staat in de maand December 1780: de Oorlog, heeft gedeclareerd, onse positie alhier, en speciaal op de Lampongs sorgelijker werd, zoo vinde ik mij verpligt, uwHoog Edelhedens Eerbiedig in houden bevorens passeerd in straat. C 1. x 11 Hieren nat zeel Brieven Trip: 405 401. koning van dies inhoud. nevenstrende koop wederzeidse verbintenisse tijding, vanden Oorlog tusschen Engeland en de nederlandschen staat. bedeeling den ontvangbnij uwer Hoog Edelhedens Hoog gerespecteerde mis„ „sive van den 10: dezer nevens de Copij aparte brief van den 29:' April Iongstleeden door den Commandeur d' wel Edele Heer Lieve Nico„ „laas Meijbaum aan uwHoog Edelhedens van Haar Hoog Edelhed:s bevorens, zoo heb ik in voldoening van het daar bij vermelde, ten aanzien van de hache„ kennisse geening aan den „lijke en sorgelijke gesteldheid, waar in uw„ Hoog Edelhedens door de onsekerheid, of de Republicq inde onlusten in Europa buijten repture soude konnen blijven, in deeze ge„ „weste verseerde; mij gisteren ten Hove vervoegd, en den koning van Bantam daar van opening en te gelijk behoorlijk kennis gegeven, inderhouding over de van de Iongst van de Caab de goede Hoop erlangde tijding, dat de Koning van Engeland aan den Nederlandschen staat op den 20: December 1780: de oorlog soude hebben gedeclareerd, en alverder sijn Hoogheid op eene gratieuse en gepaste wijze tekennen ge„ „geven, dat uw Hoog Edelhedens zig verpligt hebben gevonden, zijn Hoogheid daar van te doen informeeren; niet alleen uijt aanmer„ om nevenstaande redeng, sking van de bijzondene betrekking welke de Nederlandsche Comp: op de Landen van Bantam, en op den Koning, en zijn Hoogheid entwood van denkoning weder op de Comp: is hebbende maar ook uit hoofde van de gantsch onregtvaardige wijze waar op gemelde koning van Engeland den Nederlandschen staat ongeagt alle aangewende middelen om in vreede en onzijdig te blijven; deezen oorlog aandoet. Dat uwHoog Edelhedens op dien grond, en uijt hoofde der verbintenissen, mitsgaders weederzijdsche verpligting om elkanders mel„ „zijn en veijligheijd te betragten en te bevorderen mij hebbens gelast, om bij gem: vorst een vriende lijk aansoek te doen om de Comp: wanneer onverhoopt op Bantam vijandig mogt werdens aangevallen met alle magt en ver„ „mogens te assisteeren en bij te springen: Ten einde den gemeenen vijand afte weeren ofte verdrijven indiervoegen als mens van een getrouw vriend en bondgenoot met regt sal konnen en mogen verwagten. Op als het welk den koning mij versogt heeft uw Hoog Edelheedens in der aller vriendelijkste van Engeland aan den Nederlandschen staat in de maand December 1780: de Oorlog heeft gedeclareerd, onse positie alhier, en speciaal op de Lampongs sorgelijker werd, zoo vinde ik mij verpligt, uwHoog Edelhedens Eerbiedig in weder termens ƒ 1 11: Hieren A nat zeel Brieven F Dropp:
English
From Their High Nobilities in the hope some weapons, by the King request of His Highness. news of the War between England and the Dutch State. communicating the receipt of Your High Nobilities' highly respected missive of the 10th of this month, together with the copy of the separate letter of the 29th of April last by the Commander, the Right Honorable Mr. Lieve Nicolaas Meijbaum, to serve in answer to Your High Nobilities that His Highness sympathizes greatly with the disagreeable news that Your High Nobilities recently received, but which he hopes will soon be followed by better news, for which communication he remains very much obliged to Your High Nobilities. That, immediately upon those private rumors, he has already caused his native weapons to be put in order and readiness. Yet, although it is fully known to Your High Nobilities that his power and capacity at sea are not sufficient or suitable to repel a European enemy, he nonetheless assures Your High Nobilities on his royal word that, notwithstanding, if the English or any other enemy should in time attempt a landing on the territory of Bantam to disturb it or try to force a passage to Batavia, he, as a faithful friend and ally, will place himself in person at the head of his subjects to prevent them from doing so, even at the cost of his life; that he requests Your High Nobilities, in case it should come to that matter, then to please advance him some money for the maintenance and payment of those who shall take to the field. That, consequently, as this aid and assistance stems from a courageous resolution and confidence in his subjects, the desired success can be expected from it in the unexpected event, without it being possible for the present to make any fixed arrangements or stipulations as to how that aid and assistance could otherwise be rendered and demonstrated by the King, as this depends on time and circumstance, when it will also be my duty, through good consultation and management, to employ everything that will have to be contributed on the Company's behalf for the promotion of the common cause; upon which I hope that Your High Nobilities will be pleased to fully rely. of England to the Dutch State in the month of December 1780 declared war, our position here, and especially on the Lampongs, becomes more precarious, thus I find myself obliged respectfully to Your High Nobilities in assurance, Trip: Four wet eel Letters and Then From Their High Nobilities request to be accommodated with 100 pieces. to please have repaired. neighboring and thus with the King's subjects defensively to reinforce between England and the Dutch State. communicating the receipt of Your High Nobilities' highly respected missive of the 10th of this month, together with the copy of the separate letter of the 29th of April last by the Commander, the Right Honorable Mr. Lieve Nicolaas Meijbaum, to Your High Nobilities. Then, because among the great number of muskets of the King, most of them have through length of time decayed and become unserviceable, the Prince requests Your High Nobilities to please accommodate him with one hundred new muskets against payment, and to please have the firelocks and carbines sent over today to Batavia, to the number of one hundred pieces and 51 pieces of bayonets, repaired and sent back. Wherewith, trusting to have complied with the intention of Your High Nobilities, I remain, full of zeal and with the highest esteem, beneath stood: Your High Nobilities' humble and obedient servant, was signed: L: N: Meijbaum. In margin: Bantam, the 27th of June 1781. To Their High Nobilities: Since, through the recent positive confirmatory news received from Lisbon, that the King of Bombay passed by the posts in the Strait without any report of it having been received here earlier than upon the return of the one who visited that small vessel already past Bantam, news of the war, that England declared war on the Dutch State in the month of December 1780, our position here, and especially on the Lampongs, becomes more precarious, thus I find myself obliged respectfully to submit to Your High Nobilities' consideration whether it might not be necessary, for the present, to reinforce Samanka, as being in the vicinity of the English, with a detachment of Europeans, sepoys, or natives to the number of 24 or more military men with a capable officer, since the entire garrison, through its own weakness, currently amounts to only 16 heads, and with which, supported by our subjects and those of the King there, one will be able to act defensively, unless Your High Nobilities should think fit to make some offensive undertakings in the Celebes, for which I then presume a large force would be required. Yet if I am permitted, as an honest servant, to offer my thoughts on this matter, subject to correction: 0 W E from 9 where to act. 1 2a wet Four Trop: Ceel Letters
Dutch transcription
405 403. van Haar Hoog Edelhed:s inde sehoope eenige wapanens, door den koning versoek van zijn Hoogheid. tijding, vanden Oorlog tusschen Engeland en de nederlandschen staat. bedeeling den ontvanghij uwer Hoog Edelhedens Hoog gerespecteerde mis„ „sive van den 10: dezer nevens de Copij aparte brief van den 29:' April Iongstleeden door den Commandeur d' wel Edele Heer Lieve Nico„ „laas Meijbaum aan uw Hoog Edelhedens termen, in andwoord te dienen dat, zijn Hoogheid veel deel neemt in der onaangenaame tijding, die uw Hoog Edelhedens Iongst hebbens ontfangen, dog die hij hoopt eerlang door eens beetere sal werden gevolgt voor welke Communicatie hij uw Hoog Edelhedens zeer verpligt blijft Dat hij al aanstonds op die particuliere ingereedheid brengen van gerugten, zijne inlandsche waapenen reeds in order en gereedheit heeft doen brengen. Dog dat het uw Hoog Edelhedens ten vollen geeft deselfs onvermogen bekend is, dat zijn magt en vermogen tenr zee niet toereikend of geschikt is, om een Europeeze vijand te verdrijvens, hij nogthans uw Hoog Edel„ „hedens op zijn konings woord verseekerd, dat dog miet nevenstaande wanneer de Engelschen of eenig ander vijand in der tijd, een Landing op het Bantams gebied zouden willen onderneemen, om het selven te ontrusten of tragten een doortogt na Batavia te bannen, hij als een getrouw vriend en bond „genoot zig in perzoon aan 't hoofd zijner onder„ „daanen sal stellen om hun sulks ten kosten ten zee te kendrene, van zijn leeven te beletten; dat hij uwHoog „Edelhedens is versoekende om ingevalle het tot de zaak mogte koomen hem als dan eenig „tewillen geld „ voorschieten tot onderhoud en ter afbeta„ „ling der geene die zig te velde sullen begeeven. Dat dienvolgende deeze hulp en bij„ stand als uijt een manmoedig voorneemen en vertrouwen op zijne onderlaaten is, voortvloeijende, men daar van in het onverhoopt geval het gewenscht succes kan verwagten sonder dat het voor al nog mogelijk is daar omtrent eenige vaste schikkingen of bepalingen temaaken, hoedanig die hulp en bijstand andersints door des koning zouder konnen werden verleend en beweezent als van de tijd en omstandigheijd afhangende, wanneer het dans ook mijn pligt sal zijn, door goed overleg en beleid alles aantewenden, wat tot bevordering der alge„ „meene zaak 'sComp:s weegen sal moeten werden gecontribueerd; waar op ik hoope dat uw voog„ Edelhedens zig volkoomen sullen gelieven te berusten van Engeland aan den Nederlandschen staat in de maand December 1780: de Oorlog heeft gedeclareerd, onse positie alhier, en speciaal op de Lampongs sorgelijker werd, zoo vinde ik mij verpligt, uw Hoog Edelhedens Eerbiedig in vane verseekering, Trip: Vieren nat eel Brieven e Dan 405 van Haar Hoog Edelhed:s versoek om met 100 p:s te werden genieft. tewillen laten repareeren. nevenstaande en alzoo met skonings onderdanen defen sief te versterken tusschen Engeland en de nederlandschen staat. bedeeling den ontvangebij uwer Hoog Edelhedens Hoog gerespecteerde mis„ „sive van den 10: dezer nevens de Copij aparte brief van den 29:' April Iongstleeden door den Commandeur d' wel Edele Heer Lieve Nico„ „laas Meijbaum aan uw Hoog Edelhedens Dan dewijl onder het groot getal geweeren voorbragt van 'tkonings van aen koning de meeste derselve door Langheid geweeren voor betaling van tijd vergaan, en onbruijkbaar zijn geworden, zoo versoekt de vorst uw Hoog Edelhedens om met Een hondert nieuwe geweeren voor betaling tewerden genieft, ende heeden na Batavia en om de overgaande overgaande snaphanen en Carabijnen ten getalle van Hondert Stux en 51: p:s bajonetten tewillen laaten repareeren, en te rug zenden. waarmeede vertrouwende aan de intentie van uw Hoog Edelhedens te sullen hebben voldaan blijve ik vol ijver en met de meeste Hoog agting /:onderstond:/ I: O uw Hoog Edel„ „hedens onderdanigen en gehoorsamen dienaer /:was getekend:/ L: N: Meijbaum /:in margine:/ Bantam den 27: Iunij 1781 Aan Haar Hoog Edelhedens: Vermits door de Iongst van Eissabon ont„ ontvangst den podetive wan gene Confirmative tijding, van de Koning van tDombaij, voor bij de Posten instraat is gepas„ „seerd, sonder dat men van het selve alhier eerder narigt heeft ontfangen, dan met de te rug komst van den geene die dat scheepje „reeds voor bij Bantam heeft aangedaan, tijding, van den oorlog van Engeland aan den Nederlandschen staat in de maand December 1780: de Oorlog heeft gedeclareerd, onse positie alhier, en speciaal op de Lampongs sorgelijker werd, zoo vinde ik mij verpligt, uwHoog Edelhedens Eerbiedig in propositie om Samanka Consideratie te geeven, of het niet nodig zoude zijn voor eerst Samanka /:als in de buurd der Engelsche zijnde :/ met een Detachement Europeesen; Chipaijs of Oosterlingen ten getalle van 24: of meer Militairen met een kundig officier te versterken, alzoo de gantsche bezetting „ slegts door eijgeswakheijd thans „ maar 16: koppen be„ „draagd, en waar meede men g'appuijeerd door onse en 's konings onderdaanen aldaar aefensijf sal kunnen ageeren, ten waare dat uw Hoog„ Edelhedens konde goedvinden eenige oppensive veronderstelling van 't onderneemingen in het sileboese te doen, waar toe ik dan veronderstelle een grooten magt vereischt zoude werden. dog Indien het mij g'oorloofd is, mijne gedagten hier omtrent /:onder Correctie :/ als een eerlijk Dienaer te mogen 0 W E van 9 waar te ageeren. „. 1 2a nat Hieren Trop: Ceel Brieven