Inventory 3627
Japan · 538 pages · 335 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
Anno 1781 13 November November Letter to Sopeng. Tuesday the 20th and also from Bima Saturday the 26th and Bonij received Ammunition goods to Bima sent who also received the accompanying order. Message from the Macassars Today I also dispatched, via one of the Company's ordinary messengers, a letter to the King or Datoua of Sopeng dated yesterday, which, accompanied by one from Bonij's king, served both in reply to his letter received on the 25th of October last, and to reclaim a gunner, Ian Kleijn of Amsterdam, who deserted from here long ago and is rumored to be in Soping. Wednesday the 21st nothing of importance occurred. Thursday the 22nd I received a letter from Bima dated the same. Friday the 23rd the King and Queen of Bonij sent word to me Bonij's King and Queen request to visit that Their Highnesses were inclined to pay a private visit to me and my wife in the near future, whenever it should suit me. I had them thanked for this kindness and set the date for the 28th instant, since my sore eyes, which had troubled me for several days already, would not well allow it sooner. Also in order to have time to entertain them properly, since the native regarded the visit of that Queen as an especially great honor, which within human memory had never been paid to any Governor and his wife here. Sunday the 25th nothing occurred. Monday the 26th the King of the Macassars sent word to inquire about my health. Monday the 19th the King of Sanrabonij sent word to inquire about my health, Message from Sanrabonij, and at the same time to inquire whether, according to their ancient customs, during the approaching three days of festival and on other such days holy to them, he might send congratulations to the King of Bonij? I had him answered yes, that this was a matter solely concerning their old customs and religion, in which the Honorable Company had never made, nor wished to make, any changes. Besides this, upon his request, I also gave that ruler permission to freely arrest and send to me bound, indeed if necessary to massacre, the Macassars who sneak down and arrive here and there from the mountains, who are not hesitant to exchange slaves with various of our inhabitants for their desired goods, and of which a fine example can still be found among the appendices of the Daily Register under the date of 11th March 1781. Tuesday the 27th I dispatched by native vessel, under separate cover letter of today to Bima, some ammunition goods etc. requested by Resident Meurs by letter of the 12th instant. I also had the King and Queen of Bonij, mentioned under the 23rd instant, invited to my house for tomorrow. Wednesday the 28th around nine o'clock in the forenoon, the ruler and ruler's wife appeared in the country house in full state, in order, pursuant to what was noted on the 23rd instant, along with a company of gentlemen and ladies invited for that purpose, to dine at noon with me and further enjoy themselves, the King and Queen of Bonij together with their children, accompanied by the Queen of Sopeng present here, the Madanrang, the Tomlalang, the Datoua Baringang, and various other Princes and grandees of the realm, who, having entertained themselves very well, all departed for home again with much satisfaction under the firing of the ordinary nine honor shots from the castle around five o'clock in the afternoon, while the gentlemen of the invited company remained with me until the evening. This afternoon I also received a note from Boelecomba. Thursday the 29th I sent duplicate secret letters to Ambon, Banda, Ternate, and Timor via the Chinese Tjokeanko, the original of which had been dispatched on the 15th previously. Friday the 30th there was nothing to note. Anno 1781 November In the Month of December Anno 1781 A note from Boelecomba received. Letter from Sopeng. Rode out to inspect the fortresses. Wednesday the 12th I received a letter from Soping's King, in which, among other things, in reply to my letter dispatched thither under date of 19th November, he served to inform me that the reclaimed gunner Ian Kleijn was no longer to be found in Sopeng, thus he presumably marched from there through the Mandhar or Wadjo to the English, which, according to their own confession given before the Court of Justice, was also the intention of the two run-away European soldiers retrieved on the 30th of October through the agency of Bonij's King from the Campong Boegis. Tuesday the 11th at three o'clock in the afternoon, I rode out on horseback with the King of Bonij, the Datoea Baringang, and the Poelewatang, in the company of several qualified gentlemen such as Captain Commandant Baserman, Fiscal van Rossum, and Shahbandar de Vos, etc., to inspect the battery constructed by me at the sea side and the fortress at Matoangien near the mouth of the River of Goa. Saturday the 1st nothing occurred, as well as nothing from Sunday the 2nd up to and including Monday the 10th. Thursday 8 15
Dutch transcription
A=o 1781 13 November November Schrijvens na Sopeng. Dingsdag den 20„e en ook van Bima Saturdag den 26=e en Bonij gerecipieerd Ammmunitie goederen na Bima gezonden die teffens nevenstaande ordre krijgen. bootschep der Makassaaren Op Heeden zoud jk ook per een van 's komp=s or„ „dinaire zendelingen af Een Brief aan den Koning of Datoua van Sopeng gedateerd op gisteren, die, ver= „zeld van eene van Bonijs koning, zo wel dienende wees in andwoord van zijn sub dato 25=e October j„o leeden ontfangene schrijvens als ter reclame van een voor lange van hier gedeserteerde en zig volgens de gerugten in Soping bevindende kannonier Ian kleijn van Amsterdam woensdag „ 21=e passeerde niets van aanbelang Donderdag den 22=e Ontfing jk schrijvens van Bima de dato de zer„ vrijdag den 23=e liet de Koning en koninginne van Bonij mijn Bouijs koning en zo weeten dat Hunne Hoogheedens geneegen waaren om „ninginne verzoeken occes eerstdaags, wanneer mijn zulks zoude Convenieeren, een partikuliere visite bij mijn en Huisvrouw af te leggen. Jk liet Hun voor deze vriendelijkheid bedanken en bepaalde zulks teegens den 28=e aanstaande, vermits mijne zeere Oogen waar meede jk eenige daagen reets ge= „rukkelt heed, zulks niet wel eerder zoude Conveni= „eeren. Ook om tijd te hebben van Dezelve behoorlijk te regaleeren, vermits den Inlander het bezoek van die Koninginne voor een bezondere groote Eere rekende, die hier bij se Menschen geheugen nog nooit aan geen Gouverneur en zijn vrouw waaren aangedaan. Sondag „ 25 veel niets voor. Maandag „ 26:e Luet den Koning der Makassaaren na mijn welstand Maandag den 19„e liet de koning van Sanrabonij na mijn wel= bootschap van Sanrabonij, stand vraagen. vraagen en teffens Jnformeeren of hij na hunne orede gebruiklijkheeden met de op handen zijnde drie dagen veestens tijd en bij andere zulke voor hun heilige daagen, den Koning van Bonij mogt laaten felici= „teeren ? Jk liet hem andwoorden van Pa, dat dit een zaak was eenlijk hunne Oude gewoontens en Gods-dienst betrepfende in dewelke de Ed=e komp=e nooit eenige verandering gemaakt had of gemaakt wilde hebben. Boven dit gaf jk dien vorst op zijn verzoek ook nog permissie om maar vrijelijk op te laaten packen en mijn gevleugelt toe te zenden, ja des noods te ma= sacreeren de uit het gebergte ter sluik hier en daar af en aankomende Makassaaren die niet links zijn om aan deeze en geene onzer ingezeetenen Sleeven tegens „ hun gewilde goederen te verruilen, en waar van onder de bijlaagen van het Dag-Register sub dato 11=e Maart 1781 nog een fraaije staaltje te vinden is. Dingsdag den 27=e zond jk per Jnlandsche vaartuig, onder aparte geleide letteren van heeden na Bima af, eenige door den Resident Meurs bij brief van den 12=e deezer verzogte Ammunitie goederen &=a Ook liet jk den Koning en Koninginne van Bonij, vermeld onder den 23=e deezer teegens morgen bij mijn verzoeken. woensdag den 28=e 'Svoormiddags tegen neegen uuren verscheen de vorst, en vorttinne van in het buiten-huis in volle Statie, om ingevolge het genoteerde op den 23=e deezer, nevens een ten dien einde verzogt gezelschap van Heeren en Dames de zen„ Middag, bij mijn te spijzigen en zig verder te verlusti= vraagen „gen Ao 1781 E Ao 1781 November In de Maand December Anno 1781 Een briefje van Boelecomba, ontf: schrijvens van Sopeng. „dere ter bezigtiging van de Bentings gedaan „gen den Koning en Koninginne van Bonij nevens hun kinderen, vergezeld van de hier aanweezende Koninginne van Sopeng, den Madanrang, de Tomlalang, den Datoua Baringang en verscheide: andere Princen en Grooten van het Rijk, welke zig zeer wel gediver= „teerd hebbende alle met veel vergenoeging onder het doen van de Ordinaire Neegen eeren Schooten van het kasteel, teegens vijff uuren snamiddags weder na Huis gingen, blijvende de Heeren van het verzogte „ tot Gezelschap bij mijn 's avonds toe: Dezen namiddag Ontfing jk ook een briefje van Boelecomba. Donderdag den 29=e heb 1k seter den Chinees Tjokeanko duplicaat dupl: sekr: papieren na Sekreet schrijvens na Ambon, Banda, Ternaten Amboi etc: verzonden. en Timor verzonden, waar van het Origineel den 15=e bevoorens was afgegaan. Vrijdag den 30„e viel niets te noteeren. Woensdag den 12=e Ontfing jk een brief van Sopings Koning, waar bij mijn dezelve onder anderen in andwoord op mijn na derwaarts sub dato 19=e November afgezondene schrijvens diende dat de gereclameerde Kannonier Ian Kleijn in Sopeng niet meer te vinden was dus hij denkelijk van daar door de Mandhap of wadje na de Engelsche zal zijn ge= „marcheert, het geene ook volgens hunne bij den Raad van Iustitie gegevene eigene Confessie het voornemen is geweest van de door den 30„e October door toedoen van Bonijs koning uit de Eamporig Boegis, te rug gekreegene twee gedroste Europeese Militairen. Dingsdag „ 11=e Den jk snamiddags ten drie uuren met een tour te paard met de den Koning van Bonij, den Datoea Baringang „koning van Bouijenan, en den Poelewatang in gezelschap van eenige ge= „kwalificeerde Heeren als den Kapitain komman= „dant Baserman, den Fiskaal van Rossum en den Sabandaar de vos etc: te paard uitgereeden om de door mijn aangelegde Baitterij aan reekant en de Benting op Matoangien /:digt bij de Mond van De Revier van Goa:/ te gaan be„ „zigtigen. Maandag „ 10=e inclusive Sondag „ 2=e tot Saturdag den 1„e viel niets voor, zo mede ook niets op Donderdag 8 . . .. „. . . 15
English
Anno 1781 17 December Anno 1781 December Thursday the 13th Friday the 14th Saturday the 15th I received a separate letter from the Governor of Java, Mr. Siberg, dated the 27th of November last, containing an answer to my letter sent at the end of September, stating that the Panembahan of Madura and the Pangeran of Sumenap were entirely satisfied with the further retention of the Javanese auxiliary troops still present here, which had become necessary due to the war with the English. Sunday the 16th and Monday the 17th there was nothing to record. Tuesday the 18th Complaints having been brought before me anew concerning the smuggling and crimping both of our own slaves and of free persons by various of our inhabitants and servants—of which a vivid example was seen in the past year in the citizen Braune, prosecuted on that account by the Fiscal van Rossum, from whose house, with my prior knowledge, no fewer than seven freeborn Company's subjects crimped in this manner were retrieved—and the aforementioned Thaeng as well as the Post Malangkerie having been very suspect, I have issued orders that in the future no one shall be permitted to go to that place without special permission from me. In the evening, the indisposed Chief Interpreter Brugman informed me that he had been secretly notified by the Madanrang that the princes Aroe Mampoe, Craeng Sapanang, and Craeng Bandjilo, all three the principal adherents of the rebel Sankielang, were said to have abandoned this scoundrel, intending to retreat to the interior. Wednesday the 19th I sent a confidant of mine to the King of Boni to inform that monarch of what had come to my ears yesterday evening concerning Aroe Mampoe and associates, and at the same time to ascertain how far those rumors were true or not. This confidant brought me back word that His Highness had also only learned of this this morning and thus had not yet been able to inform me of it, but that he did not doubt the truth thereof, and on that account intended to send an express messenger there immediately to prevent those princes from marching into the interior until firm assurance should be obtained of their defection and true willingness to submit, concerning which further negotiations may then take place. Thursday the 20th The King of the Macassars informed me that among the lands returned to him and the kingdom by the Honorable Company, nine paddy fields in the village of Pamamaong were being worked by the people of the Boni Tomilalang, who had taken possession of them for planting since the conquest of Goa, and consequently still refused to return them. However, since under the present circumstances it is most advisable for the time being not to make much commotion over a matter of so little importance, especially since the Macassars are moreover not yet capable of working all the lands returned to them themselves, I informed Kraeng Bontolangkas that he should put his mind at ease in this regard, as I would gradually see to arranging everything, and meanwhile also have the King of Boni privately addressed concerning this, in order thereby to keep the matter alive and, at a suitable opportunity, to be able to urge the restitution of those fields upon the Court itself in earnest. Friday the 21st Saturday the 22nd Nothing. Sunday the 23rd Monday the 24th I was informed by the Maros Resident van de Walle, in a separate letter dated yesterday, among other things, of the death of Daeng Tjaddie, Regent in the district of Simbang. Further, on Tuesday the 25th and subsequently to the end of this year, up to and including Monday the 31st, there was nothing of importance to record. In the Month of January Anno 1782. Tuesday the 1st and Wednesday the 2nd nothing occurred either. Thursday the 3rd I received a separate letter from the Maros Resident van de Walle, dated yesterday, in which he informed me that a beginning had already been made with the plowing of the paddy fields. That the notorious Prince Aroe Mampoe and Craeng Sapanang, according to rumors, had left the rebel Sankielang and had retreated with their followers to the interior; further, that due to a heavy continuous downpour of ten days, the floors of the rear bastions of the fortress had collapsed to such an extent that the cannon could not be used without raising them again, etc. Friday the 4th I received by the overland route a letter from Bulukumba dated the 1st of this month, containing complaints about several acts of insolence committed against the Terang-Terangers and balancers, or actual paddy-counters, by the Boniers during the collection of the tithe at Bonthain, of which, according to custom, I had the King of Boni informed in order to counter this. Saturday the 5th Sunday the 6th Monday the 7th Tuesday the 8th nothing. Wednesday the 9th I sent off to Bulukumba the answer to the Resident's letter.
Dutch transcription
A=o 1781 17 December Anno 1781 December Donderdag den 13=e vrijdag - „ 14=e Saturdag „ schrijvens van Samarang „missie verboden. waar van Bonij kennisse Troi Manpoe heeft San =kielang verlaaten Enihil. 15=e Ontfing jk een apart briefje van den Heer Iavas Gouverneur Siberg sub dato 27=e November j„leeden houdende in andwoord van mijn onder ul= „timo September afgezondene schrijvens dat den Panurbahan van Madura en den Pangerang van Sumanap een volkomen genoegen hadden ge= „nomen in de door de Oorlog met de Engelschen noodzakelijk gewordene verdere aanhouding der hier nog zijnde Iavaase hulptroepen. Maandag „ 17=e viel niets te noteeren. Dingsdag „ 18=e Mijn op nieuw weder te vooren gekomen zijnde het gaan na Thaeng en Ma klagten wegens het smockelen en ronselen zo wel. „langzerie zonder pter onzer eigen slaven als vrije menschen door deze en geene onzer jngezeetenen en dienaaren, waar van men in anno passieto nog een leevendig exempel ge= „zien heeft in den door den Fiskaal van Rossum dientweegen g'actioneerden burger Braune, uit wiens huis met mijn voorkennisse niet meer dan reeven stuks vrij geboorne en op deze wijze geron= „zelde 'sComp=s onderdaan zijn gehaalt geworden, zeer suspect geweest zijnde prinsoom Thaeng als op de Post Malangkerie ordre gesteld dat daar ter plaatse voortaan niemand buiten spe= „ciaal konsent van mijn zal mogen komen. Savonds liet mijn den indispoosten oppertolk Sondag den 16=e en woensdag den 19=e zond Jk een vertrouwde van mijn na den No= „ning van Bonij om dien vorst kennisse te geeven van het geen mijn gisteren avond omtrend Aroe Mampoe C: S. was ter Ooren gekomen en teffens te verneemen hoe verre die gerugten waar waren dan niet. Deeze vertrouwde bragt mijn tot keer berigt dat zijn Hoogheid zulks deezen Morgen ook eerst vernomen had en mijn dus daar van als nog geen kennisse had kunnen geeven, dat hij egter aan de waarheid van dien niet twijffelde, en dienthalven terstond expresse na derwaarts wilde afzenden om die princen zo lange de door meersch in de Binne landen te beletten tot dat men vaste verzeekering van hunne afval en waare bereidwilligheid om in submissie te komen, waar over men dan nader handelen kan, zal hebben erlange. Donderdag den 20=e Liet mijn den Koning der Makassaaren wee„ klagten der Makassaaren „ten dat onder de hem en het Rijk weder door de Paedij velden op de Negorij Pamamaong door het volk van de Bonschen Tomilalang, die dezelve zeedert de verovering van Soah ter beplanting in bezit genomen had, bewerkt en dienthalven voor als nog geweigert wierden te rug te geeven. Dan dewijl in deeze tijds gesteldheid het raad= zo heb jk zo wel in het dientweegen al voor lange over den Touilalang van s wij Ed=se komp=e te rug gegevene landen neegen stuks Brugman weten, dat hem door den Madanrang in stilte kennisse was gegeven dat de princen Aroe Mampoe, Craeng Sapaenang en Eraeng bandjilo. alle drie principaalste aanhangers van den Rebel Sankielang, dezen fielt verlaten zoude hebben niet voorneemen om hun retraite na de binnen landen te neemen. Brugman „zaamst is gegeven. E A=o 1787 December Vrijdag den 21=e Sondag „ 23=e Dingsdag den 1„e en „zaamst is om voor eerst over een raak van zo wei= „nig belang niet veel beweeging te maaken, te uwer daar de Makassaaren boven dien ook nog instaat zijn alle de hun te rug gegevene landen zelfs te bewerken; zo heb jk kraeng Bontolancas doen weeten, dat hij zig hier omtrend maar zoude ge= „rust stellen, dewijl jk alles langkamerhand wel zoude zien te schicken, en teffens inmiddens den Ko= „ning van Bonij hier over ook in 't partikulier doen onderhouden, ten einde daar door de zaak leevendig te doen blijven, en bij een bekwaame gelegendheid op de wederom geving van die Velden bij het Hoff zelve met ernst aan te kunnen dringen Saturdag „ 22=e Enihil. Maandag den 24=e wierd mijn door den Maros Resident van de walle bij een aparte briefje gedateerd op gisteren. „ Oraing Simbang overleeden, onder anderen bedeeld het overleiden van Daeng Tjaddie Regent in het district Limbang„ voorts viel op Dingsdag den 25=e en vervolgens in het einde van dit Jaar, tot Maandag „ 31=e inclusive niets van aanbelang te noteeren. Saturdag den 5=e „ 6=e Sondag nihil Maandag „ 7=e Dingsdag „ 8=e woensdag den 9=e rond jk na Boelecomba af het andwoord op Vrijdag den 4=e Ontfing jk over den land-weg schrijvens van Boe= „lecouba de dato 1=e deezer, houdende klagten over schrijvens van Boelecombee eenige door de Boniers in het doen der vertiening op Bonthaeng gepleegde brutaliteiten tegens de Terang Terangers en balconcers of eigentlijke pa= „dij-telders. van het welke jk na den gebruike de koning van Bonij tot tegengang van dien liet kennisse geeven. Donderdag „ 3=e Ontfing Jk een aparte briefje van den Maros Resident van de walle dat gedateerd was op giste= „ren. waar bij mijn dezelve bedeelde dat met het beploegen der Padij-velden reets een begin was ge= Zwaar regen en bog waten op maros maakt. Dat de berugte Prins Arou Mampoe en Craeng Sapanang volgens gerugten den Rebel Sonkielang verlaaten en met de hunne na de binne landen zoude geweeken zijn; voorts dat door een zwaar aangehouden hebbende stort reegen van Tien daagen de vloeren van de agter punten van het Fortres zodanig waren ingezakt dat men zonder weder ophooging het kanon niet konde ge= bruiken etc. woensdag „ 2=e Viel almeede niets voor. In de Maand Ianuarij Anno 1782. Anno 'S Residents het „1
English
21 January. Year 1782 January that is answered. Thursday the 10th The Resident's letter received from there on the 4th of this month relates of an autograph letter from the King of Boni to the Pennang of Bonthaen, which contained orders to punish according to merit the Bonians who had made themselves guilty of the insolence mentioned in that letter during the collection of the tithes at Bonthaang. Friday the 11th There was nothing to note. Saturday the 12th A certain Amboinese vessel attacked at Neepoe. Sunday the 13th [No entry] Monday the 14th I dispatched the second interpreter Deefhout to Sageerie with letters to Arou Pantjana, both regarding the reports received that Arou Manipoe had left the rebel Sankielang and had taken the march via Laboe Iangai to Lamoeroe or the inland areas, as well as regarding some other particulars mentioned therein, about which the said Deefhout had orders to confer with him further in person. Tuesday the 15th I received by the overland route a letter from the Resident of Boelecomba Monsieur dated the 6th of this month, whereby he communicated to me the news received there that the rebel Sankielang was about to come down with a force of 4000 heads to attack the post of Bonthaeng. Although I knew well enough that this number was noticeably exaggerated through the fearfulness in that region of our people, and especially that of a timid Resident, and that there would be no danger in the matter itself, I nevertheless, as a matter of precaution, immediately had notice of this given to the King of Boni in order to keep his people in those regions on our side, and in the meantime issued orders that tomorrow a small detachment could depart to reinforce the post of Bonthaen, where they are also presently busy collecting the tithes. Around noon I also sent the chief interpreter Brugman to the King of Boni to confer with His Highness regarding a vessel seized by the pirates. Wednesday the 16th Departed with the necessary orders from me on the pantjallang de Jonge Fransz to Bonthaen Ensign Loor with a number of forty-seven European as well as Madurese warriors, provided with an open letter from the well-disposed Bonian monarch to the Pennang or chief lying there on his behalf, Regent over his peoples, which was of the following content: "Ienarang Bonthaeng! I have heard a rumor here that he who calls himself Battara Goa intends to attack the Honorable Company's fortress there. If the rumor is true, I order you to act in concert with the Resident there, and to assemble all our Bonian subjects who reside upcountry. Because in that case, when someone attacks the subjects of the Honorable Company, he defies the Realm of Boni, and on the contrary, if Boni is attacked, one disdains the Honorable Company, for the Honorable Company and Boni can never be separated, but must share good and bad with each other. If the aforementioned rumor is indeed true, I desire that you give proper notice of it as quickly as possible. Written in the King's Dalam at Odjong Tana the 15th of January Year 1782. Lower stood: For the translation, was signed: G:l Brugman."
Dutch transcription
21 Januari. Ao 1782 Januarij dat b'andwoord word. Donderdag den 10=e vrijdag Sondag Saturdag - - - „ 12=e den tweede tolk Deefhout na Sageerie. te voorbeerig berigt van =kielang zeker Ambons vaartuig op Neepoe afgeloopen. 'S Residents den 4=e deezer van daar ontfangene schrijvens, verteld van een eigenhandige brieff van Bonijs koning aan den Pennang van Bonthaen„ dewelke in zig hield om de Boniers die zig aan de bij dat schrijvens vermelde brutaliteiten in het doen der verthiening op Bonthaang hadden schuldig gemaakt na merite te Straffen. „ 11=e viel niets te noteeren. . „ 13=e Maandag den 14=e vaardigde jk na Sageerie af den tweede tolk Dee= „fhout met schrijvens aan Arou Pantjana zo wegens de erlangde gerugten dat Arou Manipoe, den rebel Sankielang verlaaten en de marsch over Laboe Ian= „gai na Lamoeroe of de binne Landen zoude genomen hebben, als omtrend eenige andere daar bij aange= „haalde zaakelijkheeden, waar over ged=e Deefhout or. =dre had hem verder mondelings te onderhouden. Dingsdag den 15=e Ontfing jk over den Landweg een brief van den Boelecombas Resident Monsieur de dato 6=e deezer Boelecomba wegens san, waar bij mijn dezelve bedeelde de daar erlangde tij= „ding dat den Rebel Sankielang met 4000 koppen sterk stond af te komen om de post Bonthaeng te attacqueeren. Schoon jk nu genoegzaam wist dat door de bevreesdheid om dien Ooird van de onze en bijzonder die van een bangagtigen Resident dit getal merkelijk vergroot en in de zaak als zaak geen gevaar zoude weezen, zo liet jk egter voorzig= „tigheids halven hier van ten eersten kennis gee= „ven aan den Koning van Bonij om de zijne in Tergens de middag zond jk ook den oppertolk Brug„ „man na de koning van Bonij om zijn Hoogheid te onderhouden weegens eene door de zee-roovers af= „ Ienarang Bouthaeng! jk het hier een gerugt vernoo= „nen, als dat die geene die zig Battara Goa noemt, „ven zints is; om 's Ed=e komp=s vesting aldaar aan te „doen, jndien het gerugt waar is, zo beveele jk uw met „den Resident aldaar te reemen te houden, en alle „onze Bousche onderdaanen, die zig boven ophouden, „ bij een te doen komen. Dewijl in dat geval, wanneer „iemand de onderdaanen van de Ed=e komp=e aan= „tast zo braveerd hij het Rijk van Bonij, en zo in ter- „gendeel, word Bonij aangerand, zo veragt men de Ed=e „komp=e, want de Ed=e komp=e en Bonij kunnen „nooit gesepareert worden, maar moeten goed en kwaad „niet malkander deelen. zo bij aldien voormelde „gerugt effectief waar is, zo begeer jk dat rew uijten „spoedigsten daar van behoorlyke kennisse geeft „ /:onderstond:/ Geschreeven in 's konings Dalm te odjong „Iana den 15=e Januarij A=o 1782. /:leger:/ voor 't „ Translateeren /:was geteekent:/ G=l Brugman. woensdag den 16=e vertrok onder het nodige aanschrijvens van mijn waar op g'andwoord word met de pantjallang de Ionge fransz na Bonthaen in kommeende den vaandrig Loor met een aantal van zeeven en veertig zo Europeese als Madureese krijgers. voorzien met een opene brief van den welgezinden Bonisch vorst aan den zijnentweegen daar leggende Pennang of hoofd, Regent over zijne Volkeren, dewelke van den volgende jnhoud was. die Landstreeken op de zijde der onze te doen blijven en stelde Jntusschen Ordre dat op Morgen een klein detachement tot versterking van de Post Bonthaen, alwaar men Juist met het doen van de vertiening ook bezig is, kon afgaan. die gelopene A=o 1782
English
Anno 1782. 25. January Anno 1782 January what will be done therein a copy of the adjacent note sent to Boni also of the aforementioned how it was acted upon therein. news that around the North a Sumenap vessel was wrecked Sunday the 20th and the king of Boni pays his New Year's visit run aground and subsequently, so it is said, partially plundered by the people of Neepoe, being the pantjallang of the Chinese Tjolem residing at Amboina, of which the account given to me is to be found among the appendices of this document. This interpreter returning brought me in reply, under the king's greetings, that His Highness thanked me for the notification of this case and was completely inclined, as I had proposed to him, to dispatch alongside the chief interpreter himself one of his court grandees thither to investigate this affair and at the same time to reclaim the people and goods. Thursday the 17th there came to me the Makassarese prince Kraeng Data within Dotta, both to inquire after my welfare and on behalf of the King his brother to confer with me concerning the affairs of this new realm. Today I also sent to the king of Boni a copy of the note of the 15th of this month, whereby the navigation from here to Amboina, Banda, and Ternate and vice versa was prohibited, with the attached request to His Highness to please inform his subordinates thereof. Which he has agreed to do. Friday the 18th I sent to the King of Boni and also, for good measure, to the King of the Makassarese, although these latter currently have not the slightest navigation left, for their information under the necessary recommendation, an extract translated into their language of Their High Excellencies' open missive of the 21st of December 1781, whereby the navigation of their people both to Keij and Tenember as well as to the Southwest Islands was prohibited. Tuesday the 22nd the captain of the Sumenappers, Talla Kara, stationed at the outpost Malangkerie, sent his lieutenant Bansa Troena to me to notify me that he had heard by rumor that a Sumenap vessel had been wrecked around the North, and that the skipper and crew thereof had saved themselves with a sampan to the Boni shore, and that he therefore requested, if it were possible, to have these shipwrecked persons collected from there. Which I promised him, accordingly charging—since it was the very same way that the chief interpreter Brugman and the king's emissary had to pass to Nepo for the execution of their commission mentioned under the 16th of this month—the care to them at the same time to recover those people. Furthermore, on Monday the 21st there was nothing to note. Saturday the 19th there came in the morning around 10 o'clock the king of Boni with all the court grandees to me, in order, as mentioned yesterday, to pay the New Year's compliment. I entertained that monarch and his people in the presence of the most prominent officials according to custom, and we parted very contentedly in the afternoon around five o'clock from one another. Both these monarchs thanked me for this notification, and the former requested access to pay the New Year's compliment to me tomorrow, which I consented to. Wednesday
Dutch transcription
A=o 1782. 25. Januarij A=o 1782 Januarij wat daar in gedaan zal worden een openplaag van het ne„ „ ernstaande Billet aan Bonij afgezonden ook van het nevens gemelde hoe daar in gehandelt is. tijding dat om de Noord een siaanap d Vaartuig gebleven Sondag den 20=e en de koning van Borij legd zijn nieuwe Jaars visite af „gelopene en vervolgens zo men regd gedeeltelijk door de volkeren van Neepoe geplunderde Pantjallang van den te Amboina woonagtig zijnde Chinees Tjolem, waar van het mijn gegevene Relaas onder de bijlaagen deezes te vinden is. Deze taaldman te rugkee= rende bragt myn onder 's konings Groete ten andwoord dat zijn Hoogheid mijn voor de kennisgeeving van dit geval bedanken liet en volkomen genegen was om gelijk jk hem heed doen voorslaan, nevens den oppertolk zelve, een zijner Hoffs-Grooten na dercaard ter onderzoek dezer affaire en teffens reclaine van Menschen en goederen af te zenden. Donderdag den 17„e kwam bij mijn den Makessaars prins Eraeng braeng Data binnen Deeta zo om na mijn welstand te verneemen als van wegens den Koning zijn Broeder met mijn over„ de zaaken van dit nieuwe rijk te handelen: Op heeden rond jk ook den koning van Bonij toe een Exemplaar van het billet van den 15=e deezer, waar bij de vaart van hier na Amboina, Banda en Ternaten vise versa verbooden werd, net bijge= „voegd verzoek aan zijn Hoogheid om zijn onder „hoorige daar van te willen verwettigen. Het geen hij aangenomen heeft te zullen doen. Vrijdag den 18=e roud jk den Koning van Bonij en ook ten over= „vloede den Koning der Makassaaren, schoon deze laaste tans geen de minste vaart meer hebben, tot hun narigt onder de nodige rekommandatie toe, een in haare taale overgezet Extract Hunner Hoog „Edelheedens apcerte Missive van den 21=e December 1781, waar bij de vaart der hunnen zo wel naar keij en Tenember als na de Zuidweste Eilande verboden Dingsdag „ 22=e zond den op de veldpost Malangkerie geposteerd leggende kapitein der Sumanappers Talla Kara zijn Luitenand Bansa Troena bij mijn ter be „kendmaaking als dat hij per gerugte vernomen had dat er een Sumaenaeps vaartuig om de Noord ge= „bleeven was en dat de schipper en scheepelingen daar van zig met een Chiampang na de Bonische wal hadden gesalveert, en dat hij mitsdien ver= „zoeken liet om als het mogelijk was deze schip= „bruikelingen van daar te willen laaten afhaalen, Het geene jk hem beloofde, dragende mits dien, de= „wijl het de zelfde weg uit was die den oppertolk Brugman en 's konings zendeling na Nepo ter uitvoer hunner onder den 16=e deezer vermelde kom„ „missie moesten passeeren, de zorg aan dezen teffens op om die Menschen te regt te brengen voorts viel op Maandag „ 21=e niets te noteeren. Saturdag den 19=e kwam: 'svoordemiddags teegens 10 uuren den koning van Bonij met alle de Hofsgrooten bij mijn, om zo als op gisteren vermeld is het nieuw jacers kompliment af te leggen. Jk regateerde dien vorst en de zijne ten bijweeten van de aanziene= „lijkste gekwalificeerdens na den gebruike en wij scheiden zeer vergenoegt snamiddags teegens vijf uuren van den anderen. word. Beide deze Vorsten lieten wij voor deeze ken= „nis geving bedanken, en de Eerste verzogt acces om tegens Morgen het nieuw pars kompliment bij mijn af te leggen, daar jk in bewilligde word woensdag is.
English
January Anno 1782. January Wednesday the 23rd Deefhout's return from Seegeerie. Writings from and to Boelelomba. Complaints of the Macassars about the Bone people. Those of Thaeng raise an old claim. Issuance of the letter of pardon for the Macassars who are still under Sankielang. Thursday the 24th, nothing of importance occurred. Friday the 25th, early in the morning, the Chief Interpreter Brugman and the King of Boni's envoy, the Soelewatang Matjege, departed with three well-armed vessels in order to be able to withstand the pirates, to carry out their commissions noted on the 16th and 22nd of this month. Saturday the 26th, the Under-Interpreter Deefhout, sent thither on the 14th of this month, returned from Seegeerie, having completed his commission satisfactorily, as shown by his written report provided thereon, which is to be found among the annexes of this journal. By the overland route I also received a letter from the Resident Monsieur, dated the 17th of this month, which I answered this very day. Sunday the 27th, nothing. Monday the 28th, Prince Craeng Data and the Shahbandar of the Macassars came to me, saying that the Tomilalang of the Bone Court had sent them notice that they must not plow or plant anything at the place where the national standard or their Sampa-Raedja stood during the siege of Goah, as that district on that account belonged to the Bone people. I told them to go ahead freely as they pleased, that they were not to expect the least orders from the Tomilalang, and that if any claims were to be made concerning this, it was not the Tomilalang's but the King's business to confer with me about it, and by no means with them. On this occasion, I also handed over to them the letter of amnesty, prepared by order of Their High Mightinesses, for those who abandon the rebel Sankielang and wish to come over in submission to the Noble Company or the Realm, which letter of pardon I then not only had posted here in the appropriate place, but of which I would also send the necessary copies to the King of Boni, the Residents of Maros and Boelecomba, and wherever else useful to the North. Tuesday the 29th, the two first dignitaries from the Principality of Thaing came to congratulate me on this incoming New Year, who, having done so and sat for a short while, also raised a certain old claim which that Principality still believed it had on some lands lying in the Goasche or Macassar territory, which they gladly wished, so it seemed to me, to wheedle out of the new King. I therefore answered them on this point that, although due to the absence of their ruler, the Regentess of Thaeng, whose name they had not used at all, I could very easily excuse myself from answering this, I nevertheless had to tell them for their information that this claim must certainly be very old and thus long since lapsed, as nothing of the kind had ever appeared to me, and that besides, since the entire territory of the Macassars, with everything that resorted under it, was conquered by the Noble Company with the sword, one can no longer demand to treat on such far-fetched claims with which they should have come forward many years ago, whilst they also must be very well aware how the peoples of Thaeng behaved during the Macassar war, and on that account may be glad that they have been left at liberty without being punished for it; and with this I let them depart. Wednesday the 30th and Thursday the 31st, there was nothing to note. Friday the 1st and Saturday the 2nd, nothing of importance occurred. In the Month of February Anno 1782 Sunday the 3rd, I received a short letter from Maros, and overland one from Poelecomba, which latter I answered on Monday the 4th. On which day, also upon my successive repeated admonitions and by order of Bone's King, the remaining amount for his goods plundered in Anno 1778 by two Bone Princes, and at that time appraised at 630 Spanish rixdollars, as mentioned in detail in Governor Van der Voort's separate letter of the 3rd of June of the aforementioned year 1778, was returned to the Chinese and resident here, Theolianko. Tuesday the 5th, Wednesday the 6th, Thursday the 7th, nothing. Friday the 8th, Prince Daeng Mandjaroengie, summoned by me on account of the complaint lodged against him by Resident Van de Walle, departed back to his Northern quarter under my letters of escort. While shortly thereafter, I was told by the Nakhoda of a vessel that arrived today from Samarang, the Peranakan Chinese Intje Soemang, that 39 English vessels, both ships and lesser craft, had passed before Blambangan and had turned their course to the East, and that he had understood this from Governor Sieberg himself on the occasion of receiving the papers for Makassar, who was also said to have told him to inform me thereof.
Dutch transcription
2 Januarij Aneo 1782. Januarij woensdag den 23=e en Deefhout terug komst van Seegeerie schrijvens van en na Boele= „lomba. klagten der Makasseeeren over de Boiers. die van Theeng- opperen oude pretentie uitgaeve van de pardon brief voor de Makassaaren die nog onder sankielang zijn Donderdag „ 24=e passeerde niets van aanbelang vrijdag - „ 25=e Smorgens vroeg vertrocken met drie wel g'ar= verteek van den oppertolk„ meerde vaartuigen om tegens de Rovers bestand te kunnen zijn, den oppertolk Brugman en 's konings van Bonijs afgezant den soelewatang Matjege, om hunne op den 16=e en 22=e deezer genoteerde kom= „missien te volbrengen. Saturdag den 26=e kwam van Slegeerie te rug de onder den 14=e deeker na derwaarts afgezondene Ondertolk Deefhout, dewelke zijn kommissie in diervoegen na genoegen volbragt heed als zijn daar van gegevene schriftelijk en onder de Bijlaagen deezes te vindene rapport aantoond Over den Land weg ontfing jk ook een brief van den resident Monsieur de dato 17=e deezer, dewelke jk nog op heeden beandwoorde Sondag den 27=e nihil Maandag den 28=e kwamen bij mijn den Prins Eraeng Data en die altlegd wordt. den Sabandaar der Makessaaren zeggende dat de Tomitallang van het Bonische Hoff hun had laten aanzeggen om ter plaatse alwaar 'S Rijks Standart of hunne Sampa-Raedja bij de belegering van Goah heed gestaan niets te mogen beploegen of aanplanten, alzo dat district uit dien hoofde de Boniers toehoorde. Jk zeide hun dat ze maar drijelijk haar gang daar meede zoude gaan, dat zij geen de minste ordres van den Tomilalang te ver= „wagten hadden en dat bij aldien daar over eenige pre„ Dingsdag den 29=e kwamen om mijn met dit ingetreedene nieuw Jaar geluk te wenschen de twee eerste Rijxgrooten uit het Prinsdom Thaing, dewelke na zulks ge= „daan en een weinig gezeeten te hebben, teffens op= „perde zekere oude pretentie die dat Prinsdom als nog vermeende te hebben op eenige in het Poasche of Makassaarsche Gebied leggende landerijen, die zij gaarne zo het mijn toeschien den nieuwen koning ontfutzelen wilde Ik andwoorde hun dienthalven hier op, dat„ schoon jk myn mits de afwezigheid van haarlieden vorsten de Regentesse van Thaeng, wiens naam zij geheel en al niet hadden gebruikt, zeer gemakkelijk om dit te beandwoorden konde excuseeren, jk egter tot hun narigt zeggen moest dat deze pretentie zeekerlijk al zeer oud en dus ook al voor lange ver- „vallen moet geweest zijn alzo mijn daar van nooit iets gebleeken is, en dat buiten dien daar het geheele gebied der Makaessaaren met al het geene wat daar onder gezorteert heeft door de Edele Komp=e net den zwaarde overwonnen is, men teens niet tentien te maaken was het als dan niet des Tomila= „langs maar des konings zaak was om mijn en geen= „zints hunlieden daar over te onderhouden. Bij dee„ „ze gelegendheid gaf jk hun ook over de ter ordre Hunner Hoog Edelheedens ingerigte brief van Am= „nestie voor die geene die den Rebel Tankielang verlaaten en by de Edele komp=e of het Rijk als nog in submissie willen overkoomen, welke pardon brief jk dan ook niet alleen hier ter behoorlijke plaatse liet affigeeren, maar van dewelke jk ook den Koning van Bonij, de Residenten van Ma „ros en Boelecomba en werwaarts verder dienlijk, de nodige Exemplaaren zoude =tentien meer Anno 1782 na de Noord. 21 Anno 1782 Januarij Woensdag den 30=e en meer vorderen kan om over zulke vergezogte pretentien, waar meede zij al voor lange Jaaren hadden moeten voor den dag komen, te handelen terwijl ook nog boven dien hun zeer wel bewust moet zijn; hoedanig zig de Sondag den 3„e Ontfing k een briefje van Maros en over land een dito volkeren van Thaeng. geduurende de Oorlog der Makas schrijvens van Marasen van Poelecomba, welke laaste jk Boelecomba. „jaaren gedragen hebben, en over zulks blijde mogen wee= „zen dat men hun zonder ze daar over te straffen vrij gelaaten heeft en hier meede liet jk hun vertrecken. Donderdag „ 31=e viel niets te noteeren. Maandag den 4=e b'andwoorde. Ten welken dage ook op mijn Suc= „cessive herhaalde aanmaaningen en op ordre van een briefje aanden laaste. Bonijs Koning aan den Chinees en Jnwoonder alhier Theolianko te rug gegeven is het restand bedraagen deze Chinees Theoliank kuijgfijner in Anno 1778 door twee Bonische Princen ge= het geld voor zijn geroofde goe- „pluenderde en toenmaals op rijxd„s 630 spaans ge= „tareerde goederen, breedvoerig vermeld bij 'S Gouverneurs van der voort aparte brief van den 3=e Iuni des zo evengenoemde Iaar 1778. „deren te rug. Dingsdag den 5=e woenddag „ 6=e nchil. Donderdag „ 7=e vrijdag den 8=e vertrok onder geleide Letteren van mijn weder na zijn Noorder kwartier te rug den van daar door mijn Schrijvens na Maros. over 's Residents van de walle tegens hem ingebragte kleegte, opgeroepene Prins Daeng Mandjaroengie onaanneemelijke tijding Terwijl mijn kort daar na van de Annachoda wegens Engelsche scheepen van een op heeden van Samarang gekomen vaartuig den parnackang Chinees Intje Soemang verteld wierd dat 'er 39 Engelsche zo scheepen als mindere vaartui= „gen voor bij de Blerraan waaren gepasseerd die hun koers na de Oost hadden gewent en dat hij zulks bij gelegendheid van de ontfangst van Paepieren voor Makassar van den Heer Gouverneur Sieberg zelfs had verstaan, die hem ook zoude gezegd hebben om mijn vrijdag den 1„e en Saturdag „ 2=e passeerde niets van aanbelang. In de Maand February Anno 1782 daar In
English
Anno 1782. 29 February February Saturday the 9th until Saturday the 23rd Burgman back from Neepoe Secret signals sent to Ambon etc. Wednesday the 20th and a note from Boelecomba giving notice thereof, but although this news, if it were true, would be of too great importance for the said Mr. Sieberg not to have communicated it in the letter received on the Company's behalf from his Honour on that same occasion, and one therefore cannot attribute this story to anything other than a probable misunderstanding by this Chinese, although he says that a cruiser brought this news, I have nevertheless taken a proper account of this in order to send it on to Ambon etc. upon further confirmation. NB: I have nevertheless privately given information about this to the Gentlemen Governors at Ambon and Banda. Furthermore, from Sunday the 17th of this month inclusive, nothing noteworthy occurred. Monday the 18th, on the occasion of the departure for Boutong of the ordinary Writings to Boetong. Boetong interpreter Intje Kama, I sent a letter thither to the King, which served as an escort for eight subjects of that monarch who were sent over from the main settlement and ransomed on Ternaten by our people from the peoples of Wada and Patanie, as well as to confer with His Highness and the grandees of his realm about various other business matters, as may be seen in detail in the letter itself. To which I also added a ditto to our ordinary Commissioners sent thither in the preceding year and not yet returned for the extirpation of the spice trees on that island. Friday the 22nd nihil Sunday the 24th I received, via the Chinese Pitoko, separate writings Writings from Bima from the Bima Resident Meurs, dated the 2nd of this month, communicating the situation there and the disputes to be settled between Sumbauwa and Dompo, the latter's conduct giving no edification at all, etc. Today, the chief interpreter Gerrit Brugman, who was sent thither on a commission on the 25th of January past, arrived back from Neepoe with as little success of a good outcome as is shown by the report and daily register kept and submitted by him. Thursday the 21st, by a vessel chartered for Banda to convey Their High Excellencies' papers, commanded by the Malay Intje Ioenkara, I sent thither, as well as for Ambon, Ternaten, and Timor, the secret signals devised by me for reconnaissance here for this and the coming year 1783; of which signals the Residencies of Boelecomba, Bonthaen, and Saleijer have been given notice. Enchil: Tuesday the 19th Towards noon I received by land a separate note from the Boelecomba Resident Monsieur, in which he informed me, among other things, that the force of the rebel Pankielang, reported to be so large according to what was noted on the 15th of January past, now consisted of no more than six hundred heads. Towards where Anno 1782
Dutch transcription
Anno 1782. 29 Februarij Februarij Saturdag den 9=e tot Saturdag „ 23=e Burgman van Neepoe te trug Sekreete Seinen na Ambon etc: gezonden. woensdag „ 20=e en een briefje van boelecomba daar van kennisse te geeven, dan schoon deze tijding, als dezelve waar was, van al te veel gewigt zoude zijn dan dat ged=e Heer Sieberg zulks niet bij de briev die men 'skomp„s weegen van zijn wel Edele bij die zelfde gelegendheid ontfangen heeft, zoude hebben be= „deelt, en men over zulks dit verhaal niet anders dan aan een denkelijk verkeerd verstaan van deze Chinees, schoon hij zegt dat een kruisser die tijding zoude aangebragt hebben, kan toeschrijven, zo heb Jk egter hier van genomen een behoorlijk Relaas om het zelve bij nadere Confirmatie na Ambon etc, Voort te schicken. NB: hier van heb jk egter in het partikulier narigt „gegeven aan de Heeren Gouverneurs te Ambon „en Banda. voorts viel van Sondag - - „ 17=e deezer inclusive, niets merkwaardigs voor. Maandag „ 18=e zond jk, bij occasie dat na Boutong vertrok de ordinai= schrijvens na Boetong. „ re Boetonse Tolk Intje Kama, een brief na derwaards af aan den Koning, dewelke zo wel diende ten geleide van agt stuks van de Hoofdplaats overgezondene en op Ternaten door de Onze van de volkeren van wada en Patanie uitgeloste Onderdaanen van die vorst, als om zijn Hoogheid en zijn Rijxgrooten te onderhouden over diverse andere zaakelijkheeden bij de brief zelve in zijn omstande te zien. Bij de= „welke jk dan ook gevoegd heb een dito aan onze in anno voorgangen na derwaards afgezondene en nog niet geretourneerde Ordinaire Kommissian= „ten tot uitroeijing der Specerij boomen op dat Eiland„ vrijdag den 22=e nihil Sondag den 24=e Ontfing 1½ per den Chinees Pitoko apart schrijvens schrijvens van Bima van den Bimas Resident Meurs de dato 2=e deezer bedelende de toestand aldaar en de af te doene geschillen tusschen Sumbauwa en Dompo, welkers leastgemelde gedrag gants geen stigting gaf etc Op heeden arriveerde van Neepoe te rug de op den 25=e Ianuarij passato na derwaards in kommissie afgezondene oppertolk Gerrit Brugman met ro weinig succes van een goede uitslag als zij daar van overgegevene rapport en Gehouden Dag-Regis= „ter aantoond Donderdag den 21=e zoud jk met een voor Banda ter overbreng van Hunne Hoog Edelheedens papieren; ingehuurt Vaar= „tuig gevoerd bij den Maleijer Intje Ioenkara na der= „waarts zo wel als voor Ambon, Ternaten en Timor af, de door mijn voor dit en het aanstaande Iaar 1783 ter verkenning alhier beraamde Sekreete Seinen; van welke Seinen de Residentien Boelecomba, Bon„ „thaen en Saleijer „ kennisse hebben gekreegen. Enchil: Dingsdag den 19=e Teegens de middag ontfing jk over land een apar= „te briefje van den Boelecombas resident Monsieur waar bij mij dezelven onder anderen bedeelde dat de volgens het genoteerde op den 15=e Januarij passato zo groot opgegevene magt van den Rebel Pankielang nu uit niet meer dan Ses Hondert koppen bestond. Teegens waar A=o. 1782
English
31 whereof I then also, the following day, being February In the Month of March Anno 1782. Bonij. which is answered writings to Bima. Sunday the 3rd Monday the 4th and a note from Maros come. Monday the 25th The King of Bonij gave notice of wherein notice was given further detention until restitution of the goods robbed from the to the King of Amboinese, and the six Sumanappers still remaining behind Baaroe. in the Negorij, whom the prince also had me promised by all possible means Tuesday the 26th Nothing occurred. a letter from Arou Man- open letter from the Prince Arou Mampoe, who had allied poe received. with the rebel Sankielang, formerly for some time even King, and also brother of the former King of Goa banished to Ceylon, as well as grandson of the renowned ruler Arou Palacka, now properly named Daeng Riboko, which appeared to be directed to me, and chiefly contained his intention, having already abandoned Sankielang, to come over to the Honorable Company with his entire family. Whereof I gave notice to the King of Bonij according to our agreement, and furthermore answered that letter today via Maros, conveyed by the second interpreter Delfhout, as can be seen in the Secret Annexes. Wednesday the 27th I received from the Maros Resident van der Walle, along with his letter of yesterday's date, a notice whereof was given, as the King of Bonij agreed to act in communication with each other with regard to such a considerable rebel following and in proportion to his descent, having many pretensions to the Realms of Bonij, Goa, and Bima. Thursday the 28th I sent per the Company's subject Pola Basja, writings to Bima, which served in answer to the separate letter received from there on the 24th of this month, to which was attached an Tuesday the 5th I dispatched the answer to the letter received from Maros earlier one of the 20th of this month, for the dispatch of which which is answered. under date of the 2nd of this month. there had not yet been an opportunity. And received in return a note from the Maros Resident van der Walle, escorting the two Company's subjects mentioned in the letter thither dated the 9th of February last, by name Poea Saaij and Poea Boelang, both of whom I handed over to the chief interpreter Brugman for examination of their depositions. Saturday the 2nd I handed to the emissary of Arou Pantjana a letter from Arou Mampoe the answer to the letter received the day before yesterday from Daeng Riboko, formerly Arou Mampoe. Friday the 1st Towards noon there was handed to me by an emissary of the Prince Aroe Pantjana a letter addressed to me Arou Mampoe wants to come from the Arou Mampoe mentioned the day before yesterday, over. in which he declared that, making use of the granted amnesty, he was now ready to come hither with all willingness under the escort of the said Arou Pantjana. Whereof I also, according to our mutual agreement to act in communication with each other regarding this prince who has many pretensions to the realms of Bonij, Goa, and Bima, in proportion to his descent and considerable following, also gave notice to the King of Bonij. In Wednesday C Anno 1782
Dutch transcription
31 waar van jk hem dan ook sdaags daar aan zijnde Februarij In de Maand Maart Anno 1782. Bonij. =poe ontfangen. die b'andwoord word schrijvens na Bima. Sondag den 3=e Maandag „ 4=e en een briefje van Maros =komen. Maandag den 25=e De koning van Bonij kennisse liet geeven met waar in kennisse gegeven nadere aanhouding tot restitutie der van de Am= werd aan den koning van boineesen geroofde goederen en de nog op de Negorij Baaroe agtergebleevene Les Sumanappers die den vorst mijn ook bij alle mogelijkheid belooven liet Dingsdag den 26=e Viel niets voor. een brief van Arou Man=opene brief van den met den Rebel Tankielang gehauld hebbende Prins Azou Mampoe, voormaals eenige tijd zelfs koning en ook broeder van den op Ceilon gebauwene geweezen Koning van Poa mits= „gaders kleen zoon van de vermaarde Vorsten Arou Palacka, nu eigentlijk Daeng Riboko gen„t dewelke aan mijn scheen gerigt te zijn en voor het principaalste inhield desselfs voorneemen om, Sankielang reets verlaten hebbende, met zijn „geheelen familie tot de Ed=e Komp=e over te komen. waar van jk den koning van Bonij volgens onze afspraak kennisse gaf en voorts die brief op heeden over Maeros, in bestelling van den tweeden tolk Delfhout, nog zodanig b'andwoorde als bij de Sekreete bijlaagen te zien is. „le nevens zijn schrijvens van gisterigen datum een kernisse van gegeven word,„ derabelen aanhang en na rato van zijn afkomst woensdag „ 27=e Ontfing Jk van den Maros Resident van de wal„ daar de Zoning van Bonij afspraak, om in betrecking van deezen zo een Consi= Donderdag den 28=e zond jk per 'skomp=s Onderdaan Pola Bas= „ja, schrijvens na Bima, dat dienende was in andweoord van de op den 24=e deezer van daar ontfangene aparte brief waar bij gevoegd was een Dingddag „ 5=e zond jk af het antwoord op de sub dato 2=e deezer vroegere van den 20=e deezer, tot welkers afzending die b'andwoord word. Ontfangene brief van Maros. nog geen gelegendheid was geweest. Jnchil En ontfing daar en teegen een briefje van den Ma= „ros Resident van de walle, ten geleide van de bij brief na derwaarts in dato 9=e Februarij passato vermelde twee 'Skomp=s onderdaanen in name Poea Saaij en Poea boelang, dewelke jk beide ter examinatie hunner historiaalen aan den oppertolk Brugman overgaf. Saturdag den 2=e Gafjk aan den zendeling van Arou Pantjana een brief van Arou Mampoe af het antwoord op de eergisteren van Daeng Ri= „boko /:bevoorens Aroe Mampoe:/ ontfange brief. Vrijdag den 1=e Teegens de middag wierd mijn door een zendeling van den Prins Aroe Pantjana inhandigt een aan mijn Naoe Mampoe wil over gerigte brief van den op eergisteren vermelden Arou„ Mampoe bij dewelke hij zig verklaarde dat hij, ge= „bruik maakende van de verleende amnestie, nu gereed was om met alle bereidwilligheid onder ge= „leide van gedagte Arou Pantjana herwaarts te koomen. waar van Jk ook navolgens onze onderlinge tot de Rijken van Bonij, Goa en Bima al veel pretentie hebbend Prins, met elkander Com= „municatief te werk te gaan, den Koning van Bonij ook kennisse liet geeven In woensdag C Ao. 1782
English
March 33 March. Anno 1782. their customary ceremonies. report concerning Sankielang the King of the Makassars offers New Year compliments Sunday the 10th Tuesday the 12th letter received for the Court of Boni. shipwrecked persons. Wednesday the 6th I received overland a letter from the Bulukumba Resident Monsieur dated 28th Fe- bruary last, relating the descent of San- kielang as far as Turatea and his departure again for Passesse in the mountains, together with his request made to the Turatea Regent for support, and the bad conduct of this latter evident therefrom. To which I gave the requisite answer this very day. Thursday the 7th nothing occurred. Friday the 8th I received a separate note from the Maros a note from Maros Resident van de Walle dated the 7th of this month. Saturday the 9th the new King of the Makassars came to me with his Grandees in the outer garden to pay his New Year compliments, whom I then properly entertained according to custom and kept for dinner in the afternoon in the presence of most of the ranking officials, after which His High- ness, having departed around three o'clock in the afternoon, was saluted with 7 shots from the castle in accordance with ancient custom. Monday the 11th nothing occurred. Wednesday the 18th Having received with the flute-ship De Hoop, which arrived in the roads today, the letter from Their High Excellencies for the King of Boni, I informed His Highness thereof, in order to have it fetched with the That when they came near the island of Nusa Siri, they were forced by heavy weather and wind to anchor on the east side of the said island, but that the anchor would not hold fast, whereby their ves- sel was driven further eastward, subsequently, due to continuous heavy weather, a plank sprang loose from the vessel, whereby the same, within twenty-four hours, notwithstanding their efforts with pumping and otherwise That, to the best of their recollection, now a good three months ago, they had departed with their Nakhoda, being a Wadjoese by birth, but married on Sumenep and living there, with a pantchiallang manned by ten hands from Sumenep, intending to sail to Kuta near Pasir to trade there, their vessel being laden with salt, rice, oil and some sund- ries. Saturday the 16th In the afternoon, the King of Boni sent to me six Sumenep shipwrecked persons who had lost their vessel to the north /: see the notes of 22nd January and 25th February last :/, who, according to a statement made by them at the Secretariat on my order, declared Friday the 15th Daeng Man- djaddili came over here under a covering letter from the Maros Resi- dent van de Walle, petitioning to be favored with the vacant re- gency at Simbang. Thursday the 14th nothing Anno 1782 Anno 1782. 35 March March fhout elected regent of Simbang. having done everything, became waterlogged and also sank there. That they all together, in order to save their lives, had crossed over into their sampan, taking along some goods and firearms that they could salve, and with which they, after having wandered at sea for ten days to look for land, finally came to land at Barru, situated on this coast. That they went there to the chief of that negorij, Aru Ngatakka, who detained them for up to two months, during which time they had done service for him without having received anything for their subsistence, and that they had even had to find their own food there, until, by order of the Honorable Governor, they were fetched from there and brought hither by a Company emissary and an emissary of the King of Boni. And lastly, that their Nakhoda, along with two other Malays from among their fellow crewmen named Ayanna Marlia and Borahima, and also a slave boy of the Nakhoda named Sibella, had already departed for the negorij Parepare before they were fetched away. Which six persons I then ordered to remain under the supervision Tuesday the 19th I sent duplicate secret letters of the 20th and 28th of the chief interpreter or their own nation here until such time of February last to Bima by the Chinese Lisonko. and opportunity should arise for their transport to Sumenep. Wednesday the 20th nothing I also reconciled with one another the Galesong Kasi Jala and the subjects Pola Masiya, Pua Bulang, and Sua Sai, which three latter had not conducted themselves too well toward the former and had therefore been sent here for some time by my order for examination. Monday the 18th In the presence of the Negorij Chiefs in the Northern District, I appointed as regent of Simbang one Daeng Mandjiddili, who was proposed to me by the Maros Resident van de Walle as the nearest kin and most competent for the post. Towards noon there were delivered to me via Bulukumba a note from Salayar a couple of notes from the Salayar Resident Swart dated the 1st and 4th of this month, the particular content of the first being regarding some further elucidation concerning the signals sent for the arrival of ships or ves- sels coming from the East, and the other for orders regarding a sample sent over by him of the pepper growing there on Salayar. Sunday the 17th I received a note from the second A note from and to Deef- interpreter Deefhout, who was sent to the North on the 27th of February to deliver a letter to Daeng Riboko /: alias Aru Mampu :/, which note I answered this very day. Sunday Thursday Anno 1782.
Dutch transcription
Maart 33 Maart. A=o 1782. hun gewoone Ceremonien afgehaalt te worden. berigt van Tankielang de kooning der Makassaa Jaars kompliment af Sondag den 10=e Dingsdaeg „ 12=e brief voor het Hboff van Bonij ontfangen. =kelingen. woensdag den 6=e Ontfing jk over den Landweg schrijvens van den Boelecombas Resident Monsieur de dato 28=e Fe= „bruarij passato, bedeelende de afkomst van San= „kielang tot op Surattea en zijn vertrek weder na Passesse op het gebergte, mitsgaders zijne gedaane aanzoek bij den Iurattees Regent tot ondersteend. en het daar uit gebleekene slegt gedrag van deze laaste. waar op jk nog op heeden het dienende andwoord gaf Donderdag den 7=e passeerde niets. vrijdag den 8=e Ontfing jk een aparte briefje van den Maros een briefje van Mars Resident van de walle de dato 7=e deezer. Saturdag den 9=e kwam bij mijn met zijn Rijxgrooten inde bui= „ten - tuin het nieuwe - Jaars kompliment afleggen „ren zegt het nieuwe den nieuwen Koning der Makassaaren, dewelke jk dan ook na den gebruike behoorlijk onthaalde in smiddags ten bijweezen van de meeste gekwa= „lificeerdens ten Eeten hield, waar na zijn Hoog= „heid, teegens drie uuren 'snamiddags vertrocken wezende, in navolging van het oud gebruik met 7 schooten van het kasteel gesalueert wierd Maandag „ 11=e viel niets voor. woensdag den 18=e Met het op heeden ter rheede g'arriveerde Fluit- schip De Hoop Ontfangen wezende de brief Hunner Hoog Edelheedens voor den Koning van Bonij, zo liet jk zijn Hoogheid daar van kennisse geeven, ten einde dezelve met de bij „ Dat zij omtrend het Eiland Moese Sierie ko= „mende, door twaar weer en wind genoodzaakt ge= „weest zijn, aan de Oost kant van gem: Eiland „te moeten ten Anker gaan, dog dat het Anker niet „heidde willen vast houden en waar door hun vaar„ „tuig dan ook verder Oostwaards gedreeven is, ver= „volgens door aanhoudend zwaar weer een plank „van het vaartuig los gesprongen zijnde, waar „door het zelve in een Etmaal, niet tegenstaande „hun aangewende moeite met Pompen als ander„ „Dat zij na hun best onthoud nu ruim drie maanden „geleeden met hun Anachoda, zijnde een Wadjorees „van geboorte, dog op Sumanap getrouwt en al= „daar woonagtig, met een pantjallang bemand met „thien koppen van Sumanap waren vertrocken, „met voorneemens na Koeta bij Passier te vaaren „om aldaar handel te drijven, zijnde hun vaartuig „gelaaden met zout, Rijst, olij en eenige klee= „nigheeden. Saturdag den 16=e Snamidags rond mijn den Koning van Bonij toe, zes om de Noord /:vide het genoteerde op den 22=e Ses Sumanapse schipbieu- Januarij en 25=e Februarij laastleeden / hun vaartuig verlozien hebbende Sumanappers, dewelke volgens een door hun ter mipier Ordre op de Sekretarije gegeve= „ne Relaas verklaarde vrijdag den 15=e kwam onder geleide letteren van den Maros Resi„ dent van de walle herwaarts over Daeng Man= Een sollicitant om het Be„ „gantschap van Simbang: „ djadilie, verzoek doende om met het vacante Be= „gentschap te Simbang begunstigd te worden. Donderdag den 14=e nchil hun „zints A=o 1782 A=o 1782. 35 Maart Maart fhout „bang verkooren. „rints gedaan, vol waater geraakt, aldaar ook is koo= „men te zuiken. „ Dat zij alle te ramen, om hun leeven te behouden „ in hun Chiampang waaren overgegaan, meede nee= „mende eenige goederen en geweeren die zij konde „bergen, en waar meede zij tien daagen lang op zee „te hebben gezworven om dast land op te zoeken, „eindelijk op Barroe aan deeze kust geleegen, zijn „ter houwe gekoomen. „ Dat zij aldaar aan het Hoofd van die Negorij Arou„ „Ngatakka zig vervoegt hadden die hun aangehouden „heeft tot twee maanden lang, in welke tijd zij bij „hem hadde dienst gedelen zonder iets tot hun „leevens onderhoud te hebben genooten, en dat zij „daar zelfs de Kost hadde moeten roeken, tot zo „lange dat zij uit ordre, van den wel Edelen Agtbaa„ „ren Heer Gouverneur door een Comp„s en een zende„ een nieuwe regent van Sim= „ling van den Koning van Bonij van daar zijn „afgehaald en herwaarts gebragt. „ En laastelijk dat hun Anachoda neevens nog twee „ Meeleijers van hun meede scheepelingen niet naa= „mens Aijanna Marlia en Borahima ook een „slave Jonge van den Anachoda genaamt Sibella„ „voor dat zij afgehaald zijn geworden, bereeds na „de Negorij Paerre Parre zijn vertrocken. welke zes Perzoonen jk dan ordonneerde om zo lan= Dingsdag den 19=e zond jk per den Chinees Lisonko, na Bima „ge onder het opzigt van den oppertolk dan wel hun schrijvens na Bima of, dupplicaat Sekreet schrijvens van den 20=e en 28=e eigen Natie alhier te verblijven tot tijd en wijlen februarij passato. er gelegendheid tot hun Transport na Sumanap zoude voorkomen. woensdag den 20=e nihil Ook vereenigde Jk weder met den anderen den en nevensgemeld vereenigd Glassang Kassie djala en de Onderdaanen Pola Masija, Poea boelang en Soea Saaij, welke drie laaste zig teegens den Eersten niet al te wel ge= „dragen hadden en dierhalven op mijne ordre alhier ter Examinatie voor eenigen tijd waaren opgezonden. Maandag den 18=e Stilte Jk in presentie van de Negorijs Hoofden in het Noorder District Simbang tot regent aan eenen daar toe door den Maros Resident van de welle als de naaste en bekwaamste mijn voorgedrage„ „ne Daeng Mandjidilie Teegen de middag wierd mijn over Boelecomba een briefje van Saleijer besteld een paar briefjes van den Saleijers Resident Swart de datis 1=e en 4=e deezer, welkers bezondere inhoud was de eerste weegens eenige nadere eluci= „datie omtrend de gezondene Seinen voor de al= „deeren van de Oost aankomende scheepen of vaar= „tuigen, en de andere om ordres aangaande een door denzelven overgezoude Monster der daar op Saleijer groeijende Perper. Sondag den 17e Ontfing jk een briefje van de onder den 27=e Febru= Een briefje van en na Dee=jarij na de Noord ter bestelling van een brief voor Daeng Riboko /:alias Aroe Mampoe :/ afgezondene tweede tolk Deefhout, die jk nog op heeden beand= „woorde: Sondag Donderdag A=o 1782.
English
Year 1782. March Arrival at Sageerie. Resolution taken regarding this with Bony's king, who will personally bring him in submission to the Company. A highwayman put in the long chain. Thursday, Aroe Pantjana informed me that Daeng Riboko alias Aroe Mampoe had arrived at Sageerie, having with him, besides his family and some of his retinue, his nephew, the renowned and former King of Tello, Kraeng Sapanang, sister's son of the deceased grandfather of the present King of Bony, and Kraeng Kassie, one of the former nine electors of the Goa realm. Of all of which I gave notice to His Highness the King of Bonij, who privately let me know that it would give him particular satisfaction if both of the first-mentioned could be brought directly to him, so that they might thus be surrendered in submission to the Noble Company through that Court against whom they had sinned in the first place by secretly abandoning it and choosing the side of the Rebel. I hesitated about this for some time, but considering that not only was it true on the one hand that they had wretchedly abandoned the Bony Court, which had taken them under its protection when deprived of their realms, and had chosen the side of Sankilang through the instigation of the old Arou Palackae, but also that on the other hand it was not at all advisable to join these two personages, being too closely related to Bonij, again with the Macassars, who would certainly view them with disfavour; I therefore consented to this and informed the King that I was satisfied with this proposal, and, as I also did immediately, would give the necessary orders for this purpose, and would subsequently confer with him further in person about these two princes upon their arrival and how very strictly he should keep watch on their conduct. I meant by this, as I had also once privately and in confidence made known to the King on a certain occasion, the claim that the first-mentioned might assert to the throne of Bonij by virtue of his birth among the ill-disposed court grandees. Friday the 22nd, nothing. Saturday the 23rd, I sent via Boelecomba to Saleijer the reply to the Resident's letters received on the 17th of this month. Sunday the 24th and Monday the 25th, nothing of importance occurred. Tuesday the 26th, I received a short letter from the Bima Resident Meurs, principally serving as a cover for his duplicate letters of the 2nd of February past, the original of which was received here on the 24th of that month and already answered on the 28th. Wednesday the 27th and Thursday the 28th, there was nothing to record. Friday the 29th, I ordered to be put provisionally into the long chain until further orders, to work on the Company's public works here, a native of Bony apprehended near the post of Malangkerie, who, together with two of his companions who were struck down by the Madurese for resisting, had already been busy stealing two slave boys or grass-cutters belonging to our inhabitants; see the declaration given regarding this by Sergeant Coenraad Meijer and Captain Dramantacka. Saturday the 30th, the letter sent by Their High Mightinesses for the King of Bonij and the Court Grandees was fetched with the required ceremony, as per the general Daily Register. Today, the newly appointed Kraeng Simbang also departed for the north under cover of letters. Sunday the 31st, nothing. April. Monday the 1st, nothing. Tuesday the 2nd, after an investigation conducted by the chief interpreter Brugman, I sent back to the King of Bonij, at his two or three times repeated request, Idadie, son of Kraeng Boddia, together with his slave boy named Troema, who had been sent up privately from Boelecomba by the Resident Monsieur as horse thieves or suspicious vagrants, but could not be convicted thereof. On the other hand, around noon, the letter recently received by His Highness from Their High Mightinesses was sent to me for review according to custom by the Plarrang of Bontoala, one of the Court Grandees, in the name of the King of Bonij, and I was at the same time, both in the name of that prince and of all the grandees of the realm, most cordially thanked for what I had accomplished for them with Their High Mightinesses regarding the toll exemption so greatly desired by them all, about which His Highness, who was now somewhat indisposed, would speak with me personally in more detail. Wednesday the 3rd, Thursday the 4th, Friday the 5th, Saturday the 6th, and Sunday the 7th, there was nothing to record. Monday the 8th, the King of Bonij informed me that, pursuant to the arrangement made at his request on the 21st of March past, the princes mentioned under that date had arrived at his court. Year 1782.
Dutch transcription
A=o 1782. 37 Maart Ao 1782 Maart „geerie g'arriveert. besluit naming daar over met Bonijs koning die hem zelfs bij de komp= Een straat-rover in de lange ketting geslagen. Donderdag liet mijn Aroe Pantjana weeten dat Daeng Riboko Aaon Mampoe op sa /:alias Aroe Mampoe:/ op Sageerie was g'arriveerd, bij zig, buiten zijn familie en eenige van zijn gevolg, hebbende zijn Neeff den vermaarden en eertijds Ho: „ning van Tello geweest zijnde Eraeng Sapanang zusters zoon van den overleedene Groot vrder van den presenten Koning van Bony, en Kraeng kassie, een der voorige Neegen kiesheeren van het Goasche Rijk. van welk een en ander jk zijn Hoogheid den Koning van Bonij kennisse gaf, die mijn instille liet weeten dat hem een bezondere Satisfactie zoude geschieden als beide deeze eerstgemelde direct bij hem mogte worden gebragt om alzo door dat Hoff, tee= „gens wien zij in de eerste plaats, met het zelve in stilte te verlaaten en de zijde van den Rebel ver= „koosen te hebben, gezondigt hadden, aan de Edele en submissie zal breng kompagnie in Submissie overgegeven te worden. Jk — stond hier op wel eenigen tijd in bedenking dog over= „weegende dat het niet alleen aan de eene zijde waar wees dat zij het Bonische Hoff het welk hun, van hunne Bijken beroefd, in bescherming had genoomen, slegtelijk verlaaten en door oprockeling van de Oude Arou Palackae, de zijde van Tankielang verkoo= „ren heedden, maar dat nu ook aan de andere kant gantsch niet raadszaam was deeze twee Perzonagies als te zeer aan Bonij geparanteert weder bij de Moe= „kassaaren, die haar dog met geen goede Oogen zoude aan= „rien te voegen; zo bewilligde jk hier inne en liet den Koning zeggen dat jk met deeze propositie te vreeden zijnde hier toe, gelijk jk ook terstond deed de nodige Ordre zoude stellen en hem vervolgens wel nader over deeze twee Princen bij aankomst van dezelve en hoe zeer hij een nauwkeurige agt op hun doen in laaten zal dienen Woensdag den 27=e en Donderdag den 28=e viel niets te noteeren. Vrijdag den 29=e liet jk tot nader Ordre bij provisie in de Lange ketting om aan 'skomp„s Gemeene werken alhier te arbeiden, slaan, een bij de Post Malangkerie op= „gepakte Bonier, dewelke neevens twee zijner door de Madureesen, als zig te weer gesteld hebbende te ne= „der gelegde Makkers, reets bezig waren geweest twee slaave Jongens of Gras-haalders van onze Jnge= „zeetenen te steelen, vide de daar van gegevene ver= „klaaring door den zergeant Coenraad Meijer en Sondag den 24=e en Maandag den 25=e passeerde niets van aanbelang. Dingsdag den 26=e Ontfing jk een briefje van den Bimas Resident Een briefje van Bima Meurs, principaalst ten geleide zijner duplicaat lette„ „ren van den 2=e Februarij passato, waar van het Ori= „gineel den 24=e dier maand hier ontfangen en reets den 28=e b'antwoord is. Saturdag den 23 e zond jk over Boelecomba na Saleijer af het een briefje na Saleijer antwoord op 'S Residents den 17=e deezer Ontfangene brieven. Vrijdag den 22=e nchil te stellen, zelfs onderhouden zoude - jk bedoelde, hier meede zo als jk de Koning bij een zeekere gelegendheid ook el eens in stilte als bij wijze van Sekretesse, te kennen had gegeven; het regt dat zig de eerstgemelde weegens zyn geboorte op de Throon van Bonij zoude kunnen aanmaatigen bij de kwalijk gezinde Hofs= Grooten. „te de 33 de kapitain Dramantacka. Maart A=o 1782 April afgehaalt visie van 's konings. ontfaengene brief Saturdag den 30=e Js vide het gemeen Dag-Register met de ver= de brief voor Bonijs, eischte statie afgehaald de door Hunne Hoog Edelhee= koning met statie „dens voor den Koning van Bonij en Hofs-Proo= „ten gezondene brief. Op heeden vertrok ook onder geleide Letteren na vertrek van zaeng sin de Noord de nieuw aangestelde Praeng Simbang Sondag den 31=e nihil. April. Daar en teegen wierd mijn omtrend de middag door den Plarrang van Bontoala /: een der Hofs- =Grooten :/ uit naam van den Koning van Bonij na den gebruike ter resumptie toegezonden de Jongst, door zijn Hoogheid van Hunne Hoog Edelheedens ont= „fangene Missive, en mijn met eenen zo uit naam van dien vorst als de Tezamentlijke Rijks-grooten op het allervriendelijkst bedankt voor het voor haar bij Hunne Hoog Edelheedens uitgewerkte met opzigt tot de door haar allen zo zeer erlangde Thol vrij= „heid - waar over zijn Hoogheid, die nu wat on= „passelijk was, mijn zelfs nader zoude onderhouden Woensdag den 3=e Donderdag „ 4=e Viel niets te noteeren. „ 5=e Vrijdag Saturdag „ 6=e Sondag „ 7=e Maandag den 8=e Liet mijn den Koning van Bonij weeten, dat ingevolge mijne onder den 21=e Maart passato. op zijn verzoek gemaakte schicking bij hem g'arriveert waaren de onder dien datum vermelde Princen Maandag den 1=e nchib Dingsdag den 2=e zoud jk na gedaane onderzoek van den oppertolk Brugman aan den Koning van Bonij op desselfs twee boners de koning twee â drie maal herhaald verzoek te rugde van te rug gegeven Boelecomba door den Resident Monsieur in het particulier als Paarde dieven of suspecte zwervers opgezonden, dog daar van niet overtuigd hebbende kunnen worden, Idadie zoon van Kraeng Bod= „dia benevens zijn slave Jonge in name Froema. A=o 1782. „bang 1
English
Anno 1782. April Tuesday the 9th Wednesday the 10th Thursday the 11th Friday the 12th Saturday the 13th Sunday the 14th nothing of importance occurred. Monday the 15th the Bonese Court Interpreter Passir came to me, notifying me on behalf of his King that His Highness was inclined to bring to me on Thursday next the Princes mentioned under the 8th of this month, namely the late Kings of Gowa and Tallo, Daeng Riboko alias Aroe Mampoe and Karaeng Sapanang, and that if it pleased me, he was prepared to present these two Princes to me in submission in the coming week, when he hoped to be somewhat better; and then at the same time to speak with me about the letter which he received these days from Their High Mightinesses in Batavia. I had His Highness thanked for the given communication and conveyed that I was pleased about it and that I would receive His Highness and await him. Tuesday the 16th and Wednesday the 17th nothing occurred. Thursday the 18th there appeared, pursuant to what was noted on the 15th of this month, in the inner garden, the King of Boni, accompanied by his foremost realm dignitaries: the Madanrang, the Tomilalang, Datu Baringang, the Sulewatang, the Gallarang Bontoala, and some lesser Court Dignitaries. His Highness, having been led inside by the hand by the Fiscal and Shahbandar according to custom under the usual ceremony, and having been seated for a short while, took the floor and said that he had now come, according to the agreement between Him and Me, to present in submission to the Honourable Company his two nephews, brought along for that purpose and still standing outside, the Princes Aroe Mampoe and Karaeng Sapanang, who had come to repentance and remorse and had wholly abandoned the Rebel Sankielang; and that he therefore did not doubt that the Honourable Company, as well as We, would graciously forgive their misdeeds committed as much out of youth as out of love for the old Aroe Palakka, and would, along with him, receive back into Grace those who had now promised, and would now further promise, never or evermore to commit any disloyalty against Boni nor the Honourable Company. I thereupon expressed my willingness in that regard and had the Princes enter. And although they both appeared with a pride peculiar to the haughty Macassars, they were nevertheless a little embarrassed when I had them come before me. I held up to them the misdeeds they had committed and the punishment deserved thereby, which, as I notified them, were now entirely forgiven them through their submission and the requested intercession of the King of Boni, however not otherwise than on these special conditions and terms: that, as I had also already written to Aroe Mampoe, they shall never or ever make any attempts contrary to the Company's interests and to the detriment of the Bonese Court or the Realm of the Macassars newly established by the Honourable Company, or of any other monarch or country on this Celebes; whereas, doing this, immediately again
Dutch transcription
A=o 1782. 41 April A=o 1782. April Dingsdag den 9=e woensdag „ 10=e Donderdag „ 11=e vrijdag „ 12=e Saturdag „ 13=e Sondag Dingsdag den 16=e en of geweezen koningen van Gole en Tello Daeng Riboko /:alias Arou Mampoe:/ en Eraeng Sapanang en dat mijn zulks behagende Hij bereid was om mijn deze twee Princen in de aanstaande week, wanneer hij verhoopte wat beter te zullen zijn, in submissie aan te bieden. jk liet zijn Hoogheid voor de gegevene Com= „municatie bedanken en zeggen dat Jk Abem verwagten zoude. passeerde niets van aanbelang. „ 14=e Maandag den 15„e kram bij mijn den Bonischen Hofs Tolk Passir, Mijn uit naam van zijn Koning aanzeggende dat zijn Hoogheid geneegen was om op Donderdag aanstaande bij mij te brengen de onder den 8=e deezer vermelde Prin= „ren en min als dan met eene te spreeken over de brief die Hij dezer daagen van Hunne Hoog Edelhee= „dens te Batavia ontfangen heeft, jk liet Hem onder de gewoone groete zeggen dat Jk Heer over Ver- „bleed was en dat jk zijn Hoogheid ontfangen zoude woensdag „ 17=e passeerde niets. Donderdag den 18=e verscheen, ingevolge het genoteerde op den 15=e deezer, in de binne thuin van den Koning van Bonij verzeld van zijn eerste Rijksgrooten den Madanrang, de Tomilalang, Datoea Baringang, de Soelewatang, de glarrang Bontoala en eenige mindere Hofs-Groo= „ten - zijn Hoogheid na den gebruike door den Fiskaal en Sabandaar aan de hand onder het gewoone Peremo= „nieel binnen geleid en een weinig gezeeten zijnde nam het woord op en zeide dat hij als nu volgens afspraak tusschen Hem en Mijn gekomen was om in submis- „sie de Ed=e Romp=e aan te presenteeren zijne ten dien einde meede gebragte en nog buiten staande twee neeven de tot berouw en inkeer gekomene mitsgaders den Rebel Sankielang ten eenemaal afgevallene princen Aroe Mampoe en Eraeng Sapanang, en dat hij dienthalven niet twijffelde of de Edele 'SComp=e zoude zo wel als Wij, hunnen zo uit Ionkheid als uit liefde voor de oude Aroe Palacka bedreevene misslaagen gratieuslijk vergeven, en hun, die nu be= „loofd hadden en nu nog nader zoude belooven nooit of immermeer eenig ontrouw tegen Bonij nog de Ed=e somp„e te pleegen, neevens hem weder in Genade aan„ „neemen. Jk betuigde hier op mijne bereidwilligheid daar omtrend en liet de princen binnen koomen. en schoon zij beide verscheenen met een fierheid der trotse Meekassaar eigen, zo waren zij egter, wanneer jk hun voor mijn liet komen een weinig verleegen. jk hield hun voor de misslaagen die zij hadden be= „gaan en de Straffe daar door verziend, dewelke hun gelijk jk ze aanzeide, nu door hunne bijkoming en verzogte voorspraake van den Koning van Bonij geheel en al vergeeven wierden, egter niet anders dan op deeze speciaale Conditien en voorwaarde dat zo als jk Arou Mampoe ook reeds geschreeven had, zij nooit of wit eenige tentames zullen doen strijdig teegens 'S komp„s belangens en tot nadeel van het Bo= „nische Hoff of nieuw door de Ed=e Komp„e opgeregte Rijk der Makassaaren of van een ander vorst of Land op dit Eelebes, terwijl ze dit doende, inmediaat „ten weder
English
Anno 1782 13 April Anno 1782 April again be declared and regarded as enemies of the Honourable Company and of Bonij, of whose King and court dignitaries I immediately asked whether they agreed with me on this point. And upon all of them collectively and fully testifying that they adhered entirely to these thoroughly reasonable conditions, which both princes also promised sacredly to fulfill and maintain, this matter ended herewith, and I had Aroe Mampoe and Eraeng Sapanang take a seat on the chairs placed for that purpose beside the foremost court dignitaries. Subsequently, the King presented the contents of the letter received by him and the court dignitaries from Their Right Honourables, the High Indian Government at Batavia, and asked me, as it were before the eyes of them all, since we had already agreed on this together beforehand, how he was now properly to understand the same. I told him that Their Right Honourables, in order to make an end of the disputes that had occurred regarding the duty-free status claimed by the Court for the envoys to be sent by them to Batavia, had ordered me, as His Highness could also see from the contents of the letter, to draw up a fixed agreement in this regard. That, having let my thoughts dwell upon this, I had deemed it best to set the limit at three paduwackangs, which should enjoy complete duty-free status, provided that it must always be sacredly observed never ever to speak of a larger number, and that this permission shall only pertain to envoys who proceed with these vessels on behalf of the Court of Bonij directly from here to Their Right Honourables at Batavia, not now and then, but in the two cases traditionally customary at this Court itself, namely upon the demise of a King or in matters of similar great weight concerning the Country, and whereupon the approval or arrangement of Their Right Honourables must absolutely be requested. That I now also did not doubt that His Highness and the gathered court dignitaries would be satisfied with this thoroughly reasonable procedure. Upon this, the King and subsequently all the court dignitaries not only answered yes, but also promised that they would in all respects comply with these conditions, against whose reasonableness they said they could have no objection, thanking me once more for what I had been willing to contribute in their favor and toward the maintenance of the friendship between Bonij and the Honourable Company, undertaking at the same time, upon my further inquiry, now to send the proper embassy to Their Right Honourables this year for certain and sure. With all of which were then happily settled two articles which, it is true, have caused me a great deal of trouble, but which, I hope, will also afford me the satisfaction that the Honourable Company continues to live in constant friendship with the Court of Bonij. Friday the 19th nil. Saturday the 20th received a separate note from Resident Meurs. Sunday the 21st Monday the 22nd nothing worthy of note occurred. Tuesday the 23rd April Wednesday the 24th I, along with the King of Bonij, the most prominent of his state dignitaries, and several qualified gentlemen, went to inspect the flute ship de Hoop. And I subsequently also answered today the letter from Bima received on the 20th of this month. Thursday the 25th Friday the 26th nil. Saturday the 27th the chief interpreter Brugman, whom I had dispatched a few days ago to Sanrabonij to collect the imperial debts, returned from there with the assurance on behalf of the King and that of the state dignitaries that they will make their utmost efforts to pay off something this year toward the reduction thereof. Sunday the 28th nothing happened. Monday the 29th early in the morning I sent the chief interpreter Brugman to the King of Bonij to hear what resolutions His Highness had taken regarding the people of Soupa and Neepoe with respect to the goods robbed by them. He brought me back word that the King seemed by no means minded to let the matter rest with their refusal, but that he had resolved to propose the matter shortly in the Council of all the state dignitaries, at which time he would then give me further word in this regard. Tuesday the 30th nothing happened. Secret Resolution taken in the Council of Policy of the City and Fortress of Malacca on 21 December 1781 and 31 January 1782. Anno 1782 No. 4 Z. Meeting of Policy. All present. Friday the 21st of December 1781. Forenoon. Secret. It having been made known to the Governor by the captain of the Portuguese private ship S. Cruz, which arrived from Macao on the 18th instant, that he had heard that the English Company and private ships that were in China would depart from there on the 20th of this month to steer through the Strait of Malacca toward the places of their destination; and considering that the Company vessel which, pursuant to the secret Resolution of 10 August last, lies on watch at Cape Rachado, would run the danger of being captured by them in passing, whereas, on the contrary, lying here in the roads, along with the bark de Geertruida Susanna and the sloop de Johanna, it might sometimes serve to protect the defenseless Javanese vessels if any of the said ships in passing should approach the roads to take away or damage those vessels: thus, upon His Honour's proposal, it has been approved and agreed to recall from there the sloop de Charlotta Christina, stationed on watch at Cape Rachado, and to position her with the said bark and sloop in the roads in such a manner as shall be required for the protection thereof, and also, as soon as
Dutch transcription
A=o 1782 13 April A=o 1782 April weder verklaard en aangemerkt zullen worden als vij= „anden van de Ed=e Hompagnie en van Bonij, wel= „kers Koning en Hofs Grooten jk dadelijk afvroeg of zij hier inne met mijn eens waaren, En hier op door hun alle gezamentlijk volmondig betuigd zijnde dat zij zig ten vollen aan dezen alzints billijke voorwaar= „dens hielden, die de beide princen ook beloofde Heiliglijk te zullen nakomen en onderhouden, zo eindigde hier meede deeze affaire en jk liet Aroe Mampoe en Eraeng Sapanang plaats neemen op de daar toe gestelde stoelen naast de Eerste H ofs-Grooten. vervolgens stelde den Koning voor de inhoud dek dook estem en de Hofs-Prooten van Hunne Hoog- „Edelheedens de Hooge Indiasche Regeering te Ba„ „tavia Ontfangene brief en vroeg mijn /:quasie voor 't oog van hun allen, alzo wij te zamen hier over al bevoorens waeren eens geworden: /. hoe Mij Dezelve nu regt begrijpen moest. Jk zeide Bein dat Hunne Hoog Edelheedens om een einde te maaken van de dis= „puten die er geweest, waren omtrend de door het Hoff gepretendeerde Thol=vrijheid voor hunne na Batavia eef te zendene gezanten, mijn gelast hadden, gelijk zijn Hoogheid uit den inhoud van zij brief ook konde zien, hier omtrend een vaste overeenkomst te beraamen. Dat jk mijn gedagten hier over hebbende laaten gaan het allerbest geoordeeld had de bepaeling te stellen op drie stuks paduwackangs dewelke een volkomen Thol= vrijheid zoude hebben, mits dat altoos als Heilig ge= „observeert zal moeten worden om nooit of ooit van Sondag den 21=e een meerder getal te spreeken en dat deeze vergun= Maandag den 22=e viel niets noteren waardig voor „ning maar alleen zal zien op gezanten die met deze Dingsdag „ 23=e vaartuigen van wegens het Hoff van Bonij direct vrijdag den 19:e nihil. Saturdag den 20=e een apart briefje van den Resident Meurs ontfangen. van hier aan Hunne HoogEdelheedens te Batavia af= „gaan, niet nu en doen, maar in de bij dit Hoff zelve van duds iber gebruikelijke twee gevallen namentlijk bij het afsterven van een Koning of in zaaken van een diergelijk groot gewigt het Land betrefpende en waar op absolut de goedkeuring of schicking Hunner Hoog Edelheedens moet worden verzogt. Dat jk nu ook niet twijffelde of zijn Hoogheid en de gezamentlijke n Hoofs-Grooten zoude in deze alzints billijke handelwijze genoegen neemen; Hier op andwoorde de Koning en en vervolgens alle de Hofs-Grooten niet alleen van Ja„ maar beloofde ook dat ze deze Conditien tegens wel= „kers billijkheid zij zeide niets te kunnen hebben in: allen opzigte zoude nakomen, bedankende mijn nog= „maals voor het geene jk daar inne ten faveure van hun en tot standhouding van de vriendschap tusschen Bonij en de Edele somp=e had willen mede helpen, aanneemende teffens, op mijne nadere afvrage, om als le nu dit jaar voor vast en reeker het behoorlijke Gezant„ „scheep aan Hunne Hoog Edelheedens te zullen afzenden; Met al het welke dan geluckig afgedaan waren twee articulen die mijn, wel is waar bijzondere veel moeite hebben gegeven, maar die, Hoope jk, mijn ook de Sectiffactie zullen bezorgen dat de Ed=e komp=e met het Hoff van Bonij in een bestendige vriendschap blijft leeven. van woensdag April Donderdag den 25=e Vrijdag Dingsdag den 30=e passeerde niets. woensdag den 24=e ben jk met de Koning van Bong, de aanzienelijkste van zijn Bixgrooten en eenige gequalificeerde Heeren het Fluit schip de Hoop weezen bezigtigen. En heb vervol= „gens op heeden ook b'antwoord de op den 20=e deeser vitfangen brief van Dima „ 26=e nihil Saturdag den 27=e kwam den oppertolk Brugman die jk voor eenige daagen na Sanrabonij ter impalming van de Rijks schulden had afgezonden, van daar te rug met verzee= „kering uit naame des Konings en die der Rijxgrooten dat zij hun uiterste devoiren zullen aanwenden die dit Jaar iets inmindering van dezelve af te leggen: Sondag den 28=e passeerde niets. Maandag den 29=e Smorgens vroeg zoud jk den oppertolk Brugman na de Koning van Bonij om te hooren wat besluiten zijn Hoogheid omtrend die van Soupa en Neepoe met opzigt tot de door hun geroofde goederen genomen had. Denzelven bragt mijn tot keer berigt dat den Koning gantsch niet van voorneemens scheen het bij hunne gedaane weigering te laaten maar dat hij beslooten had die zaak eerstdaags in den Raad alle de Rijks= „grooten voor te draagen wanneer hij mijn als dan na= „der daar omtrend bescheid zoude geeven. Secreete Resolutie genomen in Raade van Politie der Stad en Fortresse Mulacca den 21. December 1781, en 31. Ianu„ A=o 1782 „ari 1782.— op No. 4 Z. Voormiddags Door den Capitein van het op den 18. hujus van Macao gearriveerde Portugeesche Particuliere schip S. Cruz aan den Heer Gouverneur te kennen gegeven zijnde, gehoord te hebben dat de Engelsche Comp„s en particuliere schepen, die in China waren, den 20. deezer maand van daar zouden vertrekken, om door straat Malacca naar de plaatzen hunner destinatie te stevenen; en geconsidereerd dan Comps. vaartuig„ het welk volgens secreete Resolutie van den 10. Augs. laastleden bij Caap Ratjado op brandwagt legt, gevaar zoude loopen van door hun en passant medegenomen te worden, daar hetzelve in tegendeel hier ter reede leggende, met de bark de Geertruida Susanna en sloep de Johanna Somtijds nog al ter beveiliging zoude kunnen dienen van de weerlooze Iavasche vaartuigen, bij aldien het een of ander van de gemel„ „de schepen in het passeeren de reete mogte naderen, om die vaartuigen weg te neemen of te bescha„ „digen: zoo is, op zijn Eds: propositie, goedgevonden en verstaan de bij Caap Radjado op brandwagt uit „gezette sloep de Charlotta Christina van daar te ontbieden, en haar met de gemelde bark en sloep op de reede zoodanig te posteeren, als ter dekkinge van dezelve zal worden vereischt, mitsgaders, zoo Vergadering van Politie. Allen present. Vrijdag den 21. December 1781.— dra secreet 45 E
English
The 21st of December 1781. as soon as the aforesaid fleet or any other suspicious ship comes into sight, forty-eight soldiers are to be detached thither under the command of an Ensign, to be distributed across the aforementioned bark and sloops. The 21st of December 1781. It having appeared upon further investigation that the excavations on the north side of the city near the cow or buffalo pen and the road to Geerenstein, proposed as necessary in the report of the Honorable Chief Administrator Werndlij and associates inserted into the secret resolution of the 25th of August last, could not be made without expending an exorbitant sum of money, since the soil there was found to consist entirely of sand and loose earth, so that not only would the banks of these excavations collapse immediately unless sheet pilings of posts with planks behind them were constructed to prevent this, but the earth for the parapets on the city side would also have to be brought in from elsewhere at great expense; whereas, on the contrary, at the end of the Lazarus Field near the dwelling of the Moor Kisna, and back and forth to the Tranquera Gate, the soil is very good for the aforesaid work, the distance of the place where the excavation could be carried out is half as short, and the situation of the ground itself is also much more suitable for it: thus it has been approved and agreed to dispense with the first-mentioned excavations, and instead to have such a cutting made at the end of the Lazarus Field near the house of the Moor Kisna to a length of sixty-five rods, provided with a parapet and two demi-lunes from which the plain behind the said Lazarus Field can be covered by fire, along with having the ditch of the city line drawn into the sea by an excavation of thirty-five rods; placing a drawbridge over it, having the stone wall that stands between the line and the Tranquera Gate demolished to the height of a serviceable parapet, having a battery of three flanks and six cannons thrown up between the said gate and the first demi-bastion of the line, and raising both demi-bastions of the line, if at all possible, in such a manner that from them, as well as from the said battery and the bastion at the Tranquera Gate, one can defend the approaches along which the enemy might approach the city on the north side. Malacca, in the Castle, on the date aforesaid. Signed: G. P. de Bruijn, A. A. Werndlij, J. N. Heusel, A. Couperus, F. Thierens, and R. B. Hijnck van Papendrecht. Thursday, the 31st of January 1782, in the forenoon. Meeting of Policy. All present. The 31st of January 1782. The Honorable Governor communicated to the Meeting: That yesterday evening, by an express sent to Riau, His Honor had received report that the four English private ships mentioned in the common resolution of the 29th instant had arrived there, and the captains of those vessels had sent a small native vessel with three Englishmen hither to spy on the roads, and that they had requested and obtained permission from the Regent, Raja Haji, to remain lying in his harbor if they should receive news that there were more ships here than the French ship La Sainte-Thérèse; as well as that, besides those four ships, another was found there which was laden with opium. That the Captain of the Burghery, Abraham de Wind, had subsequently handed His Honor a letter written by the Malay Inche Khamis, who is in the service of Raja Haji, to the [illegible] Baitinade Poele; the translation of which, upon reading, was found not only to confirm the aforesaid report, but also to contain, among other things, that Captain Mackelerij would wait in the Lima Strait until the last day of January for the ship coming from Japan, and then go in search of it. That His Honor had therefore further consulted the captain of the said French ship La Sainte-Thérèse, Mathurin Barbaron, regarding the dispatch of the ship, and the latter had declared straightforwardly that, on account of the lack of training of his crew and the weakness of the crew of the Company ship, he could not promise His Honor to cover the latter if all of the said four ships should encounter them in the Governor Strait and renew the engagement, since in the action they had had with him they had maneuvered very well; that the danger would be all the greater if the fifth ship, which lay inside the harbor of Riau, and the English ship that had hailed a vessel from Macau outside these roads on the night of the 23rd of January and was seen two days later by another vessel from Macau near the island of Little Cardamom, should join them; that, on the other hand, if he encountered only one or two of the said vessels, should they wish to engage in battle, he would not only look to the preservation of the Company ship, but dared even to be assured that they would be captured as prizes. Whereupon, having maturely deliberated, and taking into consideration that it is no less hazardous to detain the ship Mars with its rich cargo here in the roads than to dispatch it at this time to Batavia, since the English ships appear in this strait one after another, and those of them fitted out as privateers, like that of Captain Mackelerij, might sometimes dare to come and attack the aforesaid ship in the roads itself, without one being able to prevent this effectively with the artillery of the fortress or with that of the Company vessels, whereas on the contrary, once that bottom is discharged of its cargo and into The 31st of January 1782.
Dutch transcription
Den 21: December 1781. dra de voorschreven vloot of eenig ander verdagt. schip in het gezigt komt, onder commando van een Vaandrig derwaarts te detacheeren agt en veertig Militairen, om over de meergemelde bark en sloepen verdeeld te worden. Den 21. December 1781. Bij nader onderzoek gebleken zijnde, dat de bij het ter secreete Resolutie van den 25. Augustus laast„ „leden geinsereerd Berigt van den E. Hoofdadministra„ „teur Werndlij c: s. als noodzaakelijk voorgedragen door „graavingen aan de Noordzijde van de Stad omtrent de hoe of buffels-kraal en den weg naar Geerenstein niet gemaakt konden worden, zonder eene exorbi„ „tante somme gelds daar aan ten koste te leggen, nadien de grond aldaar ten eenemaale uit Land en losse aarde bevonden was te bestaan, en dus niet alleen, de oevers dier doorgraavingen direct zouden instorten; bij aldien om zulks te verhoeden geene beschoeijingen van paalen met planken agter dezelven gemaakt wierden, maar ook de aarde tot de borstweeringen aan de zijde van de Stad met zwaare kosten van elders zoude moeten worden aangevoerd, dog dat daarentegen aan het eind van het Lazarusveld omtrent de wooning van den Moor Kisna, en af en aan de Tranqueraspoort, de grond tot het voorschreven werk zeer goed, de distantie van de plaats, daar de doorgraaving zou„ „de kunnen geschieden, de helfte korter, en de situatie van het terrein zelf ook, daar toe veel geschikter was: zoo is goedgevonden en verstaan de eerstgemelde doorgraavingen te excuseeren, en daar„ „entegen op het eind van het Lazarusveld bij het huis van den Moor Kisna eene dusdanige door„ „snijding ter lengte van vijf en zestig roeden te laa„ „ten maaken, voorzien met eene borstweering en twee halve maanen, van welke de vlakte ag„ „ter het gemelde Lazarusveld kan bestreeken worden, mitsgaders de gragt van de Stadslinie tot in zee te laaten trekken met eene doorgraaving van vijf en dertig roeden; daar een valbrug over leggende, de steenen muur, die tusschen de Linie en de Tran„ „queraspoort staat tot de hoogte van eene bekwaame borstweering te laaten afbreeken, tusschen de gemelde „halve poort en het eerste „ bastion van de Linie eene baet„ „tion van drie flanquen en zes kanons te laaten opwerpen, en beide de halve bastious van de Linie, indien het maar immers mogelijk zij, zoodanig ophoogen, dat men van dezelven zoo wel als van de ge„ „melde batterij, en het bolwerk aan de poort van Tranquera, de toegangen kan defendeeren, langs de welken de vijand aan de Noordzijde de stad zoude kunnen naderen. Malacca in het Casteel dato voorschreven. (was gete„ „kend), G. P. de Bruijn, A. A. Werndlij, J. N: Heusel, A. s Couperus, F. Thierens en R. B. Hijnck van Papendrecht Donderdag den 31. Januari 1782 S Voormiddags Vergadering van Politie. Allen present. geschikter De Den 31. Januari 1782. De Heer Gouverneur heeft aan de Vergadering ge„ „communiceerd, Dat zijn Ed. door een naar Riouw gezonden Ex„ „presse gisteren avond berigt gekregen hadt, dat de bij Gemeene Resolutie van den 29. hujus gemelde vier Engelsche particuliere schepen daar waren aangekomen, en de Capiteins van die kielen een klein in landsch vaartuig met drie Engelschen herwaarts gezonden hadden om de reede te bespieden, mitsgaders dat zij van den Regent, Radja Hadjie verzogt en verkregen hadden permissie om in zijne haven te blijven leggen, indien zij tijding mogten erlangen, dat hier meer schepen waren, dan het Fransche schip la. S. Therese; zoo mede dat behal„ „ven die vier schepen nog een aldaar gevonden wierdt, het welk met amfioen beladen was. Dat de Capitein der Burgerije Abraham de Wind zijn Ed. vervolgens hadt overhandigd een brief, door den in dienst van Radja Hadjie zijnde Maleijer ntje Camies geschreven aan den Ientief Sembrang Baitinade Poele; welks Translaat bij lecture bevon„ „den wierdt niet alleen het voorschreven berigt te bevesti„ „gen, maar ook onder anderen te behelzen, dat Capitein Mackelerij in straat Lima tot den laasten Ianuari zoude wagten op het van Iapan Komend schip, en dan het zelve gaan opzoeken. Dat zijn Ed: derhalven den Capitein van het gemelde Fransche Schip la S. Therese, Mathuriie Bar„ „baron, over de depeche van het schip „ nader geraad„ „pleegd hebbende, deeze ronduit verklaard hadt, dat hij wegens de ongemanierdheid van zijn en de zwakheid der equipage van Comps. schip zijn Ed. niet belooven kon het laaste te Lauveeren, indien al„ „le de gemelde vier schepen hun in straat Gouverneur mogten tegenkomen en het gevegt hervatten, vermits zij in de met hem gehad hebbende actie zeer wel gemanaufreerd hadden; dat het gevaar te grooter zou„ „de zijn, indien het vijfde schip, dat binnen de haa„ „ven van Riouw lag, en het Engelsch schip, dat op den 23. Januari in den nagt een Macauer voor deeze reede gepreid hadt en twee dagen laater door eenen anderen Macauer omtrent het eiland Klein Curdamom gezien was, zig bij hun voegen mogten; dat hij daarentegen, maar een of twee van de ge„ „melde Kielen ontmoetende, zoo zij zig in een geregt wilden engageeren, niet alleen voor het behoud van Comps. schip zorgen zoude, maar zig zelfs ook verze„ „keren durfde dat zij prijs zouden weezen. Waar op rijpelijk gedelibereerd, en in consideratie genomen zijnde, dat het niet minder zorgelijk is het schip Mars met zijne rijke laading hier op de reede aan te houden, dan hetzelve in deezen tijd naar Batavia te depecheeren, dewijl van de Engelschen het een schip voor en het andere na in deeze straat verschij„ „nen, en die van dezelven te kaap uitgerust zijn, ge„ „lijk dat van Capitein Mackelerij, somtijds onderstaan kunnen het voorschreven schip op de reede zelf te komen aanvanden, zonder dat men zulks met het geschut van de Fortresse of met dat van Comps. vaartuigen efficacieuselijk zoude kunnen heeren, daar die bodem in tegendeel van zijne laading gedechargeerd en in Den 31. Januari 1782. hij 49
English
having been brought into a defensible state, needs fear no two such ships as have shown themselves in this strait until now; on this basis as well as upon the assurance given by the Japanese servants to the Lord Governor that through the unloading of the ship Mars no shortage of bar copper will be caused at Batavia, since a sufficient supply of the same was still there for dispatch to the West of India, it was unanimously approved and resolved to have the ship Mars unloaded as speedily as possible, in order subsequently to send it in ballast to Batavia if it can then be done with less anxiety than now, but otherwise to equip it for war as well as is practically possible, in order to cruise against passing English hulls in the vicinity of this Fortress, until further orders from the Noble High Government of the Indies, together with the aforementioned ship of Cauw, the bark Geertruida Susanna, and the sloop Ciceroa. Malacca, in the Castle, on the date aforesaid. Signed: P. P. de Bruijn, A. A. Werndlij, J. N. Heusel, A. Couperus, F. Thierens, and R. B. Hoijnck van Papendrecht. 31 January 1782. F. Thierens, Secretary Agrees Copy of Secret Resolutions Taken in the Council of Policy of the City and Fortress of Malacca Since 15 April until 6 May 3 July 1782. No. 4. Secret. Council of Policy meeting. Friday, 15 April 1782, in the forenoon. Absent: The Senior Merchant Abrahamus Couperus, due to indisposition. The Lord Governor presented to the Assembly the translation of the letter from the Regent at Riouw, Radja Hadjie, brought by his envoys who arrived here on the 6th of this month, the Panglima Tholozan and Intje Camees; and after its reading, he communicated that His Honour, having entered into a conference with them, had sought to obtain from them a full explanation of the obscure and speculative content of the said letter, but in vain, as they declared that they had received no instructions or orders regarding it; That His Honour nevertheless understood from them the wrath of their Sovereign over the capture of the ship Betseij within his harbour, and that he had ordered them to request His Honour that this matter might be settled according to equity, intending thereby, as they made known in an intricate manner, the assignment to His Highness of some share in the value of the said prize ship; That His Honour then asked them whether, prior to the taking of this ship, such messages had not been sent on behalf of and to His Highness as Captain Barbaron—who, contrary to the request made to him and the explicit order to the Company's cruisers not to attack the enemy in the harbour of Riouw, had done so—had stated in his defense in his report submitted at the session of 19 March last; That they thereupon answered with great surprise that they were ignorant of such messages, but on the contrary were certain that the Prince had forbidden his subjects, who were on the point of overrunning the French ship, from doing so solely out of respect for the Company, because two Company vessels, namely the bark Geertruida Susanna and the sloop Ciceroa, had followed the French ship; furthermore relating, as had already been learned from others, that a few days before that event, the letter sent to His Highness from the Governor and Council dated 29 January last, whereby notice was given to him of the breach of peace with England, was read in a solemn public assembly, and upon being asked by the Prince whom the people of Riouw now wished to assist, the Company or the English, they had unanimously answered that they wished to remain on the side of the Company as their oldest ally, if the Prince was not opposed thereto, but that the latter thereupon affirmed that he was likewise inclined to observe the treaty existing with the Company. And taking into consideration therewith that the friendship of the said Prince could be of great use in these times, but his hostility, on the contrary, of harmful consequence to this Colony, it was therefore approved and resolved: 1) To request the Noble High Government of the Indies to magnanimously reciprocate the Prince's demonstrated goodwill and respect for the Company according to their supreme wisdom and prudence. 2) To send the Bookkeeper Iacob Rappa, together with two prominent Malays, named Lebi Mochit and Achmat, as Company Envoys to Riouw: (a) To make known to His Highness that the capture of the English ship la Betseij in his harbour occurred contrary to the intention of the Governor and Council here, and how the Captain of the French ship la Ste. Therese has justified himself in that regard; (b) To make His Highness understand that one must be satisfied with that justification, since this Captain is not a subject of the Dutch East India Company; (c) To justify the conduct of the Commanders of the Company's cruisers, who entered the harbour of Riouw shortly after the said French ship and only sent men aboard the English ship la Betseij after the striking of its flag; (d) To His Highness
Dutch transcription
een weerbaaren staat, gebragt zijnde, voor geen twee zulke schepen; als tot nu toe zig in deeze straat hebben laaten zien, behoeft te vreezen; is op dit fuudament zoo wel, als op de door de Iapansche Bedienden aan den Heer Gouverneur gedaane verzekering, dat door de ontlaading van het schip Mars geen gebrek aan staafkoper te Batavia zal worden verwekt, dewijl van hetzelve nog een genoegzaame voorraad daar was ter verzendinge naar de Wist van Indie, eenpaariglijk goedgevonden en verstaan het schip Mars ten aller„ „spoedigsten te doen ontladen, ten einde hem vervol„ „gens, indien het dan met minder bekommering als nu geschieden kan, ballastscheeps naar Batavia te zenden, dog anders zoo goed immers doenlijk ten oorloge te equipeeren, om met het meergemelde Kau„ sche schip, de bark de Geertruida Susanna, en sloep de Ciceroa, in de nabijheid deezer Vesting, tot de nadere ordre der Edele Hooge Indische Regee„ „ring, te Kruissen op de passeerende Engelsche Kielen: Malacca in het Casteel dato voorschreven. (was ge„ „tekend) P. P. de Bruijn, A. A. Werndlij, J. N. Heusel, A. Couperus, F. Thierens en R. B. Hoijnck van Papendrecht. - Den 31. Januari 1782. F Thieren Scart Accordeert Copie Secreete Resolutien Genomen in Raade van Politie der Stad en Fortresse Malacca Sedert den 15. April tot den 6. Mai 3: Juli: 1782 N:o. 4. Z. Secreet Vergadering van Politie G Vrijdag den 15. April 1742 'NVoormiddags E. Absent Den H. Koopman Abrahamus Couperus, door indispositie. De Heer Gouverneur heeft ter Vergaderinge geproduceerd het Translaat des briefs van den Regent te Riouw Rad„ „ja Hadjie; aangebragt door zijne op den 6. deezer hier gearriveerde zendelingen; den Panglima Tholozan en Intje Camees, en na dies lecture gecommuniceerd, dat zijn Ed:, met hun in conferentie getreden zijnde, getragt hadt van hun te erlangen eene volledige ex„ „plicatie van den duisteren en speculativen inhoud des gemelden briefs, dog vrugteloos, dewijl zij ver„ „klaarden geene instructien of ordres daar omtrent ontvangen te hebben; Dat zijn Ed. nogtans van hun verstaan hadt de vergramdheid van hunnen Vorst over het neemen binnen zijne haven van het schip Betseij, en dat hij hun gelast hadt zijn Ed. te verzoeken, dat in deeze zaak naar de billijkheid gedisponeerd mogte worden, daar mede bedoelende, zoo als zij het op eene ingewikkelde wijze te kennen gaven, de toelegging aan zijne Hoogheid van eenig deel in de waarde g van het gemelde prijsschip; Dat zijn Ed. hun toen gevraagd hadt, of dan voor het neemen van dit schip niet zoodanige boodschappen van wegen en aan zijne Hoogheid ge„ „daan waren, als Capitein Barbaron, die tegen het aan hem gedaan verzoek, en het uitdrukkelijk bevel F 31 53 bevel aan Comps. kruissers, om den vijand in de haven van Riouw niet te gaan aantasten, zulks gedaan hebbende, ter zijner verontschuldiging dientwegen had gemeld bij zijn ter sessie van den 19. Maart laastleden ingediend Relaas Dat zij daar op zeer verwonderd geantwoord had„ „den van diergelijke boodschappen onkundig, dog in tegendeel verzekerd te weezen; dat de Vorst aan zijne onderdaanen, die op het punt stonden van het Fransche schip af te loopen, zulks eenig„ „lijk verboden hadt uit agting voor de Compag„ „nie, dewijl twee Comps. vaartuigen (naamelijk de bark de Geertruida Susanna en sloep de Ciceroa / het Fransche schip gevolgd waren, ver„ „haalende voorts, (zoo als men bereeds van anderen ook vernomen hadt,) dat eenige dagen voor dat geval den aan zijne Hoogheid afgezonden brief van den Gouverneur en Raad in date 29. Ianuari laastleden; waar bij hem kennis gegeven wierdt van de vredebreuk met Engeland, in eene perleg„ „tige volks-vergadering gelezen, en door den Vorst gevraagd zijnde, wien de Riouwers nu willen bij„ „staan, de Compagnie of de Engelschen: zij een„ „paariglijk geantwoord hadden, dat zij aan de zijde van de Compagnie als hunnen oudsten Bondgenoot blijven wilden, indien de Vorst, daar niet tegen was, dog dat deeze daar op betuigd hadt mede gezind te zijn om het met de Compagnie subsisteerende verbond na te komen. En daar op met zijn Ed. in consideratie genomen zijnde, dat de Vriendschap van den gemelden Prins in deezen tijd van veel nuts, dog zijne vijandschap daarentegen van schadelijke gevolgen voor deeze Colonie zoude kunnen weezen, is derhalven goed„ „gevonden en verstaan, 1) De Edele Hooge Indische Regeering te verzoe„ „ken, om 's vorsten betoonde goedwilligheid en ag„ „ting voor de Compagnie naar hoogderzelver wijsheid en prudentie edelmoediglijk te willen reciproqueeren. 2) Den Boekhouder Iacob Rappa, benevens twee voornaame Maleijers, met naame Lebi Mochit en Achmat, als Comps. Gezanten naar Riouw te zenden, (a) om zijne Hoogheid te kennen te geeven, dat het neemen van het Engelsche schip la Betseij in zijne saven tegen de intentie van den Gouverneur en Raad alhier geschied is, en hoe de Capitein van het Fransche schip la s. Therese zig dientwegen verantwoord heeft; ( Om zijne Hoogheid te doen begrijpen, dat men zig met die verantwoording vergenoegen moet, E nademaal deeze Capitein geen onderdaan is van de Nederlandsche Oostindische Compagnie; Om het gedrag der Gezaghebbers van Comps. kruisvaartuigen, die kort na het gemelde Tran„ „sche schip mede in de haven van Riouw gekomen zijn, en eerst na het strijken der vlagge van het Engelsche schip la Betseij volk daar op gezon„ „den hebben, te regtvaardigen; E Om zijne Hoogheid F
English
to thank His Highness for the respect shown to the Dutch flag; to instruct His Highness how he must explain himself to the English, should they call him to account concerning the permitted seizure of their aforementioned ship; and to ask His Highness whether he will remain neutral during the war between the English and the Dutch, or whether he would be willing to help the Company against the English, should this be necessary. 3) To reply to the Prince's letter in friendly and obliging terms and to make known to him that his request to decide equitably in the matter of the capture of la Betseij will be submitted to the Noble High Government of the Indies. 4) To purchase one piece of gold allegias, which is worth 125. –. rds., and to send it as a gift to Radja Hadjie, together with ten pounds of assorted spices and a fine silver coffee pot which the Governor offered to add thereto. 5) Since, for the speedy satisfaction of His Highness and in order to win him over strongly to the Company's interest, it was especially required to have recourse to a means that could exert a more powerful influence on His Highness's mind than the most polite compliments or appeals to the old alliance, to give special instructions to the said Bookkeeper Rappa that, if during the conversation with that Prince he should clearly perceive that he means well with the Company and is not disposed to show any friendship to the English to the detriment of the Company, he should ask His Highness in secret whether His Highness would permit Company ships and lesser vessels to come attack and capture the English ships lying in his harbor; yet, if His Highness is not inclined thereto, whether His Highness would not at least, whenever Company ships arrive outside Riouw at a time when any English ship or lesser vessel is lying inside the harbor, compel the same to sail outside, so that Company ships could then attack it outside and make prize of it; under the promise that the Company, in either of these cases, will give one-third of the prizes thus made through the Prince's permission or cooperation to His Highness in acknowledgment of his faithful assistance; and, upon finding that the Prince favors this proposal to thank His Highness for the respect shown to the Dutch flag; to instruct His Highness how he must explain himself to the English, should they call him to account concerning the permitted seizure of their aforementioned ship; and to ask His Highness whether he will remain neutral during the war between the English and the Dutch, or whether he would be willing to help the Company against the English, should this be necessary. 3) To reply to the Prince's letter in friendly and obliging terms and to make known to him that his request to decide equitably in the matter of the capture of la Betseij will be submitted to the Noble High Government of the Indies. 4) To purchase one piece of gold allegias, which is worth 125. –. rds., and to send it as a gift to Radja Hadjie, together with ten pounds of assorted spices and a fine silver coffee pot which the Governor offered to add thereto. 5) Since, for the speedy satisfaction of His Highness and in order to win him over to the Company's interest, it was especially required to have recourse to a means that could exert a more powerful influence on His Highness's mind than the most polite compliments or appeals to the old alliance, to give special instructions to the said Bookkeeper Rappa that, if during the conversation with that Prince he should clearly perceive that he means well with the Company and is not disposed to show any friendship to the English to the detriment of the Company, he should ask His Highness in secret whether His Highness would permit Company ships and lesser vessels to come attack and capture the English ships lying in his harbor; yet, if His Highness is not inclined thereto, whether His Highness would not at least, whenever Company ships arrive outside Riouw at a time when any English ship or lesser vessel is lying inside the harbor, compel the same to sail outside, so that Company ships could then attack it outside and make prize of it; under the promise that the Company, in either of these cases, will give one-third of the prizes thus made through the Prince's permission or cooperation to His Highness in acknowledgment of his faithful assistance; and, upon finding that the Prince favors this proposal
Dutch transcription
35 Hoogheid te bedanken voor de bewezen agting aan de Hollandsche vlag; e om zijne Hoogheid te onderrigten hoe zij zig aan de Engelschen verklaa„ „ren moet, wanneer zij hem wegens de toegelaten wegneeming van hun gemeld schip mogten aan„ „spreeken; en (f Om zijne Hoogheid af te naa„ - „gen, of hij geduurende den oorlog tusschen de Engelschen en Nederlanders onzijdig blijven, dan of bij de Compagnie tegen de Engelschen zouden willen helpen, wanneer zulks mogte noodig wee„ 3) 's Vorsten brief in vriendelijke en verpligtende bewoordingen te beantwoorden en hem bekend te maaken, dat men zijn verzoek, om in de zaak van het neemen van la Betseij naar de billijkheid te disponeeren, aan de Edele Hoo„ „ge Indische Regeering zal voordragen. 4 Een ps. gouden allegias, die 125. –. rds. waar„ „dig is, in te koopen, en met zien ponden spece„ „rijen in soort, en een fraaije zilveren koffi„ „kan die de Heer Gouverneur aanboodt daar bij te voegen, aan Radja Hadjie tot een ge„ „schenk te worden toegezonden. 5 Nadien tot eene spoedige bevreediging van zijne Hoogheid, en om stemk in Comps: belang over te haalen, vooral vereischt wierdt recours te neemen tot een middel, dat van kragtiger influentie op het gemoed van zijne Hoogheid zoude kunnen weezen, „zen. dan de beleefdtste pligtpleegingen, of beroepingen op het oude Boudgenootschap, den gemelden Boekhouder Rappa in het bijzonder last te geeven, om, wanneer hij in het gesprek mets dien Vorst duidelijk bespeuren mogte; dat Hij het wel met de Compagnie meent, en niet gezind is aan de Engelschen eenige vriendschap te bewijzen ten nadeele van de Compagnie zijner Hoogheid in secretesse te vraagen, of zijne Hoog„ „heid zoude willen gedoogen, dat Comp.s Schepen en mindere vaartuigen de Engelsche sche„ „pen, die in zijne haven leggen, komen attaquee„ „ren en neemen! dog, indien zijne Hoogheid daar niet toe genegen is, of zijne Hoogheid niet ten minsten., wanneer Comps. Schepen buiten Riouw komen in een tijd dat eenig Engelsch schip of minder vaartuig binnen de haven legt, het„ „zelve zoude willen noodzaaken om naar bui„ „ten te zeilen, op dat Comps. schepen hetzelve dan buiten zouden kunnen aantasten en prijs maaken. ? onder toezegging dat de Compagnie in het eene of andere van die gevallen een derde deel van de prijzen, welke dus door 's Vorsten toelaating of medewerking gemaakt worden, aan zijne Hoogheid zal geeven in erkentenisse van zijnen getrouwen bijstand; En, bij bevinding dat de Vorst zig deezen voor dan „slag 33 Hoogheid te bedanken voor de bewezen agting aan de Hollandsche vlag; ee om zijne Hoogh te onderrigten hoe zij zig aan de Engelschen verk „ren moet, wanneer zij hem wegens de toegelate wegneeming van hun gemeld schip mogten a „spreeken; en (f) Om zijne Hoogheid af te vi e „gen, of hij geduurende den oorlog tusschen d Engelschen en Nederlanders onzijdig blijven, of bij de Compagnie tegen de Engelschen zoud willen helpen, wanneer zulks mogte noodig w „zen. 3) 's Vorsten brief in vriendelijke en verpligte bewoordingen te beantwoorden en hem beke te maaken, dat men zijn verzoek, om n zaak van het neemen van la Betseij na de billijkheid te disponeeren, aan de Edele „ge Indische Regeering zal voordragen. 4) Een ps. gouden allegias, die 125. –. rds. n „dig is, in te koopen, en met zien ponden sp „rijen in soort, en een fraaije zilveren kor„ „kan die de Heer Gouverneur aanboodt de bij te voegen, aan Radja Hadjie tot een „schenk te worden toegezonden. 5 Nadien tot eene spoedige bevreediging zijne Hoogheid, en om stem in Comps: belan over te haalen, vooral vereischt wierd recours te neemen tot een middel, dat r kragtiger influentie op het gemoed va„ zijne Hoogheid zoude kunnen weezen dan de beleefdtste pligtpleegingen, of beroepingen op het oude Bondgenootschap, den gemelden Boekhouder Rappa in het bijzonder last te geeven, om; wanneer hij in het gesprek mets dien Vorst duidelijk bespeuren mogte; dat Hij het wel met de Compagnie meent, en niet gezind is aan de Engelschen eenige vriendschap te bewijzen ten nadeele van de Compagnie zijner Hoogheid in Secretesse te vraagen, of zijne Hoog„ „heid zoude willen gedoogen, dat Comp. s Schepen en mindere vaartuigen de Engelsche sche„ „pen, die in zijne haven leggen, komen attaquee„ „ren en neemen! dog, indien zijne Hoogheid daar niet toe genegen is, of zijne Hoogheid niet ten minsten., wanneer Comps. Schepen buiten Riouw komen in een tijd dat eenig Engelsch schip of minder vaartuig binnen de haven legt, het„ „zelve zoude willen noodzaaken om naar bui„ „ten te zeilen, op dat Comps. schepen hetzelve dan buiten zouden kunnen aantasten en prijs maaken. ? onder toezegging dat de Compagnie in het eene of andere van die gevallen een derde deel van de prijzen, welke dus door 's Vorsten toelaating of medewerking gemaakt worden, aan zijne Hoogheid zal geeven in erkentenisse van zijnen getrouwen bijstand; En, bij bevinding dat de Vorst zig deezen voor dan „slag
English
54 to accept the proposal, to request His Highness to send hither one or two of his most trusted ministers, provided with proper credentials, in order to conclude on that account a written contract with the Company in his name. On this occasion, having spoken about the impossibility of hiring native vessels here for the conveyance of letters to Batavia, because none of the inhabitants wish to undertake a voyage thither with a small vessel out of fear of the pirates roaming in this Strait, as such vessels cannot be armed against them, it was, upon the Governor's proposition, and considering that most of the pirates are Bugis who will leave their own nation unmolested when meeting at sea, approved and agreed to have the said envoys to Riouw inquire whether one might not obtain from there, as often as needed, a small vessel capable of making the voyage to Batavia to convey the Company's letters thither for a reasonable payment; and, if so, what one would have to pay for each voyage to and back from Batavia. It was further proposed by the Lord Governor that yesterday there arrived here the Portuguese snow Nossa Sinhora da Esperanca e Dores; that His Honour had understood from the captain of that vessel, Ioseph Rodrigos Sonsalvos, that the two ships which, together with the two English privateers mentioned in today's Ordinary Resolution, had appeared from the south on the 9th of this month, but had sailed past the roadstead from afar, were Macao vessels, which Captain Iohn Mackelerij had taken as prizes in the Strait of Bangka; that the captains of those ships were on the ship of the said Mackelerij and had related among other things to Captain Sonsalvos, when he met the said English ship near Cape Rachado and came on board, that the same privateer ship had fled from the Strait of Bangka upon sighting four Dutch ships; that His Honour could not think that those ships were destined for this place, but rather suited to cruise in the Strait of Bangka, and possibly sent out upon the report that the Noble High Indian Government will have received of the piracies being committed there, since otherwise they could have been here already; that His Honour was therefore intending to dispatch the sloop the Ciceroa thither as quickly as possible with a letter to the commander of those vessels, to suggest for his consideration whether he might not decide to steer hither in pursuit of the aforementioned two English privateers, and subsequently to convoy the ship Mars to Batavia; but at the same time to order the master of the said sloop, should he encounter no ships and find the opportunity favorable to sail on to Batavia, actually to undertake this. Thus it was approved and agreed to conform to His Honour's plan, and to make note thereof herewith. Lastly, a letter to the Regent at Riouw and the Instructions for the guidance of the envoys about to depart thither, the Bookkeeper Rappa and company, were read and approved. Malacca, in the Castle, on the date aforesaid; signed P. P. de Bruijn, A. A. Werndlij, G. A. Hensel, H. Couperus, F. Thierens, and R. B. Hoijnck van Papendrecht. Concerning the resolution taken at the session of the 15th of this month to have the ship Mars cruise not far from here if necessary, it having been taken into consideration that the same could not now be executed, since the Malays, as noted in the Ordinary Resolution of the 19th, were not inclined to serve at sea anymore, and one could not spare so many Europeans and Sepoys from the garrison without uncovering the Fortress as were required for the reinforcement of the said vessel; it was therefore, in the uncertainty of whether any naval force will be obtained soon enough from the Strait of Bangka or from Batavia, approved and agreed to have the ship Mars laden with all possible haste and dispatched to Batavia as soon as credible news shall have been received that the two English privateer ships Dadaloj and Death or Glory have sailed on towards Queda or further to the north. Malacca, in the Castle, on the date aforesaid; signed P. G. de Bruijn, A. A. Werndlij, I. A. Hensel, F. Thierens, and R. B. Hoijnck van Papendrecht. Monday the 22nd of April 1782, in the forenoon. Meeting of Policy. Absent: The Provisional Merchant Couperus, due to indisposition. Monday Tuesday H 53
Dutch transcription
54 „slag gevallen laat, zijne Hoogheid te verzoeken, dat Hij een of twee zijner vertrouwdste Mini„ „sters, met behoorlijke Geloofsbrieven voorzien, herwaarts zende, ten einde dientwegen in zijnen naam een schriftelijk Contract met de Compagnie te sluiten. Bij deeze gelegenheid gesprooken zijnde over de onmogelijkheid om hier inlandsche vaartuigen in te huuren, ten overbreng van brieven naar Batavia, dewijl niemand van de ingezetenen zig met een klein vaar„ „tuig derwaarts op reis begeeven wil uit bedug„ „ting voor de in deeze Straat zwervende Zee„ „bovers, daar zulke vaartuigen niet tegen gewapend kunnen worden, is op 's Gouverneurs propositie, en gemerkt de meesten van de zeeroovers Boegineeschen zijn, die hunne eigen natie bij ontmoeting in zee wel ongemoeid zullen laaten, goedgevonden en verstaan door de gemelde Tekanten op Riouw te laaten vernee„ „men, of men van daar niet, zoo dikwils men het noodig heeft, een klein vaartuig zoude kun„ „nen krijgen, dat in staat is tot de reize naar Batavia, om voor eene raisonnable betaaling Comps. brieven derwaarts over te brengen? En, indien ja, wat men voor elke reize naar en van Batavia te rug zoude moe„ „ten betaalen. Door den Heer Gouverneur wijders voor„ „gesteld, weezende, dat gisteren hier gearriveerd was de Portugeesche Snauw Nossa: Sinhora da Esperanca e Dorres; dat zijn Ed: van den Capitein op dat bo„ „dempje Ioseph Rodrigos Sonsalvos verstaan hadt, dat de twee schepen, die met de bij Gemee„ „ne Resol. van heden vermelden twee Engelsche Kaapers op den 9. hujus uit de Zuid waren verschenen, dog de reede van verre voorbijge„ =zeild, Macauers waren; die Capitein Iohn: Mac„ „kelerij in de straat Banca hadt prijs gemaakt, dat de Capiteins van die schepen zig op het schip van gemelden Mackelerij bevonden, en aan Capitein Donsalvos, toen hij omtrent de Caap Ratjado het gemelde Engelsche schip ont„ „moet hadt en er aan boord gekomen was, ^ onder „anderen verhaald hadden, dat hetzelve Kaa„ „perschip de vlugt genomen hadt uit de straat Banca op het zien van vier Hollandsche schepen; dat zijn Ed. niet kon denken, dat die schepen naar her„ „waarts gedestineerd zouden zijn, maar wel geschikt om in de straat Banca te Kruis„ „len; en mogelijk uitgezonden op het berigt, dat de Edele Hooge Indische Re„ „geering zal. hebben erlangd van de rooverijen, die 'er gepleegd wierden, de„ „wijl zij anders al hier hadden kun„ „gesteld „nen „nen weezen; dat zijn Ed. derhalven ge„ „intentioneerd was de sloep de Ciceroa, zoo spoedig immers mogelijk, naar derwaarts te depecheeren met een brief aan den Com„ „mandant dier kielen, om hem in bedenking te geeven, of hij niet kon besluiten her„ „waarts te stevenen, ter najaaging van de voorschreven twee Engelsche Kaapers, en convoijeering vervolgens naar Ba„ „tavia van het schip Mars. t dog. den Gezaghebber van de gemelde sloep teffens te gelasten, wanneer hij geene schepen ontmoeten en de gelegenheid gunstig bevinden mogte om naar Batavia voort te zeilen, dit wer„ „kelijk te onderneemen: zoo is goedgevonden en verstaan zig met zijn Ed: project te con„ „formeeren, en daar van bij deezen notitie te houden. Laastelijk zijn gelezen en geapprobeerd een brief aan den Regent op Riouw, en de In„ „structie tot narigt van de naar derwaarts te vertrekken staande Tezanten den Boekhou„ „der Rappa c. S. Malacca in het Casteel dato voorschreven; (getekend) P. P. de Bruijn, A: A. Wernelij, G. A. Heusel, H. Coupe„ „rus, F:s Thierens, en R: B. Hoijnck van Papen„ „drecht. — Belangende het ter sessie van den 15. hujus genomen besluit, om het schip Mars desnoods niet verre van hier te laaten kruissen, in aanmerking gekomen zijnde, dat hetzelve nu niet kon worden geëxecu„ „teerd, nademaal de Maleijers, gelijk bij Gemeene Re„ „solutie van den 19. daar aan is aangetekend, niet gene„ „gen waren om meer op zee te dienen, en men zon„ „der de Fortresse te ontblooten zoo veel Europeers en Si„ „pais uit het garnisoen niet kon missen, als tot renfort van den gemelden bodem vereischt wierden: zoo is in de onzekerheid, of men wel spoedig genoeg eenige scheepsmagt uit de straat Banca of van Batavia erlangen zal, goedgevonden en verstaan het schip Mars met alle mogelijke haast te doen belaaden, en naar Batavia te depecheeren, zoo dia men geloofbaare tijding zal hebben ontvangen, dat de twee Engelsche kaaperschepen Dadaloij en Death or Glorij naar Queda of verder om de Noord zijn voortgestevend. Malacca in het Casteel dato voorschreve (Getekend) P. G. de Bruijn, A. A. Werndlij, I. A. s F. Thierens, en R. B. Hoijnck Hensel, van Papendrecht. Maandag den 22. April 1782 's Voormiddags Vergadering van Politie Absent Den Pl. Koopman Couperus, door indispositie Maandag Dingsdag H 53
English
61 Tuesday the 30th of April 1782 In the forenoon Meeting of Police All present. The Governor having made known to the Meeting that His Honour had received news yesterday that five ships were present off the Strait of Calang, which must be determined to be the two English privateers mentioned in the secret Resolution of the 22nd of this month, with their two prizes, and some English ship or other having arrived in this strait from elsewhere and having joined them; that it could easily happen that they would come hither to make a further attempt to overpower the ship Mars, and His Honour therefore, for the preservation and safety of that vessel, deemed it advisable to send the same away from the roads speedily; that, although the Malay soldiers in general had declared not to be inclined to serve at sea any longer, His Honour nevertheless, after the discovery that the fear of having to depart for Batavia was possibly the cause thereof, having had the groundlessness of that fear and the unreasonableness of their refusal to let themselves be employed at this time wherever they might be required presented to their people by the Captains of the five Companies, this had been of such effect that two Sergeants, two Corporals, and twenty-four Privates had willingly offered themselves to go to sea again; that, since it would only be for a short time anyway, His Honour made no objection to adding thereto from the Garrison fourteen Europeans and thirteen Sepoys; that for the same reason the crew of the ship Mars, consisting (exclusive of the Superior and Deck Officers) of eighty-two heads, could also be augmented with twenty European and fifty Chinese seafarers from the Company's vessels lying in the roads, together with one Bombardier and six Gunners; that His Honour believed that vessel with so many men would be sufficiently capable of courageously resisting hostile assaults: thus it has been approved and agreed to let the ship Mars, manned according to the proposal of His Honour, the soldiers under the command of the Acting Ensign Godhart Diedenhoven, depart this very evening to the south, and to order the Skipper Hermanus Liedenburg by Instruction, after having convoyed as far as shall be necessary the lighter de Windhond, on which is a letter from the Honourable High Indies Government for Rear Admiral Ian Diederik Schrijver, which is about to be dispatched therewith to the Strait of Sincapoera to seek out the Company's warships under His Honour's flag, subsequently to proceed through the Strait of Drioens up to or beyond the Calantigas, in order to [illegible] the said ships, and if
Dutch transcription
61 Dingsdag den 30: April 1782 's Voormiddags V Vergadering van Politie Allen present. Door den Heer Gouverneur aan de Vergadering te ken„ „nen gegeven zijnde, dat zijn Ed: gisteren tijding gekregen hadt, dat zig voor de straat Calang vijf schepen bevonden, die men moeste vaststellen de bij secreete Resolutie van den 22. hujus opgenoemde twee Engelsche kaapers, met hunne twee prijzen, en het een of ander van elders in deeze straat gearriveer„ „de en zig bij hun gevoegd hebbende Engelsche schip te weezen; dat het ligtelijk gebeuren kon, dat zij herwaarts kwamen; om eene nadere pooging te doen ter overmeesteringe van het schip Mars, en zijn Ed. derhalven tot behouden zekerheid van dien bodem raadzaam oordeelde denzelven spoedig van de reede te zenden; dat, schoon de Maleitsche Mi„„ „litairen in het generaal verklaard hadden niet genegen te zijn om langer op zee te dienen, zijn Ed. nogtans, na de ontdekking dat de vrees van naar Batavia te zullen moeten vertrekken daar van mogelijk de oorzaak was, de ongegrond„ „heid dier vreeze, en de onredelijkheid hunner weige„ „ringe om zig in deezen tijd te laaten emploijeeren daar zij vereischt mogten worden, door de Capia„ „tans van de vijf Compagnien aan hun volk hebbende laaten voorstellen, zulks van dat effect was geweest; dat twee Sergeanten, twee corporaals, en vier en twintig Gemeenen zig bereidwillig hadden aangeboden om weder naar zee te gaan; dat, vermits het tog maar voor een korten tijd zoude e zijn, zijn Ed. geene zwaarigheid maakte om 'er uit het Garnisoen bij te voegen veertien Europeers en dertien Sipais; dat om dezelfde reden ook de Equipage van het schip Mars, bestaande (bui„ „ten de Opper-en Deks-officieren) in twee en tagtig. koppen, geaugmenteerd kon worden met twintig Europesche en vijftig Chineesche zeevaarenden van de ter reede leggende Comps. vaartuigen benevens een Bombardier en zes Busschieters; dat zijn 6 Ed. vermeende dien bodem met zoo veel manschappen genoegzaam in staat te zullen zijn, om vijan„ „delijke aanrandingen kloekmoediglijk te resis„ „teeren: zoo is goedgevonden en verstaan het schip Mars, naar de propositie van zijn Ed. bemand, de Militairen onder het bevel van den Pl. Vaan„ „drig Godhart Diedenhoven,) heden avond zelfs naar de zuid te laaten vertrekken, en den schipper Her„ „manus Liedenburg bij Instructie te gelasten, om den ligter de Windhond, waar op een brief is van de Edele Hooge Indische Regeering voor den Heer Schout bij Nagt Ian Diederik Schrijver, die daar mede naar de straat Sincapoera staat te worden gedepecheerd, om Comps. oorlogs-schepen onder zijn Eds. vlagge op te zoeken, tot zoo verre het noodig zal weezen geconvoijeerd heb„ „bende vervolgens door de straat drioens voort te stevenen tot aan of buiten de Calantigas, ten einde de gemelde schepen, en indien 61 's Voormiddags V Vergadering van Politie Allen present. Dingsdag den 30. April 1742 Door den Heer Gouverneur aan de Vergadering te ken„ „nen gegeven zijnde, dat zijn Ed: gisteren tijding gekregen hadt, dat zig voor de straat Calang vijf schepen bevonden, die men moeste vaststellen de bij secreete Resolutie van den 22. hujus opgenoemde twee Engelsche kaapers, met hunne twee prijzen, en het een of ander van elders in deeze straat gearriveer„ „de en zig bij hun gevoegd hebbende Engelsche schip te weezen; dat het ligtelijk gebeuren kon, dat zij herwaarts kwamen, om eene nadere proging te doen ter overmeesteringe van het schip Mars, en zijn Ed. derhalven tot behoud en zekerheid van dien bodem raadzaam oordeelde denzelven spoedig van de reede te zenden; dat, schoon de Maleitsche Mi„ „litairen in het generaal verklaard hadden niet genegen te zijn om langer op zee te dienen, zijn Ed. nogtans, na de ontdekking dat de vrees van naar Batavia te zullen moeten vertrekken daar van mogelijk de oorzaak was, de ongegrond„ „heid dier vreeze, en de onredelijkheid hunner weige„ „ringe om zig in deezen tijd te laaten emploijeeren daar zij vereischt mogten worden, door de Capi„ „tens van de vijf Compagnien aan hun volk hebbende laaten voorstellen, zulks van dat effect was geweest; dat twee Sergeanten, twee corporaals, en vier en twintig Gemeenen zig bereidwillig hadden aangeboden om weder naar zee te gaan; dat, vermits het tog maar voor een korten tijd zoude zijn, zijn Ed. geene zwaarigheid maakte om 'er uit het Garnisoen bij te voegen veertien Europeers en dertien Sipais; dat om dezelfde reden ook de Equipage van het schip Mars, bestaande (bui„ „ten de Opper-en Deks-officieren) in twee en tagtig. koppen, geaugmenteerd kon worden met twintig Europesche en vijftig Chineesche zeevaarenden van de ter reede leggende Comps. vaartuigen benevens een Bombardier en zes Busschieters; dat zijn Ed. vermeende dien bodem met zoo veel manschappen genoegzaam in staat te zullen zijn, om vijan„ „delijke aanrandingen kloekmoediglijk te resis„ „teeren: zoo is goedgevonden en verstaan het schip Mars, naar de propositie van zijn Ed. bemand, de Militairen onder het bevel van den Pl. taan„ „drig Godhart Diedenhoven,) heden avond zelfs naar de zuid te laaten vertrekken, en den schipper Her„ „manus Liedenburg bij Instructie te gelasten, om den ligter de Windhond, waar op een brief is van de Edele Hooge Indische Regeering voor den Heer Schout bij Nagt Ian Diederik Schrijver, die daar mede naar de straat Sincapoera staat te worden gedepecheerd, om Comps. oorlogs-schepen onder zijn Eds. vlagge op te zoeken, tot zoo verre het noodig zal weezen geconvoijeerd heb„ „bende vervolgens door de straat drioens voort te stevenen tot aan of buiten de Calantigas, ten einde de gemelde schepen, en indien
English
if they should happen to be there or in the Banka Strait, to sail up, and upon encountering them, to deliver to Rear Admiral Schrijver the duplicate of the letter written to his Honour by the Governor with the aforementioned lighter De Windhond, and if his Honour sees fit to come hither, to return under his Honour's flag; however, if not encountering the said ships, or learning after encountering them that Rear Admiral Schrijver cannot decide to come hither, to return alone, as it will be known for certain in the meantime whether the aforementioned English privateers have proceeded to Queda or further north. Lastly, the instructions for the master of the ship Mars, Siedenburg, and Acting Ensign Diedenhoven were resumed and approved. Malacca, in the Castle, on the date aforementioned. (Signed) P. G. de Bruijn, A. A. Werndlij, I. A. Hensel, A. S. Couperus, F. Thierens, and R. B. Hoijnck van Papendrecht. Monday, the 6th of May 1782 In the forenoon Council of Policy. All present. The Governor presented to the meeting an address from the Receiver and License Master Hoijnck van Papendrecht, the same being of the following content: To the Right Honourable Pieter Gerardus de Bruijn, Governor and Director of this city and fortress, as well as the Honourable Members of the Council of this place. We find ourselves at present in such critical circumstances that a well-meaning, truly patriotic resident cannot spare a single moment in doing everything possible and devising whatever may serve in any way for our preservation and the destruction of the enemy. Thus, it is hoped that the humble undersigned will not have his zeal, devotion, and courage, which he demonstrates in his following proposals, interpreted unfavourably by Your Right Honourable and Honourable Sirs. It is not unknown to Your Right Honourable and Honourable Sirs how all the rumours, all too many of which merit belief, must make us fearful of an attack on this place. It is no less known to Your Right Honourable and Honourable Sirs that the pirate Macklerij, who still roams in our vicinity and will continue to roam for a long time, as he dares not return to Bengal or China, possesses enough mad rashness to attempt such an enterprise with the ships already with him and those he might still expect. Although the undersigned firmly maintains that in such an event Macklerij's force would not be capable of conquering us, this nevertheless does not alter the fact that he would be quite capable of causing us great damage and hindrance, indeed even of keeping us blockaded from the seaward side, on which we depend for our livelihood, until such time as one of our fleets might arrive to relieve us. The noble and honourable profession which the undersigned practiced in the Fatherland, up to the rank of Captain of the State Dragoons, a post which he may boast through his attestations to have held with honour, makes him bold enough to respectfully take the liberty of presenting to Your Right Honourable and Honourable Sirs a plan, according to which, if followed, we will not only be able easily to repel and beat off the dreaded pirate Macklerij, or any other force not too vastly superior, but even to ruin them, if not overcome them entirely. As it is considered a great mistake in the art of war to deem one's enemy too weak, the undersigned, in order not to sin against this rule, will first determine the force of Macklerij, which is sufficiently known to us: Macklerij on his ship Dadalaij, mounting 38 cannon, namely 8 of 12 lbs, 20 of 8 lbs, 6 of 6 lbs on the quarterdeck, and four of the same caliber on the forecastle, manned with 200 men. Impressed Javanese, Malays, Chinese, Portuguese, Moors, estimated at 200. The frigate of Colonel Watson, 250. Another ship expected from Bengal, 200. Total: 850 men. Among this number, I estimate at most 400 Europeans, who moreover are composed of all nations, namely many French and Dutch, who, when they find the opportunity and see the advantage on our side, will likely desert. Such men Macklerij will also not dare leave on board to garrison the ships, for which he would need no fewer than 150 men, and thus he could undertake the landing with only 700 men. He would have to do this to his greatest advantage at Tranquera near the first battery, or right at the center of the town. For this, the undersigned gives the following reasons: Above the Lazaretto, Macklerij or an enemy of no greater force would not be able to pass, because that battery cannot easily be forced by so small a force. Even supposing that weak enemy succeeded in forcing it and compelled the garrison to retreat, the situation is so favourable for us that the undersigned undertakes to conduct that retreat without leaving a single piece of artillery behind; having withdrawn with that artillery and men to the next battery, we could easily dispute the enemy's further passage. That enemy would not be able to hold his position, for then he would first have to entrench himself, which, for lack of all the necessary materials and entrenching tools, would not be easy for him. Moreover, the enemy having approached along that route cannot transport anything heavier than 3 to 4-pounders, and even then the pieces must be carried. With that light caliber, none of our batteries can be breached, nor forced to retreat. It is absolutely impossible for the enemy to approach before the city unless formed in a large force in column and covered by heavy artillery. Macklerij or anyone of his strength will never seek this.
Dutch transcription
63 indien zij zig daar of in de straat Banca mogten bevinden, op te loopen, bij ontmoeting van dezelven aan den Heer Schout bij Nagt Schrijver te bestellen het duplicaat van den met den gemelden ligter de Windhond door den Heer Gouverneur aan zijn Ed. geschrevenen brief, en wanneer zijn Ed: goed„ „vindt herwaarts te komen, onder zijn Eds. vlagge te rug te keeren, dog, de gemelde schepen niet ontmoetende, of na derzelver ontmoeting ver„ „neemende, dat de Heer Schout bij Nagt schrij„ „ver niet besluiten kan dit heen te komen, al„ „leen te retourneeren, dewijl men intusschen wel zeker weeten zal, of de hier vooren gementio„ „neerde Engelsche kaapers naar Queda of verder om de Noord zijn voortgezeid. Laastelijk zijn geresumeerd en geapprobeerd de Instructien voor den schipper van het schip Mars, Siedenburg, en Pl. Vaandrig Diedenhoven. Malacca in het Casteel dato voorschreven (Getekend) P. G. de Bruijn; A. A. Werndlij, I. A. Hensel, A. s Couperus, F. Thierens, en R. B. Hoijnck van Papendrecht. Maandag den 6. Mai 1782 's Voormiddags Vergadering van Politie. Allen present Den Heer Gouverneur heeft ter Vergaderinge Verseeren wij tans in zulke critique omstandigheden, dat een welmeenenden opregt patriotische ingezete„ „nen, geen oogenblik kan afweezen, om alles aan te wenden, en uit te denken, wat eenigzins tot ons behoud, en distructie van den vijand kan dienen: zoo zullen verhoopt den nederigen tekenaar UwE. Gestr. en E. Agtb. niet ongunstig willen uitduiden den ijver, zugt en hart, dat hij in zijne te volgene voorstellingen betoond. Het is: UwE. Gestr. en E. Agtb. niet onbekend, hoe alle de gerugten, (waar van er maar al te veel geloof menteeren) ons bedugt moeten doen zijn voor eenen aanval op deeze plaats, het is uwE. Gestr. en E. Agtb: niet minder bewust dat den zeeroover Macklerij die nog in onze nabuur„ „schap zwerft (en nog lang zwerven zal, wijl hij niet na Bengalen of China durft retourneeren) dolle drift genoeg bezit om met de schepen, die reeds bij hem zijn, en die hij nog zoude kunnen verwagten, zulks te tenteeren; alhoewel den teeke„ „naar bij zijn zelve wel vast steld, dat in zulk een geval Macklerij's magt niet bestaanbaar zoude zijn om ons te veroveren; zoo neemt zulks egter niet weg, dat hij genoeg in staat geproduceerd een Adres van den Ontvanger en Li„ „centmeester Hoijnck van Papendrecht; zijnde hetzelve van den volgenden inhoud. Aan den Wel-Edelen Gestrengen Heer Pieter Gerardus de Bruijn, Gouverneur en Directeur van deeze stad en Fortresse, mitsgaders de E. E. Agtb. Raaden van deeze plaats. geproduceerd P zoude 67e zoude zijn, om ons groote schade en hinder toe te bren„ „gen, ja zelfs ons van den Zeekant (daar wij van leeven moeten/ geblocqueerd zoude kunnen houden, tot tijden wijlen een van onze vlooten ons kwam te ontzetten. Hot nabele en honorabele metier dat den teeke„ naar in het Vaderland heeft getracteerd, ende zulks tot den graad van Capitein der Dragonders van den staat, welke post hij door zijne Attestatien zig mag beroemen met eere bekleed te hebben maaken hem zoo vermeetel, van eerbiedig de vrijheid te neemen UwE. Gestr. en E. Agtb. een plan aan te bieden na hetwelke men zig gedraagende, den bedugten zeeroover Macklerij, ofte welke andere van geene al te groote overmagt, niet alleen gemakkelijk zullen kunnen afweeren en afslaan, maar hun zelfs ruineeren, zoo niet geheel vermeesteren. In de Krijgskunde het voor eene groote faut gerekend wordende, zijnen vijand te zwak te ag„ „ten, zoo zal den tekenaar om hier niet tegen te zondigen eerst de magt van Macklerij, die ons genoegzaam bekend is bepaalen. Macklerij op zijn schip Dadalaij van 38. –. kanons als 8. van 12. –. lb. 20. van 8. lb. 6 van 6. –. lb. op het half dek, en vier van hetzelfde caliber op de bak bemant niet -200 mannen gedwonge Iavaanen, Maleijers, Chi„ „neeschen portugeeschen Mooren, begroo„ „te op - - - 200. „ „ Het fregat van Coll. watson - - - 250. „ Een ander schip dat van Bengale verwagt wordt - - 200.— Total 850. mannen Onder dit getal stelle ten hoogsten 400. Europee„ „schen die nog van alle natien gecomposeerd zijn, in naamelijk veele Fransche en Hollanders, die wan„ neerse gelegenheid vinden, en het voordeel aan onze zijde zien, denkelijk zullen overloopen, die zulken durft Macklerij egter ook niet aan boord laaten om de schepen bezet te houden, waar toe hij niet minder dan 150 man zoude noodig hebben, ende dusmaar met 700 mannen zoude kunnen de landing onder„ „neemen; dit zoude hij tot zijne meeste avantagie moeten doen op Tranquera bij de eerste batterij, of, vlak op het midden van de stad, hier van geeft den tekenaar de volgende redenen; boven het Laza„ „rushuis zoude Macklerij of een vijand van geen groo„ „ter magt niet kunnen passeeren, om dat die bat„ „terij door eene zoo kleine magt niet ligtvaardig geforceerd kan worden, genomen die zwakke vijand gelukten het eens dezelve te forceeren, en noodzaak„ „ten de Bezettelingen om te retireeren, zoo is de Titua„ „tie zoo gunstig voor ons, dat den tekenaar die reti„ „rade wel aanneemt te doen zonder een stuk ag„ „ter te laaten met dat geschut en volk tot aan de naastvolgende batterij geweken zijnde, zouden men den vijand den verderen doortog gemakkelijk kunnen bedisputeeren; Post houden zoude dien vijand niet kunnen, want dan dienden hij zig eerst de ver„ „schanssen, hetgeen bij gebrek van alle de daar toe vereischte materiaalen en veld instrumenten hem niet gemakkelijk zoude zijn, daarenboven kan den vijand langs die weg genaderd zijnde, met zwaarder als 3 â 4 ponders niet zig vervoeren, en dan moeten de stukken nog gedragen worden, met dat ligte caliber kan geene van onze batterijen bres geschoten, nog tot retireeren genood„ „zaakt worden, het is absolut niet, dan net groote magt in colonne geformeerd, en door zwaare artillerij gedekt zijnde, dat den vijand tot voor de stad kan naderen, Mackleij of eenen van zijne sterkte zullen dit nooijt in zoeken,
English
6 to seek, we are not dealing with strangers, they know the way as well as we do ourselves. What success could he promise himself standing before the town with three- to four-pounders, having to endure the constant fire from the great new battery and the Tranquera bastion, besides the pieces standing in the flank; but rather if he attacked the town from the seaward side as it currently is, or at the first battery of Tranquera. The reasons moving the designer to this proposition are these: firstly, Macklerij is well aware that small pieces stand in that battery, and that with his 12-pounders he can utterly destroy it without a single one of our cannonballs being able to reach him, so he could easily land there, subsequently pass along the beach, and thus invade the town from the seaward side. The fire that the enemy would have to face from the bastion of Tranquera would be very slight, as are all fires through which one need only push straight across; if the enemy does not attempt it in this manner, he will attack directly at the center of the town, which he can easily breach with his twelve-pounders, and even more easily land his boats there to plunder and rob the town, and thus return aboard again. All of this can very well be prevented from that pirate, or others of his kind, in the following manner. Firstly, there must be mounted in the first battery of Tranquera the four twenty-four-pounders that stand uselessly on the Castle bastions; secondly, the piling already begun must be completed with all haste, at the expense of those who live there along the beach; thirdly, there must be mounted behind the premises of Messrs. Werndlij, Koek, and Claas de Wind small pieces of three to four pounds, which one could easily remove from the sloop lying in the river, as well as the pieces kept in the Castle belonging to a Portuguese; and three Company vessels and the Danish snow lying under the gallows island can at that place only be attacked by rowboats, which can be kept off if one divides all the men between the pantjallang and the bark, and positions them in such a way that they can cover the two unmanned vessels, and always keep the enemy between two fires; besides this, it would be very useful for a vessel to keep watch on the firewatch to the north at a suitable place where it can see the ships directly, in order to give notice thereof to the place by means of signals. This is the means to place oneself without expense, within the span of three days, into a tranquil state of defense against the force that we presently have to fear. The designer very humbly beseeches Your Right Honorable and Honorable Worships that his plan may be examined by more knowledgeable persons, and that he may be permitted to answer all the objections that they might raise against it; if one is then unable to refute the designer's plan, and Your Right Honorable and Honorable Worships nevertheless do not proceed to have it executed, the designer very submissively beseeches only the favor that note may be taken of this Memorial, so that it may serve at all times for the designer's exoneration in due course (underneath stood) which doing (Signed) R. B. Hoijnck van Papendrecht (in margin) Malacca the 5th of May 1782. Whereupon, having deliberated, it was approved and
Dutch transcription
6 zoeken, wij hebben met geene vreemdelingen te doen zij weezen de weg zoo goed als wij zelver, wat voor succes zoude hij zig belooven kunnen voor de stad te staan met drie â vier pondertjes het vaste vuur moetende uitstaan van de groote nieuwe batterij en het Tranquerase bolwerk, buiten de stukken die in de flank staan; maar wel indien hij op de stad aan de Zeekant aanviel gelijk dezelve tans is, of op de eerste batterij van Tranquera, de redenen die den tekenaar tot deeze stelling beweegen zijn deeze; ten eersten zoo is Macklerij bewust dat in die batterij kleine stukjes staan, dat hij met zijne 12. ponders dezelve geheel kan ver„ „nielen zonder dat hem eene van onze kogels kan naderen, dus zoude hij aldaar gemakkelijk kunnen landen, om vervolgens langs de strand te passeeren, en zoo aan de Zeekant in de stad te vallen, het vuur dat den vijand van het bol„ „werk van Tranquera zoude moeten is saijeeren zoude heel gering weezen, gelijk alle vuuren zijn, die men maar dwars moeten doorrukken, pro„ „beert den vijand het zoo niet, dan zal hij vlak op het midden van de stad vallen, die hij niet zijne twaalfponders gemakkelijk bres kan schieten, en nog veel gemakkelijker zijn schuiten aldaar doen landen, om de stad te plunderen en te rooven, en zoo wederom na boord te keeren. Het eene en ander kan dien zeeroover, of van zijne soortgelijke, heel wel belet worden op de volgende manier. Voor eerst moet in de eerste batterij van Tranque„ „ra geplant worden de vier vier en twintig ponders die onnut op de Casteels bastious staan, ten 2„den moet met alle spoed de reeds begonne pilotage voltooid worden, op rekening van die gene die aldaar aan strand woonen, ten derden moet agter aan de erven van de Heeren Werndlij Koek en Claas de Wind, geplant worden, kleine stukjes van drie â vier pond, die niert zoude kunnen ligten van de sloep die in de rivier legt, als ook de stukjes die van een Portugees in het Casteel bewaard wor„ „den; en drie Comps. vaartuigen en het Deensche snauwtje die onder het galgen eiland leggen, kun„ „nen op die plaats niet dan door landbooten geatta„ „queerd worden, dezelve kan men afhouden, zoo men al het volk verdeeld op de pantjallang en de bark, en dezelve zoodanig plaatsen dat zij de twee onbeman„ „de vaartuigen kunnen dekken, en den vijand al„ „tijd tusschen twee vuuren hauden, boven dien was het nog zeer dienstig dat een vaartuig op de brandwagt leijde, om de noord op eene bekwaa„ „me plaats daar hij de schepen direct kan zien, om daar van per seinen kennisse aan de plaats te geeven; Dit is het middel om zig zonder kosten in den tijd van drie dagen in eene gerusten staat van defensie te stellen, tegens die magt die wij voor als nog te dugten hebben, den Tekenaar smeekt uwE. Gestr. en E. Agtb. zeer nedrig dat zijn plan door kundiger mag worden geexamineerd, en hem vergunt mag worden te antwoorden op alle de objectien die dezelve daar tegen zoude kun„ „nen inbrengen; waet men als dan den Tekenaar„ zijn plan niet te wederleggen, en vervlgens UwE. Gestr. en E. Agtb. evenwel niet om hetzelve te doen executeeren, zoo smeekt den Tekenaar zeer onder„ „danig en alleen„elijk het faveur dat van dit Adres notitie mag worden gehouden, om ten allen tijden tot des Tekenaars decharge in der tijd te kunnen dienen (onderstond/ 't welk doende (Getekend) R. B. Hoijnck van Papendrecht (in margine/ Malacca den 5. Mai 1782. Waar op gedelibereerd weezende, is goedgevonden en en E
English
and understood 1) To appoint Captain Commandant of the Militia Hensel, the Honorable Captain Lieutenant van Nijvenheim, the Ordinary Artificer Diehl, and the Equipage Master Ielgerhuijs, to investigate with the aforementioned License Master van Papendrecht whether the brass twenty-four-pounders could be employed against the enemy with more utility on the nearest battery on the sea beach outside the gate of Tranquera than on the bastions where they are currently placed. 2) To note hereby that the progress of the piling work behind the houses along the Heerenstraat, already begun by order of the Governor, is solely hindered by the difficulty of obtaining the necessary palisades for it, but that His Honor nevertheless does not fail to continually urge the suppliers toward the diligent delivery of the same, even offering a little more than is usually paid for them. 3) Since the eight Portuguese pieces of 4 and 2 lb are already suitable for the new redoubts, to unload the nineteen 2-lb pieces present on the sloops De Goede Trouw, which is in the Vrijmanshaven, and the Charlotta Christina, which lies in the river, in order to plant them, along with two more 1-lb pieces, behind some of the aforementioned houses where this can conveniently be done. 4) To position the bark De Geertruida Susanna and the pantjallang Rustenburg, manned as required, in the aforementioned harbor in such a manner that they can cover the sloop De Goede Trouw and the Danish snow also lying there against hostile enterprises. 5) To place the sloop De Iohanna on picket duty outside the Fishermen's Island at a distance of one mile, in order to signal upon the discovery of a ship or ships, according to the orders that the Governor shall prescribe to the commander of that vessel. While on the statement of His Honor that the request of License Master Hoijnck van Papendrecht at the end of the aforementioned address, containing in substance: The subscriber very humbly beseeches Your Rigorous Honor and Honorable Worships that his plan may be examined by more knowledgeable persons, and that he may be allowed to answer all the objections they might raise against it; if one knows then that the subscriber's plan cannot be refuted, and Your Rigorous Honor and Honorable Worships nevertheless do not choose to have it executed, then the subscriber very submissively beseeches solely the favor that note may be kept of this Address, in order to serve at all times for the subscriber's discharge in due time. seemed somewhat speculative to His Honor, since His Honor himself had more than once requested the members of this assembly, whenever they deemed anything necessary for defense besides what had already been done, to be pleased to communicate it to His Honor, showing that His Honor was not disinclined to pay attention to all reasonable proposals of that nature, but License Master Hoijnck van Papendrecht could not say he had ever proposed anything that was not accepted by His Honor or in this Assembly, just as he had not spoken to His Honor beforehand about the plan handed to His Honor yesterday and now brought into deliberation, His Honor therefore desiring that he should further explain himself regarding the meaning of the aforementioned expressions in his Address, and he having answered that he meant no harm by it, but merely wished to fulfill his duty, it was agreed at the request of His Honor to take note of this hereby. Malacca in the Castle, date as above. (Signed) P. G. de Bruijn, A. A. Werndlij, I. A. Hensel, A. Couperus, F. Thierens, and R. B. Hoijnck van Papendrecht. Tuesday the 14th of May 1782 In the forenoon Council of Policy All present. By Captain Commandant of the Militia Hensel, the Honorable Captain Lieutenant van Nijvenheim, the Ordinary Artificer Diehl, and Equipage Master Ielgerhuijs, appointed by the Resolution of the 6th of this month to investigate with License Master Hoijnck van Papendrecht whether the brass twenty-four-pounders could be employed against the enemy with more utility from the nearest battery on the sea beach outside the Gate of Tranquera than from the bastions where they are currently placed: it having been reported to the Governor, as His Honor now made known, that no large ships, nor frigates, even at high tide, could come so close to the city that they could cause any notable damage to it with their artillery, and the enemy consequently, in order to bombard the city, would have to make use of bomb-ketches or other small craft which could approach it better, but that these could then be sufficiently ruined or repelled as well with the heavy artillery on the bastions Fredrik Hendrik and Vlissingen, as well as from the battery outside the Great Gate of the Fortress, as with the artillery of the bastion at the gate of Tranquera and the batteries nearest to it; and taking furthermore into consideration that if one, due to the superior force of the enemy landing outside the gate of Tranquera, might find oneself forced to retire hastily from the batteries erected there, the twenty-four-pounders moved thither could not so easily be transported back to the Fortress over the moat being made outside the gate of Tranquera and the Great River flowing in front of the Fortress, but, whether spiked or unspiked, would have to be left behind as a prey to the enemy, who in the latter case, or if they obtain those pieces unspiked, will readily employ them to the detriment of the besieged: it has therefore been unanimously approved and resolved to simply leave the aforementioned brass twenty-four-pounders on the bastions where they are currently mounted.
Dutch transcription
6 en verstaan s) Den Capitein Commandant van de Militie Hensel, den H. Capitein Luitenant van Nijvenheim, den Ordinair Vuurwerker Diehl, en den Equipagie - op „zigter Ielgerhuijs te committeeren, om „ den gemelde„ Licentmeester van Papendrecht te onderzoeken of de metaalen vierentwintig onders met meer nuts op de naaste batterij aan Zeestrand buiten de poort van Tranquera; dan wal de bastions, daar zij nu opleggen, tegen den vijand zouden kunnen worden geemploijeerd. 2) Bij deezen te noteeren, dat de voortgang van de reeds op order van den Heer Gouverneur begonnen pilotage agter de huizen langs de Heeren straat eenlijk verhinderd wordt door de moeijelijkheid van de daar toe benoodigde palis„ „saden te bekomen, dog dat zijn Ed. egter niet in gebreke blijft om tot de vlijtige bezorging der„ „zelven de leveranciers telkens aan te spoorent, zelfs onder toelegging van iets meer, dan 'er gewoonlijk voor betaald wordt. 3/ Nadien de agt Portugeesche stukjes van 4. –. en 2. –. lb. reeds voor de nieuwe redouten geschikt zijn, van de sloepen de Goede Trouw, die in de Vrijmansha„ „ven, en de Charlotta Christina, die in de rivier legt, te ligten de daar op zijnde negentien stuk„ „ken van 2. –. lb. , om met nog twee stukken van 1. –. lb. agter sommigen van de gemelde huizen, daar zulks bekwaamelijk geschieden kan, geplant te worden. 4) De bark de Geertruida Susanna en de pant„ „jallang Rustenburg, naar vereisch bemand, zoo„ „danig in de gemelde haven te plaatzen, dat zij de sloep de Goede Trouw en de mede daar leggende Deensche snauw tegen vijandelijke onderneemingen dek„ „ken kunnen. 5/ De sloep de Iohanna op brandwagt te zetten bui„ „ten het Visscherseiland op de distantie van een mijl, om bij ontdekking van schip of schepen sein te doen, naar de beveelen die de Heer Gouverneur den Gezag„ „hebber van dat kieltje zal voorschrijven Terwijl op de betuiging van zijn Ed. , dat het ver„ zoek van den Licentmeester Hoijnck van Papen„ „drecht in fine van het gemelde adres, behelzende in substantie, Den Tekenaar smeekt UwE. Gestr. en E. Agtb: zeer nederig, dat zijn plan door kundiger mag wor„ „den geexamineerd, en hem vergunt mag worden te antwoorden op alle de objectien, die dezelve daar tegen zouden kunnen inbrengen; weet men 0 plan. als dan den Tekenaar zijn niet te wederleggen, en verkiest UwE. Gestr. en E. Agtb. evenwel niet om hetzelve te doen executeuren, zoo smeekt den Tekenaar zeer onderdanig alleeniglijk het faveur„ dat van dit Adres notitie mag worden gehouden, om ten allen tijde tot des tekenaars decharge in der tijd te kunnen dienen. zijn Ed. wat speculatief voorkwam, dewijl zijn Ed. zelf meer dan eens aan de Leden deezer vergaderin„ „ge verzogt hadt, wanneer zij oordeelden het een of het ander tot defensie noodig te zijn buiten het„ „gene reeds gedaan wierdt, hetzelve aan zijn Ed. te willen mededeelen, ten blijke dat zijn Ed. niet ongenegen was op alle redelijke voorslagen van die natuur agt te geeven, dog de Licentmeester Deensche Hoijnck d 71 Hoijnck van Papandrecht niet zeggen kon immer iets geproponeerd te hebben, hetwelk bij zijn Ed: of in deeze Vergadering niet was aangenomen, gelijk hij van het gisteren aan zijn Ed: overgegeven en nu in overwee„ „ging gebragte plan ook te vooren zijn Ed. niet ge„ „sproken hadt, begeerende zijn Ed. derhalven dat hij zig wegens den zin van de gemelde uitdrukkingen bij zijn Adres nader zoude expliceeren, door denzel„ „ven geantwoord zijnde daar mede niets ergs bedoeld te hebben, maar eenlijk aan zijnen pligt wil„ „len voldoen, ten verzoeke van zijn Ed. verstaan is daar van bij deezen aantekening te houden. Malacca in het Casteel dato voorschreve (Getekend/ P. G. de Bruijn, A. A. Werndlij, I. A. s Hen„ „sel, A. s Couperus, F. Thierens, en R. B. Hoijnck van Papendrecht. Dingsdag den 14. Mai 1782 's Voormiddags Vergadering van Politie Allen present. Door den Capitein Commandant van de Militie Hen„ „sel, den P. Capitein Luitenant van Nijvenheim, den Ordinair Vuurwerker Diehl, en Equipagie - op zigter zel„ „gerhuijs, bij Resolutie van den 6. uijns gecommitteerd, om met een Licentmeester Hoijnck van Papendrecht te onderzoeken, of de metaalen vierentwintig ponders metmeer nuts van de naaste batterij aan Zeestrand buiten de Poort van Tranquera, dan van de bastions, daar zij nu op leggen, tegen den vijand zouden kunnen worden geemploijeerd: aan den Heer Gou„ „verneur, gelijk zijn Ed. tans te kennen gaf, berigt zijnde, dat geene groote schepen, nog fregatten, zelfs bij hoogtij, de stad zoo na konden komen, dat zij met hun geschut aan dezelve eenige naamwaardige schade zouden kunnen toebrengen, en de vijand gevolge„ „lijk om de stad te beschieten gebruik zoude moeten maaken van bombardeer-galjoots of andere kleine vaartuigen, die dezelve beter naderen konden, dog dat deezen dan zoo wel met het zwaar geschut op de bastions Fredrik Hendrik en Vlis„ „singen, mitsgaders van de batterij buiten de Groote Poort van de Fortresse, als met het geschut van het bastion aan de poort van Tranquera en de naaste batterijen aan dezelve, genoegzaam kon„ „den worden geruineerd of afgeweerd; en daar benevens in consideratie genomen weezende, dat wanneer men door de overmagt van den vijand, die buiten de poort van Tranquera de landing deedt, zig genoodzaakt mogte vin„ „den om van de daar opgeworpen batterijen ijlings te retireeren, de derwaarts verplaatste vier„ „entwintigponders niet zoo gemakkelijk weder over de gragt welke buiten de poort van Tran„ „quera wordt gemaakt, en de Groote Rivier, voor de Fortresse stroomende, naar de Fortresse zouden kunnen getransporteerd, maar 't zij al of niet vernageld moeten agtergelaten wor„ „den ten prooije van den vijand, die in het laaste geval, of wanneer hij die stukken on„ „vemnageld krijgt, dezelven geredelijk emploijeeren zal ten nadeele van de belegerden: zoo is een„ „paariglijk goedgevonden en verstaan de voor„ „schreven metaalen vierentwintig ponders maar te laaten op de bastions, daar zij nu op ge„ „plant zijn. — „verneur Malacca E
English
B Malacca in the Castle, date as above (signed) P. G. de Bruijn, A. A. Werndlij, I. A. Hensel, A:s Couperus, F. Thierens, and R. B. Hoijnck van Papendrecht. Tuesday the 2. Iuli 1782 In the forenoon Meeting of the Council of Policy. All present; also The Rear Admiral and Master of the Equippage Jan Diederik Schrijver. The Lord Governor having communicated the news which his Honour had received in recent days: 1 from Bombaij, that of the four English Company ships which were loaded there for China, one had been unloaded again and hauled into the dock, but the three others were due to depart from there on the 15. Iuni; and 2/ from Riouw, that eight English ships lay there; remarking at the same time that one could not doubt the truth of the first-mentioned news, brought here with the Portuguese ship Nossa Sinhora da Arabida e S. Francisco de Paulo which arrived on the 30. Iuni last from Bombaij, since in the previous year, regardless of the war then already known between the Crown of England and the Dutch Republic, ships had been sent from Bombaij as well as from Bengale and Madras through this strait to China; but as to the second news, that his Honour could not understand from where at this time so many English ships could have arrived at Riouw, and therefore must presuppose, if eight ships were really found there, that four of them would then be the Macao traders, who were known for certain to have steered thither to trade tin for their opium, and only the remainder English, whether arrived from China, where according to Portuguese reports three Company ships had lain in the month of Februari, or from Tangano and Borneo: And on the proposal, therefore, made by the Lord Governor to the Rear Admiral Schrijver, whether his Honour might see fit to remain here a little longer with the fleet of war under his Honour's command, in order to attack and make prize of some of the mentioned English ships, or those who might attempt to pass here; his Honour having answered this proposal that, on account of the importance of the matter, he wished to consider it in the ship's council and communicate the result of that deliberation to this Meeting: It is understood to make a note thereof herewith. And a copy of this Resolution shall be delivered to the mentioned Rear Admiral for his Honour's consideration. Malacca in the Castle, date as above (Signed) P. G. de Bruijn, I. D. Schrijver, A. A. Werndlij, I. A. Hensel, A. Couperus, F. Thierens, and R. B. Hoijnck van Papendrecht. Meeting of the Council of Policy Forenoon Wednesday the 3. Juli 1782 All present The Lord Governor submitted to the Meeting the report, already reviewed by the Honourable Members Werndlij, Hensel, and Hoijnck van Papendrecht, of the Secretary of the Council of Policy Thierens, acting as Fiscal pro interim, regarding the investigation conducted in compliance with the Joint Resolution of this Table of the 3. April last into the riot of some Roman Catholics mentioned in that Resolution, with all the declarations obtained by the same Fiscal pro interim; the Report being of the following content. To the Right Honourable Pieter Gerardus de Bruijn, Governor and Director of the City and Fortress of Malacca, together with the Honourable Members in the Respected Council of Policy Right Honourable Sir and Gentlemen, It has pleased Your Honours, by resolution of the 3. April last, to direct the undersigned to conduct a meticulous investigation into the violence that took place on the 2. preceding, committed at the house and against the person of the Merchant and Fiscal of this Government, the Honourable Abrahamus Couperus, by most of the Portuguese residing here, and to report thereof to Your Honours; In dutiful compliance with this order, the undersigned has the honour to present to Your Honours the documents mentioned in the accompanying register, in which the whole case is described. The undersigned believes that a brief account of the case itself should be drawn from the mentioned documents, and begins from the point in time that the matter originated, for according to the attached declarations it appears: That since it is a custom among the Portuguese Roman Christians living here to show annually on Good Friday a certain statue of Christ, belonging to one Johanna Parera, first at their church and thereafter at the residence of the aforesaid Iohanna Parera to the congregation, who come to offer their thanksgivings and prayers before it, the same was also solely performed by them on the last Good Friday, being the 29. March last, at the aforesaid house because the congregation, presently having no priest, had no divine service performed in their church, and why the throng at that house was also larger than usual; That the Fiscal Couperus, coming driving through the Banda Ilher on the mentioned 29. March last, at around seven o'clock in the evening, saw that
Dutch transcription
B Malacca in het Casteel dato voorschreve (getekend) P. G. de Bruijn, A. A. Werndlij, I. A. Hensel, A:s Couperus, F. Thierens en R. B. Hoijnck van Papendeecht.— Dingsdag den 2. Iuli 1782 's Voormiddags Vergadering van Politie. Allen present; ook Den Heer Schout bij Nagt en Opperequipagiemeester Jan Diederik Schrijver. Door den Heer Gouverneur gecommuniceerd zijnde de tijding, die zijn Ed. deezer dagen ontvangen hadt 1 van Bombaij, dat van de vier Engelsche Comps. schepen, die 'er voor China beladen waren, het eene weder ontladen en in het ook opgehaald was, dog de drie anderen den 15. Iuni van daar stonden te vertrekken, en 2/ van Riouw, dat 'er agt En„ „gelsche schepen lagen; onder aanmerking teffens, dat men de waarheid van de eerstgemelde tij„ „ding, hier aangebragt met het op den 30. Iuni laastleden van Bombaij gearriveerde Portugeesche schip Nossa Sinhora da Arabida e S. Francisco de Paulo niet in twijfel kon trekken, dewijl in het voorige jaar ook ongeagt den toen reeds bekenden oorlog tusschen de Kroon van Engeland en de Nederlandsche Republiek, schepen van Bombaij zoo wel, als van Bengale en Madras door deeze straat naar China gezonden waren, dog wat de tweede tijding betrof, dat zijn Ed. niet kon begrijpen van waar in deezen tijd zoo veel En„ „gelsche schepen te Riouw konden zijn aangekomen, en overzulks presupponeeren moest, indien 'er wee„ „zenlijk agt schepen gevonden wierden, dat vier daar van dan de Macauwers zouden weezen, die men vast wist derwaarts gestevend te zijn, om voor hunne amfioen tin in te han„ „delen, en de overigen alleen Engelschen, 't zij van China, daar in de maand van Februari vol„ „gens Portugeesche berigten drie Comps: schepen gelegen hadden, of van Tangano en Bomeo gearriveerd: En op het voorstel derhalven, door den Heer Gouverneur aan den Heer Schout bij Nagt schrijver gedaan, of zijn Ed. niet zoude kunnen goedvinden, om met de Oor„ „logs-vloot onder zijn Eds. bevel hier nog wat te vertoeven, ten einde eenigen van de ge„ „melde Engelsche schepen, of die genen, welke onderstaan mogten hier te passeeren, aan te tasten en prijs te maaken! door zijn Ed. ge„ „antwoord zijnde dit voorstel wegens de aange„ „legenheid van hetzelve in den scheeps-raad te willen overweegen, en het resultaat van die deliberatie aan deeze Vergadering mede„ „deelen: Zoo is verstaan daar van bij deezen aantekening te houden. En zal van deeze Resolutie aan een ge„ „melden Heer Schout bij Nagt copie worden afgegeven tot zijn Eds. speculatie. Malacca in het Casteel dato voorschreve (Getekend) P. G. de Bruijn, I. D. Schrijver, A. A. Werndlij, I. A. Hensel, A. Couperus, F. Thierens en R. B. Hoijnck van Papendrecht.— kon Woensdag Vergadering van Politie Voormiddags Woensdag den 3. Juli 1782 Allen present De Heer Gouverneur heeft ter Vergadering in„ „geleverd het bij de E. E. Leden Werndlij, Hensel, en Hoijnck van Papendrecht reeds geresumeerd be„ „rigt van den het ampt van Fiscaal pro„ „interim waarneemenden Secretaris van Politie Thierens, wegens het in voldoening aan de Gemeene Resolutie deezer Tafel van den 3. April laastleden gedaan onderzoek na den bij die Resolutie gemelden opstand van eenige Roomsch„ „gezinden, met alle de door denzelven Prointe„ rim Fiscaal ingewonnen: Verklaaringen; zijnde het Berigt van den volgenden inhoud. Aan den Wel-Edelen Gestrengen Heer Pieter Gerardus de Bruijn, Gouverneur en Directeur der Stad en Fortresse Malacca benevens De Heeren Leden in den Agtbaaren Raad van Politie Wel-Edele Gestrenge Heer en Heeren, Het heeft uwel Edel Gestrengen behaagd den ondergetekende bij besluit van den 3. April laast„ „leden te demandeeren, en nauwkeurig onderzoek te doen naar het voorgevallene geweld, op den 2. bevoorens, gepleegt ten huize en aan den Persoon van den Koop„ „man en Fiscaal deezes Gouvernements de E. Abra„ „hanus Coupenus door de meeste der hier woon„ „agtig zijnde Portugeesen, en uwel Edel Gestr. daar van berigt te doen; In schuldige opvolging van deeze order heeft den ondergetekende de eer uwel Edel Gestr. aan te bieden, de volgens nevensgaande Register vermelde Documenten, waar bij het geheele geval ver„ „meld staat. Den ondergetekende vermeent een kort vertoog, van het geval zelve uit de gemelde stukken te moeten trekken, en begint van het tijdstip dat de zaak een aanvank heeft genomen, want volgens de nevensleggende verklaaringen blijkt: Dat dewijl het bij de hier woonende portugeesche Roomsche Christenen een gewoonte is jaarlijks op stille vrijdog, zeker Christus beeld, gehoorende aan eene Johanna Parera, eerst na hun kerk en daar na aan het woonhuis van voorschre„ „ve Iohanna Parera aan de Gemeente vertoonen, die daar voor hunne dankzeggingen en gebeden komen af te leggen, 't zelve door hun op de laaste stille Vrijdag zijnde geweest den 29. Maart laastleden ook zoodanig ten voorschreven huize eenlijk is verrigt dewijl de Gemeente tans geen Priester hebbende in hunne kerk geen Gods„ „dienst werd gedaan en waarom de toeloop aan dat huis ook grooter is geweest dan naar gewoonte; Dat den Fiscaal Couperus op de gemelde 29. Maart laastleden, 's avonds circa zeven uuren, de Bandailhera komende doorrijden, heeft gezien te lb dat 3