Inventory 3653
Japan · 1,390 pages · 388 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
Year 1783. January. Citizen Hendrik Voll discovered. Thursday the 9th nihil Friday the 10th. Supply of sagoweer for the farmer maintained. Another follower of Sankielang crossed over. Letter from the writer of the King of Boni stating that the latter had quietly complained to Their High Mightinesses about certain matters, or rather let me say, had written many gross untruths to them; and that, contrary to the content of the edicts issued against this, the rogue citizen Hendrik Voll, who sufficiently deserves the scaffold here, had carried this letter over without first giving me notice of it, the copy of the letter being found among the enclosures of this, regarding which I will await correspondence from Batavia before proceeding further. On the 10th I sent the second sworn interpreter Deefhout, accompanied by the farmer of the strong spirits here, the Chinese Ougtoeiko, to the King of the Makassars, in order to make known to him that the aforementioned farmer had complained to me that in the present time he received little or no sagoweer from Goa, indeed not even enough to properly accommodate the common soldiers and seafarers here, whereby they are given occasion to seek it in the Kampong Bugis and elsewhere, and that consequently the farmer would also no longer be able to pay his monthly contingent according to the agreement to the King; wherefore I had the King requested to give a stricter order to his subjects in that regard to provide the farmer as well as his servants with the required sagoweer, as well as to prohibit them from bringing down or selling any sagoweer to the settlement of Sawakoeng now and in the future, since it cannot be expected of the farmer, particularly in this west monsoon, to have it fetched from there. Whereupon the King sent me the reply that he would issue such orders regarding both matters that the farmer would have no more lack of sagoweer, just as His Highness, in the presence of the aforementioned interpreter and farmer, immediately sent out his interpreter to forbid the country farmers from buying up any sagoweer before the farmer had received his. Furthermore, the said prince had communicated to me that a few days ago a certain Makassar prince named Daeng Tabalie, son of a certain Karaeng Pangkadjene, had come in submission to him, but that His Highness, due to the continuous rain, had not yet had the opportunity to bring him to me, but that he would nevertheless do so at the first opportunity. His Highness also let me know that he had recently received a letter from his envoys presently at Batavia, Karaeng Palemba and associates, regarding their arrival in Batavia and the good reception there. Saturday the 11th. Sunday the 12th nihil. Monday the 13th. Tuesday the 14th. Old Karaeng Bandjilo deceased. The King of the Makassars let me know through the sub-interpreter Tabia Theunisz, stationed there for our and his own safety, that old Karaeng Bandjilo, father of Karaeng Sapanang who had already crossed over, and who through illness had not had the opportunity to follow this son of his, had died six days ago at Passeese; Sankielang now having no other following left than some rabble of runaway slaves as well as others who hide themselves in the mountains and those districts. Wednesday the 15th. A second Regentess of Tjamba appointed. I proposed here, in the presence of the assembled settlement chiefs, as second Regentess of Tjamba, a certain Eedje, whereof on the following day, or Thursday the 16th, I gave the necessary notice to the Maros Resident van de Walle by a note. In the afternoon the King of Boni had inquiry made as to when it would be convenient for me to receive him for paying the New Year's compliment, whereupon I gave the answer that I would let His Highness know tomorrow. Friday the 17th. I had the King told that I would have the honor to expect him next Wednesday. Saturday the 18th. Sunday the 19th. Monday the 20th. Tuesday the 21st nihil. Wednesday the 22nd. The King of Boni pays the New Year's compliment. I received the King of Boni and the grandees of the realm present with the ordinary ceremony, and subsequently received the New Year's wishes of that prince, who took the midday meal with me and departed again with the rest of the company towards three o'clock. Thursday
Dutch transcription
Anno 1783. Januarij. Burger Hendrik voll. ontdekt. Donderdag den 9„e nihil vrijdag. „tie van Seequiveer voor den peegter onder =houden. weeder een van Sankie= schrijver van Bonijs koning dat deeze in stilte over eenige Eere schilmstuk van den zaakelijkheeden bij Hunne Hoog Edelheedens geklaagd dan wel laat jk liever zeggen Hoog Dezelve veele groove onwaar= „heeden had aangeschreeven, en dat teegens den inhoud van de daar teegens g'emaneerde plakaaten den schelmagtigen en hier genoegzaam het schavot reets verdiende burger Hendrik Voll, die brief zonder er mijn eerst kennisse van te geeven had overgebragt zijnde het afschrift van de brief onder de Bijlaagen deezes te vinden, over dewelke jk zonder al= „voorens verder te gaan schrijvens van Batavia zal ver= „weegten. „ 10„e zond jk den tweeden gezw: tolk Deefhout verzeld van den Pagter der Sterke Drienken alhier den Chinees Ougtoeiko„ de koning der Makas- na den koning der Makassaaren, ten einde denzelven be„ =saaren over de leveran„ kend te maaken dat gemelde pagter mijn had geklaagd, dat hij in de teegenwoordigen tid weinig ofte geen Sagu¬ „weer van Joa kreeg, Ja zelfs zo veel niet dat toerijkende was om de Gemeene Militairen en zeevaarende alhier na behooren te kunnen gerieven, waar door deeze aanlei„ „ding krijgen om dezelve in de Pampong Boegis, en elders te zoeken en dat dierhalven den pagter zig ook niet langer in staat zoude bevinden om zijne maandelijkse Contin„ „gent volgens accoort aan den Koning te kunnen op bren„ „gen, weshalven jk den koning verzoeken liet van daar om„ „trend eene Stricter order aan zijne onderdaanen te geeven om den pagter doen wel zijne bediendens met de benodigde Saquweer te voorzien, als meede ook te interdiceeren dat zij geen Saguweer nu en in het vervolg meer na de Negorij Sawakoeng zoude hebben af te brengen ofte verkoopen, vermits het den pagter niet te vergen is om dezelve bijzonder in deese westmousson van daar te laaten afhaalen: waar op den koning mijn ten andwoord tiet dienen omtrend het een en ander zodanige ordres te zullen stellen, dat den pagter geen gebrek aan Saguweer meer zoude hebben, gelijk zijn Hoogheid ter presentie van voorn: Tolk en pagter, zijn tolk dadelijk uitzond om de Contangs Boeren te verbieden van geen Saguweer op te koopen, be„ „voorens dat den Pagter de zijne had gekreegen. Wijders liet gemelde vorst mijn communiceeren dat „langs aanhang overgekomen voor eenige dragen geleeden zeeker Makassaars prins met naame Daeng Tabalie zoon van eenen Careng Pankadjen„ „ne, bij hem was in submissie gekomen, dog dat zijn Hoog= „heid door de Continueele reegen nog geen geleegendheid gehad had 9 ƒ - Anno 1783; Januarij Saturdag den 11„e Maandag „ 13„e Dingsdag „lo overleeden. Tjamba benoemt. Dingsdag „ 21„e Compliment af. had om hem bij mijn te brengen dog dat zulks egter bij eerste gelegendheid zoude doen; ook liet zijn Hoogheid mijn weeten onlangs een brief van zijne tans te Batavia zijnde Gezanten Praeng Palemba C:S: weegens hun arri„ „ve te Batavia en het goed onthaal aldaar te hebben gekreegen. 3 „ 14„e Liet mijn den koning der Makassaaren door den aldaar tot onze en zijn eigene veiligheid leggende ondertolk Tabia den ouden kraengbandje Theunisz weeten, dat den ouden Eraeng bandjilo vader van de reets overgekomene Eraeng Sapanang, dewelke door ziekte geen gelegendheid gehad had deeze zijn zoon te volgen, voor ses daagen op Passeese overleeden was, hebbende Ian= „kielang nu geen andere aanhang meer als eenig geboefte zo van gedroste slaaven als anderzints die zig in de geberg „tens en die Contreijen schuilhouden. Zondag „ 12„e Erihin woensdag den 15„e stelde jk alhier in presentie der opgekomene Negorijs een tweede Regentesse van Hoofden. tot tweede Regentesse van Tjamiba voor, eenen Eedje. waar van jk 'Sdaags daar aan of Donderdag den 16„e den Maros Resident van de walle bij een briefje de nodige kennis gaf. 'S agtermiddags liet den Koning van Bonij vraagen wan= „neer het mijn geleegen zoude komen om hem tot het afleg= „gen van het Nieuwe Jaars Compliment te ontfangen. waar op jk ten andwoord gaf, dat jk zijn Hoogheid zulks morgen zoude laaten weeten. Vrijdag den 17„e liet jk den koning zeggen dat jk de Eer zoude hebben hem woensdag aanstaande te verwagten. Saturdag den 18„e Zondag „ 19„e Maandag „ 20„e woensdag den 22„e recipieerde jk den koning van Bonij en de aan= De koning van Bonij„ weezende Rijksgrooten met de ordinaire beremonie legt het nieuwe Jaars en ontfing vervolgens de nieuwe Jaars wenschingen van dien vorst, die bij mijn het middagmaal hield en met het overige Gezelschap teegens drie uuren weder vertrok. nihil. Donderdag
English
Anno 1783. January Complaints about some insolent Bonian princes. Saturday the 25th Sunday. Thursday the 23rd nothing occurred Friday - - the 24th in the afternoon at five o'clock I sent the second interpreter Zeefhout to the King of Boni, in order to make known to that prince that the Chiefs of the Kampongs had made fierce complaints to me about the far-reaching insolence of several Bonians, and particularly the principal ones among them being a certain Lasimpoeang and Baso Barang, who have not hesitated publicly on the Bazaar and elsewhere on the public roads to simply take by force the goods of the people and to walk away with them without payment, as well as that just now the Farmer of the Topbaan came to complain to me about the insolent and punishable conduct of the robber and murderer Latoewo, who is all too well known to the King, who had threatened the gambling Chinese who have oversight of the Top-boards on behalf of the said farmer, that if they would not give him money, he would then take it by force, and furthermore would murder them in addition, so that I therefore had the King most earnestly requested, for the preservation of the peace and safety of our inhabitants, as well as for the prevention of all such violence, and also for the maintenance of the said Farmer, who must pay the Company's dues, that he would please give more powerful orders of a smaller nature than he had done until today, or that I otherwise, having already complained about this matter several times, would be forced to have such outrages punished in the act without respect of persons. The King sent me an answer in reply to this that it grieved his heart to have to hear such things again, that he would not fail to issue such orders against this that they would be incapable of carrying out such evil deeds any longer, requesting me at the same time to establish such measures in the kampongs that the aforementioned rascals could be seized and, if they resisted, simply struck down, except for one Pa Simporang, whom, as he was too closely related to him the King, he would not gladly see killed, but that Latoewo upon appearing in the Kampongs could freely be murdered, even if he committed no further evil himself, since he had long deserved Death, and that the King would also do his best to have him done away with. nothing. Monday Anno 1783: January wounded. though of which one has been massacred. A message to those of Tanette. Saturday the 8th to. general tumult. of which there is nothing Monday the 27th I received a report that the corporal Ieger had been wounded in the arm by a Buginese who had wanted to rob him. Tuesday the 28th the Lieutenant of the Malays gave me notice that one of the Bonians who go out stealing daily, namely the one who had wounded corporal Ieger yesterday, was caught again in a theft and, having resisted, was struck down in the Malay Kampong. furthermore there was from Wednesday the 29th to Thursday the 6th of February nothing to note. Friday the 7th I sent the second sworn interpreter Deefhout to the King of Tanette, in order not only to demand from him once again the Lommo of Siang who deserted from us to him in July past, but principally to protest in the sharpest terms against his unreasonable conduct in completely preventing the peoples of Sageerie from cultivating a portion of the paddy fields, which, it is true, belong under Tanette, but from which the Company, being always cultivated, has enjoyed the tithe from of old, which they would now thus entirely have to lose through such an unwise and entirely insolent conduct. furthermore there occurred from Saturday the 8th to Sunday - the 16th nothing worthy of mention: Monday the 17th In the afternoon notice was given to me in secret by Corporal Coenraad Marschal that, as he had heard whispering and was further assured by a card shown to him by the soldier Gerard, there were again some ringleaders who intended to incite a sort of tumult. Tuesday the 18th I had the commandant Baserman make the necessary investigation into it, but fruitlessly, since the soldier Gerard swore by all that is most precious that he found the card in his pocket and thus also immediately showed it to Corporal Marschal, who was on guard with him at the outer guard, without knowing who had put it in for him, as this must have happened somewhere in secret; nevertheless I put everything in good order and, to prevent the misfortune threatened in the said card to the one who might reveal it, I sent the aforementioned Corporal Marschal to Boelecomba.
Dutch transcription
A„o 1783. Januarij dollantien over eenige brutale Bonische princen. Saturdag den 25„e zondag. Donderdag den 23„e viel niets voor vrijdag - - „ 24„e snamiddags ten vijf uuren zond jk de tweede tolk Zee= „fhout na den Koning van Bonij, ten einde dien vorst be„ „kend te maaken, dat de Hoofden der Lampongs aan mijn gedaan hadden hervige klagten over de verregaande brutae= „liteiten van verscheide Boniers en wel de voornaamste daar van zijnde zeekere Lasimpoeang en Baso Barang, dewelke zig niet ontzien hebben publicq op de Bazaar en elders op 'S Heeren weegen, de goederen van de Menschen zo maar niet geweld te neemen en met dezelve zonder betaaling weg te gaan, als meede ook dat zo even de Pagter van de Topbaan mijn wees klagtig komen vallen over het brutaale en strafwaardig gedrag van den bij den koning. maar al te wel bekenden Roover en moordenaar Latoe= „wo, dewelke aan de speelchineesen die van wegens gemelde pagter het toezigt over de Topborden hebben; gedreigd had, zo wanneer zij hem geen geld willende geeven, hij het zelve als dan met geweld zoude wegneemen, en voorts haar daar en boven vermoorden zoude, dat jk dienthalven den koning op het ernstigste verzoeken liet om tot conservatie van de rust en veiligheid onzer Jngezeetenen, mitsgaders tot teegengang van alle zulke geweldadigheeden, als meede tot mainctenue van gem: Pagter, die 'skomp„s Geregtigheid moet opbrengen, kragtiger en van meerder klein zijnde ordres geliefde te geeven dan tot heeden toe nog gedaan had, of dat jk anderzints, over dit een en ander reets te meermaalen gedoleert, genoodzaakt zoude weezen zulke baldadigheeden zonder aanzien van Perzoon op heeter daad te doen straffen. Den koning liet mijn hier op tot andwoord dienen dat Hem van Harten leed deed weeder zulke dingen te moeten hooren, dat hij niet mankeeren zoude om zodanige Ordres daar teegen te stellen dat zij buiten staat zoude weezen zulke kwaade bedrijven meer uit te voeren, mijn teffens verzoekende in de bampongs zodanige maatregulen te willen stellen dat de voornoemde snaaken opgevat en bij teegen„ „weer maar ter neder gelegd konde worden, excepto eenen Pa= Simporang die als al te na aan hem Koning geparanteerd wezende hij niet gaarne zoude omgebragt zien, dog dat La= „toewo bij verscheining in de Campongs maar vrijelijk konde worden vermoord, schoon hij al zelfs geen verder knaad be„ „dreef, vermits Hij al lang de Dood verdiend had, en dat den Koning ook zijn best zoude doen om hem te laaten van kant helpen. nihil. Maandag A„o 1783: Januarij gekwest. dog waar van eene gema„ „sacreert is. Een boodschap aan die van Tanette. Saturdag den 8„e tot. „mene timuld. daar niets van is Maandag den 27„e kreeg jk rapport dat den korporaal Ieger door een Boegi= die een korporaal hebben, nees die hem had willen afzetten, in de Arm was gekwest geworden. Dingsdag den 28„e Gaff mijn de Luitenant der Maleijers kennisse dat een der dagelijks op steelen uit zijnde Bohiers en wel die geene die de korporaal Ieger gister gekwest had op een diefstal weder g'atteapeert en zig te weer gesteld hebbende, in de Maleijdsche Kampong was neergelegt. voorts viel van 6„e Februari niets te noteeren. Vrijdag den 7„e heb jk de tweede gezee Tolk Deefhout na den Koning van Tanette gezonden ten einde niet alleen van denzelven nogmaals op te eijsschen de in Iulij passato tot hem van ons overgeloo= „pene Lommo van Siang, maar wel principaalijk om ten scherpsten te protesteeren teegens zijne onredelijke handelwijze in de volkeren van Sageerie geheel en al te beletten het bewerken van een gedeelte der Padij velden, die wel is waar onder Tanette behooren, dog van dewelke de komp„e altoos bewerkt zijnde van ouds af de thiende heeft genooten, dat dezelve nu zo doende ten eenemaal door zo een onverstandig en alzints brutaale handelwijze zoude moeten missen. wijders viel 'er van zondag - „ 16„e niets naamwaardigs voor: Maandag „ 17„e Snamiddags wierd mijn door den Korporaal Coenraad, eenig berigt van voorgeme Marschal in stilte kennisse gegeven dat er zo als hij had hooren mompelen en hem door een van den zoldaat Gerard ver= „toond kaarteblaadje nader verzeekerd was weeder eenige bel= „hamels zoude weezen die voorneemens waaren een zoort van timult aan te regten. Dingsdag den 18„e Liet jk den komandant Baserman het nodige onderzoek daar na doen dog vrugteloos, alzo den zoldaat Gerard op het allerdier= „baarste zweerde het kaarteblaadje in zijn zak gevonden en zo ook aanstonds aan den korporaal Marschal die met hem de wagt aan de buiten-wagt hadde, vertoond te hebben zonder te weeten wie het er hem in gestooken had, alzo zulks in stilte ergens moest geschied zijn, egter stelde jk op alles goede ordre en zoud tot voorkoming van het bij ged„e kaarteblaadje gedreigd ongeluk den geenen die het uit mogte brengen, den voornoemden Korporaal Marscheel na Boelecomba. Donderdag Woensdag den 29„e tot. Teegen „
English
13 Anno 1783. February A Bone prince caught in theft, returned to the King. Deefhout returned from Tanette. Thursday the 20th, Friday the 21st: nothing. Saturday the 22nd. Wednesday the 19th. Brutal Boniers. Tuesday the 25th. Wednesday the 26th. Towards midday there was brought to me the Bone prince Lapalajarang, who, violently taking a silver box from one of the Chinese merchants, had been caught in the act. Having first held his crime seriously before his eyes, I sent him back to the King of Bonij, to whom he was related, with the request to discipline him according to his deserts for entering upon such bad paths, which His Highness promised me with expressions of thanks for sending him. In the afternoon, the second sworn interpreter Deefhout, who had departed thither on the 7th of January past, returned from Tanette, having completed his commission assigned to him on that day, as stated in the report submitted to me by him. Thursday the 20th, Friday the 21st: nothing. Saturday the 22nd: I sent the second sworn interpreter Deefhout and the Lieutenant of the Malays, Intje Saleman, as if in the name of the chief interpreter, to the Maedanzang, or first regent and father-in-law of the King of Bonij, not only to inform him that rumors were circulating that the thieves in the Kampong Maleijo and some of the family of the Bone prince Sapaladjarang, who had been apprehended on the 18th of this month and sent back to the court, intended to commit certain hostilities against the Malays there, so that timely provision might be made in this matter by this minister, upon whom the entire pivot of Bonij turns. Sunday the 23rd: nothing. Monday the 24th: Today, by a vessel sailing to Bouton for trade, I sent to Sergeant Bosamie, who is there for the spice extirpation, a further order to send intelligence hither with the utmost speed should he happen to hear any news there concerning the English or the war with them. Tuesday the 25th, Wednesday the 26th, Thursday the 27th, Friday the 28th: nothing. March Anno 1783. Sunday the 2nd. Monday the 3rd: nothing occurred. Wednesday the 5th: The envoys from Goah returned from Batavia. Thursday the 6th: The same were received inside the castle with the ordinary ceremony. Return of the Macassar envoys, their reception. Saturday the 1st. Tuesday the 4th. The Prince of Bangaij let his vessel sail to Bonthain. Reasons for that. English ships. Notice thereof given to Batavia. The Macassars collect their letter. Wednesday the 12th. Thursday the 13th. Sunday the 16th. Friday the 14th. Report from Sagerij. Saturday the 15th. In the evening, by a private note from the Senior Merchant Kraane and one from Boelecomba's Resident Monsieur, I received word that the former Prince of Bangaij, who had been aboard the sloop de Manado bound for and having been at Ternaten, had let that vessel sail on, as he had not been able to harmonize with the commander thereof. Whereupon on Friday the 7th, I sent the necessary reply to Resident Monsieur. Also, the chief interpreter Brugman departed for Sanrabonij to demand payment of the imperial debts. Brugman to Sandrabonij. Saturday the 8th: The King of Bangaij having meanwhile arrived here in a native vessel, I took a deposition from him at the Secretariat. Arrival of the Prince of Bangaij. Sunday the 9th: Received by express via the Malay Intje Manco a letter from Bima, whereby the Resident communicated to me the arrival in Sape Strait of three English ships and a two-masted frigate, and the commission of various acts of violence by them. News from Bima of English ships. Monday the 10th: Answered that letter and at the same time gave notice of this to Batavia and Java. Tuesday the 11th: The letter from Their Right Excellencies received on the 6th of this month was collected by the Macassar Court in full state with the ordinary ancient customs. Wednesday the 12th, Thursday the 13th, Friday the 14th, Saturday the 15th, Sunday the 16th: there was nothing to note except that on the 16th the envoy Daeng Mandjarekie, who had departed thither some days ago, returned again from Sagerij, reporting that everything was peaceful there and that the natives were busily engaged in cultivating their paddy fields. Monday the 17th. Tuesday the 17th. March.
Dutch transcription
13 A„o 1783. Februarij Een bonies pais op diefstal g'attrappeert de koning terug gegeven Deefhout van Tanette terug Donderdeeg vrijdag Saturdag woensdag den 19„e brutaale Boniers Dingsdag den 25„e Woensdag „ 26„e Teegen de middag wierd bij mijn gebragt den Bonijs prins Lapalajarang die op een geweldadige wijze een zilvere doos van een der Chineese Handelaars wegneemende op de daad g'attra= „peert was. Jk zond denzelven na alvoorens op een ernstige wijze zijn misdaad voor oogen gehouden hebbende te rug na de koning van Bonij, aan wien Hij geparanteert was, met verzoek hem over het inslaan van zulke slegte weegen na verdiensten te corrigeeren, het geen zijn Hoogheid mijn on„ „der dankbetuiging van zijn toezending, deed belooven. Snamiddags kwam van Tanette te rug den onder den 7„e Januarij passato na derwaards vertrokkene tweede gezw: tolk Deefhout, dewelke zijn kommissie hem ten dien dage opge„ „dragen zodanig voldragt had als het mijn daar van door hem overgegevene Rapport dicteerd. „ 20„e }nihil „ 21„e „ 22„e Liet jk den tweede gezw tolk Deefhout en den Luiteneent der Maleijers Intje Saleman quasie als uit naam van den oppertolk na de Maedanzang of eerste Rijxbestierder en Schoon= „vader van den Koning van Bonij gaan, om hem niet al= „leen kennis te geeven dat het gerugt liep dat de Deeven in de Compore en Sommige der Familie van den op den 18e deezer ^ vermel¬ Maleijo a opgevatte en na het Hof te rug gezondene Bonijs prins Sapaladjarang van zints zoude weezen de Maleijers daar zo als over eenige hostiliteiten aan te doen ten einde hier inne door deeze Minister waar op het geheele spil van Bonij draaid, bij tijds kan worden voorzien. zondag den 23„e nchel Maandag den 24„e Op heeden zoud jk per een na Bouton ten handel vaa„ Een briefje na Boetone „rend vaartuig aan den tot Specerij Extirpatie aldaar zig bevindende Sergeent Bosamie af, een nader ordre om na herwaarts ten allerspoedigsten kennisse te geeven bij aldien hi aldaar het een of ander nieuws aangaande de Engetsken ofte den Oorlog met haar mogte koomen te hooren. Donderdag „ 27„e nihil. Vrijdag „ 28„e Maart A„o 1783. zondag „ woensdag retour van de Matcasjsaarse gezant„ Donderdag hunne receptie Saturdag den 1„e Dingsdag „ 4„e de vorst van Bangaij heeft zijn vaarthuig op Bonthain laten Zeilen. reedenen daar van Engelsche scheepen. kennis daar van na Batavia gegeven de Marcassaaren haalen hun brief af woensdag „ 12„e Donderdag „ 13„e sondag „ 16„e vrijdag „ 14„' berigt van sagerij Saturdag „ 15„ 2„oe Maandag „ 3„e viel niets voor 5:e reverteerde van Batavia de Gezanten van Goah. „ 6„e wierden dezelve binnen in het kasteel met het ordinair Ceremonieel ontfangen. 'S avonds Ontfing jk bij een partikuliere briefje van den Opperkoopman Kraane en eene van Boelecombas Resident Monsieur berigt dat den op de na Ternaten gedestineerde en aldaar aangeweest zijnde Chialoup de Manado zig be= „vonden hebbende geweezen vorst van Bangaij dat vaar= „tuig, als niet met de Gezaghebber van het zelve hebbende kunnen harmonieeren, had laaten zeelen. waar op k. vrijdag den 7„e De Resident Monsieur het nodige andwoord zond. Ook vertrok den oppertolk Brugman na Sanra= Brugman na sandrabonij „bonij ter aanmaaning van de Rijks-Schulden. Saturdag den 8„e de koning van Bangaij intusschen hier met een Jn= aankomst van Bangaijs „landsch vaartuig aangekomen zijnde, heb jk van dezelve een relaas ter Secretarije afgenoomen. zondag den 9„e Ontfing ½ per Expresse den Maleijer Intje Manco Een tijding van Bima van brief van Bima, waar bij mijn den Resident Communi= „ceerde, de aankomst in straat Sape van drie Engelsche scheepen en een twee maste fregat en het pleegen van ver- „scheidene feitelijkheeden door dezelve. Maandag den 10„e die brief b'andwoord en hier van teffens kennisse na Ba„ „tavia en Iava gegeven. Dingsdag den 11„e Js de onder den 6„e deezer ontfangene brief Hunner Hoog= „Edelheedens door het Makassaarse Hof met de ordinaire oude gebruiklijkheeden in volle statie afgehaalt: viel niets te noteeren als dat op den 16„e van Sagerij weeder terug is gereverteerd de voor eenige daagen na derwaarts vertrokkene e zendeling Daen g Mandjarekie berigtende dat aldaar alles e „ in rust was en dat de Jnlanders sterk bezig waaren om hunne Padij-velden te bewerken. Maandag „ Dingsdag Maart lb wor vorst 17 17„
English
Anno 1783 March Tuesday the 18th, the oppertolk Brugman returned from Sandrabonij with the report that the King and grandees of the realm had promised to do their best to pay off something toward their debt this year, and that the homage slaves would be delivered shortly. At the same time, I also obtained further reports concerning the English of Bima, see the Secret Appendices. Wednesday the 19th, in the afternoon, I sent the interpreter Deefhout to the King of Bonij to request an audience for tomorrow for the commissioners. Thursday the 20th, I sent the fiscal Van Rossum and shahbandar De Vos on a commission to the Court of Bonij, to request the King, who is already beginning to make preparations for his presentation in the interior lands, to postpone his departure thither until certain reports of peace are obtained, the more so because there is news that 12 English ships are roaming about the east, and I wished to be assured of the King's presence in case of any encounter, in order to be able, united jointly with His Highness, to resist our common enemy. Returning, they brought me the answer that the King had said that although the Madanrang was about to leave to make preparations for his presentation, his own departure would take longer yet, but that he meanwhile thanked me for informing him. The commissioners also told me that His Highness had asked various questions concerning the war with the English. Also how it happened that no ships came out and that this place was not provided with a ship or two at this time, further whether those of Sumbawa were indeed to be trusted and whether one could firmly rely on those of Bima, etc., all of which the Fiscal had answered in a suitable manner to his satisfaction. Friday the 21st, nothing occurred except that today, at the request of the King of Sandrabonij, a pass was granted to his emissary Tciaing Baloezang to sail to Manggarai to purchase rice, etc. Saturday the 22nd, in the forenoon, the commissioners from the Macassar Court, according to old custom, brought to me for reading the letter from Their High Mightinesses recently brought with them by their envoys from Batavia, and at the same time requested an audience for their King to come and pay the New Year's compliment, which I fixed for next Wednesday. On which occasion I handed over to the said commissioners for their prince a state assegai remaining under my custody, formerly belonging to the late Mr. Van der Voort, of the former King of Gowa who fled to Bima but was overtaken there and subsequently sent from here. Of which mention is made as well in the Memorandum left in Anno 1767 by Mr. Sinkelaar, as also of a kris or sidearm, which, being informed that it was not a state ornament and had belonged to that fugitive king in particular, remained with me. Today I also dispatched the express vessel hired to convey news to Ambon and Ternate regarding the English ships roaming around Bima. Sunday the 23rd, nothing. Monday the 24th, nothing. Wednesday the 26th, the King of Gowa came to pay the New Year's compliment, on which occasion I entertained him and his grandees of the realm in the presence of all the Members of the Council of Policy and further qualified officials with a stately dinner, after which they returned to their residence very well pleased around four o'clock. Thursday the 27th, a separate letter sent to Bima and a ditto to Saleyer, see secret letter book. Friday the 28th, nothing. Saturday the 29th, nothing. Sunday the 30th, nothing. Monday the 31st, the boom farmer Intje Sadulla came to warn me that a vessel from Banjarmasin had arrived in the Bugis settlement, which had on board an emissary from the King of Banjar to the King of Bonij along with a letter and some gifts. I thanked him for this warning and subsequently kept quiet to see what the King would do. April Tuesday the 1st, nothing occurred. Wednesday the 2nd, the King of Bonij informed me, just as had happened in Anno 1779 with that of Riau, of the arrival of the Banjarmasin envoy mentioned under the 31st of March, and at the same time requested our Malay scribe to translate the letter brought to him by that envoy. I thanked His Highness for the communication and immediately sent him the requested scribe. Who also shortly after provided me with a copy of it, which letter is to be found among the Appendices of this document, which principally contained a request for large, fine horses trained for deer hunting, and an offer of a pair of diamond rings, a shield inlaid with gold and silver, a pair of silk patolas, and a pair of silk embroidered handkerchiefs. Thursday the 3rd, nothing to note. Friday the 4th, ditto. Saturday the 5th, at my request, the King of the Macassars came to me, accompanied by his foremost grandees of the realm: Karaeng Data, Karaeng Barombong, Karaeng Palemba, and Karaeng Mandalle, along with Gallarrang Mangasa, Gallarrang Tombolo, and Gallarrang Batoe, the Tumilalang not having appeared due to indisposition. Having sat for a short while, the King informed me that he had now brought along the prince Daeng Pabalie, who had separated from the Rebel.
Dutch transcription
A„o 1783 Maart waar van de koning van Bonij kennisse gegeven Dingsdag den 18„e reverteerde den opertok Brugman van Sanrabonij Brugman van San„ met keer berigt dat de Koning en Rijxgrooten belooft hadden hun „drabonij best te zullen doen om dit Jaar iets inmindering hunner schuld af„ „teleggen en dat de homagie slaaven eerst drags zoude geleeverd worden. Ook erlangde jk teffens nadere berigten weegens de Engelschen nader bericht van Engelschen van Bima, vide de Sekreete Bijlaagen. woensdag den 19„e Sagtermiddags zond jk den Tolk Deefhout na den Koning van Bonij om acces teegens moegen voor gecommitteerdens te ver„ „zoeken. Donderdag „ 20„e Zond Jk den fiscaal van Rossum en siabandhaar De Vos in kommissie na het Hof van Bonij, om den Koning, die reets klaa„ „righeijd tot zijn voorstelling in de binne-Landen begint te maaken, te verzoeken om zijn vertrek na derwaarts uit te stellen tot de erlangst van zeekere berigten van vreede, te meer dewijl men tijding heeft dat hier 12. Engelsche scheepen om de oost rond zwerven en Jk gaarne van 's konings bij zijn in cas van eenige renkontre verzeekert wilde zijn ten einde met zijn Hoogheid geconjungeert gezamentlijker hand onzen algemeenen vijand het hoofd te kunnen bieden. Dezelve terug koomende bragten mijn tot ant„ „wonrd dat de koning gezegd had dat schoon de Madanrang heen stond te gaan om klaarigheijd tot zijn voorstelling te maaken zijn vertrek nog langer zoude aanloopen, dog dat hij mijn intusschen voor mijn kennis geeving bedanken liet. De gekommitteerdens zeide mijn ook dat zijn Hoogheijd verscheijdene vraagen noopens den oorlog met de Engelschen had gedaan. Ook hoe het kwam dat 'er geen scheepen uijtkwaamen en dat men deeze plaats met geen schip of twee in deeze tijd voorzag, voort of die van sumbauwa wel te vertrouwen zoude weesen en of men op die van Bima een vaste staat konde maaken etc:, al het welke de Fiscaal op een gepaste wijze tot zijn genoegen had beantwoord. passeerde niets als dat op heeden op verzoek van den koning van sandrabonij een pas aan zijn zendeling vrijdag „ 21„e Fciaing Baloezang verleende om na de Mangerij ter inkoop van Rijst eld: te vaaren. Saturdag „ 22„e 's voordemiddags bragten de gekommitteerdens van het Maccassaarse gecommitteerdens van Goah. Hof na oude gewoonte bij mijn ter lectuure de Jongst door haare gezanten van Batavia voor hun meede gebragte brief Hunner Hoog Edelheed=s en - E = word A„o 1783 Maart hunne verrigtingen de tijding van de Engelschen per Expresse verder na de groote oost bedeeld Dingsdag „ 25„e zijn nieuwe Jaars Eompliment aflesgen saleijer. Zondag „ 30„' en verzogten teffens voor hun Koning acces om het nieuwe Jaars kom„ „pliment af te koomen leggen dat ik teegens woensdag aanstaan„ „de bepaalde, bij welke geleegendheid jk aan gemelde gekommitteerdens voor hunnen vorst ter hand stelde een onder wijlen de Heer van der voort /:z:/ en nu nog onder mijn berusting gebleevene Rijks Assegaij van den geweezene en na Bima gevlugten dog daar agterhaalde en vervolgens van hier gezondene koning van Voah. waar van men zo wel mel„ „ding vind gemaakt bij de in A„o 1767. door de Heer Sinkelaar nagelatene Memorie als van een kris of heup geweer, die gelijk mijn onderrigt wierd geen Rijks ornament zijnde en die gevlugten koning in het bijzonder toebehoort hebbende, onder mijn verbleeven Op Heeden depecheerde Ik ook af het expres ter overbreng van tijding na Ambon en Ternaten van de omstreeks Bima zwervende Engelsche scheepen ingehuurde vaarthuijgen. Maandag „ 24„e Enihil Zondag den 23„e woensdag „ 26„e Zwam de Koning van Goah het nieuwe Jaars kompliment afleggen de koning van Goah komt bij welke geleegentheid Jk hem en zijn Rijksgrooten ten bijweezen van alle de Leden van Politie en verdere gequalificeerdens op de deftige middagmaal onthaalde waar na zij zeer vergenoegd tee„ „gens vier uuren na hun woonplaats terug keerde. Donderdag den 27„e Een aparte briefje na Bima en een dito na Saleijer afgezonden schrijvens na Bima en vide sekreet brief boek. 7 vrijdag den 28„e Saturdag „ 29„e Cnihil Maandag „ 31„e Zwam mijn de Booms=pagter Intje Sadulla waarthou„ „wen dat 'er een vaarthuijg van Banjermassing in de Kampong Boogis was aangekoomen het welke op had een zendeling van den koning van Banjar aan den Koning van Bonij neevens een brief en eenige geschenken. Jk bedankte hem voor deeze waarschouwing is. — Pr 16 A„o 1783 Maart dat aan Bonijs koning g'addresseerd is. vrijdag Saturdag de koning der makassaren met eenen van Sankilangs aanhang overgekomen Prins. waarschouwing en hield mijn vervolgens stil om te zien wat de Koning zoude doen. April Dingsdag den 1„e passeerde niets. woensdag „ 2„e Liet mijn de Koning van Bonij even als in A„o 1779 met die van Riouw had plaats gehad, kennisse te geeven van de aankomst der onder den 31„e Maart vermelde Banjermassingse gezant en teffens verzoeken om onze Maleijdsche schrijver tot het overzetten van de door die Gezant aan hem meede gebragte brief. Jk liet zijn Hoog„ „heijd voor de Kommunicatie bedanken en zond hem terstond de verzog„ „te schrijver toe. Dewelke mijn ook kort na dato bezorgde een af„ „schrift van dien, onder de Bijlaagen deezer te vindene missive die ten principaale inhield een verzoek om groote mooije Paarden tot de Hartebeesten Jagt gedresseert en een aanbod van een paar diamante Ringen. Een met goud en zilver in gelegd schild; Een paar zeide patholen en een paar zeide gestikte Neusdoeken Donderdag „ 3„e viel niets te noteeren 4„o ad= idem 5„e kwamen op mijn verzoek bij mijn den Koning der Maccagaaren ver verzeld van zijn voornaamste Rijxgrooten. Craen Data Craen Barombong Craen Palemba en Eraen Mandalle neevens glarrang Mangasa glaszang Tombolo en glarrang Batoe, zijnde den Tomilalang door indispositie niet verscheenen. Een weinig gezeeten weezende gaf mijn de Koning te kennen dat hij thans meede gebragt had den prins Daing Pabalie, die van den Rebel afgezondert voor a gen binnen. den „ ze
English
Anno 1783 April Negotiation with the king about the adjoining. Some time ago, see what was noted under 10 January past, he had crossed over to him to submit and obtain a pardon, whereupon I made him enter unarmed, returned his sidearm under a suitable recommendation, and granted a full pardon; subsequently I directed the discourse to the letter from Their High Excellencies recently brought along by their ambassadors, which I first had read aloud by the Thaleios writer, and pointed out to them therein the goodness of Their said Excellencies in the restitution of Samboppo, although Sampong-Java (a piece of land lying south of this Castle on the bank of Pods River, which in former times, see the Memoir of Mr Sinkelaar, was always considered a harmful smuggling nest) was not to be included therein, as well as the granting of superiority over the Trojeenders, while I at the same time also held out to them the impossibility of consenting to the other requests, particularly the exemption from the tithe, as it went without saying that they, as instigators of the war or the rebellion that had arisen, should indemnify the Honourable Company for such immense war costs as had been caused thereby, which, since they could make no cash reimbursement, absolutely had to occur in this manner. Upon this they expressed their joy over the first two articles, but wished, according to what they said, that the other could also have been agreed to. But I diverted them from this as best I could, partly in a friendly manner and then again somewhat resolutely by clear explanations of its impracticability, and then also made known that with respect to the half Sodiang controlled by them before, something might perhaps still be done in time, and that regarding this I would very gladly take it upon myself to present their petition once more to Your High Excellencies. This pleased them, and after this they also seemed to become somewhat better humoured, and after having enjoyed some refreshments, they departed under the ordinary ceremonial, amicably back to Kummont. Anno 1783 April Of the appointment of a new chief and under-interpreter, both courts notified. A Wadjorese vessel fought against the English. Disputes between the King of the Macassars and his Brother settled. Sunday the 6th Monday 7th nil Tuesday 8th Wednesday 9th I sent in the afternoon Delfhout and Bewers, under the escort of the under-interpreter De Graaff, to the King of Boni to give notice, according to the custom here, that in place of Brugman, who had been promoted to Resident of Maros, the mentioned Deefhout had been appointed by me again as chief interpreter, and the said Bewers as second ditto, whereupon His Highness had me thanked for the notification. I likewise had this message delivered to the King of Goadh by the aforementioned under-interpreter De Graaff. Furthermore, from Thursday 10th to Wednesday 16th nothing noteworthy occurred, except that on the 15th such a report was made to me by the Malay Intje Samauw regarding a certain encounter between some English boats or small craft and a Wadjorese gonting, as can be seen under the appendices of this document. Thursday 17th there came to me the Shahbandar of Goadh, otherwise Craeng Salemba, to make known to me that the disputes that had arisen between the King and his Brother Prince Data, out of a misunderstanding by the latter that the former had curtailed him in his character as First Administrator of the Realm, had been settled amicably again, the commission of which I had entrusted to this old and worthy minister of state, who has much influence on both these princes. Furthermore, on Friday the 18th Saturday 19th nothing of importance occurred. Sunday 20th Monday 21st Anno 1783 April Rumour spread of Sankielang, in which there is no truth. Tuesday the 22nd the Captain Commandant Baserman brought me a report that the sergeant Hendrik Stolberg, stationed at Malangkerie, had informed him that some rumours had been spread there that the rebel Sankielang was said to be in the negorij Kabalokang, with over a hundred horses: upon which report, although ridiculous, I immediately sent the chief interpreter Deefhout to the King of Goah to tell him that I was very weary of continually having to be troubled with such reports of such a vagabond, and at the same time astonished that if he dared to show himself at all, the King and the other grandees made not the slightest move to attack him, and thus, if possible, to destroy him entirely, especially to do their utmost to gain possession of the regalia still to be found with him, insofar as nothing had already been alienated. Indeed, that Their High Excellencies had even recommended this to them as a matter of importance. Wednesday the 23rd said chief interpreter brought me in reply that the King let me know, with his friendly greetings, that the mentioned Kaballokang, in which Pankielang was said to be, lies so far from Goadh that in this rainy season neither could they reach him nor he them, and that therefore, as well as because these were only loose and to them incredible rumours, he had not wished to trouble me with such trifles, but that I could be assured that in case said vagabond should come closer, he and his people, as faithful allies of the Honourable Company, would vigorously resist him, and on such an occasion would then notify me thereof. From Thursday the 24th to Wednesday 30th nothing noteworthy passed. May
Dutch transcription
A„o 1783 April onderhandeling met de koning. over het nevenstaande voor eenigen tijd, vide het genoteerde onder den 10„e Ianuarij passato tot hem was overgekoomen om zich te onderwerpen en pardon te erlangen, waar op jk hem ongewapend deed binnen koomen, desselfs heup geweer onder een gepaste Recommandatie weder over„ „gaf en een volkoomen pardon verleende; vervolgens bragt jk het discours op de onlangs door hunne Gezanten meede gebragte brief Hunner Hoog Edelheedens, die Jk voor af door de Thaleios schrijver overluijt liet op leesen en stelde hun daar in voor de goetheijd van Hoog Dezelve in de teruggave van Samboppo daar Sampong=Java /: een stuk lands leggende bezuiden dit Casteel aan de boord van Pods Rivier dat in voorige tijden vide de Memorie van de Heer Sinkelaar altoos als een schadelijk smokkelnest is geconsidereert geworden:/ Egter niet onder begreepen moest worden. ook het toestaan van de superioriteijt over de Trojeenders, wanneer Jk hun ook te gelijk voorhield de onmogelijkheijd die 'er is om in het andere verzogte, bijzonder de ontheffing van de verthiening te consenteeren, alzo het als van zelve sprak dat zij, aanleggers van den oorlog of de ontstaane Rebellie, de Ed„e Komp„e voor zulke ont„ „zaggelijke oorlogs kosten als daar door veroorzaakt waaren schade„ „loos stelde, het geen daar zij geen Contante vergoeding konde doen, dies absolut op deeze wijze moest geschieden. zij betuigde hier op hunne blijdschap over de twee Eerste Articulen maar wenschte naar hun zeggen teffens dat in het andere ook had kunnen wor„ „den toegestemd. . Dog jk heb ze daar van zo goed doenlijk gedeelte, „lijk op een vriendelijke en dan weeder eenigsints op een Cordaate wijze door duydelijke voorstellingen van dies indoenlijkheijd gediverteerd, en toen teffens te kennen gegeven dat er met op „zigt tot het halve door haar bevoorens behierde sodiangse zomtijds nog iets te doen zoude zijn en dat jk daar omtrend zeer gaarne op mijn wilde neemen uwe Hoog Edelheedens nogmaals hunne instantie dien aangaande voor te dragen. Dit stond haar aan en hier na scheenen zij ook wat beeter gehumeurt te worden en vertrocken nog Eenige ververschingen genooten te hebben onder het ordinaire Ceremonieel vriendelijk na kummont te d0s lb Ao 1783 terug — April van de aanstelling van een nieuwe opper en Donderdag „ 10„e tot woensdag een wadjerees vaartuig tegens de Engelsche ge verschillen tusschen de Koning der Makassaren en zijn Broeder bij gelegd. vrijdag den 18„e Zondag den 6„e Maandag „ 7„e nihie Dingsdag „ 8„e de beide hoven kennis gegeven. woensdag „ 9„e Zond jk 'snamiddags Delfhout en Bewers onder geleide van den ondertolk De Graaff na den Koning van Bonij om na den gebruijke alhier kennis te geeven dat in plaats van den tot Resident van Maros bevorderde Brugman door mijn weeder tot oppertolk was aangesteld gemelde Deefhout en tot tweede dito gedagte Bewers waar op zijn Hoogheid mijn voor de bekentmaking bedanken liet. Deeze bootschap liet jk ook Jnsgelijks aan den Koning van Godh. door voormelde ondertolk De Graaff doen. voorts viel 'er van „ 16„e niets merkwaardig voor, als dat mijn op den 15„e door den Maleijer Intje Samauw, zodanige opgave weegens zeekere rencontre tusschen Eenige Engelsche boots of schuijten en een wadjoreese Gonting is gedaan, als onder de Bijlaagen deezes te b'oogen is. Donderdag „ 17„e kwam bij mijn den Siabandhaar van Jdah anders Craeng Salemba, om mijn bekend te maaken, dat weeder in der minne bijgelegd waaren de tusschen de Koning en zijn Broeder Prins Data ontstaane verschillen uit een mis verstand van den laasten dat den Eersten hem in zijn Caracter als Eerste Rijxbestierder zoude hebben verkort en waar van Jk de Commissie dezen ouden en braeven staat minister die veel influentie op beide deeze vorsten heeft had op gedragen. voorts viel 'er op Saturdag „ 19„e niets van aanbelang voor Zondag „ 20„e Maandag „ 21„e „slagen. Dingsdag ondertolk.. 3 A„o 1783/ April verspreid gerugt van Sankielang. daar niets aan is. Donderdag den 24„e tot Dingsdag den 22„e bragt mijn den Kapitain kommandant Baserman Rap„ „port dat den te Malangkerie bescheiden leggende zergeant Hendrik Stolberg, hem had bekend gemaakt dat aldaar Eeni„ „ge gerugten waren verspreid dat den Rebel Sankielang zich op de Negorij Kabalokang zoude bevinden, met over de Hondert Paarden: op welk Berigt schoon belachelijk Regter aanstonds den oppertolk Deefhout na de Koning van Goah zond om denzelven te zeggen dat jk zeer moeijelijk was van nog telkens met zulke berigten van zo een vagabond te moe„ „ten lastig gevallen worden en teffens verwondert te weezen dat als hij zich al durfde vertoonen den Koning en de verdere Grooten geen de minste beweeging maakten om denzelven te gaan attacqueeren, en dus waare het mogelijk, ten eenemaal te verdelgen, bijzonder om hun uijterste best te doen om der nog onder hem te vinden zijnde Rijks=ornamenten, voor zo verre niets reets veraliëneert te zien magtig te worden. Ja dat Hunne Hoog Edelheedens hun zulx immers zelfs als een poinct van aangeleegentheid hadden aan gerecommandeert. woensdag den 23„e Bragt mijn gedagte oppertolk ten antwoord dat de Koning mijn onder zijne vriendelijke groete weten liet dat gemelde Kaballokang waar in Pankielang zich zoude bevinden zo ver van Gdah Leid dat zij in dezen regen tijd nog bij hem nog hij bij haar konde komen en dat hij daaromme zo wel als om dat het maar losse en bij haar ongelroflijke gerugten waaren mijn niet met zulke beuzelingen had willen vermoeije„ „lijken, maar dat jk verzeekert konde weesen, dat ingeval gem: vagabond nader mogte koomen hij en de zijne als getrouwe Bondgenooten van de Ed„e komp„e hem vris te keer zoude gaan en bij zo een geleegentheid mijn als dan daar van verwittigen. an woensdag „ 30„e passeerde niets van aanmerking Mai K lb
English
Anno 1783 May. Rumor of English ships. What was undertaken in that regard. that if it were not a matter of wishing, he would indeed want the English to arrive here, while the Honorable Company would then first perceive how faithful and well-intentioned he is towards the same. Thursday the 1st Friday - - - the 2nd also had nothing to note. Saturday - - - the 3rd Sunday - - - the 4th Just past one o'clock in the afternoon, I received tidings from Boelecomba that a Buginese coming from the Mandhar had reported to the cruisers that there were said to be seven English ships at the Mandhar, with the intention to set their course to Bonthain or directly hither, whereupon I convened the Police council towards half past three, and there planned what was necessary, see the secret Resolution. In consequence thereof, I also immediately sent the chief interpreter Deefhout to the King of Boni to inform His Highness of this news and to request that he have the necessary preparations made, in order that we may be on our guard in time, since one cannot know whether this news might at times be true or untrue, while I for my part shall likewise not fail in all respects to plan the necessary measures to be able to withstand our enemy: to which message the King of Boni sent me his thanks with the assurance that His Majesty, as First Ally celebrated on this coast, would not fail from his side to have everything readied that might be required for a brave defense, and furthermore that His Majesty would today yet send off a fast-sailing vessel to the Mandhar or thereabouts to inquire into the authenticity of the report, and if found to be true, His Majesty would at once charge that messenger to summon the lesser Boni allies to come up hither with the necessary troops as swiftly as possible and without delay for the assistance of the Honorable Company. Furthermore Anno 1783 May Furthermore, I also sent the sub-interpreter Bewirs: out on the road to the Mandhar this very evening, accompanied by the ordinary messenger Carre Mandjarekie, to obtain true tidings of the aforementioned report. Monday the 5th I sent the chief interpreter Deefhout again to the King of Boni to submit to His Highness whether he did not deem it very necessary with me that a Commission be dispatched from both sides to the Mandhaar, principally to remind and hold before the seven head Kings, Maradias or the so-called princes of the seven Rivers, the contents of the contracts still existing between them and the Honorable Company, consisting therein that they may admit no foreigners into their land, much less assist the same with any things whatsoever named, etc., and that this is now indeed most particularly expected in respect of the English who are at war with us, for the maintenance of the alliance, if they do not wish to be treated as violators of the same: and in case His Highness might come to approve this proposal, that I then requested that His Majesty be pleased to choose one from the Great of Boni for this purpose, in order to be able to depart immediately for the Mandhaar with one of our commissioners, while I also had it proposed to the King at the same time to have the still quarreling parties, namely Sidenreng, Soppeng, and Arou Pantjana, informed in my name and that of His Highness that they shall have to desist from all hostilities and lay down their arms, since one cannot know how soon their assistance will be needed here, as it will also moreover be far more profitable for them all to use their weapons against our common enemy rather than against one another over disputes not worth mentioning. Continuation. Continuation Anno 1788 21 May Continuation Two thieves returned to the King of Boni. A vessel from the Mandhaar. To both of these messages I received in reply that His Highness approved my proposals, but that before doing anything in that regard, he was obliged first to deliberate with his State Councilors about it, whereupon he would then let me know further answer. The King also had me requested on that occasion for the release of two of His Highness's subjects, who had been apprehended here in the kampongs a few days ago for committing theft, and clapped into the long chain according to custom, which I granted immediately, sending the same back to him today yet with the sub-interpreter De Graaff. However, with the added request to be pleased to see to it that they would henceforth no longer commit such wantonness, for which I had been obliged to discipline them. On this day, the Shahbandar De Vos informed me that early this morning there had arrived here in the roads the Malay Din Padjonie, who had declared that he had departed from Mandhar for this place just six days ago, and that during his stay there nor on his aforementioned return had he seen any English ships, much less heard anything of the same. Of which I had a written statement made to me, see the Appendices. A short letter to Boelecomba: Meanwhile, I also dispatched a short letter to Boelecomba in reply to the Resident's aforementioned writing. Tuesday the 6th Wednesday the 7th nihil Thursday the 8th After previously requested access, there appeared before me the Gallarang of Bontoala to tell me, in the name of the Court of Boni in answer to my proposal made on the 5th of this month, Continuation of the 4th of May. that the King and the Great of the realm, with respect to those of Mandhar, are of the opinion that it would be better to send no one to them, for the reason
Dutch transcription
9 A„o 1783 Mai. gerugt van Engelsche scheepen. wat daar omtrend in het werk gesteld. ¶dat als het niet wenschen te doen was hij wel wilden dat de Engelschen hier aankwamen, terwijl de Ed: komp=e als dan eerst, zoude ontwaaren hoe ge„ „trouw en welmeenend hij om„ „trend dezelve is. Donderdag den 1„e vrijdag - - - „ 2„e viel almeede niets te noteeren. Zaturdag - - - „ 3„e Zondag - - - „ 4„e 'S middags even over een uur ontfing jk van Boelecomba tijding dat door een Boeginees van de Tandhar koomende aan de kruijssers gerapporteerd was, dat 'er seeven Engelsche scheepen op de Mandhar zouden leggen, met voorneemen om hun Cours na Bonthain of direct hier na toe te nee„ „men, zwaar op Jk teegens half vier de vergadering van Politie liet beleggen, en daar bij het noodige, vide de secreete Resolutie beraamde. Ingevolge van dien zond jk ook ten Eersten den oppertolk Deef„ „hout na den Koning van Bonij om zijn Hoogheid deeze tijding te verwittigen en te verzoeken de nodige preparatien te willen laten doen, ten eijnde bij tijds op onze hoede te kunnen we„ „zen, aangezien men niet weeten kan of die tijding zomtijds waar ofte onwaar mogte weesen, terwijl Jk van mijn kant almeede niet in gebreeke zal blijven om alle zints de noodige maat regulen te beraamen om onzen vijand het Hoofd te kunnen bieden: Op welke boodschap den Koning van Bonij mijn bedanken liet met verzee„ „kering dat zijn Majesteijt als Eerste Bondgenoot te deezer custe celeber niet nalaten zoude van zijnen zant alles wat tot eene dappere defensie vereijscht wierde, in gereedheid te laaten brengen en ^ & voorts ook dat zijn Majesteijt ten Eersten een wel bezeijld vaarthuijg heeden nog na de Mandhar of daar omstreeks zoude afzenden om na de Egtheid van 't Berigt te verneemen, en waar mogte bevonden werdende, zijn na„ jesteijt dien zendeling met eens zoude gelasten om de Bonijse mindere Bondgenooten aan te zeggen van ten spoedigsten en zonder uijtstel met de noodige Manschappen na herwaards ter assistentie van de Ed„le Comp„e op te komen. Voorts van ƒ A„o 1783 Mai Voorts zond /k ook den ondertolk Bewirs: nog heeden avond verzeld van den ordinaire zendeling Carre Mandjarekie de weg na de Mandhar uit, om waare tijding van voorzz: Rapport te erlangen. Maandag den 5„e Smojk den oppertolk Deefhout weeder na de Koning van Bo„ „nij om zijn Hoogheid voortehouden of hij met mijn niet zeer noodzakelijk oordeelde dat men van weerskanten Eene Com„ „missie na de Mandhaar decerneerde, hoofd zaekelijk om de seven hoofd Koningen, Maradias of de zogenaamde vorsten van de zeven Rivieren te laten voorhouden en herinneren den inhoud van de Contracten tusschen haar en de Ed„le Comp„e nog subsisteerende daar in bestaande dat zij geen vreemdelingen op hun Land vermogen te admitteeren veel minder dezelve met eenige dingen hoe genaamt te adsisteeren ett:, en dat men dit wel in opzigt van de met ons in oorlog zijnde Engelschen thans wel allerbijzonderst verwagtende is, tot onderhouding van het verbond, willen zij niet als overtreeders van het zelve gehandelt weesen: en bij aldien zijn Hoogheijd deeze voorstel mogte koomen goed te keuren dat jk dan verzoeken liet ma dat zijn Majesteijt ben uijt de Grooten van Bonij daar toe geliefden te verkiesen, ten eijnde met een van onze gekommit„ „teerdens na de Mandhaar ten Eersten te kunnen vertrekken terwijl ik den Koning te gelijk ook liet voorstellen om uijt naam van mijn en die van zijn Hoogheijd de nog twistende parthijen, namentlijk Sideenring, soeppa en Arou Pan„ „tjana te laten aanzeggen, dat zij van alle vijandelijkheeden zullen hebben aftezien en de wapens neederleggen, aangezien men niet weeten kan hoe spoedig men hun assistentie hier zal nodig hebben, daar het ook boven dien vrij nuttiger voor hun allen zal zijn hunne wapenen tegen onzen algemeenen vij= „and dan teegens elkanderen om niet noemens waardige verschillen te gebruiken. een vervolg. 5 vervolg t A„o 1788 21 Mai vervolg twee dieven de koning van Bonij terug gegeven. een vaarthuig vande mandhaer. Op deeze beide boodschappen kreeg kk tot antwoord dat zijn Hoogheijd mijn voorstellen goedkeurde, maar dat hij alvoorens daar omtrend iets te doen, verpligt was om Eerst met zijne Rijks Raden daar over te raadpleegen wanneer hij mijn als dan nader antwoord zoude laten weeten. Ook liet den Koning mijn bij die geleegentheid verzoeken om de largatie van twee zijner Hoogheits onderdaanen, die alhier voor eenige dagen in de Kampongs over gepleegde dieverij waaren opgepakt, en na den gebruike in de lange ketting geklonken, 't welk jk terstond accordeerde, zendende hem dezelve nog heeden met den ondertolk De Graaff terug. Egter met bijgevoegd verzoek om te willen zorgen dat zij voortaan geen diergelijke baldadigheeden meer kwamen te pleegen, als waar over Jk verpligt was geweest haar te corrigeeren. Op Heeden berigte mijn den Siabandhaar De vos dat dezen morgen vroeg hier ter rheede g'arriveerd was, den Maleijer din Padjonie, die verklaard had dat hij nu pas ses dagen geleeden van Mhandhar na herwaarts was vertrocken en dat hij daar geduurende zijn aanweezen nog bij zijn retour voormeld geen Engelsche scheepen gezien veel min iets van dezelve vernoomen had. waar van Jk mijn Een schriftelijke opgave liet doen, vide de Bijlagen een briefje na Boelecomba: Inmiddens zond. jk ook een briefje af na Boelecomba in antwoord op 's Residents voormelde schrijvens Dingsdag den 6„e xe Cnihil woensdag „ Donderdag „ 8„e verscheen na voor af verzogt acces bij mijn den glarrang van Bontoalacx om uijt naam van het Hoff van Bonij mijn in antwoord mijner vervolg van den 4: mai. onder den 5„e deezer gedaanen voorstel te zeggen dat den Koning en Rijksgrooten met opzigt tot die van Mandhar van mening zijn dat het beter zoude wesen niemand aan hun aftezenden om reedenen het dze t lie „ ken
English
Anno 1783 May continued a note to Saleijer it was a fixed law among the Boniers, nay among all the peoples of this country, that if a superior ally sends an envoy on a commission on his own behalf regarding another matter to an inferior ally, no matter how much the latter might have sinned, it serves as certain proof that all previous offenses are forgotten and forgiven. And that the offense of the Mandharese, both toward Bonij and the Company, is far too great and manifold to do this. But that they fully approved my dispatching commissioners to Datoe Sideenring and associates to order them immediately to cease committing hostilities against one another, and on their part had therefore already appointed the Soelematang Matjege to go thither, whom mine could join. With regard to the former, I said that I acquiesced in the answer given on that subject, as such were the customs of the Boniers, although I had wished it were otherwise. And that, with respect to the second point, I would appoint on my behalf the Bookkeeper and former Resident of Saleijer Alexander Whijts, who could then depart for the North as soon as possible with His Majesty's commissioners. Furthermore, today, by the ordinary provision prahu to Saleijer, I dispatched a note to Resident Swart dated the 6th of this month. Friday the 9th. Nothing. Saturday the 10th. Sunday the 11th. The King of Bonij informed me that his express messengers, sent along the way toward Mandhar, had heard nothing of the English ships, not even from a vessel that had arrived at Parre Parre on the very day of their arrival there, having departed from there within a day and a night. Monday. lb Anno 1783 May 23 a note to Bima had returned to Bonij's king. letters to Bima Monday the 12th. I dispatched, by one of our traders, a separate note to the Resident of Bima. Also today, the commissioners mentioned under the 8th of this month departed for Socipa and Sawito in order, if possible, to somewhat calm the troubled minds there. Tuesday the 13th. Nothing occurred. Wednesday the 14th. At the request of the King of Bonij, I caused a stolen young slave boy, bought a few hours earlier by the Burgher Krookwits but not yet paid for, to be returned to that prince; the child belonged to one of His Highness's little sons who, as he informed me, was crying terribly over it, having only been stolen from in front of his house this morning. Thursday the 15th. Nothing occurred except that, by one of our traders, I dispatched the duplicate note of the 12th of this month, as well as one of today, via Sumbauwa to Bima to Resident Meurs. Friday the 16th. Assistant Interpreter Bewers, whom I had dispatched on the 4th of this month along the way to Mandar, returned with the report that along the entire length of Mandhar he had seen no English ships, nor heard anything of them from the people he met along the way. Saturday the 17th. Sunday the 18th. Nothing. Monday the 19th. Wednesday the 21st. Thursday the 22nd. Saturday the 24th. Sunday the 25th. an envoy to Sanrabonij Friday the 23rd. Nothing occurred. Monday the 26th. The ordinary envoy Daing Mandjarkhie was sent to Sanrabonij to demand payment of debt and to collect the two homage slaves that that little realm must deliver annually to the Company. Tuesday the 20th. Received a note from Boelecomba. continued from 4 May continued from 4 May also 7 Anno 1783 May and a message to Bonij's king continued from 4 May Thursday the 29th. Nothing of importance occurred. Friday the 30th and Saturday the 31st. Wednesday the 28th. Also the Assistant Interpreter De Graaff to the King of Bonij to inquire after his health, as His Highness was somewhat indisposed. Tuesday the 27th. Bookkeeper Whijts, who had departed thither on the 12th of this month together with the envoy of the Court of Bonij, returned from Soupa and Sawitto, giving such an account of his commission as dictated by the written report submitted by him, of which I also had the King of Bonij informed by Whijts himself, just as His Highness also informed me of the return and accomplishments of his envoys. 1 Appendices belonging to The Dispatched Secret and Separate Letters to Batavia since 14 October 1782 until 3 April 1783 No 2 Z Sir. The masts that I lost in the various engagements, the shortage I have of them, which will become even greater on account of the ships that I expect, compel me to take advantage of the obliging offer of the Government of Batavia, which did me the honor of informing me that there were 43 pieces of mast timbers at Malacca, the dimensions of which it sent me, at the disposal of the fleet. Mr Falck, Governor of Ceilon, who realized the importance of this matter, provided me with a letter for you on that subject. It is to load those masts that I am sending the frigate la Pourvoijeuse, commanded by the Knight de Tromelin, Lieutenant of a ship of war; pursuant to the intention of the High Government, he will give you receipts or bills of exchange drawn on the King's Treasury for payment, and I beg you to kindly accept the same papers in payment for the other expenses that he will be obliged to incur for the crew and the frigate he commands; by assisting Mr Tromelin in the operation with which he is charged, you will render a substantial service to the fleet, and consequently also to both nations. In the reinforcements that I expect from France, I expect little or no mast timber, and I find myself likely to have a third engagement shortly, for the English, who after the action of 12 April had been blockaded in Trinconomale until now
Dutch transcription
A„o 1783 Mai vervolg een briefje na Saleijer het bij de Boniers Ja onder alle deeze lands volkeren een vaste wet was dat als een meerdere Bondgenoot aan een mindere, hoe veel die ook mogt gezondigt hebben, een sendeling op Commis„ „sie zijn en tweegen omtrend eene andere affaire liet afgaan, het dan ook een vast bewijs is dat al de vorige misdaad vergeten en vergeven is. En dat der Mandhareesen misdrijf zo omtrend Bonij als de Comp„e al te groot en meenigvuldig is, om dit te doen; Dog dat zij het afzenden van gecommitteerdens na Datoe sideen„ „ring C: S: om hun te gelasten het pleegen van vijandelijkhee„ „den teegens den anderen terstond te staaken, met mijn zeer, goedkeurden en dienthalven reets den soelematang Matjege benoemd hadden hunnentweegen derwaarts te gaan, waar bij de mijne zig voegen kon. Met op zigt tot dat eerste zeide jk dat jk in het daar omtrend gegevene antwoord dewijl der Bo„ „niers gebruijkelijkheeden zo waren genoegen nam, schoon jk wel gewenscht had dat het anders waare, En dat jk met betrecking tot het tweede poinct van mijnentweegen benoemen zoude den Boekhouder en oud saleijers Resident Alexander whijts die dan zo spoedig doenlijk met 's konings gecommitteerdens na de Noord zoude kunnen vertrekken Voorts zond jk op heeden per de ordinaire provisie Prauw na saleijer af een briefje aan den Resident Swart ged„t 6„e beezer Vrijdag den 9„en Enihil Saturdag - „ 10„e Zondag „ 11„e Liet mijn de koning van Bonij weeten dat zijne, de weg uit na vervolg van den 4. mai Mandhat gezondene Expresse niets van de Engelsche scheepen vernomen hadden, zelfs niet van een op den zelfden dag van hun komst op Parre Parre aldaar, binnen een etmaal, van daan gekomene vaartuijg. — Maandag lb A„o 1783 Mai 23 een briefje na Bima bonijs koning terug laten geven. schrijvens na Bima Maandag den 12„e Zond jk per een onzer handelaars af, een apart briefje aan den Resident van Bima. Ook vertrokken op heeden na Socipa en Sawito de onder . den 8„e deezer vermelde gecommitteerdens, om de onruste gemoederen aldaar, is het mogelijk eenigsints te stillen. Dingsdag den 13„e viel niets voor woensdag „ 14„e heb jk op het verzoek van de koning van Bonij door den Burger een gestoole slave Jongetje, krookwits, aan dien vorst weeder doen terug geeven een door hem eenige uuren geleeden gekogt dog nog niet betaald kleine Ionge„ „tje van een zijner Hoogheids Zoontjes die 'er gelijk hij mijn liet weeten schrickelijk over huilde, en pas deeze morgen van voor zijn Huijs gestoolen was. Donderdag „ 15„e viel niets voor als dat jk per een onzer handelaars het du„ „plicaat briefje van den 12„e deezer als meede een dito van heeden over sumbauwa na Bima aan den Resident Meurs afzond. vrijdag „ 16„e kwam terug de door mijn den 4„e deezer de weg na de Mandar uit afgezondene ondertolk Bewers met keer berigt dat hij geheele Mandhar langs geene Engelsche scheepen gezien ook niets van dezelve van de onderweegs ontmoeten men„ „schen vernomen had. Saturdag den 17„e Zondag „ 18„e Enihil Maandag „ 19„e woensdag „ 21„e Donderdag „ 22„e Saturdag „ 24„e Zondag „ 25„e „een sendeling na san„ vrijdag „ 23„e viel niets voor. „drabonij- Maandag „ 26„' de ordinaire zendeling daing mandjarkhie, na Sanrabonij gezonden ter aanmaening van schuld en ter afhaal van de twee homagie slaaven die dat Rijkje 's jaarlijks aan de komp„e moet leeveren. Dingsdag „ 20„e een briefje van Boelecomba ontfangen. vervolg van den 4: mai vervolg van den 4. mai ook 7 Ao 1783 Mai en een bootschap aan Bonijs koning vervolg van den 4. mai Donderdag „ 29„' viel niets van aanbelang voor. vrijdag „ 30„e en Saturdag „ 31„e woensdag den 28„e Ook de ondertolk De Graaff, na de Koning van Bonij om te verneemen na desselfs welstand, alzo zijn Hoogheid wat onpasselijk was. Dingsdag den 27„e reverteerde van Soupa en Sawitto terug de onder den 12„e deezer neevens de zendeling van het Bonijse Hof na der „waarts vertrokkene Boekhouder whijts doende zodanig een verslag van zijn kommissie als het daar van door hem overgegevene schriftelijk Rapport dicteert en waar van Jk ook den Koning van Bonij door hem zelfs liet kennisse geeven, gelijk zijn Hoogheid mijn ook kennise gaf van de terug komst en verrigting zijner afgezondene. 1 Bijlaagen gehoorende tot De Afgegaane Secreete en Aparte Brieven naar - Batavia sedert den 14. October 1782 tot 3. April 1783 No 2 Z Mijn Heer. De masten dien ik verlooren heb in de diverse gevegten, het gebrek dat ik 'er aan heb, en welke nog grooter zal worden door de schepen dien ik verwagte, noodzaakts mij om van de obligeante aanbieding van de Regee„ „ring van Batavia te profiteeren, welke mij de eer aangedaan heeft van mij te melden, dat 'er op Malacca 43. ps. masthouten waren, waar van zij mij de maaten heeft overgezonden ter disposi„ „tie van de vloot. De Heer Falck Gouverneur van Ceilon, die het gewigtige van dit voorwerp heeft beseft, heeft mij met een brief voor uwE. op dat sujct voorzien. Het is om die masten te laaden dat ik de fregat la Pourvoijeuse zende, gecomman„ „deerd door mijn Heer den Ridder de Tromelin Luit. van een oorlog schip; hij zal uwE. inge„ „volge de intentie van de Hooge Regeering voor betaaling geeven quitantien, ofte Wissels op de Konings Kasse, en ik bidde uwE. van dezelve Papieren in betaaling wel te willen aannee„ „men voor de overige onkosten die hij genood„ „zaakt zal weezen te doen, voor de Equipagie en de fregat dien hij commandeerd; met wijn Heer Tromelin behulpzaam te weezen in de operatie daar hij mede gelast is, zult UwE. een weezentlijken dienst aan de vloot doen, en bij gevolg ook aan bijde de natien. In de secoursen dien ik van Frankrijk ver„ „wagte wagte ik weinig of geene masthou„ „ten, en ik vinde wij in het geval van binnen kort een derde gevegt te hebben, want de Engelsche die naar de actie van den 12. April in Trinconomale tot nu toe, waren inge„ „sloten
English
remained closed, have come out and naturally I shall see them within a short time. I have the honour to be with respect. (below was written) Sir, Your Honour's very humble and obedient Servant (was signed) Le Ch. de Suffren (in the margin) On board the Heros before Goudelaer, the 30th of June 1782 (lower) P. S. There will, with Monsieur Tromelin, be other French ships for which I request you to show the same kindnesses. (below that) For the translation from the French (Signed) R. B. Hoijnck van Papendrecht. The King's frigate La Bellonne, which I sent into the strait to cruise, will put into Malacca. I pray Your Honour to render him all services that shall depend on Your Honour. I have given him orders to endeavour to gather together all the mast timbers and provisions. Your Honour will render the greatest service to the common cause by helping him to all these articles upon the bills of exchange that he will provide to Your Honour. We expect multitudes of troops, and several more ships, for the maintenance of which it is necessary to provide; it is for that reason that I have not only ordered Mr. Joyeuse, commanding the frigate, to take all the rice that he could load, but also to charter a vessel for that purpose. Your Honour surely knows that Trincomalee has been in our possession since the 31st of August. Monsieur Hughes appeared on the 2nd of September to come to their aid; he was defeated on the 3rd, and on the 9th arrived inside Madras, where on the 15th, when Sir, I I departed from the coast, he still was. I have the honour to be with respect. (below was written) Sir, (lower) Your Honour's most humble and most obedient Servant (was signed) Le Ch. de Suffren (in the margin) On board the Heros, the 2nd of November 1782 in the roads of Atchien (lower) For the translation (Signed) R. B. Hoijnck van Papendrecht. — Instructions for the master of the ship Europa, Lucas Aams, and the Master of the bark the Geertruida Susanna, Jacob Ibsen. Honourable, Discreet Sirs, Whereas the mast timbers that must be transported to Ceylon by the ship Europa will not be ready before the middle of the month of February of the coming year, but for that vessel to remain lying here in the roads for so long might at times run the risk of being attacked by some passing enemy ships; whereas, on the contrary, the union of the same and the bark the Geertruida Susanna with the naval squadron of the Company that arrived from Batavia on the 23rd of this month could put the naval force in this strait sufficiently in a position even to attack with good success the enemy ships returning from China; and we therefore, having taken the advice of Mr. Toger Abo, Commander of the aforementioned squadron, have resolved to join the ship and the bark, previously mentioned, to the same, in order to help promote the measures that may serve for the security of our own navigation and the detriment of that of the Enemy: Your Honours are therefore informed of this by these presents, and that we consequently have not only augmented the ordnance of the ship Europa with ten twelve- and two eight- pounders, and had everything delivered that was necessary for that, but have also reinforced its crew with 80 sailors, namely: 18 Europeans, 12 native Christians, and 50 Chinese, 1 Bombardier, 1 Gunner, and 8 gunners' mates, besides 83 Soldiers with their full arms, namely: 7 Europeans, 6 Sepoys, and 70 Malays, under the command of Captain Lieutenant Hendrik van Nijvenheim. The crew of the bark the Geertruida Susanna consists of: 1 Master, 1 Chief Surgeon, 1 Under-Surgeon, 1 Mate, 1 Boatswain, 2 Quartermasters, 34 Sailors, namely: 14 Europeans, 6 native Christians, 2 Moors, 2 Javanese, 2 Javanese, and 10 Chinese, 1 Gunner, 4 Gunners' mates, and 16 Soldiers with their full arms, namely: 2 Europeans and 14 Malays. All mentioned by name on the muster rolls drawn up for that purpose. The Malay Soldiers, of whom the two Officers as well as Captain Lieutenant van Nijvenheim must be lodged in the cabin on the ship Europa, are provided with nothing on board other than rice and salt, since they have received money for other rations. During the expedition, Your Honours and your subordinates shall be under the general command of the aforementioned Mr. Toger Abo. We therefore order Your Honours strictly to obey and comply with the orders and signals that His Honour shall prescribe to Your Honours, to treat the native seafarers and Soldiers in such a manner that they are not made averse to the service of the Company, and jointly with one another to conduct yourselves in the fight against the enemy as faithful, courageous, and honour-loving Servants, so that they may return with glory and profit. While we wish Your Honours Heaven's bountiful blessing on your voyage and operations, and very gladly remain, (below was written) Your Honours' Good Friends (signed) P. G. de Bruijn, A. A. Werdlij, I. A. Heusel, Anno to help promote the measures that may serve for the security of our own navigation and the detriment of that of the Enemy: Your Honours are therefore informed of this by these presents, and that we consequently have not only augmented the ordnance of the ship Europa with ten twelve- and two eight- pounders, and had everything delivered that was necessary for that, but have also reinforced its crew with 80 sailors, namely: 18 Europeans, 12 native Christians, and 50 Chinese, 1 Bombardier, 1 Gunner, and 8 gunners' mates, besides 83 Soldiers with their full arms, namely: 7 Europeans, 6 Sepoys, and 70 Malays, under the command of Captain Lieutenant Hendrik van Nijvenheim. The crew of the bark the Geertruida Susanna consists of: 1 Master, 1 Chief Surgeon, 1 Under-Surgeon, 1 Mate, 1 Boatswain, 2 Quartermasters, 34 Sailors, namely: 14 Europeans, 6 native Christians, 2 Moors, 2 Javanese
Dutch transcription
„sloten gebleeven, zijn er uitgekomen en nauur„ „lijker wijze zal ikze binnen weinig tijd zien, Ik hebbe de eer niet eerbied te zijn. (onderstond) Mijn Heer UwEd. zeer nederigen en gehoorzaamen Dienaar (was getekend/ Le Ch. de Suffren (in mar „gine) Aan boord van de beros voor Goudelaer den 30. Iuni 1782 (lager) P. S. daar zal net mijn Heer Tromelin andere Fransche schepen weezen voor dewelke ik verzoeke dezelfde goedheden te hebben (:daar onder) voor het Tran„ „slaat uit het Fransch (Getekend/ R. B. Hoijnek van Papendrecht. De fregatte van de Koning La Bellonne, dien ik in de straat zeude om te kruissen, zal op Malacca inloopen, ik bidde uwE. van hem alle diensten te doen die van uwE. zullen afhangen, ik hebbe hem order gegeeven om te tragten van alle de masthouten en Provisien bij een te gaederen, UwE. zult de grootste dienst aan de gemeene zaak be„ „wijzen, met hem aan alle deeze articuls te helpen op de Wisselbrieven die hij UwE. zal bezorgen. Wij verwagten meenigten van troupes, en verscheide schepen meer, tot onderhoud van welke het noodig is te voorzien, 't is daarom dat ik de Heer Soijeuse commandeerende de fregat, niet alleen gelast heb, van al de rijst dien hij kun laaden te neemen, maar ook een vaartuig voor dat oogmerk te huuren. uw E. weet zeekerlijk dat Trinconomale in ons bezit is, sedert den 31. Aug=s mijn Heer Hughel verscheen den 2. 7ber. om te hulp te ko„ „men, hij wierd den 3. geslagen, en kwam den 9. tot Madras binnen, daar hij den 15. toen Mijn Heer, ik 3 ik van de kust ging nog was. Ik hebbe de eer met eerbied te zijn. (onderstond) Mijn Heer, (lager) UwE. onderdaanig„ „sten en gehoorzaamsten Dienaar (was getekend/ Le. Ch. de Suffrin (in margine/ Aan boord van de Heros den 2. 9ber. 1782 op de reede van Atchien (lager) voor het Translaat (Getekend) R. B. Hoijnck van Papendrecht. — Instructie voor den schip„ „per van het schip Europa, Lucas Aams, en Gezaghebber van de bark de Geertruida Susanna, Jacob Ibsen Eerzaame Discreete, Nademaal de masthouten welke door het schip Europa naar Ceilon moeten worden vervoerd, niet voor het midden van de maand Februari z des aanstaenden jaers in gereedheid zullen wee„ „zen, dog die bodem niet dus lang hier ter reede te blijven leggen somtijds gevaar zoude loopen van door eenige passeerende vijandelijke schepen te worden geattaquerd, doen in tegen„ „deel de vereeniging van den zelven en de bank de Geertruida Susanna met het op den 23. hujus van Batavia aangekomen Oor„ „logs-esquader Comps. zeemagt in deeze straat genoegzaam in staat zoude kunnen stellen, om zelfs de vijandelijke schepen, die uit China weder en „keeren, met goed succes aan te tasten, en wij ne overzulks, na ingenomen advies van den Heer Toger Abo, Bevelhebber over het gemelde Esquader, besloten hebben het schip en de bark, hier vooren genoemd, bij hetzelve te voegen, om E om de maatregelen te helpen bevorderen, welke tot beveiliging van onze eigen vaart en benadeeling van die des Vijands strekken kunnen: zoo worden uwE. daen van bij deezen geinformeerd, en dat wij dienvolgens niet alleen het geschut van het schip Europo met tien twaalf en twee agt„ „ponders hebben geaugmenteerd, en al wat daen bij noodig was laaten verstrekken, maar ook zijne Equipagie versterkt met 80. –. Mathoozen, naamelijk 18 Europeers, 12. inlandsche Christenen, en 50. Chineeschen, T Bombandier, 1. Canonnier, en 8. busschieters benevens 83 Militairen met hunne volle wapens, naa„ „melijk 7. Europeers, 6 Sipais, en 70. Maleijers, onder het bevel van den Capitein Luitenant Hendrik van Nijvenheim. De Equipage van de bark de Geertruida Susanna bestaat in 1. Gezaghebber, opperchirurgijn, Onderchirurgijn, 1 stuurman, 1 Bootsman, 2 Quartiermeesters, 34 Matroozen, naamelijk 14 Europeers, 6 inlandsche Christenen 2 Mooren, 2. Iavaanen 2. Iavaanen, en 10. Chineeschen, 1 Canonnier, 4 Busschieters, en 16 Militairen met hunne volle wapens, naamelijks 2 Europeers en 14. Maleijers. Allen nominatim vermeld op de daar van geforneerde Rollen. De Maleitsche Militairen, van dewelken de twee Officiers zoo wel als de Capitein Luite„ „nant van Nijvenheim op het schip Europa in de kajuit moeten worden gelogeerd, krij„ „gen aan boord niet anders verstrekt, als rijst en zout, dewijl zij voor andere rantzoenen geld ontvangen hebben. Geduurende de expeditie zullen UwE. en haare onderhoorigen staan onder het generale com„ „mandement van den gemelden Heer Toger Abo. Wij beveelen UwE. derhalven de orders en seinen, die zijn Ed: UwE. zal voorschrijven, stipte„ „lijk te obedieeren en na te komen, de inland„ „sche zeevaarenden en Militairen zoodanig te behandelen dat zij van den dienst e der Compagnie niet worden afkeerig gemaakt, en met elkanderen gezameer„ lijk zig in het gevegt tegen den vijand als getrouwe, kloekmoedige, en eerlievende Dienaaren te gedraagen, op dat zij met roem en voordeel mogen wederkeeren. Terwijl wij uwE. op haare reize en verrigtingen 's Hemels milden zegen toewenschen, en zeer gaarne blijven. (onderstond/ uwE. Goede Vrienden (getekend/ P. G. de Bruijn, A. A. Werdlij, I. A. Heusel, A=o F om de maatregelen te helpen bevorderen, welk beveiliging van onze eigen vaart en ben van die des Vijands strekken kunnen: zoo uwE. daen van bij deezen geinformeerd, en wij dienvolgens niet alleen het geschut het schip Europa met tien twaalf- en twee „ponders hebben geaugmenteerd, en al daer bij noodig was laaten verstrekken ook zijne Equipagie versterkt met 80. –. Mathoozen, naamelijk 18 Europeers, 12. inlandsche Christenen, en 50. Chineeschen, 1 Bombardier, 1. Canonnier, en 8. busschieters benevens 83 Militairen met hunne volle wapen „melijk 7. Europeers, 6 Sipais, en 70. Maleijers, onder het bevel van den Capitein Luiten Hendrik van Nijvenheim. De Equipage van de bark de Gee¬ Susanna bestaat in 1. Gezaghebber, opperchirurgijn, Onderchirurgijn, 1 stuurman, Bootsman, 2 Quartiermeesters, 34 Matroozen, naamelijk 14 Europeers, 6 inlandsche Christenen 2 Mooren, 2. Iavaanen
English
2 Javanese, and 10 Chinese, gunner, 4 musketeers, and 16 soldiers with their full weaponry, namely 2 Europeans and 14 Malays. All mentioned by name on the muster rolls prepared for that purpose. The Malay soldiers, of whom the two officers as well as Captain Lieutenant van Nijvenheim must be accommodated in the cabin on the ship Europa, are provided nothing on board other than rice and salt, since they have received money for other rations. During the expedition Your Honour and your subordinates shall be under the general command of the said Mr Toger Abo. We therefore order Your Honour strictly to obey and observe the orders and signals which His Honour shall prescribe to Your Honour, to treat the native sailors and soldiers in such a manner that they are not alienated from the service of the Company, and to conduct yourselves together in the fight against the enemy as faithful, brave, and honour-loving servants, so that they may return with fame and advantage. While we wish Your Honour heaven's bountiful blessing on your journey and enterprises, and remain very gladly. (below stood) Your Honour's Good Friends (signed) P. G. de Bruijn, A. A. Werdlij, I. A. Hensel, A. s Couperus, F. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht and H. I. Wiederhold. (in the margin) Malacca in the Castle the 27. December 1782. Memorandum for the instruction of Mr Toger Abo, Commander of the Company's war squadron. Valiant, Prudent, Discreet, From the copy of the Instructions for the master of the ship Europa and the Commander of the bark the Geertruida Susanna, which is delivered to Your Honour herewith, Your Honour will see the reasons that have moved us to send the two vessels out with Your Honour. We give Your Honour the command over them, and expect from Your Honour's known faithfulness and diligence that Your Honour will make profitable use of them in the execution of the commission entrusted to Your Honour by the Noble High Government of the Indies. The ship Europa cannot remain away longer than the 7th or 8th of February 1783, but must then return hither to be laden with mast timber for the French fleet and some goods for Ceylon. At the request of Your Honour we have placed the bombardiers Michiel Camaino and Frans Joseph Sies on the ship the Dolphijn, and the bombardier Jan Baptist van Aken with the gunner Lourens Bartels on the ship 't Hof ter Linden; all capable artillerists, of whom Your Honour may have much service. The pilot Joaquim Cardozo, who will also embark on the ship the Dolphijn, has been hired for a monthly wage of twenty-five Spanish reals. We wish Your Honour the best success in Your Honour's undertakings, and thereto the gracious assistance of the Almighty; while we remain very well-wishing, (below stood) Your Honour's obliging Friends (signed) P. G. de Bruijn, A. A. Werndly, I. A. Hensel, A. s Couperus, F. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht and H. I. Wiederhold (in the margin) Malacca in the Castle the 27. December 1782 To the Honourable Master Gijsbertus Hemmij, Merchant and First Resident there. Honourable, Pious, Discreet, Mr Toger Abo, Commander of a Company war squadron, will write to Your Honour where he intends to station himself, both to watch for the English ships returning from China and to proceed quickly to the Banka Strait whenever he believes that English privateers have arrived. I presently have only two sloops and a pantchiallang at hand, of which I can dispatch none thither without detriment to the Company, and therefore kindly request Your Honour so to deploy one of the vessels assigned to Your Honour that it may get sight of the junks coming from China, in order to inform the Nakhodas of the safety or danger of the waterway to Batavia, so that in the former case they may continue their voyage with peace of mind, but otherwise may steer hither to be escorted to Batavia by the said Squadron. If Your Honour can also, upon the appearance of any enemy privateer in the Banka Strait, send report thereof either to Mr Abo or to me, please do so without delay. The Company's interests and those of its subjects or allies being greatly concerned in this, Your Honour need not doubt that by complying with this my request, which is founded upon the orders sent to me with regard to the aforementioned Squadron, Your Honour will give very great satisfaction to the Noble High Government of the Indies. I remain with respect (below stood) Honourable, Pious, Discreet (lower) Your Honour's obliging Friend (signed) P. G. de Bruijn (in the margin) Malacca the 31. December 1782 Colombo Separate Colombo To the Right Honourable Sir Mr Iman Willem Falck Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director of the Company's Trade and Affairs there. Right Honourable, Noble, Valiant, Wise, Prudent, very Discreet Sir and Friend, The Noble High Government of the Indies has projected the ship Europa present here for the conveyance of mast timber for the French fleet, and ordered me to have loaded in that vessel, also for Your Right Honour's Government, the goods sent from Batavia for that purpose: 1540 lb of mace and 7552 lb of cloves, together with 50,000 lb of tin, as many nutmegs and cloves as could possibly be spared, and 100 lasts of rice, if it could be done without prejudice. I currently have no tin in stock, as the post at Perak has not yet been able to be restored, and of nutmegs no more than is necessary for consumption; but 7000 lb of cloves I can procure for Your Right Honour; and possibly also 100 lasts of rice, although I have already 1,120,000 lb of that grain for the benefit of
Dutch transcription
2. Iavaanen, en 10. Chineeschen, Canonnier, 4 Busschieters, en 16 Militairen met hunne volle wapens, naamelijks 2 Europeers en 14. Maleijers. Allen nominatim vermeld op de daar van geforneerde Rollen. De Maleitsche Militairen, van dewelken de twee Officiers zoo wel als de Capitein Luite„ „nant van Nijvenheim op het schip Europa in de kajuit moeten worden gelogeerd, krij„ „gen aan boord niet anders verstrekt, als rijst en zout, dewijl zij voor andere rantzoenen geld ontvangen hebben. Geduurende de expeditie zullen UwE. en haare onderhoorigen staan onder het generale com„ „mandement van den gemelden Heer Toger Abo. Wij beveelen UwE. derhalven de orders en Seinen, die zijn Ed: UwE. zal voorschrijven, stip te „lijk te obedieeren en na te komen, de inland„ „sche zeevaarenden en Militairen zoodanig te behandelen dat zij van den dienst e der Compagnie niet worden afkeerig gemaakt, en met elkanderen gezamen„ lijk zig in het gevegt tegen den vijand als getrouwe, kloekmoedige, en eerlievende Dienaaren te gedraagen, op dat zij met roem en voordeel mogen wederkeeren. Terwijl wij uwE. op haare reize en verrigtingen 's Hemels milden zegen toewenschen, en zeer gaarne blijven. (onderstond) UwE. Goede Vrienden (getekend/ P. G. de Bruijn, A. A. Werdlij, I. A. Heusel, A=s 1 e A. s Couperus, F. Thierens, R. B. Woijnck van Papendrecht en H. I. Wiederhold. — (in margine) Malacca in het Casteel den 27. December 1782. „ Memorie tot na¬ „rigt van den Heer To„ „ger Abo, Belvelhebber over Compagnies oor„ „logs-esquader Manhafte Voorzienige Discreete, Bij het afschrift van de Instructie voor den schipper van het schip Eu„ „ropa en Gezaghebber van de bark de Geertruida Susanna, dat UwEd, hier nevens wordt ter handen ge„ „steld, zullen UwEd. de redenen blijken, welke ons bewoogen hebben om de twee kielen met uwld. uit te zenden. Wij geeven UwEd. het bevel daar over, en verwagten van UwEd. bekende trouwe en industrie, dat uwEd. zig van dezelven nuttiglijk bedienen zal in de volbrenging van van de commissie, door de Edele Hooge Indische Regeering Uwd. opgedragen. Lan„ „ger als den 7: of 8. Februari 1783 kan het schip Europa niet uitblijven, maar moet dan herwaarts te rug keeren, om met masthouten voor de Fransche Vloot en eenige goederen voor Ceilon te worden beladen. Ten verzoeke van UwEd. hebben wij de Bombardiers Michiel Camaino en Frans Ioseph Sies op het schip de Dolphijn geplaatst, en den Bombardier Ian Babtist van Aken met den Canonnier Lourens Bar„ „tels op het schip 't Hof ter Linden; allen be„ „kwaame Artilleristen, van dewelken UwEd. veel dienst kan hebben. De Loots Ioaquim Cardozo, die zig mede op het schip de Dolphijn zal embarqueeren, is voor eene maandelijksche wedde van vijf en twintig sp. reaalen aangenomen. Wij wenschen UwEd. het beste succes van Uwd. onderneemingen, en daer toe den genadigen bijstand des Almagtigen; terwijl wij zeer wel„ en „meenend blijven, (onderstond) UwEd. dienstwilli„ „ge Vrienden (getekend) P. G. de Bruijn, A. A. Werndij, I. A.s Hensel, A. s Coupenus, F. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht en H. I. Wiederhold (in margine/ Malacca in het Casteel den 27. December 1782 Aan den E. M. r Gijsbertus Hemmij, Pl. Koopman en Eersten Resident aldaar Eerzaame, Vroome, Discreete, De Heer Foger Abo, Bevelhebber van een Comps. Oorlogs- 7 Oorlogs-esquader, zal UwEd. schrijven waar hij zig dentet te posteeren, om zoo wel de uit China retournee„ „rende Engelsche schepen waar te neemen, als zig schielijk naar de straat Banca te begeeven, wanneer hij vermeent dat 'er Engelsche Kaa„ „pers zijn aangekomen. Ik hebtans maar twee sloepen en eene pantjallang aan de hand, van dewelke ik geene naar derwaarts kan afvaar„ „digen, zonder ondienst van de Maat„ „schappije, en verzoek uwEd. derhalven vriendelijk om een der bij UwEd. be„ „scheiden vaartuigen zoo ergens uit te zetten, dat het de uit China komen„ „de janken in het schip kan krijgen, ten einde de Nachodas te informeeren van de veiligheid of onveiligheid van het vaarwater naar Batavia, op dat zij in het eerste geval hunne reize met gerust„ „heid vervolgen, dog anders hervaarts stevenen mogen, om door het gemelde Esquader naar Batavia te worden geescorteerd. Kan huold. ook bij de opdaading van eenigen vijandelijken kaaper in de straat Banka, 't zij aan den Heer Abo, of aan mij, daer berigt van zenden, zoo gelieve UwEd. het zonder uitstel te doen. Comps. belangen dat haarer ouderhoor„ „gen of bondgenooten er grootelijks aan gelegen zijnde behoeft UwEd. niet te twijfelen, of UwEd. zal met de voldoening aan dit mijn verzoek, hetwelk gegrond is op de mij toegeschikte beveelen ten aan„ „zien van het meergemelde Esquader, aan de Edele Hooge Indische Regeering zeer veel genoegen geeven. Ik blijf met agting (onderstond/ Eersaame, Vroome Discreete (lager) UwEd. dienstwillige Vriend (getekend) P. G. de Bruijn /in margine/ Malacca den 31. Decemb. 1782 Colombo Apart Colombo Mr: Iman Willem Falck Raad Ordinair van Nederlands Indie, Gouverneur en Directeur van Comps. Handel en Omslag aldaar Wel-Edele Gestrenge, Eerentfeste; Manhafte, Wijze, Voorzienige zeer Discreete Heer en Vriend, De Edele Hooge Indische Regeering heeft het hier G zijnde schip Europa geprojecteerd ten overbreng van masthouten voor de Fransche vloot, en mij ge„ „last om in dien bodem ook voor Uwer Wel-Ed. Gouvernement te doen laaden de ten dien einde van Batavia gezonden 1540. –. lb. foeli en 7552. -. „ nagelen, benevens 50'000. –. lb. tius, zoo veel nooten en nagelen als maar immers te missen zoude zijn, en 100. – b: E lasten rijst, indien het zonder prejudicie ge„ „schieden kon. Tin heb ik tans niet in voorraad, nadien ee post te Pira nog niet heeft kunnen worden gerestaureerd, en van nooten niet meer, dan tot de consumtie noodig is; dog 7000. –. lb. nagelen kan ik uwer Wel-Ed. bezorgen; en mogelijk ook 100. –. lasten rijst, schoon ik reeds 1120000. –. lb. van dat graan ten behoe„ Aan den Wel-Edelen Gestrengen Heer „ven
English
have sent of the aforementioned fleet to Atchien. The mast timber, which was to be delivered in October, has been delayed due to careless management by the Supplier, and will now not be ready before mid-February at the earliest. I can therefore not dispatch the ship Europa before the month of March, nor can I state definitively with this whether I shall have it call at Gale, Trinconomale, or Tranquebar, as this will depend on the choice of Monsieur de Suffren, or on the reports that I might receive before the dispatch of that ship, and I request Your Honour in the meantime to prescribe both to Your Honour's Agent at Tranquebar and to the Ministers at the first-mentioned two places how they must act regarding the goods shipped for Your Honour's Government. Seeing that the signals obtained from Batavia for the ship Europa run no further than until the 10th of this month, I have devised some signals for the same which I believed could be followed without causing misunderstanding, whether ashore or on the ship. I offer a Memorandum thereof herewith to Your Honour for your attention. The sloop Sunda departed on the 21st of November for Atchien, under escort of the frigate la Bellonne, to sail with the French fleet to Ceilon. I have the honour to be with particular high esteem, (below stood) Right Honourable, Rigorous, Respected, Valiant, Wise, Prudent, very Discreet Sir and Friend, (lower) Your Honour's very willing Servant and Friend (Signed) P. G. de Bruijn; (in the margin) Malacca in the Castle the 6th of January 1783. To Mr. Fogjer Abo, Commander of the Company's War Squadron along the Malayan Coast. Valiant, Prudent, Discreet, With the Memorandum given to you we had set the return hither of the ship Europa for the 7th or 8th of February, thinking that in the meantime the English ships that were to return from China would be encountered by you. But, seeing that they remain behind until now, we have, in the uncertainty whether they will enter this strait or take another route, of which you will be able to receive certain news sooner than we, decided hereby to authorize you to keep the ship Europa with the Fleet until the 20th and even if necessary until the last day of February, if you, with Captain Winterheim, Skipper Aams, and other skilled mariners, should believe that this vessel, even if it were dispatched from here in the beginning or middle of April to Gale or Trinconomale, will easily be able to make the voyage; but otherwise, or whenever that might be doubted, to have that ship depart hither on the 18th of February. While after greetings we remain, (below stood) Valiant, Prudent, Discreet, (lower) Your Honour's willing Friends (Signed) P. G. de Bruijn, A. A. Werndlij, I. A. Hensel, A. Couperus, F. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht and H. I. Wiederhold (in the margin) Malacca in the Castle the 28th of January 1783. To the Right Honourable, Rigorous Sir Governor and Director and the Right Honourable, Respected Gentlemen Councillors of Malacca, Right Honourable, Rigorous Sir and Right Honourable, Respected Gentlemen, In accordance with the order given to me by Your Right Honourable Rigour and Right Honourable Worships to ask the other Captains for their opinion whether the ship Europa, departing from Malacca in the beginning or middle of April, would easily be able to make the voyage to Ceilon, I have the honour to declare with them to Your Right Honourable Rigour and Right Honourable Worships: that this ship, in order to be able to make this voyage well, would have to depart from Malacca before the middle of March. But if it cannot be made ready before that time and Your Right Honourable Rigour and Right Honourable Worships should nevertheless think fit to send the same to Ceilon, we think that it would be better to dispatch it via the Sunda Strait; for if it departed from Malacca in March, it would undertake the voyage precisely at the turn of the monsoon and thus with great uncertainty. And I take the liberty to reflect to Your Right Honourable Rigour and Right Honourable Worships that, according to the statement of Mr. Aams, so much is lacking on this ship, and it is in such a poor condition, that it cannot be fitted out and repaired in that time. His Honour attests that the following are most necessary upon the same: Firstly, a partner for the capstan Secondly, two anchor cables (having only one good one) Thirdly, a new suit of sails Fourthly, new running rigging, and Fifthly, carpentry and caulking above water. I received the letter of Your Right Honourable Rigour and Right Honourable Worships at the latitude of the island of St. Jean and Strait of the Governor. The accompanying Resolution will show Your Right Honourable Rigour and Right Honourable Worships the reasons that prompted me to sail to the Cardemans. I have the honour to call myself with very great esteem (below stood) Right Honourable, Rigorous Sir and Right Honourable, Respected Gentlemen (lower) Your Right Honourable Rigour and Right Honourable Worships' humble Servant (signed) Toger Abo (in the margin) lies
Dutch transcription
„ven van de gemelde vloot naar Atchien gezonden heb. — De masthouten, die in October moesten geleverd worden, zijn door eene onvoorzigtige directie van den Leverancier agtergebleven, en zullen nu niet voor medio Februari ten vroegsten gereed weezen. Ik kan derhalven het schip Europa niet voor de maand Maart depecheeren, nog ook bij deezen bepaaldelijk opgeeven, of ik hem Gale, Trinconomale, dan wel Tran„ „quebar, zal laaten aandoen, dewijl zulks zal dependeeren van de verkiezing van den Heer de Suffren, of van de berigten, die ik voor de depeche van dat schip zoude mogen ontvangen, en verzoek uwer Wel-Ed. intusschen, zoo wel aan uwer Wel-Ed. Agent te Tranquebar, als aan de Ministers op de „ eerstgemelde twee plaatzen, voor te schrijven hoe zij handelen moeten met de voor uwer Wel- Ed. Gouvernement ingescheepte goederen. Gemerkt de van Batavia erlangde seinen voor het schip Europa niet verder loopen dan tot den 10. deezer, heb ik voor hetzelve eeni„ „die. „ge seinen beraamd, „ ik vermeende dat zonder misverstand te verwekken, 't zij aan de wal„ of op het schip, konden worden opgevolgd. Eene Notitie daar van bied ik Uwer Wel-Ed. hier ne„ „vens ter opmerkinge aan De sloep Sunda is op den 21. November naar Atchien vertrokken, onder exorte van het fre„ „gat la Bellonne, om met de Fransche vloot naar Ceilon te stevenen. „ Ik heb de eenre van met bijzondere hoogagting te zijn, (onderstond) Wel-Edele, Gestrenge, Eerentfeste, Man„ „hafte, Wijze, voorzienige zeer discreete Heer en Vriend, (lager) Uwer Wel-Ed. zeer bereidwilligen Dienaar en Vriend (Getekend) P. G. de Bruijn; (in margine) Malacca in het Casteel den 6. Januari 1783. — Aan den Heer Fogjer Abo, Bevelhebber over Comps. Oorlogs-esquader langst de Maleitsche Kust. Manhafte, Voorzienige Discreete, Bij de UwEd. Medegegeven Memorie hebben wij de wederkeering naar herwaarts van het schip Europa bepaald op den 7. of 8. Februari, denkende dat intusschen de Engelsche schepen, die van China stonden te retourneeren, door UwEd. zouden worden ontmoet. Maar, ver„ „mits zij tot nu toe agterblijven, hebben wij /6. in de onzekerheid of zij deeze straat zullen inkomen, dan wel eene andere route neemen, waar van uwEd. eerder dan wij zeker narigt zal kunnen ontvangen, besloten UwEd. bij deezen te qualificeeren, om het schip Europa tot den 20: en zelfs des noods tot den laasten Februari bij de Vloot aan te houden, indien UwEd. met Capi„ „tein Winterheim, schipper Aams, en andere bekwaame zeekundigen vermeenen mogte dat die bodem, al wierdt dezelve in het begin of midden van April van hier naar 8 Gelle 6 - Gale of Trinconomale gedepecheerd, de reize ligtelijk zal kunnen krijgen; dog anders of wanneer daar aan getwijfeld mogte wor„ „den, dat schip op den 18. Februari herwaarts te laaten vertrekken. Terwijl wij na groete blijven, (onderstond) Manhafte, Voorzienige, Discreete, (lager/ Uw Ed. dienstwillige Vrienden (Getekend/ P. G. de Bruijn, A=n A. Werndlij, I. A. Hensel, A.:s Couperus, F. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht en H. I. Wiederhold (in margine/ Malacca in het Casteel den 28. Januari 1783. Aan den Wel-Edele Gestrenge Heer Gouverneur en Directeur en De Wel-Edele Agtbaare Heeren Raeden van Malacca, Wel-Edele Gestrenge Heer en WelEdele Agtbaare Heeren, Ingevolge uwel Edele Gestr. en WelEdele Agtb: aan mij gegeven order, om aan de overige Capiteins, hunne gevoelen te vraagen; of het schip Europa in het begin of midden van April van Malakka vertrekkend, de reis naar Ceilon ligtelijk zoude kunnen krijgen. zoo heb ik de eer met hun lieden uwel Edele Gestr. en Wel-Edele Agtb. te verklaaren: dat dit schip om deeze reijs wel te kunnen doen, voor het midden van Maart van Macana zoude moeten vertrekken. Dag zoo ƒ 13 zoo het voor die tijd niet klaar gemaakt kan worden en uwel Edele Gestr. en WelEdele Agtb. nagtans goed mogten vinden, hetzelve na Ceilon te zenden, denken wij, dat het beter zoude zijn het over straat sunda te expedieeren; want indien het in Maart van Malacca vertrok, zoude het de reijs juist in de kente„ „ring van de mousson en dus met veel onzekerheid aanneemen. En neem ik de vrijheid uwelEdele Gestr. en Wel Edele Agtb. te reflecteeren, dat volgens de betui„ „ging van de Heer Atems aan dit schip zoo veel manqueert, en hetzelve in zoo eene slegte staat is, dat hij in die tijd niet voorzien en gerepareerd kan worden. zijn E. betuigd dat op hetzelve allennoodigst is. Eerstelijk een vissing aan het spil ten tweeden twee ankertouwen (hebbende maar een goed) ten derden een nieuw stel zijlen ten vierden nieuw loopend Touwerk, en ten vijfden Timmeragie en kalfaating boven wa„ „ter. Ik onving uwel Edele Gestr. en Wel Edele Agtb. missive op de hoogte van het eiland St. Iean, en straat Gouverneur. De bygaande Resolutie zal uwel Edele Gestr. en Wel Edele Agtb. de reden doen zien, die mij gemoveert hebben na de Cardemans te zeilen. Ik heb de eer mij met zeer veel hoogagting te noemen (onderstond) WelEdele Gestrenge Heer en Wel-Ed. Agtb. Heeren (lager) Uwel Edele Ge„ „strenge en Wel-Edele Agtb. onderdaanige Dienaar (getekend/ Toger Abo (in margine) ligt
English
From the Company ship of war the Dolphijn, the 4 February 1783, lying at anchor between Governor Strait and the Cardemons Islands. Resolution taken by the Broad Council of the ships the Dolphijn, Het Hof ter Linden, and the Europa. On Thursday the 30 January 1783 Considering the news received on the 28th of this month from Captain Manuel Ioze, that the English China traders had already passed Macao on the 5th of this month, And the suspicion held since the 21st, that the small vessel seen that day at the corner of Romania was an English spy, It was resolved to sail from this place to the Cardemons Islands, in order to intercept the English there if they had gone around below Riouw and wished to pass through the Strait of Durian. Having the winds and currents against them, they could not yet have passed those islands. Nevertheless, to remain anchored here until the gurab and the boat sent to the roadstead of Riouw to inspect it have returned. It was further resolved to leave the cutter boat here and to place upon it the second mate August Willem Was, with orders to remain lying close under the shore here until the 16 February next; and whenever he should see ships entering this strait during that time, to wait until he is certain whether they intend to enter Riouw or not, and then to bring an immediate report of either outcome directly to the squadron. Below stood: From the Company ship of war the Dolphijn, lying at anchor near the corner of Romania, date as above. Was signed: Toger Abo, C. F. Winterheim, L. Aems, and F. S. de Stoppelaar. Below stood: Agrees. Signed: F. S. de Stoppelaar, Sworn Clerk. To the Right Honorable Sir Governor and Director, The Right Honorable Councilors of Malacca. Right Honorable Sir and Right Honorable Gentlemen, From the accompanying declaration, Your Honors will see the condition in which we found the Europa. Although we could not inspect this ship further down than to the ballast and the water, it is nevertheless strongly to be presumed that there are more defects in the hold, such as at the steps of the masts, etc., and that if the cargo port is opened, it will not be possible to close it properly again. For greater certainty, we included our master carpenters in the examination. And since we cannot know to what extent Your Honors can provide for the repair of this ship, we have no news whatsoever of the English, and Your Honors can have the vessel more accurately inspected on the coast than we can here, and will thus be better able to judge its condition, we thought it best to dispatch it immediately. We have the honor to be with the highest esteem, Right Honorable Sir and Right Honorable Gentlemen, Your Honors' humble servants. Signed: Toger Abo and C. F. Winterheim. In the margin: From the Company ship of war the Dolphijn, the 15 February 1783, lying at anchor near the Cardemons Islands. To Mr. Toger Abo, Commander over the Company war squadron along the Malayan Coast. Valiant, Prudent, Discreet Sir, We have duly received Your Honor's letter of the 4th of this month, serving in reply to ours of 28 January last. The loading of the ship Europa for Ceilon can easily be completed and it can be dispatched from here before mid-March, if we were to let it come here now. However, since Captain Aems has assured Your Honor that so much is lacking on that ship, and that it is in such a poor state that it could not be fitted out and repaired before that time, and as we cannot accommodate him at present with the required sails, anchors, and other cordage, we fear on the contrary that we shall be obliged to excuse it from the voyage to Ceilon, whether directly or, as Your Honor proposes, through the Sunda Strait. The matter is nevertheless of too great importance not to do everything first that our duty requires of us, so that we may satisfactorily account for ourselves to the Noble High Government of the Indies, who surely would not have assigned the said ship from here to Ceilon without having taken cognizance of its condition. We therefore desire that Your Honor, together with Captain Winterheim, immediately inspect that ship closely and send us a report of their findings. If it appears from this examination, and if Your Honor along with Captain Winterheim can declare, that the ship Europa cannot undertake the voyage to Ceilon with sufficient safety without such provisions and repairs as Captain Aems has stated to be necessary, then Your Honor may keep that ship with the squadron until the 20th of this month; otherwise, however, Your Honor must have it return here immediately. The reasons that moved Your Honor to change position with the fleet, according to the Resolution of 30 January sent to us,
Dutch transcription
uit 's Comps. schip van oorloge de Dolphijn den 4. febr. 1783 geankerd leggende tusschen straat Gouverneur en de Eilanden de Cardemons. Resolutie genomen door den Breede-Raed van de schepen de Dolphijn, Het H of ter Linden en de Europer. op Donderdag den 30. Januari 1783 Aangezien de tijdingen die men den 28. deezer van den Capitein Manuel Ioze ontvangen had, dat de Engelschen Chinaasvaarders reeds den 5. dee„ „zer Macao gepasseerd waren, En het vermoeden dat men sedert den 21. had, dat het kleine vaertuig dien dag gezien aan de hoek van Romania, een spion van de Engelschen geweest was, Wierdt goedgevonden, van deeze plaats te zeilen, na de Eilamden de Cardemomns, om de Engelschen, indien zij beneden Riouw omge„ „gaen waren, en straat Drioen wilden pas„ „seeren, aldaar te onderscheppen. de Winden en stroomen tegen hebbende, konden zij die eilanden nog niet voorbij zijn. Nogtans zoo lang hier geankerd te blijven, tot dat de goeral en de Boot, die na de reede van Riouw gezonden zijn, om die te bezien, weder te zug zullen komen. Nog wierd besloten alhier te laaten de kotter- boot, en op dezelve te plaatzen den onderstuur„ man August Willem Was, met order: om alhier 15 alhier dit onder de wal te kussen blijven leggen tot den 16. Februari aanstaande; en wan„ „neer hij in die tijd schepen deeze straat zoude zien inkomen, dan zoo lang te wagten, tot hij verzekerd zij, of dezelven Riouw binnen willen loopen dan niet; en als dan van het een of het ander direct Rapport te brengen aan het esquader (onderstond/ uijt 's Comps. schip van oorlog de Dolphijn geankerd leggende bij de hoek van Romania da„ „tum als boven (was getekend) Toger Abo, C. f. Win„ „terheim, L. Aems en f. s de Stoppelaar (onderstond/ Accordeert (getekend) f. s de Stoppelaar Gezw. S. Aan den Wel-Edele Gestrenge Heer Gouverneur en Directeur De WelEdele Agtb. Heeren Raaden van Malacca. Wel-Edele Gestrenge Heer, en Wel-Edele Agtbaare Heeren, Uit de bijgaande verklaaring, zullen uwel Edele Gestr. en WelEdele Agtb. de toestand zien waar in wij de Europa gevonden hebben, hoewel wij dit schip niet verder hebben kunnen bezien, als tot de ballast en het water, zoo is het nogtans zeer te presu„ „meeren, dat in het ruim meer manquementen zijn, (als aan de spooren van de masten &a en dat de Lastpoort geopend wordende, niet we„ „der behoorlijk zal kunnen digt gemaakt worden; wij hebben tot meerder zekerheid onze opperti„ „merlieden bij de examinatie, genoomen En dewijl wij niet kunnen weeten, in hoe verre en verre UwelEdele Gestr. en Wel-Edele Agtb. in de re„ „paratie van dit schip kunnen voorzien, wij hoe genaamt geen tijding van de Engelschen hebben, en Uwel Edele Gestr. en WelEdele Agtb. hetzelve â coste nauwkeuriger kunnende laaten visitee„ „ren, dan wij hier, beter van dies staat zullen kunnen oordeelen; zoo hebben wij het, het bost gedagt te zijn, het direct te expedieeren. Wij hebben de eer met zeer veel hoogagting te zijn (onderstond) Wel Edele Gestr. Heer en Wel-Edele Agtbaare Heeren (lager) Uwer WelEd. Gestr. en Wel- Edele Agtb. onderdaanige Dienaeren (getekend) Toger Abo en C. F. Wenterheim (in margine) uit 's Comps. schip van oorlog de Dolphijn den 15. Febru„ „ari 1783 geankend leggende bij de Eilanden de Cardemons. Aan den Heer Toger Abo, Bevelhebber over Comps. Oorlogses quader langs de Maleitsche Kust. Manhafte, Voorzienige, Discreete, Wij hebben UwEd. brief van den 4. deezer, dies„ „nende in antwoord op den onzen van den 28. Januari laastleden, wel ontvangen. De belaading van het schip Europa voor Ceilon kan ligtelijk volbragt en hij van hier gedepecheerd worden, voor needir Maart, wan„ „neer wij hem nu lieten herwaarts komen. ende Maar, dewijl schipper Atems UwEd. betuigd heeft aan dat schip zoo veel te manqueeren, en hetzelve in zoo slegten staat te zijn, dat het voor dien tijd niet kon voorzien en en gerepareerd worden; en wij hem tans ook niet gerieven kunnen met de benoodigde zeilen, anker en andere touwen, vreezen wij daarentegen genoodzaakt te zullen weezen, om hem van de reize naar Ceilon, 't zij direct, of gelijk uwed. proponeerd door de straat Sunda, te excuseeren. De zaak is nogtans van te veel aangeleegen„ „heid, om niet eerst alles te doen, wat onze gehoudenisse van ons vordert, ten einde ons bij de Edele Hooge Indische Regeernen, welke immers het gemeld schip niet van hier naer Ceilon zal hebben aangelegd, zonder van dies gesteldheid kennis genomen te hebben, soe„ tisfactoir te kunnen verantwoorden, en be„ „geeren derhalven dat UwEd. met Capitein Winterheim dat schip ten eersten nauwkeurig „lijk visiteere, en van hunne bevinding ons een Rapport toezende. Blijkt het bij dit onderzoek, en kan Uwed met Capitein Winterheim verklaaren, dat het schip Europa zouden zoodanige voorzie „ning en reparatie, als schipper, Aams be„ „tuigd heeft daar aan noodig te zijn, onmo„ „gelijk met genoegzaame gerustheid de reize naar Ceilon kan onderneemen, dan maer uwEd. dat schip bij het Esquader aene„ „houden tot den 20. hujus; dog anders moet huld. hetzelve immediaat herwaarts laaten te rug keeren. De redenen die uwEd. bewogen hebben om met de Vloot van standplaats te veranderen volgens de ons toegezonden Resolutie van 30. Januari 17
English
Palembang 30 January last, appear very satisfactory to us; and we sincerely wish that your honour may be so fortunate as to achieve his objective. While we gladly remain, (underneath) 68 Valiant, Prudent, Discreet (lower) Your Honour's obedient Friends (signed) P. G. de Bruijn, I. A. Hensel, A. Couperus, F. Thierens, R. B. Haijnck van Papendrecht and H. I. Wiederhold (:in the margin) Malacca in the Castle, the 10 February 1783. — To the Gentleman Mr. Gijsbertus Hemmij, Provisional Merchant and First Resident there. Honourable, Pious, Discreet, I do not doubt but that my letter of the 31 December last will have been delivered to Your Honour shortly thereafter. Having received not the least news from the Bangka Strait since then, and consequently being in uncertainty regarding the safety of the fairway between Batavia and Palembang, I have thought fit to send out the gurab De Snelheid on reconnaissance. I kindly request Your Honour not only to inform the commander of that small vessel, but (without detaining the same for more than twenty-four hours) also to inform me whether any enemy privateers have been heard of again in the Bangka Strait, or between Batavia and Palembang, and whether the Chinese junks destined for Batavia have already passed or not! Just as I also very much long to hear from Your Honour, if Your Honour knows, whether and when our outward-bound ships have arrived at Batavia! The English ships returning from China did not dare to pass through the Strait of Malacca this year, but have probably sailed around the back of Java, except for a single frigate which escaped our cruisers through its sailing capacity. A terrible hurricane raged along the Coromandel Coast on 19 October and destroyed a multitude of small vessels carrying rice sent from Bengal to Madras. The ships, it is said, have also suffered greatly; but whether any of them have been wrecked is not known for certain. Most fortunately, the French fleet was then lying in the bay of Atchin, where it had arrived shortly before, after the recapture of Trincomalee and a triumphant action against the English. I remain with esteem, (underneath) Honourable, Pious, Discreet, (lower) Your Honour's obedient Friend (Signed) P. G. de Bruijn (in the margin) Malacca in the Castle, 11 March 1783. 19 Malacca To The Right Honourable, Valiant Sir Pieter Gerardus de Bruijn Governor and Director on behalf of the General Dutch East India Company there Right Honourable, Valiant, Strict, Steadfast, Prudent and Discreet Sir, Pursuant to Your Right Honourable's separate letter of 31 December Ao Passato, Mr. Roger Abo has informed me of his orders regarding the squadron under his command. I have acted directly in accordance with this and with Your Right Honourable's proposal to employ one of the cruisers present here for the reconnaissance of the junks and ships expected from China, and to that end I have dispatched an armed cruising pantjallang to sea. Its cruising grounds I have determined until the end of this month, namely from the corner of Betoe Carang as far as Poele Saja, at which latitude I believe no ships will be able to slip past it. As soon as any danger might be discovered in the Bangka Strait, I shall 2 give notice thereof directly and with the utmost speed both to Your Right Honourable and to the naval squadron; thus far navigation therein is clear; five junks and five ships have already passed, the latter, however, without knowing of what nation. The interests of the Honourable Company being too dear to me for me to permit the slightest neglect therein, may Your Right Honourable rest assured in every respect that I shall constantly be vigilant regarding this matter. 7 Would Your Right Honourable see any prospect of having one of the Palembang vessels seized, there or around the smuggling den of Riouw, which I suspect are conducting their smuggling in tin with the people of Riouw from behind the island of Bangka; such, as an irrefutable proof, could greatly assist me in lodging a grievance thereover with this Court; for from where else could such large quantities of that mineral be brought there annually, with which such a strong trade with China is carried on, to the great prejudice of the Honourable Company; and, as I fear not without reason, will increase in these unfavourable times? What else would thirteen junks, two Macao vessels—among which, it is said, one was for the account of the English Captain Geddis, who was aboard it in person—and two ships under the Imperial flag be intending to do there this year? A speedy ensuing peace may perhaps decide everything. I have the honour to be with true esteem, /underneath/ Right Honourable, Valiant, Strict, Steadfast, Prudent and Discreet Sir /lower/ Your Right Honourable's ready Servant and Friend, signed/ G:t Hemmij /:in the Margin Palembang, 15 March 1783 Agrees, JJ: Baumgarten P. l. Pe Copy Secret Resolutions taken in the Council of Policy of the city and Fortress of Malacca since 26 July 1782 1783 10 February No. 4. f to
Dutch transcription
Palembang 30. Ianuari laastleden, komen ons zeer vol„ „doende voor; en wij wenschen van harte, dat uwed. zoo gelukkig moge zijn van zijne oogmerk te bereiken. Terwijl wij zeer gaarne blijven, (onderstond/ 68 Manhafte, Voorzeenige, Discreete (lager) UwEd. dienstwillige Vrienden (getekend) P. G. de Bruijn, I. A. Hensel, A. Coupeius, F. Thierens, R. B. Haijnck van Papendrecht en H. I. Wiederhold (:in margine) Malacca in het Casteel den 10. Februari 1783. — Aan den Heer Mr. Gijsbertus Hemmij, Pl. Koopman en Eersten Resident aldaer Eerzaame, Vroome, Discreete, Ik twijfel niet of mijn brief van een 31. December laastleden zal UwEd. kort daar na besteld weezen. sedert geene de minste tijding uit de straat Banca ontvangen, en ik derhalven in het onzekere zijnde wegens de veiligheid van het vaarwater tusschen Batavia en Palembang heb ik goedgedagd de goeral de suelheid op kundschap uit te zenden. Ik verzoek UwEd. vriendelijk, om niet alleen den gezaghebber van dat kieltje maar (zonder hetzelve daarom meer als een een etmaal op te houden) ook mij te informeeren of eenige vijandelijke kaapers weder in de straat Banca, dan wel tusschen Batavia en Palembang, vernomen worden, en of de naar Batavia gedestineerde Chinasche jon„ „ken al gepasseerd zijn, dan niet! gelijk ik mede zeer verlang van uwed. te hooren, zoo hold. het weet, of en wanneer onze uitkomen „de schepen te Batavia gearriveerd zijn! De uit China wederkeerende Engelsche schepen hebben in dit jaar de straat Malac„ „ca niet duwen doorloopen, maar zijn waarschijnlijk agter Iava om gestevend, behalven een enkeld fregat, dat door zijne bezeildheid onzen kruissers ontsnapt is. Een ijzelijke orcaan heeft den 19. October langs de Chormandelsche Kust gewoed, en eene mee„ „nigte van kleine vaartuigen met rijst, van Bengale naar Madras gezonden, vermeld. De schepen, zegt men, hebben ook veel geleden; dog of 'er eenigen van verongelukt zijn weet men niet zeker. De Fransche vloot lag toen ten allen gelukke in de baai van Atchin, daar zij kort te vooren was aangekomen, na de herove„ „ring van Trinconomale en eene triumphante actie met de Engelschen. Ik blijf met agting, (onderstond) Eerzaame Vroome Discreete, (lerger) UwEd. dienstwillige Vriend (Getekend) P. G. de Bruijn (in margine) Malacca in het Casteel den 11. Maart 1783. 19 „ Malacca Aan Den Wel Edelen Gestrengen Heer Pieter Gerardus de Bruijn Gouverneur en Directeur wegens de Generaale Neder„ „landsche Oost=indische Compagnie aldaar Wel: Edele Gestrenge, Ernstfeste Manhafle Voorzienige en Discreete Heer, Ingevolge Uwel Edele Gest„r apart Schrij„ „vens van den 31 december Ao Passato, heeft de Heer Toger Abo, mij van zijn bestek, met dies Onder zig hebbend Esquader verwittigd, Ik heb mij daar aan, en aan uwel Edele Gest=r voorslag van een der hier aan hande zijnde kruijzers, ter recognoceering van de uit china verwagt wordende Jonken en scheepen direct gedragen, en daar toe eene ten Oorlog gearmeerde kruijs Pantjallang zee laaten kiezen. waar van ik de bekruijzing bepaald heb tot den laasten deeser maand te weeten van de hoek van betoe carang tot aan Poele Saja, op welke hoogte ik denk hem geene scheepen kunnen Ontslippen, zoo dra zig eenige Onveiligheid in straat banca mogte Ontdekken, zal 2„ zal daar van direct zoo wel aan uwel Edele Gestr als aan het Oorlogs exquader, ten spoedigste kennis geeven, tot dus verre is de Vaart daar in zuijver, daar zijn reeds gepasseerd vijf Jonken, en vijf scheepen, deese laaste egter zonder te weeten van wat natie; De belangens der E: Maatschappije mij te dierbaar zijnde, als dat daar bij het minste verzuijm zoude willen koesteren, gelieven uwel Edele Gestrenge zig in allen opzigte verzeekerd te houden, dat daar Omtrend steeds waaksaam sal sijn, 7 zoude uwel Ed: Gestr: wel eenige asparentie zien! heen ofte omtrend het smokkel nest Riouw, een der Palembang¬ „sche vaartuijgen te laaten attraxeeren, die ik suspitieer, dat van agter het eij„ „land banca hunne smokkelarij in thin met de Riouwreese drijven, zoude zulks, als een Onweederspreekelijke blijk, mij zeer kunnen faciliteeren, bij dolleance daar Over, aan dit 11of immers, waar van daan kunnen zulke groote quantiteiten van dat Mineraal, jaarlijks aldaar aangebragt worden, waar meede zoo een sterke handel Op china, tot groot Prejuditie der E: Maatschappije, gedreeven word: en zoo ik niet ongegrond vrees, in deese ongunstige tijden vermeerderen zal, wat wat zouden anders dit jaar weder dertien Jonken, twee Maccauwers onder welke zoo gesegd word een voor reekening van den Engelschen Capitain Gedis die in per„ zoon zig daar op bevond geweest is, en twee scheepen Onder Keijzerlijke vlag aldaar willen uit voeren, een spoedige vreede volgende zal mogelijk alles kunnen be¬ „slissen, Ik heb de Eer met waare agting te zijn, /Onderstond/ wel Edele Gestrenge aan Ernstfeste Manhafte voor zienige en Discreete Heer /lager/ uwel Edele Gestrenge Paraate Dienaar en Vriend geteekend/ G:t Hemmij /:in Margine Palembang den 15 Maart 1783 Accordeert JJ: Saumgarten P. l. Pe Copie Secreete Resolutien genomen in Raade van Politie der stad en For„ „tresse Malacca sedert den 26. Juli 1782 1783 den 10. Febuari No. 4. ƒ tot
English
Friday, 26 July 1782 In the morning Council of Policy. All present. The Governor communicated to the Council that the Regent of Rakkan and its dependencies, named Habieb Oemar Heni Mochamat Ba Hoezeen Aszagaf, having arrived here on the 11th of this month as Envoy of the King of Siac, Padoeka Sriet Sulthan Tahia Achmnat Cha, and having been received in audience by His Honour on the 15th, had presented to His Honour his credentials, granted to him as Envoy by the said King, announcing that he was deputed hither to accept and swear to, in the name and on behalf of this his Master, not only the Treaty of Peace, Friendship and Alliance concluded on 16 January 1761 between the General Dutch Chartered East India Company and the late King of Siac, Iang Pertouang Sulthan Allamoedin, but also to enter into and conclude with the said Company such further Convention as should be judged most expedient for mutual prosperity, requesting therefore to be admitted to both on account of the reasons pleading in favour thereof. Secret 23 26 July 1782 To be admitted. And His Honour remarked in that regard that Radja Alam, by the aforementioned Treaty, had expressly bound his successors to the throne of Siac and Indrapura to come hither in person upon their accession, in order solemnly to accept and swear to that Treaty; that for that reason, the aforementioned Prince who succeeded to the rule over those dominions had also been urged with the strongest insistence to make such a visit by letter of 29 January last; that in answer to that letter, in his own of 12 February, as also now through the mouth of his named Envoy, he had declared himself to be whole-heartedly inclined thereto, but for the present, owing to the alarming state of affairs and his manifold occupations, unable to fulfil this his obligation, because he had no rest, and, since Siac, among other precarious prospects, was also threatened with hostile attacks from the side of the Buginese, he had to occupy himself daily not only with making koeboes (batteries) and penjajaps (armed vessels), or repairing whatever had fallen into decay, but also with countering the irregularities that had crept into the Realm, and putting its administration back on a well-ordered footing, under the promise nevertheless that, when he could be at ease and had nothing further to fear, he would not fail to come and meet the Governor and Council here; that the King was still young and inexperienced, but the aforementioned Minister sent hither by him with full powers was an elderly and sensible man, very well-disposed toward the Company, and now appeared to be the pivot on which everything in Siac turned; that, in case he were not admitted to the acceptance of the oft-mentioned Treaty and the King stayed away for a long time, there would then be no obligation upon him, and his said Minister might easily slacken in his affection for the Company, taking his rejection as a sign of contempt or mistrust; that the visit of the King hither, besides the danger he would run during the journey of being molested upon encountering English ships, would also, on account of the large retinue that such Princes customarily have with them, incur heavy expenses, which could be avoided without infringing upon the Company's rights or releasing the King from his obligation. 26 July 1782 His Honour continued further that, just as it was for all these reasons not advisable to insist on the coming of the King himself, but rather to condescend to the request of his plenipotentiary Envoy, in order thereby to bind both the King and his Minister to the Company, His Honour was also of the opinion that one ought to make use of such an opportunity to provide for the security and welfare of the King enthroned by Radja Ismael, Radja Mahomet Ali, in compliance with the recommendation of the Honourable High Government of the Indies by honoured Secret dispatch of 30 June 1780, and at the same time to make the necessary arrangements both with regard to the supply of tin from the Territory of Rakkan, and concerning the Company's assistance against the English, and that His Honour therefore, having spoken earnestly with him about this, had provisionally disposed him to enter into an agreement with the Company: Firstly, in no way to molest, persecute, or disturb Radja Mahomet Ali, as well as his Friends and Kinsmen, as long as they remained loyal to the Company and their legitimate King and behaved properly, but on the contrary to treat that Prince with all honour and distinction, to protect him against his enemies, and to leave him in the peaceful possession of his goods, as well as to support his Friends and Kinsmen in all fairness; Secondly, upon the summons of the Governor and Council, to send hither with Siak vessels two thousand men, in order to be employed in the defence of this City and Fortress against the English, for such wages as the Malay soldiers enjoyed; Thirdly, to have all the tin that Rakkan yielded delivered here to the Company at the price of thirty-five Spanish reals for the bahar of 375 lb. Whereupon, after deliberation, it was approved and agreed to admit the oft-mentioned Envoy to the acceptance and swearing, in the name of the King, of the Treaty concluded with Radja Alam, and to conclude with him such further convention
Dutch transcription
Vrijdag den 26: Juli 1782 's Voormiddags Vergadering van Politie. Allen present. De Heer Gouverneur heeft aan de Vergadering gecommuniceerd, dat de Regent van Rakkan en dies onderhoorigheden, met naame Habieb Oemar Heni Mochamat Ba Hoezeen Aszagaf, als Afge„ „zant van den Koning van Siac Padoeka Srie: t Sulthan Tahia Achmnat Cha, op den 11:' deezer hier aangekomen, en den 15. bij zijn Ed. ter audientie ontvangen zijnde, aan zijn Ed. hadt geproduceerd zijn Credentiaal, door den gemelden Koning op hem Afgezant verleend, onder bekendmaaking dat hij herwaarts gedeputeerd was, om uit naam, en van wegen deezen zijnen Meester niet alleen te accepteeren en te beëedigen het tusschen de Ge„ „nerale Nederlandsche Geoctroijeerde Oostindische Maatschappije en wijlen den Koning van Siac Iang Pertouang Sulthan Allamoedin op den 16. Januari 1761 gesloten Tractaat van Vrede, Vriend- en Bondgenootschap, maar ook met dezelve Maatschappije aan te gaan en te sluiten zoodanige nadere Conventie; als tot wederzijdsche welvaart oorbaarst geoordeeld zoude worden, verzoekende derhalven om tot het een en ander uit hoofde der daar voor pleitende redenen te Secreet 23 Den 26. Juli 1782 te worden geadmitteerd. En heeft zijn Ed. dienaangaande geremaiqueerd, dat Radja Alam, bij het voorschreven Tractaat zijne successeuren op den troon van Siac en Indrapoe„ „ra uitdrukkelijk verbonden hadt tot de personeele herwaarts-komste bij hunne aanstelling, om dat Tractaat plegtiglijk te accepteeren en te beëedigen; dat men daarom ook den voorgemelden in het bewind over die heerschappijen gesuccedeerden Prins bij missive van den 29. Ianuari laastleden met den sterksten aandrang tot zoodanige overkomste hadt aangemaand; dat Hij in antwoord op dien brief bij den zijnen van den 12. Februari, gelijk ook nu door den mond van zijnen opgenoem„ den Afgezant, betuigd hadt daar toe van gan„ „scher harte genegen, dog voor als nog wegens den zorgelijken aanschouw der zaaken en zijne menigvuldige occupatien tot het voldoen aan deeze zijne gehoudenisse buiten staat te zijn, doordien Hij geene rust hadt, en, daar t Siac, onder meer andere haghelijke vooruitzig„ „ten, ook van de zijde der Boegineeschen niet vijandelijke aanvallen gedreigd wierdt, zig dagelijks moeste bezig houden met niet al„ „leen koeboes (batterijen/ en panjajabs (weer„ „baare vaartuigen/ te maaken, of al wat vervallen was te herstellen, maar ook de in 25 Den 26. Juli 1782 in het Rijk ingeslopen ongeregeldheden tegen te gaan, en het bestier van hetzelve weder op een welgeschikten voet te brengen, onder belofte nogtans, wanneer Hij gerust kon zijn, en niets verder te dugten hadt, niet te zullen onderlaaten den Gouverneur en Raad alhier te komen ontmoeten; dat de Koning nog jongk en onbedreven, dog de voorschreven door hem met volle magt herwaarts ge„ „zonden Minister een bedaagd en verstandig man, der Compagnie zeer toegedaan, en nu de spil scheen te zijn, daar in Siac alles op draaide; dat, bij aldien men hem tot de ac„ ceptatie van het meergemelde Tractaat niet toeliet en de Koning lang wegbleef, 'er dan geene verbintenisse voor hem zoude zijn, en zijn gemelde Minister in zijne gene„ „genheid voor de Compagnie ligtelijk zoude kun„ „nen verflaauwen, zijne afwijzing voor een blijk van minagting of mistiouwen opnee„ „mende; dat de overkomste van den Koning naar herwaarts, behalven dat bij op de reize bij ontmoeting van Engelsche schepen ge„ „vaar zoude loopen van geinfesteerd te worden, ook wegens het groot gevolg, dat zulke Prin„ „sen naar gewoonte bij zig hebben, zwaare kosten zoude verrekken, die men zonder de Compagnie in haar regt te krenken d Den 26. Juli 1782 of den Koning van zijne verpligting te ontstaan vermijden kon. Vervolgende zijn Ed. wijders dat, gelijk het om alle deeze redenen niet raadzaam was op de komste van den Koning zelf te blijven staan, maar wel in het verzoek van zijnen gevolmagtigden Afgezant te condescendeeren, ten einde daar door beiden den Koning en Zij„ „nen Minister aan de Compagnie te verbin„ „den, zijn Ed. ook venneende, dan men zig van zulk eene gelegenheid behoorde te bedie„ „nen, om ter voldoening aan de recomman„ „datie van de Edele Hooge Indische Regeering bij geëerde Secreete missive van den 30. Iuni 178036. voor de zekerheid en welvaart van den door Radja Ismael getroneerden Koning Radja Mahomet Ali te zorgen, en teffens zoo ten aanzien der leverancie van tin uit het Gebied van Rakkan, als nopens de adsistentie van de Compagnie tegen de Engelschen, de noodige schikkingen te maa„ „ken, en dat zijn Ed. derhalven, met hem daar over ernstiglijk gesprooken hebbende, hem bij provisie gedisponeerd hadt tot het aangaan van een verdrag met de Compagnie, Eerstelijk, om Radja Mahomet Ali, bene„ „vens zijne Vrienden en Maagen, zoo lang zij 27 Den 26. Juli 1782 zij aan de Compagnie en hunnen wettigen G Koning getrouw bleeven en zig naar behooren gedroegen, op geenerlei wijze te verangelijken, te vervolgen, of te turbeeren, maar in tegen„ „deel dien Prins met alle eere en distinctie te tracteeren, tegen zijne vijanden te bescher„ „men, en in de vredige possessie zijner goe„ „deren te laaten, mitsgaders zijne Vrienden en Maagen ook in alle billijkheid voor te staan: Ten tweeden, om op het ontbod van den Gou„ „verneur en Raad met Siacshe vaartuigen herwaarts te zenden twee duizend man, ten einde in de defensie deezer Stad en Fortresse tegen de Engelschen geëmploijeerd te worden, voor zoodanige besoldingen, als de Maleitsche Mi„ „litairen genooten. Ten deeden, om al het tin, dat Rakkan gaf, hier aan de Compagnie te doen leveren tot den prijs van vijf en dertig Sp. reaalen voor de baar van 375. –. lb. Waar op gedelibereerd zijnde, is goedgevon„ „den en verstaan den meergemelden Afge„ „zant te admitteeren tot de acceptatie en bezweering nomine Regis van het met Radja Alam gesloten Tractaat, en met hem zoodanige nadere conventie te
English
The 26th of July 1782 to conclude, as to which the Governor has already provisionally disposed him, as well as consequently to conform to the deeds drawn up and now summarized concerning this, but upon the departure of said Minister to make known to the King, while communicating his confirmation in the government, the conditions upon which the Honorable High Indies Government has granted him that favor, and that one therefore, notwithstanding the admission of his Minister in his place to the acceptance and swearing of the Treaty subsisting with the Company, nevertheless firmly expects that His Highness, as soon as it can happen with more safety than now, shall come hither, both in fulfillment of his obligation and to correspond to the intention of the aforementioned High Government, and thus give proof of the sincerity of his made assurances of faithful, well-meaning, and devoted attachment to the Company. Malacca in the Castle, date as above. (Signed) P. G. de Bruijn, A. A. Werndlij, I. A. Hensel, A.s Couperus, F. Thierens, and R. B. Hoijnck van Papendrecht. Friday the 6th of September 1782 In the morning Meeting of Policy. All present. September 1782 The 6th. The Governor noted that the five English ships which passed here yesterday would certainly be attacked by the French King's frigate la Pourvoyeaue in or around the Strait of Sincapoera, and that those which escaped it, if they could not get through the said strait, would take refuge through the Strait of Drioens, or turn back, unless this could be prevented by the Batavia privateer ships the Ionge Hugo and the Hoop, which pursued them. His Honor therefore proposed to arrange the unloading of the private ship the Nepthunus, which arrived here with rice, in such a way that it could simultaneously take in the necessary ballast in proportion to the rice it discharged, in order to remain constantly ready to sail, and in the meantime to reinforce it with as many mariners as it needed with its crew to operate its artillery, consisting of sixteen four-pounders and two six-pounders, or as many as could be obtained in service, and also, should one or more of the said enemy ships come into sight here again, The 6th of September 1782 to send on board the Nepthunus thirty-six European soldiers and sepoys from the garrison, under the command of Ensign Iohan Fredrik Claas, to set sail immediately with them, and, if it could be done with any good prospect, to contest the passage of the enemy, but otherwise to ensure safety. Whereupon, having deliberated, it was approved and agreed to conform to His Honor's proposal, and accordingly to carry it into effect. Malacca in the Castle, date as above. (Signed) P. G. de Bruijn, A. A. Werndlij, I. A. Hensel, A.s Couperus, F. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht, and H. I. Wiederhold. Saturday the 7th of September 1782 In the morning Meeting of Policy. All present. It being communicated by the Governor that His Honor had succeeded in securing the service of twenty Portuguese, twenty Malay, and twenty-two Javanese mariners, September 1782 The 7th. to which twelve European sailors could be added; but that His Honor, since the ship the Nepthunus, in addition to its crew consisting of seventy men, needed only forty more men for the expedition planned by yesterday's secret resolution, had placed forty-two men, along with a bombardier, a gunner, and four gunner's mates, on that vessel, and the remaining thirty-two with a gunner and six gunner's mates on the bark the Geertruida Susanna with the thirty mariners assigned to that craft, in order to sail out united with the Nepthunus when one or more of the five English ships that had sailed south should come into sight here again, and that His Honor would therefore also divide the soldiers designated for the first-mentioned vessel between both: it was approved and agreed not only to conform hereto, but also, considering that the bark the Geertruida Susanna is a Company vessel The 7th of September 1782 while the Nepthunus is a private ship, to entrust the command of the aforementioned expedition to the Master of Equipment Hermanus Ielgerhuijs, leaving it to his choice whether he wishes to embark on the ship or on the bark, and consequently to approve the Instructions prepared for him. Malacca in the Castle, date as above. (Signed) P. G. de Bruijn, A. A. Werndlij, I. A. Wansel, A. Couperus, F. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht, and H. I. Wiederhold. Sunday the 6th of October 1782 In the morning Meeting of Policy. All present. The Governor communicated to the Assembly that His Honor, after receiving the report on the 3rd of this month regarding the arrival at Muar of the Regent of Iohor, Radja Hadjie, with more than one hundred small vessels, all heavily manned, had quietly ordered the most suitable preparations to be made, owing to the uncertainty of what his objective might be, in order that, should he seek an opportunity against this place
Dutch transcription
Den 26. Juli 1782 te sluiten, als waar toe de Heer Gouverneur hem reeds provisioneel gedisponeerd heeft, mitsgaders dienvolgens ook zig te conformeeren met de daar van ingestelde en tans geresumeerde Acten, dog bij vertrek van dien Minister den Koning„ onder communicatie van zijne bevestiging in het bewind, te kennen te geeven de voorwaende„ op welke de Edele Hooge Indische Regeering Htem die gunste bewezen heeft, en dat men derhal„ „ven, ongeagt de admissie van zijnen Minister in zijne plaatze tot de acceptatie en bezwae„ „ring van het met de Compagnie subsisteerende Fractaat, egter vast verwagt, dat zijne Hoog„ „heid, zoo dia het meer veiligheid dan nu geschie„ „den kan, herwaarts zal komen, zoo ter vol„ „doeninge aan zijne gehoudenisse, als om te be„ „antwoorden aan de intentie van de welge„ „melde Hooge Regeering, en dus blijken te gee„ ven van de opregtheid zijner gedaane verzeke„ „ringen van getrouw-welmeenend- en verkleerd„ „heid aan de Compagnie. Malacca in het Casteel dato voorschreven (Getekend) P. G. de Bruijn, A. A. Werndlij, I. A. Hensel, A. s Couperus, F. Thierens, en R. B. Hoijnck van Papendrecht. Vrijdag den 6. September 1782 's Voormiddags Vergadering van Politie. Allen present. De 29 September 1782 Den 6. De Heer Gouverneur heeft aangemerkt, dat de vijf Engelsche schepen, die gisteren hier ge„ „passeerd waren, zekerlijk door het Fransche Konings-fregat la Pourvoijeuse in of omtrent de straat Sincapoera zouden worden geatta„ „queerd, en dat die het ontkwamen, zoo zij niet door de gemelde straat geraaken konden, de wijk zouden neemen door de straat Drioens, of te rug keeren, ten ware hun dit kon worden belet door de Batavia„ „sche Kaaperschepen de Ionge Hugo en de Hoop, die hun nazetteden. Proponeerende zijn Ed: derhalven het met de ontlaading van het met rijst hier aan„ gekomen particuliere schip de Nepthunus nu zoo te schikken, dat hij teffens de noodige ballast naar Maate van de rijst, die hij loste, kon inneemen, ten einde gestadig zeilree te leggen, en hem intusschen met zoo veel zeevaarenden te versterken, als hij met zijne Equipage tot het gebrui„ „ken van zijn geschut, bestaande in zestien vier- en twee zesponders, noodig hadt, of men in dienst kon krijgen, mitsgaders ook, wanneer een of meer van de gemelde vijandelijke schepen hier weder in het gezigt mogten Den 6. September 1782 mogten komen, naar boord van de Nepthu„ „nus te zenden zes en dertig Europesche Mili„ E „tairen en Sipais uit het Garnisoen, onder het bevel van den Vaandrig Iohan Fredrik Claas, om daar mede daadelijk onder zeil te gaan, en, indien het met eenig goed voor„ „uitzigt geschieden kon, den vijand de door„ „ligad ƒ „togt te betwisten, dog anders voor„ viligheid te zorgen. Waar op gedelibereerd zijnde, is goedgevan„ # „den en verstaan zig met zijn Eds. voorstel te conformeeren, en hetzelve overzulks te laa„ „ten gevolg hebben. Malacca in het Casteel dato voorschreven (Getekend/ P. G. de Bruijn, A. A. Werndlij, I. A. Hensel, A.:s Couperus, F. Thierens, R: B. Hoijnck van Papendrecht en H. I. Wiederhold. Saturdag den 7. September 1782 's Voormiddags Vergadering van Politie. Allen present. Door den Heer Gouverneur gecommuniceerd zijnde, dat het zijn Ed. gelukt was twintig Portugeesche, twintig Maleitsche, en twee en twin„ „tig Iavaansche zeevaarenden in dienst te krijgen, waar 31. September 1782 Den 7. waar bij twaalf Europesche Matroozen konden worden gevoegd; dan dat zijn Ed. , dewijl het schip de Nepthunus, bij zijne Equipage, die in zeventig man bestondt, maar nog veertig man tot de bij secreete Resolutie van gisteren beraamde expe„ „ditie noodig hadt, twee en veertig man, benevens een Bombardier, een Canonnier, en vier Busschieters, op dien bodem hadt geplaatst, en de overige twee en dertig met een Canonnier en zes Busschieters op de bark de Geertruida Susanna bij de op dat kieltje bescheiden dertig zeevaaren„ „den, om met de Nepthunus vereenigd uit te loopen, wanneer een of meer van de naar de zuid gestevende vijf Engelsche schepen hier weder in het gezigt kwamen, en dat zijn Ed. derhalven ook de voor den eerstgemelden bodem geschikte Militai„ „ren op beiden zoude verdeelen: zoo is goed„ „gevonden en verstaan zig daar mede niet alleen bij deezen te conformeeren, maar ook uit consideratie dat de bark de Geertruida Susanna een Comps. vaartuige Den 7. September 1782 vaartuig, dog de Nepthunus een particulier schip is, den Equipage - opzigter Hermanus Ielgerhuijs het commando over de voorschreven expeditie op te draa„ „gen, laatende het aan zijne verkiezing of hij zig op het schip, dan wel op de bark, wil embar„ „queeren, en dienvolgens te approbeeren de voor hem ingestelde Instructie. Malacca in het Casteel dato voorschreven (Getekend) P. G. de Bruijn, A. A. Werndlij, I. A. Wan„ „sel, A. Couperus, F: Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht en H. I. Wiederhold. Zondag den 6. October 1782 's Voormiddags Vergadering van Politie. Allen present. De Heer Gouverneur heeft aan de Vergadering gecommuniceerd, dat zijn Ed. na het op den 3. deezer ontvangen berigt der komste op Maar van den Regent van Iohor, Radja Hadjie, met meer dan een honderd kleine vaartuigen, allen sterk bemand, uit hoofde der onzekerheid wat zijn oogmerk mogte zijn ! in stilte de bekwaamste toebereidzels hadt laaten maaken, om, bij aldien Hij een kansje op deeze plaatze
English
83 6 October 1782 would risk the place, also to be able properly to resist, but that yesterday evening two emissaries of that Prince had arrived here, namely the Bugis Tolozan and the Malay Intje Camies, to make known to His Honour not only the arrival of His Highness at the said place, but also at the same time that he, having no trusted person whom he could send hither to negotiate about the matters which had been proposed to him through the Bookkeeper Rappa, had therefore come there himself, and now left it to His Honour what further he wished to have done, without their having orders to say anything more. And, after the remarks and orders of the Honourable High Government of the Indies concerning some points of negotiation with the said Prince, contained in esteemed separate and secret letters of 10 June and 12 July last, were reread thereupon, as well as the letter written by the same to His Highness and dated 10 June, it being taken into consideration that, although the large force with which he had arrived at Moar caused speculation, 6 October 1782 caused speculation, it nevertheless might well be that he, if not upon the repeated admonitions to renew the contracts existing between the Company and the Court of Johor, at least in view of the advantage which he might enjoy from concluding such a convention against the English as had been proposed to him, but also at the same time out of precaution that this might not become public, had taken the resolution to come so close to this place or perhaps even here, in order to negotiate about it in secret with the Governor; that in that case it would be the most desirable opportunity that could ever be found to stipulate advantageous conditions for the Company; that therefore, far from showing any distrust with regard to his person, one ought to have him asked whether he wished to come here, or rather wait at Moar for some commissioners to enter into conference with them there, and at the same time have him sounded out whether he would be inclined to counter the smuggling trade in tin and pepper, since without his consent on this point the aforesaid convention 35 6 October 1782 convention could not now be concluded; that, if he chose to come here, one could not only with very plausible reasons demand of him that he bring no larger retinue than a hundred men at most, under declaration that he otherwise could not be admitted at this time, but that one could then also take enough precautions to have nothing to fear from it, and settle everything so quickly that he would not need to remain here long, while, if he had any evil in mind, he would well be able to deduce from this message that one was resolved to prevent the execution thereof; it has been approved and agreed to send the Captain of the Burghery Abraham de Wind, as being knowledgeable in the language and customs of the country and held in special esteem by all the Princes and grandees along this strait, at once to Moar, First, to compliment the aforementioned Regent of Johor in the name of this Government on his arrival there; Secondly, to His Highness, under
Dutch transcription
83 Den 6. October 1782 plaatze wilde waagen, Jtem naar behooren te kunnen resisteeren, dog dat gisteren avond hier waren aangekomen twee zendelingen van dien Prins naamelijk de Boeginees Tolozan„ en Maleijer Intje Camies, om aan zijn Ed. niet alleen het arrivement van zijne Hoogheid ter gezegde plaatze, maar ook te gelijk be„ „kend te maaken, dat Hij, geen vertrouwd per„ „soon hebbende, welken hij herwaarts zenden kon, om over de zaaken te handelen, die men Hem door den Boekhouder Rappa hadt laaten voorstellen, overzulks zelf daar gekomen was, en het nu aan zijn Ed. liet wat hij verder gedaan wilde hebben! zonder dat zij last hadden om iets meer te zeggen. En, na dat daar op waren herlezen de remar„ „ques en orders van de Edele Hooge Indische Regee„ „ring, betreffende eenige pointen van negotiatie met den gemelden Vorst, vervat bij geëerde aparte en Secreete brieven van den 10. Juni en 12. Iuli laastleden, zoo mede de brief, door Hoog dezelve aan zijne Hoogheid geschreven en den 10. Iuni gedagtekend, in consideratie genomen zijnde dat, schoon de groote magt, waar mede wij op Moar gekomen was, speculatie Den 6. October 1782 speculatie baarde, het nogtans wel weezen kon, dat Hij, indien al niet op de herhaalde aan„ „maaningen om de Contracten, tusschen de Com„ „pagnie en het Iohasche Hof subsisteerende, te ver„ „nieuwen, ten minsten uit inzigt van het voor„ „deel, het welk hij met het sluiten van zoodanig eene Conventie tegen de Engelschen, als men hem hadt doen voorslaan, zoude kunnen genieten, dog ook teffens uit voorzorg dat dit niet mogte openbaar worden, het besluit genomen hadt om zoo nabij deeze plaats of misschien hier zelfs te komen, ten einde daar over in Secretesse met den Heer Gouver„ „neur te handelen; dat het in dien gevalle de allerwenschelijkste gelegenheid zoude zijn, die men ooit kon aantreffen, om nuttige con„ „ditien voor de Compagnie te bedingen; dat men derhalven, wel verre van eenig mistrou„ „wen ten aanzien van zijn persoon te laaten blijken, hem behoorde te laaten vraagen; of wij hier wilde komen, dan wel eenige Gecommitteerden op Maar afwagten, om daar mede in conferentie te treeden, en hem teffens te laaten polzen, of hij wel genegen zoude weezen om den smokkelhandel in tin en peper tegen te gaan. dewijl men zonder zijne bewilliging in dit point de voorschreven conventie 35 Den 6. October 1782 conventie nu niet vermogt te sluiten; dat, wanneer Hij verkoos hier te komen, men niet alleen met zeer aanneemelijke redenen van Item zoude kunnen vorderen, dat wij geen nooter gevolg medebragt, dan honderd man ten hoogsten, onder verklaaring van hem anders in deezen tijd niet te mogen admitteeren, maar dat men dan ook precautien genoeg zoude kunnen neemen, om 'er niets van te dugten te hebben, en alles zoo spoedig afdoen, dat wij hier niet lang behoefde te blijven, terwijl wij eenig kwlaad in zin hebbende, uit deeze boodschap vel zoude kunnen opmaaken, dat neen geresolveerd was de uitvoering van hetzelve te beletten; is goedgevonden en verstaan den Capitein der Burgerije Abraham de 1 Vind, als der spraake en gewoonte des lands kundigen bij alle de Prinsen en nooten langs deeze straat in bijzondere igting zijnde, ten eersten naar Maar ƒ te zenden, Eerstelijk, om den meergemelden Regent, van Iohor, uit naam van deeze Regeering te complimenteeren wegens zijne komste aldaar; Ten tweeden, om aan zijne Hoogheid, onder Den 6. October 1782 speculatie baarde, het nogtans wel weezen kon„ dat Hij, indien al niet op de herhaalde aan „maaningen om de Contracten, tusschen de Con „pagnie en het Ioharsche Hof subsisteerende, te ver„ „nieuwen, ten minsten uit inzigt van het voor „deel, het welk hij met het sluiten van zoodanig eene Conventie tegen de Engelschen, als men hem hadt doen voorslaan, zoude kunnen genieten, dog ook teffens uit voorzorg dat dit niet mogte openbaar worden, het beslui„ genomen hadt om zoo nabij deeze plaats of misschien hier zelfs te komen, ten einde daar over in Secretesse met den Heer Gouver „neur te handelen; dat het in dien gevalle de allerwenschelijkste gelegenheid zoude zijn die men ooit kon aantreffen, om nuttige co „ditien voor de Compagnie te bedingen; da men derhalven, wel verre van eenig mistroi „wen ten aanzien van zijn persoon te laaten blijken, hem behoorde te laaten vraagen; of wij hier wilde komen, dan wel eenige Gecommitteerden op Maar afwagten, om daar mede in conferentie te treeden, en wer teffens te laaten polzen, of hij wel genegen zoude weezen om den smokkelhandel in tin en peper tegen te gaan! dewijl men zoud zijne bewilliging in dit point de voorschreven conventie - 35 Den 6. October 1782 conventie nu niet vermogt te sluiten; dat, wanneer Hij verkoos hier te komen, men niet alleen met zeer aanneemelijke redenen van Item zoude kunnen vorderen, dat wij geen grooter gevolg medebragt, dan honderd man ten hoogsten, onder verklaaring van htem anders in deezen tijd niet te mogen admitteeren, maar dat men dan ook precautien genoeg zoude kunnen neemen, om 'er niets van te dugten te hebben, en alles zoo spoedig afdoen, dat wij hier niet lang behoefde te blijven, terwijl wij eenig kwlaad in zin hebbende, uit deeze boodschap wel zoude kunnen opmaaken, dat neen geresolveerd was de uitvoering van hetzelve te beletten; is goedgevonden en verstaan den Capitein der Burgerije Abraham de Wind, als der spraake en gewoonte des lands kundig en bij alle de Prinsen en grooten langs deeze straat in bijzondere agting zijnde, ten eersten naar Maar te zenden, Eerstelijk, om den meergemelden Regent van Iohar, uit naam van deeze Regeering te complimenteeren wegens zijne komste aldaar; Ten tweeden, om aan zijne Hoogheid, onder
English
The 6 October 1782 under assurance of the Company's goodwill towards him and the Johorian Empire, to put forward the expectation of the Noble High Indian Government that he will be willing to renew the contracts successively entered into with the Company by the Kings of Johor and Pahan, as he will already have seen from the letter recently written to him by the aforementioned High Government; Thirdly, to sound out whether he would be inclined, regarding the English ships that might enter his ports during the war between the Dutch and that nation, to conclude such a separate convention as that of which he has already been informed by the Bookkeeper Rappa, and whether he would be willing expressly to bind himself therein effectively to oppose and prevent the smuggling trade in tin and pepper carried on from Palembang and Banca to Riouw. And fourthly, to inquire whether His Highness would be willing to come hither for that purpose, or rather await Deputies of this Government at Moar. Further, to leave to the Lord Governor the issuing to the aforementioned de Wind of such The 6 October 1782 such other orders as His Honour should deem necessary in this case. Malacca in the Castle on the date aforementioned: (Signed) P. G. de Bruijn, A. A: Werndlij, I. A. Hensel, A. s Coupenus, F. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht and H. I. Wiederhold. Wednesday the 9 October 1782 In the forenoon Council of Policy meeting. All present Having read the Report delivered to the Lord Governor by the Captain of the local Burgher Guard, Abraham de Wind, upon his return from Moar, regarding the execution of the commission assigned to him by secret Resolution of the 6 instant; from which it was sufficiently evident that the Regent of Johor, Radja Hadjie, was as little inclined to assist in capturing English ships as he was to enter into any treaty with the Company, whether in that regard or with respect to other matters, but that on the contrary he had some evil design or other in mind with his arrival at Moar: it was agreed to be satisfied with the proceedings of the aforementioned de Wind, to insert his Report herein, and to await the letter that Radja Hadjie intended to write hither. To the Honourable and Valiant Lord Pieter Gerardus de Bruijn, Governor and Director of the City and Fortress, together with the Honourable Members of the Respected Council of Policy here, Honourable and Valiant Lord and Honourable Sirs, It has pleased Your Honour and the Honourable Sirs to charge the undersigned to proceed to Moar, in order to compliment the Regent of Riouw, Radja Hadjie, currently residing there, on behalf of Your Honour October 1782 The Honourable and Valiant Lord and the Honourable Sirs, on his arrival there, and furthermore, under assurance of the Company's goodwill towards him and the Johorian Empire, not only to put forward to His Highness the expectation of the Noble High Indian Government that he will be willing to renew the contracts entered into with the Company by his predecessors on the throne of Johor and Pahan, as he would have already seen from the letter recently written to Him by their aforementioned High Excellencies, but also to ascertain whether he would be inclined to enter into such a separate convention regarding the English ships that might enter his ports during the war of the Dutch with that nation, as that of which he was already informed by the Bookkeeper Rappa, and whether he would be willing expressly to bind himself therein effectively to oppose and prevent the smuggling trade in tin and pepper carried on from Palembang and Banca into his realm. Inquiring whether The 9 October 1782 His Highness in such case would be willing to come hither for the conclusion of the Contract, or rather await the Deputies of Your Honour and the Honourable Sirs at Moar. The undersigned, according to his duty, has endeavored to comply to the best of his ability with these highly respected orders of Your Honour and the Honourable Sirs, and has the honour to report concerning the outcome thereof: That, having arrived at the mouth of the river of Moar on Monday the 7 instant at half past one in the afternoon aboard the native vessel with which he had departed from here, there came on board with him the Nachoda Tholozan, who had been sent hither by Radja Hadjie on the 5 preceding, together with Intje Camies, and had departed from here again on the 6; That, having sailed up the river with this Tholozan, he received on board the Pangauwa of Riouw, in order to guide him to the Regent, whereupon the undersigned also immediately went ashore in his company and proceeded to the Regent, finding the same sitting under a tent, surrounded by over two hundred
Dutch transcription
Den 6. October 1782 onder verzekering der welmeenendheid van de Compag„ „nie omtrent hem en het Iohoische Rijk, voor te stel„ „len de verwagting der Edele Hooge Indische Regee„ „ring, dat bij de Contracten, door de Koningen van Iohor en Pahan successivelijk met de Com„ „pagnie aangegaan, zal willen vernieuwen, gelijk hij dat reeds gezien zal hebben uit den brief, door de welgemelde Hooge Regeering onlangs aan hem geschreven; Ten deiden, om te sondeeren of wij genegen zoude zijn nopens de Engelsche schepen die geduurende den oorlog der Hollanders met die Natie in zijne havens mogten komen, „te sluiten, zoodanige separate Conventie„ als waar van wij door den Boekhouder Rappa reeds onderrigt is, en of wij zig daar bij wel expresselijk zoude willen verbinden om den sluikhandel, die van Palembang en Banca met tin en peper op Riouw gedreven wordt, kragtdaadig tegen te gaan en te beletten. En ten vierden, om te vraagen of zijne Hoogheid ten dien einde herwaarts wil komen, dan wel Gecommitteerden van deeze Regeering op Maar afwagten! Voorts aan den Heer Gouverneur te defereeren de voorschrijving van gemelden de Wind van zoodanige Den 6. October 1782 zoodanige andere orders, als zijn Ed. in dit geval noodig zoude oordeelen. Malacca in het Casteel dato voorsz: (Getekend) P. G. de Bruijn, A. A: Werndlij, I. A. Hensel, A. s Coupenus, F. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht en H. I. Wiederhold. Woensdag den 9: October 1782 's Voormiddags Vergadering van Politie. Allen present Gelezen zijnde het door den Capitain der Burgerje alhier Abraham de Wind bij weder„ # komste van Maar aan den Heer Gouver„ „neur overgegeven Berigt, wegens de uit„ „voering van de hem bij secreete Resolutie van den 6. hujus opgedragen' commissie; waar uit genoegzaam bleek, dat de Regent van Iohor Radja Hadjie, even zoo min genegen was om Engelsche schepen te helpen veroveren, als om zig in eenige contractatie met de Compagnie, 't zij dienaangaande, of met betrekking tot andere pointen, in te laaten, maar dat wij daar„ „entegen met zijne komste op Moar den GZ Den 9. October 1782 den eenen of anderen kwaarden toeleg in den zin hadt: zoo is verstaan met de verrigten van gemelden de Wind genoegen te neemen, zijn Berigt bij deezen te insereeren, en den brief af te wagten, welken Radja Hadjie herwaarts schrijven wilde. Aan den Wel-Edelen Gestrengen Heer Pieter Gerardus de Bruijn, Gouverneur en Directeur der Staden Fortresse. benevens De Heeren Leden in den Agt„ „baaren Raad van Politie al„ „hier, Wel-Edele Gestrenge Heer, en E. E. Heeren, Het heeft uwer Wel-Edele Gestr. en E. E. behaagd den ondergetekenden te demandeeren zig, naar Maar te begeeven, om uit naam van Uwwe Wel October 1782 Den Wel-Edele Gestr. en E. E. den tans aldaar zig be„ „vindenden Regent van Riouw, Radja Hadjie, wegens zijne komste aldaar te complimen„ „teeren, en voorts aan zijne Hoogheid, onder verzekering der welmeenendheid van de Com„ „pagnie omtrent Item en het Iohorsche Rijk, niet alleen voor te stellen de verwagting der Edele Hooge Indische Regeering, dat bij de Contracten, met de Compagnie door zijne Predecesseuren op den troon van Iohor en Pahan aangegaan, zal willen verrieu„ „wen, gelijk wij dat reeds gezien zoude hebben uit den brief, door Hooggemelde hunne Hoog-Edelheden jongst aan Hem geschreven, maar ook te ondertasten of wij genegen zoude zijn nopens de En„ „gelsche schepen, die geduurende den oor„ „log der Hollanders met die Natie, in zijne havens mogten komen, zoodanige separate Conventie aan te gaan, als waar van wij door den Boekhouder Rappa reeds was onderregt, en of wij zig daar bij wel expresselijk zoude willen verbinden den sluikhandel, die van Palembangen Banca met tin en peper in zijn Rijk gedreven wordt, kragtdaadig tegen te gaan en te beletten. Vraagende of zijne Den 9. October 1782 zijne Hoogheid in zoodanige gevalle tot het slui„ „ten van het Contract herwaarts wilde komen, dan wel de Gecommitteerden van uwe Wel-Edele Gestr. en E: E. op Maar afwagten. De ondergetekende heeft volgens zijne gehoudenisse aan deeze Uwer Wel-Edele Gestr. en E. E. zeer gerespecteerde beveelen naar zijn best vermogen tragten te voldoen, en nopens den uitslag daar van de eene hebben te berigten, Dat wij op Maandag den 7. hujus 's mid„ „dags om half twee uuren met het inland„ „sche vaartuig, waar mede van hier ver„ „trokken was, in de mond der rivier van Moar gekomen zijnde; bij hem aan boord gekomen is de door Radja Hadjie op den 5. bevoorens, benevens Intje Camies, naar herwaarts gezonden en een 6. daar aan weder van hier vertrokken Nachoda Tholozan Dat hij, met deezen Tholozan de ri„ „vier opwaarts gevaaren zijnde, bij zig aan boord kreeg den Pangauwa van Riouw, ten einde hem naar den Regent te geleiden, gelijk de ondergetekende zig dan ook daadelijk in zijn gezel„ „schap naar land en bij den Regent begaf, vindende Denzelven onder eene tent zitten, omzingeld door over de twee honderd
English
9 October 1782 hundred of his subjects, all armed. The personal compliments of the undersigned and the greetings of Your Right Honourable and Worships having been delivered, and having assured His Highness in the name of Your Right Honourable and Worships of the goodwill of the Company, His Highness immediately turned the conversation in another direction by asking about various indifferent matters and circumstances, because of which, and on account of the multitude of the people standing around, whose numbers steadily multiplied, the humble signatory found himself unable to disclose his commission, notwithstanding that he remained with His Highness for nearly two hours in order to achieve his objective. The undersigned therefore requested, upon returning to his vessel, the Pangauwa and the said Nachada Tholozan to obtain a private audience for him with His Highness, in order to then be able to present his commission to him; which they also undertook to do and thereupon departed. Shortly thereafter, the Pangauwa returned, accompanied by the Sabandaar of Riouw, and they gave the undersigned to know in the name of their master that His Highness would indeed grant him an audience, but desired that he should present his received commission to the Pangauwa, to which the undersigned then had to consent; and having gone ashore with them for that purpose in order to be alone and having presented the aforesaid to the Pangauwa, he received from him in answer: That the tin and the pepper were brought to Riauw from Company lands, and it was therefore entirely within the Company's power to oppose and vigorously prevent the export, since they were powerless to do so, indeed could not even prohibit the trade therein at Riauw, because the community there had from of old been accustomed to engage in free trade in everything that was brought there; That the Company and the English were both very powerful, and they on the contrary weak and powerless, and thus were forced to remain neutral toward them; that they could certainly tell the English ships that might be lying in their ports to sail out whenever Dutch ships appeared, but that if these refused to do so, they were also unable to compel them; And that Iohor was already bound to the Company by contracts, and they therefore had no need to conclude any new treaties. The undersigned thereupon requested the Pangauwa not only to present these matters in the most favorable manner to the Regent, but also to ask His Highness for an audience for the oral presentation of those points, which he took upon himself and departed until the evening, at which time he returned; and told the undersigned that he would obtain an audience the following day, and that he had already made his commission known to the Regent, but that he would do so further in the coming night. The next day, being the 8th of this month, the Pangauwa came to bring a message to the undersigned: that he had spoken further with the Regent, but had obtained no other answer from him than that which had already been given yesterday by him, the Pangauwa; that the undersigned could go ashore to His Highness, but that he requested him most earnestly not to speak to His Highness of the commission entrusted to him, repeating this request up to two times. The undersigned, having proceeded to the Regent after these and other exchanges with the Pangauwa which he deemed useful for achieving his purpose, the Pangauwa withdrew from him, so that he approached the Prince alone, who then had only about twenty persons with him and sat in a pensive posture. The undersigned, perceiving that His Highness intended nothing else than to turn the conversation again to indifferent matters after the usual courtesies, and thus let him depart without having accomplished anything; and moreover that more and more people were again steadily gathering around them, asked the Prince in the most obliging manner whether he had received the letter recently written to him by the Honourable High Indian Government at Batavia and had well understood its contents, and also was inclined to fulfill the expectation, both of these Their High Mightinesses and also of Your Right Honourable and Worships, with regard to the renewal of the contracts. Whereupon His Highness answered in an indifferent, cold, and more or less indignant manner: That contracts already existed between the Company and the Iohor Court, to which he continued to adhere, and from which they would not deviate; That he could not prohibit the import of and trade in pepper and tin in the Iohor Kingdom, because his subjects were from of old accustomed to conducting free trade, and he therefore could not nor would make any innovations; That these articles prohibited by the Company were brought into his Kingdom from Company lands themselves, and that if the Company wished to oppose the trade therein, it had it in its power to prevent the export thereof; That the English and the Company were both very powerful and they on the contrary very weak and utterly powerless, and therefore could take no side, but were forced to remain neutral; That
Dutch transcription
Den 9. October 1782 honderd zijner onderdaenen alle gewaapend. De particuliere pligtspleegingen van den ondergetekende en de complimenten van uwe Wel-Edele Gestr. en E. E. afgelegd weezende, mitsgaders uit naam van uwe Wel-Edele Gestr. en E. E. zijn Hoogheid van de welmeenendheid der Compagnie ver„ „zeken hebbende, leide zijne Hoogheid het gesprek direct over eene andere boeg niet naar deeze en geene onverschillige zaaken en onstandigheden te vraagen, waar door en wegens de meenigte van het rond om staan„ „de volk, welks getal gaande weg vermee„ „nigvuldigde, de nederige tekenaar zig buiten staat bevond zijnen last te openen, niet Gt tegenstaande hij om zijn doelwit te be„ „reiken bij de twee uuren bij zijn Hoog„ „heid vertoefde. Den ondergetekende verzogt derhalven in het te rug keeren naar zijn vaartuig, den Pangauwa en gemelden Nachada Tholozan, om van zijn Hoogheid een bijzonder audi„ „entie voor hem te willen verwerven, ten 0 einde dan zijnen last aan hem te kunnen voordraagen; hetwelk zij ook aannaamen te doen en daar op vertrokken. kort daar aan kwam de Pangauwa vergeteld door den Sabandaar van Riouw, te rug en gaven zij uit naam van hun„ „nen 41 Den 9. October 1782 „nen Gebieder aan den ondergetekenden te kennen, dat zijne Hoogheid hem wel audientie zoude geeven, dog begeerde, dat hij zijnen ontvan„ „gen last aan den Pangauwa zoude voor„ „draagen, waar toe dan ook de onderge„ „tekende wel moeste besluiten; en zig ten dien einde met hun (om alleen te zijn) naar land begeeven en het voorschreven aan den Pangauwa voorgesteld hebbende kreeg hij van hem tot antwoord. Dat het tin en de peper uit Compslan„ „den op Riauw wierdt aangebragt, en het derhalven immers in Comps magt stond de uitvoer tegen te gaan en kragtig te beletten, dewijl zij daar toe onvermo„ „gende waren ja den handel daar in op Riauw niet eens konden verbieden, dewijl de Gemeente aldaar van ouds af gewoon„ was in alles, wat 'er aangebragt wierdt, den vrijen handel te drijven; Dat de Compagnie en Engelschen beiden zeer magtig, en zij daarentegen zwak en onmagtig, en dus gedwongen wa„ „ren omtrent hun onzijdig te blijven; dat zij overzulks wel aan de Engelsche schepen, die in hunne havens mogten leggen, wanneer en Hollandsche schepen voorkwamen konden zeggen om uit te loopen, dog dat, bij aldien deezen zulks niet Den 9. October 1782 niet wilden doen zij ook buiten staat waren haar daar toe te noodzaaken. En dat Iohor bereeds door Contracten aan de Compagnie verbonden was, en zij dus geene nieuwe verbonden behoefden te sluiten. De ondergetekende verzogt vervolgens den Pangauwa het een en andere niet al„ „leen op het favorabeeste aan den Regent voor te stellen, maar ook zijn Hoogheid te verzoeken om audientie tot het eigen„ „mondig voorstellen dier pointen, het welk hij op zig nam en vertrok tot 's avonds, als wanneer hij te rug kwam; en een ondergetekende zeide, dat hij 's anderen daags audientie zoude krijgen, en dat hij aan den Regent bereeds zijnen last te kennen gegeven hadt, dog dat hij zulks in de aanstaande nagt na„ „der zoude doen. 'S anderen daags of den 8. deezer kwam den Pangauwa den ondergetekende boodschappen; dat hij den Regent nader gesproken, dog van hem geen ander antwoord bekomen hadt, als hetgene # gisteren bereeds door hem Pangauwa gegeven was; dat hij ondergetekende aan land konde gaan bij zijn Hoog„ „heid, maar dat hij hem op het aller„ „erustigste 43 Den 9. October 1782 ernstigste verzogt tegen zijne Hoogheid„ te spreeken van de aan hem opgedragen commissie, herhaalende hij dit verzoek tot twee reizen toe. De ondergetekende, na deeze en meer andere tot bereiking van zijn oogmerk dienstig oordeelende redewisselingen met den Pan„ „gauwa, zig bij den Regent begeevende, verwij „derde de Pangawa zig van hem, zoo dat Hij alleen den Vorst nadeide, die toen maar min of meer in de twintig persoo„ „nen bij zig hadt en in een pijnsende gestalte zat. De ondergetekende bespreurende dat zijne Hoogheid niet anders bedoelde, als om naar de gewoone pligtspleegingen het gesprek weder over onverschillige zaaken te Leiden, en hem dus zonder iets uitgevoerd te hebben te laaten vertrekken; mitsga„ „ders dat 'er al weder gaande weg meer en meerder volks rond om hun verga„ „derde, vroeg hij den Vorst in de verplig„ „tends te kennen of hij; den door de Edele Hooge Indische Regeering te Batavia, jongst aan hem geschreven brief, ontvangen en dies inhoud wel verstaan hadt, mits„ „gaders genegen was aan de verwag„ ting, zoo van deeze hunne Hoog-Edel„ „heden, als ook van uwe Wel-Edele Gestr: „niet en 45 Den 9. October 1782 en E. E. , met opzigt tot het vernieuwen der Contracten, te beantwoorden. Waar op zijne Hoogheid op eene onverschillige, koele, en min of meer verstoonde wijze antwoor„ „de, Dat 'er bereeds Contracten tusschen de Compagnie en het Iohorsche Hof subsisteerden, aan welke hij zig bleef houden, en waar van zij niet zouden afwijken, Dat hij den invoer van -en handel in peper en tin in het Iohorsche Rijk niet kon„ „de verbieden, dewijl zijne Onderdaanen van ouds af gewoon waren een vrijen handel te drijven, en bij dus geene nieuwig„ „heden konde nog wilde maaken; Dat deeze bij de Compagnie verboden artikels, uit Comps. landen zelf, in zijn Rijk aangebragt wierden, en dat, bij al„ „dien de Compagnie den handel daar inne wilde tegen gaan, zij het in haare magt hadt den uitvoer daar van te beletten; Dat de Engelschen en de Compagnie beiden zeer magtig en zij daarentegen zeer zwak en ten uitersten onmagtig waren, en derhalven geen partig konden kiezen, maar genoodzaakt waren onzijdig te blijven. Dat
English
The 9th of October 1782 That an English ship had been captured within his harbor, and that he had only waited to see if the French ship would fire an erroneous shot or if one of their discharged cannonballs would take a wrong trajectory; yet, since such had not occurred, he had also done nothing against it, but had let them proceed with it. The humble undersigned did indeed reply that there were several articles in the old contracts that had become unnecessary through time and in place of which, for mutual prosperity, some others ought to be devised, which made the renewal of these contracts necessary; And that His Highness surely had been convinced by the Bookkeeper Rappa sent to him and Your Right Honorable's letter that the taking of the English ship within his harbor had occurred directly contrary to the orders given by Your Right Honorable and Honorable sirs; yet the Regent answered nothing else to this, except that he would write a letter to Your Right Honorable and Honorable sirs; asking the undersigned at the same time whether he wished to take the same with him, or whether he should send it by the Pangauwa. Which latter the undersigned recommended to the Regent as better, making at the same time the request not to send more than two to three vessels hither with it, presenting such plausible reasons pleading for the fairness of this request as flow from the present circumstances against the admission of a large number of vessels. The Regent thereupon took leave of the undersigned, charging him with the customary compliments to Your Right Honorable and Honorable sirs, wherefore the undersigned boarded his vessel and departed hither with it, as he indeed arrived here yesterday evening. While he for the rest, in the confidence of having fulfilled his duty to the best of his ability, considers it the greatest honor to be with due respect, underneath Right Honorable Sir and Honorable Sirs, lower Your Right Honorable and Honorable sirs' most humble Servant signed Amn de Wind in the margin Malacca the 9th of October 1782. Malacca 77 7 The 9th of October 1782 Malacca in the Castle date as above written Signed P. G. de Bruijn, A. A. Wemdlij, I. N. Hensel, A. Couperus, F: Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht and H: I. Wiederhold. Friday the 11th of October 1782 In the forenoon Council of Policy. Absent. The Captain Commandant of the Militia Hensel due to indisposition The Honorable Governor produced in the Meeting the translation of a letter from the Regent of Iohor, Radja Hadjie, residing at Maar, which was received today with his Envoys, the Pangauwa and Shahbandar of Riouw, Tho Siti and Bophing, containing that he, Radja Hadjie, wished to remain neutral between the Company and the English, since both were equally strong and capable, and he therefore could join neither the one nor the other side; that the Company had taken an English ship out of his harbor or as he expressed himself out of his house without having been hindered by him therein, and yet placed no trust in him; yet that he would not retract his word, nor change regarding the Company; that, since the Company itself trembled before the English, he surely could do even less against them; that he requested a good and trusted person to be sent, to convey to His Highness a sincere answer whether the Company was angry with him or not, so that he might know this. Whereupon having deliberated, it was understood, although from this writing of Radja Hadjie, especially from the insolent reproach of trembling before the English and the request to be permitted to know whether the Company was incensed at him, as well as from his conducted behavior toward the Captain of the Burgher Militia Abraham de Wind, as appears from the Report inserted in the Secret Resolution of the 9th of this month, it could clearly enough be deduced that he, Radja Hadjie, sought to break the friendship with the Company, and perhaps was only waiting for a suitable opportunity to do so, nevertheless to continue for the present to conceal the evil suspicion of this Government, in order to do nothing that could serve him as a pretext for having been insulted and provoked by the Company, and therefore to answer his letter in friendly, yet also emphatic, terms, as well as to commission the Fiscal Couperus, alongside the Captain of the Burgher Militia de Wind, to convey that answer to Maar and to assure Radja Hadjie that the Company still perseveres in the friendship that was established with the Court of Iohor for well over one hundred seventy-six years and maintained until now, and that it shall also not deviate therefrom as long as the Rulers of that Realm, as Radja Hadjie has frequently promised for himself to do, faithfully observe the alliances that were then and since concluded with the same, and undertake nothing that in any way conflicts therewith. While it was also understood to let the aforesaid two Envoys return this very evening with this same assurance. Malacca in the Castle date as above written Signed P. G: de Bruijn, A. A. Wemdlij, - - - - A. Couperus, F. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht and H. I. Wiederhold. Saturday
Dutch transcription
Den 9. October 1782 Dat men een Engelsch schip binnen zijn haven overmeesterd, en bij toen maar ge„ wagt hadt dat het Fransche schip een verkeerden schoot gedaan of eene hunner afgeschoten kogels eene verkeerde vlugt genomen zoude hebben, dog, dewijl zulks niet geschiedt was; hij ook niets daar tegens gedaan, maar hun daar mede be„ gaan laaten hadt. De nederige tekenaar repliceerde wel, dat er in de oude Contracten verscheiden arti„ „kels waren, die door den tyd onnoodig geworden waren en in derzelver plaatze tot wederzijdschen welstand eenige anderen dienden beraamd te worden, hetwelk de vernieuwing deezer Contracten nood„ „zaakelijk maakte; En dat zijn Hoogheid immers door den aan hem gezonden Boekhouder Rappa en Uwer Wel-Edele gestr. schrijvens overtuigd ge„ „worden was, dat het neemen van het Engelsche schip binnen zijn staven regt streeks tegen Uwer Wel-Edele: Gestr. en E. E. gegeven ordres aan geschied was, dog den Regent antwoorde daar op niet anders, als dat wij eenen brief aan uwe Wel- Edele Gestr. en E. E. schrijven zoude; den ondergetekende teffens vraagende of wij denzelven 47 9. October 1782 9 denzelven medeneemen wilde, dan of hij hem door den Pangauwa zoude zenden. welk laaste de ondergetekende den Re„ „gent als beter aanprees, te gelijk verzoek doende dan niet meerder als twee a drie vaartuigen daar mede herwaarts te willen zenden, onder voorstelling van zoodanige aanneemelijke voor de billijkheid van dit verzoek pleitende redenen, als uit de tegenswoordige om„ „standigheden tegen de admissie van een groot getal vaartuigen komen voort te vloeijen. „aan De Regent gaf daar op „ den onder„ „getekenden zijn afscheid, onder opdraa„ „ging der gewoone complimenten aan uwe Wel-Edele Gestr. en E. E. weshal„ „ven de ondergetekende aan boord van zijn vaartuig en daar mede dit heen vertrek„ gelijk hij dan ook gisteren avond hier gearri„ „veerd is. Terwijl hij voor het overige in vertrou„ „wen van aan zijnen pligt naar moge„ „lijkheid te hebben voldaan, het zig voor de grootste eere agt met het verschuldig„ „de ontzag te zijn, /onderstond/ Wel-Edele Ge„ „strenge Heer en E. E. Heeren, (lager) Uwer Wel-Ede„ „le Gestr. en E. E. ootmoedigsten Dienaar (getekend/ Amn de Wind (in margine) Malacca den 9. October 1782 Malacca 77 7 Den 9. October 1782 Malacca in het Casteel dato voorschreve (Getekend) P. G. de Bruijn, A, A, Wemdlij, I. N. Hensel, A. Couperus, F: Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht en H: I. Wiederhold. — Vrijdag den 11. October 1782 's Voormiddags Vergadering van Politie. Asent. Den Capitein Commandant van de Militie Hensel door indispositie De Heer Gouverneur heeft ter Vergadering geproduceerd het Translaat eenes briefs van den zig op Maar bevindenden Regent van Iohor, Radja Hadjie, die heden ontvangen was met zijne Afgezanten, den Pangauwa en Sabandaar van Riouw, Tho Siti en Bophing, behelzende dat hij Radja Hadjie tusschen de Compagnie en de Engelschen neutraal wilde blijven, dewijl beiden even sterk en vernogende waren, en zig derhalven nog aan de eene, nog aan zijde de andere „ kon voegen; dat de Compag„ „nie een Engelsch schip uit zijn haven (of gelijk wij zig uitdrukt uit zijn huis gehaald hadt, zonder daar in door hem belet geworden te zijn, en egter geen 49 Den 11. October 1782 geen vertrouwen in hem stelde, dog dat wij zijn woord niet zoude intrekken, of omtrent de Compagnie veranderen; dat, daar de Compagnie zelf voor de Engelschen beefde, hij immers nog minder iets tegen hun doen kon; dat bij verzogt een goed en vertrouwd persoon te zenden, ter over„ „brenginge aan zijne Hoogheid van een op regt antwoord of de Compagnie op hem kwaad was of niet. op dat hij zulks weeten mogte. Waar op gedelibereerd zijnde, is, ofschoon uit dit schrijven van Radja Hadjie, inzonderheid uit het trotseerend verwijt van voor de Engelschen te beeven en verzoek om te mogen weeten of de Compagnie op hdem verstoond was, zoo wel als uit zijn gehouden gedrag tegen den Capitein van de Burgerije Abraham de Wind, blijkens het ter Secreete Resolutie van den 9. dee„ „zer geinsereerd Rapport duidelijk genoeg kon worden afgeleid, dat hij Radja Hadjie de vriendschap met de Compag„ „nie tragtte te breeken, en misschien maar na eene bekwaame gelegenheid daar toe wagtte, egter verstaan het kwaard vanmoeden deezer Regeeringe voor als nog te blijven ontvannzen, om Den 11. October 1782 om niets te doen, hetgene hem tot een voor„ „wendzel zoude kunnen strekken van door de Compagnie beledigd en in het hamas gejaagd te zijn, en dierhalven zijnen brief in vrien de„ „lijke, dog ook nadrukkelijke, tennen te be„ „antwoorden, mitsgaders den Fiscaal Coupe„ „rus, nevens den Capitein van de Bargeije de Wind, te committeeren om dat antwoord naar Maar over te brengen en Radja Had„ „jie te verzekeren, dat de Compagnie als nog volhard in de vriendschap, die voorruim een honderd zes en zeventig jaaren met het Hof van Iohor opgeregt en tot hier toe onder„ houden is, en dat zij daer van ook niet zal afwijken zoo lang de Vorsten van dat Rijk, gelijk Radja tadjie voor zig dikwils beloofd heeft te doen, en de verbonden getrou„ „welijk nakomen, die toen en sedert met dezelven gesloten zijn, en niets onderneemen, dat daar mede eenigzins strijdt. Terwijl nog verstaan is met deeze zelfde verzekering de voorschreven twee Afgezanten heden avond zelfs te laaten te rug keeren. Malacca in het Casteel dato voorschreve (Getekend) P. G: de Bruijn, A. A. Wemdlij, - - - - A. Coupeius, F. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht en H. I. Wiederhold. Saturdag
English
Saturday, 12 October 1782 Forenoon Meeting of the Council of Policy. Absent: the Captain Commandant of the Militia Hensel, through indisposition. The Governor communicated to the Meeting that one of the Priests, who had arrived with the Envoys of the Regent of Iohor, Radja Hadjie, who were here yesterday, and who had remained until today with His Honour's permission, had let slip that Radja Hadjie had undertaken the journey to Moar with none other than a hostile intent against this place, but that he, the Priest, did not know in what manner it would be carried out, certainly because (as His Honour remarked) that Prince was very secretive with his plans, and revealed them to no one before they had reached their proper maturity; that the number of Bugis gathered at Moar already consisted of two thousand six hundred men, and was growing daily; that at Casang, a village close to Moar, three hundred armed marksmen had disembarked; that the people of Marlimoe, also situated thereabouts, had heard from that of the nine vessels that arrived there, that Radja Hadjie would soon proceed hither with his entire force; that the Captain of the Burgher Guard Abraham de Wind, who had received these reports and communicated them to His Honour, had also related that, although His Honour had promised to the said envoys upon their request for a speedy dismissal that he would detain them no longer than until the letter brought by them was translated and read, they nevertheless had asked him, de Wind, whether they might well depart before the evening, saying that their Master would go and lie with his vessel outside the river of Moar the following day, or today, to look out for them, and, if he did not see them return, would form bad thoughts about it; that these Envoys had also replied to the question put to them by His Honour at their farewell audience, as to how long their Master intended to stay at Moar, that this depended on the answer that would be sent to him by His Honour. His Honour therefore asked whether one would still persist with the resolution taken yesterday, and let the Fiscal Couperus depart on an Embassy to Moar with the Captain of the Burgher Guard de Wind, or not. And upon deliberation thereon, having taken into consideration that Radja Hadjie, who wished to attack this place in a hostile manner without reason, could also not be above detaining the Company's envoys, whether by that means to oblige this Government to grant what he might sometimes have to demand of it, or for any other purpose, it was approved and understood to rescind the aforementioned resolution, but on the other hand to send the Regent of Rakkan and Envoy of the King of Siac present here, named Habiel Oemar Hein Mochamat Ba Hoeseen Aszagaf, today in Embassy to Moar, as a Said of great standing and credit among the Mahometans and who is very well-disposed towards the Dutch Nation, having therefore himself offered his service to the Governor, with the answer to the letter of Radja Hadjie drafted by Secret Resolution of yesterday, and the commission that would otherwise have been assigned to the Fiscal Couperus and companions, and in addition to enjoin him, as the Governor took it upon himself to do verbally, to hold before Radja Hadjie that, if His Highness has anything against the Company, he must inform this Government or the Noble High Indian Government thereof through his Envoys or by a letter, but make no movements that may cause him to be mistrusted; that it is no friendly manner of acting to come so close to the Company's Territory with a large force of people and vessels, which he surely does not need for his pomp; that it also conflicts with custom to have his Envoys accompanied by a party of vessels, as he has now done twice in succession; that all this has aroused so much speculation with this Government and consternation among the inhabitants, that one is now forced henceforth to admit no more than two or three vessels of His Highness at one time into the harbour here, but to keep away all that arrive above that number, even by force if necessary, since contrary to the request made in that regard by the Captain of the Burgher Guard de Wind, he has sent forty-four vessels, or eighteen more than with the first, along with the latest Embassy; and that he must also not presume to disembark any armed men on the Company's Territory, or one shall directly regard it as a breach of the peace and no longer consider him a Friend, notwithstanding all his professions of friendship. Further, upon the Governor's proposal, and with alteration of the resolution taken yesterday to conceal this Government's suspicion, since this can no longer take place without misgiving, it was approved and understood to mention in the letter to Radja Hadjie the anxiety that the spread rumours of his intention to come and pay this place an unfriendly visit have aroused among its inhabitants with regard to their possessions in the upper districts, and therefore earnestly to request him to return quickly to his Residence. After reading subsequently of the letter drawn up in that manner to the aforementioned Regent of Iohor, it was agreed to conform therewith.
Dutch transcription
Saturdag den 12. October 1782 's Voormiddags Vergadering van Politie. den Capitein Commandant van de Militie Hensel, door indispositie De Heer Gouverneur heeft aan de Vergpe„ „dering gecommuniceerd, dat een van de Priesters, welke met de gisteren hier geweest zijnde Afgezanten van den Regent van Iohor, Radja Hadjie, aangekomen, en met permissie van zijn Ed. tot heden verble„ „ven waren, zig hadt laaten ontvallen, dat Radja Hadjie niet als met een vijan„ „delijk oogmerk tegen deeze plaats de reize naar Maar hadt ondernomen, dog dat Wij Priester niet wist op wat wijze het„ „zelve zoude worden uitgevoerd, zekerlijk om dat (gelijk zijn Ed. remarqueerde) die Prins zeer geheim was met zijne plans, en de„ „zelven aan niemand openbaarde voor dat zij hunne behoorlijke rijpheid gekre„ „gen hadden; dat het getal der op Maar verzamelde Boegineeschen reeds in twee duizend zes honderd man bestond, en da„ gelijks aangroeide; dat op Casang, een dorp digt bij Moar, drie honderd gewapen„ de schutters ontscheept waren; dat het voolk Absent 5„ Den 12. October 1782 volk van Marlimoe, ook daar omtrent gele„ ^ negen „gen, van dat der daar aangekomen ^ vaartui„ „gen gehoord hadt, dat Radja Hadjie zigeerlang met zijne gansche magt herwaarts begeeven zoude; dat de Capitein der Burgerije Abraham de Wind, die deeze berigten ontvangen en zijn Ed. medegedeeld hadt, teffens hadt verhaald dat, hoewel zijn Ed. aan de gemelde afgezanten op hun verzoek om een spoedig afscheid, beloofd hadt hun niet langer te zullen ophouden, dan tot dat de door hun medegebragte brief getranslateerd en gelezen was, zij egter aan hem de Wind gevraagd hadden, of zij wel voor den avond zouden kunnen vertrekken. zeggende dat hun Meester den volgenden ƒ 9 dag, of heden, met zijn vaartuig buiten de rivier van Maar zoude gaan leggen, om na hun uit te kijken, en, indien hij hun niet zag wederkeeren, 'er kwaade gedagten in't zoude fonneeren; dat deeze Afgezanten ook, op de door zijn Ed. aan hun gedaane vraag bij hunne afscheids-audientie hoe lang hun Meester op Maar dagt te blijven. gediend hadden, dat zulks dependeerde van het antwoord, door zijn Ed. hetwelk htem zoude worden toegezonden. Vraagende zijn Ed. derhalven of men als nog bij het op gisteren genomen besluit zou„ „de persisteeren, en den Fiscaal Couperus met Den 12. October 1782 met den Capitein der Burgerije de Wind in Gezantschap naar Moar laaten vertrekken dan niet En bij deliberatie daar op in aanmerking genomen zijnde, dat Radja Hadjie, die zonder reden deeze plaats vijandelijk bespringen wilde, ook niet te goed kon zijn Comps. afgezanten aan te houden, 't zij om door dat middel deeze Regeering te verpligten tot de inwilli„ „ somtijds „ging van hetgene wij „ op dezelve te eischen mogte hebben, of met eenig ander doewit, is goedgevonden en verstaan van het voor„ „schreven besluit te resilieeren, dog daaren„ „tegen den hier aanweezenden Regent van Rakkan en Afgezant van den Koning van Siac, met naame Habiel Oemar Hein Mochamat Ba Hoeseen Aszagaf, als een Said van groot aanzien en cre„ „dit onder de Mahometaanen en die der Hollandsche Natie zeer toegenegen is, hebbende daarom zelf zijnen dienst aan den Heer Gouverneur laaten presen„ „teeren, met het bij Secreete Resolutie van gisteren beraamde antwoord op den brief van Radja Hadjie, en den last, die anders aan den Fiscaal Couperus c. S. zoude opgedraagen zijn, heden zelfs in 53 Den 12. October 1782 in Ambassade naar Moar te zenden, en hem daar benevens te injungeeren, zoo als de Heer Gouverneur op zig nam mondeling te doen, om Radja Hadjie voor te houden dat, indien zijne Hoogheid iets tegen de Compagnie heeft, Wij zulks door zijne Afgezanten, of bij een brief, 't zij aan de Edele Hooge Indische of aan deeze Regeering moet adviseeren, maar geene beweegingen maaken, die hem kunnen doen wantrouwen; dat het geene vriendelijke ma„ „nier van doen is zoo na aan Comps. Grond„ „gebied te komen met eene groote magt van volk en vaartuigen, die wij immers tot zijne staatsie niet noodig heeft; dat het ook tegen de gewoonte strijdt zijne Afgezanten door eene partij vaartuigen te laaten verzel„ „len, gelijk hij nu tweemaalen agter elkan„ „deren gedaan heeft; dat het een en ander zoo veel speculatie bij deeze Regeering en ontsteltenis bij de ingezetenen verwekt heeft, dat men tans genoodzaakt is voor„ „taan niet meer dan twee of drie vaar„ „tuigen van zijne Hoogheid te gelijk in de haven alhier te admitteeren, maar al wat boven dat getal aankomt van daar te weeren, zelfs des noods met geweld, dewijl bij tegen het verzoek dienaangaande, door den Capitein der Burgerije de Wind gedaan, aan het laaste Gezantschap vier en veertig vaartuigen, of agttien meer Den 12. October 1782 meer dan aan het eerste, heeft mede gegeven; en dat hij ook niet onderstaan moet eenig gewapend volk op Comps. Territair te ontschee„ „pen, of dat men het direct voor eene vrede„ „breuk en htem niet meer voor een Vriend zal aanzien, niet tegenstaande alle zijne ƒ betuigingen van vriendschap Nog is op 's Gouverneurs propositie, en met alteratie van het gisteren genomen besluit om het kwaad vermoeden deezer Regeering te ontvrinzen, dewijl zulks niet langer zonder bedenkelijkheid geschieden kan, goed„ „gevonden en verstaan bij den brief aan Radja Hadjie te gewaagen van de onge„ „rustheid, die de uitgestrooide gerugten van zijn voorneemen om deeze plaats eene onvriendelijk bezoek te komen gee„ „ven; onder de ingezetenen daar van verwekt hebben met opzigt tot hunne bezittingen in de bovenlanden, en hem derhalven ernstig te verzoeken om tog spoedig naar zijne Residentie wedertekeeren. Na lecture vervolgens van den indier„ „meer „voegen ingestelden brief aan den „ gemelden Regent van Iohor, is verstaan zig daar mede te conformeeren. Bij 55
English
12 October 1782 On this occasion, it being also considered that, in the event the aforementioned mission to Moar, by which it was attempted to prevent the outbreak of disturbances with the Regent of Johor, should fail to have this effect, they might sometimes obstruct the passage to Batavia with small vessels; for that reason as well as because none of the sloops or pantjallangs stationed here can now be spared without inconvenience, it has been approved and agreed to inform the Noble High Indian Government, by the well-sailing packet boat the Phaenix, belonging to the License Master Haijnck van Papendrecht and offered by him for that purpose, of the aforementioned events noted in the Secret Resolutions of the 6th, 9th, and 11th of this month, and most humbly to pray that it may please the same, as soon as possible, to send hither such assistance in ships, men, gunpowder, and war munitions, together with 800 pieces of grenadier flintlocks, an equal number of cutlasses, and 50000 pieces of musket balls, as Their High Mightinesses in their high wisdom shall deem necessary, not only for the protection of this establishment, but also to chastise and humble the unjust Raja Hadji, who has long abused the indulgence of the Company. And it is further agreed to recall, likewise by a letter to be dispatched with the said boat the Phaenix, the privateer the Jonge Hugo and the Company's bark the Geertruida Susanna, which departed for the Strait of Dryon to convoy the ships the Nepthunus and the Hoop dispatched to Batavia on 23 September last, in order to be able to make use of them when necessity shall require it. Malacca, in the Castle, on the date aforesaid. Signed: P. G. de Bruijn, A. A. Werndlij, A. Duperus, F. Thierens, R. B. Haijnck van Papendrecht, and H. J. Wiederhold. Tuesday, 15 October 1782, in the forenoon. Council of Policy. All Present. The Regent of Rokan, Habib Umar ibn Muhammad bin Husain Assegaf, who departed as envoy to Moar in accordance with the secret resolution of the 12th instant, having returned this morning, reported to the Governor, and His Honour to the Council, regarding the outcome of his commission: that Raja Hadji, upon the question put to him concerning the reason for his arrival, had at first pretended to have departed from Riau to take some recreation; but upon the observation and representation of the said envoy that the great number of men and vessels he had with him made this pretext utterly improbable, and upon his request therefore to declare himself truthfully in that regard, he had disclosed to him, as if in confidence, that the English, who recently passed Riau with five ships, had reproached him that he had allowed the ship the Betsy to be taken away in his harbour by the French and the Dutch without resisting it, even without firing a single shot at them, and that this served as proof that this capture had occurred with his consent; that his subjects, the commoners as well as the grandees of the realm, also made the bitterest reproaches to him daily regarding that matter; that, it being impossible for him to endure these any longer, he had set out to avenge himself for this upon the Company, unless it were willing to give him a fourth part of the value of the aforementioned ship, to be distributed among the said grandees and commoners, while he desired nothing for himself; that, if the Company would not consent to this, he would then declare himself its enemy and openly commit hostilities, without sparing his own life; that he had further requested the envoy to present all this in the strongest terms to the Governor, and to urge His Honour that His Honour, after mature deliberation, might take such a decision as His Honour should deem serviceable to prevent and avert all the misfortunes to which the inhabitants of Malacca would otherwise undoubtedly be exposed, as well as to bring a speedy reply to His Highness, in order to be able to concert his measures accordingly. And upon deliberation, it being considered that the Noble High Indian Government had indeed, by secret missive of 12 July last, granted authority to give the Regent of Johor a gratuity, somewhat proportioned to the sum in which the Company participated in the aforementioned prize, but that the High Government was not yet enlightened at that time regarding the contents of his letter received here previously on 18 May, and of his declaration to its bearer, the Bookkeeper Jacob Rappa, containing that all that had passed was now settled, and that he would show no discontented heart about it, since the Company had been in alliance with Riau from the oldest times and was attached to it; that, even if one wished to give him some gratuity, one could not expect that he would be satisfied with ten thousand Spanish reals, above which sum it was unanimously judged this gratuity should not be
Dutch transcription
Den 12. October 1782 Bij deeze gelegenheid ook wagting geno„ „men zijnde dat, bij aldien de voorschreven bezending naar Maar, waar mede men de uitbersting der onlusten met den Re„ „gent van Iohor gepoogd heeft voor te ko„ „men, van dit effect niet mogte zijn, Wij somtijds de vaart naar Batavia net kleine vaartuigen zoude kunnen belend„ „meren, is om die reden zoo wel, als om dat men tans geene van de hier bescheidend sloepen op pantjallangs buiten ongerief missen kan, goedgevonden en verstaan met de welbezeilde paquetboot de Phaenix„ den Licentmeester Haijnck van Papendrecht toebehoorende en door denzelven ten dien einde geoffereerd, aan de Edele Hooge Indi„ „sche Regeering kennis te geeven van de voorschreven en bij Secreete Resolutie van den 6. , 9. en 11. deezer genoteerde gebeur„ „tenissen, en ootmoedigst te bidden; dat het Hoog dezelve behaage, zoo dia immers # mogelijk, zoodanigen onderstand met schepen, volk, buskruid, en oorlogs- muni„ „tien, benevens 800. –. ps. Granadiers-snap„ haanen, een gelijk getal houwers, en 50000. -. „ herwaarts ps. snaphaan- kogels „ te zenden, als Haare Hoog-Edelheden naar Hoog derzelver wijsheid noodig 57 Den 12. October 1782 noodig zullen oordeelen, niet alleen tot be„ „schenning van dit Etablissement, maar ook om den onregtvaardigen Radja Vad„ „jie, die de toegeevendheid van de Compagnie lang misbruikt heeft, te kastijden en te vernederen. En is wijders verstaan door een insgelijks met de gemelde boot de Phoemx af te zen„ „den brief te ontbieden het tot convoij van de op den 23. September laastleden naar Batavia gedepecheerde schepen de Nepthu„ „nus en de Hoop naar de straat Drioens vertrokken kaaperschip de Ionge Hugo en Comps. bark de Geertruida Susanna, om daar van gebruik te kunnen maaken, wanneer de noodzaakelijkheid het zal komen te vereischen. Malacca in het Casteel dato voorschreven (Getekend/ P. G. de Bruijn, A. A. Werndlij, - - - .A. Duperus, F. Thierens, R. B. Haijnok van Papendrecht en H. I. Wiederhold. — Dingsdag den 15. October 1782: 's Voormiddags Vergadering van Politie Allen Present. De volgens secreete Resolutie van den 12. Courant . Den 15. October 1782. courant als Afgezant naar Moar vertrokken Re„ „gent van Rakkan Hsabieb Oemar Ibeni Mochamat Ba Hoezeen Aszagaf, heden ogtent wedergekeerd zijnde, heeft wegens den uitslag zijner commissie aan den Heer Gouverneur, en zijn Ed. aan de Vergadering berigt, dat Radja Hadjie op de vraag„ aan Hem gedaan na de reden zijner komste, eerst hadt voorgegeven van Riouw vertrokken te weezen, om eenige uitspanning te neemen, dog op de aan„ „merking en voorhouding van den gemelden Af„ „gezant, dat het groot getal volks en vaartuigen, het„ „welk Hij bij zig hadt, dit voorgeeven ten eenenmale onwaarschijnlijk maakte, in zijn verzoek dierhal„ „ven om zig tog dientwegen naar waarheid te willen declareeren, als in confidentie aan hem geopenbaard hadt, dat de Engelschen, die onlangs met vijf schepen Riouw gepasseerd waren, Hem hadden laaten ver„ „wijten, dat zij het schip la Betseij in zijne haven door de Franschen en Hollanders hadt laaten wegneemen, zonder zig daar tegen te stellen, zelfs zonder een, enkelden schoot op hun te doen, en dat zulks ten bewijze strekte, dat deeze weg„ „neeming met zijn genoegen geschied was, dat zijne onderdaanen, de Gemeenen zoo wel als de Rijksgrooten, Item ook nopens dat geval dagelijks de bitterste verwijtingen deeden; dat het Hem onmogelijk zijnde dezelve langer te kunnen ver„ „draagen, Hij uitgegaan was, om zig daar over aan de Compagnie te wreeken, ten ware zij Item een vierde deel der waarde van het voorschreven schip wilde geeven, om onder de gemelde Grooten en Gemeenen verdeeld te worden, terwijl Hij voor zig niets begeerde; dat; indien de Compagnie daar niet in consenteeren wilde, Hij zig dan vijand van haar verklaaren en openlijk vijandelijkheden pleegen Den 15: October 1782. x pleegen zoude; zonder zijn eigen leeven te ontzien, dat Hij voorts den Afgezant verzogt hadt dit alles op het kragtigste aan den Heer Gouver„ „neur voor te stellen, en het bij zijn Ed. daar op aan te dringen, dat zijn Ed. , na rijp beraad, zooda„ „nig een besluit mogte neemen, als zijn Ed. tot voorkoming en verhoeding van alle de e ongevallen; waar aan anders de ingezetenen van Malacca ongetwijfeld zouden weezen i blootgesteld, dienstig zoude oordeelen, mitsga„ „ders aan zijne Hoogheid spoedig bescheid te brengen; ten einde zijne mesures daar naar te kunnen beraamen. En bij deliberatie daar op geconsidereerd zijn„ „de, dat de Edele Hooge Indische Regeering wel bij secreete missive van den 12. Iuli laast„ „leden qualificatie hadt verleend om aan den Regent van Johor te laaten afgeeven een dou„ „teur, eenigzins geproportioneerd naar de somme die de Compagnie in den (voorgemelden) prijs participeerde, dog dat Hoog dezelve toen nog niet geëlucideerd was van den inhoud Lijnes op den 18. Mai bevoorens hier ontvangenen briefs, en van zijn declaratoir aan dies brenger den Boek„ „houder Iacob Rappa, behelzende dat nu al het ge„ „passeerde afgedaan was, en Hij daar over geen misnoegd hart zoude toonen, dewijl de Compag„ „nie van de oudste tijden af met Riouw in verbond stondt en daar aan verknogt was; dat men, Htem egter eenig doucedr willende geeven„ tog niet verwagten kon, dat Hij zig met tien duizend spaansche reaalen (boven welke somme unanimiter geoordeeld wierdt dit douceur niet 59 te