VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3653

Japan · 1,390 pages · 388 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3653_0810 view scan ↗

English

and the faithful adherence of our allies on the opposite shore. Except Sumbauwa. The king of Sangar having died, the new king will come this way. Brutalities of the Boniers. The Company's lands. to act with emphasis in our favor, at least nothing comes of it and therefore one can now indeed made to Resident Meurs, as they did not entrust the same to the Sumbawanese, and with the latter he transmits a resolution taken on December 30, 1782, in the General Assembly, from which your Right Noble Highnesses among other things will see the continuing affection of the princes of the opposite shore, especially those of Bima, for the Noble Company. However, by no means included therein are those of Sumbauwa, whose indifference and conduct, according to the Resident's report, increases more and more and clearly shines through in his manner of refusing to ratify the decisions taken in the full Assembly with his royal seal, just as the other kings had done. Section 17. The king of Sangar having died, I expect the newly appointed king from there one of these days along with the grandees of that realm, the latter to swear to the contracts on behalf of their prince, who is still very young and according to report not above seven years old, which otherwise in the course of time might sometimes remain completely in the book of oblivion. With regard to Section 18. the Company's lands and subjects, I have already had the honor to report under the main heading of Bonij and Tanette the hostilities, both those committed by the Boniers against our negorijs in the north, as well as the invasion by the king of Tanette onto the Company's territory at Sagerie, supported by various Bonian princes, especially the king's uncle Aroe Nanka and the king's illegitimate brother Daeng Malimpo, who at the last had departed for Tanette with 300 men. Section 19. So that it was still fortunate that I had the tithe on Sagerie collected early and furthermore made all possible haste in the north, such that the same, although again a particularly poor and sparse crop, yielded this year 15¼ lasts of rice and 605 bundles of paddy more than the past year. Section 20. Revolt on Saleijer. On Saleijer some troubles occurred among the regents according to a letter received from there dated August 11 past; at least the Resident seemed apprehensive of trouble, but the pantjallang the Maria having been dispatched thither early by me with some Javanese warriors under an alert European sergeant, nothing further came of it, all regents, see the Resident's further letter of September 30 last, having unanimously promised to serve the Company with all fidelity. As they also promised the same to me in person these past days on the occasion of their annual arrival here to fulfill their tribute. Section 21. Correspondence maintained with the neighboring governments. The correspondence with the neighboring governments has been observed on both sides as occasion offered, having recently received via Ambon, under the delivery of the burgher Willem Hendrik Piel who lost his bark near Bouton, secret writings from Amboina, Banda, and Ternate dated November 22, 1782, April 7, May 1, and August 16, 1783, from which among other things it appears that, except for one ship that showed itself between the islands of Katting and Ceram Laut in the month of March past and passed itself off as a Frenchman, no foreign ships have been observed there. Regarding the article of Section 22. war, there is also nothing to communicate except the dispatch of the Javanese auxiliary troops, save for a large hundred men, whom I absolutely had to retain on account of our weak garrison, so I respectfully urge your Right Noble Highnesses once more that the request for European military personnel may be completely fulfilled upon relief from the Netherlands, as, besides the pressing reasons made known for that in the requisition itself, those troops are most urgently needed here in this present state of affairs where the Boniers and others are beginning to act so insolently. Section 23. Regarding matters of lesser importance not extended herein, I take the liberty most humbly to refer to the separate Daily Register and further enclosures respectfully attached hereto, while concluding this with the most dutiful sentiments of high esteem and respect, Right Noble, Highly Esteemed, Severe, Wide-Ruling Lord and Right Noble, Severe Lords, Your Right Noble Highnesses' Most humble and faithful servant was signed: B: Reijke. Makasser, in Castle Rotterdam, October 15, 1783.

Dutch transcription

en de trouwe aanklee„ op de overwal. Excepto Sumbauwa „gar overleeden de nieuwe koning zal dit heen komen: Brutaliteijten der Boniers. 'sComp„s Landen. met nadruk ten faveure van ons te willen doen, ten minsten daar komt niets van en dierhalven kan men nu wel voor aan den Resident Meurs gedaan, dewijl zij dezelve niet aan de sumbauwereesen toevertrouwde, en bij de laaste zend hij over eene op den 30„e december 1782 in de Generaale Lands ver„ „gadering genomene Resolutie, waar bij uwe Hoog Edelhee„ „dens onder anderen geblijken zal de aanhoudende gene„ „ving onzer Bondgenooten„ gentheid der overwalsche vorsten, bijzonder die van Bima voor de Edele komp„e Egter is daar onder geensints be„ § 16. „greepen die van Sumbauwa, wiens onverschillig en gedrag volgens Residents opgave meer en meer toeneemt en duidelijk doorstraald uijt zijne manier van weige„ „ring om de in volle Lands vergadering genomene be„ „sluijten, even als de andere Koningen hadden, met zijn Rijkszegel te bekragtigen. §: 17: De koning van Sangar overleeden zijnde zo verwagt d'koning van san,„ Ik eerstdaags van daar de nieuw aangestelde koning met de Grooten van dat Rijk, de laaste om in plaats van hun„ „nen vorst, die nog zeer Iong en volgens opgave niet booven de zeeven Iaaren oud is, de Contracten te bezwie„ „ren, dat anders door langheijd van tijd zomtijds geheel en al in het vergeet Boek zoude kunnen blijven. Met opzigt tot § 18. 'S kompagnies Landen en onderdaanen, heb Jk onder het Hoofddeel van Bonij en Tanette reets de Eere gehad van te melden de Hostiliteiten, zo die der Boniers op onze Negorijen om de Noord gepleegd als en Tannettereesen op de invasie van Tanettes Koning op 's Compagnies Grond„ D „gebied te Sagerie, ondersteund van diverse Bonische Princen EXDE De02 rev de 16. Batavia „ning vroeg geschied is § 20. revolte op Saleijer D' Correspondentien met de nabuurige Gouverne„ menten onderhouden Princen bijzonders 's konings oom Aroe Nanka en 's„ „konings oregte Broeder Daeng Malimpo, die op het laast nog met 300. Man na Tanette afgetrokken was. §. 19. Zo dat het nog gelukkig is geweest dat Ik de verthie„ bij geluk dat de verthie„ning op Sagerie vroegtijdig heb laten doen en ver„ „der daar meede om de Noord zelfs alle mogelijke spoed gemaakt, zodanig dat dezelve, schoon alwee„ „der een bijzonder slegt en schraal gewas, dit Iaar nog 15¼ Lasten Rijst en 605 bossen Padij meerder dan anno passato heeft afgeworpen. Saleijer zijn eenige strubbelingen onder de Regenten voorgevallen volgens een daar ontfangene Brief van den 11:e Augustus passato, ten minsten de Resident scheen voor onraad bedugd, dog de pantjallang de Ma„ „ria met eenige Iavaase krijgers onder een wakker Eu„ „ropees sergeant na derwaarts vroeg tijdig door mijn af„ „gezonden zijnde, is 'er niets verders van gekoomen heb„ „bende alle Regenten vide 's Residents nadere Brief van den 30„e September Iongstleeden eenpariglijk beloofd de kompagnie met alle getrouwigheid te zullen die„ „nen. Gelijk zij zulks ook dezer dagen bij occasie hun„ „ner Iaarlijkse opkomst na herwaarts ter voldoening harer tribuit, aan mijn zelve in perzoon hebben be„ „loofd. 21 De Correspondentien met de Nabuurige Gouvernementen is van weerskanten bij geleegentheid Ae ier Haarldelhaard geobserveert 13 49 Op 8 d vernoomen als een frans„ „man. d' Iavase hulptroe„ na afgezonden slot. met nadruk ten faveure van ons te willen doen, ten minsten daar komt niets van en dierhalvan kan men nu met van geobserveert. hebbende Ik nog Iongst over Ambon on„ „der bestelling van de zijn Bark omstreeks Bouton ver„ „looren Burger Willem Hendrik Piel ontfangen se„ „kreet schrijvens van Amboina, Banda en Terna„ „ten de dato 22„e November 1782, 7„e april, 1„e maij en 16„e augustus 1783. waar bij onder anderen komt te blijken dat behalven eene in de maand Maart passato geen vreemde scheepen zig tusschen de Eilanden katting en Ceram Laut ver„ N29 „toond en zig voor een Franschman uijtgegeven hebbend, schip, geen vreemde scheepen daar vernoomen zijn. Omtrend het Artikel van § 22. Oorlog ook niets te bedeelen vallende als de afzen „ding der Iavase Hulptroupen tot op een groote Hon„ „pen, op een komp=e „ derd man na, die Ik absolut uit hoofde van ons t wak Guarnisoen heb moeten aanhouden, zo insteere Ik als nog Eerbiedigst uwe Hoog Edelheedens dat den Eisch van „verzoek om Militair Europeese Militairen, bij ontzet uit Nederland Com„ „pleet mag worden voldaan, alzo men, behalven de daar voor bij den Eisch zelve bekend gestelde drang redenen, die Manschappen in deeze tijds gesteldheijd alhier daar de Bo„ „niers en anderen zo zeer den brutaalen beginnen te speelen, ten hoogsten benodigt is. § 23. Aangaande zaaken van minder belang, in deezen niet g'extendeert, neeme Ik de vrijheijd mijn ootmoe„ „digst te gedragen aan het hier bij in Eerbied bijgevoegde Aparte Dag-Register en verdere Bijlagen, terwijl Ik dezen hier meede besluitende met de allerschuldpligtigste gevoelens 0 ErDE D6v2 e„ /6 16. Batavia A. o 1783. gevoelens van Hoog- agting en Eerbied blijve Hoog Edele Groot Agtbaare Gestrenge wijdgebiedende Heere en Twel Edele Gestrenge Heeren Makasser in 't Casteel Rotterdam den 15„e October uwer Hoog Edelheedens Onderdanigste en Getrouwen Dienaar /:was geteekent:/ B: Reijke. A. E: Hraaddelhaud 15. met nadruk ten faveure van ons te willen doen, ten minsten daar hat niets van en dierhalv boememnu mes na ENDE Dev2

NL-HaNA_1.04.02_3653_0815 view scan ↗

English

16. Batavia To His High Nobility The High Noble, Right Honourable, Severe, Widely Commanding Lord Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General Together with The Honourable, Severe Lords Councillors of the Dutch Indies High Noble, Right Honourable, Severe, Widely Commanding Lord and Honourable, Severe Lords! After a careful consideration of the complaints made by the King of Boni, contained in a copy of a letter sent by His Highness on that matter received among the secret papers, I have the honour most humbly to report: That the insolence and extortions of the Bonians were apparent even back in the time of the High Noble Lord Speelman, Governor-General, see the Memoir left by His Nobility as Governor of Makassar. These were subsequently complained about successively; but in this, toll has nevertheless now been levied, under which manner of conduct it increases and does not decrease. In the time of Resident Harthouwer, Radja Palakka already began to show what he had up his sleeve, such that Their High Nobilities were obliged in the year 1675 to cause the chosen Governor of Banda, Bogaard, to call here in order to settle the differences that had arisen between that Lord and the King of Boni, Radja Palakka, which then also occurred in favour of the former, not without strong expressions in Their High Nobilities' dispatch of 29 December 1675 regarding the arrogance and ingratitude of this nation, as may be observed from that letter in detail. And I assure Your High Nobilities that they would gladly set their foot on our neck and assume mastery over Celebes, if only they saw a chance to do so. Yet this they know to be impossible, and therefore they seek to draw as much to themselves as is in their power, particularly in these times when our weakness is only too well known to them. They care not in the least whether their pretences are justified or not, as I have partially cited in my latest respectful letter of 31 May, and as can be seen from many papers, especially the Memoirs of Governors Gobius and Sinkelaar, and can also be measured by their insolent demand recently at Kampong Baroe. My predecessor, Governor Van der Voort, says in his letter of 1 October 1779 that the Buginese possess as abhorrent an inner character as can be found in any nation, and Lord Boelen, who briefly had the administration here before that, also speaks of them with little praise. So that, notwithstanding I could well understand how the matter stood with these complaints, I had to wonder more at the manner in which the complaints were made by the King of Boni than at the complaints themselves, which, viewed in the right light, contain nothing other than advantageous terms for him and for his friendly people. And I was therefore initially intending to have the King of Boni questioned on this and that by two members of the Political Council according to the points of inquiry already drawn up by me for that purpose; but having subsequently reflected on the offense this would undoubtedly have given to the young monarch in the presence of the grandees of the realm, in whose company such had to take place, I refrained from doing so, but nevertheless, in order to be in a position to refute what is necessary in that regard, I secretly inquired of His Highness—who for some time now has been keeping his residence to the North, awaiting, so it is said, his envoys who to this day have not yet returned—through a trusted person, to what extent he intends me with all these complaints, because, conscious of having done nothing against my oath and duty, I wished to justify myself regarding this to Your High Nobilities. Whereupon His Highness let me know that he himself would justify me to Your High Nobilities, as he had not meant me in either one or the other; shortly after this, I received from the hands of Aroe Tanette, who arrived together with my confidant, one of the grandees of the realm who assisted me in the collection of the tithe in the past year, such a letter from the King addressed to Your High Nobilities as I take the liberty most humbly to attach hereto, not doubting that Your High Nobilities will be able to see most clearly from the same, or rather the translation attached thereto, whether the prince meant me or not, now that, when it comes to the substance of the matter, he has nothing to say against my conduct. Then, since this serves solely for my satisfaction and does nothing to elucidate His Highness's complaints in themselves, I have, in order to satisfy the actual intention all the more clearly and to show Your High Nobilities at the same time the absurdity of such complaints, answered all the points one by one separately in the margin. I implore God's blessing upon Your High Nobilities' precious persons and upon the weighty interests of the General Dutch East India Company, and remain with the deepest sentiments of high esteem and respect, underneath, High Noble, Right Honourable, Severe, Widely Commanding Lord and Honourable, Severe Lords, lower, Your High Nobilities' humble and dutiful servant, was signed, B. Reijke, in the margin, Makassar, In Castle Rotterdam, 22 July, in the year 1783. Translation

Dutch transcription

16. Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog edelen Groot Agtbare, Gestrengen, wijd gebiedende Heer M„r Willem Arnold Alling, Gouverneur Generaal Benevens De wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Neederlands Indic Hoog Edele Groot Agtbaare, Gestrengen, wijdgebiedende Heere en wel Edele Gestrenge Heeren! Na een nauwkeurige overweeging van de door Bo„ „nies koning gedaane klagten, vervat bij een onder de sekree„ „te Papieren ontfangene copia van zijn Hoogheids dientwees„ „gen afgezondene Brief, heb Ik de Eere allerneedrigst te melden 's„ Dat der Boniers brutaliteiten en knevelarijen gebleeken hebben zelfs al ten tijde van den HoogEdelen Heer Speelmant /:L: G:/ vide Hoog Desselfs Memorie als Gouverneur van Maccasser nagelaten. Dezelve zijn naderhand successive at geklaagd; dog hier inne is nu volgens egter nu tol geheeven, onder welke han het e „delwijs „_ vermeerdert 49 E vermeerdert en niet vermindert. Ten tijde van den Resident Harthouwer begon Radja Palacka al te toonen wat hij in zijn schild voerde, zodanig dat Hunne Hoog Edelheedens ge„ „noodsaakt waren in A„o 1675 hier te doen aangieren den g' Eli„ „geert Bandas landvoogd Bogaard, om te beslissen de Ontslaane verschillen tusschen dien Heer en Bonijs koning Radje Palakka, dat dan ook in faveure van den Eersten geschiede, niet zonder sterke uitdrukkingen bij Hoog Derzelver missive van den 29„e December 1675. over de arrogantie en ondankbaarheid de„ „zer Natie, gelijk bij die Brief in zijn omstande te beoogen is. En Ik verzeeker uwe Hoog Edelheedens dat zij ons gaarne den voet op de nek zoude zetten en het meesterschap op Celebes voe„ „ren willen, zager zij er maar kans toe. dog dit weeten zij on„ „mogelijk te zijn en daaromme zoeken zij zo veel haar doen„ „lijk is na zig te haalen, bijzonder in deeze tijden daar onze swakheid haar te over bekend is. kreunende zij zig geen „sints off haare pretentien regtvaardig zijn dan niet, gelijk Ik bij mijn Iongste Eerbiedige van den 31: ' Mai gedeeltelijk heb aangehaald, en bij veele Papieren insonderheid de Me„ „morien van de Gouverneurs Gobius en Sinkelaar geblijken kan, Ia ook afgemeeten kan worden na kunnen brutalen Eijsch nog Jongst op de Campong Baroe. Mijn predecesseur de Gouverneur van der voort zegt bij zijn E: Brief van den 1„e october 1779 dat de Boegineesen zo een verfoeijlijk interieur Caracter bezitten als men ergens eene Natie vind, en de kort bevoorens het bestier hier gehad hebben „de Heer Boelen spreekt 'er ook met weinig lof van. L0. dat niet teegenstaande Ik wel begrijpen kon hoedanig het met deeze klagten geleegen was, Ik mijn meer verwonderen„ moest over de wijze waar op de klagten door Bonies koning gedaan e EXDE D602 ge 18. gedaan waren, als wel over de klagten zelfs die in het reg„ „te ligt beschouwt niet anders behelsen dan voordeelige articulen voor hem en voor zijn vriend voll. En Jk was dienthalven eerst van voorneemen den koning van Bonijd over dit een en ander te doen onderhouden door twee Leeden uit den Politicquen Raad na de door mijn reets dient„ „weegen opgestelde vraag Poincten, dog naderhand mijn gedagten hebbende laten gaan over de aanstoot die dit voor de Jonge vorst bij de Rijksgrooten in welkers bijweesen zulks moest geschieden, ongetwijffeld zoude gegeven hebben, zo heb jk daar van afgezien maar egter om in staat te kunnen wesen het nodige daar omtrend te wederleggen, zijn Hoogheid /: die als nog seedert eenigen tijd zijn verblijf om de Noord ter afwagting zo men zegt zijner tot hee „den toe nog niet te rug gekomene Gezanten is houdende: in secretesse door een vertrouwd perzoon doen afvragen in hoe verre dezelve met alle deze klagten mijn is mee„ „nende, want dat Ik, bewust van niets teegens mijn Eed en pligt gedaan hebbende, mijn daar over bij uwe Hoog E„ „delheedens wilde regtvaardigen. waar op zijn Hoogheid mijn heeft laten weten dat hij mijn zelve bij uwe Hoog „Edelheedens zoude regtvaardigen alzo in geenen nog in het een nog in het andere mijn gemeent had; ontfangende Ik kort hier op uit handen van de met mijn vertrouwe„ „ling teffens overgekomene Aroe Tanette Een der Rijks„ „grooten die in A„o passato mijn in de verthiening heeft g'assis„ „teert, zodanige brief van den koning aan uwe Hoog Edel„ „heedens gerigt als Ik de vrijheid neeme desen needrigst bij te voegen, niet wijffelende of uwe Hoog Edelheedens zullen uit dezelve dan wel het daar bij gevoegde Translaat geklaagd; dog hier inne is nu volgens egter nu tol geheeven, onder welke han het e. „delwijs ten „ ten klaarsten kunnen zien dat de vorst mijn gemeent heb„ „bende of niet, nu, terwijl het tot stuk van zaken komt niets op mijne behandeling te zeggen heeft. Dan dewijl dit eenlijk ter mijner Satisfactie strekt en niets doet tot opheldering van zijn Hoogheids gedaane klagten op zig zelfs, zo heb Ik, om zo veel te duidelijker aan de eigentlijke mee„ „ning te voldoen en om uwe Hoog Edelheedens teffens de onge„ „rijmdheid van diergelijke klagten aan te toonen, alle de poinc„ „ten een voor een afdelender wijze in margine beandwoord. Ik smeek Gods zeegen over uw Hoog Edelheedens dierbaare Perzoonen en over de zwaarwigtige belangens van de Gene„ „raale Neederlandsche oostjndische Maatschappij en ben met de allerdiepste gevoelens van Hoogagting en Eerbied /:on„ „derstond:/ Hoog Edele Groot Agtbaare, Gestrengen, wijdge „biedende Heere en wel Edele Gestrenge Heeren. /:laeger:/ uw Hoog Edelheedens onderdanige en Trouwschuldigen Die„ „naar /:was geteekend:/ B: Reijke, /:in margine:/ Maccasser In't Casteel Rotterdam den 22„e Iuli A„o 1783. Translaat ENVE D6v2 0

NL-HaNA_1.04.02_3653_0819 view scan ↗

English

20. 4 To Respectful Answer hereto Their High Noble Excellencies Translation of the Malay Letter written by Padoeka Sirie Sulthan Ahmadoelt saleh Sjamsoedien, King of Bonij, to His High Noble Excellency, the High Noble, Right Honorable, Wide-Ruling Lord Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General of the Netherlands Indies, received at Batavia on 7 November A.o 1782: Reading as follows after the introduction, so far as is intelligible. Furthermore, the Radja of Bonij sends this letter of sincere friendship from a pure heart to his friend who is a merciful protector, namely the Governor-General, with manifold greetings and according to the contents of the alliance, which is always and forever very firm and continually improves more and more. Further, I make known to my friend the Padoeka, Governor-General, that at present in very many matters which have been contracted between the Company and Bonij there is disagreement; and I judge that the source of peace and quiet for me is that neither of us makes any change in matters that have existed of old. In this manner I recount and arrange each matter in which disagreement takes place, because I place very great trust in you, and it grieves me exceedingly that we mutual friends should have discord, for out of friendship one obtains enduring welfare and prosperity, the happiness of which flows from the good fraternal condition of Bonij and the Company. § 1. In Bontowalak a contract was never concluded with the Bonians. The Honorable Company has entered into almost no other contract of importance with them than what is contained in the notable Bongaja Contract of 1667, under which Bonij is indeed particularly included. However, I have learned through investigation that the King actually also meant the 4 or 5 points presented to Their High Noble Excellencies by the old Aroe Palacka at the time of Resident Harthouwer, amounting to: 1. That they, as well as those of Ternate and Bouton, might be granted and allowed free trade without hindrance from the Company and without first needing to call at Castle Rotterdam, and that this would be in conformity with the promises made to them jointly by Admiral Speelman, either during the war at Macassar, or when the Bugis joined his Excellency on Bouton. 2. That none of their subjects or slaves should be allowed to pawn their bodies to any of ours except with the consent of the Lord or Master. 3. That no one should be allowed to marry anyone of ours without the prior knowledge or consent of their Master. 4. That whenever any of theirs should happen to commit an offense and thereby fall into the hands of our Justice, they should not be executed without disclosure and knowledge of the crime being given to them. To which it was answered that the last three articles could well be conceded insofar as it can be done without infringing upon the Company's lawful authority and prestige, but that the first could not be granted, as it came in too high a tone; as Your High Noble Excellencies, if you please, will be able to see in Your High Noble Excellencies' own letter sent hither of 29 December 1675, almost the only paper of that time still to be found here. § 1. In the first place, I therefore confer with the Padoeka, Governor-General, concerning the contents of the fifth article of the contract, which was established at Bontowalak by our lord Matanarowie and the Company; the same has been weakened by the Company toward us and shall not be complied with by us here. § 2. What they mean by this is uncertain, at least I do not know, nor is it known in the records at the secretariat, that money is lent by our people to native grandees. It may be merchants with merchants, and if one wishes to prevent this, then the entire trade among the inhabitants will fall to pieces. However, they might also include herein those who gamble themselves away at the gaming boards. Yet this happens mutually, as well in their gaming boards with our subjects and slaves, as in our gaming boards with theirs. § 2. Our subjects have been permitted to make debts without our knowledge: far be it from us to have agreed that they may make debts. § 3. That one imposes Loroesok on their subjects, or actually settles their affairs without the King's knowledge, is a false pretext. Disputes that occur between Bonians and our subjects are always settled in the native assembly in the presence of members from both sides. § 3. Also, Loroesok is imposed on our subjects without him giving us knowledge thereof, unless we have agreed with him concerning offenses; even if Bonij's children and children's children had offended, we would not know of it. complained; but herein is now according however now toll levied, under which manner of trade

Dutch transcription

20. 4 Aan Eerbiedig Antwoord hier op Hunne Hoog Edelheedens Luijdende dezen na inleiding, voor zo veel verstaanbaar is als volgt. wijders zend het Radja van Bonij deezen Brief van Sinceere vrindschap uit een zuijver herte, aan zijnen vriend welke een ontfermer is te weeten den Gouverneur Generaal, onder menigvuldige groete en na den inhoud van het verband het welk steeds en voor althoos zeer vast is en langs zo meer verbeetert. Voorts maake aan mijnen vriend den Padoeka, Gouverneur Generaal bekent dat teegenswoordig in zeer veele zaaken welke gecontracteert zijn tusschen de Compagnie en Bonij verschil is; en ik oordeele dat de bron van rust en vreede voor mij zij, dat wij geen van beiden ver„ „andering maken in zaken die van ouds geklaagd; dog hier inne is nu volgens egter nu tol geheeven, onder welke han Translaat Maleijtse Brief ge„ „schreeven door Padoeka Sirie Sulthan Ahmadoelt saleh Sjamsoedien, ko„ „ning van Bonij, aan zijn Hoog Edelheid den Hoog Edelen Groot Agtbaare wijdge„ „biedende Heere M:r Willem Arnold Alting, Gouverneur Generaal van Nee„ „derlands Indie, ontfangen Batavia den 7„e November A„o 1782: het e. „delwijs f geweest d „ 51. Te Bontowalak is nooijt een P 1. In de eerste plaats onderhoude Ik dan den Padoeka, Gouverneur Generaal over Kontract met de Boniers geslooten. De Elt: komp: heeft bij na geen andere den inhoud des vijfden Articul /: van 't Con„ „tract:/ het geen vast gestelt is geworden te kontractatie met hun van belang aan„ „gegaan als vervat is in het voornaame Bontowalak, door onsen heere Matanaro„ Bongaijse Contract van 1667. waar onder „wie en de Comp:e het zelve is door de Com„ Bonij wel bij zonder begreepen is Egter „pagnie omtrend ons swak gemaakt en heb jk door navorsching vernomen dat den zal alhier door ons niet opgevolgt worden. koning hier eigentlijk meede bedoeld heeft de 4 of 5 poinaten door den oude Aroe Palacka ten tijde van den Resident Harthou„ „wer Hunne Hoog Edelheeden voorgedragen, daar op uitkomende 1. / Dat hun zo wel als die van Ternaten en Bouton den vrijen handel zonder belet van de Comp: en zonder 't Casteel Rotterdam eerst zouden behoeven aan te doen, mogt werden vergunt en toegestaan, en dat dit zoude weesen in Conformiteijdt van de beloften door den Admiraal Speelman, of in den oorlog op Maccasser, of wel als de Bougis op Bouton bij zijn E: overquamen aan haar gesamentlijk gedaan 2. Dat niemand van hunne onderdaanen of slaven hun lijf zoude mogen verpanden aan iemand van de onze als met Consent van den Heer of Meester 3. / Dat niemand zonder voorweeten of Consent van haar Meester of met ijmand geweest zijn: in deezer voegen verhaale en rangeere ik ieder zaak /:waar in verschil plaats heeft:/ uit hoofde ik zeer groot vertrouwe op u: stelle en het mij bij uijtneementheijd Jan„ „mert dat wij weederzijdse vrienden oneenig„ „heid zoude hebben want uit hoofde der vriend„ „schap erlangt mende bestendige welvaart en voorspoet, welker geluksaligheijd voort„ „vloeid uit de goede Broederlijke Conditie van Bonij en de Compagnie van EXVE De02 ge 24 van de onze zoude vermogen te trouwen. 4. Dat wanneer ijmand van de haaren mogt komen te misdoen en daar over in handen van onze Iustitie vervallen wesende, niet ter executie mogte gesteld werden, zonder dat hun openinge en kennisse der misdaat wierde gedaan waar op g'antwoord is dat men de drie laaste articulen in zo verre buiten krenking van 's Comp„s wettig gezag en aanzien geschieden kan wel konde inwilligen, dog dat in het eerste als uit te hoogen toon komende niet konde bewilligd worden; Gelijk uwe Hoog Edelheeden des gelievende bij Hoog Derzelver eigene Brief na Eer„ „waarts van den 29„e December 1675 /: het eenigste bij na hier nog te vindene Papier van die tijd:/ des gelievende zullen kunnen zien. „zeeker, ten minsten Ik weet niet en ook is het bij de Protocollen ter secre„ „tarije niet bekend dat door de onze geld aan Jnlandse grooten word geleent. het mogen handelaaren met handelaaren weesen, en wil men dit beletten dan valt de geheele Negotie onder de Jngeseetenen in duigen. Egter zoude zij hier meede ook kunnen begrijpen die geenen die zig in de topbor„ „den zelfs verspeelen. dog dit geschied over en weer zo wel in hunne topborden met onze„ =als in onze topborden met haare =onderdaanen en slaaven. §o 3. Dat men hunne onderzaaten §3. Ook worden onze onderzaaten Loeroe„ „sok opgelegt, zonder dat hij ons daar van Loeroesok oplegt of eigentlijk hunne kennis geeft, dan indien wij met hem om„ zaken afdoet zonder's konings weten „trend pecceeren waar in over een gekomen, is een valsch voorgeeven. disputen of schoon dan ook Bonijs kinderen en aan die tusschen Boniers en onze onderda„ Kindskinderen gepecceerd hadden, zouden „nen voorvallen worden in de Jnland„ wij /:daar van :/ niet weeten. „sche vergadering althoos ten bijwee„ „sen van weederzijdse Leeden afgemaakt, geklaagd; dog hier inne is nu volgens egter nu tol geheeven, onder welke han„ schulden te maken zonder dat wij daar van weeten: verre zij het dat wij zouden hebben over een gestemt dat zij schulden mogen maken. §2. wat zij hier meede meenen is on„ § 2. Onze onderzaten heeft men toegelaten en het e „delwijs §4: 70„ d F e F 49

NL-HaNA_1.04.02_3653_0822 view scan ↗

English

and the fines that occur fall, if a Bonier is condemned therein, to the benefit of their side, and if a subject, to the benefit of our side, and this is according to the constantly uniform custom here and the Compendium of such laws as have been and still are in use from ancient times between the Company and the courts of Bonij and Goa, approved as well by your High Nobilities as by the Lords and Masters in the fatherland. Section 4. How would the Honorable Company ever, or ever have made with the Boniers any contract regarding the Simah or tithing: Bonthain and Boelecomba are the Company's conquered lands. All of Maros and its plains belong to the Company, which won the same by the sword from the Macassars who were rulers of it, see the Memoir of Lord Speelman, and then successively, because of the vastness of the lands, permitted the Boniers, alongside our subjects, to plant crops in the fields of Maros, provided they properly paid the tithe to the Company as lord of those lands. Section 4. Also, regarding the Simah at Maros, Bantaing and Boelokomba, many are the mistreatments by those people who collect the Simah: which matter has not been contracted by the Radja of Bonij with the Company, and this is the reason that all the Boniers cry out. This tithing has always taken place on one and the same footing as of old; at least the respective Governors here have succeeded one another in it, and never in my time has the king of Bonij nor anyone complained about this to me, which absolutely must have been done in the first place, indeed never until now have complaints come from our side, whereas on the contrary one finds all the papers strewn with complaints about the Boniers, both regarding their insolence at the time of tithing and regarding the trouble one repeatedly has with the collection thereof, so that one must try to accommodate them in all kinds of ways; indeed, one has for a long time been forced to do the same by force of arms, not without danger to one's own life, if one, as has happened more than once, is not to be turned away by these brutes, who stand in their paddy fields like Polish nobles armed with krisses, assegais, and blunderbusses; the same happened to me not only in anno passato, and resoluteness made them compliant, but it even forced the late Governor van der Voort to carry out his last tithing with pieces of cannon. To further counter their insolence, a Governor in carrying out the tithing always takes along, at his request, one of the court grandees of Bonij, and yet, although it helps somewhat, they are nevertheless so shameless as to report paddy heaps, which one knows for certain contain a thousand bundles more or less, as three to four hundred, and then on top of that still claim that, besides the king and the Madanrang who everywhere have a multitude of lamphers, paddy heaps, one shall exempt some of their priests and other grandees, or at least let them tithe in paddy instead of rice, while the portion that they embezzle besides and declare in the king's name already amounts to such an enormous quantity that one can safely reckon that the Honorable Company, through the actions of the worthy gentlemen Boniers, receives nowhere near a twentieth part, let alone their lawful tithe. If one, High Noble, Great Honorable, Strict, Far-Commanding Lords, is now to concede all this and listen to their unjust and shameless complaints, then they, not ceasing to formulate more and more all kinds of such pretensions, will finally draw everything to themselves, and then it will come down to what was once noted by the late Lord Boelen, namely, that so much slack has already been given to the princes of Bonij that one has almost had to let the end itself slip away. Section 5. As for the farm here, many things are done at the toll that have not been in use; the goods on which no farm has been paid, toll is however now levied on them, under which manner of dealing Section 5. This comes straight from the pen of Hendrik Jansz Voll himself, or the remainder of those who complained a couple of years ago about the boom farmer; but in this, now according to the

Dutch transcription

en de Boetens die 'er vallen komen als 'er een Boniers in gecondemneert is ten voordeele van haare= en zo een onderdaan ten voordeele van onze=zeide, en dit is na het althoos Constante gebruijk alhier en het zo door uwe Hoog Edelheedens zelfs als de Heeren en Meesters in het vaderland g'approbeerde Compendium van zodanige wetten als tuschen de Maatschappij de Hooven van Bonij en Goa van al oude tijden in gebruijk zijn geweest en nog zijn. §. 4. Moe zonde de btt: kompagnie ooit 54. Teevens, wat betreft de Simah te Ma„ „ros, Bantaing en Boelokomba vee„ of ooit met de Boniers Eenige contrac„ „le zijn de behandelingen van die menschen „tatie omtrend de Simah off ver„ welke de Simah invorderen: welken „thiening gemaakt hebben: Bon„ zaak niet is gecontracteert door Radja „thain en Boelecomba zijn 'sComp„s Bonij met de Comp:e en dit is de reeden geconquestreerde Landen. geheel Ma„ dat alle de Boniers schreeuwen. „ros en zijne vlaktens gehoort de Comp:e die het zelve van de Maccassaaren die daar, vide de Memorie van de Heer Speelman, beheerschers van geweest zijn, met den zwaarde gewonnen heeft, en toen successive om de grootheid der Landen de Boniers gepermitteerd heeft nevens onze onderdaanen in de velden van Ma„ „ros aanplantingen te doen, mits de thiende behoorlijk aan de komp„e als Heer van die sanden op te brengen. Deeze verthiening is althoos op een en dezelve voet als van ouds geschied, ten minsten de respective Gouverneurs alhier hebben elkander daar inne opgevolgd en nooit heeft Bonijs koning nog iemand in mijn tijd hier over aan mijn, dat absolut in de eerste plaats moeste geschied zijn, geklaagd, Ia nooit als thans zijn 'er klagten gekomen over onze kant, daar men inteegendeel al de Papieren doorzaaid vind met klagten over de Boniers, zo omtrend hunne brutalitei„ „ten in de verthienings tijd als omtrend de moeijte die men telkens heeft met de inpalming daar van, dat men op allerhande wijse moet zien te schikken Ia men is al seedert lange genoodsaakt geweest dezelve niet zonder eigen levens gevaar gewapenderhand te doen, wil men zo als te meermalen geschied is F ErVE Den 2 32 Contrarie over de Boniers die niet alleen dikwils zo als ook =ta-ast met uw: wel Ectobe Aathaare Zelts gebeurd is, weigeren is, niet van deeze bruteurs, die als de poolsche Edellieden gewapent met kris„ „sen, Agagaijen en Donderbussen in hunne Padij velden staan, afgeweezen worden; Het zelve is niet alleen in a„o passato mijn nog gebeurt en Cordaat„ „heid deed haar soet worden, maar heeft zelfs wijlen de Gouverneur van der voort genoodsaakt zijn laaste verthiening met stukken kanon te moe„ „ten doen. Om hunne Brutaliteiten verder tegen te gaan, krijgt een Gouverneur in het doen der verthiening althoos, op zijn verzoek, een der Hofsgrooten van Bonij mee„ „de, en egter schoon het wel wat helpt, zijn zij nogthans zo onbeschaamt om Padij hoopen die men voorzeeker weet dat duizend bossen meer of min inhouden voor drie â vier hondert op te geeven en dan nog boven dien te pretendeeren, dat men buijten de koning en de Madanrang die over al een menigte van lamphers /: Padij hoopen:/ hebben, sommige hunner Piesters en andere Grooten vrij zal laten of ten minsten voor Padij in plaats van Rijst te verthienen daar het gedeelte dat zij buijten dien verduijsteren en op 's konings naam opgeeven reets zodanig eene en orme quantiteijd uijtmakt dat men gerustelijk reekenen kan, dat de Ed komp: door toedoen der braave Heeren Boniers in lange na geen twintigste gedeelte Ik geswijge hunne regtmatige thiende krijgt. zal men Hoog Edele Groot Agtb: Gestr: wijdgebiedende Heeren dit nu alles inschikken en na haare onbillijke en onbeschaamde klagten luijsteren dan zullen zij niet ophoudende van hoe langer hoe meerder allerhande diergelijke pretentien te formeeren, eindelijk alles na zig trekken en dan zal het uijtkomen op het eens aan„ „gemerkte door wijlen den Heer Boelen namentlijk dat aan de Bonijse vorsten reets zo veel bot gevierd is, dat men bij na het eijndje zelfs hebben moeten laten ontslippen. § 5. Wat de Pagt alhier betreft, veele zaaken 5. 5. Dit komt uit de koker van worden aan den thol verrigt die niet in Hendrik Jansz Voll zelve of het gebruijk geweest zijn, de goederen waar van overschot der geene die voor een paar geen Pagt is betaald, van dezelve word Iaaren over de Boomspagter hebben geklaagd; dog hier inne is nu volgens egter nu tol geheeven, onder welke han„ het „delwijs 24 49 „

NL-HaNA_1.04.02_3653_0824 view scan ↗

English

and the fines that are levied go, if a Boniese person is condemned therein, to the benefit of their side, and if a subject, to the benefit of our side, and this was settled with all the merchants when your High Noblenesses were already informed, and a redress was made. They cry out: Section 6. That is true. The agreement at Maliemoengong was contracted with the late Governor van der Voort to pay One Thousand Spanish Rixdollars per year, made on 26 February 1774. Section 6. By our lord Matanarowie it was contracted with the late Governor van der Voort that the King of Boni should enjoy for his share from the Lease, One Thousand reals payment per year. Section 7. But the Boom does not pay in currency, but rupees, which are counted against small coin, whereas the Boniese do not know how to trade with rupees, being accustomed only to go to the market with small coin. Section 7. But by no means the condition to pay the same in currency. This would also be a nearly impossible task for the Lessee, who has enough work to raise these One Thousand Spanish Rixdollars, especially when the King comes forward with such unreasonable demands as mentioned in my latest humble separate letter of 31 May, and from which Lease monies the Lessee to this day has not even enjoyed a single doit. Unreasonable demands which, were times different, this premature prince might well be taught to unlearn. Furthermore, his pretence that they do not know how to trade with rupees is false, and he ought to be ashamed of himself, as his money-changers sit here in great numbers on the Bazaar. It would also be in contradiction to the 12th Article of the Bongaise Contract, which does compel him to trade in them. Section 8. I know nothing of this. That must have happened before my administration, as I maintain no intercourse whatsoever with princes who fall under Boni. Section 8. Furthermore, communicated to my friend regarding all the friends who sort under Boni, that they go directly to visit the Governor, without the prior knowledge of Boni. But according to custom, no friends may go to the Governor at all, except in the presence of the Boniese; and because this is permitted, all friends continually show themselves stubborn against Boni, wherefore the Boniese continually say to me: perhaps there are at present, besides Boni here, other friends in whom the Company trusts, altering all the customs that were contracted between Boni and the Company. To which sayings I replied: banish such thoughts; there are no other friends here than Boni in whom the Company trusts and with whom it has compassion. For such reasons I present all this to my friend, so that mercy may increase for the benefit of the friendship of Boni with the Company. On the contrary, about the Boniese who not only frequently, as has even recently happened with your Right Honourable self, refuse to obey princes who sort under Boni. I also believe that the King stretches this further than his power reaches, for I cannot think that the princes and grandees of the realm would submit themselves in this regard to the King's pleasure any more than lesser Boniese, who wander about daily here and there in the houses. However, it is very necessary that in this regard the stipulations and statutes enacted by the Placard of 24 December 1764 be held in strict observance. Section 9. Here the King will certainly also mean the late Mr. van der Voort, but I believe that his Honour will have given satisfactory reasons regarding this by letter to your High Noblenesses of 1 October 1779. Section 9. Also communicated to my friend that I recall the affairs of my ancestors, who were accustomed to have Boni obtain what is good through the Boniese. If there are state affairs, or war on Celebes, the Company here is by no means permitted to do anything of its own arbitrary will, but only after it has been agreed upon with Boni from the beginning to the end. But nowadays I seldom know the beginning of it, but rather the end, of which notice is only given after the fact. How shall I judge of it, if I only know the end? and the fines that are levied go, if a Boniese person is condemned therein, to the benefit of their side, and if a subject, to the benefit of our side, and this Section 10. I do not know that in my time the slightest change was made in long-maintained customs. And so this will be just as false a statement as that regarding stolen people, for during my administration I have had several who were bought up by various persons returned to him, as also recently happened, among others, with a so-called lady-in-waiting of the Queen, sold to the mate De Siso and stolen by a Boniese prince himself, and a foster brother of the King's eldest little son transferred to one of the Malays. As regards the failure to make deeds of conveyance, the Boniese interpreters themselves take good care of that, as it is to their own profit. Also, those who are caught doing so are accountable to the fiscal if it lasts longer than the appointed time of twice 24 hours. Section 10. Regarding minor matters here, I shall make no mention of these, for many changes are now being made when there is a request or order from the King, especially also concerning people who have been stolen; seldom is the content of the Placards, by which Boni abides, complied with. For as regards the buyer, he makes no deed of conveyance; how then should an interpreter be present to see and investigate whether that person may be sold or not? Section 11. It is true, Boniese wrongdoers Section 11. Yet another matter: when someone has stolen something

Dutch transcription

en de Boetens die 'er vallen komen als 'er een Boniers in gecondemneert is ten voordeele van haare- en zo een onderdaan ten voordeele van onze-zeide en dit delwijs de gesamentlijke Negotianten het uwe Hoog Edelheeden reets bedeelde, een redres gemaakt. schreuwen § 6. Dat is waar Het accoord § 6. Door onzen heere Matanarowie is te Maliemoe=ngong met wijle den Gou„ om Een Duijzent Rijxd„s spaans „verneur van der voort gecontracteerd; 's jaars te betaalen is den 26. e februa„ dat den koning van Bonij, 's jaars voor „rij 1774. gemaakt. zijn aandeel uit de Pagt zoude genie„ „ten, Een duijsent realen paijement § 7. Edog de Boom betaald geen paijement § 7: Dog geensints de Conditie om maar ropijen, die teegen kleen geld wor het zelve in paijement af te leggen. „den aangereekend, daar de Bonijers met dit zoude ook een bij na ondoenlijk zaak voor den Pagter zijn, die genoeg geen ropijen weeten te handelen, als werk vind om deeze Rot„s Duijzend gewoon zijnde eenlijk met kleen geld spaans op te brengen, bijzonder als de ter markt te gaan. koning met zulke onreedelijkheeden meer voor den dag komt als waar van mijne jongste onderdanige aparte van den 31„e mai gewag maakt en van welke Pagtgelden de Pagter tot heeden toe zelfs nog geen duijt genooten heeft. Onreedelijkheeden die waaren de tijden anders, die permature dvorst wel eens mogte worden verleert. voorts is zijn voorgeeven dat met geen ropijen weet te handelen onwaar, en moet zig zelfs schamen daar zijn wisse„ „laars hier in menigte op de Bazaar zitten. Ook zoude het in teegenstrijdigheid van het 12„e Articul van het Bongaijse kontract wezen, dat hem wel nood„ „saak om 'er in te handelen. § 8: Hier weet jk niets van dat S E. Nog bedeelde aan mijnen vriend aangaan„ moet voor mijn bestier gebeurt zijn, „de alle de vrienden welke onder Bonij alzo Ik in't geheel geen gemeenschap sorteeren, dat dezelve regtstreeks den Gou„ ben houdende met vorsten die onder „verneur gaan bezoeken, buijten voorkennis Bonij van 6: ErDE De02 ec 32 Contrarie over de Boniers die niet alleen dikwils zo als ook „tanast met uw: wel Edele Aatbaare zelfs gebeurd is, weigeren van Bonij. Edog volgens de usantie mooge in't geheel geene vrienden bij den Gouverneur gaan, dan ten bijweesen der Bonijers en om reeden zulks word toegelaaten, zo is 't dat alle vrienden zig steeds halsterrig teegen Bonij „rig tegen mij zegger: mogelijk zijn 'er tegenwoordig, behalven Bonij alhier /:andere:/ vrienden op welke de Comp„e ver„ „trouwd met verandering van alle de „schen Bonij en DE Comp: op welke geseg„ „dens Ik antwoorde verdrijft zulke ge„ „dagten: 'er zijn hier geen andere vrienden als Bonij op wien de Comp„e vertrouwd en met welke dezelve medelijden heeft om dusdaanige reedenen draage Jk dit alles aan mijn vriend voor, ten einde de Barmhertigheid vermeerdere ten besten der vriendschap van Bonij met de Compagnie. „niers, die dagelijks over al bij deezen en betoonen, alwaarom de Bonijers geduu„ A„o 1764. in een stipte observantie word usantien welke gecontracteerd zijn tus„ § 9. Aier zal den koning zeekerlijk I. 9. Ook bedeele aan mijnen vriend dat Ik gedenke de zaake mijner voorvaderen wijlen den Heer van der Voort meede die gewoon zijn geweest, Bonij het goe„ bedoelen, dog Ik vermeen dat zijn Edele (:zal:r/ hier omtrend bij Brieve aan uwe „de door de Boniers te doen erlangen. in„ Hoog Edelheedens van den 1:„e october 1779. „dien 'er Landzaaken zijn, off oorlog is op de Celebes, zo vermag de Comp:e genoeg doende reedenen dientweegen alhier in geenen deele iets na eijgen zal hebben gegeven. — is Bonij sorteeren. ook geloof sk dat de koning dit verder trekt dan zijn magt strekt, want ik niet denken kan dat de vorsten en Rijxgrooten zig meer ten dien reguarde zoude submitteeren na 's konings welbehagen dan mindere Bo„ geene hier in de Huijzen rond swerven. Egter is zeer noodsakelijk dat hier om„ „trend het gestipuleerde en gestatueer„ „de bij Placcaat van den 24„e December gehouden. willekeur e 26 49 en de Boetens die 'er vallen komen als 'er een Boniers in gecondemneert is ten voordeele van haare= en zo een onderdaan ten voordeele van onze=zeide en dit willekeur /:verrigten:/ maar /:wel na datse overeengekoomen / is:/ met Bonij van het begin tot het einde toe. Edog teegen„ „woordig weet Ik zelden dies begin maar wel het eijnde, waar van na dato eerst kennis word gegeven, hoeda„ „nig zal ik daar van oordeele, indien Ik maar het einde weeten. § 10. Ik weet niet dat bij mijn tijd §' 10. Belangende geringe zaken alhier, zal ik in deezen geen gewag maaken, eenige de minste verandering in want 'er worden thans veele verande„ standgehouden hebbende gewoontens „ringen gemaakt wanneer 'er een ver„ gemaakt is. en dus zal dit zo wel eene „zoek of bevel van den koning is, inson„ valsche opgave zijn als dat weegens ge„ „derheijd ook weegens menschen die ge„ „stoolen Menschen, want geduurende „stoolen zijn, zelden word den inhoud mijn bestier heb Ik hem 'er al verschei„ der Placcaaten, waar aan Bonij zig „dene die door deeze en geene waren opge„ houd, nagekoomen, want aangaande „kogt laten te rug geven, zo als ook nog den kooper, denzelven maakt geen onder anderen onlangs geschied is met Transport hoe zoude 'er dan een een bij de stuurman De Siso verkog„ Tolk bij zijn om te zien en te onder„ „te en door een Bonijs Prins zelfs ge„ „zoeken of die Perzoon verkogt mag „stoolene zogenaamde Hof=dame van worden of niet. de koningin en een aan een der Ma„ „leijers getransporteerde Hoog=broeder van s' konings oudste zoontje. wat aangaat het niet maaken van Transpor„ „ten, daar weeten de Bonijse Tolken zelfs genoeg, als haar eigen voordeel zijnde, op te passen. Ook zijn de zulke die daar op betrapt worden aanspreekelijk bij den fiscaal, als het langer als de bestemde tijd van 2 maal 24 uuren duurt. §11. Het is waar Bonijse kwaad,„ § 11. Nog eene zaak wanneer iemand wat „doenders 6 gestoolen . EXDE DE02

NL-HaNA_1.04.02_3653_0827 view scan ↗

English

On the contrary regarding the Boniers who not only often, as also recently happened with your Right Honorable himself, refuse when someone has stolen and is caught, then some are shown to me and some not at all, whereas the custom has been that when a Bonier has transgressed, notice of this must be given to the Boni Government, which convenes about it to pass judgment as is equitable. wrongdoers, when they are apprehended by us, are handed over to the king for punishment according to the contract. But he must then also punish them, and not, even if they have committed the very greatest crime, immediately let them go again to commit even greater evil and even, if possible, to take revenge on those who first seized them. And this is likely the reason that this law fell out of use many years ago; at least, I know that in the time of my predecessor, Governor van der Voort, this was no longer in use, and that Boniers who had done wrong and were apprehended were punished on the market square by the fiscal and thus sent on their way again. I have not exactly followed this, but rather, according to the custom found here, I have had various common Boniers walk in the long chain, whom I then subsequently released again at the king's request and upon good promises. And about this, Right Honorable, Highly Esteemed, Valiant, Wide-commanding Lords, I have never heard any complaints, and this matter cannot, for the reasons stated, well be handled otherwise, for it is easy to understand that letting such vagabonds go unpunished would make everyone here unsafe and make the insolence of the Boniers even greater than it already is now. Sections 12, 13, and 14 requiring no answer, I state most humbly: Section 12. Furthermore, I request my friend the Governor General by no means to alter the mercy and compassion, for we say that the same increases stability and strength; great is our trust in the Company that it will not alter the mercy and compassion toward Boni. and the fines that are levied, when a Bonier is condemned therein, go to the benefit of their side, and if a subject, to the benefit of our side, and this Section 13. I also request your High Nobility kindly to order the Governor and Council here that they do not alter the Boni customs, but rather guide us along that path which was walked and kept by our lord Matanarowie with the Company at Bontowalak. Section 14. Everything that is written in this letter of sincere friendship, and all my words, come forth from the heart. Section 15. That your High Nobilities, notwithstanding the king's declaration made regarding me, will be able to see most clearly from the same what intrigues take place around here and from what actual source all this originates; and therefore I do not think that your High Nobilities will take it amiss of me that, for the maintenance of my character and at the same time to obtain the most necessary satisfaction, I most humbly request that the Hendrik, or properly Hendrik Jansz Voll, mentioned herein, and the bookkeeper Blootwijk, who is currently in Batavia and very probably colluded with the Boni Tolt Lapasseere, Section 15. Furthermore, I place this letter into the hands of Hendrik Voll, by virtue of the exceptional trust I place in him, and which Hendrik Voll is aggrieved because the fiscal here has fined him, which is why I request my friend to be helpful to him, to take regard of his right and equity, so that the same may be brought into the ordinary European path, for I do not agree in my heart that on account of such a matter so heavy a fine must be paid; in case his actions are true, let my friend not mock me because I bring up this matter; the reason for this is that such is a breach of friendship with the Company, for the increase of its stability, may be corrected as a deterrent to others who might ultimately be in a position to throw this entire place into turmoil; at least that such subjects, harmful to this Country and intriguing with Native princes to the undermining of a Governor's authority here, may be forever forbidden from ever setting foot on this Coast of Celebes again. End of my writings. Underneath stood: Macassar in Castle Rotterdam, the 22nd of July, Anno 1783. Was signed: B. Reijke. Written in the Country of Macassar at Oedjong Tana in the king's Palace, the 21st of October, Anno 1702. Underneath stood: translated by, was signed: L. Goossen. Lower: Agrees, signed: D. D. van Haak, First Sworn Clerk.

Dutch transcription

32 Contrarie over de Boniers die niet alleen dikwils zo als ook „tanast met uw: wel Edele Agtbaare zelfs gebeurd is, weigeren gestoolen heeft en agterhaald word dan laat doenders als zij bij ons opgepakt wor„ men sommige aan mij vertoonen en som„ „den geeft men volgens het kontract de koning ter straffe over. maar deze „mige in 't geheel niet, daar het de gewoon„ moet ze dan ook straffen en niet al heb„ „ten is geweest, dat wanneer een Bo„ „ben zij zelfs het aller grootste misdrijf „ niet heeft gepecceert men daar van begaan, opstond weeder laten loopen om kennis moet geven aan Bonijs /:Regee„ nog grooter kwaad te pleegen en zelfs „ring :/ welke daar over vergadert om te als het mogelijk is zig te revergeeren vonnissen zo als 't billijk is. aan die geene die haar het eerst hebben opgevat. En Hier van daan zal het weesen dat deeze wet al voor veele Jaaren uit het gebruik is geraakt, ten minsten Ik weet dat dit ten tijde van mijn predeces„ „seur de Gouverneur van der voort, niet meer in gebruijk was, en dat Boni„ „ers die kwaad gedaan hadden en opgepakt waren door de fiscaal op de markt afgestraft en zo weeder haar's weegs gezonden zijn. Ik heb dit Iuist niet opge„ „volgd, maar wel na het gebruik hier gevonden, diverse gemeene Boniers in de lange ketting lopen gehad, die Ik zo successive op verzoek des konings en op goede belofte dan weder gelargeert heb. en hier over heb jk Hoog Edele Groot Agtb: Gestr: wijdgebie„ „dende Heeren nooit eenige klagten gehoort, en deeze zaak kan, om reeden gezegt, ook niet wel anders getracteerd worden, want het ligt te begrijpen is dat het straffeloos laten lopen van zulke vagebonden een ieder hier onzeeker en der Boniers brutaliteiten nog grooter zoude maaken dan ze reets nu zijn. 5: 12: 13: en 14. niet te beantwoorden § 12. voorts verzoek Ik aan mijn vriend den Gouverneur Generaal om de Barmher„ vallende: zo zegge Ik needrigst „tigheid en ontferming dog niet te ver„ „anderen, want wij zeggen dat dezelve de vastigheid en sterkte vermeerdert, groot is ons vertrouwen op de Comp„e dat dezel„ „ve de Barmhertigheid en ontferming om „trend Bonij niet veranderen zal. 28. 49 omtrend. en de Boetens die 'er vallen komen als 'er een Boniers in gecondemneert is ten voordeele van haare=en zo een onderdaan ten voordeele van onze=zeide, en dit I: 13. Ook verzoeke aan uw Hoog Edelheid om dog den Gouverneur en Raad alhier te be„ „veelen, datse de Bonijse usantien niet veranderen mitsgaders ons op dien weg leiden welk is bewandelt geworden en ge„ „houden door onsen heere Matanarowie met de Compagnie te Bontowalak § 14. Alles wat in deeze Brief van opregte vriendschap staat en alle mijne woor„ „den, komen voort uit het herten. §. 15. Ik geeve voorts deeze Brief in handen van § 15 Dat uwe Hoog Edelheedens niet teegenstaande 's konings ten Hendrik Voll, uit hoofde Ik bij uitnemend „heid vertrouwe in hem stelle en welken mijnen opzigte gedaane Declaratie Hendrik Voll beswaart is, door dien den uit het zelve ten duidelijksten zullen „kunnen zien, wat konkelarijen hier fiscaal alhier hem in de boete geslagen „omtrend al plaats hebben en uit wat heeft, alwaarom Ik mijnen vriend ver„ eigentlijke brondit een en ander voor„ „zoeke hem behulpig te weesen, om agt „komt, en daarom denke Ik niet dat te neemen op zijn regt en billijkheid, ten einde denzelve in der Europeesen gewoo„ uwe Hoog Edelheedens het mij qualijk „nen weg moge gebragt worden, want zullen gelieven te neemen, dat Ik tot mainctenue van mijn Caracter en Ik in mijn herte niet toestemme, dat ter oorsaake van zulken zaak zo veele „ tot erlanging teffens eener aller nood„ boete betaald moet worden: ingeval„ „sakelijkste satisfactie, ootmoedigst versoek dat de in dezen gemelde Hen„ „le zijn doen waar is, zo hoone mijn „drik of eijgentlijk Hendrik Iansz Voll vriend mij dog niet ter oorzaake ik deze g en den op Batavia zich bevindende zaake aanhaale de reeden daar van is en zeer waarscheijnelijk met den Bo„ dat zulks een breuk van vriendschap 1 „ niese Tolt Lapasseere geheild hebben„ is met den Compagnie ter vermeer„ „de „dering EXDE DD02 32 49 Contrarie over de Boniers die niet alleen dikwils zo als ook Jonast met uw: wel Edele Agtbaare zelfs gebeurd is, weigeren dering van dies vastigheid „de Boekhouder Blootwijk, ten afschrik van andere, die op het laast instaat zoude zijn deeze geheele plaats in repenroer te brengen, mogen worden gecorrigeert, ten minsten dat zulke voor dit Land schadelijke en tot ondermeining van een Gouverneurs gezag alhier met Inlandsche vorsten konkelende subjecten, voor althoos mag verbooden worden om ooit of ooit een voet meer op deeze Kust Celebes te zetten. Eijnde mijner Pennen. /:onderstond:/ Maccasser In 't Casteel Rotterdam den 22„e Iuli A„o 1783 /:was geteekend:/ B: Reijke. Geschreeven op 't Land Maccasser te hoedjong Tanas in 's konings Pa„ „leis den 21„e october A„o 1702. /:onderstond:/ vertaald door /:was geteekend:/ L: Goossen /:laeger:/ Accordeert /:geteekend:/ D: D: van Haak, E: Gesw: Klerk. 30 te reg van

NL-HaNA_1.04.02_3653_0830 view scan ↗

English

and the fines that may be imposed shall, if a Bone subject has been condemned, fall to the benefit of their side, and if one of our subjects, to the benefit of our side, and this To the Honorable and Respected Lord Barend Reijke Governor and Director of this Coast of Celebes. Honorable Respected Lord! Pursuant to Your Honorable Respected Lordship's honored order to reply to the complaints made by the Bone people that the actions of the people who collect the simah or tithing at Maros, Bonthain, and Boelecomba are excessive, or actually, as they wish to claim, do not take place according to what was contracted between Radja Bonij and the Honorable Company, and that this is said to be the reason why all the Bone people are crying out, it serves most humbly to state that we, the undersigned, the present Resident of Maros, Gerrit Brugman, and the present sworn chief interpreter, Diederik Deefhout, do not know upon what grounds these complaints of the Bone people rest, since the tithing under the administration of Your Honorable Respected Lordship in the north (in the south the same is ordinarily collected by the Resident himself) has been conducted just and in the same manner as under the previous Lords Governors van der Voort, Boelen, and Sinkelaar, that is, on the ancient customary basis, without any complaints having been made or having been able to be made about it to our knowledge, but rather to the contrary about the Bone people, who not only frequently, as happened recently even with Your Honorable Respected Lordship himself, refuse to allow themselves to be tithed, and by whose large declarations of the King's paddy as otherwise the tithing becomes smaller from time to time, but with whom one also experiences more and more difficulty in collecting the tenths themselves, so much so that Your Honorable Respected Lordship has repeatedly been forced to make up the deficit out of his own pocket. In testimony of the truth, we have confirmed this with our customary signatures, and furthermore remain at all times prepared to confirm the same under oath if required, whilst remaining in the meantime with high esteem (underneath stood) Honorable Respected Lord (lower) Your Honorable Respected Lordship's humble and obedient servants (was signed) I: Brugman and D: Deefhout (in the margin) Maccasser, the 14th of July A:o 1703. Cornelis Sinkelaar Governor and Director on behalf of the General Dutch Chartered East India Company, and the Council on the Island of Celebes; To all those who shall see or hear this read, greetings. Whereas the Honorable High Indian Government has come to learn that private residents, both at the capital and in the governments and at the other offices in the Indies, now and then maintain with native princes a correspondence that is, if not suspect, at least illicit, although it is an affair known of old that this may be done by no one, neither servant nor burgher, without the prior knowledge of his superior ruler, and wishing to provide against this, by an edict of the 9th of August recently passed, has most strictly forbidden each and every person, whether European or native, servant or burgher subject to the obedience of the Dutch East India Company, to exchange letters with any native king, prince, lesser regent, or grandees of his court, under whatever pretext this might take place, desiring that those to whom any writing from a native prince or anyone of his court grandees might be delivered shall immediately communicate the same to the head of his place of residence without any reservation and await orders thereupon, all on pain of banishment, at the same time charging us publicly to notify the subjects of this government of the contents of that edict as recorded above and to ensure the observance thereof. So it is that we, in compliance with such venerated order and to counter the many pernicious consequences that have arisen in the past from forbidden correspondence with the natives and are to be feared for the future, most earnestly warn and, insofar as necessary, order all residents of this colony subject to the authority of the Dutch East India Company; as they are warned and ordered hereby, to take good heed to refrain from all correspondence with native princes, regents, or grandees of their realm on the island of Celebes or elsewhere; and upon receiving any writing thereof, to hand the same over without reservation at once to the undersigned Lord Governor, requesting His Honorable Respected Lordship's pleasure regarding it; likewise to hold no conversations with, or receive visits from, any native grandees without the express consent of the said Lord Governor, and in the presence of an interpreter who shall be required to report immediately on what was transacted, as those who might be discovered to have in any way contravened and violated these salutary orders shall, without connivance, be compelled to depart and remain banished to such place as Their High Honors shall be pleased to designate; the Fiscal of this government and the subordinate Residents are therefore ordered, each in his territory, most strictly to observe and cause to be observed that the

Dutch transcription

en de Boetens die 'er vallen komen als 'er een Boniers in gecondemneert is ten voordeele van haare= en zo een onderdaan ten voordeele van onze=zeide, en dit Aan Den wel Edelen Agtbaaren Heer Barend Reijke Gouverneur en Directeur deezer kuste Celebes. T wel Edele Agtbaar Heer! Ingevolge uw wel Edele Agtbaare G'Eerde ordre om te andwoorden op de door De Boniers gedaane klagten als dat de be„ „handelingen van de menschen die Simah of verthiening te Maros, Bonthain en Boelecomba invorderen veele zijn, of eigentlijk, zo zij zeggen willen, niet zodanig geschied na„ „volgens het gecontracteerde door Radja Bonij en de Ed„le kompagnie en dat dit de reeden zoude zijn dat alle de Bo„ „niers schreeuwen, diend needrigst dat wij ondergeteekendens den presente Maros Resident Gerrit Brugman en den presente Geswooren oppertolk Diederik Deefhout, niet weeten op wat grond deeze klagten der Boniers steunen, nadien de verthiening onder het bestier van uw wel Edele Agtbaare om de Noord /:om de zuijd word dezelve ordinair door de Resi„ „dent zelve gedaan :/ even en inselvervoegen gedaan is als door de voorige Heeren Gouverneurs van der Voort, Boelen en Sinkelaar, dat is op de al oude gebruijkelijke voet, zon„ „der dat daar over onzes weeten eenige klagten gedaan zijn of zoude hebben kunnen worden gedaan, maar wel ter E Contrarie EXDE De2 32 49 Cornelis Contrarie over de Boniers die niet alleen dikwils zo als ook Iongst met uw: wel Edele Agtbaare zelfs gebeurd is, weigeren zig te laaten verthienen en door wiens groote opgave van 's konings Padij als andersints de verthiening van tijd tot tijd geringer word, maar met wien men ook hoe langer hoe meerder moeite krijgt tot het inpalmen der thiende zelfs, zodanige dat uw wel Edele Agtbaare meermaals genoodsaakt is geweest het mankeerende van zijn eigen te suppleeren. Ten bewijze van waarheid hebben wij dit met onze ge„ „woone handteekening bevestigd en zijn bovendien ten allen tijden bereid om het zelve des gerequireerd wordende met Eede te bekragtigen, terwijl wij inmiddens met Hoog„ „agting blijven /:onderstond:/ wel Edele Agtbaar Heer /:laeger:/ uwer wel Edele Agtbaare onderdaanige en gehoor„ „zaame Dienaaren /:was geteekend:/ I: Brugman en D: Deefhout /:in margine:/ Maccasser den 14„e Iuli A:o 1703. — Cornelis Finkelaar Gouverneur en Directeur van weegen de Generaale Nee „derlandsche G'octroijeerde Oost Indische Compagnie, en de Raad ten Eijlande Celeber; Allen den geenen die deezen zullen zien, ofte hooren leezen, salut Alzo de Edele Hooge Indiasche Regeering in ervaaring gekomen zijnde, dat particuliere Ingezeetenen, zoo wel ter Hoofd=plaatse, als in de Gouvernementen en op de verde„ „re Comptoiren in Indiën, nu en dan met Inlandsche vors„ „ten eene, zo al niet suspecte, ten minsten ongeoorloofde Brief=wisseling onderhouden, schoon het eene van ouds bekende zaak is, dat zulx door niemand nog Dienaar nog Burger buijten voorkennis van zijn opper=Gebie „der mag geschieden, en hier teegen willende voorzien bij een Placcaat van den 9:e Augustus /Iongstleeden:/ allen en een iegelijk het zij Europees, het zij Inlander, Dienaa„ of Burger sorteerende onder de gehoorzaamheid der Needer„ „landschen oost Indischen Maatschappije op het serieuste va„ „booden heeft, met Eenig Inlandsche koning, Prins, minder Regent of desselfs Hofs-grooten brieven te wisselen, onder wa protext zulks ook zoude mogen geschieden, begeerende dat de geenen, aan wien eenig schrijven van een Inlandsche vorst ofte ijmand zijner Hofs-grooten mogte werden bestelt het zelve dadelijk aan het Hoofd der plaatse zijner in woo„ „ning, zonder eenige agterhoudentheid zal hebben te Com „municeeren, en daar op ordre verwagten, alles op stragh„ „fe van Bannissement ons teffens gelastende aan de e of zoude hebben kunnen worden gedaan, maar wel ter onderhoorigen Contrarie PrvR DE22 34 onderhoorigen deezes Gouvernements den hier boven geverba„ „liseerden inhoud van dat Placcaat opentlijk te adverteeren en voor de observantie van het zelve sorge te dragen. zo is het, dat wij in voldoening aan zodanige gevenereerde ordre en tot teegengang van veele uijt verboodene Correspon„ „dentien met den Inlander eertijds geboorene en voor het ver„ „volg te dugtene pernitieuse gevolgen, de gezamentlijke Ingezeetenen deezer Colonie, staande onder het gebied der Neederlandschen oost=Jndischen Compagnie op het Ern„ „stigste waarschouwen, en in zoo verre het nodig is ordon„ „neeren; Gelijk zij gewaarschouwt en g'ordonneert wer„ „den bij deezen, zig wel te wagten voor alle brief=wisseling met Inlandsche vorsten, Regenten, of hunne Rijx= „grooten ten Eijlande Celebes of elders; en daar van eenig schrijven ontfangende het zelve, zonder agterhoudinge ten eersten te overhandigen aan den ondergeteekende Heer Gouverneur met verzoek om zijn wel Edele Agtbaarens goedvinden daar omtrend; desgelijken geene Conversatien te houden met, of, visiten te ontfangen van eenige Inland „sche Grooten, zonder Expres Consent van welmelden Heer Gouverneur, en in presentie van een Tolk die van het verhandelde ten eersten zal moeten verslag doen, alzoo de geenen die men ontdekken mogte, deeze salutaire or„ „dres op eeniger hande wijze te hebben gecontravenieert en overtreeden, zonder Conniventie zal moeten vertrec„ „ken en gebannen blijven ter plaatse, werwaards hunne Hoog Edelheeden denzelven zullen gelieven te destineeren, werdende derhalven den Fiscaal deezes Gouvernements, en de onderhoorige Residenten gelast, ijder in zijn territoir nauwkeurigst te letten en te doen letten dat den 4

NL-HaNA_1.04.02_3653_0834 view scan ↗

English

the contents of this shall in no way be infringed, and upon discovering the contrary, to give notice thereof as soon as possible where appropriate. Below stood: Thus enacted in the Council of Policy within Castle Rotterdam at Makassar on Friday the 21st of December and approved on Monday the 24th of December of the year 1764, and published on the 8th of January 1765. Was signed: C: Sinkelaar. In the middle stood: The Company's Seal, impressed in red wax. Lower: By order of the Right Honorable Worshipful Lord Cornelis Sinkelaar, Governor and Director, together with the Council. Was signed: I:s Bleeke, Secretary. Below stood: Conforms. Was signed: I: J: Budach, Secretary. Conforms. Pp Dodenpijl, Sworn Clerk. Batavia. To His Excellency, The Most Honorable, Most Worshipful, Stern, and Far-Ruling Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor General, Together with the Right Honorable Stern Lords, Councilors of the Netherlands Indies. Most Honorable, Most Worshipful, Stern, and Far-Ruling Lord, and Right Honorable Stern Lords! The matters concerning Tanette, from their beginning up to the then-expected return of the commissioners dispatched thither by the Honorable Company and Boni, together with all that was related thereto, having already been most respectfully communicated to Your Excellencies in my separate letter and enclosures of the 15th of this month, I now have both the honor and the pleasure, in continuation thereof, most humbly to report to Your Excellencies: That these commissioners, having returned on the 20th of this month, the King was immediately informed thereof, with the request that the envoys from the Court might enter tomorrow, in order to hear from both sides at once the outcome of their proceedings, and thereby be able all the more surely to settle the dispute between the two brothers in an equitable manner. That the King having consented thereto, the commissioners of Boni were received in full assembly on the 21st, and fully confirmed the statement of Junior Merchant van Diemar, namely that, upon their arrival in Tanette, all hostilities were immediately ceased, and that the King of Tanette, by order of the King of Boni, had evacuated the Honorable Company's territory, while the decision of the mutual disputes between the two brothers was left to the Honorable Company and Boni. That thereupon, the King of Boni having been requested to come to my country house for the settlement of this affair, His Highness subsequently appeared there on the 23rd of this month, whereupon that entire matter, in the presence of all the members of the Council of Policy and in the presence of the King and his Court dignitaries, was settled and resolved to complete mutual satisfaction, as Your Excellencies, if it pleases you, will be able to see from the separate Resolutions of the 21st and 23rd of this month respectfully accompanying this, and to which I also take the liberty most humbly to refer, with the single addition that for the handover of the lands in question, etc., the sworn Chief Interpreter Diederik Deefhout departed for Segeri today, the 25th of this month, and that I hope that the gentlemen of Boni, who have now seen that one cannot always be equally yielding, particularly in matters of such a nature as this has been, will henceforth refrain from taking the side of another in such an underhand manner in order thereby to aggrandize themselves more than is beneficial for this Celebes. I commend Your Excellencies' precious persons to the sole safe keeping of the Almighty, and profess to be with the deepest humility and high esteem, Most Honorable, Most Worshipful, Stern, and Far-Ruling Lord, and Right Honorable Stern Lords, Your Excellencies' humble and faithful servant, Was signed: Barend Reijke. Makassar, in Castle Rotterdam, the 25th of October, Anno 1783. Thursday the 23rd of October, Anno 1783. For the Netherlands. No. 15. Second Set. Thursday the 23rd of October, Anno 1783. To the Right Honorable Worshipful Lord! Barend Reijke, Governor and Director of this Coast of Celebes; Together with the Council; Right Honorable Worshipful Lord and Gentlemen; In fulfillment of the commission entrusted by Your Right Honorable Worships to the respectful subscriber by resolution of the Council of Policy of the 5th of this month, to proceed, assisted by the Bookkeeper Alexander Whijts and accompanied by the Chief Interpreter Diderik Deefhout, to the King of Tanette in order to carry out such charge as is recorded in the secret resolutions of the 4th, 5th, and 8th of this month, the same now has the honor to submit a report in the Daily Register respectfully accompanying this, to which he humbly requests permission to refer, as well as to the letters sent to the same, dated the 13th of this month. While the humble subscriber, in hope of a favorable interpretation, cannot refrain from bringing to the honored notice of Your Right Honorable Worships

Dutch transcription

den inhoud deezes op geenerlij wijze werde g'infringeert, en het teegendeel ontdekkende, ten spoedigsten kennis te geeven daar het gehoort /:onderstond:/ Aldus G'arresteerd in Raade van Poli„ „tie binnen het Casteel Rotterdam tot Maccasser op vrijdag den 21„e December en G'approbeert op Maan„ „dag den 24„e December des Jaars 1764. en G' publiceert op den 8„e Januarij 1765 /:was geteekend:/ C: Sinkelaar /:in't midden stond:/ 'sCompagnies Zegul, gedrukt in Rooden Pacq /:lager:/ Ter ordonnantie van den wel Edelen Agt„ „baaren Heer Cornelis Sinkelaar, Gouverneur en Di„ „recteur benevens Den Raad /:was geteekend:/ I:s Bleeke Secretaris /:onderstond:/ Accordeert /:was geteekend:/ I: J: Budach secret„s of zoude hebben kunnen worden gedaan, maar wel ter Accordeert Pp Dodenpijl gesw: Clercq Contrarie EXDE Dee2 - e 36 49 Batavia. Aan zijn Hoog Edelheid Den Hoog Edelen Groot Agtbaren Gestrengen Wijdgebiedende Heere. M=r Willem Arnold Alting Gouverneur Generaal De wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlandsch Indië Hoog Edele Groot Agtbaren, Gestrengen, wijd gebiedende Heere, en WelEdele Gestrenge Heeren! De zaaken nopens Tanette van hun begin tot op de toen te verwagtene te rug komst van 's E komp„s en Bonijs na derwaarts afgezondene gekommitteer= „dens met het geene daar toe betrekkelijk was, uwe Hoog Edelheedens reets Eerbiedigst bedeeld zijnde bij mijne aparte brief en bijlaagen van den 15„e deezer, zo heb jk tans zo wel de Eere als het genoegen ten ver„ „volge van dien uwe Hoog Edelheedens nedrigst te melden Dat deeze gekommitteerdens den 20„e deezer te rug gekoomen zijnde den Koning daar van ten eersten is verwittigt geworden met verzoek dat de af= „gezondene van het Hoff op morgen mogte binnen koomen om alzo van beide kanten te gelijk den Beneevens. uitslag uitslag Hunner verrigtingen te hooren en daar na des te zeekerder het verschil tusschen de beide Broeders op een billijke wijze te kunnen beslissen. Dat de Koning hier inne gekonsenteert hebbende de gekommitteerdens van Bonij den 21„e in volle vergadering ontfangen zijn en zig volkoomen gecon= „firmeert hebben met de opgave van den Onder= „koopman van Diemar, namentlijk dat, bij hunne komst op Tanette alle vijandelijkheeden ten eersten waaren gestaakt en dat de Koning van Panette op ordre van den koning van Bonij 'skomp„s territoir verlaaten had, terwijl de decisie der onderlinge Geschillen tusschen de twee Broeders aan de Ed„e Komp„e en Bonij verbleeven was. Dat hier op den Koning van Bonyj in mijn buiten Huis ter afdoening deezer zaake verzogt ge„ „worden zijnde, zijn Hoogheid dan ook aldaar ver= „volgens den 23„e deezer is verscheenen, wanneer die geheele ceffaire in het bijweezen van alle de Leeden van den politicquen Raad en ter presentie van den koning en zijne Hofsgrooten zodanig met volkomen wederzijds genoegens geschikt en bijgelegt is, als uwe Hoog Edelheedens des behaegende uit de dezen in Eer= „bied verzellende aparte Resolutien van den 21„e en 23„e deezer zullen kunnen zien en waar aan jk dan ook de vrijheid neeme mijn allernedrigst te gedragen, met enkelde bijvoeging dat tot overgave der Landerijen in queste etc den gezworen oppor= „tolk: Diederik Deefhout op heeden den 25=e deezer na Sageerie vertrokken is, en dat jk hoope dat de Heeren Boniers, die nu gezien hebben dat men niet altoos even toegevend kan zijn, bijzonder en zaaken van zodanigen natuur als deeze geweest is, of zoude hebben kunnen worden gedaan, maar wel ter zig Contrarie E EXDS D 60 02 v 38 zig voortaan wagten zullen van weder op zulke slinkse rijze de parthij van een, ander te kiesen om zig zelve daar door grooter te maaken daen voor dit Eelebes dienstig is. Jk beveele uwe Hoog Edelheedens dier bare Perzoonen in de alleen veilige hoede des Al= „lerhoogsten en betuige met de allerdiepste nedrig„ „heid en Hoog-agting te zijn. Hoog Edele Groot Agtbaren, Gestrengen, wijdgebiedende Heere„ en WelEdele Gestrengen Heeren. Makassar in het kasteel Rotterdam. den 25„e October A„o 1783. Barend Reijke Uwer Hoog Edelheedens Onder= „danige en Getrouwen Dienaar /:was geteekent:/ - of zoude hebben kunnen worden gedaan, maar wel ter Contrarie ENDE De 2 45 49 Donderdato den 23„e October Anno 1733 Manurps voor Sedertand. No. 15 tweede Stel a ErVE Dov2 45 49 39 Donderdag den 23„e October Anno 1783 Aan Den wel Edelen Agtbaaren Heer! Barend Reijke Gouverneur en Directeur deeser Custe Ce„ „lebes; Den Raad; Benevens wel Edele Agtbaare Heer en Heeren; In voldoening van de door uw wel Edele Agtbaare aan den Eerbiedigen Teekenaar opgedraagene Commissie bij politicq raads besluijt van den 5„e deeser, om geassisteerd van den Boek„ „houder Alexander Whijts en verzeld van den oppertolk Dide„ „rik Deefhout zig te vervoegen bij den koning van Tanette, ten eijnde zodanigen last te volbrengen als bij secreete Reso„ lutien van den 4: 5: en 8: deeser genoteerd staat, heeft denselven als nu de Eer van verslag te dienen bij het deesen in Eerbied ver„ „zellend Dag Register, waar aan needrig versoekt zig zo wel te mogen refereeren, als aan de aan Hoog dezelve afgezondene letteren sub dato 13„e deeser. Terwijl den needrigen Teekenaar /:in hoope van gunstig wel„ „duijden:/ niet kan af zijn uw wel Edele Agtbaare ter g'eerde kennisse #

NL-HaNA_1.04.02_3653_0842 view scan ↗

English

to bring to knowledge such rumours as have successively come to his ears at Mandalle; nevertheless, unwilling to vouch for the authenticity thereof, as these originate from natives who, no offence meant to the good ones, are accustomed to retract their words; wherefore the undersigned sets them down here merely for your high consideration, consisting principally of the following: That Datoea Baringang had notified Crain Tanette by a letter of the arrival and charge of the Company's and Bonijse commissioners, who were to depart thither one day after the dispatch of these letters. That he, Datoea Baringang, advised him, the King of Tanette, by no means to listen to the proposals of the said commissioners before and until the entire claim against Arou Pantjana had been satisfied to him, and that he therefore should also not withdraw earlier. The Bonijse commissioners, having remained with the King of Tanette after our departure, carried out their secret charge; having learned from Crain Mandalle that when they had taken their leave, the King of Tanette was said to have expressed himself with great displeasure. That he would never have come onto the Company's territory had he not been incited by the King of Bonij; that now this king, instead of assisting him further, ordered him to withdraw. That he now for the first time experienced what reliance was to be placed on the King of Bonij's promises, and that if the Company had attacked him in his realm and taken everything away, he would have had to blame that monarch for it. The aforementioned Crain Mandalle having been requested to ascertain through spies what the Bonijse commissioners were actually to execute at Pantjana, reported to the undersigned on the 15th of this month that they had delivered a letter from their king to the Queen of Tanette, named Datoe Tjita; who had declared that she would wait another ten days from that day, and if by then the promises of the King of Bonij took no effect and not all the claims against Aroe Pantjana were satisfied, she would march with an even much larger army in order to seek her justice in person. In the hope of having carried out this my charge to the satisfaction of Your Right Honourable, I take the liberty to call myself, with true high esteem and due respect, underneath stood, Right Honourable Sir and Gentlemen, lower, Your Right Honourable's humble and faithful servant, was signed, I. van Diemar, in the margin, Makasser, the 20th of October, Anno 1783. Thursday the 23rd of October, Anno 1783 Tuesday the 21st of October, Anno 1783 In the morning at nine o'clock All present Was read the report submitted by our commissioner van Diemar, whereby he, in conformity with what was resolved on the 8th of this month, reports on his completed commission to the King of Tanette and his elder brother Prince Aroe Pantjana; whereupon it was agreed to have the commissioners of the Court of Bonij, whom the Governor had requested from the king to come here, also heard as to what and what manner of report they will make in this regard; who, having appeared in the council chamber shortly thereafter, were: The Glarrang Bontoala, Soelewattang Matijeje, And after they had taken their seats and delivered the king's greetings, they asked what was at the service of the Governor and Council. It was made known to them that we desire to hear a personal verbal report regarding their commission carried out with the King of Tanette, in order then to be able to settle the matter in question with greater certainty. To which they replied that they did not doubt but that our

Dutch transcription

kennisse te brengen zodanige gerugten als hem successi„ velijk op Mandalle ter ooren zijn gekoomen; nogthans voor de egtheid van dien niet willende instaan, als zijnde dezelve herkomstig van Inlanders, die haar woorden / de goeden niet te na gesprooken :/ gewoon zijn te retracteeren; waaromme den Teekenaar dan ook dezelve alleenlijk tot Hoog derzelver speculatie hier komt ter neder te stellen bestaande voor namentlijk in de volgende Dat Datoea Baringang aan Crain Tanette bij een brieff hadde genotificeert de komste en Last van 'sComp:s en Bonijse gecommitteerdens, dewelke Een dag naar afzending van deese letteren naar derwaarts stonden te vertrekken. Dat hij Datoea Baringang hem koning van Tanette aan „ried geensins naar de voorslagen van gem: Gecommitteerdens te luijsteren, voor en al eer hem de geheele pretensie op Arou Pantjana voldaan was, en dat hij dus ook niet eerder moest aftrekken. De Bonijse gecommitteerdens naar ons vertrek bij den ko„ „ning van Panette verbleeven zijnde hebben hunnen secreeten Last volbragt; hebbende van Crain Mandalle vernoomen, dat wanneer dezelve hunnen afscheijd genoomen hadden, den koning van Tanette met groot misnoegen zig zoude uijtgelaaten hebben. Dat hij nooit op 's Comp:s territoir zoude gekoomen zijn, ten waare dat hij niet door den koning van Bonij was aan„ „gezet geworden; dat als nu dien koning in steede van hem verder te assisteeren hem gelasten liet af te trekken. Dat thans eerst ondervond wat staat op 's koning van Bonijs beloften te maaken was, en dat wanneer de Comp„e hem in zijn rijk aangetast en alles weggenoomen hadde, hij zulx aan dien vorst wijten moest. voormelde Crain Mandalle verzogt zijnde door spions te laaten verneemen wat eigentlijk de Bonijse gecommit„ „teerdens op Pantjana uijtvoeren moesten: heeft den Teekenaar EXDE De 45 41 n onderdag den 23„e October Anno 1783 Teekenaar den 15„e deser berigt„ Dat dezelve een brieff van hunnen koning aan de koningin van Tanette Datoe Tjita genaamt overgehandigt; dewelke zig gedeclareert hadde; Dat ze van die dag aff nog thien dagen zoude wagten, en wanneer als dan de beloften van de koning van Bonij geen effect sorteerden en dat niet alle de pretensien op Aroe Pantjana voldaan waaren, de „zelve met nog een veel grooter Leeger zoude aantrek„ „ken ten einde haar regt in perzoon te zoeken. — In Hope deesen mijnen last naar genoegen van uw wel Edele Agtbaare volbragt te hebben, bevrijmoedige ik mij met waare Hoogagting en verschuldigden Eer„ „bied te noemen /:onderstond:/ Wel Edele Agtbaare Heer en Heeren /:laeger:/ uwer wel Edele Agtbaares onderdaanige en Trouwschuldige Dienaar /:was geteekend:/ I: van Diemar /:in margine:/ Makasser den 20„e oc„ „tober A:o 1783. —: 49 EXD D 45 49 42 Donderdag den 23„e October Anno 1783 Dingsdag den 21 October A„o 1783 — 'S morgens te Neegen uuren alle present Is Geleesen het gediende Berigt door onzen Commissiant van Diemar, waar bij denzelven conform het beslotene op den 8„e deezer weegens zijn volbragte Commissie na der koning van Tanette en desselfs ouder Broeder den Prins Aroe Pantjana verslag doet, waar op verstaan is de Gecommitteerdens van 't Hoff van Bonij, die den Heer Gou„ „verneur zijnde aan den koning te hebben laaten ver„ „zoeken hier te koomen, om almeede te hooren, wat en hoedanig verslag zij des aangaande zullen koomen te doen, dewelke kort daar op in de vergaderzaal verschee„ „nen zijnde, waaren. Den Glarrang Bontoala, Soelewattang Matijeje, En na dat zij Sitplaats genoomen en 's konings Groete Afgelegt hebbende, vroegen wat 'er van 's Heer Gouver„ „neurs en Raads dienst was, Is hun te kennen gegeeven, Dat wij verlangende zijn om noopens hunne bij den Ko„ „ning van Tanette volbragte Commissie Een Eijgenmon„ „dig verslag te hooren, om als dan met meerder zee„ „kerheijd de saak in questi te kunnen afdoen, door hun daar op g'antwoord wierd, Dat zij niet twijffelde of onzen EXDE DD02 45 49 onderdag den 23„e October Anno 1783 Dingsdag den 21 October A„o 1783— 'S morgens te Neegen uuren alle present Is Geleesen het gediende Berigt door onzen Commissiant van Diemar, waar bij denzelven conform het beslotene op den 8„e deezer weegens zijn volbragte Commissie na der koning van Tanette en desselfs ouder Broeder den Prins Aroe Pantjana verslag doet, waar op verstaan is de Gecommitteerdens van 't Hoff van Bonij, die den Heer Gou„ „verneur zijnde aan den koning te hebben laaten ver„ „zoeken hier te koomen, om almeede te hooren, wat en hoedanig verslag zij des aangaande zullen koomen te doen, dewelke kort daar op in de vergaderzaal verschee„ „nen zijnde, waaren. Den Glarrang Bontoala, Poelewattang Matijeje, En na dat zij Sitplaats genoomen en 's konings Groete Afgelegt hebbende, vroegen wat 'er van 's Heer Gouver„ „neurs en Raads dienst was, Is hun te kennen gegeeven, Dat wij verlangende zijn om noopens hunne bij den Ko„ „ning van Tanette volbragte Commissie Een Eijgenmon„ „dig verslag te hooren, om als dan met meerder zee„ „kerheijd de saak in questi te kunnen afdoen, door hun daar op g'antwoord wierd, Dat zij niet twijffelde of onzen 42

NL-HaNA_1.04.02_3653_0848 view scan ↗

English

Our Commissioner would have already discharged his duty and properly reported on everything, to which they declared they fully referred, and therefore confirmed that upon their arrival at Tanette all hostilities were immediately ceased, and that the said King of Tanette had left the Honorable Company's territory by order of the King of Bonij; furthermore, that the decision of the mutual disputes between the two brothers was left to the Honorable Company and Bonij. The said delegates furthermore asked, with respect to the four burned villages, on behalf of the King and Aroe Tanette, who shall have to compensate for them; to which they were answered that the one will be settled properly along with the other, under this observation of ours that those four villages, for which Aroe Tanette comes to claim compensation, lie on the territory of the Honorable Company, which has suffered the greatest damage and disadvantage through the desertion of its inhabitants and the failure to receive the lawful tithe of rice and paddy, and that this is to be blamed on no one else but Tanette's untimely invasion, who should even have considered himself fortunate if he had lost his very life in the process. And hereupon it was approved to send word to the King of Bonij with his envoy, and for greater emphasis through the first sworn interpreter Deefhout with our greetings, that the affair of Tanette will be decided with His Highness the King of Bonij according to equity and justice; that to this end the King is requested to a conference and to the settling of this matter in the garden outside the city of the Governor, whether it be tomorrow or the day after tomorrow, in order thereby to prevent the further estrangements that are to be feared from long delay and might arise from it, the more so because we, the Governor and Council, are assured and completely convinced that it depends virtually on the King alone, and that therefore to His Highness alone will be blamed the consequences that might arise from dragging out the matter. Lastly, upon the proposal of the Governor, it was agreed to record in these minutes that it is not possible for His Honor, under the present state of the times, since His Honor's presence at this Castle is required in the highest degree, to undertake this year in person the impending collection of tithes to Boelecomba and Bonthain, which demands an absence of at least two months, and that the same is thus, on His Honor's proposal, once again entrusted to Resident Monseur. Below stood: Thus done and resolved at Maccasser in Fort Rotterdam, date as above. Was signed: B:s Reijke, C:s Kraane, I:n M:n Basserman, I: W: H: van Rossum, I: L: de Vos, T: Bosch, I:n G:s Budach, and G: van Diemar. Thursday, 23 October Anno 1783 In the morning at half past nine o'clock Present: Barend Reijke, the Honorable Right Honourable Governor and Director of this Celebes Coast The Honourable Senior Merchant and Second Claus Kraane Valiant Captain-Commandant Iohan Martin Basserman Merchant and Fiscal Mr. Ian Willem Hendrik van Rossum Junior Merchant and License Master Iacobus Leonardus de Vos Junior Merchant and Shopkeeper Theodorus Bosch Junior Merchant and Secretary of Police Iohan Godfried Budach, and Junior Merchant and Pay Bookkeeper Godlieb van Diemar. After the members had assembled at the house of the Governor, there appeared at the conference at our request, pursuant to the resolution of the 20th of this month, around ten o'clock, His Highness the King of Bonij, accompanied by the following grandees of the realm: Datoea Ribaringan Soelewattang Bontoalla Pallarang Bontoalla Aroe Teko or Aroe Kaijoe and further ordinary retinue, in order to settle the mutual claims between the King of Tanette and his elder brother Prince Aroe Pantjana, the decision of which had been left to the Honorable Company and the King of Bonij with the mutual consent of the parties in dispute. And after His Highness had been received with all required ceremonies and had taken his seat alongside his grandees of the realm, the reasons why the King and his grandees of the realm had been requested here were once again made known to His Highness by the Governor, with the request to settle this matter according to justice and equity, as shall be found proper; and to that end, the claims that Arou Tanette had mutually submitted against Arou Pantjana and Arou Pantjana against Arou Tanette were presented to the King, and the sentiment of the Governor and that of the collective members in that regard having been made known thereupon to the prince, the King fully concurred therein, and consequently, with mutual consent both on the part of the Court of Bonij and on our behalf, after mature deliberation, it was resolved and established to settle the claims in the following manner, namely: That the lands of Patjinongang, Patjiro, and Sapa kanree-ang Joonga shall be delivered to the King of Tanette, on this condition, that they must not only be properly cultivated by the peoples of Tanette and Tjitta, but that these people shall also be obligated to pay the lawful tithes to the Honorable Company as sovereign of the territory. That with respect to the people demanded back, all those who in Anno 1776, to the number of 300 souls, were taken under the Honorable Company's protection alongside Arou Pantjana with the consent of his mother, shall remain with Arou Pantjana insofar as they wish, if they are free people; but that those who came to him after the death of his mother must be returned by him to Tanette as belonging under the realm of

Dutch transcription

Onzen Commissiant zouden zig reeds van zijnen pligt g'acquiteerd en van alles behoorlijk Rapport gedaan hebben waar aan zij zeijden zig volkoomen te refereeren en Dierhal„ „ven te confirmeeren dat bij hun komst op Tanette alle vijandelijkheeden ten Eersten waaren gestaakt en dat ge„ „dagte koning van Tanette op ordre van den koning van Bonij 'sComp„s Territoir had verlaaten, Dat wijders de Decisie der onderlinge Geschillen tusschen de twee Broe„ „ders aan de E: Comp:s en Bonij was verbleeven, vraagende gem: gecommitteerdens al wijders, met opsigt tot de vier ver„ brande Negorijen uijt Naam van den koning en Aroe Tanette, wie die zal hebben te vergoeden, waar op hun g'ant„ „woord is geworden, dat het Een met het ander na behoo„ „ren zal beslist worden, onder deeze onze Anmerking dat die vier Negorijen waar van Aroe Tanette Schaa vergoe„ „ding komt te pretendeeren op het Territoir van d'Edele Comp:s leggen, die de grootste schaade en Nadeel door verloop hunner jngesetene en het niet in krijgen der ge„ „regtelijke Thiende van Rijst en Padij geleeden heeft en aan Niemand als aan Tanettes ontijdige Invasie te wrij„ „ten is, die het ook voor aangenaam had moeten hou„ „den indien hij daar bij zelfs het leeven verlooren had; En is hier op goedgevonden den koning van Bonij met zijn afgesondene en, tot meerder nadruk, door den Eerste gesw: Tolk Deefhout onder onse Groete te Laten bood„ „schappen, Dat men de zaak van Tanette met zijn Hoogheid den koning van Bonij na Billijkheid Regtmaa„ „tigheijd zal beslissen, dat men ten dien Eijnde den koning Tet EXDE D6v2 45 44 Donderdag den 23„e October Anno 1783 Ter conferentie en tot het afmaaken deeser zaak in de buijten thuijn van den Heer gouverneur verzoekt, al„ „waar het morgen of overmorgen om daar door voor te koomen de verdere verwijderingen die uijt het lang uijt„ stellen te dugten zijn en daar uijt voorspruijten konden, te meer daar wij den Gouverneur en Raad versekert en volkoomen overtuijgt zijn dat het genoegsaam van den koning alleen afhangt en dat derhalven aan zijn Hoogheijd ook alleen te wijten zullen zijn de gevolge die uijt het Traineeren mogten spruijten: Laastelijk is op de Propositie van den Heer Gouver„ „neur verstaan in deezen aan te tekenen dat het zijn Agtb: niet mogelijk is de ophanden zijnde verthiening na Boe„ „lecomba en Bonthain, die een afwesigheijd van ten minsten twee maanden vorderd, in deze gesteldheijd van tijden, door zijn Agtb: presentie ten Hoogsten aan dit Kasteel vereijst word, Dit Iaar in persoon te doen en dat dezelve dus op zijn welEdelens voordragt, den Resident Monseur weeder word opgedragen; /:onderstond:/ Aldus gedaan en Geresolveert tot Maccas„ „ser in het kasteel Rotterdam, dato voorsz: /:was getee„ „kend:/ B:s Reijke, C„s kraane, I„n M„n Basserman, I: w: H: van Rosjum: I: L: de Vos, T: Bosch, J„n I„s Budach en G: van Diemar; 49 EXDE D0e2 45 49 Donderdag den 23„e October Anno 1783 's morgens te halff thien uuren present. Barend Reijke Den wel Edele Agtbaaren Heer Gouverneur en Directeur deeser kuste Celeber Den E: E: Opperkoopman en Secunde Claus Kraane Manhaften Capitain Commandant Iohan Martin Basserman „ „ koopman en Fiskaal M:r Ian Willem Hendrik van Rossum „ onderkoopman en Licentmeester Iacobus Leonardus de Vos _o„ en winkelier Theodorus Bosch _o„ „ secretaris van Politie Iohan Godfried Budach en _o „ Zoldij Boekhouder Godlieb van Diemar. Na dat de Leeden ten huijse van den Heer Gouverneur bij Een gekoomen waaren, verscheen ter Conferentie op ons versoek volgens het beslotene op den 20:e deezer teegens thien uuren zijn Hoogheid de koning van Bonij, verseld van de volgende Rijxgrooten. Datoea Ribaringan Soelewattang Bontoalla Pallarang Bontoalla Aroe Teko of Aroe Kaijoe. en verder ordinair gevolg, om de onderlinge Pretensien tusschen Den koning van Tanette en desselfs ouder Broeder den prins Aroe Pantjana te beslippen, waar van de Dici„ „sie aan de E: Comp„e en den koning van Bonij met onderlinge Bewilliging der in geschil zijnde Parthijen verbleeven was; en na dat zijn Hoogheijd met alle de verEijschte Ceremo„ „nien gerecipieert, en zitplaats neevens desselfs Rijxgrooten genoomen Cireculaire „ „ e genoomen had, wierd door den Heer Gouverneur aan zijn Hoog„ „heijd de reedenen waarom men den koning en desselfs Rijx„ „grooten hier versogt had nogmaals te kennen gegeeven, met versoek om deese zaak na Regtmatigheijd en billijk„ „heijd, zoo als bevonden zal worden te behooren, af te doen mitsgaders ten dien Eijnde aan den koning voorgesteld de pretensien die Arou Tanette op Arou Pantjana en Arou Pantjana op Arou Tanette wederzijds hadden opgegeven en daar op den vorst 's Heer Gouverneurs gevoelen en dat der gesamentlijke leeden ten dien opzigte te kennen gegeven zijnde zo heeft den koning zig daar meede volkomen geconfir„ „meerd en js dientvolgende met weedersijdse Bewilliging zoo van 't Hoff van Bonij als onzent weegen na rijpe Delibe„ „ratie beslooten en vastgesteld om de Pretensien in vol„ „gender voegen afte doen namentlijk Dat de Landerijen van Patjinongang, Patjiro en Sapa „kanree=ang Joonga aan den koning van Tanette zullen worden afgegeven, onder deeze Conditie dat z' niet alleen behoorlijk door de volkeren van Tanette en Tjitta moeten„ bewerkt worden maar dat deze ook verpligt zullen zijn aan d'E: Comp„e als Heer van het Grond gebied de geregtelijke Thienden te betaalen. Dat met opsigte tot de te rug gevraagde Menschen al die geenen die in A„o 1776 ten Getalle van 300 koppen nevens Arou Pantjana met Bewilliging van zijn Moeder onder 'sComp„s Protextie genoomen zijn bij Arou Pantjana zullen blijven in soo verre zij willen als het vrije lieden zijn, dog dat die geenen die na het overlijden van zijn moeder bij hem gekoomen zijn door hem aan Tanette te rug zullen moeten gegeven worden als onder het Rijk van PXVE Der

NL-HaNA_1.04.02_3653_0853 view scan ↗

English

belonging to Tanette, while the latter, according to the statement of the commissioners, does not claim any more than those that were taken away by Arou Pantjana after the death of his mother. That, for the rest, all mutual claims shall herewith be settled and cleared, without counting the damage that they may have inflicted upon each other by committing hostilities and robbing buffalo cattle or otherwise, without Arou Tanette reserving or retaining anything against Arou Pantjana, or the latter against the former, in the aforementioned matter; while on our part it was noted here and the King was very earnestly given to understand that the Honourable Company has suffered the most damage with the burning of the negorijs, and no one is the cause of this but Arou Tanette himself, who should not have presumed, contrary to the contracts and against the advice of the Governor, to come armed onto the Company's territory and commit hostilities there, for which reasons the Company could equitably leave all the damage to his account, but once again granting customary clemency also in that case, shall consider the matter settled with this. The King of Bonij binding himself on his part to make Arou Tanette, and we on ours to make Arou Pantjana, submit to the strict observance of this decision, without permitting that anything be acted or done against it in the least by either party. Wherefore it has been understood to keep this record as proof of what has been transacted. Thus done and resolved at Maccasser, on the date aforementioned. Was signed: B: Reijke, C:s Kraane, I:n M:r Basserman, I:n Will:m A: van Rossum, I: L: de Vos, T: Bosch, I:n F:s Budach, and J: van Diemar. BATAVIA To His Excellency, the High Noble, Highly Esteemed, Rigorous, Far-Ruling Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General, together with the Right Noble Rigorous Lords, Council of the Netherlands Indies: High Noble, Highly Esteemed, Rigorous, Far-Ruling Lord, and Right Noble Rigorous Lords, In dutiful fulfillment of Your Excellencies' much-respected circular order, we take the liberty reverently to offer Your Excellencies herewith a short summary of the general number of servants stationed here under today's date, compared against the latest establishment, together with a statement of the available ordnance, flintlocks, cutlasses, shot, and the existing vessels, drawn up according to the model sent to us for that purpose, which we hope will meet Your Excellencies' honored intention, while for the rest we take the liberty to call ourselves, with all due respect and veneration, High Noble, Highly Esteemed, Rigorous, Far-Ruling Lord and Right Noble Rigorous Lords, Your Excellencies' humble and faithful servants. Was signed: B: Reijke, C: Kraane, I: M: Baserman, I: W: H: van Rossum, I: D: Vos, I: Bosch, I: H: Budach, G: B: V: Diemar. In the margin: Maccasser in Castle Rotterdam, the 21st of October, Anno 1783. No. 22. In this Government there are present on this day the following Servants, Ammunition, etc.: heads, of which: Europeans, Native Christians, Mohammedans, together: Of the Police up to Young Assistants inclusive: 20, 28, -, 48 Ecclesiastical: 3, -, -, 3 Medical: 11, 1, -, 12 Artillery: 53, -, -, 53 Militia: 399, 40, -, 439 Naval: 102, 62, 4, 168 Trades: 32, 28, 1, 61 Various on-duty personnel: 2, 8, -, 10 Native teachers, Malay scribes, and Missionaries: -, 2, 3, 5 Together: 622, 169, 8, 799 According to the latest establishment: 815 Thus less: 16 23 metal cannons of various sorts 44 metal bassen from 3/4 to 1 lb 148 iron cannons of various sorts 24 iron bassen from 1/2 to 1 lb 25,514 round shot of various sorts 2 metal howitzers of 4 inches 5 metal mortars of 6 to 8 inches 12 iron hand mortars 300 filled bombs 2,207 lead grape shot of various sorts 778 iron grape shot of various sorts 192 light balls 1,545 grenades 59,016 1/2 lb gunpowder 22,748 pieces iron bas shot 1,568 mortar grenades and bombs 7,751 bar shot of various sorts 318 fireballs 480 pieces grenadier flintlocks 1,896 pieces grenadier flintlocks without bayonets 699 pieces common flintlocks 45 carbines 4 small copper blunderbusses 24 musquetoons and muskets 36 1/2 pairs of pistols 679 pieces cutlasses of various sorts with copper as well as iron hilts 47 swords of various sorts and the following vessels: 4 pieces pantjallings 2 pieces chiampangs 3 boats 1 skiff Maccasser, the 4th of October, Anno 1783. Was signed: I: H: Budach. Examined. Secret Copy. Letter from Maccassar, dated 21 October 1783. Along with a short strength return of the Servants, etc., and Daily Register regarding a commission conducted to Tanette, etc.

Dutch transcription

47 49 van Tanette gehoorende, Terwijl laastgemelde volgens opgaaff van de gecommitteerdens niet meer komt te pretendeeren als de zulke, welke na de Dood van zijn moeder door Arou Pantjana zijn weggenoomen. Dat voor het overige hier meede alle pretensien over en weder zullen zijn afgedaan en verEvend, sonder te reekenen de schaade die t' Elkander met het pleegen van Hostiliteijten en het beroven van Buffel beesten als ander„ „sints mogten toegebragt hebben, sonder dat Arou Ta„ „nette op Arou Pantjana of den laasten op den Eersten ter saak voorschreeven iets zal blijven reserveeren of voor be„ „houden; terwijl van onsentweegen hier bij is aangemerkt en den koning zeer Ernstig te verstaan gegeeven. Dat de E: Comp:e bij het verbranden van de Negorijen de meeste schaade geleeden heeft en Niemand daar van oorsaak is als Arou Tanette Zelf, die zig niet had moeten onder„ „staan om teegen de Contracten aan en teegens de Aan„ „raading van den Heer Gouverneur op 'sComp:s grond gebied gewapend te koomen, en aldaar vijandelijkheeden te plee„ „gen, al waar omme de komp„e met billijkheijd alle de schaa„ „de voor zijn reekening konde laaten dog alweeder de ge„ „woone goedertierendheijd plaats geevende ook in dat ge„ „val, de saak daar meede voor afgedaan zal houden. ver„ „bindende sig den koning van Bonij van zijnen kant om Arou Tanette en wij van den onsen om Arou San „tjana aan de stipte naarkoming deeser Dicisie te doen onderwerpen, sonder te gedoogen dat daar teegen door den Een of ander in het minste gehandelt ofte gedaan worde, Weshalven Circulair l weshalven verstaan is ten blijke van het verhandelde deese Aanteekening te houden „ser Dato voorschreeven /:was geteekend:/ B: Reijke, C:s Kraane, I:n M„r Basserman, I„n Will:m A: van Ros„ /:onderstond:/ Aldus Gedaan en Geresolveert tot Maccas „sum, I: L: de Vos, T: Bosch, I„n F:s Budach en J: van Diemar: —: ENDE Dee2 49 Batavia Aan zijn Hoog Edelheid Den Hoog Edelen Groot Agtbaare Gestrengen wijd gebiedende Heere M„r Willem Arnold Alting Gouverneur Generaal Benevens De Wel Edele Gestrengen Heeren Raaden van Nederlands India: Hoog Edele Groot Agtbaare Gestrengen Wijdgebiedende Heere En Wel Edele Gestrenge Heeren Per schuldpligte voldoening aan uw Hoog Edelheedens veel gerespecteerde circulair . . : Cincúlaire bevel, neemen wij de vrij¬ „heijd Hoogst de selve hier nevens re„ „verentelijk aan te bieden Een korte Sa„ „mentrekking van het generaal ge„ tal der onder heedigen datum hier bescheidene Dienaaren ver„ „geleeken teegen de Iongste bepaa„ „ling nevens Een opgave van het aan„ handen zijnde geschut, snaphaa„ nen, Houwers, scherp, en de aanwee„ sende vaartuijgen, ingerigtn het ons ten dien Eijnde toegesonde Model, het geen wij ver„ hoope dat aan de g'Eerde Intentie van uw Hoog Edelheedens zal voldoen, terwijl wij voor het overige de vrijheijd neemen ons met alle verschuldigde Eerbied en veneratie te noemen. /:on„ derstond:/ Hoog Edele Groot Agtb: Gestrenge Wijdgebie„ 9 „dende Heere en wel Edele gestr: Heeren /Lager:/ uw Hoog Edelheedens onderdanige en Trouw schuldige Dienaaren /:was ge„ „tekend:/ B: Reijke, C: Kraane, I: M: Baserman, I: W: H: van rossum, I: D vos, I: Bosch, I. H: Budach, g: B: V: Diemar, /:in marginie:/ Maccasser in 't Casteel Rotter„ dam den 21: october A„o 1783: anndeet N5 De02 DD VanKaak lyke No. 22. „ 480 van de Politie tot Iong Assistenten in Clusive Kerkelijke „ „ „ Genees Kunde „ Arthillerij „ „ Militie „ „ Zeevaard „ Ambagten Diverse Dienstdoenders Inlandse Leermeesters, Maleijdsche schrijver in Zen volgens de laaste Op dit Gouvernement zijn op Heeden in wees /:was getekend:/ Maccasser den 4 Octobe 23. Metaale Kanons in zoort 44 Metaale Bassen van ¾ tot 1 lb 148 ijzere Canons in zoort 24 ijzere Bassen van ½ tot 1 lb 25514 Rondscherp in zoort 2 Metaale houwitsen van 4 d„m 5 Metaale mortiers van 6 a 8 d„m 12 ijzere Handmortiers 300 Bommen gevulde 2207 Loode druijven in zoort 778 ijzere druijven „ 192 Ligt Koogels 1545 Mandarana den 59016½ lb Buskruijt 22748 p„s ijzere bas koogels 1568 Mortiergranaden en Bommen 7751 Langscherp „ 318 Brand Koogels 1896 69 A 53 koppen waaronder Inlandse Mahomen te zamen Europeesen kinderen taanen 48 20 28 3 3. — 12 11 1 53 53 - 40 439 399 62 168 102 4 1 61 32 28 10 2 8 3 5 — 2 799. 622 169 8 815 weesen de volgende Dienaaren Ammunitiene tc: 16 nzendelingen Te Zamen laaste bepaeling dus minder 480 p„s snaphaanen granatiers 1896 „ snaphaanen granadiers zonder Bajonetten 699 „ snaphaenen gemeene 45 „ Carbijns 4 „ Donderbussen kleene Koopere, 24 „ Musquedons en Musquetten 36½ p„ren Pistoolen 679 p„s Houwers in Zoort met Koopere als ijzere gevesten 47 „ Deegens in zoort en de volgende Vaartuijgen 4 p„s Pantjallings 2 „ Chiampangs 3. „ Boots 1 „ schuijt October Anno 1783 1: Budact O sev: Ednoord Nagezien 2 Copie Secrete Brief van Maccassar in d=o 21. 8ber 1783. Nevens Korte sterkte van de Dienaaren &=a Dagregister wegens een gedaan Commissie naa Tanette. en

NL-HaNA_1.04.02_3653_0865 view scan ↗

English

54. Daily Register kept by the Junior Merchant and Pay Bookkeeper Godlieb van Diemar during the commission entrusted to him by the Government of Makassar to the King of Tanette and subsequently to his brother, Aroe Pantjana. Thursday, the 9th of October, Anno 1783: In the evening at 5 o'clock, I received from the Right Honourable Governor my dispatches, consisting of several extracts from the secret resolutions dated the 4th, 5th, and 8th of October, along with a protest in the Dutch and Bugis languages. After this, accompanied by the Chief Interpreter Diederik Deefhout and the Bookkeeper Alexander Vuijts, I undertook the journey to Sagerie at 9 o'clock in the evening. During the night, we lay at anchor due to contrary winds. Friday, the 10th of October, Anno 1783: In the morning, we set sail and around 9 o'clock arrived at Groot Ballang, where, having taken our midday meal, we sailed to Poeloe Crandran and subsequently to Poeloe Taboetong. Here, we were forced by the land breeze to remain for the night, while the next day, Saturday, the 11th of October, Anno 1783: with the sea breeze, we departed for Sagerie, where we arrived in the afternoon around five o'clock, seeing the Bone delegates lying at anchor in the mouth of the river with two vessels. After this, I sent an envoy to them, asking them with friendly greetings when it would please them to come to us, in order to consult with one another as to what was now to be done. To this, with reciprocal greetings, they sent word in reply that they would present themselves to me immediately. In the meantime, a good house was prepared for them by the aforementioned Chief Interpreter, and the care of providing for their needs and supplies was entrusted to the Lolo of Kalocqua. Thereafter, the aforementioned delegates, consisting of the Glarrang of Boutualacq and the Soelawatang Matjege, appeared before me around eight o'clock in the evening, making known that they had been commissioned by the King of Bone to act communicatively with the Company's commissioner towards the settling of the disputes that have arisen and the hostilities already committed between the King of Tanette and Arou Pantjana. To this, through the translation of the repeatedly mentioned Chief Interpreter, I replied that it was particularly agreeable to me to deliberate everything maturely with them, asking them at the same time when it would please them to ask for access to the King of Tanette together with me at Pantjana. To this they answered me that they had not received such orders from their king, but that they had instructions only to go to the King of Tanette, and the Company's commissioner only to Arou Pantjana, in order that each in the name of his principal might urge them to withdraw directly and cease all hostilities, and to communicate the answer of those two warring brothers to one another, and subsequently to deliberate thereon; whilst their king had moreover instructed them to tell Arou Tanette that whatever claims he might have against his brother would be decided by the King of Bone and the Right Honourable Governor. Whereupon I made known to them the first article of my commission, consisting of the following: 1st: To order Arou Tanette to vacate and leave the Company's territory forthwith. And that, pursuant to that order, I thought it best to proceed together with them to the aforementioned king, in order to be able to command him to leave the Company's territory in the name of the Bugis King as well as that of the Honourable Company. To this, the Bugis commissioners, so it seemed, would by no means listen, informing me that when the Assistant Interpreter Bervers was sent to the King of Bone to inquire when the aforementioned delegates would depart, he had received the answer that it could not happen today, but tomorrow, when the delegates from both sides must await each other at Sagerie; that the Bone delegates must then proceed to the King of Tanette, and likewise the Company's commissioner to Arou Pantjana, in order that each, in the name of his Lords and Masters, might order them to cease all hostilities and withdraw directly. Whereupon I answered him by asking whether he would take it upon himself and be responsible that on this command Crain Tanette would withdraw and cease warring. To which he replied: I will not and dare not answer for it, but I think that the aforementioned king will indeed listen to the orders of the King of Bone. From which doubtful answer I did not dare venture to take a decision that was contrary to the orders of my superiors, since on the one hand I feared for a good outcome, and on the other hand it might also be possible that the said commissioners had a secret commission from their king to Crain Tanette, in which our presence might be judged detrimental by them. For which alleged reasons, and because I considered that any delay in that regard and the writing back and forth to await further orders from my superiors could be detrimental to the Honourable Company, with the advice of the Chief Interpreter Deefhout and the Bookkeeper, I agreed with them that the longer those brothers were at war, the

Dutch transcription

54. Dag= Register gehouden door den Donderdag den 9: october A„o 1783: Vrijdag den 10:' October A„o 1783. october A„o 1783: Onderkoopman en zoldij Boek„ houder Godlieb van Diemar in de hem door het Maccassaarsch Ministerium op gedragene Commis„ „sie bij den Koning Tanette en ver„ volgens bij desselfs Broeder Aroe Pantjana. S'avonds om 5: uuren Erlangde van den WelEdelen Agt„ baaren Heer Gouverneur mijne depechen bestaande in Eenige Extracten uijt de secreete Resolutien de datis 4: 5: en 8: october beneevens Een Protest in de Hollandsche en Bougineese taalen, waar na verzeld van den oppertolk Diederik Deefhout en den Boekhouder Alexander vuijts s'avonds om 9 uuren de rheise naar Sagerie on„ „dernam, s' nagts wegens Contrarie wind ten anker lag S'morgens onder zeil ging, en Omtrent 9: uuren arriveerde op groot Ballang alwaar het middag maal genomen hebbende, naar Poeloe Cran„ dran zeijlde, en vervolgens naar Poeloe Taboetong, alhier wier„ „den door de Land wind genoodsaakt s' nagts te verblijven ter„ wijl 'sanderen daags op met de zeewind naar Sagerie vertrokken alwaar wij 's nade„ middags omtrend vijff uuren arriveerden siende de Bonij„ „se gecommitteerdens in de mond van de Revier met twee vaartuijgen ter anker leggen. Hier na sond een zendeling naar dezelve, en liet onder vriendelijke groete haarlieden vragen, wanneer het hun behaagde bij ons te komen, ten Einde met malkanderen raad te pleegen, wat als nu stond en te doen, waar op de„ zelve onder Recipuocque groete tot andwoord lieten weeten dat zij inmediaat zig zouden bij mij Laten vinden; Intus„ „schen wierd door voorm: oppertolk voor hun lieden Een goed„ huijs g'approprieert, en de sorge van 't geen haar toekomt Zaturdag den 11: en 1 .. 2 en dezelve benoodigt hebben, aan den Lolo van kalocqua opgedragen; waar na voormelde gecommitteerdens bestaande in den glarrang van Boutualacq en den Soelawatang Matjege omtrend 's avonds te agt uuren bij mij verschee„ nen, bekend makende dat zij Lieden door den koning van Bonij gecommitteerd waren, om met s' Comp:s gecommitteer„ de Communicatief te werk te gaan tot bij legging van de ontstaane geschillen en bereeds gepleegde vijandelijkheeden van den koning van Tanetta en Arou Pantjana, waar op hun onder vertaaling van meerm: oppertolk repliceerde dat het mij bij=sonders aangenaam was met hun Lieden alles rijpelijk te overweegen, hun teffens vragende wan„ neer het dezelve behaagde nevens mij op Pantjana acces bij den koning van Panette te laten vragen! waar op mij tot antwoord geeven, dat zij zodanige ordere van hunne koning niet ontfangen hadden, maar dat zij last had„ den om alleenlijk naar de koning van Tanette te gaan en S:s Comp:s gecommitteerde alleen na Arou Pantjana ten Einde ider uijt naam van zijnen principaal aan te Leg„ „gen direct af tetrekken en allen hostiliteijten te staaken en 't antwoord van die twee in oorlog zijnde gebroeders den Een den anderen te Communiceeren, en vervolgens daar over te raadpleegen, terwijl hun koning haar lieden nog daar en boven hadde gelast Arou Tanette te zeggen, 't geen den zelven van zijnen Broeder te pretendeeren hadde door den koning van Bonij en den WelEdelen Agtbaaren Heer Gouverneur zoude gedecideert worden, waar op hun 't Eerste Articul van mijne Commissie te kennen gaff bestaande in 't volgende. 1:o Arou Tanette aan te zeggen s' Comp:s territoir ten Eersten te ruijmen en te verlaaten: En dat ingevolge die ordre goed dagt met hun te samen naar de koning voormeld mij te vervoegen hem zo wel uijt naam van den Bouijschen Koning als nor ook van de 56 de EComp: te kunnen aan zeggen, 'sComp:s territoir te verlaten, waar na de Bouijse gecommitteerdens /:zo het scheen :/ geen sints wilden Luisteren, mij te kennen gevende dat toen den ondertolk Bervers bij den koning van Bonij was gezonden om te verneemen wanneer voorm: gecommitteerdens vertrekken zouden, tot antwoord had bekoomen van deesen dag kan het niet geschieden waaar morgen, wanneer de gecommitteerdens van weeskan„ „ten de een den anderen op Sagerie moeten inwagtingen dat als dan de Bonijse gecommitteerdens zig moeten vorvoegen bij den koning van Tanette en zodanig ook 's Comp:s, gecommitteerde bij Arou Pantjana, ten Einde Een ieder uijt naam van zijn Heeren en Meesters aan te zeggen alle vijandelijkheeden te staaken en directelijk afte „trekken; waar op Ik hem tot andwoord gaf off den zel„ ven aannam en desponsabel wilde weesen dat op die laast Crain Tanette zoude aftrekken en met oorlogen uijt scheiden; waar op repliceerde, Ik wil en durff er niet voor instaan, maar ik denk dat voorm: koning wel zal Luijsteren naar de ordres van de koning: van Bonij, uijt welk twijffebagtigg antwoord ik niet heb durven wagen in Een besluijt te treeden, 't welk tegenstrijdig de ordres mijner Gebieders was; vermits Ik eensdeels vreesde voor den goeden uitslag, en ander„ deels dat het ook zoude kunnen mogelijk wezen„ dat gem: gecommitteerdens Een Sekreete Commis„ „sie bij Crain Tanette van hunen koning hadden waar bij onze presentie door hun nadeelig zouden kun„ „nen g'oordeeld worden, om welken g'altegueerde rede„ nen en om dat ik vermeende dat alle uijt stellen daar omtrendt en 't over en weder schrijven om nadere ordres van mijne Gebieders in te wagten, nadeeligh voor de E Compagnie konde weezen, met raad van den opper „tolk Deefhout en den Boekhouder mij tot hun versloeg dat hoe langer die gebroeders in Oorlog waren hoe .

NL-HaNA_1.04.02_3653_0868 view scan ↗

English

Sunday the 12th of October, anno 1783. The less we would be capable of satisfying them, assuming that Tanette, once gaining the upper hand, would not be willing to settle the matter, and Aroe Pantjana (who was attacked) would likewise, in the event of an advantageous strike, not let himself be satisfied with the mere satisfaction of the withdrawal of both armies. Wherefore it was best to deliberate immediately upon this matter and not to waste a single minute in this regard, as it was disadvantageous to either party, and indeed even to Bonij and the Honorable Company, who wished to position themselves as mediators in this affair. Wherefore I had it proposed to them to promptly and even literally carry out the orders of the King of Bonij from their side, as well as those of my superiors from mine, and consequently to proceed together to Tanette, or wherever that king might be found, to notify him, in the name of his King and of the Honorable Company, to withdraw immediately and to depart from the Company's territory, and thereupon likewise to order Aroe Pantjana to cease all hostilities. Whereupon the said delegates finally replied that this was well, and that we should depart together for Tammaroepa, which is as close to the armies as it is to Tanette or Mandalle. This having been agreed upon in such a manner, I gave the order to depart immediately for the aforementioned place, after which the aforementioned delegates took their leave of me. We departed at around 10 o'clock in the evening, lay at anchor during the night due to contrary winds, and the next morning weighed anchor and arrived before the river of Tammaroepa at around 10 o'clock. After which the aforementioned delegates came on board again, with whom I agreed to dispatch both the King's envoy and that of the Honorable Company, Carre Mand Jarekie, immediately to the King of Tanette and Aroe Pantjana, in order to make our arrival known to both of them and to notify them to cease all hostilities directly, while we requested to know at what place the former wished to await us this very day. With which message the two envoys then departed, and returned again at around two o'clock, bringing word that the King of Tanette sent his regards, letting it be known that he would not commit the slightest hostilities, indeed would not even fire a single musket anymore, while he would immediately await us near Mandalle. Aroe Pantjana likewise sent me his regards, letting me know that he submitted to the orders of the Honorable Company and would withdraw the moment this was ordered of him by me. And regarding speaking with one another, that he left this entirely to me, whether I ordered him to come on board, or to the beach, or whether we wished to come to the strongholds he had erected for the defense and security of the Company's lands, or indeed to Sagerie. Having sent Bonij's envoy together with ours to Bonij's delegates with this message, I had them requested to come to me in order to deliberate once more on what should be declared to the King of Tanette, so that all disputes that might result from this on shore could be cleared away. Whereupon they also came on board with me, whereupon I represented to them that, in order to remove everything that might be detrimental to the settlement of this war, we ought to consult with one another on what must be declared to the King, both in the name of the Honorable Company and of their King. While for my part I thought it best to tell Crain Tanette to immediately demolish all the strongholds erected by him, to recall his men who are posted here and there, and subsequently to vacate the Company's territory with them directly and proceed to his own country; furthermore, carefully to avoid all hostilities, both offensive and defensive.

Dutch transcription

Zondag den 12 october A„o 1783 hoer minder wij in staat waeren dezelve te bevredigen veronderstellende: dat Panette eens de overhand bekomen„ „de, de zaak niet zoude willen bijleggen, en Arouxant „jana (:wie gattacqueert is: geworden:) zig bij Een voordeeli„ „ge Coup almeede niet zoude laten bevredigen met de bloo„ „te Satisfactie van 't terug trekken der beide Legers; weshal„ „ven het niet beter was als directelijk daar over te beraad„ slagen, en Geen minut vergeefs in dezen te besteeden, alzo dezelve nadeelige voor de Een en andere parthij was, Ja zelfs voor Bonij en de E: Comp: dewelke zig als bemid„ delaars in dezen wilden stellen; waarom ik hun lie„ den liet voorstellen: om zo wel de ordres vande koning van Bonij van hunnen kant, als mede die van mijne ge„ bieders van de mijne promptelijk en zelfs letterlijk te volbrengenen dien volgende met malkanderen naar Tanette dan wel waar dien koning zig quam te be„ vinden te begeeven, hem uijt naam van zijne Koning en van de E Comp: aan te zeggen direct aftetrekken en van 'sComp:s territoir te begeven, en als dan Arou Pan„ „tjana van 's Gelijk te ordonneeren alle vijandelijk hee„ G den te staaken waar op gem: gecommitteerdens dan Einde„ „lijk repliceeren, dat zulx goed was en dat men naar Tammaroepa gecombineerd zoude vertrekken, 't welk zo digt bij de Legers is, als bij Tanette off Mandalle dit dan in zodaniger voegen afgesproken zijnde gaff ik order om directelijk naar voorm: plaats te vertrekken waar na voorm: gecommitteerdens van mij hunne afscheid namen, en wij omtrend 10 uuren s'avonds vertrokken ' nagts wegens Contrarie wind ten anker laggen en 's anderen mor„ „gens dp. 'T anker ligten en omtrend 10 uuren voor de Revier van Tammaroepa arriveerden, waar na voorm: gecommit„ „teerdens wederom aan boord quamen, met dewelke a spak om zo wel 's konings zendeling als dien van de E Comp:s Car„ „re Mand Jarekie inmediaat naar den koning van Tanette 58 Panette en Aroe Pantjana aftezenden, ten Einde eide dezelve onze komst bekend te maken, en aan te zeggen „restelijk alle vijandelijkheeden te staaken, terwijl wij ver„ logten te mogen weten op wat plaats den Eersten ous nog eeden wilde afwagten, met welke boodschap de tweezen„ lingen dan ook vertrokken en omtrend twee uuren weder„ in' reverteerden en boodschappen dat de koning van Tanette rij groeteden, zeggen Liet dat geen de minste vijandelykheeden zoude pleegen, Ia zelfs geen snaphaan meer afschieten zoude „terwijl ten Eersten ons omtrend Mandalle zoude invragten Arou Pantjana liet mij van 's gelijk groeten, en wee„ en, dat zig aan de orders van de E Comp: onder wierp, en dat op 't moment zoude aftrekken wanneer hem zulx door mij G'ordonneert wierd en wat aanging om met mal„ kander te spreeken, dat den zelven zulx volkomen aan mij overliet, het zij dat ik hem ordonneerde aan Boord te konnen, dan wel aan strand off dat wij wilden in zijne ter verdeediging en bevijliging van 'sComp:s Land op geworpene Bentinks dan ook op Sagerie koomen met dit boodschap Bonijs zendeling beneevens de onze naar Bo„ „nijs gecommitteerdens gezonden hebbende, liet ik dezelve verzoeken bij mij te komen, ten Einde nogmaals te be„ raadslagen wat aan den koning van Tanette zoude aan„ „zeggen, op dat daar door alle verschillen die daar uijt zoude kunnen aan de wal resulteeren uijt de weg geruijmt mog„ ten werden, waar op dezelve ook bij mij aan Boord quamen, wanneer ik hun Liet voor houden dat om alles wat tot bijlegging van deezen oorlog nadeelig zoude kun„ nen zijn, uijt de weg te ruijmen met malkanderen dien„ den raad te pleegen wat aan den koning moeste aan„ zeggen, zo wel uijt naam van de E Comp: als van hunnen Koning, terwijl ik voor mijn aandeel dagt niet beter te zijn, als Crain Tenette aan te seggen directelijk de ge„ samentlijke door hem opgeworpene Bentinks aftebree„ ken zijn volk dat hier en daar gepossteert is te rug te roepen, en vervolgens met dezelve direct 'sComp:s grond gebied te ruijmen, en zig naar zijn land te begeeven; voorts alle hostiliteiten zo off als defensief sorgvuldig te mijden in Zondag den 12 October A„o 1783 hoe minder wij in staat waeren dezelve te bevredigen veronderstellende: dat Tanette eens de overhand bekom „de, de zaak niet zoude willen bijleggen, en Aroux an „jana (:wie gattacqueert is: geworden:) zig bij Een voordee „ge Coup almeede met zoude laten bevredigen met de bl„ „te satisfactie van 't terug trekken der beide Legers, wes „ven het niet beter was als directelijk daar over te berd slagen, en Geen minut vergeefs in dezen te besteeden, de dezelve nadeelige voor de Een en andere parthij was, zelfs voor Bonij en de E: Comp: dewelke zig als bend delaars in dezen wilden stellen; Waarom ik hun Ed den liet voorstellen: om zo wel de ordres vande koning Bonij van hunnen kant, als mede die van mijne g bieders van de mijne promptelijk en zelfs letterlijk te volbrengenen dien volgende met malkanderen na Tanette dan wel waar dien koning zig quam te be vinden te begeeven, hem uijt naam van zijne Koning van de E Comp: aan te zeggen direct aftetrekken en van 'sComp:s territoir te begeven, en als dan Arou Pan„ „tjana van 's gelijk te ordonneeren alle vijandelijkh G den te staaken waar op gem: gecommitteerdens dan Emn „lijk repliceeren, dat zulx goed was en dat men naar Tammaroepa gecombineerd zoude vertrekken; 't welk zo digt bij de Legers is, als bij Tanette off Mandalle dit dan in zodaniger voegen afgesproken zijnde gaffi„ order om directelijk naar voorm: plaats te vertrekken waar na voorm: gecommitteerdens van mij hunne afsch namen, en wij omtrand 10 uuren s'avonds vertrokken Ina wegens Contrarie wind ten anker laggen en 's anderen mo „gens dp. T ankeer ligten en omtrend 10 uuren voor de Revier van Tammaroepa arriveerden, waar na voorm: gecomm „teerdens wederom aan boord quamen, met dewelke afsp om zo wel 's konings zendeling als dien van de EComp: Ca „re Mand Jarekie inmediaat naar den koning van Tanette

NL-HaNA_1.04.02_3653_0871 view scan ↗

English

to dispatch to Tanette and Aroe Pantjana, in order to make our arrival known to both of them and to order them directly to cease all hostilities, while we requested to know at what place the former wished to await us today. With such a message the two envoys then departed and returned around two hours later, bringing word that the King of Tanette sent me his greetings and had it said that he would not commit the least hostilities, indeed would not even fire a musket anymore, while he would first await us near Mandalle. Arou Pantjana likewise sent me his greetings and let it be known that he submitted to the orders of the Honourable Company, and that he would withdraw at that very moment when he was ordered to do so by me; and as for speaking with each other, that he left this entirely to me, whether I ordered him to come on board, or ashore, or if we wished to come into the fortifications he had erected for the defense and securing of the Company's land, or to Jagerie. Having sent Boni's envoy along with ours to Boni's commissioners with this message, I had them requested to come to me in order to deliberate once more on what should be notified to the King of Tanette, so that all disputes that might arise therefrom on shore could be cleared out of the way; whereupon they also came on board with me, at which time I submitted to them that, in order to clear out of the way everything that might be disadvantageous to the settling of this war, they should deliberate with one another on what had to be notified to the King, both in the name of the Honourable Company and of their King. For my part, I thought nothing would be better than to notify Crain Tanette to directly demolish all the fortifications erected by him, to recall his people stationed here and there, and subsequently to vacate the Company's territory directly with them and repair to his own country; furthermore, carefully to avoid all hostilities, both offensive and defensive. And to act in the same manner with Arou Pantjana, with which the aforementioned commissioners concurred, it being in accordance with the order and desire of their King; after which we departed together for Mandalle and, along with the Lieutenant of the Malays, Intje Salemang, the head of Saboetong, Intje Achmat, Crain Glisson, and the Lieutenant of the Peranakan Chinese, Intje Sengari, proceeded to the army of the King of Tanette, who came toward us from his headquarters with a body of more than 1000 armed men, and received us under a large tree, his generals or commanders consisting of the following: Crain Lembang Parrang, Aroe Aanka, Datoe Lampoela, and Daing Malimpo, who arrived here from Macassar this morning at 10 o'clock with 10 vessels, and who, shortly before our arrival ashore, marched with about 300 men in two banners to the army of the aforementioned Crain Tanette. Having subsequently taken our seats, I had the chief interpreter Diederik Deefhout convey greetings to the King of Tanette in the name of the Right Honourable Lord Governor and Council at Macassar, for which he expressed his thanks. After this, I made known to the King that I had come here in the name and on behalf of the Lord Governor and Council, representing the General Dutch Chartered East India Company, to order the King of Tanette, alongside His Majesty the King of Boni's commissioners, to immediately vacate the Company's territory and to cease all hostilities, both offensive and defensive; to which the King gave me in answer: That when he had wanted to inspect his lands, he had been attacked and hostily assaulted by Aroe Pantjana, so that he had been obliged to defend himself, while he testified to having nothing against the Honourable Company. To which I answered him that, if the intention of him, the King, had been to inspect his lands, that

Dutch transcription

58 Sanette en Aroe Pantjana aftezenden, ten Einde beide dezelve onze komst bekend te maken, en aan te zeggen directelijk alle vijandelijkheeden te staaken, terwijl wij ver„ zogten te mogen weten op wat plaats den Eersten ons nog heeden wilde afwagten, met zelke boodschap de tweezen„ delingen dan ook vertrokken en omtrend twee uuren weder„ om reverteerden en boodschappen dat de koning van Tanette mij groeteden, zeggen Liet dat geen de minste vijandelykheeden zoude pleegen, Ia zelfs geen snaphaan meer afschieten zoude terwijl ten Eersten ons omtrend Mandalle zoude invragten Arou Pantjana liet mij van 's gelijk groeten, en wee„ ten, dat zig aan de orders van de EComp: onder wierp, en dat op 't moment zoude aftrekken wanneer hem zulx door mij g'ordonneert wierd en wat aanging om met mal„ kander te spreeken, dat den zelven zulx volkomen aan mij overliet, het zij dat ik hem ordonneerde aan Boord te konnen, dan wel aanstrand off dat wij wilden in zijne ter verdeediging en bevijliging van 'sComp:s Land op geworpene Bentinks dan ook op Jagerie koomen met dit boodschap Bonijs zendeling beneevens de onze naar Bo„ „nijs gecommitteerdens gezonden hebbende, liet ik dezelve verzoeken bij mij te komen, ten Einde nogmaals te be„ raadslagen wat aan den koning van Tanette zoude aan„ zeggen, op dat daar door alle verschillen die daar uijt zoude kunnen aan de wal resulteeren uijt de weg geruijmt mog„ „ten werden, waar op dezelve ook bij mij aan Boord quamen, wanneer ik hun Liet voor houden dat om alles wat tot bijlegging van deezen oorlog nadeelig zoude kun„ nen zijn, uijt de weg te ruijmen met malkanderen dien„ den raad te pleegen wat aan den koning moeste aan„ zeggen, zo wel uijt naam van de E Comp: als van hunnen Koning, terwijl ik voor mijn aandeel dagt niet beter te zijn, als Crain Tanette aan te seggen directelijk de ge„ samentlijke door hem opgeworpene Bentinks aftebree„ ken zijn volk dat hier en daar gepossteert is te rug te roepen, en vervolgens met dezelve direct 'sComp:s grond gebied te ruijmen, en zig naar zijn land te begeeven; voorts alle hosticiteiten zo off als defensief sorgvuldig te mijden in En in diervoegen ook met Arou Pantjana te handelen waarmede voormelde gecommitteerdens zig Confirmeerden, als zijnde over Een komstig met de ordre en begeerte van hunnen koning waar na wij te samen naar Mandalle vertrokken En ons nevens den Luitenant Maleijer Intje Salemang het hoofd van Saboetong Intje Achmat, Crain Glisson, en den Luitenant der Parnackang Chineesen Intje Sengarinaar 't Leger van den koning van Tanette vervoegden dewelke van zijn hoofd quartier met Een Corps van ruim 1000 gewa„ „pende Mannen naar ons toequam, en onder Een groote Boom ons ontfing bestaande zijne Generaals off veldover„ ten in de volgende als Crain Lembang Parrang Aroe Aanka Datoe Lampoela en Den deesen morgen om 10 uuren alhier met 10 vaartuigen van Maccasser g'arriveerden Daing Malimpo, dewelke kort voor onze komste aan de wal met omtrend 300 Aan in Twee vaandels naar 't Leger van voormelde Crain Tanette marcheerde, vervolgens zit plaats genomen hebbende, niet ik den koning van Tanette uijt naam van den WelEdelen Agtbaaren Heer Gouverneur en Raad te Maccasser door den oppertolk Diederik Deefhout de groe„ tenisse doen, waar voor den zelven zig bedankte. Hier na gaf ik den koning te kennen dat ik hier uijt naam en van wegens den Heer Gouverneur en Raad, als re„ presenteerende de Generaale Nederlandsche g'octroijeerden oost indische Compagnie gekomen was, om neevens S ko„ nings van Bonijs gecommitteerdens den koning van Panette aan te zeggen s Comp:s territoir ten Eersten te ruijmen en alle hostiliteijten zo„ als defen sief te staaken waar op den Koningh mij tot andwoord gaff Dat toen hij zijne Landerijn hadde willem besien door Aroe Pantjana g'attacqueerd en vijandelijk aangetast was geworden, dat hij zig derhalven had moeten verweere„ terwijl hij betuigde, niets tegen de EComp: te hebben. Waar op ik hem tot andwoorde gaff, dat, als de Intentie van hem Koning geweest was zijne Landerijen te besien dat

NL-HaNA_1.04.02_3653_0873 view scan ↗

English

that he, after all, with such a great multitude of people equipped with banners and all signs of war, had not needed to arrive and therewith invade the Company's territory and inflict damage on the Honorable Company and its subjects, which was clear and evident from the plundering of the Negorijen Galla. Whereupon he answered that he had given no cause for this war; because he had come to the Company's land with the intention to inspect his land, and had been stopped by the people of Aroe Pantjana, who had shown hostilities toward him, whereby he was forced to place himself in self-defense, while it was indeed evident from the burning by Aroe Pantjana of four of his Negorijen, denying further the plundering of the Negorij Galla, at the same time testifying to be in no way ill-intentioned toward the Honorable Company, further complaining that the Company's subjects were helping Aroe Pantjana, which was evident from the Lolo of Sagerie, who had erected a Benting from which he even let his banners fly, while declaring not to retreat before and until he had obtained restitution of everything he had to claim from his brother, whereupon replied. Concerning the doings of the Lolo of Sagerie, that such was without knowledge of the Honorable Company, and that the same has never given orders to the Company's subjects either to help Aroe Pantjana or to commit any hostilities against Aroe Tanette, and that he could address himself to the Honorable, Right Honorable Lord Governor and the King of Bonij in such cases if he had anything to claim from Aroe Pantjana, which His Honorable Right Honorable has indeed never refused to give him fair satisfaction, but that he was not justified for those reasons to pass with an entire army through the Company's Negorij Mandalle and subsequently erect Bentings on our territory without prior knowledge of the aforementioned Honorable Lord Governor. That we, alongside him, might go to the King of Tanette, we then also agreed about that with one another, after which we went to the armies and separated from one another near the outposts, the Bonij commissioners to the headquarters of Tanette and we to that of Aroe Pantjana, whom I came to summon in the name of the Honorable Company to withdraw directly with his people from the Bentings and to betake himself to his residence, which was granted to him by the Honorable Company to reside, which was also accepted by the same, and accordingly he immediately gave orders that all his people must demolish the Bentings; and everyone withdraw directly to his Negorij, after which we, after a short discourse, departed again and were eyewitnesses to the demolishing of the Bentings of Aroe Pantjana as well as the withdrawal of Crain Tanette with his entire army, Daeng Malimpo having departed with all his people and vessels to Pantjana, as well as the previously cited Aroe Nanka, Craing Lembang Parrang, and Datoe Lampoela; having arrived back at Mandalle at about one o'clock, the Bonij commissioners requested to depart for Tanette in order to deliver a letter from their King to the wife of the King of Tanette named Datoe Tjitta, which I could as little prevent as allow, considering that they were not under my command, wherefore I left such to their choice and also for their accountability, after which they promised me to be back in two days at the latest. After this, alongside the aforementioned commissioners, each went to his vessel, on which occasion we Tuesday the 14 October 1783 Wednesday the 15 October 1783 we saw Daeng Malimpo depart with all his vessels that arrived here yesterday and set course toward Pantjana, while the Bonij commissioners have likewise departed thither. On board, resolved to send a vessel or two this evening to Macassar with this joyful news, and regarding various matters to request further orders from the Honorable, Right Honorable Lord Governor and Council, in order to complete my commission to the satisfaction of the same, which then also occurred, as the Company's messenger Daeng Soette departed this evening with a letter to the Lord Governor and Council for Macassar. This morning gave orders to Craing Mandalle to demolish to the ground all Bentings that were not yet razed and to order every Company subject to return to his Negorij, while the planks that served for Bentings and also to shoot wall guns, which were left behind by Tanette's prince, were handed over to the aforementioned Craing in order to rebuild therewith the Lord Governor's house, which has completely decayed and been broken down. In the morning at six o'clock we went to inspect the places where the army had stood and the Bentings had been, and found then that almost all of them had been razed, except for two that Craing Mandalle, owing to a shortage of people, has not yet been able to demolish, promising to raze the same as soon as possible, subsequently riding to Cattena, and from there to Kekian /: one of the Negorijen that Tanette's prince alleges to have been burned by Aroe Pantjana :/ we found that five strong Bentings were there that were still in good condition, however upon a muddy [illegible]

Dutch transcription

60 dat hij immers als dan met Een zo groote menigte van volk voorzien van vaandels en alle tekenen van oorlog niet had behoeven aan te komen en daar meede 's Comp:s territoir te Invadeeren en schaade aan dE Comp: en dezelver onderdaanen te pleegen 't welk aan 't: plunderen van de Negorijen galla klaar en duijdelijk bleek. waar op antwoorde dat hij geen aanleiding tot deezen ovrlog gegeven hadde; want dat hij met die Jntentie op 's Comp:s Land was gekomen om zijn Land te bezien, on„ derkreegen is tegengehouden geworden door 't volk van Aroe Pantjana, die hem vijandelijkheeden hadden betoond,„ waar door hij gedwongen was zig in tegenweer te stellen, terwijl het immers bleek aan 't verbranden door Aroe Pantjana van vier zijner Negorijn ontkennende voorts: het planderen van de Negorij galla, teffens betuijgende geensints tegen de E Comp: qualijk g'intentioneerd te wesen zig wijders be„ „klagende dat 's Comp:s onderdaanen Aroe Pantjana hielpen 't welk bleek aan den Lolo van Sagerie die Een Bentink had opgeworpen van dewelke hij zelfs zijn vaandels liet waijen terwijl verklaarde niet te zullen aftreken voor en al eer hij alles gerestitueerd kreeg wat van zijnen Broeder te preten„ deeren had, waar op repliceerde. Wat aanging de gedoentens van den Colo van Sagerie dat zulx buijten weeten van de E: Comp: was en dat dezelve aan 's Comp:s onderdaanen nimmer order gegeven heeft nogte Aroe Pantjana te helpen nogte Eenige hostiliteijten tegens Aroe Tanette te pleegen, en dat bij den wel Edelen Agtba„ „ren Heer Gouverneur en den Koning van Bonij zig in zoda„ „nige gevallen als iets van Aroe Pantjana te pretendeeren had vervoegen konde dewelke zijn wel Edele Agtbaare immers hem crain nooit geweigert heeft naar billijkheid Satisfacactie te geven, maar dat hij om die reedenen niet gewettigt was, met Een geheele Armee door sComp=s Negorij Mandalle te passee„ ren en vervolgens op ons grond gebied Bentiites op te wierpen zonder voorkennisse van wel melden Agtbaaren Heer Pou„ verneur dat wij nevens hem bij den Koning van Ganette mog„ ten gaan zijn wij dan ook daar omtrendt met malkande„ „ren overeengekomen, waar na wij ons naar de Legers be„ „gaven en omtrendt de voorposten van malkanderen scheij„ „den, de Bonijse= gecommitteerdens naar 't hoofd quartier van Tanette en wij naar dat van Aroe Pantjana dewelke jk uijt naam der E Comp: kwam aanzeggen om directelijk met zijn volk uijt de Bentings te trekken en zig naar zijn woonplaats dewelke hem door dE Comp: vergunt was ter woon te begeeren 't welk door dui zelver ook aangenomen wierd, en dien volgende aanstonts order gaff dat alle zijn volk de Bentings moest afbree„ ken; en direftelijk Een ieder naar zijn Negorij aftrek„ ken, waar na wij, na Een korte discours wederom vertrok„ ƒ ken en oog getuijgen waren van 't sloopen der Bentinks van Aroe Pantjana als ook van 't aftrekken van Crain Panette met zijn geheele Armee, zijnde Daeng ma„ limpo met al zijn volk en vaartuijgen na Pantja„ na zo wel als de vooren geciteerde Aroe Nanka Craing Lembang Parrang in Datoe Lampoela ver„ trockken, omtrend Een ider uur wederom op Msandalle gekomen zijnde verzogten de Bonijse gecommitteerdens naar Tanette te vertrekken ten Einde Een Brieff van hunnen Koning aan de vrouw van den Koning van Ta„ nette Datoe Tjitta genaamt te overhandigen, 't welk ik hun zo wering konde beletten als toestaan, als aan„ merkende dat dezelve niet onder mij stonden, wes hal„ ven ik zulks in hunne keuse en ook voor hun ver„ „antwoording Liet, waar na dezelven mij beloofde in twee dagen uijterlijk wederom te zullen wezen. Hier na vervoegde wij ons beneevens voornoemde gecom„ mitteerdens een ider na zijn vaartwig bij welken occasie wy „ 64 Dingsdag den 14' October 1783 15. october: 1783. Woensdag den wij Daeng Malinipo met al zijne op gisteren alhier g'arriveerde vaarthuijgen zagen vertrekken en de Cours nemen naar Pantjana, terwijl de Bonijse gecommitteerdens al„ meede naar derwaarts zijn vertrokken. Aan Boord resolveerde een vaartuijg off Twee dezen avond naar Maccasser met deeze verheugelijke tijding te zinden, en omtrend Een en andere zaken van den wel Edele Agtbaren Heer Gouverneur en Raad nader ordres te verzoeken, ten Eijnde mijne Commissie ten genoegen van Hoog Dezelve te volbrengen, 'T welk dan ook geschiedende, als zijnde der sComp:s zendeling, als zijnde den sComp:s zeudeling Daeng soette dezen avond met Een Brieff aan den Heer Gouverneur en Raad naar Maccasser vertrokken. Deezen morgen gaff aan Craii Mandalle order om alle nog met geslegte Bentings tot de grond toe afte breken en Een ieder sComp:s onderdaan te ordonneeren zig weder naar zijn Negorij te begeeven. terwijl de planken die gedient hebben tot Bentings en ook omstel roeren afte schieten dewelke door Tanettes vorst agterlaaten daar zijn, aan voorm: Craii zijn overgegeven ten Einde mee„ de 'S Heer gouverneurs huijs 't' welk ten Eenemaal ver„ vallen en afgebrooken is weder op te regten. Des morgens om ses uuren zijn de plaatsen alwaar het leger gestaan heeft: en de Bentings geweest zijn gaan bezien en bevonden als toen dat meest alle dezelve geslegt waren tot op twee na die Crani Mandalle wegens swakheijd aan volk nog niet heeft kunnen afbreeken, beloovende ten spoedigsten dezelve te slegten vervolgens naar Cattena, en van daar naar kekian rijdende /: Een der Negorij die Fa„ nettes vorst voor geeft door Aroe Pantjana verbrand te zijn :/ bevonden w' dat aldaar vijf sterkte Bentings die nog in goede staat waaren, egter op Een modder„ agtige . . . .: :: 1 . : „ . . 2 „. - .. . . : .: . . . ..: . . . . . . ... :: . : . . : : . . . . : ... . . . . . . . : . : . . -. . . ..: . . . :.: . . . . . .. . : : „

NL-HaNA_1.04.02_3653_0876 view scan ↗

English

Thursday the 16th of October 1783. soil, which for those reasons were also abandoned by the Tanetterese, and according to rumors have been set on fire by the people of Datoe Sidenring. In the afternoon at two o'clock the Bonij commissioners returned from Tanette, and around 5 o'clock Glarrang Bontualacq came on board, requesting that we should not yet depart from here, as he still had something to tell me on behalf of his King, which was to take place tomorrow, to which I then consented. This morning I received a letter from the Honorable Worshipful Lord Governor and Council at Maccasser, after the reading of which I immediately had the Crain and the Kalie of Mandalle come to me in order to ascertain how the hostilities began, as well as what damage was suffered on the side of Tanette as well as on that of Aroe Pantjana, and also whether the subjects of the Honorable Company and the Company's lands have not suffered any damage from this, upon which I obtained the following answer. That they, knowing nothing and also having heard of no hostilities between Crain Tanette and Aroe Pantjana, suddenly saw the King of Tanette arrive with 2000 men divided under nine banners, already being on the Company's territory; that he immediately stationed himself at the mountains, erected bentings there, and advanced further the next day, subsequently made a bridge over the rivulet of Samaroepa, next to it threw up a piece of entrenchment, marching on across the other side; they do not know what occurred further, thinking that such will be known to the lesser chiefs; that they further well know that the Company's villages Samaroepa and Patkang were plundered by the Tanetterese of their houses, whose roofs, bamboos, and woodwork they used for the bentings; that upon this the Company's subjects saved themselves by flight, some to Sagerie, others to Mandalle, and the Tanetterese and Boniers to Tanette, and thus had to abandon everything; that the Tanetterese destroyed the village Tjilallang by tearing down their houses and plundering the paddy; that after four days the people of Aroe Nataka, under the command of the Anrong Goeroe Daing Mabeela with a banner, surrounded their houses and forced them to choose the side of Crain Tanette, and that the aforesaid Daing Mabeela refused to leave the house of the first until he declared himself; that seeing the danger before his eyes that the village would be set on fire and the Company's land ruined, he consulted with the chiefs and for that reason they were forced to choose the side of Tanette, and thereupon also immediately marched with all the people to Crain Tanette, who ordered Crain Mandalle to erect a benting and station himself therein. That after entrenching themselves here for two days, the King of Tanette advanced with his army in order to engage in battle with Aroe Pantjana; that Aroe Pantjana, however, kept quiet in his bentings. That this was repeated up to three times by Crain Tanette, but that Aroe Pantjana always kept quiet. That as long as he had been in the army, the people of Crain Tanette only engaged in battle twice, in which first instance Tanette had one man shot dead and three wounded; the second time Aroe Pantjana defeated them out of a benting, in which two men were injured. That upon this the Company's commissioner arrived with those of the King of Bonij, whereupon all hostilities ended, and the King of Tanette as well as Aroe Pantjana retreated with their armies. Upon express inquiry as to who lost the most in this war, they testified not to know such. Whereupon it was asked once more by whom the villages Zekian, Lamassa, Limpanjang, and Palimba were burned, they answered that it was well known to them that the Tanetterese had already long since abandoned these villages and had also taken all their property with them, but that they did not know who had set fire to the empty houses; that Crain Tanette, about a month before the latest hostilities began, marched to Kekian with a small army, and then made five bentings there; that after these were completed he entrenched himself therein for another three days, and then retreated with his entire army, leaving no one behind in the village. Around 11 o'clock the Bonij commissioners let me know through an emissary that they wished to speak with me, and that for that purpose I would please come ashore to them, to which I had them answered with friendly greetings that I awaited them on board our vessel, while I reminded them that at their request I had stayed a day longer at Mandalle in order to learn what they had to tell me on behalf of their King, and that I was after all not lodged ashore but on board; upon which they, after having requested once more that I should come ashore to them, which was once again refused by me, finally came on board, proposing to me that they as well as I had accomplished our charge, and that the consequence thereof had been that both warring parties had retreated and the King of Tanette had left the Company's territory, whether one should now proceed to the claims of the said King on Aroe

Dutch transcription

Donderdag den 16 october 1783. „agtige grond aangelegt zijn, dewelke door den Tanet„ tereesen om die reedenen dan ook verlaten, En volgens ge„ „rugten door 't volk van Datoe Sidenring in de Brand gestooken zijn. 'S middags om twee uuren retourneerden de Bonij„ se gecommitteerdens van Tanette, en omtrend 5 uu„ ren quam Glarrang Bontualacq aan Boord, verzoe„ kende dat wij nog niet mogte hier van daari gaan, als nog iets uijt naam van zijnen Koning mij te zeggen hebbende, en 't welk morgen stond te geschieden, waar in Ik dan ook consenteerde. Deesen morgen ontfing Een Brieff van den wel Edelen Agt„ baaren Heer Gouverneur en Raad te Maccasser na welkers lecture ten Eersten den Crain en den Kalie van Mand alle„ bij mij Liet komen ten Einde te verneemen hoedanig de vijande„ „lijk heeden begonnen, mitsgaders wat schaade aan de kant van Tahette zo wel als aan die van Aroe Pantjana ge„ leeden is, als meede of de onderdaanen vande E Comp: en 's Comp:s Landen hier door geen schade hebben geleden waar op 't onder staande bescheid bekomen heb. Dat dezelve van niets wetende en ook van geene hos tiliteijten tusschen Crain Tanette en Aroe Pantjana vernoomen hebbende, met Eens den Koning van Ta„ nette met 2000: man verdeeld onder Negen vaandels hebben zien aankomen, zijnde bereeds op 'sComp:s ternitoir dat den zelven zig ten Eersten aande gebergtens geposteerd heeft aldaar Bentings opgeregt en 'sanderen daags ver„ der is opgetrokken vervolgens Een brug over het spruijt„ „je van Samaroepa gemaakt naast het zelve Een sturke verschansing op geworpen heeft aan de overkants op marcheerende weten dezelve niet wat verder voorgeval„ len is, denkende dat zulx de mindere hoofden bekend zal zijn, Dat zij verders wel weeten dat 'sComp:s Nego„ „rijen Samaroepa en Patkang: E: door de Tanettereesen zijn zijn beroofd geworden van den huijsen, welkers datken bamboe„ sen en houtwerken dezelve tot de Bentings gebruijkt hebben dat hier op 's Comp:s onderdanen zig met de vlugt gesalveerd hebben de Een naar Sagerie, de andere naar Mandalle, ende Pattettereesen en Boniers naar Tanette en dus alles heb„ ben moeten verlaten, Dat de Panettereesen de Negorij Tjila lang verwoest hebben door 't afbreeken van hunne Huijsen en plunderen van de Padij, dat na vier dagen het volk van Aroe Nataka onder aanvoering van den Anrong Goeroe Daing Mabeela met Een vaandel hunne huijsen omcin„ „geld hebben, en gedwrongen de parthij van Crain Panette ƒ ƒ te kiesen, en dat voorm: Dain Mabeela 't Huis van den Eersten niet heeft willen verlaaten voor en al Eer den zelven zig declareerde, dat hij daar op 't gevaar voor oogen ziende dat de Negorij in de Brand zoude gestooken mitsgaders 's Comp=s Land geruineert worden, met de hoofden geraadpleegt en om die reeden genoodzaakt zijn geweest der parthij van Tanette te kiesen, en daar op ook ten Eersten met al het volk naar Crain Tanette gemarcheerde is, die Crain Mandalle g'ordonneerd heeft Een Bentings op te „regten en zig daar in te posteeren. Dat na twee dagen zig hier in verschanst te hebben de Koning van Tanette met zijn Armee is opgetrokken ten Einde met Aroe„ Pantjana slaags te raaken, dat Aroe Pantjana Zigeg ter stil heeft gehouden in desselfs Bentings. Dat zulx tot drie maalen door Crain Tanette herhaalt is, Egter dat althoos Aroe Pantjana zig stil gehouden heeft Dat zo Lang hij in 't Leeger heeft geweest 't volk van Crain Tenette maar Twee maalen slaags is geweest, bij welke Eerste e Panette Een man is dood geschoten en drie gequest, de tweede keer heeft Aroe Pantjana dezelve uijt Een Benting verslagen waar bij twee man gegriefft zijn. Dat hier op 'sComp=s gecommitteerde met die van de ko„ „ning van Bonij gekomen zijn wanneer alle hostiliteijten g'Eijn; „digt, en den Koning van Tanette zo wel als Aroe Pantja„ „na met hun legers terug getrokken zijn, „ F 66 ƒ. Op Expresse afvrage wrie dat het meeste bij deesen oor„ log verlooren heeft betuijgde dezelve zulx niet te weeten. Waar op nog Eens afgevragd wierd door wien de Nego„ „rijen Zekian, Lamassa Limpanjang en Palimba ver„ brand zijn, antwoorde dezelve dat hem wel bekend was dat de Fanettereesen deze Negorij=en; bereeds voor lang verlaten mitsgaders al hun goed meede genomen hadden maar dat zij niet wisten wie de Leege huijsen in de brand gestooken hadde, dat Crain Tanette omtrend Een maand voor dat de Laaste hostiliteijten begonnen zijn, naar ke„ ƒ. kian met Een kleijn leger getrokken is, en toen aldaar vijff Bentings gemaakt heeft, dat naar dat dezelve volt„ tooijt waren nog drie dagen zig daar in heeft verschenscht en als toen met zijn geheele leger is terug getrokken, nie„ mand in de Negorij agterlatende. Omtrent 11: uuren Lieten de Bonijse gecommitteerdens mij door Een zendeling weeten, dat dezelve mij Gaarne spreken wilden, en dat ik ten dien Einde bij hun geliefden aan de wal te komen, waar op ik hun onder vriendelijke groote liet antwoorden, dat ik hun verwagte aan boord van ons vaarthuigien Terwijl ik hun liet indagting maken op hun verzoek mij nog een dag langer op Mandalle op gehouden te hebben ten Einde te verneemen wat mij uijt naam van hun Koning te zeggen hadden, en dat ik immers niet aan de wal naar wel aan Boord gelogeerd was, waar op dezelve na nogmaals verzogt te hebben dat ik bij hun zoude aan dewal komen, 't welk door mij nogmaals gewei„ „gert zijnde, Eindelijk aan Boord quamen, mij voorstelden dat zij zo wel als ik onzen last volbragt hadden, en dat het gevolg van dien geweest was, dat beide in oorlog zijnde parthijen te rug waren getrokken en den koning van Sanet„ te 'sComp: gaond gebied verlaaten hadden, off men nu zoude overgaan om de pretensien van gem: Koning op Aroe .

NL-HaNA_1.04.02_3653_0879 view scan ↗

English

to settle with Aroe Pantjana and consequently to order the last-mentioned, in accordance with the agreement of the Honorable Governor with their King, to cause the claimed goods to be restored to Aroe Tanette; to which was replied to them that these statements surely did not correspond with those which they had made to us both on Sagerie and here, as well as even to the King of Tanette in our presence, having twice declared to us only to have orders to cause Crain Tanette to withdraw, while the claims of the said King were to be decided by the Honorable Governor and the King of Bonij, which I had then also proceeded upon, and had written a letter to the said Honorable Governor as well as the Council in order to learn their Honors' further orders. Whereupon they replied that such was the truth, but that they had meant it entirely differently, since they were of the opinion that I represented the Governor and Council and they represented the King of Bonij, and therefore the claims ought to be demanded by me from Aroe Pantjana and placed in their hands, to be handed over by them to Crain Panette. To which was replied to them that I considered myself far too humble to carry out that which the Honorable Governor and the King of Bonij intended to decide, while at the same time I had the contents of the letter just received from the Makassar council translated for them, and in accordance with that order asked whether they also wished to go to Sagerie in order to attend the necessary inquiries which I was about to make as to what damage both parties had suffered through the commission of hostilities, and particularly also whether the damage suffered on the Company's territory was caused by the King of Tanette. Whereupon they answered that they could not venture to depart for Makassar without orders from their King and that they would therefore wait for an envoy or a letter; and if this happened, that they would then come to Sagerie to speak further with me, against which I could not object, I left this to their discretion, after which they took their leave. At about one o'clock we weighed our anchors and departed for Sagerie, where we then also arrived at five o'clock, having the following chiefs summoned directly for tomorrow, namely: Crain Mandalle, Matoa Galla, Pannang Tammaroepa, Kalie Mandalla, and Dain Aanje. Subsequently, greetings having been extended to us by Aroe Pantjana, the same had us welcomed and asked when it would suit us to speak with him, whether he should come to us or whether we wished to come to him, to which the answer was given that we would come to him tomorrow at 8 o'clock. This morning at around 8 o'clock we proceeded to Aroe Pantjana, where we were very kindly received, he being accompanied by Aroe Atampoe and Crain Iapannah. After I made my arrival of yesterday known to Aroe Pantjanna, I had him asked, under translation by the chief interpreter and the lieutenant of the Malays, Intje Salemang, what I should say or answer to the Honorable Governor if I should perchance be asked what he had brought forward against the accusation of Crain Tanette, Aroe Pantjana gave me the following answer: That he had been informed by his brother Datoea Lampoela by a letter to be on his guard, since the King of Tanette intended to wage war against him, Aroe Pantjana, two days after its dispatch; that he, however, caring little about that threat, had kept quiet in accordance with the received order of the Honorable Governor Barend Reijke. That thereupon Crain Tanette came marching onto the Company's land with an entire army divided under various banners and provided with many weapons, which he did not learn of until the subjects of the Honorable Company residing at Galla fled out of fear and came to him, informing him, Aroe Pantjana, that the Tanetterese had plundered their goods and also wanted to take away their houses for the use of their bentings; that upon this report his son Dain Manissa, wishing to protect the village, was attacked by the Tanetterese, whom he defeated and chased over to their already constructed bentings. That Dain Manissa, informing his brother Dain Patombong of this incident, the last-mentioned reported such to him, Aroe Pantjana, and subsequently came to his brother's aid, without however having had the least firearms. That Dain Patombong was immediately engaged with a great force by Crain Tanette, and although he was provided with nothing other than krisses and assegais, he nevertheless defended himself bravely, during which skirmish Dain Patombong was heavily wounded in the head among several wounds, being as yet not recovered. While he, Aroe Pantjana, entirely denied having burned the four villages of Crain Tanette, and even less having given orders for this to anyone of his people, and that if Crain Tanette would place no faith in this declaration, he, Aroe Pantjana, surrendered himself to the higher judgment of God, who after all sooner or later will set everything right. He furthermore testified that when the four villages were burned, he was peacefully and quietly at Sagerie. While during these disagreements, one man who was killed

Dutch transcription

68 Aroe Pantjana te vereffenen en dien volgende laast gem: ingevolge de afspraak van den wel Edelen Agtbaren Heer Gou„ verneur met hunnen Koning te gelasten, de gepretendeerde goe„ „deren aan Aioe Tanette te doen restitueeren, waar op hun in antwoord diende, dat deeze gezegdens immers niet over Een quamen met die dewelke dezelve ons zo wel op Sagerie als hier; mitsgaders zelfs aan den Koning van Tanette ten onzen bij weezen gedaan, als hebbende ons tot twee maalen verklaart alleenlijk maar last te hebben Crain Tanette te doen af„ „trekken terwijl de pretensien van Gem: Koning door den Wel Edelen Agtbaaren Heer Gouverneur enden Koning van Bonij ssouden gedeciteert te worden, waar, op ik dan ook te werk was gedaan, en Een Brieff aan welmelde zijn Agt„ baare benevens den Raad had geschreeven ten Einde hun wel Ede„ „le Agtbaare 'sordre nader te verneemen. Waar op dezelve repliceerden dat zulx de waarheijd was, dat egter door hun geheel anders was gemeend, terwijl in de gedagten waren dat ik den Heer gouverneur en Raad en zijlieden de Koning van Bonij representeerden, en dier„ halven de pretensien door mij van Aroe Pantjana afgeEijscht en In hunne handen gesteld moesten worden, om door dezel„ ve aan Crain Panette overtegeven. Waar op „ hun in antwoord diende dat ik mij veel te gering agte, om het geen den wel Edelen Agtbaren Heer Gou„ verneur en den koning van Bonij voorgenomen hadden te decideeren uit te voeren terwijl ik hun teffens dan inhoud van den zo Even ontfangene Brieff van het Maccassaars minis„ terium liet vertaalen en ingevolge die ordre vroeg of de zel„ ve meede naar Sagenie wilden Gaan, ten Einde bij te woonen de nodige informaties die ik stond te neemen wat scheadebeij„ de parthijen door het pleegen van vijandelijkheeden geleeden hebben, en bijsonder ook of de geledene schaade op 's Comp:s grond gebied door de Koning van Tanetse veroorzaakt is. Waar op zijn Antwoorden, dat zij niet konden wagen zon„ der order van hunnen Koning naar Maccasser te vertrekken en : . 1 Vrijdag den 17:' october A„o 1783: En dat zij dus naar Een zendeling dan wel: Een Brieff zou„ den wagten; en dit geschiedende dat zij als dan naar Sagerie zouden komen, om met mij nader te spreeken, waar tegen mij niet verzetten konde, heb ik dit aan hun goed vinden overgelaaten, waar na de zelve hunnen afschied namen, om„ „trent Een Uur Ligten weons ankers en vertrokken naar Sagerie : alwaar wij dan ook om vijff uuren arriveerden, latende di„ rect de ondervolgende hoofden tegens morgen appoincteeren, als. Crain Mandalle Matoa Galla Pannang: Tammaroepa Kalie Mandalla, en Dain Aanje vervolgens ons door Aroe Pantjana de groetenisse gedaan zijnde, liet den zelven ons verwel komen en vragen, wanneer het ons gelegen quam hem te willen spreeken het zij dat hij bij ons quam off dat wij bij hem wilde komen, waar op tot ant„ woord liet dienen, dat we morgen om 8 uuren bij hem ko„ men zouden. Deezen morgen omtrend 8 uuren vorvoegden we ons bij Aroe Pantjana alwaar wij zeer vriendelijk ontfangen wierden, zijnde den zelven verzeld van: Aroe Atampoe en Crain Iapannah, na Aroe Pantjanna mijne komste op Gisteren bekend gemaakt hebbende liet ik denzelven onder vertaaling van den oppertolk en den Luijtenant der Maleijers Intje Salemang vrager wat ik aan den wel Edelen Agtba„ ren Heer Gouverneur zoude Leggen ofte antwoorden, bij aldien mij somtijds mogte gevragt worden, wat den zelven tegen de 2 beschuldiging van Craen Tanette hadde ingebragt, gaff Aroe ƒ Pantjana mij het ondervolgende antwoord. Dat hij door zijn Broeder Datoea Lampoela bij Een Brieff was verwittigd op zijn hoede te weezen vermits den Koning van Tanette voor neemens was hem Arge Pant Jana twee dagen naar dies afzending te b'oorlogen, dat hij Egter - 1 70. Egter om die bedrijging weinig gevende zig ingevolge de erlang„ de ordre van den welEd: Agtbaaren Heer Gouverneur Ba„ hend: Reijke stil had gehouden. Dat daar op Crain Tanette met Een geheele Armee ver„ „deeld onder verscheide vaandels en voorzien met veele wape„ nes op 's Comp=s Land is komen aantrekken 't welk hij niet Eerder vernoomen heeft, als wanneer de onderdaanen van de EComp: op galla woonagtig uijt vrees gevlugt en naar hem toe zijn gekomen, hem Aroe Pantjana kennis geven„ de dat de Tanettereesen hun goed geplundert en ook hunne huijs en wilde weg neemen tot gebruijk van hunne Ben„ „tings dat op dit Berigt zijn zoon Dain Manissa die Ne gorij willende beschermen door den Tanettereesen g'attacqu„ eerd is geworden, dewelke dezelve verslagen en tot hunne bereets gemaakte Bentings over Jagt heeft. Dat Dain Manissa van dit voorval zijn Broeder Dain Patombong Kennis gevende, Laast gem: zulx rapporteer„ de aan hem Aroe Pantjana, vervolgens zijner Buoeder te „hulp is gekomen zonder egter de minste schiet gevoeren gehad te hebben. Dat Dain Patombong ten Eersten door Crain Ta„ nette met Een Groote magt aangelast is geworden en hoe wel den zelven met niet anders als krissen en assegaijen voor zien was, heeft hij zig Egter dapper verweerd, bij welke schermutseling Dami Patombong. onder verscheide worden swaar aan 't Hoofd gequest is, zijnde als nog niet hersteld. Terwijl hij Aroe Pantjana wel generaalijk ontkende de vier Negorijn van Crain Tanette verbrand te hebben nog minder hier toe, aan wie het ook van zijn volk mogt zijn Last gegeven te hebben, en dat bij aldien Crain Tanette geen gelooff aan deeze verklaaring wilde staan hij Aroe Pantjana zig aan het hooger oordeel van God overgaf die tog vroeg off laat alles te regt zal stellen. Voorts betuijgde dat toen de vier Negorijen verbrand zijn geworden, gerust en stil op Sagerie geweest is Terwijl geduurende deeze oneenigheeden Een man die Gesneuveld

NL-HaNA_1.04.02_3653_0882 view scan ↗

English

fell, had lost, and that his son Dain Patombong was severely wounded. After which I took my leave and returned around 11 hours, since the chiefs were not yet assembled together, we could not yet make a beginning with gathering information regarding the suffered damage of both parties, as well as that of the Company's subjects by Tanettes and Crain Sappanah came to pay us a visit around half past 5 hours. Aroe Pantjana sent word asking permission to come to me towards the evening, while towards 7 hours he also came on board the prahu, and remained until 1 hour at night, when he took his leave, the principal discourses having been from Aroe Srampoe, among others, who said that the King of Bonij was the cause of his having gone to Tankilang, indeed, had even said to him, will you not help your brother, which remarks he had also recently thrown back at the King on the occasion when that ruler asked him whether he was not going to help Aroe Pantjana in the latest disputes with Datoe Saduiring, to which he had answered; that if Aroe Pantjana were in need he would surely, as being related to him, help him. Being asked by Aroe Pantjana how he should conduct himself if Chani Tanette should come again onto the Company's territory with his army, whether he was permitted to march out with his army as well and protect the Company's lands, to which I answered him, that it was to be wished that such might not happen, while advising him to follow the orders recently given to him by the Right Honorable Lord Governor and accordingly to remain quiet, and if the slightest beginnings of hostilities by the Tanette people should come to his ears, to report such as quickly as possible to the aforementioned Honorable Lord Governor, without making the least motion of resistance. Afterwards the same asked me whether the Company would indeed want to protect those who were under its protection against all their enemies, to which I answered, 72. Saturday the 18 October Anno 1783. answered that the Honorable Company would never withdraw its protection from such persons as behaved quietly and according to its orders. He also asked me whether the Honorable Company would take Aroe Atampoe and Crain Japanah under its protection, if the King of Bonij should withdraw it from them, to which I replied that I could not answer this since that concerned the Right Honorable Lord Governor; after which Aroe Pantjana made known to me that if the Honorable Company would grant protection to oppressed princes, then a great multitude would place themselves under it, which could always be of service to the Honorable Company, and who would sacrifice their lives for it to the last drop of blood; that if this should not happen, however, they would be compelled to place themselves under the protection of other rulers. I also learned from Aroe Pantjana that his son Aroe Bila from the Mandhaar would have assisted him with a large force, had he not written to him that everything had been restored again. This morning I had all the chiefs who could give any testimony of what happened in this matter come to me, who gave such clarification as follows. The Matoa Galla named Latjeppo declared that when the King of Tanette came onto the Company's territory to make war against Aroe Pantjana, he marched directly to gallailaut, or the small Galla, and robbed the entire village of the houses, which were used by that ruler for the bentings, while he further declared not to know what was taken from or plundered from the subjects in that event, but however that Crain Tanette was the first to attack. The Crain and the Kali of Mandalle declared that they referred to what they related to me on the 16th of this month regarding this matter, which having been put to them once more, they confirmed it. While Examined While the son of the Lolo of Sagerie named Dain Atanje, about whom Crani Tanette complains, as having helped Aroe Pantjana during the hostilities, and even having flown a banner from his benting, along with and besides the Iennang Tammaroepa is ill, and thus so as not to delay any longer, I thought it proper to undertake my journey to Maccasser this evening; having departed around 8 hours in the evening and. Sunday the 19 October Anno 1783. arrived at Saboetong in the morning with the sea breeze, we set sail in the afternoon at half past 11 hours, towards three hours we met with a heavy storm that compelled us to stand in toward shore and anchor, at 7 hours in the evening we weighed our anchor and set sail with the land wind, while due to contrary winds only on. Monday the 20 October 1783 in the morning at half past 4 hours arrived in the roads of Maccasser, was signed G:s van Diemar, below stood, Agreed, was signed H: B: hodenpijl, sworn clerk. Agreed DD. Van kaak Ciype H. V Aor a. Copy of Secret Letters and Enclosures from Palembang dated 6 June and 15 September E 1783. J L Hunslorp Examined

Dutch transcription

Gesieuveld is verlooren heeft, en zijn zoon Dain Patom„ bong swaar gequest was. Waar na ik mijn afschied verzogt en omtrend 11: nu„ ren reverteerde, vermits de hoofden nog niet gezamentlijk bij malkanderen waaren, konden wij nog geen begin maken met het nemen van Informaties nopens de geladene schaade van beide parthijen, mitsgaders die van 's Comp=s onderdaa„ nen door Tanettes en Crain Sappanah ons Een visite qua„ men afleggen omtrend ½6: uuren Liet Aroe Pantjana bij mij belot vraegen om tegens den avond bij mij te komen, ter„ praaumw „wijl teegens 7 uuren ook aan Boord van de schepquam, en gebleeven is tot 'snagts om 1: uur wanneer zijn afschied verzogt zijnde de principaalste discourssen geweest van Aroe Sram„ „poe onder anderen, dewelke zeijde dat de Koning van Bonij oorzaak is geweest dat hij bij Tankilang was gegaan, Ia„ hem zelfs gezegt„ wilt gij uwen Broeder niet helpen, welke gezegdens hij onlangs ook den Koning hadde voorgeworpen bij occassie dat hem door dien vorst gevraagt wierd, op hij Aroe Pantjana in de Laaste stribbelingen met Datoe Saduiring niet ging helpen, waar op hij g'antwoord had; dat als Aroe Pantjana in nood was hij hem seekerlijk /:als aan den zelven vermaagtschap zijnde :/ helpen zoude, Door Aroe Pantjana gevraagd zijnde hoedanig zig gedragen moest bij aldien Chani Tanette op 'sComp:s territoir wederom met zijn leger quam, off den zelven vergunt was met zijn leger ook op te trekken en 's Comp=s Landen te beschermen, waar op ik hem antwoorde, dat het te wenschen was, dat zulx niet mogte gebeuren terwijl hem ried de ordres van den wel Edelen Agt„ baaren Heer Gouverneur hem onlangs gegeven op te volgen en zig dien volgende stil te houden, en als hem de minste be„ „ginselen van vijandelijkheeden der Panettedeesen ter ooren Kwam, zulx ten spoedigsten aan den welm: Agtbaaren Heer Gouverneur te bedeelen, zonder de minste beweeging van tegenweer te maaken. Naderhand vroeg den zelven mij op de Comp:e die geene dewelke onder haare protevie waren wel zoude willen tegens alle hunne vijanden beschermen, waar op ant„ voorde ƒ 72. Saturdag den 18 october A„o 1783. woorde, dat de E: Comp: althoos zoodanige perzoonen dewelke zig stil en naar derzelver ordres gedroegen de protexie niet zoude onttrekken. Nog vroeg mij off de E Comp: wel Aroe Atampoe en Crain Japanah in protexie wilde nemen, bij aldien de koning van Bonij dezelve aan hun quam te onttuekken waar op repliceerde dat ik hier op niet konde antwoorden terwijl zulx den wel„ Edelen Agtbaaren Heer Gouverneur inporteerde; waar na Aroe Pantjana mij te kennen gaff, dat als de EComp:e protexie wilde verleenen aan verdrukte Princen als dan Een groote menigte zig onder dezelve zouden begeeven waar van de EComp: althoos dienst konde hebben, en die hun Leven tot de Laaste druppel bloeds voor dezelve zouden op offeren, dat bij aldien dit egter niet geschiedende, dezelve genoodsaakt waaren zig onder de bescherming van andere vorsten te begeeven. ook vernam ik van Aroe Pantjana dat zijn zoon Aroe Bila van de Mandhaar met Een groote magt hem zoude g'adsisteert hebben, bij aldien hem niet geschreven had, dat alles weder gestelt was. Deezen morgen Liet alle de Hoofden die Eenige getuijgenisse konde geeven van 't voorgevallen in deeze zaak bij mij konnen dewelke zodanige op heldering gegeven hebben, als volgt. Den Matoa Galla gen=t Latjeppo verklaard, dat toen de Koning van Tanette op 's Comp:s grond gebied gekomen is, om teegens Aroe Pantjana te oorlogen den zelven directelijke naar gallailaut off de kleijne Galla genaamt gemarcheert is, en de geheele Negorij van de huijsen beroofd heeft, dewelke door dien vorst tot de Bentings gebruijkt zijn geworden, terwijl verders betuijgd niet te weeten wat de onderdaanen bij dat voorval ontnomen ofte geplundeert is gevoorden, maar Egter wel dat Crain Tanette den Eersten aanvallen is geweest. Den Crain en Den Kali van Mandalle verklaaren zig te refereeren aan 't geen dezelve op den 16:de dezer aan mij omtrend deeze zaak verhaald hebben, dewelke hun nog„ maals voorgehouden is hebben dezelven zig daar meede gecon„ „firmeert. Terwijl Nagezien Terwijl de zoon van den Lolo van Sagerie Dain Atanje genaamt, waar over Crani Tanette zig komt te beswaaren; als hebbende geduurende de vijandelijkheeden Aroe Pantjana geholpen, en zelfs Een vaandel van zijn Benting laten waijen met En beneevens den Iennang Tammaroepa ziek is, en dus om wij niet Langer op te houden, vond ik goed om deezen avond mijne rheize naar Maccasser te ondernee„ 9 men; zijnde omtrend 8: uuren 's avonds vertrokken en. october A„o 1783. 'S morgens op Saboetong g'arriveerd met de zee wind gingen wesmiddags om ½ 12 uuren onder zeijl, teegens drie uuren kreegen we Een swaare storm die ons nood„ zaakte 't na d' wal te zetten, en te nkeren 's avonds om 7: uuren Ligten ons anker en gingen met Land wind onder zeijl terwijl door tegen willd Eerst. Maandag den 20 october 1713: 'S morgens om ½ 5 uuren opd'rheede van Maccasser arriveerde /:was getekend:/ G:s van Diemar /onderstond:/ Accordeert /was getekend :/ H: B: hodenpijl gesw: Clercq Zondag den 19 Accordeert DD. Van kaak Ciype H. V Aor a. Copie Secerete Brieven en Bijlagen van Palembang ged. 6. Iunij en 15: September E 1783. J L Hunslorp Nagedien

NL-HaNA_1.04.02_3653_0889 view scan ↗

English

Secret. By the Bark Den Arend. Humble gratitude of the Residents for Their High Noblenesses' kind pleasure expressed. The Lampong route as well as the Malacca correspondence is kept alive. To His Honour, the Right Honourable and Right Worshipful Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General, together with the Honourable Council of the Netherlands Indies. Right Honourable and Right Worshipful Sir, and Honourable Gentlemen. Most respectfully replying to Your High Noblenesses' very venerated secret letter of the 16th of August and 10th of September last, addressed to both of the humble undersigned, we consider it our particular duty to express our humble gratitude with a sensible heart to Your High Noblenesses for the gracious pleasure you took in our past conduct, both upon the appearance of the English privateer Macleary as well as his retreat at the sight of our squadron under the command of Rear-Admiral Schrijver. We shall not fail to keep the route over Lampong Toulang Bouwang alive, which is now virtually open and likely will no longer experience any obstacles at the court, and to keep the correspondence with the Malacca Ministry alive in necessary cases to be communicated, regarding which it presently seems to us that the tide has turned entirely in our favour since His Highness's eyes have been opened by Your High Noblenesses' serious letters, recently received with the envoys. The tenor of Their High Noblenesses' orders observed. Behaviour of the King upon the displeasure of Their High Noblenesses. Answer of the Prince to three straightforward questions of Their High Noblenesses. On this occasion, we went to work in all respects according to the tenor of Your High Noblenesses' most wise orders and diverted His Highness, as much as our slight abilities permitted, from his errors and mistaken notions, of which we look forward to receiving the desired evidence before long. His Highness, having been thrown into no small embarrassment by Your High Noblenesses' rightful displeasure, seems from that moment on to have changed for the better, having most solemnly assured us on the three points straightforwardly asked by Your High Noblenesses: 1. That he did not have the slightest intention whatsoever to abandon his ally, the Honourable Company, to whom his ancestors and he and his descendants were infinitely obliged, nor to adhere to the English or any other nation in the world. 2. That he would rather share his life with the Honourable Company than surrender himself or the lodge to our enemy, the English, as far as he will be able to resist them with his modest power supported by that Honourable Company; on which Your High Noblenesses may be pleased to rely, as well as that His Highness will constantly keep a watchful eye so that he is not misled by the mistaken notions of his courtiers. 3. That in the course of time, during future encounters, His Highness's conduct in this regard would be the best proof of his goodwill towards the Company, while he at the same time reserved the right to offer Your High Noblenesses written alliance and sincerity. Compliment of gratitude from the Residents. Request of the King to Their High Noblenesses. Explanation of the Residents concerning the secret correspondence at this Court. More attentiveness will henceforth be used with ordinary and secret matters. The King has not explained himself regarding the declaration of Ipser. Answer of the King regarding the searches for the missing Malacca letters. Expressing our sensible gratitude to the gentleman concerning His Highness, with the assurance that not only His Highness but also his successor to the throne could safely rely on all help, assistance, and gratitude from the Honourable Company, the Prince at the same time requested us that Your High Noblenesses, setting aside everything that has passed, would now please view the forthcoming and occurring proofs of his goodwill and alliance with an eye of brotherly affection. Our having submitted our most respectful report concerning the correspondence of this Court with Macleary and his companions—which emboldened us, being a warning communicated to us by a credible and disinterested party, wherein we have been little disappointed by the outcome of affairs—we, and especially the first respectful undersigned, most obediently beg pardon for not having offered Your High Noblenesses sufficient evidence alongside that warning given to us, for which the first respectful undersigned will have the honour to elucidate himself further in all respect in his separate humble letter. We assure Your High Noblenesses in all respect that we will henceforth use more attentiveness in distinguishing between secret and ordinary reports, as well as in our report made to the Malacca Ministry, for which we beg forgiveness. Regarding the declaration of the tenant Jacob Ipsen and the King's conduct with Macleary in the past, the Prince not having yet finally explained himself, we find ourselves compelled to await a further opportunity for this. Meanwhile, having made all possible searches with His Highness regarding the missing papers thrown into the sea during the murder of a native sailor escorting them, we could obtain nothing else from the King except that the letters were thrown into the sea and had not fallen into enemy hands, and that the perpetrator of the murder, according to his own confession, having received his deserved punishment, was on his word as a King the true offender of the crime, His Highness flattering himself that Your High Noblenesses will be satisfied with that resolution.

Dutch transcription

/4 secreet Per de Bark Den Arend Needrige dankbaarheid der Residente over haar Hoog Edelheedens geneegene geuijtgenoegen Delampongse weg zo wel als de Malacsche Correspondentie word leevend gehouden Mr Willem arnold Alting Gouverneur Generaal beneevens E Heeren De WelEdele Raden van Neederlandsch Jndia Hoog Edel Groot Agtbaar Heer en WelEdele 3 Heeren UW Hoog Edelheedens zeer gevencereerde secrete Missie van den 16 Augti en 10e September Joleeden aan bij de needriges teekenaar gerigt, eerbidst b'antwoordende, agten wij het van on„ „ze bij zondere pligt, onze ootmoedige dankbaarheid met Cen„ subelen harte Uw Hoog Edelheedens onderdanigste betuij„ „gen voor hoogst dezelve gratieuse genoomen genoegen, in onse gepasseerde behandelinge, zo wel bij de verscheijning van den 't Engelschen kaper Maclearij als ook retraite op het gezigt en van ons Esquader onder bevel van den schout bijnagt schrij ver wij zullen ingeen gebreeken blijven de route over lam„ og pong toulang bouwang die thans zo goed als gebaend is Aan zijn Edelheijd Den Hoog Edelen groot Agtbaaren Heer en Denteneur Haarer Hoog„ Edelheedens beveele g'obser Gedragdes konings by het ongenoegen haarer hoog„ „Edelheedens Antwoord des vorsten op drie Cordaete vraege van w Haar Hoog Edelheedens en denkelijks geene hinderpaele meer bij het hof zal onder¬ „gaan leevend te houden, en de Correspondentie met het ma„ „laksche Ministirium bij noodzaaklijk te verwittigende voor¬ „valle waar van ons teegenswoordig toeschijnt, de boortje ge¬ heel ten faveure verhangen te zijn, zeedert dat zijn hooghid de oogen g'opent zijn door Uw Hoog Edelheedens serieuse letteren, met de Gezante Jongst ontvangen, Wij hebben bij deeze geleegentheid in allen opzigt volgens den „teneur uwer Hoog Edelheedens hoogwijse beveele te werk te„ gaan en zijn hoogheid zoo, veel onse geringe vermogens maar toelaaten van deszelfs dwaelinge en verkeerde be¬ grippe gediverteert: waar van wij eerlangs den gewenschte blijken te gemoet zien zijn Hoogheid in geen geringo verleegentheijd gebragt zijn „de over UW Hoog Edelheedens regtmaetig ongenoegen; schijnt van dat momet af ten goede verandert te zijn: hebbende den zelve op de door uw Hoog Edelheedens Cordaat gevraagde drie poincte en op het dierbaarste verzeekert, 1/ Dat hij hoegenaamt de minste Jntentie niet had, zijnen bondgenoot de E Comp: aan dewelke zijne voorzaan „te hij zijne naekomelinge oneijndig verpligt waeren, afte „vallen en nog de Engelsche nog eenige Natie in de waereld aantehangen, 2 Dat hij liever zijn leeven met de E Comp: wildeelen, als zig of de logie overtegeeven aan onzen vijand de Engelsche zo verre hij dezelve met zijne geringe magt ondersteunt door die E Maatschappij het hoofd zal kunnen bieden: waarop uw Hoog Edelheedens geliefde te berusten, zoo wel als dat zijn Hoogheid steeds een raekent oog zal koestern, door verkeerde begrippe zijner horelinge niet mistijd te werden. 3 Dat in vervolg van tijd bij voorvallende rencontres, zijn Hoogheids gedrag dienaangaande de beste bewijse zijner welmeenetheid met DE maatschappij zouden zijn terwijl hij zig teffens voorbehield uw Hoog Edelheedens schrifte„ „noodschap en opregtheid te offereeren Heer over zijn hoogheid onse sensieble dankbaarheid betuygende veert 26 Compliment van dank„ „baarheid der Residenten verzoek des koning aan Haar Hoog Edelheedens Explicatie der residenten geheime Correspondentie aan dit Htof zullen meerder oplettente „heid bij gemeene en secreete voortaan gebruijken over de verklaaring van van Jpser den koning zig niet g'expliceert Antwoord des konings over de rechergies der vermiste Malacsche brieven betuijgende, met verzeekeringe dat op alle hulp en bijstanden Erkentelijkheid der E Maatschappij, niet alleen zijn hoogheid maar ook dessels Troonvolgen vijlig berusten konden Verzogt ons de vorst teffens dat Uw Hoog Edelheedens thans met postpositie van al het gepasseerde, de aanstaande en ook voorkoomende bewijse zijner welmeenentheid en bondgenood¬ schap met een oog van broederlijke geneegentheid geliefde te beschouwen Ons gegeeven eerbiedigst rapport nopens de Correspondentie van dit stof met Maclarij en zijne makkers, ons bevrijmoedigt heb„ bende, als een van geloofbaare en ongintresseerde ons meede ges¬ „dulte waarschouwing waarin wij bij uijtkomst van zaeken nog wijnig ter leurgestelt zijn uw Hoog Edelheedens pligt„ lijk te offereeren; zoo verzoeken wij en voor al den eersten eer¬ bigen teekenaar gehoorzaamts om verschoning geene vol¬ doende bewijse bij die ons gedaan zijnde waarschouwinge Uw Hoog Edelheedens te hebben g'offereert waar voor den eersten eerbiedigen teekenaarde eer zal hebben bij zijn apart needrig Schrijven Zig nader in alle eerbied te elucideeren Verzeeker onder uw Hoog Edelheedens in alle eerbied, met de distinctie de secreete en gemeene berigte voortaan meer der oplettentheid te Zullen gebruijken, als ons gedaan rapport aan het Malaksche Ministerium waar over wij eene afsmeekende over de verklaering van den Huur¬ man Jacob Ipsen, en gehoudenisse des konings met Macle¬ arij in den voorleedene den vorst zig nog niet finaal gede¬ caveert hebbende: zo vinden wij ons genoodzaakt, zulke tot nadere geleegentheid te blijven afwagten: hebbende intus „schen alle mooglijke rechergies bij zijn Hoogheid gedaan, nopens de vermiste en in zeegeworpene papieren, bij het vermoorden van een Inlands Mattroos tot geleijde derzelve maar: niets anders uijt den koning kunnen kreijgen als dat de brieve in zeegeworpen en niet in vijandsche handegevallen waeren, en dat de dader van den moord: volgens ijgen bekentnis, de ont¬ vangene straffe verdient hebbende, op zijn woord van koning de wae¬ re overtreeder van het misdrijf geweest is flasteerende zijn Hoog „heijd zig dat uw Hoog Edelheedens in die satisfactie genoegen zullen daar over

NL-HaNA_1.04.02_3653_0892 view scan ↗

English

Assurance of the king. Alleged advantage of cruising in the Bangka Strait. Obstacles of the overland Padang route. Humble gratitude of the first resident for Their High Nobilities' merciful consideration regarding the complaints of the king against him. Assurance of the residents that there is no departure from the old constant customs and that the privileges of the Honorable Company will not be encroached upon. The king engaged on the subject of the small embassy. Regret of the residents that no cash has been realized in negotiating. Humble request for the necessary funds for the household, as well as for gun carriages for the artillery here. Center of the embrasures. Received orders from Their High Nobilities of May of the past year. War squadron, mentioned in letter of the past year. Secret. To His Excellency, the High Noble, Highly Esteemed Lord Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General, together with the Noble Lords, Councilors of the Dutch Indies. High Noble, Highly Esteemed Lord and Noble Lords. will be pleased to take, as also to remain in a firm confidence that if there had only been any possibility of clearing the Padang road, prevented by the great distance, the inaccessibility of the wilderness, and the ignorance of his subjects toward that region, he would also very gladly have effected this. The complaints of the king about the first humble signatory were made rather with the intention to disturb the weighty occupations of Your High Nobilities during the investigation of his committed unfaithful dealings with our enemy, than out of any rightful dissatisfaction against the same, being accompanied by such far-fetched accusations without proof, as those in the past year; thus the same expressed to Your High Nobilities his deepest gratitude for Your High Nobilities' fatherly and righteous judgment, so graciously pronounced thereon; whilst the humble signatories dare most respectfully assure Your High Nobilities that they adhere entirely to the old and constant customs, without losing sight of ensuring that the rights of the Honorable Company here are not encroached upon in the slightest degree. Having engaged the king on a suitable occasion regarding the wholly unbrilliant embassy, the monarch declared that he had reserved this until the return of the fleet from Malacca, which he would answer ceremonially in the near future. Your High Nobilities' intended plan for a cruising operation in the Bangka Strait will not only strengthen the king in his good intentions and instill greater awe for the Honorable Company, but will at the same time be of the greatest importance for the trade from Malacca to Java, from which these local natives have been diverted enough in the past year by the daring enterprises of the English, and will instill awe for the power of the Honorable Company; also, whatever Your High Nobilities might desire from this court will be facilitated to the utmost by that arrival and the orders received therewith. However gladly the signatories would have wished to make use of Your High Nobilities' favorably granted permission regarding the negotiation of the cash that we are to lack, toward which we have already made some attempts, we must, to our regret, declare that we can have no recourse thereto, since due to the very poor and, moreover, under these generally unfavorable times, further diminished profits, none of the subordinates of the Honorable Company finds himself in a position to scrape together one thousand Spanish reals in cash; those who still possess some means have it tied up in slaves and furniture. We therefore most obediently request that, according to the highly wise judgment of Your High Nobilities, we may be accommodated at the earliest opportunity with some necessary cash for the household of this station; as also for the following gun carriages, namely: 5 pieces for iron 8-pounder cannon, 14 pieces for 6-pounder cannon, in accordance with Your High Nobilities' wiser judgment concerning the defense in horizontal firing, which would certainly be weakened by the raising of the points. The center of the embrasures being only 2½ feet high from the gun platform, they will certainly have to be altered, since at their present height, the carriages of such heavy artillery cannot easily be lowered. While, under serious assurance of our unceasing zeal for the best interests of the Honorable Company here, we have the honor to be with the deepest respect, High Noble, Highly Esteemed Lord and Noble Lords, Your High Nobilities' humble and faithful servants. Was signed: G. Hemmy and Ph. J. van der Steng. In the margin: Palembang, the 5th of November, anno 1783. Per the sloop De Vrijheijd, commanded by Christiaan Betz. After dispatching our last humble secret reports of the 5th of November of the past year, we have successively had the honor to receive Your High Nobilities' highly respected secret orders of the 18th of October of the past year and the 16th of May of this year; we take the honor to offer Your High Nobilities our humble reply thereto most obediently. Having, in our joint humble letter of the 18th of December of the past year, only reported to Your High Nobilities the arrival of the war squadron under the command of the captains Foger Abo and Hermanus Siedenburg, the humble signatories venture to submit herewith, in obedience, the further dutiful reply to that gracious notification and high orders.

Dutch transcription

verzeekering des konings vermeend voordeel eener bekruijsiging in straat Banca zullen gelieven te neemen, zo meede in een vast vertrouwen te verseeren dA wanneerer maar immers eenige aparentie geweest was den pa¬ ƒ „dangsen weg te baenen, verhindert door de verre afgeleegentheijd onge„ „naakbaarheid de wildernisse en onkunde zijner onderdaanen na van de hinderpaele der pa„ derwaarts: hij ook zeer gaarne zulks g'effectueert zouden hebben dangse rou te overland De klagten des koning over den eersten needrigen Teekenaer wel meer met inzigt geschied om de gewigtige bezigheeden uwer Hoog„ ootmoedige dankbaar„ heid des eersten resident voor Haar hoog Edelheedens goe„ Edelheedens bij het onderzoek zijner gepleegde ontrouwe belande„ „dertierende beoging noo„ linge met onse vijand, te stooren: der uijt eenig regtmaetig onge„ noegen teegens denzelven over zo verre gezogten zonder bewij¬ „pens de klagten des ko„ ze verzelt zijnde, als die in den voorleeden Jaere, zo betuijgtden¬ „ning over denzelve „zelven uw Hoog Edelheedens zijne diepste dankbaarheijd voor hoogst derzelve vaederlijk en regtwaardig oordeel, daar over zo gra¬ „lieus geveld: terwijl bij de needrige teekenaars uw Hoog Edelhee„ verzeekering der residente dens eerbiedigts verseekeren durven, Zig ten eenemaal te hou¬ geene afwijking bij de oude „den aan de oude en Constante gebruijken, zonder uijt het oog te Constante gebruijke en de verliesen, dat de regte E Maatschappij alhier voor het gering„ voorregt der E Maat„ ste gedeelte onderkroopen werden. schappij te moeken over het gantsch niet briliante gezantschap den koning bij een Den koning over het g'paste geleegentheid onderhouden hebbende, zo betuijgden den kleijne gesantschap vorst, dat zig zulks had voorgehouden tot de retour onder vloot onderhouden van Malacca waarvan eerstdaags Ceremonieel b'antwoorden zoude uw Hoog Edelheedens geneegen voorneemen eenen bekruijs „ziging in straat Banca, zal den koning niet alleen in zijn goed voorneemen sterken en meerder ontzag voor D'E Maatschappij in boezemen, maar teffens van het grootste belang zijn voor den handel van Malacca tot Iavatae, waar van en deezen Oertigen Inlander een groote zij genoeg door de Htoute onderneeminge der Engelsche va¬ den voorleedenen Jaare gediverteert zijn, van de magt der E: Maatschappij in boezemen: ook alles wat uw Hoog Edelheedens van dit hof ook zoude willen begeeren, zal door die komsten daarmeede ontvangene beveele ten uijtersten gefaciliteert kunnen werden Hoegaarne de Teekenaars zig ook hebben willen bedienen, van 78. Leedweesen der Residenten te zijn Needrig versoek om de noo„ huijshouding zoo meede om affuijten voor het geschut alhier Centrum der schietgaete van Uw Hoog Edelheedens gunstig verleende permissiem opens in 't Negotieeren van het negotieeren de van de onste ontbreeken zullende komen Contan„ nae verschinge gedaan Contante niet gereceseer„t ten waartoe wij reets eenige hebben, moeten wij tot ons leedweesen deponceren, daar toe geene toevlugt te kunnen neemen terwijl door de zeer schaele, en daaren boven bij deeze algemeen nadelige tijds gesteldheid nog g'dimunu¬ „eerde winste geen der onderhoorige van D E Comp: zig in staat vind, Een duijsend spaanse realen bij elkander Contant te schraa „pen: die nog alwat bezetten hebben zulks in slaven en meubele Wij verzoeken over dies gehoordaamst, met nog eenige Contante ma dige penningen voor de het hoogwijs oordeel uwer Hoog Edelheedens voor de huijshou ding deeze Comptoirs met de eerste geleegentheid gerieft te mog¬ gen werden: zo meede om de volgende Affuijte als 5 ps voor ijsere Agtponders Canon 14 „ „ _o zes _o ingevolge Uwer Hoog Edelheedens hoogwijsere b'oordeeling nopens de defensie in het schieten waterpas, die door de op¬ „hooging der punte zeekere verzwakt zouden werden Het Contrum der schiet gaete maar 2½ voete hoog van de bedding van het geschut zijnde, zullen zeeker moeten verandert werden: terwijl na hunne tegenswoordige hoog „te, de affuijte van zulk zwaar geschut, niet wel zullen verlaagt kunnen werden Terwijl wij onder serieuse verzeeking van onsen onophoudlij „ke ijver tot de meeste belangens der E Maatschappij alhier ons vereeren met het diepst ontzag te zijn. /onderstond:/ Hoog Edel Groot Agtbaar Heer en welEdele Heeren /:Lager:/ uw Hoog Edelheedens onderdanige en getrouwe Dienaeren /was geteekent G:t Hemmy en Ph:s Joh:s: van der Steng / in margine:/ Ct Palembang den 5:en November Ao 1783 „ Per de Chialoup d' vrijheijd gevoert bij Christiaan Betz ontfangene beveele van Haar Hoog Edelheedens de Maij P: A: oorloge Esquader, bij brief A=o po vermeld M:r Willem arnold Atting Gouverneur Generaal Deneevens De WelEdel Heeren Raden van Neederlandsch India Hoog Edel Groot Agtbaar Heer en Wel Edele Heeren. Na depeche onser laatste submisse secreete Rapporte van den 5:e: Nov A:o p:o hebben wij successive d'Eer gehad te ontfangen dat is 18 October to p en16 UW Hoog Edelheedens Hoog gerespecteerde secreete beveele van den 18e: october des voorleeden en 16 Meij deeses Jaars wij geeven ons d' Eer Uw Hoog Edelheedens onze submisse b'ant„ „woording daar op gehoorzaamst te offereeren. Het arrivement van het ij onze gemeene needrige brief van den 18e December A:o passaito van den 18 December alleen het arrivement van het oorlogs Esquader onder Comman„ „do van de Capitaine Foger Abo, en Hermanus Siedenburg, uw Hoog Edelheedens onderdanigst gerapporteert hebbende onder„ „winden zig de nedrige teekenaars de verdere pligtlijke rescrip¬ „tie dier gratieuse verwittiging en Hooge beveele hier bij gehoor„ den secreet Aan zijn Edelheijd den Hoog Edelen Groot Agtbaaren Heer zaamst „form Ha ber s

← previousnext →