Inventory 3676
Japan · 816 pages · 179 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
Samarang, the 4th of September Anno 1784. Northeast and southeast half-bastions are cracked and settled, such that they even had to be shored up to withstand the firing of the cannon; several of the internal buildings are not only cracked in their walls, but also suffer from other defects, besides the fact that the warehouse is too small for the storage of rice, several of the beams therein are also cracked and the pillars shifted out of alignment; and besides that, according to the report of the Resident, the roofs of most of the buildings suffered from leaks, a part of the roof of the rice warehouse, and also those of several other buildings, rests on the rampart wall, which obstructs the defense of the curtains not a little, and also greatly hinders communication between the batteries. And because from the aforesaid and other observed defects it becomes apparent in what situation that little fort is found, to whose rampart walls and batteries no repairs would be of durability or utility unless the entire fort were demolished and constructed on a site of higher elevation, necessity nonetheless demands that the required improvements to the interior buildings be permitted to take place for the preservation of the Company's rice and other items. At Rembang, the little fort and its interior buildings are in a reasonably good condition, and the Resident's dwelling, only completed therein during the past year, is built sturdy and strong, except that the roof framing was too light and too weak in proportion to the building and the weight of the roof, through which it had already partially shifted out of alignment; and in order to prevent accidents, I immediately ordered the Resident Boers to strip the house of the roof and provide it with a sufficient roof framing. The Company's shipyards, both at Rembang and Joana, being in good order, they were very diligently engaged in completing the vessels required for Batavia, Ceylon, Bengal, and several other places, most of which were on the stocks. The Master of the Rembang shipyard, Johannes Hornung, being a man who is both capable and diligent in the service, but having for some time, with his advancing years, suffered from a weak physical constitution, and therefore often being unable to keep proper inspection and supervision over the work, I request Your High Nobilities that a sober and capable person from the main settlement may be sent to assist, who is capable in occurring cases to replace the said Hornung, whether in the event of death or if he should request his dismissal, as Master of shipbuilding. At Bancallang on the island of Madura, having been received and entertained by the Panumbahan in the most friendly and dignified manner, I found the prince's dalem or residence with its entire compound in very neat and good order, and I was also informed by the present Commander Petrie and others of the Prince's mild, yet fairly well-regulated rule over the inhabitants there, through which His Highness, setting aside his own personal interests, increasingly drew the love of the inhabitants to himself. The little fort of Bancallang, whose annual repairs are funded by the Panumbahan, I found clean and in a good state, although the buildings standing within it will soon require renewal due to the passage of time. Regarding the European bodyguard of the Panumbahan, consisting only of 1 sergeant, 2 corporals, and 7 private grenadiers, His Highness requested of me that the latter might be supplemented with another two men, or 9 privates, on the grounds that the watches otherwise fell somewhat too heavily upon them; having consented to this request, I urge that Your High Nobilities please approve of the same. Inspecting the fortification works as well as the Company's buildings at Sourabaija, I found the defects and flaws in such condition as they were first reported by the officials in the year 1782 and subsequently by the Engineer Tilon, in a report of the 14th of July 1783, and consequently that a part of the walls of the guardhouse or barracks of the military were greatly cracked from top to bottom, running all the way into the rampart wall of the little fort on the west side. That the fortifications recently constructed at the north side of the city of Sourabaija at the beginning of the war with England were partially settled, and the stone walls filled in between with earth were noticeably cracked in several places, whereof, according to the testimony of the former Commander
Dutch transcription
Samarang den 4=e September A„o 1784, Noord oost en zuijd oost, halve Bastions gescheurd en gerakt zijn, soodaenig dat selvs niet beeren heeft moeten worden ondersteund tot resistentie van het Canon, verscheiden der binnen gebouwen sijn niet alleen aan derselver nuuren gescheurd, maar Laboreeren ook aan andere gebreeken, zijnde behalven dat het Pakhuijs te klein is, tot berginge van de Rijst, ook daarin verscheiden der Balken gespron„ gen en depilaeren iitgeweeken; en behalven dat volgens het berigt van den Resident de daaken van de meesten der gebouwen aan Lec„ „cagie laboreerden, rust voor een gedeelte het dak van het Rijst Pakhuijs, en ook die van meer andere gebouwen, op de wal muute 't welk de defensie der Gordijnen niet weinig belemmert, en ook de Communicatie der Batterijen grootelijkst belet, En om dat uit de voorsz: en meer andere ontwaarde gebreeken komt te blijken in welke situatie sig dat fortje bevind aan wel„ kers walmuuren en Batterijen geene reparatien van bestand of nut souden zijn, zoo met het geheele fortje afgebrooken, en op een plaats van eene meerdera aanhoogte wierd g'extrueerd, soo ver„ Eijscht het evenwel de noodsaekelijkheid om de noodige ver„ „beeteringen aan de binnen gebouwen te laeten geschieden tot Conservatie van Comp=s Rijst en andere artikeelen. — Te Rembang is 't fortje en dies binnen gebouwen in eene reedelijken goede toestant in de ook daar in eerst in het gepasseerde Jaar voltooij de Residents wooning hegt en sterk aangebouwd, excepto dat het spanwerk na rato van 't gebouwe en de swaarte van het Dak te ligt en te swak was, waar door het selve 605 Samarang den 4:e September A„o 1784. pag: 27. selve bereeds voor een gedeelte was uitgeweeken, en heb ik, ter voorkoo„ „ninge van ongelukken, direct den Resident Boers gelast, het Huijs van 't dat te ontblooten en het selve van een sufficienten spanwerk te voorsien. — S Compagnies Timmerwerven zoo te Rembang als Joana in goede order zijnde, was men 'ex ieverig beesig om de voor Batavia, Ceilon, Bengalen. en meer andere plaatsen geEijschte vaartuijgen, welke voor het grootste gedeelte op stapel stonden te voltooijen Den Baas der Rembangsche Timmerwerf Johannes Hornung een man zijnde, die soo wel bekwaam als ieverig in den dienst is, dog seedert een gevunnen tijd bij sijne klimmende Jaaren aan eene swakke Lichaams Constitutie Laboreerende, en daar door vrel tijds niet in staat sijnde, behoorlijk op en toesigt over het werks te houden, verzoeke ik uwe Hoog Edelheeden dat 'er tot adsisten„ „tie een nugter en bekwaam persoon van de Hoofdplaats mag wor„ „den gesonden, die in staat is om bij voorkoomende gevallen gemelde Hornung het zij bij steefgeval, of dat denselve sijne demissie kewam te versoeken, als Baas van den scheepsbouw te kunnen vervangen. Te Bancallang op het Eijland Madura door den Panumbahan op het aller vriendelijkste en deftigst gerecipiceert en onthaals gewor„ „den sijnde, vond ik des princen dalm off wooning met dies geheelen om„ „slag in een seer nette en goede order, en wierd ik teffens door den praesenten Commandant Petrie en andere geinformeert, van des Princen sagte, dog egter tamelijk wel geregulde directie over de Ingeseetenen aldaar, waar door zijn Hoogheid meer en meer met ter zeide stelling van eigen persooneele belangens, de liefde der Inwoon„ „ders Samarang, den 4=e September A„o 1784. „ders na zig trok. Het fortje- Bancallang, welkers Iaarlijkse reparatien den Panumbahan bekostigd, vond ik sindelijk en in eene goede staat, schoon de daar in staande gebouwen door langheid van tijs wel haast vernieuwinge sullen verEijsschen.— De Europeese Lijfwagt van den Panumbahan, maar bestaande in een zergeant 2. Corporaal en 7: gemeene granadiers ver„ zogt zijn Hoogheid mij, dat de laetsten met nog twee man ofte 9. stuks mogte worden gesuppleert, int Hoofde dat voor deselve anders de wagten wat te swaar vielen, in welk verzoek ik dan ook bewilligd hebbende, insteere ik dat uw Hoog Edelheeden zulx gelieven te approbeeren. — Te Sourabaija de fortificatie werken, soo wel, als Comp=s gebouwen besigtigende, bevond ik de defecten en gebreeken in soodaeniger voege, als deselve eerst door de bediendens in den Iaare 1782 en vervolgens door den Ingenieur Tilon, bij berigt van den 14. Iulij 1783. sijn opgegeeven, en over sulx dat Een gedeelte der muuren van de wagt off Baracq der militairen groo„ telijks van booven tot beneeden gescheurd waaren door loopende tot in de walmuur van het fortje aan de west kant. Dat de nu eerst in den beginne der oorlogs met Engeland aan de Noordkant van de stad sourabaija aangemaakte fortifica„ „tien, gedeeltelijk gezakt, en de tusschen beide met aarde opge„ „vulde steene muuren op verscheiden plaetsen merkelijk gescheurd waaren, waar van volgens getuijgenisse van den geweesen gezaghebber
English
397 Samarang the 4th September Ao 1784, page 29: commander vander Niepoort, the cause thereof is not so much to be attributed to the weak condition of the foundations, as rather that the work, having been built on very marshy ground, was pressed too urgently because of the outbreak of the war, as a result of which the ground or earth with which the elevation and filling had to be done could not dry out sufficiently nor be properly tamped down. Since the repair of the one and the other, without partially demolishing the works again, will very likely not serve the intended purpose, it will be most advisable for the present to leave matters to take their course, until one first observes whether the settling and the cracks worsen or not. But since open access to Fort Belvidera is now obstructed by the newly constructed works at Sourabaija, whereas it ought to serve as a retreat and citadel if the town were ever overpowered by the enemy, I therefore request the authorization of Your High Nobilities to be permitted next year to have a part of the aforementioned new works of the town demolished, and to extend the same to the south point of the fort, with a parapet on the river side; which improvements will cause the Company little or no expense, and by contrast place Sourabaija in a much better state of defense. Concerning the defects in the warehouse, dispensary, the main guardhouse, the hospital, and other buildings besides, I most respectfully note that they will need to be cured of the leaks, and all must be provided with new Samarang the 4th September Ao 1784, new floorings; which is why, on the grounds of the necessity that appeared to me, and on the basis of the authorization already granted thereto by Your High Nobilities by honored separate dispatch of the 27th December 1783, I have given the necessary orders to have those repairs carried out in the most economical manner. And since the rice warehouse at that place is far too small for the storage of the annual contingent, whereby that building suffers considerably from time to time due to the stacking of the rice bags up to the collar beams, the excessive weight and pressure of which causes the beams to crack and the walls to give way, I have judged it of the utmost necessity to have that warehouse lengthened, according to the proposal made in the past year by the engineer Tilon, to 60 feet, and 30 feet wide, and trusting that Your High Nobilities will be pleased to approve this, I have granted authorization to make progress with that work the sooner the better. Subsequently, having made some domestic arrangements at Sourabaija with the regents of the eastern corner present there as well as with the Panumbahan of Madura, I shall, so as not to trouble Your High Nobilities' attention with matters of minor importance, note only the following: That the Pangeran and Regent of Sumanap, Notto Coesoemo, to whom, pointing out the substantial losses which the Company had suffered during 398 393 Samarang the 4th September Ao 1784, page 31. the war between England and the Republic, I had submitted for consideration whether some means or other might not be found to somewhat accommodate the Company in the Sumanap regency, which yielded so many advantages to him, Notto Coesoemo, declared, after having considered for some time, that he was inclined to provide annually in cash, over and above the contingents and the recognition of the salt negorij Pingir Papas, the sum of eight thousand Spanish reals, to commence at the end of February 1785, and for which obligation that regent also immediately executed a written deed of bond, of which I have the honor to offer Your High Nobilities the counterpart herewith, in the hope that Your Highest Selves will be pleased to be satisfied therewith. That, on account of the continuous admission of so many vessels from the overseas places, after a suitable reproach regarding his far-reaching indulgence in this matter and his further conduct running contrary to the contract made by him with the Company, I announced to the Pangeran of the island Lubok or Baviaan that henceforth the export of rice to Baviaan will be tolerated from no other place on Java than Sourabaija alone, and that only consisting of paddy, to the quantity of 3000 ammatten or so much less as the inhabitants of that island will need in measured rations, in order thereby to prevent Riouw and other overseas places from being assisted with rice, with an interdiction at the same time that it is forbidden to any of the Chinese or others on Java, outside the inhabitants of
Dutch transcription
397 Samarang den 4:e September Ao 1734, pag: 29: gezaghebber vander Niepoort, de oorsaake daar van niet soo seer toe te schrijven is, aan de swakke gesteldheid der fondamenten, als wel dat dat werk op eene seer moerassige grond gebouwd sijnde, door den ontstaane oorlog te seer is gepresseert geweest, waar door de grond off aarde, waar meede de ophooging en aanvelling heeft moeten geschieden, niet genoegsaam heeft kunnen uitdroogen nog aangestampt worden; De reparatie van het een en ander sonder de werken gedeel„ „telijk weeder aftebreeken, veel ligt aan het oogmerk niet sullende voldoen, sal het raadsaamst zijn, om het daarmeede voor eerst op zijn beloop te Laeten, tot dat men eerst ontwaard, off het zig niet de zaking en scheuren verEagert ofte niet. Doch dewijl thans door de nieuwe aangelegde werken te sourabaija den open toegangk tot het forth Belvidera benomen is, daar egter het selve behoorde te dienen tot eene retraite, en Citadel, wanneer de stad eens door den vijand wierd overmeestert, soo verzoek ik de qualificatie uwer Hoog Edelheeden, om in het aanstaande Jaar, een gedeelte der meermelde nieuwe werken der stad te moogen laaten afbreeken, en om het selve aan de Zuid= punt van het fort aantetrekken, met een Borst=weering, aan de rivier kant; welke verbeeteringen de Compagnie weinig of geene kosten sal veroorsaeken, en daar en teegen sourabaija in een veel beetere staat van defensie stellen. — Belangende de gebreeken aan het Pakhuijs, Dispens, de Hoofdwagt het Hospitaal en andere gebouwen meer, noteer ik eenbiedigst dat dezelve van de Leccagien sullen dienen verholpen, en alle van nieuwe. Samarang den 4=e september A„o 1704, nieuwe bevloeringen moeten voorsien worden; waarom ik dan ook uit hoofde van de mij voorgekoomen noodsaekelijk„ „heid, en op fundamens van de door uw Hoog Edelheeden bereeds daar toe bij g'Eerde aparte missive van den 27. December 1783 ver„ „leende qualificatie, de noodige orderes gesteld heb, om die repara„ „tien op de menagieuste wijze te laaten gevolg neemen. — En dewijl het Rijst Pakhuijs daar ter plaatse veels de klein is, ter op„ schuuringe van het Iaarlijks Contingent, waar door dat gebouw van tijd tot tijd niet weinig te leiden heeft, door de opstaapeling der Rijst zakken tot aan de haan Balken welkers overmaetige swaarte en drukkinge het springen der Balken en uitwijkinge der muuwen veroorsaakt, heb ik het van de interste noodsaekelijkheid geoordeeld, om dat Pakhuijs te moeten laaten verlangen, na de daar van door den Ingenieur Tilon in het gepasseerde Iaar gedaane propositie, tot 60. voeten en 30 voeten breed, en in vertrouwen dat uuwe Hoog Edelheeden zulx sullen gelieven goed te keuren, heb ik qunlificatie verleend om met dat werk hoe eerder hoe beeter voortgants te doen maaken. — Vervolgens te sourabaija met de aldaer aanweesende Regenten des oosthoeks soo wel, als met den Panumbahan van Madura eenige huijselijke beschikkingen gemaakt hebbende, zal ik om uw Hoog C Edelheeden attentie, met geen zaaken van minder belang, lastig te vallen van dezelve eenelijk de volgende noteeren. Dat den Pangerang en Sumanaps Regent Notto Coesoemo, die ik onder voorstelling van de importante verliesen, die de maatschappij E E bij 598 393 Samarang den 4=e September A„o 1784, pag: 31. bij den oorlog tusschen Engeland en de Republicq heeft, in Conside„ ratie gegeeven had, off er niet het een off ander middel te vinden zoude zijn, om de Comp=e int het sumanapsche Regentschap, welke hem Notto Coesoemo soo veel voordeelen op Leeverden wat te gemoet te koomen, zig, na eeniger tijd bevagt te hebben gedeclareert heeft ge„ neegen te zijn daar toe, buijten de Contingenten, en de recognitie van de zout Negorij Pingir Papas Jaarlijks te fourneeren aan Contanten de somma van Agt Duijzend spaansche reaalen, aanvang sullende neemen onder ult=o febr: 1785, en van welke verpligtinge dien Regent ook direct een verband schrift heeft gepasseert, waar van ik de eer heb uwe Hoog Edelheeden in deesen de weedergaede aantebieden, in hoope dat Hoogst dezelve daarin gelieven genoegen te neemen. — Dat ik den Pangerang van het Eijland Lubok off de Baviaan, om de wille van de geduurige admissie van soo veele vaartuijgen van de over„ „walsche plaetsen, onder eene gepaste reproche over zijne in deese verre gaande toegeevendheid en de verdere teegens het door hem met de Comp=s gemaakte Contract aanloopende handelwijze aangekondigd heb„ dat voortaan den uitvoer van Rijst naar de Baviaan van geen ander plaats van Java sal worden getolloreerd dan alleen van sourabaija, en dats wel eenelijk in sardij bastaande, ter quantiteit van 3000: - Amnatten off so veel minder als de Ingezeetenen van dat Eijland mondjes maat sullen benoodigd zijn, ten einde daar door te beletten, dat Riouw en andere overwalsche plaatsen met geen Rijst geadsisteert worden, met interdictie teffens dat het aan geene der Chineesen off andere op Java buijten de Inwoonders Van
English
Samarang the 4th September A:o 1734. from Bawean itself will be permitted to transport any rice or paddy to that island, under penalty of confiscation of the vessel's cargo. And whereas Bookkeeper Fredriksz, whom I had sent in the spring on a commission to the aforementioned island with one of the Company's pantjallangs, reported to me upon his return that the erection of a Company fort there would serve only as a burdensome post, since the inability of the inhabitants and the numerous bays or inlets on that island, where traders can make landfall, would not permit any collection of tolls or any other revenues to be raised there for the Company with success; and that it had been impossible for him, Fredriksz, to survey all the inlets, because people there seemed disinclined to provide a true account thereof, and the inhabitants would not gladly see the Company take possession there, as Your Right Honourables will see in substance from the report itself, which I have the honour to present to Your Highnesses; but as I have deemed it necessary, in order to prevent illicit trade with people from other shores, and often even with vessels to and from Bengkulu, Riau, Mandhar, and several others, I have considered it essential at least for the present to maintain surveillance there, to ward off as much as possible the illicit navigation and trade; to which end I have also planned to employ the aforementioned Bookkeeper Fredriksz, together with and alongside 1 sergeant, 2 corporals, and 18 privates from among the one hundred indigenous soldiers recently discharged here, which I 601 Samarang the 4th September A:o 1734, page 33. trust will be approved by Your Right Honourables. On the occasion that the Passourouang and Banjoewangi Commanders, van Rijck and Kaijzel, as well as the Regents of Eastern and Western Balambangan, were also present at Sourabaija, I inquired into the present state and condition of those lands, concerning which I received the report that the same, and especially Eastern Balambangan, had greatly increased both in agriculture and in inhabitants, with the prospect of expanding even further from time to time; and because at the end of this year the period is again about to expire during which Your Right Honourables were pleased to exempt the inhabitants of the aforementioned conquests from all taxes, I proposed to the regents whether it was not fair, now that so much consideration had been shown to them and the inhabitants and they had thus far been left free of all taxes, that they should now also consider assisting the Company with deliveries of some products for the burdens and costs incurred on those conquests. They showed themselves very well disposed to this, on which account I, in the presence of the Commanders at Passourouang and Banjoewangi, as well as the outgoing and incoming administrators van der Niepoort and Barkeij, made the following arrangement and came to an agreement with them: That, for the time being, for the period of three consecutive years, commencing on 1 January 1785 and ending on the last day of December 1787, Samarang the 4th September A:o 1734. 1787, the annual delivery of products to the Company would take place as follows: For the Regent of Eastern Balambangan, Tommongong Wiero Goeno: 40 coyangs of rice for free; as well as as much indigo as he should be capable of delivering, against the ordinary payment on Java for that article of 83 1/3 rds per pikol; and that, in addition, to encourage its cultivation, a bonus of 16 2/3 rds should be paid on every sound pikol of indigo delivered, half of which is to be distributed among the common people. By the Regent of Western Balambangan, Prowiero Diningrat, for the districts under his authority: Pradjakan, 2 pikols of long pepper and 2 pikols of wax. Centong, ½ pikol of wax. Djember or Adirogo, 1 pikol of wax. Sabrang, one pikol of cotton yarn and the same of wax, the cotton yarn against payment of the ordinary price and the remaining articles for free. And whereas matters in these districts are not yet nearly as flourishing as in Eastern Balambangan, and the remote distance of those places makes the transport of goods very difficult, I have for the present still exempted the aforementioned Regent from the delivery of rice. The Regencies of Passourouang, Banger, and Bangil, having been exempted by Your Right Honourables since the year 1781, now also find themselves again in a position to resume their previously obligatory deliveries
Dutch transcription
Samarang den 4:e September A„o 1734. van de Baviaan selvs sal gepermitteerd worden naar dat Eiland eenig rijst off Padij de vervoeren subpane van Confiscatie van veertige Loding. — En dewijl den Boekhouder Fredriksz, die ik in het voorjaar met een der Compagnie Pantjallangs in commissie naar het opgemeld Eijland gezonden had, mij bij zijn te rug komste berigt heeft, dat de opregting van een Comp:s fortje aldaar niet dan tot een Lastpoost soude strekken, alzoo het onvermoogen der Inwoonders, en de meenigvuldige Baaijen„ off Inhammen aan dat Eijland, alwaar de Handelaars kunnen aan„ „landen, niet permitteeren soude, aldaar eenige holheffinge mogte eenige andere Inkomsten voor de Compagnie met succes te doen, en dat het hem fredriksz: ondoenlijk is geweest alle de Inhammen te hebben kunnen opneemen, door dat men 'er niet geneegen toescheint te zijn daar van de rieele opgaeve te doen en de Ingezeetenen niet gaarne soude zien dat 'er de Comp:e posassie kwam te neemen, invoege uwe Hoog Edelheeden in substantie blijken zal uit het Berigt selvs, die ik de eer heb Hoogst dezelve te praesenteeren, doeh dewijl ik het noodig geoordeelt heb, dat 'er ter voorkoominge van den ongepermitteerden handel met de overwalders, en de veeltijds selvs met vaartuijgen van en na Bancahoeloe, Riouw, Mandhaa en meer andere, heb ik het noodsaekelijk geagt om 'er ten minsten voor eerst een opsigt te doen houden, ter weeringe soo veel doenlijk is van den ongepermitteerden vaart en handel, en waar toe ik dan ook geprojecteert, heb, den opgemelde Boekhouder Fredriksz, met en beneevens 1. sergeant, 2. Corporaals en 18: gemeene tus de alhier nu Iongst afgedankte Een Honderd Inlandsche militairen dat ik 601 Samarang den 4:e September A:o 1734, pag: 33. ik vertrouwe door uw Hoog Edelheeden zal worden goedgekeurd. Bij geleegendheid dat ook te sourabaija praesent waaren de Passourouangs en Banjoewangische Commandanten van Rijck en Kaijzel, mitsgaders de Regenten van ooster e Wester Balem„ boangang, informeerde ik mij na de teegenswoordige staat en toe„ stant dier Landen, waar van ik het berigt kreeg, dat dezelve, en in 't bezonder ooster Balemboeangang seer in den Landbouw saer ian daar Laa soo wel als aan Inwoonder was toegenoomen, met apparentie van zig van tijd tot tijd ook nog meerder te zullen uitbreiden, en om dat met het einde van dit Jaar de tijd op 't nieuw staat te expireeren, in dewelke uwe Hoog Edelheeden de Inwoonders van gemelden Conquesten van alle belastingen hebben gelieven vrij te laeten, stelde ik de regenten voor, off het niet billijk was, dat nu er soo veele Consideratie met hun en de Inwoonders is gebruijkt, en zij tot dus verre van alle belastingen waaren vrij gelaeten, sij nu ook eens bedagt waaren, de Comp: voor de Lasten en kosten aan die Conquesten besteld met Leeverantie van eenige Producten te gemoed te koomen beloonde dezelve zig daar toe seer geneegen wesweegen ik met hun in bijwee„ „sen soo wel van de Commandanten te Passourouang en Banjoe„ „wangie, als van den afgaande en aankoomenden gezaghebber van der Niepoort en Barkeij de navolgende schikkinge heb ge„ maakt en met hun over=eengekoomen ben. - Dat voor eerst voor den tijd van drie agter een volgende Jaaren aan„ vang neemende met P=mo Januarij 1785. en indigende ult=o de cembero 1787. Samarang den 4:e September A„o 1734. 1787. de Iaarlijkse Leeverantie van Producten aan de Comp:e soude geschieden als volgd. voor den Regent van ooster Balemboangang Tommongong Wiero Goeno. 40. Coijangs Rijst voor niet; mitsgaders soo veel Indigo, als in staat soude zijn te kunnen Leeveren teegens de ordinaire betaaling op Iava voor dat arti„ „kul van 83. 1/3 rd=s oper pikol, en dat daar en boven ter aanmoe„ „diging der Cultuure van het selve tot een douceur soude worden betaalt op ieder deugdsaam geleeverd wordende pikol Indigo 16 2/3 rd=s om voor de helft aan den gemeenen man te worden uijtgedeeld. — Door den Regent van wester Balemboangang Pro wiero Diningrat voor de onder hem staande Land streeken. Pradjakan, 2 pikols lange peeper en 2 pikols wax. Centong —½ pikol wax, Djember of Adirogo, 1. pic: wax sabrang, een pikol Cattoene gaaren en dito wax, het Cattoen gaaren teegens betaaling van de ordinaire prijs en de overige artikulen voor niet, En dewijl het met deese Landstreeken nog zoo zeer fhorisant met gesteld is, als in ooster Balemboangang, en de verre afgeleegent„ „heid dier plaetsen het transport van goederen seer moeijelijk maaks„ heb ik den opgem: Regens voor eerst nog gelibereers van de Leeverantie van Elijsb. — De Regentschappen van Passourouang, Banger en Bangil seedert het Jaar 1781. door uwe Hoog Edelheeden gelibereert geworden sijnde vinden sig voor als nu ook weeder in staat hunne bevoorens verpligte Leeverantien
English
Samarang, the 4th of September, anno 1784, page 35. To make deliveries, and consequently: To the Regent at Passourouang, Adipattij Nitie dieningrat, the annual provision of 60 Coyangs of rice, and also 10 ditto ditto from the district of Torong, both for free, with the excusal however of the previously delivered 3 pikols of cotton yarn. To the Regent at Banger, Tommagong Djoijo Nogorro: 8 Coyangs of rice, for free. 6 pikols of wax. 2 ditto of cotton yarn, against payment; and also from the district of Lamadjang 2 ditto of wax, for free. To the Regent at Bangil, Ingebij Soero Adiurd Joijo: 10 Coyangs of rice, for free, and 2 pikols of cotton yarn, against payment; in which alternative arrangement I trust that Your High Excellencies will be pleased to acquiesce and grant your highest approval thereto. At the office at Grissee, nothing unusual has occurred to me, except that the small fort there also suffers from several defects, and which is also of little defense on the landward side due to the proximity of the Resident's residence and that of the Regents, as well as several others; and that the buildings within the small fort itself will likewise soon require repairs. Lastly, I take the liberty to note that upon receiving the news of the fatal accident that befell the ship Europa on the voyage from here to the capital, orders have been given from here to load the ship De Vriendschap, expected from Banda in the eastern corner, with the Tinkam and other planks available at Grissee instead of loading it with rice, and to let it sail down with them to Rembang, in order to be fully loaded further there and also at Joana with light timber; because it is believed that there will be a shortage of planks and other light timber in Batavia due to the loss of the cargo of the ship Europa, and currently on Java there is no other opportunity for transport at hand than with the ship De Vriendschap, provided that this vessel shows up quickly. With perfect high esteem, obedience, and respect, I further have the honor to remain. Below stood: title. Lower: Your High Excellencies' humble and faithful servant. Was signed: J:bs Siberg. In the margin stood: Samarang, the 4th of September, anno 1784. Lower: P.S.: When Your High Excellencies will have disposed over the improvement of the lodge at Souracarta and are pleased to provide me with your highest orders in that regard, then I respectfully request to be allowed to receive back the plans now being sent, as no copy thereof is at hand here. Samarang, the 4th of September, anno 1784, page 36. Copy of the Instruction for the commanders of the Company's galleys and those of the private vessels, which are departing together from Samarang for Palembang and Malacca for the transport of rice and other articles thither, standing under the command and authority of the second mate Focke Boolen, commanding the bark of the Samarang Chinese Captain Tan Lecko. Whereas Radja Hadjie at Johor and Riouw, as well as those at Slanganoor, and apparently also more native petty rulers in the Strait of Malacca and thereabouts have not hesitated to commit hostilities against the Company, and thus to enter into open war with it; necessity and prudence therefore demand providing the necessary assistance to the good inhabitants on Java who are inclined to transport rice and other articles to Malacca and also Palembang, in order to prevent such private vessels and their cargoes from falling into the hands of the enemy; wherefore and for which reason it has been deemed expedient to draft this instruction to serve for the information and compliance of those about to depart for the aforementioned places. Article 1. All the private vessels destined for Malacca and Palembang and laden with rice and other provisions shall depart together from the roadstead of Samarang, under convoy of the Company's galleys, which are also to head thither to this end, in order to remain together during the voyage, so that in the event of an attack by the pirates they can assist one another, to which end also: The private vessels as well as the Company's galleys must each in particular be provided with the proper artillery and gunpowder, item round shot and grapeshot, as well as the necessary small arms and everything that pertains to a proper defense. 2.
Dutch transcription
603 Samarang den 4=e September A„o 1734, pag: 35. Leeverantien te doen, en mitsdien. Den Regent te Passourouang Adipattij Nitie dienin„ grab de Iaarlijksche besorging van 60 Coijangs Rijst, en dan ook nog do 10 d:o d:o uit het district Torong beide voor niet, met Excuseeringe eijter van de bevoorens ook geleeverde. 3 pikols Catoen gaaren Den Regent te Banger Tommagong Djoijo Nogorro: 8 Coijangs Rijsb: voor niet. 6: picols wax. - 2 d:o Cattoene gaaren, teegens betaelingen ook noguit 't vistict LamadJang 2 d:o wax, voor niet. Den Regent te Bangil, Ingebij Soero Adiurd Joijo. 10 Coij=s Rijst voor niet, en 2. pik=s Cattoene gaaren teegens betaeling; In welk eenen andere schik„ kinge, ik vertrouwe dat uw Hoog Edelheeden sullen gelieven genoegen „ te neemen, en daar toe hoogst derselver goedkeuringe verleenen. — Ten Comptoire Grissee mij niets bezonders voorgekoomen zijnde, als dat het fortje aldaar meede aan verscheide defecten Laboreert, en die teffens aan de Landkant, door de na bijheid van sRResidents wooning, en die der Regenten mitsgaders verscheiden andere van weinig defentie is, en dat de binnen gebouwen in het fortje selvs, meede al spoedige reparatien zullen verEijsschen. — Laastelijk neem ik de vrijheid te noteeren dat men van hier, bij de ontfangen tijding van het fataal geval, dat het schip Europa Samarang den 4=e September A„o 1784, Europa op de reijse van hier naar de Hoofdplaats is overge„ „koomen orders gesteld heeft, om het van Banda in den oosthoek verwagt wordend schip de vriendschap in steede van met Rijst te belaeden de te Grissee aanhanden zijnde Tinkamse en andere planken in te geeven, en daar meede na Rembang te laeten afsakken, om aldaar en ook te Ioana verders met ligte Houtwer„ „ken te worden vollaeden alsoo men vermeend, dat er te Batavia door het verlies van de Laeding van het schip Europa gebrek aan planken en ander ligt Hout zijn zal, en'er thans op Java geen ander geleegendheid tot transport aanhanden is, dan met het schip de vriendschap, indien anders dien bodem maar schielijk komt opdaegen. — Met volmaakte hoog agting, gehoorzaamheid en eerbied, geeve ik mij voorts de eere te blijven. /: onderstond:/ titul /Lager:/ uwer Hoog Edelheeden onderdanige en getrouwe dienaer /:was geteekent:/ J:bs Siberg, /:in margine stond:/ Samarang den 4: Septembe r6 A„o 1784. /:Lager/ P: S: Wanneer uwe Hoog Edelheeden over de ver„ beetering der Logie te Souracarta zullen hebben gedisponeerd, en mij diend weegen met Hoogst derselven ordre gelieven te nu„ „nieeren, dan ins teede ik eerbiedig, de tans overgaande Plans, ook te rug te moogen ontfangen, alsoo daar van geen Copia alhier aanhanden is. — 685 Samarang den 4=e September A„o 1784, pag: 36. Copia Instructie voor de gezagvoerders van sCompagnies galeijen en die der particuliere vaartuijgen, welke gecombineerd van samarang na Palembang en Malacca vertrekken ter vervoer van Rijst en andere articulen naar derwaerds staande onder Commando en gezag van den onderstuurman Focke Boolen voerende de Bark van den Samarangs Capitain Chinees Ian Lecko. – Dewijl Raadja Hadjie te Iohor en Riouw, mitsg:s ook die te Slanganoor, en apparent ook nog meerder Inlandsche vorstjes in straat Malacca, en daar omtrent zig niet ontsien hebben, vijandelijkheeden, teegens de Comp:e te pleegen, en dus met dezelve in openbaaren oorlog te geraaken, zoo vorders het de noodzaekelijk„ „heid en voorsigtigheid om aan de goede Ingeseetenen op Iava die geneegen zijn rijst en andere articulen naar Malacca en ook Palembang te vervoeren, de noodige adsistentie te verlee„ nen, ten einde voor te koomen, dat niet zoodaenige particuliere vaartuijgen en derselver Laedingen in handen van den vijand geraeken, waarom en oversulx dienstig geoordeelt is deese In„ structie te ontwerpen om te strecken tot narigt en nakoominge van de zulken na de opgem: plaetsen staande te vertrekken. — 1 Artle 1. Alle de particuliere vaartuijgen naar Malacca en Palembang gedestineerd en belaeden met rijst en andere Leevensmiddelen, zul„ len te saemen gecombineerd van de Samarangsche Rheede ver„ trekken, onder Convooij van sComp:s galeijen, die ten dien einde meede derwaerds staan te steevenen, om geduurende de reijze bij Elkanderen te blijven, ten einde bij eene aanval der Roovers Elkander te kunnen adsisteeren, en ten welken einde den ook. De Particuliere vaartuijgen zoo wel als de Comp: galeijen, ieder in het bijsonder van het behoorlijk geschut en Buskruijt, item Rond en langscherp, mitsgaders van het benoodigt hand ge„ „weer en alles wat tot een bekwaame defensie behoord zullen moeten voorsien zijn. — 2.
English
Samarang, 4th September Anno 1784. To prevent any of the vessels from becoming scattered, and to prevent the skippers from turning their prows at night and unseasonable times wherever they please, one to two European sailors shall be placed on each of the private vessels. They shall be bound to keep watch over the course, as well as over that steered by the one to whom the command of the fleet is entrusted, and to follow the same. On one of the most well-sailing and stoutest of the private vessels, in addition to two competent sailors and two gunners, a mate or a vigilant quartermaster shall also be placed, who shall hold command over the fleet, and according to whose orders and discretion all the others will have to conduct themselves. Arriving off Cheribon, the commander of the fleet shall inquire in passing whether there are also vessels lying in the roads there that intend to go to Malacca or Palembang, and shall then take the same along under his convoy, without however needlessly delaying himself there. Arriving at Palembang, the vessels that were destined thither shall be left there, and after first having properly informed the Residents thereof, the voyage shall be continued to Malacca as quickly as possible. Being attacked on the voyage by enemy or pirate vessels, one shall repel force with force, and not allow them to make themselves master of one or more vessels belonging to the convoy; however, if, on the other hand, any of the pirates should be captured, they shall be handed over to the Malacca ministry. 8. 3. 4. 5. 6. 607 Samarang, 4th September Anno 1734, page 39. Arriving at Malacca, the Juragans of the private vessels shall be bound to deliver their cargo of rice and whatever else at the disposal of the Governor and Council, who, pursuant to the orders of Their High Mightinesses, will take over the rice on behalf of the Company and pay for it 80 to 85 rixdollars per Malacca koyan. Concerning the return voyage from Malacca to Java, those aboard the galleys and the commander of the fleet, as well as the Juragans of the private vessels, shall have to comply with the pleasure and the orders of the Governor and Council at Malacca, in order that a safe transport may be arranged by them. Furthermore, the Europeans as well as the Natives and Chinese are jointly and severally commanded and enjoined not only to maintain good order in all respects, but also to act in harmony with one another, to take all possible precautions and exercise good leadership in matters that may arise, and at the same time to display the requisite soldierly and seamanship skills; while each of them is further enjoined to keep duty and loyalty in mind, and in the unpleasant encounters that may occasionally happen with this or that enemy or pirates, not to conduct themselves cowardly, but on the contrary like men, with the promise that those who have acted bravely will not remain without a good reward, but on the contrary, those who attempt to save themselves through flight or otherwise without cause shall be punished most severely, according to the merits of the case. Below stood: Samarang, last day of August Anno 1784. turn over ƒ - 8. 9. 10. Samarang, 4th September Anno 1784, Extract of a letter written by the First and Second Residents at Soura Carta, W: A: Palm and A: Schwencke, to the Right Honorable Johannes Siberg, Governor and Director on and along Java's Northeast Coast, together with the Council of Policy at Samarang; under date of 2nd April Anno 1784. Since yesterday afternoon around one o'clock the dragoon barrack on the east side collapsed due to the settling of the foundation, and through this collapse the entire barrack has acquired new cracks all over, right down to the bottom, alongside the old ones, so that the said barrack, as appears from the enclosed report which we take the liberty respectfully to present to Your Right Honorable, is irreparable, we therefore take the liberty most humbly to insist that it may please Your Right Honorable to have the same completely torn down; and if this is granted, we then most submissively request to be provided with double snatch blocks and tackles to lower the heavy beams. Copy of Report To the Right Honorable and Worshipful Mr. Willem Adriaan Palm, Senior Merchant and Chief at the Emperor's Court at Soura carta. Right Honorable and Worshipful Sir! Pursuant to Your Right Honorable and Worshipful's highly esteemed orders, we, the undersigned specially appointed commissioners, have betaken ourselves to the dragoon barrack standing here in the lodge, and there, in the presence of the Titular Ensign Ditloff, as overseer of the construction here, have accurately recorded and inspected the defects of the barracks, as we have the honor to submit here.
Dutch transcription
Samarang den 4:e September A„o 1784— Om te beletten dat 'er geene der vaartuijgen verstrooijt raa„ „ken, en de voerders niet bij nagt en onteiden de stee„ ven wenden, werwaards zij willen, zoo zal 'er op ieder der particuliere vaartuijgen een â twee Europeese mat„ troosen worden geplaatst, die gehouden zijn zal, op de Cours zoo wel, als op de zijnen, die den geenen die het Commando van d'vloot word opgedraegen doet, te letten, en dezelve op te volgen. — Op eene der wel bezeilste en kloekste der particuliere vaartuijgen, zal 'er behalven twee bekwaame matroosen en twee busschieters ook worden geplaatst een stuurman of vigilant quartiermeester, die het Commando over de vloot voeren zal, en na welkers orders en goedvinden alle de overigen zig zullen hebben te gedraegen. Op de hoogte van Cheribon koomende, zal den gezaghebber van de vloot empassant verneemen of er aldaer ook vaartuijgen ter rheede leggen, de wil na Malacca off Palembang hebbende, en dezelve als dan onder zijn Convooij meede neemen, zonder zig egter aldaar noodeloos op te houden. — Te Palembang koomende, zal men de vaartuijgen die naar der„ „waards gedestineert waaren aldaar laaten, en na alvoorens de Residenten behoorlijk daar van te hebben geinformeerd de reijse zoo spoedig doenlijk is naar Malacca voortsetten. — Op de reijse door vijandelijke ofte roovers vaartuijgen aangevallen wordende, zal men geweld, met geweld, te keer gaan, en niet gedoogen dat dezelve zig meester maaken van een ofte meerder vaartuijgen onder het Convooij behoorende, dog zoo daar en teegen van die der roovers mogten ge„ vangen raaken, zullen dezelve aan het malaks mi„ „nisterie worden overgegeeven. — 8. 3. 4. 5. 6. 607 Samarang den 4=e september A„o 1734, pag: 39. De Malacca koomende, zullen de Iuragans der particuliere vaartuijgen gehouden zijn hunner Laading van Rijst en wesmeer ter dispositie over te geeven, aan den Heere gouver„ neur en Raad, die, ingevolge de orders Hunner Hoog Edelheedens de rijst 'sComp=s weegen overneemen en daar voor rd=s 80. a 85. de malakse Coijang betaalen zal. — Omtrent de te rug reise van Malacca naar Iava, zullen de geenen die op de galeijen en den gezaghebber van de vloot zoo wel, als de Juragans der particuliere vaartuijgen zig hebben te rigten na het goedvinden en de orders van den Heere Gouverneur en Raad te Mallacca, ten einde door de„ „zelve eene veilige transport te worden bezorgd. — Voorts worden de Europeese zoo wel als Inlanders en Chineesen gezamentlijk en een ieder afsonderlijk gelast, en gerecom„ mandeert, om niet alleen in allen opsigte goede orders te houden, maar ook met Elkanderen eens gezint te handelen en in de zaeken die hun voorkoomen mogte, alle moogelijke precontien en goede directien te houden, en teffens de verEijscht wordende soldaat en zeemanschap te gebruijken, terwijl een iegelijk van hun alverder gerecommandeert word om pligt en trouwe in het oog te houden, en om zig in de somwijten te ontmoeten onaangenaame ren contres met deese of geene der vijanden off Rovers zig niet laff„ hartig, maar daar enteegen als mannen te gedraegen, met belofte dat de zulken die braaff gehandelt hebben, niet zonder goede be„ looning zullen blijven, maar daarenteegen de geenen die zig zonder reedenen met de vlugt als andersints tragten te redden, op het scherpste zullen worden gestraft, na bevinding van zaaken. — /:onderstond:/ Samarang ult=o Augustus anno 1784. — verte ƒ - 8. 9. 10. Samarang den 4=e September A„o 1784, Extract Missive geschreeven door de Eerste en tweede Residenten te Soura Carta W: A: Palmen A: Schwencke, aan den Wel Edele Gestr:n Heere Iohannes Siberg, Gouverneur en Directeur op en Langs Javas N:t O:t kust, benee„ vens den Raad van Politie te Samarang; sub dato 2=e April anno 1784. — Dewijl gisteren middag circa Een uur de dragonder Baracq aan de oostzijde door het zakken van 't fondament is ingestort en door deeze instorting de gantsche Baracq over al nieuwe scheuren, tot beneeden, toe, bij de oude bekoomen heeft, zoo dat gemelde Baracq blijkens ingesloote berigt het welke de vrij„ heid gebruijken uwel Ed: gestr: eerbiedigst aantebieden, in repa„ rabel is, derhalven de vrijheid neemen needrigst te insteeren het uwel Ed: gestr moogen behaegen om dezelve geheel te laa„ ten afbreeken zulks accordeerende, zoo versoeken onderdae„ „nigst ons als: dan met dubbelde Teinblokken en takels te laaten voorsien, om de swaare balken afte laeten. Aan den Wel Edelen Achtbaren Heer Willem Adriaan Palm, opperkoopman en opperhoofd aan 's Keijzers Hoff te Soura carta. Wel Edele Achtbaeren Heer! Ingevolge uwel Ed: Achtb: hoog g'Eerde ordres, hebben wij ondergetee„ kende Expres gecommitteerdens, ons vervoegt, aan de alhier in de Logie staande dragonder Baracque, en aldaar ter praesentie van den vaandrig Titulair Ditloff, /:als gezagheb„ ber over den Bouw alhier :/ de defecten van de Baracquen Exact opgenoomen en nagesien, zoo als wij de Eer ter neer te stellen Copia Berigt hebben
English
603 Samarang, 4 September A:o 1784, page 41: Copy yesterday, being the 1st of this month, at around 1 o'clock in the afternoon, the barracks having collapsed, we have this morning accurately investigated the cause thereof and found that the foundation on the east side of the barracks had subsided, thus causing the collapse. Looking further with close attention, we noticed that, through the collapse, the entire barracks has sustained new cracks everywhere all the way down to the bottom alongside the old cracks, as well as on the west side, where the foundation has also subsided considerably. And while the entire structure leans toward the east side, where it has subsided the most, and will also collapse further, we hereby declare that the entire barracks is irreparable, and in order to prevent further accidents, it is necessary that it be demolished. Subsequently, upon your Right Honorable's orders, having inspected the other buildings situated in the lodge, we found that the dwelling of the second Resident, the infantry barracks, as well as the blacksmith's shop and the large gate are cracked all over and, at the slightest tremor, which God forbid, are subject to the same fate as the dragoon barracks. Having hereby fulfilled your Right Honorable's esteemed intention, we have the honor, with all respect, to call ourselves, below stood the title, lower down, your Right Honorable's subordinate servants, was signed, M: Haaraa and J: J: Haase. In the margin: Souracarta, 2 April 1784. Lower down stood: in the presence of, was signed, I: C: Detloff. To the Right Honorable Stern Worshipful Sir, Johannes Siberg, Extraordinary Councilor of the Dutch Indies, as well as Governor Samarang, 4 September 1784. and Director of and along Java's Northeast Coast, etc. etc. etc. Right Honorable Stern Worshipful Sir! In accordance with your Right Honorable Stern Worshipful's most revered orders, the undersigned, in the presence of the provisional senior merchant and First Resident Willem Adriaan Palm, have accurately and exactly surveyed and remeasured the fortification here and all the buildings situated therein, and according to those findings, drawn up the enclosed Plan, marked Letter W. The undersigned further proceed very respectfully to report the following to your Right Honorable Stern Worshipful: That the fortification works have no notable defects detrimental to defense, and the rampart wall is also of sufficient thickness. Nevertheless, there are many small cracks in the same, among which 8 are clearly visible, 4 are somewhat larger, and one more is even more considerable, originating from the foundation and running up to the top in the crests of the parapet, seeming to be caused more by the yielding of the foundations than by the pressure of the earth. All these cracks will be repaired during the upcoming plastering which is yet to be done on the Emperor's behalf. The repairs to the walls and the moat, which are already somewhat dilapidated, will then also be carried out, and the drawbridges will also still be made on the Emperor's behalf. The platforms under the cannon in the bastions are all sound and good; the gunners' shelters, which make the bastions somewhat cramped, have no notable defect. The inner rampart wall has a considerable crack at all 8 corners near the throats of the bastions, which have already been repaired once, but have reopened just as wide as they were before. The cause of this lies both in the pressure of the earth and the poor masonry, and since those corners must all be broken out amply and widely down to the ground, so that, in order 671 Samarang, 4 September A:o 1734, page 43. to give more room to the throats of the bastions, they can be rebuilt anew from the foundation. Over the water drains that run under the rampart and constantly become clogged, vaults of 4 feet high and wide must be constructed in order to be able to keep them clean. The kitchens, water sheds, and privies, etc., under the galleries against the rampart wall, are all in great disrepair, and the partition walls are almost all torn away from the rampart wall due to a lack of bonding. Inside under the large gate, both side walls forming the passage are torn away obliquely from the rampart wall from bottom to top; the arches where the stairs go up to the rampart are also heavily cracked. This was caused by the subsidence of the foundations; they must be broken out amply and remade. Nothing in particular is amiss with the office on top of the gate. The gunpowder magazine has reasonably thick walls and is covered with a flat roof, but it has the defect of leaking and being excessively damp. This is caused not so much by leakage as by the great dampness penetrating through the rampart walls upon which it rests on three sides, and also because the air vents on those three sides are level with the surface of the rampart walkway, whereby not only do damp vapors from the wet earth draw inside during the rainy season, but even during torrential rain, water flows into the air vents. And because the rampart walls have already absorbed plenty of greasy earth juices, they will probably never become dry. Even if one were to make a partition between the gunpowder magazine and the rampart, this gunpowder magazine nevertheless remains entirely unfit. It must therefore be completely demolished and rebuilt anew completely detached from the rampart wall, while the rampart of the bastion can be retracted as much as it will allow, in order to obtain the necessary size for the gunpowder magazine and the intervening space. The
Dutch transcription
603 Samarang den 4=e September A„o 1784, pag: 41: Copia hebben, gisteren, zijnde den 1=e deezer maand, 's middags Circa 1 uur de Baracquen ingestort, soo hebben wij deesen ogtend, 't fout van dien, nauwkeurig ondersogt en bevonden, dat het fundament aan de oostzeide van de Baracquen gezakt en dus de Instorting veroorsaakt, verders oplettende nage„ zien, zijn wij gewaar geworden, dat door den Instorting de gansch Baracquen over al nieuwe scheuren tot beneeden toe naast de oude scheuren aan bekoomen heeft, insgelijks aan de west zijde, waar 't fundament ook merkelijk gezakt, en terwijl het gansche Bouwerk, na de oost zeide, alwaar het 't meeste gezakt is, na toehangt, ook nog instorten zal, zoo ver„ klaaren wij mits deezen, dat de gantsche Baracque inrepara„ bel, en omme verder ongelukken voor te koomen, afgebrooken te worden, noodig is: Vervolgens op uw Ed: Achtb: ordres, de andere in de Logie staande gebouwen nagesien, hebben wij bevonden dat de wooning van de tweede Resident, de Baracque van de Infanterie, als meede de smitswinkel en groote poort overal gebarsten en bij de minste schudding /:dat God verhoede :/ 't eigenste, als de dragonder Baracque, onderworpen zijn: Hier meede aan uwel Ed: Achtb: g'Eerde Intentie voldaan te hebben, zoo hebben wij d'eere met alle Eerbied, ons te noemen /:onderstond / tetul :/ Lager:/ uwelEd: Achtb: ondergeevene dienaeren /:was geteekent:/ M: Haaraa en J: J: Haase /:in margine:) Souracarta den 2. April 1784. / Lager stond:/ ter presentie van /:was geteekent/ I: C: Detloff. Aan den Wel Edele Gestrenge Achtbaeren Heere Johannes Siberg, Raad Extra ordinair van Needer„ landsch India, mitsgaders gouver„ neur Samarang den 4=e september 1784. „neur en Directeur op en Langs Iavas Noord oost Cust, enz: enz: enz: Wel Edele Gestrenge Achtbaeren Heer! Volgens uwel Ed: gestr: Achtb: zeer gevenereerde orders hebben de ondergeteekende ten overstaan van den opperkoopman provisi= oneel en Eerste Resident Willem Adriaan Palm, de fou„ tificatie alhier en alle de daar in zig bevindende gebouwen nauwkeurig en Exact opgenoomen en naegemeeten, en na dies bevin„ „ring het hier bij gevoegde Plan gem=t L=ra W: opgemaakt. — De ondergeteekende koomen voorts zeer Eerbiedig uwel Ed: gestr: Achtb: het volgende te berigten: Dat de fortificatie werken geene aan de defensie nadeelig merkelijke defecten hebben; en de vesting=muur ook eene genoegsaeme dikte heeft, nogtans bevinden zig veele kleine scheuren in dezelve, waar onder 8. genoegsiendelijk zijn 4. wat grooter, en nog een die nog aanmerkelijker is, koomende uijt het fondament voort, en loops tot booven in de kruijen der borstweering scheinende meer veroorsaakt te zijn, door de be„ geevinge der fondamenten als door de persinge der aarde, alle deeze scheuren zullen bij de aanstaande pleistering die nog van keijsers weegen staat gedaan te werden verholpen worden, ook zal de reparatie aan de muuren en de gragt, die al wat vervallen zijn dan meede geschieden, en de ophaal bruggen ook nog van keijzers weegen gemaakt worden. — De Beddingen onder het Canon in de Punten zijn alle gaaff en goed, bosschieters huijsjes die de Punten wat onruijm maeken hebben geen zonderlijk manquement. de Binnen wal muur heeft aan alle de 8. hoeken bij de kielen van de Punten eene merke„ „lijken scheur die al eens verholpen zijn, maar hebben zig eeven zoo wijt als van te vooren geweest waaren, weeder geopent. De oorzaak hier van is en de persing der aarde, en het slegte metzelwerk geleegen, en dewijle die hoeken alle tot de grond toe, ruijm en breet 671 Samarang den 4:e' September A„o 1734, pag: 43. breet moeten uitgebrooken worden, soo kunnende om meer ruijmte aan de kielen van Punten te geeven, afgrond wee„ der nieuw overgevoert worden over de waeter lossingen die onder de wal doorloopen en zig geduurig verstoppen, moeten gewulven van 4. voet hoog en breet getrokken worden om se schoon konnen houden. De Combuijsen, waterhokken en secreeten etc: onder de gallerijen teegen de wal=muur, zijn alle zeer vervallen, en de scheid=muuren meest alle van de wal=nuur afgescheurt weegens mankeerende verband Inwendig onder de groote poort zijnde beiden zijd=muur ren die den doorgang formeeren van de vesting=muur schuijns van onder tot booven toe afgescheurt, ook zijn de boogens daar de trappe„ na de wal opgaan swaar gescheurt, dit is veroorsaakt door de zakking der fondamenten: se moeten ruijm uitgebrooken en weeder hermaakt worden, aan het comptoir booven op de poort mankeert zonderlijks niets. Het kruijthuijs heeft reedelijke dikke muuren en is met een plat gedekt, maar heeft het gebrek van Lek en overmatig vogt te zijn, wordende niet zoo zeer door de Lekkagie veroorzaakt, als wel door de groote vogtigheid die door de wal=muuren daar het met drie zeiden op staat dringt, als ook om dat de Lugt gaaten aan die drie zeiden met de oppervlakte van de wal-gang gelijk zijn, waar door dan niet alleen bij reegen tijd vogte dampen der natte aarde na binnen trek„ ken, maar zelvs bij stort=reegen de Lugt gaeten insoept, en om dat de wal-muuren reeds vol vetagtige aardsappen ge„ „trokken zijn, zullen die waarscheinlijk nooijt droog worden, schoon men eene afzondering tusschen het kruijthuijs en de wal maekte zoo blijft dan dit kruijthuijs ten eenemaalen onbekwaam: het moet dan gantschelijk afgebrooken worden, en gants vrij afstaande van de wal=muur weeder nieuw opgetrok„ ken werden, zullende de wal van de punt zoo veel als zal lijden kunnen ingetrokken worden, om de noodige groote tot het kruijt maguazijn en de tusschen ruijmte te kreigen. — Het
English
Samarang the 4th of September Anno 1784. The hospital also has the defect of standing with three sides of the storey upon the rampart wall, thus turning the lower part into a dark and very damp cellar into which neither light nor air can enter, and whose noxious vapors rise through the ceiling into the upper storey, which is detrimental to the sick. To improve this, the rampart will also be drawn back as much as necessary in order to obtain a space between the rampart and the hospital through which air and wind can play, and then to place windows in the lower dark storey through which the air can circulate, whereby the damp rampart walls may be cured. Then, on the opposite side, a new, good assistant surgeon's room must be built on. Concerning the warehouse, there is especially nothing amiss except that it is not very spacious for holding many provisions and other goods, which is why a small new warehouse must be erected on the opposite side of the curtain wall. At the blacksmith's shop, one of the gables is bent inward at half-height, with the upper part hanging forward, which is caused by the incompetence of the workmen and bad supervision. To prevent an accident, this upper part of the gable will have to be demolished and properly rebuilt. The residence of the First Resident is of a rustic and massive appearance, seeming very strong, but of an unsavory construction and bad layout. It has many leaks at all the dormer windows, which are caused by a masonry gutter running around the roof, where the side posts of the dormer windows projecting below stand so close to the gutter, or virtually in it, that the water pours very heavily inward along the said side posts. These dormer windows must all be broken out, the posts removed from underneath, the gutter bricked up, and the windows re-erected upon it. Furthermore, the entire roof must be uncovered, and in place of the bamboo wattles that currently lie upon it, it must be covered with sawn laths and new siraps. As pantries for wet and dry provisions and privies are still lacking, a storey for the slaves will be built upon the currently standing 613 Samarang the 4th of September 1784. pag: 45. standing outbuildings, and the other rooms will be employed for the aforementioned, still necessary conveniences. The house of the Second Resident is of entirely base construction. It is not yet completed, has no ceilings yet, has no window frames as of yet, and no doors and window shutters, and all the ironwork belonging thereto is still lacking, and the outbuildings have not yet been erected. It has the defect, because it is too low in floor and storey, of being dark and unventilated. One gable wall was erected entirely crooked, and has bulged outward at the height of the ceiling joists, so that it is nearly broken off entirely. The cause of the buckling of this gable wall lies not only in its crooked erection, but also because one of the ceiling joists is bricked into the gable wall, whereby the masonry at that height has lost its strength. This gable wall cannot remain standing in such a dangerous state, but must be entirely demolished, and raised 3 feet higher along with the still too low house walls to make the house light and airy, then the floors laid higher, and the doors and windows placed higher, the too weak roof framing reinforced with light bracing and shoring, re-erected, and covered with sawn laths and new siraps, and furthermore storeys for the slaves built upon the outbuildings. The officers' quarters of the infantry adjoining this have the same defects that the Second Resident's house has, except that the gables of these buildings can be preserved. They are also only partially provided with ceilings, and must furthermore be improved as described for the Second Resident's house. The church is in a reasonable state, but must still be provided with a ceiling, and a small porch must be made in front of its entrance against the driving of rain and wind. The comforter of the sick's residence behind the church is likewise not free from the darkness prevailing here in all buildings; it must still be provided with a ceiling, and in order to provide more light for a school
Dutch transcription
Samarang den 4:en September A„o 1784. Det Hospitaal heeft ook het gebrek van met drie zijden van de verdieping op de wal muur te staan en daarom het onderste tot een duijstere en zeer vogtige kelder maakt, daar ligt nog lugt in kan, en welkers kwaade dampen door de soldering in de bovenste verdieping optrekken, den zieken nadee„ „lig zijn om dit te verbeeteren zal almeede de wal zoo veel als noo„ „dig zal zijn ingetrokken worden, om tusschen de wal en het hospitaal eene ruijmte te krijgen daar Lugt en wind door speelen kan, dan in de onderste duistere verdieping zunne vensters zetten, daar de lugt doortrekken kan, waar door de vogte wal muuuren zullen werden kunnen. dan nog aan de teegen overzeide eene nieuwe goede ondermeesters kamer aanbouwen aan het Pakhuis man„ „keerd zonderlijk niets als dat het niet zeer ruijm tot veel berging van Provisien en andere goederen is, waarom aan de overzeide van de gor„ „dijn nog een klein nieuw Pakhuijs moeten opgerigt werden. aan de Smitswinkel is een van de geevels op de halve hoogte na binnen geboo„ gen, hangende het boovenste voor over, daar de onkunde der werkslieden en de slegte opsigt oorzaak aan is om ongeluk te voorkoomen zal men dit bovenste stuk geevel moeten afbreeken en welder hermaeken. Des Eersten Residents wooning, is van een rusticque en massive Uiter„ „lijk zeer sterk scheinende, maar van eene onsmaekelijke bou„ „wing en slegte indeeling, heeft veele Lekkagies aan alle de dak vensters, die veroorsaakt worden door eene ront= om het dak zoo„ pende gemetselde goot, daar de zeid-stijlen van de dak vensters die onder uitsteeken, soo na aan de goot off genoegsaam daarin staan„ dat het waeter Langs gemelde zijd stijlen zeer sterk na binnen stort: deese dak vensters moeten allemaal op gebrooken, de steilen onder afgenoomen, de goot toegemetseld, en de vensters weeder daar op gerigt worden. verders moet het gantsche dak afgedekt en in de plaetse der Bamboese wielen die thans daar op leggen, met gezaegde Latten en nieuwe siekappen belegd werden: Dispensen voor natte en drooge provisien en gemaken nog man„ „keerende, zal men eene verdiepen voor de slaeven, op de thans staande 613 Samarang den 4:e september 1784. pag: 45. staande pedakken zetten, en de andere vertrekken tot de evengem: nog noodige gemakken emploijeeren. Des tweeden Residents huijs is van eene gantsch gemeene bouwing, het is nog niet vol„ tooit, is nog ongesoldert, heeft nog geenen venster raamen en geene deuren en venster blaeden, en al het daar toe behoo„ rende ijzerwerk mankeert nog, en de pedakken zijn nog niet opgetrokken het heeft het gebrek om dat te laag van vloek en verdieping is, duijster en onlugtig te zijn, den eene geevel muur is gants scheeff op getrokken, en heeft zig op de hoogte van de zolder Balken met eene bogt na buijten gezet, zoo dat bij na gants afgeknaagt is de oorsaak van het afknakken deeser geevel=muur is niet alleen in het scheeff optrekken deselve geleegen, maar ook om dat een der zolder balken in de geevel=muur ingemetzeld is, waar door op die hoogte het niuuw=werk zijne kragt verlooren heeft, deese geevel muur kan in zoo een gevaerlijken staat niet staan blijven maar moet gantschelijk afgebrooken worden, en weeder met de nog te laage huijsmuuren, om het huijs Ligt en Lugtig te maeken 3. voeten hooger optrekken, dan de vloeren hooger leggen, en deu„ ren en venster hooger setten, het te swakke dak=werk met Ligt verband en stutwerk versterken weeder oprigten en met gezaegde Latten en nieuwe sierappen beleggen, dan nog ver„ diepingen voor de slaeven op de Pedakken zetten. — De officiers wooningen van de Infanterie hier aan volgende heb„ ben deselvde gebreeken die des tweeden Residents huijse heeft, uitgesondent dat de geevels van deese gebouwen behouden blij„ ven, se zijn ook nog maar gedeeltelijk gezoldert, en moeten verders zoo als bij des tweeden Residents hiis beschreeven is, verbeeters worden. — De kerk is een reedelijken staat maar moet nog gesoldert worden en voor het inslaan van reegen en wind een klein gallerijtje voor desselvs ingang gemaakt worden. — de krankbezoekers wooning agter de kerk, is meede niet vrij de hier in alle gebouwen heerschende duijsterheid, se moet nog gezoldert, en om meer zigt tot school
English
Samarang the 4th September Anno 1784, to be used as a school, still needs to be provided with 2 windows. — The Infantry Barracks are reasonably good on the upper floor, but underneath have neither light nor air, the rear part being divided lengthwise into dark cubicles for the non-commissioned officers, and having a spacious enclosed gallery built in front of it that is of no use or benefit whatever. To remedy this and to make the useless, dark rear part of this building serve for additional lodging and better use in the event of a garrison reinforcement, after it has been unroofed, the front structure, which consists of little masonry, will be demolished, and with the new work moved closer toward the rampart, which will be retracted as much as possible. The comforter of the sick's dwelling in front and the Second Resident's house in the rear will also be noticeably improved by this advance of the Barracks, and the dwellings of the Infantry officers will thereby also gain a rear passageway, which will bring much convenience to these rear-cramped buildings. Furthermore, instead of an enclosed gallery, the Barracks will have an open front gallery, at both ends of which the non-commissioned officers' rooms will be placed, and the middle of this open gallery will serve as an eating area for the soldiers. The large rear part will receive enough light through the front open gallery, and, being provided with a sleeping platform, will be able to serve for the additional lodging just mentioned above. The upper floor on this building will remain a spacious loft across the entire work, as it has been. — The Captains', and the adjoining Dragoon officers' dwellings, are built in the same style as the Second Resident's house and the dwellings of the Infantry officers, and also have all the same defects that are described there, except for the period of the gable; they must also all be ameliorated in the same manner. The Dragoon stable is airless, dark, and very damp, and on the rear side is built up with the outhouses of the officers' dwellings that stand against the 615 Samarang the 4th September Anno 1784. page 17. — stable wall in such a way that no light nor air can enter from that side. There are also 5 quite considerable cracks in this rear wall. In the front wall of this stable there are only very small shutters, which can give little light and air, and a major crack is located in this front wall near the corner of the gable toward the various service personnel's dwellings, which originates below from the foundation and runs obliquely up toward the corner of the gable, up under the roof, so that this gable has already deviated very much because of it. This crack and gable deviation were caused by the settling of the foundation, and the other five cracks just mentioned above were probably caused by the pressure of the rafters or attic beams. Furthermore, on top of this stable is an upper floor that serves as the Dragoon Barracks, which has such a poorly joined and wide-gaping floor that dust and dirt fall down through the openings onto the horses, and the damp vapors and emanations of the horses, which rise up through the ceiling, cause discomfort to the dragoons. The floor in this stable is laid with large quarry stones, and is therefore uncommonly bumpy, leaving very deep interstices; it also has no proper drainage gutters, the stalls of the horses are short and narrow, the sills are of poor wood, which, along with the posts, stall partitions, mangers, and racks, are already much ruined; also still missing are the racks, below for saddles and harnesses, above for weapons. It is utterly impossible to improve this building in such a way that one could say the cost and effort were well spent, for if one were to undertake to keep the deviated gable standing (which cannot be done) and to rebuild anew the already collapsed gable, put large windows in the front wall (which is also subject to danger), and repair all the other described defects, it would nevertheless still be and remain merely an unimproved and bad stable, and still not free from all danger. There remains, then, no other means than to demolish this stable entirely, and
Dutch transcription
Samarang den 4:e September A„o 1784, school houden te krijgen nog met 2 vensters versien te worden. — De Infanterij Baracq is boven op de verdieping reedelijk wel, maar heeft onder ligt nog lugt, zijnde het agter deel in de Langte in duister hotken voor de ond: offic: verdeeld, en met eene ruijme beslooten gallerij daar voor verbouwt die van geen mit nog ge„ bruik is, om dit te verhelpen en het onnutte dinstere agterdeel van dit gebouw, bij voorval van guarnisoens versterking tot meerder Logement en beeter gebruijk te doen dienen zal men na dat het afgedekt zal zijn het voorwerk dat in weinig muur werk bestaat, afbreeken, en met het nieuwe=werk meer na de wal toe rukken, die om zoo veel als zal zijden kunnen ingetrok„ ken zal worden, de krankbezoekers wooning zal voor en des tweede Re„ sidents huijsagter, door deezen Voorspronk van de Baracq ook mer„ „kelijk verbeetert worden, en de officiers wooningen van de Infanterie zullen daar door ook eenen agtergang aan winnen, die veel gemak aan deeze agter bekrompen gebouwen zal toebrengen voorts zal de Baracq in de plaats van eene geslootene gallerij eene oopen voor gallerij hebben, aan welkers beide einden de ond: offic: kaemers geplaets zullen worden, en het midden deeser oopen gallerij zal tot eene eetensplaats voor de zoldaeten dienen, het groote agter deel zal ligt genoeg door de vooroopen gallerij ontvangen, en met eene Britsch versien zijnde, zal tot het meerder Logement, eeven hier vooren aangeroerd dienen kunnen. de verdieping op dit gebouw zal een ruijme zolder die over het gantsche werk goet blijven, zoo als geweest is. — De Ritmeesters, en de der daar aan volgende dragonder oficiers wooningen, zijn in den zelfden smaak zoo als des tweeden Resi„ dents=huijs, en de wooningen der officiers van de Infanterie ge„ bouwt, en hebbe ook alle deselvde gebreeken die aldaar be„ schreeven zijn Excepto de periode van de geevel, se moeten ook alle op dezelvde wijze. ameilioreerd werden. De Dragonder stal is onlugtig duijster en zeer dompig, en is aan de agter zeide met de pedakken der officiers wooningen die teegen de 615 Samarang den 4=e September A„o 1784. pag: 17. — de stal muur staan soo verbouwt, dat van die zijde geen Ligt nog Lugt daar in koomen kan, ook bevinden zig in deese agter=muur 5. genoeg aanmerkelijke scheuren in den voor= muur van deese stal, zijn maar zeer kleine Luijkjes die, weinig Ligt en Lugt geeven kunnen, en een Capitaale scheur bevind zig in deeze voor muur, na bij den hoek van de geevel na de diverse dienst doenders wooningen toe, die van onderen uit het fondament voortkomt, en Loopt schuijns op na de geevel=hoek toe, tot boven onder het dak, zoo dat deese geevel daer door al zeer afgeweeken is. deeze scheur en geevel afweiking, is veroorsaakt door de zakking van het fondament en de eeven hier booven gem: andere vijff scheuren, zijn waarscheinelijk veroor„ zaakt door de persing der spanten of zolder=Balken verders is boven op deese stal eene verdieping die tot de dragonders Baracq dient, die zoo een slegt gevoegde en wijt gaepende voet zolder heeft, dat de stoffe en vuijligheid door de oopeningen op de paar den needer valt, en de dampige dampen en intevaesening der paer„ den die door de zolder opsteigen, den dragonders ongemak toe„ brengt. De vloer in deeze stal is van groote krijsteene gelegd, en daarom ongemeen hobbelig is, en laat zeer diepe tusschen wijlens, heeft ook geen goede afloopende gooten, de standen der paarden kort en nauw, de onderlaegen van slegte houten, die met de stijlen, Latier-boomen, kribben en ruijffen al veel geruineert zijn ook mankeeren nog de rakken, onder voorzaedels en tinigen, booven voor de waepens, dit gebouw is met geene moogelijkheid zoo te verbeeteren dat men zoude konnen zeggen, kosten en moeijte zijn wel besteed, want wilde men onderneemen den afgeweeken geevel staande te houden, /:dat niet geschieden kan :/ en den reets ingestorten geevel weeder nieuw optrekken, groote vensters in den voormuur setten /:dat ook gevaar onderheevig is:/ en alle ander beschreeven de„ fecten herstellen, zoo zoude het dog nog maar eenen niet veel verbeeterden en slegten stal zijn, en blijven, en nog niet buijten alle gevaar daar blijft dan geen ander middel over als deezen stal gantsch aftebreeken, en
English
Samarang, the 4th of September Anno 1784, and to erect a new one that can receive light and air from both sides, more towards the rampart that will be pulled down, whereby one will obtain a space and a free stable wall between the outbuildings of the officers' quarters and the new stable, in which, as well as in the front wall, large window frames will be placed that will spread sufficient light and air throughout the entire stable, and the gained space will provide room for stabling the officers' horses and for each person's house, without hindering the play of light and air in the large stable; thus the stalls of the horses in the new large stable can also become more spacious for the better rest of the horses, and furthermore everything required for a good stable will be put in order. The dwellings of the various duty personnel are somewhat cramped, but have no particular defects; they are not yet ceiled, just as all other buildings in this lodge are only partially ceiled, some more, some less, and where there is a ceiling, except for the First Resident's dwelling, the boards are mostly secured only with bamboo pegs. The guard of the officers and soldiers between the buildings of the various duty personnel before the main gate makes the passage somewhat too narrow, and the guard detachment with the officer cannot stand suitably in front of it to pay honors when wagons drive in or out. This will be remedied by cutting off a portion of the dwellings of the various duty personnel on both sides, in order to draw back the said two guards as much as will be required for a reasonable passage and the customary ceremonial; finally, two good wells must necessarily still be made in the square of the lodge. The undersigned furthermore have the honor to report to your Right Honorable that the most notable defect found generally in all the buildings is the interior masonry, which, although having sufficient thickness, due to a lack of good supervision is everywhere crooked and not erected plumb, and is so poorly crafted that no nail driven into the wall, no matter how large it may be, holds firmly. This instability of the masonry has resulted from lime that was not sufficiently burned and not properly prepared; however, good lime is also obtainable here, and it is only a lack of instruction and supervision, for the Javanese here also know how to resort to deceit in order to save firewood: they crush the half or very lightly burned lime which, having been wetted, is formed into large square pieces or round balls and so delivered, which then, because it has dried, must be crushed again in order to be used for masonry; such spoiled lime is already half dead and has no strength or fattiness left to bind, and in this, to which one must add the lack of good workmen, lies the perilous state of the walls here. Another defect is that in all the buildings the ironwork has been used very sparingly; on the ceiling beams, which also lie too far apart, only very small and light little anchors have been driven; hooks, hinges, bolts, and locks are equally light and poor, and several are still missing, which must be supplemented. The siraps on the roofs are too thin and cannot hold out against the alternating heat and wet seasons, but warp and crack, causing continuous leaks; new siraps are therefore required, since few of the old ones can be reused. Rafters, roof ribs, beams, planks, doors, and window frames that are still found to be good, as well as the bricks and the old ironwork that will come from the demolition, will all be employed again. This, Right Honorable Sir, is the state in which we have found the lodge here, and what we, according to our humble knowledge, have judged necessary to be improved, demolished, altered, and newly rebuilt; and we attach hereto a plan marked with the letter X, in which all new alterations can be seen, with a specification of the materials and labor wages that will be required in addition to the materials from the demolition. With this, we hope to have satisfied your Right Honorable's highly venerated intention, and take the liberty to sign ourselves most respectfully and with all deference. Underneath stood: title Lower: Your Right Honorable's very humble and obedient servants Was signed: A. I. von Haack and Joan Christoffel Ohle In the margin: Souracarta, the 17th of May 1784. Still lower: In the presence of me Was signed: W. A. Palm
Dutch transcription
Samarang den 4=e September A„o 1784, en eenen nieuwen die ligt en Lugt van beide zij den ont„ „fangen kan, meer na de wal toe die ingetrokken zal worden op te rigten, waar door men tusschen de pedakken der officiers=wooningen en den nieuwen stal, eene ruimte en vrije stal=muur zal verkrijgen in dewelke zoo wel als in de voor muur, men groote vensters=Cosijnen zal zetten die Ligten Lugt genoeg door den gantschen stal verspreiden zullen, en de verkree„ gen ruijmte zal geleegentheid tot stalling der officiers paar„ den en ieders huijs verschaffen, zonder aan de Ligt en Lugt spee„ „ling van den grooten stal hinderlijk te zijn, dus zullen de standen der paarden in den nieuwen grooten stal, tot beetere rust der paarden ook ruijmer konnen worden en verder alles wat tot een goeden stal verEijscht word in order gebragt werden: De diverse dienst doenders wooningen zijn wat bekrompen, dog hebben geene zonderlijk gebreeken, se sijn nog niet gezoldert, zoo wel als alle andere gebouwen in deeze Logie maar gedeel„ telijk d' eene meer de andere minder gezoldert zijn, en wat ge„ zoldert is, uitgezondert des eersten Residents wooning, daar zijn de planken meest maar met Bamboesen pennen vast geslaegen. — De officiers, en zoldaaten wagt tusschen de gebouwen der diverse dienst doenders voor de groote poort, maekende passage wat te nauw, en kan het wagts=volk met den officier voor het frons daar niet voegelijk staan, om bij het in of it: rijden van de waegens hooneur te konnen geeven: Het zal verholpen worden met aan weeder zijde een stuk der diverse dienst doenders wooningen aftesnijden, om gem: twee wagten zoo veel te rug te kunnen trekken, als tot eene reede„ „lijke passage en het gebruijkelijke ceremonieel zal benoodigt zijn, Eijndelijk moeten nog nootsaekelijk in het plin van Logie. twee goede putten gemaakt werden. — De ondergeteekende hebben verders de eere uwel Ed:e gestr. Achtb: te berigten dat het aanmerkelijkste defect dat algemeen in alle de gebouwen bevonden word, het inwendig /:schoon dikte genoeg hebbende muur werk is dat bij mankoment van goede opsigt over al scheeff en 6 617 Samarang den 4=e sSeptember A„o 1784. pag: 49. en niet na de Loot zijn opgetrokken en soo slegt bewerkt is, dat geen spij„ „ker in de ninua geslaegen, hoe groot die ook zij vast houd, welke onvastigheid der muur=werken door den niet genoeg gebranden en niet wel berijden kalk is voortgekoomen, egter is hier ook goede kolk te bekoomen en het manqueerd maar aan onderrigt en opsigt, want te Javaenen weeten zig hier ook van bedrag te bedienen, om het brandhout te spaeren, stampense den half off zeer weinig gebrande kalk, die nat gemaakt zijnde, in groote vier„ kante stukken of ronde bollen geformeert, zoo aangebragt word, die dan om dat droog geworden is, weeder gestampt moet worden om tot het met „selen te konnen gebruijken; zulken bedorven kalk is reets half dood en heeft geen kragt off vettigheid weer om te binden en hier in, waer bij men gebrek van goede werklieden moet voegen, ligt den gevaarlijken toestant der muu„ ren alhier nog een ander gebrek is, dat in alle de gebouwen het ijzer werk zeer spaanzaam is gebruikt geworden, dan aan de zolder Balken die ook te wijt van malkaar leggen zijn, maar zeer kleine en Ligte ankertjes geslaegen, duijmen hengsels, grendels en slooten zijn eeven Ligt en slegt, en mankeeren nog verscheiden, daar aan suppleert moet worden. De sierappen op de daken zijn te dun, en kunnen teegen de wisselende hitte en natte tijden niet uithouden, maar kammpen en scheuren, en veroorsaaken geduurig Lekkagies, daar worden dan nieuwe sierappen verEijscht, dewijl wijnig van de oude weeder sullen gebruikt konnen worden spanten dak ribben, Balken, Planken, deuren en venster Couzijnen die nog goed zullen bevonden worden, als ook de metselsteenen en het oude ijzer werk dat uit den afbraek voort zal koomen, zal alles weeder emploijeert worden. dit wel Edele gestr: Achtb: Heer is den toe„ stant waar in wij de Logie alhier bevonden hebben, en wat wij na onse geringe kennisse geoordeelt hebben noodig verbeetert, afgebrooken verandert en weeder nieuw opgebouwt te moeten worden, en voegen hier bij nog een plan gem: L=re X waar in alle nieuwe veranderingen te zien met eene specificatie van de materiaelen en arbeits loonen, die nog bij de materiaelen van den afbraak benoodigt zullen zijn. Hier meede hoopen wij aan uw Ed:e gestr Achtb: zeer gevenereerde intentie voldaan te hebben, en neemen de vrijheid ons op het aller Eerbiedigste vol ontzag te onderteekenen /:onderstond:/ titul /:Lager:/ uwel Ed: gestr groot Achtb: seer onderd:t en gehoorzaeme dienaeren /:was geteekend:/ f: A: I: von Haack en Ioan Christoffel ohle /:in margine:/ Souracarta den 17: Meij 1784.: wog Lager:/ ten overstaan van mij /:was geteekend:/ W: A: Palm; ƒ
English
Samarang the 4th of September Anno 1784, Specification for the benefit of the Lodge at Souracarta, of the required construction materials for everything described in the report, and to be seen in the attached Plan marked Letter A, in so far as can be demonstrated therein, namely: For 202200 pieces of masonry bricks at Rds 15 the laxa, Rds 3033 —:— 1077 cooyangs of lime at 5 the coyang, 5385 — — 16 masons in 650 days at — 15 stivers each per day, 3250 — — 16 carpenters in 650 days at — 15 stivers each per day, 3250 — — 2 mandores in 650 days at — 15 stivers each per day, 406 12 — Note: The days cannot well be determined on account of the much breaking and rebuilding 98 piculs of nails, uncalculated 66 piculs of bar iron, uncalculated 1 picul of copper, for casting pivot hinges etc. for the gunpowder magazine, uncalculated 4 sheets of sheet copper for the air holes etc. For smith's labor, coal, for forging anchors, pivot hinges, locks and old ironwork, and the copper casting etc., 400 — — Further for timber: 660 pieces of beams, assorted lengths of 20, 24, and 30 feet, mixed, 1 8s a piece, 1171 — — 511 ditto of 20 to 22 feet, 12 inches thick Sawing wages, for 51 beams for roof ribs, laths and planks etc., 855 — — 7000 pieces of Javanese planks at Rds 7.— the 100, 490 — — 275000 siraps, about an inch-thick sort, at 12.— the 1000, 3300 — — Further needed for tools: 2 pieces of iron cables, uncalculated 2 pieces of wheel ditto, uncalculated 6 blocks, 3 large with 2 sheaves, 3 small with one sheave, for scaffold timbers, large bamboos and tackle ditto, 200 Total Rixdollars 21740. 12. — Everything that comes out of the demolition in good condition will, as mentioned in the report, be re-employed. Was below: Souracarta the 17th of May 1784. Was signed: Jan Hak. 613 Samarang the 4th of September Anno 1784 The Headquarters Batavia page 51. Invoice of Account, as hereby by order of the Right Honorable, Rigorous, Respected Lord Johannes Siberg, Councillor Extraordinary of the Dutch Indies, as well as Governor and Director on and along Java's Northeast Coast, together with the Council here, is charged to the headquarters Batavia, consigned to His High Excellency, the High Noble, Rigorous, Highly Respected and Far-Ruling Lord Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General, together with the Right Honorable, Rigorous Lords Councillors of the Dutch Indies, namely: Samarang on Java's Northeast Coast the 20th of August Anno 1784. To Charges: The amount of the hereinafter described gold works, which, by the First Draftsman, pursuant to the highly respected order of Their High Excellencies by separate missive of the 24th of November 1783, have been made and handed over as a gift to the princes of Java, as well as the Panembahan, to wit: To the Sultan: 1 piece of large salver weighing 48 1/16 reals, Rds 1076:24 — 1 cuspidor weighing 19 1/4 reals, 429: 24 – 1 sirih box with its little spoon weighing 11 17/16 reals, 262: 12— 1 large suassa tobacco box weighing 6 1/16 reals, 117:— Rds 1885:12:— For the Crown Prince of Souracarta: 1 large sword hilt with its mountings weighing 2 1/16 reals, 45:12 — For the Crown Prince of Djokjocarta: 1 piece of medium salver, weighing 34 reals, Rds 752. 12 — 1 large suassa tobacco box weighing 6 3/4 reals, 117: —, 869: 12— For the Panembahan of Madura: 2 pieces of medium salvers, weighing 68 1/2 reals, 1515:4— Counts Rds 4725:12— Calculating 2835 51/20 milled silver ducatons at f 3. 6: -, f 9356 — — And also what was recently charged hither by invoice dated 24 July last, costing, for 1 piece of gold star or breast jewel, which has also been handed over to the Emperor of Java as a gift, being 4950 — — Total f 14306 – — Was below: Was signed: J. Siberg, and J. van Danten For
Dutch transcription
Samarang den 4=e september A„o 1784, Specificatie ten behoeve der Logie te souracarta, van de benoodigde Bouw=materialen voor alles wat in't berigt beschreeven, en in het bij gevoegde Plan tet gem=te Lit=a A. voor zoo verre zulks daar in kan aangetoond worden, te sien is Namentlijk voor 202200 p=s Metzelsteenen - . . . â rd=s 15. 't Laxa . . Rd„s 3033 —:— 1077 „ Cooijangs kalk. . . . . „ „ 5. de Coij=s - . . . . „ 5385 — — 16 „ Metzelaar in 650 daegen „ „ — 15: stve=s ieders 'sdaegs „ 3250 — — 16 „ Timmerleeden „ 650 „ „ „ — 15 „ „ „ „ 3250 — — „ 650 „ „ „ — 15 „ „ „ „ 406 12 — 2 Mandoors NB De daegen komen weegens 't veele breekenen Eermae„ „len niet wel bepaeld worden 98 picol spijkers - - - - - - - - - onbereekend. - - - - „ 66. „ Hafijzer - - - - - - - 1 „ kooper, tot gieten van duijmen hengsels &=a voor 't krumit magzijn onberk. 4 „ plaeten plaet koopen voor de lugt gaeten &=a voor smits arbeits loonen koolen, voor het smeeden van ankers, duij„ „men rengsels, slooten en oud ijzer werk, en de kooper gieten &:a . „ 400 — — Nog aan Houtwerken 660 p„s Balken L=de in zoort van 20, 24. en 30. voet door malkander 1 8s p„s „ 1171 — — 511„ _:o „ 20 â 22 voet, dik 12. d=m Zaegloon, voor 51: balken tot: dak ribben, latten en Panken &=a - - - „ 855 — — 7000 p„s Javaense planken - - -. . . â rd=s 7. — 't 100 - - - „ 490 — — 275000„ sierappen, omtrent duijms dekke zoort „ „ 12. — „ 1000. . . „ 3300 — — Nog benoodigt aan gereedschappen 2 p„s ijzer- trossen - - - - - - - - - - - - - onberee„ 2 „ Wiel d:o . - - - - - - - - - - . „kend „ 6 „ Blokken 3. groote met 2. schijven 3 3 klijn met een scthijff voor stijger houten, groote bamboesen en talie-doo - - - - „ 200 Somma Rijxdaeld=s 21740. 12. — Alles wat goed uit den afbraek komt, zal zoo als in het berigt gem: is wee„ „der omploijerd/onderstond:/ souracarta den 17: Mei 174. /:was ge:/: d:/ Jan hak; „ 613 Samarang den 4=e September Ao 1784 de Hoofd=plaats Batavia pag: 51. Factuur van Aanreekening, als bij deezen ter ordre van den wel Edele gestrenge Achtbaeren Heere Iohannes Siberg, Raad extra ordinair van Neederlands Indie, mitsgaders gouverneur en directeur op en Langs Javas Noord oost kust, beneevens den Raad alhier, de hoofdplaets Batavia tot Lasten gebragt word, geconsigneerd aan zijn Hoog Edelheid, den Hoog Edele, gestrenge, groot Achtb=re en wijdge„ biedende Heere M„r Willem Arnold Alting, gouverneur Generaal, neevens de Wel Edele gestrenge Heeren Raaden van Neederlands Jndia Namentlijk: Samarang op Iavas Noord oost kust den 20 Augustus Ao 1784. Tot Lasten Het bedraegen der nabeschreevene goudwerken, als, door den Eerste teekenaar, ingevolge Hoog geEerde ordre Hunner Hoog Edelheeden bij aparte missive van den 24: November 1783. aangemaakt en aan de vorsten van Iava, mitsgaders de Panumbahan, in geschenk afgelangd zijn, te weeten: Aan den sulthans 1 p=s groote schenkpiering weeg=r r=s 48 1/16. . . . . Rd„s 1076:24 — 1 „ quispedoor. . . . . „ „ 19¼-. . . . „ 429: 24 – 1 „ sirie bakje met dies lepeltje „ „ 11. 17/16. . . . . „ 262: 12— 1. „ groote suassa tabaks door „ „ 6 1/16. . . . - „ 117:—- rd„s 1885:12:— voor den kroonprins van Souracarta 1 „ groote deegen gevest met desselvs beslag weeg: 2 1/16 r„o . . „ 45.:12 — voor den kroonprins van Djokjocarta 1 p„s Middelbaare schenkpiering, weeg: R=lan 34. . . . rd=s 752. 12 — „ groote suasse tabaks doos - - „ „ 6¾. . . . „ 117: — -„ 869: 12— voor den Panumbahan van Madura. 2 p„s middelbaare schenkpieringjs, Veegende R=len 68½. . . „ 1515:4— Teld Rd„s 4725:12— Bereekenende 2835 51/20. ducatons silver gecartelde r ƒ 3. 6: -. - - - ƒ 9356 — — En dan ook het Iongst bij factuur in dato 24. Julij Jl: herwaerds aangereekend kostende, van 1 p„s goude star of Borst Juweel, dewelke almeede aan den keijzer van Iava, tot geschenk afgelangd is, zijnde - - - - „ 4950 — — Somma ƒ14306 – — Jous /:onderstond:/was geteekend:/ I=s Siberg, en I=s van Danten Voor
English
page: 53. 621 Samarang the 4th of September Anno 1784. Statement of the weight, cost, and delivered Ducats for the manufacture of the following goldworks as a present for the Sultan and Crown Prince of Djokjocarta, the Crown Prince of Soura carta, and the Panumbahan of Madura, namely: For the Sultan: A large presentation platter: found weight in weight Reals 48 13/16; loss during melting Reals 3/4; together Reals 49 1/16; number of Ducats delivered for this pieces 386; the amount in Rixdollars Rds. 1061. 24; the paid wages Rds. 15; the costs together Rds. 1076. 24. A spittoon: found weight in weight Reals 19 1/4; loss during melting Reals 1/48; together Reals 19 13/48; number of Ducats delivered for this pieces 153; the amount in Rixdollars Rds. 420. 36; the paid wages Rds. 8. 36; the costs together Rds. 429. 24. A betel box, or so-called Lantjang, with its spoon: found weight in weight Reals 11 7/16; loss during melting Reals 1/16; together Reals 11 25/48; number of Ducats delivered for this pieces 91; the amount in Rixdollars Rds. 250. 12; the paid wages Rds. 12; the costs together Rds. 262. 12. A large suassa tobacco box, weighing Reals 6 1/16, for which in gold: together Reals 4 7/8; number of Ducats delivered for this pieces 38; the amount in Rixdollars Rds. 104. 24; the paid wages Rds. 12. 24; the costs together Rds. 117. For the Crown Prince of Soura Carta: A large sword hilt with its mountings: found weight in weight Reals 20 7/16; loss during melting Reals 1/4; together Reals 20 11/16; number of Ducats delivered for this pieces 161; the amount in Rixdollars Rds. 442. 36; the paid wages Rds. 12. 24; the costs together Rds. 455. 12. For the Crown Prince at Djoejocarta: A medium presentation platter: found weight in weight Reals 34; loss during melting Reals 1/2; together Reals 34 1/2; number of Ducats delivered for this pieces 269; the amount in Rixdollars Rds. 739. 36; the paid wages Rds. 12. 24; the costs together Rds. 752. 12. A large suassa tobacco box, weighing Reals 6 3/4, for which in gold: together Reals 4 1/8; number of Ducats delivered for this pieces 38; the amount in Rixdollars Rds. 104. 24; the paid wages Rds. 12. 24; the costs together Rds. 117. For the Panumbahan of Madura: Two medium gold presentation platters: found weight in weight Reals 68 1/2; loss during melting Reals 1; together Reals 69 1/2; number of Ducats delivered for this pieces 542; the amount in Rixdollars Rds. 1490. 24; the paid wages Rds. 25; the costs together Rds. 1515. 24. Total Reals 215 1/24; pieces 1678; Rds. 4614. 24; Rds. 110. 36; Rds. 4725. 12. Summary of the aforementioned gifts: For the Sultan: A large gold presentation platter weighing Reals 48 1/16, engraved on the base plate in Dutch and Javanese with these words: Token of remembrance from the Company, to Sultan Hamengkubuwana Senapati Ingalaga Abdul Rachman Sahidin Panatagama Kalifatullah, on account of the help and assistance rendered at Batavia in the war of 1781 against the English: Rds. 1076. 24. A gold spittoon weighing Reals 19 1/4: Rds. 429. 24. A gold betel box, or so-called Lantjang, with its spoon, weighing: Rds. 262. 12. A large suassa tobacco box, weighing Reals 6 1/16: Rds. 117; Rds. 1885. 12. For the Crown Prince of Souracarta: A sword with a large solid gold hilt and the mountings weighing Reals 20 15/16: Rds. 455. 12. For the Crown Prince of Djokjocarta: A medium gold presentation platter weighing Reals 34, on which is engraved in Dutch and Javanese: Company's token of friendly remembrance given to Sultan's son Pangeran Adipati Anom Amangkunagara, after the end of the war against the English in the year 1783: Rds. 752. 12. A large suassa tobacco box, weighing Reals 6 3/4: Rds. 117; Rds. 869. 12. For the Panumbahan of Madura: Two medium gold presentation platters, weighing together Reals 68 1/2, on both of them engraved as above: Token of remembrance from the Company to the Panumbahan of Madura Adipati Cakradiningrat, on the occasion that the Madurese served as auxiliary troops at Batavia in the war of the year 1781 against the English: Rds. 1515. 24. Total Rds. 4725. 12. The aforementioned goldworks were weighed by us, the undersigned, and found to contain the net weight noted therewith. Weigh together Reals 113 1/16. was signed: N. A. Leliveldt, and E. Ad. de Wilde. Samarang the 8th of February Anno 1784. was signed: J. Siberg. Samarang the 4th of September Anno 1784. Journal kept during the journey from Samarang via the coastal factories Japara, Joana, and Rembang to Java's East Hook by the Right Honorable Johannes Siberg, Extraordinary Councillor of the Dutch East Indies, and Governor and Director of Java's North-East Coast. Tuesday the 1st of June, at 8 o'clock in the morning, a meeting of the Political Council having been convened, the Governor, after discussing some matters that had arisen, gave notice to the assembled members that, following the approval received from Their High Mightinesses, he intended this evening to undertake the journey to the East Hook, which had thus far been postponed during His Honor's arrival on Java on account of the war with the Crown of England. To this end, the aforementioned Governor, during His Honor's absence from this main factory, not only entrusted the management of affairs into the hands of the Senior Merchant and Chief Administrator Jacobus van Santen, but also at the same time handed over to him a Memorandum regarding what should initially be observed, both concerning the loading and dispatches of the ships already on the coast and those still expected from the capital Batavia, as well as other duties. And after the Governor had thereupon wished the members a good stay, and they in turn had wished His Honor a happy and prosperous journey, the members of both Policy and Justice, as well as those of the other councils of the Consistory, the Orphan and Estate Masters, along with all qualified servants together with their wives, went in the afternoon around 5 o'clock to the garden De Vrijheid in order to wish the aforementioned Governor and his Lady a happy journey. In the evening
Dutch transcription
Samarang Den 4=' Banthoning van het gewigt, het kostende en de afgelangde„ „schenk voor den sulthan en kroon prins van Djokjocarta, de Voor den Sulthan Een groote schenk piering - - Een quispedoor - Een sirie Bakje, off zoo genaamde Lantjang, met zijn Leepeltje - - - - - - - - Een groote suassa Tabaks doos, weeg: r=o 6 1/16 waar toe aan goud - - - . . . . - Voor den kroonprins van Soura Carta Een groot deegen gevest met desselvs beslag. - - - voor den kroonprins te Djoejocarta Een middelbaare schenk piering - ƒ Een groote sawasse Tabaks-doos, weeg: R=s 6. /4, waar toe aan goud - - - - E Voor den Panumbahan van Madura - Twee Middelbaare goude schenkpieringen - - - - - - - - - Te Samentrekking der voorenstaande geschenken voor den Sulthan Een groote goude schenkpiering weeg: r=s 48. 1/16. op de bodem affplaat in 't gedagtenis Teeken vande Compagnie, aan den sulthan Haming. tagama kalifatholach, weegens de zulp en bijstant op Batavia beweesen Een goude quispedoor weegen R=l 19¼ - - - - . Een goud sirie Bakje, of zoo genaamde Lantjang met desselfs Leepeltje weeg Een groote sawasse Tabaks doos, weegende r=oa 6 1/16. - - - - - - - - voor den Kroonprins van Souracarta Een deegen met Een groot massive goude gevest en het beslag weeg: r=o 20 15/16. - voor den kroonprins van Djokjocarta Een Middelbaare goude schenk piering weegende Reaalen 34. waar op in 't Needer van vriendelijk aan denken gegeeven aan sulthans zoon Pangerang de pa den oorlog teegens de Engelschen in den Iaare 1783. - - - - - - - Een groote sawasse Tabaks doos, weeg: R=l 6. ¾ - - - - - - - - - - - -- voor den Panumbahan van Madura Twee Middelbaare goude schenkspieringen, weegen te saemen R=s 68½ op beide din Compagnie aan den Panumbahan van Madura Adipattij Tjacra troupen op Batavia hebben gediend, in den oorlog van den Iaare 1731 teeg . . - - - - - - - - - - - - - - -- - Vooren staande Goudwerken zijn door ons ondergeteekenden gewoogen en bevonden het daar bij genooteerde Nette gewigt in te houden. /:was geteekend:/ N=s A=n Leliveldt, en E= Ad. de Wilde. — Samarang den 8=e /:was geteekend: - - - - - - - - - - -- . .ƒ -.. -- - 0 pag: 53. 621 September A:o 1784. ra, Ducaten, tot het aanmaeken van de volgende goudwerken in ge„ de kroonprins van Soura carta, en den Panumbahan van Madura, als. — de bevondene verlies te het getal Het be 't betaal 't kosten„ swaarte bij ver„zaa van ducaten draegen in= de arbeids de te in gewigt smelting - men daartoeafgelangd Rijks d=s Loon zaamen. R=s 48 13/16 R=s —¾ r=s 49: 1/16 P=s 386 — -rd„s 106124— rd„s 15: — - rd„s 1076. 24. — 1/13 25 19¼ —„ — 148 - „ 19: 1/48 -„ 153 - - „ 42036 -„ 8. 36 –„ 429: 24 — 35 - - - - - - - „ 11 17/16 — „ — 1/6 - „ 11 1/48 - „ 91 – - „ 250. 12 -„ 12. – – „ 262:12— . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . „ 4 7/8 – „ 38 – – „ 104. 24 –„ 12. 24 –„ 117: – — . . . . . „ 20 7/16 — „ — 1/4 — „ 20 1/18 „ 161 —. — „ 44236 –„ 12:24 –„ 455:12— 34 — —„ —½ – „ 34½ – „ 269: —— „ 739: 36 —„ 1224 – „ 752. 12 – . . . . . . . . . . . . „ 4 1/8 –„ 38 – – „ 10424 –„ 1224 –„ 117. – – 68½ –„ 1 — — „ 69½ –„ 542 — –„1490. 24 –„ 25 – – „ 1515:24 – „ Teld r=o 215/½4 p„s 1678. —- rd„s 4614:24: rd„s 10:36: rd„s 1725: 12 — Neederduits en Javaans gegraveert met deese woorden Coeboeana Ingalaga, Abdul Rachman, Sahideen pana„ 9 E in den oorlog van 1781. teegens de Engelschen. . . . . . Rd„s 1076: 24 — eesen - - - - - „ 429: 24 — - - - - - - - - „ 26212 — . . . - „ 455. 12 — - - - - - - - - - - - - - - - - - „ 117:— -rd„s 1885:12— 't Neederduitsch en Javaans gegraveert is, Compagnies teeken de pattij Anum Amancoenagara, na het eindigen van ng . - - - - - - . „ 117 — –„ 869:12:– -. - - - - - - - - - - - - - - - - - - rd„s 75212 — beide dezelve als vooren gegraveert, gedagtenis teeken van de op a diningrat, bij geleegentheid, dat de Madureesche, als hulp„ 1731 teegens de Engelschen -„ 1515:24 — Ee Somma Rd„s 4725:12— 8=e Februarij Ao 1784. teeknd:/ I=s Siberg, . . . . - - - - - - Weegen te zaemen R=s 113/6. — - . „ — . 16. . - - - - - - - - . . . - - . - Samarang den 4:e September Ao 1784, Dag Register gehouden, geduurende de reijze van Samarang over de strand Comp„ toiren Iapara, Ioana en Rem„ bang naar Iavas oost hoek door den wel Edelen gestrengen Heere Iohannes Tiberg, Raad Extra ordinair van Needer„ lands India, mitsgaders Gouverneur en directeur van Javas Noord oost kust. Dingsdag den 1„e Iunij, smorgens 8. uuren vergadering van Politie belegd zijnde, gaff den Heere Gouverneur, na verhandeling van eenige voorgekoomen zaeken, aan den gezamentlijke Leeden te kennen, dat zijn Ed:e op de bekoomen bewilliging Hunner Hoog Edelheedens van voorneemens was, huijden avond, de tot dus verre, geduurende zijn Ed: komste op Java, weegens den oorlog met de kroon van Engeland, uitgestelde reijse naar den oosthoek aan teneemen, ten welken einde welmelden Heere Gou„ absentie „verneur geduurende zijn Ed=s van dit Hoofd Comptoir, niet alleen de maneance van zaeken, stellende in handen van den E: opper„ koopman en Hoofd Administrateur Jacobus van Santen maar aan denselven teffens overgeevende eene Memorie van't geene 'er voor eerst, zoo omtrent de belaeding en depeches der bereeds op de kust sig bevindende, en de ook nog van de hoofdplaats Batavia verwagt wordende scheepen, als andere verrigtingen meer diende te worden geobserveerd, en na dat vervolgens den Heere Gouverneur de Leeden een goed verblijff, en deese weederom aan zijn Ed=e een geluk„ „kige en voorspoedige reijse toegewenscht hadden begaeven, zig # 's agtermiddags teegens 5. uuren de Leeden, zoo wel van politie en Iustitie, als die der verdere Collegien van den kerkenraad, Wees-en - Boedelmeesteren, mitsgaders ook nog alle gequali„ ficeerde dienaeren, neevens hunne vrouwen na de thuijn de vrij„ heid ten einde welmelde Heere Gouverneur en Mevrouwe een gelukkige reijse toe te wenschen. — S Avonds
English
683 Samarang, 4 September Anno 1784. page 55 In the evening around 10 o'clock, having commenced the journey from the pavilion or pleasure house on the sea beach with two so-called orangbays and several other vessels, in the company of those who had been appointed by the Governor to accompany His Honour to the Eastern Salient, being: The Provisional Merchant and elected Grissee Resident Anthonij Barkeij, The Junior Merchant and Paccalongang Resident Ambrosius Pieter Tulleken van Hogenhouck, The Captain of Cavalry de Chasteauvieux with the corps of dragoons, which latter had departed in advance to Japara a few days earlier under the command of the Cornet Iohan Michiel Gerlach, The Captain of Infantry Christiaan Hofman, together with his wife, The Captain of Artillery and Engineer Jan Baptist Pilon, The Lieutenant and Sub-Major Francois van Boekhold, The Chief Surgeon and Town Physician Iacob Abegg, The Bookkeeper and sworn translator of the Javanese language Fredrik Iacob Rothenbuhler, The Assistant Gustaff Pol, as tutor to both young sons of the Governor, The Chief Regent of Samarang, Adipattij Soero dimongolo, together with his wife, The Captain or Head of the Buginese Amin Boeijong, and The Captain of the Chinese Ian Lecko, arrived with a favourable land breeze in the early morning. On Wednesday 2 June, around 3 o'clock, they dropped anchor before Samat, where they went ashore at 4 o'clock and found present there the Senior Merchant and Japara Resident Mr. Johan Michiel van Panhuijs, together with his wife and sister, as well as the Japara Regents, and also those of Coedus and Damak, being the Tommongong Rexo Prodjo, the Tommongong Tjietra Soema, the Raden Tommongong Soero diningrat, the Adipatti Soero Diningrat, and Tommongong Iudo Nagara, respectively, to receive Samarang, 4 September Anno 1784, the Governor and his lady. After lingering there a while, and having allowed the vessels to sail on towards Japara, they set out at daybreak in carriages, four to five of which were present there, for the aforementioned trading post, where they arrived at half past six; and according to custom were welcomed with ceremony and the salute, both from artillery and small arms. In the afternoon at 5 o'clock, they took a walk and inspected the small fort situated on the hill, along with the military barracks and other buildings located within it, and found them to be in very good condition. Walking next across the hill along the beach, they inspected the oyster bed situated there, as well as the wooden dwelling house erected there by the Resident van Panhuijs, for the construction of which he stated he had been compelled by the dilapidated state of the Resident's residence at the trading post, which had been so damaged over time by white ants that he had been forced to tear down one of the front galleries. Subsequently returning home at 6 o'clock, it was indeed found that in the Resident's house the planks and beams of the ceilings had been replaced in several places. Thursday 3 June, in the morning at half past six, they made a trip to the sawmill, where they were busily engaged in sawing planks, a considerable quantity of which was already lying ready for shipment for the Company. The mill itself appeared outwardly in good condition, and no defects could be discerned in it, although at the lower end of its weir a welling up of water was noticed, which seemed to penetrate from above through the masonry. This, however, was contradicted by the Resident van Panhuijs, who said that this was solely caused by a spring which was located there under the outermost or last brick course of that weir.
Dutch transcription
683 Samarang den 4=e September A„o 1784. pag: 55 'S Avonds Circa 10:e uuren van de pangong off speelhuijs aan„ het zee strant met twee zoo genaamde orangbaijs en andere vaartuijgen meer, de reijse aangenoomen hebbende, in geselschap van de zulken, die door den Heere Gouverneur benoemd waaren, om zijn Ed: tot den oosthoek te versellen, zijnde: Den koopman provisioneel en G'Eligeert Grissees Resident Anthonij Barkeij, Den onderkoopman en Paccalongangs Resident Ambro„ sius Pieter Tulleken van Hogenhouck. Den Capitain der Cavallerij de Chasteauvieux met het Corps dragonders welke laast gem: een paar daegen bevoorens voor uit naar Japara vertrokken waaren onder Commando van den Cornet Iohan Michiel gerlach. - Den Capitain der Jnvanterij Christ= Hofman, nevens desselvs huisvrouw, Den Capitain der Arthillerij en Ingenieur Jan Baptist Pilon, Den Luijtenant en ondermajoor Francois van Boekhold, Den opperchirurgijn en stads meester Iacob Abegg, Den Boekhouder en geswoore translateur in de Javaan„ „sche taal Fredrik Iacob Rothenbuhler„ Den Adsistent Gustaff Pol, als informator der beide zoon„ tjes van den Heere Gouverneur Den Samarangs hoofd Regent Adipattij Soero dimongolo, neevens vrouw, Den Capitain off Hoofd der Bougineesen Amin Boeijong, en Den Capitain der Chineesen Ian Lecko kwammen met een voordeeligen Land wind in den vroegen ochtent. — 'T woensdag den 2=e Iunij, Circa 3: uuren, voor samat ten anker, alwaar men om 4. uuren aan de wal stapte en aldaar praesent vond, den opperkoopman en Japaras Resident M„r Johan Michiel van Panhuijs, neevens vrouw en suster, mitsgaders ook de Japaansche Regenten, zoo wel als die van Coedus en Damak, zijnde den Tom„ mongong, Rexo Prodjo, den Tommongong Tjietra Soema, den radeen Tommongong Soero diningrat, den Adipatti Soero Diningrat en Tommongong Iudo Nagara, respective, ter receptie van Samarang den 4=e September A„o 1784, van den Heere Gouverneur en Mevrouw; Na aldaar wat vertoefd, en de vaartuijgen Japara waarts hebbende laeten voortzeilen, vervoegde men zig met het aanbreeken van den dag in Reijtuijgen, die tot 4. â 5. stuks daar praesent waaren, naar het even gemeld Comptoir, alwaar men te halv seeven aankwam; en na den gebruike met statie en het salut, soo wel uit het geschut als hand geweer verwelkomt wierd. 'S Nademiddags om 5 uuren deed men een wandelingen bezaegen het op de Berg geleegen fortje, met de daarin sig bevindende Militaire Baracquen en verdere gebouwen, vonden het een en an„ der in een seer goeden staat, wandelende vervolgens de Berg over langs het strand, bezaegen de aldaar zig bevindende oester „bank, mitsgaders ook het aldaar door den Resident van Panhuijs van Planken opgebouwde woonhuijs, ter welkers opbouw denselve zijde genoodsaakt te zijn geweest, weegens de bouwvalligheid van 's Residents wooning daar ten Comptoire, die van tijd tot tijd door de witte mieren zoodaenig was beschaedigd geraakt, dat genood„ „saakt was geworden, een der voorgaanderijen te hebben moeten afbreeken: vervolgens ten 6 uuren weeder thuijs gekoomen wee„ „zende bevond men rieel dat in 'E Residents huijs op verscheide plaetsen de planken en Balken der solderinge vernieuwd waeren. Donderdag den 3:e Iunij, 'sogtends te halff seeven deed men een tourtje na de zaag moolen alwaar men ijverig beesig was met het aanzaegen van planken, waar van 'er ook bereeds een tamelijke quantiteit voor de Comp: tot den afscheep in ge„ reedheid lag. De Moolen op zig zelvs, uiterlijk in eene goeden staat sig verthoonende, en waar van aan ook geene ge„ breeken ontwaeren konde, bespeurende men egter dan het benee„ „denste einde van dies overtoom eene opkwilling van het waeter 't geen toescheen van booven door het metselwerk door te dringen, dat egter door den Resident van Panhuijs teegen gesprooken wierd, seggende, dat sulx eenelijk veroorsaakt wierd, door een quel, welke sig aldaar onder de uiterste off laetste rollaag van dien overtoom bevond
English
Samarang the 4th September Anno 1784. page 57. was. Having arrived home at 8 o'clock, the aforementioned Resident van Panhuijs, who had recently obtained his discharge to the Netherlands at his own request, made a request to the Lord Governor to be allowed to pay into the Company's treasury at Samarang, by the end of August next, the sum of forty thousand rijksdaalders for remittance or assignation to the Netherlands. This request having been granted, His Right Honourable Excellency dispatched a letter to Samarang to inform the Political Council thereof, with instructions also to inform Their High Excellencies at the first opportunity, and to request that not only the necessary assignations might be granted and delivered to the proxy of the aforementioned Resident on the terms and conditions prescribed by the latest Batavian bill of the first of December 1783, but also that this amount of 40,000:-:- Rijksdaalders should serve as a reduction of the general monetary demand for this year. In the afternoon, a short visit was paid to the Regents of that district, Roxa Prodjo and Tjitra Soema, where they were received with the proper ceremonial. On this occasion, the first mentioned, Rexa Prodjo, came to petition the Lord Governor that, on account of his advanced age, he might be discharged, and that his second son might be appointed as his successor in the Regency. He presented and introduced this son to the Lord Governor as a person about whose conduct and good qualities nothing ill could be said, whereas, on the contrary, there was not much to praise regarding the behavior of his elder brother. The Lord Governor, accepting this petition, promised the old man that when he should appear in Samarang in the month of October or November on the occasion of the upcoming leasing of the Company's domains, he would then take his request into the most favorable consideration and make the necessary proposal to Their High Excellencies. In the evening, the present Regents attended the farewell meal. They departed on Samarang the 4th September Anno 1784. Friday the 4th of June at 5 o'clock in the morning in carriages. Because they took breakfast along the way, and also because the road had become somewhat muddy due to rains that fell during the previous night, they only arrived at Coedus at 11 o'clock. There, they were received kindly and with the customary ceremonies by the Regent, the Raden Tommongang Soero Diningrat, finding present there the Regents of Pattij and Ioana, as well as the Ngabehi of Tjinkalsewoe, Pandjie Singo Sarie, and the Ngabehi of Glongong, Iudo Pattij, head of the Kalangs. In the afternoon at 5 o'clock, a walk was taken through the Regency, and they viewed the ancient burial place of the Susuhunan of Coedus. Having returned home, the Lord Governor decided to stay there for another day in order to have the opportunity to inspect the indigo manufactory situated under the district of Coedus and Pattij, located two hours away from Coedus and named Carang Gaijam, where the bookkeeper Abraham Toorop is posted as maker and supplier of that dye. To that end, on Saturday the 5th of June, departing at 5 o'clock in the morning with carriages, and subsequently with sedan chairs and also on horseback, they arrived around 7 o'clock at Karang Gaijam. They found the dwelling of the aforementioned Toorop situated in a most pleasant, well-watered valley, and nearby it also the boiling and drying sheds for the indigo. However, the production of that article was currently at a standstill, for the reason that the delivery for this year had already been made to the Japara office, and the new crop was standing in the field, which could also be seen standing there all around in a very flourishing state. After they had taken breakfast, they departed from there at about half past eight and returned to Coedus at 10 o'clock. Then the Lord Governor and his wife paid a short visit to the Ratu, and since she, although already advanced in years, has now remarried the high priest at Coedus, the Lord Governor made it known to her that His Honour would gladly wish
Dutch transcription
626 E Samarang den 4=e September A„o 1784. pag: 57. bevond. Te 8.' uuren thuijs gekoomen weezende, deed gem: Resident van Panhuijs, die onlangs op zijn gedaane instantie zijn ontslag naar Neederland had bekoomen, versoek bij den Heere Gouverneur, om met ult=o Augustus aanstaande te samarang in Comp:s kassa te moogen tellen de somma van veertig duijsent rijksd=s, ter remisse off assignatie naar Neederland, in welk verzoek geac„ „cordeert weesende, vervaardigde zijn wel Ed:e gestr een brieff naar Samarang aff, om den politicquen raad daar van te informeeren, onder aanschrijven teffens daar van ook bij eerst voorkoomende geleegentheid Hunne Hoog Edelheedens er kennisse van te geeven, en te versoeken, dat niet alleen de noodige Assignatien aan de ge„ magtigde van meerm: Resident mogte worden geaccordeert, en ter hand gesteld, op dien voet en na de voorwaarde als het jongste Ba„ „taviasche Biljet van den Eersten december 1783. dicteert, maar om ook dat bedraegen van Rijxd=s 40'000:-:— te doen strekken in minda„ ring van den generaelen geld Eijsch voor dit Iaar. 'S Nademiddags deed men een korte visite bij de Regenten van dat dies„ trict Roxd Prodjo en Tjitra Soema, alwaar men met het behoor„ „lijk Ceremonieel ontvangen wierd bij welke geleegendheid den eerst gem: Rexa Prodjo aan den Heere Gouverneur verzoek kwam te doen, dat hij uit hoofde van zijner hoogen ouderdom mogte ontslaegen, en tot zijn opvolgen in 't Regentschap aangesteld worden, zijnen tweede zoon, die hij teffens den heere gouverneur kwam te vertoonen, en aan te praesenteeren, als een persoon op wiens gedrag en goede hoedaenig heeden niets te zeggen veel, daar in teegendeel op het Comportement van desselvs oude broeder niet veel te roemen was: Den Heere Gouverneur dit verzoek accepteerende, beloofde den grijsaard, wanneer denzelve in de maand 8ber: off November bij geleegent„ heid der aanstaande verpagting van 'sComp=s domainen te Sama„ rang soude verscheinen, als dan op zijn instantie een gunstigst reguard te sullen vestigen, en desweegen de noodige voor„ „dragt aan Hunne Hoog Edelheeden te doen 's' Avonds de aan„ weesende Regenten het afscheidsmaal bij woonende, vertrek men vrijdag Samarang den 4=e September A„o 1784, Vrijdag den 4=e Iunij 'smorgens 5. uuren in rijtuijgen, en door dat men onderweegs het morgen ontbeis hield, en ook door des nagts bevoorens gevallene reegens, den weg wat modderig was geraakt, kwam men eerst te 11. uuren te Coedus aan, alwaar men door den Regent, den Radeen Tommongang soero diningrat vriendelijk en met de gewoonlijke Ceremonien ontvangen wierd, vin„ „ende aldaar present de Regenten van Pattij en Ioana mitsgaders den Ingebeij van Tjinkalsewoe Pandjie singo Sarie, en den Ingebeij van Glongong Iudo pattij hoofd der Calangers, 's agtermiddags ten 5 uuren deed men en wandeling door het Regentschap, en bezaegen de al oude begrafplaets van Soesoehoenang Coedus, weeder thuijs gekoomen zijn, be„ „sloot den Heere Gouverneur aldaar een dag over te blijven om geleegentheid te hebbe, de onder het de onder het Coedus en Pattijs District zig bevindende Indigo makerij, twee uuren ver van Coedus geleegen, genaamd Carang gaijam alwaar den boekhouder Abraham Toorop als maeker en Leeverancier van die verfstoffe bescheiden zegd te besien ten welken einde. Saturdag den 5=e Iunij 'smorgens te 5: uuren met reijtuijgen en vervolgens met draag stoelen en ook te paard vertrekkende, kwam men teegens 7. uuren te karang gaijam aan, vindende het woonhuijs van gem: Torop in een aller aangenaamst waeterrijke valleij geleegen, en bij en omtrent 't selve ook de kook en draaghuijsen der Indigo, dog stond het met de aanmaeking van dat articul thans Htil, om reedenen de Leeverantie voor dit Jaar bereeds ten Comptoire Japara was geschied, en het nieuw gewas op het veld stond, en die men ook aldaar rondom seer fleurig sag staan Na dat men het morgen ontbeis genooten had, vertrok men circa halff neegen van daar en kwaamen om 10. uuren te Coedus te rug; wanneer toen den Heere gouverneur en Mevrouw eene korke vi„ „site bij de Ratoe afleiden, en dewijl deese tans, schoon al bij Jaaren. zijnde, weeder hertrouwd is met den opperpriester te Coedus, gaff haar den Heere Gouverneur te kennen dat zijn E: gaarne soude sien
English
627 Samarang the 4th of September Anno 1784, page 59 ensure that she departed with her residence from the dalem, with orders at the same time to her nephew, the present Regent, to assign another dwelling outside the Dalem for her and her husband, and then to stipulate a certain allowance for her subsistence, without her having henceforth in the least to interfere with the administration and the revenues of the regency, as hitherto appeared to have taken place. Sunday the 6th of June, leaving Coedus at half past five in the morning, after having first taken leave of the Japara Resident van Panhuijs and his wife, one arrived at about half past eight o'clock in Pattij, where one found the Ioana Resident Rutgert Reijnier Keijzer, who after breakfast betook himself to his place of residency for the reception of the Lord Governor. Having taken the midday meal in Pattij with the first Regent the Radeen Tommongong Notto prodjo, one paid a short visit at half past four to the second Regent Radeen Tomm: Mancoe Coessoemo, whereafter departing from there by carriage one arrived in the evening at about half past seven o'clock at the Office of Ioana, where one was received with the proper honors. Monday the 7th of June, inspected the small fort which externally looked neat, but found the ramparts cracked and subsided in several places, particularly at the face of the North-East and South-East half-bastion, of which the first is already supported with three buttresses to resist the weight of the cannon; further observed in the inner buildings also several cracks and other defects in the roofs, and that in the Rice Warehouse, which is much too small to store the contingent, several beams were split and the stone pillars had shifted, while it was furthermore also observed that a part of the roof of the Rice Warehouse as well as that of the other buildings standing opposite, being the kitchen, dispensary and suchlike, came to rest on the rampart, whereby the defense of the Samarang the 4th of September Anno 1784. curtain is not a little hindered, and the batteries have no communication with each other. To which defects and shortcomings it is also added that the small fort on the east side is formed by two long faces that unite in the middle and where the front gate of the fort is situated, the said two faces each being provided with 2 cannons, which cannot be used otherwise than offensively, so that through these and further other defects the entire small fort is in a poor state, besides that the same lies situated on a very low place; whereby in the west monsoon it has much inconvenience from the water, whereas otherwise, if the same were built approximately 60 to 80 roods higher up the river, it would be entirely freed from the same and serve for a better defense. In the afternoon at 5 o'clock one paid a short visit to the Regent Tomm: Soero Wicromo, and returned homewards again at 6 o'clock. Tuesday the 8th of June in the afternoon at half past four o'clock one resumed the journey again by carriage, arrived at about half past five in Delok and found there the present Rembang Resident Ian Boers, together with the Regents of his district; after a few minutes' stay continuing the route by carriage, one arrived at about half past seven in Rembang, where one was welcomed with the proper salute and further ceremonial. Wednesday the 9th of June one held a day of rest there, and inspected in the afternoon hour the small fort; found the same with its inner buildings in very good order, together with the Resident's dwelling and outbuildings constructed inside that fort 2 to 3 years ago; yet coming up on the garret of the Resident's house, one finds the roof tiling so warped that necessity requires that the entire roof be removed from it, wherefore the Lord Governor instructed the Resident to have this carried out as soon as possible and to have the roof tiling made more substantial, in order to prevent the accidents and disasters otherwise to be expected. Thursday the 10th of June inspected the Company's timber wharf
Dutch transcription
627 Samarang den 4=e September A„o 1784, pag: 59 ag sien, dat zij zig met 'er woon uit den dalen begaff, met order tef„ fens aan haar Neeff, den praesente Regent, om eene andere woo„ ning buiten den Dalm voor haar en haar man te approprie„ ren, en haar als dan een seekere toelaag tot bestaan te stipulee„ ren, sonder dat zij sig voortaan in het minst, gelijk tot dus verre voor als nog scheen plaats gevonden te hebben, met het bestier en de Inkomsten van het regentschap soude hebben te bemoeijen. Sondag den 6: Iunij, Tochtens halff ses uuren Coedus verlaetende, na dat men alvoorens van den Japaras Resident van Panhuijs en desselvs vrouw afscheids genoomen had arriveerde men om„ „streeks halff Neegen uuren te pattij, alwaar men den Ioanas Resident Rutgert Reijnier Keijzer aantroff, die na het ochtend ontbeib sig na zijne Residentie plaats vervoegde ter receptie van den Heere gouverneur te Pattij 't middagmaal bij den eersten, Regent den Radeen Tommongong Notto prodjo ge„ houden hebbende, gaff men om halff vijff den tweeden Regent Ra„ deen Tomm: Mancoe Coessoemo een korte visite, waar na men van daar met Rijtuijgen vertrekkende arriveerde men 's Avonds omstreeks halff seeven uuren ten Comptoire Ioana, alwaar men met het behoorlijk honneur ontvangen wierd. — Maandag den 7:e Iunij bezaegen het fortje dat 'er iiterlijk sindelijk uitzag, dog vonden de walmuuren op verscheide plaatsen gescheurt en gezakt, voornamentlijk aan de face van de Noord-oost en Zuijd-oost halff Bastioen, waar van de Eerste bereeds met drie beeren ondersteuns is, tot resistentie der swaarte van't Canon, bespeurden werders aan de binnen gebouwen ook verscheiden scheu„ ren en andere gebreeken aan de daeken, mitsgaders dat in het Rijst Pakhuijs, die veels te klein is, om het Contingent te bergen, verscheiden Balken gesprongen, en de steene pilaeren uitgeweeken, terwijl 'er voorts ook geobserveert wierd, dat zoo wel een gedeelte van het Dak van het Rijst pakhuijs, als die van daar overstaande andere gebouwen zijnde de Combuijs, dispens en wes meer kwaamen te rusten op de wal muur, waar door de defensie van Samarang den 4=e September A„o 1784. van de gordijn niet weinig word belet, en de Batterijen geen Com„ municatie met elkanderen hebben. Bij welke defecten en ge„ breeken ook nog komt, dat het fortje aan de oostkant is geformeert, door twee Lange faces, die zig in het midden vereenigen en alwaar de voorpoort van het fort sig bevind, zijnde de gem: twee foces ieder van 2 Canons voorsien, die niet anders als offensier ge„ bruijkt konnen worden oversulx door deese en meer andere gebree„ ken het geheele fortje sig in een slegte staat, daar en booven dat het selve op een seer laage plaats geleegen legt; waar door in de west mousson veel in convenienten van het waeter heeft daar het anders wanneer het zelve circa 60 a 80. roeden hooger, de riviek op gebouwd wierd van het zelve geheel bevrijd zoude zijn, en tot bee„ „tere defensie dienen, 't Agtermiddags om 5: uuren gaff men den Regens Tomm: Soero Wicromo een korte visite, en keerden om 6' uuwen weeder huijswaards. Dingsdag den 8: Iunij 's agtermiddags om half vijff uren nam men met reijtuijgen de reijze weeder aan, kwaamen circa halff ses aan delok en vonden aldaar den praesenten Rembangs Resident Ian Boers, neevens de Regenten van zijn district, na eenige= minuten vertoevens de route met reijtuijgen vervolgende, arriveerde men omtrent halff seeven te Rembang alwaar men met het behoorlijk salut en verder Ceremonieel verwelkomt wierd. — Woensdag den 9=e Iunij lield men aldaar rustdag, en bezaegen in het agter„ middag uur, het fortje bevonden het selve net dies binnen ge„ bouwen in een seer goede order, mitsgaders de eerst binnen dat fortje voor 2 â 3. Jaaren g'Extrueerde Residents wooning en bij gebouwen, dog booven op de soldering van 'S Residents huijs koomende, vind men het ppan=werk soodaenig uit geweeken dat het de noodsaekelijkheid verEijscht om er het geheele dak van af„ teneemen, wesweegen den heere gouverneur, den Resident de„ „mandeerende, om sulx hoe eerder hoe lieven te laeten gevolgnee„ men en het pan werk sufficianter te doen maeken, ter voorkoo„ minge van de anders tewagte ongelukken en onheilen. — Donderdag den 10:e Iunij sComp:s Timmerwer / in ogenschein genoo„ „men 0
English
683 Samarang the 4th September Anno 1784, page 61. having seen, and the chaloups and lesser vessels on the stocks there, with whose construction they were zealously busy, the Lord Governor held on Friday the 11th June a meeting of all the regents and chiefs, at which among others were present those of Japara, Coedus, Joana, Pattij, Rembang, Lassum and Touban, to whom His Honour most earnestly recommended to be mindful of the timely delivery of their contingents, so that the rice could be transported to Batavia in good time, where that food was needed for shipment to the west of the Indies and for the assistance of the French and others. The Ingebeij at PadjanCoengang named Wirjo dimongolo having recently passed away, the Lord Governor, upon the recommendation of the Resident Boers, proceeded provisionally to reappoint thereto the Rongo at Palo, Sitjo Pattij, being a son of the deceased, to whom the aforementioned Lord Governor promised that upon His Honour's return to Samarang he would nominate him as such to Their High Mightinesses, with the recommendation in the meantime to be prompt in his affairs and continually to look after the welfare of his land and people, while in the interim the Lord Governor had handed over to him the ornaments belonging to his regency; furthermore, also upon the recommendation of the Resident Boers, Wirjo Coessoemo, being a brother's son of the Rembang Ingebeij soemo diepoero, was appointed anew as Rongo at Palo by the aforementioned Lord Governor. In the afternoon at half past 4 o'clock, after the Lord Governor had granted permission to the Regents at Japara and Coedus to return home, they departed in carriages from Rembang and arrived at 6 o'clock at Lassum, where they were received by the Regent Tommongong soero dipoero with the proper salute shots and further ceremony; subsequently walking through the town and square, the Lord Governor received from the Surabaya commander van der Niepoort the entirely unexpected news of the death at Grissee of Samarang the 4th September Anno 1784, of the Grissee Resident Barend Willem Fockens, recently appointed by Their High Mightinesses as commander of Surabaya in place of the Honourable van der Niepoort, who at his own request had been released to the Netherlands. Saturday the 12th June, they broke camp early in the morning from Lassum, around half past three o'clock, and continuing the journey on horseback they arrived first at the resting place Jamplong at half past 9, where the Lord Governor prepared letters to Their High Mightinesses containing communication of the passing of the Honourable Fockens. Sunday the 13th June, breaking camp at half past three in the morning from Jamplong and having taken breakfast along the way at Bantjar, they arrived subsequently at 9 o'clock at the resting place Pering, where the Lord Governor received news from the eastern corner of the arrival before the roadstead of the ship den Tempel, which had already been expected the past year from Ternate, and which according to the sailing pass, having departed from the said government in the month of September 1783, not having been able to make the voyage, had steered for Amboina to await the monsoon there. Monday the 14th June, departing on horseback from Pering at four o'clock in the morning, they arrived at half past eight at Touban, where they were received by the Regent Tommongong Pourbo Nogoro with the proper salute and ceremonial; the junior merchant and Surabaya pay bookkeeper Wouter Hendrik van Ysseldijk and the Bancallang Commander Fredrik Petrie, who had been sent as commissioners to Banjoranjer by the commander van der Niepoort, were found here at Touban to compliment the Lord Governor; for which purpose the regents of Sidayu, Grissee and Lamongang were also present there. Tuesday the 15th June, they remained here in order to let the corps of dragoons as well as the Javanese rest on account of the three heavy marches through the sand from Lassum up to here, and subsequently broke camp. Wednesday the 16th June, at 5 o'clock in the morning from Touban, when having breakfast around half past eight at Bandjer, and also at
Dutch transcription
683 Samarang den 4=e September A„o 1734, pag: 61. „men hebbende, en de aldaar op staepel staande Chialoupen en mindere vaartuijgen, met welkers aanbouw men ieverig beesig was, hield den Heere gouverneur op Vrijdag den 11=e Iunij bij een komste van alle de regenten en hoofden„ waar bij onder anderen praesent waaren, die van Japara, Coedus Ioana, Pattij Rembang, Lassum en Touban, aan Wien zijn Ed: op het ernstigste recommandeerde om verdagt te zijn op de tijdige Leeverantie hunner Contingenten, ten einde de rijst in tijds, naer Batavia te konnen worden getransporteert, alwaar men dat voedsel ter verzending na de west van Indien en tot adsistentie der franschen en andere benoodigd was. — Den Ingebeij te PadjanCoengang in naame Wirjo dimongolo onlangs overleeden zijnde kwam den Heer Gouverneur op voordragt van den Resident Boers, daartoe provisioneel weeder aan te stellen den Rongo te Palo Sitjo Pattij, zijnde een Loon van den over„ leedenen, aan wien welm: Heere gouverneur belofte deed, hem bij zijn Ed: thuijs komst te Samarang aan Hunne Hoog Edelheeden als zoodaenig te zullen voordraegen, met recomman„ „datie intusschen, om prompt in zijne zaeken te weezen, en steeds 't wel zijn van zijn Land en volk te behartigen, laetende inmiddens den Heere Gouverneur aan hem de ornamenten tot zijn regentschap behoorende ter hand-stellen, terwijl wijders ook op voordragt van den Resident Boers door welm: Heere Gouverneur weeder tot Rongo te Palo wierd aangesteld Wirjo Coessoemo, zijnde een broeders zoon van den Rembangs Ingebeij soemo diepoero. 's agtermiddags om halff 5. uuren, na dat den Heere gouverneur aan de Regenten te Iapara en Coedus had permissie verteent thuijswaarts te rug te keeren, vertrok men in Reituijgen van Rembang en arriveerden om 6. uuren te Lassum alwaar men door den Regent Tommongong soero dipoero met de behoorlijk salut schooten en verdere statie ge„ recipieerd wierd, vervolgens de Negorij af plaets door wandelende, ontving den heere gouverneur van den sourabaijas gezaghebber van der Niepoort de geheel onverwagte tijding van het sterfgeval de Garissel van Samarang den 4=e September A„o 1784, van den Jongst door H: H: E: tot Sourabaijas gezaghebber aangestel„ „den Grissees Resident Barend Willem Fockens, in steede van den op zijn verzoek naar Neederland verlosten E: van der Niepoort. — Saturdag den 12: Junij Brak men in den vroegen morgen, circa halff vier uuren van Lassum op, en de weg te paard vervolgende kwam men eerst op de haltplaats Jamplong om half g. aan, aldaar vervaardigde den Heere gouverneur brieven aan Hun Hoog Edelheedens aff behelsende Communicatie van het overlijden van den E: fockens. — Sondag den 13:e Junij Tochtens halff vier uuren van Iamplong opbreekende en onderweegs te Bantjar het morgen ontbeit genooten hebbende, kwam men vervolgens om 9: uuren aan de halle plaats Pering, alwaer den Heere Gouverneur tijding uit den oosthoek ontving van de komste voorgaats van het bereeds in het gepasseerde Jaar van Ternate verwagt geweest zijnde schip den Tempel, die volgens de verpaaij brieff in de maand September 1783. van het gemeld gouvernement vertrokken zijnde, de reijse niet hebbende konnen krijgen, naer Amboina was gesteevend, om aldaar de mousson aftewagten. — Maandag den 14=e Iunij, 'smorgens vier uuren van Pering te paard vertrek„ kende, kwam men om halff Agt te souban aan, alwaar men door den Regent Tommongong Pourbo Nogoro met het behoorlijk salut en ceremoineele gerecipieert wierd; den onderkoopman en sourabaijas soldij Boekhouder Wouter Hendrik van ijsseldijk en den Bancallangs Commandant fredrik Petrie, die door den gezaghebber van der Niepoort als gecommitteerdens naar Ban„ Joranjer gezonden waaren, vond men hier te Touban om den Heere Gouverneur te Complimenteeren; ten welken einde ook aldaer prae„ sent waaren de regenten van Tidaijde, Grissee en Lamongang. — Dingsdag den 15: Iunij, bleeff men hier over, om het Corps dragonders, zoo wel als de Javaenen te laeten initrusten int hoofde, van de drie swaare marschen, door het zant van Lassum aff tot hier toe, en braeken vervolgens. Woensdag den 16=e Junij sochtens om 5. uuren van Touban op, wanneer men circa halff agt te Bandjer het ontbeit houdende, en ook te
English
631 Samarang the 4th of September Anno 1784. pag: 63. having inspected the two galleys under construction at Canantie for Samarang, subsequently arrived at Banjerantjer at half past 9 from there. Departing on Thursday the 17th of June at 5 o'clock in the morning, there were, at a distance of an hour away where the heavy sand road ended, two carriages standing ready, in which the Lord Governor and his Wife, as well as Miss Hofman with the two young sons of the Lord Governor seated themselves, arriving at about half past seven at Wading, where one found the Sourabaija administrator van der Niepoort, the Panumbahan of Madura, the Pangerang of Sumanap, the Pangerang of the Baviaan, the Raden Tommongong of Pamacassang, and several other regents of the eastern corner, for the reception and complimenting of the Lord Governor; after having accomplished this and continuing the journey, one arrived at half past eight at Sidaijoe, where one was received by the Regent, Raden Tommongong Soero Diningrat, with all honors and state, and found present there the wives of the Sourabaija Captain Commandant Rasch, and of the Junior Merchant, pay bookkeeper and scribe van Ysseldijk, to compliment Mrs. Siberg. After having sat for a short while, the Panumbahan of Madura and Commandant Petrie, who was attached to him, took their leave in order to cross over homeward for the reception of the Lord Governor on tomorrow morning, but the Lord Governor, retiring from the company due to indisposition and wishing to go to rest, found himself increasingly worse, because of which one was compelled to let the Panumbahan know that the Lord Governor did not find himself in a condition to depart for Bancallang tomorrow, and that one would further inform His Highness in that regard as soon as the indisposition of the Lord Governor had improved; but the illness, with the vomiting of very much bilious and mucous matter, along with severe cramps in the intestines, increasing rapidly, so much so that one was collectively placed in the utmost distress on the 20th of this month regarding His Honor's dangerous condition, fearing sorrowful consequences, which Samarang the 4th of September Anno 1784. which His Honor himself also imagined, and therefore saw fit, in addition to the testament already passed at Batavia and resting at Samarang made between His Honor and his spouse, to arrange some further provisions by way of a codicil; but after the lapse of a few hours Heaven gave a most wished-for outcome, in that the suffering Lord began to sweat and thereupon found himself better towards the evening, the spasms significantly diminishing through the effect of the remedies that the chief surgeon Jacob Abegg had steadily applied, the Lord Governor subsequently felt himself completely freed of the pain on the 21st and 22nd, but His Honor having become completely weakened, the journey had to be postponed for a few more days; meanwhile, when the illness was rapidly increasing, one had summoned to Sidaijoe from Sourabaija both the chief master and hospital master Cramer and the skilled assistant surgeon at Sumanap, Hornhoff, to consult with the aforementioned Abegg about the illness, and the first-mentioned arriving on the 21st and the latter on the 22nd, Hornhoff was given permission, because one hoped the danger had passed, to return back home again; in the meantime there had successively also arrived at Sidaijoe from Sourabaija the Sumanap Resident van Hemert and wife, the Banjoewangi Commandant Kayzel, and several others, to inquire after the condition of the Lord Governor, whose recovery made the most wished-for progress daily, and even such that His Honor felt capable on Monday the 28th of June to continue the journey, and therefore gave notice to the Panumbahan of Madura, who had inquired daily after the condition of the Lord Governor, that His Honor was of the intention to depart from Sidaijoe tomorrow and cross over to His Highness, which then took place on Tuesday the 29th of June in the early morning at about four o'clock, the Lord Governor and his Wife proceeding into the orembai vessel of the Grissee Resident, and the rest of the company, along with the Regents, the heads of the Chinese, and several others, except the
Dutch transcription
631 Samarang den 4=e September A„o 1784. pag: 63. te Canantie de op stapel staande twee galeijen voor samarang besien hebbende, vervolgens om half, 10, te banjerantjer aankwaam van daer. Donderdag den 17:' Iunij 'smorgens 5. uuren afrijdende stonden er ter distantie van een uur ver, alwaar de swaare zantweg en einde had, twee rijtuijgen in gereedheid, waarin zig den Heere gouverneur en Mevrouw, als ook Juff=w Hofman met de twee zoontjes van den Heere gouverneur zittende, bewaamen circa hal ffagt te wading al„ waar men aantroff, den sourabaijas gezaghebber van der Niepoort, den Panumbahan van Madura, den pangerang van Dumanap, den Pangerang van de Baviaan, den Radeen Tommongong van Pama„ „cassang en meer andere regenten der oosthoeks, ter receptie en Compli„ „menteering van den Heere gouverneur na verrigtinge van dien de reijse vervolgende, arriveerde men om halff Neegen te sidaijoe alwaar men door den Regent, Radeen Tommongong soero dinin„ grat, met alle eerbewijsinge en statie ontvangen wierd, en vonden aldaar praesents de huijsvrouwen van den sourabaijas Capitain Commandant Rasch, en van den onderkoopman, soldij boekhou„ der en scriba van ijsseldijk ter Complimenteering van Mevr:e Siberg. — Na een Weinig geseeten te hebben, nam den Panumbahan van Madura, en den bij denzelven bescheiden Commandant Petrie afscheids ten einde thuijswaards over te vaaren, ter receptie van den Heere gouverneur op morgen ochtend, dog den Heere Gouverneur sig door onpasselijk= „heid van het geselschap retireerende, en sig ter auste willende begeeven, vond zig meer en meer verErgerd, waar door men genoodsaekt wierd den Panumbahan te doen weeten, dat den heere gouverneur sig niet in staat bevond, om op morgen naar Bancallang te vertrekken, en dat men zijn Hoogheid dien aangaande nader soude informeeren„ soo drar het sig met de onpasselijkheid van den Heere gouverneur gebeetert had; dog de ziekte met vomeeren van seer veel gal- en slijm= agtige stoffen, mitsgaders swaare krimpingen in de Ingewanden, hand over land toeneemende, soodaenig dat men gezaementlijk den 20. van deese maand in de uiterste bekommernisse over zijn Ed: gevaarlijke toestant gesteld wierd, met vreese van droevige gevolgen„ 't geen Samarang den 4=e September A„o 1784. 't geen zijn Ed: zig zelvs ook voorstelde, en daarom goed vond om buijt„ „ten het bereedste Batavia gepasseerd, en te samarang berustent Testament tusschen zijn Ed: en desselvs gemalinne gemaakt, nog eenige beschikkinge te reguleeren, bij weege van Codicil; dog den Heemel gaff na verloop van eenige uuren een aller gewenscht uit„ Heer komste, door dat den Leider aan het sweeten geraekende sig daarop teegens den avond beeter bevonden de kramptrekkingen, door 't effect der middelen, die den opperchirurgijn Iacob Aegg gestaedig geap„ pliceerd had, merkelijk verminderende, gevoelde sig den Heere gouverneur vervolgens op den 21. en 22: ten eenemaal van de pijn bevaijd, dog zijn Ed:e ten eenemaal verswakt geraakt zijnde, moest de reijse nog eenige daegen worden uitgestelt, intusschen had men toen de ziekte hand overhand toenam, van Sourabaija zoo wel den oppermeester en hospitalier Cramer als den kundigen onder chirurgijn te Sumanap Hornhoff naar sidaijoe ontboo„ „den, om met den voormelden Abegg over de siekte te Consuleeren welke Eerst gemelde dan ook den 21. en den laeste den 22: arriveeren„ de, gaff men aan Hornhoff permissie, om, wijl men hoopte het gevaar te booven te zijn, weeder thuijswaarts te rug te keeren; intusschen waaren te sidaijoe successive ook van sourabaija aangekoomen, den Sumanaps Resident van Hemert en vrouw, den Banjoewangies Commandant Kaijzel en meer andere, om sig na den toestans van den Heere gouverneur te informeeren, met welkers beeterschap het dagelijks aller gewenscht voortgang had, en zelvs zoodanig dat zijn Ed:e zig op„ Maandag den 28: Junij, in staat gevoelde de reijse te vervolgen, en mits dien aan den Panumbahan van Madura, die zig daegelijks na den toestant van den Heere Gouverneur had laeten informeeren, kennisse liet geeven, dat zijn Ed: van voorneemen was, om op morgen van Sidaijoe te ver„ „trekken, en tot zijn Hoogheid overtekoomen, gelijk dan ook Dingsdag den 29: Iunij in den vroegen ochtend Circa vier uuren geschiede vervoegende zig den Heere gouverneur en Mevrouwe in de orangbaaij afschuijt van den Grissees Resident en het overige geselschap, mitsga„ „dens de Regenten, de hoofden der Chineese en meer andere Excepto de 8
English
Samarang the 4th of September Anno 1784, page 65. the regents of Touban, Lassum, and Rembang, to whom the Lord Governor had granted permission to return homeward in different sorts of vessels, the number of which, both small and large, one could count at more than two hundred pieces; having arrived in the Bancallang river at half past eight, one subsequently found the prince in his full state at the place where the Lord Governor and his Lady stepped out of the vessel, who then also welcomed their Honors as well as the rest of the company in the most affable manner, and thereupon made the offer to make use of the carriages which stood ready there, but the Lord Governor, learning that the residence of His Highness was situated not far from there, chose to walk thither, whereupon, passing through a double rank of weapon-bearers, both pikemen and hussars and others besides, all well-attired, one arrived at 9 o'clock at the Dalem or court of the prince, where, under the discharge of several cannon shots and the three volleys of small arms, one enjoyed all kinds of honors, and was at the same time received most affably and stately. In the afternoon one took a short tour with the carriages, and nothing further occurred that day. Wednesday the 30th of June, the Honorable Commander van der Niepoort departed for Sourabaija alongside the Sourabaija regents to prepare what was necessary for the reception, and the Lord Governor gave the Panumbahan to know that his Honor was inclined to take a short tour to Arosbaija on the morrow, for which His Highness immediately had the necessary preparations made, as one then also, alongside the Panumbahan, Thursday the 1st of July: departed by carriages for Arosbaija in the early morning at circa 5 o'clock, and arrived there at 7 o'clock, this being in earlier times according to the narrative of the natives the place of residence of the rulers of Madura, but of which one finds not the least remains anymore. The Lord Governor wishing gladly to inspect the burial places of the rulers, which were said to be situated half an hour from there, one could nevertheless not achieve that objective on account of the bad road due to the rains that had recently fallen there. After one had taken breakfast, 1 633 Samarang the 4th of September Anno 1784, taken breakfast, one departed at half past eight and returned at circa half past ten o'clock to the Prince's dalem at Bancallang, where the Lord Governor found several letters brought both from Batavia and from Samarang, and among others one from His High Mightiness, the Lord Governor General Alting, with the news that upon the proposal made by the Lord Governor, Their High Mightinesses had appointed the recently elected Resident of Grissee, Anthonij Barkeij, as Commander of Sourabaija in the place of the deceased Honorable Fockens, with a recommendation to the Lords Masters for obtaining the effective rank of senior merchant, on which acquired lucrative post the said Barkeij was most heartily congratulated by the Lord Governor, the Panumbahan, and further friends present, and likewise the Resident of Paccalongang, Ambrosius Pieter Tulleken van Hoogenhouck, appointed in his place as Resident of Grissee, while the news further contained that in the place of the just-mentioned Tulleken, the Sourabaija Administrator Andries Hartsinck was appointed Resident of Paccalongang, and the second Resident at Djokjocarta, Abraham Gobius, was appointed Administrator at Sourabaija; furthermore that the office of second Resident at Djokjocarta was left deferred to the Lord Governor. Friday the 2nd of July, one walked to the small fort, and was welcomed there by the ensign and Commandant Petrie with three volleys of small arms from the small garrison and the discharge of the cannon; finding the small fort clean and in good order, except that the interior buildings looked rather old, one returned home again, where in the evening the Panumbahan gave a farewell feast to the entire company, at which His Highness's regents were also present, several shots being fired each time upon the drinking of various toasts. Saturday the 3rd of July, one proceeded at 5 o'clock in the morning in carriages, under the same honors and ceremonies as upon arrival, to Sotja, and there at six o'clock in boats, orembaais, and
Dutch transcription
Samarang den 4=e September A„o 1784, pag: 65. de Regenten van Touban, Lassum en Rembang, die den Heere Gouverneur permissie verleend had, thuijs=waards te keeren in differente zoorten van vaartuijgen, welkers getal, zoo kleine als groote, men meer dan twee Honderd stuks in getal tellen konde; om halff Neegen in de Bancallangse rivier gekoomen zijnde, rond men vervolgens den prins in zijne volle statie ter plaetse, alwaar den Heere Gouverneur en Mevrouwe uit het vaartuijg stapte, die dan ook hun Ed=s, als ook het verder geselschap op het minsaamste verwelkoomde, en vervolgens de offerte derd om van de reijtuijgen welke aldaar in gereedheid stonden gebruik te maaken, dog den Heere Gouverneur verneemende, dat de woo„ „ning van zijn Hoogheid niet ver van daar geleegen was, verkoos derwaerds te wandelen, wanneer men toen door een dubbeld ran„ het waepen draegers, zoo piekeniers als Huzaeren en andere meer, alle wel uitgedoscht, passeerende, om 9. uuren in den Dalm off Hofhouding van den prins aankwam, alwaar men onder het gelos van verscheide Canonschooten, en de drie charges int het hand geweer, allerleij eere genot, teffens minsaamste en destig onthaals wierd. Snademiddags deed men een tourtje met de Waegens viel er diendag verder niets voor. Woensdag den 30=e Junij „ vertrok den E. gezaghebber van der Niepoors, neevens de sourabaijasche Regententen naar sourabaija, om het noodige ter receptie in gereedheid te brengen, en gaff den Heere gouverneur aan den Panum„ bahan te kennen dat zijn Ed: geneegen was, om op morgen een tourtje naar Arosbaija te doen, waar toe zijn Hoogheid direct de noodige aanstalle maeken liet, gelijk men sig dan ook beneevens den Panumbahan. Donderdag, den 1=e Iulij: in den vroegen ochtend Circa 5. uren met rijtuijgen naar Arosbaija begaff, en aldaar om 7. uuren aankwam, zijnde dit in vroe„ gere tijden na het verhaal der Inlanders de Residentie plaats van de vorsten, van Madura, dog waar van men geen de minste overblijfselen meer vind. Den Heere gouverneur gaarne de begraefplaetsen der vorsten, die men zeede 'er een halff uur van daar geleegen waaren, willen„ de besien, konde men egter het oogmerk niet bereiken, uit hoofde van de slegte weg door de Jongst aldaar gevalle reegens. Na dat men het ontbeit 1 633 Samarang den 4=e September A„o 1784., ontbeis gedaan hadb. vertrok men om halff Neegen en kwaemen circa halff Elff uuren in Prinsen delm te Bancallang te rug, alwaar den Heere Gouverneur verscheide brieven zoo van batavia als van Samarang aangebragt vond, en onder anderen een van zijn Hoog Edelheid, den Heere Gouverneur Generaal Alting met de tijding, dat op de door den Heere Gouverneur gedaene voordragt, door Hun Hoog Edelheedens in steede van den overleeden E: fockens tot sou„ „rabaijas gezaghebber was aangesteld, den onlangs g'eEligeerd Grissees Resident Anthonij Barkeij, met voordragt aan de heeren Meesters ter erlanginge van de Effective qualiteit van opperkoopman, met welk verkreegen Lucrative post gemelde Barkeij door den Heere gou„ verneur, den Panumbahan en verder aanweesende vrienden, hartelijkst vergelukt wierd, en zoo meede ook in zijn plaats tot Grissees Resident aangestelden Paccalongangs Resident Am„ „brosius Pieter Tulleken van Hoogenhouck, terwijl de tijding al verder inhield, dat in steede van eeven gem: Tielleken, den sou„ rabaijas Administrateur Andries Hartsinck tot Paccalon„ gangs Resident, en den tweede Resident te djokjocarta Abra„ ham Gobius tot Administrateur te sourabaija waeren be„ „noemd; voorts dat den dienst van tweede Resident te Djokjocarta aan den Heere Gouverneur was gedefereerd gelaeten. — Vrijdag den 2=e Iulij, wandelde men naar het fortje, en wierden aldaar door den vaendrig en Commandant Petrie met drie Charges ins het hand geweer van het guarnisoentje en het gelos der Canon verwelle„ komt; het fortje sindelijk en wel bevindende, uitgenoomen dat de binnen gebouwen 'er al wat oud uitzaegen, vervoegde men sig weeder thuijswaards, alwaar des Avonds den Panumbahan aan het geheele geselschap, een afscheids festijn gaff, waar bij ook zijn Hoogheids Regenten praesent waaren, wordende onder het drinken van verscheide Conditien, telkens verscheidene schooten gedaan. — Saturdag den 3=e Iulij, vervoegde men zig 'smorgens om 5. uuren in rijtuijgen, onder dezelvde Eerbewijsingen en Ceremonien als bij aankomst, naar sotja, en aldaar te ses uuren in schuijten, orangbaijs en
English
636 Samarang the 4th September Anno 1784 page 67. and having stepped into other vessels, they crossed directly over under the Javanese shore; and upon passing the office of Grissee were saluted with the cannon from the small fort, as well as from the ship den Tempel lying there loading, just as they at the same time heard the artillery at sourabaija discharge. Having reached the sourabaija river around half past nine, they found the same lined on both sides with a rank of pikemen and other armed men of both Regenten. Having arrived at the residence of the gezaghebber at ten o'clock, they were saluted with three volleys of musketry and the proper cannon shots from fort Belvidera, and were welcomed and complimented by the Honorable gezaghebber and his wife, together with the political Council and other distinguished persons. In the afternoon they took a short trip to the gezaghebber's garden at simpang, situated about three quarters of an hour's walk from the city. Sunday the 4th July, they attended church service. Monday the 5th July, both the qualified servants and all the Regenten of the eastern district appeared at the report to compliment the Lord governor each individually, upon which His Honor postponed treating matters with some of the last-mentioned until the coming Thursday. In the afternoon they took a short trip to the sea beach, where to the eastward the narrow passage between Java and Madura, called the funnel, comes to an end. Tuesday the 6th July, they inspected the redoubt or small fort Belvidera, here commonly called the Mountain, though bearing no other resemblance to a Mountain than that the place on which the fort is built is somewhat higher than the city of sourabaija. They found everything therein in proper order, except that the walls of the house serving as the barracks or quarters for the soldiers, together with the rampart wall on the west side of the fort itself, were greatly cracked from top to bottom, and to which no repair of any use can be made other than demolishing the house and a part of the rampart wall, providing their foundations below with piling, and rebuilding them anew, for which, however, quite some expense would be required; and thus, in the present moneyless time, it is most advisable to leave it as it is for the time being, until such time as one will be able to perceive whether the cracks worsen or remain in statu quo, while in the meantime the stone floors, both of the soldiers' barracks and of the other inner buildings, which are entirely worn out and thereby cause unhealthiness for the men, ought to be renewed. It being noted that this redoubt, by the bulwarks and curtains newly constructed on the north side of sourabaija at the beginning of the war with the crown of England, is entirely separated from the city, whereas it ought to serve as a desperate retreat in case of attack, wherefore it appeared necessary to level a part of the said newly constructed city fortifications and to join fort Belvidera to the second bastion of the city rampart, whereby the fort can then serve as a small citadel and a free retreat in case the city, which requires many people for its defense and is weak in itself, should ever be overwhelmed by a native enemy. Subsequently inspecting the newly constructed fortifications on the north side of the city, they found a part of them subsided and the stone walls cracked in several places, which according to the testimony of the Honorable gezaghebber van der Niepoort is to be attributed to nothing other than the swampy ground upon which those works had to be constructed in haste at the beginning of the war with England, and that the earth with which the elevation was made was not given enough time to dry out properly and settle; and since for the remedy of the defect there would be no other means than to demolish those works again and rebuild them, necessity likewise demands to
Dutch transcription
636 Samarang den 4=e September A„o 1784 pag: 67. en andere vaartuijgen gestapt zijnde, stak men direct over onder de Iavasche wal; en wierden bij het passeeren van het Comptoir Grissee met het Canon uit het fortje gesa„ „tueerd, zoo meede ook van het aldaer in laeding leggend schip den Tempel, zoo als men te gelijk ook het geschut te soura„ baija hoorde Losbranden, Circa halff thien uuren de sourabaijse rivier bereikt hebbende, vond men dezelve aan weerskanten bezet met een ranket Pieken draegers, en andere in het geweer staande manschappen van beide de Regenten. om thien uuren aan het woonhuijs van den gezaghebber gekoomen zijnde, wierd men met drie Charges uns het hand geweer en de behoorlijke Canon schooten uit het fort Belvidera gesalu„ eerd, en door den E: gezaghebber en Huijsvrouw, mitsgaders den politicquen Raad en verdere gedistingueerde Lieden verwelkomt en gecomplimenteerd. s Agtermiddags deed men een tourtje naar 's gezaghebbers thuijn te simpang, omtrent drie quartier gaans van de stad geleegen. Sondag den 4:e Iulij, woonde men de Godsdienst bij, Maandag den 5:e Julij verscheenen zoo wel de gequalificeerde die„ naeren, als de gezamentlijke Regenten des oosthoeks op het Rapport om den Heere gouverneur ieder afzondelijk te Complimenteeren waar bij zijn Ed: de zaeken met eenige der laest gemelde te verhandelen tot op donderdag aanstaande uitstelde 's Agtermiddags deeden een tourtje naar Zeestrand, alwaar oostwaards het nauw tusschen Iava en Madura den tregter genaamd, een einde heeft. - Dingsdag den 6: Iulij, bezigtigde men de redoute off fortje Belvidera, hier in de wandeling den Berg genaamd, schoon geen ander gelijkheid naar een Berg hebbende, als dat de plaats waar op het fortje gebouwd staat, iets hoogen is, dan de stad sourabaija, bevonden daar in alles Eindelijk, Excepto dat de muuren van het huijs, dienende tot de Caserne off Baracque der militairen, mitsgaders de wal= muur aan de west kant van 't fort zelvs, van booven tot be„ „needen toe Samarang den 4=e September A„o 1784, „needen toe grootelijks gescheurd waaren, en waar aan geen reparatie van eenig nut te doen is, dan het huijs en een gedeelte van de walmuur aftebreeken, derselvers fundamenten van onderen met Paalwerk te voorsien, en weederom nieuw op te bouwen waar toe egter al wat on„ kosten zoude worden verEijscht, en het dus in de prasente geldloose tijd. het raadsaamst is, om het voor eerst op zijn beloop te laaten tot tijd en wijl men zal konnen ontwaeren, off het sig met de scheuren verErgerd, dan wel instatuquo blijft intusschen dat de steene vloeren, zoo van de militairen Baracque als de andere binnen gebouwen; die geheel uitgesleeten zijn, en daar door onge„ sondheid voor het volk baard, dienen vernieuwd te worden. — Geremarqueert zijnde dat deese redoute door de in den aanvang des oorlogs met de kroon van Engeland aan de Noord=kant van soura„ baija nieuw aangemaakte Bolwerken en Gordijnen, geheel van de stad gesepareerd is, daar dezelve egter behoorde te dienen tot eene disperaete retraite in cas van attacque, waarom het dus als noodsaekelijk voor kwam, om een gedeelte der gemelde nieuw aangelegde stads fortificatien te applineeren en het fort Belvi„ dera aan de tweede Bastioen van de stads=wal te voegen, waar door het fortje, als dan dienen kan tot een kleine Citadelle en een vrije retraite, ingevalle de stad, die tot defensie veel volk verEijscht, en in zig zelvs swak is, eens door een Jnlandse vijand mogte worden overnompeld. — vervolgens de nieuwe aangelegde vestings werken aan de Noord= kant van de stad besigtigende, bevonden een gedeelte derselve gesakt, en de steene muuren op verscheide plaetse gescheurd, dat volgens de betuij„ ginge van den E: gezaghebber van der Niepoort aan niets anders toe„ te schrijven is, als aan de moerassige grond, waarop die werken in den beginne des oorlogs met Engeland in den haast hebben moeten worden g'Extrueert, en de aarde waar meede de ophooging geschied is, geen tijd genoeg gelaaten is, om behoorlijk uit te droogen en sig vast te setten, en vermits er tot de verbeetering van het defect geen ander„ middel zoude zijn, dan die werken weeder afte breeken en op te bouwen, zoo verEijscht het al meede de noodzaekelijkheid, om
English
Samarang the 4=e September A„o 1784, pag: 69. in order to likewise let it take its course, until such time as one perceives whether the subsidence and the cracks worsen or not. Wednesday the 7:e Iulij, inspected the other city works and buildings, and found the defects in several of them in such manner as was stated in the Year 1782. by the Sourabaija officials, and subsequently by the Engineer Tilon in a report of 14. Julij 1783:, consisting primarily, among other things, of heavy leaks, both at the Main Guard, the hospital, the guardhouse near the point Rhijnland; the Gaol, as well as the flooring of those buildings, and also principally in the enlargement of the rice warehouse to 60. feet long and 30 feet wide, which necessity demands, since the old Warehouse, which likewise requires repair to its woodwork and flooring, is too small for the storage of the Rice, and one is not only forced to stack that foodstuff up to the collar beams of the roof, but moreover to store it elsewhere, for which reasons the Lord Governor granted authorization for the construction of a second warehouse next to the old one, of the aforementioned length and width. Thursday the 8: Iuli, the Lord Governor held, in the presence of the outgoing and incoming commanders van der Niepoort and Barkeij, separate meetings with the Panumbahan of Madura as well as with various Regents of the Eastern Salient, for the handling and settlement of several matters raised by the said commander van der Niepoort, on which occasion the well-mentioned Lord Governor first, by order of Their High Noble Excellencies at Batavia, in the name and on behalf of the Dutch East India Comp:, presented to the Panumbahan two gold salvers newly made expressly for that purpose, on which was inscribed in Dutch and Javanese: token of remembrance from the Company to the Panumbahan of Madura Adipattij Tjacra diningrat on the occasion that the Madurese auxiliary troops served at Batavia in the war of the Year 1781. against the English; giving him to understand that this gift was offered to His Highness on account of the satisfaction that the Company showed over the help and assistance rendered during the war with the English in providing Madurese auxiliary troops both at the capital Batavia and Ceylon; the Prince seeming to be very pleased with this token of satisfaction, not only thanked the Lord Governor for this pleasant present, but also requested His Honour to convey his gratitude to Their High Noble Excellencies and the Company for it, indicating that this would be an everlasting remembrance for him and his descendants; subsequently, some domestic arrangements having been settled by the Lord Governor with that Prince, and among other things that the Madurese village Cattapang would henceforth no longer be leased out to Chinese, His Highness choosing to entrust the management of the cultivation and delivery of green katjang at the said place to his Madurese chiefs, for which reason the Lord Governor ordered the Lieutenant of the Chinese at Sourabaija, Lim Inko, who had hitherto held the village in lease, to relinquish it and no longer interfere with it henceforth, but in return to receive as compensation 300: pieces of Reals from the estate of the deceased Madurese Bepattij Mangoen Nagaara. —. The Bangkalan Commander having felt aggrieved that the Chinese from time to time simply enter the dalem of the Panumbahan without his prior knowledge, and recount various matters to the credulous Prince, wherefore the Lord Governor amicably made known to His Highness that His Honour would like to see that the Chinese henceforth not be tolerated such free access into the Dalem, and that those who had anything to say or request should first present themselves to the Commander, which the Prince promised to have observed in the future and to issue the necessary orders to that effect upon his return to Bangkalan. — To the Pangeran and Regent of Simanap the Lord Governor gave
Dutch transcription
Samarang den 4=e September A„o 1784, pag: 69. om het insgelijks daar meede op zijn beloop te laeten, tot tijd en wijl men ontwaard off het sig met de zakking en de scheuren verErgerd ofte niet. Woensdag den 7:e Iulij, Bezaegen de verdere stads werken en gebouwen, en bevonden de gebreeken aan verscheide derzelver indiervoege als in den Jaare 1782. door de sourabaijasche bediendens, en vervolgens door den Ingenieur Tilon bij berigt van den 14. Julij 1783: is opgegeeven, bestaan„ „de voornaementlijk onder anderen in swaare lekkagien, zoo aan de Hoofdwagt het hospitaal, de wagt bij de punt Rhijnland; de Boeijen, mitsgaders bevloering van die gebouwen, als ook ten principaele in de vergrooting van het rijst pakhuijs tot 60. voeten lang en 30 voeten breed, dat de noodsaekelijkheid vorderd, vermits het oude Pakhuijs, die insgelijks aan dies Houtwerken en bevloering reparatie verEijscht, tot Berging van de Rijst te klein, en men niet alleen genoodsaakt is, dat voedsel tot de haan=balken van het dak op te stapelen, maar om het zelve daar en boven elders anders op te schuuren, om welke ree„ denen den Heere Gouverneur qualificatie kwam te verleenen tot den aan„ bouw van een tweede pakhuijs naast het oude, van de voorsz: lengte en breete. Donderdag den 8: Iuli, hield den Heere Gouverneur in bij weezen van de afgaan„ „de en aankoomende gezaghebbers van der Niepoort en Barkeij afsonder„ „lijk bij een komste met den Panumbahan van Madura als met verscheide Regenten des oosthoeks, ter verhandeling, en afdoening van eenige door den gemelde gezaghebber vander Niepoort opgegeeve zaeken en bij welke geleegentheid Welm: Heer gouverneur 't eerst ter order Hun„ ner Hoog Edelheeden te Batavia uit naam ende van weegens de Neederlandsche Oost Indische Comp: aan den Pauumbahan overrijkte twee Expres daar toe nieuw aangemaakte goude schenkblaeden, waarop in't Neederduijts en Javaans g'inscribeert stond, gedagtenis Teeken van de Compagnie aan den Panumbahan van Madura Adipattij Tjacra diningrat bij geleegentheid dat de Madureesche hulptrou„ pen op Batavia hebben gediend in den oorlog van den Jaare 1781. teegens de Engelschen; onder te kennen geeven, dat dit geschenk zijn Hoogheid geoffreerd wierd, uit hoofde van het genoegen dat de maatschappij to 637 Samarang den 4=e September A„o 1784, maatschappaij betoonde over de beweesen hulpe en adsistentie geduurende den oorlog met de Engelschen in het verleenen van Madureesen hulptroupes zoo ter hoofdplaats Batavia als Ceilon; Den Prins over deese blijk van Contentement seer in zijn schik scheinende te zijn, bedankt niet alleen den Heere gouverneur voor dit aangenaam prasent, maar verzogt zijn Ed: om ook zijne dankbetuijginge aan Hun Hoog Edelheedens en de maat„ „schappij daar voor te willen afleggen, onder te kennen geeven dat dit tot een altoos duurende gedagtenisse voor hem en zijne nakome„ „lingen zijn zoude vervolgens door den Heere Gouverneur met dien Prins eenige huijselijke beschikkingen afgedaan hebbende, en onder anderen dat de Madureesche Negorij Cattapang voortaan niet meer aan Chineesen in huur soude worden afgestaan, verkiesen„ de zijn Hoogheid de derectie van den aanplant en Leeverantie van groene Catjang te dier gem: plaetse aan zijne Madureesche Hoofden op te draegen, wesweegen den Heere gouverneur aan den Lieutenant der Chineesen te Sourabaija Lim Inko die de Negorij tot dus verre in pagt bezeeten had, gelastede daar van afte zien en 'er zig voortaan niet meer meede te bemoeijen, maar daar en teegen uit den boedel van den overleedenen Madurees bepattij Mangoen= Nagaara tot dedomageeren te ontvangen 300: p=s Reaalen. —. Den Bancallangs Commandant zig beswaart hebbende gevonden over dat de Chineesen van tijd tot tijd sig maar in den dalm van den Pamimbahan sonder zijne voorkennisse begeeven, en den alles ge„ loovenden Prins deese en geene zaeken verhaelen, waarom den Heere Gouverneur aan zijn Hoogheids in den minne te kennen gaff dat zijn E: gaarne soude zien, dat de Chineesen voortaan sulk een vrijen toegang in den Dalm niet mogte worden getollereerd, en dat de zulken die iets te zeggen aff te verzoeken hadden zig alvoorens bij den Commandant mogten vervoegen, 't welk den Prins beloofde in't vervolg te sullen laeten nakoomen en daar toe bij zijn te rug komste te Bancallang de noodige ordres te stellen. — Aan den Pangerang en Regent te Simanapgaff den Heere Gouver„ neur
English
Samarang, the 4th of September, anno 1784, page 71. The Governor gave strict orders to be more exact in the future, according to order and custom, in giving notice to the Landraad at Samarang of the murders that happen now and then under his districts, and also to keep better watch for the apprehension of the perpetrators than seems to have occurred until now; while the said Lord Governor pointed out to that Regent the important losses and burdens that the Company had suffered and borne during the war with England, and therefore asked him to consider whether from his lands, which yielded him such notable revenues, some greater revenues might also be obtained for the Company than the very small contingents that, in comparison with other Regents, have hitherto been imposed on him by the bond agreements. This the Lord Governor gave that Pangeran for serious consideration, with the recommendation to turn his thoughts to it and, on the occasion of the Lord Governor's current presence in the Eastern Salient, to declare himself, which he accepted and promised to take into consideration. The Lord Governor, having expressed His Honour's displeasure to the Pangeran of the Island of Lubok, or the Baviaan, regarding his improper indulgence in permitting not only so many vessels from across the water, but even such vessels as make it their practice to supply the Company's enemies with the necessary provisions and other articles, directly contrary to the contract made by him, the Pangeran, with the Company, for those reasons announced to him that henceforth the inhabitants of the Baviaan would be permitted to collect no more rice and paddy from Java than is required for the inhabitants' own sustenance, setting the quantity according to the number of residents at 3000 bundles of paddy, which the inhabitants shall be allowed to transport from no other place than solely from Sourabaija, and that it shall also not be permitted to any Chinese to carry on any the least trade thither, under penalty of confiscation of vessel and cargo; and that in the future, to prevent the illicit trade and correspondence with foreigners which hitherto appears to have been carried on on the island, an overseer would be stationed on behalf of the Company with some native military personnel, to the number of: 1 Sergeant, 2 Corporals, 1 Drummer, and 18 Soldiers, the Lord Governor appointing the bookkeeper Hendrik Fredriksz as overseer and postholder there. Upon the request made in that regard by the Passourouang Regent, the Adipattij Nitibiningrat, the Lord Governor granted him the liberty henceforth to chain in irons, according to their deserts, the thieves and other malefactors caught in his district, provided, however, that proper notice thereof is given to the Landraad at Samarang. Subsequently, having spoken with the joint Regents, of Passourouang, Banger, and Bangil, as well as with those of Eastern and Western Balemboangang, that, since their districts and the inhabitants had now, through the exemption from all taxes for several years in succession, come to some recovery, one should now also consider accommodating the Company with the delivery of some produce to relieve the costs and expenses spent from year to year; to which proposal the said Regents then also showed themselves willing to give the required proofs of their readiness to the Company as much as was feasible, and therefore it was agreed with them that in the upcoming year 1785 a beginning would be made with the delivery in the following manner, to wit: The Regent of Passourouang, just as before, the quantity of 60 coijangs of rice, and 10 coijangs from the small district of Torong, both for money, with exemption, however, from the 3 picols of cotton yarn also previously delivered. The Regent of Banger, 8 coijangs of rice, 6 picols of wax, 2 picols of cotton yarn, the
Dutch transcription
Samarang den 4=en September A„o 1784, pag: 71: „neur in ernstige mandatis, om in 't vervolg na de order en het gebruijk wat Exaeter te zijn in de kennis geeving aan den Landraad te samarang van de moorden, die 'er nu en dan onder zijne districten geschieden, en om teffens beeter te laaten vigileeren ter appraehendeeringe van de daeders, dan tot dus scheint geschied te weesen. terwijl welm: Heere gouverneur dien regent kwam voor te stellen de importante verliesen en Lasten, die de Comp: geduurende den oorlog met Engeland geleeden en gedraegen had, hem oversulx in Consideratie gevonde, of 'er uit zijne Landen, dewelke hem sulke naamwaardige In„ „komsten op Leeverden, ook voor de Maatschappije met eenige meerdere revenuen souden te behaalen zijn, dan de seer geringe Contingenten, die hem na maete van andere Regenten, tot dus verre bij de verbandschriften zijn opgelegd, 't geen welm: Heere Gouverneur dien pangerang in ernstige overweeging gaff„ met recommandatie om daar over zijne gedagten te laeten gaan en dient weege sig bij geleegentheid, dat den Heere gouver„ „neur thans in den oosthoek aanweesend was te verklaeren, 't geen denzelven aannamen beloofde in Consideratie te zullen neemen. — Den Heere Gouverneur aan den pangerang van het Eijland Lubok off de Baviaan zijn Ed=s ongenoegen betuijgd hebbende, over zijne ongepaste toegeevendheid, in het permitteeren, niet alleen van zoo veele overwalsche vaartuijgen, maar ook zelvs van zulke die ge„ bruik maeken om sComp=s vijanden van de noodige Leevens mid= „delen en andere artikulen te voorzien, regtdraads strijdende teegens het Contract door hem pangerang met de Comp: gemaakt, kondigde zijn Ed:e hem om die reedenen aan, dat voortaan aan de Ingeteekenen van de Baviaan geen meerderen afhaal van rijsten Padij van Iava zoude worden gepermitteert, den tot eigen voedsel der Ingeseetenen be„ „noodigd is, stellende de quantiteit na maate der inwoonders op 3000. bosschen Padij, die de Inwoonders van geen ander plaets zul„ len moogen vervoeren, als eenelijk van Sourabaija en dat het ook aan geen Chinees sal vrij staan derwaerds eenige de minste handel te 633 e Samarang den 4=e September A„o 1784. te voeren, sup pane van Confiscatie van vaartuijg en Laeding en dat 'er in 't vervolg ter voorkominge van den ongepermitteerden handel en Correspondentie met vreemden, welke tot dus verre op het Eijland scheimnb gedreeven te werden s Comp=s weegen een opsigter soude worden geplaetst met eenige Jnlandsche militairen, ten getalle van. 1 Zergeant 2. Corporaals, 1. Tamboer, en 18. zoldaeten, benoemende den Heere Gouverneur tot opsigter en Posthouder aldaar den Boekhouder Hendrik Fredriksz: op 't dientwee„ gen door den Passourouangs Regent, den Adipattij Nitibinin„ grat gedaan verzoek, verleende den Heere Gouverneur hem de vrijheid, om voortaan de in zijn district geattraspeerd wordende diewen en andere kwaaddoenders; na merites in de ketting te moo„ gen klinken, mits egter daar van aan den Landraad te Samarang behoorlijk kennis geevende vervolgens met de gezaementlijke Regen„ „ten, zoo van Passourouang, Banger en Bangil, als met die van Ooster en Wester Balemboangang gesprooken zijnde, dat vermits hum„ „ne districten en de Inwoonders nu door de vrijlaeting seeders eenige Jaaren agter een van alle belastingen weeder tot eenig verhaal ge„ koomen waaren, men nu ook diende verdagt te zijn, om de Comp:e met de Leeverantie van eenige producten te gemoed te koomen; tot soulaas van de kosten en ongelden die er van Jaar tot Jaar gespen„ deert worden: op welk voorstel de gem: Regenten zig dan ook gewil„ „tigd betoonde, om zoo veel doenlijk was de Maatschappije van haare be„ „reidwilligheid de verEijschte blyken te geeven en oversulks 'er met hun over een gekoomen wierd, dat in het aanstaande Jaar 1785. een begin soude worden gemaakt met de Leeverantie invoegen als volgd, te weeten: Den Regent van Passourouang, eeven als voor heen de quantiteit van 60 Coij=s Rijst, en 10. Coij=s int het destrietje van Torong, beide voor met, met excuseeringe egter van de ook bevoorens geleeverde 3. pic: Cattoene gaaren. Den Regent van Bangen 8: Coij=s Rijst, 6. pic: wa, 2: pic: Cattoene gaaren, het