Inventory 3790
Ceylon · 936 pages · 139 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
To the same as before. to repel force by force, until orders are brought to us for our further guidance in this matter, the authenticity of which cannot be called into doubt. To Jaffenapatnam, Trinkonomale, Gale and the other subordinate stations, the necessary orders are dispatched in accordance herewith. We commend Your High Mightinesses and the interests of the Company to God's safe keeping, and remain with all respect and fidelity, (was signed below) High Noble, Greatly Honorable, Widely Commanding Lord, Noble Severe Lords, Your High Mightinesses' humble and very obedient servants. (was signed) W. J. van de Graaff. P.r Sluijsken. D. J. Joetzen Joh.s Reinsous. (in the margin:) Kolombo, the 12th of March 1788. We have the honor to present herewith to Your High Mightinesses our secret letter of the 12th of March last, which arrived too late at Gale to depart with the ship Alblasserdaen; and we now take the liberty, in continuation of what was mentioned therein regarding the expedition of the Governor of Pondicherij, the Chevalier de Conway, to give an humble account by this dispatch of what has occurred since. On the 22nd of March we received from Trinkonomale the servants' letter of the 15th preceding, a copy of which is attached hereto, containing the report that on the same day a letter had been brought thither with a small French vessel, the Pandoer, from the Lord de Conway, addressed to the Chief of the Station and also accompanying this in copy, in which he informed that he was on his way to the assistance of Trinkonomale; and since we could not know what the consequence of this would be, we judged it necessary to hold back the ship de Maria, which was about to depart for the Netherlands, a little longer, in order to give notice thereof to the Lords Majors. To the specific question that the Trinkonomale servants put to us in their secret letter of the 30th of December last, how they ought to behave if the Government of Pondicherij should send them troops for assistance unasked, we had written to them by letter of the 16th of January that if this happened at a time when they thought they had no need of them, they were to decline them with thanks; that if these auxiliary troops did not turn back thereupon, they were to plead lack of qualification to be able to accept them; and that they were to leave it at that, and immediately give us notice thereof; provided that the troops remained camping outside the forts, and that, as it went without saying, this occurred with no hostile intent. Without conducting themselves according to this instruction, the servants wrote to the Lord de Conway the very incautious and in any case very untimely answer contained in their letter, which is also dated the 15th of March and goes in copy herewith. The motives which the Lord de Conway states in his aforesaid letter to have moved him to take this step appeared to us in the highest degree strange and suspicious, as we have circumstantially pointed out in our answer to the Trinkonomale servants, which also accompanies this in copy, to which, for the avoidance of great prolixity, and since the Lord Conway aforesaid has since abandoned his intention, we request permission humbly to refer. By this answer we made them see how very poorly they had acted in answering the Lord Conway in such a manner as had been done; yet since this could not now be undone, we thought it best not to be very elaborate about it at a time when it was above all necessary to encourage the servants anew to defend manfully the post entrusted to them against all insults. On account of the aforesaid reports, we could scarcely doubt that the Lord de Conway would already have disembarked before the receipt of our answer, and it is according to this understanding that our aforesaid answer to the servants was framed. Nevertheless, we wrote to them therein that if the Lord de Conway, to whom we have written the letter that goes in copy herewith, had not yet disembarked upon the receipt of our letter, and if, notwithstanding this letter and the further remonstrances that we instructed the servants to make against it, he should refuse to desist from his intention of bringing his accompanying troops onto the Company's territory, they were, if he actually proceeded with the disembarkation thereof, to treat him as an enemy. Yet on the 26th following, about twice twenty-four hours after the dispatch of our aforementioned answer, we received from Trinkonomale a letter of the 19th, also accompanying this in copy, by which notice was given to us that the Lord de Conway had desisted from his aforesaid intention, and that he consequently had arrived at Trinkonomale alone with the frigate Astrée for a few hours, and still
Dutch transcription
Aan als Vooren. geweld aftekeeren, tot dat ons tot onze verdere bestiering in dee„ „zen, ordres worden toegebragt, welker autenticiteid niet in twijffel te trekken is. Naa Jaffenapatnam Prinkonomiale, Gale een de anderege onderhoorige kantooren gaan overeenkomstig hiermeede de noodige beveelen af. Wij beveelen uw Hoog Edelheeden en de belangens der Maat„ „schappij in Godes vijlige hoede, en blijven met alle eerbied en trouwe /:Onderstond:/ Hoog Edele Groot Achtbaare Wijd Gebiedende Heer, WelEdele Gestrenge Heeren, uwer Hoog„ Edelheedens, Onderdaanige en zeer Gehoorzaeme Dienaaren. :/was geteekend /: W: J: van de Graaff. P=r Sluijsken. D: J: Joetzen Joh=s Reinsous. /: in margine:/ Kolombo den 12: Maart 1788: Wij hebben de eere Uwen Hoog Edelheeden hierreffens aan„ tebieden, onze secreete brief van den 12: maert Jongstl:, die te laat op Gale gekoomen is, om met het schip Al„ „blasserdaen aftegaan; en gebruijken tans de vrijheijd, om ten vervolge van het daarbij vermelde, noopens den tocht van den Gouverneur van Pondicherij, de Weer de Gonwaij, bij deeten hoogt dezelven needrig verslag te doen, van het geen zeedert is voorgevallen. Den 22: Maart hebben eve van Trinkonomale ontfangen, der bedienden brief van den 15: bevoorens, die hiernevens in copij gaat, houdende benitt, dat ten zelven daege aldaar met een frans scheepje de Pandoer, was aangebragt een brief van den Heer de Gonwaij, aan 't Opperhoofd van Senden gerieht en meede in copij deezen verzellende, waarbij hij bedeelde, dat hij op koomende weg was, tot bijstand van Grin„ „ko„ H 1802 803 „konomale, en wijl we niet weeten konden, wat het gevolg hiervan zoude zijn, hebben wa het noodig geoordeeld, het schip de Maria, dat op vertrek naa Neederland stond, nog wat optehouden, ten einde daarvan aan de Heeren Majooras kennis te geeven Op de speciaale vraage, die de Jrinkonomaalsche bedienden aan ons hebben gedaan, bij hunnen secreeten brief van den 30: December jongste:, hoe ze zich te gedraagen hadden, indien 't Gouvernement van Condicherij hun ongevraegd, troepes tot hulp toezond, hadden wa hun bij brief van den 16=de Januarij aangeschreeven, dat zoo dit gebeurde in een tijdstip, waarin ze dachten dezelve niet noodig te hebben, zij daarvoor moesten bedanken; dat zoo deeze hulptroepen daarop niet terug keerden, ze zich moesten beroepen op gebrek van qualificatie, om die te kunnen aanneemen; en dat te het daarbij moesten laaten, en ons daarvan als dan daadelijk kennis geeven; mits de troepen buijtende forten bleeven campeeren, en dat, gelijk het van zelve sprak, zoo het met geen vijandig oogmerk geschiede. zonder zigh naar dit voorschrift te gedraagen, schreeven de bedienden aan den Heer de Gonwaij, het zeer onvoorzeik„ „ig en in allen gevalle zeer ontijdig antwoord, vervat bij huuren brief, die meede den 15: maart gedateerd is, en in copij hiernevens gaats he motiven, die de Heer de Gonwaij, bij voorsz: zijn brief opgeeft, hem te hebben bewoogen tot het doen van deezen stap, kwamen ons ten hoogsten vreemden verdaght voor, gelijk we dat, bij ons antwoord aan de Toinkonomaalse bedienden, 't welk meede copielijk deezen verzeld, omstaendig hebben aangeweezen, waaraan we ter ver„ „mijding van groote wijsloopigheijd, en wijl de Heer Ponwaij voorsz: voorsz: zijn voorneemen zeedert heeft gestaakt, verlof verzoeken ons naederig te moogen gedraagen. Bij dit antwoord hebben we hun doen zien, hoe ze zeer kwaalijk hebben gedaan, om den Heer Ponwaij in diervoegen te antwoorden, als geschied is; Dan wijl dit nu niet te herdoen was, heb„ „ben we gemeind, daarover niet heel breedvoerig te moeten zijn, in een tijd, dat het voor al noodig was, om den bedienden op— nieuw optewakken, om de aare hun toevertrouwde post, manmoedig teegen alle insultes te bewaaren. we konden, uijt hoofde van de voorsz: berichten, bijnaa niet twijffelen, of de Heer de Gonwaij zoude, voor den ont„ „vang van ons antwoord, reets gedebarqueerd zijn, en 't is naar dit begrip, dat ons voorsz: antwoord aan de bedienden ƒ is ingericht. Nochtans hebben we hun daarbij aange„ „schreeven, dat zoo de Heerde Gouwaij, aan wien we ge„ „schreeven hebben den brief, die in Popij hierneffens gaat, op den ontvang van onten brief, nog niet mogte zijn ont„ „scheept, en dat hij niet teegenstaande deezen brief, en de naa„ „dere vertoogen, die we den bedienden gelast hebben daar„ „teegen te doen, niet mogte willen af zien van zijn oogmerk, ome zijne meede gebragte troepes op 's Comp:=s territoir te brengen, zij hem, indien hij werkelijk met de ontscheeping daarvan voortging, als vijand zouden behandelen. Dan op deze 265 daaraan, omtrent twee maal vier en twintig uuren naa het afgaan van voorm: ons antwoord, hebben we von Trinkonomale ont„ „vangen een brief van den 19: meede in copij deeten verzellende, waarbij ons wierd kennis gegeeven, dat de Heer de Ponwaij van voorsz: zijn voorneemen had afge„ „zien, en dat hij mitsdien alleen, met het fregat, t' Astrée, voor eenige uuren op pinkonomole was aangekoomen, en nog
English
1803 was to depart again that very same day. Along with this letter, the first signatory Governor also received a letter from Mr. de Conway himself, a copy of which is included herewith. After having stated beforehand that he had the strictest orders from his Court to watch over the security of the Dutch possessions in the Indies, and that he especially had to be vigilant for the preservation of Trincomalee, he continues that, having received news of very alarming movements by the English Government, in order not to lose time by waiting for our requests for assistance, he had immediately resolved to embark for Trincomalee with a corps of troops, which he estimates in this letter of his at 800 men; but that, being detained for some time with his ships on the Coast by contrary winds, he had in the meantime received further reports which had reassured him that the movements of the English were not directed against Trincomalee; and that this had caused him to decide to let his ships with the troops remain off Karikal, and solely in person, with the frigate L'Astrée, to cross over for a moment to Trincomalee, in order to verify for himself the validity of the last-mentioned news. As this matter has ended herewith without further consequences, we refrain, in order not to abuse the attention of Your Right Honourables, from all remarks on the aforesaid letter of Mr. de Conway, which moreover shows clearly enough how much he himself feels that his aforesaid step was bound to surprise us in the highest degree at this juncture. Trincomalee currently has a garrison of over 1200 men, and in addition to this, upon the aforesaid news, we immediately sent thither from Mannar another company of Easterners and a company of Sepoys, To as above. from Mannar thither, whom we shall allow to remain there for the time being. The provisional fortification, so far as it has been possible to carry out for the present, is advanced to such a degree that we believe we may reasonably hope that a fairly good defence can be made from it. Nevertheless, as soon as the monsoon has advanced somewhat further and we can consequently do so with greater peace of mind, if circumstances should in any way make it necessary, we shall send thither another company of national Europeans and a company of Easterners, to relieve the detachment of the Regiment of Luxemburg that is stationed there, and concerning which, as Your Right Honourables will see from our aforesaid letter to Trincomalee, we have already written to the officials to send the same to Jaffnapatnam, should they deem it necessary. Much reliance, we must not conceal it, we dare not place on the aforesaid Regiment if it should have to serve against the French. We commend Your Right Honourables and the interests of the Company to God's safe keeping, and remain with all respect and fidelity. Was subscribed: Right Honourable, Highly Esteemed, Widely Ruling Lord, Honourable, Stern Lords, Your Right Honourables' humble and very obedient servants. Was signed: W. J. van de Graaff, P. Sluijsken, D. Th. Fretz, E. Gilenius, G. E. Holst, M. P. Raket, J. Reintous, and C. J. Schreuder. In the margin: Colombo the 5th of April 1788. The first undersigned Governor communicated to our assembly on the 28th of February last what was written by Your Right Honourables in your most honoured separate dispatch of the 23rd of October last, upon which we deliberated on the same day with all possible attention, and 1804 Examined P. J. Andrisz. and after having taken into consideration everything that was remarked by Your Right Honourables on this occasion, it appeared to us that, besides it being more advisable at this juncture to occupy ourselves for the present only with having the defects in the fortifications provisionally repaired as well as possible, rather than taking new works in hand, the time also approaches closer and closer to be able soon to expect the definite orders of the Honourable, Highly Esteemed Lords Masters, or at least the opinion of the Governor of the Cape and Lieutenant Colonel Gilquin on the proposals made in that regard from time to time; and in the hope of Your Right Honourables' most honoured approval, we have resolved to postpone making a beginning on the construction of all new works until the receipt of such plans as are necessary in order to be able to undertake and continue those things with confidence. We commend Your Right Honourables and the interests of the Company to God's safe keeping, and remain with all respect and fidelity. Was subscribed: Right Honourable, Highly Esteemed, Widely Ruling Lord, Honourable, Stern Lords, Your Right Honourables' humble and very obedient servants. Was signed: W. J. van de Graaff, P. Sluijsken, D. T. Fretz, P. Gilenius, G. E. Holst, M. P. Raket, and C. J. Schreuder. In the margin: Colombo the 12th of April 1788. Agrees. Wijbrands First Clerk
Dutch transcription
1803 nog dien zelfden dag weeder stond te vertrekken. met deezen brief ontfing ook de eerstgeteekt, Gouverneur een brieff van den Heer de Gonwaij Zelve, waarvan copij in deezen overgaat. Naa daarbij vooraf te hebben gezegd, dat hij de strikste be„ „veelen van zijn Hof had, om voor de zeekerheijd van de hol„ „landsche bezittingen in Jndien te moeten waaken, en dat hij inzonderheijd waakzaam moeste zijn voor het behoud van prinkonomale, vervolgd hij, dat hij tijding hebbende ontfan„ „gen, van zeer ontrustende beweegingen van het Engelsch. Gou„ „vernement, om geen tijd te verliesen met naar onze verzoe„ „ken om assistentie te wagten aanstonds hadde beslooten, om zich intescheepen naa Jnnkonomale met een Corps— troepen, dat hij bij deezen zijnen brief op 800: man begroot, doch dat hij, door contrane winden, een tijd lang met zijne scheepen op de Rust zijnde opgehouden, intusschen naadere be„ „richten ontfangen had, die hem hadden gerust gesteld, dat de beweegingen der Engelschen niet teegen prinkonomale waren ingerigt; en dat hem dit hadde doen besluijten, om zijne scheepen met de troepes voor Kankal te laaten leggen, en alleen voor zijn perzoon, met het fregat L' astrée, voor een oogenblik naa pinkonomale overtesteeken, om door zich zelfs te verofieeren de gegrondheijd van laatstgem: tijding. Wijl dit geval hiermeede afgeloopen is, zonder verdere gevolgen, onthouden we ons ten einde de aandagt van Uwe Hoog„ „Edelheeden niet te misbruiken, van alle aanmerkingen, op den voorsz: brief van den Heer de Gonwaij, die voor het overige duijdelijk genoeg aantoond, hoe zeer hij het zelfs voeld, dat zijn voorsz: stap ons in dit tijdstip ten hoogsten heeft moeten verwonderen. sinkonomale heeft tans een Guarrizoon van ruim 1200: man, en hierbij hebben we, op de voorsz: tijding, aanstonds nog een Gompenie oosterlingen en een Compenie Sipahis, van Manaar Aan als Vooren. Manaar naa derwaards gezonden, die we daar voor eerst zullen laaten blijven. De provisioneele bevestiging is, voor zoo— verre het voor het teegenswoordige heeft kunnen geschieden, zoo verre gevorderd, dat we met gronds meenen te moogen hoopen, dat daarvan eene taamelijke goede verdeediging zal kunnen gedaan worden. We zullen niet te min„ zoo draa de mousson wat meer gevorderd is, en dat we dit mitsdien met meer gerustheijd kunnen doen, zoo de omstandig„ „heeden het eenigzints mogten noodig maaken, nog eene Pompenie nationaale Europeesen en een Comp: oosterlingen na derwaards zenden, om het detachement van 't Regiment van Leekemburg, dat daar legd, aftelossen, en waaromtrent we, zoo als uwe Hoog Edelh: bij voorsz: onten brief naa Trinkonomale zullen zien, den bedienden bereeds hebben aangeschreeven, om, in „dien ze het noodig agten, het zelve naa Jaffenapatname te verzonden. Veel staat, we moogen het niet ontwijnsen, durven maast. „we op het voorsz: Regiment, zoo het teegen de franschen die„ „nen, met niet maaken. Wij beveelen uwe Hoog Edelh: en de belangens der maatschappij in Godes vijlige hoede, en blijven met alle eerbied en trouwe. :/Onderstond/: Hoog Edele Groot Achtbaare Wyd Gebiedende Heer WelEdele Gestrenge Heeren, Uwer Hoog Edelheedens Onder„ „daanige en zeer Gehoorzaeme Dienaaren. /:was geteekend:/ W: J:s van de Graaff. P=r Sluijsken. D: Th: Fretz: E: Gilenius. G: E: Holft. M: P: Rakel. J:s Reintous, en C: J: Schreuder. /: in margine:/ Holombo den 5: April 1788:~ De eerst ondergeteekende Gouverneur, heeft op den 28: februarij jongst: in onze vergaedering gecommuniceert, het geschree„ „vene door Uwe Hoog Edelh: bij hoogst derzelver zeer g'eerde apparte missive van den 23: October Jox:, waarop we ten zelve daage met alle moogelijke aandagt hebben gedelibereerd, en d 1804 Nagezien P: J: Andrisz: en naa daarbij in overweeging te hebben genoomen, al het geene door uwe Hoog Edelheeden bij deeze geleegeertheijd is geremarkeerd, is het ons voorgekoomen, dat behalven dat het in dit tijds gewrigt meer aanteraaden waare, zig voor eerst alleen beezig te houden met de defecten aan de fortificatie werken, zoo goed moogelijk provisioneel te doen verhelpen, dan om nieuwe stukken onder handen te neemen, ook de tijd meer en meer naadert, om spoedig te kunnen te gemoed zien, de stellige beveelen der Edele Hoog Achtb: Heeren meesteren, of ten minsten het gevoelen van den Heer Gouverneur van de Raap, en den Luijtenant Hollonel de Heer Gilguin, op de voor„ „stellen van tijd tot tijd derweegens gedaan, en we hebben in hoope van uwe Hoog Edelheeden zeer g'eerde goedkeuring beslooten, het maaken van een begin tot het aanleggen van alle nieuwe werken uitgesteld te laaten, tot den ontfangst van zodaanige plans als noodig zijn, om die dingen met gerustheijd te kunnen onder„ „neemen en voortzetten. Wij beveelen uwe Hoog Edelh: en de belangens der Maatschappij in Godes vijlige hoede, en blijven met alle eerbied en trouwe. :/Onderstond /: Hoog Edele Groot Achtbaare WijdGebiedende Weer„ WelEdele Gestrenge Weeren, Uwer Hoog Edelhs Onderdaanige en zeer Gehoorzaeme Dienaaren. /:was geteekend:/ W: J: van de Graaff. P=s Sluijsken. D: T: Freth, P: Gilenius. G: E: Holft. M: E: Raket, en C: J: Schreuder. /:in margine:/ Molombo den 12: April 1788: 3. — Accordeert. Wijbrands dEgklerk
English
1805 Secret. Batavia To his High Nobility Mr. Willem Arnold Alting Governor-General on behalf of the state of the free United Netherlands and the General Dutch Chartered East India Company, and The Honorable and Valiant Gentlemen Councillors of the Dutch Indies High Noble, Grand Honorable, Wide-Ruling Lord, Honorable Valiant Gentlemen. We have had the honor to receive Your High Nobility's highly esteemed secret missive of 15 April 1790, and thank Your High Nobility most humbly for the favorable approval of the measures taken by us, in order to be covered as much as possible against all eventualities. The masters of the chartered ships, the Drie Gebroeders, the Vrouwe Johanna, the Susanna, 't Fortuijn, and Josephus de Tweede, have, already upon the arrival of the national brig the Diana, made the proposal to us to provide them with the convoy of the said brig on the return voyage to Europe; but Mr. Wellingman, commander of the said vessel, having been consulted on the matter, declared that, however gladly he wished to comply with the desire of the aforesaid masters, it nevertheless could not be done, because his vessel, on account of its small size, was not suited for it, and also especially because the orders he had commanded him to return with all haste. Upon the arrival of the national frigate Ceres, the aforesaid masters further requested to have the convoy of this frigate; and its captain, Mr. van Halm, upon the communication thereof given to his Honor, undertook to grant the requested convoy; with notice at the same time that the frigate would touch at the Cape of Good Hope, and if the occasion permitted, would sail on the 1st of this month. Although we did not think at that time that it would take so long with the departure of the Regiment of Luxemburg, we nevertheless thought it better, in order to prevent all unpleasant eventualities, rather to have the transport ships wait for it than to let them depart without convoy, since we were in a position to provide it to them; and we have consequently resolved on 31 August 1790, pursuant to the aforesaid request, to place the said ships under the convoy of the aforementioned national frigate. However, because we considered these ships then as good as ready to sail, and thought that they could have been dispatched by the 8th or 10th of September, and that consequently the longer detention of these ships was solely a consequence of the convoy requested by the masters, we resolved at the same time to defer to the Gentlemen Directors the question whether also for the lay days which the aforesaid ships spent in the bay of Gale after the 10th of September, the eighty Guilders per day for each ship, stipulated in the charter-party, ought to be reimbursed to the shipowners. The aforesaid masters, having been informed of this our resolution, indeed declared that they would rather have no convoy than to wait a single day longer for it than we should think fit to detain them, or thereby to cause any difficulties to their owners; 1806 but because the now already publicized decision—that the ships would not depart until the 1st of this month—had caused considerable delay to some arrangements that were necessary for the speedy departure of the Regiment, we thought it best to make no change in our aforesaid resolution of 31 August, the more so because around that time an unknown frigate had appeared here in sight, which, by its sailing back and forth, seemed somewhat suspicious to us. Mr. van Halm, who in the meantime had come over here from Gale for a few days, has since, in a letter inserted in our secret resolution of 14 September, which accompanies this in copy, requested clarification as to how far his Honor might go if the Regiment of Luxemburg were demanded by a French war frigate. We have thereupon, with the said Mr. van Halm, who at our request took a seat in our meeting during the deliberation and decision on his letter, considered that this Regiment, with permission of the King of France, has entered the service and oath of the Company, and according to the capitulation, in case of disbandment, must be safely returned to a French port in Europe, in order to be paid off there and released from the oath; and have therefore, in agreement with Mr. van Halm, deemed it right to declare our opinion, and also accordingly declared, that in case of such a demand, and when no amicable representations could avail against it, force must be repelled by force; as we have also at the same time resolved to have authentic copies delivered to the repeatedly mentioned Mr. van Halm of the papers mentioned in our aforesaid secret resolution, so as to be able to make use of them if necessary. Likewise, upon the question posed during the meeting by the repeatedly mentioned Mr. van Halm, we declared unanimously with his opinion that we are of the opinion that if anyone of the aforesaid Regiment should behave disobediently, and that disobedience were not of such a nature that stricter measures are required to suppress it, the guilty parties should then be taken into arrest and transferred to the national frigate to
Dutch transcription
1805 secreet. Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd Mr: Willem Arnold Alting Weegens den staat der vrije vereerigde Neederlanden, en de generaele Neederlande geoctroijeerde Oost Indische Mompenie Gouverneur Generaal ende De WelEdele Gestrenge Heeren Raaden van Neederlandsch Jndien Hoog Edele Groot Achtbaare Wijd Gebiedende Heer Wel Edele Gestrenge Heeren. Wij hebben de eer gehod te ontfangen Uwder Hoog Edelh: Zeer g'eerde secreete missive van den 15: April 70c:, en bedanken Ueder Hoog Edelh: op het needrigst voor de gunstige goed„ „keuring der door ons genoomene maatveegelen, ten eijnde zoo veel mogelijk tegens alle evenementen te zijn gedekt. De schippers van de gehuurde scheepen, de drie Gebroeders, de Vrouwe Johanna, de Susanna, 't fortuijn en Josephus de tweede, hebben ons, reeds bij aanweeten van 'slands brik de Diana, 't voorstel gedaan, om aan hun, op de terug rijze naa Europa te bezorgen 't convooij van geme: brik; dog de Heer Wellingman Commandant van gem: vaartuijg, daarover onderhouden zijnde, heeft verklaard, dat hoe gaarne hij aan het verlangen der voorsz: schippers wilde voldoen, het egter niet konde geschieden, om dat zijn vaartuijg, weegens dies kleijnheijd, zig daartoe niet Den Hoog Edelen Groot Achtbaaren Wijd Gebiedenden Heer schikkte„ schikte, en ook inzonderheijd, om dat de ordres die hij had, hem bevolen met alle spoed terug te keeren. met de komst van 'slands fregat Ceres, hebben de voorsz: schippers naader verzogt, het convooij te mogen hebben van dit fragat; en heeft dies kapitein, de Heer van Walm, op de daarvan aan zijn Edele gegeevene communicatie, aan„ „genoomen het gevraagde convooij te verleenen; met berigt teffens, dat 't fregat de Caab de Goede Hoop aandoen, en zoo de geleegentheijd het toeliet, den 1: deezer zeijlen zoude. schoon we nu ook te dier tijd niet dagte dat het met het vertrek van 't Regiment van Leixemburg nog zoo lange zoude aanloopen, hebben we niet te min beeter gedagt, ter voorkooming van alle onaangenaame evenementen, de transport scheepen daarnaa liever te laaten wagten dan ze zonder convooij te laaten vertrekken, daar we in de geleegendheijd waren, het hun te bezorgen, en we hebben mitsdien op den 31: Aug=s Joc: beslooten, in gevolge het voorsz: verzoek dezelve scheepen te stellen onder 't convooij van voorm: 'slands fregat. Doch wijl we deete scheepen; toen zoo goed als zijlvaardig agtede, en dagte dat ze den 8: of 10: Z=des zouden hebben kunnen zijn gedepecheerd, en dat mitsdien het langer ophouden van deeze scheepen alleen was een gevolg van het door de schippers verzogte convooij, beslooten we tevens om aan de Heeren Bewindhebberen te defereeren de vraege, of ook voor de legdaagen, die de voorsz: scheepen, naa den 10: 2:=der:, in de bhaaij van Gale toebragten, aan de rhee„ „ders zouden moeten goedgedaan worden, de bij de Certeparthij be„ „paalde tachtig Guldens 's daagh voor eek schip- De voorsz: schippers, van dit ons besluijt g'informeert zijnde, hebben wel verklaart, liever geen convooij te willen hebben, als daarop— een enkelde dag langer te wagten, dan wij zouden goedvinden hun aantehouden, of daardoor eenige moeijelijkheeden aan hunne rheeders aante„ „brengen; 1806 brengen; maar wijl het nu reeds bekend geworden besluijt,— dat de scheepen eerst den 1: deezer zouden vertrukken, merkelijke vertraaging had toegebragt aan zommige bestellingen, die tot het spoedig vertrek van 't Regiment noodig waren, hebben wij best ge„ „dagt, geen verandering te maaken in ons voorsz: besluijt van den 31: Aug=s, te meer, wijl er omtrent dien tijd, zig hier in 't gezigt had vertoond een onbekend fregat, het welk ons, door zijn heer en weeder zijlen, wat verdagt voorkwam. de Heer van Halm, die intusschen voor eenige daagen van Gale alhier was overgekoomen, heeft ons 't zeedert bij een brief, g'injereerd in onze secreete resol: van den 14: Z=der:, welke deezen in copij verzeld, elucidatie gevraagd, in hoe verre zijn Edele mogte gaan, zoo het Regiment van Liexenburg wierd opg'eijscht door een franse, oorlogs fregat. Wij hebben daarop met gem: Heer van Walm, die op ons verzoek, bij 't delibereeren en besluijten op desselfs brief, in onze vergaedering sessie heeft genoomen, overwoogen, dat dit Regiment, met verlof van den Koning van frankrijk, in den dienst en eed van de Romperie getreeden is ^ en volgens de kapitulatie, ingeval van afdanking, in een fransche haeven in Europa tenig bezorgt moet worden, om aldaar afbetaald, en uijt den eed ontslaagen te worden; en hebben derhalven, overeenstemmig met den Heer van Halm, voor ons ge„ „voelen meenen te mogen verklaaren, en ook dienvolgende ver„ „klaard, dat in Cas van zodaanige opeijsching, en wanneer geene minnelijke vertoogen daarteegen konden helpen, geveld met geweld moest worden gekeerd; gelijk we ook teffens beslooten hebben, om aan meerm: Heer van Halm te laaten afgeeven authentiqua copijen van de papieren, vermeld bij voorsz: onze secreete resolutie, om zig des noods daarvan te kunnen bedienen. Jnsgelijks hebben wij op de staande vergaedering door meerm: Heer van Walm gedaane vraeg, eenstammig met desselfs gevoelen verklaard, dat we van oordeel zijn, dat indien iemand van het voorsz: Regiment zig disobedient mogte gedraagen, en die disobedientie niet ware van dien aart, dat te strenger middelen ter stuijting noodig heeft, de schuldigen als dan in arrast dienere genoomen, en op 'slands fregat overgebragt te
English
Number 10. Afterwards P: J: Antriek to be, in order, if Mr. van Halm should think fit, to be able to consult further concerning them with the Ministers at the Cape of Good Hope. We have also duly given notice of all this to the Lords Directors, by our respectful secret letter of 27 September of the current year, and take the liberty of respectfully presenting a copy thereof and of the annexes belonging thereto to Your High Nobilities herewith. We commend Your High Nobilities and the interests of the Company to God's safe keeping, and remain with all respect and fidelity. Below was written: High Noble, Great and Respectable, Far-Commanding Lord, Right Noble and Stern Lords, Your High Nobilities' humble and very obedient servants. Was signed: W: J: van de Graaff. Pieter Sluijcken, D: T: Fretz: C: Tilenius. M: E: Rakat. J: Reintous. B: L: van Zitter, and A: Samlant. In the margin: Colombo the 17 October 1788. Agrees. Wijbrands First Clerk 1807 Batavia To His High Nobility The High Noble, Great and Respectable, Far-Commanding Lord Master Willem Arnold Alting Governor-General on behalf of the State of the Free United Netherlands and the General Dutch Chartered East India Company and The Right Noble and Stern Lords Councillors of the Dutch Indies High Noble, Great and Respectable, Far-Commanding Lord, Right Noble and Stern Lords. Section 1. We take the liberty to present to Your High Nobilities with the bearer of this, being the Surat ship Alblasserdam, in a separate box, our respectful letter of 31 January last, containing the usual usual annual report of our proceedings during the past year with the annexes belonging thereto. Section 2. In our respectful letter of 29 September 1787, we had the honor to inform Your High Nobilities that we had designated the ship the Maria for conveying the last return cargoes, in order to depart therewith at the end of this month, or in the first half of the upcoming month. Our sloops sent to the opposite coast to bring the linens to Galle could not in the meantime make a trip with the linens that were already packed there, because they could then not be back on the Madura coast in time enough to convey for the loading of the Maria the linens that have gradually come in there since, and we had therefore mainly intended the usual Surat return goods for the loading of the ship Java. 13. 1808 Section 3. We waited for the Surat ship until the 9th of this month, and since we then still had no news from Galle that it had arrived there, we deliberated further on the loading of Java on the same day in our meeting. We thereby took into consideration on the one hand the order concerning the departure of the return ships, but that on the other hand, when one considers that the Company's own ships must at least be regarded, both with respect to the crew and with respect to the ships themselves, to be quite as good, if not better, than the private ships, which are not bound to any fixed sailing day, it seemed to be the true interest of the Company rather to divide the linens destined for dispatch with the ship Java and the aforesaid private ship the Maria equally over over both these ships, as the greatest capital depends thereon, than to let the ship Java depart with the 233 packages of Madura linens that were then only on hand at Galle, besides the 1200 bales of cinnamon destined for this ship, and further fully laden with pepper. Since we nevertheless did not dare to take it upon ourselves to extend this consideration too far, we resolved on the same day to wait only until the 12th, and if there was then still no news of the arrival of the Surat ship, to send orders to the Galle officials not to wait for it any longer, but to proceed with the loading of Java; with the understanding nevertheless that if in the meantime while this took place, the Surat ship or one or more sloops from the opposite coast with linens should arrive at Galle, 1809 should arrive, then again to have as much pepper unloaded from the ship Java as was necessary for the packages that the officials should find could still be loaded into it, but lest this might sometimes only occur in the final days, and thereby might give occasion that the ship Java were delayed thereby somewhat longer than we hoped, we resolved especially for that reason to inquire of Captain at Sea and Master of Equipage Andringa, and the Captain of the ship Houtlust Holle, as has been done, whether they might also have anything to remind concerning the later departure of the return ships than usual that ought to be taken into account, besides what was stated by the late Vice-Admiral Houting and other seafaring experts in their submitted submitted opinions, noted in our resolution of 13 February 1763. In the report they gave thereof, they declared they had nothing to remind beyond what appears in the aforesaid opinions, and since we now on the 12th still had no news of the Surat ship, we resolved to write to the Galle officials, in accordance with our aforesaid resolution of the 9th, as was done that same day, to proceed with the loading of the ship Java; yet so that if in the meantime the Surat ship should happen to appear, then to have as much pepper unloaded from Java again as was necessary to ship therein as many Surat packages as could conveniently be loaded into it, and that this should likewise take place if in the meantime Madura packages were brought in. We wrote to them at the same time
Dutch transcription
No: 10. Nagekieer P: J: Antriek te worden, ten eijnde nopens hun, zoo de Heer van Halm dat mogte goedvinden, naader te kunnen raadpleegen met de Ministers aan de Raab de Goede Hoop„ We hebben van dit een en ander ook schuldpligtig khennis gegeeven aan de Heeren Majoores, bij onzen eerbiedigen se„ „ceeten brief van den 27: Z=ber Joc:, en gebruijken de vrijn „heijd, copia daarvan en van de daartoe gehoorende bijlaagen UEden Hoog Edelh: hiernevens in eerbied aantebieden. Wij beveelen Uw Hoog Edelh: en de belangens der maatschappij in Godes vijlige hoede, en blijven met alle eerbied en trouwe. /:Onderstond:/ Hoog Edele Groot Achtb: Wijd Gebiedende Heer WelEdele Gestrenge Heeren, uwer Hoog Edelheedens Onderdaanige en zeer Gehoorzaame Dienaaren /: was geteekend:/ W: J: van de Graaff. P=r Sluijcken, D: T: Fretz: C: Tilenius. M: E: Rakat. J: Reintous. B: L: van Zitter, en A: Samlant. /:in margine:/ Kolomebo den 17: October 1788: Accordeert Wijbrands Egklerk 1807 Bttavia Aan zijn Hoog Edelheid Den Hoog Edelen Groot Achtbaare wijdgebiedenden Heer M:r Willem Arnold Alting van wegens den staat der vrije vereenigde Nederlanden en de Generaale Nederlandsche geoktroijeerde oost=Jndische kompenie Gouverneur Generaal en De Wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlandsche Jndien Hoog Edele Groot Achtbaere Wijdgebiedende Heer Wel Edele Gestrenge Heeren. §1. Wij gebruiken de vrijheid uwe Hoog Edelheeden met brenger deezes, zijnde het soerats schip Alblas„ „serdam, in een apparte kas aante„ „bieden onzen eerbiedigen van den 31. Januarij J:o leeden, houdende het gewoon gewoon Jaarlijks verslag van onze verrigtingen in het voorleeden Jaar met de daartoe gehoorende bijlaage §. 2. Bij onzen eerbiedigen van den 29 7ber 1787. , hebben we de eere gehad uwe Hoog Edelheeden te bedeelen, dat w het schip de Maria hadden ge schikt tot het overbrengen van de laatste retouren, om daarmeede in het eijnde van deeze maand, of in de eerste helft van de aanstaand maand te vertrekken. Onze sloepen gezonden na de overwal om de lijwaaten na Gale over tebrengen, konden tusschen bij de geen togt doen met de lijwaaten, die daar reeds in den band waeren, wijl ze dan niet tijdig genoeg op de Made „resche kust konden terug zijn, om voor de laading van de Maria over te brengen de lijwaaten, die daar zeedert nog gaande weg zijn inge „koomen, en we hadden daarom voor de belaading van het schip Java, voornamentlijk bestemd de gewoone suratse retouren. 13. 1808 I. 3. We hebben tot den 9. deezer na het suratse schip gewagt, en wijl wed toen nog geen tijding van Gale had „den, dat het daar was aangekoomen hebben we ten zelven daage in onze vergadering, over de belaading van Java nader gedelibereerd. we naamen daarbij aan den eenen kant in agting, de ordre op het vertrek der retoerscheepen, dog dat het aan de andere kant, als men bedenkt dat 's komp:s eijge scheepen ten minsten moeten geagt worden, zoo ten aanzien van de Equipagie als ten aanzien van de scheepen zelve, ruim zoo goed, indien niet beeter, te zijn, dan de partikuliere scheepen, die aan geen vaste zijldag be „paald zijn, het waare intrest van de komp:e scheen te weezen, om de lijwaaten ^ gedestineerd ter verzending met het schip Java en het voorsz: partikulier schip de Maria, liever egaal over 2 over bijde deeze scheepen te ver „deelen, wijl daaraan het grootste kapitaal hangt, dan om het schip Iava met de 233. pakken madu „resche lijwaaten, die toen nog alleen te Gale aan handen waaren nevens de 1200. baalen kanneel voor dit schip gedestineerd, en voorts met peeper vollaaden te laaten vertrekken. Wijl we het nogtans niet dorsten over ons neemen, om deeze konsideratie te verre uit te strekken, beslooten we ten zelven daage, om het al¬ „leen nog tot den 12=de in te zien, en om wanneer 'er als dan nog geen tijding was van de komst van het surats schip, de gaalse bediendens ordre te zenden, om niet langer daarna te wagten, maar met de belaading van Java voorttevaaren met dien verstande nogtans, dat indien intusschen dat dit geschiedde, het suratsche schip, dan wel een of meer sloepen van de overwal met lijwaaten te Gale mogten 1809 mogten aankoomen, als dan weder„ „om zoo veel peeper uit het schip Java te doen lossen, als noodig was voor de pakken, die de bediendens zouden bevinden daarin nog te kunnen aflaaden, dan of dit zom„ „tijds eerst in de laatste daagen voorviel, en mits dien aanlij„ „ding geeven mogte, dat het schip Java daar door nog eenigermaten langer dan we hoopten, wierde opgehouden, beslooten we in zon„ „derheid daarom, om van den kaptain ter zee en Equipagie „meester Andringa, en de kaptain van het schip Hout„ „lust Holle te vraagen, zoo als geschied is, of ze noopens het laater vertrek der retoerscheepen dan na gewoonte, ook nog iets mogten te herinneren hebben, dat behoorde te worden in agt genoomen, buiten het opgege „vene door wijlen den Heer vice Admiraal Houting en andere zee verstandigen bij hunne inge„ „diende diende adviesen, aangeteekend bij onze resolutie van den 13. febr: 1763. Bij het berigt dat ze daarvan hebben gedaan, verklaarden ze niets te hevinneren te hebben, buiten het geene bij de voorsz: adviezen voor „komt, en wijl we nu den 12. sten nog geen tijding hadden van het suratsch schip, beslooten we de gaalse bediendens, overeenkom „stig met voorsz: onze resoluutie van den 9=de aanteschrijven, ge„ „lijk dien zelfden dag nog ge„ „schied is, om met het belaaden van het schip Java voort te gaan; zoo egter, dat wanneer intus „schen het suratse schip mogte koomen opdaagen, als dan zoo veel peeper uit Java wederom te laaten lossen als noodig was, om daar „in afte scheepen nog zoo veel su„ „ratse pakken, als daarin bekwam „lijk zouden kunnen worden afge „laaden, en dat dit insgelijks ge „schieden moeste, indien er intus„ „schen madureese pakken wierden aangebragt. We schreeven hun daarby tevens
English
1810 also, in accordance with the order given in a similar case regarding the ship Noordbeveland in 1763, to leave the officers of the ship Java the liberty to call at the Cape of Good Hope or the island of St Helena, as they should deem necessary. And since the latter cannot be counted upon with too great certainty, the Gale servants were further instructed that they had to have the ship Java provisioned just as if it were not to touch at either the Cape of Good Hope or St Helena, in case it might happen that it could not call at either of these places. We have furthermore ordered them to leave it to the choice of the ship's officers whether the ship should sail around north or through the Channel, as they should find expedient according to good seamanship. And in case the ship might touch at St Helena, we have sent 200 Spanish dollars to Gale to be delivered into the hands of the officers, in order to be able to purchase the necessary refreshments therewith in such an event. Paragraph 4. Upon our inquiry as to when the ship Java could depart, the Gale servants wrote to us that the Master Attendant Abo had stated that it would be fully laden on the 19th. In the meantime, a sloop with Madurese linens arrived in these roads in the forenoon of the 17th, which we immediately dispatched to Gale, and in accordance with our resolution of the 12th, we wrote to the Gale servants that they should still have the linens, which were to be brought by this sloop, unloaded into the ship Java. In this season, sloops generally make the voyage to Gale in twenty-four hours, and our Master Attendant therefore thought 1811 that we could safely count upon this sloop being at Gale on the 18th. It was indeed in sight at Gale on the morning of the 19th, but owing to headwind and current could not make the bay before the afternoon of the 22nd. And although the servants had informed us that upon the first news that this sloop was still to come, they had immediately begun to make the necessary room in the ship Java, this ship nevertheless did not become ready to sail until the 24th. The servants furthermore informed us that although the ship Alblasserdam from Surat had also entered the bay of Gale on the 22nd, they had nevertheless not transshipped any bales from it into the Java, because that vessel would thereby have been detained several days longer. Paragraph 5. The ship Java consequently departed from Gale on the 25th of this month, with a cargo that cost 266032. 4. 8 guilders at purchase price including expenses, as appears from the documents received from Gale concerning it, which we have the honor to present enclosed herewith to Your High Nobles, in humble confidence that you will be pleased to view favorably our conduct regarding that vessel, in view of the reasons given for it. Paragraph 6. The Surat returns are now being laden into the ship de Maria, and as soon as the Madurese linens, which we expect daily, shall have been brought in, this ship will also commence the voyage to the Netherlands. We have in the meantime, just as with the ship Java, had it provisioned for the direct voyage to Europe, in case it might not be able to call at the Cape or St Helena. Paragraph 7. The ship Houtlust arrived here on the 26th of January from 1812 Cochin, and after its cargo was delivered here, we sent it to Beruwala on the 13th of this month to discharge a quantity of rice there, and subsequently to sail to Gale to take in a cargo of coir for Batavia. But in the meantime, the French warship La Resolution, destined from Pondicherry to the Malabar Coast, arrived at Gale with a great leak, which brought the water to a height of 53 to 58 inches in the ship in the space of half an hour, whereby the ship could not continue its voyage without apparent danger, the more so because they did not know where and how large the leak was. The Captain Commandant of the same, the Count de Keroullas de Cohars, requested with a large vessel
Dutch transcription
1810 tevens aan, om overeenkomstig met de ordre, die in een diergelijk ge„ „val, ten aanzien van het schip Noord„ „beveland, in 1763. gegeven is, aan de overheeden van het schip Java de vrijheid te laaten, om na dat ze het noodig zouden vinden, de kaap de Goede Hoop of het Eyland St Helena aantedoen, en wijl op dit laatste met geen al te groote zeekerheid kan geree„ „kend worden, is den Gaalse be „diendens nog aangeschreeven dat ze het schip Java moesten doen proviandeeren, even als of het de kaap de Goede Hoop nog S t Helena zoude aangieren, of het zomtijds mogte gebeuren dat hetzelve op geen van beide deeze plaatzen konde aangaan, we hebben hun wijders gelast, om het aan de verkiezing van de scheeps overheeden te moeten overlaaten, of het schip benoorden om, of door het kannaal moest ste„ „venen, zoo als ze dat na goede Zeemanschap zeemanschap zoude dienstig vin „den, en of het schip Zomtijds S„t Helena mogte aandoen, hebben we na Gale gezonden 200. spaanse mat „ten, om aan de overheeden te worden ter hand gesteld, ten eijnde in zoo een geval daarvoor de noodige verversing te kunnen inkoopen. §. 4. Op onze vraage wanneer het schip Java konde vertrekken, schreeven ons de Gaalse bediendens, dat de Equipagiemeester Abo hadde opgegeven, dat het den 19. zoude vollaaden zijn. Intusschen kwam den 17de in de voormiddag een sloep met Maduresche lijwaaten ter deezer Reede, die we ten eersten na Gale deeden vertrekken, en over „eenkomstig met ons besluit van den 12=ste, schreeven we de Gaalse be„ „diendens aan, dat ze de lijwaaten, die met deeze sloep stonden te worden aangebragt, nog in het schip Java moesten doen aflaaden. Jn dit saisoen doen de sloepen de rijz na Gale doorgaans in een elmaal en onze Equipagiemeester meende ders, 1811 dus, dat we met gerustheid kon„ „den reekenen, dat deeze sloep nog den 18=de op Gale zoude zijn. ze was ook den 19=de smorgens te Gale in het gezigt, dog konde door teegenwind en stroom, niet voor den 22ste 'smiddags de baaij bezijlen, en schoon de bediendens ons hadden bedeeld, dat ze op de eerste tijding, dat deeze sloep nog stond te koomen, aanstonds waaren begonnen, om de noodige ruimte in het schip Java te maaken, is des niet te min dit schip eerst den 24 =ste zijlvaardig geworden, en hebben ons de be „diendens daarbij bedeeld, dat schoon nu ook het schip Al„ „blasserdam van Suratte den 22=ste in de Gaalse baaij was gekoomen, zij nogtans daar uit geene pakken in Java had„ „den doen overscheepen, ver„ „mits dien boodem daar door nog eenige daagen langer zoude zijn opgehouden. S. 5 zeemanschap zoude dienstig vin „den, en of het schip Zomtijds S„t Helena mogte aandoen, hebben we na Gale gezonden 200. spaanse mat „ten, om aan de overheeden te worden ter hand gesteld, ten eijnde in zoo een geval daarvoor de noodige verversing te kunnen inkoopen. §. 4. Op onze vraage wanneer het schip Java konde vertrekken, schreeven ons de Gaalse bediendens, dat de Equipagiemeester Abo hadde opgegeven, dat het den 19. zoude vollaaden zijn. Intusschen kwam den 17=de in de voormiddag een sloep met Maduresche lijwaaten ter deezer Reede, die we ten eersten na Gale deeden vertrekken, en over „eenkomstig met ons besluit van den 12=ste, schreeven we de Gaalse be„ „diendens aan, dat ze de lijwaaten, die met deeze sloep stonden te worden aangebragt, nog in het schip Java moesten doen aflaaden. Jn dit saisoen doen de sloepen de rijz na Gale doorgaans in een elmaal en onze Equipagiemeester meende dus, 1811 dus, dat we met gerustheid kon„ „den reekenen, dat deeze sloep nog den 18=de op Gale zoude zijn. ze was ook den 19=de smorgens te Gale in het gezigt, dog konde door teegenwind en stroom, niet voor den 22sten 'smiddags de baaij bezijlen, en schoon de bediendens ons hadden bedeeld, dat ze op de eerste tijding, dat deeze sloep nog stond te koomen, aanstonds waaren begonnen, om de noodige ruimte in het schip Java te maaken, is des niet te min dit schip eerst den 24=ste zijlvaardig geworden, en hebben ons de be „diendens daarbij bedeeld, dat schoon nu ook het schip Al„ „blasserdam van Suratte den 22=ste in de Gaalse baaij was gekoomen, zij nogtans daar uit geene pakken in Java had „den doen overscheepen, ver„ „mits dien boodem daar door nog eenige daagen langer zoude zijn opgehouden. 1. 5 I. 5. 'T schip Iava is mits dien op den 25. deezer van Gale vertrokken, met eene lading, die inkoops met de ongelden ƒ266032. 4. 8. kost, blijkens de daarvan van Gale ontfangene beschijden, die we de eere hebben in deezen geslooten uwer Hoog Edel„ „heeden aan te bieden, in nederig vertrouwen dat hoogst dezelven ons gehouden beleid omtrent die„ bodem, uit hoofde van de daar„ „van gegevene reedenen gunstig zullen gelieven inteschikken. I. 6. De Souratsche Retouren worden tand in het schip de Maria belaaden, en zoo dra de Madureesche lijwaa „ten, die we dagelijks verwagten, zullen aangebragt zijn, zal ook dit schip de rijs na Nederland aantreeden. Wij hebben intussen hetzelve, even als het schip Java„ doen proviandeeren tot de directe rijse na Europa, of het zomtijds de Caab of S:t Helena niet mogte kunnen aanloopen. 1. 7. 'T schip Houtlust is den 26. Jann: van 1812 van koetsiem alhier aange „komen, en naa dat dies lading alhier was uijtgeleeverd, hebben we het zelve den 13. deezer na berberij gezonden, om aldaar een quantiteit rijst telossen, en ver„ „volgens na Gale te steevenen, ter inneem van eene lading kaijer voor Batavia; Maar Jntusschen kwam het fransche oorlog schip la Resolution, gedestineerd van Pondicherij na de kuste Mallabaar, te Gale aan, met eene groote lekka „gie, die het water in den tijd van een half uur, van 53. tot 58. duimen hoog in het schip bragt, waar door het schip, buijten oogschijnlijk gevaar, zijne rijse niet konde vervolgen, temeer men niet wist waar en hoe groot het lek was. De Capi„ „tain Commandeur van hetzelve de heer Graafde keroullas de Cohars, verzogte met een groot vaartuijg
English
vessel to be assisted, in order to be allowed to careen his ship in the bay of Gale, with the purpose of discovering and repairing the leak, and has since repeated this request with great urgency in a letter written to us, which is included in copy among the annexes, and therein specifically asked for a ship. We were not a little hindered by this request, as we could devise no way out to decline it with the slightest propriety. The aforesaid warship was utterly incapable of making the voyage without the help that was requested of us, so that the refusal thereof would have been an act of the utmost unfriendliness, which we deemed we had all the more reason to avoid, since the Company's ships in French ports may also need such assistance. We therefore 1813 resolved on the 12th of this month to allow our barque the Liefde to be used for this purpose: but upon the advice received from our Equippagie-Master Andringa and the Captain of the ship the Leviathan, Visser, that the said barque is not suited for it, but that Houtlust can be used to that end under certain precautions, as appears from a copy of the said advice accompanying the annexes hereof; we have on the 18th of this month rescinded our first decision, and instead resolved to lend Houtlust, which arrived at Gale on the 22nd of this month, as a careener. Paragraph 8. Since it is nevertheless quite possible that some damage could be inflicted on that vessel thereby, and it could even thereby come into considerable danger, we have simultaneously instructed the Galle Commander Kraijenhoff to present to the aforesaid Count de Keroullas de Cohars the equity of the Company being indemnified against the detriment that might be caused by this accommodation, just as Mr. de Roij, when he was Commander of Trinkonomaale, on the occasion that the ship the Vrijheid was lent to the French crown, bound himself by a written deed that all the damage that might arise therefrom would be paid by the King of France, as has since happened; with the added order consequently to make known to the said Count de Keroullas de Cohars that not only will all damage and accidents that could happen to the ship Houtlust by this careening be charged to the account of the Crown of France, but 1814 that there shall also be charged to it the daily expenses of that vessel as long as it shall remain idle with respect to the Company in the service of the aforesaid warship, and we have accordingly sent a copy of the report, which the late Commander Rooseboom presented to Your High Excellencies under date of 29 April 1755 regarding the daily expenses and wear and tear of the Company's ships and smaller vessels, to the Galle officials, in order to be able to guide themselves accordingly in drawing up the account. We humbly hope that Your High Excellencies, for the reasons of necessity given for it, will be pleased to favorably approve this granted accommodation, and that the care we have taken to keep the Company free from damage in all respects may meet with Your High Excellencies' highest approval. Paragraph 9. The Government of Pondicherij has sent us, for the balance of the recently closed account charged to the French crown, mentioned in our respectful letter of 31 January last past paragraph 583, a bill of exchange in triplicate charged to the Treasurer of the Navy and of the Colonies in Paris, in the amount of 32092 livres, 10 sols and 6 deniers tournois, and we have tendered the first of exchange thereof to the Lords Masters via the ship Java. Paragraph 10. We now take the liberty humbly to offer to Your High Excellencies the drawing of the two new gunpowder mills constructed here, as requested in your most honored letter of 31 July last past, together with an account of what the same have cost. Paragraph 11. The officials at Kalpetti have submitted to us the request of 1815 the retired Consumption Bookkeeper Franchimont for the remission of 7424 1/6 lb of rice that were found short upon the transfer of his administration, because the rice, which was received at 40 lb per parra, has since become infested with a multitude of weevils and worms, and thereby had become so dusty that upon transfer it weighed no more than 36 1/2 to 37 1/2 lb per parra. We did not deem ourselves authorized to grant qualification for the write-off of this shortage, but take the liberty of requesting a favorable disposition from Your High Excellencies in this regard, in consideration that this damage occurred through no fault of the man, and he is moreover a poor person who has served the Company long and well. Paragraph 12. Paragraph 12. The undersigned Governor received a few days ago a letter from the English Colonel at Ramnadporam, Mr. Martinz, dated the 11th of this month and which is included in copy among the annexes, whereby he gives notice by order of the Nawab of the Carnatic that His Highness had appointed a Mr. Buckanair as Ambassador to treat with this Government concerning the pearl fishery and chank diving, with a request to send a vessel to Kilkare to collect him. We have ordered the officials at Tutukorijn to dispatch a vessel thither for that purpose, and shall further have the honor of reporting to Your High Excellencies on his commission and what shall be transacted with him. Paragraph 13. Your High Excellencies have been so good, by your separate dispatch to the undersigned Governor, dated 31 July last past, to
Dutch transcription
vaartuig temogen worden geassis „teerd, om zijn schip in de baaij van Gale temogen kielen, ten einde het lek temogen ontdekken en verhelpen en zedert heeft denzelven dit ver „zoek bij een brief aan ons geschree „ven, die in Copij onder de bijlaagen gaat, met veel aandrang her„ „haald, en daarbij bepaaldelijk om een schip gevraagd. We waren met dit verzoek niet wijnig belemmerd, wijl wegeen uijtweg konden bedenken, om het met de minste gevoeglijkheid te kunnen ontleggen. 's voorsz: oorlog schip was volstrekt buijten staat, om zonder de hulp die men ons ver„ „zogt, de rijse te doen, zoo dat de wijgering daar van eene daad zoude zijn geweest, van de uijt„ „terste onvriendelijkheid, die we te maer hebben gemeent te moe „ten vermeiden, wijl ook komp:s scheepen in france havenen, dier „gelijke assistentsie kunnen noodig hebben. We hebben daarom op 1813 op den 12. deezer beslooten, onse bark de Liefde daar toe te laaten gebruiken: maar op het ingeko¬ „men advies van onsen Equipa „giemeester Andringa en den Capitain van het schip de Leviathan Visser, dat gemelde bark zich daartoe niet schikt, doch dat Houtlust tot dat einde kan worden gebruijkt onder zeekere voorzorgen, blijkens Copia van gemelte advies, de bijlaagen deezes verzellende; hebben we op den 18. deezer geresilieerd van ons eerste besluijt, en daar en tegen beslooten Houtlust dat den 22: deezer te Gale is gearriveerd, tot een kielhaal„ „der te leenen. I. 8. Vermits het nochtans heel mogelijk is, dat daar door eenige schade aan dien bodem konde worden toegebragt, en het zelfs daar om daardoor in merkelijk gevaar komen konde, hebben we tegelijk den gaalsch gezaghebber kraijenhoff, gelast, den voorsz: heer Graaf de keroullas de Cohars voor te houden, de billijkheid, dat de Comp„ worde verzeekerd tegen het nadeel, dat door deeze gerieflijkheid konde worden toegebragt, even gelijk de heer de Roij, toen hij Commandant van Trinkonomaale was, ter geleegent „heid dat het schip de vrijheid aan de fransche kroon geleend is, zich bij eene schriftelijke acte heeft verbonden, dat alle de schade die daaruijt mogte ontstaan door den koning van Frankrijk zoude worden voldaan, gelijk ze „dert geschied is; met bijgevoegd bevel, om dienvolgende, aan gem: heer Graaf de keroullas de Cohars bekend temaaken, dat niet alleen alle schade en ongelukken, die het schip Houtlust door dit kielen konden overkomen, voor reekening van de kroon van Frankrijk zullen komen, maar dat 1814 dat ook daarop zullen worden gesteld, de dagelijksche ongelden van dien bodem, zoo lange het, ten dienste van voorschr: oorlogschip, omtrent de Comp:e werkeloos zal blijven leggen, en we hebben mits dien Copij van het bericht, dat wijle de Commandeur Roose„ „boom, nopens de dagelijksche ongelden en slijtagie van 'sComp s scheepen en minder vaartuigen sub dato 29. April 1755. aan uwe Hoog Edelheden heeft gepresen„ „teerd, aan de gaalsche bedienden toegezonden, om zich in het op„ „maaken van de reekening daarnaar te kunnen richten. We hoopen nederig dat uwe Hoog Edelheden, dit toegestaan, gerief, om de daarvan gegeevene redenen van noodzaakelijkheid, gunstiglijk zullen gelieven te „passeeren, en dat onse genomene voor zorg, om de Comp: in allen op„ „zichte buijten schade te houden; hoogst der zelver hoogstderzelver goedkeuring zal mogen wegdraagen. §. 9. 's Gouvernement van Pondicherij heeft ons voor het zaldo van de Jongst afge „slotene reekening ten laste van de fransche kroon, vermeld bij onsen eerbiedigen van den 31. Ja „nuarij J:o leeden §. 583. toegezonden een wissel in triplo ten laste van den Thesaurier van de Marine en der Colonien te Parijs, groot 32092. livres, 10. sols en 6. deniers tournois, en we hebben het eerste daarvan, per het schip Java den heeren Meesteren aangebooden. S. 10. Tans gebruijken we de vrijheid uwer Hoog Edelheden nedrig aante„ „bieden, de bij hoogst derzelver g'eer„ „biedigde Missive van den 31. Julij Jo leeden gevorderde teekening van de twee alhier aangemaakte nieuwe kruijtmoolen nevens eene reekening van het geen dezelven gekost hebben. §. 11. De bedienden te kalpetti hebben aan ons voorgedraagen het verzoek van 1815 van den afgegaanen Consumtie boekhouder Franchimont, om kwijtschelding van 7424 1/6. lb. rijst, die bij de overgaave zijner administratie lemin bevonden zijn, wijl de rijst, die tegens 40. lb: per parra ontvangen is, het zedert met eene menigte van kalenders en wormen bezet geraakt, en daar door zoo stoffig was geworden, dat ze bij overgave niet meer dan 362. á 372. lb: per parra heeft ge woogen. Wij hebben ons niet bevoegd geoordeeld, tot de af„ „schrijving deezer minderheid qualificatie teverleenen, maar gebruijken de vrijheid daarom „trent eene gunstige dispositie van uwe Hoog Edelheeden te „verzoeken, uijt aanmerking dat deese schade buijten 'I Mans toedoen is ontstaan, en hij buij¬ „ten dien een arm perzoon is die de Comp:e lang en wel gediend heeft. D. 12. §. 12. De ondergeteekende Gouverneur heeft voor eenige dagen, een brief ontfangen van den Engelschen Collo „nel te Ramnadporam M: Martinz, gedateerd den 11. deezer en die in Copij onder de bijlaagen gaat, waarbij de „zelve op order van den Nabab van karnatika kennis geeft, dat zijne Hoogheid eenen heer Buckanair als Ambassadeur had benoemd, om met dit Gouvernement te han„ „delen over de Paarlvisscherij en sjankos duijkerij, met verzoek om een vaartuig na kilkare te zenden, tot desselfs afhaal, Wij hebben den bedienden te Tutukorijn gelast, een vaartuijg daar toe der„ „waards te zenden, en zullen nader de eer hebben van zijne Commissie en het geen met hem zal worden verhandeld, aan uwe Hoog Edel „heden verslag te doen. S. 13. Uw Hoog Edelheden zijn zoo goedge„ „weest bij hoogst derzelver aparte missive aan den ondergeteekenden Gouverneur, de dato 31:' Julij J:o leeder aan
English
1816 to confer upon the Commander of the Wanni, Thomas Nagel, the capacity and rank of Captain of the Artillery, and we hope we do no wrong by taking the liberty through this to respectfully request Your High Nobilities to also be pleased to favorably grant him the salary attached thereto. Section 14. Lieutenant David Kahle, who was stationed in the Oostenburg garrison, was, as a member of the Trincomalee Court of Justice, frequently employed in commissions, and could therefore not always perform his military functions in person, which consequently had to be carried out now and then by the two other officers of his company. One of these officers, being Ensign Willem Fredrik Erendrijk Wilmans, was so displeased about this that he wanted to persuade Lieutenant Kahle directly to refuse to serve any longer as a member of the Court of Justice; but this occurred in somewhat of an improper manner and gave rise to a dispute that brought both these officers to an outright confrontation. Ensign Wilmans subsequently refused to defend his honor, and even had the baseness to say to Lieutenant Kahle that he could thrash him. Section 15. This incident, having been related by Wilmans himself to another officer in the hearing of non-commissioned officers and soldiers, immediately became public and therefore, for the sake of the consequences, had to be dealt with severely. We have therefore had it investigated by a military commission, and upon the confession of both, resolved on 18 January last past, in accordance with the advice of the Lieutenant Colonel and Commander at Trincomalee, von Driberg, to sentence Lieutenant Kahle, as an officer who has grown grey in the Company's service and has otherwise always been of a quiet and irreproachable conduct, to a two-month arrest, along with a transfer 1817 to Jaffanapatnam; and on the other hand, to dismiss Ensign Wilmans from the Company's service, as having made himself unworthy of the character of an officer, and to send him to the Netherlands on one of the first return ships. Section 16. In place of the aforementioned Wilmans, we have promoted Sergeant and Under-Adjutant at Jaffanapatnam Christoffel Pikkel to Ensign, to serve in the Trincomalee garrison; and in place of Ensign Pannenberg, appointed for Mannar according to our respectful communication of 29 December last past, who continues here in the garrison, we have promoted Sergeant Claas Tideman to Ensign, to remain stationed provisionally at Mannar; and we have appointed the Extraordinary Fireworker at Jaffanapatnam Hendrik Aldons, on account of the vacancy, as Ordinary Fireworker, likewise to serve for the time being at Mannar—where it appeared necessary to us at this time to station an artillery officer—as Commanding Officer of the artillery. The petitions of these three officers are enclosed herewith, and we respectfully request Your High Nobilities that their appointments may be honored with Your Most Esteemed approval, as they are all very capable individuals who merit this favor. Section 17. Arrived here on the ship Java is one Johan Fredrik Matthijs of Amsterdam, who, according to the received extract from the minutes of the resolutions in the Council of India of 27 July 1784, is banished for 10 years, without our having received any further instructions concerning him. He knows no trade to be able to make a living here, and thus, by leaving him to his own devices, nothing else was to be expected than that he would lapse into further wrongdoing; wherefore we, on the 25th 1818 instant, have resolved to let him serve on the Matroose point until Your High Nobilities' further orders, with the pay of a native sailor, consisting of two rixdollars and one parra of rice. Section 18. The Malay priests Haji Ibrahim and Haji Ahmad, who have returned from their completed pilgrimage, have requested us to be permitted to depart for Batavia on a Company ship. Pursuant to Your High Nobilities' order by very respected missive of 31 July past, they were examined and declared that they departed from Banjarmasin in a small prahu for Muscat, without anyone's permission, according to the freedom that the priests have there, and that they arrived here from Muscat on a two-masted vessel; as appears from a copy of the declaration furnished by them, To as above also accompanying this; and we hope that Your High Nobilities will favorably accommodate our having granted their aforementioned request, the more so as it is perhaps somewhat questionable, by refusing them passage on Company ships, to bring this sort of people into the position of sometimes turning to the English. We commend Your High Nobilities and the interests of the Company to God's safe keeping, and remain with all respect and fidelity, below stood, High Noble, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord and Well-Born, Rigorous Lords, Your High Nobilities' humble and very obedient servants, was signed, W. J. van de Graaff, P. Sluijsken, D. I. Fretz, J. P. C. Tilenius, G. E. Holst, M. P. Rakel, and J. Reintous, in the margin, Colombo, 29 February 1788. The bookkeeper Jakobus Bouman, who
Dutch transcription
1816 aan den Commandant van de Wanni Thomas Nagel toe te leggen de qualiteit en rang van Capitain der arthillerie en we hoopen niet te misdoen, dat we door deezen de vrijheid neemen uwe Hoog Edel „heden eerbiedig te verzoeken om hem ook de daartoe staande gagie gunstig te willen toeleggen. §. 14. De luijtenant David kahle, die in het oostenburgsch guarnizoen beschijden was, wierd als lid in den Trinkononomaalschen Raad van Justitie, dikwijls in Commissien gebruijkt, en konde daarom niet altijd zelfs zijne militaire func„ „tien waarneemen, die mits dien door de twee andere officieren van zijne Comp:e nu en dan moest worden verrigt. Een deezer offi„ „cieren, zijnde de vaandrig Willem fredrik Erendrijk Wilmans, was hier over zoo te onvreeden, dat hij den luijtenant kahle wilde persuadeeren, om direct tewijgeren langer als lid van de Justitie tefun„ „geeren; doch dit geschiede op wat een een ongeschikte wijse, en gaf aan „lijding tot een disput, dat deze beide officieren tot een dadelijke ey „plikaatsie deed koomen. De vaandrig wilmans wijgerde vervolgens zijn eer te verdedigen, en had zelve de laagheid van tot de luitenant khale te zeggen dat hij hem vogtelen konde. §: 15. Dit geval door hem Wilmans zelve ten aanhooren van onder officieren en zoldaaten, aan een ander officier verhaald, wierd ten eersten rugt „baar en moest mits dien, om der gevolgen wille, ernstig behandeld worden. Wij hebben het derhalven door eene militaire Commissie laa„ „ten onderzoeken, en op de bekentenis van beijden, op den 18. Januarij J:o leeden beslooten, om naarvolgens het advies van den luijtenant Collonel en Comman„ „dant te Trinkonomale von Driberg, den luijtenant kahle, als een of ficier die grijs in 's Comp. s dienst geworden, en andersins altijd van een stil en onbesproken gedrag geweest is, teverwijsen tot een twee maandig arrest, onder verplaat„ sing 1817 sing na Jaffanapatnam, en daar„ „entegen den vaandrig Wilmans, als zich het Caracter van een offi„ „cier onwaardig gemaakt hebbende te demitteeren uijt 's Comp. s dienst, en met een der eerste retour scheepen na Nederland teverzenden! §. 16. Jnsteede van gemelte Wilmans hebben we tot vaandrig bevorderd, om in het trinkonomaals guarni„ „soen dienst te doen, den zergeant en onder adjudant te Jaffanapat„ „nam Christoffel Pikkel, en in steede van den, volgens onsen eerbiedigen van den 29. Decem„ „ber J:o leeden voor Mannaar aan „gestelden vaandrig Pannenberg, die alhier in het guarnisoen Conti„ „nueerd, tot vaandrig bevorderd den zergeant Claas Tideman, om bij pro „visie te Mannaar beschijden te „blijven, en den extra ordinaire vuur „werker te Jaffanapatnam Hendrik Aldons, hebben we mits vacatura aangesteld als ordinaire vuur„ „werker, om meede voor eerst op Mannaar daar het ons in deze tijd tijd noodig scheen een officier van de artillerij te leggen, als Commandeerende of filier van de arthillerie te fungeeren. De re„ „questen van deeze drie officieren, gaan onder de bijlaagen deezes en we verzoeken uwe Hoog Edelhe„ „den eerbiedig, dat hunne aan„ „stelling met hoogst derzelver appro„ „batie mag worden vereerd, als zijnde alle zeer geschikte subjecten, die deeze gunste meriteeren. §. 17. Met het schip Java is alhier aan „gekomen eene Johan Fredrik Mat„ thijs van Amsteldam, die volgens ontfangene extract uijt de Notulen van het geresolveerde in Raade van Jndia op den 27. Julij 1784, voor 10. Jaaren gebannen is, zonder dat we omtrent hem eenig verder aan„ „schrijvens hebben ontfangen. Hij weet geen ambagt om hier te kun „nen aan de kost komen en was er dus, met hem aan zig zelven overte „laten, niets anders te wagten, dan dat hij tot verder kwaad zoude vervallen, waarom we op den 25. deezer 1818 deezer hebben beslooten, hem tot uwer Hoog Edelheden nader order„ op de mattroose punt telaaten dienst doen, met het tracte„ „ment van een Jnlandsch Mat „troos, bestaande in twee rijksd:s en een parra rijst. 1. 18. De Maleijdsche priesters Adjie Braijum en Adjie Agamad, die van hunne gedaane beedevaart terug gekeerd zijn, hebben ons ver„ „zogt, om met een Comp:s schip na Batavia temogen vertrekken. Ze zijn volgens uwer Hoog Edel„ „heeden order bij zeer gerespec „teerde missive van den 31. Juli pass:o, g'examineerd en hebben. verklaard, van Banjermaas met een klijne praau na Mes „kat, te zijn vertrokken, zonder iemands verlof, volgens de vrijheid die de Priesters aldaar hebben, en dat ze van Meskat„ met een tweemastig vaartuijg, alhier zijn aangekomen; blijkens Copij van het door hun verleende declaratoir Aan als vooren declaratoir, deezen meede accom „pagneerende, en we hoope dat uwe Hoog Edelheden het gunstig zul„ „len inschikken, dat we in voorsz: hun verzoek hebben bewilligt, te meer het misschien wat bedenkelijk is, dit slag van volk, door hun passagie te wijgeren met komp:s scheepen, te brengen in het geval om zig somtijds aan de Engelse te vervoegen. Wij beveelen uw Hoog Edelheeden en de belangens den Maatschappij in Godes veijlige hoede, en blijven met alle eerbied en trouwe /:onder„ „stond:/ Hoog Edele Groot Achtbaere wijdgebiedenden Heer en wel Edele Gestrenge Heeren uwer Hoog Edelheedens onderdanige en zeer gehoorzaame Dienaeren /:was getee „kend:/ W: J: van de Graaff, P: Sluijs „ken, D: I: Fretz, J: P: C: Tilenius, G: E: Holst, M: P: Rakel en J: Reintous /:inmargine:/ kolombo den 29. februarij 1788. Den boekhouder Jakobus Bouman die
English
1819 who requested us for his release to Banda, where his wife and children are located; we have, as it was beyond our power to grant his aforesaid request, permitted him, on condition of the expiration of his term, retaining his rank and pay, to depart for Batavia. He is thus now crossing over with the ship Alblasserdam, and we take the liberty humbly to inform your High Excellencies thereof by this letter. We commend your High Excellencies to the protection of the Company and into God's safe keeping, and remain with all respect and fidelity, below was written, as before, was signed, W: J: van de Graaff, I: P: C: Telenius, G: E: Holst, M: P: Raket, P:s Reintous and C: F: Schreuder. In the margin: Colombo the 4th of March, Anno 1788. Agrees, Sijbrands, First Clerk. Checked, D. V: V: Mraaten. 1820 Batavia To his High Excellency The High Noble, Right Honourable, Far-Ruling Lord Master Willem Arnold Alting On behalf of the state of the free United Netherlands and the general Dutch Chartered East India Company, Governor-General, and The Right Noble, Honourable Gentlemen Councillors of the Netherlands Indies. High Noble, Right Honourable, Far-Ruling Lord, Right Noble, Honourable Gentlemen. § 1: With the ship Alblasserdam, which departed from Gale on the 13th of March, our respectful letters of the 31st of January, 29th of February, and 4th of March last were dispatched, and we now have the honour to present the duplicates thereof to your High Excellencies herewith. § 2: The ship de Maria, which according to our aforesaid letter of the 29th of February was taking in cargo at Gale, had to wait for the final collection of the Madurese linens, which were only brought to Gale on the 20th of March last, and since then we have had to detain this ship for a few more days, for reasons mentioned in our secret letter now being dispatched. The same departed from Gale on the 2nd of this month, with such cargo as appears from the Gale trade papers, which we have the honour to send along as annexes to this letter, together with the copies of the letters dispatched therewith. § 3: The skipper of the said vessel, Pier Zeskes, has pointed out to us that, since his arrival at Batavia, he has had no other provision of supplies than only for the homeward voyage; and that he consequently had to consume from these provisions; requesting therefore, that this might not only be replenished, but also that there be supplied to him that which is supplied as an extra to the Company's inland-sailing ships; and as this claim of his was founded on the 1821 charter party of this vessel, we have, as appears from the resolution of the 17th of March last, an extract of which is included among the annexes, assented to the aforementioned requested supplies. § 4: The ship de Negotie, which according to our respectful letter of the 31st of January last had returned to Cochin, arrived here again on the 12th of March last, and we sent the same on the 18th thereafter to Gale, in order to be put in condition there for the voyage to Batavia, and it is consequently the bearer of this letter. § 5: To this ship were made here, upon the requisition made by Captain Johannes Pleen, such supplies of ship's necessities as appears from our resolution of the 14th of January last, of which an extract is transmitted among the annexes. § 6: After the loading of the ship de Maria, no more remained than 39 bales of cinnamon, which are now being conveyed with the bearer of this, and the further cargo thereof will consist of as many linens and coir as might be on hand at Gale, regarding the quantity of which we consequently refer to the report that the Gale Gale servants will make to your High Excellencies thereof. § 7: The ministers at Cochin sent to us with this ship 9 barrels with 5835 lb of nails of 8, 9, and 10 inches, which could not be sold there, with the request, if they found no market here either, to send the same to Batavia. We do not need these nails here, and also see no prospect of selling them, wherefore we have sent the same to Gale, with instructions to send them to Batavia by the bearer of this, insofar as they might not be needed there. § 8: With this ship there are crossing over to there three Easterners, whom we have judged necessary, as harmful subjects, to deport from this island, namely: Suma Troena of Sumanap, former ensign, and Singa Bangsa, former sergeant, both of the company of Captain Wieramangala, who, having formed a conspiracy of about 30 men of their company, made themselves guilty of robbery and various other crimes, and therefore by order 1822 of the Council of Justice at Jaffanapatnam, a copy of which is included among the annexes, were dismissed from their ranks; and Baipa Benda of Surabaya, also otherwise named Bapasaaa, former soldier of the company of Captain Panjenap, who, after having been absent for more than a year, finally came to the Wanni, and is not without reason suspected of having also stayed among the Kaffir robbers who make the Trincomalee and Wanni lands unsafe. § 9: Regarding the cargoes discharged here from the ship de Maria, we have made provisions by resolution of the 9th of February last, of which an extract is attached among the annexes of this letter. We take the liberty respectfully to note therefrom that we have had to write off the deficits on the Batavian cargo, although that of rice in particular amounted to a considerable quantity of 158337¼ lb, because the skipper signed the Batavian bill of lading with this added declaration, that the contents as well
Dutch transcription
1819 die ons om zijne verlossing na Banda heeft verzogt, alwaar zich zijne vrou en kinderen bevinden; hebben we, wijl het buijten ons vermogen was, om in voorsz zijn verzoek te be„ „willigen, toegestaan, om mits tijds expiraatsie, behoudens qualiteit en gagie na Batavia temogen vertrekken. Hij vaart dus tans met het schip Al„ „blasserdam over, en we ge bruijken de vrijheid uwen Hoog Edelheeden daarvan bij deezen nederig kennis te geeven. Wij beveelen uw Hoog Edelheden in de bescherming der Maat „schappij in Godes veilige hoede en blijven met alle Eerbied en trouwe /:onderstond:/ als vooren /:was geteekend:/ W: J: van de Graaff, I: P: C: Telenius G: E: Holst, M: P: Raket P:s Reintous en C: F: Schreuder /: inmargine:/ kolombo den 4. Maart A:o 1788. Akkordeert Sijbrands VEgKlerk V: V Nagezien D. V: V: Mraaten 1820 Batavia Aan zijn Hoogedelheid Den Hoog Edelen Groot agtbaaren wijdgebiedenden Heer M:r Willem Arnold Alting Weegens den staet der vrije verenigde Nederlanden en de generaale Nederlandsche Geoktroijeerde oost Jndische Kompagnie Gouverneur Generaal en De wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nedeul: Jndien Hoogedele Groot achtbaare Wijdgebiedende Heer. Wel edele Gestrenge Heeren §51: Met 't schip Alblasserdam, 't welk den 13. ' Maart van Gale is vertrokken, zijn afgegaan onze eerbiedige brieven van den 31. Ianuarij 29. ' februarij en 4. ' Maart Hleeden, en we hebben tans de eere de duplikaaten daar van uwen Hoog Edelheden, hier nevens aantebieden §2: 'T schip de Maria, dat volgens voorsz: onzen brief van 29. ' februarij te Gale in lading lag 9 lag, heeft moeten wagten na de laatste inzaa„ meling van de Madureesche lijwaaten, die eerst den 20:' Maart J:o leden te Gale zijn aang bragt, en zedert hebben we dit schip nog eenige dagen moeten ophouden, om redenen vermeld bij onzen tans afgaanden sekreeten brief. Het zelve is den 2:' deser van Gall ver„ trokken, met zodaanige inlaading als blijkt bij de gaalse negotie papieren, die we de eene hebben, nevens de Copijen van de daar mede afgegaane brieven, de bijlaagen dezers te laaten verzellen. §3: De schipper van gem: bodem Pier Zeskes heeft aan ons vertoond, dat hij, zedert zijn grrive te Batavia, geene andere verstrek„ king van provisien heeft gehad, dan alleen voor de thuijs aijze; en dat hij mits dien van deeze provisien had moeten Consumeeren met verzoek derhalven, dat dit niet alleen „ nog mogte gesuppleerd, maar ook aan hem „ ver„ strekt worden het geen, aan Comp: in land vaarende scheepen, tot Extra word verstaekt en wijl deze zijne pretentie gegaond was op de 1821 de Chertepartij van dezen bodem, hebben we„ blijkens rezolutie van den 17:' Maart J=o leden die in Extrakt onder de bijlagen gaat bewilligd in voormelde gewaagde verstrekkingen §4: 'T Schip de negotie, dat volgens onzen eerbiedig en van den 31. Januarij J:o leden na Koetsiem was terug gekeerd, is den 12. ' Maart J:o Leeden alhier weder aangekomen, en we hebben hetzelve den 18. daar aan na Gale gezonden, om aldaar tot de rijze na Batavia te worden in staat gestelt, en is midsdien 't zelve de brenger dezes § 5: Aan dit schip zijn alhier op den gedaanen Eisch van den kapitein Johannes Pleen, zodaanige verstrekkingen van scheeps behoeften gedaan, als blijkt bij onze resolutie van den 14: Januarij J:o leden waar van Extaakt onder de bijlaagen overgaat. I: C: Naade belaading van 't schip de Maria, zijn niet meerder overgeschoten dan 39: baalen kan„ neel, die tans met brenger dezes overgaan, en zal de verdere laading daar van bestaan in zoo veel lijwaaten en Kaijer, als te Gale aanhanden mogten zijn, nopens welker quantiteit wij ons mids dien refereeren aan 't berigt, dat de Gaalsche Gaalsche bedienden uw en Hoog edelh: daar van zullen doen. 17: De Ministers te Koetsiem hebben ons met dit schip toegezonden, 9: vaaten met 5835: lb: spijkers van 8: 9: en 10: d=m, die aldaar niet konden ver tierd worden, met verzoek om, zo ze hier ook geen de biet vonden, dezelve na Batavia teverzen„ den. we hebben deze spijkers hier niet nodig, en zien ook geen apparentie om ze teverkoopen, weshalven we dezelve na Gale hebben gezonden, met last, om voor zo verre aldaar niet benodigt mogten zijn, per baenger dezes na Batavia te zenden. §8: Met dit schip vaaren na derwaarts over drie oostealingen, die we nodigt geoordeelt heb„ ben, als schadelijke subjekten, van dit Eijland te verzenden, naamentlijk: Suma Troena van Sumanap gew: vaandaeg en singa Bangsa gewesen sergeant, bij de van de Comp: van den Kapitijn Wieramangala, die een Complot van omtrent 30: man van hun Comp: gemaakt hebbende, zich aan diverij en verscheijde andere delicen schul„ dig gemaakt hebben, en daarom bij appoinctement 1822 „ppoinctement van den raad van Justitie te Jaffanapatnam, waar van Copij onder de bijlaegen gaat, van hunne qualiteiten gedi„ moveerd zijn, en Baipa Benda van Soerabaija anders ook genaamt Bapasaaa gew: soldaat van de Comp: van Kapitijn Panjenap, die na zig ruijm een Jaar te hebben geabsenteerd, einde„ lijk in de wanniter hou gekoomen, en niet zonder rlden verdagt is, van zig meede te hebben opgehouden onder de Kaffeuse Roovers die de Trinkonomaalsche en wannische landen onvijlig maaken. §9: op de alhier uijtgeleverde ladingen van 't schip de Maria, hebben we gedisponeerd bij resolutie van den 9. ' februarij J:o leeden, waar van Ex„ trakt onder de bijlaagen deezes is gevoegd. We gebruijken de vrijheid daar uijt eerbiedig te no„ teeren, dat wede minderheeden op de Bala„ viasche lading, hoewel inzonderheid die van Rijst eene aanmerkelijke quantiteit van 158337¼: lb: bedroeg, hebben moeten laaten afschrijven, om dat de schipper 't Bataviasche Cognoissement heeft ondertekend met deeze bijgevoegde verklaring, dat de inhoud zoo wel
English
had properly unloaded all the timber, and upon further investigation it appeared that during the unloading of this timber, in order to make more haste to empty the unloading vessels sooner, the wood was thrown onto the pier and into the water without the committee members being present, so that the aforesaid deficit has either sunk or drifted into the sea, except for 2 pieces that were recovered later; wherefore, as appears from our resolution of 19 March, we have decided to write off the remaining missing 17 pieces, being wood of little value, nevertheless with a recommendation to the Master of the Equippage to establish adequate orders so as to prevent this in the future. § 10: On the goods sent to Silau with this vessel, a deficit was found there of 42 cans of double arrack and 23 cans of coconut oil, which we likewise, according to our aforesaid resolution of 8 March, have had written off, because the skipper was willing to sign for the casks, but not for their contents. § 11: The findings regarding the cargo delivered at Gale from the said vessel were inserted in our resolution of 14 February last, which accompanies this in extract; in order to be able to dispose of the occurring deficit therein of 1563¼ lb of Ceylon pepper, we requested a report from the Warehouse Masters here concerning the underweight of 7¼ lb found at Gale in the gross and net weight of the sample box that was sent there to Gale; and they served us with the report that this pepper was brought from Hulftsdorp just days before shipment, where it is delivered daily by the natives, and that it, having still been very fresh, must have dried out; and because this supposition appeared very probable to us, in view of the equal underweight on the gross and net weight of the sample box, we decided, as appears from our aforesaid resolution of 19 March, to write off the aforesaid pepper found deficient at Gale; the more so because the skipper, in the bill of lading, did not sign for the quantity of the pepper, but only for the number of bags. Nevertheless, care shall be taken that in the future no pepper is delivered to the warehouses until it has first dried out properly. § 12: Of our disposition on the discharged cargo of the ship de Negotie on its first voyage from Koetsiem, we made a report to Your Right Honourables in our respectful letter of 31 January, and since then, on 9 February, we disposed of the cargo that it brought here from Gale, as appears from the extract of our resolution accompanying the annexes hereof, to which we humbly refer, as there is nothing particular to note about it. § 13: The Koetsiem cargo of the ship de Negotie, which was brought on its last voyage, in so far as it was partly unloaded here, is dealt with in our resolution of 21 March last, an extract of which is included among the annexes; and since there is nothing particular to note about it, we take the liberty of referring to that extract, with the further respectful report that we have authorized the officers at Gale to report directly to Your Right Honourables on the findings regarding the cargo of this vessel discharged there and not yet sent to us. § 14: Of the goods from the cargo of the ship Veere that remained at Gale, two boxes of window panes and one box of cartridge paper have since been opened there; and in them, as appears from the accompanying copy of the Gale resolution of 12 February last, were found 71 panes of 9 and 11 inches and 97 panes of 8 and 10 inches damaged at the edges, 24 panes of 9 and 11 inches and 41 panes of 8 and 10 inches broken in pieces and fragments, and 18 quires of cartridge paper smothered and spoiled. We have dutifully given notice of this to the Lords Majors, offering a sworn statement regarding the aforesaid panes. § 15: In our latest requisition it was omitted to ask for one hundred copies of the booklet titled Brief Compendium of the Doctrine of Truth Which Is According to Godliness, printed in half-sheets in the Dutch and Portuguese languages, which the Scholarchal Assembly requested for the use of the schools. We humbly request Your Right Honourables, if they are in stock at Batavia, that these books may be sent hither when opportunity arises. § 16: The Council of Justice here has submitted to us for approval a sentence passed by the same against the soldiers of the Regiment of Luxemburg, Jean Baptist Huet and Anthonie Shomma, who were prosecuted by the Fiscal on suspicion of having stolen from the Company's powder magazine. The first-named is condemned to run the gauntlet through a corps of 250 men, and subsequently to be sent with the latter to Europe, with the banishment of both forever outside the Company's territory, forfeiture of their wages since the day of their detention, and condemnation to the costs and expenses of justice. The first-named has confessed that he was asked by the latter, while he was to stand guard before the powder magazine, to allow him to enter it and take powder; and he also confesses that while he stood guard in front of it that same evening, an attempt was made on
Dutch transcription
alle de houtwerken behoorlijk had ontscheept, en bij gedaane verder onderzoek is gebleeken, dat bij het lossen deezen houtwerken tot meer„ der spoeden om de los vaartuigen te eerder ledig te krijgen, de hout aan 't Zeehoofd en op staand zijn gesmeeten, zonder dat er de gekommitteer„ dens nog bij waren, zoo dat de voorsz: minder„ 1 behalven 2: stux die nader zijn— heid of gezonken of in zee gedaeeren zijn, op„ gevischt, weshalven we, blijkens onzer resolutie van den 19. ' Maart, beslooten, hebben, de nog mankeerende 17: stuks, als zijnde houten van geringe waarde, te laaten afschrijven: met recommandatie nogtans aan den Equipagiemees„ ten, om toerijkende ordoes te stellen, ten einde dit in den aanstaande te voorkomen. § 10: op de goederen, die met dezen bodem na silau gezonden zijn, is aldaar eene minderheid be„ vonden van 42: kannen araak dubbelde en 23: kannen kokus olie, die we insgelijks, volgens voorsz: onze resolutie van den 8: Maart, hebben laaten afschrijven, om dat de schipper wel voor de fusten, maar niet voor denzelven inhoud heeft willen teekenen. „van de §11: De bevinding te Gale uijtgeleverde laading van 1824 van gemelden bodem, is geinsereerd bij onze rezolutie van den 14. ' febr: J:o leden, die in Extaakt deezen verzeld, om te kunnen disponeeren op de daar bij voorkomende minderheid van 1563¼: lb: peper Ceilonsche, hebben wo van de Pakhuijsmees„ ters alhier berigt gevraagd, nopens het te Gale bevondene minwigt van 7¼: lb:, bij de op het bruto en netto gewigt van 't monster kasje, dat daar van na Gale was gezonden, en zij hebben ons daar op gediend, dat deeze peper, eerstsdaags voor den afscheep, van Hulftsdorp, alwaar dezelve door den inlander dagelijks word geleverd, was aangebragt, en dat ze dus, noch heel versch geweest zijnde, moest ingedroogd zijn; en wijl deeze onderstelling ons zeer waarschijnelijk voor„ kwam, ter zaake van het equaal minwigt op 't bauto en netto gewigt van het monster kasje hebben we, blijkens voorsz: onze resolutie van den 19. ' Maart, beslooten, voorschr: te Gale minder bevondene peper te laaten afschrijven; temeer ook om dat de schipper bij 't Cognoisse„ ment, niet voor de quantiteijt van de peper, maar alleen voor het getal der zakken heeft geteekend. Niet te min zal ergezorgt worden dat dat voor den aanstaande geen peper in de pak„ huijsen word gelevert dan na eerst behoorlijk zal zijn uijtgedroogd. §12: van onze dispositie op de uitgeleverde lading van 't schip de Negotie, bij desselfs eerste tocht van Koetsiem, hebben we uwen Hoog edelheden verslag gedaan bij onzen eerbiedigen van den 31: Januarij, en het Zedert „ op den 9. ' februarij, hebben we gedisponeerd op de laading, die hetzelve van Gale alhier heeft aange„ bragt, blijkens het Extrakt uijt onze resolutie dat de bijlaagen deezes verzeld, en waar aan we ons nedrig gedraagen, wijl 'en niets bezonders op aantemeaken valt. §13: De Koetsiemsche laading van het schip de negotie, die met desselfs laatste togt is aange„ is, bragt voor zoo verde dezelve hier ten deele gelost is; verhandelt bij onze resolutie van den 21: Maart J:o Leden; waar van Extrakt onder de bijlaagen overgaat, en wijl daar op niets bezonders aantemerken valt, zoo gebruij„ ken We de vrijheid ons aan dat Extrakt te referee„ aen met eerbiedig berigt wijders, dat we den bedien„ den te Gale gequalificeerd hebben, om van de 1825 de bevinding der laading dezes bodems, die aldaar uijtgeleverd en ons nog niet toegezonden is, di„ rect verslag te doen aan uwe Hoogedelheden. §14: van de goederen, die uijt de lading van 't schip veere te gale zijn verbleeven; zijn aldaar het zedert twee kassen met ruijten en een kas met Kardoes papier geopend, en zijn daar in, blijkens nevensgaande Copia gaalsche resolutie van den 12. ' februarij J:o leden bevonden 71: ruijten van 9: en 11: d=m en 97: duijten van 8: en 10: d=m aan de kanten geschonden, 24: ruijten van 9: en 11: d=m en 41: duijten van 8: en 10: d=m aan stukken en brokken, en 18: boeken kardoes papier ver„ stikkt en aangeslaagen. We hebben hier van den Heeren Majres pligtelijk kennis gegeeven onder aanbieding van eene be-eedigde verklaa„ ring wegens de voorsz: auijten„ §15: Bij onze Jongste Eisch is geommitteerd te vaaa„ gen, Een hondert exemplaren van het boekje getituleerd kortbegrip van de leere der waarheid, die na de Godzaligheid is, halverblads gedrukt in de Hollandsche en Portugeesche taalen; welke de Scholdachale vergadering, ten behoeve der Schoolen heeft geEischt. We verzoeken uwe Hoogedelheden nedrig nedrig, zoo ze te Batavia in voorraad zijn dat deeze boeken bij gelegentheid herwaards mogen worden gezonden. §16: De Raad van Justitie alhier heeft aan ons ter approbatie aangeboden, een door denzelven ge„ slaagen vonnis teegen de soldaaten van 't regi„ ment van Luxemburg Jean Baptist Huet en Anthonie Shomma, die over suspilie van 's komp:s kruijtkelder te hebben bestoolen; door den fiskaal zijn geaktioneerd. De eerstgenoemde & is gekondemneerd, om door een Corps van 250: Man spitsroede geleijd, en vervolgens met den laast„ genoemden na Europa gezonden teworden, met verbanning van bijden voor altijd buijten 'skomp:s teractoir, verbeurt verklaaring hun„ ner gagie zedert den dag hunner detentie, en Condemnatie in de kosten en misen der Justitie. De eerstgem: is in Confessie, dat hij door den laatsten aangezogt is, om terwijl hij op schild„ wagt zoude staan voor de Kruijtkelder, hem toetelaaten in dezelve temogen gaan en kruijt neemen, en daar bij bekend hij ook, dat terwijl hij denzelven avond daar voor op schildwagt stond 'er eene tentame was gedaan op
English
1826 at the powder magazine, and as it has appeared that the door lock of the powder magazine was forced and gunpowder was actually stolen from it, we have considered that the said Jean Baptist Huet may reasonably be held suspected of having afforded the opportunity for the theft; for it is evident from the gait of the thief, who he says retreated onto the rampart, that it was a soldier of the regiment of Luxembourg, and his failure to give notice of this and of the previously mentioned request made gives cause to presume that he is implicated in this theft. His negligence in itself, in our view, would well have deserved a heavier punishment, for the sake of the consequences, because the care for the security of the place is entrusted to a sentry, and by such conduct, especially at such important posts as are the powder magazines, opportunity might very easily be given to villains for undertakings that can drag along the ruin of an entire town, we have. We have therefore, in the session of 28 February last, resolved to leave this sentence without execution, and to submit the whole case to your Right Honourables, in order to have your honoured decision thereon. The same is accordingly forwarded among the enclosures, and we therefore also let the two prisoners pass over with the bearer of this. Paragraph 17: On 15 March last, there arrived here the Ambassador of the Nabab of Arcot, Mr. James Buchanan, mentioned in our respectful letter of 29 February. We are not yet able to report definitively to your Right Honourables what outcome his mission will have, although we still have some good expectation of it, and we therefore take the liberty to submit provisionally herewith copies of the letters he has brought, both from the Nabab and from the Governor of Madras, Mr. Campbell. Paragraph 18: Among the said copies of letters, your Right Honourables will find one from the aforementioned Nabab, which was written expressly to request the release of the Sayyid Sharif Sahib, being the Arab Said 1827 Said Mohamad Ebenoe Abdullah, whom your Right Honourables sent hither with the ship Dordrecht, with instructions in the honoured dispatch of 31 August last to put him to labour in chains on the public works. We could not entirely refuse this request, but resolved on 17 March to answer the aforementioned Ambassador, who verbally requested his release with great urgency, that we could not allow him to depart without special authorization from your Right Honourables, but that in the meantime, out of consideration for the intercession of the Nabab, we would have him knocked out of his chains and give him permission to lodge somewhere outside the Materials House inside the castle itself. He has consequently been released from chains and lodges in a rented house in the castle; and at his request we have granted him, in the session of the 3rd of this month, 60 Rupees and 10 parras of rice for subsistence, and 8 rixdollars for house rent per month. This man is held in extraordinary high esteem among the Mohammedans, as as appears from the exceptional respect they show him here in every way, and we have therefore considered that it may be beneficial to the Company's interest to treat him on that footing for the gratification of the Nabab. We hope that your Right Honourables will be pleased to approve the aforementioned allowance favourably, the more so because we can have an answer from your Honours on this in four to five months, whether we may allow him to depart or not. Paragraph 19: The Chief of Trincomalee, Van Senden, having been at Jaffnapatnam last year on his return journey from Colombo, used at his departure from there a certain native state in the town itself, which according to the custom of the country belonged only to the Commander. Commander Raket lodged a complaint with us about this, and upon the report demanded regarding it from the Chief Van Senden, he did not deny it, but declared that he had had no intention thereby to insult the Commander. But although the aforementioned used state is nothing in essence, except insofar as the 1828 the native makes something of it, we have, all the more because the said Van Senden did so notwithstanding that the Resident of Kayts, Mooijaart, had pointed out to him the impropriety thereof, upon the further request of Commander Raket to have satisfaction regarding it, written to the Chief Van Senden according to the resolution of 29 September last to apologize in a proper manner to the aforementioned Commander in a public Company letter, with the express declaration of having had no intention thereby to insult the said Commander or to show him any slight. However, the said Van Senden has written to us that he felt aggrieved by this ruling, and requested that some other correction be imposed upon him. Wherefore we have thought it best to request your Right Honourables, as we take the liberty to do herewith, to be pleased to make a ruling thereon yourselves, and to that end we present to your Honours the papers relating thereto in a separate bundle. Paragraph 20: The ship Houtlust, which made on 31 March last
Dutch transcription
1826 op de Kruijtkelder, en terwijl het gebleeken is, dat het deurslot van de kruijtkelder ge„ forceerd en werkelijk kruijt daar uijt gestoo„ len is, hebben we gemeind dat gemelden Jean Baptist Huet, met grond mag worden ver„ dagt gehouden; van gelegentheid tot de diverij te hebben gegeven, want het is uijt de gang van den dief, die hij zegt op de wal geweeken tezijn blijkbaar, dat het een soldaat van het regiment van Luxemburg was ge„ weest, en zijn versuijm om hier van en van het voorscha: gedaane aanzoek kennis te geven, geeft aanleijding om te onderstellen, dat hij in deeze diverij gecomplikeerd is. zijn verzuijm op zich zelven hadde, naar ons inzien, wel een swaarder staaf verdiend, om der gevolgen wille wijl aan een schildwagt de Zorg voor de vijligheid van de plaats word toevertrouwd, en door een dergelijk gedaag inzonderheid op zulke gewigtige possen, als zijn de kruijtkelders, veel ligt occagie aan booswiglen zoude kunnen worden gege„ ven, tot onderneemingen die de Ruin van een geheele stad kunnen naar zich sleepen, wij hebben. hebben derhalven, ter sessie van den 28. februaar J:o leeden, beslooten, dit vonnis te laaten buijten dispositie, en het geheel proces uwer Hoog edelheden aantebieden, om daar op te mogen hebben hoogst derzelver g'eerde decisie. Het zelve gaat mids dien onder de bijlaagen over, en we laaten ook derhalven de twee gevangenen, met brenger dezes overgaan. §17: Den 15. ' Maart J:o leden is alhier gearriveerd de bij onzen eerbiedigen van den 29. ' februarij vermelde Ambassadeur van den Nabab van Aakadi, de heer James Buckanon. We zijn nog niet in staat, om uw en Hoog edelheden stellig te berigten, wat uytslag zijne zending zal heb„ ben, hoe wel wij 'er nog al eenige goede ver„ wagting van hebben, en neemen derzalv en de vrijheid, om bij voorraad hier nevens aante„ bieden Copijen van de brieven, die hij heeft aangebragt, bij de van den Nabab en van den Gouverneur van Madaas de Heer Campbell. §18: Onder gemelde Copij brieven, zullen uwe Hoog edelheden eene van voorm: Nabab vinden, die Expres geschreeven is, om het ontslag te verzoeken van den Seijedschaaief Sahib, zijnde de Aaabier said 1827 said Mohamad Ebenoe Abdullah, die uwe Hoogedelheden met 't schip Dordaecht herwaards gezonden hebben; met aanschrijvens bij g'eerde missive van den 31:' Aug:o pass:o om in de ketting aan de gemeene Werken ten arbeid te stellen. Wij hebben dit verzoek niet geheel kunnen van de hand wijzen, maar op den 17. Maart beslooten aan voorm: Ambassadeur, die zijn ontslag met zeer veel aandaang mondeling verzogte, te antwoorden, dat we hem niet konden laaten vertrekken, zonder spe„ ciaale qualifikatie van uwe Hoogedelheden, maar dat we hem intusschen, uijt inzigt voor de intercessie van den Nabab, uijt de ketting zoude laaten klinken en verlof geeven, om buijten 't Materiaalhuijs ergens. in het kasteel zelve te logeeren. Hij is ook dienvolgende uijt de ketting ontslaagen en logeerd in een gehuurd huijs in het Casteel; en op zijn verzoek hebben we hem, ten sessie van den 3. ' dezer, toegelegd 60: Ropijen en 10: parras rijst tot onderhoud, en 8: rijksd:s tot huijshuur 'smaands. Deezo man is in ongemeene hoogagting bij de Mahomethaanen, gelijk dat dat blijkt aan de bysondere eerbied, die ze hem hier allesins bewijzen, en we hebben dea„ halven gemeind, dat het voor 'skomp:s interest vorderlijk kan zijn, hem ten gevalle van den Nabab op dien voet te behandelen. We hoopen dat uwe Hoogedelheden, de voorsz: toelaage gunstig zullen gelieven te passeeren, temeer we hier op in vier â vijf maanden, antwoord van hoogst dezelven kunnen hebben, of we hem mogen laaten vertrekken of niet. §19: Topperhoofd van Tuinkonomale van Senden, voorleden Jaar op zijne terug wijze van ko„ lombo, te Jaffenapatnam aangeweest zijnde, heeft bij zijne vertrek van daar, zeekere inland„ sche statie in de stad zelve gebruijkt, die na slands gebruijk alleen aan den Comman„ deur toekwam. De Commandeur Raket heeft zig hier over bij ons beswaard, en op het derweegens gevordert berigt van 't opper„ hoofd van senden, heeft hij dat niet ont„ kend, maar verklaard daar bij geen intentie gehad te hebben, om den kommandeur te beledigen. Dan Schoon de voorsz: gebruijkte statie, niets inweezen is, dan voor zo verde de 1828 de inlander daar werk van maakt, hebben we temeer wijl gem: van senden dat gedaan heeft, onaangesien de resident van Kaits Mooij„ daat hem de ongevoeglijkheid daar van had doen opmerken, op het nader verzoek van den Kommandeur Raket, om derwegens vol„ doening te mogen hebben, het opperhoofd van senden, volgens resolutie van den 29. 7ber: pass:o aangeschreeven om zich daar over in een publicque Comp:s brief bij voormelden kommandeur op eene betaamelijke wijze te verschoonen met Expresse verklaaring van daar bij geene intentie gehad te hebben, om gemelden kommandeur daar meede te beleedigen, of eenige kleinagting aante doen: Doch gedagte van senden heeft ons geschreeven, dat hij zich bij deeze uijtspraak beswaard vond, en verzogt hem eenige andere Correctie opteleggen. weshalven we best gedagt hebben, uw Hoogedelheden te verzoeken zoo als we de vrijheid nemen te doen bij deezen om daar over zelve uijtspraak tewillen doen en bieden ten dien eijnde hoogst dezelven de papieren daar toe betrekkelijk, in een apparte bondelje § 20: Het schip Houtlust, dat den 31:' Maart J:o leden gedaan aan.
English
from private individuals that could very suitably have served for that purpose, this difficulty could for the most part have been cleared out of the way, and if the servants had resorted to this expedient, it is certain that this would have considerably accelerated the unloading and especially the loading of Alblasserdam, whereas now six full twenty-four hour periods were spent solely on the unloading of the aforesaid cases and packages, and what especially provided the most visible proof that more diligence could not have been applied to the dispatch of this ship than actually occurred, is that since then another 12 full twenty-four hour periods have elapsed in order to load the goods mentioned hereinabove into it. With the unloading of the cargo of the ship de Negotie, it likewise appeared to us that this could have been done with more diligence. On 20 March this ship arrived in the bay of Gale, and on the 24th everything had already been unloaded from it, except for 1214 bags of saltpeter and 115950 lb of pepper, which it loaded at Koetsiem. The saltpeter could have been unloaded with the aforesaid private vessels, and it seems to us that with good weather this would not have presented any great difficulty regarding the pepper either; nevertheless, from a received memorandum of remaining return cargo, we saw that all the pepper and saltpeter still lay in the ship on 30 March, so that in six full twenty-four hour periods nothing appeared to have been done to this ship, and if only earnest work had been done from that time until the 4th of this month, when the servants communicated to us the aforesaid report from the Master of the Equipage Abo, the unloading of the saltpeter and pepper could not only very easily have taken place within that time, but at the same time the ballast could also have been brought on board with native vessels, insofar as no Company vessels were at hand for that purpose. On the ship Houtlust there was also not much to be done. It had already been returned to us on 31 March and, according to the report of the servants, had suffered very little and almost negligible damage solely to the fore-shrouds during the careening of the French warship, so that no great amount of time was required to put this ship in condition for the voyage to Batavia. Nevertheless, the servants, in addition to the aforesaid declaration of the Master of the Equipage Abo, also added this report in their letter that the dispatch of the ships Houtlust and de Negotie could still take a long time. We therefore deemed it necessary to urge them to greater diligence, and consequently wrote to them on the 7th of this month to ask the Master of the Equipage Abo categorically by what time we could depend, with the assistance that the servants were able to give him, that each of the aforesaid ships would be able to undertake the voyage to Batavia; announcing at the same time that we hoped that the answer we expected thereto would be such that we could rest satisfied with it, as otherwise we would send the Colombo Master of the Equipage to Gale to advance the work with greater speed. Upon this, the servants reported to us by letter of the 9th of this month that the Master of the Equipage Abo had stated that the ship de Negotie could be dispatched today if wind and weather permitted, and that the ship Houtlust could also depart if we were to order it. We hope, therefore, that de Negotie will have departed today, and let this serve to accompany the ship Houtlust, concerning whose cargo we humbly refer to the report that the Gale servants will make thereof to Your High Mightinesses. With this ship return the eight sailors who were placed at Batavia on the chartered ship de Maria, and to whom we have caused two good months' pay to be advanced, toward the payment of their debts to the skipper of the said vessel. The said skipper would have liked to retain four of them for his ship's service, but because we did not have their pay accounts, and the skipper did not wish to bind himself for whatever might stand to their debit on their accounts, four other sailors from the Gale equipage were ceded to him. Also traveling with the bearer of this are the second lieutenant Simon Pietersz: and five sailors, all of the equipage of the sloop de Krab. Because these people had nothing to live on, we have caused each of them to be advanced three months' wages, which, along with the advances made at Paleakatta and Battikaloa, are debited to their pay accounts, which the Gale servants will present to Your High Mightinesses. Already on 13 February we wrote to the authorities at Gale to have the former commander of the aforesaid sloop, Daniel Straale, examined before the fiscal by the Master of the Equipage Abo and another ship captain concerning his administration from the departure from Batavia until the sloop came to be cast away on Pegu, as well as regarding the condition in which he had left that vessel upon his departure from there, and at the same time to demand an accounting from him for the employment of 5000 sicca rupees for which, being in Pegu, he drew a bill of exchange on the Ministers in Bengale, and of 951 pagodas 6 fanams 40 cash which he received at Paliakatta. This order we repeated again in our letter of 18 March last, when the servants submitted his request to us to be allowed to go to Batavia with the first departing ship, and to be allowed to render an accounting of one thing and another there. But today we received from the servants only a report from the Master of the Equipage Abo and the captain of the ship de Negotie, Pleen, together with a copy of the report of the said Straalen and the second lieutenant Pietersz:, both of which in copy under
Dutch transcription
van partikulieren die daar toe heel bequaa melijke hadden kunnen dienen, waare deeze swaarigheid voor het grootste gedeelte uijt den weg te ruijmen geweest, en zoo de bedienden tot dit middel toevlugt hadden genoomen, dan is het zeeker, dat zulks het lossen en inzonderheid belaaden van Alblas„ serdam merkelijk zoude hebben verhaast, daar nu alleen met het lossen van de voorscha: kassen en pakken, ses volle etmaa„ len waaren toegebragt, en het geene voorna„ melijk een allerzichtbaarst bewijs uijtle„ verde, dat 'er niet meer voortvaarentheid aan de depeche van dit schip hadde kunnen wor„ den gewerkt dan geschied zij, is dat 'er zee„ dert nog 12: volle etmaalen zijn verloopen, om de goederen hier bovengemeld daar in af„ telaaden. Met het lossen van de laading van het schip de Negotie kwam het ons insge„ lijks voor, dat zulks met meer voort„ vaarentheid hadde kunnen geschieden. Den 20. Maart is dit schip in de baaij van Gale gekoomen en den 24: was 1830 was reeds alles daar uijt gelost, behalven 1214: zakken salpeter en 115950: lb: peper, die het te koetsiem heeft ingelaaden. De salpeter konde met de voorschr: particuliere vaartuijgen gelost zijn, en naar het ons voor„ komt, zoude dat ook geene groote swarigheid gehad hebben omtrent de peper bij goed weer; nogthans zagen we, bij eene ontvangene Memorie van restant retouren, dat al de peper en salpeter nog den 30. Maart in het schip hebben geleegen, zoo dat aan dit schip, in volle sesetmaalen, niets scheen te zijn gedaan en indien alleen van dien tijd af tot den 4. ' deezer, wanneer de bedienden ons het voorsz: berigt van den Equipagie„ meester Abo bedeelden, met ernst gewerkt was, hadde het lossen van de salpeter en peper, zeer gemakkelijk niet alleen, bin„ nen dien tijd kunnen geschied, maar had ook te gelijker tijd de ballast, met inlandsche vaartuijgen kunnen worden aan boord gebragt, voor zoo verre daar toe geen komp:s vaartuijgen aan handen waaren, Aan het schip Houtlust was en ook niet veel veel te doen, Het was reets den 31:' Maart aan ons terug gegeeven, en hadde volgens der bedienden berigt, bij het kielen van 't faansch oorlog schip, zeer wijnig en bij na niet naamwaardige schadde alleen aan het fokke want geleden, zoo dat er om dit schip„ tot de rijze na Batavia in staat te stellen, geen veel tijds vereischt wierd. Niet te min voegde de bedienden, bij de voorsz: verklaaring van den Equipagiemeester Abo, in hunnen brief, nog dit beregt dat de afvaardiging van de scheepen Houtlust en de Negotie nog lange konde aanhouden. We hebben daarom gemeent hen tot meer„ der voortvaarentheid te moeten opwekken, en dienvolgens den 7: dezer hun aange„ schreeven, om den Equipagiemeester Abo Catogoorisch aftevraagen, tegens wat tijd we, met de behulp die de bedienden in staat waaren hem tegeeven, staat konden maaken, dat een elk der voorschr: scheepen, de rijze na Batavia zoude kunnen aan„ vaarden; met aankondiging tevens, dat we koopten dat het antwoord dat we daar op te 1831 tegemoet zaagen zoodanig zoude zijn, dat we er in konden berusten wijl we anders den Kolomboschen Equipagiemeester na Gale Zouden zenden, om het werk met meerder spoed te doen vraaigten. Hier op hebben de bedienden ons bij brieve van den 9. ' deezer bericht, dat de Equipagiemeester Abo had betuijgd, dat het schip de Negotie heden zoo weer en wind i het toeliet, zoude kunnen worden afgevaar„ digt, en dat ook 't schip Houtlust, konde vertrekken, zoo daa we het zouden bevee„ len. We hoopen derhalven, dat de Negotie heden zal zijn vertrokken, en laaten de zen dienen ten geleide van het schip Houtlust, nopens welks laading we ons nedrig refereeren aan het verslag, dat de gaalsche bedienden daar van aan uwe Hoogedelheden zullen doen. Met dit schip gaan terug de agt mattroosen, die te Batavia op het ingehuurd schip de Maria zijn geplaatst, en aan wien we twee goede maanden hebben laaten verstrekken; ter afbetaaling hunner schulden aan den schipper van gemelden bodem. gemelde schipper hadde hadde quaane vier hunner tot zijn scheeps „wijl dienst willen behouden, maar „ we hunne soldij reekeningen niet hadden, en de schip„ per zig niet wilde verbinden, voor het geene zo op hunne reekeningen te quaad mog„ ten staan, zijn hem vier andere mattroo„ sen van de Gaalsche equipagie afgestaan. Ook gaan met brenger deezes over de sous luijtenant Simon Pietersz: en vijf mat„ „troosen, alle van de Equipagie van de sloep de Krab. wijl deeze menschen niets hadden, om 'er van tekunnen leeven, hebben we aan hun laaten verstrekken elk drie maan„ den gagie, die met de gedaane verstrekkin„ gen te Paleakatta en Battikaloa belast zijn op hunne soldij reekeningen, welke de Gaalsche bedienden uw en Hoogedelheden zullen aanbieden. Reets den 13. ' februarij hebben weder bekenden te Gale aangeschreeven, om door den Equipagie„ meester Abo en nog een scheeps kapitijn, den gew: gezaghebber van voorm: sloep Daniel straale, ten overstaan van den fiskaal, telaa„ ten examineeren over zijne directie, zedert het 1832 het vertrek van Batavia tot dat de sloep op Pegu was komen te vervallen, zomeede no„ „pens den toestand waar in hij dat vaar„ „tuijg, bij zijn vertrek van daar had ge„ „laaten, en ter gelijker tijd ook van hem verantwoording te vraagen, weegens het emplooij van 5000: sicca ropijen „waar voor hij te Pegu zijnde „een wissel op de Ministers in Beu„ „gale heeft getrokken, en van pagooden 951. 6: 40. die hij te Paliakatta heeft ontvangen. Deeze order hebben we nader herhaald bij onzen brief van den 18. ' Maart J=o Leeden, toen de be„ „dienden ons zijn verzoek voordroegen om met het eerste vertrekkend schip na Batavia te moogen gaan, en daar van het een en ander verant„ „woording te moogen doen. Doch heden ontvangen we van den bedienden, alleen een berigt van den Equipagiemeester. Abd en den kapiteijn van 't schip de Negotie Pleen, nevens een Kopia berigt van gemelte Straalen en Pietersz: den sous luijtenant „ die bijde in Copia onder
English
pass over among the appendices, along with the logbook kept on the said sloop during the voyage, to which we take the liberty of referring, with this remark only: that according to the report of the aforesaid examiners, the courses steered were found to be in accordance with the sailing orders and the chart of the Indian Sea, but that the lost voyage must have been caused by the deflection of the currents and from a great miscalculation by the officers in using the azimuth compass, which they judged not to have been sound; the commander and the second lieutenant declaring in their report that they had not accepted the sloop because, the hull being eaten away by worms and the spars decayed, the vessel could not sail without undergoing a heavy repair. 1833 The requested accounting for the monies which he has received has thus not yet been delivered to us, but the servants have, on the other hand, repeated his request to be allowed to go to Batavia, and this we have now granted provided that he first renders an account of the aforementioned funds, so that in that event he will also cross over with the bearer of this, and we have authorized the servants to transmit to Your Right Noblenesses the account that he submits of the employment of the aforementioned monies, for Your Noblenesses' highest disposition. Regarding the Cochin cargo of the ship Houtlust delivered here, we have disposed thereof by our resolution of the 21st of March last, an extract of which is annexed hereto, and to which we humbly conform. I shall dutifully let Your Right Noblenesses' much respected orders serve for my instruction, and the necessary notification has also already been sent in this regard to Galle and Trincomalee. Concerning Kandy, and especially concerning the matter of the coasts, I take the liberty of referring to the respectful secret letter written by me together with the Council on 31 January last, and I continually venture to flatter myself that, if Your Right Noblenesses can approve keeping things somewhat in suspense on the footing proposed therein, this will be the most suitable way to remain on good terms with the Court, and gradually make it forget the matter of the coasts. That the Court still mentions it now and then, I do not think needs to disquiet Your Right Noblenesses. By merely exercising a little patience one will make the best progress, especially now that the matter of the cinnamon has advanced so far that the Court itself clearly sees that before long 1835 before long, if necessary, we shall be able to do without Kandyan cinnamon. Having received nothing definitive yet by the ship De Gouverneur Falck concerning the fortifications, I shall provisionally, in accordance with what I had the honor to write to Your Right Noblenesses in a secret letter of the 12th of April from me and the Council together, in reply to Your Noblenesses' very respected separate letter of the 23rd of October prior thereto, cause the defects in the fortifications that require the greatest haste to be remedied as well as possible; always bearing in mind that what is done provisionally can be of as much use as possible in the execution of the new plans, whichever system the Company may embrace. It grieves me to the highest degree to see from Your Right Noblenesses' aforesaid highly respected separate letter that it has caused Your Right Noblenesses notable displeasure that I made use of Monsieur de La Lustriere. It was done with the good intention of providing myself as far as possible with all means that could in any way serve to shed as much light as was practicable upon the matter of the fortifications, in order thereby the better to enable Your Right Noblenesses and the Lords Masters themselves to make the necessary decisions thereon with confidence. None of his ideas has thus far been executed, nor shall anything thereof be carried out without Your Right Noblenesses' further respected orders. Meanwhile, I humbly beg leave to remark that the fortresses in Ceylon are of such a nature that merely by walking around them from the outside—and on account of their situation no one can be prevented from doing this—one can know them so thoroughly that, in order to judge their strength and weakness, one hardly needs to see them from the inside; for this reason, probably, no hesitation has ever been felt in Ceylon 1836 about employing foreigners in the engineer department, insofar as they were otherwise deemed to possess the necessary skills for it. By the late Governor Schreuder there was placed in this department in his time a native-born Frenchman named Isangren, who made the tour of the island with His Honor, and on this occasion was used for all commissions in surveying the fortifications. Thus also by the late Governor van Eck, Captain Boré, likewise a native-born Frenchman, was even appointed head of engineers, who came to serve with us some time after Pondicherry had passed to the English until his own nation should have re-established itself in the Indies, and who also returned thither after Pondicherry was subsequently restored. By the late Governor Falck was in like manner appointed Captain of the Artillery
Dutch transcription
onder de bijlaagen overgaan, nevens het Journaal op gem: sloep geduurende de rijze gehouden, waaraan we de vrijheijd gebruijken ons te refereeren met deze aanmerking alleen, dat volgens het berigt van voorsz: Exa „minateurs, de gehoudene Courssen overeenkomstig bevonden zijn met de Zijlaas orders en de kaart van de Jndische zee, maar dat de ver„ „loore rijs moest veroorzaakt zijn door verleijding van de stroomen en uijt eene groote misgissing van de overheeden, bij het gebruik van het pijl Compas, dat ze oordeelde niet van deugd te zijn geweest: be„ „tuijgende de gezaghebber en de sous luijtenant bij hun berigt dat ze de sloep niet hadden geaccepteerd om dat de huijs van de wormen doorvreeten en de Rond„ „houten vergaan zijnde, het vaar„ „tuijg niet vaaren konde zonde eene swaare reparatie te hebben 1833 De gevraagde verantwoording wegens de gelden, die hij ontvangen heeft, is ons dus nog niet bezorgd, maar heb„ „ben de bedienden daar en teegen herhaald zijn verzoek om na Batavia te moogen gaan, en dit hebben we tans toe gestaan mids hij alvoorens ree„ „kening doet van de voorschreeven penningen. zoo dat hij in dat ge„ „val ook met brenger dezes zal overvaaren en we hebben den be„ „„dienden gequalificeerd om de ree„ „kening, die hij van het emploij van de voorm: gelden overlegt, aan uwe Hoogedelheeden toe te zenden, tot hoogst derzel„ „ver dispositie Op de alhier uijtgeleeverde koetsiem„ „sche laading van het schip Hout„ „lust hebben we gedisponeerd bij onze resolutie van den 21. Maart J„o Leeden die in Extract hier nevens gaat, en waar aan we ons nedrig gedraagen zal ik schuldpligtig UWe Hoogedelheeden zeer g'eerde ordre mij tot narigt laaten verstrekken en is ook reeds derweegens het noodig aanschry ven gedaan na Gale in Trinkonomale. Noopens Kandia, en inzonderheid noopen het stuk van de Stranden, gebruik ik de vrymoedigheid mij te gedraagen aan den eerbie digen Sekreeten brief door mij in den Raad te zaamen geschreeven den 31 Ianuarij Hleeden en ik durf mij bij aanhoudentheid vlyen, dat in dien Uwe Hoog edelheeden kunnen goedvinden om op dien voet als daarbij is voorgesteld de dingen nog wat draagende te doen houden dit de bekwaamste weg zyn zal om met het Hof te blyven op goede termen, en aan het zelve het stuk van de Stranden langzaamer hand te doen vergeeten. Dat het Hof er nu en dan nog van spreekt, denk ik niet dat uwe Hoogedelheeden behoeft te ontruesten Met alleen een weinig geduld te oeffenen zal men het best vorderen, inzonderheid nu dat het stuk van de kanneel zoo verre geret is, dat het Hof zelve wel ziet, dat we het eerlang Maas 1835 eerlang, des noods buiten de kandiase kanneel zullen kunnen stellen. Met het schip de Gouverneur Falck nog niets stelligs omtrend de Fortifikatien ontfangen hebbende, zal ik bij provisie overeenkomstig met het geene ik de eere gehad heb bij een Sekreeten brief van den 12 april van mij en de Raad te zaamen, aan Uwe Hoogedelheeden te Schrij „ven in antwoord van Hoogst Derzelver zeer g'eerde apparte brief van den 23 October daar te vooren, de deffekten aan de fortifikatien die de meeste spoed vereysschen, zoo goed moogelijk doen verhelpen; altoos in het oog„ houdende dat het geen provisioneel gedaan word, zoo veel moogelijk van dienst kan zyn in de exekutie der nieuwe plans, het zy dan ook wat Sisteme de komp: zal amplecteeren. Het doed mij ten hoogsten leed, bij voorsz Uwe Hoogedelheeden zeer gerespekteerde apparte missive te zien, dat het Uwe Hoog edelheeden merkelijk ongenoegen gegeven heeft, dat ik mij heb bediend van den Heere de La Lustriere. Het Maas Het is geschied met het goede oogmerk om mij zoo veel mogelijk alle middelen te be„ zorgen, die eenigzins konde dienen om over het stuk van de Fortifikatien zoo veel ligt te verspryden als doenlijk was, ten eynde uwe Hoogedelheeden en de Heeren Meesteren zelve daar door te meer in staat te stellen, om daar op met gerustheid de noodige besluiten te kunnen neemen. Van zyn ides is tot nog toe niets g'exekuteerd, en zal ook niets daar van worden uitgevoerd, zonder uwe Hoogedelheeden nader zeer g'eerde beveelen. Intusschen verzoek ik verlos nedrig te moogen aanmerken, dat de vestingen op Ceilon zyn van dien aart, dat met ze alleen van buiten om te gaan, en dit kan om derzelver gelegentheid aan niemand be„ let worden, men ze zoo volkoomen ken„ nen kan, dat men om het sterke en het swakke daarvan te beoordeelen, bij na niet noodig heeft om ze van binnen te zien om deeze reeden heeft men ook waar„ schijnlijk op Ceilon nimmer eenige bedenking, gedragen B 1836 gedraagen om vreemdelingen in het departement van de genie te gebruiken, in zoo verre ze anders geagt zyn daartoe de noodige hun digheeden te bezitten. Door wijlen den Heer Gouverneur Schreuder is in zyn tyd in dit departement geplaast een gebooren fransman genaamt Isangren, die met zyn Edele de ronde langs het Eyland gedaan heeft, en bij deeze gelegentheid tot alle kom„ missien bij het opneemen der Fortifikatien is gebruikt. (zoo is ook door wijlen den Heer Gouverneur van Eck, zelfs tot hoofd van de genie aange¬ steld, de kaptain Boré insgelijks een geboo „ren fransman, die eenigen tyd na dat Pon„ dicherij aan de Engelsen was overgegaan bij ons is koomen dienen tot dat zyne eige„ ne Natie zig wederom in Indien zoude hebben geretablisseerd, en die ook na dat Pondicherij vervolgens weder hersteld is, na derwaards is te rug gekeerd. Door wijlen den Heer Gouverneur Talop is inzelvervoegen tot kaptain van de ar„ „tillerie
English
artillery and Chief of Engineers, appointed first of Jaffanapatnam and afterwards of the whole of Ceylon, an English officer named Brohe. Then, besides these considerations, as proof that on Ceylon, in view of the great simplicity of our fortifications, no difficulty was found therein, the fortifications of Colombo, Galle, and Trincomalee, not to speak now of the lesser fortresses, are also perfectly well known to the French. Trincomalee they even possessed, and consequently know the situation thereof very accurately. The inner bay is not only very well known to them, but it is also to all others, and even the best chart of it available to date was supplied by an English engineer, Nicholson, which has since been published in print and is to be found in most sea-books. As for Colombo and Galle, French engineers who passed through Ceylon during the war have not only had every opportunity to view these fortifications and to become acquainted with all the weaknesses and strengths thereof in the most complete manner, but they were even consulted repeatedly by the late Mr. Falck regarding what ought to be done to them. Of Galle, a plan was even supplied by Mr. de Roys, showing the changes and improvements required for the front on the landward side. The Regiment of Luxemburg, which since the year 1783 has been garrisoned on Ceylon, divided between Colombo, Galle, and Trincomalee, has, as far as the officers are concerned, consisted almost entirely of French nationals. Among these are many who, although they are not engineers, possess sufficient skill to assess our aforesaid fortifications, and from these people in particular the weakness and strength of the same could not remain concealed. The discoveries which Mr. de La Lustriere was consequently able to make concerning our fortifications, said with deep respect and without any application to the view remarked upon by Your Right Honours in that regard, do not in my humble opinion deserve in any respect to alarm Your Right Honours. Everything that he might have had the opportunity to notice with more discernment than an ordinary traveler are matters that have already long and abundantly been known to his countrymen. The knowledge which he was otherwise able to obtain here, especially of the beaches, on his journey from Trincomalee to Jaffanapatnam and from there to Colombo and Galle, could also contribute nothing to what is already all too well known to his nation. During the time that Trincomalee was in the hands of the French, Mr. de Suffren informed himself too accurately, and had surveys made, of everything along the beaches from Trincomalee up to the northern side of the island that is in any way worth knowing, for the observations of Mr. de La Lustriere, who passed through there merely as a traveler, to have been able or needed to shed any further light upon it. Of the west side of the island one can say the same, since during the war it was also visited and surveyed so often by the French by sea and by land that they obtained all possible knowledge thereof as they saw fit, in so far as one might also wish to assume that these things are not yet so fully known to other foreigners. What Mr. de La Lustriere says in his memoir concerning this and the other places through which he passed can fairly be regarded as nothing more than the ordinary work of a traveler, who usually records what he sees, although it is already known to the whole world. I shall nevertheless let the remarks made by Your Right Honours on this matter serve as my dutiful instruction. It was not even my intention, when I requested Mr. de Cossigny to send me one of his engineers, to make such use of him as has since occurred with Mr. de La Lustriere. I merely intended to speak with him about various differences in the plans delivered up to that time, in order to be able to make the necessary proposals for their execution to Your Right Honours with greater confidence. But when Mr. de Cossigny sent me his Chief Engineer, a gentleman who is considered by everyone who knows him to be a man of outstanding ability, I thought it proper to make useful use of the opportunity thus presented to me. To be convinced that it was not without reason that I sought to make use of this opportunity, one need only compare the large sums that the Company has spent on its Ceylon fortifications over a series of years against the few real improvements brought thereby to the same, as proof of how little skill the Company was served with for the most part in the engineer corps. On Fort Oostenburg, on which work was carried out for more than 12 years, the Company spent a rather large amount, and how this fort nevertheless surrendered when it was attacked is known to Your Right Honours. The ravelin Utrecht, which was constructed a few years ago before the Delft Gate at Colombo, can serve as another example. Besides
Dutch transcription
tillerie en Hoofd van de genie, eerst van Laffe napatnam en naderhand van geheel Ceilon aangesteld, een Engels Officier genaamt Brohe Dan behalven deeze konsideratien, ten blyk dat men op Ceilon uit hoofde der groote Sim plicitijd onzer vestingen daarin geen sware heid heeft gevonden, zyn ook de vestingen van kolombo Gale en Trinkonomald, om nu van de mindere vestingen niet te spree aan de Fransen op het volkoomenst bekend Prinkonomale hebben ze zelfs bezeeten en te kennen mits dien de gelegentheid daar van zeer naukeurig. De binnen baaij is hun ook niet alleen zeer bekend, maar zi„ is het ook bij alle anderen, en is zelfs de beste kaart die daarvan tot nog toe vor„ handen is, geleverd door een Engels Inge nieur Nicholson, die zeedert gedrukt is uitgegeven en in de meeste zee boek te vinden is. Wat kolombo en Gale aangaat. Franse Ingenieurs die geduurende de oorlog Maas op 1837 op Ceilon gepasseerd zyn, hebben niet alleen alle gelegentheid gehad om by de deeze vestingen te zein en al het zwakke en sterke daar„ van op het volkoomenst te leeren kunnen, maar ze zyn zelfs door den zaligen Heer Talck te meermalen geraadpleegt over het geen men daaraan behoorde te doen. Van Gale is zelfs door den Heer de Roys een plan geleverd, ter aanwyzing van de veranderingen en verbeeteringen die het trant aan de land zyde noodig had. Het Regiment van Lusenburg dat zeedert het Iaar 1783 op Ceilon in Gaar„ nizoin gelegen heeft, verdeeld op kolombo„ Pale, en Trinkonomale, heeft zoo veel de Officieren aangaat, op weinig na be„ staan in Nationale fransen. Onder deeze zyn 'er veele die Schoon ze geen Ingenieurs zyn, kundigheeden ge„ noeg hebben om voorsz: onze vestingen te beoordeelen, en voor deeze luiden inzonder„ heid van dezelve „heid heeft de Swakheid en sterkte niet kunnen verborgen blyven. De ontdekkingen die mits dien de Heer de La Lustreere omtrend onze vestingen heeft kunnen doen, het zij met deepe eerbied en zonder eenige toepassing op het door Uw„ Hoogedelheeden der weegens geremarkeerde gezigt, verdienen naar mijn nedrig in zien in geen opzigt dat ze Uwe Voogedel„ „heeden zoude ontrusten. Alles wat Bij dienaangaande gelegentheid mogt gehad hebben met meer onderscheid te remarkeeren dan een gewoone ryziger, zyn zaaken die reeds lange te over bij zijn landsge nooten zyn bekent. De kundigheeden die Hij hier voor het ovrige heeft kunnen verkrijgen, inzonderheid van de Stranden, in zyne rijze van Trinkonomale na Jaffenapatnam en van daar na Kolom„ bo en Gale hebben ook niet kunnen toebren„ gen tot het geen bij zijn Natie te overbekend Geduurende Maas is. 1838 Geduurende dat Trinkonomale in handen van de fransen was, heeft de Heer de supprijn zig noopens alles wat omtrend de Stranden van Trinkonomale tot aan de Noord kant van het Eiland, eenigsints weetenswaardig is; te naukeurig onderrigt, en dat doen opneemen dan dat de opmerking van den Heer de La Lustrieri, die daar alleen als een rijziger gepasseerd is; daaraan eenig meerder ligt zoude hebben kunnen of behoeven bij te zesten Van de westkant van het Eyland kan men hetzelfde zeggen, wijl die ook geduurende den oorlog door de fransen, bij de ter Zee en te land zoo dikwils bezogt en opgenoomen is, dat ze naar goedvinden, daarvan alle moogelyke kundigheeden hebben verkreegen voor zoo verre men ook mogt willen ver„ onderstellen, dat die dingen bij anderen vrem de nog niet zoo volkoomen bekend zyn. Het geen de Heer de La Lustriere by zijn Memorie hier van en van de verdere plaatzen door hem gepasseerd zigt, kan men bellijker wyze de wyze niet hooger aanzien, dan het gewoone werk van een ryziger, die doorgaans op teekend wat Hij ziet, Schoon het reeds by de heele wereld bekend is Jk zal mij niet te min het door Uwe Hoog edelheeden hierover aangemerkte tot Schulden narigt laaten verstrekken. Het was ook zelfs mijn oogmerk niet, toen ik den Heer de Cossignij verzogt om mij een van zyn Inginieurs te zenden, daarvan zulk een gebruik te maaken, als zeedert met den Heer de La Lestriere is geschied. Jk dagte hem alleen te spreeken over deeze en geene verschillen in de tot dien tyd toe geleverde plans, ten eynde met te meerder gerustheid de noodige voorstellen tot de exekutie daarvan aan Uwe Hoog edelheeden Dan toen de Heer de te kunnen doen. Cassignij aan mij zond zyn Chef Ingeneerd een Heer die bij een elk die Hem kend, gehou„ den word voor een Man van uitsteekende kundigheid, meende ik van de gelegentheid die mij daardoor voorkwam, een nuttig Maas gebruik 1839 gebruik te moeten maaken. Om zig te overtuigen dat het niet buiten reeden is geweest, dat ik mij deeze gelegentheid heb zoeken ten niette te maaken, behoeft men alleen te vergelyken de groote sommen die de komp:s geduurende een reeks van Iaaren aan haare Ceilonse vestingen besteed heeft teegens de weinige reëele verbeeteringen die daar door aan dezelve zyn toegebragt ten blijke met hoe wynig kunde de komp. meerendeels in het departiment van de ge„ nie gediend geweest is. Aan het fort Oostenburg waaraan ge„ duurende ruim 12 gaaren gewerkt is, heeft de komp een vry groot bedraagen besteed, en hoe dit fort des niet tegenstaande, toen het is aangetast, is overgegaan, is Uwe Hoogedelheeden bekend. Het ravelyn Utrecht dat voor korte Iaaren voor de Delfse poort te kolombo is aangelegt, kan tot een ander voorbeeld verstrekken. Behalven ƒ
English
Besides being much too small, and the gorge lines being drawn to the angles formed by the curtain behind it with the flanks of the bastions, instead of running to the shoulder angles of the bastions in order not to obstruct the fire of the flanks, it is also much too low. It lies almost 12 feet lower than the bastions Delft and Hoorn lying behind it, and because the glacis lying in front of it is 8 feet lower than the ravelin, the main rampart consequently has a command over the glacis of 20 feet instead of 9 to 10 feet. Thus, one can not only fire over the glacis at far too large a portion of the main rampart, but one can even dismount the flanks over the ravelin, and this defect is further increased because the terrain in front near the entrance to the Old Town is in some places even up to 1½ feet higher than the crest of the aforementioned glacis. Without raising the ravelin, which would notably reduce it in size, one cannot raise the glacis on this side. To demonstrate how poorly such a low glacis meets one of its most essential requirements, a single example will suffice. From the northeast side of the so-called Slave Island, one can fire over the glacis between the face of the bastion Hoorn and the ravelin at the Delft Gate almost down to the ground. From there, one can even see, so to speak, the people walking over the Delft bridge down to the buckles of their shoes, and it is consequently evident that a single enemy battery placed there could prevent all communication on that side or at least render it very dangerous. Such visible errors, of which I could point out several more, and the fact that I—I cannot conceal anything from Your High Excellencies—did not believe I found in our Ceylon engineers those skills that are necessary to rely with peace of mind solely on their proposals in making major alterations to the fortifications, where errors once committed cannot easily be repaired, I therefore hope that it will serve as a favorable excuse to Your High Excellencies that I made use of the instructions of a foreign engineer without having previously asked Your High Excellencies' qualification for it. I certainly would not have done this were it not that I constantly regard with an anxious eye that the same danger the Company ran in the last war of losing all its possessions on Ceylon, which was only averted at that time by a coincidence of fortunate circumstances, is poised to befall it anew at the outbreak of the first upcoming war, if this is not provided for by putting our principal fortresses on Ceylon, during the time we have peace, into such a state that we can await the enemy before them, and that, considering the uncertainty of how long the peace will last, this cannot happen too soon. Meanwhile, I believe I may flatter myself that upon examining the documents submitted from time to time, it will be found that the ideas presented by Mr. de La Lustriere have shed a great deal of light on the matter. Of the Military Commission which the Right Honorable Lords Directors have already considered sending out, I had no knowledge at that time; however, when it actually arrives, the work that has been done will serve to provide considerable convenience to it so as to establish the necessary plans all the sooner. And if this commission, due to unforeseen accidents, should perhaps still remain postponed, the matter has in the meantime been so far clarified by the documents sent to the Fatherland that, in my humble view, the Right Honorable Lords Masters have thereby been enabled to make a decision if they see fit. I have not spoken here of De la Goupeliere. I employed him as an officer of a regiment that is in the Company's oath and service, and who in this respect can be considered equal to all the native Frenchmen who are officers among our National troops, of whom we even still have three captains: Boisimon, De Bonneval, and Vaugine. The aforementioned La Goupeliere has already requested to sail home on the Josephus, and Mr. Marchand has already returned to Pondicherry. The offered assistance of the French for the security of Trincomalee was never a point of deliberation among us, except insofar as that place might be attacked immediately, or that we might have found ourselves in such pressing circumstances that in good conscience and as men of honor we saw no chance of preserving Trincomalee for the Company with our own forces. As for the son of Colonel d'Heegonet, ever since he requested his discharge from the Regiment, I first had him continue to enjoy his salary for a period of time until a captain was appointed in his place. Since then, I have had him provided with what was necessary for his departure, and I have likewise taken care of what he needed for the journey so that he could undertake it in a decent manner. To Mr. Tadema, as soon as I received Your High Excellencies' letter of 22 April, in which Your High Excellencies were so kind as to inform me of the relocation of the main office from Paliakatte to Sadraspatnam, I offered all the assistance that I would be able to give him. Letters have also already been written to Jaffnapatnam, Trincomalee, and Mannaar to take into timely consideration the most suitable means to assist the Coromandel ministers when they
Dutch transcription
Behalven dat het veel te kleenen is, en dat de Keellynen in plaats van op de schouderhoe„ „ken van de bastions aan te loopen, ten eijnd het vuur der flanken niet te kinderen getrokken zyn in de hoeken die de daar agter leggende gordyn maakt met de flanken van de bastions, is het ook veel te laag. Het ligt nagenoeg 12 voeten laager dan de daar agter leggende bastions Delft en Hoorn, en wijl het daar voor leggende gla„ ci 8 voeten laager legt dan het ravelijn, heeft mits dien de hoofdwal een komman„ „dement over het glaci van 20 voeten insteud van 9 tot 10 voeten. Men kan dus niet alleen over het glaci heen een veel te groot gedeelte van de Hoofd „wal bescheiten, maar min kan zelfs over het ravelijn de flanken demonteeren en dit gebrek word nog vermeerderd, wijl het voorleggende terzijn bij den ingang van de oude Stad op eenige plaatsen zelfs tot 1½ voet hooger ligt dan de Maas kret vi 1840 Rret van het voorsz glaci. zonder het ravelijn op te hoogen en dat zoude het nog merkelijk ver„ „kleinen, kan men het glaci aan deeze kant niet verhoogen. Om aantewijzen hoe wynig zulk een laage glaci beantwoord aan een der hoofd zaakelijk„ ste requisteten daarvan zal een enkeld voor beeld genoeg zijn. Van de Noord oost zyde van het zoo genaamde slaave Eiland kan me¬ over het glaci tusschen de faci van het basti„ „on Hoorn in het ravelijn heen, de Delfse poort tot bijna aan de grond beschieten. Men kan zelfs, van daar de Menschen die over de Delfse brug gaan om zoo te spreeken tot op de gespen van de schoenen zien en het is mits dien blykbaar dat een enkelde vijandelyke batterij aldaar geplaatst, alle kommunikatie aan dien kant beletten of ten minsten zeer dangereus maaken kan. zulke zigtbaare fouten, zoo als ik 'er nog verscheide zoude kunnen opneemen, en dat ik ik kan het voor uwe Hoogedelheeden niets verbergen, in onze Ceilonse Ingenieurs niet hebben hebben meenen te vinden die kundigheeden die noodig zijn, om zig met gerustheid te kunnen verlaa„ ten alleen op hunne voorstellen, in het maaken van kapitaale veranderingen aan de vesting werken, waaraan de fouten als ze eens zijn begaan niet wel te repareeren zyn, hoop ik mits dien, dat mij bij uwe Hoogedelheeden tot een gunstige verschooning zullen verstrek„ „ken dat ik de onderrigtingen van een vreemd Ingenieur heb te baat genoomen, zonder daartoe vooraf uwe Hoogedelheeden kwalifi„ „katie te hebben gevraagt. Jk zoude dit zeeker niet hebben gedaan was het niet dat ik steeds met een kommerlijk oog aanzie, dat hetzelfde gevaar dat de komp:s in den laatsten oorlog geloopen heeft om alle haare bezittingen op Ceilon te verliezen, en alleen te dier tyd is afgewend door een zaamen loop van gelukkige omstandigheide, haar op nieuw bij de eerst te ontstaanen oorlog staat te beur te vallen, zoo daarin niet word voorzien door onze hoofdvestingen op Ceilon geduurende den tyd dat we vreede hebben te brengen in dien staat dat we den vijand daar voor afszag„ Maas ten 1841 ten kunnen en dat gemerkt de onzeekerheid hoe lange de vreede duuren zal, dit niet te spoedig geschieden kan. Intusschen denk ik mij te moogen vlijen dat men bij het beoordeelen der van de van tyd tot tyd ingeleverde stukken zal bevinden, dad de idees door den Heer de La Lustriere opgegeven vrij veel ligt over de kovestie versprijd hebben. Van de Militaire kommissie welke de wel edele Hoog Agtb Heeren Bewindhebberen reeds hebben in gedagten genoomen om uit te zenden had ik te dier tyd geene kennis, dan ook wanneer deeze werkelijk komt, zal het gedaane werk tot merkelijk gemak van dezelve verstrekken om te Spoediger de noodige plans te kunnen vaststellen, en zoo deeze kommissie door toevallen die men niet kan voorzien, zomtyds nog mogte blyven uitgesteld, is de zaak door de gezon„ „dene stukken na het Vaderland middeler„ wijl zoo verre opgeklaard dat na mijn nedrig in zien de weledele Hoog Agtb Heeren, Meesteren daardoor zyn in staat gesteld om des goed vindende een partij te kunnen neemen nieuw beurd neemen. Van de la Goupeliere heb ik in deezen niet gesprooken. Ik heb hem gebruikt als een Officier van een Regement dat in 's komp:s eed en dienst staat, en die in deezen kan geoordeeld worden gelijk te staan met alle de geboore fransen die officieren on„ der onze Nationale troupen zyn, en hoe„ danig wij zelfs nog drie kaptains hebben, Boisimon de Bonneval en vaugine Voorsz la Goupeliere heeft reeds verzogt met de Josephus te moogen tuis vaaren en de Heer Marchand is reeds na Pondicherij te rug vertrokken. De aangeboodene assistentie der fransen ter bevyliging van Trinkonomale is nimmer by ons een point van deliberatie geweest dan in zoo verre die plaats daadelijk mogte worden geattakeerd, of dat we ons mogten hebben bevonden in zulke drukkende omstandig heeden dat we in gemoede en als luiden van eere geen kans zaagen om Trinkonomale met eige magt voor de komp: te bewaaren. Maas D. 1842 De zoon van den Kolonel d' Heegonet heb ik zeedert dat Wij zyne demissie uit het Regiment gevraagt heeft eerst nog een tyd lang van zyn traktement doen Jouisseeren tot zoo lange er geen kaptain in zyn plaats is aangesteld. zeedert heb ik hem van het noodige doen ver„ zorgen tot zyn vertrek en heb ik insgelijks zorge gedraagen voor het geene Hij tot de ryze noodig had om die op een ordentelijke wijze te kunnen doen. Aan den Heer Tadema heb ik zoo dra ik uwe Hoogedelheeden brief van den 22 april ontfangen heb; waarbij uwe Hoogedelheeden zoo goed zijn geweest mij te bedeelen het ver„ plaatsen van het Hoofd kantoor van Pali akatte na Sadraspatnam, aangebooden alle de assistentie die ik in staat zoude zijn hem te doen. Ook is reeds na Jaffe: napatnam Prinkonomale en Mannaar aangeschreeven om in tyds in overweeging te neemen de bekwaamste middelen om de kormandelsche Ministers wanneer ze om
English
to supply building materials for Sadraspatnam if they might request them. I have also issued this instruction particularly so that, should the Government of Pondicherry make a renewed request to provide themselves with lime and firewood at the aforesaid places, this can be refused with all the more propriety. Regarding the dispatch of the return ships, I take the liberty of referring to the report made in this respect in the general letter to Your High Nobilities. The four ships used to transport back the Regiment of Luxemburg could not be used for that purpose, both because the return cargoes were not yet at hand and because of the many provisions, and especially because of the large quantity of water that they had to take in. But even aside from that, I very much agree with Your High Nobilities that it would have deserved serious hesitation to load return cargoes into them, since they are destined for a foreign port. The cinnamon harvest has turned out reasonably well thus far, and I therefore think that, without prejudice to what is needed for the Fatherland, we will be able to supply the 425 bales demanded by Your High Nobilities. To the King of Batsgan, in accordance with the recommendation of Your High Nobilities, I have granted a monthly allowance of 80 rd=s and 25 parras of rice, along with salt and pepper pro rata. Moreover, upon his arrival here, I had 100 rd=s given to him to establish himself somewhat. An increase in monthly allowance has also been granted to the exiled Goegoehah and the Major of Batsjar, named Asiene Oedien and Kietjiel Aliem Oedien, namely to the former 10 rd:s and 3 parras of rice, and to the latter 8 rd:s and 5 parras of rice, so that the former now has rd=s 25 and 18 parras of rice, and the latter 20 rd=s and 15 parras of rice. I thank Your High Nobilities very much for the goods promised to us as requested in our requisition, and I shall ensure that, regarding the requisitions of sheet lead, red sheet copper, and packing twine, the esteemed recommendation of Your High Nobilities is complied with, as well as providing ourselves with as much of the necessary timber from Mallabaar insofar as it cannot be found on Ceylon. Ceylon will also, I hope, in time no longer need the assistance of foreign timber in this matter, as the jati wood grows very well here, though that which has been planted from time to time is still too young to make use of. All the Ceylonese Regents have been recommended by me to continue with that cultivation, and this is indeed being done. Concerning the Arab Priest Paed Abdulla, I have written the letter to the Nabab which is enclosed herewith in copy. As soon as I receive an answer to it, I shall let him depart. To the State Frigate the Ceres, all assistance has been rendered here that Mr. van Halm came to request of us. I believe it is very good that Mr. van Walm has taken it upon himself to provide convoy with it to the ships transporting the Regiment of Luxemburg. Among the officers there are a number of restless men, for whom I think it is very useful that they have this restraint to remain in order. After a multitude of demands had been put forward by the commandant and answered, the entire corps of officers finally wrote a letter in which, among various very unreasonable demands for themselves, they also inserted that the Government, without great injustice, could not refuse the non-commissioned officers and soldiers, now that the Regiment was about to depart, to pay out to them what has been paid less to them since September 1785 than formerly. The contents of this letter, which was signed by all the officers of the Regiment, could not remain hidden from the men, and it was very clearly seen that the aforesaid insertion, mixing the interests of the common soldier with their own, had no good intention. The men nevertheless, to everyone's surprise, behaved quietly and well. Subsequently, the officers tried once more, on the occasion of requesting a certificate, to speak in it of the men in a manner as though they counted somewhat on their support; and as they at the same time declared to Commander Krayenhoff that they could not depart without such an attestation as they requested, this caused me to undertake the journey to Gale at once, so that if any disturbances should arise among the men through such repeated attempts that might require a prompt decision, I would be closer at hand; but on the journey I received word that the soldiers were embarked, which caused me to refrain from proceeding further. Meanwhile, all such and similar troubles have also contributed their share to significantly delaying the departure of the ships. The instruction given by Your High Nobilities to observe strict neutrality in the event of unexpected disputes between the Courts of Versailles and London, in accordance with the intention of the Right Honorable High Respected Lords Masters contained in Their very respected General Missive of 8 November 1787, I shall dutifully observe and cause to be observed in the most accurate manner. I commend Your High Nobilities to God's gracious protection and declare with all high esteem and true loyalty to be, was written below, High Noble, Stern, Highly Respected, Widely Commanding Lord and Right Honorable Stern Lords, lower, Your High Nobilities' very obedient and humble servant, was signed, Willem Jacob van de Graaff, in the margin, Colombo the 17 October 1788. Agrees, W: van de Graaff
Dutch transcription
om bouw materialen voor Sadraspatnam mog „ten vraagen daarvan te voorzien. Dit aanschrijven heb ik inzonderheid ook daarom gedaan om wanneer het Gouver nement van Pondicherij op nieuw aanzock mogte doen om zig op voorsz plaatzen van kalk en brandhout te voorzien, dit met te meer welvoeglykheid kan worden geweigert. Over het aanleggen van de retour scheepe gebruik ik de vryheid mij te gedraagen aan het bericht dat derweegens by de ge„ meene brief aan Uwe Hoogedelheeden gedaan word. De vier scheepen ge¬ bruikt om het Regiment van Luxenburg te rug te brengen, konde daartoe niet worden gebruikt, zoo wijl de retoeren nog niet aan handen waaren als om de veele provis¬ en inzonderheid om de groote hoeveel heid waater dat ze hebben moeten inneemen Dan ook zelfs buiten dien ben ik het met uwe Hoogedelheeden zeer eens dat het zeer Maas 1843 zeer zyne bedenking zoude hebben verdiend om daarin retouren aftelaaden wijl ze gedes„ tineerd zyn na een vreemde Have. De kanneel oogst is tot nog toe tame„ lijk wel uitgevallen en ik dinke dus dat we buiten benadeeling van het geen voor het Vaderland noodig is de 425 baalen door uwe Hoogedelheeden g'eyscht zullen kunnen voldoen Aan den kooning van Batsgan heb ik overeenkomstig met uwe Hoog edelheeden aanbeveeling een maandelijks onderhoud toegelegd van 80 rd=s en 25 parras rijst nevens zout in peper na rato. Boven„ dien heb ik hem hier met zyn komste 100 rd=s laaten geeven om zig wat inte„ rigten. Ook is aan den gebannen Goe„ goehah en den Majoor van Batsjar in naame Asiene oedien en kietjiel, aliem oedien een vermeerdering van maandgeld toegelegd, namentlijk aan den eersten van 10 rd. s en 3 parras ryst en aan den laasten laasten van 8 rd:s en 5 parras rijst, zoo dat nu den eersten heeft rd=s 25 en 18 parras rijst en de laaste 20 rd=s en 15 parras ryst. Voor de aan ons toegezegde bij ons eysch verzogte goederen bedank ik uwe Hoog edelheeden heel zeer, en ik zal zorgen dat noopens de Eysschen van plaatlood, rood plaat kooper en pakgaaren aan Uw Hoogedelheeden zeer g'eerde aanbeveeling word voldaan, als meede om ons zoo veel van de noodige houtwerken van Mallabaar te voorzien voor zoo verre ze op Ceilon niet kunnen worden gevon„ den. Ceilon zal hoop ik ook in dit stuk door den tyd de assistentie van vreemde houtwerken niet meer noodig hebben, wijl het kiate hout hier zeer wel groeijd, dog het van tyd tot tyd aangeplante is nog te Iong om daarvan gebruik te maaken. Alle de Ceilonse Regenten zyn door mij gerekomman„ „deert Maas 1844 deert, om met die aanplanting voort te vaaren en dit geschied ook. Over den Arabischen Preester Paed Ab„ dulla heb ik aan den Nabab geschreeven de brief, die in kopij hier nevens legt. zoo dra ik daarop antwoord ontfang zal ik hem laaten vertrekken. Aan S'lands Fregat de Ceres is hier alle de assistentie beweezen die de Heer van Halm van ons is koomen te vraagen Ik geloove dat het zeer goed zij dat de Heer van Walm heeft op zig genoomen om daarmeede konvooij te geeven aan de scheepen die het Regiment van Lusenburg overbrengen. Onder de Officieren zyn een partij onrustige Menschen, waar voor ik denke dat het zeer nuttig zij dat ze deeze teugel hebben om in ordre te blijven Na dat een menigte van eysschen door den kommandant waaren voorge„ „steld en beantwoord, schreef eijndelijk het het geheele korps Officieren een brief, waarin ze onder verscheide zeer onbillijke eysschen voor hun zelve, ook lieten invloeijen dat het Gouvernement zonder groote injustitie aan de onder Officiers en zoldaaten niet wygeren konde, om nu dat het Regimen stond te vertrekken aan dezelve te doen uitkeeren het geen aan hun zeedert September 1785 minder is betaald dan eertijds. De inhoud van deeze brief die door alle de Officieren van het Rage ment geteekend was, konde voor het volk niet verborgen blyven, en men zag zeer klaarlijk dat het voorsz insoegsel om der intressen van den ge meenen man met de hunne te ver„ mengen geen al te goed oogmerk had Het volk heeft zig des niet te min to een elks verwondering stil en wel ge„ draagen. Naderhand hebben de Offi„ cieren het nog eens geprobeerd om bij Maas gelegentheid. 1845 gelegentheid dat ze om een Pertifikaat vroegen ook daarin van het volk te spreeken op eene wijze als of ze op het appui van deezen eenigsins reekenden en wijl ze daarbij tevens aan den gezag„ hebber krayenhoff verklaarden dat ze zonder zulk een attest als zo vroegen niet vertrekken konden, deed mij dit de rijze na Gale ten eersten aanneemen om indien er door zulke herhaalde pogingen eenige beweegingen onder het volk mogte ontstaan, die een spoedig besluit konden vereijsschen, digter bij de hand te zyn, dog op de rijze ontfing ik berigt dat de zoldaaten waaren in„ gescheept, dat mij van het verder voortzetten daar van heeft doen afzien. Intusschen hebben alle zulke en dierge „lijke Strubelingen ook het haare toe gebragt om het vertrek van de scheepen merkelijk te vertraagen Het aanbevoolene door Uwe Hoogedel heeden heeden om overeenkomstig met de intensie van de Weledele Hoog Agtb Heeren Meesteren vervat bij Hoogst Derzelver zeer gerespekteerde generaale Missive van den 8 November 1787 om bij on„ verhoopte verschillen tusschen de Hoven van Versailles en Landon eene volstrekte neutraliteid te observeeren, zal ik schuldpligtig op de naukeurigste wijze in agt neemen en doen in agt neemen Jk beveele Uwe Hoogedelheeden in Gods genadige bescherming en be„ tuige met alle hoog agting en waare trouwe te zijn. /.onderstond:/ Hoog edele Gestrenge Groot agtbaare wijd Gebiedende Heer en Weledele Gestrenge 1 Heeren /: laager:/ UWe Hoog edelhee„ den zeer gehoorzaame en Ootmoedige dienaar /:was geteekend:/ Willem Maas Jacob 1846 Iacob van de Graaff /:in in margine:/ Kolombo den 17 October 1788 Akkordeert W: van de Graalf Maas 4
English
1847 To his Highness the Illustrious Nawab, Wallajah Ameer ul Hind, Umdat ul Mulk, Asaf ud Dowlah, Anwar ud Deen Cawn, Bahauder Zafar Jung, Sipah Salar, sovereign of Carnatica and countless lands. Illustrious prince! I have had the pleasure to receive the letter which your Highness did me the honour to write on 1 July last. Your Highness is so good as to inform me therein that his Highness has ordered Mr Buchanan, upon his return to Tuticorin, regarding the complaints mentioned at length in one of my previous letters, to issue such orders as are in accordance with ancient customs, and I therefore consider myself entirely assured that the said Mr Buchanan, through the prompt execution of your Highness's orders, will prevent me from having to trouble your Highness further with such complaints hereafter. In my previous letter of 28 April last, I had the honour to inform your Highness that I had conferred with Their High Mightinesses concerning the contents of your Highness's letter written to me on 7 February prior in favour of the person of Syed Shariff Sahib. From the answer that I have received these days from the said Their High Mightinesses, I am informed that the said Syed Shariff Sahib has made himself guilty in Batavia of seditious undertakings, with the authorisation nevertheless to 1848 be permitted to release him and set him at liberty out of regard for your Highness's desire, provided that your Highness will be so good as to take it upon yourself to ensure that he does not enter the Company's jurisdiction again, especially not towards Batavia or its surroundings. As soon as I am honoured with your Highness's reply to this, I shall give the aforesaid Syed Shariff Sahib permission to depart, and have him provided with what he will need for that purpose. I commend your Highness and his Illustrious house to God's gracious keeping and declare with respect, in the most well-meaning manner, to be, below stood, Illustrious prince, your Highness's humble and obedient servant, signed, W. J. van de Graaff, in the margin, Colombo, 23 August 1788. Hybrands Agreed Gclerk G No 12 1849 Amsterdam To the Noble Worshipful Lords Directors of the Chartered Dutch East India Company at the aforesaid chamber Noble Worshipful Lords. With the state frigate Ceres, and the chartered ships De Vrouwe Johanna, De Drie Gebroeders, 't Fortuin, and Susanna, which departed from Galle on 18 October last, we sent to your Noble Worships our last respectful letter of 27 December, and we hope that it will reach its destination safely. Now Now departs the bearer of this, being the chartered ship Telephus the Second, consigned to the chamber of Zeeland, and it has taken in such cargo at Galle as shall appear from the documents which the officials at Galle will have the honour to present to your Noble Worships. If we had been better supplied with money, we would presumably already have had enough Madurese textiles by now to be able to provide a cargo for the return ship De Gouverneur Falck, commissioned by us for your Noble Worshipful chamber, but the continuous lack of money with which we have had to struggle in the course of this year has caused the collection in the best season almost to come to a standstill, or at least to proceed only very slowly. We shall nevertheless do our best to obtain the necessary textiles for this ship in time, so that it can depart at the beginning of next January. We also think to send 2000 bales of cinnamon with it. We 1850 Colombo We commend your Noble Worships to the protection of the Almighty and remain with all high esteem, Noble Worshipful Lords! Your Noble Worships' very humble 7 November 1788. and obedient servants. W. van de Graaf J. Huysman S f Abr. Klenius W. Raket W Fresz Ges P Hemrous P Van Eitter 1 No. 14 Examined J S Pompens 18353 Patria To the Right Noble High Worshipful Lords Directors at the Assembly of the Seventeen representing the General Dutch Chartered East India Company at the presiding chamber. Amsterdam Right Noble High Worshipful, wise, provident, and very generous Lords. In our respectful letter of 29 September last, we took the liberty to inform your Noble High Worships that we had declined the request of Lieutenant Colonel De Raymond to be permitted to have a bill of exchange for the proceeds of the sold goods and seized cash of Colonels D'Hugonet and De Bas, and of Captain De la Roche, and that we had caused him to be notified that we would inform your Noble High Worships of the amount thereof, as we also had the honour to do in our said letter, indicating at the same time that from the amount thereof must be deducted a sum of f 3409. 11. 8. Dutch money, which the regimental treasury is still in arrears to the Company, on account of the bill of exchange granted on credit to the late Colonel De Beaudraps, amounting to 25000 livres. Since then, with the arrival of the ship De Phenicier from Batavia, we have
Dutch transcription
1847 Aan zijn Hoogheid de Doorluchtige Nabab, wallajach Ameer ul Hind, umdit ul Mulk, Auseef ud Dowlach, Anwar ud Deen Cawn, Bahauder Zeessar Iung, sepah Saular, souve= rain van Carnatika en ontelbaare Landen. Doorluchtige vorst! Ik heb het genoegen gehad te ontfangen de brief, die uw Hoogheid mij den 1:e Julij I:o Leden de eere aangedaan heeft te schrijven. uw Hoogheid is zoo goed mij daar bij te bedeelen, dat hoogst denzelven den Heer Buchanan heeft geordonneerd, om bij zijn te rug komst te Tutukorijn, nopens de klagten bij een mijner voorgaande in het breede vermeld, te stellen zoodanige ordres als zijn over eenkom„ stig met de oude gewoontens, en ik houde mij do mij dus volkoomen verzeekert, dat wel gem: Heer Buchanan, door de prompte uitvoe ring van uw Hoogheids beveelen, zal voorkoomen, dat ik na deezen uw Hoog heid met diergelijke klagten niet meer zal behoeven lastig te vallen. Bij mijn voorgaande van den 28:e april I:o Leden heb ik de eere gehad uw Hoog- heid te bedeelen, dat ik Hunne Hoog Edelheeden hadde onderhouden over den inhoud van uw Hoogheids brief aan mij den 7e: febr: daar te vooren geschreeven ter begunstiging van den perzoon van seijed Scharrief Sahib: Bij het ant- woord dat ik daarop deezer daagen van wel gem: Hunne Hoog Edelheeden heb ont„ fangen, word mij bedeeld, dat gem: seijed scharrief Sahib te Batavia zig heeft schuldig gemaakt aan Seditieuse onder nemingen, met kwalifikatie nogtans, om hem 1848 hem uit inzigt voor uw Hoogheids verlan„ gen te moogen ontslaan en op vrije voeten te stellen, indien uw Hoogheid zoo goed wil zijn op zig te neemen van te zorgen, dat hij zig niet weder in 's komp=s Junis- diktie begeeft, inzonderheid niet na de kant van Batavia of daar omstreeks. zoo dra ik hierop met uw Hoogheids antwoord zal zijn vereerd, zal ik voorsz: seijed scharrief Sahib verlit geeven om te vertrekken, en hem daar toe van het gee„ ne hij zal noodig hebben laaten voorzien. Jk beveele uw Hoogheid en hoogst des- zelfs Doorluchtige huis in Gods gena- dige bewaaring en betuige met eerbied op de welmenendste wijze te zijn /:on„ derstond:/ Doorluchtige vorst, uw Hoogheids ootmoedige en Gehoor- same Dienaar /:getekend:/ w: I: van de Graaff (:in margine:) kolombo den 23. aug=o 1788. Hijbrands Accordeert Gklerk G No 12 1849 Amsterdam Aan de Edele Achtbaare Heeren Bewindhebberen van de G'oktroijeerde Nederlandsche Oost-Jndische kompenie ter voorm: kamer Edele Achtbaare Heeren. Met slands fregat ceres, en de gehuurde scheepen de vrouwe Iohanna, de drie gebroeders, 't Fortuin en Susanna, die den 18: 8ber: J:o L: van Pale zijn vertrokken, hebben we aan uwel Edele Achtb: afgezonden, onde laatste eerbiedige brief van den 27: xber:, en we hoopen dat dezelve eene goede bestelling zal erlangen. Thans Thans vertrekt brengen deezes, zijnde 't gerund schip Tole„ „phus de Tweede, geconsigneerd aan de kamer Zeeland en heeft 't zelve te Pale zodanige lading ingenomen, als blijken zal bij de beschijden, die de bedienden te Gale de eere zullen hebben uwel Edele Achtb: aante bieden We zouden, zoo wer beter van geld waren voorzien geweest naer denkelijk tans reeds madureesche lijwaeten genoeg gehad hebben, om het door ons voor uwer wel Ed: achtb: kamer aangelegdte retourschip de Gouverneur Falck, ook nit een lading te kunnen geeven, dog het gestredig geld gebrek, waarmeede we in den loop van dit Iaar hebben moeten worstelen, heeft voortgebragt, dat in den besten teid den inzaam bij na heeft moeten stil staan, of ten minsten niet dan zeer langzaam heeft kunnen worden voortgezet. We zullen niet te min, ons best doen, om zoo tijdig de nodige lijwaeten voor dit schip in te krijgen, dat het met het begin van Ianuari aanstaande vertrek„ „ken kan. wedlenken daar meede 2000: baalen kanneel te zenden. wij 1850 Kolombo Wij beveelen uw wel edele achtb: in de beschek„ ming des allerhoogsten en blijven met alle Glvinck hoog achting Edele Achtbaare Heeren! uwweledele Achtbaare zeer on„ den 7. November 1788. derdanige en Gehoorzaame Dienaaren. W. van de Graef J=n Huijstem S ƒ Ahr: Klenius W: Raket WFresz Ges PHemrous P Van Eitter 1 No: 14 Nagesien J s Pompens 18353 Patria Aan de wel Edele Hoog Achtbaare Heeren Bewindhebberen Ter vergaedering van Zeventienen representeerende de Generaale Nederlandsche Geaktroijeerde oost Indische komp: ter presidiaale kamer. Amsterdam Wel Edele Hoog Achtbaare wijze voorzienige en zeer Genereuse Heeren. bij onsen eerbiedigen van den 29. 7ber: J:o leeden, hebben we de vrijheid ge„ „bruikt uwel Edele Hoog Achtb: te te bemohten, dat we het verzoek van den luitenant Colonel De Raijmond, om temogen hebben een wissel voor het product der verkogte goederen en gesaiseerde contanten, van de Collonees D' Hugonet en de Bas„ en van den Capitain de la Roche, hadden gedeclineerd en dat we heen hadden doen aenhoudigen, dat we van het bedraagen daer van, aen uwel Edele hoog Achtb: ken„ „nis zouden geeven, gelijk we dat ook de eere hebben gehad, bij gem: onsen brief te doen, met aenwijsing tevens, dat van het beloop derzelve moest worden gekort eene somma van ƒ3409. 11. 8. nederlands geld, die de regiments Cas nog aen de Comp: ten agteren staat, uit hoofde van de op Credit verleende wissel aen wijlen den Collonel de Beau„ draps, quaot 25000: livres. 'T Ze„ „dert hebben we met de komste van het schip de Phenicier van Batavia.
English
1853 10 Batavia received from their High Excellencies a dispatch of the 12th of August last, in which their Excellencies requisition from us a statement of the aforementioned seized goods and moneys, in order, if necessary, to recover from them whatever might be found to have been disbursed in excess there to the frequently mentioned D' Hugonet and associates, according to a Memorandum sent to us, a copy of which is enclosed herewith, and the amount of which has been charged to the account of this government. We have therefore, as well as to comply at the same time with their High Excellencies' honored order, thought fit to give Your Right Honorable worships most respectful notice thereof by this subsequent letter. Likewise, we take the liberty further to communicate herewith to Your Right Honorable worships that, besides the drafts mentioned in our respectful letter of yesterday to the junior merchant and dispenser at Gale, Christiaan Fredrik Willem De Ranitz, we have granted another draft, 137 for a sum of 3342. 160. ducatons, to be paid after the conclusion of the Autumn sale of the year 1789 with twelve thousand guilders to Messrs. Pieter Berk, broker, and his son Steven Nicolaas Berk, residing on the Prince gragt near the Vijzel straat in Amsterdam, or their authorized agents; and we humbly request Your Right Honorable worships also to honor this draft of ours with payment. We 1853 Kolombo the 8th of November A:o 1788. We commend Your Right Honorable worships and the weighty interests of the Company to God's safe protection, and have the honor to remain with due respect, Right Honorable, Wise, Prudent, and Very Generous Sirs, Your Right Honorable worships' humble and faithful servants, W: F: van de Graaff C: Filenius N: D: Raket P: Reintjes B: L: van Zitter. 1854 Zeeland To the Honorable, Worshipful Directors of the Dutch Chartered East India Company at the said Chamber. Honorable, Worshipful Sirs, In our respectful letter to Your Honorable Worships of the 29th of September last, we had the honor to inform Your Honorable Worships of the claim of the Lieutenant Colonel and Commandant of the Regiment of Luxemburg, De Raymond, upon the proceeds of the sold goods and upon the seized ready money of the Colonels D' Hugonet and De Bas, and of the Captain De La Roche, with an indication also of the amount thereof, and of what the Company is to receive from it for the bill of exchange granted to the late Colonel De Reaudraps; and whereas we have since received, with the arrival of the ship De Theneier, a dispatch from the Honorable High Indian Government dated the 12th of the same month last, in which their High Excellencies ask of us a statement of the aforementioned seized goods and moneys, in order, if necessary, to recover from them whatever might be found to have been disbursed in excess there to the aforementioned D' Hugonet and associates, according to a Memorandum sent to us, a copy of which we enclose herewith: we have felt obliged to give Your Honorable Worships respectful notice thereof also by this subsequent letter. We commend Your Honorable Worships to the protection of the Almighty and remain with all high esteem, [below was written:] Honorable, Worshipful Sirs, Your Honorable Worships' obedient servants, [was signed:] W: F: van de Graaff, P: Harijskam, C: Filenius, M: P: Raket, P: Reintjes, and B: L: van Zitter. [in the margin:] Kolombo the 8th of November 1788. Agrees, C: A: Lostman Sworn Clerk. Extract from the Batavian Invoice of Current Account dated the 16th of August last, whereby the following has been charged hither in the following manner, namely: For what has been paid out of the Company's treasury here to the Colonel Commandant, as well as the second-in-command, of the French Legion of the Prince of Luxemburg formerly in the Company's service, De Hugonet and De Bas, together with Captain La Roche, appointed Major of the same Regiment by the said Commandant, namely: For their maintenance, calculated from the 16th of August to the 5th of October 1786 at 1 rixdollar each per day, pursuant to the resolution of the 14th of August preceding . . . rd:s 150 - - From the 5th of October 1786 to the end of August 1787 at 2 rixdollars each per day, according to the resolution of the 5th of October 1786 . . . . „ 1986 — Total . . . . rd:s 2136 – – or Duc:s 1281: 39/80 at ƒ 3. 6. — each . . . . ƒ 4229. 5. 8. For what, pursuant to the resolution of this Government of the 1st of October 1787, was further paid out of the treasury to the said French officers upon their request made by petition, in reduction of their lawful claims against the Honorable Company, namely: To the aforementioned De Hugonet and La Roche, under the suretyship of the junior merchants Vincent and Fetmenger, according to a notarial bond approved by their High Excellencies on the 4th of October 1787, namely: To Colonel De Hugonet: In cash for traveling expenses rd:s 2500. —. D:s 1500 - – . . . . ƒ 4950 – – A draft on the High Honorable, Right Worshipful Gentlemen of the Seventeen, payable after the Autumn sale of the year 1788, with a discount of 5 7/39 per cent . . . . rd:s 10540. 26. D:s 6324 3/10 . . . . „ 20870. 5. 8. „ 25820. 5. 8. Carried forward . . . ƒ 30649. 11. — 1830 Carried forward . . . ƒ 30649. 11. — To the frequently mentioned La Roche: In cash . . . . . . . . . . . rd:s 3000 - A draft in the manner as above . . . „ 3000 – Together rd:s 6000 - or Duc:s 3600. – – or rather . . . . . . . . . . . „ 11880 – – Further to Lieutenant Colonel De Bas, without suretyship: In cash . . . . rd:s 3000 A draft in the manner as above . . . „ 3000 - Total . . . . rd:s 6000 - or D:s 3600 - - making . . . . . . . . . . . „ 11880 – – „ 53809. 11. — Kolombo the 8th of November 1788. J: G: Hofland Bookkeeper Agrees, 3809. 11 — Checked J: W: W: K: de la Chaume
Dutch transcription
1853 10 Batavia ontvangen hunner Hoog Edelheden missieve van den 12:' Augustus Jongstleeden, waer bi hoogst dezelven van ons requi„ „neeren eene opgaeve van de voorschreeve gearresteerde goe„ „deren en gelden, om daar op des noods te verhaalen het geen bevon„ „den mogte worden, aldaar aen meermelde D' Augonet C: S: teveel afgegeeven te zijn vol„ „gens eene aen ons toegezondene Memorie, waer van Copij hiou„ „nevens gaat, en waar van het bedraagen dit gouverne „mert is ten laste gebragt, we hebben daerom zoo wel als ook om tegelijk tevoldoen aen hun„ „nen hoog Edelheden g'eerde order„ de eene uwel Edele hoog Achtb: daer van bij deezen na brief een„ „biedigst kennis te geeven. Insgelijks gebruiken we de vrijheid vel uwel Edele Hoog Achtb: bij deezen nog te communiceeren, dat we behalven de assignatien, vermeld bij onsen eerbiedigen van giste„ „ven aen den onderkoopman en dispensien te Gale Christiaan fre„ „drik Willem De Ranitz: nog eene assignatie hebben verleend, 137 voor eene Somma van 3342. 160. dukatons, om na het afloopen van de Naa-Jaansche verkooping van Anno 1789. met twaalf dui„ „send guldens teworden voldaan aen de Heeren Pieter Berk, marhe¬ „daer en desselfs zoon Steven Nicolaas Berk woonende op de Prince gragt bij de vijzel straat te Amsterdam, enven of gemachtigden; en we ver„ „zoeken uwel Edele Hoog Achtb: nedrig om ook deeze onse as„ „signatie met betaaling tewil„ „den vereeren. wij 1853 Kolombo Den 8:' 9ber: A:o 1788. wij beveelen uw wel Edele Hoog Achtb: nievond de zwaarwigtige belangens der Maat„ „schappij, in Godes vijlige hoedo en hebben de ser met verschuldigde ressrekt te blijven. Wel Edele Hoog Achtb: wijze Voorzienige en zeer Genereuse Heeren. Uw Wel Edele Hoog Achtb: onderdaenige en trouwschuldige Dienaaren. Wr vande Greall Hhr: Silenius Nd: Baket P Reinoies D. Van Litter. 1854 Seeland Aan De Edele Achtbaare Heeren Bewindhebberen. Van de Nederlandsche Geoctrooijeerde oost-Indische komp:e ter gemelde kaamer. Edele Achtbaare Heeren Bij onsen eerbiedigen aan uwel Ed: agtb: van den 29. ' 7ber: I:o Leeden hebben we de eere gehad, uwel Ed: achtb: te Ca bedeelen, de pretentie van den Luitenant Collonel en Commandant van 't regiement van Luxem„ „burg de Raijmond, op 't product der verkogte goe„ „deren en op de gesaiseerde Contanten, van de Colo„ „riels d' Hugonet en De Bas, en van den Cap:tn de La„ Roche, met aanwijzing tevens van 't bedraagen daer van, en van 't geen de Comp:e daar van moet hebben, voor de verleende wissel aan wijlen den Collonel de Reaudraps: en wijl we 't zeedert met de arive van 't schip de Thenecier, van de Edele hooge Indische Regeering heb„ „ber ben ontfangen eene missieve van den 12. ' du I: L:, waar bij hunne Hoog Edelheeden van on vraagen eene opgaave van voorsch: gearres¬ teerde goederen en gelden, om daar op des noods te verhaalen, 't geen bevonden mogte worden, aldaar aen voorm: D:' Hugonet C: S: teveel afgegeeven te zijn, volgens eene ons toegezondene Memoorie, waar van we een Copij hierneevens voegen: hebben we ons verplicht uwel Ed: agtb: nog bij dit na briefje daar van eerbiedig kennis te geeven. Wij beveelen uwel Ed: Agtb: in de bescherming des aller hoogsten en blijven met alle hoogagtig /:onderstond:/ Edele agtb: Heeren uwel Ed: Achtb: Gehoorzaame Dienaaren /:was geteekend:/ W: F: van de Graaff, Po Harijskam, C: Filenius, M: P: Raket, P: Reintous en B: L: van Zitter /:inmargiene:/ kolombo den 8. 9ber 1788 Accordeert C: A Lostman Gezw: Klerk. des ti d Extrakt uijt de Bataviasche Factuur van Manreeke„ „ning gedateerd 16. Augustus Jongstl: waar bij het volgende in natemeldene maniere herwaards is ten laste gebragt; teweeten. over het uijt sComp:s Cassa alhier betaalde aan den Collonel Commandant, mitsgaders second van het in sComp:s dienst geweest zijnde Frans„ Legioen van den Prins van Luxemburg de Hugonet en de Bas, beneevens den door den gemelten Commandant tot Majoor van het zelfde Regiment aangestelde kapi„ tain La Roche, te weeten voor derselver onderhoud, gereekend als van den 16. Augustus tot den 5:' october 1786. ard:s ider per dag, Conform besluijt van den 14. - . rd. 150 - - Augustus bevoorens. . . . van den 5:' October 1786. tot ultimo Augustus 1787. à rd:s 2- - ider per dag volgens resoluutie - - - - „1986 — van den 5. ' October 1786. Teld - - - - rd:s 2136 – – ofte Duc:s 1281: 39/80 à ƒ 3. 6. —. ieder. . - - - ƒ4229. 5. 8. over het ingevolgen besluijt deeser Regeering van den 1:e october 1787. alverder uijt Cassa aan gemelte franse officieren op hun bij request gedaane verzoek afgegevene in mindering van hunne wettige pretensien op dE: Comp: namentlijk Aan voornoemde de Hugonet en La Roche. onder borgtogte van de onderkooplieden Vincent en fetmenger; volgens eene bij hun hoog Edelens, op den 4:e October 1787. geapprobeerde notarieele acte obligatoir; teweeten Aan den Collonel de Hugonet aan Contant tot rijs kosten rd:s 2500. —. D. s 1500 - – - ƒ4950 – – „ een assignatie op de hoog Edele groot agtb: heeren. seventienen, betaalbaar na de najaaasch. verkooping des Jaars 1788. met een rabath van 5 7/39. p:r C:o - - - - - rd:s 10540. 26. d:s 6324 3/0 „ 20870. 58. „25820. 5: 8. Transporteere - - - . ƒ30649 11. — 1830 - P:r Transport - - - Aan meermelte La Roche. aan Contanten - - - - - - - - - - rds 3000- „ een assignatie in voegen als vooren - - - . „ 3000 – te zaamen rds 6000 - ofte Duc:o 3600. – – dan wel. . . - - - - - „. 11880 –– Voorts aan den Lieutenant Collonel de Bas zonder Borgtogt. rd:s 3000 aan Contanten. „ een assignatie in maniere als boven - - „ 3000 - Teld - Prd:s 6000 - ofte D:os 3600 - - uijtmaakende - - - - - - - „ 11880 – – -„ 53809. 11- m Kolombo den 8: November: 1788. ƒ30049. 11— JG Hofland faet hood: Accordeert 3809. 11 — n Nagesien # J WV W Kdela Chaume
English
1856 No. 73 Today, the 10th of December A:o 1787, appeared before me Petrus Gerrardus De Ros, sworn clerk of Police and Justice of this command, present the hereinafter named witnesses: The Honorable Barend Jansz: Uffen, master of the chartered hooker ship De Vlugge Jonk- vogel, currently lying anchored in this bay, who declared: That the said vessel, according to the charter party concluded between the owners thereof and the Noble Company, having been chartered for Ceylon, without determining which place or roadstead it was to call at, he, the appearer, falling to the east of the Ceylonese capital Colombo, had no opportunity to call at that capital, and therefore had put into Galle Bay with the said vessel as the first and nearest port. That it was stipulated in the said charter party that half of the freight, average, and primage would be earned on the day following the unloading of the aforesaid vessel on Ceylon; accordingly, he, the appearer, having arrived here on the 28th of the past month of November, had made a beginning the next day with the unloading of the cargo of the ship under his command, firstly by sending ashore three chests of gold bullion and no more, and that the said vessel would now have been completely unloaded if this had been proceeded with and orders to that effect had been given immediately; that on the day following the unloading of the said vessel on Ceylon, half of the freight, average, and primage shall be considered earned, and since he arrived here on the 28th of the past month and already made a beginning the next day with the unloading of the goods on board, and it could now have been almost completely unloaded had he immediately received orders to proceed therewith, it would be very risky to set sail now, especially since it might well happen that at Colombo his whole cargo could not be unloaded, and he would have to return from there to this place, in which case everything would remain at his account if any misfortune should befall him on these two assumed voyages. The undersigned nevertheless undertakes to comply with the order received yesterday, if your Honorable Worships would be pleased to approve the proposals to be made by him, namely: he requests to have sufficient proof of the receipt of the chests of gold unloaded here and of the lay days expired here; furthermore, to certify to him that, as the charter party dictates, his monthly pay may run, namely fl: 8 per last and 10 per cent average for each month; and lastly, that half the freight, average, and primage shall be considered earned for the reasons mentioned above. These set forth points the undersigned has found himself compelled to bring to the knowledge of your Honorable Worships, as the interests of the owners are demonstrated therein and it at the same time shows that he strictly 1858 strictly conforms to the contents of the charter party handed to him, for which he is surely most accountable. He is, however, fully prepared to comply with all orders if his proposals are accepted, and has the honor to sign with all high esteem. Below stood: Right Honorable Ruling Sir! Your Honorable Worship's obedient servant, was signed: B. J. Uffen. In the margin: Galle, the 5th of December 1787. The appearer further testifies that, since no satisfactory answer conforming to the interests of his owners and the intention of the contract contained in the charter party was added by the Ceylon Government to the proposals made in his two petitions, but on the contrary, in the name of the said Government, he was ordered by the Right Honorable Commandant Kraijenhoff to depart from here for Colombo with the vessel under his command, wind and weather permitting, he, the appearer, in obedience to that order, is resolved to do so and would already have departed had the southerly and southeasterly winds not prevented him; but that he, the appearer, hereby protests against all damages and misfortunes that might befall him due to the departure of the said vessel from here to Colombo, and also if his demand, contained in the petition of the 5th of this month inserted above, should not be satisfied to the satisfaction of his owners; desiring that two identical official copies hereof be granted, of which he requests that one may be presented to the highly esteemed Ceylon Government. Thus done. L. M. Rutger ƒ Checked 1859 Register of the papers sent with the chartered private ships De Vrouwe Johanna, De Drie Gebroeders, 't Fortuijn, and De Susanna, under convoy of the State frigate of war De Ceres, by order of the Right Honorable and Highly Esteemed Sir Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of Netherlands India, Governor and Director of the island of Ceylon with its dependencies, consigned to the Noble, Highly Esteemed Lords Directors at the Assembly of the Seventeen, representing the General Dutch East India Company, at the presiding Chamber of Amsterdam. No. 1. Original letter of today addressed as in the heading hereof.
Dutch transcription
1856 N. o 73 Heeden Den 10. December A:o 1787 kompareerde voor mij Petrus Gerrardus De ros, gesm: klerk van Politie en Justitie deses kommandements, present de nate„ noemene getuijgen. D: E: Barend Jansz: uffen, gesogvoerder van 1 tans in deese baaij geaukerd leggende in„ gehuurd hoeker schip De vlugge joek vogel, dewelke tekennen gaf. Dat gemelde bodem, volgens de tusschen de Rhee„ „ders van dien en de edele Maatschappij de„ legde eerte partij, voor Cijlon aangelegd sijn„ „de, zonder te bepaalen welke plaats of Rhea„ de deselve aandoen moeste, hij kompa¬ rant de oosten de eijlonse hoofd plaatse kolembo komende tevervallen, geene ge„ „legendheid gehad hreeft om die doord plaets aan te doen en derhalven met gemelden Bo„ dem de Gaalsche Baaij, als de eerste en de oeste wacen ingeloopen was. Dat bij gedagte- Eerte Partij gekonditioneerd sijnde, dat de helfte van de vragt, Avaaij en caplaaken verdiend soude worden 'sdaegs naa de ontlossing van voorn: bodem op Eij„ „len, dien volgens hij komparant den 28. der gepasseerde maand November alhier gearri¬ reerd, sijnde, 's doegs daar aan een begin ge„ maakt aad om de lading van sijn onderheb„ bend schip te ontlossen; met voor af na de was senden van drie kisten met goud stae„ ven sonder meer, en dat gem: Bodem tans geheel soude ontlaaden weesen, indien daar meede voortgevaaren en daartoe daa„ „delijk order gegeeven was. ert dat 's daags nade ontlossing van gedagte Bodem op lijten, de helft vande voogt, avarij en Ca„ plaaken zal geconsidereerd worden te zijn ter „deent, en vermits hij nu den 28. ' der gepasseerde maand hier is komen te arriveeren en 'sdaag daaraan reeds een begin gemaakt heeft met de ontlossing van sijne inhebbende goederen, en tanst bij kans geheel konde ontlost sijn, zoo daedelijk onder ontvangen hadde, om daan„ meede voorttevaeren, soude 't altweel geresi„ neerd sijn om nu te verseijlen, voor al wijl het wel konde gebeuren dat de kolando sijne geheele lading niet konde ontlost worden en hijd alweeder vandaar na herwaarts sou„ de moeten Reeren, wanneer dan alles voor syne Reeck: bleef, ingevalle en op deese twee te onderstellene tochten hem eenig ongeluk ovenkwar. De Jekenaar neemt egter aan, om de gister bekome order te sullen opvoegen, zo uw el Edele agtb: de goedheid gelieft te hebben, om sijne te doene voorstellen goedtekeuren, namentlijk versoekt bij voor den ontvangst der hier ont„ loste kisten met goud en van de hier verloope legdaegen, een voldoend bewijs temogen hebben, vervolgens dem te certificeeren, dat gelijk de cerse Partij dikteerd, sijn maand mag draaij„ en, teweeten fl: 8. per last en 10. p:r C: avarij voor ieder maand, en ten laatsten dat de halve vragt, ovarin en baplaaken sal gekonsidereerd worden te sijn verdeend, om reeden hier vooren vermeld Deese dien ter neergestelde Prinksen heeft den ondergeteekende sig genoodsaekt gevonden u wel Edele agtb: tekennen tegeeven, wijl daar in de belangens der Rheeders aangetood won „den en tegelijk teblijken komt, dat hij sig stiptelijk. 1858 stiptelijk aanden inhoud der hem ter hand ge„ „stelde Eerte Partij gedraagd, als waarvoor hij seker 't meest verandwoordelijk is. Hij is egter ten vollen berijdwillig sig na alle orders tege„ draegen, soo er sijne gedaane voorstellen aan„ genoomen worden en heeft de eer sig net alle hoog agting te onderteekenen /onder„ stond:/ wel Edele Agtbaare gebiedende Heer! uw welEdele agtb: gehoorsaeme B: J: uffen Dienaer /:was geteekend./ /in margine:/ Gale den 5. xxber: 1787. getuijgende de komparant voorts, terweje op sijne gedaane voorstellen bij gemelte twee Adres„ „sen; geen voldoende Andwoord, over eenkomstig met de belangen sijner Rheeders en de Jntentie van 't bij de certe paatij vervat kontaakt, van de Eijlonse regeering gevoegd, maar hij daar en tegen uit naame van welmelde Re„ „geering, door den wel Edelen Agtbaaren, heer gesaghebber KaaijenHoff aan bevoolen is met sijnen onderhebbenden Bodem, bij toelaating van wind en weer, van hier na kolombo te„ vertrekken, dat hij komparant dus, in op„ volging van die order, daartoe geresolveerd is en ook reeds soude vertrokken sijn, in¬ dien de sindelijke zind ooste winden ihem daarin niet belet hadden; doch dat hij kom„ parant bij deese protesteerd tegen alle schaa„ den en ongelukken, die hem doon 't van hier na kolembo vertrekken van gemelden Bo„ dem mogten overkomen en ook indien aan sijn gedaanen Eijsch, vervat bij 't hier voo„ ren g' insereerd Addaes van den 5. deser, ten genoegen sijner Rheeders niet voldaan wierd, met begeerte om hier van twee eensluijdende Grossen te verleenen, waarvan hij versoekt, dat 't eene de hoog g'eerde eijlonse regelring mag aangebooden worden. Aldus. L: M: Butger ƒ Nagezien 1859 Register der papieren die met de ingehuurde partiku„ liere scheepen de vrouwe Johanna, de drie gebroeders, 't fortum en de Subanna, onder Ronvooij van 'slands fregat van oorlog de Ceves, ter ordre van de wel Edelen Groot Achtbaeren Heer Willem Jacob van de Graaff, Raad ordinair van Neder„ landsch Jndia, Gouverneur en Direkteur van het eiland Ceilon met dies onderhorigheden worden verzonden, gekondig„ „dan neerd de wel Edele Hoog achtb: Heeren Bewindhebber en ter vergadering van 17=men, repre„ senteerende de Generaale Ne„ „komp: derlandsche oost indische„ ter presidiaale Ramen Amsterdam N.:o 1. orgineele missive van heden aan als in den hoofde deezes gerigt.
English
Goes in the packet for Zeeland. No. 2. Duplicate dispatch of 21 July of this year, together with the annexes belonging thereto according to the register to be found thereof. No. 3. Original secret dispatch of today, addressed as in the heading hereof, together with the annexes belonging thereto, according to the register made thereof. No. 4. Extract of the Galle resolution of 8 August of last year, containing the ruling on the consumption accounts of the aforesaid four ships and the ship Josephus de Tweede. No. 5. Copy of the petition from the masters of the ships De Vrouwe Johanna, 't Fortuin, De Drie Gebroeders, and Josephus de Tweede, by which the provisions additionally accounted for were found to be surplus. No. 6. Copy of the notarial protest executed at Galle on 29 August of last year by the masters of the ships De Drie Gebroeders, De Johanna, De Susanna, and 't Fortuin, concerning the order received that the coir ropes used in the service of the chartered ships and becoming unserviceable are not to be taken back, but left to the masters and must be charged to the expense accounts of those vessels. No. 7. Copy of the protest executed at Galle on the 8th of this month by the master of the ship Josephus de Tweede, concerning the aforementioned order received. No. 8. Copy of the protest executed at Tuticorin on 14 June by the master of the ship De Drie Gebroeders, stating that the voyage from Punnaikayal to Galle ought to be regarded as a domestic voyage, and that the gentlemen shipowners should accordingly be credited for what was stipulated in the charter party. No. 9. Copy of the protest executed at Tuticorin on 14 June to the same aforementioned end by the master of the ship 't Fortuin. No. 10. Extract of a dispatch dated 11 June written from Tuticorin to Colombo, communicating that the master of the ship Susanna has recorded the same reservation. No. 11. Copy of the petition of the masters of the five chartered ships, requesting that the voyage from Punnaikayal to Galle might be considered and paid as a domestic voyage, or else that the lay days of the ships at Galle might commence on the day after their arrival there. No. 12. Copy of the notarial record kept at Galle, whereby the masters of the ships De Vrouwe Johanna, De Drie Gebroeders, 't Fortuin, and Josephus de Tweede reserve for their owners the right regarding the payment of 80 guilders per day for the extra time that they might have to remain in the bay of Galle beyond the specified number of 121 lay days for each ship. No. 13. Copy of the protest registered at Tuticorin by the masters of the ships De Vrouwe Johanna, 't Fortuin, and De Drie Gebroeders against the damages the ships might suffer if they had to lie waiting for the pilots outside Galle. No. 14. Copy of the petition of the chief surgeons of the ships De Vrouwe Johanna, De Susanna, 't Fortuin, and De Drie Gebroeders, requesting either the gratuity granted in the motherland to the chief and second surgeons of the chartered ships, or that they might be granted such a bonus and permitted chests as are allocated to the chief surgeons on the Company's return ships. No. 15. Copy of the report from the Galle Master of Attendants Abo, stating that the four ships are sufficient for the transport of the Regiment of Luxemburg to Lorient. No. 16. Letter from the Lieutenant Colonel and Commander of the Regiment of Luxemburg, E. De Raymond, concerning the officers who remain here in order to depart with a subsequent opportunity. No. 17. Notarial deed executed here by the soldier Albertus Delnouw, whereby he renounces all further claim on the Company for wages and bounty. No. 19. Nominal roll of the soldiers who transferred from the garrison here to the Regiment of Luxemburg. No. 20. Extract resolution of 9 July, containing the decision on the findings concerning the cargo of the ship De Vrouwe Johanna. No. 21. Extract resolution of 14 July, containing the decision on the findings concerning the cargo of the ship De Susanna. No. 20. Extract resolution of 14 July, containing the decision on the findings concerning the cargo of the ship Josephus de Tweede. No. 22. Extract resolution of 16 July, containing the decision concerning the cargo of the ship Fortuin. No. 23. Ditto ditto of 16 July, containing the decision concerning the cargo of the ship De Drie Gebroeders. No. 24. Ditto ditto of 21 July, containing the ruling on a Galle resolution of the 15th of that month, annexed with a copy of the said Galle resolution. No. 25. Ditto ditto of 21 July, containing the ruling on a Galle resolution of the 7th of that month, annexed with a copy of the said Galle resolution. No. 26. Ditto ditto of 21 July, containing the ruling on the submitted accounts of the masters of the ships Susanna and De Drie Gebroeders. No. 27. Extract resolution of 1 August, containing the ruling on a Galle resolution of 26 July, annexed with three extracts from the said Galle resolution. No. 28. Ditto Galle resolution of 1 August, containing the ruling on a finding of the emerging discrepancies regarding certain items of the cargoes of the ships De Drie Gebroeders and Fortuin. No. 29. Two statements of what must be made good to the masters of the ships Susanna and Josephus de Tweede regarding the under-accounted rye, tar, and coal.
Dutch transcription
gaat in het paket voor Zeeland N:o 2. Dupbikaat missive van den 21. ' Julij dezes Jaars, nevens de beij„ laagen daar toe gehooren volgens het daar van te vinden register. „ 3: origineele sekreete missive van heden aan als in den hoofde dezes gerigt, nevens de daar bij gehoorende bij laagen, volgens het daar van gemaakt register „ 4. extrakt gaalsche resolutie van den 8. aug:s J:o l: houdende dispo„ sitie op de Consumtie reek van de voorm: vier scheep en het schip Josephus de tweede „ 5. Ropia addres van de schippers der schee„ pen de vrouwe Johannes 't fortuin, de drie gebroke den en Josephus de tweede waar door de meerder ver„ antwoorde provisien teveel bevonden zijn No 6. 1860. N:o 6; Ropia se kretarieel protest door de schippers van de scheepen de drie gebroeders, de Johanna, de Subanna en 't fortuin te Gale gepas„ seerd den 29. ' aug:s J:ol: we„ 8e gens de ontvangene ordre dat de Raijer touwen die ten dienste van de inge„ huurde scheepen worden gebruikt en onbekwaam worden, niet terug ge„ noomen, maar aan de schippers overgelaaten en op de onkost reeke„ ningen van die bodems moeten belast worden „ 7. Kopia protest door den schipper van het schip Josephus de tweede, den 8. deezer te Gale gepasseerd, wegens voormelde ontvangene ordre. „ 8. kopia protest door den schipper van het het schip de drie gebroeder den 14:' Junij te Iuttue Rorejn gepasseerd, dat de togt van PonneRail na Gale voor een binnen landsche veize moest gehouden en daar voor dan de heeren reeders van het schip goedge„ daan worden 't geen bij de certe partij bedongen was N:o 9. Ropia protest door den schipper van het schip 't fortuin den 14:' Junij ten evengemelde einde te Tutukorijn gepasseerd. „vo: extrakt missive de dato 11. ' Junij van Putukorijn na Rolombo geschreeven, bedeelende dat de schipper van het schip Susanna de„ zelfde aanteekening verkogt heeft „11: Ropia addres der schippers van de vijf ingehuurde 1861 ingehuurde scheepen, verzoekende, dat de togt van PoneRail na Gale mogte worden aan„ gemerkt en betaald als een binnenlandsche togt, dan wel dat de leg„ daagen van de scheepen te Gale mogten ingaan 'sdaags na hunne ar„ rive aldaar. N:o 12. Ropia sekretarieele aanteekening te Gale gehouden, waar bij de schippers van de scheepen de vrouwe Jo„ hanna, de drie gebroe„ den, 't fortuin en Josephus de tweede, aan hunne reeders gereserveerd laate 't verkt wegens de betaa„ ling van 80. guldens 'sdaags, voor den meerderen tijd, die ze, boven 't bepaald ge„ tal van 121. legdagen voor elk schip, in de bhadij N:o 13. Kopia protest door de schippers van de scheepen de vrouwe Johanna, 't fortuin en de drie gebroeders te Tu„ tukorijn aangeteekend tegen de schaaden, die de scheepen mogten lij„ den, indien te voor Gale na de lootzen moesten leggen wagten „ 14. Kopia addres van de oppermeesters van de scheepen de vrouwe Johanna, de Susanna, 't fortuin en de drie gebroeder verzoekende om 't dou„ ceur dan de opper en tweede meesters der gehuurde scheepen in 't vaderland toege„ legd, dan wel, dat aan hun zodanige premie bhaaij van Gale zouden moeten vertoeven een 18623 en gepermitteerde Risten mogten vergund worden, als toegelegd zijn aan de oppermeesters op 's komp: retourscheepen N:o 15. Ropia bericht van den Gaals Equi„ 2 pagiemeester Abo, dat de vier scheepen genoeg zijn ter overbreng van het regiment van Zux„ de emburg na L' orient „ 16. Brief van den luitenant Kollonel en Kommandant van het regiment van Zux„ emburg E: De Raij„ mond, wegens de officie„ ren die alhier blijven om d met een volgende gele„ gentheid te vertrekken „ 17. Sekretarieele akte door den soldaat Albertus Delnouw alhier gepasseerd, waar bij hij renuncieerd van alle verdere . N:o 19. Naamlijst der soldaaten die van het garnizoen alhier tot het regiment van luxemburg zijn overgegaan. „ 29. Extrakt resolutie van den 9. ' Julij, hou„ dende besluit op de be„ vinding aangaande de laeding van het schip de vrouwe Johanna. „ 21. Extrakt recol: van den 14. ' Julij houdende besluit op de bevinding aangaande de laeding van het schip de Su„ Samna „ 20. Extrakt retol: van den 14. Julij, houdende besluit op de bevinding aangaande de laeding van het schip Josephus. de Tweede. verdere aanspraak op de Komp: wegens gagie en premie. No. 22. „ : 1863 „ 23. d=o d:o 124. N:o 22. Extrakt retol: van den 16. Julij hou„ dende besluit aan„ gaande de laeding van het schip fortuin van den 16. ' Julij, houdende besluit aangaande de laeding van het schip de drie gebroeders. d=o d=o van den 21. ' Julij houdende dispositie op een gaalse retol: van den 15. dier maand, annex Ropia van gem: gaalde resolutie „ 25. d=o d=o van den 21.' Julij houdende dispositie op eene gaalle resol: van den 7. ' deer maand, „van annex Koper gem: gaalse resolutie „ 26: d=o d:o van den 21. ' Julij houdende dispositie op de inge„ komene verantwoording van de schippers der scheepen. N:o 27. Extrakt resolutie van den 1. aug:s houdende dispositie op een gaalde retol: van den 26. ' Julij annex drie extrakten uit gem: gaalte retol: „ 28. d:o gaalle retol: van den 1:' aug:s hou„ dende dispositie op eene bevinding van de voor„ komende verschillen omtrent zommige arti„ keld van de ladingen der scheepen de drie - gebroeders en foorteein schippers van de schee„ per Susanna en de drie gebroeders moet wor„ den goedgedaan. Compager „ 29: twee aan wijzingen van het geen aan de scheepen Subanna en Josephus de tweede no„ pens de te min verant„ woorde rog taris en Kool No 30.
English
1864 No. 31. Copy of the address of the Lieutenant Colonel and Commandant of the Regiment of Luxemburg, the Honorable de Raymond, in which he protests against the prejudice to the rights of the Lord Prince of Luxemburg regarding the whole or a part of the weapons. No. 32. Three copy reports of the appraisal of the weapons, both here and at Gale, which are in use with the regiment. No. 33. Copy of the address of the aforementioned Honorable de Raymond, in which he offered only to pay for the weapons that must be reimbursed from the ships de Vrouwe Johanna and Josephus de Tweede. No. 30. Two specifications of that which was received from the ships. No. 34. Account which was drawn up from the appraisal of the weapons and signed before the Lord Governor and the Honorable de Raymond. No. 35. Extract resolution of 25 July containing the disposition on an address of the Lord de Raymond. No. 36. Account of the weapon and ammunition goods supplied to the Regiment of Luxemburg since its arrival on Ceilon. No. 37. Two notes of the drum equipment entered in the general account. No. 38. Note of the cartridges, fuses, quick matches, etc., which were received from the Company, and the cannons. 1865 58 No. 39. Extract resolution of 8 May of this year. No. 40. Ditto of 25 July ditto, both containing dispositions on the claims of the regiment with regard to the recruits who arrived with Colonel D'Augonet. No. 41. Memorial of the officers of the detachment that was garrisoned in Trinconomale, demonstrating the inconveniences and damages suffered by them. No. 42. Address of the Honorable De Raymond regarding the aforementioned Memorial. No. 40. Ditto supplied to the regiment and omitted from the general account. No. 43. Address of Captain de Jacob concerning the aforementioned detachment, presented to the Honorable de Raymond. No. 44. Ditto of the Honorable de Raymond concerning the just-mentioned address of Captain de Jacob. No. 45. Ditto of the Honorable de Raymond regarding the defrayment for the officers. No. 46. Extract resolution of 10 June of this year whereby it was approved to pay the Captain Treasurer de la Tour one year's salary. No. 47. Ditto of the 26th of this month containing the disposition on an address of the Honorable de Raymond of the 1st of this month. 1866 58 No. 48. Letter written by the Honorable de Raymond to the Lord Governor on 5 October 1785. No. 51. Letter from the Honorable de Raymond written to accompany the just-mentioned address. No. 52. Copy of letters written on this occasion to the Honorable Directors of the respective Chambers and the Cape ministers. No. 50. Address of the officers of the Regiment of Luxemburg dated 8th of this month. No. 49. Extract resolution of the 26th of this month containing the disposition on an address of the officers of the Regiment of Luxemburg. No. 53. Invoice of return account to the Chamber of Zeeland amounting to 7 florins 18 stivers 8 pence. Goes in the packet for Zeeland with the ship de Vrouwe Johanna. No. 54. Copy of separate dispatch from the Lord Governor to the Noble High Indian Government at Batavia, enclosed in two separate packets for the Chambers of Amsterdam and Zeeland. Goes with the ship de Drie Gebroeders. No. 55. A packet addressed to the Right Honorable Gentlemen Seventeen for the Chamber of Zeeland. Goes with the ship 't Bortluis. No. 56. Two packets addressed to the Honorable Directors of the Chamber of Amsterdam. Goes with the ship de Susanna. No. 57. Goes in packet No. 55. Two packets addressed to the Honorable Directors of the Chamber of Zeeland. 1867 58 Goes in packet No. 60. No. 56. Goes in packet No. 61. No. 57. Two packets addressed to the Honorable Directors of the Chamber of Delft. Goes in packet No. 62. No. 56. Goes in packet No. 63. No. 57. Two packets addressed to the Honorable Directors of the Chamber of Rotterdam. Goes in packet No. 64. No. 56. Goes in packet No. 65. No. 57. Two packets addressed to the Honorable Directors of the Chamber of Hoorn. Goes in packet No. 66. No. 56. Goes in packet No. 67. No. 57. Two packets addressed to the Honorable Directors of the Chamber of Enkhuisen. Kolombo, 27 September Anno 1788. Hybrands, First Clerk. Nagazie, Bostraaten. 1868 Patria To the Right Honorable Gentlemen Directors at the Assembly of the Seventeen Representing the General Dutch Chartered East India Company at the Presidial Chamber of Amsterdam. Right Honorable, Wise, Prudent, and Most Generous Gentlemen. We hope that our respectful letter of 21 July last, dispatched with the State's brig the Diana, which departed from here on the 25th thereafter, will obtain a timely and proper delivery, and we have the honor to present herewith the duplicate thereof to your Right Honorable Worships. The ship de Gouverneur Falck, which arrived at the Cape of Good Hope on 23 May and departed from there again on 23 June, arrived at the Ponnekail roadstead on 22 August last, and arrived here on the 1st of this month. We request to be permitted to postpone the further report concerning this ship until the departure of the ship Josephus de Tweede. Meanwhile, we have the honor to inform you of the receipt therewith of your Right Honorable Worships' most venerated dispatch of 8 January of this year, the contents of which we shall take as our guidance; while the report required therein, on the petition of the Captain and Captain-Lieutenant of the ship 't Slot ter Hooge, will be presented to your Right Honorable Worships on a subsequent occasion. The State's frigate Ceres, commanded by the Lord Captain van Halm, which arrived at Gale from Batavia on 20 August last, is now about to undertake the return voyage to Europe. The expense account of this vessel will
Dutch transcription
186a 1864 „ 31. Ropia addres van den luitenant Rollo„ nel en Rommandant van het regiment van luxem„ burg &: de Raijmond waar bij hij protesteert tegen de benadeeling der rechten van den heer prins van Lixemburg op het geheel of een ge„ deelte van de wapen. „ 32: drie Ropia rapporten van de taxatie der wapenen zo hier als te Gale die bij het regi„ ment in gebruik zijn „ 33. Kopia addres van voorm: E: de Raij„ mond, waar bij hij aange„ booden heeft alleen te voldoende wapenen die per van de scheepen de vrouwe Johanna en Jose„ Johus de tweede moet worden vergoed. dn pegan N:o 30. twe aan wijkingen van het geen door de schip„ van N:o 34. Rekening die van de taxatie van de wapen geformeert en door den heer gouverneur en door den E. de Raijmond voorgezien onderteekend is. „ 35. Extrakt resol: van den 25. Julij houdende dispositie op een addres van den heer de Raijmond „ 36. Reekening van de verstrekte wapen- en ammonitie goederen aan het regiment van luxemburg zedert deo„ selfs Romst op Ceilon. „ 37. twee notitie van de bij de geeneraele rekening opgebragte tromgereedschappen „ 38. notitie van de kardoesen sinden, Espoletten etc: die aan van de Romp: zijn ont„ vangen, en de Ranons het. 1865 58 N=o 39. Extrakt retol: van den 8:' maij dezes Jaars — „ „ 25. Julij d:o do bij de houdende dispositien op de vorderingen van het regiment ten aan„ zien van de recruten die met Kollonel D' Augonet zijn aange„ Boomen. „ 41. Memorie van de officieren van het de„ tachement 't welk de Trin„ Konomale in guarnizoen heeft geleegen, vertoo„ nende de ongemaken en schade door hun ge„ leden „ 42. Addres van den E. De Raijmond, wegens voorsz: Me„ morée „ 40. d=o het regiment verstrekt en bij de generaele reek: uitgelaeten zijn N„o 43 „ 47. d=o N:o 43. Addres van den Rapit: de Jacob nope voorsz: detachement, aan den E: de Reeijmond gepresenteert. „ 44. d:o van den E. de Raijmond nopens het even gemeld advres van Rapit: de Jacob. „45. d:o van den E: de Raijmond wegens het de vroijement voor de officieren „46. Extrakt retol: van den 10. ' Junij dezes Jaars waar bij goedge„ vonden is aan den Rapit: tredorier de la tour te be taelen een Jaar appoin te„ ment. d:o van den 26. dezer hou„ dende dispositie op een addres van den E: de Raijmond van den 1' deser— No. 48 1866. 58 No 48. Brief door den E. de Raijmond aan den heer gouverneur geschree„ ven den 5:' october 1785. „ 5v. Brief van den E: de Raijmond ten geleijde van even gem: addres geschreeven „ 52. Ropia brieven aan de achtb: heeren Bewindhebberen van de respective Rameren en de Raabsche minis„ tert bij dese gelegent„ heijd geschreeven „50. Addres van de officieren van het regi„ ment van luxemburg ged:t 8:' dezer. „ 49. Extrakt retol: van den 26. dezer hou„ dende dispositie op een addres van de officieren van het regiment van liexemburg. N o 53. de kamer gaat met het Schip de vrouwe Johanna gaat met 't schip de ories 56. gebroeders gaat met 't schip 't borttin gaat met 't schip de su„ 59. Sorma N:o 53. factuur van terug reekening na gaat pak 6 No gaat in het de Kamer Zeeland groo paket voor g ƒ 7. 18:8. pa Zeeland „ 54. Ropia aporte missive van den heer gouverneur aan de Edele gaat Hoog indische regeering 1 pak te Batavia in twee ap„ gant porte paketten geslooten Bak voor de Kamers Am„ sterdam en Zeeland No „ 55. Een paket beschmeeven van de wel Ed: gaat Ba hoog achtb: heeren seven„ tienen ter Kamer Zeeland gant pa twee paketten beschreeven aan de 57. Edele achtb: heeren Be„ p windhebberen ter kamer Amsterdam gaat in 't pake„ No 55. —. twee perketten beschreeven aan de Edele achtb: heeren bewindhebberen ter Kamer Zeeland. N.o 60 e 1867 58 gaat in het paket No 60. N=o 56. - gart in het pakit „ 61. N o. 57. gaat in het paket „ 62. No. 56. gaat in 't paket „ N o 57. gaat in het paket „ 64. N:o: 56. gant in 't paket „ 65. N:o 57. gaar in 't „ 66. paket No 56. gaat in 't paket „ N=o 57. twee paketten beschreeven aan de Edele achtb: heeren Bewindhebberen ter Kamer Delft. twee parkketten beschreeven aan de Edele achtb: heeren be„ 63. windhebberen ter kamer Rotterdam twee paketten beschreeven aan de Edele achtb: heeren be„ windhebberen ter Kamer Hoorn. twee paketten beschreeven aan de Edele achtb: heeren 67. bewindhebberen ter Kamer Enkhuisen Kolombo den 27. ' September A:o 1788 n Hijbrands Egklerk 2 eln Nagazie Bostraaten 1868 Patria Aan de wel Edele Hoog Achtbaare Heeren. Bewinthebberen Ter vergadering van Zeventienen Representerende de Generaale Nederlandsche geoktroijeerde Oost Indische Kompenie ter Presidiale Kamer Amsteldam Wel Edele Hoog Achtbaare Wijze voorzienige en zeer Genereuse Heeren. Wij hoopen dat onsen eerbiedigen van den 21: Iulij I:o leeden afgezonden met slands brik de Diana, die den 25. ' daar aan van hier vertrokken is, eene tijdige en behoorlijke be„ stelling zal erlangen, en hebben de eere, het Duplikaat daar van uwel Ed: Hoog achtbaaal hier hier nevens aantebieden. 'T schip de Gouverneur Falck, 't welk den 23. Meij aan de Caab de Goede Hoop gearriveerd, en den 23. ' Iunij van daar weder vertrokken is, is den 22. augustus J:o leeden ter Ponnekail„ sche rheede, en den 1. deser alhier aangeko„ men. We verzoeken het verder verslag nopens dit schip, temoogen uijtstellen tot het vertrek van het schip Josephus de Tweede. Jntusschen hebben we de eerer te bedeelen, den ont„ vang daarmede van uwer wel Edele Hoog achtb: Zeer gevenereerde Missive van den 8: Januari deses Iaars welken inhoud wij ons tot naricht zullen laaten strekken; terwijl 't daar bij gevorderd bericht, op 't request van den Capitain en Capitain luijtenant van het schip 't slot ter Hooge, bij eene volgende gele„ gentheid uwel Edele Hoog achtbaare zal wor„ den aangeboden. slands fregat Ceres, gecommandeert door den Heer Capitain van Halm, dat den 20. ' aug=o J:o leeden van Batavia te Gale is aangekomen en staat tans de terug rijze na Europa aante„ treeden. De onkostreekening van deesen bodem, zal