Inventory 3791
Ceylon · 822 pages · 148 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
2282 in the record of the confrontation held between him and Lieutenant Colonel de Raijmond, dated 4 May 1786. That he generally recalls that at that time, upon the rumor that Monsieur D'Hugonet was to be arrested and that cartridges had been distributed to the Dutch soldiers, those gentlemen, namely Colonel D'Hugonet and Captain De La Roche, as appears from section 2 of the declaration of Monsieur de Raijmond of 25 April 1786, against which the confrontation was held, had said that precautions should be taken, and that it was also spoken of at that time to secure the cannons, as they would run the first risk of being seized, and that consequently these cannons must be brought to greater safety, and to that end placed at the Gaalse Gate. Paragraph 116. Colonel de Bas further says in the aforementioned record of confrontation on section 4 of the declaration of Monsieur de Raijmond, namely: That he well knows that it was spoken of to take precautions, and that in case the Dutch took up arms, one must secure the regiment, which would be done by bringing it under arms and drawing it up in order of battle in front of the barracks. Paragraph 117. Captain de la Roche confesses in the interrogatories answered by him: Article 72, that the order to make live cartridges was given to him by Monsieur D'Hugonet himself, after having learned from Monsieur de La Chasse that the Dutch were arming themselves against the regiment, and pursuant to the plan formed between the gentlemen d'Hugonet, de Bas, de Raijmond, and himself, to keep on their guard against all eventualities. Article 80, speaking of the orders given to Lieutenant Desenfans, which will be mentioned hereafter, he repeats that they were given pursuant to that which Monsieur de Hugonet, de Bas, de Raijmond, and he, De La Roche, had agreed upon. Article 113, he confesses the consultation held between him and the gentlemen de Hugonet, de Bas, and de Raijmond, and Article 115, he repeats concerning the statement of Monsieur de Bas made during this consultation, namely, to have the regiment brought under arms when Colonel 2283 D'Hugonet was arrested, his statement in his aforementioned writing, dated 5 October 1785, sent to the Governor. Paragraph 120. All this, moreover, also agrees with the report of Lieutenant Mitman regarding the conversation held with him by Captain de La Roche. Paragraph 121. However much Colonel d'Hugonet maintains that he had forbidden all resistance in the event of his arrest, and however much the second Colonel de Bas and Captain de La Roche, Monsieur de Bas in the aforementioned record of confrontation of 4 May and Monsieur de La Roche in his aforementioned writing, wish to make it believed that all the dispositions were figments of disturbed minds that had not lasted half an hour, one needs only to reflect upon and compare against these statements the orders given and preparations made at various times in order to be able to carry out what was determined in their aforementioned consultations, to convince oneself of the truth thereof. Paragraph 122. First, Captain de La Roche gave orders to Adjutant Le Maistre and to Sergeant-Major St Vallerie to watch the movement of the Dutch troops, and if one of the commanders was arrested, to notify the others immediately thereof. This is testified by the aforementioned Le Maistre and St Vallerie in their sworn depositions of 22 September 1785. Le Maistre says in his deposition that a few days before the feast of St Louis, Monsieur de La Roche, leaving the parade in the morning with the Sergeant-Major, had warned him to come to his house, upon which order he and the Sergeant-Major immediately went to Monsieur de La Roche, where the same told them that he regarded them both as men of trust and therefore charged them to pay close attention to the movements of the Dutch, in order that if one of the commanders of the regiment was arrested, they would immediately give notice thereof to the others, charging them at the same time not to speak to anyone of this order given to them, and in case they did so, he would deny it. With this, what St Vallerie says in his deposition agrees almost verbatim. Captain de La Roche 2284 Roche also confesses it, in the interrogatories answered by him, Articles 50 and 52. He says therein, among other things, that this order was given by him by order of Monsieur de Bas, according to agreement with the gentlemen de Bas and de Raijmond; and although Colonel de Bas, being confronted with La Roche on the last-mentioned interrogatories, declared that he could not remember such, he nevertheless added that he cannot declare with certainty that he did not give that order to Monsieur de La Roche, nor that he had agreed with the gentlemen de Raijmond and de La Roche in that regard, as appears from the record of confrontation dated 13 March 1786. Paragraph 123. Second, Captain de La Roche gave orders to Lieutenant Desenfans that he should hand over to the Adjutant all the infantry powder, the lead, and paper that he had in the magazine; and to have the powder for the cannons brought to the artillery company and have cartridges made from it, and to that end provide himself with linen, as well as to have the grapeshot for the guns of the regiment fetched from the Company's arsenal and likewise have it brought to the artillery company. Captain de La Roche also asked the aforementioned Lieutenant Desenfans on the same occasion whether, since no bullet molds could be obtained, he could at his house cast the lead into long bars in bamboos
Dutch transcription
2282 by de akte van de gehoudene konprontatie tusschen hem en den luijtenant kollonel de Raijmond, onder dato 4' Maij 1786. - Dat hij zig in het generaal wel herinnerd, dat ter dier tijd, op het gerugt, dat de heer D' Hugo„ „net soude g'arresteerd worden, en dat aan de Hol„ lander soldaaten pattroonen waaren uijtgedeelt Collonel D' Hugonet die Heeren /:namentlijk en kapitein De La Roche blijkens 5 2: vande verklaaring van den heer de Raijmond van den 25: april 1786: waartegen de konfrontatie gedaan is:/ gezegd hadden, dat men precauties dienden teneemen, en dat als toen ook gesprooken wierd, om de kannons in zeekerheid tebrengen, wijl die het eerst zoude gevaar loopen om opge„ ligt teworden, en dat men dienthalven, deeze kannons in meerder zeekerheid moet brengen, en ten dien eijnde aan de gaalse poort plaatsen. § 116: Wijders zegt kollonel de Bas bij gemelde acte van kon frontatie op 5:4: vande verklaaring van den Heer de raijmond, Namentlyk Dat wij wel weet dat men gesprooken heeft om precautien teneemen, en dat ingevalle de Hol„ landers de wapens opvatteden, men het regiment verzeekeren moest, het geen geschieden soude met het zelve onder de waffens tebrengen en in ouder „ ƒ 118: § 119: order de batalje testellen voor de kasernen. § 117: De kapiteins de la roeke bekend by de door hem beand woorde interrogatoria. art= 72:, dat de ordre om scherpe pattroonen temaaken, hem wierd gegeeven bij den heer D: Hugo net door hem selve, na van den Heer de La Chasse vernoomen te hebben, dat de Holland „ders zig teegen het regiment wapenden en in„ gevolge het geformeerde plan tusschen de Heeren d' Hugonet, de Vras, de Raijmond en hem selve, om zig teegens alle evenementen op hun„ hoede te houden. Art=l 80: spreekende van de ordres aan den luijtenant Desenffers gegeeven, die in het ver„ „volg zullen worden gemeld, herhaad hij, dat die zijn gegeeven ingevolge het geen waarom „trent de Heer de Hugouet de Bras de raij„ mond en wij de La roche waaren overeenge„ koomen. art=l 113: bekend hy de gehoudene raadpleeging tusschen hem en de Heeren de Hugonet, de Bas„ en de Raijmond en art=l 115: herhaald hij noopens de betuiging van den har de Bas, onder deese raad pleging gedaan, om namentlijk, wanneer de kolonee De 2283 D' Hugsnet gearresteerd wierd, het regiment in de wassenen te doen brengen, zyn gezegde bij voorsz zijn geschrift, onder dato 5: october 1783: aan den Gouverneur gesonden. § 120. Dit alles stamt voorts ook over een, met het rap„ „port van den Luitenant Mitman, nopens het gesprek, door de kapitein de La roche met hem gehouden. §121. Hloe zeer ook hollonel d' Hugs net staande hout, dat hij alle resistentie in kas aan van sijne ar„ retteering hadde verbooden, en hoe seer ook de tweede koll: de Bas en kapitein de La Roche, de heer de was bij de voorsz akte van konfrontatie van den 4:' may en de heer de Lathoehe bij voorsz sijn geschrift, willen doen gelooven, dat alle de dispo„ sitien uijtbroeijselen van beroerde zinnen waaren, die geen half uur hadden stand gehouden, heeft men alleen natedenken en tegens deese gezegden te vergelijkenen de op verschijdene tijden gegeevene orders en gemaakte toerustingen ten eijnde hiet geen by voorsz: hunne raadpleegingen was vastge„ „steld ter uitvoer te kunnen brengen, om zig te overtuigen wat daarvan zij. —. §122: 1 heeft kapitein de te roehe order gegeeven aan den adjudant Le Maittre en aan den Zerge„ „ant Onee ant Majoor St Vallerij, om te letten op de beweeging van de Hollandsche troffes, en zoo een der Chefs wierd g'arresteerd, ten eersten de anderen daarvan teverwit„ „tigen. Dit getuigen gem: Le Maistre en S=t valle„ „rie, bij hunne b'eedigde verklaaringen van den 22: september 1785: Le Manttre zegt bij sijn verkela„ „ring, dat eenige daagen voor den dag van S=t Louis„ de Heer de La roche hem des morgens van de para„ „de gaande, met den sergeant Majoor, gewaar„ „schouwd had van ten sijnen huise te koomen, op welke order hy met den sergeant Majoor Zich ten eersten bij den Heer de La roche vervoegd hebben, alwaar dezelve hun gezegt heeft, dat hy hun by„ „den als linden van vertrouwen aan zag en dienthal„ „ven hun belaste naaukeurig agt te geeven op de be„ weegingen der hollanders om ingevalle een van de Creps van het regiment wierd g'arresteerd, als dan ten eersten daar van kennis te geeven aan de andere belastende tevens dat zij van deese aan hun gegeevene ordre aan niemand soude spreeken en ingevalle zij het deeden, hy het soude ontken„ nen; Hier meede stemd na genoeg, woorde, lijk over een, het geen s=r vallerie bij sijne ver„ klaaring daar van segt. De Kapitein de La roche 2284 Roche bekend het ook, bij de door hem beandwoorde Interrogatoria art=l 50: en 52: hij zegt daarbij, onder anderen, dat deeze ordre door hem was gegeeven, uit last van den heer de Was, volgens over eenkomst met de Heeren de Bas en de Raijmond, en schoon kolonel de Bas, op laast gem: Interrogatoria tegen de La Boche geconfronteerd sijnde, betuigd heeft zig sulks niet te kunnen erinneren, voegde hij 'er nogthans bij, dat hij met geen sekerheid kan verklaaren, dat hij die order aan den heer de Laproche niet gegeeven heeft, nog met de heeren de Raijmond en de La roehe daar„ omtrent over een gekoomen tesijn. blijkens de akte van konfrontatie de dato 13: Maart 1786. —. §123: 2/ Gaff kapitein de La roche onder aan den Luijte„ des cupers, dat hij aan den adjudant soude hebben over tegeeven al het kruijd van de jnfanteri, het lood, en papier, dat hy in het Magasijn had; en het krind voor de kanons aan de artillerij komp: te laaten brengen en daar van kardoeten maaken en ten dien eijnde zig van linnen te voorsien, als meede uit skomp:s ardenaal de druiven voor de stukken van het regiment te laaten haalen en dezelve insgelijks bij de artillerij komp: te laaten brengen. Nog heeft kapitein de La roche den gem: luitenant des Enfers tenzelver geleegendheid ge„ vraagd, of hij aan sijn huijs, wijl men geene koegel „men konde bekoomen van het lood lange staaven in bamboesen
English
wanted to have bamboos of the caliber of the muskets cast and then chop them into bullets, he, de Laroche, intending to have him relieved to that end under the pretext of being sick, as is shown by the declaration of the said des Enfers dated 13 October 1786 and the interrogatories answered by him on 19 April 1786. § 124: Captain de Laroche confesses in the interrogatories answered by him under dates of 23, 24, and 25 February, articles 54 and 58, that he had given orders to Lieutenant des Enfers to make cartridges and live ammunition, but he denies in article 55 the order given to fetch the canister shot from the Company's arsenal. That des Enfers sent the quartermaster of the artillery company to the ammunition house to fetch the canister shot or grapeshot and bring it to the artillery guard, and that they were refused him there, is certain. It appears from the deed itself, and that des Enfers confesses to have given orders to that end is indicated above from his declaration and answered interrogatories. The quartermaster Houline also confesses it in his declaration of 24 April following, and one would have to do violence to reason to suppose that des Enfers, as a subaltern officer, would have dared to take it upon himself to proceed to this act if no order had been given to him to that end, and this all the more because, when he did this, he had already transferred the administration of the artillery to Captain Finiels. § 125: Captain de La Roche, upon the protestation of des Enfers that he had transferred the administration of the artillery to Captain Finiels, and upon his refusal to make bullets, gave orders to that end to the Adjutant Le Maistre, as appears from the aforesaid declaration of Lieutenant des Enfers of 19 December 1785. The said Le Maistre confesses in his aforesaid declaration of 22 September 1785 that Captain de La Roche, to the best of his recollection, ordered him on 22 or 23 August prior to have bullets and cartridges made, and for that purpose to ask for the bullet molds from the master of the Company's armory; that upon the refusal of this master, de La Roche had told him that he must do his best to make bullets; that de Laroche had asked him several times more whether he had already made bullets, and finally, upon his answer that he could not do it without a mold, had charged him to cast long bars of the thickness of a bullet from the lead that had been brought, and then to chop them to pieces; that having no instruments to cast these bars, he had made a wax bullet by order of de La Roche; and that des Enfers, who had come twice to ask whether the bullets were not yet ready, had told him to search for bamboos according to the size of the wax bullet, and to cast small round rods in them, of the size of a bullet. § 126: Captain de La Roche himself acknowledges these orders given to the adjutant in the aforesaid interrogatories answered by him. He says in article 66 that he had ordered the adjutant to make bullets and cartridges. In 67 he does not deny the order given to fetch bullet molds from the Company's armory, but says he does not remember it, adding that in case he did so, it occurred in any event pursuant to the order he received. In 69 he says that upon the objections of des Enfers and the adjutant that they had no mold, he had told the adjutant to get bamboos or to cut the lead into ingots. § 127: And Captain Finiels declares in his declaration of 13 October 1785 that on 22 August, by order of Captain de La Roche, he had actually delivered two barrels of gunpowder and two sheets of lead to the adjutant. § 128: On the same 22 August that all these things related above took place, the artillery company was completed with 10 men by order of Colonel D'Hugouet, taken from the companies of the Lieutenant Colonel and Captain de Champenois, who to that end had lined up without the prior knowledge of the governor on the square before the Galle Gate. Indeed, this reinforcement would have been made with 20 men had the captains of the aforesaid companies not made representations against it, as appears from the aforesaid declaration of Captain Finiels. § 129: Colonel D'Hugouet confesses in the interrogatories answered by him, articles 99 and 109, to have given orders for completing the artillery company, but adds that this had taken place at the solicitation of Captain Finiels. § 130: Colonel de Bas acknowledges in the interrogatories answered by him, articles 57, 61, 62, and 63, that the artillery company was reinforced with his prior knowledge and consent, that to this end the aforesaid two companies had lined up on the aforementioned square, and that the intention was to carry out the reinforcement with 20 men, and § 131: Captain de Laroche confesses in the interrogatories put to him
Dutch transcription
bamboesen van het kaliber van de geweezen wilde laaten gieten en deselve daar na tot kogels kappen, zul„ „lende hij de laroche hem ten dien eijnde onder pretexs van ziek te laaten aflossen zoo als dat blijkt bij de verklaaring van gem: des Enfers de dato 13 October 1706 en door hem beandwoorde Jnterrogatoria op den 19: April 1786. -. § 124: kapitein de Laroche bekend bij de door hem onder datis 23: 24: en 25: febr: beandwoorde Jnterrogatoria, ard=lo 54: e: 58:, dat hij den luitenant des rufers onder gegeeven had, om kardoesen en scherpe pattroonen temaaken, dog hij ontkend bij arb=e 55: de gegeevene order, om „de schroot bossen uit sComp=s artenaal te haalen. Dat des rufers den fourier van artillerij komp: na het Ammonitie huijs gesonden heeft, om de schroot bossen of druijven te haalen en aan de artille„ rij wagt te brengen, en dat ze hem daar gewijgerd sijn, is zeeker. Het blijkt uit de daad zelve en dat Des ruffers bekend daartoe latte te hebben ge„ geeven is hier booven uijt sijn verklaaring en be„ andwoorde Jnterrogatoria aangeweezen De fourier Houliue bekend het ook bij sijn verklaa „ring van den 24: april daaraan en men soude sig geweld moeten aandoen om te veronderstellen, dat de tlufers als een Lubaltern officier het soude hebben durven over zig neemen om tot deese daad tetreeden indien hem daartoe geen order „ 2285 order gegeeven was en sulks te meer wijl hij toen hij dit deed, de administratie over de artillerij bereeds aan kapitein Tincel hadde overgegeeven. § 125: 3 Heeft kapitein de La Boche, op de betuiging van des lufers, dat hij de administratie van de artillerij had overgegeeven aan kapitein Finiels, en op sijne weigering om koegels temaaken, daar toe order gegeeven aan den adjudant Le Maistre blijkens de de„s E„ thons voorsz: den 19â x:ber: 1785. gem: Le Maistre bekend„ ^van den Luitenant desE voorm: verklaaring ^ van den 22: 7ber: 1785; dat kapitein de La roche hem, na zijn best onthoud den 22: of 23: aug=s daartevooren gelast heeft, om koe„ gels en pattroonen te laaten maaken, en daartoe de koegels formen te vraagen van den baas van der sComp. wapenkamer; dat op de wijgering van deezen baas„ de La roche hem gezegd had, dat hij sijn bett moest doen om koegels temaaken; dat de Laroche hem nog verschijde maalen had gevraagd, of hij reeds koegels gemaakt had ? en ten laasten op sijn and„ woord dat hy het sonder form niet konde dran, hem belast hadde, om van het lood dat bij ge„ bragt is geworden lange staaven tegieten ter dikte van een koegel, en ze als dan aan stukken te kappen, dat hij geene instrumenten hebbende om deese staaven tegieten, hij op order van de La roche een koegel van waks gemaakt had en dat de Rufers die tweemaalen wat koomen vraagen; p of de koegels nog niet klaar waaren gezegd had, om volgens de groote van de waksche koegel bamboesen te toeken, en daar in klyne ronde staafjes tegieten, ter groote van een koegel. §126: kapitein de La roche zelven erkend deese gegee„ vene orders aan den adjudant bij de voorsch: door hem beandwoorde Jnterrogatoria, zegt hy art=l 66:, dat hy den adjudant had geordon„ „neerd om koegels en pattroonen temaaken. 67: ontkend hy niet de gegeevene ordre, om koegels formen van sComp:s was en kamer tehaalen, maar zegt zich sulks niet te herinneren, met bijvoeging dat ingevalle hij dit gedaan heeft, het in allen gevallen geschied is, ingevolge de ordre die hij ontfan„ „gen heeft. „ 69: zegt hij, dat hij op de tegenwerpingen van des Eufers en den adjusant, dat ze geen form hadden, aan den adjudant gelegt had, om bamboeten te haalen of het lood in lingolt teluijden § 127: En kappitein Finiels verklaard bij zijne verklaa„ „ring van den 13: october 1785: dat hij op den 2: aug: ter order van kapitein de La roche, twee vaaten kruijt 2286 kruit en twee bladen lood werkelijk aan den adjudacte had verstrekt. §. 128: of Is op denzelfden 22: aug=s dat alle des hier vooren verhaalde dingen gebeurt, zijn, de artillerij komp: ter order van Collonel D' Hugouet gekompleteerd met 10: koppen, genoomen uijt de kompenien van den luitenant Collonel en den kapitein de Campenoijs, die ten dien eijnde buijten voorkennis van den gouverneur, op 't plijn voor de gaalse poort waaren opgetreeden; Ja selfs soude deese versterking met 20: mannen geschied sijn, indien de kapsiteins van voorsz: komp:s, daar teegen geene representatien hadden gedaan, blijkens voorsz: ver„ klaring van kap: Finiels §129: Collonel D' Hugouet bekend bij de door hem beand„ „woorde Jnterrogtoria art=l 99: en 109:, order gegeeven te hebben tot het Completeeren van de artillerij komp: maar voegd 'er bij, dat sulks op de sollicitatie van kapitein finiels was geschied. —. § 130. Collonel de Bas erkend by de door hem beandwoorde interrogatoria art= 57: 64: 62: en 63: dat de artille„ „rij komp:, met sijne voorkennis en toestemming versterkt is, dat daar toe de voorsz: twee komp:s op 't voorm: plijn sijn opgetreeden, en dat de intentie was om de versterking te doen met 20: koppen en § 131: kappitein de Laroeke bekend bij de aan hen voorge„ houden 2
English
interrogatories articles 98, 99, 100, 101, and 102: that the artillery company was reinforced, as he suspects, with 15 to 20 men; that the aforesaid two companies had assembled on the aforesaid square for that purpose; that he believed this had occurred at the request of Captain Finiels, because that company had more duties than the others, adding that he believed that the Lord Governor had no knowledge thereof, at least not through him. § 132: 5 Was the decision to move the regimental guns into greater safety by relocating them to the French gate actually carried out? § 133: Adjutant Le Maistre declares in his aforesaid declaration of 22 September 1785 that the day before Saint Louis (this is evidently a mistake in the day, since it occurred on the 22nd and not on the 24th, the day before Saint Louis, as is evident beyond all dispute), Captain de La Roche had handed him a written order for Captain Finiels, stating that he, Finiels, was to have his companies march with the regimental guns to the French square to maneuver there; and that Captain de La Roche had at the same time charged him, the Adjutant, to deliver that order orally as well, and that the guns had to remain before the barracks near the French gate, in case of necessity, being also at hand for the day of Saint Louis. § 134: Captain Finiels testifies in his oft-mentioned declaration of 13 October 1785 that the Adjutant had brought him an oral order from Captain de La Roche on 22 August, to have the regimental guns brought before the French gate by four o'clock and to place them by the barracks to remain standing there. That he, Finiels, had thereupon gone to Colonel d'Hugonet and requested that the cannons might remain at their old place, since they were covered there against rain and wind. That Colonel d'Hugonet, being as he said ignorant of the aforesaid order, had thereupon charged him to tell Captain de La Roche that he desired the cannons to remain where they were; but that the latter had said to that message that he absolutely desired the cannons to be brought to the French gate, according to his order, to remain there; and that thereupon he, Finiels, had had the cannons brought before the French gate, and had even had a part of a shed opened that stood by the French gate, to place the guns therein to prevent damage; but that before the guns were secured, he had some maneuvers performed; and that in the meantime Colonel de Ras had arrived, who had ordered him, after he had maneuvered, to return the guns to their old place, as indeed happened. § 135: Captain de La Roche admits in the interrogatories answered by him: Article 90: that by order of Colonel d'Hugonet he had instructed the Adjutant to order Captain Finiels to have his companies march with the cannons of the regiment to the French square, and to place the cannons by the French barracks to remain standing there; and Article 92: that he, de La Roche himself, had advised Colonel d'Hugonet to place the guns at the French gate near the French barracks. Yet he denies in Article 93 that Captain Finiels had come to tell him that Colonel d'Hugonet desired the cannons to remain in their old place; but says that Finiels, shortly after receiving the order to move the cannons, coming to him, had said that he came from Colonel d'Hugonet to know what he was to do regarding the aforesaid order; and that he, de La Roche, piqued by such singular behavior, had answered him: "Sir, it is the order of the chef; you will please execute it." § 136: Colonel d'Hugonet says in the interrogatories answered by him, Article 105, that he knows nothing of Captain de La Roche's advice to move the cannons, but claims in Articles 101 and 102 that Captain Finiels had come to inform him that the Chevalier de Raymond had caused the cannons to be moved from their usual station and had them brought to the French square near the French barracks, asking at the same time whether this had occurred by his order; and that he, d'Hugonet, asserting that he had given no order thereto, had asked Finiels whether the cannons were better off here than at the other place; and upon his answer that on the contrary they were not well off in this new place, he, Colonel d'Hugonet, at that very moment, had called the Colonel-en-second de Ras and ordered him to get dressed and have the cannons brought back to their usual station; which the latter had also done. § 137: Colonel de Ras, being confronted with Lieutenant Colonel de Raymond on 3: 6: of the latter's declaration of 25 April 1783, admits it is the truth that between him, de Ras, Colonel d'Hugonet, and Captain de La Roche, it was decided that the artillery company with the guns would march to the French square by four o'clock, because they were in greater security there and in the vicinity of five companies, so that if the Dutch undertook anything, they would first make themselves masters of the guns; and that the order given that day on the parade to assemble the two companies of Colonel Champenois and of the Lieutenant Colonel, in order to complete the artillery company therefrom, would serve as a pretext for the transport of the guns which
Dutch transcription
„houdene Jnterrogatoria art=l 98: 99: 100: 101: en 102: dat de artillerij komp: versterkt is /:zoo hij ducht:/ met 15: â 20: man, dat de voorsz: twee komp: ten dien eijnde op 't voorm: plijn sijn opgetreeden, dat hy geloofde dat het op versoek van kapitein Fimiels was geschied, om dat die Comp: meerder diensten had dan de andere daarbij voegende dat hy geloofde dat de Heer Gouverneur, daar van geen kennis had, ten minsten niet door hem § 132: 5 is het besluijt om de regiments stukken in meer „der vijligheid tebrengen met ze na de gaalse poor teverplaatsen werkelijk uijtgevoerd. —. § 133: De adjudant Le Maistre verklaard bij sijne voorz van verklaaring dar den 22: 7ber: 1785: dat 'sdaags voor A=t Louis /:dit is kennelijk en vergissing in den dag, wijl het op den 22:' en niet op den 24: den dag voor s=t Louis is geschied zoo als dat buijten alle tegenspraak blijkt kapitein de La roche hem eene schriftelijke order had ter hand ge„ steld voor den kapitein finiels, houdende dat hij finiels zijne komp:s met de regiments stuk ken na het gaalse plijn soude laaten mar„ cheeren, om aldaar te manareuren; en dat kappitein de La roche hem adjudant teffens „6 belast - 2287 belast had, die order ook mondeling te seggen en dat de stukken voor de Caternen bij de gaalschoport moesten blijven, ingeval van noodzaakelijkheid, zijnde teffens bij de hand voor den dag van L=t Louis. —. § 134: kapitein finiels getuijgd bij sijne meerm: ver„ klaring van den 13: 8ber: 1785: dat de adjudant op den 22: aug=s aan hun eene mondelinge order van Capitein delaroche had gebragt, om teegens vier uuren de stukken van 't regiment voor de gaalse poort telaaten brengen en ze bij de Casornen te plaatsen, om aldaar te blijven staan„ Dat hij finiels daar op sig na hollonel D' Hugo„ „net begeeven en versogt had, dat de kanons op hunne oude plaats mogten blijven, wijl ze daar voor reegen en wind bekekt waaren. Dat holla„ „nee d' Hugonet zoo hij sijde onkundig van de voorsz: ordre, daarop hem gelast had Capitein de La roche aantezeggen, dat hij begeerde dat de kannons bleeven daar te waaren; doch dat deeze op die boodschap zijde, dat hij vol„ strekt begeerde, dat de kanons, volgens zijn order, aan de gaalse poort gebragt wierden om daar te blijven: en dat mids dien hij finiels de kannons voor de gaalsche poort had laaten brengen 102: brengen, en zelfs een gedeelte van een mandoe, die bij de gaalsche poort Lond heeft laaten ope„ „nen, om de stukken daar in tesetten, tot voor„ „kooming van bederf, maar dat hy eer de stukken geborgen wierden, eenige maneuvers had laaten doen, en dat onderwijle Collonel de vras aangekoomen was, die hem belast had, na dat hij gemanavreerd zoude hebben, „ oude de stukken weder op haare „ plaats te brengen gelijk ook geschied was. § 135: Kapitein De Laroche bekend bij de door ham beandwoorde Jnterrogatoria Art=le 90: dat hij op order van Coll: D' Hugonet door den adjudant aan kapitein fini„ „els had laaten belasten, om zijne Comp:s met de kanons van het regiment te„ laaten marcheeren na het gaalse pleijn en de kanons bij de franse Casernen teplaatsen om aldaar te blijven staan en art=l 92: dat hij de Boehe zelve, Col„ „louel D' Hugonet had aangeraaden, om de stukken aan de gaalse poort„ bij de frante Casernen te plaatsen. Doch ontkend art= 9: dat kap: Giniels hem 3 2288 hem had komen aanzeggen, dat Coll D' Hugonet begeerd, dat de Canons op haar oude plaats zoude blijven; maar zegt, dat finiels, kort na den ont„ fangst der order om de kanons teverplaatsen, bij hem koomende gesegt had, dat hij van koll: d' Hugonet quam, om teweeten wat hij doen 1 ƒ moett betrekkkelijk de voorsz: oider. ! en dat hij de La koche: gesigueerd door een zoo siragulier ge„ „drag, hem had geandwoord: Mijn Heer. het is de order van den schepp„ gij zult deselve wel willen ter uitvoer brengen § 136. Collonel D' Hugonet zegt bij de door hem beand „woorde interrogatoria art=l 105: niets teweeten van de aanraading van kapitein de lakoche, om de kannons te verplaatsen, maar geeft voor bij arte 101: en 102: dat kapitein finiels hem was koomen kennis geeven; dat de Heer de Raijmond de kannons van hunne gewoone standplaats had doen verplaatsen, en deselve na het gaalse plein bij de franse Caserus had laaten brengen, met afvraage teffens, of het op sijne order was getchied) en dat hij D' Hugoust, onder betuiging van geen order daar toe gegeeven te hebben, fi„ mels had gevraagd, of de kannons hier beeter waaren waaren dan op de ander plaats: en op sijn andwoord, dat ze in teegendeel op deeze nieuwe plaats niet wel waaren: hij holl: d' Htugs net op het oogen„ „blik selfs, den Collonel en second de Ras had ge„ „roepen en belast, om zig tekleeden, en de kanons op hunne gewoone standplaats terug telaaten brengen; het geen dese ook gedaan had. — § 137: De Collonel De Bas. geconfronteerd sijnde tegen den luitenant Collociel De Raijmond op 3: 6: van der laatstens declarantair van den 25: April 1783 bekend dat het de waarheid is, dat tusschen hem de Bas, Collonee D' Hugonet en Castitein de Laroche beslooten is, dat de artillerij komp: met de stukken na het gaalse plein te tegens vier uuren zoude marcheeren, wijl ze daar in meerdere zekerheid waaren en in de buurt van vijf Compenren, wij zo de Hollanders iets ondernaamen, zij het eerst zich meester vande stukken zouden maaken, en dat de gegeevene order dien dag op de Parade, om de twee komp: van Collond Champenoij en van den luitenant teversamellen ten eijnde daar uit de arti „lerij komp: te Completeeren, tot pretext sou de dienen om het transport van de stukk die Sen
English
2289 to disguise those that would remain there, but that the pieces would be placed there under the pretext that this was done for the feast of St. Louis, in order to conceal the true intention of this displacement, and to cause no suspicion or unease to anyone, as appears from the record of confrontation of 4 May 1786. § 138: This agrees with what was further declared by De Laroche in the record of confrontation of 5 May 1786. § 139: And it further appears that the return of these cannons to their old post was not effected by order of Colonel d'Hugonet and because he had disapproved of their displacement; but rather pursuant to the advice of Lieutenant Colonel de Raymond upon the representations of Major de Paravicini, according to the testimony of him, De Raymond, in his declaration of 25 April 1786. § 140: For Colonel de Bas acknowledges first, in the aforementioned 57th article of the interrogatories answered by him, that pursuant to the orders of Monsieur d'Hugonet he went after the review, which was held for the reinforcement of the artillery company, to carry out, jointly with Monsieur Finiels, captain of this company, that which took place, namely the completion of that company; ergo not to have the pieces brought back, although he added that the pieces were subsequently returned to their usual place. § 141: Concerning the actual motive for returning the cannons to their previous post, Colonel de Bas states, in the confrontation against Monsieur de Raymond on § 13 of the latter's aforementioned declaration, that it is true that Monsieur de Raymond met him on the corner of Bierstraat while going to the aforementioned review, and told him that the march of the artillery company with the pieces seemed to cause dismay among the inhabitants, and that he advised him to have them returned to their old place after the company had performed some maneuvers; that upon this he, De Bas, had called Monsieur Finiels to him and had ordered him to have the pieces brought with the artillery company to their old place, 2290 after first having some blank maneuvers performed with the cannons, as appears from the aforementioned record of confrontation of 4 May 1786. § 142: Captain de La Roche says regarding this in article 95 of the interrogatories answered by him, that Monsieur de Raymond had come to tell Monsieur de Bas and him, De Laroche, that Monsieur Paravicini had seen the cannons passing by with the artillery company and had been struck by it, but that he, De Raymond, to calm him, had said that it was to drill with the cannons and that they would return to their usual place after the exercise. That pursuant to this, he, De Laroche, had gone to Monsieur d'Hugonet to ask him if he wished to come inspect the artillery company, which was assembled and waiting for him; but that D'Hugonet had answered that he could not come, and requested him to tell Monsieur de Bas to do the same; that he, De Laroche, had then also suggested to him that if the artillery pieces remained at the barracks of Valmond, this might produce a bad effect, and that it was better to send them back to their usual place; to which D'Hugonet had consented, and the pieces were accordingly brought back. § 143: From all this, in our humble view, appears in the most complete manner not only the decision taken to resist by force if the government should undertake any direct action against Colonel d'Hugonet, but that a beginning was actually made in carrying into execution those means and measures that were devised to carry out this adopted resolution. Further, these things could hardly be brought about unless, without waiting to see what the government did, they had even made the attack themselves. § 144: That the intention to resist the government by force if necessary continued until Colonel d'Hugonet and his associates were arrested appears very convincingly. § 145: To say nothing of many things that appear in this regard in the letter written by Colonel d'Hugonet to the Prince of Luxembourg after the event of 22 August, which demonstrate this, such as among others that which is found written there in his own hand: 2291 I was nevertheless very convinced that the governor was minded to play me a bad trick, to which I would never have answered except with bayonet thrusts (coup de bayonettes); so the letter written by Colonel d'Hugonet to the Viscount Monsieur de Souillac, Governor General of the French establishments in India, serves as clear proof thereof. § 146: In this letter, written not twice twenty-four hours before Colonel de Hugonet was arrested, and in which he asks for the protection of the French flag, he does not say that he would defend himself if he were attacked, but—what sounds rather harder—that only in the confidence that the government of Pondicherry would take up his cause had he until now delayed using the means that force put into his hands; which is said in almost so many words that, without consideration, he would already have launched the attack. § 147: In this letter, which he submitted to his corps of officers for signature, he also showed them, as it were in perspective, the means of force they held in their hands, and presented to them in the same breath the
Dutch transcription
2289 die aldaar souden blijven, te bewimpelen, maar dat de stukken aldaar souden geplaats worden onder voorwending dat dit geschiede voor 't feest van S=t Louis, om de waare intentie van deeze verplaatsing teverbergen, en om aan niemand eenige agterdogt en ongerustheid te veroorsaaken blijkens de acte van Confrontatie van den 4: Meij 1786: —. § 138: Dit stemd over een met het nader gedeclareerde door de Laroche bij de acte van Confrontatie van den 5: Maij 1786:—. § 139: En 't blijkt alverder, dat het terug brengen van deeze Canons na haare oude stand plaats, niet is g'effectueerd op bevel van Collonel d'Hugonet en om dat deeze de verplaatsing van deselve had afgekeurd; maar wel ingevolge de aanraa„ „ding van den luitenant Collonel de Raijmond op de representatien van den Majoor de Para„ vicini, volgens de betuiging van han de raijmond bij sijn de klaratoijr van den 25:' April 1786:—. 1e 2 §140: want kolonel de Bas bekend voor eerst bij het voorsz: 57: art=l van de door hem beantwoorde Jnterrogatoria, dat hij in„ „gevolge de ordres van den Heer d' Hugonet zier oord ons ten en h wij rti 27 stuks zich na de revue, die gehouden is ter versterking van de artillerij komp:, heeft begeeven, ter uijtvoe„ „ring gezamentlijk met den Heer finiels kapitein „ van deese komp:, van het geen plaats heeft ge„ had naamelijk, de Completeering van die komp: ergo niet om de stukken telaaten terug brengen ƒ schoon hij er nog bijgevoegd, dat de stukken nader„ „hand op hunne gewoone plaats zijn terug gebragt. § 141: van de eygentlijke beneegreeden, tot het terug bien„ „gen der Canons na de voorige standplaats; zegt de Coll: de Bas, bij de Confrontatie teegens den Heer De Raijmond op § 13: van des laatstens voorm: de Cla„ ratoir, dat het waar is, dat de Heer de ruijmond hem, in het gaan na de voorsz: ontwat revue„ op de hoek van de bier straat ontmoet heeft en aan gezegt, dat de marsch vande artillerie comp: met de stukken, bij de inwoonders ver„ slagenheid scheen teveroorsaaken en dat hij hem geraaden heeft, om na dat de Comp:e eenige ma„ „neuvers soude hebben gemaakt te weder na hunne oude plaats tedoen terug voeren; dat hier op hij de vras den hier finiels bij zig had doen ko„ „men en hem g'ordonneerd had, om de stukken met de artillerij Comp: na hunne oude plaats telaa ten 2290 „ten brengen, na alvoorens eenige blinde maneu„ „vers met de kannons te hebben laaten maaken, blijkens de voorsz: acte van Confrontatie van den 4.:' Maij 1786. —. §: 142: kapfitein de La roche zegt daaromtrent art=l 95: van de door hem beandwoorde Jnterrogatbria, dat de heer de raijmond aan den heer De Bas en hem de Laroche had komen zeggen, dat de kannon„ „nen de Heer Paravicini met de artillerij komp.:s hadde zien passeeren, denselven getrofden hadden, maar dat hij de zaijmond om hem te bedaaren ge„ „segd had, dat het was om met de kannounen te exerceeren en dat ze na hunne gewoone plaats zouden terug keeren na de exercitie. Dat ingevol„ „ge daarvan hij de Latoehe zig bij den heer De Huop „net had begeeven, om hem tevraagen, op hij de in„ spectie van de artillerij komp: wilde koomen doen, die vergaderd was en na hem wagte! maar dat de Hugonet had geandwoord, niet te kunnen koomen, en versogt om den heer De Vas tezeggen toen hetzelve tedoen; Dat hij de lazoche hem „ ok voor 2 gesteld had dat bij aldien de artillerij stukken bij de katornen van valmond bleeven, zulks mo„ gelijk eene kwaade uijtwerking zoude doen voort „komen, en dat het beeter was deselve na hunne gewoone reg a hier hier ko„ gewoone plaats terug tezenden; het gunt De Huge 7e „net had toegestemd en de stukken waaren mits die terug gebragt. — § 143: dut dit alles blijkt na ons nedrig insien op de vol„ komenste wijze, niet alleen het genoomen besla om wanneer het gouvernement iets dadelijks teegens hollonel D' Hugo net mogte onderneemen, zig met geweld daartegen te versetten, maar dat selfs net der daad begonnen is om ter exekutie t „leggen die middelen en maatregelen, die beraamt waaren om dit genoomen besluit te kunnen uijt voeren. verder konde die dingen bij na niet gebraa„ worden, ten zij ze sonder afte waten wat het gou„ vernement deed, selfs den aanveel had gedaan. § 144: Dat het voorneemen om zig des noods met gemeld „voort teegens het gouvernement teversetten heeft, ge„ duurd tot dat kollonel D' Hugonet C: S: zijn ge„ arresteerd, blijkt heel overtuijgend. —. §145: om nu niet te spreeken van veele dingen die den „wegens voorkoomen bij de brief door kollonel D' Hugonet aan den Prins van Luxemburg geschreeven na het voorgevallene op den 22: aug en dit aanwijsen, als onder anderen het geen men daar bij met sijn eijgen hand geschreeven vind IK 30 2291 „temin Ik was des niet „ seer gepersuadeerd, dat de gouverneur gezend was mij een kwaade trek te speelen, waar aan ik nooijt zoude hebben beandwoord dan met bajonet stoten 1:qu 2 corps de bajonettes:/ zoo strekt den brief door koll: 2 Hugonet geschreeven aan den burg graaff de heer de Touillac gouverneur generaal van de fransche Etablissement in Jndia daar van tot een duide„ „lijk bewijs. —. § 146: Jn deesen brief geen tweemaal vier en twintig uuren„ voor dat koll: de Hugonet is gearresteerd, geschree„ „ven, en waar bij hij de proteksie van de franze ^ zegt hij niet dat hij zich zoude verweeren vlag vraagt ^ wanneer men hem aantatte, maar dat hij, het geen nog wat haader klinkt, alleen in het vertrouwen dat het gouvernenement van Ponde„ cherij zig zijne saak zoude aantrekken, het tot nog hadde uijtgesteld om zig te bedienen van de middelen die het geweld hem in handen gaf, het geen met bij„ „na zoo veel woorden gesegt is, dat hij sonder kontide „ratie, bereeds den aanval zoude hebben gedaan. § 147: Bij deesen brief doed hij sijn Corps officieren die hij z dezelve ter onderteekening voorlijde, tevens als in het verschied zien de middelen van zw geweld die ze in handen hadden, en vertoond hun als in eenen adem de Nts.
English
admit the possibility and even the necessity of employing it, should circumstances happen to demand it. He hereby publicly sowed the seeds for his objective, and in order not to make them shy away from it through an overly extensive plan of his conspiracies that might frighten them in calm moments, he provisionally seeks only to accustom them to viewing the means of force as a recourse. Paragraph 148. The captain of the grenadiers, Mr. de la Motte, and three subaltern officers of the regiment of Luxemburg, also found the communication to the Corps of officers of such seditious language against the government as appears in this letter to Mr. Souillac, and especially the presentation of this letter to them for signature, so questionable that they believed they could not, without failing in their duties toward the government, omit addressing themselves in writing to the Governor, as has been set forth in detail in our humble letter of 28 January 1786. Paragraph 149. Copies of all the evidentiary documents from the trial cited in this, insofar as they have not yet been sent directly to your High Nobilities, are now being transmitted under the appendices. Paragraph 150. From the Head and Chief of the Company's Military force on Ceylon, the Provisional Lieutenant Colonel Tilemanus, and from the Head and Chief of the Ceylon artillery, Major Paravicini, the undersigned governor has now further requested their considerations on this occurrence. They have each complied with this in a separate document, of which we have the honor to present copies to your High Nobilities under the appendices hereof, being assured that it will not be displeasing to your High Nobilities to see from these considerations the way of thinking about this case of two field officers who, from their youth onward, have always served with great distinction in Europe and here in this country, and who possess the most perfect knowledge thereof. Paragraph 151. We would do an injustice to the enlightened perspective of your High Nobilities if we wished to point out here what things would ultimately and quickly turn into, if the Heads of any Military force were at liberty to place themselves in a position to offer actual resistance against the government whenever it is perceived, or even merely suspected, that the government is taking measures capable of making itself obeyed. The consequences thereof, which could have the most terrible outcomes for the state, especially in a government like Ceylon, where the Military power must be kept in check by strict discipline, are too visible for it to be necessary in any respect to dwell upon them here. The military code threatens death to anyone who touches his weapon or reaches for it against his superior or commander. Paragraph 152. We therefore also do not need to say that these considerations also belong among the principal motives why we take the liberty to confer this time with your High Nobilities further, and even more extensively, about the aforementioned case than might otherwise have been necessary. Paragraph 153. Among the matters related and pointed out hereinabove, most are of such evident clarity that it even runs contrary to physical possibility that Colonel d'Hugonet cum suis would not have carried out or committed them, and the criminal objectives with which they were committed are likewise not to be called into question, as has been shown hereinabove from the trial documents. Paragraph 154. But because notwithstanding this, and notwithstanding what regarding the acts of disobedience, insubordination, and mutiny related and pointed out by us in this was observed by the Military commission composed of the Major and commander of the troops on the state squadron, Mr. Hamel, and the field officers of this government, solemnly convened at the requisition of the undersigned governor to deliberate upon this, as we had the honor to report in our humble letter of 12 November 1785 to the Honorable Respected Lords Directors at the Chamber of Zeeland, and finally notwithstanding the military advice inserted hereinabove at Paragraph 103 from the Captain-Commander van Braam and all the other Captains of the state Squadron, insofar as it specifically concerns Colonel d'Hugonet; we say because notwithstanding all this, the aforementioned Colonel d'Hugonet cum suis, by the previously mentioned definitive sentence of the Honorable Respected Council of Justice of the Castle of Batavia, and thus by the highest Court of Justice of the Dutch Indies, have been acquitted and declared innocent, and have thereby been restored to their former honor and Military dignities, there arise therefrom doubts that we do not know how to resolve. Paragraph 155. It would therefore have served as a great relief to us if your High Nobilities, in transmitting the aforementioned definitive
Dutch transcription
ademn de mogelijkheid en selfs de noodsaakelijkheid om zig daar van te bedienen, zoo de omstandigheeden het mogte koomen tevorderen. Hij plante hiermeede in het openbaar de zaaden tot zijn oogmerk en om hun daarvan niet schuw temaaken door een al te uijtgebreijde plan van zijn konspiratien dat in bedaarde oogenblikken hen konde verschrikken, soekt hij bij provisie hen alleen te gewernen om de middelen van geweld aantezien als een hetcource. §148. Ook hebben de kappitein van de granadiers de Heer de Za Motte en drie subalterne officieren van het regimen van Luxemburg het kommuniceeren aan het Corps officieren van zulke oproerige taal teegens het gouver„ „nement als in deezen brief aan den Heer souitlac voorkomt, en insonderiheid om deezen brieff ter teekening aan hun voorteleggen, zoo bedenkelijk gevonden, dat ze gemeend hebben, zonder hunne pligten tegens het gouvernement tekort te doen, niet temoogen nalaaten zig daarover schriftelijk te addresseeren aan den Gou„ „verneur, zoo als dat by onsen nedrigen brief van den 28: Januarij 1786: omstandig is aangeweesen. § 149: van alle de bewijs stukken uit het proces in desen aangehaalt, gaan voor zo verre die nog niet aan uwe Hoog Edelheeden direkt gezonden sijn de kopijen, onder de bijlaagen tans over. —. 5150 2292 § 150: van het Hoofd en Cheff van 'sComp:s Militaijre magt op Cijlon de P=l Luitenant kollonel Tilem„ „us, en van het Hoofden Cheff van de Cijlonse arthil„ „lerij de Majoor Paravicime heeft de ondergetee„ „kende gouverneur nu naader hunne konsideraa„ „tien over dit voorval gevraagd. ze hebben daaraan„ elk by een afzonderlyk geschrift voldaan, waar van we de eere hebben uwe Hoog Edelheeden de kopijen onder de bylaagen deezes aantebieden, ons verzeekert houdende dat het uwe Hoog edel„ „zal, t heeden niet ongevallig sal sijn uit deeze konti„ „deratien tezien de wijze van denken over dit geval, van twee Hoofd officieren die bij de van uur„ „ne Jeugd af, in Europa en hier telande steeds met veel distinksie gediend hebben, en daar van de allervolko„ menste kennis draagen §151: We zouden aan het verligte oog van uwe Hoog Edelh: tekort doen zoo we hier wilden aanwijsen waartoe de dingen eyndelijk spoedig zouden overslaan, indien het aan de Hoofden van eenige Militaijre magt vrij stond, om zig in staat te stellen tot het doen van dadelijk resistentie teegens het gouvernement, wan„ „neer te bespeuren of ook maar in het vermoeden koo„ „men en 4 „men, dat het gouvernement maatregelen komt „neemen, bekwaam om zig te doen gehoorzaamen de gevolgen daar van die de aller verschrikkelijkste uijtkomsten voor den staat souden kunnen hebben, ind „derheid in een gouverniement als Cylon, daar Aet Mili„ tair vermoogen door een stipte discepline moet worden lugd gehouden, zijn te zigtbaar, dan dat het in eenig opligt soude nodig sijn hier aantewijlen. De mi „teure artikel brief drijgt den dood aan den geenen die sijn waapen aantakt of daarna grijpt tegens zijn overste op kommandant §152. We behoeven dus ook niet teseggen, dat deese konsidera„ „tien meede behooren onder de voornaame motiven waarom wede vrijheid, gebruiken uwe Hoog Edelhed „den over het voorsz: geval ditmaal nu nader en selfs oneer omstandig te onderhouden, dan het mit „schien buiten dien noodig was. — § 153. Onder de zaaken hier booven verhaald en aangewe „sen zijn de meeste van sulk een klaar blykelyke evidentie; dat het selfs teegens de plisike mogelyk „heid aanloopt, dat hollonel de Hougonet C: S: die niet souden hebben ter uijtvoer gebragt of bedree„ „ven, en de misdadige oogmerken waarmeede zege„ „pleegd zijn, sijn eigsgelijks niet in twijffel tetrek„ ken 4 2293 „ken, zoo als dat hier booven uit de proces stukken is aangeweezen —. § 154: Dan wijl des onaangesien, en niet tegenstaande het gee„ „ne noopens de in deezen verhaalde en door ons aangewee„ „sene daaden van ongehoorsaamheid, wederspannigheid en opraer is opgemerkt door de Militaire kommissie, be„ kleed door den Majoor en kommandant van de troeken op 'slands esquader de Heer Hamel en de Hoofdofficieren van dit gouvernement, ter requisitie van den ondergetee„ „kende gouverneur plegtig tezaamen vergaderd om hier „op te raadpleegen, zo als we de eere gehad hebben daar van bij ons nedertigen van den 12: November 1785: aan de Edele achtb: Heeren Bewindhebberen ter kamer Zeeland ver„ „slag tedoen, en eijndelijk niet tegenstaande het hier boo„ „ven op § 103: geintereerd militair advies van den heer kapitein kommandeur van Braam en alle de overige Heeren kapiteins van 'slands Esquader, zoo veel hollonel D'Htugouet in het bijlouder aangaat, wij zeggen wijl niet tegenstaande dit alles, voortsz: kollonel D' Hugonet C: s: bij de hier vooren vermelde diffinitive sententie van den Edelen Achtb. raad van Justitie des kasteels Batavia en dus door het hoog„ „ste geregts Hof van Nederlands Jndien, sijn vrij gesprooken, en onschuldig verklaard, en daarbij hersteld in hunne voorige eere en Militaijre waardigheeden, zoo ontslaan daaruijt twijffelingen die wij niet weeten optelossen. §155: Het soude ons mits. dien tot groote verligting gestrekt hebben indien uwe Hoog Edelheeden ons bij het overzenden van de voorsz: . diffinitive
English
definitive sentence, would also have been pleased to write that which could serve for our further instruction in this matter and to guide ourselves accordingly. § 156: The regiment of Meuron is now also soon to arrive here. This regiment indeed has, according to the capitulation, its own court-martial, but concerning high treason and malversation, the 22nd article of this capitulation states: if some officers should make themselves guilty of high treason or malversation (which God forbid), the High Government at Batavia shall cause them to be tried before the Council of Justice. § 157: We therefore most earnestly request Your High Noblenesses to be pleased to instruct us whether and to what extent such and similar steps, and in particular such rebellious acts and deeds against the government as are related above, must be considered to be high treason or malversation whereof is spoken in the aforesaid 22nd article of the capitulation with the regiment of Meuron. § 158: And if, according to the more enlightened judgment of Your High Noblenesses, all these things, or even none of the same, do not belong thereto, we very humbly request, for our instruction and in order to be able to guide ourselves accordingly, to be instructed by Your High Noblenesses what then, properly speaking, in the military service must be understood by high treason and what by malversation. § 159: It cannot be called into any doubt that such steps as we have pointed out above to have been taken by Colonel D'Hugonet on 18 July 1785, and for which alone, according to the aforesaid military advice of Captain Commander van Braam and the other Captains of the State's Squadron, he had deserved to be deported and declared unfit, as well as the non-compliance with the orders given to him in the most formal manner to cause two companies of the regiment of Luxemburg to be commanded to reinforce the garrison at Trinkonomaale, would have to be considered to fall within the terms of the order contained in the letter mentioned above in § 103 from the Noble and Respected Directors of the Chamber of Zeeland, whereby we, specially with regard to the aforesaid regiment, are ordered to cause to be punished exemplarily according to the laws of the Company such persons who bring the least hindrance to the execution of our orders or are disobedient thereto. § 160: It is also not possible that Colonel D'Hugonet should not have executed or committed these things. He has nevertheless, by the aforesaid sentence of the Respected Council of Justice of the Castle of Batavia, been acquitted and declared innocent, and it is thus exceedingly necessary that we request Your High Noblenesses, as we take the liberty to do by this most humbly, that we may be favorably instructed by the same how we must understand this, or rather by what rule we shall have to guide ourselves in this matter for the future. § 161: We are all the more obliged to make this request to Your High Noblenesses at present, because the capitulation with the aforesaid regiment of Meuron, by the 17th article concerning the approval of the Governor regarding the appointment or promotion of officers, prescribes precisely the same to the commander of that regiment as the 7th article of the capitulation with the regiment of Luxemburg prescribes to the chief of that regiment, and because also according to the 21st article of the capitulation with the regiment of Meuron, the chief of that regiment, just like the chief of the regiment of Luxemburg according to the 21st article of the capitulation, is obliged, when ordered, to send detachments to other places situated under this government to keep garrison there. § 162: Regarding what was written by Your High Noblenesses in the very respected missive of 31 July past, § 218, concerning Lieutenant Des Enfers, we deliberated in our meeting of 13 October past. § 163: Besides all that which has been pointed out above from the trial documents concerning him, he further declared in his statement of 13 October 1785: that Captain de Laroche, on the occasion when he, Des Enfers, had reported to him that the grapes had been refused him, had among other things told him that if the Dutch troops took up arms to seize Colonel D'Hugonet, he would cause the drum to be beaten in the regiment, upon which signal he, Des Enfers, had to repair to his companies and bring the same over the ramparts to the Galle square, and that if he encountered resistance from the company of Verskij, he would have to push through and continue his way. § 164: The artillery company of the regiment of Luxemburg, to which Des Enfers according to this order had to repair to bring the same over the ramparts to the Galle square, was stationed at that time in the barracks on the bastion Hoorn, and the company of Captain von Berkkij in the barracks on the point Rotterdam, situated closer to the Galle gate, and consequently on the way that Des Enfers had to pass in order to march to the Galle square. § 165: It appears consequently from Des Enfers his own statement in the most complete manner that he had a full knowledge
Dutch transcription
diffinctive sententie, tevens hadden gelieven aante„ „schrijven het geen dienen konde tot onse nadere onderrig„ „ting in deesen en om ons daar na te bestieren. —. § 156: Het regiment van Meuron staat nu ook kaast hier te komen Dit regiment heeft wel volgens de kapitulatie, sijn eijgen„ krijgs raad, dog omtrent hoog verraad en Malversatie Legt het 22:' art=l van deese kapitulatie zoo sommige officieren zig schuldig mogten maa„ „ken aan hoog verraad of Malvertatie (het geen God verhoede:/ zal de Hooge regeering op Batavia die doen teregt stellen voor den raad van Justitie. —. § 157: We verzoeken uwe Hoog Edelheeden dienvolgens seer eerst „dig, ons tewillen onderrigten of en in hoe verre zulke en diergelijke stappen, en inzonderheid sulke oproerige daa„ „den en bedrijven teegens het gouvernement, als hier boven sijn verhaald, moeten worden gereekend te sijn Hoog verraad of Malvertatie waar van bij het voorsz: 22: art=l van de kapitulatie met het regiment van Meuron gesprooken „ § 158. En zoo naar, het meer verligte oordeel van uw Hoog Edelheeden alle deze dingen of ook geene derzelve, daartoe niet behooren, verzoeken we zeer nedrig tot onse onder„ „rigting en om ons daarna te kunnen bestieren, door uwe Hoog Edelheeden temoogen worden onderrigt war dan eijgentlijk gesprooken, in den Militairen dienst door word. —. 2274 door Hoog verraad en wat door Malvertatie moet worden verstaan. § 159: Hlet kan in geen twijffel getrokken worden, dat zulke stappen als we hier booven hebben aangeweesen door kol„ „louel D' Hugonet op den 18: Julij 1785: te sijn gedaan, en waarover alleen, hij naar het voorsz: Militaire advies van den Heer kapitein kommandeur van Braam en de verdere Heeren kapiteins van 'slands Exquader had„ „de verdiend teworden gedeporteerd en inhabiel verklaard, als meede het niet nakomnen van de ordres die hem op de formeels te wijze gegeeven was, om twee komp: van het regiment van Luxemburg te laaten kommandee„ „ren ter versterking van het gouarnisoen te Trinko„ „nomaale, niet souden moeten geagt worden, tevallen in de termen van de ordre vervat bij de hier booven § 103: vermelde brief van de Edele Achtbaare Heeren Bewindhebberen van de kaamer Zeeland waar„ „bij ons, speciaal met betrekking tot het voorsz: regiment, is bevoolen exemplaar na de wetten van de komp: te laaten straffen zoodanige welke aan de uijtvoering onser ordres de minste minder toebren„ „gen of daaraan dis obedient sijn. —. § 160: Hlet is ook niet moogelijk dat kollonel D' Hugonet deeze dingen niet soude hebben uitgevoerd of bedreeven Hij is niet temin bij de voorsz: sententie van den agtb: raad van Justitie des kasteels Batavia vri vry gesprooken en onschuldig verklaard en het is dud ten hoogsten noodig dat we uwe Hoog Edelheeden versoeken zoo als we de vriheid gebruiken dat door deesen op het nedrigst te doen, dat we door Hoogh deselven gunstig moogen worden onderrigt, toed dat moeten verstaan, of liever na wat regel w ons in deezen voor den aanstaande zullen moet bestieren. § 161 we zijn temeer verplegt dit versoek tans aan uwe Hoog Edelheeden te doen, wijl de kapitulatie me het voorsz regiment van Meuron bij het 17: Art=l noopens het agrement van de gouverneur mnts bij het aan stellen of bevorderen van officieren, even dat self aan den kommandant van dat regiment voorsch wat het 7: art=l van de kapitulatie met het reg ment van Luxemburg voorschrijft aan den sheff vand regiment, en dat ook volgens het 21: art=le van de kap tulatie met het regiment van Meuron, de Cheff van dat regiment even als de Chiff van het regimee van Luxemburg volgens het 21: arb=l van de kap „tulatie verpligt is om wanneer het belast word i andere plaatsen onder dit gouvernement geleege de tactementen tesenden om daar guarnitoen te „houden § 162: Op het geschreevene door Uwe Hoog Edelheeden bij zeer gerespecteerde missive van den 31: Juli pa § 218: noopens den luitenant Det Enfers hebben tre ƒ 2295 we in onze vergadering van den 13: 8ber: pass=o gede„ „libereert. § 163: Behalven al het geene hierbooven uijt de proces„ stukken nopens hem is aangeweezen heeft hij bij Lij„ ne verklaaring van den 13. ' october 1785: nog ver„ klaard: dat Capitein de Laroche, bij gelegendheid dat hij des Enfers hem hadde bericht, dat de druiven hem waaren gewijgerd, hem onder anderen hadde gezegt, dat zo de Hollandse troepen de wapens op naamen, om Collonel D'Hugouet op te ligten, bij bij het regiment de trom soude laaten roeren, op welk sein hij des Enfers zig bij sijne Comp:s hadde te vervoe„ 4 „gen, en dezelve over de wallen heen na 't gaalse plein tebrengen, en dat zo hij bij de Comp: van Verskij te„ „genstand vond, hij zoude hebben door te dringen en sijn weg tevervolgen. — § 164: De Artillerij komp: van 't regiment van Luxem„ „burg waarbij Des Enfers sig ingevolge deezen last ver„ voegen moest om deselve over de wallen na het gaalse plein tebrengen, lag te dier tijd in de Caterne op 't basti„ „on Hoorn, en de komp: van kapitein von Berkkij in de Caterne op de punt Rotterdam, nader na de gaal„ „se poort geleegen, en mits dien op den weg, die det Enfers„ ons na 't gaalse plein temarcheeren, passeeren moest. § 165 Het blijkt mits dien uit det Enfers sijn eijgene ver„ „klaaring op de volkoomentte wijze dat hij een volledige kennis
English
had knowledge of the criminal intention of the orders given to him. By keeping those matters to himself, even if it were truly so that he had no intention of lending a hand to the execution of such misdeeds, he has made himself an accomplice and acted against that which the laws of war explicitly demand: namely, that anyone who obtains any knowledge of any planned conspiracy, treason, or anything through which any public damage or peril might arise, shall immediately make it known, under penalty of death. § 166 That de La Roche, confronted with des Enfers about this, denied these orders—which is why this was not mentioned above—does not prevent this declaration of Des Enfers against him from remaining in full force. § 167 Nor can it serve him as any, or at least any satisfactory excuse, that during the re-examination of an interrogatory answered by him on 19 April 1786, he submitted that he had believed it was of no importance and served no purpose to give notice of the orders received by him, because none of the plots they intended were feasible, as there were no bullets, and also because they were hindered in it by the arrival of the Jager Corps from Gale on 23 August, shortly after he had come off guard duty. § 168 We had therefore, as appears from what is noted in our aforesaid resolution of 13 October last, decided humbly to submit to Your High Nobilities' consideration whether it should not be regarded as offensive to the entire military establishment in Cijlon to see a man employed again as an officer in the military service who, by his own confession, has made himself guilty of a crime of such a nature as this, and whether in particular the officer corps might not and could not consider themselves insulted if they were required to serve with such a man. § 169 Yet before we had the opportunity to bring this decision of ours to the attention of Your High Nobilities, we received here the definitive sentence sent to us by the same, and already mentioned hereinbefore; and since Lieutenant des Enfers now requested of us to be allowed to go to Europe, we found no difficulty in consenting to this request of his, as no corporal punishment was demanded against him. § 170 Along with our respectful letter of 26 June 1786, we had the honor to provide Your High Nobilities with a copy of a report from the first searcher Berghuijs, indicating the pay and emoluments that Colonel D'Angouet, the second Colonel De Bas, and Captain de La Roche had due to them from the Company up to the day of their arrest, which took place on 12 September 1785. We have furthermore, in compliance with Your High Nobilities' requisition in the honored letter of 27 September 1787, had said searcher draw up an overview of what the monthly wages of these officers have amounted to since, and the report that he submitted regarding this is transmitted in copy among the appendices. § 171 To Lieutenant Des Enfers, in accordance with our resolutions of 18 December and the 10th of this month, we have had these monthly wages paid up to the present day, after deduction of what he has in the meantime enjoyed monthly for his subsistence, in order to enable him to undertake the voyage home, and because he could not depart otherwise. § 172 On the 26th of this month, we had the honor to receive via Koettieem Your High Nobilities' esteemed general and secret letters of 23 October, and we humbly request permission to postpone the answer thereto until a subsequent opportunity. § 173 Proceeding to the answering of the received extracts from the Homeland, we take the liberty to insert the same below, insofar as they concern this government, with the reply thereto placed in the margin. Extract from the General Letter written by the High Noble Gentlemen Seventeen in the Netherlands to Their High Nobilities the Governor-General and the Council of the Indies in Batavia, dated Amsterdam, 12 December 1786, wherein it is stated among other things: The requests of the Court for the return of the beaches have indeed been repeatedly renewed in the letters during recent years, but apart from that it has been spoken of only sparingly or not at all, even as appears from the successive reports made by us regarding it; for the rest we can say nothing other than that the Court has conducted itself peacefully and well toward the Company. § 384: The reports that we have found in the signed letters of the Ministers of Ceylon concerning the Court of Kandia, and in particular regarding the persistence of its demands for a return of the beaches, provide new and very strong evidence of the rancorous disposition and the evil intentions of that Court, and consequently of the necessity that one constantly pay close attention to its movements; meanwhile the ministers seem to be confirmed more and more in the notion that the exercise of indulgence toward that Court would be detrimental to the Company's interests.
Dutch transcription
kennis gehad heeft, van het mitdadig oogmerk der aan hem gegevene orders. met die dingen onder sig te houden, als war het ook selfs, dat hij werkelijk geen voorneemen mogte gehad hebben om tot de uijtvoering van sulke bootheeden de hand teleenen heeft hij sig middadig gemaakt en gehandelt tegen het geen de krijgswetten, uijtdrukkelijk vorderen dat nament„ „lijk die eenige kennis krijgt van eenige voorgenoomene Conspiratie, verraad of iets waar door eenige publique schade op pericul zoude kunnen ontstaan, het daade„ „lijk sal moeten bekend maaken, op straffe van den dood.- § 166 Dat de Lakoche tegens des Enfers hier over gekonpron„ „teerd, het geen van deese ordre heeft ontkend, waarom ook daarvan hier booven niet is gesprooken, belet, niet dat dese verklaring van Des E upers tegens hem in sijne volle kragt bestaat. — § 167: Het kan hem ook tot geen, ten minsten geene genoeg„ „doende verschoning verstrekking dat hij bij recolle„ „ment van een door hem op den 19: April 1786: beand„ „woorde Interrogatoria heeft ingebragt, dat hij na„ mentlijk geloofd had, dat het van geene aangeleegentheid was, en tot geen uit strekte, kennis te geeven van de door hem ontvangene ordres, wijl geene van de aanslaagen, die men voor had, uitvoerlyk waaren, om dat 'er geene koegels waaren, en ook om dat men daar in belet wierd, door de komst van 't Jager Corps van Gale, op den 23: aug=t kort na dat hij van de wagt gekoomen was. § 168: wij hadden daarom, blijkens het aangeteekend bij 2296 bij onse voorsz resolutie van den 13: October pass=o, beslooten uw en Hoog Edelheeden nedrig in overweeging tegeeven op het niet voor het geheele Militaire wezen op Cijlon, soude moeten worden geacht aanstootelijk te sijn, wederom als officier in den militairen dienst tekien g'emploijeerd een Man, die zig naar sijn eijgen bekenten is heeft schuldig gemaakt aan een mitdaed van sulk een natuur als deese, en of inzonderheid 't Corps officieren, zig niet zoude kunnen en mogen be„ „leedigd achten, indien men hun vergde, met soo een man tedienen § 169: Dan voor dat we gelegendheid hadden, om dit ons besluid te kunnen brengen onder 't oog van uwe Hoog Edelheeden, hebben we hier ontfangen de door hoogst deselven aan ons toegesondene, en hier vooren reets vermelde diffinitive sententie, en wijl de Luitenant des Rusfers ons nu verzogte om na Europa te moogen gaan, hebben wij geen swarigheid gevonden, om int dit sijn versoek te consenteeren, wijl tegen hem geene lyfstraffe g'eijtelk is. § 170 Nevens onsen eerbiedigen van den 26: Junij 1786:, hadden we de eer uwen Hoog Edelheedens te besor„ „gen, Copij van een berigt van den eersten visitateur Berghuijs, waarbij aangeweesen sijn de gagie en emolumenten, die de Collonel D' Angouet, de twee„ „de Collonel De Bas en de Capitein de La roche, tot den dag hunner arretteering, die geschied is den 12: 7ber: 1785:, bij de Comp: te goed hebben. we hebben voorts voorts, ter voldoening aan uwer Hoog Edelheed requisit, bij g'eerde missive van den 27: septem „ber 1787: door gemelde visitateur laaten op ma „ken eene aanwijsing van het geen de maandgel„ „den deese officieren, 't zedert bedraagen, en gaat bericht, dat hij daarvan heeft ingedient, in Coppij onder de bylaagen over § 171: Aan den luijtenant Des Eusfers hebben we volgens onze resolutien van den 18: xber: en 10. deezer, deeze maan gelden tot heden laten voldoen, naar aftrek van het geen hij intusschen maandelijks tot sijn onderhoud heeft genooten, om sig tot de thuijsreize te konnen, inslaat stellen en wijl hij buiten dien niet verteed „ken konde. § 172: W=e hebben op den 26: deeser d'eer gehad, over koettieem te ontvangen uwer Hoog Edelheeden s zeer g'eerde gemeene en secreete brieven van den 23: oktober, en we verzoeken nederig verlof, om 't andwoord daar temogen uijtstellen tot eene volgende gelegendheid. §. 173: Overgaande tot de beandwoording van de ontfangene Patriasche Extract gebruijken wede vrijheid dezelven, voor zoo veral die dit gouvernement betreffen, hier onderte„ insereeren, met het andwoord daarop, in margi„ „ne gesteld —. Extract NN 2297 Extract Patriasche Gene rala Mitseve geschreeven door de Hoog Edele Heeren seventienen in Nederland aan Hunne Hoog Edelhee„ „den den gouverneur Generaal en de Raaden van Jndia te Batavia ge„ „dateerd Amsterdam den 12: xber: 1786: alwaar onder anderen staat. §384: De berigten die wij in de onder„ „schrijvene brieven der Ministeren van De aanzoeken van het Hoff tot de terug Cerilon gevonden hebben aangaande 't Hoff van kandia, en in 't bijzonder gave van de stranden sijn „ de Jongste nopens het ondersettelijke van des„ Jaaren wel telkens bij de brieven herhaald dog buiten dien is daarvan niet dan spaarsaam of geheel niet gesprooken, selfs eijsschen, tot eene terug gaeve der stranden, leveren nieuwe en seerster„ zoo als dat blijkt bij de successive be„ rigten door ons daarvan gedaan voor„ „ke bewijsen op van 't wreevlig be„ het overige kunnen we niet anders „staan en de kwaade inligten van zeggen dan dat het stoff zig vreed„ dat Hoff, en mits dien van de noodza„ saam en wel teegens de sComp: ge„ „kelijkheid, dat men op de gangen draagd. —. van het zelve onophoudelijk een bij„ „sonder acht geeve ondertusschen schijnen de ministers meer en meer in 't denkbeeld te worden bevestigd, dat het gebruik van toegevendheid, omtrent dat Hoff voor Comp: belan„ „gen nadeelig sou sijn En ted ar n 1er2 Nts.
English
It appears somewhat doubtful to us whether the Kandyan letter from the Dessave of the Three Korles, which is transmitted in copy among the appendices, and in which the question is raised concerning the minting of the Pagodas, might not have had more of the objective to be informed whether the pagodas that were beginning to spread in the Kandyan country were actually struck by order of the Company, in order thereby to assure themselves that it was not counterfeit coin, rather than wishing thereby to dispute the Company's right to mint coin species. Also, since then several coinages have taken place without the Court having interfered in them; and as regards the case mentioned here in the margin concerning a party of recalcitrant cinnamon peelers, although it ought not to be so, this is precisely no novelty. In the Ceylon papers one finds several examples of this throughout all times; meanwhile, these people have since conducted themselves quietly and peacefully, and the Court has since given us no reason for displeasure in that respect. And when we consider that, according to the writing of the Ministers, the Kandyans consider the Dutch as their feudatories; that when Pagodas were minted by the Company at Colombo, it had been expressed from the side of the Court as if the Ministers would first have had to ask permission from that Court for it; then that the same had not only listened to the complaints of some rebellious cinnamon peelers just as if they concerned them, but even prescribed the manner of settlement; that the representations of the Ministers were answered proudly concerning the prohibition against peeling cinnamon in the King's land, as a clear breach of the 6th article of the peace treaty, whilst the Kandyans seemed to hold that treaty, so disagreeable to them, as nullified; then all of this likewise appears to us as displaying so many traits of the far-reaching delusion and the touchiness of that court, which certainly must not be encouraged, unless one wishes to see it proceed from one demand to another. That the Court, after Trincomalee was taken by the English, exercised actual control over all these lands insofar as the English had not extended their authority over them, is evident, among a multitude of other proofs that demonstrate this indisputably, from the instruction that was given in the year 1782 to the Company's envoy Billing, and his report dated 18 April of the same year. We have also therefore, and because it was a very well-known matter, only briefly pointed this out in our humble reply to the extracts from the general letter of your Honourables, inserted in our humble letter to their High Mightinesses of 30 January 1787, paragraph 282. Therein it is also pointed out that all those lands were subsequently taken back under the direct rule of the Company, and that their Honours have since possessed the same again on exactly the same footing as the Company formerly possessed them. 385. And as we now see clearly from what was already suspected by us, and as appears from our general letter of the past year, paragraph 202, from the writing of the Ministers, that the King has not actually been in the possession of the lands spoken of in the aforementioned paragraph of our letter, and that also the cession of the same would be extremely worrying, and we, although the Ministers mention nothing of this, also assume that no use was made by them of the means suggested by you, to concede to the Kandyans this or no branch of trade, as for example that in elephants, linen, and areca nuts, so we hope that the Ministers have not erred in their opinion of having the Company's military power at present on such a footing that they had nothing to fear from the Court of Kandy, as also that, in accordance with their expectation, the appearance of the squadron of Captain-Commander van Braam will have made such an impression on the Kandyans that they have abandoned the thought of foreign help. For the rest, we take the liberty, concerning the use we have made of the authorization of their High Mightinesses mentioned here in the margin, to refer to our respectful secret letter written to the same on 26 May 1786, and only note further in that regard that the Court last year and also this year delivered some areca nuts pursuant to the arrangement appearing therein; but that concerning what was proposed therein to their High Mightinesses regarding the elephants, one cannot perceive up to now that the Court has any inclination to make use of it. Because the areca nuts delivered by the Court in this and the preceding year also amount together to not even 2,000 amonams, one seems able to deduce from this that however much this provisional arrangement was not received unfavorably by the King, the Court attaches no great value to it. That the Court should have had thoughts of calling in foreign help, or at least that it should have taken any steps toward that end, nothing has ever come before us that could make us suspect that. 386. We must now also await what result will have come of the recent embassy from that Court in the month of January
Dutch transcription
Het komt ons eedniger mate twijEe n als wij overweegen, dat volgens telagtig voor of de kandiasche 't schrijven der Ministers, de kan„ dianen de Nederlanders aanmerk„ brief van de dessave van de drie korles, die onder de bylaagen in kopij overgaat, en waarbij gedaan, ten als hunne leen bezitters, dat word de vraage nopens het min „ toen door de Comp: te Colombo Pa„ „ten van de Pagooden, niet mitschien gooden waaren gemunt men van de zijde van het Hoff uijtgelaa meer ten oogmerk gehad heeft, om te weesen onderrigt, of de pagooden ten had, als of de Munsters daer die zig in het kandiasche begonden te versprijden, werkelijk ter order van toe van dat Hoff eerst verlof de komp: waaren aangeslaagen, ten zoude hebben moeten vraagen dan eijnde zig daar door teversekeren, het selve de klagten van somm dat het geen nagemaakte munt was, dan om daarmeede aan de komp:„ ge oproerige kanneel schillers tewillen beswisten het regt tot het niet alleen had aangehoord even munten van de geld specien; ook sijn als of die hun aangingen, maar er sedert verscheide vermuntingen selfs de wijze van afdoeninge gedaan, sonder dat het Hoff zig daar„ voorgeschreeven dat trottelijk „meede gemoeijt heeft, en wat het hier ter zijde vermeld geval noopens waaren beandwoord der Ministe„ een partij weder hoorige kanneel „ren vertoogen, wegens het verbod schillers aangaat, dit is schoon het wel om in 's konings land kanneel zoo niet behoorde, Juitt geen nieu„ „wigheid. Bij de Cijlonte papieren te schillen, als een blijkbaar verbree„ kend men daarvan door alle tijden king van het O: art=l van het hun verschijde voorbeelden, intusschen vreedes tractaat, terwijl de kande heeft dit volk zig sedert stil en aanen dat voor hun zo onaange„ vreedsaam gedraagen, en heeft ook naame tractaat scheenen te het Htof zedert in dat opsigt, ons geen reeden tot mitnoegen ge„houden voor vernietigd, dan komt het een en anders ons „geeven. —. Dat meede 3 2298 meede voor als zo veele trekken uit„ leeverende van de verregaanden waan, en de Hoog geveeligheid van dat hoff die zekerlijk niet ge„ „stijfd moeten worden, wel men 't selve niet van de eene vordering tot de andere zien overgaan. Dat het Hoff na dat Trinkono „ 385: En daar wij als nu 't geen reedste „male door de Engelsen genoomen voor en blijkens onse generaale Missi„ ve van den voorleeden Jaare §202: bij was, het werkelyk bewind over alle deze landen geoeffend heeft, voor zo ons vermoed was uijt der Ministeren verre de Engelsen hun gebied daarover schrijven duidelijk sien, dat de ko„ niet hadden uijtgebreijd, blijkt onder een menigte andere bewijsen, die „ning noch werkelijk niet is ge„ dit ontegenteggelijk aantoonen, weest in het bezit der landen, uit de instruktie die in het Jaar 1782. van welken bij voorm: paragraagje van onse brief gesprooken is, en mede gegeeven is aan sComp=s gesant Billing, en sijn rapport gedagteekend dat ook de afstand van deselve den 18: april desselven Jaars. we heb„ ten uitersten, zorgelijk sou sijn, „ben ook daarom en wijl het een seer en wij of schoon de Ministers hier bekende zaak was, dit bij ons ne„ „drig andwoord op de Extract en uit van niets melden ook onderstellen de generaale missive van uwelEdele dat door hun geen gebruijk is ge„ maakt van de door UE: aan de Hoog agtb: geintereert bij onsen nedri„ gen brief aan hunne Hoog Edelheeden hand gegeevene middel, om aan de van den 30: Januarij 1787: § 282: alleen kortelijk aangeweesen. Daarbij is kandianen deesen op geenen tak van teevens aangeweesen, dat alle die handel als bij voorbeeld, die van „ol landen sebert weder genoomen onder Elifanten, lijnwaat en a preek het direkt bewind van de komp:, toete staan, zoo hoopen wij, dat de en dat haar Edele deselve sedert ministers niet stellen hebben ge„ wederom bezit even en op dien selfden voet dwaald den voet, als de komp: ze eertijds beleeten dwaald in hunne meening van heeft. voor het overige neemen we de Compagnies Militaire magt tegen„ vrijheid, om noopens het gebruijk woordig op zodanigen voet te hebben dat we gemaakt hebben van de hier dat zij van het Hoff van kandllia terzijde vermelde kwalifikatie van hunne Hoog Edelheeden, onstege„ niet hadden teschroomen, als mee„ „draagen aan onsen eerbiedigen sekreede dat ingevolge van hinne ver„ ten brief aan Hoogst deselve den 26:' wagting de verschijning van het maij 1786. geschreeven, en merken daar Eskader van den kapitein Com„ omtrent nog alleen aan, dat het mandeur van kraam op de kan„ Hoff voorleede Jaar en ook in dit Jaar dianen van dien indruk zal zijn ingevolge van de daarbij voorkomen„ de schikking, wat arreek geleverd geweest; dat sij de gedagten van heeft, dog dat noopens het geen daar, vreemde hulp daar door hebben bij omtrent de Eliphanten aan hunne laaten vaaren. Hoog Edelheeden is voorgesteld, men tot nog toe niet bespeuren kan, dat het Hof eenige neiging heeft, om daarvan gebruijk temaaken. wijl ook de geleverde arreek door het Hoff in dit en het voorgaande Jaar, nog geen 2000: amm=s tezaamen bedraagd, scheint men hier uit tenwo„ „gen opmaaken, dat hoe seer ook deese provisioneele schikking, bij den koning niet onvrindelijk is, ontvangen, het hoff daarin geen groot heldng steld. Dat het Hoff gedagten soude gehad hebben, tot het inroepen van vreemde Hulp, of ten minsten dat het daartoe eeni„ „ge stappen soude hebben gedaan, daarvan is ons nimmer iets voorgeko„ „men, dat ons dat soude kunnen doen vermoeden §386. Wij moeten nu ook afwagten van wat gevolg sal zijn geweest de aan het Jongst gezantschap„ van dat Hoff in de maand Januarij :: ƒ
English
2299 January 1785, the declaration made by the late Governor Falck that Your Honours had strictly forbidden the restitution of the beaches, and that the Ministers were therefore unable to make any further proposals in this regard, with the addition that the Court, finding it advisable, could address its request to Your Honours or indeed to ourselves. In our secret letter to Their High Excellencies, having to speak somewhat extensively this time about the Court of Kandy, the course of action maintained in this matter by the first undersigned governor will at the same time be pointed out. § 387. Above all, we wish that a good effect might have been produced by the plan which was devised by the successor of the late Mr. Falck, Governor van de Graaff. Considering that for the present there was little hope of a change in the step taken by the Court not to hinder the Company in the peeling of cinnamon in the upper lands, and that if one were to insist further upon it for the time being, it would strengthen the Court in the hope that this prohibition would finally bring the Company to other thoughts with respect to the beaches, the plan was to cause the same Court to notice, underhandedly and indirectly, that the planting of cinnamon in the Company's lands had already advanced so far that she would soon be able to find all the necessary cinnamon on her own ground; and furthermore to have the prohibition against the transport of salt to the upper lands (an article which the Kandiyans cannot do without) executed in the strictest manner and without any connivance. The planting of cinnamon, and especially the clearing of the grounds of the thickets standing thereon which would hinder its growth, as well as the renewed cleaning of grounds formerly cleared that had now become overgrown again, has continuously been pursued with all possible expeditiousness. Last year, the cinnamon peeled from the cleared or planted grounds, both of the Company and of private individuals, amounted to 623 bales, as we had the honour to indicate in our respectful letter to Their High Excellencies of 30 January 1787, paragraph 52. § 388. Meanwhile, it was pleasing to us that the planting of cinnamon should be pursued with all possible zeal, while this work, which, as Governor van de Graaff expresses it, had been undertaken by the late Mr. Falck against all prejudices, and whereby he had earned for himself an enduring merit, would, according to the opinion of the first-named, be well transferable in five or six years. 2300 When one now considers that the clearing of the forests and the planting of cinnamon carried out in the most recent years was done too recently to have been able to contribute much to it, one seems justified in concluding from the progress of the work thus far that if work is carried out in the next three coming years with the same diligence and expeditiousness, the objective of finding the necessary cinnamon in the Company's lands will have advanced so far that, to achieve it entirely, one will not need to do much more than merely ensure that the grounds are kept clean along the way, and that the paggers or fences enclosing these grounds are properly maintained, in order to prevent cattle from entering and damaging the young shoots of the cinnamon. When the cinnamon grounds have once been brought to that perfection indicated above, the cinnamon peelers can easily deliver 6 to 8 pingos, and thus more or less 1,000 or 1,200 men will be able to perform this work competently. Those who are then not needed for peeling can be used partly to keep the cleared and planted grounds in order, and the rest for other useful enterprises. Ceylon has a multitude of grounds from which a very great advantage could be derived. Already the cinnamon work has advanced so far that one § 389. And as Mr. van de Graaff further wrote in his separate letter of 10 February 1785, that once those plantations had been brought to perfection, the cinnamon peeling could then take place with less than half of the people one must now use for that purpose, and also that much more benefit could then be enjoyed from several lands which now lay uncultivated because of the scattered cinnamon growing upon them
Dutch transcription
2299 Januarij 1785. gedaane verklaa,n „ring door wijlen den heer Gouver„ neur Falck, dat uE: terug geeve der stranden volstrekt hadden verbooden, en de Ministers dus buiten staat waaren des weege eenige nadere voorstellen te doen, met byvoeging, dat het Hoff sulks geraaden vindende zig met desselfs verzoek bij UE: zoude kunnen vervoegen dan wel bij ons zelven. Bij onsen sekreeten brief aan ƒ 387: voor al wenschen wij dat van eene Hunne Hoog Edelheeden, ditmaal goede uytwerking zal hebben wat brees voerig over het hooff van kunnen sijn het plan, 't geen door den opvolger van wijlen kandia moetende spreeken, zal daarbij tevens worden aangewee„ „sen, de handelwijse door den eerst den Heer Falck, den Heer Gouver„ ondergeteekende gouverneur, in „nieur van de Graaff was beraamd, om in aanmerking dat er voor deezen gehouden. eerst met veel Hoop was tot verandering in den stap, dien het Hoff hat gedaan, niet aan de komp: het schillen van de kanneel in de bovelanden te be„ „letten, en dat, zoo men voor het toenmalige daar op verder aan„ „drong 4 2 „drong, zulks het Hoff zou sterken in de hoop, dat dit verbod, de Comp: ten aansien van de stranden eijnde„ lijk tot andere gedagten soubrengen, het zelve Hoff onder de Hand, en van ter sijde tedoen op merken, dat het aanplanten van de ka„ „neel in 'sComp: banden reeds zo ver„ gevorderd was, dat zij binnen kort 1 al de nodige kanneel op haar eijgen 7 grond zou kunnen vinden, en om voorts het verbod teegen het opvoeren van zout naarde booven landen /: een ar„ tikel, 't geen de kandiaanen niet kunnen mitsen. / op de allertuk„ „tte wijze, en sonder eenige ooglui„ „king tedoen uijtvoeren. —. §388. Intusschen was het ons aange„ Het aanplanten van de kanneel, en insonderheid het suiveren der gron, „ naam dat de aanplanting van de kanneel net allen moo„ „den van de daarop staande botschagien, die dan groeij daarvan beletten „zou als meede het andermaal schoonma gelijken ijver worden doorgezet „ken van eertijds gezuiverde gronden, die terwijl dit werk, het geen, zo als de heer Gouverneur van de nu wederom begoert waaren is bij voort„ „duuring met alle mogelijke voort vaa„ rentheid doorgeset. voorleede Jaar heeft Graaff zich uitdrukt, door wij„ de kanneel, geschilt uijt de schoonge„len den heer Falck tegen alleer maakte off aangeplante gronden zo vooroordeelen aan was ondernoomen van de komp: als partikulier, be„ en waardoor hij zich een altoos „draagen 623: baalen so als we dat de eere gehad hebben aan tewijlen bij onsen eerbiedige duurende 63 2300 eerbiedigen brief aan hunne Hoog Edelt uurende verdienste had gemaakt, heeden van den 30: Januarij 1787: 5:52: naar het begrip van eerstgemel„ den in vijf of ses Jaaren zeer Als men nu daarbij bedenkt, dat het suijveren der bossen en het aanplanten over tebrengen zou zijn. —. van kanneel geschied in de Jongste Jaaren te onlangs gedaan is om veel daarbij te„ hebben kunnen toebrengen, schijnt men uit de voortgang van het werk tot hiertoe, met gronds temoogen besluijten, dat wanneer in de drie naast koomende Jaaren gewerkt word met dezelfde vleijt en voortvaarentheid, het oog„ „merk om de noodige kanneel in 's Comp=s landen tevinden, zoo verre sal zijn gevorderd, dat men om dat ten eenemaal te berijken, niet veel meer zal noodig hebben te doen, dan om alleen maar te sorgen dat de gronden gaande weg worden schoon gehouden, en dat daarby behoorlijk onderhouden worden de paggers of heinningen, waarin deze gronden beslooten sijn tot voorkooming dat daar in geen vee komt, waardoor de Jonge spruiten van de kanneel soude kunnen worden beschadigd. — — § 389: En 't geen de heer van de Graaff Als de kanneel gronden een tot die vol, bij zijnen apparten brief van den komentheid gebragt sijn als hier boven 10: Februarij 1785: verder heeft ge„ schreeven, dat wanneer die aanplan„ is aangeweesen, kunnen de kanneel schillers gemakkelijk 6: tot 8: pingos leeveren en zullen dus min op meer „tingen eens tot volkomensheid sou„ 1000: of 1200: Man dit werk bekwaame„ den sijn gebragt, het kanneel schie„ len als dan zou kunnen geschieden „lijk kunnen afdoen. zulke die dan tot het schillen niet noodig sijn, kunnen„ gedeeltelijk gebruikt worden tot hiet i net minder dan de helfte van het order te houden van de gesuiverde en aan volk het geen men nu daartoe ge„ geplante gronden ende reets tot andere bruiken moett en ook als dan van= verschijde landen, die nu om de wij nuttige ondernemingen. Cijlon heeft een menigte van grouden waarvan een heel grootvoorldeel soude kunnen ge„inge kanneel, die op dezelve groeijder„ „trokken worden. Nureeds is het kan„ onbebouwd laagen, veel meer voordeeld „veel werk zo verre gevorderd, dat men met genooten
English
would be enjoyed with the greatest peace of mind. All this requires the utmost diligence, serving as it does to so to speak double the value of this island for the Company; and we do not doubt that the same will also be viewed by Your Excellencies with such an eye. regions where little or no cinnamon stands, could be employed for planting many useful products, among others pepper and coffee, two articles that thrive especially well on this island, so that the pepper vines and coffee shrubs often already yield fruit within three years. When the undersigned governor held the authority at Gale in the year 1784, he had a piece of land planted with pepper and coffee for the Company, as more fully described in the Gale resolution of 20 October 1784; and when he had to travel over to Gale last year in the month of May, he went to view this land in the company of the Commander Kraaijenhoff, and found that both the pepper vines and the coffee beans were already producing the finest fruits. This proves in the clearest manner what could be done in this matter, but until now we have had to use most of the people we could obtain for the cinnamon work, having found that in order to bring these things to the perfection to which they can be brought, it is necessary that proper supervision be kept over them. The dessaves have too much to do for that, as we have already had the honour to represent to Your High Excellencies in our humble letters of 28 January 1786 and 31 March 1787. Some lesser officials to maintain supervision over this work under the dessaves, and who would mostly be out in the country, would be of great service in this matter; they could also serve to encourage the inhabitants toward these plantations, and by this means this work would be noticeably advanced. The Sinhalese are docile enough that, when one takes the trouble to constantly urge 2301¼ them on and encourage and stimulate them by examples, much can be obtained from them, but they are furthermore indolent and on average rather lazy, so that if left to themselves, they seldom do anything other or more than what is strictly necessary to feed and clothe themselves, and these needs of theirs are so small that in a country where the earth, as on Ceylon, produces everything with little effort, they are quickly satisfied. We will nonetheless do everything possible to pursue these plantations as well by all possible means and insofar as that can take place without detriment to the cinnamon. Paragraph 390. We found very important the representation of the ministers appearing in their letter of 6 April 1784 concerning the manner in which the planting of the cinnamon ought to take place, and the quantity of cinnamon that can be peeled from the planted trees; it having appeared to us from that representation that 20 million trees planted within the Company's territory are just sufficient to deliver 500000 lb of cinnamon each year, and that for those 20 million shrubs, calculated at the very most generous, one needs 8800 morgen of land. serve to stand apart from one another, and regarding the distance that the cinnamon trees have to stand, a mistake was initially made, as usually happens in such matters, and as has already been noted in the letter mentioned here in the margin, and from this has arisen that many cinnamon lands that were laid out in the earliest times are planted too densely. This is not only detrimental to the growth, but even seems to be more or less harmful to the quality of the cinnamon, for which reason they are also being gradually thinned, and although the distance that one tree ought to have from the other was already taken to be considerably greater in the above-mentioned letter than in the first planting, the cinnamon trees, as they are now set, ought to stand at least 6 to 8 feet from one another so as not to damage one another in growth, and all the more so because 1391 g
Dutch transcription
met de aller grootste gerustheed groote genooten zou worden. Dit een en streeken, waarop wijnige op geen kan, ander vorderd de aller uijterkte „neel staat, soude kunnen emploijeeren op werkzaamheid, als strekken tot 't aanplanten van veele nuttige om de waade van dit eijland voorde produkiten, onder anderen van peper en koffij, twee artikulen die op dit eij„ Comp:s, om zo te spreeken te verdulde „land insonderheid zoo wel voorkoo„len; En wij twijffelen niet, if het „men dat de peper ranken en de koffij selve sal ook door UE: met zoda„ boomtjes, veeltijds reeds vrugten geeven binnen drie Jaaren. Toen de onderge„nig oog beschouwd worden. „teekende gouverneur in 't Jaar 1784: het getagte Gale waarnam, heeft hij een stuk grond voor de Comp: met peper en kopfij laaten beplanten breeder ge„ schreeven bij de gaalse resolutie van den 20: oktober 1784: en toen hij voorlee de Jaar in de maand van Maij na Gale eensmoest overstappen, heeft hij deeze grond in getelschap van den gezaghebber kraaijenhoff gaan zien, en bevonden dat bijde de peper ranken en de koffij boonen, toen reets de schoon„ „ste vrugten voortbragten. Dit bewijst op het duidelijkste wat men in dit stuk soude kunnen doen, dog we hebben tot hiertoe het meest volk dat we hebben kunnen krygen, tot het kanneel werk moeten gebruiken, bevonden hebben die dingen, om te koamen tot de volmaek „heid waartoe ze gebragt kunnen worden, noodig dat daarop een behoor „lijk toezigt gehouden word. De dessaves hebben daartoe teveel te doen, zo als we dat reeds de eere hebben gehad Hunne Hoogedelheeden bij onse nedrige brieven van den 28: Januarij 1786: en den 31: Maart 1787: voorte„ „stellen. Eenige mindere bediendens om onder de dessaves het toeligt over dit werk tehouden, en welke meerendeels in het land souden sijn, souden in deezen van veel dienst weesen, ze souden teevens kunnen dienen om de ingesetenen tot deese plantagien aantemoedigen en hier door soude dit werk merkelijk bevorderd worden. De zingaleeten zijn gezegge „lijk genoeg, om wanneer men de moeijte neemt van naar gestadig aan temaanen 2301¼ aantemaanen en hun door voorbeelden aantemoedigen en op tewekken, veel van hun te kunnen verkrijgen, dog ze zijn daarbij indolent en door den bank wat luij, zoo dat als men ze aan haar zelven overlaat, ze zeld„ „saam iets anders of meer doen dan het geen volstrekt noodig is, om sig te voeden en tekleeden, en deeze hunne behooftens zijn zoo gering, dat die een land daarde aarde gelyk op Cijlon, net kleine moeijte alles voort„ brengt, spoedig zijn vervult. We zullen niet te min al het mogelij„ „ke doen om ook deze aanplantingen door alle mogelyke wergen en voor zoo verre dat buijten benaadeeling van de kanneel geschieden kan, door te zetten § 390: 3eer belangrijk hebben wij ge„ dienen van malkanderen te staan, en vonden 't vertoog der ministers, In de distantie die de kanneel boomen voorkoomende bij hunne brief heeft men sig in den beginne wat vergist, so als dat door gaans in de van den 6: april 1784: wegens de dingen gaat, en bij de hier ter sijde ver manier waarop de aanplantingen melde brief bereeds is aangemerkt, en hier uit is ontstaan, dat veele kan „ van de kanneel behoort tegeschie „neel gronden, die in de eerste tijden zijn,„ den, en de hoeveelheid van de kan„ neel, welke van de aanplante aangelegd, te digt beplant sijn. Dit is niet alleen nadeelig aan den groeij„ maar schijnt ook zelfs min of weer boomen geschild kan worden, zijn„ schadelijk teweesen aan der deugd van de ons uijt dat vertoog geblee„ ken dat 20: miljoen boomen de kanneel, waarom men zo ook gaande weg wat doed dunnen, en schoon de distantie, die de eene boom vande binnen 's Comp: gebied aangeplant andere dient te hebben, bij de hier maar dan toerijkende zijn om booven gemelte brief reeds merkelijk 50'0'000 lb: kanneel elk Jaar te„ grooter genoomen is, dan bij de eerste aanplanting, dienen toe kanneel boo„ leeveren, en dat men voor die 20: „men, zo als ze tans geset werden, ten miljoen boonsjes, op zijn aller ruijmte minsten 6: tot 8: voeten van de anderen gereekend 8800: morgen lands noodig te staan, om malkanderen in den groeij niet te beschadigen, en zulks temeer; heeft. — wijl 1391 g
English
because the trees, after they have been felled once, put forth several shoots, which increases each time after they are felled more often. To judge accurately in the meantime how much land will actually be necessary for the cinnamon that the Company requires annually cannot very well be done for the present, and will best be shown by experience. For this reason one cannot do better than quietly to proceed with the work, as is being done, until one shall be more in a state to determine this. We think meanwhile that the estimate made in the letter mentioned here at the side, of 8 to 9000 morgens, will turn out to be fairly accurate. 391. For the reasons mentioned here at the side, the Marandhan lands are continuously taken by preference in order to clear them of the woods standing thereon, and among others, the Marandhan of Colombo, wherewith one first began and which is now almost completely cleared of woods, proves in the most perfect manner the existence of the difference mentioned alongside between that which the cleared lands yield in comparison to the lands that are overgrown with forest, so much so that from this Marandhan now probably ten times more cinnamon is peeled than it formerly gave, and over time this difference will become much greater as the cinnamon trees that stand upon it reach greater perfection. Section 391: It has also appeared of great importance to us, what has been written by you, that the mere clearing of Marandhan lands, upon which the most savory cinnamon grows, and which one previously, in order not to harm the cinnamon, had allowed to become overgrown into the deepest forests, multiplied the quantity of peelable cinnamon four, five, six, and possibly even more times. Section 392: The ministers, after that experience, having begun shortly before the English war to denude such lands of forest, and that labor now having to be resumed again without one having to cease planting for that reason, this also provides a very good prospect, the more so since from the book year 1788/9 to the book year 1789/90 inclusive, the delivery of garden cinnamon had climbed from 115 to 643 bales. At the same time that the forests are cleared, planting is proceeded with as much as possible on all such places where too little cinnamon is found. Besides this being done with the planting of seeds, one has also begun in recent years with the transplanting of cinnamon trees, which are taken from such places where they stand too close together, and this seems to advance the work uncommonly well. Section 393: It has meanwhile appeared less clear to us whether this garden cinnamon must be understood as the cinnamon from the planted cinnamon gardens, or from those cleared lands which, as is said in the ministers' letters of 31 January 1785, are known under the name of the Company's gardens, or rather of both together. Under this denomination of garden cinnamon is understood all the cinnamon that grows both on the lands cleared of forest and in the so-called gardens of the Company and the gardens of private individuals, in a word, all the cinnamon that is not sought out of the forests, both in Company's and King's land. In the beginning, and before one yet undertook to clear very large parcels at once and to plant them with cinnamon where necessary, such cleared and planted parcels, which were then enclosed separately, received the name of Company's cinnamon gardens. They also still go by that name in the registers of the Company, but because these planted and cleared lands border on the forests, which are gradually cleared since then, and are incorporated therewith, the reason for this denomination falls away thereby. Strictly speaking, one should therefore only call garden cinnamon the cinnamon that grows in the gardens of private individuals, but because the cinnamon that is taken therefrom also grows under the same circumstances as that which grows on the aforesaid cleared and planted lands of the Company, on which they border for the greatest part, it follows of itself that it is all one kind of cinnamon, which differs from one another in nothing, except only in so far as the ground upon which it comes forth corresponds more or less with the actual Marandhan lands, which yield the most savory cinnamon. We can up to now say nothing else than that according to all the tests that have been made of it here, the planted cinnamon is just as good and sound as that which rises up of itself. Section 394: One bale of each of those two kinds having been sent to you by them, according to their earlier missive, we shall soon learn whether your findings agree with what was written by the ministers, that they had not yet been able to perceive that the planted cinnamon differed in quality from the other. Section 395: The entire collection of cinnamon, which in the book year 1782/3 had still amounted to 4333 bales, having decreased in the year 1783/4 to 3399 bales, this was certainly to be wished otherwise; but this having depended on circumstances beyond the reach of the ministers' power, one must In recent years the collection of cinnamon has turned out somewhat more ample, and although the harvest of this current book year has by no means ended, we think that it will amount to somewhat above 5000 bales.
Dutch transcription
wijl de boomen, na dat ze eens gekapt sijn, verschijde spruiten geenen 't geen na dat ze meer gekapt worden, telkens toeneemt om intusschen met veel naauwkeurigheid te beoordeelen, hoe veel gronds er eijgent„ „lijk sal noodig sijn voor de kanneel, die de komp: Jaarlijks noodig heeft, kan voor 't tegenswoordige nog niet wel geschieden, en zal best bij de bevinding blijken; Hierom kan men niet beter doen, dan rus„ „tig met 't werk voortegaan, gelijk geschied, tot dat men meer en staat sal zijn, dit te bestemmen we denken middelerwijl, dat de bij de hier ter zijde vermelde brief gedaane gissing van 8: tot 9000: morgens na genoeg zal uitkoomen. 391. van veel belang is ons meede De marend aan gronden worden aan de hier ter sijde vermelde reeden voorgekoomen 't door muin ge„ bij voortduuring bij preferentie ge„schreevene, dat de enkelde zulij„ noomen om die te suiveren van de vering van Mardaan gronden, waer daarop staande bossen, en bewijst ou„ op de smaklijkste kanneel groed der anderen, de matendaan van kolou„ „bo, waar meede men het eerst heeft en die min tevooren, om de aan„ begonnen, en die nu bij na geheel van neel niet te schaaden, tot diepste „bossen gesuiverd is, op de volkomentte wouden had laaten bewassen, en wijze, het bestaan van het merneevens hoeveelheid der schilbaare kan„ vermelde verschil van 't geen de ge„ Luiverde gronden geeven, in vergelijk veel vyf, ses en mogelijk nog van de gronden die met besch bewas, meermaalen vergrootte. „sen sijn, zoo zeer, dat uijt dese naa„ „rendaan nu waarschijnlijk tien „maal meer kanneel geschild word, dan ze eertijds gaf, en door den tijd sal dit verschil nog veel grooter worden, na mate dat de kanneel boo„ „men die daarop staan tot meer volkomentheid koomen § 392: De ministers na die ondervin„ Tegelijker tijd dat de bossen worden schoon gemaakt, wordoording, kort voor den engelschen met de aanplanting zoo veel uw oorlog begonnen hebbende zulke gelijke voortgewaaren, op alle sulke plaatsen gronden 2302 „4 plaatsen, daar te wijnig kanneel be gronden van Oosch te ontblooten, en die arbeijd, als nu weeder zullende vonden worden. Behalven dat dit hervat worden sonder dat men geschied met 't planten van saeden„ ook begonnen met 't verplanten van daarom met de aanplanting zoude heeft men in de Jongste Jaaren kanneel boomen, die genoomen wor„ behoeven opte houden, geeft zulks meede een zeer goede voor uijtsigt, „den van sulke plaatsen, daar te temeer daar zedert het boekJaar tedigt staan, en dit schijnt 't werk ongemeen te bevorderen. 178 8/ tot het boekjaar 178 9/2 inge„ „slooten, de leeverante van thunn kanneel geklommen was van 115: tot 643: baalen T is ondertusschen ons min klaar 5393: 3 Onder deze benaming van 'thuijn kanneel, is bequeefen al de kanneel die groeijd, voorgekoomen, of deese thuin kanneel verstaan, moet worden zoo op de van bos gegroeijde gronden, de komp: en de thuijnen van parti, van de kanneel uijt de aange„ als in de Logenaamde thuijnen van „kulieren, met een woord al de kanneel, plante kanneel tuinen, dan uit wel van die de schoongemaakte die niet uit de bossen, zoo in komp=s landen, die zoo als bij der Minis„ als koonings land word opgezogt. Jn den beginne en voor dat men 't nog onder„ „nam, om heele groote stukken tegelijk teden letteren van den 31: Januarij schoon temaaken, en die daar 't noodig 1785: gezegd word onder den naam was met kanneel te beplanten, wree„ van 'sComp:s tuijnen bekend staan, „gen sulke schoon gemaakte en aange„ plante stukken, die dan appart om „ dan wel van beijden te zaamen „heinigt wierden, de naam van komp: kanneel thuijnen. ze loopen ook nog met die naam bij de register van de Comp:e, dan wijl deese aangeplante en schoongemaakte gronden, daar zoo grenten aan de bossen, die zedert gaan„ „de weg worden schoongemaakt, daar bij worden ingetrokken, vervalt daar door de reeden van deese benaaming. Men zoude dus eijgentlijk gesprooken g Nos 2 gesprooken, alleen thunn kanneel moeten noemen, de kanneel, die groeid in de thuijnen der partikulieren, dan wijl de kanneel, die da uijt gehaald word, ook groeijd onder de selfde omstandigheeden, als die wel„ „ke groeijd op de voorsz schoongemaakte en aangeplante gronden van de komp:s, waar van ze voor het grootste gedeelte grensen, volgt van zee„ „ve dat het alles een soort van kanneel is, die van malkanderen in niets is onderschijden, als alleen in zoo verre de grond, waarop ze voort „komt, meer of minder overeenstemd met de werkelijke marend aan gron„ „den, die de smakelijkste kanneel uijtleeveren we kunnen tot nog toe niets §394. van ieder van die twee soorten door hun, uijt wijlens voorwein„ anders zeggen, dan dat naar alle de proeven, die daar van hiergenoomen de missive, een baal aan uw E: sijn, de aangeplante kanneel even gesonden sijnde, sullen wij gaan zoo goed en deugdsaam is, als die vaa„ verneemen, of uwe bevinding met van sig selven opstaat. 't geschreevene door de Ministers dat zij tot nog toe niet hadden kunnen bespeuren, dat de aange„ plante kanneel in deugd van de andere verschilde, over eenstemt. § 395: De geheele insaam van kan„ Jn den Jongste Jaaren is des Jnsaam van den kanneel wat ruijmer uijt heel, die in 't boekjaar 1782/3. -. „gevallen, en schoon den oogst van dit nog had bedraagen 4333: baalen, „boekjaar loopend Jaar nog niets is afgeloopen, in het zentgen 178¾ vermin„ denken wij dat ze nog wat booven dert zijnde tot op 3399: baalen, de 5000: baalen beloopen zal. wat dit zekerlijk wel anders tewenschen; dan 't selve van omstandigheeden hebbende af„ „gehangen, buijten het bereijk van der ministeren vermogen moe„ „ten
English
and we hope that there may very soon again be an opportunity for more ample collections. Section 396. Furthermore, we acquiesce with your Honour in the reasons given by the ministers for the different entries in the financial years 1780 and 1781 mentioned in our general letter of last year, Section 286; this difference, as we have now seen, arises not only from an unequal basis of distribution, but indeed mainly from the fact that the harvests in the two aforementioned years were very different, while nevertheless the expenses during a lean harvest remain practically the same as when it turns out more favourably. 397. Furthermore, we have learned with satisfaction that during the presence of Governor van de Graaff at Gale, many useful arrangements were made to revive the mandatory areca deliveries, both there and at Mature, which for several years had significantly fallen into decay. It is very difficult to collect this obligation; meanwhile, in recent years, that which was not fulfilled in kind has for the most part been paid in money at 3 rds the ammanams of 26000 areca nuts. Section 398. And whereas it was proposed by the same gentleman strictly to prohibit the taking of so-called paresses from the native chiefs upon their appointment, as well as the giving or taking of any gifts, by whatever name and under whatever pretext it might be, and the aforementioned ministers, in consideration that these paresses were always regarded as having a very harmful influence on the governance of the country, have consented to this proposal, alongside a recommendation to your Honour, in accordance with what was also suggested by the aforementioned Governor, in order to grant, for the loss of those benefits, a sum of 6500 rds to the Commander at Gale, 2000 rds to the Dessave at Mature, and 500 rds to the Overseer of Gale Korle, to be found from the future revenues of the newly planted areca gardens both in the Gale Korle and in the Matura Dessavony, as well as—since 3 to 4 years would still be needed before the areca gardens could yield this money—to have distributed until such time the areca that comes in at Gale and Mature from the compulsory areca gardens, and which currently amounts to approximately f 4000 annually, instead of the aforesaid means of subsistence; we shall now await what decision has been taken by your Honour on that recommendation. Upon the reply received contained in their High Mightinesses' very respected letter of 5 April 1785 concerning the aforementioned gratifications noted in the margin, of which that for the Commander of Gale, according to the proposal, would amount to only 4000 rds, and which gratifications together would thus amount to no more than 6500 rds, we took the liberty to make the further proposal to their said High Mightinesses, contained in our respectful letter of 29 December 1785; and it would certainly encourage the present servants considerably if, following this humble proposal of ours, they were now assured that in future, even if they might be transferred in the meantime, and even their families after them should they happen to pass away, the benefits owed to them would at some time be made good to them or theirs. Section 399. Furthermore, we desire that a good result may be found from the attempt which, likewise on the proposal of the aforementioned Governor, was to be undertaken last year at Gale to bring a certain [illegible] situated in the Gale Korle. The undersigned Governor went to inspect the Davitoere district himself on the occasion of his being at Gale in the course of last year. Several years will certainly still elapse before it can be brought to that perfection.
Dutch transcription
2303: 4 „ten wij hoopen, dat zer spoedig weeder gelegendheid moge zijn, tot ruijmere insaamen. § 396 Voorts berusten wij met uE: in de reedenen, welke door de minis„ „ters gegeeven zijn, van de verschil„ „lende aanreekeningen in de boek„ Jaaren 178/. en 178½. vermeld bij onzen generaalen brief van den voorleeden Jaare §. 286: zijnde dit onderscheijd, gelijk wij nu hebben gesien, herkomstig be„ halven uit een ongelijken voet van verstrekking ook, en wel voornamelijk daar uit, dat de oogsten in de gem: beijde Jaaren seer verschillende sijn geweest, terwijl nogthans de ongelden bij een schraalen oogst genoeg„ „saam deselve blijven, als wanneer dezelve voordeeligen uit valt. 397: wij hebben voorts niet genoegen Het is seer moeijelijk om deeze ver„ pligting in te krijgen, intusschen is vernoomen, dat geduurende het 50„ in de Jongste Jaaren, het geen in natura aanweesen van den heer Gouver niet is voldaan, meerendeels in geld be„ „taald „nieur e „taald tegens 3: rd=s de amm:=s van „neur van de graaff, te gale, veel nitte schikkingen gemaakt waaren om de verplegte arreeks leve„ rantie, zo daar als te Mature, die seedert verschijde jaaren merkelijk in voorval was geraakt, weder op te beuren § 398: En alzo door denzelven heer is op het ontfangen andwoord vervat voorgesteld, om het neemen van bij hunne hoog edelheeden seer gerespec„ „teerde brief van den 5:' april 1785;, noo„ Jogenaamde parressen van de „pens de heer, ter sijde vermelde douceurs Jnlandse Hoofden bij hun aan„ waar van dat voor den kommandeur van Gale, volgens het voorstel manstelling volstrekt teverbieden, maar 4000: rd=s soude bedraagen, als meede het geeven of neemen en welke douceurs dus met malkan,„ van eenige geschenken, van wat „deren niet meer dan 6500: rd=s soude naam en onder wat voorwend see beloopen, hebben we de vrijheid gebruikt het ook zoude moogen syn, ende wel gem: hunne Hoog Edelheeden te doen, het nader voorstel, vervat ministers uijt aanmerking, dat deese paressen steeds beschouwd bij onsen eerbiedigen brief van den 29: december 1785, en het soude zeker„ waaren, als van een seer schave„ „lijk de tegenswoordige bediendens lijken invloed op 'slands bestuur„ merkelijk aanmoedigen, indien te sijn, in dit voorstel hebben ze na dit ons nedrig voorstel, nu verseekerd wierden, dat in den aan„ staande, zo ze ook intusschen mogten bewilligd, onder een voordragt aan UE:, om ingevolge van het worden verplaats, en zelfs hunne meede aan de hand gegeevene kamielien na hun, zoo ze komen De te overlijden, hun op de hunnen is van welgem: heer Gouverneur ge deste voordeelen te eeniger tijd ten ten eijnde voor het gemis van die goede sullen koomen voordeelen aan den kommandeur 26000: arreek nooten te 1 . 2304 te gale toeteleggen een som van 6500: rd=s aan den dessave te Mature 2000: rd=s en aan den opsiender van gale korle 500: rd=t tevinden, uyt de aanstaande inkomsten van de nieuwe aangeplante arreeks thinnen zo in de gale korle, als in de Matureesche des savong, mitsga„ „ders, om, vermits 'er nog 3: â 4: Jaa„ „ren soude noodig sijn, voor dat de arreeks thinnen dit geld souden kunnen opbrengen, tot zoo lange de arreek die te gale en te Mature uit de verpligte arreeks thuijnen inkomst, en thans Jaarlijks onge„ „vaar ƒ 4000: bedraagd, in plaats van het voorzeide middel van bestaan te doen verdeelen, sullen wij nu afwagten, welk besluit door UE: op die voordragt sal zyn genoomen § 399: wijders verlangen wij, dat van een goeden uitslag, moge worden De ondergeteekende gouverneur bevonden, de stroef welke meede is het landschap Davitoere, ter gele„ voorleeden Jaar te gale geweest is, selfs op het voorstel van gem: heer gendheid dat hij in den loop van het gaan sien. Daar zullen sekerlijk gouverneur stond teworden genoo„ nog eenige Jaaren verloopen, voor dent, men, om zeeker in de Gale korle het kan worden gebragt tot die volkomentheid leggende
English
perfection, which one can expect with good reason, and from which the benefits over time can be very real, to bring this very extensive district, the development of which has been intended since the oldest times, but regarding which one had always encountered insurmountable difficulties in execution, into such a state that the Company could derive very considerable benefits from it over time. Meanwhile, much has already been done. Besides a large extent of low lands, which in this district have now been cleared of heavy brushwood and will soon be able to be sown, up to now already over 72 ammunams, being morgen of land, have been cultivated, which also have already partly been sown in the past year and the remainder in this year, and where this year especially the crop promised much in the beginning, but through the flood, which a few months ago also occurred in the Galle Korale and stood higher than one can remember in the course of 30 years, so much so that even the great sluice that was constructed at Dewitoere stood under water, it has mostly been lost; for the establishment of plantations, already over 180 ammunams of high lands have also been cleared of the heavy forests that had stood upon them, and upon them have already been planted 877400 cinnamon trees, 12900 coffee trees, 98000 saplings of sappanwood, 597 teak trees, 2700 breadfruit trees, and 6690 Loerlaks trees; and more would have been done there had the work in the beginning not been somewhat delayed on account of the construction of a large and small sluice, and the laying of several dams that were necessary there, as well as the digging of a couple of channels, each over a quarter of a mile long. That which is currently still to be done of that nature consists mainly in the digging of another channel in order to let off the remaining excess water into a lake situated near the sea, and since all the people who up to now have been occupied with those things will now also be able to be used for agriculture, we hope with good reason that our further reports will soon show the extensive utility of this enterprise: — Paragraph 400. The Vanniyar lands being mentioned here beside under the direct administration of the Company: The storm in April 1786 has especially caused great devastation in these regions, among which one may consider, principally as the most oppressive, the bursting of a multitude of tanks in covered places to preserve the water, in order to be able to preserve the paddy fields by means thereof during the dry season; and notwithstanding that, and that at that time little regularity had yet been introduced in the Vanni, the Company's tithes for that year amounted to 13985 parras of paddy, and would have been incomparably greater in the following year as the administration of this country here comes more and more on a regular footing, were it not that these lands, as well as those of Jaffna and Mannar, had suffered an almost general crop failure due to the uncommon drought, so much so that even a multitude of cattle died from drought and from lack of fodder. Through this, the tithes in the Vanni have amounted to no more than 1586 1/3 parras. In the Jaffnapatnam and Mannar districts, for the same reasons, the same, instead of 35757 ¾ parras which they amounted to in the year 1785/6, have yielded no more this year than 10639 1/15 parras. Paragraph 400: The Ministers having resolved, for such reasons as are mentioned in their letter of 31 January, to bring the Vanniyar provinces mentioned in that letter under the direct administration of the Company, and to entrust the administration thereof to the artillery lieutenant and sworn surveyor at Jaffanapatnam, Thomas Nagel, as he, on account of his knowledge of the country and proven zeal in the service, was judged to be the most competent for it; yet under the higher authority of the Commandeur and Council at Jaffanapatnam, we hope that this new arrangement may answer the intended purpose, and that they will have proceeded toward this with the requisite circumspection. Commandant Nagel takes all possible trouble to bring the administration of the country into order, and we hope, as we think with much reason
Dutch transcription
leggende zeer uijtgebreid land„ volkomentheid, die men met gronds daarvan verwagten kan, en waar van schap, waar van de bekwaammaa de voordeelen door den tijd seer werke„ king, zeedert de oudste tijden wat aa „lijk zijn kunnen. Intusschen is 'er reeds veel gedaan. Behalven een grootbedoolen; maar waar omtrent mei uit gestrektheid van laage gronden, die bij de uitvoering altoos onover in dit landschap van boten ruigtens koomelijke zwaarigheeden had nu gesuiverd sijn, en spoedig sullen gevonden, in zodanigen staat te kunnen worden betaaijd sijn'er reeds brengen, dat de kompagnie daa tot hier toe ruim 72: amm=s, zijnde aan morgen land, gekue van zeer aanzienlijke voordeele die ook reets gedeeltelijk „tiueerd, „ in 't voorleeden en de overige in door den tijd zoude kunnen be dit Jaar sijn betaaijd, en waar dit Jaar insonderheid, het gewas in het begin haalen veel beloofden, dog door de water vloed, die ook voor eenige maanden inde gale korle geweest is, en hooger gestaan heeft „ men zig in den loop van 30 Jaaren, herinneren kan, zoo seer dat selfs de groote sluis, die te Dewitoere aa „gelegd is, heeft onder gestaan, is het selve meerendeels verlooren gegaan; tot het aanleggen van plantagien sijn ook bereeds ruim 180: amm=s hooge 9e gronden van de daarop gestaan hebbende swaare bossen, gesuiverd, en sijnw daar op bereeds aangeplant 877400: kanneel boomen 12900: koffgboo„e „men, 98000: plantjes van sappanhoudt 597: kiate boomen 2700 kostes boomen, en 6690: Loerlaks boomen; en daar soude meer gedaan sijn, zoo door het werk in den beginne niet wat was vertraagd, om het aanleggen van een groote en kleine sluis, en leggen van verschijde dammen, die daar noodig waaren, als meede het graaven van een paar spruiten, elk ruim een quart wijl lang. Het geen er van dien aart tans nog tedoen is, bestaat voornamentlijk in het graaven van nog een spruit om te meer het nog 15 overtollig waater, in een na bij zee geleegen lak; te laaten afloopen, en wijl luits dien al het volk, dat tot hiertoe met die dingen is geokkusteerd geweest, nu ook tot de landbouw zal kunnen worden gebruikt, zoo hoopens we met gronds dat uit onse nadere berigten spoedig blijken zal, de uitgestrekte nattig„ „heid van deeze onderneeming: — d § 400 2305 § 400: De Ministers om zodanige reeve„ vermeld staande onder het onmdde„nen, als die vermeld sijn bij hun„ De wanniate landen hier ter zyde lijk bestier van de komp: De storm nen brief van den 31: Januarij streeken groote verwoestingen aange beslooten hebbende, om de bijdien in april 1786: heeft inzonderheid in deese regt, waar onder men voornamentlijk brief vermelde wannijsche provin„ als het meest drukkender, reekenen, cien te brengen onder de directee be„ keering van de komp: en het be„ mag, het doorbreeken van een menigte tangen, op bedekte plaatsen om het waater tebewaaren, ten eijnde door „ hier daarvan op te draagen aan de middel van deselve geduurende de artillere Luitenant en geswooren Landmeeter te Jaffanapatnam bedrooge tijd de laayvelden te kunnen bewaaren, en des niet tegenstaande te en dat te dier tijd nog wijnig geregeld, Thomas Nagel, als welke daartoe„ heid in de wanne was ingevoerd, heb„ weegens zijne landkunde en betoonden iever in den dienst, de den 'sComp=s tiendens voor dat Jaar be„ draagen 13985: pattras nelij, en te sou„ 30 den in het volgende Jaar, na maate dat bekwaamtte was geoordeeld; dog on„ a slands bettier hier meer en meer op een der het hoogere gezag van den Kommandeur en Raad te Jaffana„ gereegelde voet komt, ongelijk grooter ge„ den, zoowel, als die van Japfana en „patnam, hoopen wij dat deeze meu„ weest sijn, wat het niet dat deze lan„ Manaar, door de ongemeene droogte „ wé inrichting van het bedoelde een bij nu pel generaale mis gewas oogmerk moge beandwoorden, en menigte van reez door doght en bij dat hier toe met de vereyschte gehad hadden zo al seer dat selfs een gebrek van boedzel is omgekoomen omzigtigheid door hun zal zijn Hier door hebben de tiendens inde tewerk gegaan wannier niet meer bedraagen dan at 1586 1/3. parras. In het Jaffanapatnamse en Manaarse hebben ook om dezelde reedenen, dezelve insteede van 35757. ¾. parras; die ze in het Jaar 178 5/5. hebben bedraagen dit Jaar niet meer opgebragt dan 10639 1/15: parras. De kommandant Nagel geeft zig alle mogelijke moeijte om het lands bettier en ordre te brengen, en we hoopen, zoo we denken met veel gronds d
English
Section 401: It appears, however, from the aforementioned letter of the Ministers, that this change already caused quite some commotion at the very first rumor thereof, so that a Company postholder was murdered by a rioting crowd, and the Company Sipais assigned to Lieutenant Nagel were found insufficient to overtake these mutineers; and since the Ministers hereupon resolved to dispatch three companies of Oosterlingen into the Wanniese, we wish that this force will have been able to curb the rioters. The good conduct maintained by Nagel in this matter, and as the inhabitants saw that more adequate measures were being employed, first caused the female Wannia of Meelpatto, Limbera Naatje, to flee to the Loerlie Wannie, which belongs under the King of Kandia, and with her most of the mutineers fled at the same time, who nevertheless are gradually returning; and since, as is often the case in such matters, one can hardly distinguish the most guilty from the less guilty, and it is of great importance to the Company that the fled inhabitants return, it was thought best to take no notice of it, so as not to discourage anyone from returning. The female Wannia Nelle Naatje, on the other hand, went to Jaffanapatnam upon the pardon promised to her, whence she was subsequently sent to Colombo, where, until she recently passed away from the smallpox, she was well treated; since then, everything quickly settled into tranquility. It will become apparent within a few years that with the taking possession of these lands, which together comprise more than 400 square miles, a very substantial service has been rendered to the Company, especially on account of the large quantity of grain that the Company can in time draw from there. Section 402: The collection of cloth not yet having been able to take place because the Company offices on the opposite coast, according to the Ministers' letters of 31 January 1785, were at that time still in the hands of the English, it meets with our approval that the Ministers commissioned the Junior Merchant and former first Resident at Mannapaar, Keuneman, to be retained on the Coast of Madura in order to purchase there privately as much cloth of the Company's assortment as could be obtained. And since the extraordinary high price of cotton had also caused great hindrance to the collection, and the Ministers had thereby been compelled to grant a price increase of five per cent on the coarse Guinees and Salempoeries of the first and second sort, so we hope that at a subsequent purchase or contracting, that increase will have been able to be withdrawn and no longer allowed. These 5 per cent, according to our resolution of 29 June 1786, were withdrawn, and since then no more than the ordinary prices have been paid. Section 403: With regard to the pearl fisheries, we have not been able to ascertain from the Ministers' letters what effect had been produced by what was written by them to Lord Macartney, as appears from our general letter of last year, Section 294, in order that the lease of the Tuticorin pearl banks and chank reefs by the English might not prejudice the Company's right of fishing; it being merely reported by the Ministers how long and with how many tonies the pearl fishing as well as chank diving had been carried on by the English. Lord Macartney simply replied to this that this matter would have to be decided according to the articles of peace. Section 404: According to the Ministers' writing, the fished-up pearls appeared to have yielded nothing of any consequence, and since they would endeavor to obtain more certain reports concerning this, it will be pleasing to us to see the meager outcome of that enterprise confirmed by the aforesaid reports. According to all reports that we have since been able to obtain thereof, the English have had little or no profit from this fishery. Section 405.
Dutch transcription
§ 401: Het blijkt toeh uit der Muniste Het goedbeleid door Nagel in deesen ren voornoemde Missive, dat die gehouden, en zoo „ de ingeseetenen daar bij zaagen, dat 'er meer toerijkende maat verandering reeds op het eerste regelen wierden te werk gesteld, heeft gerucht dan deselve, vrij wat op„ dit eerst het wannetje van Meelpatto schudding heeft overoorsaakt, Limbera Naatje de vlugt doen nee„ zo dat een komp: posthouder. door men nade Loerlie wannie, die onder de koning van kandia behoord, en met een zaam gerotte meenigte ver„ haar sijn tegelijk de meeste muijte „ moord, en de komp: Sipais, die „lingen uitgeweeken, die egter langser„ men den luitenant Nagel hadd merhand terug keeren, en wijl, gelijk toegevoegd; niet toerijkende, be„ het in sulke gevallen al veel gaat, men de schuldigsten van de minschulde „ vonden was, om deese muite„ „gen kwalik onderscheijden kan, en dat lingen te agterhaalen, en ver er de komp: veel aangeleegen is dat mits de Ministers hier op be„ de uijtgeweekenen ingeseetene terug kieren, heeft men best gedagt daarslooten hadden, drie kompanie „van geen notietsie teneemen, om daar ootterlingen in de wanniese door niemand van het terug koo„ telaaten rukken, wenschent men afkeerig temaaken. Het wan„ netje Nelle Naatje is daar en te „ wy dat die macht de oproer „gen, op het aan haar beloofde par„makers zal hebben kunnen don na Jaffanap:n gegaan waar beteugelen „zedert na kolombo gekondenre, daar ze, tot dat ze te nu onlangs overleeden is aan de kinder ziekte, wel behandelt is, zeedert is alles spoedig tot rust gekoomen. § 402: De inzzaameling van lywaaten nog niet hebbende kunnen dat d in korte Jaaren blijken sal, dat het net het in besit neemen van deer landen, die met malkanderen ruim 400: vierkante uuzen bestaan, de kom„ een seer werkelijke dienst gedaan is, inzonderheid, om de groote quanti „teit graanen, die de komp: inder tijd daar uit trekken kan geschieden het N 2306 geschieden, om dat komp:s kan„ „tooren op de overwal, blijkens der Ministeren letteren van den 31: Januarij 1785:, als toen nog waa„ „ren in handen der Engelschen, is het van onze goedkeuring, dat de Ministers belaaden, den onder„ koopman en geweezene eersten Resident te Mannapaar Keune„ „man naar de kust van Madure hadden gehouden, ten eijnde aldaar zo veel lijwaaten van de komp:s sor„ „teering partikulier inte koopen als er te bekoomen souden sijn. En naadien de buijten gewoone duurte van het kattoen ook een grooten hinder aan den insaam had toegebragt, en de Ministers hier door genoodzaakt waaren geweest, op het groff gunees en salmpoeries eerste en tweede zoort, een prijs verhooging van vijf p=r Co C „ding, die verhooging weeder zal hebben kunnen worden ingetrokken „trokken, en sijn zeedert niet meer toetestaan, zoo hoopen wij, dat bij dan de gewoone prijsen betaald. —. een volgende inkoop of aanbestee„ „tie van den 29:' Junij 1786: inge„ Desze 5: P=r C=o sijn. blijkens onse resolu„ 3403. ten . §403: Ten aanzien van de paarlvisserijen Loid Macartnij heeft hier hebben wij uit de Minsteren brieve op eenvoudig g'andwoord, dat niet kunnen nagaan, van welk deeze saak volgens de vreedens artikelen zoude moeten beslist een uitwerking was geweist het door hun, blijkens onsen gene„ raalen brief van den voorleeden Jaare § 294: geschreeven aan Lord Macartin ten eijnde de verpagting der Engel„ „schen van de tutukorijnte paarelban pen „ken en chiankos reeven, niet mogte te benaadelen komp:s regt van vitsen zijnde door de ministers alleen ge„ meld hoe lang en met hoe veel to„ „nies het faarel vissen mitsga„ „ders Chiankos duijken van weege de Engelschen gedaan was. — § 404: Volgens der Ministeren schrijven volgens alle berigten die we zeedert daarvan hebben kunnen invrijscheenen de opgedokene paarlen niets naamwaardigs te hebben ge„ „gen hebben de engelschen van deeze. draagen, en vermits zij dien aan„ visserij weijnig of geene voordeelen „gaande zeekerder berigten zouden tragten te erlangen, zal het aan ons aangenaam zyn, den soberen uitslag van die onderneeming bij voorsz berigten bevestigd. tezien. —. worden. gehad. —. § 405.
English
2367 Section 405. And we reiterate our wishes that the Company's pearl fisheries, which to its great detriment have now already stood still for so long, may finally be resumed once again after the year 1785 and since the early spring of 1786. The Mannar pearl banks were inspected with the greatest accuracy on the occasion of our having a new chart of the pearl banks made, without anything being found thereon; however, on the Madura coast in the past year a pearl fishery was held on the bank Solairampar which yielded 33,500 rixdollars. For the rest, we take the liberty with respect to these pearl fisheries to refer ourselves humbly to the report of our dealings with the Nabob's envoy, the gentleman Doth, contained in our letter to Their High Excellencies of the 4th of April 1786. These have indeed not yet been ratified; it has even appeared for a time that the Nabob of Arcot sought to consign them entirely to oblivion, all the more because General Campbell, Governor of Madras, with whom the undersigned Governor had entered into private correspondence upon his offer made thereto, as appears from our secret letter to Their High Excellencies of the 25th of February 1787, had since left this correspondence unfollowed. But now, in the course of writing this, the Governor has received the letter of the said Mr. Campbell transmitted in copy among the appendices, which gives some hope that this matter will finally be concluded to the mutual satisfaction of the Company. As it appears, it did much good that the Governor of the Cape, Van de Graaff, took the opportunity when the former Governor-General of Bengal, Sir John Macpherson, who seems very well-regarded by the aforesaid Nabob of Arcot, was passing through the Cape, to converse with him on this subject. Section 406. We expect still to be informed whether any result came of the authorization given by Your Excellencies for the settlement of the disputes concerning that fishery, as shown by your advices to us on the 27th of October 1784, renewed by Your Excellencies. The poor outcome of the attempt made in this matter to have chank shells dived along the Colombo beaches, mentioned more fully in our general letter of the past year, Section 297, having not at all answered expectations, we assume that nothing further will come of that undertaking. The poor outcome of the attempt made has since caused this work to be stopped. Section 407. A lessee whose own business it is to direct the chank diving certainly does so with greater attentiveness than usually occurs when such things are done on the Company's account. In the past year the lease along the Ceylon beaches yielded 11,000 rixdollars, and in the current year it was leased for 15,300 rixdollars. From a report by the first examiner Berghuijs, which is transmitted among the appendices, it appears that in the course of eighteen years from the year 1767/68 to the year 1785/86, as far as the Tuticorin chank diving is concerned, the profits that came from the diving done for the Company's account indeed correspond closely with the profits that came therefrom by way of leasing; however, with regard to the chank diving on the Ceylon beaches, it is shown in this report that the leases thereof in the course of the aforesaid years, taking one year with another, gave the Company a net profit of 8,728 rixdollars, 27 1/2 stivers, and we have already in the general letter of the past year, Section 296, made known our desire to be informed of the reasons that had caused the Ministers to decide anew on the leasing of the chank fisheries along the Ceylon beaches. And although it is now shown by them that under that lease the lessee bears all the charges incurred by the fishery, so that, as we must deduce from the letter of the Ministers of the 6th of April 1784, after deducting the provision of five percent for the Governor and three percent for the Chief of Mannar, the lease sum is a net profit for the Company, this report, however satisfactory in itself, does not yet prove that leasing is to be preferred over diving for the Company's account, since that lease for the book year 1784/85 fetched only 6,000 rixdollars, which is 1,100 less than that of the previous year. 2368 And that, on the other hand, during the remaining years that the diving was done for the Company's account, taking one year with another, the Company had no more than 6,700 rixdollars, 13 stivers. Section 408. The combined domains for the said book year of 1784/85 having amounted to 227,585 guilders, which is 75,112 guilders less than those of the previous year, this reduction is quite disagreeable. And since the Ministers ceded the textile lease of Colombo, Galle, and Kalpitiya to a native for 23,000 rixdollars, while he had provided sureties for it, and for greater security 10,000 rixdollars in solid pawns had been placed by him into the cash treasury, with the further undertaking to pay half of the lease sum by the end of February, this textile lease has been properly received, as have the textile leases for the two following years. Thus we must acquiesce in the reasons which
Dutch transcription
2367 § 405: En herhaalen wij onse wenschen, dat naa jaar 1785: en zedert in het vroegjaar de komp=s paarl visserijen, die ten De manaarse paarlbanken sijn in het 1786: ter gelegendheid dat we een nieuwe haaren grooten nadeele nu reeds. zoo lang stil gestaan hebben, eijn„ kaart van de paarlbanken hebben laaten maaken met de grootste naauwkeurigheid gevititeerd, sonder dat daarop iets ge„„delijk eens weeder zullen kunnen hervat worden, verwachtende re vonden is, dog op de madureese kust is in het voorleeden Jaar een paarl wij als nog teworden onderricht visseri gehouden op de bank solaijren„ tig of van eenig gevolg zij geweest, paar die 33500: rd=s gedaan, heeft voor het overige gebruijken wij de vrijheid wo„ pens bijde deese paarl vissarijen, ons nedrig de door UE: blijkens dezelver adviesen aan ons aan den 27: tegedraagen aan het verslag van onze gte de heer Doth, vervat bij vnten nedre ktober 1784: gegeevene kwalifi„ er handelingen met 's Nababs afgesant gen brief aan hunne Hoog Edelheeden katie tot afmaking der verschil„ van den 4:' april 1786. Dezelve sijn len aangaande die visserij door wel nog niet geratificeerd, selfs heeft UE: op nieuw gegeeven. het een tijd lang geschreven, dat de elk Nabab van arkadi die geheel zogt in vergetelheid tebrengen, temeer wijl ook de heer Generaal Campbele gouverneur van Madras met wien de onderge„ teekende gouverneur, op desselfs daartoe gedaane aanbieding, blykens onse secreete brief aan hunne Hoog Edelheeden van den 25: februarij 1707: daarover in een partikuliere korrespondentie getreeden wat, die korrespondentie zeedert dezes onvervolgt gelaaten heeft, dan nu onder het schrijven „ heeft de Gouverneur ont„ „fangen de in kopij onder de bijlaagen overgaande brief van gem: heer Campbell die eenige hoop geeft, dat deese zaak eindelijk tot zamelijk genoegen van de komp:s zal kunnen worden afgemaakt; zoo het schijnt: heeft het veel goeds gedaan dat de heer gouverneur van de kaap van de Graaff, de gelegendheid heeft waargenoomen toen de geweesene gouverneur generaal van Bengale sir John Macpherton, die seer geëligeerd schijnt met de voorsz: Nabab van arkadie, aan de kaap patseerde, deese over dit onderwerp te onder„ houden. —. § 406. §406 De genomene proef, om langs. de De slegte uitslag van de in deesen holombose stranden Chiankos te laaten duiken breeder vermeld by onsen generaalen brief van den voorleeden Jaare §297: aan de ver „wagting in het geheel niet voldoen hebbende, onderstellen wij, dan ock„ dat ook van die onderneeming niet verder zal koomen gedaane proeve, heeft dit werk zeedert doen ztaaken Een pagter die het sijn eijgen 40½ Wij hebben reeds by den Generaale„ brief van den voorleeden Jaare bedrijf is de chiankoos duikerij te derigeeren, doet dit zeekerlijk met grooter oplettend„ §: 296: ons verlangen te kennen ge „heid dan die dingens doorgaans geschieden wanneer ze voor reekening van de komp: geeven, om van de reedenen onder richt te sijn die de Ministers tot het gedaan worden. Voorleeden Jaar heeft de doen der verpachting van de Chian„ pagt langs de Cijlonte stranden gedaan 11000: rd=s en in het loopend jaar is ze ver„ „kos duijkerijen langs de Cijloute pagt voor 15300: rd=s. strand en op nieuw hadden doen be„ Vrij een berigt van den eersten vititateur blikt dat in den loop van agtien Jaaren sluiten, en of wel tegenwoordig Berghuijs dat onder de bijlaagen overgaat zeedert het Jaar 177/. tot het Jaar 1785/0 door hun vertoond is, dat bij die soo veel de tutukorijnsche Chankosduijke, verpagting de pagter alle die zyn uit de beduiking, gedaan voor tkomp ongelden draagd, die op de duijke„ „rij aangaat, de voordeelen die gekoomen reekening, wel nagenoeg overeenkomen „ rij loopen, invoege dat, zo als wij met de voordeelen die daarvan gekoomen uit het schriven der Ministers sijn bij weege van verpagting, dog ten van den 6: April 1784: moeten aansien van de duijkerij Chankos duijke„ rij op de Ceiloute stranden, word bij dit opmaaken, na aftrek van de pro„ berigt aangeweesen dat de verpagtingen vitien van vijf ten hondert voor den gouverneur en drie ten hondert daarvan in den loop van de voorssz: paa„ „ren gedaan, het een Jaar door het an„ het opperhoofd van Mannaar, de „der aan de komp: een suiver winst ge„ „geenen hebben van rd=s 8728: 27:½. en dat pagt ƒ 2308 etDeeze lywaat pagt is behoorlijk inge„ de twee volgende Jaaren pagtschat een zuiver winst dat daar en teegen de komp: geduuren is voor de komp:, zoo bewijst dit be„ „de de overige Jaaren, dat de beduiking gedaan is voor Haar h=s reekening daar„ rigt hoe voldoende op zig zelver „van, het eene Jaar door het ander ge„ reekend niet meer gehad heeft dan nog niet, dat de verpachting booven het duiken voor 's komp:s rd=s 6700. 13. —. reekening te verkiezen, sij hebbende die verpagting voor het boekjaer 178 2/5. maar gegolden 6000: rd=s op 1100: minder, dan die van het voo„ „rige Jaar § 408: De gezamentlijke Domainen voor koomen, zo als ook de lijwaat sagten van het gem: boekjaar van 178/5:—. ƒ 227585: hebbende bedraagen, op ƒ 75112: minder dan die van voorige Jaar is die vermindering vrij onaan „genaam, en vermits de minister talde de lijwaat pagt van kolombo gaed en kalpettij aan een inlander hebben afgestaan voor 23000 rd=s terwijl dezelve daarvoor borgen had gesteld en tot meerder zeekerheid voor 10000: rd=s aan deugdelijke panden door den „zelven in de geld kas was gebragt onder aanneeming daar en booven om de helft van de pagt schat on„ der ult=o febr: tevoldoen, zoo moeten wij berusten in de reedenen, welke tien n
English
Especially regarding the farming out of leases, it is in a better state when served to the company's interest, as experience proves that in this manner the Company can find good people rather than letting them fall into the hands of a party of fortune seekers who undertake this work in an ill-considered manner and, besides being ruined thereby themselves, leave the Company a party of arrears that subsequently generally must be written off. 409. Furthermore, since several other leases were surrendered privately by the ministers because the undertakers were all good payers and had made the highest bids compared to what those leases had previously fetched at auction, we must likewise trust that the Company's best interest will have been observed therein, and under that assumption, we shall content ourselves with it. All the leases that were surrendered in this manner for a good bid that was made for them have all come in without any arrears. And since Their High Mightinesses made no remarks at that time on the report that several leases had been privately surrendered in this manner, this, as appears from our respectful letter to Their High Mightinesses of 30 January 1787, caused us to decide to accept in like manner the offer made by a party of good people for these and other leases in the following year, in accordance with this practice. The reasons that moved them thereto consisted solely of the fact that almost all linen leaseholders had continually fallen behind with considerable sums, so that arrears from 10 years were currently still running on the books, for which one had to be satisfied with the leaseholder's offer. This was with this distinction, that for greater certainty that the leases might not be surrendered below value, we had them brought to public auction, and thereupon gave preference to those who had made the highest bid before the auction, of which the bystanders were notified before such a lease was put up for auction. Because of this, the Company obtained good leaseholders and many leases rose noticeably at the same time. However, as Their High Mightinesses have not approved this arrangement, it has since been discontinued. § 410: The sales of the financial year 1783/4, having consisted of a capital of ƒ350,894:13:— at purchase price, which was turned over with an amount of ƒ860,308:12:8, and on which a sum of ƒ509,413:19:8 or 145 1/8 percent was gained, present themselves considerably more favorable than those of the previous year. § 411: And however much the latest balance sheet presents itself somewhat less disadvantageously than that of the financial year 1782/3, because the profits and revenues in 1783/4 amounting to the sum of ƒ438,228:6:— were thereby ƒ296,737:2:8 higher than those of the previous financial year, on the other hand the charges, which had already climbed at that time to the astounding sum of ƒ1,641,204:—, have risen still higher this time, having amounted to ƒ1,667,008:17:8, or ƒ25,804:17:8 more than those of the previous financial year. § 412: The general arrears, which by the last of August 1784 already amounted to ƒ4,224,863:15:12, were by the last of August of the following year also increased by a sum of ƒ672,506:12:—, having then amounted to ƒ4,896,970:17:12. This increase in the arrears arose mainly from the funds advanced to the prows, which continued to run under the arrears until remittances were received for them. § 413: Referring to that which we have discussed very extensively in the general letter of the past year, § 302 and many following, concerning these arrears, as well as the state of this office in general and the necessity in particular to bring these charges onto a more bearable footing by suitable means, we further saw with pleasure that the Governor Van de Graaff, following the praiseworthy example of his predecessor, had already been mindful of whether and in what manner some means of retrenchment could be introduced with regard to the civil department of this government. And since the same governor specifically revived and urged anew the proposal already made by the late Governor Falck to make Trincomalee solely a military post, we expect that your honor will have taken this proposal—in support of which several very good reasons were adduced in the separate letter of the first-named of 10 February 1785—into further consideration, and will have decided thereon as shall be deemed necessary to prevent further useless expenditure. § 414: And we also trust from the zeal
Dutch transcription
In sonderheit in pagten van eengen. 409 voorts nog door de Munsters ver„ ervede beeter byj staat wanneer ze daan den tcheide andere pagten onder de hand belang bewijst de bevinding dat de komp: op deeze wijze goede linden kan vinden dan seijnde overgelaaten uit hoofde de „ die door ze aan elts aftestaan vallen wanneer „ in handen van een parthij por„ aanneemens alle goede betaalens waa„ ren, en deselve hoogste gebooden hadde„ „tuinzoekers die dit werk op een onbedagt„ zaamewijse aanvatten en behalven dat ze daar door zelfs geruineerd wordende 't geen die pagten tevooren bij op veij„ komp: een parthij agterstallen nalaaten ling, hadden gegolden, moeten wij die naderhand doorgaans moeten wor„ insgelijks vertrouwen dat daar in „den afgeschreeven. sComp=s meeste belang betracht Alle de pagten die op deeze wyze voor zal sijn en zullen in die onderstelling een goed bod dat daarvoor gedaan is het selve ons laaten welgevallen. sijn afgestaan zijn alle sonder eenige agterstallen ingekoomen, en wijl hunne Hoog Edelheeden op het verslag dat vers„ scheijde pagten op deese wijze, onder de hand, overgelaaten, waar en ter dier tijd niets hebben aangemerkt heeft ons dit blykens onzen eerbiedigen brief aan hunne Hoog Edelheeden van den 30: Januarij 1787: doen besluiten om in het daar aan volgend Jaar over een „komstig met deeze handeling, inselvervoegen aanteneemen de aanbieding van een parthij egoede lleiden, voor deese en geene pagten gedaan, alleen niet hen daartoe hebben bewoogen, hier in bestaande, dat meest alle de lijwaat pagters telkens met aanzien „lijke sommen waaren ten agteren gebleeven, zoo dat thans nog werkelijk bij de boeken voortliepen de agterstae„ „len zeedert 10: Jaaren, waar voor men bij des pagters aanbieding met be„ hoefde tevreeten. —. dit 2309 dit onderscheid dat we tot meerder seekerheid, dat de pagten niet benee„ den de waarde mogten worden afgestaan dezelve hebben doen brengen in de publicque verpagting, en daarop de preterentie aan sulke die voor de verpagting daar voor het nooijtte bod gedaan hadden, waar van aan de omthanders voor dat sulk een pag=t op gevijlt is, is kennis gegee„ ven. Hier door heeft de komp goede pagters gekreegen en veele pagten sijn ter selven tijd merkelijk gereeten wij intusschen Hunne Hoog Edelheeden deeze schikking niet hebben goedgekeurd is se sedert naagelaaten § 410: De verkoop van het boekjaar 178¾: bestaan hebbende in een capitaal van ƒ350894:13:— in koops, 't geen met een bedraagen van ƒ 860308: 12:8: is ongeset en waar op dut gewonnen is een som van ƒ 509413:19:8: of 145 1/8: p:r C=to vertoond dezelve sig vrij guu„ „stiger dan die van het voorige § 411: En hoe zeer de Jongste staat reeke„ ning sig eenigsints minder na„ „deelig vertoond dan die van het boekjaar 1782/3: also de winsten en inkomsten in 178¼. ter somma van ƒ 438228:6:—. hier door ƒ296737:2:8: meer hebben bedraa„ „gen, dan die van het voorige boek„ „Jaar zoo sijn daar teegen de lasse„ die Jaar 1 die toen reeds tot een verbalende Lom van ƒ1641204:— waaren ge„ „klommen, ditmaal nog al koo„ „ger gereesen als hebbende bedraa„ „gen ƒ1667008: 17:8: of ƒ25804: 17: 8: meer, dan die van het voo„ §412 De generaale restanten, die on„ der ult=o aug=s 1784: reeds bedraa„ Deeze vermeerdering van de restanten is voornamentlyk ont„ „gen ƒ 4224863:15:12: waaren onder „staan door de gelden die aan de prau„ uEt=o aug=s van het volgende „ten verstrekt sijn en onder de restan„ Jaar meede nog vergroot met een ten hebben voortgeloopen tot dat daar voor witsels ontfangen sijn. som van ƒ 672506:12:—: als heb„ bende toen bedraagen ƒ 4896970: rige boekjaar. §413: O: ns gedraagende aan het geen wij over die restanten, mitsgaders over den staat van dit kantoor in het algemeen, en de noodsaake„ „lijkheid in het bijzonder, om dee latten langs bekwaame weegen op een dragelijker voet tebrengen zeer breed voerig hebben verhan„ „deld bij den generaalen brief van den voorleeden Jaar §:302: en veele volgende sagen wij voorts met genoegen, dat de Heer Gouverneur van 17: 12:— 2310 van de Graaff naar het loffelijk voordeeld van sijn voorganger reeds bedagt was geweest op en op wat wijze ten aansien van het civiele gedeelte van dit Gouverne„ ment eenige middelen van uit„ spaaring intevoeren souden sijn; En vermids dezelve gouverneur bepaaldelyk verleevendigd, en op nieuw aangedrongen heeft het reeds gedaane voorstel van wylen den gouverneur Falck om van Frinhousmale eeniglyk een Mili„ „taire pott temaaken zoo ver„ wagten wij, dat uE dit voorstee tot ondersteuninge van het welke bij de aparte missive van den eerstgemelden van den 10:' febr: 1785: verschijde seer goede reedenen bij gebragt sijn, naader in over„ „weeging zullen hebben genoomen en op het selve zodanige beslooten als tot voorkoming van een verde„ „ren onnutten omslag noodig ge„ „ oordeerd zal weezen § 404: En wij vertrouwen meede van den iever 1 ur
English
zeal and the care of the Lord Governor van de Graaff for the Company's interests, that he will continue devising all such means which may serve to relieve the Company more and more of needless expenses. And as he in particular thought that the household at Jaffanapatnam could be made considerably smaller without inconvenience, we do not doubt that the necessary plan for this has either already been offered to Your Honours or will yet be offered. The undersigned Governor has long been of the opinion, and still believes, that the Civil department on Ceylon could be considerably smaller than it presently is. However, the abolishing of a few minor posts cannot achieve much, and one can do little more as long as the establishment remains on its present footing. The manner of handling matters has thereby become so cumbersome that one can say with much reason that performing them is less difficult than describing them. He has, however, hesitated to propose such measures as would effect an entire change in the establishment, in order not to place too much trust in his own judgment. For that reason, little more could be done in this regard up to now than to abolish some lesser posts and combine them with others, such as the posts of Warehousekeeper at Jaffanapatnam and at Mannaar, of which the first is now attended to by the Administrator and the second by the Chief. But now that Their High Mightinesses, by their separate letter of 24 August 1787, have sent to him the reflections of the late Ordinary Councillor Radermacher, with instructions to serve the said Their High Mightinesses with his humble considerations thereon, he will do so at once. He will also simultaneously point out the reasons why, in the re-establishment of the household at Trinkonomale, he has this time made no use of the qualification granted by Their High Mightinesses to allow a trial to be made of his humble proposal contained in his separate respectful letter to Their High Mightinesses of 10 February 1785. § 415. We hope that, in the re-establishment of the offices on the opposite coast, it will likewise have been examined whether greater economy might also be observed in the Company's household on that side, and that absolutely no other apparatus will be maintained there than that of which the necessity has been fully demonstrated. On the opposite coast the household is so tightly arranged that probably not much more can be curtailed from it. § 806. What we made known to Your Honours in the general letter of last year, § 317, regarding the understanding of what was written by the Ministers in their letter of 7 February 1783 on the subject of retrenching the military expenses in the civil department, compared with the further secret letter of the late Governor Falck and the Secret Council of 19 March 1784, demonstrates sufficiently that the interpretation we gave at that time to the said writing in our aforementioned letter perfectly agrees with the intention of the Ministers as they themselves have now explained it, and which had appeared clearly enough to us in the preceding year. As the Ministers have now also shown that, besides those already abolished, there were yet more offices which in their opinion could be combined, and of which they would make a disclosure in case their proposal to effect a further reduction in the political posts were accepted by Your Honours, and Your Honours have assured the same Ministers on this that you would await that proposal with pleasure, we now look forward with great desire to the further progress of that matter. § 417. Meanwhile, we cannot refrain from expressing our surprise at two remarks made by Your Honours with respect to the said proposal, of which the first is that, as we dispatch a certain number of Junior Merchants annually, some of the same are always on hand both at Batavia and on Ceylon, and that consequently the supposition of the Ministers that one could make use of the service of those Junior Merchants elsewhere than on Ceylon does not hold. § 418. For it cannot be unknown to Your Honours that we have several times suspended the dispatch of Junior Merchants, namely when it appeared to us that the number of those found in India without employment was too great; and it would certainly run most strongly contrary to our purpose if one were to allow posts that could either be completely abolished or combined with others to remain standing on their own, merely for the purpose of being able to place the Junior Merchants whom we send out. § 419. Your Honours also know that, when we have urged the placement of the Junior Merchants, this was done to prevent untimely promotions in India of persons not possessing that quality to posts in which the aforesaid Junior Merchants could have been placed. And the avoidance of such appointments made without absolute necessity will always be a suitable means to derive such service from the Junior Merchants being sent out that the expenses which the Company bears on their account are not in vain. § 420. Nevertheless, despite the careful observance on your part
Dutch transcription
iver en de sorg van den heer De ondergeteekende gouverneur is seedert lange in de gedagten geweest, en meerd gouverneur van de graaff voor sComp=s belangen dat dezelve sal het nog dat het Civiel de partement 6 op Cylon merkelijk kleinder vallen kan voortgaan met het beraamen van dan het thans is, dog 't afschaffen van eenige weinige diensten kan niet veel baalle sulke middelen welke die„ „ten, en meer kan men niet wel doen, zoo lan, nen kunnen, om de komp:e meer „ge het huijthoudelijk op den tegenswoor„ en meer van nodeloose uijtgaaven „digen voet staat. De Mannier om de te ontlasten En daar hy inzonderheid meerde dingen te behandelen is daardoor so om„ slagtig geworden, dat men met veel dat te Jaffanapatnam De Huijs„ gronds zeggen kan dat in veele saaken 't verrigten daar van minder moegelijk houding sonder ongeleegendheid is, dan oonze te beschrijven sulke voor„merkelijk klyner zou kunnen vallen twijffelen wij niet, of „stellen intusschen die een geheele veran„ ook daartoe, zal door hem 't no„ dering in 't huijshoudelijke soude maa„ „ken, heeft hij geschroomt voortestel„ „sen om sijn oordeel daar in niet te veel dige plan UE: of reeds sijn aan„ „geborden, of nog aangebooden toe tevertrouwen en heeft daarom in worden. dit opzigt tot hiertoe wijnig meer kunnen worden gedaan dan eenige min„ dere diensten intetrekken, en dit bij an„ dere tevoegen gelijk de diensten van Pakhuijsmeester te Jaffanapatnam en te Mannaar, waarvan de eerste tans door den administrateur en de tweede door het opperhoofd waargenoomen word. Dan nu dat Hunne Hoog Edelheeden bij hoogst derzeelver apparten brief van den 24: aug=s 1707: aan hem hebben toegezonden de bedenkingen van wijlen den Heer Raad ordinair Radermacher, met last om welgem: Hunne Hoog Edelhee„ „den daarop te dienen van sijn nedrige konsideratien zal hij dat ten eersten doen. Wij zal daar bij tevens aanwijzen de reedenen, waarom hij bij het herstellen van de huijshouding te Trinkonomale dit maal geen gebruijk gemaakt heeft van de kmilifikatie van Hunne Hoog Edelheeden om van zijn nedrig 2311 nedrig voorstel vervat bij sijn apparten eerbiedigen brieff aan Hunne Hoog Edelheeden van den 10: Februarij 1785: een proef temoogen nee„ men. —. §415: wijs hoopen, dat meede bij de „ kantooren herstelling van de „ aan de over„ op de overwal is de huijshouding zoo knap gesteld dat daar van naast wal nagegaan zal weesen, op denkelijk niet veel meer zal afte„ ook aan dien kant in sComp: huijs„ „dingen zijn. houding eene meerdere zuijnig„ „heid te betragten zou zijn, en dat men aldaar volstrekt geen ande„ „ren omslag zal aanhouden, dan welks noodzaakelijkheid ten vollen is gebleeken § 806: Hlot geen wij UE: bij den generaalen brief van den voorleeden Jaare § 317: te kennen hebben gegeeven noopens het verstant van 't ge„ schreevene door de Munsters bij hunne brief van den 7: febr: 1783: op het stuk van het bezuinigen der Militairen kosten in het civile departement vergeleeken met den naderen lefreeten brief van wijlen den heer Gouverneur Falck en den Lecheeten Raad van den 19: Maart 1784 toond genoeg„ „zaam aan, dat de uijtlegging die wij bij gemalden onsen brief aan dat „schrevene dat ge als toen hebben gegeeven met der Ministeren meening, zoo als zij selven die nu verklaard hebben, en die ons buiten des in den voorleden Jaa„ „re reeds duijdelijk genoeg was, voorgekoomen volmaaktelijk over een stemt Daar nu de Munsters teffens hebben doen zien dat behalven de reeds ingetrokkene, en nog meer bedieningen waaren die naar hunne gedagten zouden kunnen worden in een gezinve„ „ten, en waar van zij opening zou„ „den doen, ingeval hun voorstel tot het maaken van eene ver„ „dere vermindering in de poli„ „tieke bedieningen door UE: aan„ „genoomen wierd, en UE: hier op denselve Ministers verzekerd hebben, die voordragt niet genoe „gen te sullen afwagten, zien wij nu het verder gevolg van die zaak met veel verlangen tege„ moet — 5 417. 2312 § 417: Jntusschen kunnen wij met na„ „laaten onze verwondering te ken„ „nen te geeven over twee aanmerkin„ „gen, die met opzigt tot 't gemelde voorstel door UE gemaakt zijn, en waar van de eerste is, dat wij Jaarlijks een zeeker getal onder„ kooplieden uitzendende er dus steeds eenige van dezelven, zoo wel te Batavia, als op Cailon voor handen sijn, en dat mits dien niet doorgaat, der Ministeren onder„ stelling, dat men van den dienst van die onderkooplieden elders dan op Ceilon soude kunnen ge„ bruik maaken: §418 Jmmers kan het uE: niet onbe„ „kend weesen dat wij neermaalen de uitsending van onderkooplie„ „den hebben afgeschort aan nament„ lijk, wanneer ons bleek dat het 3„ in getal der geenen die reg.tn Jndia buiten emploij bevonden, te groot was, en het soude gewisselijk ten aller„ sterksten teegen ons oogmerk in„ „loopen, wanneer men bedienin„ „gen - „gen die, of geheel afgeschaft, off met andere vereenigd soude kunnen worden, op sig selven, liet blijven slandgrijpen, alleen met oogmerk om de onderkooplieden, die wij uit„ „zenden, te kunnen plaatzen. §419: UE: weeten ook, dat, als wij heb„ „ben aangedrongen op het plaatse der onderkooplieden, sulks ge„ daan is, om voortekomen ontydi„ „ge bevorderingen in Jndia van par„ „zoonen, die qualiteijt niet hebben„ „de, tot posten, waar in voorsz: on„ „derkooplieden souden hebben kun„ „nen worden gesteld. En het ver„ mijden van dergelijke buiten eene volstrekte noodsaakelijkheid ge„ „daane aanstelling zal steeds een geschikt middel sijn, om van de uitgezonden wordende onderkoop„ „lieden zodanigen dienst tetrek„ „ken, dat de kotten; welke de Mi„ Maatschappij om kumment wil draagd niet nutteloos zijn. —. § 420. Blijft echter in weerwil van het zorgvuldig aan uwe sijde in acht neemen
English
if these duties make the number of junior merchants without employment too large, then the way is indeed open for you to make such proposals to us as you shall judge most expedient according to the nature and condition of affairs. § 421: Your second remark comes down to this, that if the savings in the civil department are spent on the military department, no advantage is then brought to the Company by the retrenchment; yet in making this remark, you have entirely lost sight of the true origin from which the proposal of the late Governor Falck and the other ministers stemmed, which was that, in order to make the unavoidable costs of the military department more bearable for the Company, one had to strive all the more to save on the civil department, so that in employing the means strictly necessary to keep this important possession of the Company constantly in a proper posture of defense, one would not be held back by a timidity regarding the excessively great costs that would thereby be caused to the Company. § 422: We have judged it necessary to express ourselves somewhat more fully on this matter because, in the present circumstances of the Company, we understand that far from giving any cause to make the ministers hesitate about making any proposals of the nature of the one now discussed, they cannot, on the contrary, be strongly enough encouraged to do so, wherefore we also trust that you will take the above as information for your guidance. § 423: In the general letter of the past year § 305 and following, we likewise expressed ourselves at length concerning the work of the fortifications, and the necessity that the same be directed with skill and good judgment; and having nothing further to add for the present to what was then discussed by us, we shall now only mention that we have seen with regret from the secret missive of Governor van de Graaff of 10 February 1785 that the condition of the fortifications of Colombo, Galle, and Trincomalee, according to his understanding, was by no means as it ought to be, so that the great expenses which the Company continuously incurs for the maintenance of its military establishment on Ceylon would, according to that understanding, for the greater part be useless expenditures if the defects of the aforesaid fortifications were not remedied, while the aforementioned Governor reported that the new works at Trincomalee, which the French engineer Des Rois had merely had thrown up out of earth during the war there, had already collapsed again. We must now await your decisions on the representations made with so much urgency by the said Governor, and insofar as these also include the sending of a good engineer from the Netherlands to help regulate the necessary work of the fortification construction, we inform you for your notification that the respective Chambers have continually been requested and authorized to look out for such skilled persons and to enter into negotiations with them regarding the footing and the conditions upon which they would be inclined to enter the service of the Company, and we desire nothing more than to take such persons into the service, our decision to train young people at the Cape in the engineering corps for the service of the Company in India having originated from that same principle. § 424: Furthermore, the plan and the profiles of the fortress at Galle having been sent to us by the ministers along with their letter of 11 February 1785, we placed those documents in the hands of the Chamber of Zeeland, which thereupon, at the meeting of the past spring, laid upon our table the written remarks and reflections which had been submitted to the said Chamber regarding this plan; you will see from the accompanying extract of our resolution of 29 April 1786 that that Chamber was requested by us to send the aforementioned written remarks, together with a small map annexed thereto, as well as the plan and the profiles themselves, to the Governor of the Cape, van de Graaff, in order that he, together with the Director Gilquin, may examine those remarks with the documents to which they relate, and communicate their thoughts thereon to you as well as to the Governor and Council of Ceylon, in order subsequently to act with respect to those works in such manner as shall be judged most useful and necessary for the benefit of the Company, after a mature and expert examination of affairs, and with strict observance of what was discussed in the general letter of the past year § 313 and following. § 425: The description appearing in the aforementioned secret letter of 10 February 1785 regarding the condition of the European troops on that island serves in no small measure to confirm the fear which we expressed in our letter of 29 April of last year, that on the muster-roll of the Company's military force in India a great number of men are found from whom the Company cannot obtain that service which it might expect from them as appearing on the rolls that represent the Company's military force.
Dutch transcription
2313 neemen deese pligten het getal„ der onderkooplieden buiten evnploij te groot, dan is immers de weg voor uL: open, om aan ons sodanige voor„ „stellen te doen als UE: naar den aart, en de geschapenheid van zaaken meest dienstig zullen oordeelen 5421: uuwe Tweede aanmerking komt daarop neer, dat als het bespaalde in 25 Civiele aan het militaire departement word te kost gelegd, door de betuiniging als dan aan de komp: geen voordeel toegebragt word; doch UE: hebben bij het maaken van de aanmerking ten eenemaal uit het oog verlooren den waaren oorsprong waar uit het voorstel van wijlen den heer gou„ „verneur Talck en de verdere mi„ „nisters voortgevloeijd is, hier inbe„ „staande, dat om de onvermijde„ „lijke kosten van het Militaire departement voor de Maatschap„ „pij, draaglijker te maaken, men zo veel meer op het Civiele moest tragten uijt te winnen, op dat men in het aanwenden der middelen, volttrekt 3. volstrekt noodig, om deese gewig„ „tige bezitting van de Maatschap„ „pij Pnsteling van de Mantse Luyhen steeds in eene behoorlijks pos„ „tuur van verweering te doen te zijn, niet terug gehouden sou worden door eene beschrovmdheid voor des al te groote kosten, die hier door aan de Maatschappyj souden worden veroorzaakt. § 422: Wij hebben noodig g'oordeerld over dit een en ander ons wat breeder uit telaaten, om dat in de tegen„ woordige omstandigheeden van de Maatschappij, wij begrijpen, dat wel verre van eenige aanbei„ „ding tegeeven, om de ministers te doen aanzelen omtrent het doen van eenige voorstellen van natuur, als de nu verhan„ „delde, integendeel dezelve daartoe niet sterk genoeg kunnen worden aangemoedigd, waarom wij dan ook vertrouwen, dat UE zich het boovenstaande tot naricht zul „len laaten strekken § 423: Bij den generaal en brief van den voorleeden 2314 voorleeden Jaare §: 305: en volgende, hebben wij meede ons in het breede iitgelaaten over 't werk der for„ tificatien, en de noodzaakelijkheid dat het selve met kunde en een goed overleg bestuurd worde; En bij het geen als toen door ons verhandeld is, voor ditmaal niets verder tevoegen hebbende sullen wij nog maar alleen aanhaalen, dat wij uit de secreete missive van den heer gouverneur van de graaff van den 10: februar 1785: niet leedweesen hebben ge„ sien, dat het met de vefttng wer„ „ken van kolombo, gale en Trinko„ nomaale naar sijn begrip geen„ „sints sodanig geleegen was, als zulks behoorde, zodat de groote kosten, die de Komp: bij voort„ duuring doet tot het onderhou„ „den van haaren Militairen staat op Ceelon, naar dat begrep voor het grootere gedeelte nutteloo„ „te uitganen souden sijn, inge„ val omtrent de gebreeken van voorseijde vetting werken niet voorsien wierden terwijl aange„ „melte - „melte heer Gouverneur bericht ing dat de nieuwe werken te Trinkou„ male, die de franschen Jngenien Des Rois; geduurende den oorlog aldaar alleen naar aarde had doen opwerpen, reeds weder ingestort wac „ren. wij moeten nu afwagten inwe beschikkingen op de niet zo veel aandrong gedaane vertoogen van gem: heer Gouverneur en voor zoo „onder deselve ook voorkomt hiet Len„ veel „den van een goed Jngenieur uit Ne„ „derland om het nodige werk der vetting bouw te teelpen regelen, Zo melden wij ter rwer naricht, dat de respective kaamer en steeds zijn verzogt en gequalificeerd om waar sodanige kundige pertoonen vinto„ „sien, en met deselve in onderhandelin„ „ge te treeden over den voet en de voor„ „waarde waarop zij geneegen sou„ den sijn, zich in den dienst der Maatschappij te begeeven en wij ver„ langen niets meer, dan om sodani„ „ge persoonen in den dieast tenee„ „men, sijnde uit die selfde begin self herkomstig ont besluit, om aan de kaap Jonge buiden tot de genee, ten dienste van de komp in 2315 in Jndia te doen aankweeken. § 424: Wijders door de Ministers neevens hunnen brief van den 11: februarij 1785: ons sijnde toegezonden, het plan en de profilo van de vesting te gale, hebben wij die stukken gesteld in handen van de kamer zee„ „land, die daar op in de vergade„ „ring van het laastleeden voor„ jaar ter onser tafel, heeft overge„ „legd de schriftelijke aanmerkin„ „gen, en bedenkingen, welke noopens waa„ dit plan aan gemelte kamer Tortu„ de „ren overgegeeven zullen „ UE: uit het nevensgaande Extract onter reto, „lutie van den 29:' april 1786: blij„ „ken, dat die kamer door ons ver„ „sogt is, de voornoemde schriftelij„ „ke aanmerkingen beneevens een daar bij gevoegde kaartje, mitsgaders het plan en de profils selve teten„ „den aan den Gouverneur van de kaap van de Graaff, om niet en be„ neevens den directeur Gilquin, die aanmerkingen met den stukken waar toe deselve betrekkelijk sijn, te ondersoeken, en hunne ge„ dagten daarover UE: mitsgaders den gin om Not komp Keri 1 1 den Gouverneur en Raad van Ceilon te doen toekoomen, om vervolgens ten aanzien van die werken, sodanig te handelen als na een ryp en kundegou dersoek van zaaken, en onder een stiftte, in acht neeming van het geen bij den generaalen brief van den voo leeden Jaare §:313: en volgende verhan deld is, ten meesten nutte van de komp: dienstig en noodig gevordeeld zou worden. § 425: De beschryving die bij voormelden Lecreeten brief van den 10: februari 1785: voorkomt weegens de gesteld„ „heid der Europesche trousjes daar„ ten Eijlande, dienst niet wijnig ter bevestiging van de vrees, die wij bij onsen brief van den 29:' April J:oL: hebben laaten blijken, dat op den staat van 'sComp=s Militai„ „re magt in Jndia een groot aan„ „tal manschappen gevonden word, van dewelke de komp: dien dienst niet kan hebben, welke sij van dezelve, als op de rollen staande die Comp:s Militaire magt vertoonen zouden kunnen verwagten. 24
English
2316 And since from this naturally the very greatest and most harmful uncertainty must be born regarding the forces which the Company in case of need could exercise with its military power in India, we refer to that which was given to your consideration in that missive concerning the formation of a Corps of Invalids from the old, sick, or otherwise defective officers and soldiers, in order to employ them in places where there is less danger of enemy actions, and thus always to be able to keep supplied with stout men those places which require stronger provision for their security. § 426: We will most conveniently be able to give place here to our remarks regarding what occurred with Major de Stettenhoffen and some other officers of the Regiment of Luxemburg, and in particular the actual opposition of the first-mentioned against the orders of the Ministers to the end that the ship the Ceres, on board of which the aforementioned Major with a part of the aforementioned regiment was situated, should return to Gale. The one and the other has furnished matter for great offence for us, while we could regard the conduct of that officer, as it is circumstantially described in the Ministers' letter to you of 6 April 1784, as nothing other than serving as a most dangerous example to other officers, and very detrimental to the preservation and maintenance of strict military discipline; since without the same no military power can exist, at least not exist in such a way that one can rely upon it with tranquility, and in case of need have no cause to fear a wrongful operation of the same, we hope that, as concerning all the Company's troops, so also with regard to this Regiment the aforementioned remarks will be duly taken into account, while we furthermore with respect to this regiment refer to what was said in the general letter of the past year § 386. § 427. 2317 § 427: The conduct of the Engineer Lieutenant and former Commander of the Artillery at Trinkoumale Willem Lowé during the siege and taking by surprise of the Fort Oostenburg having been investigated by the Colonel and Head of the Militia Jan Jacob Coquart and the Major and Commander of the Artillery Elias Paravicini Di Capellie, and it having been declared by the same commissioners that the said Lowe had done, performed, and observed everything that could have been required of him according to the circumstances of the time, such that the aforementioned Lieutenant Engineer Lowe on 5 March 1784 was declared innocent of any neglect of duty in his service, and restored to his capacity as Lieutenant Engineer, we hope that this investigation will have been conducted with the required precision and a pure and simple purpose to inform the Ministers of the true state of affairs, and that thus the said so broad declaration may have been supported on good grounds. And we expect no less that you, convinced of the weight of this investigation, will not have rested in the same as well as in the restoration of the said Engineer Lowe, until it shall have sufficiently appeared to you that regarding the one or the other no well-founded objection can take place; this latter having been the more necessary because the resolution of the Ministers of 5 March aforesaid was taken by a majority of votes. § 428: Meanwhile, since by our aforementioned general letter of the past year § 327 it was expressly recommended to you as well as to the Ministers, that in the investigation into the conduct which was maintained in the defence of those Forts, above all not to neglect the inquiry into how far the condition of the works, as the same was at the surrender of Trinkonomale, helped to cause that loss, and also whether they to whom the supervision over those works was entrusted 2318 had observed their oath and duty therein, it has appeared to us from what was noted in the Ministers' aforementioned resolution that our aforesaid order will have to give occasion to review more closely the said investigation with the consequences thereof, of which we consequently shall have to await the further result. § 429: Pursuant to the investigation ordered by you to the Company's Ministers at Colombo into the conduct of the Military and Civil officials on the coast of Coromandel at the time of the siege and surrender of Nagapatnam to the English, Major Hatelman having been summoned thither in order to answer for what was charged against him, we have seen with the utmost dismay from the report of the commissioners in the case of the said Hatelman, being Colonel Coquart and Major Paravicini di Capellij, as the same appears in the Ministers' secret missive of 7 June, that the same Hatelman is judged thereby to have behaved, concerning the military discipline and Military arrangements for the defence of the city as well as regarding the sorties during the siege, as an honourless, cowardly officer, in such manner that the repeatedly mentioned Hatelman had made himself worthy of the strictest military punishment; but that, in consideration of his simplicity and ignorance in the service, and on account of the arbitrary conduct of Governor van Vlissingen, the punishment might well be softened. § 430: Indeed this report furnishes a most convincing, but at the same time a most scandalous proof of the negligent and reckless manner in which one has proceeded in the appointment and promotion of officers, and how pitiably the Company has been the victim of such indiscreet steps. § 431.
Dutch transcription
2316 En naar dien hier uit natuurlijk de aller grootste en aller schadelijkste onzeekerheid gebooren moet worden omtrent de kragten welke de komp: ingeval van nood met haar Mili„ „tair vermoogen in Jndia soude kun„ „nen oeffenen zoo gedragen wij ons aan het geen UE: bij die missive in beden„ king is gegeeven omtrent het formee„ „ren van een Corps van Jnvalides, van „de oude ziekle, of andersints gebrek „kige officieren en soldaaten, ten ein„ „de dezelve te gebruijken op plaatsen, alwaar minder gevaar is voor vijandelijke bedrijven, en alzo die plaatsen, welke een sterkere voor zie„ „ning tot desselver bevijliging vordere altoos met kloeke manschap te kun„ „nen betet houden. —. § 426: wij zullen hier 't gevoeglijkst plaats kunnen geeven aan onze aanmerkin„ „gen weegens het voorgevallene met den Mazoor de Stettenkoffen; en eenige verdere officieren van het regi„ ment van Luxeenburg, en insonder„ „heid de feytelijke aankanting van eerstgemelden teegens de ordres der Mi„ „nisters ten eijnde het schip de Ceres, aan boord van het welke voormelde Majoor Majoor met een gedeelte van het voort regiment, zich bevond, naar gale souden terug keeren. Het een en ande heeft voor out stop tot groote erger„ „uis uitgeleeverd, terwijl wij het gedrag van dien officier, zo als het selve, bij den Ministeren brief aan UE: van den 6: April 1784: omttan„ „dig is beschreeven, niets anders hebben kunnen aanzien dan als strekkende aan andere officieren tot een aller ge„ vaarlijkst voorbeeld, en zeer naadee„ „lig voor de bewaaring en onderhouding eener strenge krijgstugt vermits. nu sonder deselve geen militaijre vermoogen kan bestaan, ten minsten niet zo bestaan, dat men op hetfel„ „ve zich met gerustheid kan verlaa„ „ten, en ingeval van nood geensints behoeve tevreeten voor eene verkeerde werking van het selve, zoo hoopen wij, dat, gelijk omtrent alle 's komp: troupen, zoo ook ten aanzien van dit Regiment de voorsz aanmer„ „kingen behoorlijk sullen worden in agt genoomen, terwijl we voorts met opzigt tot dit regiment ons gedraagen aan het geen bij den gene„ raalen brief van den voorleeden Jaare §386: gezegd is. — § 427. 2317 § 427: Het gedrag van den Jngenieur Luite„ „nant en geweesen Commandant der Artillerij te Trinkousmale Willem Lowé, geduurende de belee„ „gering en over rompeling van het folt oottenburg door den hollonce en Hoofd der Militie Jan Jacob Coquart en den Majoor en komman„ „dant der Artillerij Elias Paravi„ Cim De Capellie ondersogt en door dezelve gecommitteerdens verklaard sijnde, dat gem: Lour, alles gedaan verrigt en betragt had, wat naar tijds omstandigheeden van hem had kunnen worden gevorderd, sulks dat voorm: Luitenant Jngenieur Lowe op den 5:' Maart 1784. onschul„ „dig was verklaard aan eenig pligt versuim in sijnen dienst, en her„ „steld in zijne qualiteit als Luijte„ nant Jngenieur hoopen wij dat dit onderzoek met de vereijschte naauwkeurigheid, en een zuiver en eenvoudig oogmerk om de Mi„ uisters van de waare toedragt van zaaken te onderrigten, geschied zal weesen, en dat alzo de gem: 70. ruime verklaaring op goede gronden gronden mooge hebben gesteurd En verwagten wij niet minder„ dat uE: van het gewigt van dit ondersoek overtuijgd in het selve als meede in de herstelling van gem: Jngenieur Lowe niet sullen berust hebben, dan, na dat aan UE: voldoen de gebleeken zal zijn, dat omtrent het een nog ander geene gegronde bedenkelijkheid kan plaats hebben sijnde dit laatste te nodiger ge„ weest, om dat het besluit der Mi„ uisters van den 5:' Maart voornoemd by meerderheid van stemmen is §428: ondertusschen daar bij meer gem: onzen generaalen brief van den voorleeden Jaare 5327: uE: zoo wee als de ministers wel uitdrukke„ lijk is aanbevoolen, om bij het on„ „dertoek naar het gedrag, 't geen bij de verdeediging van die Forten was gehouden, voor al ook niet teversuinen de natstooring, in hoe verde gesteld heid der werken; zo als deselve bij de overgave van Trinko„ „nomale is geweest, dat verlies„ heeft helpen veroorzaaken, mits„ gaders of sij, aan wien het opligt over die werken is toebetrouwd geweest genoomen . 2318. geweest, daar in hun eed en pligt be„ „tragt hebben, zoo is het ons uit het aangeteekende bij der Ministeren voor„ „meld besluijt voorgekoomen, dat voorleijde onse ordre aanleijding sal moeten geeven, om 't gemelde ondersoek met de gevolgen van het zelve nader teherzien waar van wij derhalven den verderen uitslag sullen moeten verwagten § 429: Jngevolge van hiet door UE: aan 'sComp: Ministers te Colombo opge„ „draagen ondersoek naar het gedrag der Militaire en Civiele beampte ter kuste Cormandel ten tijde der beleegering en overgave van Nagapar „nam aan de Engelschen den Majoor Hatelman derwaards ontbooden sijnde, ten eijnde sig op het geen ten sijnen laste was te verandwoord den, hebben wij uijt het rapport der gecommitteerdens in de zaak van gem: Hatelman, sijnde den Collonel Coguart en den Majoor Paravicine de Capellij, zoo als het zelve bij der Ministeren Lecreete uuis„ „sine van den 7: Junij voorkomt met de uiterste ontstigting gesien, dat dat deselve Hatelman daarbij ge„ oordeeld word aangaande de krijgs„ „tugt en Militaire schikkingen ter verdeediging van de stad, als ook omtrent de uitvallen, geduurende de beleegering, zich als een eerloosen lafhartig officier gedraagen te heb„ „ben, invoege, dat meergem: Halel„ „man zig„ trencgste militaire straf had waardig gemaakt, doch dat men uit aanmerking van desselfs onnoschheid on „kunde in den dienst, en weegens de willekeurige handelwijze van den Gouverneur van Vlissingen de straffe wel zoude kunnen ver„ § 430: Jmmers leeverd dit rapport een aller overtuigensz, maar teffens een allerschandelijkst bewijs uit van de onachtsaame en roekeloote wijze, waarop men in de aanstel„ „ling en bevordering van officieren tewerk hebbe gegaan, en twe deer lijk de Maatschappij van sulke onberoerde stappen het slagt opper zij geweest § 4341 zachten
English
2319. Paragraph 431: This example, which we regret to say is far from being the only one, ought therefore to serve as a warning to the ministers in the Company's possessions in India to be more cautious when proposing persons for promotion in the military service, lest they otherwise hold themselves liable for the consequences of their rashness in that respect. Paragraph 432: And on your part, you should no less ensure that future military promotions occur solely on grounds of competence and merit, and none other. Paragraph 433: Regarding Major Haselman, we take the liberty to refer to our humble letters to their High Noble Lordships of 27 November 1786 and 31 March 1787; and because, upon receiving their High Noble Lordships' highly respected letter of 28 March 1786, he had already returned to the coast of Coromandel, the order contained therein was communicated to the ministers of Paliacatta, with the request to have it executed there. Since the ministers considered a judicial investigation against the aforementioned Major Hazelman to be unnecessary and nearly impossible, as most persons who could testify against him were deceased or scattered far and wide, and as by transmitting the aforementioned report along with the answered questionnaire it was reported to you that the ministers were of the opinion that Major Haselman should be dismissed from the service of the Company without the formality of a trial, without granting him a passport or discharge; while subsequently the documents against the often-mentioned Haselman were submitted by you to the advocate fiscal to serve for advice, we shall await the outcome thereof. Paragraph 434: As Captain Zeegelaar, who had commanded the native troops, the commander of the artillery Silman, as well as Governor van Vlissingen and the merchant Mossel, who had held the post of Chief Administrator, are all deceased, it does not surprise us that, as the ministers write, it had become difficult for them to bring the matter regarding the defense and surrender of Nagapatnam into such a state of clarity that a conscientious verdict could be delivered on it, whereas now all the blame was laid upon those who could not answer for themselves. 2320. Paragraph 435: However, since according to the reports received by the ministers, much was charged against the aforementioned Captain Ziegelaar regarding the ill-treatment of the native soldiers and the poor payment of the same, and with respect to both the aforementioned artillery commander Wilman and Governor van Vlissingen it was judged that there would be sufficient ground, had they still been alive, to have them prosecuted criminally for neglect of duty, it meets with our approval that attachment was placed upon the deceased estates of the aforementioned three persons. Paragraph 436: Furthermore, it has not become clear to us what was decided by you upon the proposal of the ministers contained in the secret letter of 19 March 1784, as to whether and to what extent the estate of the aforementioned merchant Mossel could be declared liable for the deficit that was found in the main cash treasury. The reason for the ministers' hesitation was based on the fact that the aforementioned Mossel had indeed served as Chief Administrator, but that no formal transfer of the aforementioned treasury had been made to him; that during the surrender of Nagapatnam not the slightest precaution was taken to preserve the trade treasury and other books for the Company, whereas otherwise, as it appears to us, it would have been possible to verify whether and to what extent the administration of the aforementioned Mossel could have had any connection to that deficit. Paragraph 437: In any case, there seems to be little recourse against the estate of the aforementioned Mossel, as already during his lifetime, according to the writings of the ministers, the greatest part of that estate had been remitted to 2321. to the Netherlands. Paragraph 438: We must assume that this remittance was made prior to the discovery of the deficit in the cash treasury, since it would certainly show no concern at all for the Company's interests if that remittance had been permitted thereafter, and while the inquiry into the liability was pending; but we cannot well judge on this matter and might perhaps have received more light on it had we received the memorandum which the remaining council members of Nagapatnam sent to you concerning what had been remitted from time to time by the aforementioned Mossel to P: Mossel in Amsterdam. Paragraph 439: Meanwhile, the deficit itself seems to have amounted to quite a substantial sum, at least we see that, on account of the compensation demanded by the English from Governor van Vlissingen because of that deficit, the latter was
Dutch transcription
2319. §431: Dit voorbeeld, 't geen tot ons leed wee„ „ten ver is van het eenigste tezijn, behoord dan ook de Ministers op sComp=s bezittingen in Jndia ter waartchouwing testrekken, om in het voordragen ter bevordering van Perzoonen in den Militaijren dienst behoedsaamer tezijn, willen zij anders zig niet aanspreekelijk maaken voor de gevolgen hunner ligtvaardigheid in dat opsigt. § 432: En zullen UE: niet minder var haaren kant behooren toetezien dat de voortijde Militaijre bevor„ deringen geschieden op gronden van bekwaamheid en verdientten en geen andere. § 433: Aangezien nu de Ministers een ge„ „bruijken wij de vrijheid ons te gedra„ regtelijke ondersoek teegende Noopens de Majoor Haselman ge„ voornoemde Majoor Hazelman „gen, aan onze nedrige brieven aan hebben begreepen te zijn onnodig en Hunne Hoog Edelheeden van den bij na ondoenlijk, alzoo de meeste 27: November 1786: en 31: Maart 1787: en wijl hij op het ontfangen van welgem: hunne Hoog Edelheeden persoonen, die teegen hem souden seer g'eerde brief van den 28: Maart kunnen getuigen, overleeden, of 1786: bereets na de kust van kor„ wijd en zijd verspreijd waaren, en door hun onder overzending „mandel gekeerd was, hebben me den last daarbij vervat, de Minis„ van 't voorm: rapport neevens „ters van Palleakatta bedeeld, met verzoek om die daar te doen exeku„ „teeren. —. de de beandwoorde vraag punten aan UE: tot bericht is gedient dat zij ministers van gedagten waaren, dat de Majoor Hatel„ „man buiten figeur van proces uit den dienst van de Maatschappe behoorde te worden ontslaagen sonder aan hem een paspoort of afscheid te verleenen; terwijl ver„ „volgens door UE: de stukken ten latte van meer gem: Haselman sijn afgegeeven aan den advocaat fiscaal om te dienen van advies, sullen wij het gevolg hier van tegemoet zien. § 434: De Capitein zeegelaar, die de Jnlandse troupen, had gecomman„ „deerd; De Commandant der Ar„ „tillerij silman, mitsgaders de gouverneur van Vlissingen en den koopman Mossel die het amst van Hoofdadministrateur had waargenoomen alle overleeden, zijnde verwondert het ons niet dat het zoo als de Ministers schryven voor hun moeijelijk was gewor„ „den, de saak noopens de verdee„ „diging N 2320 diging en overgave van Naga„ „patnam in sodanige staat van wijden tebrengen, dat daar over eene gemoedelijke uitopraak zoude kunnen geschieden, terwijl tans of deese die sig niet konden verandwoord „den al de schuld gelegd wierd. § 435: Daar egter gem: kapitein Ziegelaar volgens de bij de Ministeren ontfan„ „gene berigten veel had, ten sijnen laste weegens, slegte behandeling der in„ „ Militairen en kwaade landse „ betaling van deselve, en ten opsigte, zoo van voorm: artillerij- kommandant Wilman als van den gouverneur van Vlissingen geoor„ „deeld was, dat 'er grond genoeg Joh zijn om hem indien zij nog in leenen waaren, van plicht verzuim Crimi„ neel te laaten actioneeren, is het van onse goedkeuring, dat 'er op de nage„ latene boedels van gem: drie persoo„ „nen beslag was gelegd. — § 436: wijders is het ons niet gebleeken, wat door UE: is beslooten op der Ministeren voordrag vervat bij de secreete missive van den 19: maart 1784: of en hoe ver de boedels van gem. ƒ gem: koopman Motsel aan sprake „lijk zoude klunnen worden verklaard voor de minderheid, die op de groote geld kas was bevonden. De reeden van der Ministeren bedenkelijkheid zig gegrond hebbende daar in, dat voorn: Motsel wel den dienst van Hoofdadministrateur had waarge„ noomen maar dat aan hem geen transport van de voorseide kas was gedaan, dat 'er bij de overgaa„ „ve van Nagapatnam geen de min„ „tte voortzorg gebruikt is, om de Negotie kas en andere boeken voor de komp: tedoen bewaard blyven, dewijl anders, zoo als het ons toe„ schijnt, nategaan zou sijn geweest„ of en hoe ver de administratie van voorm: Motsel op die tekort, koo„ „ming eenige betrekking had kun„ nen hebben: —. § 437: Jn allen gevalle schijnt 'er aan de Boedel van voormalde Mossel weging verhaal te sullen zijn, alzo reeds bij sijn leeven volgens het schrijvens der Minsters het grootste gedeelte van dien boedel naar N. 2321 naar Nederland was overgemaakt. § 438: wij moeten onderstellen, dat die over making gedaan zij voor den tijd der ontdekte te kortkoming op de geld kas, dewijl het zeekerlijk gans geen zorg voor kompagnies belangen sou aantoonen wanneer men die overmaking daarna, en hangende het ondertoek over de aanspreekelykheid had toegelaa„ „ten; dan wij kunnen hieromtrent niet wel oordeelen en souden mis„ „schien der weege meerder ligt hebben ontfangen, indien ons geworden was de Notitie die de overgebleevene Raadsleeden van Nagapatnam aan UE: hebben gesonden van het geen door voormelde Mossel van tijd tot tijd aan P: Mossel te Amster „dain overgemaakt was. —. §439 ondertusschen schynt de tekort koming zelve een vrij aanzienlijke lom te hebben bedraagen, althans zien wij, dat uit hoofde der ver goeding door de Engelschen, weegens die te kort kooming den gouvernair van vlissingen gelegd, laastgem: voor