Inventory 3793
Ceylon · 1,154 pages · 155 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
3361 3354 to be able to fathom what may have given any cause for those thoughts, and I therefore respectfully request that I may receive further information in this regard, so that I can properly justify myself concerning it. The mentioned Surveyor departed shortly after his arrival here from the Maawakoale in the Dissavony of Mature, for the execution of the commission entrusted to him by Your Right Honourable Sirs, with the necessary assistance of two Young Surveyors, and after issuing the arrangements serving him best in this commission, to the small district of Diwietoere, from where he remained in the beginning of this month, because the severe floods absolutely prevented him from properly completing his commission entrusted to him by Your Right Honourable Sirs, and he therefore saw himself compelled to remain in this town for so long until the intruded water over the abovementioned small district had drained away somewhat. This is fully evident from my Note sent to Your Right Honourable Sirs under date of 25 January last on the occasion of the provisional forwarding of the Provisional Report submitted to me on the 8th of the mentioned Month by the said First Surveyor, and of the demonstrations belonging thereto, regarding the commission separately entrusted to him by me, which caused not the slightest delay to the execution of Your Right Honourable Sirs' order, as will undoubtedly be fully evident from the General Report of the mentioned Surveyor that is still to be expected. From the Address presented to me on the 6th of this month by the mentioned Surveyor, of which a copy was sent to Your Right Honourable Sirs together with my separate Government letter of the 6th of this month, it is also abundantly clear that he, the First Surveyor, had to postpone the commission entrusted to him for so long solely due to the heavy floods, and could not resume it before the water that had fallen so abundantly had drained off to some extent; thus it is completely incomprehensible to me how Your Right Honourable Sirs can hold me responsible for the delay in the execution of this commission, and I trust that I shall be further informed in this regard. May Your Right Honourable Sirs likewise permit me to remark regarding the commission to Diwitoere announced in your abovementioned Separate Government letter, that I can imagine nothing other than that the additional charge or orders entrusted by me to the brave, able, and so diligent Surveyor Foenander after such mature deliberation, to accurately survey to what extent Your Right Honourable Sirs' Maha and Porta Mudaliar Dias, and his son, the Mudaliar and Native Shabandar here, have fulfilled the obligation entrusted to them with such a salutary objective for the preparation of the low fields of the small district of Diwitoere, and thus my Instruction or ordinance issued on this matter to the mentioned Surveyor, are not only very far from deserving Your Right Honourable Sirs' approval (although from your private Letter, likewise of the 6th of this month, received in this regard after the closing and signing of my abovementioned Separate Government letter of the 6th of this month, nothing appears other than that the investigation so dutifully and regularly ordered by me would not serve much to encourage the mentioned Mudaliar); but that even Your Right Honourable Sirs, notwithstanding that I clearly declared in the aforementioned Separate Government letter my intention to proceed to Diwitoere within a few days in order to inspect and examine there in person all that the mentioned First Surveyor stated in his provisionally submitted Report sent to Your Right Honourable Sirs regarding the so perverse and self-interested conduct of the Maha Mudaliar Dias and of his son, the Native Shabandar here, and after my respectful proposal, according to the urgent request of the mentioned Surveyor, to commission the so capable Engineer Johannes, who has repeatedly surveyed the affairs of the mentioned region with so much attention, with two members from the Council of Galle who are best suited for the purpose, in order to make the clearest demonstrations on the spot by means of the so capable and diligent survey of all that he has stated in his already submitted and yet to be presented Report on the essential and true state of affairs in that district, have thought it best to dispatch a commission to that district yourselves, and for that reason have ordered me to do nothing therein until your further order; from which I also find myself compelled to conclude that all that I have undertaken in this matter out of honor, office, and duty, and could further pursue therein, is entirely disapproved of by Your Right Honourable Sirs, and thus my view and the issued order to the mentioned Surveyor not only appear very flawed, but also that my judgment in this matter is deemed either untrustworthy or lacking in competence, in all of which surely little comfort or encouragement remains for me, and my prestige in the eyes of the observing world, and especially in front of the Company's servants subordinate to me and other inhabitants in
Dutch transcription
3361 3354 te konnen daargronden wat tot die gedagten eenige aan„ „lijding mag gegeeven hebben, en ik verzoeke dus eerbie„ „dig, dat mij dien aangaande nadere onderrigting mag geworden, op dat ik mij daarover na behooren kan ver„ „antwoorden; Gem: Landmeeter is kort na zijne aan„ „komst alhier uijt de Maawakoale, in de Dessavonij van Mature, ter volvoering van de hem door uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: opgedraage kom missie, met de noodi„ „ge assistentie van twee Jonge Landmeeters, en na het uijtvaardigen van de hem in deeze kommissie best die„ „nende schikkingen, na het Landschapje Diwietoere vertrokken, van waar hij in het begin van deeze maand verbleeven is, wijl de geweldige overstroomingen hem volstrekt verhinderden zijne door uwel Edele Gestr: Groot Achtb: aan vertrouwde kommissie na behooren te volbrengen, en zich dus genoodzaakt zag zoo lange in deeze stad te vertoeven tot dat het in„ „gedronge water over boovengem: Landschapje eeniger„ „maalen afgeloopen was; Dit blijkt volkoomen uijt mijne onder dato 25:' J:oleeden uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: toegeschikte Nota bij geleegendheid, van de Pro„ „visioneele overzending van het op den 8=ste van gem: Maand door gedagte Eerste Landmeeter aan mij inge„ diend Procrisoir Berigt, en van de daar bij gehooren„ „de aantooningen, weegens de hem door mij afzonderlijk opgedraage kommissie, die de úijtvoering van uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: bevel geen de minste Vertra dr e gem d Jaars an der o vertraging toegebragt heeft, zoo als ongetwijffeld bij het Generaal als nog te verwagte Rapport van gem: Landmeeter volkome blijken zal; Bij het door gem: Landmeeter op den 6. ' deezer aan mij voorgesteld Adres, van het welk uwel Edele Gestr: Groot Achtb: tegelijk met mijne sparte Regeerings brief van den 6. ' deezer een afschrift is toegeschikt, blijkt ook voverduijde„ „lijk, dat hij Eerste Land meeter alleen, door de swaa„ „re overstroomingen, zoo lange de hem opgedraage kommissie heeft moeten uijtstellen, en die niet heeft konnen hervatten, voor dat het zoo overvloedig afge„ „koome water eenigzints afgeloopen was, dus het mij volkoome onbegrijpelijk is hoe uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: het uijtstellen der exctutie van deze kommissie mij kan ten laste leggen, en ik vertrouwe dien aan„ „gaande nader te zullen onderrigt worden. Uwel Edele Gestr: Groot Achtb: Vergunne mij insge„ „lijks op de bij hoogst Desselfs boovengem: Aparte Regeerings brief aangekondigde kommissie na Di„ „witvere aantemerken, dat ik mij daar bij niet anders kan voorstellen dan dat de door mij aan den draave, kundige en zoo ijverige Landmeeter Foenander na zoo rijpe overlegging opgedraage bij last of ordres om naauwkeurig op te neemen in hoe verre uwel Edele Gestr: Groot Achtb: Maha en Porta Moddel Jaar Dias, en zijn zoon, de Modliaar en 3 3361 3355 en Jnlands sabandaar alhier, aan de met zoo een hijl¬ „zaam oogmerk hun toevertrouwde verbinten is tot het bekwaam maaken der laage velden van het Landschapje Diwitoere voldaan hebben, en dus mij„ „ne des weegens aan gem: Landmeeter uijtgevaardig„ „de Instruksie of ordonnantie niet alleen zeer verre zijn van Uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: goed keuring te verdienen, (:schoon bij hoogst desselfs dien aan„ „gaande, na het afsluijten en teekenen van mijne boo„ „vengem: Aparte Regeerings brief van den E=ste t deezer ontfangene partikuliere Brief, insgelijks van den 6. deezer, niet anders blijkt, dan dat het door mij zoo Pligtmaatig en na de order bepaald onderzoek, niet zeer tot aanmoediging van gem: Moddel Jaar zoude strekken:( maar dat zelfs uwel Edele Gestrenge Groot Achtb:, niet teegenstaande ik bij voorm: Aparte Regeerings brief duijdelijk ver„ „klaard hebbe, voorneemens te zijn wij binnen wij„ „nige daagen na Diwitoere te begeeven, om aldaar in eijge perzoon op te neemen en nate gaan al het geene gem: Eerste Landmeeter bij zijn provisoir ingediend en uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: toegeschikt Be„ „rigt, weegens de zoo verkeerde en baatzugtige handelwij„ „ze van den Maha Moddeljaar Dias, en van zijn zoon, den Jnlands Sabandaar alhier, en na mijne eerbiedige voorstelling om volgens Instantie van gemelde ƒ ƒ gemelde Landmeeter, den zoo kundige Ingenieur Jo„ „hannes, die te meermaalen de aangeleegend heeden van gem: Landstreek met zoo veel aandagt opge„ „noomen heeft, met twee zig best daar toe schik„ „kende Leeden uijt den Gaalsche Raad te kommitteeren om op de plaatsen zelve door den zoo kundige en ijverige opneemen, van al het geen hij bij zijn reets ingediend en nog nader voortestelle Berigt van de weezentlijke en waare gesteldheijd van zaaken, in dat Land„ „schapje, de duijdelijkste aantooningen te doen, best ge„ „dagt heeft, om zelve een kommissie na dat Landschap„ „ze aftevaardigen, en mij uijt dien hoofde gelast, tot hoogst desselfs nader order, niets daar in te doen, waar„ uijt ik mij dan ook wel genoodzaakt zie, te moeten op„ „maaken, dat al het geen wat ik in deeze eer, ampts, en pligts weegen bestaan hebbe, en nog verder daar in door mij zoude konnen betragt worden, geheel door Uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: afgekeurd word, en dus mijn insigt en uijtgevaardigde last aan gam: B Landmeeder niet alleen zeer Vicieus voorkoomen, maar dat ook mijne overlegging in deeze of mistrouriod, of in J: kunde niet toerijkende genoeg geoordeeld worde, bij al„ het welk voor zeeker wijnig vertroosting of aanmoedi„ „ging voor mij overblijft, en mijn aanzien voor het oog der beschouwende waereld; en voor al voor de mij onder„ „geschikte kompanies Dienaaren, en verdere Bewoonders in
English
is in this Commandment not a little injured, while in the performance of that which I have, so dutifully for the welfare of the country and for the upholding of the honor of Your Right Honorable Great Worshipful Government in particular, undertaken in these so weighty circumstances, and thought to accomplish still further, I see myself completely disturbed and thwarted, and that upon the cunning and false representation of a Native Head, who has so much self-interest in the investigation ordered by me, and is so greatly fearful of the complete execution thereof; which determination of Your Right Honorable Great Worshipful certainly cannot serve very much to encourage me or to inspire zeal and attention in the proper observance of my so high and precious imposed obligations, and even places me in considerable diminution in the eyes of the attentive world, wherefore I also see myself compelled to request Your Right Honorable Great Worshipful that my written order, issued according to the prescribed instruction and after such mature consideration to the Land Surveyor Foenander for the accurate survey of that which has been performed by the Mahia and Porta Moodeljaar Dias, and by his son, the Native Sabandaar here, representing his father, in the petty District of Diwitoere, according to the undertaking of the first-named from the year A:o 1784 until the present, and my separate Government Letter written in this regard to Your Right Honorable Great Worshipful upon the submitted Provisional Report of the First Land Surveyor Foenander on the first of this month with as much respect as hearty sincerity, may be further considered and examined in the Council of this Island, and that the shortcomings thereof may be pointed out to me, so that I may properly account for myself concerning it, and that my honor and esteem, which could suffer greatly in this particular matter, may remain protected from all suspicions; and if Your Right Honorable Great Worshipful should not be pleased to grant me this fair and lawful request, possibly deeming it entirely unnecessary or superfluous, then I trust that Your Right Honorable Great Worshipful will be pleased to allow that this so important matter, even in its present state, be submitted to the High Government of these lands for further judgment, and that to give Their High Mightinesses a complete understanding of my grievance in these so weighty circumstances, copies of all that has already been submitted in writing in this respect both by the First Land Surveyor Foenander and by myself, may be forwarded at the earliest opportunity; reserving to myself the right to submit to the said Their High Mightinesses such a Memoir regarding this as I, according to my best judgment, shall deem most serving to the matter. Your Right Honorable Great Worshipful certainly has the power to appoint and dispatch such commissions as in His highest view are most serviceable to all both general and special branches of the so important Administration, yet may it also be permitted me to submit to His Honor in all respect that, without making myself in any way guilty of any pride or insubordination, I cannot so far cast aside my so distinguished dignity entrusted by the High Government of these lands in so great and important an administration as that of this Commandment, and thus also the preservation of my honor and esteem, that I could or might pass over without any representation being now, for the second time, thwarted and disturbed in the proper exercise of that which I deem myself bound and obligated to do by virtue of honor, office, and duty, upon the bare and entirely false declarations of a Native Head or Servant, which is all too painful to me, and the latest effect of which recalls the memory of the previous grief, when the said Porta Modliaar arrived here from Kolombo, now three years ago, and, with the castes of the Chandos and fishermen having then been thrown into great commotion by his cunning vengeance, arrogated to himself the right not only to have various persons arrested, but even to keep them imprisoned at his dwelling, to interrogate them before his pretended bench of justice, and subsequently to send them according to his own pleasure to the Honorable Fiscal of this Commandment, bound and pinion-tied as criminals, without giving me the slightest prior notice thereof in the first days, I being informed thereof only by others; and when I reproached him for this bold, unheard-of, and audacious conduct, and strictly forbade him to meddle in any way with the affairs of the native population without my prior knowledge and consent, I received only in reply from him that he, the Modliaar, had been ordered by Your Right Honorable Great Worshipful to this public management of affairs—running so greatly counter to the honorable authority and so necessarily dignified esteem of the Commander of the Province—by Your Right Honorable Great Worshipful by means of a mandate or instruction ola, which, however, he would not hand over to me or give a copy thereof; wherefore I, having received not the slightest communication in this regard from Your Right Honorable Great Worshipful, also complained greatly about this entirely strange treatment, and requested satisfaction and the recall of the Modliaar, since his
Dutch transcription
3361 in dit kommandement niet wijnig gekronkt word, terwijl ik mij in de uijtoeffening van het geen, ik zoo pligtmaatig tot wel zijn des Lands, en tot voorstand der eere van uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: Regeering in het bijzonder, in deeze zoo aangeleege omstandigheeden bestaan hebbe, en nog verder dagt te volbrengen, volko„ „men geturbeerd en teegen gehouden zie, en wel op de listige en valsche voordragt van een Inlandsch Hoofd, die bij het door mij bepaald onderzoek zoo veel eijge belang heeft, en de vol koome volbrenging daar van zoo groote„ „lijks dugtende is, welke bepaeling van uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: mij zeeker niet zeer tot aanmoediging en oplijding van ijver en aandagt in de behoorlijke betragting mijner zoo hooge en dierbaare opgelegde ver„ „pligtingen kan verstrekken, en mij zelfs in het oog der aandagtige waereld in aanmerkelijke verklijning steld, waarom ik mij dan ook genoodzaakt zie, uwel Edele Gestr: Groot Achtb: te verzoeken, dat mijner volgens de bepaalde order, en na zoo rijpe overweeging uijt gevaar„ „digde schriftelijke order, aan den Land meeter Foenander tot het naauwkeurig opneemen van het geen door den Mahia en Porta MoodelJaar Dias, en door zijn zoon, den Inlands Sabandaar alhier, bij representatie voor zijnen vader, in het-Landschapje Diwitoere, volgens aanneeming van den eerstgenoemde zeedert A:o 1784. tot heeden verrigt is, en mijne des weegens 3356 aan aan uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: op het dien aan„ e „gaande ingediend. Provisoir Berigt van den Eerste Landmeeter Foenander op den E=ste deezer met zoo veel eerbied als hartelijke welmeenendheid geschreeve aparte Regeerings Brief nader in den Raad deezes Eijlands moogen overwoogen, onderzogt, en mij de ge„ „breeken daar van moogen aangeduijd worden, op dat ik mij daarover na behooren wag verantwoorden, en mijne eersten aan zien, die bij deeze bijzondere aange„ „leegend heid grootelijks zouden konnen leijden, voor alle verdenkingen moogen gedekt blijven, en indien uwel Edele Gestr: Groot Achtb: mij deeze billijkke en regt„ „maatige instantie niet zoude gelieven toetestaan, als die moogelijk gantsch onnoodig of overvloedig agtende„ zoo vertrouw ik, dat uwel Edele Gestr: Groot Achtb: wel zal gelieven toetestaan, dat deze zoo aangeleege zaak, zelf in haare teegenwoordige toedragt, de hooge Re„ „geering deezer Landen ter nadere beoordeeling voorgesteld, en hunne Hoog Edelheeden tot een vol kome begrip van mijn beswaar, in deeze zoo aangeleegene omstandig„ „heeden, de afschriften van al het geen reeds in deezen opzigte zoo door den Eerste Landmeeter Foenander als door mij schriftelijk ingediend is, bij eerst voorkoomende geleegend„ „heid mooge toegeschikt worden; mij voorbehoudende des weegens aan gem: Hunne Hoog Edelheeden zooda„ „nige Memorie inte dienen, als ik, na mijne beste gedagten, meest ter zaaken dienende zal oordeelen. uwel 3361 3357 Gestr: Groot Achtb: heeft zeeker de magt Uwel Edele om zoodanige kommissien te benoemen en uijttevaarde„ „gen, als na Hoogst Desselfs inzien het best voor alle zoo algemeene als bijzondere afdeelingen der zoo aange„ „leege Bestiering dienende zijn, dog het zij mij ook geoorlofd hoogst Derzelven in alle eerbied voortestellen dat ik, zonder mij aan eenige hoog moed of weederstree„ „ving, eenigsints schuldig te maaken, mijne door de hoo„ „ge regeering deezes Landen aan vertrouwde zoo aan„ „zionelijke waardigheid, in zoo groote en aangeleegene bestiering, als die van dit kommandement, en dus meede de bekooring mijner eere en aanzien niet zoo verre kan verwerpen, dat ik zonder eenige representatie zoude konnen of moogen passeeren van mij nu, voor de tweede maal, in de behoorlijke uijtoeffening van het geen ik eer, ampts en pligts halven gehouden en verbonden agt, op de bloote en geheel valsche aangeevingen van een Inlands Hoofd of Dienaar teegen gehouden en getur„ „beerd te zijn, het geen mij al te gevoelig is, en waar van deeze laaste uijtwerking weeder op roept de herdenking van het voorig leed, wanneer gem: porta Modli„ „aar hier, nu drie Jaaren geleeden, van kolombo aan„ „kwam, en zigt, bij de als doen door zijne listige wraa„ „ke in groote beweeging gebragte kasten der Chandos en vissers, het regt aanmaatigde van onderschij„ dene „dene Menschen niet alleen te laaten opvatten maar zelfs bij zijne wooning gevangen te houden, hun voor zijn pretense Regter stoel te verhooren, en vervolgens na Eijge goeddunken aan den E: Fis„ „kaal deezes kommandements, als Misdaadigers gebon„ den en gevleugeld, toete schikken, zonder mij daar van in de eerste daagen eenige de minste voorafgaande kennis te geeven, wordende alleen daar van door anderen onderrigt, en wanneer Ik hem dit zijn stout, ongehoord en vermetel bestaan voorhiel, en ernstig verbood, zig buijten mijne voorkennis en toestemming eenigzints met de zaaken van den In„ „lander te bemoeijen, ontving ik alleen in voldoening van hen tot antwoord, dat hij Modeliaar door uwel Edele Gestr: Groot Achtb: tot deeze publieke betran„ „deling van zaaken, /:zoo zeer teegen het eergierig ge„ „zag, en zoo noodzaakelijk waardig aanzien van den Gezagvoerder der Provintie aanloopende :/ door uwel Edele Gestr: Groot Achtb: bij een Mandaat of instruktie ola gelast was, die hij mij egter niet wilde ter hand stellen, of een afschrift daar van geeven, waarom ik, als des weegens van uwel Edele Gestr: Groot Achtb: geene de minste aanschrijving hebbende, mij ook zeer over deeze geheel vreemde be„ „handeling beklaagde, om voldoening en om de te rug roeping van den Modliaar verzogt, wijl zijne
English
his severe persecutions at that time brought the entire Province into unrest and commotion, but to my great regret, I received from Your Right Honorable Strictness and Great Respect only the answer that you had found yourself compelled to make this arrangement, and could not imagine that it could in any way offend me, but that, if I considered it advisable, I could complain about it to the High Government of these Lands. However, in order not to cause any difficulties to Your Right Honorable Strictness and Great Respect, toward whom I have always borne great esteem and reverence, and to give a great proof of my compliance, I did not do so, but sacrificed everything to a certain, far enough extended oblivion, although I remained firmly assured that the High Government of these Lands would not have viewed such strange and harsh treatment with an indifferent eye. I could very easily recount many more other no less oppressive treatments that I have encountered since my stay here, if it were necessary and presently required, but let it suffice that they, especially for some months now, have made me completely despondent; and I shall thus see myself compelled to request my discharge from the High Government of these Lands from this post that is currently made so difficult and vexatious to me, which I cannot administer according to my heart's wish, and thus not in the most attentive observance of honor, zeal, and adherence to the pleasure of Your Right Honorable Strictness and Great Respect, as it appears only too clearly. I heartily wish that Your Right Honorable Strictness and Great Respect, to whom I sincerely wish all possible satisfaction, may see me succeeded by another servant who will know better how to adapt to your pleasure, flattering myself, however, that in the choice of a knowledgeable and more suitable man, who will certainly be easily found, it will nevertheless be very difficult for Your Right Honorable Strictness and Great Respect to encounter an equal zeal and benevolence to that which I have always nourished in my heart for the true interest of the country and the people, and have pursued to the best of my abilities. Since Your Right Honorable Strictness and Great Respect yourself, under the never sufficiently praised government of the worthy Lord Governor Falck, now resting with God, of blessed memory, observed the management of affairs in this Province from the month of June 1784 until the end of the month of February of the following year, and during your two journeys to Mature to investigate various affairs of the country, and throughout your administration in this province during the period of nine months, were never disturbed or hindered in the full exercise of all your endeavors for the interest of the country and the people, and, as I dare flatter myself, received the most convincing proofs of my uninterrupted zeal and loyalty during my entrusted subordinate authority in this province, I surely ought to expect nothing other than such treatment as might best serve for my encouragement and relief in this so difficult post, and best promote my prestige among the native, which is so highly necessary and important for all subordinate rulers, and especially for those who solely bear the burden of government without sharing in any way in its pleasantries through the distribution of favors in promotions, rewards, and other encouraging relations; which, however, is as good as disputed and taken away from me on every occurring occasion, which cannot but be highly sensible to me. And I remain assured that the fair consideration of Your Right Honorable Strictness and Great Respect will also understand this as such, and thus maintain me in your high favor with the so necessary and so important prestige and credit before the attentive observation of the public until the end of my subordinate administration. The order of Your Right Honorable Strictness and Great Respect to do nothing with respect to the small district of D'iwitoere until further orders certainly does not include or signify a prohibition for me to accomplish my journey planned thither for the attentive survey and observation of all that has already provisionally been reported to me by the First Land Surveyor Foenander regarding the true condition of that small district. I shall therefore, as is my duty, betake myself thither and, assisted by a few persons best suited for this purpose and most knowledgeable, attempt to observe everything of importance on the spots themselves, and support the general report to be submitted by the First Land Surveyor Foenander with a sincere and true testimony thereof. I have always lacked the opportunity to cross over to this small district, as I already mentioned in my previous communication to Your Right Honorable Strictness and Great
Dutch transcription
3361 3358 zijne harde vervolgingen de geheele Provintie als doen in onrust en ofschudding bragten, dog tot mijne groot beedweesen, van uwel Ed: Gestr: Groot Agtb: alleen tot andwoord bekwam, dat hoogst dezelve zig tot deeze schikking had genoodzaakt gezien, en niet konde denken, dat mij die eenigzints zouden kon„ „nen stooten, dog dat, ik mij, des geraaden agtende, bij de Hooge regeering deezer Landen des weegens konde beklaagen, het geen ik egter, om uw wel Ed: Gestr: Groot Achtb:, die ik altoos veel agting en eerbied toe„ „gedraagen hebben geene moeijelijkheeden aante doen, en een groot bewijs mijner inschikkelijkheid te gee„ „ven, niet gedaan, maar alles aan eene zeeker, ver„ „re genoeg getrokke, vergeeteldheid op geofferd hebben hoewel ik mij vastelijk verzeekerd hield, dat de hooge Regeering deezer Landen, deeze zoo vreemde en har¬ „de behandelingen met geen onverschillig oog zoude aangemerkt hebben; Ik zoude veel meer andere niet minder drukkende behandelingen, die ik zeederd mijn verblijf alhier ontmoet hebbe, bij deeze veel ligt konnen ophaalen, indien het noodig waare, en thans vereijscht wierd, dog het zij genoeg dat ze mij, voor al zeedert eenige maanden, geheel moedeloos gemaakt hebben; en ik mij dus wel zal genoodzaakt zien mijn ontslag uijt deeze mij thans zoo moeijelijk en verdra„ „tig 29 aar an door zijn en E „tig gemaakt wordende Post, die ik niet na mijn har„ „te wenscht, en dus in de aandagtigste betragtingen van eere ijver, en aankleeven na het genoegen van uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: zoo het maar al te duijdelijk schijnt, kan waarneemen, van de hooge Regeering deezer Landen te versoeken, hartelijk wenschander dat het uwel Ed: Gestr: Groot Agtb: die ik alle moogelijke genoegen van harte toewen„ „sche mag gebeuren, Mij door een ander dienaar zien te zijn opgevolgd, die zig beeter na hoogst desselfs welbehaagen zal weeten te schikken, mij egter vlijende, dat bij de verkiesing van een kundigea en geschikter Man, die zeeker ligtelijk zal kon„ „nen gevonden worden, het uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: egter zeer moeijelijk zal vallen, om een gelijke ijver en welmeenendheijd aante treffen, als die ik steeds„ in mijn harte, voor het waare belang des Lands en des volks gevoed, en na mijne beste vermoogens betragt, heb be. Daar uwel Edele Gestr: Groot Achtb: Zelve onder nooit volpraeze Regeering van den nu bij God rustende waardige Heer Gouverneur Falck /:H: L: Me:/ de Maneance van Zaaken in deeze Provintie van de Maand Junij 1784. tot in het laast van de Maand Februarij van het naast volgende ƒ 3361 3359 volgende Jaar heeft waargenoomen, en bij hoogst Desselfs twee rijsen na Mature tot het onderzoe„ „ken van verschijde aangeleegend heeden des Lands en in het geheel over Hoogst Desself Bestiering in deeze provintie, geduurende den tijd van neegen maan„ „den, nimmer in de volle uijtoeffening van alle Desselfs betragtingen voor het belang des Lands ende des volks is geturbeerd of teegengehouden gewon„ „den, en, zoo ik mij wel durve vlijen, de overtuij„ „genste bewijzen van mijn onafgebrooke ijver en trouwe geduurende mijn aanvertrouwd onderge„ „schikt gezag in deeze provintie ontfangen heeft, diende ik voor zeeker niet dan zoodanige ontmoe„ „tingen te verwagten, als meest tot mijne aan moe„ „diging en opbeuring in deeze zoo moeijelijke Post konnen strekken, en het best mijn aanzien bij den Inlander, zoo hoog noodig en aangeleege voor alle ondergeschikte behabbers en voor al voor die, alleen den Last der Regeering draagen, zonder eenigzints in de aangenaam heeden daar van door het uijtdeelen van gunsten in bevorderingen, belooningen, en in andere aanmoedigende betrekkin„ „gen te deelen, zoude konnen bevorderen, het welk mij egter bij iedere voorkoomende geleegend heid als betwist en benoomen word, het geen mij niet danten gevoelig hoogste gevoegligkan zijn, en ik houde mij ter ende verzeekerd t. verzeekerd, dat uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: bil„ „lijke overdenking dit meede zoodanig zal begrijpen, en mij dus bij het zoo noodig en zoo aangeleege aanzien en krediet voor de aandagtige beschou„ „wing van het publiek tot het eijnde van mijn on„ „dergeschikt behtier in zijne hooge gunste behouden Uwel Ed: Gestr: Groot Achtb. bevel, om, tot des„ „selfs nadere order niets ten opzigte van het Land„ „schapje D'iwitoere te doen, besluijt of beteekend zeeker geen verbod, aan mij, om mijne na der„ „waards voorgenoome togt ter aandagtige op„ „neeming en opmerking van al het geen mij wee„ „gens de waare gesteldheid van dat Landschap je reeds provisioneel door den Eerste Land Meeter Foenander berigt is, te volbrengen, Ik zal mij dan ook, gelijk ik verschuldigt ben, na derwaards begeeven, en, geassisteerd van een paar zig best daartoe schikkende en meest kundige persoonen, op de plaatzen zelven, al het aangeleegene tragten optemerken, en met eene opregte en waare getuijge„ „nis daar van het generaal inte diene apport van den Eerste Landmeeter Foenander ondersteunen Het heeft mij altoos aan geleegendheid ontbrooken om eens na dit Landschapje overtestappen; ge„ „lijk ik reeds bij mijne voorige aan uwel Edele Gestr: Groot
English
letter sent to the Right Honourable on the 6th of last month, and I have not been able to find a sufficiently skilled man here to give me such instructions as might best serve to see this journey crowned with the desired effect; and to promise me the most use from it for the country itself, than this faithful, skilled, and so zealous surveyor Foenander, which is why I also think to make use of this so favourable opportunity. It is also so close to this city, being at most six miles away, and moreover the return by water is so easy due to the strong helpful current, that at the slightest incident that might require my presence here, I can be back in this city as quickly as possible. I shall, however, cause no expenses either to the Company or to the poor rural people, and undertake this journey at my own expense, trusting to derive so much benefit from it, and by my observations to earn so much favour from your Right Honourable, that I shall have every reason to be satisfied with my readiness for the common good, in which pleasant and flattering prospects, I have the honour to be, with all sentiments of high esteem, Right Honourable, High Commanding Lord, your Right Honourable's humble servant, was signed C. D. Kraijenhoff. In the margin: Gale, 14 June 1788. Below: P.S. I hereby offer your Right Honourable a copy of a letter written yesterday by me to the First Surveyor Foenander to Diwitoene, as for the preparation of the general report of the true condition of the small district of Diwitoene, the rolls of the chenas cleared there in 1785 are absolutely necessary, and these, according to the statement of the native sabandaar here, are in the possession of his father, the Maha and Porta Modliar at Kolombo, and it seems difficult to obtain them from his hands, so I request that your Right Honourable please have the goodness to have an authentic copy thereof sent to me, so that the general report to be submitted will not be defective but presented as well as possible. Agrees, Sijbrands, clerk Kolombo To the Right Honourable Lord Willem Jacob van de Graaff, Extraordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceijlon with its dependencies, together with the Secret Council. Right Honourable, High Commanding Lord, Most humbly we report to your Right Honourable that the remaining gunpowder here as of the end of May was 28495 17/8 lb, and we testify further to be with all sentiments of high esteem, Right Honourable, High Commanding Lord, your Right Honourable's humble and obedient servants, was signed B. J. Raket, D. D. Bok. In the margin: Jaffanapatnam, 12 July 1788. Agrees, Sijbrands, GClerk Ceilon Duplicate secret To the Honourable Lord Willem Jakob van de Graaff, Extraordinary Councillor of the Dutch Indies, as well as Governor and Director of that island and its dependencies, together with the Council at Kolombo. Honourable, Valiant, Brave, Wise, Prudent, very Discreet Lord and friends! I have just received your Honour's secret letter of 18 May last, to which the answer serves that the bad monsoon makes it impossible for the present to have troops march overland from Tutukorijn to Koetsiem, both because of the incessant rains that fall along this coast during this and the two following months, and because of the multitude of streams that are formed by the mountain water and are unfordable, and where one continually finds no more than one or at most two small ballongs or canoes, with which no more than five or six persons can be ferried across at one time. We cannot therefore for the present take advantage of the favourable offer of a part of the Regiment of Meuron, whereof I therefore give notice to the chief at Tutukorijn, so that the six companies intended for us are no longer detained there on our account. I thank you in the meantime for the kind offer of this assistance for the present, but shall therefore request it upon the opening of navigation, in case the circumstances on this coast do not change for the better in the meantime. For the aforementioned reason it is impossible for the present to comply with your Honour's desire to send the detachment of artillerymen of the Luxembourg Regiment under the command of Lieutenant Tonnon back overland to Tutukorijn. If necessary, this could take place in the coming month of September, when the rains cease and the rivers and streams begin to subside; but even then little or nothing of the whole troop would arrive at Kolombo, because by far the majority are absolutely unwilling to leave India, and thus would desert on the way to Trevankoor, or to the English, or to Mahomet Alichan, for which they would find unlimited opportunity everywhere and especially in the land of Trevankoor, through a certain Donneau, who served as a sergeant with the French garrison at Trinkonemale and had the supervision over the new fortification, but deserted from there, and is now stationed as captain commandant of the artillery in Trevankoor's service at Waliatorre, through which the march route passes, who would leave nothing unattempted to engage his countrymen for the service of Trevankoor. It is true, the Company would directly lose nothing thereby, but it could at times become very detrimental to its interests that Trevankoor in this manner be provided with so many capable
Dutch transcription
3360 Groot Achtb: in dato 6: I:L: toegezondene Brief om„ nemmer „standig bedeeld hebbe, en ik heb nieuwer een ge„ „noegzaam kundig Man alhier konnen vinden om mij zoodaanige onderrigtingen te geeven, als best konnen dienen om deeze togt met de gewensch„ „te uijtwerking te zien bekroonen; en mij daar van voor het Land zelve het meeste nit te belooven, dan dit trouwe kundige en zoo ijverige Landmeeter Foenander, waarom ik ook van deeze zoo gun„ „stiga geleegendheid denke gebruijk te maaken, het is ook zoo digt bij deeze stad, als maar ten hoogste ses mijlen afgeleegen zijnde, en daar en booven is de te rugkeering over water door de sterke meede helpende stroom zoo gemakkelijk, dat ik bij het minste voorval, het welk mijne teegenwoordig„ „heid al hier mogte oproepen, ten spoedigste weeder in deeze stad kan zijn; Ik zal egter nog eenige onkosten aan de komp: nog aan het armeLand volk toebrengen, en deeze togt op eijge kosten doen, vertrouwende daar uijt zoo veel nut te zullen trekken, en bij mijne opmerkingen zoo veel goedgunstigheijd bij uwel Edele Gestr: Groot Agtb: te verdienen, dat ik alle reeden zal hebben om over mijne bereidwilligheid voor het algemeen nut vol„ „daan te zijn, inwelke aangenaame en vleijende vooruijtzigt 3361 N3 voor uijtzigten, ik de eere hebbe met alle gevoelens van hoog agting te zijn /:onderstond:/ wel Ede„ „le Gestrenge, Groot Achtbaare Hoog Ge„ „biedende Heer/ uwer wel Ed: Gestr: Groot Agtb: onderdanigen Dienaar /:was geteekend/ C: D: Kraijenhoff /:in margine:/ Gale den 14. Iunij 1788. /:Lager:/ P: S: Ik Biede uwel Ed: Gestr: Groot Agtb: bij deeze aan een afschrift, van eene gister door mij aan den Eerste Landmeeter Foenander na Diwi„ „toene geschreeve Brief, wijl tot het opmaaken van het generaal Rapport van de waare gesteldheid van het landschapje Diwitoene, de rollen van de al„ „daar in 1785. gezuijverde Chenassen. volstrekt noo„ „dig zijn, en deeze zig volgens verklaering vanden inlands sabandaar alhier, zig bij zijn vader„ den Mala en porta Moddeljaar te kolombo bevinden, en het mooijelijk schijnd, om die uijt zijne handen te bekoomen, zoo verzoek ik dat uwel Ed goedheijd Gestr: Groot Achtb: de goedn gelieft te hebben mij een autentiek afschrift daar van te laaten toe„ „koomen, op dat het in te diene generaale Rapport niet gebrekkig maar zoo goed moogelijk voorge„ „steld worde. Accordeert Sijbrands lyklerk 3361 Kolombo Aan den Wel Edelen Groot agtbaaren heer: Willem Jacob van de Graaff„ Raad Extra ordinair van Neederlands india gouverneur in directeur van 't eijland Ceijlon met dies onderhoorigheeden neevens den secreeten raad WelEd: groot agtb: Hoog ged:s Heer. Onderdaanigst melden wij uwel Ed: Groot agtb: dat 't restant Buskruit alhier onder ult:o Maij is geweest 28495. 17/8. lb: en betuijgen. overigens te zijn met alle gevoelens van hoog agting /:onderstond:/ weled: groot agtb: Hoog geb: heer uwer wel Ed: Groot agtb: onderdaanige en gehoorzaame Dienaaren /:was geteekend:/ B: J: Raket„ D: D: Bok /:inmargiene:/ Taffenap:n den 12.' Julij 1788. Accordeert. Sijbrands GClerk A Agtb: Ceilon Duplikaat sekreet Aan den Edelen Heer Willem Jakob van de Graaff Raad extra ordinair van Nederlands Jndiën mitsgad:s Goeverneur en Direkteur van dat eiland en deszelfs onderhoorigheeden. Nevens den Raad te Kolombo Edele, Erntfeste, Manhafte, wijze voorzienige zeer Diskreete Heer, en vrienden! zoo aanstonds ontvange ik uwer weledelen sekreete letteren van den 18:e Mai Jongstl:, waar op in antwoord diend, dat de quaade mousson het voor het tegenwoordige onmoge„ „lijk maakt, troepen van Tutukorijn over land naar koetsiem te laaten marcheeren, zoo wel wegens de onophoudelijke regens, die in deeze en de twee naastvolgende maan„ „den langs deeze kuste vallen, als wegens de meenigte van spruiten, die van het berg„ „water „water gemaakt worden, en onwaadbaar zijn, en waar men telkens niet meer als een of op zijn hoogst twee kleene ballongs of kanootjes vindt, waar mede niet meer, als vijf of ses menschen op eenmaal, kunnen overgezet wor„ „den. wij kunnen derhalven voor het tegenwoordige niet profiteeren van de gunstige aanbieding van een gedeelte van het Regiment van Meu¬ „ron, waar van ik derhalven aan het opper„ hoofd te Tutukorijn kennis geeve, op dat de ons toegedachte ses kompanien onzenthalve daar niet langer opgehouden worden. — Jk bedanke inmiddels voor de geneegene aanbieding van deezen bijstand voor het tegen„ „woordige, doch zal daarom met het opengaan van de vaart verzoeken, ingevalle de omstan„ „digheeden op deeze kuste middelerwijle net ten goeden veranderen: om de voorschreeve reeden is het onmogelijk voor het tegenwoordige te voldoen aan uw weledelen begeerte; om het detachement Artilleristen van het Luxemburgsche Regi„ „ment onder kommando van den Luitenant Tonnon overland naar Tutukorijn terug te 3363 te zenden. Dit zoude des noods kunnen geschie¬ „den in d' aanstaande maand september, wan„ „neer de regens op houden en de rivieren en spruiten aan vangen te verloopen; doch als dan zoude van de heele troep weinig of niets te kolombo te recht koomen, door dien verre de meesten volstrekt ongeneegen zijn, Jndien te verlaaten, en dus onderweg naar Trevankoor, of d'Engelschen, of Mahomet Alichan deserteeren zouden, waar toe zij overal onbepaalde vrijheid en inzonderheid in 't land van Trevankoor aanleiding vinden zouden, door zeekeren Donneau, die bij 't Fransch Garnisoen te Trinkonemale als ser¬ „jant gestaan en over de nieuwe fortifikaatsie het opzicht gevoerd heeft, doch van daar gede„ „serteerd is, en thans als kapitain komman„ „dant van d' Artillerij in Trevankoors dienst te waliatorre, daar de marschroute door= „gaat, bescheiden ligt, die niets onbezocht zou„ „de laaten, om zijne landslieden tot den dienst van Trevankoor te engageeren. Het is waar, de komp: zoude daarbij direkt niets verliezen, doch het zoude zomwijlen zeer na„ „deelig aan haare belangen kunnen worden, dat Trevankoor op deeze wijze met zoo veel bequaame zijn, „ „
English
were reinforced with competent artillerists. I await the further approval of Your Honors in this regard, and after friendly greetings I have the honor to remain, Honorable, Valiant, Manly, Wise, Prudent, Most Discreet Sir and Friends! Your Honors' obliging friend and servant, H. van Angelbeek Cochin the 5th of June 1788. 3364 Secret Colombo. To the Right Honorable, Highly Esteemed Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon and its dependencies, along with the Council. Right Honorable, Highly Esteemed, High and Mighty Lord! In a separate government letter of the 6th of this month, I had the honor to inform Your Right Honorable that, wishing gladly to discharge my high and most important obligations as much as possible, I had decided to inspect the present condition of the district of Diwilbere in person. Accordingly, accompanied by the Engineer Johannes and by the Superintendent of the Galle Korale, Van Teylingen, with a strictly limited retinue of only four servants—both to avoid causing any uneasy thoughts among all the inhabitants of the said district or any part thereof, and to be able to complete that journey and return more speedily, easily, and at less expense to myself—I set out for that place on the 15th of this month to carry out some most important and notable general surveys regarding the true present condition of that district. When planning my journey thither, having been handed by the Surveyor Foenander the provisional report dated the 8th of May last, which was also forwarded to Your Right Honorable in copy, together with the attached report from the two carpenters sent by me at the request of the said Surveyor to that district to inspect some timbers found and pointed out there, I had intended, together with the aforementioned Engineer, who best knows the situation of that district as he has been there several times, and with one or two other knowledgeable and most suitable persons, to inspect the true condition of the said district in all its aspects and subdivisions with the closest attention, and especially to examine with all accuracy everything presented in such an emphatic and clear manner by the aforementioned Chief Surveyor in his submitted provisional report as being most notable and important for the public interest; but the announcement of the commission so unexpectedly and extraordinarily appointed by Your Right Honorable and mentioned in your Government Letter of the 12th of this month, necessarily made me view and consider such attentive activity as almost superfluous for this time. For that reason, I, together with the said knowledgeable Engineer, only inspected the equipment or arrangement and the position of the large and small sluice in that district for keeping out the excessive influx of water during the rainy monsoon, some already cleared or prepared chenas or high grounds, and some wattourawes or low fields, four small cinnamon gardens, some plantations of sappanwood, of coffee, soursop, and coconut trees, leaving the further particulars in that district to the attention of the high commissioners, whose presentation certainly denotes more confidence, knowledge, and insight for the public consideration than the actions and observations of the knowledgeable Engineer and myself in this most important survey; while my official duties in this city, upon the arrival of the five private ships carrying the regiment of Colonel De Meuron, and the dispatch of the Company's ship De Leviathan, likewise did not permit me any long absence this time. I was nevertheless able to observe enough during my brief stay in that district to testify with confidence that I found it generally in a very poor condition. For notwithstanding that the large river running near that land had already fallen very considerably and had returned entirely within its normal banks, and that there had already been good and dry weather for several consecutive days, all the wattourawes or low grounds in that district lay completely and in many places very deeply under water, as a result of which all that had been sown on some of the fields was entirely lost. Owing to the shortness of time, I was unable to verify whether these had been made somewhat suitable for sowing and cultivation by the present contractors or, as I was assured by the Surveyor Foenander, had already been sown during continuous droughts for many years by various undertakers, according to the map by the Surveyor Hartell from the year 1778. This has certainly inflicted a severe loss on the contractors, but they must fear this every year during the usual floods if better arrangements are not made in and around that district to keep out the excess water entering in the rainy monsoon. This, in my judgment, is not only very feasible, but would not even cause very great expenses or require much time, and could certainly best be achieved by relocating the large sluice into a more competent and useful operation and by constructing several dams in the places best suited for that purpose.
Dutch transcription
bequaame Artilleristen versterkt wierd. Jk verwacht hieromtrend het nader goedvin„ „den van uw weledelen en heb de eer na vriendelijke groete te blijven. Edele, Erntfeste, Manhafte, wijze voorzienige zeer Diskreete Heer, en vrienden! Uwer weledelen dienst„ „willige vriend en Dienaar H van Angelbeek Koetsiem den 5:e Juni 1788. 3364 sekveet Kolombo. Aan den Wel Edelens Gestrengen, Groot Achtbaaren Heer Willem Jacob van de Graaff, Raad ordinair van Nederlands Jndia, Gou„ „verneur en dierekteur van het Eijland Cijlon met dies onderhoorig heeden, Nevens den Raad„ Wel Edele, Gestrenge, Groot Achtbaare, Hoog Gebiendende Heer! Bij eene aparte regeerings brief van den 6. deezer, hod ik de eere uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: te bedeelen dat ik, als mij gaarne, zoo veel doenlijk, van mijne hooge en zoo aangeleegene verpligtingen willende kwijten, beslooten had om de teegenwoordige gesteldheid van het Landschapje Diwilbere eens in eijge perzoon opteneemen. Ik heb mij dan ook, verzeld van den Ingenieur Johan„ „nes en van den opziender der Gale korle van Tijlin„ „gen, met een zeer bepaald gevolg van maar vier Dienaar „ren, zo om geene ongeruste gedagten onder alle de In„ „woonders van gem: Landschapje of onder een gedeelte daar van te veroorzaaken, als om te spoediger, ge„ „makkelijker en onkostbaarder voor mij zelve die heer en 6 en weeder rijse te konnen volbrengen, den 15. deezer na derwaards begeeven om eenige meest aangeleegene en aanmerkelijke algemeene opneemingen weegens de teegenwoordige waare gesteld heid van dat Landschap„ „je te bestaan. Bij het bepaalen mijner rijze na derwaards, wanneer mij door den Landmeeter Foenander der ter hand gesteld wierd, het uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: meede in afschrift toegeschikte provisoir Rapport in dato 8. Maij J:oleeden, met het daar bij behoorende berigt van de tese door mij op verzoek van gem: Landweeter na dat Land„ „schapje tot het opneemen van eenige aldaar te vinde en aantewijze Houtwerken gezonde Timmerlieden, was ik van gedagten om met boven gem: Ingenieur, die best de ƒ geleegendheid van dat Landschap je kend, als te meern 7„ van „maalen aldaar geweest zijnde, en met nog teve of twee andere kundige en zig best daartoe schikkende perzoo„ „nen, de waare gesteld heid van gem: Landschapje in alle zijne betrekkingen en afdeelinger met de meeste aan„ „dagt opteneemen, en voor al met alle naauw kuurighe geen na te gaan al het door gem: Eerste Land meeter Wij zijn provisoir ingediend berigt als ten hoogsten op merkelijk en aangeleegen voor het publiek belang, op eene zoo nae„ „drukkelijke en duijdelijke wijze voorgesteld word, dog de aankondiging van de door uwel Ed: Gestr: Groot Agtb Zoo onverwagt als buijten gewoone benoemde, en bij hoogd Desselfs 2 3365 Desselfs Regeerings Brief van den 12. deezer verm: kommissie heeft mij de zoo aandagtige bezigheid wel moeten haast als overvloedig voor ditmaal doen aan- en - op„ „merken, waarom ik dan ook met gem: kundige Jnge„ „nieur maar all een de toestel of inrigting en de legging der groote en klijne sluijs in dat Landschapje tot weering. van het overtollig indringende waater geduurende de reegen Mousson eenige reets gekapte of berijde Chenasser of hooge Gronden, en eenige wattoekawes of laage Velden Vier klijne kanneel tuijnen, eenige aanlegginger van Lappan hout, van koffij, Suursaks en kokus boomen heb opgenoomen, en het verder aangeleegene in dat Land„ „schap je heb overgelaaten aan de oplettendheid der hooge gekommitteerden, welker voorstelling zeeker meer ver„ „trouwen, kennis, en doorzigt, dan des kundige Ingenieurs en mijne verrigtingen en op merkinger in deeze zoo aan„ „geleege opneeming voor de publieke beschouwing aanduijd, terwijl ook mijn ampts beezigheeden in deeze stad, mij, bij de aankomst der vijf partikuliere scheepen met het Regiment van den Heer Collonel de Meuron, en de afvaardiging van het kompenies schip De Leviathan, ook ditmaal geene lange afweezigheid toe lieten — Ik heb egter zoo veel, geduurende mijn kort overblijf in dat Landschapje, konnen opmerken; dat ik met gerust„ „heid kan betuijgen dat ik het over het algemeen in eene zeer slegte toestand gevonden hebbe, leggende niet teegen„ „staande dezer chap m ld e zoo„ 2 v staande de groote na bij dat Land loopende Rievier reets zeer aanmerkelijk gedaald, en geheel binnen zijne ge„ „woone oevers gekeerd was, en men reets eenige daagen agter den anderen goed en droogweer had, alle de wat„ „toerawes of laage gronden in dat Landschapje geheel en op veele plaatsen zeer diep onder water, waar door ook al het gezaaijde op eenige der velder; die ik door de kort„ „heid des tijds niet heb konnen nagaan, of ze door de tee„ „genwoordige Aanneemers eenigzints ter bezaaijingen bebouwing bekwaam gemaakt waaren, dan wel, gelijk mij door den Landmeeter Foenander verzeekerd wierd, reets zeederd veele Jaaren, volgens uijtwijzing van de kaart van den Landmeeter Hartell van den Jaere 1778. byj aan houdende droogte, door onderschijdene onder¬ „neemers zijn bezaaijd geweest, geheel verlooren gegaan is; het geen zeeker de aanneemers een gevoelig verlies heeft toegebragt, dog dit hebben zij alle Jaaren bij de gewoone overstroomingen te dugten, zoo er geene beetere inrigtin„ „gen tot weering van het in de reegen Mousson indrin„ „gende overtollige water in en om dat Landschapje ge„ „maakt worden, het geen mijnes oordeels niet alleen zeer wel uijtvoerlijk is, maar zelfs geene zeer groote kosten zoude veroorzaaken, of veel tijd vereijschen, en zeeker best door het verplaatzen van de groote sluijs in bekwae„ „mer en nuttiger werking en door het leggen van eenige dammen op de best daar toe dienende plaatsen zoude konnen
English
3366 can be accomplished; and for this so beneficial and so convenient execution, the capable Engineer Johannes and the so experienced and diligent First Surveyor Foenander are beyond contradiction the most suitable persons known to me, and I flatter myself that under their directions, management, and with their diligence, this so useful and important work could soon be brought to full completion. As long, therefore, as no better arrangements are made to repel the encroaching surplus water in that small district, all labor for the low grounds or wattoekawes is entirely fruitless, and that which is sown upon them will almost never, except only during an uncommonly long-lasting drought, which is again harmful in other respects, be able to yield any profit or advantage, but will for the most part be lost. The chenas or high grounds of that small district are exceptionally fertile, and it is certain that the contractors for the cultivation and preparation of the low grounds derive great profit from them, which will amply outweigh the loss of what was sown on the low grounds in the event of flooding. The cinnamon and other plantations or gardens laid out in that small district by the present contractors are still in their first emergence, and one will, from them as well as from the soursop and coconut trees planted here and there, be able to expect good results in due course, if proper care is taken for their further progress; one of the cinnamon gardens in the said district will in its present condition never produce anything good, because the cinnamon there was not planted, but sown like mustard seed, whereby the one tree entirely prevents the growth of the other, and the young plants and saplings growing up together suffocate one another. As regards the timbers in that small district, I find myself obliged to testify that I have seen many fine-looking trees on the high grounds, both already felled and burned, as well as still in full bloom; yet, for lack of sufficient knowledge in the sorting or utilities of timber, I can also not say whether these, and thousands of others which I saw lying felled, burned, half-rotted, and decayed everywhere I had myself rowed, are serviceable and useful as timber or not. The carpenters sent from here by me to the First Surveyor Foenander, and who remained there until the arrival of the Noble Gentlemen Commissioners, said that there was much and good timber among it, and that they would always be able to prove this, undertaking to demonstrate this clearly to experts, and to inform the above-mentioned Noble Commissioners thereof in the clearest manner, 3367 which, upon their return from there, they also declared to me to have offered, and at the same time reported to me several other remarkable circumstances, the discussion of which will best be added to another and further document as soon as the General Report of the First Surveyor Foenander, which is presently being transcribed, together with the accompanying documents, shall be forwarded to Your Noble Valiant High Mightinesses. Since I could now not imagine otherwise than that Your Noble Valiant High Mightinesses, for Your Highest satisfaction, promised yourself far more from the acute insight and conduct of the newly appointed Commissioners for the survey of the present true condition of the small district of Diwitoere, and possibly also for an accurate investigation of what was carried out there by the First Surveyor Foenander, than could be presented by all that which might be submitted by the just-mentioned capable Surveyor, by the Engineer Johannes, by the further Commissioners to be appointed from here in the future, and also by my own reflections and observations, I have therefore made no further accurate surveys in that regard, and have for the present content myself solely with the repeated declarations and testimonies of these simple carpenters in the presence of the Shahbandar Diat himself, after I had warned them in the most earnest manner to report or present nothing but what they could point out in the clearest manner to other experts, and that they had to be prepared to confirm their submitted reports and those yet to be submitted by solemn oath, if required; whereupon they assured me that all that was reported by them contained the pure and sincere truth, and that they would always be able to demonstrate more good timber than had been reported by them as burned, rotted, and decayed in the small district, and as would be declared in a further report. I might also very easily have been able, and, after the opposition to my prestige and public representation, be it said with all due deference, such a completely strange and improper existence, presenting such a clear distrust in my conduct and insight, might also have been allowed to excuse myself from this unrequested clarification of matters, and I would certainly have done so if my honor and reputation, which are so highly involved in these circumstances, could have tolerated this in any way, wherefore Your Noble Valiant High Mightinesses will also not take it amiss of me that I, until the complete end of this so extraordinary and so conspicuously treated case,
Dutch transcription
3366 konnen volbragt worden; en tot deeze zoo hij zaame on zoo aan geleegene uijtvoering, zijn, zonder teegenspraak de kundige Ingenieur Johannes en de zoo ervaare en ijverige Eerste Land Meeter Toenander de aldergeschik„ „te lieden, die mij bekend zijn, en ik vlije mij dat onder Hunne aanwijzingen direktie en met Hunnen ijver dit zoo nuttig en aangeleegene werk wel spoedig tot volkoome beslag zoude konnen gebragt worden. zoo lange dus geene betere inrigtingen tot weering van het indringende overtollige water in dat Landschapje gemaakt worden, is allen arbeijd voor de laage gronden of wattoekawes geheel vrugteloos, en het daar op gezaaijde zal bij na nimmer, dan alleen bij ongemeen lang aan „houdende droogte, die weeder in andere opzigten schaaden „lijk is, eenig niet of voordeel konnen aanbrengen, maar meerendeels verlooren gaan. De Chanassen of hooge gronden van dat Landschap je zijn bij uijtneemendheid vrugtbaar, en het is zeeker dat de aanneemers ter bebouwing en bekwaam ma„ van over „king der laage gronden daar over groot voordeel trek„ „ken, het geen ruijm het verlies van het gezaaijde op de laage Pronden bij overstrooming zal opweegen. De kanneel en andere plantagien of Thuijnen in dat Land„ „schapje door de teegenwoordige aanneemers aangelegt zijn nog in hunne eerste opkomst, en zal men daar van, zoo wel als van de hier en daar geplante soorsaks en kokus kokus boomen, in der tijd het goede konnen verwagten, zoo behoorlijk voor hunne verdere voortgang gezorgt word; Een der kanneel Tuijner in gem: Landschappe zal in zijne teegenwoordige toestand nimmer iets goed voortbrengen, wijl de kanneel aldaar niet gepland, maar als Mostert zaad gezaaijd is; waar door de eene Boom het oprijzen van den andere ten eenemaal verhinderd, en de zaamen oploopende Jonge plantjes en boom jes elkar„ „deren verstik ken. wat de houtwerker in dat Landschapje betreffen, wind ik mij verpligt te betuijgen, dat ik er veele schoon voor „koomende Boomen, zoo reets gekapte als verbrande en nog in vollen bloeij staande op de hooge gronden ge„ „zien hebbe, dog bij gebrek aan genoegzaame kennis in de sorteeringen of nuttig heeden der houtwerken, ka ik ook niet zeggen of die, en duij zenden van anderen, die ik overal, waar ik mij lit heen roeijen, afgekapt, verbrand, half verrot en vergaan heb zien leggen, voor als ƒ timmerhout of niet dienstig en nuttig zijn; De van hier door mij aan den Eerste Landmeeter Foenander toegeschikte, en tot de komste der Edele Heeren gekome „mitteerden aldaar verbleeve Timmerlieden, zijden wi dat er veel en goed timmerhout onder was, en zij dit altoos zouden konnen bewijzen, aanneemenden dit aan des kundigen duijdelijk aan te loonen, en de booven „gem: Ed=s gekommitteerden daar van ten klaarster 3367 te zullen onderrigten, het welk zij bij te rug komste van daar, mij ook verklaarden te hebben aangebooden en mij teffens meer andere aanmerkelijke omstandig„ „heeden berigten, waar van de overhandeling best bij een ander en nader schriftuur zal voegen, zoo dra het tans afgeschreeven wordende Generaal Rapport van den Eerste Land meeter Foenander met de daarbij gehoorende beschijden, uwel Edele Gestr: Groot Achtb: zullen toegeschikt worden. Wijl ik mij nu, niet anders konde voorstellen, dan dat uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: Zig voor Hoogst Desselfs genoegen, van het sehvander door zigt en beleijd der maan nieuw benoemde gekommitteerden, tot de opneemingen van de teegenwoordige waare gesteldheid van het Land„ schapje Diwitoere, en moogelijk wel meede tot een naauwkeurig onderzoek van het aldaar verrigte door den Eerste Land meeter Foenander, vrij meer beloofde, dan bij het al het geen door den zoo even verm: kundige Landmeeter, door den Jngenieur Johannes, door de verdere van hier te benoemene gekommitteerden in het vervolg, en ook door mijne eijge betragtingen en op mer„ kingen daarn zoude konnen woorgesteld worden, heb ik ook dien aangaande geene verdere naauwkeurige opnee„ „mingen gedaan, en mij voor het teegenwoordige alleen vergenoegt, met de herhaalde verklaaringen en betuijgingen - 9 Timmerlieden in teegenwoordigheid deezer eenvoudige zelve goed maar ƒ zelve van den Sabandaar Diat, na dat ik hun op de ernstigste wijze gewaarschouwd had, niets, op te gee„ „ven of voor tedraagen dan het geen zij ten duijdelijkst aan anderen des kundigen zouden konnen aan wijzen en zij verdagt moesten zijn hunne overgelegde en nog intediene Rapporten met solemneele Eede, des ver„ „eijscht wordende, te moeten bekragtigen, en mij daarop verzeekerden, dat al het door hun opgegeevene de zuijve„ „re en opregte waarheijd behelsde, en zij altoos meer goede houtwerken zouden kunnen aantoonen, als door hun voor verbrand, verrot en vergaan op het Landschap je opgegeeven waaren, en nog bij een nader Berigt stoti„ „den verklaard worden. Ik zoude mij ook veel ligt van deeze ongevergde ophelde„ „ring van zaaken hebben konnen, en, na het teegen gaam mijn aanzien en publiceke voorstelling, /: het zij met alle verschuldigde opmerking gezegd:/ zoo geheel vreemden oneijgentlijk bestaan, een zoo duijdelijk mistrouwen in mijn beleijd en doorzigt voorstellende, ook wel hebben moogen verschoonen, en Ik zoude dit ook voor zeeker gedaan hebben zoo mijne eere en aanzien die bij deeze omstandigheeden zoo hooglijk betrokken zijn, dit maar eenig zints hadden konnen gedoogen, waarom uwe Edele Gestr: Groot Achtb: mij ook niet zal kwalijk duijden, dat ik mij tot het volkoome uijt eijnde van dit zoo bijzonder en zoo opzigtelijk behandeld wordende geval
English
3368 case reserve such unconstrained and permissible declarations as I shall deem most useful and necessary to present in support of justice and equity in this state of affairs, wherefore I also request that an authentic copy of the submitted Report of the Honorable Commissioners Raket and van Schuler regarding their activities and observations in the small district of Diwitoere may be furnished to me in order to be able, if necessary, to make a statement regarding it, and to add thereto such necessary indications and directions, both for myself and for the First Surveyor Foenander, as may best serve to present all possible information and necessary clarifications on this now so important circumstance, both to Your Right Honorable, Highly Respected and to the Council of Government of this Government, as well as to the Supreme Government of these Lands, should this matter proceed to their own further judgment. I would never have made any public representation regarding this matter that is now causing so much rumor, except after having first surveyed all that was reported and announced by the First Surveyor Foenander in the aforementioned small district of Diwitoere according to his report or notification submitted in that regard, with all possible possible accuracy, both by a newly to be appointed commission, as he himself had requested, and by my own rigorous inspection, in order to first be informed of the pure truth of all that was presented in the most incontrovertible manner, but Your Right Honorable, Highly Respected has practically forced me to do so by the public directive in his letter dated May 9 last, and indeed upon the mere statements of the Maha Mudaliyar at Colombo, making it further necessary by placing the interdict on my issued order to the aforementioned Surveyor, and by appointing a special commission from Colombo, and further provoking this by leaving as yet unanswered my—be it said without offense—separate, as respectful as highly modest Government Letter of the 6th of this month, just as it likely may be required much further in the serious consequence of this matter, which troubles certainly cannot be charged to me, since I see myself compelled thereto as if against my will. In the survey determined by me of the present true condition of the small district of Diwitoere by the First Surveyor Foenander, who 3360 has the greatest aptitudes for this, I aimed at nothing but the good, observing therein the specific order for the annual survey, and thus I have done nothing in this regard other than what I am bound and obliged to do for the sake of honor, office, and duty; if this Surveyor has now not given sufficiently satisfactory reports of his true findings, or if he has been hindered from presenting a clearer and more accurate account of matters by the prohibition imposed on him upon directive of Your Right Honorable, Highly Respected to proceed further with his separate surveys in that small district, then I cannot think that anything thereof can be charged to me, and it is certain that from the further to be submitted General Report of the aforementioned Surveyor regarding his activities at Diwitoere, with the accompanying documents, it will best be demonstrated how well he knows how to join a sincere accuracy to his great knowledge and aptitude, while I also do not think that the to be submitted Report of the Honorable Commissioners Raket and van Schuler, of whom the first named had never before been in this Province, and the second has been here only for very few days without actual employment, and thus neither of them can have any such great knowledge of the situation and relations of the small district of Diwitoere as the Engineer Johannes and the First Surveyor Foenander, who have both traversed that District so often and surveyed the circumstances thereof with so much attention. The aforementioned Engineer Johannes delivered to me on the 26th of this month, with a Report of which I have the honor to offer Your Right Honorable, Highly Respected an authentic copy herewith, his thoughts on the present condition of the aforementioned small district, namely according to his latest observations made a few days ago with me. I have reviewed his opinions with attention and declare that I dare safely adopt them as my own, and I do not doubt that they will also fully satisfy Your Right Honorable, Highly Respected. The Honorable Commissioners Rakel and van Schuler arrived on the 17th of this month at noon at Baddegamme, on the other side of the Great River, where near the shore such lodgings had been erected for their Honors by the Korale of Gangebadde Pattuwa as the shortness of time and the disadvantageous state of the land had in any way permitted. Their Honors immediately took possession of these, in haste
Dutch transcription
3368 geval zoodanige onbedwonge en geoorlofde verklaar„ „ringen voorbehoude, als ik tot voorstand van Regt en billijkheid in deeze toedragt van zaaken best ter voorstelling zal nuttig en noodig agten, waarom ik dan ook verzoeke, dat mij een authenteik afschrift van het ingediend: wordende Rapport der E: gekommitteer„ „der Raket en van Schuller weegens hunne verrigtin„ „ger en opmerkingen in het Landschapje Diwitoere mag toekoomen om mij, des noodig, daar over te kon „men verklaaren, en daar bij zoodanige noodigs aan„ „duijdingen en aanwijzingen zoo voor wij zelve als voor den Eerste Landmeeter Hoenander te voegen, als best zullen konnen dienen, om zoo wel uwel Edele Gestr: Groot Achtb: en den Raad der Regeeringe deeses Gouvernements, als de hooge Regeering dee„ „zer Landen, zoo deeze zaak tot hoogst derzelver na„ „dere beoordeeling mogte overgaan, in deeze nu zoo aangeleege wordende omstandigheid alle moogelijke onderrigtingen en noodige ophelderingen te konnen voorstellen. Ik zoude nimmer over deeze zaak nu zoo veel gerugt maakende zaak eenige publieke voor„ „stelling gedaan hebben, dan na aevoorens al het opge„ „geevene en aangekondigde door den Eerste Land meeter Foenander in gem: Landschapje Diwitoere na zijn des weegens ingediend Rapport off Berigt met alle moogelijke moogelijke naauwkeurigheid, zoo wel door een nieuw te benoeme kommissie, gelijk hij ook zelve verkogt heeft, als door eijge naauwgezette beschouwing heb„ „ben opgenoomen, om eerst van de suijvere waarheijd van al het voorgestelde op de onw raakbaarste wijze onderrigt te zijn, dog uwel Ed: Gestr: Groot Agtb: heeft mij door de pubeliceke aanschrijving bij hoogst Desselfs brief in dato 9. ' Maij Joleeder, en wel op de bloote aangeevingen van den Maha Moddeljaar te kolombo, daar wel als toe genoodzaakt, het door het leggen van het Interdikt op mijn uijt gevaardigde last aan gem: Landmeeter, en door het benoemen van een expresse kommissie van kolombo verder noodza„ „kelijk gemaakt en roopt dit door het als nog onbeant„ „woord laaten van mijne, /: het zij zonder aanstroot gezegd:/ aparte zoo eerbiedige als ten hoogsten beschijden Regeerings Brief van den 6:' deezer nog nader op„ gelijk het ook waarschijnelijk in het ernstige ge„ „volg van deeze zaak nog veel verder kan vereijscht worden, welke wermoeijenissen mij zeeker niet ten lasten konnen gebragt worden, wijl ik er mij als teegen mijn wil, toegedrongen zie Bij de door mij bepaalde opneeming, van de teegenwoor„ „dige waare gesteldheid van het Landschap je Duir„ „toere door den Eerste Land meedter Foenander, die daar 3360 daar toe de meeste geschikt heeden „ heb ik niet dan het goede beoogd, daar in de bepaalde order ter in Jaarlijkse opneeming betragt, en dus heb ik daar„ „bij niet anders gedaan dan wat ik eer, ampto en pligtshalven verbonden en gehouden ben; Heeft nu deeze Land Meeter geene genoegzaam voldoende op„ „gaaven van zijne waare bevindingen gedaan, of is hij door het hem op aanschrijving van uwel Ed: Gestr: Groot Achtb. opgelegd verbod om met zijne af„ „zonderlijke opneemingen in dat Landschapje verder voort te gaan, beldt geworden, om een duijdelijker en naauw keuriger verhaal van zaaken voortestellen, zoo kan ik niet denken dat mij iets daar van zal kon„ „nen ten lasten gelegd worden, en het is zeeker dat uijt het nader inte diene Generaal Rapport van gem: Land„ 8. meder weegens zijne verrigtingen te Diwitoere, met de daarbij behoorende beschijden, best zal konnen blijken hoe zeer hij eene opregte naauwkeurigheid bij zijne groote kunde en geschiktheijd weet te voegen, wanneer ik ook niet denke, dat het intediene Rap„ „port der E: gekommitteerden Raket en van Schuler van welk de Eerstgenoemde nimmer te vooren in deeze Provintie was, en de tweede en maar voor zeer wijnige daagen zonder weezendlijke emplooijeering geweest is, en dus geen van bijden eenige zoo groote kennis van de „heaft, de Geleegentheid en betrekkingen van het Landschap„ „ze Diwitoere konnen hebben, als de Jngenieur Johan„ „nes, en de Eerste Landmeeter Toenander, die bij der dat Distrikt zoo dikmaals door kruijst en het aan„ „geleegene daar van met zoo veel aandagt opgenoomen hebben. Gemelde Ingenieur Johannes heeft mij op den 26 deeser bij een Berigt, van het welk ik de eere hebbe uwel„ „ Ed: Gestr: Groot Achtb: een authontiek afschrift bij deeze aante bieden, zijne gedagten over de teegenwoordige gesteldheid van het voorm: Landschapje, en wel„ volgens zijne laaste waarneemingen voor nu eeni„ „ge daagen met mij, ter hand gesteld, Ik heb zijne gevoelens met aandagt nagegaan en betuijge ze gerus„ „telijk voor de mijnen te durven overneemen, en ik twijffele, niet, of ze zullen uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: meede volkoomen voldoen„ De Ed:s gekommitteerden Rakel en van Schuler zwaa„ „men den 17. deezer op den middag te Baddegamme, aan de overzeijde der Groote Rivier aan, alwaare om en bij de schoot door den koraal van Gangebadde pattoe goede zoo groote Logementen voor hun wel Edelen opgezigt waaren, als de kortheijd des tijds en de onvoordeelige toestand des Lands eenigzints hadden toegelaaten, 7 Hun Edelen naam en dadelijk bezit van deeze in der haast
English
3370 their erected dwellings, while I had pitched my huts of olas or tree leaves on a height at some distance from the Great River for myself and my small retinue; these gentlemen deputies, although very well informed of my stay so close to their dwellings, gave no notice of their arrival, which decency—especially before a ruler in the land of his entrusted authority—would otherwise well require, if I do not presume too much upon myself; but in the evening around six o'clock, when I had returned to my Cadjan tents from inspecting some cinnamon and sappanwood plantations, I was unexpectedly informed both by the approach of the piercing native music of drums, trumpets, and the blare of horns, and of the arrival of these gentleman commissioners. I immediately went to the open entrance that had been erected in front of my ola huts in order to meet those honorable gentlemen commissioners, who were honoring me with a visit, with all possible courtesy. The clattering music, accompanied by a guard of Lascarins with a banner, marched very close past me, and the gentleman commissioners followed thereupon with their honorable confidential secretary in palanquins, in which their honors had themselves carried right up to my feet; whereupon their honors arose from them and greeted me in a very dignified manner, best befitting such a high station. I received their honors as amiably as was at all possible for me, and asked pardon for the simple reception, since I had come to Diwietoere without any state or display, solely to inspect some affairs of that small district, and was therefore unable to give their honors any other special distinction or marks of honor—other than those that might reside in my personal, friendly, and well-meaning presence and reception—as the best tokens of my high esteem for their honorable persons and high station. This unconstrained apology was also answered by these gentleman commissioners with all reciprocal tokens of grave friendliness, and after we had sat for a quarter of an hour in the open entrance before my dwelling, and had spoken about indifferent matters in the presence of the engineer Johannes and of the overseer of the Gale Korle, van Tijlingen, I requested the gentleman commissioners to do me the honor of spending the evening with me and the company present, which in a friendly 3371 and polite manner was accepted, but those gentlemen requested to be allowed to speak with me in private beforehand, to which I immediately consented, although the partitions of the various small huts for night quarters were only covered with dried tree leaves, and one could therefore very easily understand in the last room what was spoken in the first, however softly; but the said gentlemen declared that this inconvenience could well be amended by speaking softly, whereupon we then stepped together into one of the small huts, for whose simple furnishings I offered my best apologies. Having sat down on our rickety chairs, the said gentleman commissioners declared to me that they had been sent by your Right Honorable, Respected, and Venerable and the Council at Colombo to carry out a commission in the small district where we found ourselves, and thus represented the supreme government of this island in general, and the high person of your Right Honorable, Respected, and Venerable in particular, and in that double and so notable dignity expected from me all assistance in executing the charge entrusted to their honors. The first part of this announcement I received with all possible reverence, and showed this with a deep bow of the head, while I [illegible] the gentleman commissioners.
Dutch transcription
3370 haar op geslaage wooningen, terwijl ik mijne Hutten van olas of boomblaaderen op eene aanhoogte op eenig af„ „staad van de Groote Rievier voor mij en mijn klijn gevolg had opgeslaagen; Deeze Heeren gedeputeerden lieten, schoon zeer wel van mijn verblijf zoo na bij hunne wooningen onderrigt, geen kennis van hunne aan komst geeven, dat anders de welvoegelijk „heid voor al voor een Gebieder in het Land van zijn aanvertrouwd gezag, wel zoude vereijschen, zoo ik mij daar bij niet te veel laat voorstaan, dog des avonds teegen ses uuren, wanneer ik van het opneemen van eenige kanneel en sappan houts plantagien in mijne ke„ „dareesche tenten was te rug gekoomen, wierd Ik, op het weelen onverwagts, door den aannaadering van het zoo stelende Inlandsch Muziek van trommels, trompetten en Ba„ „zuijn geschal, als van de aankomst deezer Heeren Ge„ „kommitteerden verwittigd; Ik begaf mij aanstonds na de oopen intreede, dier voor mijne olas Hutten op„ „geslaagen was; om die Ed: Heeren Gekommit„ „teerden, mij met een bezoek vereerende, met alle moo„ „gelijke beleefdheid te ontmoeten; het kelder klinkend Muziek, verzeld van een wagt van Laskorijns met een vaandel, trokken zeer digt voor mij heenen, en de Heeren Gekommitteerden volgden daar op met Hun Hun Edele geheijmschrijver in palenkijns, in de„ „welken Hun wel Edelen zig tot voor mijne voeten leten draagen, wanneer Hun Edelen daar uijt opreezen, mij op eene zeer deftige, en zoo hooge voorstelling best voe„ „gende wijze begroeten; Ik ontving Hun Edelen zoo vriendelijk mij eenigzints moogelijk was, en verzogt verschooning voor het eenvoudig onthaal, wijl ik zonder eenige staatsie of voorstelling te Diwietoere alleen ter opneeming van eenige aangeleegendheeden van dat Landschapje gekoomen, en dus buijten staat was hun Edelen door eenig ander bijzonder onderscheijd of eer¬ „bewijzingen, dan die in mijne perzoonelijke vriendelij „ke en welmeenende voorstelling en o'tmoeting mogten resideeren, de beste blijken mijner hoog agting voor Hun Edele perzoonen en hooge voorstelling te konnen geeven; deeze onbedwonge verschooning wierd ook door deeze Heeren gekommitteerden met alle wederblijken van ernstige vriendelijkheid beandwoord, en na dat wij een kwart uur in de oopen ingang voor mijn verblijf gezeeten waaren, en in teegenwoordigheid van den Ingenieur Johannes en van den opziender der Gale korle van Tijlingen, over onverschillige zaaken ge„ „sprooken hadden, verzogt ik de Heeren Gekommitteerde mij de eere aan te doen van den avond met mij en bij zij „stand gezelschap door te brengen, het geen op eene Vriend„ „lijke 3371 „lijke en keusche wijze wierd aangenoomen, dog die Heeren verzogten mij alvoorens in het afzonderlijk te moogen. spreeken, waar in ik dadelijk bewilligde, schoon de afschijdingen der onderschijdene klijne hutten tot nagt„ „verblijf, alleen door gedaoogde boom blaaderen bedekt waaren, en men dus zeer ligt in het laatste ver„ „trekje konde verstaan wat, hoe zagt ook, in het eerste gesprooken wierd, dog Gem: Heeren betuijgden, dat dit inconvenient door zagtjes te spreeken wel te ver„ „beeteren was, waar op wij dan tezaamen in een der klijne stutten traaden, over welker eenvoudige toestel Ik mijne beste verschooningen Noord roeg; op onze krau„ „pele stoelen neadergezeeten zijnde, verklaarden mij de gem: Heeren gekomm: door uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: en den Raad te kolombo tot het volbrengen eener kommissie in 't Landschapje, alwaar wij ons bevonden, te zijn afgezonden, en dus de opper Regeering deeses Eilands in het algemeen, en den Hooge Per„ „zoon van uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: in het bij„ „zonder voortestellen, en in die dubbelde zoo aan mer„ „kelijke waardigheid van mij allen bijstand tot het volbren„ „gen van den hun wel Edelen opgedraage last te ver„ „wagten; Het eerste gedeelte deezer aankondiging ont„ „fing, Ik met alle moogelijke eerbied, en bewees dit met eene diepe hoofd buijging, terwijl ik de Heeren gekom Hun Edele geheijmschrijver in palenkijns, in de„ „welken Hun wel Edelen zig tot voor mijne voeten leten draagen, wanneer Hun Edelen daar uijt opreezen, mij op eene zeer deftige, en zoo hooge voorstelling best voe„ „gende wijze begroeten; Ik ontving Hun Edelen zoo vriendelijk mij eenigzints moogelijk was, en verzogt verschooning voor het eenvoudig onthaal, wijl ik zonder eenige staatsie of voorstelling te Diwietoere alleen ter opneeming van eenige aangeleegendheeden van dat Landschapje gekoomen, en dus buijten staat was hun Edelen door eenig ander bijzonder onderscheijd of ver„ „bewijzingen, dan die in mijne perzoonelijke vriendelij „ke en wel meenende voorstelling en 'tmoeting mogten resideeren, de beste blijken mijner hoog agting voor Hun Edele perzoonen en hooge voorstelling te konnen geeven; deeze onbedwonge verschooning wierd ook door deeze Heeren gekommitteerden met alle wederblijken van ernstige vriendelijkheid beandwoord, en na dat wij een kwart uur in de oopen ingang voor mijn verblijf gezeeten waaren, en in teegenwoordigheid van den Ingenieur Johannes en van den opziender der Gale Korle van Tijlingen, over onverschillige zaaken ge„ „sprooken hadden, verzogt ik de Heeren Gekommitteerde mij de eere aan te doen van den avond met mij en bij zij 74 „stand gezelschap door te brengen, het geen op eene Vriende„ „lijke
English
manner was accepted, but those Gentlemen requested to speak with me privately beforehand, to which I immediately consented, although the partitions of the various small huts for night quarters were covered only with dried tree leaves, and one could therefore very easily hear in the last room what was spoken in the first, no matter how softly; yet the said Gentlemen declared that this inconvenience could well be amended by speaking softly, whereupon we then stepped together into one of the small huts, regarding whose simple arrangement I offered my best apologies; having seated ourselves upon our crippled chairs, the said Gentlemen Commissioners declared to me that they had been dispatched by Your Noble Right Honourable and the Council at kolombo to carry out a commission in the little district where we found ourselves, and thus to represent the supreme Government of this Island in general, and the High Person of Your Noble Right Honourable in particular, and that in this double and so notable dignity they expected all assistance from me for the execution of the charge entrusted to their Honours; the first part of this announcement I received with all possible respect, and showed this with a deep bow of the head, while on the second part of their declaration I assured the Gentlemen Commissioners that I was fully prepared to render their Honours all possible convenience and assistance toward the execution of their so important commission, but that I would gladly be informed beforehand of what their Honours' activities were actually to consist, so that I might also regulate myself accordingly to some degree: that I would give all possible proofs of respect for the commission entrusted to their Honours and all high esteem for their Noble persons in particular, but that their Honours would please not take it amiss that, whereas Your Noble Right Honourable Government letter of the 12th of this month, speaking of this commission, only makes mention that the same was issued on behalf of the Government of this Administration, I could not understand the representation of the Gentlemen Commissioners in my own entrusted district, however subordinate to Higher Authority, except in a general sense, and could impossibly understand therefrom that their Honours should be regarded as representing the entire supreme Government of this Establishment in general, and the person of Your Noble Right Honourable moreover in particular on this occasion, even though their entrusted commission was carried out in the name and on behalf of the High supreme Government of this Administration; and upon my further inquiry whether the showing of this Instruction to me upon my inquiries in my character as Commander of this Province was also forbidden to their Honours, I received at first a somewhat obscure, but shortly thereafter a categorical answer of No, but that their Honours could not show it without prior approval from Your Noble Right Honourable, and would write to kolombo about it as soon as possible; in vain, however, I pressed again for a view of this special Instruction, and that after the declaration of the Noble commissioners that the showing thereof to me was not forbidden to their Honours, and that I ought indeed to be informed of what actually was being carried out so openly in the subordinate area entrusted to my care and conduct by the High Government of these Lands, especially when its existence was not directly directed against my own personal conduct, in which case one might still devise some excuses for such an otherwise rather harsh measure; my insistence was fruitless, and I thus found myself compelled to await what would be decided regarding this upon the promised written representation of those Gentlemen to Your Noble Right Honourable; I saw very well that against the well-known sic volo, sic jubeo, there was not too much to object in this case; I then promised the Gentlemen Commissioners all possible assistance toward the execution of their commission, which was known to me only by conjecture, whereupon, after holding an evening meal as friendly as it was simple, we parted from each other, the Gentlemen Commissioners going without any ceremonious display at the onset of night to their place of lodging at Baddegave, where on the following day in the morning I sent an orderly to inquire after the state of their Honours' health, and at the same time to present my obligated excuses, that by my simple equipment and clothing, being provided only with a sun hat and no sword, I found myself unable to pay their Honours a dutiful and formal visit, as was indeed proper, to which I considered myself all the more bound since those Gentlemen had honoured me with such a stately and dignified visit; this owed courtesy was answered in the most friendly manner, and the Gentleman Commissioner van schuler honoured me again in the evening with a visit, while the Gentleman Commissioner Na ket, due to a slight indisposition, found himself obliged to remain in his dwelling; noticing that those gentlemen wished to carry out their entrusted commission outside of my possibly somewhat noticeable presence, I decided just to return to Gale the following morning with the Engineer Johannes, leaving
Dutch transcription
3371 „lijke en heusche wijze wierd aangenoomen, dog die Heeren verzogten mij alvoorens in het afzonderlijk te moogen spreeken, waar in ik dadelijk bewilligde, schoon de„ afschijdingen der onderschijdene klijne hutten tot nagten „verblijf, alleen door d gedroogde boom blaaderen„ bedekt waaren, en men dus zeer ligt in het laatste ver„ „trekje konde verstaan wat, hoe zagt ook, in het eerste j gesprooken wierds dog Gem: Heeren betuijgden, dat dit inconvenient door zagtjes te spreeken wel te ver„ „beeteren was, waar op wij dan tezaamen in een der klijne stutten traaden, over welker eenvoudige toestel Ik mijne beste verschooningen Noordroeg; op onze kreus„ „pele stoelen neadergezeeten zijnde, verklaarden mij de gem: Heeren gekomm: door uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: en den Raad te kolombo tot het volbrengen eener kommissie in 't Landschapje, alwaar wij ons bevonden, te zijn afgezonden, en dus de opper Regeering deeses Eilands in het algemeen, en den Hooge Per„ „zoon van uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: in het bij„ „zonder voortestellen, en in die dubbelde zoo aan mer„ „kelijke waardigheid van mij allen bijstand tot het volbren„ „gen van den hun wel Edelen opgedraage last te ver„ „wagten; Het eerste gedeelte deezer aankondiging ont„ „fing, Ik met alle moogelijke eerbied, en bewees dit met eene diepe hoofd buijging, terwijl ik de Heeren gekom „ ƒ 2 Vriende gekommitteerden op het tweede lid hunner verklaaring verzeekerde, ter vollen berijd te zijn Hun Edelen alle moogelijke gemak en bijstand ter volbrenging hunner zoo aangeleegene kommissie te willen toebrengen, dog dat ik geerne voor af zoude onderregt zijn waar in eij„ „gentlijk Hun wel Ed: verrigtingen zouden moeten be„ „staan, om mij meede daar na eenigzints te konnen reguleeren: Dat ik alle moogelijke bewijzen van eer„ „bied voor de Hun Edelen aanvertrouwde kommissie en alle hoog agting voor Hunne Edele perzoonen in 6 het bijzonder zoude geeven, dog dat hun Edelen niet kwalijk geliefden te duijden, dat daar uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: Regeerings brief van den 12. ' deezer, spreekende van deeze kommissie, maar alleen melding doet, dat dezelve van weegens de Regeering deezes Gouver„ „nements uijtgevaardigd wierd, Ik de voorstelling der Heeren Gekomm: in mijn eijge aanvertrouwd gebieden hoe ondergeschikt ook aan Hooger Gezag, niet dan in eene algemeene zin konde begrijpen, en onmoogelijk daar uijt verstaan, dat hun wel Edelen, als de geheele opper Regeering deezes, Etablissements in het algemeen, en den perzoon van uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: boven dien in het afzonderlijke bij deeze geleegendheid verbedl„ „denden, zouden moeten aangemerkt worden, schoon ook derselver aanvertrouwde kommissie, uijt naam en van weegen de Hooge opper Regeering dezes Gouvernements vol„ „baagt wierd; en op mijne nadere vraage of het overtoonen deezer In„ „struktie 3372. „struktie aan mij op mijne vraagen in mijn karakter van Gezagvoerder deezer Provintie, Hun wel Edelen ook verbooden was, ontving ik eerst een wat onduijster, dog kort daarop een kathegorisch andwoord van Neer dog dat Hun Edelen die niet zonder voor afgaande goed„ „keuring van uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: konder Ver„ „toonen, en daar over ten eersten na kolombo zouden schrij„ „ven; te vergeefs hield ik egter andermaal om visie van deeze bijzondere Instruktie aan, en wel na de Verklaaring der Ed=s gekommitteerden dat Hun Ed: de verlooning daar van aan mij niet verbooden was, en ik wel diende onderrigt te worden wat eijgentlijk zoo oopentlijk in het mijne zorger en beleijd door de Hooge gebeeg Regeering deezer Landen aanvertrouwd ondergeschikt, vea„ „rigt wierd, voor al, wanneer het bestaan daar van niet dierektelijk teegen mijne eijge perzoonelijke ver„ „rigting en aangelegd was, wanneer men voor een dier„ „gelijke hoewel anders genoeg harde beschikking, nog wel eenige verschooningen konde uijtdenken; mijve aan„ „houdingen waaren vrugteloos, en ik zag mij dus ge„ „noodzaakt aftewagten; wat op de toegezegde schriftelijk voorstelling dier Heeren, aan uwel Ed: Gestr: Groot Zien Achtb: dien aangaande zoude bepaald worden; zoude zeer wel dat teegen het zoo bekende sic volo, sic subeo, in dit geval niet te veel intebrengen viel, Ik beloofde dan de Heeren gekomm: allen mogelijke bijstand ter ter uijtvoering Hunner mij niet dan bij gissing be„ „kende kommissie, waarop wij na het houden van eene even Vriendelijke als eenvoudige avond Maaltijd van elkanderen schijden, gaande de Heeren gekomm: zonder eenige statieuse voorstelling bij het aankoomen van den nagt na Hun verblijf plaats te Baddegave alwaar ik mij des anderen daags 's morgens door een ordonnants na den staat van hun wel Ed: Gezondh: liet onderrigten, en teffens mijne verpligte verschooning voortestellen, dat ik mij door mijne eenvoudige uijt„ „rusting en kleeding, als zijnde maar alleen van een zonde rijs hoed en van geen deegen voorzien, buijten staat bevond om bij hun wel Ed:, gelijk het wel behoorde een pligtelijk en plegtelijk bezoek afteleggen, waar toe ik mij te meer verbonden agte, wijl die Heeren mij met zoo een staats gewijze en deftig bezoek vereerd hadden deeze verschuldigde beleefdheid wierd op de vriendelijkste wijze beandwoord, en de Heer Gekommitteerden van schuler vereerde mij des avonds weeder met een be„ „zoek, terwijl de Heer gekomm: Na ket door eene klij „ne Indisposietie zig genoodzaakt zag in zijn woonig te verblijven; merkende dat die heeren gaarne Hunne aan vertrouwde kommissie buijten mijne, moogens „lijk wat opmerkelijk teegenwoordigheid, wilden vol„ „brengen; besloot ik maar den volgenden morgen met den Ingenieur Johannes weeder na Gale te keeren, laatende
English
leaving the overseer Van Tijlingen and the surveyor Foenander, with the two head carpenters and the two assistant surveyors who assisted the second-named in the leveling of that district, at Diwitoere at the request of the gentlemen commissioners, as well as two Aratchies of the timber transport remaining there, also taken along for the survey of the felled timber in that district by the first surveyor Foenander during his latest crossing and survey, though they were sent back here the day after my departure from that district by the aforementioned gentlemen commissioners, saying they had no need of their directions and indications regarding the timber works. On the 19th I departed again for this town, and in the morning, while crossing the river, I paid a visit to the gentlemen deputies in the field at Baddegamme. I was obliged to perform this due courtesy as incognito, and thus without prior announcement or notice, because my equipment, outfit, and clothing were too simple to make such a ceremonial greeting as required by the high representation, and according to the due observance of the public and once-and-for-all adopted solemnity. I therefore proceeded in all silence to the residence of the aforementioned gentlemen, who nevertheless, although my arrival could be known seldom and only by the insignificant noise of four oars on my covered raft or katteponel, came to receive me at the riverbank with all friendliness, and escorted me to their lodgings; where I was given a most courteous and obliging reception, and from where, after a stay of half an hour, I departed again to my rowing raft and continued the journey here, being escorted back to the riverbank by the said gentlemen with all politeness and friendly attention, so that I have no reason whatsoever to complain about these gentlemen commissioners and would gladly ascribe to Their Honors' subsequent kindnesses and attentions the first, in my view, somewhat overly forcefully maintained stately and grand representation during their first visit to Diwitoere, and the probably involuntary refusal to give any disclosure of their instructions, and for that reason let it pass unnoticed for now, and would also have mentioned nothing of it in this letter if I were certain that those gentlemen commissioners will not make a more or less detailed report of my personal encounter at Diwitoere, and perhaps entirely pass over my presence there, in which case these insignificant digressions might easily have been omitted, which, had I been aware of it, I would also gladly have done. At Baddegamme, with the gentlemen commissioners, was a European carpenter who had come from Colombo, and the great or Maha and Porta Mudaliyar Dias, head contractor of the present improvements of the Diwitoere district, and a large number of other native chiefs, of all of whom no mention is made in the Company's letters reporting on this commission, which, however, in the case of the carpenter was almost necessary according to custom, as it was said that he had no passport, and I, meeting him thus, could easily have sent him back as an unannounced Company servant, which would have embarrassed the gentlemen commissioners, for the service of whose commission he had probably accompanied, not a little, and would have suspended the intended purpose at least for the time being, for which reason I also simply let his appearance pass unnoticed, being well assured that his statements, even if they should be somewhat contrary to the declarations of the two Galle carpenters, will just as little be held infallible as those of the gentlemen commissioners, if they should not agree with those of the surveyor Foenander, the engineer Johannes, and myself, according to our own findings, and I could thus easily let him be; whatever may be expected of him, and the outcome will best prove. Furthermore, I saw with the gentlemen commissioners at Baddegamme a multitude of people, and the Shabandar Dias assured me that Their Honors' retinue consisted of more than two hundred persons, when counting Their Honors' Lascars, great and small servants, ceremonial or field musicians, otherwise drum and tambourine players, called in Sinhala Tamblinjeros and Kasnekares, and the coolies for the entire train; I was surprised that such a numerous and noisy representation caused so little sensation and commotion among the small number of nearly forty souls (the smallest children included) in that district, and I immediately concluded from this that the two simple Galle carpenters dispatched with the first surveyor Foenander to that district could also not have caused much commotion among a portion of the inhabitants of that district (being between twenty and thirty hours in circumference), and thus the indication of the Maha Mudaliyar Dias, mentioned in the Company's letter of the 9th of May last, which already then laid the ground to place an interdict upon my reasonable and dutiful existence, for the service of the Noble Company in the subordinate territory entrusted to me by the High Government of these lands, was entirely wrong and highly cunning, merely to foil all further accurate investigations outside of his presence and influence, and I flatter myself that many share this opinion with me. The Shabandar Dias, son of the aforementioned Mudaliyar, I have also upon the announcement of that entirely extraordinary report
Dutch transcription
3373 laatende de opziender van Tijlingen en den Land Meeter obgerrifte Foenander, met de twee beurste Timmerlieden en de twee Jonge Landmeeter, die den tweede genoemde tot bij„ „stand in de Nivileering van dat Landschapje gediend heb ul„ „ben, op het verlangen der Heeren gekomm:, te Diwitoe„ „re, gelijk ook aldaar verbloeven twee Araatjes vande houtsleep, meede ter opneeming der gekapte houtwer„ „ken in dat Landschapje door den Eerste Land Meeter Foenander in zijne Jongste overtogt en opneeming, na derwaards meede genoomen, dog den dag na mijn vertrok uijt dat Landschapje door welmelde heeren gekomm: weeder herwaarts gezonden wierden, zeggende hunne aan„ A4 „wijzingen, en aanduijdingen bij de houtwerken niet noo„ „dig te hebben. Den 19. vertrek ik dan weeder na deeze stad, en lijde des morgens bij het oversteeken, der Rivier een bezoek bij de Heeren gedeputeerden ten velden te Baddegamme af„ ik was verbonden deeze verschuldigde pligtpleeging als in Cognito, en dus zonder voor afgaande aandie„ „ning of aankondiging te doen, wijl mijne uijtrusting, toostel en kleeding al te eenvoudige waaren om zooda„ „nige Ceremonieele begroeting na vereijsch der hooge voorstelling, en na de verschuldigde opmerking der oopentlijke en eens voor al aangenoome plagtigheid, te doen. Ik begaf mij dus in alle stilte na de verblijfplaats van gem: Heeren, die mij egter, schoon mijne aan komste en zeld en alleen door het wijnig beduijdend gedruijs van vier riemen op mijn overdekt vlot of katteponel „konde gan een zonds: ing konde bekend worden, met alle vriendelijkheid aan den oever der Rievier kwaamen ontfangen, en na hunne wooningen geleijden; alwaar mij een alder heuscht: en verpligtend onthaal wierd aangedaan, en van waar ik, na een verblijf van een half uur, weeder na mijn roeij vlot vertrok, en de rijze na # herwaards voortzette, wordende door gem: Heeren weeder tot aan den Oever der Rivier met alle beleefdheid en vrien„ „delijke opmerking uijgeleijde gedaan, zoo dat ik mij over deeze Heeren gekomm: in geener deelen te beklaagen hebben en gaarne aan Hun welEd: volgende Vriendelijk heeden en opmerkingen, de eerste, na mijne gedagten, wat al te sterk doorgezette staats en grootsgewijze aangeduijde voorstelling bij derzelver eerste bezoek te Dievitoere„ en de waarschijnelijk onvrijwillige wijgering van eeni„ „ge oopening Hunner Instruktie te geeven, wil afschrij„ „ven, en uijt dien hoofde thans als ongemerkt passeeren, en er ook niets bij deeze Brief van zoude vermeld hebben indien ik verzeekerd waare, dat die Heeren gekomm: van mijn perzoonlijke ontmoeting te Diwitoere niet een min of meer omstandig verslag zullen doen, en mijn aan wee„ „zen aldaar misschien wel geheel zullen voor bij gaan, wan„ „neer deeze wijnig beduijdende uijtwijdingen ook wel ligt hadden konnen agterblijven, dat ik, bij bewustheijd daar van, ook gaarne zoude gedaan hebben. De Baddegamme was bij de Heeren gekomm: een Eu„ „ropees Timmerman, van kolombo gekoomen, en de groote of Maha en Porta Moddel Jaar Dias, hoofd Aanneemer der teegenwoordige verbeeteringen, van het Landschap Diwitoere, en een groot aan tal andere Inlandsche 3374: Inlandsche Hoofden, van alle dewelken bij skom p:s Brieven, meldende van deeze kommissie, geen gerrag gemaakt word, het geen egter van den Timmerman wel„ na den gebruijke, noodig was, wijl men zijde dat hij geen paspoord had, en ik hem, dus ontmoetende ligt, als een onaangekondigd komp. Dienaar, had konnen te rugzen„ „den, het geen de Heeren gekomm: tot den Dienst van welker kommissie hij waarschijnelijk meede gekoomen was, niet wijnig verleegen zoude gemaakt, en het be„ een „doelde ten minste voor den tijd opgeschort hebben, waarom ik dan zijne verschijning ook maar als on„ „gemerkt heb laaten passeeren, wel verzeekerd zijnde, dat zijne opgaaven, zoo die al met de verklaaringen van de bijde Gaalsche Timmerlieden eenigzints strijdig mogten zijn, eeven zo min voor onfijlbaar zullen gehou„ „den worden als die der Heeren gekomm:, zoo ze, met die van den Landmeeter Foenander, van den Ingenieur Johannes en van mij zelve, volgens eijge bevindingen, niet mogten overeenkoomen, en ik hem dus ligt konde laaten bestaan; wat men van hem verwagte, en de uijtkomst het best bewijzen zal. Ik zag verder bij de Heeren Gekomm: te Baddegamme een meenigte volks, en de Sabandaar Dias verzeeker¬ „de mij dat hun wel Edelen gevolg in ruijm twee hon„ „dert perzoon en bestond, wanneer men hun Edele Saffer Madoes, groote en klijne Dienaaren, staatsie of oever e haal en„ te bben in ee„ Ee„ sche e of Veld Muziekanten, anders trommel en tamblijn¬ „slaagers, en in het singalees Tamblinjeros en kos ne„ „kares genaamd, en de Koelus voor de geheele stoel daar bij reekende; Ik verwonderde mij dat eene zoo tal rijke en luijdrugtige voorstelling zoo wijnig afzien en opschu „ding onder het kleijn getal van ten naasten bij veertig zielen /: de klijnste kinderen daarbij gereekend:/ in dat Landschapje veroorzaakte, en ik besloot dadelijk hier uijt, dat de met de Eerste Landmeeter Foenander na dat Landschapje afgevaardigde, twee eenvoudige Gaal „sche Timmerlieden ook niet veel opschudding onder een gedeelte der Inwoonders van dat Distrikt, (: tus sch de twintig en dertig uuren in omtrek groot zijnde :/ heb„ „ben konnen veroorzaaken, en dus de aanduijding van den Maha Moddeljaar Dias, vermeld bij kom p:r brief van den 9. ' Maij J:oleeder, welke als doen reets de grond lijde, om een Jnterdikt op mijn reedelijk en verpligt bestaan, voor den Dienst der Edele Maatschappije in het mij door de hooge Regeering deezer Landen aanvertrouwd ondergeschikt gebied gelegd heeft, gants verkeerd en ten hoogste listig geweest is, om maar alle verdere naauwkeurige onderzoekingen buijten zijne tee„ „genwoordigheid en invloed te verijdelen, en ik Vlije mij dat veelen met mij in deeze van gelijk gevollen zijn. De Sabandaar Dias, zoon van den gem: ModdelJaar, heb ik ook op de aankondiging van dat gantsch bijzonder narigt -
English
asked repeatedly for information whether any of the few inhabitants of Duwitoere, who are all Chandos and Jaggery makers or toddy drawers, and therefore of the lowest castes, had fled from that small district upon the appearance of the carpenters in question, whereupon he always assured me that none of them had fled, but when I myself was at Diwitoere, he told me that a fisherman and a potter had gone secretly from there, yet without his knowledge, to Colombo to speak to the Maha Mudaliyar, because the surveyor Foenander was alleged to have threatened them that by helping to cause the great damage to the Honorable Company through ruining so many and such large precious forests, they would be clapped in irons, which had made them somewhat uneasy, but that those simple people had returned of their own accord to their dwellings. It is nevertheless very remarkable that, whereas I appeared at Diwitoere so long before the gentlemen commissioners and it was very well known to the inhabitants that I had come there solely to make a thorough investigation of matters, not one of the inhabitants presented himself to me with the slightest complaints against anyone, and this would likely also have been the case with respect to the Honorable gentlemen representatives of the supreme government of this island upon their Honors' appearance at Diwitoere, had their Honors not otherwise by public proclamation with beat of drum and tom-tom summoned all those among the inhabitants in that district who had any complaints to bring forward against the First Surveyor Foenander and his subordinates during their stay in that district, which procedure does not indicate great impartiality, especially not since this took place under the eyes and under the influence of the Maha Mudaliyar who was present there; I cannot imagine that this took place by order of your Right Honorable Sir, but rather at the own discretion of the Honorable gentlemen commissioners, and I cannot refrain from expressing my utmost astonishment at this strange conduct, since it is fully known to everyone that in these lands, and especially among the inhabitants of this government, one can obtain for a handful of schellingen more accusations and testimonies than the most capable and diligent clerk is able to put to paper with the customary formalities in twenty-four hours, and particularly when one incites the lowest sort of people, as indeed the inhabitants of Dewitoere are among the other Sinhalese, to such suspicious complaints, to which such people are sufficiently inclined of themselves, and especially when they notice that they can thereby earn some favor with their most prominent native chiefs. This is a truth that no one can deny, and of which I hold myself assured that all the old servants of the Honorable Company in this government are equally convinced, and this so certainly against a servant of lesser prominence, that, whereas I dare flatter myself that in the past year during your Right Honorable Sir's high presence in this city, on the occasion of the inspection of the once so dilapidated and now again so considerably improved fortifications of this city, not the slightest complaints would have been brought forward against me to your Right Honorable Sir, nor could up to this day be presented with any plausibility, and I declare myself ready, even at the least doubt cast upon my dutifully honest and upright conduct, both in the general administration entrusted to me and in all branches thereof, immediately to resign my so important post not only for a certain time, but even forever, in order not to cause the slightest hindrances or objections to the thorough investigation itself, I nevertheless hold myself completely assured, through long-standing knowledge of the real nature, especially of the base natives, who have nothing to lose by their wickedness, that for a little resounding favor, especially when it is proposed by beat of drums and tom-toms, a thousand and one entirely strange complaints or tales could very soon be called forth against myself, if the oncoming crowd could only assure itself of some real protection and be easy that, upon their falsehood being proven, they would remain shielded from the just attention of the law, either by the assumption of some benevolence in me, or by the assurance of higher authority and protection against any sensitivity sometimes still to be feared. The arising of some complaints against the First Surveyor Foenander, whom I nevertheless do not wish nor dare to defend in any improper conduct whatsoever, should he be guilty thereof, which would then certainly escape both your Right Honorable Sir's and my own thoughts of his good qualities, and whom I repeatedly, even in the presence of the Shahbandar Dias, instructed to exempt the poor inhabitants of Diwitoere in his dual commission not only from all statutory labor, but not even to let the least troubles be caused them, and to hold them in all possible friendly regard for their encouragement, which he also assured me he had uninterruptedly observed, would therefore be no wonder given this state of affairs, but I trust that he will be able and know how to clear himself, and that the means thereto will not be taken away or withheld from him. Your Right Honorable Sir will possibly wonder that I about
Dutch transcription
3375 75 narigt te meermaalen gevraagd, of ook eenige derwij„ „nige Inwoonders te Duwitoere, die alle schandos en Jageveros of Boom Tijfferaars, en dus van de gering¬ „ste kasten zijn, op de verschijning der bewuste Timmar„ lieden uijt dat Landschapje geweeken waaren, waarop „dat. hij mij altoos verzeekerd heeft niemand hunner was uijt geweeken, dog wanneer ik mij zelve te Dimitoe„ „re bevond, zijde hij mij dat een visser en een Potta„ „bakker van daar in stilte, dog buijten zijn weeten, na Kolombo gegaan waaren, om den Mahia Moddel „ Jaar te spreeken, wijl de Landmeeter Foenander hun zoude gedrijgd hebben, dat ze door het meede helpen in het toebrengen der groote schaaden aan de Edele komp: bij het ruineeren van zoo veele en zoo groote kostbaa„ „de bosschen zouden in de ketting- geklonken worden, het geen hun wat ongerust gemaakt had, dog dat die eenvoudige Menschen van zelven weeder na hunne wooningen gekeerd waaren. Het is egter zeer aanmerkelijk, dat daar ik zoo lange voor de heeren gekomm: te Diwitoere verscheen, en „der, Inwoonderen zeer wel bekend was, dat ik aldaar al„ „leen gekoomen was, om een naauwkeurig onderzoek van zaaken te doen, niemand der Inwoonders zig met eenige de minste klagten, teegen wie ook, bij mij ver„ „voogd heeft, en dit zal ook wel, zoo ten opzigte der Ed: ƒ Heeren Representanten der opper Regeering deeser Eijlands, bij bij hun Ed: verschijning te Diwitoere geweest zijn, wijl hun wel Ed: anders niet door oopentlijke indraging bij trommel en tamblijn eslag zouden op geroepen hebben alle de geenen die onder de Inwoonders in dat Landschap„ „ze eenige klagten teegen den Eerste Land Meeter Toenander en zijne onderhoorigen, bij hun verblijf in dat Distrikt hadden voorttebrengen, welke verrigting geene groote on „zijdigheid aanduijd, voor al niet, daar dit onder het oog en bij den invloed van den daar bij teegenwoordig zijnde Maha Moddel Jaar geschiede; Ik kan niet denken dat dit op bevel van uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: maar veel eer op eijge goed vinden der Ed: Heeren gekommitteerden geschied is, en ik kan niet nalaaten mij over dit vreemd be„ „staan ten hoogste te verwonderen, wijl een ieder ten vol„ „len bekend is, dat men in deeze Landen, en voor al onder de Bewoonders van dit Gouvernement voor een hand vol Schellingen, meer beschuldigingen en getuijgenissen kan inwinnen, als de bezwaamste en ijverigste Baamptschrij„ „ver magtig is, in vier en twintig uuren met de gewoone formalia ten papiere te brengen, en wel voor al wanneer men het geringste zoort van Menschen, gelijk waarlijk de Bewoonders van Dewitoere onder de overige Singaleezen zijn, tot diergelijke bedenkelijke klagten op lijd, waar toe zoodaanige menschen genoeg uijt hun zelven geneijgd zijn, en wel vooral, wanneer zij bemerken daar meede eenig genoegen bij hunne meest aanzien lijkste Inlandsche Hoofden 3376 Hoofden te konnen verdienen; Dit is eene waarheijd die niemand kan teegenspreeken, en van dewelke Ik mij verzeekerd houde dat alle de oude Dienaaren der Ed: Maatschappije in dit Gouvernement eeven gelijk over„ „tuijgd zijn, en dit zoo zeeker teegen een minder voorstellend Dienaar, dat, daar ik mij vlije durve, dat in het voor„ „heedene Jaar bij uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: hooge tee„ „genwoordigheid in deeze stad, bij geleegendheid van het op„ „neemen der zoo vervalle en thans weeder zoo aanmer„ „kelijk verbeeterde vesting werken van deeze stad, geene de minste klagten teegen mij bij uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: zou voortgebragt, en tot heeden met geene waar„ „schijnelijkheid konnen voorgesteld worden, en ik mij berijd verklaare, zelfs bij de minste twijffeling aan mijn verpligt eerlijk en opregt bestaan, zoo in de algemeene aanvertrouwde Bestiering, als in alle de afdeelingen daar van, dadelijk mijn zoo aangeleegene Post niet alleen voor een zeekere tijd, maar zelfs voor altoos neer„ „telegger, om het naauwgezette onderzoek zelve geen de minste verhinderingen of bedenkingen toete brengen ik mij egter, door de langduurige kennis van de wezend„ „lijke geaardheid, voor al van de schaamde Inlanders, die niets bij hunne slegtheid te verliezen hebben, vol„ „koomen verzeekerd houde, dat voor een wijnig klinkend welbehaagen, voor al owanneer het door trommels en tamblijngeslag voorgesteld word, wel haast Een duij„ „zend en een geheel vreemde klagter of vertelzelenteegen mij zijn, daa on zi e e mij zelve zouden konnen opgeroepen worden, wanneer de op koomende meenigte zig maar van eenige weezendlijke bescherming konde verzeekeren en gerust zijn, dat zij, bij overtuijging van hunne valscheid, voor de billijke aan¬ „dagt van het Regt, en het zij door onderstelling van eenige menschlievend heid in mij, off door de verzeeke„ „ring van hooger gezag en bescherming voor eenige zomtijds te nog dugte gevoeligheid, zouden gedeket blijver. Het opkoomen van eenige klagten teegen der Eerste Land„ „meeter Foenander, die ik egter in geen verkeerd be„ „staan hoe genaamd ook, zoo hij daar aan mogte schuldig zijn, en het geen als dan zeeker zoo wel uwel Edele Gestr: Groot Achtb: als mijne gedagten van zijne goede hoedaanigheeden zoude voorbij gaan, begeere nog onderstaan wil te verdeedigen, en hem te meermaalan zelfs in teegenwoordigheid van den sabandaar Dias„ aangekondigd hebbe, om bij zijne dubbelde kommissie niet alleen de arme Jnwoonders van Diwitoere voor alle Heeren Diensten te verschoonen, maar hun zelfs geene de minste moeijenissen te laaten aandoen, en in alle mogelijke vriendelijke op merking ter hunner aan moe„ diging te houden, het geen hij mij ook verzeekerd heeft onafgebrooken te hebben in agt genoomen, zoude dus bij deeze voorstelling geen wonder zijn, dog ik vertrouwe dat hij zig wel zal konnen en weeten te ontschuldigen, en hem de middelen daar toe niet zullen benoemen of ont„ „houden worden. uwel Ed: Gestr: Grot Agtb: zal zig moogelijk verwondere, dat ik over
English
3377. this matter presents such great expatiations, they may be troublesome and unpleasant, yet they are at the same time, in my view, necessary, of which presently no doubt the most exact explanation will not be summoned, and it is certain that so much would not have been written about this case, and thus many troubles of the spirit would have been spared, if, by a private letter, or through the interposition of some trusted person—if Your Right Honourable, Right Worshipful Noble Sir did not wish to maintain any separate correspondence with me, as appears from the fact that some of my letters written many months ago to Your Noble Sir still remain unanswered—you had pleased to make known the announcement of the Maha Mudaliyar regarding the pretended unrest among some inhabitants of the district of Diwitoere over the appearance of two simple carpenters, who surveyed and counted the stumps of some felled, burnt, and half-rotten trees in that district; but this having now occurred by a general public letter to me and the Council of this Commandment, I could not fail to reply to it openly, and to defend this matter, in which my honour and reputation are so considerably involved, in as decent and orderly a manner as the serious and strange treatment thereof was most necessary, both for Justice, which ought to be preserved inviolate, as well as for my own interest involved therein, and may yet become even more necessary in the future, for which no one in the world can blame me; meanwhile I regret that it also takes away so much of the time of Your Right Honourable, Right Worshipful Noble Sir, which is so precious to the public utility, but who will fairly attribute the blame for it to me! I would have had nothing to object to, nor wished to object to, the dispatch of the commission to Diwitoere, if it had been dispatched after the full completion of the separate charge entrusted by me to the First Surveyor Foenander out of honour, office, and duty, to survey the present true condition of the district of Diwitoere with all further dependencies thereof, and after the submission of the reports offered regarding it, in which case that second inquiry would have been nothing but fair, and I would not have seen myself thwarted, on the mere pretext of a native chief by a public government letter, in the proper exercise of that to which I am so highly obliged and bound, as has now happened, which I cannot have deserved under any possible reasonable interpretation, and thus am just as sensitive about this, and with great justice, as the Honourable Dissave at Mature, who is a subordinate servant of this Commandment, would with equal reason be, if I, in his various and frequent journeys inland to investigate many matters being discovered, and unsettled conditions among some inhabitants of somewhat distant Pattoos or portions of land, 3378 3381 without giving any preceding reasons thereof or therefor, treated him in just as, or even in a far less harsh and strange manner as has now happened to me in this case, and has befallen me under many other circumstances, too numerous to mention here, and so sensitively diminished him in his so necessary respect and authority among the observant native population, upon whom all such treatments have so great an influence; and I hold myself assured that Your Right Honourable, Right Worshipful Noble Sir, upon the first complaint arising from it, would at least write to me that I presumed more in my entrusted authority than became me, and that I ought to refrain from treating with indignity the first servant in this Commandment subordinate to my derived authority, and from diminishing his so necessary respect and credit among the native population in such a strange and entirely improper manner, with a serious recommendation to conduct myself henceforth with more becoming modesty toward my most prominent subordinates, and not to extinguish their courage for the accurate and proper continuation of their high obligations through entirely strange and harsh treatments; and it is certain that this reprimand, in proportion to the wrong and oppressive treatment, would still be very moderate, and could be urged quite more strongly and harshly, and that such a man, being an honour-loving and ambitious servant, obtaining no satisfaction for his grievance, and seeing himself further tormented by his superior in authority in such a harsh manner, would soon have to request his discharge from his oppressive and vexatious circumstances, and make known to the attentive world the true reasons for his public displeasure and grievances; and I hold myself assured that Your Right Honourable, Right Worshipful Noble Sir, in fair consideration, will likewise understand it thus, and therefore not take it amiss that I, placed in a higher seat at the table of the Government of this administration, at the side of Your Right Honourable, Right Worshipful Noble Sir, and so much bound to the service of the Noble Company as otherwise to Your Noble Sir himself, also complain with right and reason about treatments that I certainly have never deserved, and surely, in consideration of the closely binding relationship, could and ought to expect entirely differently. Since I now, as one of the First Members of the Council of this Government, would undoubtedly have full freedom of speech in all Council meetings, and might openly express my thoughts with frankness on all affairs of the administration, in and on behalf of this Government, it cannot in all fairness be taken amiss of me that
Dutch transcription
3377. deeze zaak zoo groote uijtwijdingen voorstelle, ze konnen lastigen onaangenaam zijn, dog ze zijn teffens, na mijn inzien, noodzaakelijk, waar van teegenwoordig zeeker de nauwste verklaaring niet zal opgeroepen worden, en het is zeeker dat over dit geval zoo veel niet zoude geschreeven, en dus veele moeijenissen des geestes gespaard zijn, wanneer men bij een partikuliere brief, of door tusschen komst van eenig wel vertrouwd perzoon, zoo uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: al met mij geene afzon„ „derlijke Correspondentie, gelijk door het als nog onbeand„ „woord laaten van eenige mijner voor veele maanden aan Hoogst Den zelve geschreeve Brieven blijkt, begeerde te onderhouden, de aankondiging van den groote porta Bedienden, weegens de pretensie ongerustheid onder eenige Jnwoonders van het Landschapje Diwi„ „toere over de verschijning van twee eenvoudige Tim„ „merlieden, die de stompen van eenige omvergekapte, verbrande en half verrotte boomen, in dat Landschap„ „je opnaamen en telden, had gelieven bekend te maaken, & dog dit, nu bij een algemeene publieke Brief aan mij en den Raad deezes kommandements geschied zijnde, heb ik ook niet konnen nalaaten daarop oopentlijk te andwoorden, en deeze zaak, waar bij mijne eere en aanzien zoo aanwerkelijk betrokken worden, op eene zoo betaamelijke en geordende wijze te verdeedigen als de ernstige en vreemde behandeling daar van zoo voor het Regt: dat onkrenkbaar diend bewaard te blijven als neer de als voor mijn eijge daar bij betrokke belang het meeste noodzaakelijk was, en nog verder zal konnen worden, het geen wij niemand ter waareld kan kwalijk duijder; het spijt mij onderwijl, dat het uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: meede zoo veel van de tot het algemeen nit zoo dierbaare tijd weg neemt, dog wie zal er mij billijker wijze de schuld van toewijzen! Ik zoude teegen het af„ e „zenden der kommissie na Diwitoere niets hebben kon„ „wanneer die naa het volkoomen volbrengen, „nen of willen inbrengen van de afzonderlijke door mij aan den Eerste Land meeter Foenander eer, amptsen pligts weegen opgedraage last, tot het opneemen van de teegenwoordige waare gesteldheid van het Landschapje Diwitoeve met al het verder aangeleegene van dien„ en na het indienen van de desweegens aangeboodene Berigten waare afgezonden, wanneer dat tweede onder„ „zoek niet dan billijk zoude geweest zijn, en ik mij niet op de bloote voorgaave van een Inlandsch hoofd bij een opentlijke Regeerings briev in het behoorlijk uijt„ „oeffenen van het geen ik, zoo hooglijk verpligt en verbonden ben, gelijk nu, had zien teegen gehouden, het geen ik bij geene moogelijke billijke uijtleggingen kan verdiend hebben, en regt dus daar over, en met groot seeven zoo gevoelig ber, als de E: Dessave te Mature, Die een onder geschikt Dienaar van dit kommandement is, met gelijke reeden zouden zijn wanneer ik teegen hem in zijn diverse en veelvuldige Land„ „togten tot onderzoekinge van veele ontdekt wordende aange„ „leegend heeden, en onrustige omstandig heeden onder eenige bewoonders van wat verre af geleege Pattoes of Lands gedeelten 3378 3381 gedeelten, zonder daar van of daar voor eenige voor af¬ „gaande reeden te geeven, op eene eeven zoo, of zelfs op eene veel minder harde en vreemde wijze behandelde, als mij nu in dit geval geschied, en bij veele andere omstandigheeden, te veelvuldig om hier optenoomen, is toegekoomen, en in zijn zoo, noodzaakelijk aanzien en Gezag bij den wel oplettende Jnlander, op wien alle diergelijke behandelingen een zoo groote invloed heb„ hoet „ben, zoo gevoelig verminderde; en ik hoode mij verzee„ „kerd, dat uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: bij de eersten daar over voortkoomende klagte mij ten minste zoude aanschrijven dat ik mij in mijn aanvertrouwde ge¬ „zag meer veroorbogde dan mij behoorde, en ik mij wel„ diende te onthouden van de Eerste onder mijn ontleend gezag ressorteerende Dienaar in dit kommandemente met onwaardigheid te behandelen, en hem op zoodanig eene vreemde en geheel ongepaste wijze, zijn zoo nood„ „zakelijk aanzien en krediet bij den Inlander te vermindere, ook „ren, met ernstige aanbeveeling, van mij voortaan met nij meer welvoegelijk beschijdendheid teegen mijne meest aanzienlijke onderhooriger te gedraagen, en hun door geheel vreemde en harde behandelingen den moed tot C„ het naauwkeurig en behoorlijk voortzetten hunner 7 hooge verpligtingen niet uijtblussen, en het is zeeker dat deeze bestraffing, na eevenreedigheid der verkeerde en drukkende behandeling, nog wel zeer gemaaligd zoude meeste zoo zoude zijn, en wel vrij sterker en harder konde aange„ drongen worden, en dat zoodanig een Man, als een eerlievend en eerzugtig Dienaar, gaen voldoening op zijn beswaar erlangende, en zig verder door zijn overgesteld gezag voerder op zoodanige harde wijze gekweld ziende, wel haast zijn onslag uijt zijne drukkende en verdrie„ „tige omstandigheeden zouden moeten vraager, en de aandagtige wereld de waare reedenen van zijn opentlijk misnoeger en beswaaren bekend maaken, en ik houde mij verzeekerd dat uwel Ed: Gestr: Groot Achtb:, dat in billijke overweeging meede zoodanig zal begrijpen, en dus niet kwalijk duijder, dat ik op een hooger stod aan de tafel der Regeering deezes Gouvernements, aan de zijde van uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: geplaatst, en zoo zeer in den dienst der Edele Maatschappijals anderzints aan hoogst denzelven verbonden, wij ook met regt oof or „lijk beklaage, over behandelingen, die ik zeeker nieu„ „mer verdiend hebbe, en gewis in aanmerking der naauw„ verbindende betrekking geheel anders konde en behoo„ „re te verwagten. Daar ik nu als een der Eerste Leeden van den Raad deezes Gouvernements ongetwijffeld, in alle Raads vergadering de volkoome vrijheid van spreeken zoude hebben, en vrij„ „moedig mijne gedagten over alle betrekkingen der bestiering, in, en van weegen dit Gouvernement zoude moogen oopen leggen, kan het mij immers met bellijkheid niet kwalijk genoomen worden dat dat
English
that I, for the interest of the Honorable Company in general, and in support of justice and equity in particular, for the concerns in this Province entrusted to my care by the High Government of the Indies, declare my thoughts with all attention, as long as this occurs with propriety, and from this necessary observation I have never deviated, no matter how ill treated, and I imagine in this my attentive office to be allowed and able to expect, that I may and can represent myself in all proper written proposals, in the Council of this Government, before and in which everyone also sitting has the well-ordered liberty, or at least ought to have, to be allowed to propose his thoughts on important matters in writing, whenever he judges or thinks he cannot accomplish this sufficiently by word of mouth, and in these equitable proposals my written testimonies can thus be regarded as an ever-living representation, in which I also hereby respectfully recommend them to the high attention of Your Honorable, Rigorous, Highly Esteemed and the further gentlemen members of the Council, and dare flatter myself to find in their highest attentive and unprejudiced considerations and the equitable Resolutions following thereupon such justice and acceptance of all good and well-considered insights, as mostly the power of their equity and good thoughts, in which I recommend myself anew herewith, will be able to confirm, and will be able to increase their highest fame and honor, to which I heartily wish an ever-ascending progress. The Gentlemen Commissioners, concerning whose commission—kept so secret and dispatched with so much haste, and departing directly for Diwitoere without even calling at this city—I prefer, especially on this occasion, to make no remarks, it being best to leave this with all its relations to higher discernment, arrived in this city in all silence on the 23rd of this month in the afternoon, leaving all their state-like representations behind, and even outside the city, possibly out of consideration that I casually remarked at Diwitoere that within the walls of Pale such a stately presentation, as with which their Honors appeared before my feet at Duvitoere, could not be permitted by the Commander of the Province, according to an ancient custom, except for the Ruler of the Land or for those who virtually equal his highest esteem, for which reason their Honors then also possibly, as not being sufficiently assured of their virtual high standing throughout the entire Province, or understanding it only for the little district of Diwiloere, and unwilling to cause any particular displeasure without extreme necessity, and perhaps also recalling the history of Jericho, preferred to desist therefrom, and enter the city as incognito, about which I was not a little pleased, as at their Honors' public presentation I might easily have come into great embarrassment regarding regulating the military and other public honors for these gentlemen together, and for each of them in particular, because we find no examples thereof here in the available Daily Registers; the said Gentlemen also departed from here again on the 26th and 27th, each separately, and will probably have reported by now on their Honors' entrusted commission, of which I, as well for myself as for the Engineer Johannes and for the First Surveyor Foenander, request an authentic copy, as also of the annexes belonging thereto, and of the Instruction given to the aforementioned commissioners in their commission, so that we, if necessary, may and can further answer thereto, and add such clarifications as the interest of the matters might require, and, if this courtesy cannot be granted to us, I then respectfully request that this matter, even in its present circumstances, with all that has been submitted in writing from here about it, and what may yet appear for that purpose, may be presented to the High Government of these Lands for further judgment at the very first opportunity, so that we may then find along that path a public defense of our honor and esteem, which are so greatly involved in these circumstances. I also request that the Maha and Porta Moddeliar Dias be ordered to send hither a signed copy of the roll of the chopped Chonasser at Duvitoere in the year 1785, for which I requested in my separate respectful letter of the 14th of this month, as being most highly necessary for submitting the general Report of the Surveyor Foenander concerning his survey begun at Diwitoere, and only half completed by order of Your Honorable, Rigorous, Highly Esteemed, and observations concerning its present true condition, but if these necessary papers cannot reach us, the general Report of the said First Surveyor concerning his observations in that district will then be submitted without this provision, and thus defectively. Recommending myself to Your Honorable, Rigorous, Highly Esteemed's better thoughts, I have the honor to be with all high esteem /:was signed below:/ Honorable, Rigorous, Highly Esteemed, High Ruling Lord! Your Honorable, Rigorous, Highly Esteemed's humble Servant /:was signed:/ C: D: Kraijenhoff /:in the margin:/ Pale, the 30th of June 1788. Agrees Sijbrands Clerk
Dutch transcription
379 33 dat ik voor het belang der Ed: Maatschappij in het al„ „gemeen, en tot voorstand van regt en billijkheid in het men bijzonder, voor het aangeleegene in deeze mijne zorgen door de hooge Regeering der Indiën aanvertrouwde Provintie, met alle aandagt mijne gedagten verklaaren, zoo lange dit met betaamelijkheid geschied, en van deeze noodzaake„ „lijke opmerking ben ik nimmer, hoe kwalijk gehan„ „deld ook, afgeweeken, en ik verbeelde mij in deeze mij ne aandagtige betrekking wel te moogen en te konnen verwagten, dat ik bij alle betaamelijke schriftelijke voor„ „stellingen mij mag en kan verteegenwoordigen, in den Raad deezes Gouvernements, voor en in dewelke een ieder meede zid de wel geordende vrijheid heeft, of ten minsten behoord te hebben van zijne gedagten, over aangeleegene zaaken schriftelijk te moogen voorstellen, wanneer hij oordeeld off denkt dit bij Monde niet voldoende genoeg te konnen volbrengen, en in deeze billijke voorstellen konnen mijne schriftelijke betuijgingen dus in een al„ „toos leevende verteegenwoordiging worden aangemerkt, in dewelke ik ze ook bij deeze de hooge aandagt van uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: en de verdere haeren leeden van den Raad eerbiedig aanbeveele, en mij wel durve vlijen, van in hoogst derzelver aandag„ „tige en aanbevooroordeelde overweegingen en daarop vol„ „gende billijke Besluijten zoodanig Regt en aanneeming van alle goede en wel bedagte inzigten te zullen vinden, meest alswrst: de kragt van derzelver billijkheijd en goede gedagten gedagten, waar in ik mij bij deeze op nieuw beveele zal kunnen bevestigen, en Hoogst derzelver roem en eere aan welke ik van harte eene meer en meer op klimmerde voortgang toewensche, zal konnen vermeerderen. De Heeren Gekomm:, over welker zoo bedekt gehoude en met zoo veel spoed afgewaardigde, en direkt, zonder eens deeze stad aante doen, na Diwitoere vertrokke kommissie ik het liefst, voor al bij deeze geleegendheid geene aanmerkingen zal maaken, best zijnde dit met alle zijne betrekkingen aan hooger doorzigt over telaa„ „ten, zijn den 23. ' deezer des nademiddags in alle stilte n deeze stad aangekoomen, laatende alle hunne staats ge¬ „wijze voorstellingen agter, en zelfs buijten de stad, mee„ „gelijk wel uijt aanmerking dat ik mij discoursive te Diwitoere heb laaten ontvallen dat binnen de muus„ „ren van Pale eene zoodanige statieuse voorstelling, als waarmeede hun wel Ed: tot voor mijne voeten te Duvitoere verscheenen, niet dan voor den Gebieder des Lands of voor die met hoogst desselfs aansien weezendlijk gelijk staan, door den Gezagvoerder der Pro„ „wintie, na een al oud gebruijk, konde toegelaaten worden, waarom hun Edelen dan ook moogelijk, als niet genoeg van derzelver weezendlijke hooge voorstelling door de geheele Provintie verzeekerd, of die maar alleen voor het Landd„ „schapje Diwiloere begrijpende, en ongaarne eenig bijzonder ongenoegen buijten hooge noodzaakelijkheid willende veroorzaaken, en zig misschier ook wel de geschieden is 3380 geschiedenis van Jericho te binnen brengende, liever daar van hebben willen afzien, en als in Cognito binnen de stad koomen, waar over ik niet wijnig in mijn schik was, als bij hun wel Edelen publieke voorstelling ligt in „hoef groote overleegendheid konnende raaken het Militair en ander publiek honneur voor deeze heeren te zaamen, en voor ieder hunner in het bijzonder, te reguleeren, wijl wij daar van hier bij de voorhanden zijnde Dag Re„ „gisters geene voorbeelden vinden, gem: Heeren zijn ook den 26. en 27. weeder ieder afzonderlijk van hier vertrokken, en zullen waarschijnelijk nu reeds verslag van hun wel Ed: aan vertrouwde kommissie gedaan hebben, van dewelke ik, zoo voor mij als voor den Ingenieur Johan„ „nes en voor de Eerste Landmeeter Toenander een au„ „thentick afschrift verzoeke, gelijk meede van de daartoe gehoorende bijlaagen, en van de aangemelde gekomm: in hunne kommissie meede gegeeve Instruktie, op dat wij ons, des noodig, daar op nader konnen en mooge ver„od „and woorden, en daar bij zoodanige ophelderingen voegen mij als het belang der zaaken, zoude moogen vereijschen, en, indien ons deeze believing niet kan geworden, zoo ver„ „zoeke eerbiedig dat deeze zaak, zelfs in haare teegonwoordi„ „ge toedragt, met al het geen daar over van hier schrif„ „telijk ingediend is, en nog ten dien eijnde voorkoomen, de hooge Regeering deezer Landen ter nadere beoordeeling bij de in„ aller eerst voorkoomende geleegendheid mag voorgesteld worden, op dat wij, als dan langs dien neg eene opentlijke verdeedi; „ging zal 3381 „ging van onze bij deeze omstandigheeden zoo zeer betrokkene eete en aan zien moogen vinden. Ik verzoek ook dat den Maha en Porta Moddeljaar Dias gelast worde, na herwaards te zenden een geteekende afschrift der rolle van de gekapte Chonasser te Duvitoere in A:o 1785., om dewelker, Ik bij mijn aparte eerbiedige van den 14. deezer verzogt hebbe, als zijnde ter hoogste noodig tot het indienen van het algemeen Rapport, van den Landmeeter Foenander weegens zijne te Diwitoere begonne, en op uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: bevel maar half volbragte opneeminge, en opmerkinger wee„ „gens desselfs teegenwoordige waare gesteldheid, dog indien ons deeze noodzaakelijke papieren niet konnen toekoomen„ zal het generaal Rapport van gem: Eerste Landmee„ „ter weegens zijne op en waarneemingen in dat Land„ „schapje, als dan zonder deeze voorziening, en dus gebrek „kig ingediend worden. Mij in uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: beetere gedagten be„ „veelende heb ik de eer met alle hoog agting te zijn /:onderstond:) Wel Edele, Gestrenge, Groot Achtbaare, Hoog Gebieden de Heer! uwel Ed: Gestr: Groot Achtb:, on¬ „derdanigen Dienaar /:was geteekend:/ C: D: Kraijgnhoff /:in margine:/ Pale den 30.:' Junij 1788. Accordeert Sijbrands Wlijklerk 3 382 rokkene Dias hrift van dig e 100 d mee¬ gebrek¬
English
3981 Kolombo To the Right Honorable, Severe, Highly Esteemed Lord Willem Jacob van de Graaff, Extraordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, together with the Council. Right Honorable, Highly Esteemed, High Commanding Lord. We have had the honor to receive Your Right Honorable's highly respected circular letter of 23 June last, together with the copy of a secret letter which the Right Honorable and Esteemed Lords Directors of the presiding chamber of Amsterdam, under date of 8 November past, wrote to Your Right Honorable, containing, besides the joyful news of which we were already informed by Your Right Honorable by circular letter of 23 June last, a recommendation not only to observe the strictest neutrality should a war come to break out between the crowns of Great Britain and France, but also to be on guard against all events, which we shall not fail to comply with strictly. We further profess to be, with all respect and dutiful fidelity, below stood: Right Honorable, Highly Esteemed, High Commanding Lord, Your Right Honorable's obedient servants, was signed: B. F. Raket, D. D. Bok, H. D. Bodenschatz. In the margin: Passenap. the 3 July 1788. Agrees: Wegken Sijbrands 3382 Kolombo To the Right Honorable, Severe, Highly Esteemed Lord Willem Jacob van de Graaff, Extraordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, together with the Council. Right Honorable, Severe, Highly Esteemed Lord and Lords. We have had the honor duly to receive Your Right Honorable, Severe and Esteemed circular secret letter of 23 June, along with its enclosures, and shall not fail to observe the strictest neutrality should a war come to arise between the crowns of Great Britain and France, as well as to be on guard against all events, merely requesting to be provided with Your Highness's orders as to how we are to conduct ourselves whenever one or more French ships lying here wish to prevent the approach or entry of English ships, whether by their own force or by requesting our assistance, basing themselves on the existing alliance. Furthermore, we take the liberty most respectfully to report to Your Right Honorable, Severe, and Highly Esteemed that our remainder of gunpowder in the magazines here, as of the ultimate of the last past month, consisted of 68105¼ lb, and we have the honor to be with deep respect, below stood: Right Honorable, Severe, Highly Esteemed Lord and Lords, Your Right Honorable, Severe, and Highly Esteemed's humble and obedient servants, was signed: I. F. v. Senden, D. C. v. Drieberg, A. P. Lever, I. P. Stubbe. In the margin: Trinkonomale the 11 July 1788. Agrees: Sijbrands First Clerk 3383 Kolombo. To the Right Honorable, Highly Esteemed Lord: Willem Jacob van de Graaff, Extraordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, together with the Council. Right Honorable, Highly Esteemed Lord and Lords. A few days ago there arrived here a certain distinguished Brahmin with a Jaffanapatnam passport of the following content: ten Brahmins of Ramenadapoeram named Sangerasarier, Naresingen, Kitten, Soeppen, Ramelingen, Ramasedoe, Sinnetambie, Ramenadem, Ramen, and Kannevaddie are permitted, together with ten coolies from here, to depart overland for Trinkonomale. Below stood: Jaffanapatnam the 24 June 1788. Was signed: Raket. He has, according to his statement, taken a vow not to speak a word before his arrival in Katteregammo, and is lodged in the heathen temple near the madam, and is virtually worshipped by his followers. Since, under this passport, all Brahmins are stated on paper to be from Ramenadepoeram, and yet are Jaffna residents, the first undersigned simply made it known that the high priest would be obliged to delay his departure until an answer came from Kolombo; and in order to prevent anyone from troubling the so-called holy man, he was given an honor and security guard of sepoys, with which he seems very well pleased. It appears to us, with due respect, that this man must be very distinguished, and his manner of making himself understood by signs shows a trained mind and a knowledge of true expressions without the use of organs of speech. We request to know how to act with this man, and in the meantime the first undersigned is having him supported with his only sustenance, milk, candy sugar, and bananas, in order to render useless the pretext of being driven into expenses. We think that in these present circumstances one cannot be too cautious, and we do not understand what the reason may be why well-known Jaffna Brahmins are recorded in the passport as inhabitants of Ramenadepoeram. We have the honor to be, with deep respect, below stood: Right Honorable, Highly Esteemed Lord and Lords, 3384 Your Right Honorable, Highly Esteemed's humble and obedient servants, was signed: J. F. van Senden, D. C. van Drieberg, A. P. Lever, J. G. Slebbe, and P. Pietersz. In the margin: Trinkonomale the 16 July 1788. Agrees: Zijbrands First Clerk
Dutch transcription
3981 Kolombo Aan den Weledelen gestrengen groot agtbaaren Heer Willem Jacob van de Graaff„ Raad extra ordinair van Nederlands India, Gouverneur en Directeur van het Eijland Ceijlon met dies onderhoorighee„ „den, Neevens den Raad Wel Edele Groot agtb: Hoog Gebie„ „dende Heer. Wij hebben de eere gehad te ontfangen uwel Edele Grod agtb: seergeëerde Curculaire missive van 23. ' Iunij P:L: neevens de kopij van een secrette brief, welke de weledele agtb: Heer en! bewindhebberen ter presidiaale kaamer Amsterdam, onder dato 8. november pass:o, uwel edele Groot agtb: hebben geschreeven, houdende behalven de heugelijke tijding waar. „ waar van wijreets bij Curculaire brief van 23. ' Iunij I:o L: door uwel edele groot agtb: sijn onderrigt geworden, eene, aanbeveeling om niet alleen de alle stufsche neut „raliteit in acht te neemen, indien er een oorlog mog„ te koomen te ontslaan tusschen de kroonen van groot bretange en Trankrijk maar ook om op hoede te zijn teegen alle eens„nementen, het geen weij niet manquee„ „ren sullen stiptelijk natekomen. Wij betuijgen overigens te zijn met alle eerbied en ver„ schuldigde trouwe /:onderstond:/ weledele groot agtb: Hoog geb: Heer uweled: groot agtb: gehoorzaame Dienaaren /:was geteekend:/ B: F: Rakel, D: D: Bok, H: D: Bodenschat, /:in margienel/ Passen„ „nap: den 3. ' Julij 1788. Accordeert Wegken Sijbrands N u 3382 Kolombo Aan den wel edelen Gestr: Groot agtbaaren Heere! Willem Jacob van de Graaff, Raad Extra Ordinair van Nederlandsch Indien Gouverneur en directeur van 't eiland Ceijlon met dies onderhoorigheeden, beneevens den Raad. WelEdele gestrenge Groot agtb: Heer en Heeren. Wij hebben de eere gehad wel te ontfangen uweled: gestr: Groot agtb: curkulcerre sekreete brief van den 23. ' Iunij neevens dies bijlaagen, en zullen niet ingebreeke blijven de aller stipste neutraliteit in acht teneemen indien er een oorlog mogte koomen te ontstaan tusschen de kroonen van groot Brittanje en frankrijk als ook teegen alle evenementen behad te weezen, verzoekende alleen Ca gemunueerd gemunieerd temoogen worden met hoogst derzelver beveelen hoedaanig ons teverhouden zullen hebben, wanneer aen of meer fransche scheepen hier leggende 't naderen of binnen loopen van Engelsche scheepen willen beletten, 't zij met eijge uiche magt, dan wel afvraagen onzer hulp, zich gaonde„ „de op de standgrijpende Verbintenis. Wijders gebruiken wij de vuijheid, uweledele gestr: groot agtb: eerbiedigst temelden, dat onsen restant aan biskruit inde kelders alhier, onder ult:o van de last gepasseerde maand in 68105¼. lb: heeft bestaan, en hebben de eer, met diep ontzach te zijn /:onderstond:/ wel edele gestr: groot agtb: Heer en Heeren, uweledele gestr: groot agtb: onderdaanige en gehoorzaamen dienaaren /:was geteekend/ I: F: v: Senden, D: C: V: Drieberg, A: P: Lever, I: P: Stubbe /:in margiene:/ Trinkonomale den 11 Iulij 1788. — Accordeert. — Sijbrands HEegklerk beveelen gan gtb: g t de met n 3383 Kolombo. Aan den weledelen groot Agtbaeren Heer: Willem Jacob van de Graaff Raad extraordinaijr van Nederlands India gouverneur en dierecteur van het Eijland sijlon met dies onderhoorigheeden, beneevens den Raad. Wel Edele groot Achtb: Heer en Heeren Voor eenige daagen is alhier aangekoomen zeeker aanziene„ lijken Braminees met een Jaffanapatnamsche paspoort van den volgende inhoud: en thien Brahamans van „Ramenadapoeram met namen Sangerasarier, Nare„ „singen, kitten, soeppen, Ramelingen, Rama„ „sedoe, Sinnetambie, Ramenadem, Ramen en i kannevaddie werden gepermitetteerd neevens thien „koelis van hier, overland na winkonomale temoogen nvertrekken. . /: onderstond:/ Iaffanapatna Den 24. Junij 1788. / „ /:was geteekend:/ Raket. n Hij heeft, na voorgeven een gelofte gedaan, voor zijn aankomst te katteregammo geen woord te spreeken, en is in den heydenschen tempel bij de madam gelogeert, en wort als aangeboeden, van zijn zijn volgeren, wijl bij dit paspoort alle Bramenesen als van Ramenadepoeram„ papier staan, en nochtans Jaffanasche ingezeetenen zijn, heeft den eersten teeke„ „naer eenvoudig laaten te kennen geven, dat den hoo„ „gen priester hem verplicht zoude te wagten, met zijn vertrek tot andword van kolombo. kwam, en om te beletten dat niemand den zoogenaamde heijligen man, overlast aandeel, aan den zelven een eer- en=vijligheids=wagt gegeven van sipaijers, waar„ meede hij zeer wel tevreede schijnd. Het komt ons onderwelduijding voor, dat deeze man zeer aanzien„ lijk moet weezen en zijn wijze van zich door tekenen te doen verstaan, toond een geoeffend vers„ taand en kennis van waare uijtdrukkangen zonder spraakleeden te gebruijken, wij verzoeken te moogen weeten, hoedaanig met die man te handelen, en den eesten, theekenaarlaat hem intuschen onderhou„ „den met zijn eenigst voedzel, melk, kandijsuijker en pizang om 't voorwendzel van op onksten gejaagd teworden nutteloos temaaken. wij denken in deze tijds omstandigheeden voor al niet te voorzichtig te kennen weezen en begrijpen niet, wat de eerden mag zijn, waarom Jaffanasche bekende bramine„ „zen, bij het paspoort bekend staan, als invooderen van Ramenadepoeram. wij hebbende eere, met diep ontzag te zijn„ /:onderstond:/ weledele groot Achtb: Heer en Heeren 3384 Uwel Ed: groot Achtb: onderdanige en gehoorsaame dienaeren /:was geteekend:/ J: F: van Senden, D: C: van driberg, A: P: Lever, J: g: Slebbe en P: Pietersz, /:in margiene:/ Trinkonomale den 16. Julij 1788. — Accordeert Zijbrands W lijklerk als a d zeijn n„ de aen
English
3386. Kolombo To the Right Honourable, Valiant, Highly Esteemed Sir! Willem Jakob van de Graaff Extraordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies, together with the Council. Right Honourable, Valiant, Highly Esteemed Sir and Gentlemen! Pursuant to our humble promise made by letter of the 11th of this month, we take the liberty to present to your Right Honourable, Valiant, Highly Esteemed Sirs the draft protest, and the signals for the officer detached and stationed at Koetjaar, and trust that the same will be honoured with the approval of your Right Honourable, Valiant, Highly Esteemed Sirs. We have the honour to remain, with deep respect, (was signed below) Right Honourable, Valiant, Highly Esteemed Sir and Gentlemen, your Right Honourable, Valiant, Highly Esteemed Sirs' humble and obedient servants (was signed) J. F. van Senden, D. C. von Drieberg, A. P. Lever, J. G. Stubbe, P-r Pietersz. (in the margin) Trinkonomale, the 19th of July 1788. Agrees W. Eijklerk Secret 3385 Sijbrands 86. Calpetij, the 28th of July, in the Year 1788. Agrees Sijbrands Clerk 3387 3403 Kolombo. To the Right Honourable, Valiant, Highly Esteemed Sir, Willem Jacob van de Graaff, Extraordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies, together with the Council. Right Honourable, Valiant, Highly Esteemed, High-Commanding Sir! I now have the honour to present to your Right Honourable, Valiant, Highly Esteemed Sir a copy of the further report submitted by the First Land Surveyor Toenander concerning his activities in the small district of Diwitoeke, pursuant to the commission entrusted to him by me, contained in the written ordinance of the 10th of April last. Many occupations, which required a speedier settlement, and a persistent sickly bodily condition, have prevented me from preparing earlier the necessary accompanying letter, which is this present one, to go with this later Report according to my thoughts, which delay will therefore certainly, as I trust, obtain the best forgiveness from your Right Honourable, Valiant, Highly Esteemed Sir. In this further Report, the said First Land Surveyor now confirms not only all that he declared in his previous provisional Report submitted under date of the 8th of May last regarding the true condition of the small district of Diwitoeke and regarding the activities of both the present contractors, the Mudaliyars Nikolaas Dias Abesinge and Balthazar Dias, father and son, but he further demonstrates therein: Firstly, that, on account of the uncertainty of the statements submitted by the present Porta Mudaliyar here of the cleared chenas and prepared fields and wattoerawes, the translations of which are appended to his aforementioned Report under letter A, and which he mentioned in his provisional Report, having had the chena mentioned therein named Modditegodeheene measured and calculated by the junior land surveyor Schwallie, had found the same, according to the figure made thereof and to be found under letter B in the aforementioned Report, to be sixteen morgen and one hundred and forty-one square rods, or fourteen amunams and seven kurunies in size, so that his estimation that the said chena would much rather be 16 to 17 than 6 to 7 amunams in size, according to the above-mentioned statement of the Mudaliyar, is not unfounded, on which grounds he assures that the statement of the remaining chenas is no better, supposing that it would not be at all difficult for him, if the frequently mentioned small district were accurately measured and the boundaries thereof were cleared according to the Report of the Year 1784, to fully point out that several chenas have been cleared outside that small district, or outside the actual Diwitoere. Secondly, that by the word "frauds" introduced into his provisional Report he intended the false statements regarding what was accomplished in that so favourably situated district and the negligence in pursuing the essential objective determined for it, which he thinks was none other than to apply the necessary means to improve the low lands into sowing fields, and to make them arable for the Honourable Company forever, and thus useful for the entire country, but by no means to clear many hundreds of morgen of land for chenas, without even a tenth part thereof being able to be planted, the said Land Surveyor noting further that if it had been necessary to have those high grounds indiscriminately cleared bare and to burn the wood standing thereon, a multitude of unfortunate inhabitants of the Giruewaijs, who in the recent famine perished so miserably and pitiably, could have preserved their lives with the granting of those chenas, while he, the Land Surveyor, also remarked that within that large district there is no lack of good opportunity to
Dutch transcription
3386. Kolombo Aan den Wel Edelen Gestrengen Groot Achtbaaren Heer! Willem Jakob van de Graaff Raad Extra ordinair van Nederlandsch Indien Gouverneur en direkteur van het Eijland Ceijlon, met dies onderhoorigheeden benevens den Raad. Wel Edele Gestrenge Groot Achtbaare Heer en Heeren! Ingevolge onze needrige gedaane belofte bij brief van den 11. deezer, gebruijken wij de vrijheid uwel Edele Gestr: Groot achtb: het ontwerpen protest, en de zeinen voor den gedeta„ „cheerd leggende officier te koetjaar aantebieden, en vertrou„ „wen dat dezelve met uwel Edele Gestr: Groot Achtb: goedkeuring vereerd zullen worden. Wij hebben de eere, met diep ontzag te zijn (:onderstond:/ Wel Edele Gestrenge Groot Achbaare Heer en Heeren Uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: onderdanige en Gehoorzaame Dienaeren /:was getekend:/ J: F: van senden D: C: von Drieberg. A: P: Lever J: G: Stubbe. P=r Pietersz: /:in marjine:/ Trinkonomale den 19. Julij 1788. Akkorbeert WEijklerk sekreet 3385 Sijbrands 86. Calpetij den 28. Iulij A:o 1788 — Accordeert Sijbrands Wagkelerk 3387 3403 Kolombo. Aan den Wel Edelen Gestrengen Groot Agtbaaren Heer Willem Jacob van de Graaff Raad Extra ordinair van Nederlands Jndia, Gouverneurs en Direkteur van het Eijland Cijlon, met dies onder„ „hoorigheeden, Nevens den Raad. Wel Edele, Gestrenge, Groot Achtbaare, Hoog Gebiedende Heer! Thans heb ik de eere uw Ed: Gestr: Groot Achtb: aan„ tebieden een afschrift van het door den Eerste Landmeeter Toenander nader ingediend: rapport, weegens zijne gedaa„ de „ne verrigtingen in het Landschapje Diwitoeke, volg:s de door mij aan hem opgedraage kommissie, vervat bij schriftelijk ordonnantie van den 10: April J:o leeden. Veel„ „vuldige beezigheeden, die een spoediger afdoening vereijschten, de en aanhoudende ziekelijke lighaams gesteldheid, hebben mij belet de bij dit laatere Rapport, na mijne gedagten, die een noodige geleijde brief, die deeze teegenwoordige is, eerder te vervaardigen, welke uijtstel dus zeeker, gelijk ik vertrouwe, bij uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: wel de beste verschoo„ „ning zal erlanger. Bij dit nadere Rapport nu bevestigd gem: Eerste Land„ Apart „meeter „meeter niet alleen al het geen hij bij zijn voorig onder dato 8. Maij, J:oleeden ingediend provisoir Berigt van de waare gesteldheid van het Landschapje Diwitoeke en van de verrigtingen der beijde teegenwoordige Aan„ „neemers, de Moddeljaars Nikolaas Dias Abesinge „en Balthazar Dias, vader en zoon, verklaard heeft, maar hij toond bij het zelve nog verder aan; Ten Eersten dat hij weegens de en zeekerheijd van de door de teegenwoor„ „dige Porta Moddeljaar alhier gedaane opgaaven der gekapte Chonassen en bekwaam gemaakte velden en Wattoerawes, waar van de overzettingen, bij zijn hier vooren gem: Rapport onder L=a A: gevoegd zijn, en van dewelke hij bij zijn Provisoir Rapport melding ger„ „daan heeft, de daar bij verm: Chena genaamt Moddi¬ „tegodeheene door de Jong Landmeeter schwallie hebbende laaten moeten, en bereekenen, dezelve volgens het daar van gemaakte en bij voorm: Rapport onder L=a B: te vinden Figuur, sestien morgen en honderd een en veertig qua¬ „draat roeden, of veertien amm:s en seven koernies groot bevonden had, zoo dat zijne gissing dat gemelde Chena veel eer 16. a: 17. dan 6. a: 7. amm:s volgens de hier boven gem: opgaave van den Moddeljaar, Groot Zou„ „de zijn, niet ongegrond is, en uijt welken hoofde Hij verzee„ „kerd dat de opgaave, der overige Chenassen niet beeter is, onderstellende dat het hem gantoch niet ongemakkelijk zoude vallen wanneer meerm: Landschapje met nauw keurig„ 3388 3443 naauw keurigheid geweeten, en de Limieten daar van, vol„ „gens het Rapport van het Jaar 1784. opgekapt wierden, volkoomen aantewijzen dat verscheijde Chenassen buijten dat Landschapje of buijten dat Landschapje, of buijten het eijgentlijke Diwitoere gekapt zijn. Ten Tweede, dat hij met het in zijn provisoir Rapport ingevloeijd woord Fraudes bedoeld heeft, de valsche opgaaven weegens het verrigte, in dat zoo aangeleege Distrikt en de nalaatigheid in het behartigen van het weezendlijke daar toe bepaalde oogmerk, het welk hij denkt niet an„ „ders geweest te zijn, dan de noodige middelen aan te wenden het om de Laage Landen tot zaaijvelden te verbeteren, en voor D E: komp: voor altoos bebouwbaar, en dus voor het geheele Land nuttig te maaken, dog geeenzints om veele honderden Morgen Lands tot Chenassen te kappen, zon„ „dat dat een tiende gedeelte daar van zal konnen ge„ „plant worden, merkende gem: Land Meeter daar bij nog aan, dat indien het noodig waare geweest om die hooge gronden onverschillig kaal te laaten kappen, en het te daarop staande houtwerk te verbranden, een meenig„ „te ongelukkige Inwoonders van de Giruewaijs, die bij die en de Jongste hongers nood zoo elondig en deernis waar„ „dig omgekoomen zijn, met de vergunning dier Chenas„ „sen het leeven konden behouden hebben, terwijl hij Land Meeter ook opgewerkt heeft, dat het binnen dat groot Distrikt aan geen goede geleegendheid ontbreekt om er ndi¬
English
to lay out sowing fields for the Company, which can neither be lost through the abundant encroaching water nor suffer from a lack of the necessary water, and that those places have remained uncultivated, but that the clearing of chenas has been made a main task, and he, therefore being most deeply affected by the poor practices concerning a small landscape that promised so much good for the Company, expressed himself somewhat sensitively regarding the contractors in his aforesaid provisional report, which he trusts will not be taken amiss, as arising from a sincere zeal for the good cause; having always held as a main rule of a well-thinking and honest man that the greater the protection and favor one enjoys, the greater the obligation must also be. Thirdly, that no one who knows the true state of affairs, and is informed of what has been written concerning this since the year 1733, and who considers the high and very best intentions of Your Right Honourable, even if only viewed from afar, can conclude otherwise from the entire management regarding the making suitable of Diwitoere than that the main intention was: to lay out a multitude of sowing fields for the Honourable Company and to put them into a good state, as there is opportunity enough for it, and as a secondary task, to lay out some gardens and private plantations on top of the high grounds in addition. Ten 3359 3403 Fourthly, the often-mentioned surveyor, in confirmation of what was cited by him in his provisional report regarding the condition of the wattorawes under cultivation by the native Shahbandar presently being here, and of the cinnamon gardens laid out by him, refers to the inspection which I made of it during my recently completed visit to the said landscape; and concerning which, as I already declared in my respectful letter of 30 June last, I adhere completely to the views of the engineer, Captain Lieutenant Anthoonij Johannes, contained in his report delivered to me and offered in copy to Your Right Honourable alongside my aforesaid letter, and repeating these herewith, I can and must sincerely testify that the sowing of the fields of the said landscape, with all that has already been done for the improvement thereof, or could still be applied in time, as long as no better and more suitable means are devised to prevent the overflowing of the great river over the low land, causes nothing other than a great loss for the colony, since all that one uses for that sowing and is lost through the flooding could serve for the subsistence of many poor people, and thus preserve them from hunger and distress, while I also reiterate and maintain as inserted herewith my findings and thoughts regarding the chenas or high grounds and regarding the cinnamon and other plantations made known in my aforesaid letter. 11 in the 1787: 18: ammunams and 35: koernis Fifthly, the said surveyor says that the unfortunate flooding of the low grounds in the aforesaid landscape and the perishing of the flowering crops that were on them clearly proves that the canal cutting and the sluices which the contractors have constructed are not of the required utility at all. Sixthly, he testifies that the fields sown by the present Shahbandar were already made known as sowing grounds in the map drawn up in the year 1778 by the late First Sworn Surveyor of Gale, Christiaan Hendrik Hartel, and he therefore could have given no other explanation of it than that sowing grounds and sowing fields have one and the same meaning when no high grounds or owittes are spoken of, while it is very clear that those grounds at that time were not wattorawes or completely low fields, because the wattorawes of that small landscape can still be seen drawn as such, nor can the same be called rush lands, because no rushes grow on them, wherefore he, the surveyor, had also viewed those sowing grounds as old fields, which could not or should not be regarded as a new improvement of Diwietoere. That of the small fields laid out by private individuals in that district, according to the rolls attached to his report, in the year 1786, 12 ammunams and 12 koernies, and in this year, 33 ammunams and 33 koernies, and indeed some fields thereof of two and three years,
Dutch transcription
om zaaij velden voor de komp: aantelaggen, die nog door het overvloedig indringend water konnen, verlooren gaan, nog aan het benoodigde water gebrek lijden, en dat die plaatzen ongezultiveerd zijn gebleeven, dog dat men het kappen van Chenassen tot een hoofdwerk gemaakt heeft, en Hij dus ten hoogste aangedaan over de slegte handelwijzen omtrent een voor de komp: zoo veel goeds beloovend Landschapje, zig bij zijn voorsz: provi„ „soir Rapport over de Aanneemers wat gevollig heeft uijtgelaaten, het geen hij vertrouwd dat hem niet kwalijk zal geduijd worden, als voortkoomende uijt een opregten ijver voor de goede zaak; hebbende altoos als een hoofd reegel van een weld enkend en braaf man gehouden, dat; hoe grooter de protectie en begunstiging is, die men geniet, hoe grooter ook de verpligtinge moet zijn. Ten derde, dat niemand, die de weezendlijke gesteldheid der zaake kend, en onderrigt is, van het geene zeedert het Jaar 1733. dienaangaande geschreeven is, en die de hooge en alderbeste oogmerken van uwel Ed: Gestr: Groot Achtb:, al was het maar als van verre beschouwd uijt de gantsche behandeling tot het bekwaam maaken van Diwitoere anders kan opmaaken, dan dat het hoofd oogmerk is geweest: om een menigte zaaij velden voor D E: Komp: aan teleggen, en in een goede staat te stellen, zoo als daartoe geleegendheid genoeg is, en als een bij werk daar en booven op de hooge gronden eenige kruijpen en partikuliere plantagien aan teleggen. Tien 3359 3403 Ten vierde, beroept zig meermelde Landmeeter tot bevesti„ „ging van het aangehaalde door hem bij zijn provisoir Rapport weegens den toestand van de wattoerawes onder onder bekeering van den teegenwoordigen al hier zijnde Jn„ „lands Sabandaar, en van de door hem aangelegde kanneel Tuijnen, op de beschouwing die ik bij mijn onlangs volbragt bezoek van gem: Landschap daar van gedaan hebbe; en waar omtrend ik mij, zoo als reets bij mijne eerbiediga van den 30. ' Junij J:o leeden verklaarde, aan de gevoe„ „lens van den Jngenieur, de kapitain Luijtenant Anthoonij E„ Johannes, vervat bij zijn aan mij overgegeeven en uwel et Edele Gestr: Groot Achtb: neevens mijne evengem: brief in afschrift aangeboode Rapport, volkoomen te houden en die bij deeze herhaalende opregtelijk kan en moet betuijgen, dat het bezaaijen van de velden van gedagte de Landschap, bij al het geen wat men reets tot verbeetening daar van verrigt heeft, of in der tijd nog zoude konnen aanwenden, zoo lang ser geen beeter en geschikter middelen te worden uijtgevonden om de verstrooming van de groote Ri„ „vier over het laage land te beletten, niet anders dan een groot verlies voor de Colonie veroorzaakt, alzoo al tie men het geen men tot die bezaaijing beezigd en door de over„ „strooming verlooren gaat, tot subsistensie van veele ar„ „me Menschen kan strekken, en hun dus voor honger en kommer bewaaren, terwijl ik mijne bevinding en gedag„lle „ten weegens de Chonassen of hooge gronden en weegens de kanneel en andere plantagie bij mijne voormelde brieff ndi„ bekend ƒ 11 in het 1787: 18: lem=m en 35: koernis bekend gesteld, meede bij deeze voorder haald en g'inseren houde. Ten vijfde, zegt gem: Land meeten dat de ongelukkige over„ „strooming van de laage gronden in voorsz: Landschap en het vergaan van het daar op geweest zijnde bloeijen o. gewasch duijdelijk bewijst, dat de door graaving en de slui „sen, die de Aanneemers aangelegd hebben, gantsch van het vereijschte nut niet zijn. Ten sesde, betuijgd hij, dat de door den teegenwoordiger saban„ „ daar bezaaijde Velden reets in de door den overleeden Eerste gswoore Landmeeter van Gale, Christiaan Hendrik Hartel, in A:o 1778. geformeerde kaart, als zaaij gronden bekend gesteld zijn, en hij dus geen andere uijtlegging daar van konde gedaan hebben, dan dat zaaij gronden en Zaaij„ „velden een en dezelfse betoekenis hebben, wanneer aan geen hooge gronden of owittes gesprooken word, terwijl het zeer klaar is, dat die gronden te dier tijd geen watkoera„ „wes of geheel laage velder waaren, wijl de wattoerawer van dat Landschapje nog zoodanig te zien zijn affgeteekend konnende dezelve ookgeen bioslanden genoemd worden, wijl geen bieser daar op groeijen, waarom hij Landmeeter dan ook die zaaij gronden als oude velden had aangezien, die als eene nieuwe verbeeteringen van Diwietoere niet konden behoorden of behouden aangemerkt worden. Dat van de door partiku lieven in dat Distrikt aangelegde klijne velders volgens de aan zijn rapport gevoegde rollon, in het Jaar 1786. 12. amm:s en 12. koernies„ en in dit Jaar 33. amm:s en 33. koer nies, en wel eenige velden daar van twee en drie Jaaren,
English
3390 3403 years, and some have only been sown for one year, the former of which are distinguished in the roll with an NB; the total number of newly cultivated private fields, according to the aforesaid rolls, consisting of 61 amunams and 34 kurunis, and the watturawas cleared and sown in the last three years consisting of 10 amunams and 33 kurunis. Seventhly, that he, the surveyor, having received an order in the midst of his most important observations not to proceed further with the surveys assigned to him, was thereby deprived of the opportunity to make a closer and more accurate calculation of the number of cinnamon trees standing in the first sown cinnamon garden mentioned in the provisional report, but that, besides the Company's coconut garden in which the ola huts were erected for my stay during my recent presence there, and in which various sappan and soursop trees, as well as some coffee and teak plants stand, after the commission was begun by him at Diviture, coconut saplings were also planted on some islands, and some areca trees on a Company chena, while a portion of the chena Madditegoddehene was also planted with cinnamon this year. Eighthly, that he, the surveyor, made a beginning with the surveying of the small gardens cultivated by the inhabitants of Diviture, and having had the coconut and soursop plants found therein counted in the presence of the Shabandar and the cultivators of those gardens, formed a list thereof and appended it to his report under letter C, in the same manner that he would have made an accurate survey and description of the entire district, and would have formed a proper roll thereof, with a distinction of the gardens, watturawas, and chenas, and each sort in particular, had he not been prevented from doing so by the aforesaid order, on which account he also does not consider it fitting to express himself further in that regard, and has only attached to his report a copy of the rough notes kept by him in this respect, since that work is now wholly incomplete. Ninthly, he says that the timbers found on 22 chenas were daily surveyed and reported to him by the two native surveyors and two carpenters assigned to him, in accordance with the indication of two Aratchies sent for that purpose, one of them a kangan of the Shabandar, who have a thorough knowledge of the assortments of timbers, while they subsequently delivered to him a signed list thereof, appended to his report under letter D; the number of those trees, according to the said notes and the list submitted with his provisional report, amounting together to 16,655 pieces, regarding which the said surveyors and carpenters have also made such declarations under offer of oath as will be mentioned in further detail below; the said surveyor testifying to having no sufficient knowledge of timbers, and that he therefore requested knowledgeable carpenters and Aratchies, but that the aforementioned Engineer Johannes, who has long been on Ceylon and is very well known in these quarters, and has also had more opportunity to learn to recognize the assortments of timbers, declared that among the destroyed timbers there were many good trees, while standing ironwood trees were also pointed out to me on the islands that have not yet been fully cleared; wherefore he, the surveyor, testifies that it is impossible for him to believe that the carpenter who came with the commission from Colombo, and all the Sinhalese Appuhamys joined with it, gave a correct account if they should have declared that among the ruined timbers none of good assortments are to be found; testifying that he placed full trust in the account given to him by the aforementioned young surveyors, carpenters, and woodcutter Aratchies, and that what he wrote in that regard is grounded on the reports made to him thereof. Tenthly, that he, the surveyor, regarding the expectation that the Company may have of the repeatedly mentioned district, must testify that Her Excellency, in his opinion, can enjoy the most splendid advantages from that small district if the means serving to enrich it are employed with all attention, zeal, and honesty, but also declares at the same time that so far as he in the present
Dutch transcription
3390 3403 Jaaren, en eenige alleen een Jaar bezaaijd zijn, welke eerste bij de Rol met een NB: onderschijden zijn; bestaande het geheele getal van nieuwe aangelegde partikuliere velden, volgens voorsz: Rollen in 61. amm:s en 34. koernies, en de in v„ de drie laatste Jaaren gekapte en bezaijde wattoerawes in 10. amm:s en 33. koernies. Ten zevende, dat hij Landmeeter, in het midden zijner aange„ „leegendste waarneemingen order ontvangen hebbende, om 2 met de hem opgedraagen opneemingen niet verder voorste„ „vaaren, daar door uijt de geleegendheid gesteld wierd om 8„ een nader en nauwkeuriger bereekening te konnen maaken et van het getal der kanneel boomen, die in de eerste be„ „zaaijde en in het provisoir Rapport verm: kanneel Tuijn staan, dog dat, behalven 'skomp: kokus Tuijn, waarin de olas hutten tot mijn verblijf bij mijn Jongst aan weezen aldaar opgeslaagen waaren, en in dewelke ver„de „schijde sappan en Suursaks, zoo meede eenige koffig ne en kiate platen staan, na dat de kommissie door hem I„ te Diwitoere begonnes is, nog op eenige Eijlanden kokus plantjes, en op een komp:s Chena eenige arweeks boom, te „jes aangeplant zijn, terwijl ook een gedeelte van de Che„ „na Maddite goddeheene dit Jaar met kanneel be„tie „plant is: Ten agste, dat hij Landmeeter met het opneemen van de vor„ door de Inwoonders van Diwitoere aangelegde klijne Ee¬ Tijntjes een begin gemaakt, en de daarin bevondene le kokus en zuurzaks planten in teegenwoordigheid van „di„ den den Sabandaar en de aanleggers dier Tuijnen hebbende laaten tellen, een lijste daar van geformeerd, en bij zijn Rapport onder L=a C: gevoegd heeft, hoedanig een nauw „keurige opneem en beschrijving hij van het gantsche Landschap zoude gedaan, en een behoorlijk Rol daar van geformeerd hebben, met onderschijding van de Tuijnen, wel den wattoerawes en Chenasser, en wel ieder zoort in het bijzonder, indien hij door voorsz: order daar in niet verhinderd geworden was, waar om hij dues ook niet voeg„ „lijk agt zig dien aangaande verder uijttelaaten, en eer„ „lijk bij zijn Rapport een afschrift van zijne des weegens gehoudene klad aanteekening gevoegd heeft, wijl dat werk tog nu geheel onvelmaakt is. Ten negende, zegt hij dat de houtwerken, op 22. Chenassen be„ „vonden, door de hem toegevoegde twee Paalsche Land„ „meeters en twee Timmerlieden, volgens de aanwij„ „zing van twee daartoe afgezondene Araatjes, een van een kangaan van den Sabandaar, die grondige kennis van de zorteeringen der houtwerken hebben, dagelijks opgenoomen en hem opgegeeven zijn terwijl zij, hem ver„ „volgens een geteekende Lijste daar van, bij zijn Rapport onder L:a D: gevoegd, hebben overgegeeven, bestaande het getal dier boomen, volgens gem: aanteekeningen, de bij zijn provisoir Rapport overgelegde Lijst te zaamen in 16655. stuks, waar omtrend gem: Land Meeters en Timmerlieden ook zoodanige verklaaringen onder aanbieding van Eede belegd hebben, als hier onder nader zal vermeld worden, betuijgende gem: Land meeter geene 3391 3403 geene genoegzaame kennis van hout werken te hebben en hij derhalven om kundige Timmerlieden en Araatjes ver„ „zogt heeft, dog dat de hier voor en vermelde Ingenieur Johannes, die lange op Ceijlon en wel in deeze kwar„ „tieren zeer bekend is, en ook meer geleegendheid gehad heeft, om de sorteeringen van houtwerken te leeren ker„ „nen, verklaard heeft, dat onder de vernielde houtwerken veele goede boomen waaren, terwijl mij ook op de als gemaakte nog niet schoon aangaande Eijlanden nog staande ijzerhoute boomen aangeweezen zijn, waarom hij Land„ „meeter betuijgd, onmoogelijk te konnen gelooven dat de met de kommissie van kolombo gekoome Timmerman, en alle de daar bij gevoegde singaleesche Appoehamias een suijvere opgaave hebben gedaan, indien zij mogten ver„ „klaard hebben dat onder de geruineerde houtwerken geene van goede sorteeringen te winden zijn; betuijgende dat hij een volkoomen vertrouwen, in de aan hem gedaane opgaave van de hiervooren gemelde Jonge Landmeeters, Timmerlieden en houtkappers Araatjes gesteld heeft en dat het geen hij dien aangaande geschreeven heeft, op de hem daar van Gedaane Rapporten gegrono is. Ten tiende, Dat hij landmeeter betreffende de verwagting die de komp: van meermelde Landschap kan hebben, betuijgen moet, dat haar Edele na zijne gedagten, de heerlijkste voorn „deelen van dat Landschapje kan genieten, indien tot be„ rijking van dien de daar toe dienende middelen met alle aandagt, ijver, en eerlijkheid aangewend worden, dog verklaard ook teffens, dat zoo verre hij bij de teegenwoordi„ „ge he daa r meetr d
English
the condition thereof can provide, the outcome of this enterprise, if the expired commission should fail to urge the contractors to apply their efforts more effectively in the future, will be none other than that all the sowing grounds marked on the old map, with the adjacent wakhoerawes and rush lands, will always remain just as unusable as they were previously and still are to this day; and thus the essential objective regarding Diwitoere will not be achieved; that, if not all, at least most of the high grounds will be cleared bare for Chenas; and of the small private fields several will remain good, because they lie very high, and the crops thereof run no danger of perishing through any flooding; that also a number of small coconut and soursop gardens can and will be planted, from which the inhabitants will indeed draw some food for their subsistence, but which are of no great importance to the Company; and that some coconut, soursop, cinnamon, and other plantations will be laid out for the Company's account. Finally requesting, should any imperfection appear in his aforementioned Report, that this be attributed to the discontinuation of the commission in the middle of his observations, whereby it is quite possible that he has misjudged in one thing or another. With this Report, the aforementioned First Land Surveyor has handed over the declaration mentioned hereinbefore and other papers, consisting of; Firstly, a further statement by the two carpenters, who recorded, investigated, and counted some of the felled, half-burned, and rotted trees in the aforementioned little district, and in which report those simple people, who have now been summoned to Kolombo for further examination and have been staying there for many days, declare that among the recorded Chenas in the aforementioned district since the Year 1784, the standing trees, partly felled and partly burned and withered, consist in large part of the best sorts of wood, and can be used for house and ship construction, others for building timber, such as beams and wall plates, doors and window timbers, and roof tile timber, and a number of others for ship building; that furthermore a large part of good and hard timbers, although not all are of the Company's assortments, are among the destroyed timber works mentioned hereinbefore. That a portion thereof is suitable for cooperage, some sorts for mast timbers, others for the Company's Tonies, and a portion for furniture; that a large quantity of inferior sorts of forest wood, which for the most part turn out very large and thick, can be sawn into dunnage planks, which are better than the Samarang wood; that carrying poles and driftwood can also be obtained from one of the sorts recorded there; and that yet another sort of wood is used by private individuals for oar wood: testifying that the aforementioned timbers, during the survey carried out, were indeed to be found by them and the hereinbefore mentioned Aratchies, which they undertake to confirm under Oath if necessary. Secondly, in a private and secretarial declaration drawn up at the request of him, the Land Surveyor, by the present sworn Land Surveyor at Gale, Cornelisz Wilhelmus Maisz, by the Young Land Surveyor Cornelis Chwalje, by the Cadet Engineer Michiel Johannes, and by the hereinbefore mentioned ship carpenters before the sworn clerk De Vos, in which the first two named declare beforehand that, in accordance with my order, they proceeded with the aforementioned First Land Surveyor to Diwitoore, being accompanied by two kangaans assigned by the Mudaliyar and Native Shabandar here, Don Balthazar Dias (one being commonly called Imankere kangaan, and the other a clerk of the aforementioned Mudaliyar) and there recorded by sort the felled and burned trees, as well as those as yet unfelled but burned, on six burned Chenas. That during that survey, the said two kangaans and the above-mentioned two Carpenters gave them the sorts and the number of those trees, and they, the deponents, also saw those trees and recorded them along with the stated sorts thereof, with which the third named, being the Cadet Johannes, who had also gone to that little district at the request of the aforementioned First Land Surveyor with the foreknowledge of his father at that time, fully agrees, while the first two further declare that, when the aforementioned survey was interrupted for some time by rain, they were further assisted by the hereinbefore mentioned two Carpenters, as well as by two Aratchies, one of them being commonly called Oeswatte Aratchie, and the other the Aratchie
Dutch transcription
„ge gesteld hed daar van voorzien kan, de uijtkomst deezer aanneeming, zoo de afgeloope kommissie de Aanneemers niet mogten aanspooren, om hun best in het vervolg kragt„ „daadiger aan tewenden, niet anders zal worden, dan dat alle de op de oude kaart afgeteekende zaaijgronden, met de daar aanleggende wakhoerawes, en bieslanden altoos eeven zoo onbruijkbaar zullen blijven, als ze bevoorens geweest en nog tot heeden zijn; en dus het weezendlijke oogmerk aan„ „gaande Diwitoere niet zal bereijkt worden; dat, zoo al niet allen, egter de meeste hooge gronden, tot Chenas„ „sen zullen kaal gekapt worden; en van de klijne particu„ „liere velden verschijde goed zullen blijven, wijl de zeer hoog leggen, en het gewas daar van, door geen overs trooming eenig gevaar, loopt van te vergaan, dat ook een partij klijne kokus en Zuurlakt tuijnen konnen en zullen be„: „plant worden, uijt welke de ingezeetenen wel eenig voed„ „zel tot hun onderhoud zullen trekken, maar voor DE: komp: van geen groot belang zijn, en dat eenige kokus„ zuurzaks, kanneel en andere plantagies voor 'sComp:s reekening zullen aangelegd worden. verzoekende eijndelijk zoo er eenige onvolmaaktheid in voorsz: zijn Rapport mog„ „te voorkoomen, die te willen toeschrijven, aan het staaken van de kommissie, in het middeles zijner opmerkingen waar door het wel moogelijk is, dat hij zig in het een of ander misgist heeft. Bij dit Berigt heeft gem: Eerste Landmeeter de hier vooren verm: verklaaring en andere papieren overgegeeven, bestaan„ „de dezelven; Eerstelijk, in een nadere opgave van de twee timmerlieden 8 3392 3 3403 timemerlieden, die eenige die omvergehakte, half verbrande 47 en verrotte boomen in gem: Landschapje opgenoomen, onderzogt en geteld hebben, en bij welk berigt die eenvou„ „dige, en nu na kolombo ter nadere examinatie opgeroepen en aldaar zeedert veele daagen verblijvende menschen verklaa„ „ren, dat onder de op de genoome Chenassen in voorsz: Land„ „schap zondert het Jaar 1784. gedeeltelijk gekapte en gedeeltelijk verbrand en verdord, staande boomen veelen in de beste zoorten van houten bestaan, en voor huijzen en scheepsgebouwen, andere tot bouwhouten, als balken en Muurplaaten, Deuren en vengster houten, en 2 panwerken, en een partij andere tot scheeps gebouwen, konnen gebruijkt worden, dat voorts nog een groot gedeelte goede en harde houten schoon niet alle 's komp:s zorteeringen zijn, zig onder de hier vooren verm: verdestuueerde houtwerken bevinden. Dat daar van een gedeelte voor vaatwerken, eenige zoor„ „ten tot Masthouten, andere tot 'skomp:s Tonies, en een partij voor meubels dienstig zijn, dat een groote quan„ „titeijt slegtere zoorten van boshouten, die meestendeels zeer groot en dik vallen, tot garnierings planken kan getaage G gezaaijd worden, en die beeter zijn dan het salmarangs hout, dat er ook draagstokken en drijfhouten uijt een der aldaar opgenoome zoorten konnen gevonden worden; en dat nog een zoort van hout door partikuliere voor riem „houten gebruijkt worden: betuijgende dat gem: Hout„ „werker bij de gedaane opneem, door hun ende hier vooren gem: Araatjes weezendlijk te vinden zijn geweest, het geen zij aanneemen des noods, met Eede te bevestigen. Ten 2 Ten tweede in een onderhandsche en sekretarieele verklaaring op be„ geerte van hem Landmeeter door de teegenwoordige geswoorn Landmeeter te Gale Cornelisz wel helmus Maisz:, door de Jonge Land meeter Cornelis Chwalje, door de kadet Jngenieur Michiel Johannes en door de hier vooren gem: scheepstimmerlieden voor den geswoore klerk De Vos belegd, bij welke vooraf de twee eerstgenoemde ver„ klaaren dat zij zig volgens mijne order, met gem: Eerste Landmeeter na Diwitoore begeeven hebben, verzeld zijnde van twee door den Moddeljaar en Jnlands Sabandaar al¬ „hier, Don Balthazar Dias toegevoegde kangaan (:zij„ „de een in de wandeling genaamt Jmankere kangaan, en de andere een schrijver van gem: Moddel Jaar:) en al daar „ zomge de de als nog ongekapte dog verbrande de omvergekapte en verbranden boomen inzoorten op ses verbran„ „de Chenassen opgenoomen hebben. Dat hun bij die opneeming, gedagte twee kangaans en de hier„ „boovengem: twee Timmerlieden, de zoorten en het getal van „opgegeeven en zij attestanten ook die boomen die boomen „ gezien, en dezelven neevens de opgegeevene zoorten daar van opgeteekend hebben, waarmeede zig den derde genoemde zijnde de kadel Johannes, op verzoek van voorm: Eerste Landmeeter; met voorkennis van zijn vader toenmaals na dat Landschapje meede gegaan, vol„ „koomen konfirmeerd, terwijl de twee eersten verder verklaa„ „ren, dat ze voorm:, eenige tijd door de reegen verhunderde op neemen nader geassisteerd van de hier vooren gem: twee Timmer„ „lieden, zo meede van twee Araatjes, zijnde een daar van in de wandeling genaamt oeswakte Araatje, en de andere de arratje
English
3393 3403 aratchi of the woodcutting, together with the aforementioned Imankeere kangany and a Sinhalese Goniangodde Appu, which last two the Mudaliyar and native Shabandar, Balthazar Dias, added to them the deponents, continued with further attention, and then inspected and recorded twenty-two burnt chenas: upon which occasion the aforementioned two carpenters, the aratchis, the kangany, and the Sinhalese appu enumerated the number and the species of the felled and burnt, and the uncut yet also burnt trees, and they the deponents also saw the said trees and wrote down their number along with the species thereof. That the commissioners who arrived from Colombo at Diwiture, the gentlemen Raket and van Schuler, and the sworn clerk Andriesz, asked the first deponent whether he was a surveyor, whether he was at Diwiture at the request of the frequently mentioned First Surveyor Foenander or by my order, what he had carried out at Diwiture, and whether he had surveyed the burnt trees of the chenas; and upon his answer that he is of the capacity of a surveyor, was at Diwiture not at the request of the Honorable Foenander but by my order, and, together with the second deponent, not only saw the number and the species of the felled and burnt, and also not felled yet burnt trees that were on the chenas, as is mentioned herebefore, but also wrote them down according to the statement and indication of the aforementioned aratchis, kanganies, etc.; and the said gentlemen commissioners further asked him whether it was fitting for him to act as a clerk, and whether the aforementioned Honorable Foenander had not insulted or beaten the Mudaliyar, the inhabitants of Diwiture, and the aforementioned shipwrights, whether he the deponent knew the trees of the chenas surveyed by him, and could confirm that survey under oath; whereupon he the deponent replied that, although he had written down the species and number of the felled and burnt and uncut yet also burnt trees stated by the carpenters and by the aforementioned aratchis and kanganies, he nevertheless could not consider such a disgrace, because I had also entrusted him the deponent with that commission; that he the deponent did not see nor hear that the Honorable Foenander beat or insulted anyone, whoever it may be, at Diwiture; that he the deponent can confirm under oath his statement concerning the felled trees on the chenas as far as their number and the species of diya and godaparalu, together with pepeliya trees are concerned, while the other species of felled, burnt, and surveyed trees are unknown to him. That the aforementioned gentlemen commissioners, two days later, called him the deponent, and ordered him to point out the felled and burnt trees surveyed by him, which are so valuable to the Company, as well as the uncut yet burnt trees on the aforesaid chenas, to the Master Woodcutter who had come over with their Honors from Colombo; whereupon 3394 3403 he the deponent then declared that not all species of trees are known to him, but indeed diya and godaparalu, together with pepeliya, and therefore the said gentlemen commissioners thereupon relieved him of that duty to point them out, asking whether he could still confirm his survey under oath, just as he the deponent also declared to be able to do. That the said gentlemen commissioners finally ordered him the deponent, in the name of the Ceylon Government, to assist the Surveyor Foenander at Diwiture in no other commissions than in surveying. The second named, being the Young Surveyor Schwalje, adds to his aforementioned deposition further that the aforementioned gentlemen commissioners asked him in particular whether the Honorable Foenander had insulted the Mudaliyar and native Shabandar here, Balthazar Dias, or his father, the Maha Mudaliyar at Colombo, Nikolaas Dias, or the fourth and fifth deponents, and had threatened to beat the latter two; whether he did not know for what reason the said surveyor had undertaken the survey of the said felled and burnt trees, and whether the species of those trees were known to him. That in response to the interrogation he stated that he had neither heard nor seen that the First Surveyor Foenander insulted the Mudaliyar and native Shabandar or his father or the fourth and fifth deponents, much less threatened to beat the two last mentioned; that it is unknown to him why the said surveyor undertook the just-mentioned survey; that he does not know all the species of the felled and burnt, and of the uncut yet burnt trees on the aforesaid chenas, but indeed knows goda and diyaparalu, as well as pepeliya trees. That the gentlemen commissioners thereafter asked him whether he is prepared to confirm his survey under oath, and he declared to be prepared to do so. That the said gentlemen commissioners finally, on behalf of Your Right Honorable, ordered him to lend a helping hand to the Surveyor Foenander at Diwiture in no other commissions than solely in surveying. The two carpenters mentioned herebefore not only confirm their statements made concerning the timbers found in the chenas at Diwiture, but also further declare that the aforesaid gentlemen commissioners from Colombo asked them who had sent them to Diwiture, whereupon they answered that they were sent thither by me to survey the trees ruined on the burnt chenas, which were so valuable to the Company, which was also done by them, and a proper list thereof was drawn up by the three first mentioned. That the gentlemen commissioners thereupon further asked them the deponents whether they could confirm those submitted notes under oath, whereupon they declared to be very well able to do so; that the gentlemen commissioners afterwards ordered them the deponents to point out on the aforesaid chenas the ruined trees, so valuable to the Company and surveyed by them,
Dutch transcription
3393 3403 arraatje van de houtkapperij, mitsgaders van voorm: Jman„ „keere kangaan en een en singaleesch goeniangodde Appoe, welke twee laasten de Moddeljaar en Jnlands sabandaar, Balthazar Dias, hun attestanten toegevoegd heeft, met verdere aandagt vervolgd, en als toen twee en twintig ver„ „brande Chenassen bezigtigd: en opgenoomen hebben, bij welke geleegendheid voorm: twee Timmerlieden, de Atraatjes, de kan„ „gaan en den singaleeschen appoe het getal en de zoorten van de gehakte en verbrande, en de ongekapte, drg meede ver„ „brande boomen opgenoomd, en zij Attestanten gem: boomen ook gezien en het getal derzelve nevens de zoorten daar van opgeschreeven hebben. Dat de van kolombo te Diwitoere aangekoomene gekomm de heeren Raket en van Schuler, en de geswoore klerk Andriesz:, den Eersten Attestant gevraagd hebben, of hij Landmeeter was, of hij zig op Diwitoere op verzoek van meer„ „melde Eerste Landmeeter Foenander dan wel op mijn order bevond! wat hij op Diwitoare uijtgevoerd en of hij de verbrande boomen der Chenassen opgenoomen had, ien op zijn andwoord, dat hij van qualiteijt Landmeeten is, zig niet op verzoek van DE: Foenander, maar op mijne ordre op Diwitoere bevond, het getal en de zoorten der gekapte „en ook niet gekapte, dog verbrande en verbrande„ boomen, die op Chenassen waaren, neevens de tweede Attestant niet alleen gelijk hier vooren vermeld is, gezien, maar ook volgens opgaave en aanwijzing van voorm: Arraatjes, Kangaans etc=a opgeschreeven en gem: gem: Heeren Gekomm: hem nader gevraagd hebben of het hem paste als schrijver te ageeren, en of voorm: E: Foenan„ „der den Moddeljaar, de Jnwoonders van Diwitoere, en de meergenoemde scheepstimmerlieden niet uijtgescholden of geslaagen had, of hij Attestant de door hem opgenoome boomen van Chondessen kende, en die opneeming met Eede bevestigen konde ? waarop hij Attestant gerepliceerd heeft, dat, schoon hij de door de Timmerlieden en door de voorm: Araatjes en kangaans opgegeeve zoorten en getal der afgekapte en verbrande en ongekapte dog meede ver„ „brande boomen, opgeschreeven heeft, zulx egter voor geen schande te konnen aanzien, wijl ik hem Attestant die kommissie meede had aanbevoolen, Dat hij Attestant niet gezien nog gehoord heeft, dat de E: Foenander iemand, wie het ook zij te Diwitoere geslaagen of uijtgescholden heeft; Dat hij Attestant op zijn opgaave weegens de ge„ „kapte boomen op de Chenassen, zoo verse het getal daar van en de zoorten van Dize en goddeparre, mitsgaders pepelije boe„ „mer aangaat met Eede bevestigen kan, terwijl de andere zoorten van gekapte, verbrande en opgenoome boomen hem niet bekend zijn. Dat voorm: hooren gekomm: twee daagen daarna, hem attest ant geroepen, en gelast hebben, om de door hem opgenoome voor ook de komp:s kostbaare, gekapte en verbrande; voorts ongekapte dog verbrande boomen op voorsz: Chenasser, aan de met hun Ed:s van kolombo overgekoome Baas houtkapper aantewijzen waar 3394. 3403 waar op hij Attestant toen betuijgd heeft, dat him niet alle zoorten van boomen, maar wel Dieje en Goddeparre, mitsgaders Pepelije bekend zijn, en dus gem: Heeren gekomm daar op hem van die aanwijzing ontslaagen hebben, met af„ „vraager of hij als nog zijne opneeming met Eede konde be„ „kragtigen, zoo als hij attestant ook betuijgd te konnen doen„ Dat gem: Heeren gekomm: eijndelijk hom Attestant uijt naam van de Cijlonse Regeering gelast hebben, om den Land meeter Toenander op Diwitoere in geene kommissieen, als in het mooten te assisteeren. De Tweede genoemde, zijnde de Jonge Landmeeter Schwalje voegd bij zijne hier vooren vermelde deposietie, nog, dat voorm: Heeren gekomm: hem in het bijzonder gevraagd hebben, of D' E: Toenan„ „der de Moddeljaar en Jnlands Sabandaar alhier Balthazar Dias, of zijnen vader, den Maha Moddeljaar te kolombo, Nikolaas Dias, dan wel de vierde en vijfde Attestant en uijtgescholden, en de twee laastgenoemden gedreijgd heeft te„ „slaan, of hij niet wist om wat reeden gem: Landmeeter de: opneeming van ged=te gekapte en verbrande boomen op zig genoote „men heeft, en of hem de zoorten van die boomen bekend zijn. Dat hij op de ondervraaging gediend heeft, dat hij nog gehoord of gezien heeft dat de Eerste Landmeeter Hoenander den Moddel jaar en inlands Sab andaar of zijn Vader of de vier¬ „de en vijfde attestanten uijtschold, veel min de twee laast„ „gem: drijgde te slaan; dat hem onbekend is, waarom gem: Landmeeter, de zoo even genoemde opneeming op zig genoomen heeft, dat hij niet alle zoorten van de op voorsz: enie Chenasser of wijzen 2 Chenassen gekapte en verbrande en van de ongekapte, dog verbrande boomen, maar wel Godde en Dijeparre„ zoo ook peepelieje boomen kend. Dat de Heeren Gekomm: daar na hem gevraagd hebben off bereijd hij bevoijd is, zijn op name met Eede te bevestigen, hij betuijgd heeft daar toe bereijd te zijn. Dat gem: Heeren gekomm: op het laast van weege uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: hem bevoolen hadden, om den Landmeer„ „ter Foenander op Diwitoere in geene andere kommis„ „sien als alleenlijk in het meeten de behulpzaame hand te bieden. De hier voorengem: twee Timmerlieden bevostigen niet alleen hunne gedaane opgaaven aangaande, de in de Chonassen te Diwitoere gevondene Houtwerken, maar verklaaren ook verder, dat voorsz: Heeren kolombosche gekomm: hun gevraagd hebben, wie hem op Diwitoore gezonden had, waar „op zij ter andwoord gediend hebben, door mij derwaards gezon„ de „den te zijn, om op de verb vande Chinassen geruineerde voor de komp: zoo kostbaare boomen op teneemen, het geen ook door hun gedaan, en door de drie eerstgenoemde daarvan een behoorlijke Lijste geformeerd is. Dat de Heeren gekomm:, daarop hun attesttanten al verder gevraagd hebben, of zij die overgelegde Notietien met Eede be„ „vestigen konden, waarop zij betuijgd hebben zulks zeer wel te konnen doen; Dat door de heeren gekomm: naderhand hun attestant gelast is, om de voor de komp: zoo kostbaare geruineerde en door hun opgenoomene boomen op voorsz: Chle„ „nassen
English
3395 3403 chenas to the master woodcutter who had arrived with Their Honours from Colombo and some appuhamys, whereupon they then requested to have assigned to them the first and second named in the aforementioned act and the two aratchies and kanganies mentioned therein, but this request was denied them, ordering them to point out together with them the ruined trees surveyed by them to the said master woodcutter and appuhamys. That upon that order, accompanied by the said master woodcutter and appuhamys, they went to the aforementioned chenas and pointed out the trees ruined there which were valuable to the Company, but that the aforementioned Colombo master woodcutter rejected all those trees as useless for the Company's service, although they testified that such timbers are delivered here at Gale for the Company and used for Their Honours' service. That the master woodcutter, having returned from the chenas, testified to the commissioners that among the trees pointed out by them as valuable to the Company and now ruined, none were found suitable for the Company's service, and that he, the master woodcutter, would serve the Company as a slave for all his life if a tree useful for Their Honours' service were found on the aforementioned chenas. That they, on the contrary, then declared to the commissioners that good and bad sorts of trees were ruined on those chenas, and that the good ones could very well serve for the Company's service. That 07 also of is; whereupon they recognized the said lists as the very ones which they drew up on the said dates at Diwitoere, as well as the signatures which they placed under them, testifying that everything made known in these their two reports or lists of the surveyed timbers contains nothing but the pure and sincere truth, that the punishment to which they would expose themselves through false statements is very well known to them, but that they are by no means afraid and are at all times prepared to confirm their pure declarations with oaths, as having carried out the commission assigned to them with all purity, attentiveness, and sincerity, without having received or accepted from anyone, of whatever name, the slightest inducement, persuasion, or lead toward untrue statements, but on the contrary having indeed received the counsel to proceed as honest people and under oath; while to the question of whether they considered themselves capable of still demonstrating the timbers mentioned in their two reports to experts, and thus providing further proof both of the number and of the assortments of those trees, they also unanimously answered that, with the help of the kangani and the two aratchies who were also with them at Diwitoere, they would indeed find themselves capable of doing so, provided none of the trees surveyed and counted by them have been removed or destroyed since their departure from there. Secondly, a report or declaration from the well-known, capable, and competent Master of the Ship and House Carpentry Yard here, Jan Vogelsang, who for some months has been suffering from a severe affliction in his right leg, and from his Master Journeyman, Nikolaas van Bourgongne, who, in the presence of the First Sworn Clerk Gratiaan, expressly ordered by me for that purpose, declared and testified that among the timbers made known in the aforementioned two lists handed over by the carpenters and shown to the said masters, the following belong to the Company's assortments, to wit: Ironwood, Milile, Heddeweke, Goddeparre, Dijeparre, Pepelije, which are used here daily in the Company's service for the warehouses, as well as for the arriving ships and other unloading vessels belonging under the Equipage. Angelieke, which is used very little here, and is therefore rarely demanded in the service by the said masters. Watermelile, is used very much for crooked timbers for the vessels, but the ordinary Milile is the most suitable for that purpose. Deberie, is used daily in the cooper's shop for all sorts of tub work. Kione, is very good in the absence of timber from the Fatherland for masts and spars for ships and vessels, as the aforementioned masters have often needed and also used it for that purpose. Samedra and Oettagas, when this is light, floating timber is to give
Dutch transcription
3395 3403 „rassen aan de met hun Ed: van kolombo overgekoomebaar houtkapper en eenige appoehamijs aantewijzen waarop zij toen verzogten hun toetevoegen de eerste en tweede genoemde bij de hier vooren verm: akte en de weede daar bij verm: Arraat„ „jes en kangaans, dog dit verzoek hun gewijgerd was, hun aanbevelenden om met hun bij den de door hun opgenoome ge„ „ruineerde boomen aan gemelde baas houtkapper en appoe„ „hamies aan tewijzen. Dat zij zig op die order, verzeld van gedagte Baas houtkap„ „per en Appoehamies, op voorm: Chenassen begreven, en de aldaar geruineerde voor de komp: kostbaare boomen aange„ „weezen hebben, dog dat voorm: kolombose Baas houtkap„ „per; alle die boomen als onnut tot komp:s diensten afge„ „keurd heeft, schoon zij betuijgden dat diergelijke houtwer„ „ken alhier op Gale voor de komp: geleeverd en tot haar Ed: diensten gebruijkt worden. Dat de baas zoutkapper, van de Chenassen te rug gekoomen zijnde, de heeren gekomm: betuijgd heeft, dat onder de door hun, als voor de komp: kostbaare, en thans geruineerde aangeweeze boomer, geenen tot 's komp:s diensten dienende gevonden wierden, en dat hij Baashout kapper als een slaaf voor al zijn leeven de komp: dienen wilde, indien een voor haar Edele diensten nittige boom op voorm: Chenassen gevonden wierd. Dat zij toon bij de heeren gekomm: daar en teegen verklaard heb„ 111 „ben, dat op die Chenassen goede en slegte zoorten van boomen geruuineerd zijn, en dat de goede heel wel tot 'skomp:s diens ten konden dienen. Dat 07 ook van is; waar op zij gem: Lijsten voor dezelve erkenden, die zij op gemelde datums te Diwvitoere opgemaakt, mitsgaders de handteekeningen die zij daar onder gesteld hebben, be„ „tuijgende dat al het geen bij deeze hunne twee Berigten, of Lijsten der opgenoome houtwerken bekend is ge„ „steld, niet dan de zuijvere en opregte waarheid be„ „helsd, dat hun zeer wel bekend is de straffe, waaraan zij zig door valsche opgaaven zouden bloot stellen, dog dat zij geensints bevreesd, en ten allen tijde berijd zijn om hun „ne zuijvere verklaaringen met Eeden te bevestigen, als heb„ „bende met alle zuijverheid, aandagt en opregtheid de hun aanbevoolene kommissie uijtgevoerd, zonder van iomand hoe ook genaamd, eenige de minste inductie, persuatie of oplijdinge tot onwaare opgaaven ontfangen, of aan„ genoomen, maar in teegendeel wel den raad gekreegen te hebben, van als eerlijke lieden en op den Eed af, te werk te gaan; terwijl zij op de vraag of ze zig in staat agter om als nog de bij hunne twee berigten vermelde houtwerken aan des kundigen aantetoonen, en dus nader bewijs te geevene zoo van het getal als van de sorteeringen dier boomen, ook eenpaarig geandwoord hebben, dat zij zig, met behulp van den kangaan en de twee arraatjes, die met hun„ meede op Diwitoere zijn geweest, daartoe wel in staat zouden bevinden, mits er geene van de door hun opgenoo„ „men en getelde boomen, zeedert hun vertrek van der„ „waarts, absent gemaakt of vernield geraakt zijn. Ten tweede, een Berigt of verklaaring van den zoo bekend kundige ƒ 3397 3403 kundige. en geschikt, Baas der Scheeps en huijtimmerwerf al„ „hier Jan Vogelsang, die zeedert eenige daagen Maanden aan een swaar toeval aan zijn regter been laboreerd, en van zijn Meester knegt, Nikolaas van Bourgongne, die in de teegenwoordigheid van de Eerste geswoore klerk Gratiaan, door mij expres- daar toe gelast, verklaarden 2: d en betuijd hebben, dat onder de bij de hiervooren gem: twee door de Timmerlieden overgegeeve, en gem: Baazen ver„ # „toonde Lijsten bekend staande houtwerken de volgende onder de komp=s sorteeringen behooren te weeten ijzer kouten. . . . welke hier dagelijks in skom p. s dienst tot Milile de pak en we don huijzen, zomeede voor de Heddeweke aan koomende scheepen, en andere lossen Goddeparre rooijvaartuijgen, gehoorende onder de DiJeparre Equipagie, verbruijkt worden. Pepelije- Angelieke, dat hier zeer wijnig gebruijkt, en daarom door gem: Baaten in den dienst zeldzaam geeijscht word. watermelile, word tot krom houten voor de vaartuijgen zeer veel gebruijkt, dog het ordinaire Milile is het beste„ daartoe geschikt. deberie, word dagelijks verbruijkt op de kuijpes winkel voor allerhande balie werk in zoorten. kione, is zeer goed bij gebrek van vaderlands hout voor Mast en rondhouten, voor scheepen en vaartuijgen, zoo als voorm: Baazer het veel tijds daartoe noodig ge„ „ had, en ook verbruijkt hebben. samedra, en oettagas, wanneer dit ligt drijvend hout is d hun ard geeve