Inventory 3793
Ceylon · 1,154 pages · 155 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
is according to the aforementioned report, it could serve very well for anchor buoys. The aforementioned master craftsmen further testify that among the Sinhalese names presented to them of the timbers mentioned in the aforementioned lists, there may be very many that would be good and suitable to be used in the Company's service; however, because they have not seen them and the names thereof are also not known to them, they testified they could provide nothing in that regard. Thirdly, a declaration by two most knowledgeable Aratchies of the timber drag, dispatched by me to Diwitoere at the request of the First Land Surveyor Foenander also in the last days of the already disrupted progress of the commission, in order to assist there in the survey and examination of the trees felled in that small district, and to be able to provide all further necessary information regarding the sorts of timber, wherein they are very knowledgeable; in which declaration those two timber-expert natives testify that on the 20th of June last, and thus the day after my departure from the district, they were sent back here by the gentlemen Raket and van Schuler without any interrogation or summons to assist in the further survey by the aforementioned gentlemen and to share their so necessary information. From all of which papers it will now be abundantly clear to Your Right Honorable and the Council at Colombo that in my separate order to the Land Surveyor Foenander to conduct an accurate survey of the present true condition of the so important small district of Duvitoere, I have done nothing other 3398 3403 than that which I was bound to do by virtue of honor, office, and duty, and would have accomplished long ago had any well-suited man who could apply himself thereto presented himself to me here; and since Your Right Honorable yourself, in the proposal made in 1784 to charge the then Porta Maha Mudaliyar here, and now Maha Mudaliyar at Colombo, Nikolaas Dias, with the better cultivation of the small district of Diwitoere, and indeed according to your separate government letter written under date of 31 August 1784 to the then and now deceased Honorable Governor Falck (of glorious memory), clearly and as most highly necessary proposed to dispatch a commission from here, assisted by a land surveyor, to the aforementioned district annually beginning with the month of January 1786, in order to examine with all attentiveness the true condition and the increasing improvement thereof, it shall and must appear most remarkable to everyone that my so fair and proper endeavors in compliance with this order, and thus in commissioning the First Land Surveyor Foenander together with the also very knowledgeable Engineer Johannes—which latter, as he could not be spared here so long from the service of the fortification works, would only have assisted after the conclusion of the provisional investigation, and thus upon the further instructions of the aforementioned First Land Surveyor, in order to examine with all accuracy everything of importance regarding the aforementioned district and to give a written report thereof—were, in a manner so completely extraordinary, so very running counter to my entrusted authority in this province (wherein I am confirmed by a direct deed of commission of the Noble High Government of these lands), against my honor, prestige, and credit with the public, and with the observant native in particular, and indicating such marked distrust, without giving any reasons for it, not only obstructed, but even entirely foiled; whereby the utility of this good objective, in which the colony is said to be so highly interested, and which therefore can only be viewed with the utmost distress, has been completely thwarted, and will not so easily be restored again, because the aforementioned First so knowledgeable Land Surveyor, surely one of the capable persons who could carry out such a commission for the accurate survey of everything that could in future serve for the cultivation and fertility of so extensive and so important a district, above many others according to the best requirements and with the greatest hope of a completely good outcome, will likely not easily be persuaded to undertake such a commission again, as appears sufficiently from his submitted earnest request to be discharged from the service of this Government, and even to be permitted to depart for Batavia with written-off salary at the first occurring opportunity; 3399 3403 his skills and aptitude, repeatedly noted by Your Right Honorable as very satisfactory, are too well known not to make useful use of them, and these qualities of his, so highly necessary in this Government, were the only inducements that, leaving me most highly satisfied with his fortunate arrival here and promising us the best prospects of his great aptitudes, caused me to resolve to entrust to him this so momentous secondary commission, for whose accurate execution he immediately declared himself ready, and which he could also accomplish without delay to the commission recommended by Your Right Honorable in the aforementioned district, and thus perform two very useful matters at the same time; wherefore I also immediately, upon his departure to survey that district to ascertain whether the excess water penetrating therein during the annual rainy monsoon could not conveniently be drained by means of a digging through the inlet of Madampe, put him to work to survey the present true condition of that district with all further matters pertaining thereto, which I had not been able to accomplish in the last two preceding years because I
Dutch transcription
is volgens voorm: Rapport, zoude dezelve zeer wel konnen dienen voor anker boeijen. Betuijgende gem: Baazen voorts, dat onder de hem voorge„ „houdene singaleesche benaamingen, van de bij voorm: lijsten vermelde houtwerken, zeer veele zijn konnen, die goed en deugd zaam zouden zijn, om in 's komp. s dienst gebruijkt te worden, dog wijl ze die niet gezien hebben, en de benaamingen derzelve hun ook niet bekend zijn, zoo betuijgden dien aangaande niets te konnen opgeeven. Ten derde, Een door twee meest krundige Arraatjes van de houtsleep, door mij op verzoek van den Eerste Landmeeter Toenander meede in de Laaste daagen van den reets gestoor„ „de voortgang der kommissie na Diwitoere afgevaardigd om aldaar bij den opneem en het nagaan der in dat Land„ „schapje omvergekapte boomen te assisteeren, en van de zortementen der houtwerken, waar in zij zeer kundig zijn„ alle verdere nodige onderrigtingen te konnen geeven, bij welke verklaaring die twee houtkundige Jnlanders be„ „tuijgen, dat zij op den 20. ' Junij J:o leeden, en dus daggs na mijn vertrek uijt het Landschap jie, door de heeren gekomme Raket en van schuler, zonder eenig verhoor of oproeping om bij den nadere op neem door gem: heeren te assisteeren, en hunne zoo noodige onderrigtingen meede te deelen, herwaar gezonden zijn. uijt alle welke papieren nu uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: en den Raad te kolombo overduijdelijk zal blijken, dat ik bij mijne afzonderlijke last aan den Land„ meeter Foenander om een naauwkeurige opneeming van de teegenwoordige waare gesteldheid van het zoo aangelea„ „gene Landschapje Duvitoere te doen, niet anders be„ „staan 3398 3403 „staan hebben dan het geen ik eer, ampto en pligts halven ver„ „bonden was, en reets lange zoude verrigt hebben, zoo mij „ alhier eenig wel geschikt manr die zig daartoe daartoe konde verleedigen, was voorgekoomen en daar nu uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: zelve bij het in 1784. ge„ „daane voorstel om de beeter bekwaammaking van het Landschapje Diwitoere aan den toenmaalige Porta Moddel Jaar al hier, en nu Maka moddeljaar te kolom„ „bo, Nikolaas Diasi opte draagen, en wel volgens hoogst desselfs in dato 31. Augustus 1784. aan den koenenaa„ „liger en nu zaaligen Edelen heer Gouverneur Falck, /:glorieuzer gedagten isse :/ geschreevene aparte regeerings Brief duijdelijk en als ten hoogsten noodzaakelijk voorge„ „steld heeft, om 'sjaarlijks met de maand Januarij 1786. te beginnen, een kommissie van hier geassisteerd, met een Land„ meeter na gem: Landschapje afte vaardigen, om de waare toestand en de toeneemende verbedering daar van met alle oplettendheid na te gaan, zal en moet het een ieder wel ten hoogste opmerkelijke voorkoomen, dat mijne zoo billijke en behoorlijke betragtingen in opvolging dee„ „ter order, en dus in het kommitheeren van den Eerste Land„ „meeter Toenander met den meede zeer kundige Jn„ „genieur Johannes, welk Laaste als hier bij den dienst der Fortifikaatie werken niet zoo lange kunnende ge„ „mist worden, eerst na het afloopen van het provisoir onderzoek, en dus bij de nadere aanwijzingen van gem:e Eerste Landmeeter, zoude geassisteerd hebben, om al het aan geleegene van voorm: Landschapje niet alle nauw keurigheid nnen 3 „keurigheid verder na te gaan, en daar van schriftelijke Berigt te doen, op eene zoo gants buijten gewoone, een zoo zeer teegen mijn aanvertrouwd gezag in deeze provin„ „tie, waar in ik door eene direkte kommissie Akte der Edele Hooge Regeering deezzer Landen bevastigt ben, teegen mijne eere, aanzien en krediet bij het algemeen, en bij den op merkzaam Jnlander in het bijzonder, aan looper„ „de, en zoo een gemarqueerd mistrouwen aanduijdende wijze, zonder daar voor eenige reedenen te geeven, niet al„ „leen zijn teegen gehouden, maar zelfs geheel verijdeld 6 waar door dan ook, de nuttigheid van dit goede oog„ „merk, naar aan de kolonie zoo hooglijk gelaegen zegt, en dus niet dan met de uijterste aandoening kan beschouwd worden, geheel afgeweert is, en zoo ligt niet weeder zal konnen hersteld worden, wijl gem: Eerste zoo kundige Landmeeten zeeker een der geschikte menschen die eene diergelijke kommissie ter naauw „keurig opneeming van al het geen in het vervolg tot bekwaam en vrugtbaarmaaking van een zoo uijt ge„ „strekt en zoo aangeleege Landschap zoude konnen strek„ „ken, booven veele anderen na best vereijsch en met de meeste hoop van een vol koomene goede uijslag kan ter uijtvoer brengen waarschijnelijk met ligt meer tot eene diergelijke kommissie zal te beweegen zijn, gelijk ge„ „noegzaam uijt zijn ingeviend ernstig verzoek blijkt om ontflaagen uijt den Dienst van dit Gouvernement ontfangen te worden, en zelfs met afgeschreeve gagie na Batavia bij 3399 3403 bij eerst voorkoomende geleegendheid te moogen vertrekken, zijnde kundigheeden en geschiktheid, te meermaalen door uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: als zeer voldoende aan„ „gemerkt, zijn te zeer bekend om er geen nuttig ge„ „bruijk van te maaken, en deeze zijne in dit Gou„ „vernement zoo hoognoodige hoedanigheeden waaren alleen de oplijdingen, die mij ten hoogsten over zijne gelukkige aankomst alhier voldaan, en wij de beste vooruijtzigten van zijne groote geschiktheeden beloovende, deeder besluijten, hem op te draagen deeze zoo gewigtige bij kommissie, tot welker naauw keu„ „rige betragting hij zig aanstonds beryd verklaarde, en die hij ook zonder vertraaging van den door uwel Edele Gestr: Groot Agtb: aanbevoole kommissie in gem: Landschapje konde volbrenger, en dus twee zeer nuttige zaaken te gelijk verrigten, waarom ik hem dan ook daadelijk bij zijn vertrek tot het opneemen van dat Landschapje, om te onderstaan of het daar in geduurende de Jaarlijkse reeger mousson dringende overtollige water niet bekwaamlijk door middel een er doorgraving van het zak van Madampe zoude kunnen afgeleid worden, ok te werk stelde om de teegenwoordige waare gesteldheid van dat Landschapje met al het verder aangeleegene van dien opteneemen, het geen ik in de twee Laast voorige Jaaren niet had kunnen volbrengen wijl ik F
English
I had no sufficiently suitable man here for that purpose, as the surveyor Hartel, who passed away last year, was mostly sickly and in no way fit for such an important commission. Far be it from me to wish to direct, arrange, or contradict your Right Honourable and Highly Respected Nobility's actions according to my own judgment, and thus arbitrarily. I know very well that I am not called nor authorized to do so, and that this belongs solely to a higher power and authority, under which we are so fortunate to resort. Yet your Right Honourable and Highly Respected Nobility cannot and will not blame me if, placed in such a considerable post of honour and distinction, I complain and take grievance in a proper and most fitting manner about everything that I cannot and may not view except as placing my honour, my standing, and credit to the highest degree in a diminished light, especially in such important circumstances and affairs, which, with a proper and attentive execution, hold so much benefit and blessing for the conquered territory so dearly entrusted to me by the High Government of these lands, under the higher authority of your Right Honourable and Highly Respected Nobility, from whom I may, with the greatest right and fairness, expect all possible support and encouragement towards the steadfast observation of my high obligations; which is why I also insisted so strongly in my previous separate letter of 30. June last that the fault of my conduct in these so important circumstances might be pointed out to me, so that I might find therein some satisfaction for the grief received, in my thoughts so completely undeserved, and that this might serve as a suitable lesson for me for the future. I have therefore in this matter observed nothing other than my bounden duty, and have followed with all attention what your Right Honourable and Highly Respected Nobility itself established and ordered, and which was so highly recommended for compliance to this Government by the subsequent high approval of the Noble Lord Governor and Council at Kolombo; and I also hold myself fully assured that all who examine these important circumstances and the commission and orders arranged by me therein with the requisite attention, both at present and in the future, and in doing so consider with attention the arrangements made in this province by your Right Honourable and Highly Respected Nobility itself, and the proposals according to the contents of its own separate government letter of 31. Aug:s 1784. and the subsequent approval of the High Noble Lord Governor and Council at Kolombo dated 20. 7ber. following, will do me the justice that in this, my issued order to the First Surveyor Foenander to survey everything of importance in the aforesaid district, to point out more closely the specified and surveyed timber, if they can still be found at or near their previous places after the passage of so much time, and that from the trees surveyed and counted by them in that district, to an amount of 16655. pieces, many good assortments are suitable both for shipbuilding and otherwise, and are used here daily in the service, according to the testimony of the aforesaid Masters Vogelzang and Bourgogne; with which the declaration made to me here by the carpenter who came along from Kolombo with the Maha Moddelaar, without any written instructions, does not at all agree, since he declared to me that among the timber pointed out to him at Diwitoere there was no good carpentry wood at all, whereas both Galle carpenters testify that all the assortments specified by them, as far as they had been permitted to do so, were pointed out to him. From the entire district of Diwitoere, for almost four years now, no more than four hundred and a half parras of Nelie have been delivered here into the Company's dispensary by the present contractors for all dues and reduction of burdens, while it already stands debited in the Company's books here since 1784. for a sum of 3653. guilders 5 stivers 8. pence, as the trade clerks here demonstrate, without one being able to flatter oneself that any further or more considerable advantage for the Honourable Company is to be expected from it, as long as no better arrangements are introduced and carried out for the real improvement thereof, which is indeed a matter of very great importance for the entire colony, upon which one cannot apply oneself attentively enough. This is what I aimed at in giving my aforesaid commission to the Surveyor Foenander, who is so knowledgeable and so well-suited to such a useful and highly important work, and which I might well have carried into execution had I not been hindered therein in the midst of those important occupations by the interdict repeatedly sent to me against the further progress thereof and by the intervention of the extraordinary commission recently dispatched from Kolombo to that district, whereby I have had to withdraw, and even for the present completely terminate, my observations and remarks designated for that purpose to the best of my abilities. Much could still be said about both the former and the present state of that district, and about the improvements to be effected therein, but enough has certainly already been written about the present relevant circumstances thereof, and the outcome will best be able to prove which observations, returns, indications, and remarks are the most acceptable, both for the general and particular interest, and thus
Dutch transcription
ik daartoe geen genoegzaam geschiket Man alhier had zijnde de in het voorleeden Jaar overleedene Land meeter Hartel meest ziekelijk, en tot een diergelijke aangeleege„ „ne kommissie in geenen deelen geschikt. Het zij verre van mij uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: handelin„ „gen na mijn inzien, en dus eijgendunkelijk te willen lijden, inrigten of teegenspreeken, ik weet zeer wel dat ik daar toe niet geroepen of bevoegd ber, en dit alleen toekomt aan eene Hoogene Magt en vermoogen, waar onder wij alleen zoo gelukkig ressorteeren, dog uw el Ed Gestr: Groot Achtb: zal en kan mij ook niet kwalijk duyden dat ik, in een zoo aan merkelijke Post van Eere en aanzien gesteld, mij op eene betaamelijke en meest voegende wijze beklaage en beswaare overal het geen Jk niet rogt kan en mag aanmerken als ten hoogsten mijne eere, mijn aanzien en krediet in een verklijnend dagligt stellen, en wel in zoo aange„ „leegene omstandig heeden en betrekkingen, die, bij eene goede en oplettende uijtwerking, zoo veel hijl en zeegening be„ „sluijten, voor het mij door de hooge Regeering deezer Lan„ „den zoo duurbaar toevertrouwd wingewest, onder het hooger gezag van uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: van het welk, ik niet dan met het meeste regt en billijkheid, alle moogelijke ondersteuning en aan„ „moediging tot standvastige betragtingen mijner hooge verpligtingen mag verwagten; waarom ik dan ook bij mijne voorige affarte brief van den 30. Junij J:o l: zoo zeer geinsteerd 3400 3403 geinsteerd hebben dat mij het virieuse van mijn be„ „staan in deeze zoo aangeleegene omstandigheeden mogte aangeweezen worden, op dat ik daarin eene genoeg„ „doening voor het, na mijne gedagten, zoo geheel onver„ „diend ontfangene leed mogte vinden, en mij dit tot eene bezwaame leering voor het toekoomende mogte ver„ „strekken. Ik heb dus in deeze niet dan mijn schul„ „dige pligt betragt, en met alle aandagt opgevolgd het geen uwel Ed: Gestr: Groot Agtb: zelve heeft ingesteld, gelast, en deeze Regeering, door de daar op ge„ „volgde hooge goed keuring van den Edelen Heer Gou„ „verneur en Raad te kolombo zoo hooglijk ter opvol„ „ging aanbevoolen is, en ik houde wij ook ten vollen verzeekerd, dat allen, die deeze aangeleegene omstan„ „digheeden en mijne daarbij ingerigte kommissie en ordeningen, met de vereijschte aandagt, zoo wel teegen„ „woordig, als in het toekoomende nagaan, en daar bij de door uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: zelve in deeze pro„ „vintie gemaakte schikkinger, en voorstellen na inhoud van hoogst desselfs aparte Regeerings brief van der 31. Aug:s 1784. en de daar op gevolgde approbatie van den Hoog Edelen Heer Gouverneur en Raad te kolombo in dato 20:' 7ber: daar aan, met opmerking betragten, mij wel het regt zullen doen, dat ik in deeze mijne uijtge„ „vaardigde last, aan den Eerste Landmeeter Toenander tot het opneemen van al het aangeleegene in voorm: Landschapje ier had een waar el Cor. goede eerd F om de opgegeeve en opgenoome houtwerken nader aan„ „tewijzen, zoo ze na verloop van zoo veel tijd, nog op of bij hunne voorige plaatzen te vinden zijn, en dat van de door hun, in dat Landschapje opgenoomen en getelde boomen, tot een hoeveelheid van 16655. stuks; veele goede sorteeringen, zoo voor den scheeps bouw als anderzints zijn en hier dagelijks in den dienst, volgens betuijging der Voorm: Baazen Vogelzang en Bourgogne, gebeezigt worden, waar meede dus in het geheel de aan mij al hier gedaane verklaaring, door den van kolombo met den Maha Moddeljaar, zonder eenige aanschrijving, meede gekoome Timmerman niet overeen komt, wijl hij mij verklaarde, dat onder de hem aangeweezene hout„ „werken te Diwitoere, in het geheel g een goed Timmer„ „koder was, daar de bijde gaalsche Timmerlieden betuijgen„ hem alle de door hun opgegeeve sorteeringen, zoo verre men het hun toegelaaten had, waar en aangeweezen, van het geheel Landschapje Diwitoere, zijn zeederd bij na vier Jaaren door de teegenwoordige Aanneemers niet meer dan vier honderd en een halve parras Nelie al„ „hier in skomp:s Dispens voor alle geregtigheid en ver„ „mindering van Lasten geleeverd, terwijl het thans reets bij I kom p:s Booken alhier zeedert 1784. voor eene somma van 3653. gulden 5 stuijves 8. penn: gedebi„ „teerd staat, zoo als de Negootie bedienden alhier aantoonen, zonder dat men zig vlijen kan dat eenig meerder 3402 3 403 meerder of aanmerkelijker voordeel voor de E: komp. daar van te verwagten is, zoo lange geene beetere inrigtin„ „gen tot weezendlijke verbeetering van het zelve aange„ „voerd en volbragt worden, het geen wel een zaak van zeer veel belang voor de geheele kolonie is, waarop men zig niet aandagtig genoeg kan toelegger, het geen ik bij het geeven van mijne voorm: kommissie aan de zoo kundige en tot zoodaanig een nuttig en zoo hoog aan„ „geleege werk zoo zeer geschikte Landmeeter Foenander beoogt en moogelijk ook wel ter uijtvoer zoude gebragt hebben, indien ik niet in het midden dier aan geleege beezigheeden, door het mij bij herhaaling toegeschikt 7 Jnterdigt tot den verdere voortgang daar van en door de tusschen komst, van de van kolombo na dat Land„ „schapje onlangs afgevaardigde buijten gewoone kommis „sie, daar in waare belet geworden, waar door ik mij ne na beste vermoogens ten dien eijnde bepaalde betrag„ „tingen en opmerkingen, heb moeten intrekken en zelfs tot als nog geheel eijndigen. Men zoude nog zeer veel, zoo over den voormaaliger als tee„ „genwoordige toestand van dat Landschapje, en over de daar in te bewerkene verbeeteringen kunnen seggen, dog over de daar toe betrekkelijke teegenwoordige zad oom¬ „standigheeden is zeeker, al reets genoeg geschreeven, ende uijtkomst zal best konnen bewijzen, welke betragtin„ „gen, opgaaven, aanduijdingen en opmerkingen, zoo voor het algemeen en bijsonder belang de aan nemelijksten, en dus aan„
English
therefore be best, in which I then also acquiesce, and have the honour to be with all high esteem, below stood, Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed, High Commanding Lord, Your Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed Lord's humble Servant, was signed, C: D: Kraijenhoff, in the margin, Gale the 30th of July 1788. Lower, P.S. In my previous separate letters of the 6th and the last of June last concerning the affairs of the District of Diwitoere, I omitted to inform Your Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed Lord that the number of circa forty souls, including the smallest children, who are currently residing as inhabitants in that district, as mentioned by me in the said letters, is based on the repeated report and assurance given to me by the Porta Modliar and Native Sabandaar here, Balthazar Dias, who took this census with all accuracy, as he assured, and subsequently informed me thereof. Chief Clerk Agrees. Sybrands Section 403 Kolombo. To the Right Honorable, Highly Esteemed Lord Willem Jacob van de Graaff Extraordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon and its dependencies, together with the Council. Right Honorable, Highly Esteemed, High Commanding Lord. I felt most honoured by the receipt of Your Right Honorable, Highly Esteemed Lord's most respected letter of the 24th of July last, and serve the same most humbly in reply, that I shall not fail to comply strictly with everything that Your Right Honorable, Highly Esteemed Lord has been pleased to instruct me therein for observation. With which I presume the high honour to remain, with due respect and all high esteem, below stood, Right Honorable, Highly Esteemed, High Commanding Lord, Your Right Honorable, Highly Esteemed Lord's very humble and obedient Servant, was signed, D: D: van Ranzouw, in the margin, Mannaar the 1st of August 1788. Agrees. Eybrands Chief Clerk With the ship De Hoop via Gale Kolombo To the Right Honorable, Highly Esteemed, High Commanding Lord Willem Jacob van de Graaff, Extraordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon and the coast of Madure, etc., etc. Together with the Council. Right Honorable, Highly Esteemed, High Commanding Lord. Honoured with Your Right Honorable, Highly Esteemed Lord's secret letter of the 23rd of July accompanying the articles proposed by Mr. Buchanan, Ambassador of the Lord Nabob, and transferred into a treaty subject to the approval of Their High Nobles, I have, since matters must provisionally be arranged accordingly, made the necessary arrangements with Mr. Buchanan, who departs from here for Madras tomorrow, regarding the lease of the chank fishery, and at His Honor's request fixed it for the 1st of September; of which I have the honour to respectfully give notice hereby to Your Right Honorable, Highly Esteemed Lord. In the first letter that Mr. Buchanan wrote to me from Tirnevelli, he reported to me that he had not forgotten the arrested Company merchant and that he hoped I would see him soon, but His Honor upon arriving here told me that the Land Regent had indeed initially promised the release of the merchant, but had later added that he first had to provide sureties for what he would have to pay to the Nabob; Mr. Buchanan further added that nothing could be accomplished with this Land Regent, as he refused on one day what he had promised on another. I have the honour to be with all high esteem, Right Honorable, Highly Esteemed, High Commanding Lord! Your Right Honorable, Highly Esteemed Lord's humble and faithful Servant, M: Meken Tutukorijn the 3rd of August 1788 3405 Kolombo To the Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed Lord, Willem Jacob van de Graaff, Extraordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, together with the Council. Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed, High Commanding Lord, Our remainders of gunpowder as of the ultimate of July last amount to 106,281 1/4 lb at Gale and only 2,381 lb at Mature, of which we hereby most respectfully give notice to Your Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed Lord, and have the honour to be with all sentiments of high esteem, below stood, Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed, High Commanding Lord, Your Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed Lord's humble servants, was signed, C: D: Kraijenhoff and A: C: Lever, in the margin, Gale the 12th of August 1788. Agrees. Chief Clerk Sijbrands 3606 Kolombo To the Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed Lord Willem Jacob van de Graaff, Extraordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, together with the Secret Council. Most humbly we give notice to Your Right Honorable, Highly Esteemed Lord that our remainder of gunpowder as of the ultimate of July consisted of 18,495 5/8 lb, and we further profess to be with all sentiments of high esteem, below stood, Right Honorable, Highly Esteemed, High Commanding Lord, Your Right Honorable, Highly Esteemed Lord's humble and obedient Servants, was signed, B: P: Raket, D: D: Bok, H: D: Bodenschats, in the margin, Jaffanapatnam the 11th of August 1788. Chief Clerk Sijbrands Agrees.
Dutch transcription
dus besten zijn, waar in ik dan ook beruste, en de eere hebbe met alle hoog agting te zijn /:onderstond:/ Wel Edele, Gestrenge, Groot Achtbaare Hoog Gebiedende Heer uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: onderdaniger Dienaar /:was geteekend:/ C: D: kraijen„ „hoff /:in margine:/ Gale den 30. Julij 1788. /:Laager:/ P: S: Bij mijne voorige aparte brieven van den 6. en laaste Junij Jol: over de aangeleegendheeden van het Landschapje Diwitoere, heb ik overgeslaagen uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: te bedeelen, dat het door mij bij gem: brieven genoemd getal. van Circum Circa veertig zielen, de klijnste kinderen daar bij gereekend, die zig thans als Bewoonders in dat Landschapje bevinden, be¬ „rust, op de daar van aan mij bij herhaaling gedaane op„ „gaave en verzeekering door den Porta Moddeljaar en Jnland„ sabandaar alhier, Balthazar Dias, die deeze op neer „ming met alle naauwkeurigheid; zoo hij verzeekende, gedaan en mij vervolgens daar van berigt gegeeven heeft. HlClerk Accordeert. Sybrands § 403 Kolombo. Aan den wel Edelen Groot agtbaaren Heer Willem Jacob vande Graaff Raad Extra ordiniair van nederlands india gouverneur en directeure des eilands Cuilon en dies onderhoorigheeden Neevens den raad. Wel Ed: groot agtb: Hoog ged: Heer. Ik heb mij ten hoogsten vereerd gevonden med den ontfangst uwer wel Ed: groot agtb: hoogst gerespecteerde missive van den 24. ' Julij P: L:, en diene op dezelve nedrigst tot andw:, dat ik niet in gebreeke zal blijven, al 't geen uwelEd: groot agtb: mij daar bij tot op zervantie hebben gelieven aantebeveelen stiptelijk naatekoomen Waarmeede ik de hooge eere aanmaatige van med verschuldigd respekt en alle hoog agting te verblijven /:onderstond:/ wel Ed: groot agtb: hoog geb: Heer uwe wel Ed: groot agtb: zeer onderdaanigen en gehoorzaamen Dienaar /:was geteekkend:/ D: D: van Ranzouw /:inmargiene:/ Mannaar den 1. Aug:s 1788. Accordeert. Eijbrands W EgClerk den lage Met het schip De Hoop over Gale Kolombo Aan den welEdelen Groot Achtbaaren Hoog Gebiedenden Heer Willem Jacob van de Graaff, Raad Extra ordinair van Nederlandsch Indien, Goeverneur en Direkteur van het Eijland Ceijlon en de kuste Madure &=a N=o v=o= Nevens den Raad. Wel Edele Groot Achtbaare Hoog Gebiedende Heer. vereerd met uwelEdele Groot Achtb: sekreete missive van den 23:' Julij ten geleijde van de artikelen door den heer Buchanan Am- bassadeur van den heer Nabab voorgesteld, en op de goedkeuring van Húnne Hoog Edel- heden in een verdrag overgebragt, heb ik, wijl de dingen bij voorraad daarna moe- ten worden gerigt, met den heer Bucha- nan, die morgen van hier na Madras vertrekt, de nodige schikking gemaakt omtrent Duplistaat shr d : Tutukorijn den 3e: Augustus omtrent de verpachting van de sjankoos duijkerij en dezelve op verzoek van zijn Ed: bepaald op den 1: september; waar van ik de een heb uwelEdele Groot Achtb: bij deezen eerbiedig kennis te geeven. In den eersten brief, die de hier Bu- chanan mij van Tirnevelli schreef, mel de hij mij, dat hij den gearresteerden kompenies koopman niet had vergee- ten en dat hij hoopte, dat ik hem haast zoude zien, maar zijn Ed: hier koomende zeijde mij, dat de Landregent 't ontslag. van den koopman ook werkelijk eerst be¬ loofd, maar er naderhand bij ge- voegd had, dat hij eerst moest bor gen stellen voor 't geen hij aan den Nabab zoude moeten betaalen; de heer Buchanan voegde is verder bij, dat met deezen Landregent niets uijttevoe¬ ven was, alzo hij den eenen dag weijger= de, 't geen hij op een anderen dag beloofd had. Ik heb de eer met alle hoog achting te zijn Wel Edele Groot Achtbaare Hoog Gebiedende Heer! uwelEdele Groot Achtb: onderdanige en getrouwe Dienaar. M: Meken 1788 koos zijn waar ƒ te - 3405 kolombo Aan den wel Edelen Gestrengen Groot achtb: Heer. Willem Iacob van de Graaff„ Raad Extra ordinair van Nederlands india, gouverneur en Directeur van 't Eijlan Ceijlon met dies onder„ hoorigheeden, Neevens den Raad. WelEdele Gestr: Groot agtb: Hoog Gebiedende Heer Onze restanten van buskruijt onder ult:o Julij J:o L: kel bedraagen te Tale 106. 281. ¼ lb: en te Mature e„ 2381. lb: waar van we uwel Ed: Gestr. Groot Achtb: bij deezen eerbiedigst kennis geeven, en de eere „hebben met alle gevoelens van hoog agting te zijn (:onderstond:/ wel Ed: gestr: Groot agtb: hoog gebiedende geb: heer uwel Ed: gestr: groot agtb: onderdae„ nige dienaaren /:was geteekend:/ C: D: Kraijen„ hoff en A: C: Lever /:inmargiene:/ Sale den 12. aug:s 1788 Accordeert. Wegklert Sijbrands derdae„ i den 3606 kolombo Aan den wel edelen gestrenge groot agtbaare Heer Willem Iacob van de Traaff„ Raad extra ordinair van neederlandsch, in die gouverneur en direc„ „ter van het eijland Ceijlon met dies onderhoorigheeden, nevens den secreeten raad Onderdaanigst geeven wij uw weledele Groot agtb: kennisse, dat onsrestant buskruit onder ultimo Iulij bestond in. 18495 5/8. lb: en betuijgen overigens te zijn met alle gevoelens van hoog agting /:onderstond:/ weledele grootagtb: hoog gebie„ dende heer uwel edele groot agtb: onderdaenige en gehoorzaame Dienaaren /:was geteekend:/ B: P: Rakel D: D: Bok, H: D: Bodenschads. /: inmargie„ re:/ Iaffanap: den 11. ' aug:s 1788. Hegklerk Weledele groot agtb: Hoog geb: Heer. Sijbrands Accordeert - de
English
3467 Colombo: To the Right Honorable, Highly Venerable Willem Jacob van de Graaff, Extraordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, together with the Council. Right Honorable, Highly Venerable Sir and Gentlemen. We take the liberty most respectfully to inform Your Right Honorable that our remaining stock of gunpowder in the vaults here, as of the ultimate day of July last, consisted of a quantity of 68982¼. lb: while otherwise we have the honor to be, with deep respect, below stood: Right Honorable, Highly Venerable Sir and Gentlemen, Your Right Honorable's humble and obedient servants, was signed: I: F: v: Senden, D: C: v: Duijberg, A: P: Lever, P: F: Stubbe, and P: Pieterz: in margin: Trincomalee, the 13. ' aug:s 1788. Agrees. V: Clerk Sijbrands 3408 Colombo: To the Right Honorable, Highly Venerable Willem Jacob van de Graaff, Extraordinary Councillor of Dutch India, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, &c. Right Honorable, Highly Venerable Sir. By my private letter of the 17. ' June I had the honor humbly to report to Your Right Honorable that I had answered Monsieur de S:t Riveul that I would be glad to consider the matter of the cannon firing settled, but that I wished that the Government of Pondicherry would do us the honor of acknowledging the receipt of our letter, in order to be able to convince Your Right Honorable that it was a settled matter. This morning I received the enclosed reply, and I shall inquire how it is possible that the same could have been in transit from the 30. ' June until today; under dutiful report that I found the letter in the Jaffna mailbag. The private letter which I received at the same time from Monsieur de S:t Riveul convinces me almost completely of what I had long thought to observe, namely that firmness is the best means to make a Frenchman reasonable, whereas too much indulgence makes him troublesome and sometimes more than troublesome. I hope that Your Right Honorable will be satisfied with me in the exercise of indulgence, and I have the honor to be, with deep respect, below stood: Right Honorable, Highly Venerable Sir, Your Right Honorable's humble and obedient servant, was signed: I: F: van Senden, in margin: Trincomalee, the 19. ' aug:s 1788. Agrees. Sijbrands Clerk 3409 By the Bark De Hervatting Colombo To the Right Honorable, Highly Venerable, High-Commanding Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon and the Coast of Madura &c. &c. Together with the Council. Right Honorable, Highly Venerable, High-Commanding Sir. By my respectful letter of the 3: August, I had the honor to inform Your Right Honorable that I had conferred with the Nawab's agent, Mr. Buchanan, to lease out the Chank diving on the 1:st of this month. Pursuant to this agreement, the notice of the lease was published by a placard, a copy of which is annexed hereto, and Mr. Buchanan, prior to his departure for Madras, requested the Land Regent to send someone here on the 1:st of September in order to attend the lease on behalf of the Nawab; but since I had understood clearly enough from Mr. Buchanan himself that the Land Regent would not recognize any qualification or authority in him, I deemed it necessary, to prevent difficulties, to write to the Land Regent himself, and to ask him for a servant to attend the lease of the Chank diving on behalf of the Nawab. This was done on the 25:th of August, and on the 28:th I received as an answer to this that the Regent had sent my letter, as well as that of Mr. Buchanan, to the Nawab, and would await the answer thereto, the Regent asking whether the lease could brook postponement, whereupon I wrote that it could not very conveniently be done, but that I would nonetheless do so if he insisted upon it. The Regent seems to have taken this for a postponement of the lease until further notice, for he sent no one, and I therefore did not allow the lease to proceed; since the same can remain postponed without any inconvenience, and since showing indulgence in so indifferent a matter cannot but be advantageous to our interests on this coast; while in the meantime Mr. Buchanan will presumably return, with whom we shall probably be able to set the lease in motion with less trouble than with the Land Regent, who in such matters believes he cannot overstep a hair's breadth without the consent of the Nawab. The old lease conditions for the Chank diving, in which several not very necessary articles are found, must necessarily be adjusted to the present circumstances. According to art: 4, the lessee may use as many tonies as he can gather without prejudice to the Company's daily service, but this restriction is completely unnecessary, since only manchuas can serve for the Chank diving, of which the Company makes no use. According to art: 5, 10, 14, and 17, the Chank fleet shall be escorted to sea and watched over by a cruising tony, which shall see to it that the Chanks are not embezzled, and that no foreign tonies mingle among the fleet.
Dutch transcription
3467 Kolombo: Aan den wel Edelen gestrengen Groot Achtb: heer Willem Jacob van de Graaff Raad extra ordinair van Nederlandsch indien Gouverneur en direk„ „teur van het Eijland Ceijlon met dies onderhoorigheeden, beenevens den raad Wel Ed: gestr: groot agtb: heer en heerin. Wij gebruiken de vrijheid uwel Ed groot agtb: eerbiedigst bekend temaaken, dat onzen restant aen buskruit in de kelders alhier, onder ult:o Iulij laastleeden breeft bestaan in een kwantiteijd van 68982¼. lb: terwijl overigens de eere hebben, met diep ontzag te zijn /:onderstond:/ wel Ed: Gestr: Gr: agtb: Heer en Heeren, uwel Edele gestr: groot agtb: onderdaanige en gehoorzaame dienaaren /:was getee„ kend:/ I: F: v: Senden, D: C: v: Duiberg, A: P: Lever P: F: Stubbe en P: Pieterz: /:in margiene:/ Tainkous, „male den 13. ' aug:s 1788. Accordeert V lijklerk Sijbrands 3408 Kolombo: Aan den wel Edelen gestrengen groot agtbaaren heer Willem Jacob van de Graaff„ Raad extra ordinaijr van Nederlandsch jndia Gouverneur en directeur van het Eijland Ceijlon met dies onderhoorig heeden. &o Gera Wel Edele gestrenge Groot. Achtbaare Heer. Bij mijnen bijzonderen brief van den 17. ' Iunij had ik de eere, uwelEd: gestr: groot agtb:, needrig temelden, dat ik aan den heer de S:t Riveul geandw: had: hoe het mij lief de zaak van 't kogjsl schieten afgedaan te zijn doch dat ik gaarne wenschte, dat 't gouvernement van pondicherij ons de eere aanderd, den ontfangst. onzer. onzer brief temelden om uwelEd: gestr: groot achtb pligt te kunnen overtuijgen dat het een afgedaane zaak was — Heeden morgen ontfing ik het inleggend and woord, en zal mij onderrichten hoet moogelijk is, dat Wet„ „zelve van den 30. ' Iunij tot heeden onderweg heeft kun„ „nen weezen; onder schuldige melding, dat ik de brief in de Jaffanasche brieve Tas gevonden heb-De bijzondere brief, die ik van den heer de S:t Riveul tevens gekree„ „gen heb, overtuigd mij bij waat na, van 't geen ik lang had meenen te bespeuren, naamentlijk dat vastheid 't beste middel is een fransman billeijk temaaken, ter„ „wijl teveel toegeevendheid hem lastig en som tijds meerd dan lastig doet zijn„ Ik hoop, dat uwel Ed: gestr: groot agtb: over mij, onder 't gebru„ „ken van toegevendheijd, te vrerden zal weezen, en hebde eer„ met diep ontzach te zijn /:onderstond:/ wel ed: gestr: Groot agtb: Heer uwel Ed: gestr: Gr: agtb: onderdaenig in gehoorzaame Dienaer /:was geteekend:) I: F: van Senden /:in margiene/ Trinkonomale den 19. ' aug:s 1788. Accordeert. Sijbrands Lefklerk b kree„ lang „ d ' gebru„ hebde eer„ aenig van dn 3409 Met de Bark De Hervatting Kolombo Aan den wel Edelen Groot Achtbaaren Hoog Gebiedenden Heer Willem Jacob van de Graaff Raad ordinair van Nederlandsch Indien, Gouverneur en Direkteur van het Eijland Ceijlon en de kuste Madure &=a N: &=a Nevens den Raad. Wel Edele Groot Achtbaare Hoog Gebiedende Heer. Bij mijnen eerbiedigen van den 3: Augus tus, heb ik de eer gehad uwelEdele groot Achtb: kennis te geeven, dat ik met 's Nababs agent den heer Buchanan had overlegt om de Tjankosduijkerij te verpachten op den 1:e deezer. Vol- gens deeze overeenkomst is de uijt¬ sekreet. Dupl: schrijving. geschied „schrijving van de verpachting bij een biljet; waarvan kopij hier bij is gevoegd, en de heer Buchanan heeft voor zijn vertrek na Madras aan den Landregent verzogt, om op den 1:e september iemand hier te zenden, ten eijnde de verpachting van wege den Nabab bij tewoonen, maar daar ik van den heer Bu chanan zelve duijdelijk genoeg ver- staan had, dat de landregent geen qualiteit of vermogen in hem wil= „de erkennen, heb ik het ter voor- kooming van moeijelijkheijd nodig geoordeeld, om aan den Landregent zilve te schrijven, en van hem een bediende te vraagen, om de ver- „pachting van de Tjankoosduijke- rij van wege den Nabab bijtewoo¬ e „nen. Dit is geschied op den 25:e Augustus en den 28:e heb ik hier op tot andwoord bekomen, dat de Regent mijn brief zowel als die van den heer Buchanan aan den Nabab had gezonden, en daarop het andwoord zoude 3430 zoude afwagten, vraagende de Re- gent of de verpachting uijtstel kon- „de lijden, waarop ik geschreeven heb, dat het niet heel voegelijk kon- de geschieden, maar dat ik 't echter doen zoude indien hij er op gesteld was. Dit schijnt de Regent voor een verschuijving van de verpachting tot nader te hebben gehouden, want hij heeft niemand gezonden, en ik heb daarom de verpachting niet laaten geschieden; wijl dezelve zonder eenige ongeligenheijd kan uijtgesteld blijven, en wijl 't bewijzen van toe „gevendheijd in een zo onverschillige zaak onze belangen op deeze kust niet dan vorderlijk weezen kan; terwijl intusschen vermoedelijk de heer Buchanan zal te rugge koomen, waarmede wij de verpach- „ting waarschijnlijk met minder moeite zullen kunnen in train bren„ gen, dan met den Landregent, die in zulke an g u geen wil ig ver ke- te woo¬ 25 25 hier van bab Na woord zulke zaaken meent geen hair breed te mogen overstappen zonder bewil- liging van den Nabab. De oude pachtkondietsien van de sjan„ koosduijkerij, waarbij verscheidene niet zeer nodige artikelen gevonden worden, moeten noodzaakelijk na de tegenwoordige omstandigheijd verschikt worden. volgens art: 4. mag de pachter zo veel tonies gebruijken, als hij zon¬ der prejudicie van kompenier da gelijkschen dienst kan bij een bren„ „gen, maar deeze bestriksie is geheel onnodig, wijl tot de sjan- koos duijkerij alleen dienen kunnen mansjoúws, waarvan de kompenie geen gebruijk maakt. volgens art: 5. , 10. , 14. en 17. zal de sjan- koosvloot na zee begeleijd en gade geslagen worden door een kruijsto- „nie, die litten zal; dat de Tjankoos niet worden verduijsterd, dat 'er geen vreemde tonies zich onder de vloot mengen
English
determinations, and that the chank dhonies, under the pretext of diving for chanks, do not visit the pearl banks. This seems to have had its origin in the times when the Company conducted the diving for its own account. Since the leases have been introduced, a cruising dhoney has remained with the chank fleet whenever it was not needed elsewhere. This cruising dhoney was then charged with escorting the chank dhonies out to sea and at the same time watching the passing vessels, but because the Nabob could very easily demand to also add his armed dhoney to the chank fleet, I should think that one could leave it to the lessee to look after his own dhonies himself. It is difficult to think that so many dhonies would rob the pearl banks at once, because this would easily be discovered, but one could additionally use the arrived dhonies that we have in the fairway to inspect passing vessels, in order to watch the banks that are occupied. According to Article 13, a dhoney that is not provided with a certificate shall be confiscated for the benefit of the Company. According to Article 15, the smuggling dhonies that might be found among the crowd shall be confiscated for the benefit of the Company. This case might occur in a pearl fishery, where the dhonies go out to sea in the night; but it could hardly take place in a chank fishery, where the dhonies only go out to sea at sunrise. This article therefore seems very useless, and moreover gives an opportunity for the Nabob to also ask for half of such seizures, and to add his armed dhoney to it, in order to be more assured that he is not shortchanged in his share. I have therefore altered and rearranged the conditions according to the present circumstances. I respectfully present the conditions altered by me to Your Right Honourable, along with this, with the request to obtain your highest disposition thereon. I have the honour to be with all respect and fidelity, Right Honourable, High-Commanding Lord, Your Right Honourable's humble and faithful Servant, M: Meker Tutukorijn, the 3rd of September 1788. To the Right Honourable, Highly Esteemed, High-Commanding Lord Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director of the island Ceilon and the Coast of Madure, etc., etc., etc., etc., etc., together with the Council. Right Honourable, Highly Esteemed, High-Commanding Lord, On the occasion of the introduction of the new currency calculation in Dutch money, Their High Honours, by circular missive of the 8th of January 1768, prescribed that gold should be entered in the books and traded at ƒ375 the mark fine, and that the higher or lower amount charged should be carried to the account of the General. At that time the gold was charged below ƒ375 the mark fine, and the account of the General thus always received advantageous entries; but since then the price of gold has risen from time to time, and has now climbed to such a height that the Company, in the mintings, both of pagodas and of fanams, instead of gaining a profit, will suffer a loss. I will briefly demonstrate this here. In the month of January 1787, 20 bars of gold of 400 marks troy were minted at Tutukorijn. This gold from Zeeland, charged, the agio up to 4¾ percent included therein, at ƒ119854. 19. —. Upon minting, there came from it pagodas 28720 1/1200, which at ƒ4. 5. Dutch amount to ƒ119188. 14. —, to which must be added 20 assays that were taken from it and remained here, at ƒ45. 2. 1, making ƒ119233. 16. 1. Thus there is lost on it ƒ626. 5. 5, making fully ½ percent. It is true, in the yield of the minting of this gold a profit of 3 19/16 percent is shown, but this profit originates here from the fact that in the yield the gold was calculated at ƒ375 the mark fine, which only amounts to ƒ115514. 9. 3, and that the higher amount charged was transferred to Ceilon, to be written off on the General. This higher amount charged amounts to ƒ4445. 7. 6. Adding to this again the amount of the 20 assays, ƒ45. 2. 1, the charged sum thus comes to ƒ119959. 19. —. When one now deducts from the aforementioned sum of ƒ4475. 7. written off on the General the sum that is shown in the yield as a profit, amounting to ƒ3869. 1. 8½, it will again appear that the true loss on the said minting was ƒ626. 5. 5, or fully ½ percent. If now this gold had been used for the minting of fanams, which are struck a quarter percent more advantageously than
Dutch transcription
3611 mingen, en dat de Tjankoostonies on- der voorwendzel van Tjankoos te duijken, de paarlbanken niet bezoeken. Dit schijnt zijn begin te hebben genomen van de tijden toen de kompenie de duijkerij voor eijge reekening hield. sederd de verpachtingen zijn ingevoerd, is een kruijstonie bij de Tjankoos- vloot gebleeven, wanneer dezel¬ ve niet elders anders nodig waa„ ve. Deeze kruijstonie was dan belast, om de sjankoostonies na zee te begeleij„ den, en te gelijk op de passeerende vaar¬ tuijgen te letten, maar wijl de Nabab heel ligt zoude kunnen vorderen, om ook zijne gearmeerde tonie bij de Tjankoosvloot te voegen, zoude ik denken, dat men aan den pachter konde overlaaten om voor zijne to= niet zelve te waaken Het is kwa- lijk te denken, dat zo veel tonies te gelijk de paaalbanken zullen berooven, door eed wil- jan den heijd 20 e door dien dit ligtelijk zoude ontdekt worden, maar men zoude ten over„ vloede de gearriveerde sonix die wij in 't vaarwater hebben, om de passeerende vaartuijgen te visiteeren kunnen gebruijken, om de banken die bezit zijn, gade te slaan. volgens aat: 13. zal een tonie die van geen certifikaat voorzien is, gekon fiskeerd worden ten behoeven van de kompenie. volgens dat: 15. zullen de sluijktonies die onder den hoop mogten bevon- den worden, gekonfiskeerd worden ten behoeven van de kompenie Dit geval zoude kunnen ersteeren in een paaalvisscherij, daar de to- nies in den nacht na zee gaan; maar bezwaarlijk zoude het kun= nen plaats hebben bij een sjamkoos- duijkerij, daar de tonies eerst met het opgaan der zonne na zee gaan. Dit artikel schijnt derhalven zeer niet- „teloos, en daarbij nog gelegenheijd aan de 3412 tdekt Jutukorijn den 3:e September de hand te geeven dat de Nabab ook de helft vraagd van zulke aanhaa¬ lingen, en om zijne gearmeerde to= nu er bij te voegen, ten eijnde te meer verzekerd te weezen, dat hij in zijn aandeel niet verkort word. Ik heb derhalven de kondietsien na de tegenwoordige omstandigheijd ver¬ anderd en verschikt. Ik biede de door mij veranderde kondief- sien uwelEdele groot Achtb: ne- vens deeze eerbiedig aan met verzoek om hoogst desselfs dis- posiessie daarop te erlangen. Ik heb de eer met alle eerbied in trouwe te zijn Wel Edele Groot Achtbaare Hoog Gebiedende Heer. uwelEdele Groot Achtb: onderdanige en getrouwe Dienaar M: Meker n 1788 en die de r n it over die van de . - aan 3413 Aan den Wel Edelen Groot agtbaaren Hoog gebiedende Heer: Willem Jacob van de Traaff Raad ordinair van nederlands Indien gouverneur en direk„ teur van 't eyland Ceilon en de kuste Madure EfCra. Expra EtC=ra EtC= EtC=t: Nevens den Raad Wel Ed: Groot agtb: Hoog gebiedende Heer. Bij gelegenheid van de introduksie van de nieuwe geldsberee¬ kening in nedelandsch geld, hebben hunne hoogedelheden, bij curculaire missive van den 8, Jann: 1768. voorgeschree„ ven, dat 't goud bij de boeken zoude moeten worden ingenoo„ men en verhandeld met ƒ375: 't mark fijn, en dat 't meerder of minder aangereekende zoude moeten worden gebragt of de reekening van 't generaal ter dier tijd wierd 't geoud be„ neden ƒ375: 't mark fijn aangereekent, ende reekening van 't generaal bekwaam dus altijd voordeelige aanree„ keningen, maar sederd is de prijs van 't Goud van tijd tot tijd gerezen, en tans tot zulk een hoogte geklommen, dat de komp:s bij de vermuntingen, zoo wel van pagooden als van faanums, insteede van winst te behaalen, schaade lijden zal, Ik zal dit hier bij kortelijk aanwijzen= In de maand Jann: 1787: zijn te Tutukorijn vermunt 20. staaven goud van 400. markentrois, Dit goud van Zee„ land land aangeekend, de agia tot 4¾. percent daar onder begreepen met - - - - - - - - - - - - - ƒ119854. 19 — Bij vermuntung zijn daarvan ge„ koomen pag: 28720:1/1200 die tee„ gen ƒ 4. 5. Nederlandsche uit„ maaken - - - - - - - ƒ 119188: 1/14: waar bij gereekent moeten worden 20. Sworven die daar van genoomen en alhier verbleeven zijn met - - - - - - 45 2: / „ 1923:— 13:: 1: 5. 5. dus zijn daar op verlooren - - - - - - - - - ƒ 626. uit maakende ½ percent ruijm Het is waar, bij 't rendement van de vermunting van dit goud word vertoont een winst van 3 19/16 perC:, maar deeze winst hier oorspronkelijk, dat men 't goud bij 't rendement, heeft bereekent met ƒ 375: 't mark fijn 't welk maar uit maakt - - - - - - - - - - - - - - - - - ƒ 115514 9. -. 3. en dat men 't meerder aengereekende na cei„ lon heeft overgeweezen, om op 't generaal vervind veraffenden afgeschreeven te worden, dit meerder aangereekend bedraagd„ 4445. hier bij weeder gereekent 't bedraagen van 20. 2 - 45: 2: 1: proeven. zoo komt de aangereekende som van . . „ 198:9: : 4:— wanneer men nu van de voorm: op 't generael 7. afgeschreevene som van. . . . . . . . . ƒ 4475 aftrekt de som die bij 't rendement als een winst vertoont word, groot - - - - - - - - - „ 3869:—½ zoo zal weder blijken, dat 't waare verlies bij gem: vermunting, is groot geweest - - - - - ƒ 626. 5. of ½. per Cent ruijm Indien nu dit goud gebruikt was, tot 't munten van fanums die een quart percent voordeeliger geslaegen worden 7. 6. dan ƒ
English
363¼ pagodas, there would have been lost in the minting 1¼ perC: amply, but accidentally gold of a lesser calculation was used for that purpose, whereby a small profit was still steadily obtained in the minting of fanums, though not so large as is shown in the yields. The gold of 18 karats 5½ grains brought out with the ship den gouverneur floek has been calculated with an agio of 10 perC:, and thus in the minting of this gold into pagodas in accordance with the aforementioned indication, 5 quarters perC: amply will be lost. A second gold dust of 15 karats brought by the said ship has been calculated with an agio of 10¼ perC:, and since this gold will have to serve for the minting of fanums, there will also be lost thereon ¾ perC:t amply, and if the expected ship from Zeeland also brings gold, which according to custom is always more expensive than that from amsterdam, the loss on the minting of pagodas and fanums will become even greater. I have found myself obliged to respectfully give notice of this to your Right Honourable, and accordingly to request your orders thereon. If I were permitted to express my opinion, I would therefore make no change in the coin or the fineness of the pagodas; presumably the gold will after some time fall so far again that we can mint pagodas without loss, and in the meantime one could put the loss occurring in the minting on a separate account, and charge the shipped linens therewith; debasing a coin is always detrimental to the credit of a nation, but it would especially have a detrimental influence on this coast, where the goodness of our money has contributed much to the preservation of our good name and credit. Experience has also taught that the debasement of the pagoda by 3 7/8 perC: which took place in the year 1769 was not advantageous for the company; our pagodas circulated, it is true, thereafter as before, but their credit among the natives was so reduced after this debasement that they were esteemed little above the portonovosche pagodas, and we were brought both on this coast and on the kormandel under the necessity of giving the merchants a price increase on the linens that exceeded the reduction in the fineness of the pagodas. Now our pagodas are beginning to raise their heads again and gain a credit in the country corresponding to their value, which would be entirely taken away by another debasement, however small it might be made. The loss on the gold in minting into pagodas is compensated by the profit on the linens, but the loss on the gold in minting into fanums is an absolute loss. Since the fanums are merely small change and mostly serve for our own household, not being current outside the territory of Tutukorijn, and since therefore the reduction of their value cannot be placed on an equal footing with the pagodas, which are current throughout the entire country, I take the liberty respectfully to propose to your Right Honourable to reduce the fanums by 2 to 3 perC: in alloy, whereby the company will not only remain indemnified but also retain a small balance. To this reduction I find no other difficulty except that the parruas of Tutukorijn pay their tributes in Tutukorijn fanums, and that perhaps the servants of the Nabab will not want to accept payment in Tutukorijn fanums when they notice that the fineness has been reduced; but even if we could not clear this difficulty out of the way, it would be no reason to refrain from reducing the fanums on that account. The company ought not to lose in minting them; however, I would think that our fanums should not at first be reduced by more than two to three or four perC:t, as they would otherwise fall too much into discredit. I request to receive your Right Honourable's decision hereon soon, as we are in great need of fanums, and therefore the minting of them will have to be started as soon as the minting of pagodas, with which we are presently engaged, is completed. I also request to be provided with your Right Honourable's orders whether in the future the actual calculated price of the gold should not be included in the yields, so that one can clearly see if and how much is gained or lost in the mintings. I have the honour to be with all respect and fidelity, was signed, Right Honourable, your Right Honourable's humble and faithful servant, was signed M: Mekern, in the margin Tutukorijn the 5th of September 1788. Agrees Sijbrands Clerk kolombo. To the Right Honourable Sir Willem Jacob van De Graaff, Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director of the Island of Ceijlond with its dependencies, together with the Council. Right Honourable Sir and Sirs, We have the honour to report to your Right Honourable that our balance of gunpowder under the ultimo of the last passed month of August in the cellars here consisted of 78,822½ lb, and we remain further with the greatest respect and esteem, was signed, Right Honourable Sirs, your Right Honourable's humble obedient servants, was signed T: P: v Senden, D: C: v Driberg, I: G: Tornbaur, A: P: Lever, I: G: Stubbe and P: Pietersz, in the margin Trinkonomale the 3rd of August 1788. Clerk Agrees Sijbrands
Dutch transcription
363¼ darpagooden, zo zoude bij de vermunting verlooren zijn - /¼. perc: ruim, maar toevallig is daar toe verbruijkt goud van min„ der aanreek: waar door dan bij 't vermunten van fanums nog bestendig een klein winsje behaald is, doch niet zo groot als bij de rendementen vertoond word. 'T goud van 18. kar: felijk 5½ grijn met 't schip den gouverneur floek uitgebragt; is aangereekent met een agio van 10. perC:, en dus zal bij 't ver„ munten van dit goud tot pagoden overeenkomstig de hier vooren gemelde aanwijzing verlooren worden 5: quart perC: Goudkiff ruijm. Een tweede goudust van 15 karaat met gem: schip aan„ gebragt, is aangereekent met een agiet van 10¼ perC:, en ver„ midts dit goud zal moeten dienen tot 't vermunten van fanums, zal daar op meede verlooren worden ¾ perC:t ruim„ en wanneer 't verwagte schip van Zeeland ook goud meede brengt, 't welk na gewoonte altoos duurder is dan van amsterdam, zoo zal 't verlies aan 't munten van pagooden en fanums nog grooter worden. Ik heb mij verpligt gevonden hier van aan uwel Ed: groot agtb: eerbiedig kennis te geeven en hooft der zelver ordre diendweegen te verzoeken Indien 't mij geoorloofd waare mijn gevoelen te zeggen, zoude ik daar om in de munt of't gehalte der pagooden geen veran„ dering maaken, vermoedelijk zal 't goud na eenigen tijd weeder zoo verdaalen, dat wij zonder schaade pagooden kunnen munten, en intusschen zoude men 't verlies bij de ver„ munting vallende, op een apparte reekening kunnen brengen, en daar meede de verzonden wordende lijnwaaten belasten, het verlaagen van een munt is altoos naadelig voor het krediet van een natitie, maar inzonderheid zoude 't van een nadeeligen invloed weezen, op deeze kust, daer de deugdzaamheijd van ons geld veel tot bewaering van on„ zen goeden naam en kredikt heeft toegebragt De on„ dervindering Te onder 19 — 3— 12: 1½ 6. 5. 5. t goud Ze winst heeft uit 9. . 3. 7. 6. 2: 4: 9 45: 69 fanums den Dervinding heeft ook geleerd, dat de verlaeging van de pagood met 3. 7/8. perC: die in 't jaar 1769. geschied is, niet voordeelig voor de komp: is geweest; onze pagooden hebben, 't is waard daar na geroulleerd als te vooren, maar der zelven krediet is na deze verlaeging bij den inlander zoodaanig verminderd dat ze wijnig boven de portonovosche pagooden geagt wierden, en wij zijn zoo wel of deeze kust als op kormandel in de noodzaake, lijkheijd gebragt om aen de kooplieden eene prijs verhooging op de lijnwaaten te geeven, die de vermindering van 't gehalte van de pagooden te boven ging Tans beginnen onze pagooden 't hoofd weeder op te steeken, en een krediet in 't land te krijgen overeenkomstig met hunne waarde, 't welk bij eene andern „maaliege verlaaging, hoe kleijn die ook genoomen wierd, ge„ heel zoude worden weggenoomen. Iverlies op 't goud bij vermunting tot pagooden word vergoed door de winst op de lijnwaaten, maar 't verlies op 't goud bij ver„ mintig tot fanums, is volstrekt verlooren Vermits nu de munting fanums slechts een paaijement zijn, en meerendeels dienen tot onze eigene huishouding, als zijnde niet Gangbaar buiten 't territoir van Tutukorijn, en vermits dus de vermindering van derzelver waarde, niet kan worden gelijk gesteld met de pagooden, die 't geheele land door hangbaar zijn, neeme ik de vrijheid uwel Ed: groot agtb: eerbiedig voortestellen, om 1 de fanums met 2. â. 5. perC: te verminderen, in alloij waar door de komp:s niet alleen zal schaadeloos blijven maar nog een kleijnigheid overhouden. Tot deeze verlaging vinde ik geen andere zwaarigheid, als dat de parruds van Tutukorijn hunne Tributen betaalen in tutu korijn„ sche fanums, en dat derhalven vergligt de bedien„ den van den Nabab de betaeling in Tutukorijnsche fanums 3435 Tanums niet zullen willen aenneemen, wanneer zij bemer„ ken, dat 't gehalte verlaagd is, maar zoo wij ook deeze zwaa„ righeid niet konden uit den weg ruijmen, zoude 't geen reede weezen om de verlaging van de fanums daar om natelaaten De komp:s behoord, bij 't munten van dezelve niet te verliesen, drie meer dan twee a: vier perC:t, zoude ik echter meenen, dat onze fanums voor eerst niet behoorden verlaagd te worden, wijl ze anders te veel in diskrediet zouden koomen: Ik verzoeken hier op spoedig uwel Ed: groot agtb: disposietsie te mogen erlanden, wijl wij om fanums zeer verleegen zijn, en dus met 't munten van dezelve zal moeten worden begonnen, zoo „draa de vermunting van pagooden, waermeede men tans zi bezig is, zal weezen afgeloopen. Ik verzoeke ook met uwel Ed: groot agtb: ordere te worden voor„ zien, of men voortaan bij de rendementen niet zal innemen dewerke„ lijke aangereek=de prijs van 't goud, wanneer men duidelijk zal kunnen zien, of en hoe veel, er bij de vermuntingen gewonnen of verlooren word. Ik hebde eer met alle eerbied en trouwe te zijn /:onderstond:/ wel Ed: gr: agtb: hoog: heb: heer uwel Ed: groot agtb: ondaani„ ge en getrouwen Dienaar /:was geteekend:/ M: Mekern /: inmargiene:/ Tutukorijn den 5 7ber 1788: Accordeert Sijbrands li Klerk 1 e om waar he 3416 kolombo. Aan den Wel Edelen gestrengen Groot agtb: Heer. Willem Jacob van De Graaff„ Raad ordinair van neederlands Indien gouverneuren Direkteur van het Eijland Ceijlond Met dies onderhoorigheeden, beneevens den Raad Wel Ed: Gestr En: agtb Heer en Heeren Wij hebben de eere uwel Ed: gestr: gr: agtb: temelden, dat onzen restant van 't buskuurd onder ult=o van de laast gepasseerde maand aug:s in de kelders alhier heeft bestaen in 78.' 822½ lb, en blijven voorts met den grootsten eerbeed en ontzach /onderstond/ wel Ed: Gestr: Groot agtb: Heeren Heeren, uwel Ed: gestr: gr: agtb: onderdaanigen gehoorzaame Dienaaren /was geteekend/ T: P: v senden D: C: v Driberg I: G: Tornbaur, A: P: Lever, I: G: Stubbe en P: Pietersz: /in margine/ Trinkonomale den 3 aug:s 1788. WEijklerk Accordeert Sijbrands
English
of the Company spent and worn out, both with regard to the artillery itself and to its attendants, and the regulations that are necessary to be established in order to prevent all arbitrary treatment thereof. According to the opinions submitted and agreed upon, the garrisons of Trinkonomale and Oostenburg have not yet been brought to that state of strength which we have thought necessary, and we have therefore taken the liberty, relying on the trust so favorably placed in us by leaving it to us until further orders to send or not to send the Orientals and Sepoys to the Wannie and Jaffanapatnam, to retain them. The second signatory has dutifully selected, from among the European, Oriental, and Sepoy garrisons, those men who, through old age, sickness, infirmities, or bad conduct, can be discharged from the service, and we have the honor to present two lists thereof; while we in the meantime dare to implore Your Right Honourable's compassion for those among them who, having spent their early youth and best strength in the service of the Company, would now, upon a complete discharge, be reduced to the begging staff in their old age, or rather will serve to assist and participate in deeds that can make them burdens to human society. With 3418 With the most dutiful submission, we shall await Your Right Honourable's further orders; in whatever measure the means granted to us for the improvement of this important place might be minimal, this shall not in the least alter anything in the zeal that inspires us to conduct ourselves as duty-loving servants. We have the honor to be with deep respect, beneath stood, Right Honourable Sir and Lord, Your Right Honourable's humble and obedient servants, was signed, J. J. v. Senden, D. C. v. Driebogen, J. P. Stornbaur. In the margin: Trinkonomale, the 3rd of December, Anno 1788. Agrees. E. Sijbrands, clerk. Column 3419 34 Colombo. To the Right Honourable Lord Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, etc., etc. Right Honourable, High and Mighty Lord. Today towards noon I had the honor to receive Your Right Honourable's separate government letter of the 12th of this month, from which, more out of consideration for the unpleasantness that it causes to Your Right Honourable as well as to myself, I see with much regret that Captain van Walm, upon his present arrival in Colombo, has seen fit to complain about my conduct, on the occasion when His Honour informed me that the sailor in the Company's service, Carel Franzes Nevel, formerly named Carel Verschoor, claimed by His Honour as a former deserter and detained by me in the Main Guard here until the receipt of Your Right Honourable's approval requested by me for that purpose, had complained to His Honour that he was not provided with proper provisions, and I see myself ordered and obliged to submit a written justification in this regard as soon as possible, which I, although never having thought of having to do this over a matter of so little significance, nevertheless have the high honor to accomplish hereby as briefly as possible; but in order to do this completely and properly, and to present to Your Right Honourable a more convincing proof both of the very difficult nature of Captain van Walm and of my uninterrupted attentiveness and all good and extensive friendly treatment toward His Honour, it will be necessary to trace this case somewhat further back to its actual occurrence and to point out everything that gave any occasion thereto, wherefore I also see myself obliged to declare to Your Right Honourable hereby in all respect everything noteworthy that has occurred since the moment of this second arrival of Captain van Walm here, in what a very distinguished manner His Honour was received here, and how little we nevertheless have been able to earn His Honour's pleasure with all these high marks of attention, holding myself assured that Your Right Honourable, after this brief account of matters, will not only fully justify my conduct in its entirety, but will also absolve me of all presumed indiscretion and ill-conceived treatment in the questionable case about which Captain van Walm now complains so very much and entirely unjustly, and will kindly understand that it is for a subordinate Company servant here extremely difficult and even almost impossible to give complete satisfaction to such difficult and highly punctilious commanders of the country's ships, in all particular occurrences, however attentive one is to avoid all difficulty. It was then the 20th of the past month that, unexpectedly, one of the country's naval frigates appeared before the bay here. I was at that time indisposed at my country residence, situated about two cannon shots from the city walls, where I have now for some months been keeping my residence, being no longer able to endure the heavy and vaporous air inside the city, and I immediately gave orders, upon the sailing in of the said naval frigate, to load the guns on the city walls in order to render properly the customary salute for the country's flag, and gave orders to the officer
Dutch transcription
der maatschap „pije doorgebragt en versleeten zoo met betrekking tot 't geschut zelve, als tot dies bediendens en de bepaling die noodig zijn vastgesteld teworden, ten eijnde alle willike rin behandelingen van 't zelve voorte koomen. volgens de opgegevene en ingestemde gevoelens, zijn de„ „bezittingen van Trinkonomale en oostenburg nog niet op dien voet, van sterkte gebragt, die wij gedagt hebben noodig te zijn, en wij hebben dierhalven de vrijheijd gebruijkt steu„ „nende op 't, in ons zoo gunstig gesteld vertrouw door 't aan ons tot naader bevel overtelaaten zenden 't al- of-niet, zonder der oosterlingen en sipag „ens naar de wannie en Iaffanapatnam dezelve aan te houden. Den tweeden teekenaar heeft pligtschuldig zoo wel onder de Europeezen, oostersche als sipaij„ sche bezottingen, die manschappen uijtgezoop welke door ouderdom ziektens, gebreeken of slegtgedrag, uit den dienst kunnen gesteld worden, en wij hebben de eere daar twee bijsten aantebieden; terwijl wij intuschen uwel Ed: gestr: groot Agtbaare meede doogen durven afsmeeken voor die Geene onder hen die hunne prelli der mantschappig jeugd en beste kragten in diensted hebbende tans bij eene geheele verlaating tot den bedel staf in hunne ouden dag geraa„ „ken, dan wel tot hulp en meede werkeren in schen daaden zullen dienen, die hen tot pasten der menschelijke zaamen leeving kunnen maaken Met 3418 Met de pliotschuldigste onderwerping, zullen wij uwel Ed gestr: groot agtb: nader beveelen afwachten, in hoe geving de middelen ook „ons ter opeg verdeering deeter gewigtige plaats toetestaan, minst mochten wezen „ zal zulks in 't minst niets veradderen, in den ijver die ons bezield, ons als plicht neerlievende dienaaren te gedraagen. wij hebben de er met diep ontzag te zijn /on„ derstond:/ wel Edele gestr: groot Agtb: heer en Heer uwel Edele gestr: groot Achtb: onderdaanige en gehoorzaame dienaaren /:was getekend:/ J: - J: v: Senden, D: C: V: drie bogen. J: P: Stornbaur /: in mar„ geene:/ Trinkonomale den 3. ' xber: A=o 1788 cordeert. 66 E Sijbrands W eiklerk 4 Kolom 3419 34 Kolombo. Aan den WelEdelen Groot Achtbaaren Heer Willem Jacob van de Graaff. Raad Ordinair van Neederlands Indien Gouverneur en Directeur van het Eijland Ceijlon met dies onderhoorigheadere atc: Ac=a Wel Edele Gestrenge Groot Achtbare Hoog Ggebiedende Waer. Heden teegen den middag had ik de eere te ontfangen UwelEdele t Gestr: Groot Achtb: aparte Regeerings brief van den 12: deezer, uijt de welke ik, meer uijt aanmerking der onaangenaamheijd, die het UedelEdele Groot Achtb: als aan mij zelve veroorzaakt, met veel boedweeten zie, dat de Heer Capitein van Walm, bij zijne tee„ „genwoordige aankomst, te kolombo zig wel heeft willen beklaa„ „gen over mijne handelwijze, bij geleegendheijd zijn WelEdele mij liet onderrigten, dat de door zijn Wel Edele, als een voormaalige Deserteur opgeeijschte en door mijn tot den ontfangst van Uwel Edele Gestrenge Groot Achtb:, door mij daartoe opgeroepen goedvinden, zoo lange in de Hoofdwagt alhier verzeekerde mattroos in 'sComp=s dienst Carel Franzes Nevel, voormaals genaamt Carel Verschoor, zich bij zijn Wel Edele liet beklaagen, dat hij met geen behoorlijke mondkoft voorzien wierd, en ik mij dies gelast een verplight zie desweegens zoo poedig. doenlijk eene schriftelijke verantwoording in te dienen, het geen ik, schoon nimmer kon„ „nende danken van dit over een geval van zoo wijnig betee„ „kanes te moeten doen, echter de hooge eere hebbe bij deeze, zoo kort doenlijk te volbrengen, dog om dit volkoomen en naa behooren te doen, en UwelEdele Gestr: Groot Achtbaare zoo wel van de zoo ongemakkelijke gaaardheijd van den Heer Ra„ O kapitein van Walm, als van mijne onafgebrooke oplettendheijd on alle goede en uijtgebreijde vriendelijke behandelingen teegen zijn WelEdele een meer overtuijgeend bewijs voorte stellen, zal het noodig zijn, dit geval wat hooger dare bij zijne daadelijke gebeurtenis op te haalen en aantewijken, al wat daartoe eenige opleijding gegeeven heeft, waarom ik mij dan ook verplicht zier UwelEd: Gestr: Groot Achtb: bij derte in alle eerbied te verklaaren, al het aanmerkelijke wat zeedert het oogeer „blik deezer tweede aankomst van den Waar kapiterie van Walm alhier is voorgevallen, op hoedaanig eene zeer gedistinqueerde wij te zijn WelEdele alhier ontfangene is, en hoe weijnig wij echter met alle deeze hooge opmerkinge van zijn Wel Edele welbehaagen hebben moegine verdienen, mij varzaakerd houdende dat uwel Ed: Gestrenge Groot Achtb: naa dit kort verhaal van zaaken mijn gehouden gedrag niet alleen in zijn volkoomen geheel zal billijken, maar ook van alle onderstelde onbescheijdendheijd en kwaalijk begreepe behandeling in het questieus geval, over het walk de Heer Kapitain van Walm, zigh nu zoo zeer en wel gantsch ten onregte beklaagd, zal vrij Men„ „nen, en met wij wel gelieven te begrijpen, dat het voor een onderge„ „schikt kompanies dienaar alhier ten uijtterste moeijelijk en zelfs bij„ „naa ondoenlijk is, om zodaanige ongemakkelijke en ten hoogsten nauwgezette Bevelhebbers van 'slands scheepen, en en bij alle bijzon„n „dere voorvallen, hoe aandachtig man ook is, om alle moeijelijkheijd te vermijden, volkoomen genoegen te konnen geeven. Het was dan den 20C=te des laatst gepasseerde maand, dat alhier op het onderwagts een 'slands oorlogs fregat voor de baaij verscheen, jk be„ avond mij als doen ziekelijk in mijn buijten wooning, omtrend twee kanonschooten van de stadswallen geleegen, alwaar ik nu zeedert eenige maanden, de swaare en dampige lucht binnen de stad niet langer konnende doorstaan, mijn verblijf houde, en stelde daadelijk order om bij het binnen Zeilen van gemelde oorlogs Fregat, de stukken op de stads=wollen te laaden, om het gewoon saluut voor 'slands vlag naa behooren te volbrengen, en gaf bevel om den officier
English
officer, who according to the custom from on board to shore is sent to the Commander of the place by the gentlemen captains of the state's ships to give notice of the arrival, to lead him to Major Lever, or else to Mr. van der Spar, as I found myself too ill to await even that report within the city, and requested those gentlemen to notify me immediately of the arrival of such an officer by a note, in order to be able to determine all further necessary arrangements for the ceremonial upon receiving the captain of the aforementioned frigate. The aforementioned frigate, after which a pilot vessel was immediately dispatched, arrived this afternoon around half past one o'clock in this Bay. At three o'clock they came to warn me that an officer from the same had proceeded to my country residence and desired to speak with me. I lay at that time ill in bed; however I rose immediately, dressed myself and received that officer, being Mr. Creighton, with all politeness, who informed me that the arrived state's frigate of war was named the Ceres, being commanded by Captain van Walm, who sent me his friendly greetings. I answered this announcement with all politeness, offered Mr. Creighton all refreshments that we have here at hand, and requested his Honor upon returning to offer Captain van Walm my humble greetings in return and to declare to his Honor that the state's frigate would immediately be greeted with seventeen cannon shots, and the captain would be complimented on board in the name of this Government by a usual deputation from the Council of this command, for which I then also gave direct order, and requested, or commissioned, the Honorable Administrator van der Spar by a note to carry out this ceremony properly with the Honorable Master of Equipage, and if he might not be at hand so quickly, then with one of the other members of the Political Council, and to notify me in good time when it should please Captain van Halm to proceed to the shore, in order to determine the further necessary orders for his Honor's reception; the ordered salute was then also immediately carried out, and the Honorable Administrator also immediately proceeded to carry out his commission on board the abovementioned state's frigate with the Honorable Fiscal D'Estandair, as the Master of Equipage Abo was already on board the frigate; when these deputies now returned towards the city towards nightfall, which appeared from a salute of the state's frigate in their honor, I again wrote a note to the Honorable Administrator in which I thanked his Honor for delivering or rendering the Report, and only requested to inform me of everything that Captain van Walm might desire, and also of the hour that was determined by his Honor for coming down to the city for the following morning; I received thereupon from the mentioned deputy as an answer that the commission was carried out to the satisfaction of Captain van Walm by his Honor, and the mentioned Captain had resolved to come ashore the following morning towards nine o'clock. Hereupon I immediately gave the necessary orders for all that was required for this solemn ceremony according to custom, proceeded, though quite ill, early the next day to the city to ensure well that nothing was neglected during this solemn occasion. The Council gathered at half past eight o'clock in the commanderie, and a double line was formed by the garrison from the Sea Pier up to the abovementioned residence, and we received Captain van Walm with all possible distinction and in the same manner as in the month of June 1784 Captain Willinck, commanding the state's frigate the Waakzaamheid, was himself received and greeted here by your Right Honorable, and even in the same manner as we in Anno 1785/6 received here the Captains Commandants van Braam and Silvester, with this difference only, that I did not go to receive Captain van Walm in a body with the entire Political Council at the sea pier and lead him into the city, which was now carried out by the Honorable Major Lever and the Honorable Pay Bookkeeper Martheze, who led the mentioned Captain through the double line of troops, upon whose passing the mentioned Captain van Walm was greeted with the full military honors, received by me and by the other members of the Council outside the front door and down at the stairs and led into one of the best chambers of the commanderie, where his Honor, being seated with the attending members of the Political Council, was welcomed by us in the most polite and obliging manner and greeted with seventeen cannon shots from the city walls, while shortly thereafter the troops standing under arms marched past in order, and Captain van Walm, having stepped onto the stoop to view them, saluted again according to military custom, after which all the officers both of the regular garrison and of the attending Regiment of the Prince of Luxemburg, and of the detachment stationed here of the Regiment of the Colonel de Meuron, came in full uniform in a body to greet his Honor, which was also carried out by many of the most distinguished Company's Servants in this city, after which I inquired with Captain van Walm where his Honor, being on shore, was pleased to take his lodging, in order to be able to provide his residence with the usual sentries. His Honor answered me that he intended to take his lodging outside the city in a small country residence
Dutch transcription
3420 officier, die naa dene gebruijk van boord naa de wal aan den Gezag„ „voerder der plaats, door de Heeren kapiteins van 'slands scheepen, tot kennes geeving der aankomst gezonden word bij den Hear Majoor Lever, dan wel bij den Heer van der Spar te geleiden, wijl ik mij te ziek bevond om zelfs dat berigt binnen de stad te gaan afwagten, en verzogt die Heeren mij daadelijk van de aankomst van zodaa„ „nig een officier bij een briefje kennis te geeven, om alle verdere noodige toestel tot het Cesemonieel bij het recipieeren van den Waer kapiteie van gem: feragat te konnen bepaalen Wet voormelde Jve„ „gat; naa het welk dardelijk een loots vaartuijg was afgevaardigd, kivacce des noademiddags omtrent half twee uuren binnee deeze Baaij, om drie uuren kwam man mij waarschouwen dat een officier van het zelve zich naa mijn buijten wooning begerven had en mij verlangde te spreeken, Jklag als doen ziek te bedde; dog vees daadelijk op, kleede mij en ontving dien officier, zijnde de Heer Oreighton met alle beleefdheijd, die mij kennis gaf„ dat het aangekoome 'tlands fregat van oorlog de Pares genaamt was, gecommandeert wordende door den Heer Kapitein van Walm, die mij zijne vriendelijke groete liet aanbieden, ik beand„ woorde deeze aankondiging met alle beleefdheijd bood den Heer Creighton alle ververschingen, die wij hier magtig zijn aan, en verzogte zijn Edele bij tenig keering den Heer Kapitein van Walm mijne needrige groete weeder aantebieden en zijn WelEdele te verklaeren, dat 's lands fregat daadelijk met zeeventien kanon schooten zoude worden begroet, en den Heer kapitein door eene gewoone commissie uijt den Raad deezes commandements aan boord uijt naam deezer Regeering gecomplimenteerd worden, waartoe ik dan ook direct order gaf, en den E: administrateur van der Spar bij een briefje verzogt, of kommitteerde om deeze plegtigheijd naa behooren met den E: Equepagie meester, en zoo die niet zoo spoesig bij der hand mogte zijn, dan met een der andere leeden van den Poli„ „tieken 34 „tieken Raad te volbraapen, en mij bij tijds kennis te geeven, wan„ „neer het den Heer Kapitein van Halm zoude behaagen zich naa de wal te begeeven, om de verdere noodige orders tot zijn WelEdele receptie te bepaalen; het belast, saluut wierd dan ook ten eersten volbragt, en de E: Administrateur begaf zich ook daadelijk tot het afleggen zijner commissie naa boord van bovengem: 'slands fragat met den E: Fiscaal D' Estandair, wijl de Equipagie meester Abo zich reeds aan boord van het fregat bevond; wanneer nu deeze gecommitteerden tergen het vallen van den avond naa de stad tenig keerden, het geen uijt een saluut van 'slands fragat ter hunner eere bleek, schreef ik weeder een briefje aan den E: Administrateur waarbij ik zijn Edele voor het doen of afleggen van het Rapport bedankte, en alleen ver„ „zogt mij te onderrigten van al het geen den Heer kapitein van Walin mogte verlangen, en teffens van het uur dat door zijn, WelEdele tot het afkoomen naade stad voor den volgende morgen bepaald wierd; ofk ontving daarop van gem: gecommit„ „teerde tot andwoord, dat de commissia ten genoegen van den Heer kapitein van Walm door zijn Ed: volbragt was, en gemelde Heer Kapitein zich bepaald had, om des anderen daags smor„ „gens teegen neegen uuren aan de wal te koomen, hierop gaf ik daadelijk de noodige orders tot al het geen wat tot dit plechtig Ca„ „remonieel naa gewoonte vereijscht wierd, begof meij, schoon gantsch ziekelijk, des anderen daags vroeg naa de stad, om wel te zorgen, dat niets bij dee te plechtige geleegendheijd vertuijmd wierd, de Raad vergoederde zich bij half naegen uuren in het commandement, en een dubbeld vanquet wierd door 't garniosen van het Zeehoofd af tot aan bovengem: wooning geformeerd, en wij ontfingen der Heer Kapitein van Walm met alle moogelijke onderscheijd even en op de zelfde wijze, als in de maand Junij 1784: de Heer Kapitin Willinck, commandeerende slanss fragat de Waakzaamheijd door 34 3421 door uwel Edele Gestr: Groot Achtb: alhier zelve ontvangen en begroet was, en zelfs op gelijke wijze als wij in Anno 178 5/6: alhier de Heeren kapiteins Commandarirs van Braam en Silvester gerecipieerd hebben, met dit onderscheijd alleen, dat ik de Heer kapiteie van Walier niet aan Porps met den geheelen Politieken Raad aan het zeehoofd heb gaan ontvangen en binnen de stad gelijden, het geen nu door den E: majoor Lever, en den E: Zoldij Boekhouder Mar„ „theze volbragt wierd, die gemelde Heer Kapitein door het dubbeld Ranket van troepen gelijden, bij welker passeering gem: Heer kapitein van Walm met het volle militaire honneur begroet, door ruij en door de overige leeden van den Raad buijten de voor„ „deur en beneeden aan de trap ontfangen en binnen een der beste kaemers van het commandement geleed wierd, alwaar zijn WelEdele met de aanweezende leeden van den polietikere Raad gezeeten zijnde, door ons op de beleeftste en meest verbindende wijze varwal komt en met zeeventhien kanonschooten van de stads wallen Begroet wierd, terwijl kort daarop de in de waaptan „nen staande troupen in order voorbij trokken, en den Heer kapitein van Walm, tot het bezigtigen daarvan op de stoep getreeden zijnde, op nieuw naa krijgs gebruijk salueerden, waarnaa alle de officieren zoo van het gewoone garnisoen als van het aanweetende Regiment van den Heer Prins van Lukeneburg, en van het alhier leggende detachement van het Ragiment van den Heer Prien Collonel de Meuron in volle eeniform zijn WelEdele in Porph Awaamen be„ igroeten, het geen ook door veele meest aanzienlijke kompa„ „nies Dienaaren in deeze stad voldragt wierd, naa het welk ik mij bij den Heer Kapitein van Walm onderrigte, waar zijn WelEdele aan de wal zijnde, geliefde zijn verblijf te houden, om desselfs wooning met de gewoone schildwagten te koor„ „nen voorzien, zijn WelEd: antwoorde mij voorneemens te zijn, zijn verblijf buijten de stad in een kleine buijten wooning
English
to wish to keep a house situated close to mine, and therefore to decline the sentries, whereupon I offered his Honour, when being in the town, to make use of my house, which is well furnished and provided with what is necessary, for the performance of his Honour's business or for receiving visits, to which end I would also order that during his Honour's presence in the town, two sentries would always be stationed at the front door of the house, as a mark of distinction and proof of his Honour's presence. This was also amicably accepted, and I subsequently had the honour to conduct the said gentleman Captain to my country house, and to have the midday meal with his Honour, after which his Honour returned on board again, and after a few days moved into his Honour's country house. I imagined, indeed flattered myself now for certain, that everything was arranged to the satisfaction of the gentleman Captain van Walm, and that through my attentiveness we would live in uninterrupted good understanding. I offered his Honour my house and table at his free disposal, and ordered that in the evening the city gate should be kept open so long until the said gentleman Captain, being in company, should have returned to his country house; everything thus appeared to be peaceful and well, but only very few days passed before I noticed that the gentleman Captain van Halm was dissatisfied, without however being able to ascertain the moving causes thereof. His Honour nevertheless came to visit me now and then; I had also paid a visit to his Honour in his country house; but after the passage of yet a few days, the said gentleman Captain came in the afternoon after twelve o'clock unexpectedly to me; my wife received his Honour with all possible politeness, and said to be much obliged to his Honour, as she now believed she would see me have the midday meal with her, whereas I, plagued by very severe headaches and overloaded with many affairs, which I, despite my indisposition, had already declared I had to finish and would not desist therefrom, and would therefore remain in my study. The gentleman Captain van Walm took this friendly declaration of my wife immediately very amiss, declaring to be in such rank and state that no one here might avoid his presence, and not to be at all content with having the midday meal alone with her, adding thereto many other entirely improper expressions and threats, which so upset my wife, as being wholly unaccustomed to such insolent and entirely improper treatments, that she immediately came running to me, and came to explain the arrival of the gentleman Captain van Walm, earnestly requesting me to please cease my work for that afternoon and also come to table. I indeed noticed her consternation, but could however learn nothing from her, she denying feeling any special emotion. I thus dismissed my thoughts, requested my wife to return again to the gentleman Captain van Walm, and to ask his Honour's excuse that I, not being fully dressed, also could not immediately appear before his Honour, but would do so after a few moments, as then also happened. I then also went to the front room where the gentleman van Walm was with my wife, made then myself my best excuses on account of my indisposition and numerous affairs. This was taken only very stiffly, but I acted as if I did not notice it; we proceeded to the midday meal, during the course of which the gentleman Captain van
Dutch transcription
wooning digt bij de mijne geleegen te willen houden, en dies voor de schildwagten te bedanken, wanrop ik zijn Wel Edele aanbood zig in de stad bevindende van mijne wooning, die wel gemecebiteerd en van het noodige voorzien is, wel te willen Bedienen, tot het verrigten van zijn WelEd=e beezig„ „heeden of tot het ontfangen van batoeken, ten welken einde ik ook zoude gelasten dat bij zijn Wel Ed=e aanweeten inde stad, altoos twee schildwagten aan de voordeur der wooning, tot aen blijk van distinctie, en bewijs van zijn Ed=s teegen „woordigheijd zoude geplaatst staan, dit wierd ook vrien„ „delijk aangenoomen, en ik had vervolgens de eere gem: Haer kapitaine naa mijne belijten wooning te geleesen, en met zijn WelEdele het middagmaal te houdene, naa het welk zijn WelEdele zich weeder na boord begaf, en noa een paar daagen zijn Ed:s buijten wooning betrok. Jk verbeelde, jaa vlijde mij nu voor zeeker, dat alles tot genoegen van den Heer Kapitein van Walm geschikt was, en wij door mijne oplettendheijd in onafgebrooke goede verstandhouding zouden leeven, Jk bood zijn WelEdele mijn huijs en tafel ter zijner vrije dispositie aan, en gelaste dat des avonds de stadspoort zoo lange zoude opengehouden worden tot dat geme: Heer Kapitein, zich in getal„ „schap bevindende, zigh weeder naa zijne buijten wooning zoude begaaven hebben; alles stcheen dus vreedigen wel te zijn, dog daar verliepen maar zeer weijnige daagen, of ik bemerkte dat de Heer Kapitein van Halm onvergenoegt was, zonder echter daarvan de beweeg oorzaaken te kunnen naagaan, zijn Wel Edele kwam mij niet te min nu en dan beteeken, ik had ook een betoek bij zijn WelEd: in desselfs buijten wooning afgelegd: dog naa verloop van nog eenige daagen, kwaen gemalde Heer Kapitain des 3422 34 des middags over twaalf uuren onverwagts bij mij aan, mijne huijs vrouw ontving zijn WelEdele met alle moogelijke beleefdheijd, en zijde zijn Ed: wel veel verplichting te hebben, wijl nu geloofde mij te zullen zien het middagmaal met haar houden, daar ik mij, door zeer swaare hoofdpijnen gekweld en overlaaden met veele beetigheeden, die ik in weerwil mijner ongesteldheijd reeds verklaard had te moeten afmaaken, en daarvan niet wilde afzien, en dies in mijn schrijfkaamer zoude blijven, de Heer kapitein van Walm, nae deeze vriendelijke betuijging mijner huijsvrouw aanstonds zeer kwaalijk op. Verklaerende zich in die vang en staat te bevinden, dat niemand alhier zijne teegenwoordigheijd mogte vermijden, en zig gantsch niet te wree„ „den te houden, met haar Ed: alleen het middagmaal te houden, voegende daarbij veele andere gantsch onvoeglijke uijtdrukkun„ „gen en bedraegingen, die mijne huijsvrouw als geheel aan dierge„ „lijke onhebbelijke en gantsch onvoeglijke bejaegeningen ongewoon, zodaanig ontstalden, dat ze daadelijk bij mij kedam geloopen, en de aankomst van den Heer Hapiteie van Walm kware verklaeren, mij instantig verzoekende, tog mijn arbeijd voor die middag te staaken, en meede aan tafel te koomen. Jk bemerkte wel haare ontsteltenis, dog konde echter niets van haar verneemen, ontkennende eenige bij zondere aandoening te ge„ „voelen. Jk ontgaf mij dus mijne gedachten, verzogt mijne vrouw zig weeder naa den Heer Mapitein van Walm te be„ „geeven, en zijn WelEdele om verschooning te verzoeken, dat Jk, niet volkoomen gekleed zijnde, ook niet daadelijk bij zijn WelEdele konde verschijnen, maar het naa eenige oogenblikken zoude doen, gelijk dan ook geschiede. Jk begaf mij dan ook naa het voorvertrak daar zigh de Heer van Walm met mijne huijsvrouw bevond, maakte als doen zelve mijne beste verschooning, weegens mijne ongesteldheijd en hopl veel vuldige beetigheeden, dit wierd maar zeer Rest opgenoomen, dog ik deed of ik het niet vermerkte; wij begaeven ons tot het mis„ „dagmaal onder het houden van het welke de Heer Kapitein van
English
Halm expressed himself in a completely mocking and very improper manner about some officers of the Regiment of Luxemburg currently stationed here, who allegedly did not treat the wife of the equipage master Abo with that polite distinction that the said Lord Captain thought was fully due to her noble birth, and that those gentlemen ought to be taught different manners; I answered his Honor that I could do nothing in this matter, because the Equipage Master Abo, following his usual thoughtlessness, had not hesitated to place a letter written from Middelburg to his noble wife by a gentleman of distinction—containing many invectives and very offensive expressions against the French Nation, according to the present state of affairs in our dear Fatherland—into various hands a few days prior, and thus to share it with the public, whereby the officers of the Regiment of Luxemburg were offended in the highest degree, and had asked me for satisfaction on that account, whereupon I had also severely reprimanded the Equipage Master Abo as he deserved for his rash conduct in this matter and had taken great pains merely to stifle this affair, having had to employ all my authority and friendly influence to prevent, until now, deeds from being added to the threatening words, and that the Equipage Master Abo and his wife would act wisely to remain completely quiet and avoid those highly offended officers as much as possible, in order perhaps to prevent even greater unpleasantries, that the conduct pursued by the Equipage Master Abo in this matter was rash in the highest degree, and the Lord Captain van Walm would surely understand this as well, because in the first place one ought not to cause animosities between different nations, and even in Europe, where one can immediately bring unwilling and wilful troops to reason with efficacious force and quickly bring it to an end, upon the disbanding or dismissal of one or more regiments every possible caution and good precaution is pursued, and this was necessary here more than elsewhere with the remaining very weak garrison, and I had no means at hand properly to punish any wilful mischief that might be committed by this Regiment over such matters, and might perhaps have to close my eyes to it entirely, that I therefore. 3423 3435 therefore in my entrusted post had to exercise all possible circumspection, and ensure that matters remained on the present good footing, and that proper order and obedience were observed, while it is known to everyone that the officers of that restless Regiment were already dissatisfied in the highest degree about the refusal by the Supreme Government in Colombo of their demands for rewards and indemnifications, which, however, were so strongly insisted upon by them, and it is thus much to be feared that upon the non-fulfillment of these desires of theirs, their displeasure will also increase, and it was thus strictly my duty to ensure that they were given no reason for grievance here, and I therefore had to avoid all occasions for it very carefully, as being responsible for it in the highest degree, that until then everything had gone well, and I hoped through cautious management to keep it so until the end, in order to convince the High Government of these lands that I am not entirely unworthy of their high and favorable trust in the importance of this post of mine; I declared this to the Lord Captain van Walm with all possible modesty, but this could not prevent his Honor from lashing out in violent and completely improper terms against the officers of the Regiment of Luxemburg and even against the entire French nation, and in the most violent terms wanted to prove that neither the Equipage Master Abo nor his wife were in the wrong in publishing the aforementioned questionable letter, and thus his Honor would certainly teach those officers to behave with more respect toward this woman of birth, and his Honor would thus show himself to be the only true Dutchman left in this place, and that I was greatly in the wrong in my disapproval of the conduct of the Equipage Master Abo, further mocking those French officers with great indignation and violence, against which all my calm representations were of no avail, the rising tempers of the Lord Captain van
Dutch transcription
Halm op eene gantsch pchimpogtige wigjst en zeer onvoeglijke wijte zich uitliet over eenige officieren van het thans alhier leggende Regimeet van Luxemburg die de huijsvrouw van den equipagiemeester Abo niet met dat beleefd onderscheijd zouden ontmoeten, als gemelde Heer kapitain dagt, dat volkoomen aan haar Edele Geboorte toekwam, en mendie Heeren andere manieren behoorde te leesen; Ik antwoorde zijn WelEdele daarin niets te kunnen doen, wijl de Equijpagiemeester Abo naa zijne gewoone onbedachtzaamheijd, zich niet ontzien had, en aan zijn Edele huijsvrouw uijt Middelburg door een Heer van aanzien geschreeven brief, houdende veele invertives en zeer ergerlijke uijtdrukkingen teegens de fransche Natie, naa de teegenwoordige gestaldheijd in ons waarde Vaderland, als doen eenige daagen te vooren, in verscheijde honden te stel; „len, en alzoo aan het publiek meede te deelen, waardoor de officieren van het Regimant van Luxeneburg ten hoogsten gebelgd waaren, en mij om voldoening desweegens verzogt hadden, waarop ik ook den Equipagie meester Abo naa vendienste over zijn gehouden onbetonne gedrag in deeze doorgehaald en heer veel moeite genoomen had, om maar deeze zaak te smooren, terwijl ik alle mijne authoritijt en vriendelijke invloed had. moeten aanwsenden, om tot heden te baletten, dat men geene daaden bij de woorden van bedreiging gevoegd had, ende Equipagie meester Abo en zijne huijsvrouw maar daar voorzigtig zouden doen, zich maar geheel stil te houden, en die ten hoogsten gebelgde officieren maar zoo veel doenlijk vermijden, om moogelijk nog grooter onaangenaamheeden voor„ „tekoomen, dat het gehoude gedrag van den Equipagiemeester Abo in deete ten hoogsten onbetonnen was, en de Heer Kapitaier van Walm dit zeeker ook wel zoude begrijpen, wijl men voor eerst geene animositeijten tusschen onderscheidene volken behoorden te veroorzaaken, en zelfs in Europa alwaar men daadelijk met efficasieuse kragten onwillige en moedwillige troupen Man tot reeden brengen en haast doen eijn„ „ndigen, bij het dimitteeren of afdanken van een of meer Regi„ „menten alle moogelijke voorzigtigheijd en goede voorzorgen na„ „trachten, en dit hierbij het overige zeer zwakke garnizoen meer dan elders noodig was, en ik, geene middelen aan handen had, om eenige moedwil, die door dit Regiment over diergelijke zaaken mogten gepleegd worden, naa behooren te straffen, en moogelijk wal daarvoor geheel de oogen zoude moeten sluijten, dat ik dus. 3423 3435 dus in mijn aanvertrouwde post alle moogelijke omtigtigheijd moest beoeffenen, en wel zorgen dat de zaaken bleeven op den teegene„ „woordigen goede voet, en de behoorlijke order en gehoorzaamheijd betracht wierd, terwijl het een ijser bekend is, dat de officieren van dat onrustige Ragiment reeds ten hoogsten onvergenoegd waeren over het niet inwilligen door de opper Regeering te Kolouibo van hunne eijschen van beloonings en schaede vergoedingen, waarop echter zoo zeer door hun aangehouden wierd, en het dus zeer te dugten is, dat bij onvoldoening van deeze hunne begeerten ook hun ongenoegen zal vermeerderen, en het dus volstrekt mijn plicht was, om wel te zorgen dat huen hier geen reeden van beswaar gegeeven wierd, en ik dus alle aanleijdingen daartoe zeer zorgvuldig moest ver„ „mijden, als ten hoogsten voor mijne verantwoording staande, dat tot als doen alles was welgegaan, en ik hoopte het door een voorzegtig deleid ook zoo tot den eijnde te zullen houden, om de Hooge Regeering deeter landen te overtuijgen, dat ik derzelver hoog en gunstig vertrouwen in het gewigt van deeze mijne post niet geheel onwaardig den;, Jk betuijgde dit den Heer Kapitein van Walm met alle mooglijke bescheijdendheijd, dog dit — konde niet beletten dat zijn WelEdele in heevige en gantsch onvoeg„ „zaeme bewoordingen teegen de officieren van het Regiment van Lurenburg en zelfs teegen de geheele fransche natia uijtvoer, en in allerheevigste bewoordingen wilde beweesen, dat nog de Equipagie meester Abo nog zijne huijsvrouw, bij het publi„ „ceeren van den bovengemelden questieuse brief ongelijk hadden, en dus zijn WelEdele die officieren wel zoude leeren, zich met meer respegt teegen deeze vrouw van geboorte te gedraagen, en zijn Edele dus zoude toonen van alleen nog een hollander in deete plaats te zijn, en ik in mijn afkeuing van het gedrag van den Equipagie meester Abo groot ongelijk had, schimpende voorts met veel verontwaardiging een heevigheijd op die fransche officieren, waarteegen alle mijne Bedaarde vertoogen niets konden helpen, wordende de oploopende driften van den Heer Mapitein van
English
van Walm so violently during this exchange of words that my wife and children were greatly distressed by it, and I saw myself compelled to end these discourses, which were all heard by one of my clerks sitting with us at the table, being the son of the late Major Prins, and by my present house servants, who almost all understand Low German, for which reason I then also requested the Lord Captain van Walm to make an end to this sad and vexatious conversation, as my wife could no longer remain at the table due to her agitation, whereupon we then left it, but then the Lord Captain van Walm began the same conversation again in an even more vehement manner than before, wishing absolutely to justify the Master of the Equipage Abo and his wife, whereupon my already sufficiently affected Wife was anew distressed, and I saw myself compelled to declare outright to the Lord Captain van Walm that the Master of the Equipage Abo is a thoroughly wicked and thoughtless man, who did not deserve so much effort on his behalf, and that notwithstanding his great ingratitude for so many favors received from me over many years, which he certainly never deserved, I held in my hands the clearest and most convincing proofs of his continual wickedness, and it was only for the sake of his otherwise worthy wife and completely innocent children that I had hidden all of this from the eye of the world, since he otherwise certainly would long ago have been dismissed from his so advantageous office, in which performance I still favored him daily, and thus completely undeservedly had kept him until the present day; hereupon the Lord Captain van Walm calmed down somewhat, 3424 348 seeing the great embarrassment of my wife to some degree, and went to his country residence, wherein I was fully informed by my wife of His Honor's utterly improper conduct towards her when His Honor had first entered the house that afternoon, which had become even worse when Her Honor, after having informed me of the arrival of the said Lord Captain van Walm, had approached His Honor for the second time; not being forbearing enough to endure such completely improper treatments in total silence, I intended to address the Lord Captain van Walm amicably about this the following morning and to ask for proper satisfaction, but taking a walk with my wife in the evening, we met the Lord Captain van Walm, who addressed us and said he would spend the evening with us, which then also occurred amicably, and thus this strange encounter remained as if forgotten, flattering myself that the Lord Captain van Walm would henceforth proceed with more discretion towards us, but in this I was greatly mistaken, for the said Lord Captain now stayed completely away from us, and came a day or three later to declare to me in the city in a completely unfriendly manner that he entirely declined the posting of the two sentries at the Commandment during His Honor's presence in the city, since His Honor only kept a room for that purpose with the Master of the Equipage Abo, whereupon I then had the order given by me revoked, the said Lord Captain having also already declared upon His Honor's arrival here to have declined the honor of the sentries, as he kept his residence outside the city, so His Honor only retained the two orderlies assigned daily to His Honor, for a couple of days everything remained very quiet, but on Sunday the 31st of August the clerk of the said Lord Captain came towards midday to make known to me in the name of his master that the said Lord Captain had had a man arrested in the city and locked up in the jail at the Master of the Equipage Abo, and demanded that man from me as a deserter from the frigate, I answered this clerk that I thought he had not well understood the message given to him, and that the man would certainly have been placed under arrest and locked up in the jail on the equipage point by the Master of the Equipage Abo at the request of the Lord Captain van Walm, and asked him further what kind of man he was, whether he belonged among the sailors or the freemen, how he looked and what name he bore, whereupon the said clerk answered me that he knew nothing of all this, I requested him hereupon to present my compliments to the Lord Captain van Walm, who was on board His Honor's frigate, and to assure His Honor that I would immediately inform myself of the circumstances of this man, and finding him to be a deserter, would have him delivered to the Lord Captain van Walm as soon as I had received authorization for that purpose from the High Government in Colombo, with this answer this clerk went away, and I inquired after the matter by a brief note to the Master of the Equipage Abo, but as he was also on board the ships, I only received an answer that evening, that it was a sailor in the Company's service here, named Carel Frances Nevel, who had reported himself as a deserter to the Lord Captain van Walm, and had been placed under arrest on the Sailors' Point by him, the Master of the Equipage, at the request of the said Lord Captain. I immediately thereupon let the aforementioned Master of the Equipage know to keep that man in arrest until the following morning, when I would come into the city and speak to him about it. I set out early the following morning for the city, and in passing stopped at the country residence of the Lord Captain van Walm, about one hundred and fifty paces from
Dutch transcription
van Walm zoo geweldig bij deeze roedenwisseling, dat meijne vrouw an kinderen er grootelijks door ontstelden, en ik mij genoodzaakt zag deeze dispoursen, die alle door een mijner meede aan tafel zittende schrijvers, zijnde de zoon van den overleeden Majoor Prins, en door mij aanweezende huijs bedienden, die meest allen naederduijtsijh verstaan, aangehoord wierden, waarom ik dan ook den Heer Ka„ „pitein van Walm verzogt om een eijnde van dit droevig en ergerlijk onderhoud te maaken, konnende mijne huijsvrouw door ontsteldheijd niet langer aan tafel blijven, waarop wij dan dezelve verlieten, dog als doen Begon de Heer Mapitaie van Walm het zelfde onderhoud werder op nog heeviger wijze als te vooren, willende volstrekt de Equipagiemeester Elso en zijne vrouw in het gelijk stellen, waarop mijne reeds genoeg aangedaane Vrouw op nieuw ontstelde, en ik mij genoodzaakt zag den Heer Kapitein van Walm, maar regt uijt te verklaa„ „ven, dat de Equipagiemeester Abo een gantsch slagt en onbe„ zonnen, man is, die zoo veele beweegingen voor hem niet van diende en ik bij zijne groote ondankbaarheijd voor zoo veele van mij zeedert veele jaaren ontfangene goedgunstigheeden, die hij zee„ „ker nimmer verdiende, de spreekandste en maest overtuij„ „gende bewijzen zijner doorgaande slegtheijd in handen had, en het alleen om de wille zijner anders waardige vrouwen gantsch onschuldige kindenaer was, dat ik die alle voor het oog der waereld verborgen had, wijl hij anders zaeker voor lange reeds uijt zijn zoo voordeelige bediening, zij welken waarneeming ik hem nog daagelijks begunstigde, zoude zijn gesteld geweest, en hem dus geheel onverdiend tot heden ba„ „houden had; Hier op bedaarde de Heer Kapitin van Halm zieude 3424 348 ziende de groote verleegendheijd mijner huijs vrouw eenig zints, en begaf zig naa zijn buijtenwooning, waar in Jk door mijne vrouw volkoo„ „men onderrigt wierd, van zijn WelEd:e gantsih onbehoorlijk ge„ „drag teegen haar, wanneer zijn WelEdele eerst dien middag was binnen het huijs gekoomen, dat nog arger was geworden wanneer Haar Edele, naa mij vande aankomst van gem: Heer Mapiteine van Walm te hebben onderrigt, zich, voor de tweede maal bij zijn Edele begeeven had; niet verdraagzaem genoegom dierge„ „lijke gantsch onvoegzaeme behoedelingen zoo maar stilzwij„ „gend door te staan, was ik voornoemens den Heer Kapitain van Walm den volgenden morgen daarover in het vriende„ „lijke aantespreeken, en om een behoorlijke voldoening te vraagen, dog des avonds met mijne huijsvrouwd eene wandaling doende, ontmoaten wij den Heer Kapitein van Walm, die ons aanspraak, en zijde den avond met ons te zullen doorbrangeen, het geen dan ook vriendelijk geschiede, en dus bleef deeze vreemde ontmoeting als vergeeten, mij vlijende dat de Heer kapitein van Walm voortaan met meer bescheidendheijd teegens ons zoude te werk gaan, dog hierin bedroeg ik mij grootelijks, want gemelde Heer kapitin bleef van ons nu ge„ „heel wag, en kwam mij een dag of drie daarnaa, op aan gantsch niet vriendelijke wijze in de stad verklaaren, voor het stellen van de tweede schildwagten aan het Commandement bij zijn Edele teegenwoordigheijd in de stad geheel te bedanken, wijl zijn Edele alleen een kaemer daartoe bij den Equipagie meester Abo hield, waarop ik dan de door mij gegeeve last weeder liet intrekken, verklaerende gemelde Heer Mapitein teffens reeds bij zijn Ed=s aan„ „komst alhier voor de eere der schildwagten, als buijten de stad zijn verblijf houdende te, hebben bedankt, dus bleef zijn WelEd: alleen de twee daagelijks bij zijn Edele bescheijdene wagt ordonnacitsieve be„ „houden, een paar daagen bleef alles zeer stil, dog op zondag den 31: die„ 5 Augustus Awam de schrijver van gemelde Heer kapiteie mij teegen den middag uijt naam van zijn meester bekend maaken, dat gemelde Heer Kapitein een man in de stad had laatene arresteeren en in de tronk bij den Equipagiemeester Abo sluijten, en van mij die man als aan deserteur van het fregat liet opeijschen, ik antwoorde dere schrijver te deuken dat hij de hem toegedeelde boodschap niet wel begreepen had, en dee te man zeeker door den Equipagiemeester Abo op verzoek van den Heer Capitein van Halm zoude in arrest gesteld en in de tronk op de equipagie punt geslooten zijn, en vroeg heen verder wat het voor een man was, of hij onder de mattroosen of vrijlieden behoorden, hoe hij uijtzag en wat naam hij dwag, waarop mij gemelde schrijver antwoorde van dit alles niets te weeten, Jk vertogt hem hierop mijn compliment aan den Heer Kapitein van Walm, die aan boord van zijn E=s fregat was, te maaken, en zijn WelEdele te verzeekeren, dat ik mij daadelijk naa de omstandigheeden van deeze man zoude onderrigten, en hemn een deceteur bevindende aan de Heer kapitin van Halm laaten afgeeven, zoo dra daartoe van de Opper Regering te Holombo qualificatie ontfangen had„ met dit antwoord ging doe te schrijves weg, en ik onderrigte mij bij een briefje aan de Equipagir meester Ado, naa het geval, dog deeze zich ook aan boord der scheepen bevindende, kreeg ik daarop eerst des avonds antwoord, dat het een mattroos in 's komp:s dier st al„ „hier was, genaamt Carel Jrances Nevel, die zig zelven als deserteur bij den Heer Kapitein van Walm had aangegeeven, en door hem equipagiemeester op verzoek van gemelden haar Mapi„ „tein in arrest op de Mattroose punt gesteld was. Jk lut daie daadelijck hierop voormelden equipagie meester waeten van die man tot den volgenden morgen, wanneer ik in de stad zoude koomen en hem daarover spreekene, in arrast te houden. Jk begaf mij den volgenden morgen vroeg naa de stad, en hield bij 't voorbijrpasseeren stil aan de buijten wooning van den Heer kapitein van Walm, omtrend een honderd en vijftig schreeden van
English
3425 3458 situated toward the city from mine, and inquired after His Honor in order to be able to confer with me about the arrested sailor, but His Honor was not at home, whereupon I then proceeded toward the city to receive the customary weekly reports and to have the arrested sailor placed in custody in the Main Guard. I then immediately summoned the Master of Equipage Abo to me, ordered him to examine the sailor on several necessary questions, to submit a proper written report to me about this so that it could be sent to Colombo, and subsequently to send him to the Main Guard, and, upon meeting Captain van Walm, to inform him in my name that I would directly dispatch a letter to Your Right Honorable and Highly Esteemed Sir regarding this matter. The Master of Equipage thus had this man brought before him, interrogated him, and submitted a written report to me on the matter, which was dispatched that very afternoon to Your Right Honorable and Highly Esteemed Sir. During these proceedings, while I was still busy receiving the reports, Captain van Walm came to me with great agitation, and immediately asked with much vehemence and in a completely haughty and offensive manner why I had not immediately handed over the arrested sailor the day before, but had informed His Honor that I would first have the case investigated, which served as proof that I doubted His Honor's word, demanding the direct surrender of this man and showing me His Honor's instructions, in which it was stipulated that deserters had to be surrendered immediately on both sides. I replied to this Captain van Walm with all politeness and composure that I did not refuse to surrender that man, being a deserter; that I also in no way doubted His Honor's statements, but that I, being a subordinate commander, was obliged first to inform Your Right Honorable and Highly Esteemed Sir of the case and to await his supreme pleasure thereupon, which would also take place immediately after the interrogation of that man and the submission of the necessary report regarding this, and that he would remain secured in the Main Guard for that long. Upon this, Captain van Walm burst out against me in great fury and told me that he had to execute his orders. I answered just as calmly as before that this was very commendable, but that His Honor might please understand that I had to be just as attentive and observant to carry out everything that my high superiors command me, and that in this case I was obliged to proceed regularly; however, if His Honor absolutely demanded that man immediately, I would then have him surrendered, as I did not wish to make any further difficulties about it, and I would then also immediately inform Your Right Honorable and Highly Esteemed Sir that I had been practically forced into this surrender. Upon this declaration, Captain van Walm then decided to leave this deserter in custody until the receipt of Your Right Honorable and Highly Esteemed Sir's honored order regarding this, provided that I wrote about it immediately, which I promised. Subsequently, the said Captain told me that he was by no means satisfied with me and had many grievances on his mind. I requested His Honor to communicate them to me, so that I might remove them if it were in my power, as I sought nothing other than to please His Honor and to give all possible satisfaction, that I would listen to His Honor's proposals with all attention, and therefore requested that we sit down. This being done, the Gentleman of Walm made his grievances known to me, consisting of the following articles. First 3438 3826 First, that His Honor was by no means satisfied with the reception, both during the paying of compliments or welcoming on board the frigate by the deputies appointed by me for that purpose, as well as upon receiving His Honor during our first meeting, because everything had not been observed that pertained thereto according to His Honor's rank of Extraordinary Councilor of India, since the Honorable Administrator van der Spar and the Honorable Fiscal D'Estardau had carried out the first deputation without being provided with a secretary, which was against orders, since no deputation was valid without this provision, and upon the meeting in the Commandery, His Honor had noticed that the reception had taken place with open doors and windows, and the reception had also not taken place in the meeting room or Hall, but in the large front room, and persons had also been present who did not belong to the Council, and thus not to this ceremony, naming to me having seen the Junior Merchant van Spal on that occasion, and thus was extremely offended by this; and also that in the middle of the Assembly no table, paper, inkstand, and pens had been arranged, which absolutely ought to be so. To this I answered His Honor that at His Honor's arrival here, lying sick in bed, I had ordered the Honorable Administrator van der Spar by a brief note to carry out the deputation to welcome His Honor according to the order and thus properly, that I had also received no verbal but only a written report of the execution of this deputation, and thus until that moment knew no better than that it had been executed in amplissima forma; that Captain van Walm is well aware that our secretary was at that time very sickly and far too weak to be able to go on board, that the first clerk, as I recalled, was also indisposed at that time, and we therefore had none other than two ordinary clerks, whose accompaniment the Honorable deputies
Dutch transcription
3425 3458 van de mijne staadswaards geleegen, vernam naa zijn Wel Ed: ten eijnde mij over den gearresteerden maktroos te kunnen onder„ „houden, doch zijn WelEdele was niet te huijs, waarop ik mij dan stadwaards begaf, om de gewoone weekelijksche rapporten te ont„ „fangen; en den gearresteerden mattroos in de Hoofdwagt in verzee„ „kering te doen stellen, jk liet dan daadelijk de Equipagiemeester Abo bij mij koomen, gelaste hem daer Mattroos op eenige nood„ „zaekelijke vraegen te onderhouden, mij daarvan een behoor„ „lijk schriftelijk rapport intedienen, om naa kolocebo te kun„ „nen gezonden worden, en hem vervolgens naa de Hoofdwagt te 1„ zenden, en den Heer Kapitein van Walm bij ontmoeting uijt mijn naam kennis te geeven, dat ik over deeze zaak divect een brief aan UedEd: Gestr: Groot Achtb: zoude afvaardigen; De Equipagiemeester liet dus deeze man voor zig brengen, verhoorde hem, en diende mij desweegens van schriftelijk berigt, 't geen nog dien middag aan UeEd: Gestr: Groot Achtb: afgevaardigd wierd; Onder deeze verrigtingen nu kwam de Heer Kapitein van Walm, terwijl ik nog met het ontfangen der rapporten bee„ „zig was; met veel drift bij mij, en vroeg daadelijk met veel heevigheijd en op eene gantsch trotsche en aanstootelijke wijza„ waarom ik de dag te vooren den gearresteerden Mattroos niet daadelijk had afgegeeven, maar zijn WelEd: had laaten weeten, eerst naa het geval te laaten onderzoek doen, het geen tot een bewijs vertrekte, dat ik zijn WelEd: woorden in twijffel trok, begeerende de divecte overgaeve van deeze man, en vertoonende mij zijn WelEd: instructie, bij dewelke bepaald stond, dat de de„ „frteurs over en weeder daadelijk moesten overgegeeven worden; Jk antwoorde dene Heer Kapitain van Walm hierop met alle beleefd en bedaardheijd, dat ik niet wijgerde die man, een deserteur zijnde zijnde, overtegeeven, dat ik ook in geeneer deelen aan zijn WelEd: betuijgingen twijffelde, maar dat ik een ondergeschikt bevelheb„ „ber zijnde, verbonden was eerst het geval aan uwEd: Gestr: Groot Achtb: te bedeelen, en hoegst desselfs goedvinden daarop te verbeijden, dat ook daadelijk naa het verhoor van die man, en het indienen van het desweegens noodig rapport zoude geschie„ „denr, en hij zoo lange in de Hoofdwagt verteekerd blijven, hier op voor den Heer Kapitein van Walm in groote heevigheijd tee„ „gens mij uijt en zijde mij, zijne orders te moeten executeeren, jk andwoorde even behaard als te dooren dat dit zeer prijselijk was, dog dat zijn WelEd: geliefde te begrijpen, dat ik eeven zoo aandagtig en oplettend moest zijn om alles te betragten wat mijne hooge suppenieuren mij gelasten, en ik in dit geval regelmaatig diende te werk te gaan, dog indien zijn WelEd: volstrekt die man daadelijk begeerde, Jk her dan zoude laaten afgeeven, als daarover geene moeijelijkheeden meer willende maaken, en ik uEs: Gestr: Groot Achtb: dan ook ten eersten zoude kennis geeven, dat ik tot deeze afgaeve als gedwongen was, op deeze betuijging, besloot dan de Heer Kapitein van Walm, deete deserteur tot den ont„ wangst van Uede Ed: Gestr: Groot Achtb: g'eerd bevel dien aangaande, in arrest te laaten, mids ik daarover daadelijk schreef, het geen ik beloofde; vervolgens zijde mij gemelde Heer kapitein gantsch niet over mij te vreede te zijn, en veele beswaaren op het hart te hebben, ik verzogt zijn WelEdele mij die te bedeelen, op dat ik ze mogt wegneemen zoo het aan mij stond, als niet an„ „ders trachtende dan zijn WelEdele te believen, en alle moogelijke genoegen toetebreegen, dat ik met alle aandacht naa zijn WelEd: voorstellen zoude luijsteren, en dies verzogt dat wij ons zouden neerzitten, dit gedaan zijnde gaf de Haer van Walmn mij zijne be„ „swaaren te verstaan, bestaande in de ondervolgende Artikelen. jen 3438 3826 Ten eersten dat zijn WelEdele over de receptie zoo bij het complienteeren of verwelkoomen aan boord van het fregat, door de door mij daartoe benoemde gecommitteerden als bij het ontvrengen van zijn Wel Edele in onte eerste bijeenkomst gantsch niet te vreeden was, wijl daarbij niet was geobserveerd geworden, al het geen daarbij naa zijn WelEd: vang van Raad Extra ordinair van Jndia behoorde, alzoo de E: Administrateur van der Sparen de E: fischaal D' Estardau de eerste commissie zonder van een secretaris voorzien te zijn vol„ „bragt hadden, dat teegen de orders was, alzoo geen commissie zonder deeze voorziening bestand was, en bij de ontmoeting in het commandement zijn WelEdele had opgemaekt dat de receptie was geschied met opene deuren en vengsters, de rereptie ook niet in de ver„ „goederplaats of Zaal, maar in de groote voorkaemer geschied was, en zich daarbij ook perzoonen bevonden hadden, die bij den Raad, en dus bij deeze ceremonie niet behoorden, mij opnoemende, de Onderkoopman van spal bij die geleegendheijd te hebben gezien, en dus daarover ten koorsten gevoelig was, datook in het midden der Vergaedering geen tafel, papier, inkt kooker en pennen geschikt waeren, het geen volstrekt zoo behoorde; hierop antwoorde Jk zijn welEdele, dat ik bij zijn Edele komste alhier, ziek te bedde leggende den E: Administrateur van der Spar, bij een briefje gelast had de commissie ter verwelkooming van zijn WelEdele naa de order en dus naa behooren te volbrangen, dat ik ook geen mondeling maar alleen schriftelijk Rapport van het volbrengere dee„ „zer commissie ontfangen had, en dus tot dat oogenblik niet bee„ „ter wist of die was in amplissima forma volbragt, dat den Heer kapitein van Walm wel bekend is, dat onze secretaris als doen zeer ziekelijk en veel te zwak was, om zich nae boord te kun„ ƒ9 „nen begeeven, dat de eerste klerk zoo mij voorstond op die tijd ook onpasselijk was, en mij dies niet anders dan twee ordinaire klerken hadden, welker meedeneeming de Ed: gecommitteerden moon
English
might have thought insufficient, that this was also an insignificant matter in which no premeditated diminution of respect could possibly be assumed, that the Lord Captain had also shown nothing of the kind to those deputies, as far as was known to me, but that I would speak about this with the Honorable Administrator as the first in the commission, who would certainly present to His Honor his best apologies for it, as I then also immediately dispatched the sworn clerk van Albedijk for this purpose to His Honor, and had this necessary redress or satisfaction presented to His Honor; that furthermore the Lord Captain van Walm had been received in the best, most cordial, and most solemn manner possible, and in the place most suitable for such a ceremonial observance, and in the same manner as the Lord Captain Willinck had been received by Your Right Honorable and Highly Esteemed Self in the year 1784, and the worthy Captain-Commanders of the State's Squadron, van Braam and Silvester, by me in the year 1785/6; that we here had no other established council chamber than the old, wooden, cramped town hall, the stairs of which are very difficult to climb and even more awkward to descend, and is not at all a place to perform such solemnities properly, as His Honor could well enough see from the sight of that wretched building, pointing it out to His Honor through the window; but that we, upon His Honor's departure, if he so desired, would give the customary escort from there, and for the rest, that we, as subordinate servants of the High Government at Colombo, did not make use of a table in the middle of our sessions during such ceremonial presentations, as this had likewise not been observed during the previous receptions of the above-mentioned gentlemen, who also had raised no objection against it; and that I also did not know what would need to be transacted in writing by us on such an occasion, and that it would only have depended on His Honor's desire to have a table placed with the necessary equipment, had there been anything important to propose; and that this lesser stately display here ought much rather to be regarded as a sign of our inferiority and dependence, than as an incomplete or insufficient ceremonial reception with respect to His Honor; that I had also not noticed that anyone had been present in our first meeting who did not belong there, but that I would inquire about it, as I also did that same morning, and was fully assured that no one other than the members of this Council had been present inside that well-decorated room for the reception of the Lord Captain van Walm, nor had the Junior Merchant van Spal, except just before the arrival of the said Lord Captain, and again after the ceremony was completed, when he came with some other gentlemen to greet the Lord Captain van Walm; to this proper defense of mine, the Lord Captain van Walm answered upon taking his leave that he did not wish to enter the wretched-looking Council or town hall, and preferred to decline all honors; that His Honor deemed a secretary, or one who could represent him, absolutely necessary with the commissions for his greeting and escort, as well as a table with the usual requisite writing materials in the meetings of this Council, and desired this, although the worthy Captain-Commanders van Braam and Silvester had let this pass unremarked, as had also the Lord Captain Willinck, and had been content without the same, of which Their Honors had the choice, but that His Honor held a different opinion. Subsequently His Honor presented me with his second grievance, consisting in this, that some days before, when His Honor came to my country residence at midday, I did not immediately disclosed this to me, and made known that the Lord Captain van Walm was very displeased that, twice from my garden after having the midday meal, His Honor, having been brought to his country residence situated not a musket shot from mine with one of my carriages, the first time only one runner and the second time none at all had been before the vehicle, and that I made use of peons or house servants in fine clothes, while none were assigned to His Honor; hereupon I gave these good friends the answer that I was sorry to have to remark that the Lord Captain van Walm took offense at such an insignificant matter, and I requested them to explain to His Honor at the first favorable opportunity that the Company here keeps neither carriages nor fore-runners, and as for myself, I never make use of the latter outside the town, and thus my coachman will also have thought that for so small a distance in the middle of the day this was not necessary or required with respect to the Lord Captain van Walm, and it had also escaped my attention; and as far as my peons were concerned, that I have no more than four here, two of whom daily keep watch at my garden for the purpose of carrying messages and papers, and that these are house servants whom I clothe and maintain out of my own pocket, and had not thought that the Lord van Walm would have noticed or thought about that; and that I, being placed at my writing desk due to continuous business, rarely appeared on foot in the street, and thus this slight state could hardly, or frequently, have offended His Honor; further they related to me some other trifles of lesser importance, which were likewise said to have displeased the Lord Captain van Walm, but being of no considerable consequence, I think it best to let them pass unremarked as well, and now only mention the case of the sailor Caval Frances Nevel, otherwise named Verschoor.
Dutch transcription
moogelijk onvoldoende gedacht hadden, dat dit ook eene niets beduij„ „dende zaak was; waarin ninee geane voorbedachtelijke verminde„ „ring van eer bewijs konde onderstellen, de Heer kapitein ook niets daarvan aan die gecommitteerden had laaten blijken, zoo verre mij bekleed was, dog dat ik daarover den E: administrateur als den eerste in de commissie zoude onderhouden, die zeeker zijn Wel Ed: daar„ „over zijne beste verschooningen zoude voorstallen, gelijk ik dan ook daadelijk den gezwoore klerk van Albedijkl ten diene eijnde aan zijn Ed: afvaardigde, en zijn E: deeze nood zaakelijke herstelling of genoegen geeving liet voorhouden, dat verder de Heer Rapi„ „tene van Walm op de beste hartelijkste en plegtigste wijze eenigzints /:doenlijk, en op de meest tot zodaanig eene ceremonieele betragting schikkende plaats, en op gelijke wijze als de Heer Kapiteine Wil„ „lingk door UwelEd: Gestr: Groot Achtb: Zelve, in A=o 1784: en de Waaren kapitaiie Mommandeurs van slands Esquaader van Braam en silvester door mij in A=o 178 5/6: ontvangen waaren, dat wij hier geen andere vastgestelde raadzaal hadden als het oude houte bekrompe stads=huijs, waarvan de trap zeer moeijelijk om te beklemmen, en nog ongemakkelijker om af te treeden, en in het geheel geen plaats is om zodaanige plegtigheeden naa behooren te verrigten, gelijk zijn WelEdele genoeg uit de voorstelling van dat elendige opstal konde ziene, het zijn Edele door de vengster aanwij zeide, dog dat wij, bij zijn Edele vertrek, des begeevende, van daar het gewoone uijtgeleide zouden geveen, en voor 't overige wij ons als ondergeschikte dienaaren aan de op per Regeering te kolombo bij zodaanige recemonieele voorstellin„ „ggee van geen tafel in 't midden onzer zittingen bedienden, gelijk dit ook niet bij de voorige receptien der bovengemelde Heeren was in agt genoomen, die ook niets daarteegen ingebragt hadden, en ik ook niet wist, wat door ons bij zodaanige geleegenheijd schrifto„ „lijk zoude dienen verhandeld te worden; en het aan zijn WelEd: begeerte 3658 3427 begeerte maar alleen zoude gestaan hebben om een tafel met de noo„ „dige toestal te doen plaatsen, bij aldien iets aangeleegen waere voortestellen geweest, en deeze mindere statieuse vertooning alhier veel eer tot een blijk van onze minder en afhangelijkheijd, dan tot eene onvolkoomene of onvoldoende ceremonieele vecaptie ten opzigte van zijn WelEdele behoorde aangemarkt te worden, dat ik ook niet vermerkt had dat zig iemand in onze eerste bijeenkomst bevonden had, die er niet behoorde, dog mij daarnaa zoude onderrigten, gelijk ik ook die zelve morgen gedaan heb, en volkoomen verzeekerd wierd, dat zich niemand dan de leeden van dene Raad binnen dat wel opgerierde vertrek ter receptie van den Heer Kapitein van Walm bevonden had, en ook niet de Onderkoopman van Spal, door eeven voor de aankomst van gem: Heer Kapitein, en werder naa dat het Ceremonieel volbragt was, en hij met eenige andere Heeren kwam om den Heer Kapitein van Walm te begroeten; op deeze mijne behoorlijke verweering antwoorde de Heer Kapiteine van Walm bij het afscheijd neemen, niet in het slegt uitzeinde Raad of stadhuijs te willen treeden, en liever voor alle eerbewijzingen te be„ „danken, dat zijn WelEdele volstrekt een secretaris of die hem konde verbeelden bij de commissien ter zijner begroeting en Bege„ „leijding noodig oordeelde, gelijk ook een tafel met de gewoone vereijschte schrijftoestel in de bijeenkomsten van deze Raad, en dit begeerde, schoon de Weesen Mapitein Mommandeurs van Braam en silvestar dit onaangemerkt hadden gepasseerd, gelijk ook de Heer Kapitein Willinck en zonder het zelve te vreeden waaren geweest, waarvan hun WelEdele de verkiesing hadden, dog dat zijn WelEdele van een ander begrip was. Vervolgens stelde zijn WelEdele mij zijn tweede beswaar voor„ . hierin bestaande, dat ik eenige daagen te vooren, wanneer zijn WelEdele op den middag in mijn buijten wooning kwam, niet daadelijk mij dit ontisikhelden, en te kennen geaven, dat de Waer kapitain van Halm zeer te onveeden was, dat tweemaal uijt mijn thuijn naa het houden van het misdagmaal zijn WelEdele naa dessalfs buijten wooning, nog geen snaphaanschoot van de mijne geleegen„ met een mijner waegens gebragt zijnde de eerste maal maar een looper en de tweede maal in het geheel geene voor het vijtuijg was geweest, en ik mij van Pions of huijs dienaars in fraaije kleederen bediende, terwijl zijn Wel Edele er geen toegevoegd wierden, hierop gaf ik deeze goede vrienden ten antwoord, dat het mij leed deed te moeten opmerken, dat de Heer kapiterie van Walm zich aan zodaanige niets beduijdende zaak stiet, en ik hun verzogt, zijn WelEdele bij best voorkoomende geleegendheijd te verklaeren, dat de kompenie hier nog waegens nog voorloopers houd, en ik vir mij van de laastgenoemden nimmer buijten de stad bediene, en dus mijn koetsies ook zal gedagt hebben, dat dit voor zoo eene klijne distantie op den heeren middag ten opzichte van de Heer Kap:n van Walm niet noodig was of vereijscht wierd, en het ook mijne attentie ont„ „slipt was, en wat mijne Pions betrof, dat ik hier niet meer dan vier hebbe, waarvan twee daagelijks aan mijn thuijn tot het overbrengen van boodschappen en papieren de wagt houden, en dit huijs dienaaren zijn, die ik uijt mijn eijge zak kleedeen onderhoude, en niet gedagt had dat de Heer van Walm daarop zoude gezien, of gedagt hebben: en ik door geduurzaeme beetig„ „heeden aan mijn schrijftafel geplaatst, weijnig te voet op straat ver„ „schaen, en dus deeze geringe staatsie zijn WelEdele niet wel, of dikwijls konde gestooten hebben;, verder verhaalde men mij nog eenige klijnigheeden van minder belang, die insgelijks den Heer Kapitein van Halm zouden mishaegd hebben, dog van geen aanmerkelijk ophef zijnde, denk ik best die ook maar onaangemerkt te passeeren, en nu maar alleen het geval van den mattroos Caval Frances Nevel anders genaamd Verschoor
English
to explain further to Verschoor. It was on the second of this month that in the afternoon, while I was sitting at table with some good friends, I was warned that an orderly of Captain van Walm was at the front door with a message. I thereupon sent one of my European orderlies to this messenger to inquire what he desired, who shortly thereafter came to tell me that this messenger came to declare that Messrs. van Walm and Abo sent their compliments, inquired after my health, and informed and notified me that the sailor arrested in the Main Guard had had nothing to eat for three days, and Captain van Walm let me know to take proper care of it and that I had to provide him with food at my own expense. Thinking that this message had not been conveyed well, I had it given to me for the second time, but it was and remained the same. Although I immediately understood that I could not or should not receive any orders from Mr. van Walm, and this message nevertheless contained a very definite and improper order, I nevertheless politely had him answered that I would inform myself of the circumstances of this man, who had only been in arrest for two days, and thus could not well have fasted twenty-four hours longer in this stay of his, and offered Messrs. van Walm and Abo my reciprocal greetings. I immediately wrote a note to Adjutant Behm, who was charged by me once and for all with the care of the arrested persons in the main and other guards, and demanded from him proper written information concerning this man. This officer just happened not to be at home that day, and so I only received the expected answer toward nightfall, consisting of this: that this arrested person had complained to no one at the guard about a lack of food, that it had also been brought to him the evening before by his female cook or caterer, as he himself had declared to the Adjutant during the oral inquiry, and that the arrestee had complained about a lack of food only that forenoon to one of Captain van Walm's orderlies, by whom the report thereof had immediately been made to the said Captain, and that he, the Adjutant, would further, according to my order, ensure that this arrested person was properly provided with food. Satisfied with this report, and not quite pleased with the unpleasant message brought to me and the entirely strange order or command, and informed that Messrs. van Walm and Abo were together, and losing no time to do what was right, I sent a copy of the report of the Adjutant to the said gentlemen, and wrote above it these words: "For Messrs. van Walm and Abo, to their Honours' full conviction, that the pretext of the good-for-nothing arrestee is entirely false, and that one does ill to rely immediately upon such complaints without investigation, and to produce disputes where they are entirely unnecessary." This now is the heavy point of complaint of Captain van Walm, and concerning this I am principally ordered to account for myself. What ground for reasonable objection Captain van Walm can now have in this conduct of mine, and that after sending such an uncivil oral message, I declare I cannot understand, for in the first place, in my view, there resides in this conduct nothing that could offend Mr. van Walm. Secondly, I attest and declare on my word of honor that I had not the least intention of giving offense, and far less of any insult, with the dispatch of this copy of the report of the Adjutant, and with the making or providing of my remarks. Thirdly, Captain van Walm cannot take it amiss that I addressed and sent this note or report as well to his Honour as to the Equipage Master Abo, since in the afternoon the message had been brought to me in the name of both, and those gentlemen were together again in the evening. Fourthly, Captain van Walm can also with no reason be resentful or vexed that I did not add a separately signed note to the report of the Adjutant, since his Honour had met me in that matter only with an oral message through one of his orderlies, which I could never have done in the same manner, and thus my written notice was indeed much more modest and polite, and from oral messages often only many difficulties arise. Fifthly, I have never heard that someone with any right of presumption can demand public satisfaction or amends for a still little or insignificant incident or representation, in which he has already arrogated to himself a sort of right, and this is entirely the case of Captain van Walm in this matter, for Your Right Honourable Sir will certainly please understand that in the answer of Captain van Walm to the copy of the report of Adjutant Behm sent by me to his Honour and Equipage Master Abo, infinitely more grievance lies for me than the Captain will ever be able to point out from the contents of the wording of my remarks on that report, and yet I have about it, as little as about
Dutch transcription
34 Verschoor naader te verklaeren. Het was dan den tweeden deezer, dat mij des naademiddags, ter„ „wijl ik met eenige goede vrienden aan tafel zal. gewaarschuwd wierd, dat een ordonnants van den Heer Kapitein van Walm aan de voordeur was, met een boodschap, ik zond daarop een van mijne Europeesche ordonnanssen naa deeze afgezondene, om te verneemen, wat hij begeerde, die kort daarop mij kwam zeggen dat deeze boodschapper mij kwam verklaeren, dat de Heeren van Walen en Abo hun compliment lieten maaken zich naa mijn welstand onderrigten, en mij bekend maaken, en mij berigten, dat de in de Hoofdwagt gearresteerde Mattroos in geen drie daagen had te eeten gehad, en de Heer kapiteie van Walm mij liet weeten daarvoor behoorlijk zorg te draegen, en hem de kost voor mijn eijge reekening moest bezorgen, denkende dat deeze boodschap niet wel overgebragt wierd, liet ik ze mij voor de tweede maal doen, dog te wat en bleef dezelfde, hoewel ik daade„ „lijk begreep, geene order van den Heer van Walm te konnen of te moeten ontfangen, en deeze boodschap egter een zeer bepaald en oneijge bevel inhield, liet ik echter beleefdelijk antwoorden, dat Jk mij naa de omstandigheeden van deete man, die nog maar twee daegen in arrest zat, en dus niet wel vier en twintig uuren langer in dit zijn ver„ „blijf konde gevast hebben, zoude laaten onderrigten, en de Heeren van Halm en Abo mijne weeder groetenis liet aanbieden, Jk schreef daadelijk een briefje aan den Adjudant Beem, met de zorgen der gearresteerden in de hoofd en andere wagten eens voor al door mij belast, en eijschte van hem weegens deeze man eene behoorlijke schriftelijke onderrigting; dee te officiee was juijft die dag niet te huijs, en dus kreeg ik eerst teegen het vallen van den avond het verwagte antwoord hierin bestaande, dat deeze gearresteerde zich bij niemand aan de wagt overgebrek aan mondkost beklaagd had, hem die ook 3429 nog 1„ E nog den avond te vooren door zijn kokkan of spijs bezorgster gebragt was, gelijk hij zelve aan den Adjudant bij het mondeling ondertoek verklaard had, en hij arrestant zich over gebrek van mondkoft, alleen voor die voordemiddag aan een der ordonnantsen van den Heer Kapit=n van Halm beklaegd had, door wien het rapport daarvan doodelijk aan gem: Haer kapitain gedaan was, en hij Adijudant verders volgens mijn last, zoude zorgen dat deeze gearresteerde behoorlijk van mondkost voorzien wierd, vergenoegd over dit berigt, en niet wel over de mij toegebragte onaangenaame boodschap en geheel vreemde order of bevel gestigt, en onderrigt dat de Heeren van Halm en Abo zich bij elkander bevonden, en geen tijd tot het goede te verliezen, zond ik een afschrift van het berigt van den Adjundant aangem: Heeren, en schreef daarboven deeze woorden: „ voor de Haeren van Walmee Abo tot hune Edelen volkoome „ overtuijging, dat de voorgaeve van den ondeugeerde gearresteerde „ geheel valsch is, en men kwalijk doed zich zoo maar aan„ „ stonds, zonder onderzoek op diergelijke klagten te verlaaten, „ en verschillen voortebrengen daar te geheel onnoodig zijn. Dit nu is het swaare beklag poinct van den Heer Map: van Walm, en hierover den ik voornaamentlijk gelast mij te moeten verant„ „woorden; wat grond van billijk beswaar nu de Heer Kapitain van Halm in deete mijne handelwijze, en nog wel naa het afzenden van zoo eene onhebbelijke mondelinge boodschap kan hebben, betuijg ik niet te kunnen begrijpen, want voor eerst resideerd in deete handelwijze naa mijn inzien niets, dat de Heer van Walm zoude kunnee stooten. Ten tweeden betuijgen verklaar Jk op mijn woord van eere ook geene het minste oogmerk van aanstoot en dees veel minder van eenige beleediging met het afzenden van dit afschrift Rapport van 348 3430 van den Adjusant, en met het stellen of voorzien van mijne aan„ „merkingen gehad te hebben. „Ten derden, van de Heer kap: van Walm nietquaalijk duijden, dat ik dit briefje of berigt zoo wel aan zijn WelEdele als aan de Equi„ „pagiemeester Abo gerigt en gezonden hebbe, wijl des middags de bood„ „schap uijt bijder naam bij mijs gebragt was, en die Heeren zich des avonds weeder bij elkander vonden. Ten vierden, kan ook de Heer kap: van Walm met geen reeden ge„ „belgd of verstoord zijn, dat ik niet een afzonderlijk geteekend briefje bij het berigt van den Adjudant gevoegd hebbe, wijl zijn Wel Edele mij zelve in die zaak maar met een mondelinge bood„ „schap door een zijner ordonnantsen ontmoet had, dat ik nim„ „mer eeven gelijk had kunnen doen, en dus mijne schriftelijke vrij aanduijding immers nog zaal bescheijdener en beleefder was, en uijt mondelinge boodschappen dikevils maar veele moeije„ „lijkheeden ontstaan. Ten vijfden, heb ik nimmer gehoord, dat iemand met eenig regt van aanneeming publieke voldoening, of genoegene kan eijschen, over een nog wel weijnig of niets beduijdend geval of voorstelling, waaren hij zich reeds zelve een zoort van regt heeft toegeeijgend, en dit is volkoomen, het geval van den Heer kapitein van Walm in deeze zaak, want uwel Edele Gestr: Groot Achtb: zal zeeker wel gelieven te begrijpen, dat in het antwoord van den Heer Kapitein van Walm op mijn aan zijn Wel Edele en den Equipagie meester Ado toegeschiktt afschrift berigt van de Adjusant Behm, oneijndig meer beswaar voor mij legd dan de Heer Kapitein, immer uijt den inhoud der bewoordingen van mijne aanmerklingen op dat berigt zal kunnen aanwijzen, en achter heb ik mij daarover, zoo min als over k 1 aarde
English
about many other entirely strange and ill-disposed encounters with that gentleman during his Honour's stay here, I have never complained to Your Honourable Valiant Right Esteemed, who certainly must keep his subordinates to their duty, but who also at the same time wishes to be fair and just in order to support and protect them in all cases where they are wronged. And in this regard I believe I stand on very good grounds with Captain van Walm, and therefore request in my turn to be favoured with Your Honourable Valiant Right Esteemed's good care and protection. Captain van Walm has long been prejudiced against me, and most of all because at his Honour's first arrival here in the month of October of the year 1786, and precisely the day after Captain Commander Silvester and Captain Trijkenius had departed from here overland for Kolombo, and Captain Lucas, commanding the state's frigate the Scipio, had command of the state's squadron lying here at the time, I could not salute for the second time the standard which, on the frigate the Ceres commanded by his Honour, as being a senior captain to Captain Lucas, was brought over, because this had already been done once and also had not occurred at the hoisting thereof on the frigate the Scipio, and Captain van Halm, with the frigate entrusted to his Honour's management, belonged to one and the same squadron. Captain van Walm, however, absolutely demanded this second salute, and upon my excuse, departed two days later also for Kolombo, declared himself exceedingly angry with me, and complained to Captain Commander Silvester, whom I also informed of the matter, and who answered me that Captain van Halm was wrong in his demands, and that I had done well not to salute the standard for the second time upon the sailing in of a ship belonging to one and the same squadron, further leaving without consequence a second complaint of the said Captain regarding the detention of some trade goods by the then Alphandiga farmer, whom Van Walm, because that man had detained one of the officers with those goods, wanted to have punished immediately without form of trial or inquiry, to which I could not agree, but first arranged to collect the necessary information and depositions, and sent the copies thereof to the said worthy Silvester. Both these cases seem still to be fresh in the memory of Captain van Walm, because his Honour has already once and again reproachfully reproved me, adding that he well remembered having been put in the wrong at that time, but that this time things would go differently, and that his Honour had written about the first case to the Noble Mighty College of the Admiralty on the Maze, thus clearly showing that his Honour has merely looked for some circumstances to complain about me to Your Honourable Valiant Right Esteemed, and could find nothing for that purpose other than my well-intentioned remarks on the submitted report of Adjutant Behm regarding the false complaint of the arrested sailor, as it certainly must and will immediately appear to Your Honourable Valiant Right Esteemed and all people of judgement and discernment. Although I have strictly forbidden my clerk, children, and domestic servants to mention to anyone in the world anything of the conversation between Captain van Halm and me, during which his Honour lashed out so fiercely against the French nation in general and against the officers of the Regiment of Luxemburg in particular about their unfriendliness towards the wife of the master attendant Abo, it nevertheless seems that those gentlemen have come to know something of it, because some of them have come to inquire with me about it, to which I only answered that I did not consider myself bound or obliged to give anyone in the world any account of what was spoken privately in my house, and that their Honours would do well not to listen to any instigations, and rather to think that Captain van Halm, if he had anything against them, would certainly be able and willing to declare it to their Honours themselves, with which I was able to send those gentlemen away from me only half satisfied; and they seemed even less satisfied when I referred their Honours to their commander upon making complaints about the rude encounters of Captain van Halm, who often passed the main guard when the usual military salute was given, and would not deign to turn his face once toward the commanding officer of the guard, much less salute him, about which those gentlemen seemed very offended, and even more about the rudeness of Captain van Walm, who often passed the said officers without acknowledging or returning their greetings with equal civility. To the first part of this representation, the said Captain answered Captain Commandant De la Motte, presently commanding the Regiment of Luxemburg here, that his Honour always took off his hat when passing the guard, and that those officers complained wrongly; and to the second grievance that it might well happen that his Honour passed those gentlemen without returning their greeting when they were on the steps of the commandery or in front of my country residence, because his Honour, on those heights
Dutch transcription
over veele andere geheel vreemde en kwalijk gezinde ontmoetingen— van dien Heer, geduurende zijn WelEdele verblijf alhier, nimmer beklaagd bij Uwel Edele Gestr Groot Aghtb:, die zeeker zijne onderhoorige tot hunne plicht moet houden, maar die ook te gelijk wel billijk en regtvaerdig wil zijn om huen in alle gevalle, waarbij zij verongelijkt worden, te onder„ „steuner en beschermen, en in deze betrekking vermeen ik op zeer — goede gronden met den Heer Kapitein van Walm te staan, en ver„ „zoeke dus op mijn beurt met UweEd: Gestr: Groot Achtb: goede voorzorgen en bescherming te moogen beguenstigd worden. De Heer kapitein, van Walm is van lange teegen mij ingenoomen, en wal meest, wijl ik bij zijn WelEdele eerste aankomst alhier in de maand October van het jaar 1786: en wel daags naa, dat de Heer kapiteie Commandeur Silvester, en de Haer Kapitein Trijkenius van hier over land naa kolombo vertrokken waaren, ende Haer kapitein Luxas commandeerende 'slands fragat de Cripio, over het als doen hier leggende 'slands Esquaader het bevel voerde, voor de tweede maal niet konde salueeren de standaard, die op het door zijn Wel Edele gecommandeert wordende fregat de Ceves, als ouder kapitaine dan de Heer Kapitein Lucas zijnde, wierd opgebragt overgebragt, wijl dit reeds eens volbragt en ook bij het ophijpen daarvan op het fregat de scipio niet geschied was, en de Heer kapitein van Halm met zijn WelEdele bestier aanvertrouwd feregat bij een en het zelfde Esquaader behoorde; De Heer Mapitein van Walm begeerde echter volstrekt dit tweede saluit, en vertrok op mijne verschooning, twee daagen daarnaa meede naa Kolombo, verklaarde zich ten hoogten teegen mij verstoond, en beklaegde zich bij den Heer kapitein Kommandeur Silvestar„ die ik meede van het geval kennis gaf, en mij antwoorde dat de Heer kapitein van Halm ongelijk in zijne eijschen had, en ik wel gedaan had van de standaard niet voor de tweede maal bij het binnen zeijlen van 345 3431 van een schip tot een en het zelfde Esquaader behoorende, te salueeren, laatende verder zonder gevolg eene tweede klagte van gem: Heer kap=ne weegens het aanhouden van eenige Negotie goederen door den toenmaa„ „ligere Alphandige pachter, die de Heer van Walm, wijl die man een der officeeren met die goederen aangehouden had, maar daadelijk zonder forma van protes, of onderzoek wilde afgestraafd hebben, waar„ „toe ik niet konde treeden, eerst de noodige informatien en ver„ „klaaringen liet beleggen, en de afschriften daarvan aan gemelde braave Heer Silvester zond, deeze bijde gevallen schijnen dene Heer kap: van Walm nog versch in geheugen te leggen, wijl zijn Wel Ed: te mij reeds een en andermaal schamper verweeten heeft, met bijvoeging zich nog wel te herinnesen van als doen in het ongeluk gesteld te zijn, dog dat het dit maal anders zoude gaan, en zijn WelEdele over het eerste geval aan het Edele moogende Collegie ter Admiraliteit op de Mase geschreevene had, blijkende dus klaarlijk, dat zijn WelEdele maar naa eenige omstandigheeden gezogt heeft om zeik over mij bij uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: te beklaegen, en daartoe niet anders dan mijne welmeenende aanmerklingen op — het ingediend rapport van den Asjuedant Behm weegens de valsche klagte van den gearresteerde mattroos heeft konnen vinden, ge„ „lijk het zeeker uwelEd: Gestr: Groot Achtb: en alle lieden van oordeel en door zigt daadelijk moet en zal voorkoomen. schoon ik nu wel mijn schrijver, kinderen en huijs bedienden ten scherpffen verbooden hebbe iets van het gesprek tusschen den Heer kapiteie van Halm en mij, waarbij zijn welEdele zoo heevig teegen de fransche Natie in het algemeen en teegen de officieren van het Regiment van Luxenburg in het bijzonder over hunne invriendelijkheijd taegen de huijs vrouw van den Equipagie meester abo Abo uitvoer, aan imand ter waereld te melden, schijnt het tog dat die Heeren iets daarvan zijn te weeten gekoomen, wijl eenige hunner zig desweegens bij mij hebben koomen onderrigten, waarop ik alleen geantwoord heb, mij niet verbonden of gehouden te agten aan imand ter waereld eenige versteeschap te geeven van het geene in 't particulieer ten mijnen huijse gesprooken wierd, en hun Bd: wel zouden doen van naa geene opstookingen te luijsteren, en liever te denken, dat de Heer Rap=n van Halm, iets teegen hun hebbende, het wel aan hun Edelens zelve zoude konnen en willen verklaeren, waarmeede ik die Heeren, egter maar half te vreeden van mij heb konnen zenden, en nog minder voldaan scheenen, wanneer ik heer Edelenes naa hun Commandant overwels, bij het doen van klagten over de onbeleefde ontmoetingen van den Heer Kapitaine van Halm, die dikwijls de hoofdwagt bij het doen van het gewoo„ „ne militaire saluut. voorbij ging, en zich niet zoude verwaardi„ „gen eens zijn aangezigt naa den commandeerenden officier der wagt te keeren, veel min hem te groeten, waarover die Heeren zeer gebelgd scheenen, en nog meer over de onbeleefdheijd van den Heer Kapitain van Walm, die gemelde officieeren dikwijls voorbij gong zonder hunne groeten met gelijke beleefdheeden te erkennen of te ontmoeten; op het eerste gedeelte deezer voorstalling heeft gem: Heer Kap=n aan Dazon deze kapitein Commandant De la motte thans alhier het Regiment van Luixeunburg commandee„ „rende, geantwoord, dat zijn WelEdele altoos de wegt voorbij gaande zijn hoed afnam, en die officieren zich ten onregte beklaagden; en op het tweede beswaar dat het wel konde gebeu„ „ven dat zijn WelEdele, die Heeren zonder weedergroete voorbij gong, wanneer zij zig op de stoep van het commandement of voor mijn buijten wooning bevonden, wijl zijn Edele, op die hoogtens Nos
English
3438 passing by, always turned his head to the other side, because he was not living in good harmony with me; proof, therefore, that his Honour himself does not wish to show me ordinary civil politeness, and yet intends to bring complaints against me to Your Right Honourable and Worshipful Council over a trifling matter, which may well be called a very strange representation. Meanwhile, I must declare to Your Right Honourable and Worshipful Council that I have a great deal of trouble to keep the officers of the Regiment of Luxemburg, already sufficiently offended by the publication of the letter in question through the thoughtlessness of the Master of Equipage Abo, which contained so many vexatious and offensive expressions against the French Nation, as I myself have read, since after having been through many hands it finally also fell into mine, and not again by the conduct of Captain van Halm towards them, which appears so offensive to them, to keep them in that proper order towards his Honour, in which they ought nevertheless to remain. It is by no means unfounded that, with its continuation, I fear unpleasant consequences, which could very easily cause me the utmost embarrassment. Captain van Walm is a most difficult man, and of this his Honour has given the most convincing proof in many places in our possessions to the east of these Indies, especially where his Honour has held any command, and I will readily confess that it seems impossible to me to give his Honour any continuous satisfaction, notwithstanding that I have paid every possible attention to his Honour, for which reason I can also never decide to make his Honour the least concession regarding the questionable matter, either in person or by representation, and would rather immediately immediately resign my office. The High Powers of our country, whom may God the Lord long preserve in their high honour and independence, have certainly sent the country's ships to these regions solely for the welfare of the colonies, to make the flag of the country and the power of the Nation respected by the Indian Princes, and for the greater security and safeguarding of the colonies, and have not provided their commanders with such an extraordinarily high Rank in order to employ it, and make it serve, for the perpetual tormenting of the Company's most distinguished, zealous, and faithful servants, and do not desire at all that we, in a completely slavish and base submission, should simply put up with everything that some of those Gentlemen, unaccustomed to a Rank that in these regions corresponds so little with that actually held by them in the fatherland, think fit in their peculiar notions to impose upon us; our Noble Masters do not expect this from us either, and the High Government of these lands has also never prescribed this to its subordinate servants. It is also contrary to all sense of true honour and the proper maintenance of everyone in his entrusted post. It is proper, however, that one should meet the country's officers with all possible distinction and show them all courtesies. This I have also always observed, and have also been able to give complete satisfaction to everyone, except for that most difficult Fleet Commander, Captain-Commander van Braam, and now again this so easily offended Captain van Walm, even during their Honours' long stay here, as convincingly appears from the more than sufficient testimonies of all the officers of the Squadron of the never sufficiently praised and brave Captain-Commander Silvester at Batavia and elsewhere, regarding which the present Right Honourable Governor-General of these lands has been pleased to express to me his great satisfaction, and (be it said without any appearance of pride or reproach) many most distinguished persons in these lands, and
Dutch transcription
3438 hoogtens koomende, altoos het hoofd naa de overzijde keerde, wijl met mij in geene goede harmonie leefde; een blijk dus dat zijn WelEdele mij zelve de gewoone burgerlijke beleefdheijd niet wil toe„ „brengen, en zich egter voorsteld om over een niets beduijdende zaak klagten teegen mij bij uwel Edele Gestr: Groot Achtb: intebrengen, dat men wel eene zeer vreemde voorstelling mag noemen Onderwijl moet ik uwelEd: Gestr: Groot Aghtb: verklaaren, dat ik maar zeer veel werk hebbe om de officier van het Regiment van Luxemburg, reeds genoeg gebelgd, over het publiceeren van de bewuste brief door de onbedagtzamheijd van den Equipagiemeester Abo, welke zoo veele ergerlijke en aanstootelijke uitdrukkingen teegen de fransche Natie inhield, gelijk ik zelve geleezen hebbe, alzoo hij naa iie veele handen geweest te zijn, ook eindelijk in de mijnen verviel, en nie weeder op nieuw door het hun zoo aanstootelijk voorkoomend gedrag vanden Heer Kapitein van Halm teegen hun, in die betaamelijke order teegen zijn Wel Edele te houden, daar te egter in behooren te blijven het is gantsch niet ongegrond, dat ik bij voortduuring daarvan, voor onaange„ „naame gevolgen bediegd ben, die mij zeer ligt ten hoogsten kunnen verleegen maaken. De Heer kapitein van Walm, is een alder ongemakkelijkst man, en hiervan heeft zijn WelEdele de overtuijgend te blijken gegeeven op veele plaatsen in onze bezittingen om de oost deezer Jndien, voor al daar zijn WelEdele in eenig commando geweest is, en Jk wil wel bekennen, dat het mij ondoenlijk schijnd, om zijn Wel Ed: inig een onafgebrooken genoegen te kunnen toebrengen, niet teegenstaande ik alle moogelijke oplettendheeden voor zijn WelEdele gehad hebbe, waarom ik dan ook nimmer kan besluijten om zijn WelEdele over het questieus geval nog in perzoon nog bij repre„ „centatie eenige de minste onderstelling te doen, en liever daa„ „delijk „delijk mijn ampt wil neederleggen. De hooge Magten onzes lands, die God de Heere lange bij derzelver hooge eere en onafhangelikheijd bewaare, hebben zeeker alleen tot welzijn der Kolonien, tot het doen respecteeren der vlagder lands en van het vermoogen der Natie door de Jndiaansche Vorsten, en tot meerder zee„ „kerheijd en bevijliging der kolonien, 'slands scheepen naa deeze gewesten gezonden, en derzelver bevelhebbers met geen zoo uitneemende hooge Rang voorzien, om die tot onophoudelijke kwelling van 's Kompenies meest aanzienlijke, ijverige en getrouwe dienaaren aantewenden, die te doen strekken, en verlangen gantsch niet dat wij ons in geheel slaafaga „tige en laage onderwerping, maar alles zullen laaten welgevallen, was eenige dier Heeren, ongewoon aan eene Rang, die in deeze gewesten zoo— weijnig overeenkomt met die door hun Edelen werkelijk in het vader„ „land bekleed word, maar in hunne bijzondere begrippen goedvin„ „den ons voorteleggen; dit verwagten onze Edele Betaals Heeren ook niet van onze seste believelingen, en de Hooge Regeering deezer landen, heeft dit ook nimmer aan derzelver ondergeschikkte dienaaren voorge„ „schreeven, het strijd ook teegen, alle gevoelen van waere eere en be„ „hoorlijke standhouding van een ijder in zijn aanvertrouwde post, het is echter behoorlijk, dat men 'slands officieren met alle moogelijke onderscheijd ontmoete en alle believingen toebrrnge, dit heb ik ook altoos betragt, en heb ook een ider, buijten den zoo ongemakkelijken Vloot Voogd, de Heer Kapitein kommandeur van Braam, en nu weeder deeze zoo ligt verstoorde Heer Kapitein van Walm, bij — hun Edelen zelfs langduurig verblijf alhier, volkoomen genoegen kunnen geeven, gelijk uijt de meer dan voldoende getuijgenissen van alle de officieeren van het Esquarder van den nooit volpreese en braeve Heer Kapitein Commandeur Silvester te Batavia, en elders overtuijgend blijkt, waarover de teegenwoordige Hoog Edele Heer Gouverneur Generaal deezer landen mij wel zijn hoog genoegen heeft gelieven te betuijgen, en /: het zij zonder eenige schijn van hoogmoed of verwijt gezegt:/ veele meest aanzienlijke perzoonen in deeze landen, en
English
343 3432 and in our fatherland complained to the highest degree about the entirely undeserved, strange treatments and inflicted suffering by the first-mentioned fleet commander, and my uncalled-for subordination to his Honour by order of the Right Honourable, Severe and High Respected Sir surprised me to the highest degree, because I was in no way obliged thereto, since the mentioned Gentleman Captain Commander had not inflicted the least injustice on me. I cannot possibly get along with the Gentleman Captain van Walm, despite all possible, well-placed civilities, because his Honour is of a far too awkward disposition, and thus, despite all my attentiveness, it is now rather to be feared that our estrangement will increase and new difficulties will arise, than that we shall be able to understand each other well in anything, because I am completely tired of being spoken to any longer in a commanding and proud, haughty tone by the Gentleman Commander of the state frigate the Ceres, and I will not allow any order or laws to be presented to me by his Honour; wherefore I then deem it best that your Right Honourable, Severe and High Respected Sir please relieve me from the management of affairs during the stay of that Gentleman here, and assign the cares thereof to the two presiding members of the Council, who possibly will be able to give this so awkward naval officer better and greater satisfaction, when I am relieved of that burden, and no complaints or objections from that side will reach your Right Honourable, Severe and High Respected Sir any longer, and I shall especially be in my shell, while I shall then at the same time see myself relieved of the troublesome requests and objections of the officers of the Regiment of the Gentleman Prince of Luxemburg, who will not be dispatched so easily, for which the utmost prudence is also necessary. I have already suffered more from this long though necessary justification, which I have completed as quickly as possible, than my present weak bodily constitution can repair, and shall therefore be able to find some comfort in this rest. I attach hereto an authenticated copy of the report in question of Adjutant Behm, with the remarks made thereon by me, commend myself to the continuation of your Right Honourable, Severe and High Respected Sir's high favour and protection, and have the honour to be with all feelings of high esteem, below stood, Right Honourable, Severe, High Respected, High Commanding Sir, your Right Honourable, Severe and High Respected Sir's humble servant, signed, C. D. Kraijenhoff, in the margin, Galle, the 14th of September 1788, lower, P.S. Out of precaution I have had this letter transcribed by the secretary of Albedijk, both at his and my own house, and I keep the draft drawn up by me well-secured with me. Still lower stood, Agrees, signed, G. J. Sijbrands. P. g. Clerk. Agrees Clerk Sijbrands 3458 Ceylon To the Honourable Gentleman. Willem Jacob van de Graaff, Extraordinary Councillor of the Dutch East Indies, as well as Governor and Director of that island and its dependencies At Colombo. Honourable, Valiant, Manly, Wise, Prudent, Very Discreet Sir and Friends. This serves only to accompany the enclosed packet to their High Honours, the High Government of the Indies, with the request to forward the same at the first opportunity; While after friendly greetings I remain, below stood, Honourable, Valiant, Manly, Wise, Prudent, Very Discreet Sir and friend, your Honour's obliging friend and servant, was signed, J. P. van Angelbeek, in the margin, Cochin, the 10th of August 1788. Agrees. Sijbrands Clerk 3434 Colombo. With the narrow-ship De Verwagting To the Right Honourable, High Respected, High Commanding Sir. Willem Jacob van de Graaff. Ordinary Councillor of the Dutch East Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon and the Madura Coast, etc., etc., etc., besides the Council. Right Honourable, High Respected, High Commanding Sir! Depressed under the burden of the requisitions for Europe, Batavia, Ceylon and the Cape, which according to a calculation made by the trade transferee Smith, amount to more or less 190000 pagodas, more or less, since the moneys that we have received in this year after the expiration of the requisition for the previous year, the borrowed capitals and the gold of 18 carats 5½ grains brought out with Governor Falck included therein, only amount to pagodas 70354, from which, however, much has gone off for ordinary and extraordinary expenses on the ships, I have constantly been active in finding means to obtain money; with this aim, I had already given off a bar of the gold of 15 carats, for the charged Dutch secret price
Dutch transcription
343 3432 en in ons vaderland mij ten hoogsteen over de zoo geheel onverdiende vreemde behandelingen en toegebragt leed door den eerstgemelde vloot-voogd beklaegd, en mijne onverpligte onderstalling aan zijn Edele op bevel van den Ed: Gestr: Groot Achtb: ten hoogstae verwonderd hebben, wijl ik er in geenen deele toegehouden was, als gem: Heer kapitain kommandeur geen de minste verongelijking te hebben toegebragte - Jjk kan met den Heer kapiteine van Walm onmooglijk bij alle moogelijke — welgeplaatste believelingen, over weg koomen, wijl zijn WelEdele van eene alte ongemakkelijke geaardheijd is, en dus is het, in weerwil van alle mijne oplettendheijd; nu eer te dugten, dat onze verwijdering zal toe„ „neemen, en nieuwe moeijelykheeden ontstaan, dan dat wij elkander in alles wel zullen kunnen begrijpen, wijl ik het geheel moede ben van langer op een beveelende en trotsche wijste toon, van den Heer kommandant van 'slands fregat de Ceves te worden aange„ „sprooken, en mij geene order of wettene van zijn WelEdele zal laaten voorstellden, waarom ik dan best deerke dat ueEd: Gestr: Groot Aghtb: mij maar van de manaance van Zaakeie, geduurende het verblijf van dien Heer alhier geliefd te ontslaan, en de zorgen daarvan aan de twee voorzittende leeden van den Raad opdraegd, die moo„ „gelijk deeze zoo ongemakkelijk zee officier beeter en meerder genoegen zullen konnen geeven, wanneer ik van die last ontslaan „gen ben, en UwelEd: Gestr: Grot Achtb: geene klagten off be„ „zwaaren van die kant meer zullen toekoomen, en Jk zal er bijstonder meede in mijn schill zijn, terwijl ik mij dan tegelijk van de lastige aanzoeken en bezwaeren der officieeren van het Raigemeet van den Heer Prins van Luveneburg, die nog zoo mak„ „kelijk niet zullen afgevaardigt worden, waartoe ook de uitterste omzigtigheijd noodig is, zal ontheeven zien. Jk heb reeds aan deeze lange dog noodzaakelijke veraantwoordinge, die ik zoo haaft doenlijk volbragt hebbe, meer geleeden als mijne teegenswoordige swakke lichaams gesteldheijd kan goedmaaken, ne ƒ en zal dies in deeze rust nog eenige vertroosting kunnen vinden. Jk voege bij deeze een geauthertiseerd afschrift van het bewust berigt van den Adjudant Behm, met de daarop door mij gestelde aanmer„ „kingen, beveele mij in de voortduuring van UwelEd: Gestr: Groot= „Aghtb: hooge gunste en bescherming, en heb de eere met alle gevoe„ „leers van hoogagting te zijn /:Onderstond, WelEdele Gestrenge Groot, „Achtb: Hoog Gebiedende Heer UwelEd: Gestr: Groot Achtb: Da„„ „derdaanige Dienaar (:geteekend:) C: D: Kraijenhoff /: in margine/ Gale deen 14: September 1788: /laager /: P: S: . Uijt voorzegtigheijd— heb ik deeze brief door den sekretaris van Albedijkl: zoo ten zijne als mijne huijsze zelve laaten afschrijven, en houde het door mij opgesteld minuut bij mij wel verzeekerd. /: Nog laager stond:/ Accordeerd /:geteekend:/ G: J: Fijbrands. P: g: Klerk. Accordeert Wegklerk Sijbrands 3458 Ceilon Aan den Edelen Heer. Willem Jacob van de Graaff„ Raad Extra ordinair van Nederlands Indien mitsgaders gouverneur en Directeeur van dat eiland,/ en Deszelfs onderhoorigheiden Te kolombo. Edele Erndfeste, Manhafte „ni wijze voorziege zeer diskreete Heer en Vrienden. Deeze diend alleen ten geleide van het nevensgaande pakket aan hunne Hoog edelheeden de hooge Indische Regeering, met verzoek 't zelve met de eerste geleegenheijd te willen voortzenden; Terwijl ik na vrindelijke groete blijve /:onder„ „stond:/ Edele Erndfeste, Manhafte wijze voorzienige zeer Diskreete Heer en vrind uwer wel Ed: dienst„ willige vrind en Dienaar /:was geteekend/ J: P: van Angelbeek /:in margiene:/ koetsiem den 10=de Aug:s 1788. Accordeerdt. Sijbrands VeCklerk 3434 Kolombo. Met het smalschip De verwagting AAan den Wel Edelen Groot Achtbaaren Hoog Gebiedende Heer. Willem Jacob van de Graaff. Raad ordinair van Nederlands Indien, Gouverneur en Direkteur van het Eijland Ceijlon en de kuste Ma„ „dure etc=a eC=a etC=a Nevens den Raad. Wel Edele Groot Achtbaare Hoog Gebiedende Heer! Bedrukt onder den last van de eijschen voor Europa, Batavia, Ceijlon en de kaab, die volgens een uijt ree„ „kening, door den negootsie overdrager smith gemaakt, bedraagen min of meer 190000. pagooden, min of mr daar de gelden, die wij in dit Jaar; na 't afloopen van den eijsch voor het voorige Jaar ontvangen hebben, de opgenoomene kapitaalen en 't goud van 18. kar: 5½ grijn, met den Gouverneur Falck uijtgebragt, daar onder begreepen, maar bedraagen pag: 70354. , „en buijten gewoope waarvan voor gewoone „ uijtgaaven aan de scheepen egter veel is afgegaan, ben ik steeds werkzaam geweest op middelen, om aan geld te koomen; Met dit oogmerk, had ik van 't goud van 15. kar: reeds eenen staaft af„ „gegaaven, voor den aangereekenden Nederlandschen sekreet prijs
English
price, which would turn out three-quarters percent more advantageous than if the gold were minted into pagodas, it being assumed that the gold was of the fineness of 18 kar: 5½ grains; but I have taken this ingot back again, partly because I had no prospect of disposing of all the gold of 15 carats on this basis, and partly because it occurred to me that this gold could be used for trade in a more advantageous manner. I consulted some of the oldest and most knowledgeable moneychangers about minting this gold of 15 carats, as it is, into Porto Novo pagodas, and they were of the opinion that these pagodas would be equal to new Porto Novo pagodas, which could be exchanged for old and current Porto Novo pagodas at a loss of 7½ percent. As our Company's pagodas now stand about four and a half percent higher than the old current Porto Novo pagodas, according to this calculation the pagodas minted from the gold of 15 carats would stand twelve percent lower than our Company's pagodas. Now, if these pagodas minted from the gold of 15 carats were issued with an agio of twelve percent, more than six percent would be gained on them, because the gold of 19 kar: 5½ grains, from which the Company's pagoda is minted, according to the Dutch calculation, stands approximately 18½ percent higher than the gold of 15 carats. This would already be a considerable profit; but it does not seem impossible to me that we shall be able to issue the pagodas minted from the gold of 15 kar: with an agio of ten percent, and thus 110 of these Porto Novo pagodas for 100 Company's pagodas, whereby the profit will be another two percent greater. If it should please Your Right Honourable Worships to grant authorization for this, I shall, as far as it depends on me, take care that the large die, which was previously used at Colombo for making Porto Novo pagodas, and whose excessive coarseness contributed much to the unpopularity of the pagodas struck at that time, is improved and made more in conformity with the die of the Porto Novo pagodas. Provisionally, I have already ordered the Mint Master Damman to prepare such a die, and to employ all his skill so that our pagodas struck with this die match the common Porto Novo pagodas in both colour and appearance. Although I fully flatter myself that the pagodas minted from the gold of 15 kar: can be issued on the basis proposed by me, it is nevertheless beyond my power to give full assurance of this, because this will only become apparent once the pagodas have been struck; but even if, contrary to my expectation, it should turn out that these pagodas could not be issued on this coast according to my proposal, these pagodas could still be used with very great advantage on Ceylon, which in my view is one more reason to attempt the minting on the proposed basis, which turns out very advantageous for the Company. To make the undertaking succeed better, one ought to give an addition of silver to the gold, which has a very reddish colour due to the large amount of copper with which it is alloyed, so that the colour would become completely equal to that of the Porto Novo pagodas. Through this, the gold would decrease further in its fineness, but on the other hand, as much copper would have to be burned off as silver was added, whereby one would maintain the fineness of the gold; however, the Mint Master Damman, whom I have consulted on this matter, finds great difficulty in this. He maintains that, following the example of Colombo, one would need about twenty marks of Spanish mat silver, and that on the other hand as much copper would have to be burned off from the gold, which would result in a great loss of gold, because for this refining, about 160 lb of pig lead and 100 lb of bone ash would be required, and from such a large quantity of bone ash the gold, which together with the lead draws into the cupels made of bone ash, cannot be fully recovered from it. I do not have the knowledge to judge this difficulty, but it appears to me that the profit promised by the minting could well bear a small loss during refining. But if Your Right Honourable Worships should think fit to grant authorization for the minting of the gold of 15 kar: on the proposed basis, I would at the same time most respectfully request that these pagodas might be issued in the internal administration with the same agio at which they will be provided to the merchants. The Residents at Manapar have previously already complained about the issuing of old current Porto Novo pagodas on par with Company's pagodas, which currently have a higher value than before, and because the payments to the native servants, the washing and bleaching wages, and other expenses are fixed very frugally according to the value of Company's pagodas; I referred them at that time to the old custom, according to which the old current Porto Novo pagodas were issued on par with the Company's pagodas in the internal administration; but this could, however, by no means and also with no fairness be extended to pagodas made from gold of the alloy of 15 carats. If Your Right Honourable Worships could think fit to
Dutch transcription
prijs, 't welk driequart percent voordeeliger zoude uijt koomen, dan wanneer het goud tot pagooden ver„ van munt wierd, ondersteld zijnde dat het goud was het gehalte van 18. kar: 5½ grijn; maar ik. heb deezen staaf weeder te rug genoomen, eensdeels: om dat ik geen vooruijtzigt had, om al 't goud van 15. karaaten op deezen voet van de hand te zetten, en anderdeels: om dat 't mij is voorgekoomen, dat dit goud op een voordee „ger wijze tot den handel zoude kunnen worden ge„ bruijkkt. Ik heb eenige van de oudste en kundigst wisselaars geadviseerd over het vermunten van dit goud van 55. kavaaten, zoo als het is; tot portonovosch pagooden, en zij waaren van advis, dat deeze pagooder zouden gelijk zijn aan nieuwe portonovosche pagood die zouden kunnen verwisseld worden in oude en gang „baare portonovosche pagooden, met een verlies van 7½ percent. Daar nu onze kompenies pagooden, om t rart vier en een half percent hooger staan, dan de oude gangbaare portondvosche pagooden, zo zoude volgens deeze bereekening, de pagooden, gemunt van het goud van 15. karaaten, twaalf percent laager staan, dan onze kompenies pagooden. Indien nu, deeze van 't goud van 15. karaater gemunte pagooden, wierden uijtge„ „geeven, met een agib van twaalf percent, zo zouden daarop ruijm ses percent gewonnen worden, wijl 't goud van 10. kar: 5½ grijn, waar van de komp:s pagood gemunt word, volgens de Nederlandsche aan„ reekening 3435 „reekening, ongevaar 18½ percent hooger staat, dan het goud van 15. karaaten. Dit zoude reets een aan mer„ „kelijke winst weezen; maar het komt mij niet on„ „moogelijk voor, dat wij de van het goud van 15. kar: gemunte pagooden zullen kunnen uijtgeeven met een agib van tien percent, en dus 110. van deeze portono„ „rosche pagooden voor 100. kompenies pagooden, wan„ „neer de winst nog twee percent grooter zal weezen. Wanneer hot uwel Edele groot Achtb: mogte behaa„ „gen, om hiertoe qualifikaatsie te geeven, dan zal ik, zoo veel dit van mij afhangd, zorge draagen, dat de groee stempel, die men te vooren tot het maaken van portonovosche pagooden te kolombo gebruijkt heeft, en welks al te groote grofheid, veel al tot de ongewildheid, van de ter dier tijd geslaagene pagooden, toegebragt heeft, verbeeterd, en over een komstiger met den stem„ „pel van de portonooosche pagooden word gemaakt. Bij voorraad heb ik den Muntmeester Damman reeds aan bevoolen, om zulk een stempel te ver„ „vaardigen, en al zijn kunst in het werk te stellen, dat onze met deesen stempel geslaagene pagooder, zo in kleur als gedaante, overeenstemmen met de gewoone portonovosche pagooden. Hoewel ik mij allezins vleije, dat de pagooden, gemunt van het goud van 15. kar: op den door mij voorgestelden voet, zullen kunnen worden uijtgegeeven, is het echter buijten mijn bereik, om hier van volle verzeekering te kunnen geeven„ wijl dit eerst zal blijken, wanneer de pagooden ge„ slaagen zoude ude ste a g van ½ ent. „slaagen zijn; maar zoo het ook teegen mijne verwag „ting mogte uijtgevallen, dat deeze pagooden niet volgen mijn voorstel op deeze kust konden worden uijt gegeeven zo zouden deeze pagooden dog met heel veel voordeel kunnen gebruijkt worden op Ceijlon, 't welk na mijn inzien een reede te meer is, om de vermunting op den voor „gestelden voet, die heel voordeelig voor de kompenie uijt „komt, te beproeven. Om de onderneeming te beeter te doen gelukken, zoude men het goud, 't welk door het veel koper, waarmeede het belegd is, zeer ros: van kleeur is, een toezet van zilver moeten geeven, dat de kleur vol„ „koomer gelijk wierd aan die van de portonovosche pagooden Hier door zoude het goud in zijn gehalte nog verminderen maar daarenteegen zoude 'er weeder zoo veel kooper moe „ten worden afgeblaazen, als'er zilver wierd bij gevoegd; ma „neer men het gehalte van het goud zouden behouden, dog hier in heeft de muntmeester Damman, die ik hier over heb gekonsuleerd veel swaarigheid. Hij steld, dat men na het voorbeeld van kolombo omtrent twintig mark spaans emat zilver zoude noodig hebben, en dat er daarenteegen van het goud weeder zoo veel koper zou„ „de moeten worden afgeblaazen, het welk een groot ver„ tof 1, dit „lies aan goud zoude geeven, wijl diet „ raffineeren, omtrent 160. lb: zeuglood en 100. lb: beenasch zouden noodig wee„ „zen, en uijt zulk eene groote quantiteijd van beenasch het goud, dat zig beneevens het Lood in de testen van beenasth het goud, gemaakt trekt, niet volkoomen daaruijt gehaalt kan worden. Jk het geen kennis, om 3436 om deeze swaarigheid te kunnen beoordeelen, maar't komt mij voor, dat de winst, die de vermuntig be„ „loofd, wel een klijn verliesje bij het raffineeren zoude kunnen veelen: Maar indien Uwel Ed: Groot Agtb: de mogte goedvinden, om tot vermunting van het goud van 15. kar: op den voorgestelden voet qualifikaat ie te geeven, dan zoude ik hoogst denzelven tevens verzoeken, dat deeze pagooden in de huijshouding mogten worden uijtgegeeven, met dezelve agio, waarmeede dezelve aan de kooplieden zullen worden verstrekt. De Resi„ „denten te Mannapaar, hebben zich te vooren reeds besp „swaard, over het uijtgeeven van oude gangbaare porto„ „nooosche pagooden, gelijkstandig met komp:s pagooden, die tans een hooger waarde hebben, dan te vooren, en wijl de betaalingen aan de Jnlandsche dienaaren, de wasch en bleekloonen, en andere uijtgaaven heel soberen geschikt zijn, na de waarde van komp:s pagooden; Ik heb hen ter dier tijd tot het oude gebruijk overgeweezen, volgens het welk, de oude gangbaare portonovosche pagooden, ge„ „lijkstandig met de komp:s pagooden in de huijshouding zijn uijtgegeeven; maar dit zoude echter met geene mogelijk„ „heid, en ook met geene billijkheid kunnen worden uijt„ „gestrekt, tot pagooden, gemaakt van goud van 't alloi van 15. karaaten. Indien uwel Ed: Groot Achtb: konde goed vinden, om het baar wag en nis,
English
silver bullion, brought out with the ship den Gouverneur Falck, wholly or partially for the linen trade, this would also turn out more advantageous than the gold, which is minted into Company's pagodas. The rupees, which were struck in the year 1783 at Colombo, of the fineness of ten penningen sixteen grains, were as a new coin, of which the native did not know the true value, unwanted on this coast and valued less than the Surat rupee, which for some years has had a lower alloy; but since the value of this Ceylon rupee has become known, it has been preferred over the Surat rupee. I therefore think that the rupees minted with the die of Colombo, and of the fineness of 10 penningen 16 grains, will be able to be issued at 25 Dutch stuivers. Not being provided with the homeland invoice, I am unable to determine the profit that would be gained by this issue; but I do not believe that I will err much if I set the profit at five percent, which certainly would be considerable, in comparison with the gold; in which minting into pagodas three quarters percent is currently lost. In my humble opinion, it would be preferable to mint the rupees on the aforementioned standard of 10 penningen 16 grains, rather than that the rupees were lowered in alloy; for in the former case they can here presumably be issued immediately for 25 Dutch stuivers, whereas in the latter case they will very presumably have no currency, and for certain will not be issuable for 24 Dutch stuivers, because the native, noticing the reduction of a piece of money and not being able to determine the reduction accurately, refuses to accept it; whereby it then undergoes a reduction on the exchange markets that is much greater than the reduction it received in the minting. As due to the high prices of gold the Company's pagodas are currently minted at a loss, and on the other hand the minting of silver can take place with profit, it would in my view well deserve that at least one chest of silver were minted into rupees, in order to test with how much profit this minting could take place above the minting of gold. In any case, I request that Your Noble and Grand Right Honourables please devise means that we soon obtain money, as the year is drawing to an end, and thus no time can be lost, if we are to meet even a part of the demands. By my letter of the 3rd of this month, I had the honour to inform Your Noble and Grand Right Honourables that, at the request of the Land Regent of Tirnevelli, I had postponed the leasing of the chank diving, which was set for the first of this month. On the 14th of this month, a servant of the Nabob named Sangerosi Pandider announced himself to me, who handed me a letter from the Land Regent, whereby he was qualified to attend the leasing of the chank diving on behalf of the Nabob. This emissary asked me a multitude of questions regarding the chank diving, and in particular how much this lease had yielded in recent years, ending his visit by declaring that he would report all the information I had given him to the Land Regent, and await his further orders. I saw clearly that these people had it in mind to drive the lease of the chank diving higher than it had ever fetched before. I foresaw very well that they would not succeed in this, as the chanks are currently very unwanted and low in price. I therefore knew no better means to set them right than to let them struggle a bit, until they themselves should have noticed their mistake. Shortly after this, I heard that the Land Regent had forced all wealthy people at Kollesegerepatnam and at Kailpatnam to go to Tutukorijn in order to buy the chank diving, and that our merchants at Mannapaar and Ponnekail were also told, under severe threats, to go to Tutukorijn for the same purpose. Around the same time, some of our merchants residing at Kailpatnam were brought here under escort of the Nabob's sepoys. I lodged my complaint about this with the emissary who stays at Meloer; but this man declared he could do nothing in this matter, as the Land Regent had expressly stated that our merchants had to come to the leasing of the chank diving. I then complained about this to the Land Regent himself, as a violation of our privileges, which had only recently been confirmed by the Nabob, adding that the Company invited each and every one to the leasing of the chank diving, but wished to compel no one thereto. Hereupon an order has followed that our merchants, if they were not inclined
Dutch transcription
baar zilver, met het schip den Gouverneur Falck uijtgebragt geheel of gedeeltelijk te emploijeeren voor den lijnwaat handel, zoude dit ook voordeeliger uijtkoomen dan het goud, 't welk tot 'skomp:s pagooden word ge„ „munt. De ropijen, die in het Jaar 1783. te kolombo wier„ „den geslaagen, van het gehalte van zien penningen ses„ „tien grijn waaren als een nieuwe munt; waar van de inlander de regte waarde niet kende, op deeze kust ongewild en minder waardig aan de suratsche ropij, die seederd eenige Jaaren een minder alloi heeft; maar zeederd de waarde van deese Ceijlonsche ropij bekend is geworden, is dezelve getrokken boven de suratsche ropij„ Ik denk derhalven dat de ropijen gemunt met den stem„ „pel van kolombo, en van het gehalte van 10 penn: 16. grijn, zullen konnen worden uijtgegeeven tegen 25. sluijvers Nederlandsch- Niet voorzien zijnde van de va„ „derlandsche faktuur, ben ik buijten staat, om de winst„ die bij deeze uijtgaave zoude behaald worden te bepaalen; maar ik geloof niet, dat ik mij veel zal misgisser, wan„ „neer ik de winst op vijf percent stel, 't welk zeeker aan„ „merkelijk zoude weezen, in vergelijk van het goud; bij welke ver„ „munting tot pagooden tans drie quart percent verlooren word. Na mijn gering oordeel, zoude het verkiesbaarder weezen, om de ropijen op den hier voorgem: voet van 10. penningen 16. grijn te munten„ dan dat de ropijen in alloi verlaagd wierden; want in 't eerste geval„ zullen de hier vermoedelijk ogenblikkelijk voor 25. stuijvers Neder landsch 3437 landsch kunnen worden uijtgegeeven daarz in het Laaste geval zeer vermoedelijk geen gangbaarheid zullen hebben, en voor zeeker voor geen 24. stuijvs Nederlandsch uijtgeefbaar zijn, om dat de Jnlander, de vermindering van een stuk geld merkende, en de ver„ „mindering niet akkuraat kunnende bepaalen het zelve wij„ „gert aan teneemen; waar door het dan op de wisselmarkten een vermindering ondergaat, die veel grooter is, dan de verminde„ „ring, die het bij de vermuntig heeft verkreegen. Daar ma door de hooge prijsen van het goud de komp: pagooden tans met schaade gemunt worden, en daarenteegen de vermunting van het zilver met voordeel kan geschieden, zoude het na mijn inzien wel verdienen„ dat ten minsten eene kist met zilver tot ropijen wierd vermunt, om te beproeven, met hoe veel voordeel deeze vermunting, boven de ver„ „munting van het goud zoude kunnen geschieden. In allen ge„ „valle verzoek ik, dat uwel Ed: Groot Achtb: middelen gelieve te beraemen, dat wij spoedig aan geld koomen, wijl het Jaar op het eijnde loopt, en er dus niet kan gezuijmt worden, zoo wij nog maar een gedeelte op de eijschen zullen moeten voldoen. Bij mijn brief van den 3. ' deezer, heb ik de eer gehad uwel Ed: Groot Achtb: kennis te geeven, dat ik op verzoek van den Landregent van Tirnevelli, de verpachting van de Tjan Roos duijkerij, die op den eersten deezer bepaald was, had uijtgesteld. Den 14. deezer list zich bij mij aandienen een 's Nababs bediende genaamt sange„E: „rosi Pandider, die mij overgaf een brief van den Land regent, waar bij hij gekwalificeerd wierd, om de verpachting van desjan„ „koosduijkerij van weege den Nabab bijtewoonen Deeze zendeling deed mij een meenigte vraagen, weegens de sjankoos duijkerij, en in„ „zonderheid, hoe veel deeze pagt in de laaste Jaaren had opgewor„ pen, ma nd 6e Na. val„ 211 „per eijndigende zijne visite met te verklaaren, dat hij van alle de onderrigtingen, die ik hem gegeeven had aan den Land regent zou„ „de verslag doen, en zijne nadere ordres afwagten, Ik zag duijde„ „lijk dat deeze menschen in het hoofd hadden, om de pagt vande Tjankoosduijkerij hooger optedrijven, dan dezelve ooit te vooren gegoeden had. Ik zoy. voorzag zeer wel, dat zij hier in niet slaa„ „gen zouden, wijl de sjankoos tans zeer ongewild en laag in prijs zijn. Ik wist derhalven geen beeter middel, om hem te regt te brengen, dan hen wat te laaten tobben, tot ze zelve hunnen mislag zouden gemerkt hebben. kort hier na hoorde ik, dat de Land regent alle vermoogende lieden te kollesegerepatnam en te kailpatnam genoodzaakt had, om na Tutukorijn te gaan, ten eijnde de Tjan koosduijkerij te koopen, en dat ook onze kooplieden te Mannapaar en Ponnekail, onder zwaare bedrijgingen was aangezegd, om ten zelven eijnde na Tutukorijn te gaan. Omtrent ter zelver tyd, wierden eenige van onze kooplieden, die te kailpatnam woonen, onder eskorte van 's Nababs Sipaijs alhier gebragt. Ik liet hierover mijn beklag doen bij den zendeling, die zich te Meloer ophoud; maar deeze man verklaarde hier in niets te kunnen doen, wijl den Land„ regent expresselijk had opgegeeven, dat onze kooplieden bij de verpachting van de sjankoosduijkerij koomen moesten Ik klaagt de dan hier over aan den Landregent zelfs, als een schending„ van onze voorrechten, die eerst nieuwelings, door den Nabab- bevestigd waaren, met bij voeging, dat de komp: elk en een ieder, tot de verpagting van de sjan Roosduijkerijnoodigde maar daar toe niemand wilde diringen. Heer op is een bevel gevolgd, dat onze kooplieden indien zij niet geneegen waaron
English
3438 3440 were, in order to come to the lease of the chank diving, would not be troubled on this account, and the merchants brought in under arrest have thereupon returned home again. Of the Nabab's subjects, no one has appeared here until now either, except for a deceiver who caused much mischief in the last-held pearl fishery, all wealthy residents keeping themselves hidden at Kailpatnam. On the 26th of this month, the missionary residing at Melur again paid me a visit, representing to me that the lease of the chank diving in the last preceding year had yielded only 2300 pagodas; that, by contrast, this lease under the English Government had yielded 5000 chakrams, which are worth fully 3000 pagodas, at the same time asking me whether I could not arrange it so that the lease of the chank diving this time would be bid somewhat higher than it had fetched under the English Government, because the Nabab was accustomed to his revenues always increasing and not decreasing. My answer was that the leasing would take place publicly, and that I therefore could not know beforehand how much the lease would fetch; but that one could nevertheless easily deduce that the lease would not run higher than in the previous year, because the chanks were now less in demand than before. Hereupon the question arose how matters would go if the lease ran lower than it had yielded under the English Government, and upon my answer that we would let the lease go at least up to the price of the previous year, the missionary said that the Land Regent did not want to consent to this, because it appeared from the country's books that 5000 chakrams had come in from it under the English Government and that now more, but certainly not less, had to come from it. I pointed out to the missionary hereupon that the lessees under the English Government had, out of ignorance and driven by an excessive greed for money, taken the lease far too high, in the foolish delusion that by their wealth they would be able to obtain more divers than we had previously employed, in which delusion they had nevertheless found themselves deceived; that also at that time the chanks had been at high prices, and by contrast are now so low in price that no one wanted to make any bid for the chanks of the past year; that nevertheless, if the missionary or his principal the Land Regent thought that the lease of the chank diving was worth 5000 chakrams or more, they had complete freedom to bid for it at that price, and for as much higher as they themselves should see fit, which would be very agreeable to the Company; but the missionary said that it was neither his aim nor that of the Land Regent to lease the chank diving, but rather that this lease should be taken so high by others, and 3439 344 upon my answer that no one could be forced to do this, he came forward with a proposal to let the diving take place for the account of the Company and of the Nabab, and to divide the chanks that would be fished up into two equal shares. He explained this proposal more clearly, and said that the aim of the Land Regent was to have diving carried out along the entire coast at each place separately, with the divers who were to be found in those vicinities; for example, separately at Baipaar, at Patnamadoer, at Tutukorijn, at Ponnekail, and at Kailpatnam. The Land Regent would then compel all the pearl divers—who do not understand chank diving, as it is a completely separate trade, and do not wish to learn it—to dive for chanks as well, although this was already attempted with all force in vain under the English Government. I pointed out to the missionary that upon the conclusion of the new contract with the Nabab's ambassador at Colombo, it had been agreed that the chank diving would be leased according to previous customs, and that also with this same ambassador the announcement and the day of the leasing had been determined; that the announcement had also been made both in the lands of the Company and in those of the Nabab; that I, having strict orders for the leasing, could not deviate from this, earnestly requesting the missionary to declare whether he wished to assist at the leasing, yes or no, because I could not delay the leasing.
Dutch transcription
3438 3440 waaren, om bij de verpachting van de sjankoosduijkerij te koomen, hierom niet zoude vermoeijelijkt worden, en de in ar„ „ rest opgebragte kooplieden zijn daarop weeder na huijs ge„ toe „keerd. Van 's Nababs onderdaanen is tot nu ook niemand alhier verscheenen, buijten een bedrieger, die in de laast gehoude„ „ne paarlvisscherij veel onheijl gestigt heeft, houdende zig alle vermoogende ingezeetenen te kailpatnam schuijl Der 26. e. quam de zich te Meloer ophoudende zendeling, weder eene visite bij mij afleggen, mij voorhoudende dat de verpachting van de sjankoosduijkerij in het laast voorgaan „de Jaar maar 2300. pagooden had opgeworpen: dat daar„ „enteegen, deeze pagt onder de engelsche Regeering geren„ sak „deerd had 5000. sankerons, die ruijm 3000. pagooden waardig zijn, mij tevens vraagende, of ik het niet zo konde schikken dat de pagt van de sjankoosduijkerij„ ditmaal wat hooger gemijnd wierd, dan de zelve onder de Engelsche Regeering gegolden had, wijl de Nababge¬ „woon was, dat zijne inkomste altoos vermeerderden en niet verminderden. Mijn andwoord was, dat de verpachting publiekelijk zouden geschieden, en dat ik dus te vooren niet weeten konde, hoe veel de verpachtingh: gelden zoude; maar dat men echter gemakkelijk konde opmaaken, dat de pagt niet hooger zoude loopen, dan in het voorige Jaar, wijl de Ljankoos tans minder getrok„ „ken worden waaren, dan te vooren. Hierop kwam de vraage te voorschijn, hoe het gaan zoude, indien de verpag„ „ting laagerliep, dan dezelve onder de Engelsche Regeering had alle de zou„ lieden had opgeworpen, en op mijn and woord, dat mij de ver„ „pachting zouden laaten afloopen ten minsten tot den prijs van het voorige Jaar, zeijde de zendeling, dat de Landre„ „gent hierin niet wilde bewilligen wijl bij de Landsboeken bleek, dat daar van onder de engelsche Regeering 5000. Tjakkerons waaren ingekoomen en dat er nu wel meer, maar niet minder van moeste koomen- Ik vertoonde hierop den zendeling, dat de pachters onder de Engelsche Regeering uijt onkunde, en door een al te groote geldrugt gedreeven, de pagt al te hooggenoomen hadden, in de diaaze verbeelding, dat zij door hun vermoogen meerder duijkers zouden kunnen magtig worden, dan wij te voo„ „ren gebruijkt hadden, in welke verbeelding zij zich egter bedroogen hadden bevonden, dat ook ter dier tijd de sjan„ „Roos in hooge prijzen waaren geweest, en daaren teegen tans zoo laag in prijs zijn, dat niemand voor de sjan„ „koos van het voor leedene Jaar eenig bod wilde doen, dat echter, indien de haer zendeling, of zijnen principaal den Land regent meenden dat de pagt van de sjan koosduijkerij 5000. sjakkerons of meer waard was, zij volkoomen wij „heid hadden, om dezelve daarvoor te mijnen, om va„ „zelve daarvoor te mijnen en voor zoo veel hooger, als zij zelven zouden goed vinden, het welk aan de komp heel aangenaam zouden weezen; maar de zendeling zeijde, dat het nog zijn oog merk was nog dat van den Landregent, om de Ljan Roosduijkerij te pagten, maar wel dat deeze pagt zoo hoog door anderen wierd genoomen en E 3439 344 en op mijn andwoord, dat hiertoe niemand konde gedwongen worden, quam hij te voorschijn met een voorstel, om de duij„ „kerij te laaten geschieden voor reekening van de komp: en der Nabab, en de opgedooken wordende Tsjankoos in twee gelijke deelen te verdeelen. Hij heldende dit voorstel duijdelijker op, en zeijde, dat het oogmerk van den Landregent was om langs de geheele kust, op elke plaats afzonderlijk te laaten duijken, met de duijkers, die daar om streeks te vinden waaren; bij voorbeeld, afzonderlijk te Baipaar, te Patnamadoer, te Tutukorijn, te Ponnekail, en te kailpatnam. De Landregent zoude dan alle de paar lduijkers, die het sjankoosduijzen, als een geheel bij zonder werk, niet verstaan, en niet leeren willen, noodzaaken, om ook sjankoos te duijken, schoon dit onder de Engelsche Regee„ „ring, reeds met alle geweld vructeloos beproefd is, Ik vertoonde den zendeling, dat bij het sluijten van het nieuwe kon„ „trakt, met 'sNababs Ambassadeur te kolombo, was over eenge„ „koomen, dat de sjankoosduijkerij, na voorige gebruijken zoude worden verpagt, en dat ook met deezen zelven Ambassadeur, de bekendmaaking en den dag van de verpagting was bepaald, dat ook et de bekendmaaking, zo in de Landen van de komp:, als in die van= den Nabab was geschied, dat ik stipte ordre hebbende tot de van verpachting, daarom niet mogte afwijken, verzoekende den zendeling ernstig zich te decelareeren, of hij bij de verpach„ „ting wilde assisteeren, Ja dan neen " wijl ik de verpackhting niet ver oomen,