VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3801

Malabar · 870 pages · 133 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3801_0297 view scan ↗

English

are completely dilapidated, would be restored by Your Highness, and I had already sent our Engineer there for that purpose, with the Commanders of Kranganoor and Aikotte, to select the best places, but this work has also stalled because Your Highness's minister each time declared he did not dare to consent to it. The request to henceforth take the Linens, which until now have been delivered by the Merchants at Cape Comorin, from Your Highness Yourself, does not depend on me, but on the Governor of Ceylon, to whom Your Highness may please write concerning this. Furthermore, I am very pleased that Your Highness intends to come here in two months and speak with me about all these matters, for then I hope to confer with Your Highness further on everything and give full elucidation, and thereby convince Your Highness that I wish with heart and soul to give Your Highness every satisfaction, and to render all possible services to me, insofar as this can consist with my oath and duty, by which I am bound to the illustrious Dutch Company. God preserve Your Highness. was written below: thus translated by me into Malabar, Cochin, date as above. was signed: J. M. Truijens, Sworn Translator. Thus done, resolved, and decreed in the Council of Malabar in the city of Cochin, on the day, month, and year aforesaid. was signed: I. G. Van Angelbeek, R. van Harn, I. L. van Spall, J. A. Cellanus, W. van Haesten, A. Poolvliet, and I: A. Scheids. Agreed. Arnold Lunel provisional secretary L: O: The Right Honorable Councillor extraordinary of the Dutch Indies, Governor and Director Johan Gerard Van Angelbeek. The Honorable Senior Merchant, Second, and Chief Administrator Reinier van Harn The Honorable Captain and Chief of the Military Godlieb George Gebhard. The Honorable provisional Fiscal and Cashier Ian Lambertus van Spall. The Honorable Junior Merchant and Warehouse Keeper Johan Adam Cellanus The Honorable Junior Merchant, Shopkeeper, and Purveyor Willem van Haesten The Honorable Secretary of Police Adriaan Poolvliet. The Honorable provisional Pay Bookkeeper Johan Andries Scheids and The Honorable Junior Merchant Pieter van Spall. The Governor made known to the Meeting. That the regular Agent of the King of Travancore, Ananda Mallen, had yesterday on behalf of his Master made known to him verbally: that the latest letter written from here, and inserted in the secret resolution of the 6th of this month, was written in such a manner that his Master Thursday the 21. February 1788. Forenoon Present Secret Resolution taken in the Council of Malabar in the City of Cochin did not want to answer it, but had a further request made not to demand tolls from the vessels that traded in his country, and that otherwise he would take the necessary measures at hand to prevent the same, and further, that if one did not consent to this, the Friendship with the Company would thereby be impeded. That His Honour had dispatched the Envoy with the verbal reply, that it was not in his power to give away the Privileges of the Company, and that he hoped that this would not be detrimental to good Friendship, as appeared in more detail from the note of the Second Interpreter Truijens, reading as follows. Note kept by the second Interpreter Johannes Martinus Truijens on the 20. February 1788. of the Message by Ananda Mallen to the Right Honorable Governor. Wednesday morning at ten o'clock, the Agent of the King of Travancore, Ananda Mallen, arrived in this City before the Right Honorable Governor, and after paying the usual Compliments on behalf of his Master, he informed His Right Honorable that His Highness had received the letters from His Right Honorable, and had already replied to the one which the Commissioners had brought, and that His Highness had moreover received a further letter accompanied by various proofs and Allegations, which did not at all agree with what His Highness had spoken with the commissioners and had let His Right Honorable know, wherefore His Highness had now sent him to speak about this with His Right Honorable, because that letter was written in such a way that the King could not answer it in writing before he was further assured of the intention of the Right Honorable Governor. To this His Right Honorable answered, that the letter of His Highness was answered punctually, and that the Documents attached thereto served to further prove all that was cited therein, but that His Right Honorable was prepared to further clarify whatever might be obscure or incomprehensible therein to the King. Ananda Mallen then began to speak of the Pepper, and to pretend that the King had never sold pepper, but that this had been practiced by the Merchants, who had had passes to transport pepper to the South, but had sold the same to the Bombaras. The Honorable Governor answered to this, that from the Attestation of the former Porca Resident Toussain, it was clearly to be seen, that he had forbidden the Besaipoekaar and the Canarese Renga Poy to transport or sell any Pepper in the Bombara, but that

Dutch transcription

127 geheel vervallen zijn, door Uw Hoogheid zouden hersteld worden, en ik had reets tot dat einde onzen Jngenieur daar na toe gezonden, met de Kommandanten van Kranganoor en Aikotte, om de beste plaatzen uit te zoeken, doch ook dit werk is blijven steeken om dat Uwe Hoog heids minister ieder betuigde daarin niet te durven bewilligen. — Het verzoek om de Lijwaaten, die tot dus ver door de Kooplieden aan de Kaap- „komorijn geleeverd zijn, voortaan van Uwe Hoogheid Zelve te neemen, de„ pendeerd niet van mij, maar van den 12 Heer Gouverneur van Ceilon, aan wien Uw Hoogheid daarover gelieven te schrij¬ „ven. Voorts ben ik zeer verblijdt, dat Uwe hoog „heid van voorneemens is, over twee maanden dit heen te koomen, en met mij over alle deeze raaken te spreeken, want dan hoope ik Uwe hoogheid van alles nader te onderhouden en volkoome elucidaat„ „sie te geeven en daar door Uw hoogheid te overtuigen, dat ik met hart en ziel wensche, Uwe hoogheid alle genoegen te geeven, en alle mij mogelijke diensten toe te brengen, voor zoo ver dit bestaan kan met mijn eeden plicht, waarmee„ de ik aan de doorluchtige Nederland„ sche „sche Kompanie verbonden ben. God bewaare Uw Hoogheid. /:onderstond) zoodanig door mij in het Malabaars overgezet, Koetsiem dato als Vooren /: was geteekend:/ J. M. Truijens, gezwo Translateur. Aldus gedaan, geresolveerd en gearre„ teerd in Raade van Malabaar terstee„ de Koetsiem, ten dage maanden Jaare voormeld. /: was geteekend:/ I. G. Van Angelbeek, R. van Harn, I. L. van Spall, J. A. Cellanus, W. van Haesten A. Poolvliet en I: A. Scheids. Akkordeerd. Arnold Lunel p:l sekret:s L: O: 128 De Weledele Groot achtbaare Heer Raad extra ordinair van Nederlands Indien, Goeverneur en Direkteur Johan Gerard Van Angelbeek. De E. Heer Opperkoopman, Sekunde en Hoofdadminist:r Reinier van Harn De E. Kapitain en Hoofd der Milietsie Godlieb George Gebhard. De E. p:l Fiskaal en Kassier Ian Lambertus van Spall. De E. Onderkoopman en Pakhuismeester Johan Adam Cellanus De E. Onderkoopman, Winkelier en Dispensier Willem van Haesten De E. Sekretaris van Polietsie Adnaan Poolvleet. De E. p:l soldijboekhouder Johan Andries Scheids en De E. Onderkoopman Pieter van Spall. — Gaf de Heer Gouverneur aan de Vergadering te kennen. Dat de gewoone Agent van den Koning van Trevankoor Ananda Male gis- „teren van wegens zijnen Meester aan hem bij monde had te kennen gegee„ „ven: dat de jongste brief van hier ge„ „schreeven, en bij sekreete resoluutsie van den 6e: deezer geinsereerd zoodanig geschreeven was, dat zijn Meester dien Donderdag den 21. Februari 1788. Voormiddag Prezent SeKreete Resoluutsie genomen in Raade van Malabaar ter Steede Koetsiem niet op niet wilde beantwoorden, maar nader liet verzoeken om van de Vaartuigen, die in zijn land negootsieerden geen tollen te ei¬ schen, en dat hij anders daar tegen het noodige bij der hand neemen zoude om het zelve te beletten, en wijders, dat als men hierin niet bewilligde, de Vriend„ schap met de Kompenie daar door zoude verhinderd worden Dat zijn Edele den Zendeling met het mondelinge antwoord had afgevaardigd, dat het niet in zijne macht was, de Voorrechten van de Kompenie wegte schenken, en dat hij hoopte dat zulx aan de goede Vriendschap niet zoude hinderlijk zijn, zoo als dit omstandiger bleek bij de aanteekening van den Ondertolk Truijens luidende als volgt. Aanteekening gehouden door den tweeden Tolk Johannes Martinus Truijens op den 20. Februari 1788. van de Boodschap door Ananda Mallen aan den Weledele Grootachtbaare Heer Gouver¬ neur Woensdag 's morgens om tien uuren, quam binnen 129 binnen deezer Steede den Agent van den Koning van Tre van Koor Ananda Mallen bij den Weledele Groot achtbaare Heer Gouverneur, en naar het afleggen van de gewoone Komplimenten van wegen zijn Meester, maakte hij zijn Weledele Grootachtbaare bekend, dat Zijn Hoog „heid de brieven van zijn Weledele Grootachtbaare ontvangen had, en op die, dewelke de Heeren Gekommitteer¬ „den hadden gebragt, reets geantwoord had, en dat zijn Hoogheid Ieder noch een nadere brief verzeld van verscheide bewijzen en Allegaatsien ontvangen had, die gants niet over een quam met het geen zijn Hoog- „heid met de gekommitteerden had gesprooken, en aan zijn Weledele Groot achtbaare had laaten weeten, weshalven zijn Hoogheid hem thans gezonden had, om daarover met zijn Weledele Grootachtbaare te spreeken, want dat die brief zoodanig geschreeven was, dat de Koning die niet schriftlijk Kost beantwoorden voor dat hij nader van de intentsie van den Weledele Groot achtbaare Heer Gouverneur ver„ verzeekerd was. Hierop antwoorde zijn Weledele Groot¬ achtbaare, dat de brief van Zijn Hoog- heid punctueel beantwoord was, emn dat de daarnevens gevoegde Dokumen„ ten dienden, al wat daarbij aange„ „haald was nader te bewijzen, doch dat zijn Weledele Groot achtbaare bereid was, het geen daarin duister of on„ verstaan baar voor den Koning zijn mogt, nader opte helderen. Ananda Mallen begost toen van de Peper te spreeken, en voor te wenden, dat de Koning noit peper verkocht had, maar dat dit gepraktiseerd was door de Kooplieden, die passen gehad hadden, om peper naar de Zuid te vervoeren, doch dezelve aan de Bombaras ver= kocht hadden De Edele Heer Gouverneur antwoorde hierop, dat bij de Attestaatsie van den geweezen Porkasch Resident Tous„ sain, duidelijk te zien was, dat hij aan den Besaipoekaar en den Ka„ narijn Renga pooi verbooden had om geen Peper in de Bombara te ver- voeren of te verkoopen, doch dat te

NL-HaNA_1.04.02_3801_0303 view scan ↗

English

they had replied that the King could sell his pepper to whomever he pleased, and that just the other day another ship at Walliatorre south of Anjenga had taken in pepper. Ananda Mallen sought to deny this, pretending that his Master did indeed buy iron and other necessities from private European ships, but sold no pepper to them, upon which the Noble Lord Governor answered that His Highness was not permitted to admit any foreign Europeans into his country at all according to the Treaty, wherein it was expressly stipulated that His Highness shall not be permitted to trade with any foreign nations, except only with the Dutch Company and the English at Anjenga, on account of their being settled in His Highness's land. Ananda Mallen answered to this that if His Highness really wished to make use of such proofs and antiquities, he would be able to produce and demonstrate so much that for the goods bought and sold in His Highness's country, no duty has ever been paid at Koetsiem, and if this matter were legally investigated, his Master was well assured that those who had misrepresented one thing for another to the Right Honorable would certainly get into trouble, for His Highness was aware that the Right Honorable had great attention and regard for His Highness, as had been evident in the administration of the Right Honorable both here and at Tutukorijn, which is why he had requested through the deputies that from the vessels that come to trade in His Highness's ports, with the exception of the customary duty of passes, no toll duties be demanded from them, and that what had already been collected be refunded; but that he had perceived from the last letter that the Right Honorable could by no means do so, which was the reason that the King had charged him to come in person to the Right Honorable and to repeat that request most forcefully, in the expectation that, in consideration of the close friendship between the Company and His Highness, he would surely grant this request, and that the King had taken the trade into his own hands on account of the great expenses of his troops and other charges, but that His Highness would never sell any pepper or cinnamon to foreigners. And that the King at the same time let it be known that if the Noble Lord Governor would grant a favorable answer on this one point, namely the exemption from tolls, he would then send his Prime Minister hither to arrange all other matters to the satisfaction of the Company. The Right Honorable, having heard all this, finally said to him that he and the Council were not in a position to grant the request, as it was directly contrary to the rights of the Company, which they were obliged to maintain according to oath and duty, but that the King might be pleased to write about this to the High Government in Batavia. Hereupon Ananda Mallen answered that the King was well assured that the Noble Lord Governor could easily grant this request if only he wished to, and had therefore sent him to make this request to the Right Honorable, and he subsequently added that his Master had charged him to declare to the Right Honorable that he would absolutely not tolerate that toll be paid on goods which he bought and sold, and that if the Right Honorable did not grant this request of his, His Highness would then have to take the necessary measures in hand to counter the collection of the aforementioned toll duties, and that His Highness thus considered it unnecessary to send his Ministers here and negotiate the matter, and that in this manner the true friendship between the Company and the King would be hindered. The Noble Lord Governor answered to all this that the King demanded something of him that was not in his power, for His Highness was otherwise well convinced that he sought in all instances to please His Highness, as far as this could be done consistently with his oath and duty, and that he hoped this matter would not be detrimental to the good friendship. Herewith Ananda Mallen took his leave with the promise that he would write all this to his Master. And as he went away, he said to the Interpreter Truijens that His Highness would not send any answer to the last letter of the Right Honorable before the Right Honorable should come to write that the request of His Highness would be granted. Koetsiem, date as above. Signed: J:b M:s Truijens, sworn Translator. Yet he, the Governor, had further considered that the Prince, who was now once and for all so very taken with the ideas of great wealth that the newly established trade would pour into his treasury, and who regarded the levying of the aforementioned tolls as the greatest hindrance to that trade, might very easily, in his initial anger upon an absolute refusal, go to extremes that could entail none other than unpleasant and harmful consequences, all the more so since the King had already forbidden the supply of provisions from his country to AnjeKaimaal, and at Kranganoor had his people stop the tonies that fetch drinking water and firewood for the garrison from his country, and therefore had thought it best to keep the matter in abeyance and give the King time to cool down from his initial anger and consider everything further, and at the same time also to gain time for us to obtain the pleasure and orders of Their High Excellencies the High Indian Government regarding this. Whereupon, after mature deliberation, it was resolved by a unanimity of votes to show the King in a further letter: That

Dutch transcription

130. ze ten antwoord gediend hadden, dat de Koning zijn peper verkoopen konde aan wijn hij wilde, en dat nu deezer dagen noch eerst een Schip op Walliatorre be„ „ ruiden Anjenga peper had ingenomen. Dit rocht Ananda Mallen te ontkennen, voorgeevende, dat zijn Meester van de Partikuliere Europeesche Scheepen wel ijzer en andere benoodigtheeden kocht, maar aan dezelven geen peper verkocht, waarop de Edele Heer Gouverneur antwoorde, dat zijn Hoogheid in het geheel geen Vreemde Europeeschen in zijn land mogt admitteeren volgens het Trak„ taat, waarbij uitdruklijk ter neder gesteld was, dat zijn Hoog heid met geen vreemde Naatsien zal mogen negootsieeren, als alleen met de Hollandsch Kompanie en de Engelschen op Anjenga, uit hoofde dat zij in zijn Hoogheids land gezetten zijn Ananda Mallen antwoorde hier „op, dat zoo bij aldien zijn Hoog heid rech van zulke bewijzen en oudheeden wilde bedienen hij hij zoo veel zoude konnen produceeren en aantoonen, dat voor de goederen, die in zijn hoogheidsland verkocht en ingekocht worden, nooit eenige Gerechtigheid op Koetsiem betaald is, en indien dee„ „re zaak naar recht onderzocht wierd, zijn Meester wel verzeekerd was, dat de geene, die het een voor het ander bij Zijn Weledele Grootachtbaare voor¬ gebracht hadden, wel in den Knip zouden raaken, want zijn Hoogheid bekend was, dat zijn Weledele Groot¬ „achtbaare een groot Attentsie en ach„ ting voor zijn hoogheid had, gelijk ge¬ „bleeken was, in het bestier van zijn Weledele Groot achtbaare Zoo wel hier als op Tútúkorijn, daarom hij door de gekommitteerden had laaten verzoeken, om van de Vaar„ tuigen, die in zijn Hoogheids Ha„ „vens koomen te negootsieeren, uit„ „genomen de gewoone Gerechtigheid van passer, geen tols Gerechtigheid van hen te eischen, en de reets inge„ „vorderde te rug te geeven, doch dat bij de laaste brief ontwaard had, dat zijn Weledele Groot achtbaare tulx 131 zulx gants niet doen konde, dewelke de reeden was, dat de Koning hem belast had om in perzoon bij zijn Weledele Grootachtbaare te koomen en dat Vertoek op het Krachtigste te repeteeren, in Verwachting dat, uit aanmerking van de nauwe Vriendschap tusschen de Kompanie en zijn Hoogheid dit ver„ „zoek wel toestaan zoude, er dat de Koning den handel tot zich getrok¬ „ken had, om de Wille van de grote Onkosten van zijn troepen en andere Ongelden meer, doch dat zijn Hoog heid nimmer eenige peper of Kaneel aan vreemden verkoopen zoude. En dat de Koning teffens liet weeten, dat als de Edele Heer Gouverneur op dit eene stuk te weeten de tols Vrijheid een favorable antwoord wilde verleenen, hij als dan zijnen eersten Minister herwaards zenden zoude, om alle andere taa„ „ken tot genoegen van de Komparie te schikken Dit alles Zijn Weledele Groot achtbaare aangehoord hebbende zijde tegens hem finaal, dat hij ende Raad niet niet in staat waaren het Vertoek toete„ staan, alzoo regelrecht strijdig was tegens het recht van de Kompenie, het welk zij volgens eed en plicht moesten main„ tineeren, doch dat Koning hierover naar Batavia aan de hooge Regeering ge„ liefde te schrijven. Hierop antwoorde Ananda Mallen, dat de Koning wel verzeekerd was, dat de Edele Heer Gouverneur dit Vertoek wel kost akkordeeren als hij maar wilde, en daarom hem gezonden had, om dit Vertoek aan zijn Weledele Groot¬ „ achtbaare te doen en hij voegde 'er vervolgens bij dat zijn Meester hem belast had aan zijn Weledele Grootacht„ „baare te verklaaren dat hij volstrekt niet zoude gedoogen dat van goederen die hij kocht en verkocht tol betaald wierd, en dat zoo zijn Weledele Grootachtbaare dit zijn Vertoek niet toestaan, zijn hoogheid alsdan het no„ dige bij derhand zoude moeten nee„ men, om het vorderen van meermelde tots gerechtigheid tegen te gaan, en dat zijn Hoogheid dus onnodig achte zijne Ministers hier te renden en 132 en de zaak te verhandelen, en dat op deeze wijze de waare Vriendschap tusschen de Kompenie en den Koning zoude verhinderd worden. De Edele Heer Gouverneur antwoorde op dit alles, dat de Koning hem iets vergde het geen niet in zijne macht was, want dat zijn Hoogheid anders wel overtuigd was, dat hij in alle gevallen aan zijn hoogheid tocht plaisir te doen, voor zoo veel dit Kost geschieden behoudens zijn eeden plicht, en dat hij hoopte dat dit geval aan de goede Vriendschap niet zoude hinderlijk zijn Hiermeede nam Ananda Mallen zijn afscheid met belofte dit alles aan zijn Meester zoude schrijven En als hij heenen ging tijde hij tegens den Tolk Truijens, dat zijn hoogheid op de laaste brief van zijn Weledele Grootachtbaare geen antwoord zoude zenden voor en al 'er zijn Weledele Grootachtbaare quam te schrijven, dat het Vertoek van zijn Hoogheid zoude toegestaan worden Koetsiem dato als vooren /:was geteekend:/ G J:b M:s Trúijens gezwoore Translateur. Doch toete„ te naar llen dt de wil gens . Doch dat hij Gouverneur reder overwogen had, dat de Vorst die nu eenmaal zoo zeer inge„ noomen was met de denkbeelden van groote rijkdommen, die de nieuw opgenichte han„ del in zijne schatkamer zoude uitstorten en die het heffen van voorschreeven tollen, als het grootste hinder is van dien handel aanzag, in zijne eerste drift, door een volstrekte Weigering, veel ligt tot uitersten mogt overslaan, die geen andere dan onaan„ „genaame en schaadelijke gevolgen kosten na zich sleepen, te meer, daar de Koning reets den toevoer van levens middelen uit zijn land naar AnjeKaimaal verboden had, en te Kranganoor de Tonies, die Drinkwa„ ter en brandhout voor het Garnizoen uit zijn land haalen, door zijn volk liet tegen„ „houden, en daarom best gedacht had de zaak op de lange baan te houden, en den Koning tijd te geeven, om van zijne eerste driften te bedaaren, en alles nader te overweegen en teffens ook voor ons tijd te winnen, om het goedvinden en de beveelen van Hunne Hoogedelheeden de Hooge Indische Regeering hier omtrend te erlangen Waarop na rijpe deliberaatsie met een paarig heid van stemmen beslooten werd bij een naderen brief aan den Koning te vertoonen Dat

NL-HaNA_1.04.02_3801_0309 view scan ↗

English

133. That it is not in the power of the Governor to abolish of his own authority a privilege of the Company that existed before his time, and that even if His Honour were to dare to do so, it would nevertheless be disapproved; that therefore all he could do in this matter for the sake of His Highness consisted in informing Their High Mightinesses thereof and communicating their decision thereon to His Highness in due time. Because the threat of the King, that he would prevent the collection of the customs duty and resort to measures for that purpose, and that by the refusal thereof friendship would be obstructed, bordered closely on a declaration of war, it was judged that this should not be passed over in silence, in order not to make him even bolder through excessive indulgence, and to confirm him in the notion that he could thereby extort consent to his unreasonable demands; and therefore it was resolved to reply thereto: That the prosperity of Malabar was founded on the friendship which the Company maintained with both Kings; that the rupture thereof would give the common enemy an opportunity to achieve his aim and to subjugate all three; that His Highness therefore had the greatest interest in maintaining that friendship, because if Malabar were overwhelmed, he would lose everything, while the Company would lose little; that one therefore trusted in his wisdom that he will order his ministers and agents not to threaten the rupture of friendship so lightly in the future, and that he will furthermore accept the proposal of the Governor, which was made solely with the good intention of preserving friendship. Thus done, resolved, and decreed in the Council of Malabar at the city of Koetsiem, on the day, month, and year aforesaid. (was signed:) I. G. van Angelbeek, R. Van Harn, G. G. Gebhard, I. L. van Spall, J. A. Cellarius, W. van Haeften, A. Poolvliet, I. A. Scheids, and P. Van Spall. Agreed, Arnold Lunel, provisional secretary. 134. L:a: S: Saturday, 19 April 1788, in the forenoon. Present: The Right Honourable Extraordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director Johan Gerard van Angelbeek; The Honourable Senior Merchant, Second, and Head Administrator Rainier van Harn; The Honourable Captain and Head of the Military Godlieb George Gebhard; The Honourable Provisional Fiscal and Cashier Ian Lambertus van Spall; The Honourable Junior Merchant and Warehouse Keeper Johan Adam Cellarius; The Honourable Junior Merchant, Storekeeper, and Purveyor Willem van Haeften; The Honourable Secretary of Police Adriaan Poolvliet; The Honourable Provisional Pay-Bookkeeper Johan Andries Scheids; and The Honourable Junior Merchant Pieter van Spall. Secret Resolution taken in the Council of Malabar at the City of Koetsiem. In this meeting, convened mainly for this purpose, it was brought up for discussion by the Governor whether one ought to have the Nabab Tipo Sultan, who has assumed the title of Padishah and has come down with an army from Seringapatnam to Kalikut, greeted by commissioners. And thereupon it was remarked: that not only the French at Mahé, who are his allies, but also the English at Tellitseert, who have by no means favourable opinions of his aims, immediately sent commissioners with letters and gifts to the same; and one therefore, in order not to give this proud and ambitious prince any offence or pretext for displeasure, ought to follow that example, the more so because already four years ago, when our ambassadors were with him at Seringapatnam, he expressed to the same that, upon arriving at Kalekut, he would await further commissioners from the Company. And consequently it was unanimously resolved to have the repeatedly mentioned prince greeted by commissioners. But because this cannot well take place by sea due to the change of the monsoon, and the overland route is not deemed safe, it was approved and agreed, upon the further proposal of 135. the Governor, to notify the repeatedly mentioned prince of this intention and to request a few bannekares or a passport. Thus done, resolved, and decreed in the Council of Malabar at the city of Koetsiem, on the day, month, and year aforesaid. (was signed:) Joh: Gerard van Angelbeek, R. van Harn, G. G. Gebhard, J. L. van Spall, I. Ad: Cellarius, W. van Haeften, A. Poolvliet, J. A. Scheids, and P. van Spall. Agreed, Arnold Lunel, provisional secretary. La C 136. Anno 1788. The 8th of January in the city of Koetseem, Tuesday in the afternoon, the Right Honourable Governor Johan Gerard van Angelbeek received a letter from the King of Trevankoor; see the translation below. Translation of a letter written by the King of TrevanKoor to the Right Honourable Governor Johan Gerard van Angelbeek, received the 8th of January 1788. I have received a written report from my Rasiador of Alepe that on the 30th ultimo a sloop, by order of Your Right Honour, came into the harbour of Alepe, and fired several shots, and [harassed] the vessels that had come there for trade Secret daily notes of the principal matters occurring in this current month, kept by the Chief Interpreter, as follows:

Dutch transcription

133. Dat het niet in de macht van den Heer Gouverneur is, een Voorrecht van de Komp: het welk voor zijn tijd heeft plaats gehad opeigen gezag afteschaffen en dat al wil„ „de zijn Edele het bestaan, zulx echter gedis approbeerd zoude worden, dat dus al wat hij hierin ter liefde van zijne hoog heid doen Kost, daarin bestond, dat hij daarvan aan hunne Hoogedelheeden Kennis gaf en het bescheid daarop in der tijd aan zijn Hoogheid bedeelde. Wijl het dreigement van den Koning, dat hij het heffen van de tols gerechtigheid beletten en daar toe middelen bij der hand neemen zoude en dat door de Weigering van dien de Vriendschap zoude verhinderd worden, wel na een Oorlogs de Klaraatsie zweemde: werd geoordeeld zulx niet met stilzwijgen te moeten voorbij gaan, om hem, door al te groo„ „te toegeevendheid, niet noch stoutmoedigen te maaken en in het denkbeeld te beves- tigen, dat hij daar door de toestemming in zijne onreedelijke Eischen zoude kun„ „nen afdwingen en derhalven beslooten daarop te antwoorden. Dat de welvaart van de Malabaar ge„ „grondvest was op de Vriendschap die de Kompenie met beide Koningen onderhield= Dat het Verbreeken van dezelve aan den gemeenen had, Kosten ing en wa¬ zijn ad gemeenen Vijand Kans geeven zoude, zijn Oogmerk te bereiken, en alle drie te onder te brengen Dat zijn Hoogheid dus bij het onderhouden van die Vriendschap, het grootst belang had, wijl hij als de Malabaar overwe Edigd werd, alles, de Kompte weinig verliezen zouden Dat men dús van zijne Wijsheid vertrouwde dat hij zijne Ministers en Agenten zal gelasten, om voortaan niet zoo ligt vaardig met het Verbreeken van de Vriendschap te dreigen, en dat hij Voorts de proposietsie van den Heer Gouverneur zal aanneemen, die alleen met het goede Oogmerk gedaan was, om de Vriendschap te bewaaren . Aldus gedaan, geresolveerden Gearresteerd in Raade van Malabaar ter steede Koetsiem, ten Dage, maand en Iaare voor „meld. /:was geteekend:/ I. G. van Angelbeek R Van Harn, G. G. Gebhard, I. L van Spall. J. A. Cellanus, W. van Haeften, A. Pool„ „vliet, I. A. Scheids en P. Van Spall. Akkordeerd Arnold Lunel p:l sekeet: 134. L:a: S: De Weledele Groot achtbaare Heer Raad extra ordinair van Nederlands Indien Goeverneur en Direnteur Johan Gerard van Angelbeek De E. Heer Opperkoopm: Sechunde en Hoofd administ:r Rainier van Harn De E. Kapitain en Hoofd der Milietsie Godlieb George Gebhard, De E. provisioneel Tiskaal en Kassier Ian Lambertus van Spall. De E. Onderkoopm: en Pakhuismeester Johan Adam Cellarius De E. Onderkoopman Winkelier en Dispencier Willem van Haeften. steerd E De E. Sekretaris van Polietsie Adriaan Poolvliet. de De E. p.:l soldij boekhouder Johan Andries Scheids, en De E. Onderkoopman Pieter van Spall. voor In deeze daartoe voornaamlijk belegde bij een komst wierd door den Heer Gou„ „verneur in omvraage gebragt, of men den Nabab Tipo Sultan, die den Titel van Patscha aangenoomen heeft, en met een Leger van Sevin„ „gapatnam naar Kalikut afgekoo„ „men is, door de Gekommitteerden Saturdag den 19. April 1788. Voormiddag Prezent op Sekreete Resoluutsie genoomen in Raade van Malabaar ter Steede Koetsiem. diend erk gen¬ den wde va rdig p sie en daan E gelbeek ll diend te laaten begroeten, en werd daarop aangemerkt: Dat niet alleen de Transchen te Mahé, die zijne Bond= genooten zijn, maar ook de Engelschen te Tellitseert die van zijne Oogmerken gansch geen gunstige gedachten hebben, ten eersten gekommitteerden met brie¬ ven en geschenken aan den zelven gezonden hebben, en men derhalven, om aan deezen trotschen en Eerzuch¬ tigen Voorst geen aanstoot of Voorwend- zel tot misnoegen te geeven, dat Voorbeeld diend te volgen, te meerwijl hij reets voor Vier Jaar, toen onze Am¬ bassadeurs te Seringapatnam bij hem waaren, tegen den zelven ge¬ uit heeft, dat hij te Kalekut Ko¬ „mende nadere gekommitteerden van de Kompanie zoude afwachten. En werd dien volgende met een paarigheid beslooten meermelden Vorst door gekommitteerden te laa¬ „ten begroeten. Dan dewijl dit we„ gens het Verloop van de Mousson over Zee niet wel geschieden Kan, en de Weg overland niet veilig geacht word: Zoo is op de nadere proposietsie van 135 van den Heer Goeverneur goedgevonden en Verstaan aan meermelde Vorst van dit Voorneemen Kennis te geeven en om een paar Bannekares of een paspoort te verzoeken. Aldus gedaan, geresolveerd en ge„ arresteerd in Raade van Mala„ baar ter Steede Koetsiem, ten Dage, maand en Iaare voormeld. /:was geteekend:/ Joh: Gerard van Angel„ beek; R. van Harn, G. G. Gebhard, J. L. van Spall, I. Ad: Cellarius, W. van Haesten, A. Poolvliet, J. A. Scheids en P. van Spall. Akkordeerd Arnold Luuel /11 p:r sekres:s La C 136 A„o 1788. Den 8. Januarij in de Stad Koetseem Dingsdag des achtermiddag ontving den Weledele Grootachtbaare Heer Gouver¬ „neur Johan Gerard van Angelbeek een brief van den Koning van Trevankoor¬ vide de Translaat hieronder. Translaat brief door den Koning van Tre van Koor geschreeven aan den Wel„ „edele groot achtbaare Heer Gouverneur Johan Gerard van Angelbeek ontvangen den 8. Januarij 1788. Ik het aanschrijvens gekreegen van mijne Rosiadoor van Alepe, dat op den 30. passato een sloep ter ordre van Uw= Weledele Grootachtbaare in de haver van Alepe is gekoomen, en heeft eenige schooten gedaan, en de Vaar¬ tuigen die aldaar ten handel gekoo¬ Sekreete Dagelijkse Aantekeningen van de voornaamste Zaak en voorgevallen in deeze loopen¬ de Maand gehouden door den Oppertolk als men

NL-HaNA_1.04.02_3801_0316 view scan ↗

English

were captured, and the Company flags hoisted upon them, and detained at a time when I live in close alliance with the Dutch Company. What reason Your Right Honourable Worship has to send a vessel to my port and have shots fired at them, I cannot comprehend, about which I am very astonished. To the merchants who come with their vessels to my lands to trade, no one up to the date of this has caused any hindrance. I expect as soon as possible to be informed by Your Right Honourable Worship what reason Your Right Honourable Worship has to send a vessel to my ports, to fire upon them, and to obstruct trade, which I desire to know as soon as possible. I strongly long for it and expect the answer by the bearer of this without losing a minute. Written by Balia Melesetta Kanak Serve soetoem Peroemaal Madew and and signed by His Highness. Below stood: For the translation, Koetsiem, date as above. Signed: Sim: Van Tongeren, sworn translator. On the 9th of January in the city of Koetsiem, Wednesday before noon, His Right Honourable Worship wrote a letter to the King of Travancore, verbatim as follows. Draft letter written by the Right Honourable Lord Governor Johan Gerard van Angelbeek to the King of Travancore, the 9th of January 1788. Yesterday morning I received a letter from Your Highness, in which is asked: 1. What reason I had to send a sloop to Alepe. 2. Why shots were fired at those vessels. 3. Why those vessels were taken and the Company's men and flags placed upon them. 4. Why in that manner I obstruct trade in Your Highness's port. To this I shall answer clearly, point by point. 1. All native vessels sailing past here from the north to the south have from of old been obligated to call here and submit to inspection, as well as to pay toll on the cargo and to take a pass from the Company. This is a right that has from of old belonged to the Company, and which it has from of old exercised undisturbed, and to that end it has from time to time had the coasts between here and Koilang cruised, which is well enough known to Your Highness and the whole world. Since I received news a few days ago that some native vessels had arrived at Alepe without having called here, I sent the sloop with two small vessels to inspect them, and to announce that they had to come to Koetsiem and pay the toll and take our passes. This this is the answer to the first question, or the reason why our sloop came before Alepe. 2. Since the vessels lying there would not let the men sent by the commander come on board and would not submit to inspection, he first fired blank cannon shots at them, and when they paid no heed to this, fired a cannonball past the vessels, whereupon they came on board his vessel and submitted to the old orders and laws that they had violated. This is a common custom at sea, and it is practiced by all nations, that vessels which will not obey cruisers are compelled to do so first with blank and then with live shots; and this is the answer to the second question, why the sloop fired. 3. When the vessels submitted, Company men were placed upon them, and thus they sailed along sailed to Koetsiem to take passes there, as they are obligated to do from of old, and this is the answer to the third question. 4. From this frank and clear answer to the first three questions, it is most plainly evident that the cruiser was sent by me solely to maintain the Company's old rights, and not to obstruct trade in Your Highness's land. And that this was not the intention is evident from the fact that the very vessels brought in by the cruiser received permission from me to depart again for Alepe and to continue their trade there, for which the Company's passes have already been granted to them, just as one of them has already departed from here again, while the others are preparing for their departure for Alepe. But now I must also tell Your Highness plainly that I have noticed that Your Highness's people at Porka and Alepe are selling pepper to the vessels, which is completely contrary to the contract. And since Your Highness has not answered up to now my letter written about about a month ago concerning the Frenchman Bailleul, who had departed for the south to buy pepper; and as I, for my part, wish to leave nothing untried that may serve to maintain the friendship between the Company and Your Highness, I shall send two members of the Council to you to propose what is necessary concerning this matter. And these two members will depart from here next Saturday morning, of which I therefore inform Your Highness in advance. God preserve Your Highness. Below stood: Translated as such by me into Malabar. Koetsiem, date as above. Signed: Simon van Tongeren, sworn translator. On the 12th of January in the city of Koetsiem, Saturday morning, His Right Honourable Worship wrote a letter to the King of Travancore, the draft reading as follows. Draft letter by the Right Honourable Lord

Dutch transcription

men waaren genomen en daar 't konijn vlaggen opgezet en aangehouden in een tijd dat ik met de Hollandsche Komp: in een naúwe Verbintenisse leeft, wat reeden Uwel edele groot„ achtbaare heeft een Vaartuig naar mijn haven te zenden en daar¬ op te laaten schieten kan ik niet be¬ grijpen, waarover ik zeer verwondert ben; de Koopluiden die met haar Vaartuigen in mijn landen kome om te negoothieeren heeft niemand tot dato deezes eenige Verhindering toege¬ bragt, ik verwachte ten spoedigsten van Uweledele groot achtbaare te mogen weeten wat reeden Uweld groot achtbaare heeft Vaartuig na mijn havens te zenden, daar op t schieten en de negootsie te ster „m en het geen ik begere ten spo digsten te mogen weeten, ik verlang sterk daarna en verwachte he# antwoord per brenger deezes zonde een minut te verzuimen. Gesch„ „ven bij Balia Melesetta Kanak Serve soetoem Peroemaal Madew en 137 en geteekend bij zijn hoogheid. /:onder¬ stond:/ Voor de Translaatsie Koetsiem dato als boven /:was geteekend:/ Sim: Van Jongeren gezwoore Translateur Den 9. Januarij in de Stad Koetsiem Woensdag voor de middag schreef zijn Weledele groot achtbaare een brief aan den Koning van TrevanKoor van Woord tot Woord als volgt. Koncept brief door den Weled: Groot achtb: Heer Gouverneur Johan Gerard van Angelbeek ge„ „schr: aan den Koning van Tre van Koor den 9. Januarij 1788. — Gisteren voormiddag ontving ik een brief van Uwe Hoogheid, waarbij ge¬ vraagd word. 1. , Wat reeden ik gehad heb een sloep naar Alepe te zenden 2. / Waarom op die Vaartuigen geschooten is. 3. , Waarom die Vaartuigen genoomen en daarop s Komp s Volk en vlaggen geplaatst zijn 4. Waarom ik op die wijze de negootsie in - in Uw. Hoogheids haven stremme Hierop zal ik stuk voor stuk duide„ lijk antwoorden 1. , Alle inlandsche Vaartuigen van de noord naar de Zuid hier voorbij zei„ lende zijn van ouds verplicht hier aante leggen en zich visiteeren te laaten, mitsgaders van de lading toe te betaalen en een pas van de Komp: te neemen, dit is een recht het welk de Komp: van ouds Kompe„ teerd, en het welk ze van ouds ongestoord geoefend heeft en tot dat einde heeft zijde Stranden tusschen hier en Koilang van tijd tot tijd laaten bekruissen, het geen Uw. hoogheid en de heele Wereld bekend genoeg is, wijl ik nú voor eenige Dagen tijding kreeg, dat ee„ „nige inlandsche Vaartuigen te Alepe gekoomen waaren, zonder hier aan geweest te zijn, zoo sond ik de sloep met twee kleene Vaartuigen om dezelven te visi¬ teeren, en aante kondigen dat te te koetsiem koomen en de tol te be„ taalen en onze passen neemen moeste dit 138 dit is het antwoord op de eerste Vraag of de reeden waarom on te sloep voor Alepe gekoomen is. 2. , Wijl de Vaartuigen, die daar lagen, het Volk, het welk, door den Gezag- hebber gezonden werd, niet aan boord laaten en zich niet wilden visitee„ ren laaten, zoo heeft hij op dezelven eerst losse Kanon Schooten gedaan, en toen te rich daaraan niet stoor„ den een Kogel voor de Vaartuigen voorbij geschooten, waarop te bij hem aan boord gekoomen zijn, en tich onderworpen hebben aan de oude ordres en wetten die te overtreeden hadden Dit is een algemeen gebruik bij de zee, en daarna word bij alle naatsien gehandeld, dat Vaartuigen, die aan de Kruissers niet obedieeren willen, daar toe eerst met losse en daarna met scherpe schooten gedwongen worden, en dit is het antwoord op de tweede Vraage waarom de sloep geschooten heeft. 3. , Toen de Vaartuigen zich onderwor= pen is 'er Volk van de Komp: opge„ plaatst en zoodanig zijn te meede gezeild gezeild naar Koetsiem, om daar pas¬ sen te neemen, zoo als ze van ouds verplicht zijn te doen, en dit is het antwoord op de derde Vraag. 4. , uit dit openhartig en duidelijk antwoord op de drie eerste Vraagen, blijkt ten klaar¬ sten, dat de Knuisser door mij gezonden is alleen om 's Komp: oude rechten te bewaaren, en niet om den handel in Uw Hoogheids land te stremmen, en dat dit de intentsie niet geweest zijn, blijkt daaruit, dat de eigenste Vaartui¬ gen, die door de Knusser opgebragt zijn van mij verlof gekreegen hebben om wederom naar Alepe te vertrekken en haaren handel aldaar voort te zetten waar toe hun reets 's Komps. passen verleend zijn, gelijk dan ook een van dezelven reets wederom van hier vertrok¬ ken is, terwijl de anderen zich tot het vertrek naar Alepe Klaar maaken Maar nu moet ik Uw Hoogheid ook om be wimpeld zeggen, dat ik ontwaard heb dat Uw. Hoogheids Volk te Porka en Alepe Peper aan de Vaartuigen verkoopt, het welk volstrekt tegen het Kontrakt strijdt en dewijl Uw hoogheid, mijnen brief, dien ik voor omtrent 139 omtrent een maand geschreeven heb over den fransman Baijeul die om Peper te Kopen naar de Zuid vertrokken was, tot nu toe niet beantwoord heeft; en ik van mijne zijde niets wil onbe„ zocht laaten, wat dienen kan, de Vriendschap tusschen de Komp: en Uwe hoogheid te onderhouden, zoo zal ik twee leeden van den raad bij Uw. zenden, om daarover het noodige voor te zetten En deeze twee Leeden zullen aan„ staande Zaturdag morgen van hier vertrekken, waar van ik dus Uw Hoogheid vooraf verwittige. God bewaare Uw Hoogheid /:onderstond:/ zoodanig door mij in het Mallabaars overgezet. Koetsiem dato als boven /:was geteekend:/ Simon van Ton„ geren gezwoore Translateur Den 12. Januari in de stad Koetsiem. Saturdag s morgens schreef zijn Weled: Grootachtbaare een brief aan den Koning van Trevan Koor, luidende het koncept aldus. — Konceptbrief door den Weled. Grootachtbaaren : Heer -.-

NL-HaNA_1.04.02_3801_0322 view scan ↗

English

According to what was written in my last letter to Your Highness of the 9th of this month, the Council members, the Gentlemen Johannes Lambertus van Spall, Fiscal and Cashier, and Johan Andries Scheids, Pay Bookkeeper, are now departing, who will have the honour of delivering this letter and conferring with Your Highness, on behalf of and representing the Illustrious Dutch Company, about several incidents that have occurred for some time in Your Highness's country. And I request Your Highness to grant a favorable audience to them as our express commissioners, and to give credence to all that they will propose on behalf of the Illustrious Company, which will mainly consist of the following. In my letter of the 13th of Dec. last, I conferred with Your Highness about the Frenchman Bailleul, who was sent from Mahé to buy pepper from Your Highness, but I received no answer to that, although since that letter was delivered to Your Highness I have received three letters from Your Highness. Lord Governor Johan Gerard van Angelbeek written to the King of Travancore the 12th of January 1788. Since then, I have learned from the officers of the Portuguese ship St. Anthonio de Padua that when that ship sailed from the south to the north, Your Highness's people were twice aboard that ship, and invited them to trade with them, and specifically also to buy pepper and cinnamon. The same thing also happened with the Tuscan ship Le Grand Duc de Toskan, and this latter had the result that the cargo of that ship left from here to the south to buy pepper from Your Highness. That this conduct is completely contrary to the latest Treaty which was concluded in the Year 1753 between the Illustrious Company and the Kingdom of Travancore cannot be denied, for the third Article of the same reads verbatim: His Travancore Highness promised and assured to desist from all engagements with all other European Nations. And by the fourth and fifth Articles it was promised that all pepper produced in Your Highness's country (except one thousand candeels to the English) shall be delivered solely to the Company; and the seventh Article reads verbatim: The King of Travancore promises to take care that no Pepper is transported out of his highness's lands. Besides these cases, I am also informed that Your Highness's Rasiadoors at Alepe sell pepper to native vessels, and that at Porka pepper was also shipped in a bombara. This cannot be denied, for the Arab named Tjadeuje, who loaded pepper at Porka in his bombara named Salam Sawai, declared at our secretariat that he sold two hundred twenty-six bales of kapok to Your Highness's people at Porka, and in return bought and loaded from them two hundred thirty-four packs of pepper; and this pepper was also found here in the bombara, so that this matter is as clear as day and cannot be denied. Besides this, twelve days ago at Porka one hundred and one packs of pepper were loaded into a vessel, against which the Resident protested, but in vain, as Your Highness's people paid no heed to it, but on the contrary, the day after that, shipped another hundred packs. At Alepe, Your Highness's Rasiadoor likewise sold pepper to the bombaras, which was found therein by our cruisers, and the merchant of that bombara declared that he was negotiating with the Rasiadoor to purchase cinnamon, but that the deal had not yet been closed because the Rasiadoor demanded eighty rupees per candeel, and he would not give more than fifty. About these cases, which are completely contrary to the Treaty and also to the close friendship that has thus far existed between the Illustrious Company and Your Highness, and which I wish with heart and soul may always endure and increase daily to our mutual advantage, the commissioners will confer with Your Highness. And I request that Your Highness hear them in person, as it is a matter of the greatest importance, so that Your Highness may be accurately informed of everything; and I dare then to flatter myself, regarding the justice and good sentiments of Your Highness, that all these grievances will be removed and our commissioners will be sent back with a wished-for answer. Lastly, I request Your Highness favorably to accept some trifles, which are listed on the annexed list, as a well-meaning present and a token of the Company's affection. God preserve Your Highness. 2 pieces of velvet, namely 1 green and 1 crimson red 2 gourds of rose water 24 lb. spices, namely 8 lb. mace 8 lb. nutmeg and 8 lb. cloves 100 lb. powder sugar was written below: translated thus by me into Malabar, Cochin, date as above; was signed: Simon van Tongeren, Sworn Translator. On the 27th of January in the city of Cochin, Sunday morning, the Right Honorable received a letter from the King of Travancore alongside an ola, which having been translated, reads as follows. Translation of the letter written by the King of Travancore to the Right Honorable Lord Governor Johan

Dutch transcription

Volgens het aangeschreevene bij mijn laas¬ ten brief aan Uw. hoogheid van den 9 deezer vertrekken thans de Raads„ leden de Heeren Johannes Lamber„ tus van Spall Fiskaal en Kassier en Johan Andries Scheids soldij Boekhouder, die de Eere zullen heb= ben deezen brief over te geeven en Uwe hoogheid, uit naame en van weegen de Doorluchtige Nederland„ sche Komp: over verscheidene gevallen te onderhouden, die teder eenigen tijd in Uwe hoogheidsland zijn gebeurd, en ik verzoeke Uwe Hoog heid aan dezelven, als onze expres¬ „se gekommitteerden gúnstig verhoor te verleenen, en geloof te slaan aan al het geen zij van wegen de Doorluchtige Komp: zullen voordraagen het welk voornaamlijk in het volgen¬ de zal bestaan. Bij mijn brief van den 13. Dec. jongst„ leeden heb ik Uw. hoogheid onder- houden over den Fransman Baijeu„ Heer Goeverneur Johan Gerard van Angelbeek geschreeven aan den Koning van Tre„ van Koor den 12 Januari le 1788. 3 3. 140 „le die van Mahé gezonden was, om van Uw hoogheid peper te koopen, doch ik heb daarop geen antwoord bekoomen, hoe wel ik Ieder dat die brief aan Uw. hoogheid besteld was drie brieven van Uw. Hoogheid ontvangen hebbe Zeeder heb ik van de Hoofden van het Portugeesche Schip S„t. Anthonio de Padua verstaan, dat toen dat Schip van de Zuid naar de Noord zeilde, Uw hoogheids Volk twee maal aan boord van dat Schip geweest is, en hen uitgenoodigt heeft om met hen handel te drijven en speciaal ook om peper en Kaneel te koopen. Dit zelfde is ook gebeurd met het Joscaansche Schip Le Grand Duc de Toskan, en dit laaste heeft tot gevolg gehad, dat de Karga van dat Schip van hier naar de Zuid vertrokken is om peper van Uw Hoogheid te Koopen. Dat dit gedoente ten eenemaal strijdig is met het jongst Traktaat het welk in het Jaar 1753. tusschen de Doorluchtige Komp. en het Rijk van Trevan Koor geslooten is, Kan niet ontkend worden, want het derde derde Artikel van het zelve luidt woordelijk, Zijn Trevan Koorsche Hoogheid beloofde en verzeekerd van alle engagemen¬ ten met alle andere Europeesche Naatsien, afte tien. en bij het vierde en vijfde Artikel is beloofd dat alle peper in Uw hoog- heids land vallende /:buiten duizend Kandijlen aan de Engelschen:/ alleen aan de Komp: zal geleeverd worden, en het zeevende Artikel Quidt woordelijk. De Koning van Trevan Koor beloofd zorge te draagen dat geen Peper uit de landen van zijn hoog¬ heid vervoerd word Buiten deeze gevallen ben ik ook onderricht, dat Uw. Hoogheids Ra„ siadoors te Alepe aan de inland„ sche Vaartuigen Peper verkoopen, en dat te Porka ook Peper in een Bombara afgescheept is. Dit kan niet ontkend worden want de Arabier, genaamt Tjadeuje, die te Porka peper gelaaden heeft, in zijn Bombara, genaamt Salam Sawai, heeft ter onzer secre„ tarij 141 tarij verklaard, dat hij te Porka twee honderd ses en twintig baalen Kapok aan Uw. Hoogheids Volk verkocht en weder van het zelve twee honderd vier en dertig pakken Peper gekocht en ingelaaden heeft, en deeze Peper is hier ook in de Bombara gevonden, zoo dat dit geval zoo klaar als de Dag is, en niet ontkend kan worden. Buiten dit zijn voor twaalf daagen te Porka honderd en een pak peper in een Vaartuig gelaaden, waar tegen de Resident geprotesteerd heeft, doch vergeefs, wijl Uw Hoogheids Volk zich daaraan niet stoorden, maar in tegen deel den dag daar= aan, nog honderd pakken afscheepte„ Te Alepe heeft Uw. hoogheids Rasia„ „door insgelijk Peper aan de Bom„ baras verkocht die door onze Knussen daarn gevonden is, en de Koopman van die Bombara heeft verklaard, dat hij met den Rasiadoor in koop stond over Kaneel, doch dat die Koop noch niet geslooten was, om dat de Rasiadoor tachentig Ropijen voor het Kandeil eischte, en hij niet meer als Vijftig geeven wilde Over Over deeze gevallen, die ten eenemaal strijden tegen het Traktaat en teffens tegen de nauwe Vriendschap, die dus lange tusschen de Doorluch„ tige Komparie en Uwe Hoogheid gesubsisteerd heeft, en die ik met hart en ziel wensche dat altijd duuren en dagelijx toeneemen mogen tot wederzijds Voordeel zullen de gekommitteerden Uw Hoogheid on¬ derhouden, en ik verzoeke, dat Uw Hoogheid henl: in Perzoon aanhooren wijl het een zaak van het grootst gewigt is, op dat Uw. Hoogheid van alles Vrouwheung ondericht worde, en ik dúrve mij alsdan vlijen, we¬ gens de rechtvaardigheid en goede sentimenten, van Uwe Hoogheid dat alle deeze bezwaamissen zullen weggenoomen en onze ge„ kommitteerden met een gewenscht antwoord zullen terug gezonden wor¬ den. Laastlijk verzoek ik Uw Hoog heid eenige Kleenigheeden die op de geannexeerde Lijst bekend staan, als een welmeenend Ge„ schenk en blijk van 's Komps. genee„ 4 4. 142 Geneegenheid gunstig te aanvaarden. God bewaare Uw. Hoogheid. 2. Stukken fluweelen als 1. Groene en 1. harmozijn rood 2 Kalbassen Roosen Water 24 lb. Specerijen, als 8 „ Foelij 8 „ Nooten en 8 lb. Nagulen 100 H. Poeder Zuiker /:onderstond:/ zodanig door mij het een en ander in het Mallabaars overge„ „zet, Koetsiem dato als boven /: was geteekend:/ Simon van Tongeren ge„ Zwoore Translateur. Den 27. Januarij in de stad Koet siem sondag 's morgens ontving zijn Weledele Grootachtbaare een brief van den Koning van Trevankoor nevens een Ola, het een en ander getranslateerd zijnde, luidende als volgt. Translaat brief door den Koning van Trevankoor ge„ schreeven aan den Weledele Groot achtbaare Heer Gouverneur Johan

NL-HaNA_1.04.02_3801_0328 view scan ↗

English

The letter written to us by Your Right Honourable and sent with the Members of the Council, we received on the 10. of the Month of Magarom or the 20 of this month and understood its contents, and the aforementioned Members have further orally given us to understand all that Your Right Honourable has let us know. Your Right Honourable writes that you had received no answer to the letter of the 13. of December that was sent to us; we deferred this in order first to obtain precise information regarding it and subsequently to send the answer, as we were ignorant of that matter. In the meantime, Your Right Honourable, without any reason, sent a sloop to our port, which fired shots there, and entirely obstructed the trade at our place, Johan Gerard van Angelbeek, received the 27. Jan: 1788 this is the reason why we sent no answer to the aforementioned letter. Your Right Honourable writes to us that our people went on board a Portuguese ship and requested them to come ashore and offered to sell pepper to them. We instructed our Karyakkars to speak with the ships passing to the North, and if there should be any goods therein that we wished to have, to buy them from them, and for no other reasons; upon investigation Your Right Honourable will discover the truth thereof, that all are untruths which one or another has related to Your Right Honourable with the intention of causing hindrance to the good friendship between the Company and us. We have made no new contract with the French Company; the Members of the Council will give Your Right Honourable a report on the circumstances hereof. Concerning the pepper that grows in our realm and which we are bound to deliver to the Company, we have no reason to sell it to the Bombaras. The pepper on passes that we gave to our merchants, they sold to the Bombaras of the North, of which, having received notice, we at once forbade this. To the Bombaras we have sold no cinnamon. The matter standing thus, Your Right Honourable writes to us that we are acting contrary to the concluded contract, which causes us great astonishment. Your Right Honourable is a person of great understanding and ability; this being so, Your Right Honourable sent a sloop to our port, had shots fired, obstructed trade, caused the vessels to be carried away, and placed the people there under arrest, so that we cannot understand how Your Right Honourable has demanded toll dues on goods that they sold and bought in our country, for the customary fee for passes the Company has asked of them here and also obtained, and if any toll dues on the trade that is carried on in our country must be paid to the Company, Your Right Honourable ought to have imparted this to us; without doing any of this, Your Right Honourable has caused our trade to be obstructed, whereby great damage has been inflicted, which is contrary to the close and good friendship that we maintain with the Company. For the maintenance of our troops and our state, the revenues of our realm are not sufficient, therefore we have taken the trade into our own hands; wherefore, if Your Right Honourable wishes to forbid the same, then the Company ought to point out a way whereby we can find those expenses; therefore, in order to cause no hindrance to the friendship, but to preserve the same, and if Your Right Honourable is inclined thereto, I request that from the traders who come into my country to trade, no other toll dues, except the usual fee for passes, be demanded by the renters, and to have the toll dues already received from them returned to Ananda Mallen, and subsequently to allow the vessels that sail to our ports to pass unhindered. The presents sent with the Members of the Council we have accepted with much cordiality. For the rest, the aforementioned Members will inform Your Right Honourable of everything; hereupon we await a satisfactory answer with all speed. Written by Balia Melesetta Perroetoem Seroemaal Madewen and signed by His Highness. Translation of an ola written in Malayalam by way of a list concerning toll dues collected on goods that were brought by vessels to Alepe, sold and bought, in order that the said amounts be reimbursed to Ananda Mallen. Dated the 10. of the Month of Magarom or the 20. Jan: 1788. The 22. of the Month of Tanoe or the 31. of December 1787. collected from a Bombara named Jajada on account of unloaded Surat cotton at Alepe as Toll Dues - Ducats 100 The 22. of the Month of Tanoe or the 31. of December from a Bombara named Widambar Miran, on the loaded copra at Alepe collected as toll dues on each kandil 1. Rop:s The 29. of the Month of Tanoe or the 9. Jan. 1788. from a Bombara of Cutch on the unloaded 55. Kandijls of cotton at Alape as before on each Kandijl 3. rops. collected.

Dutch transcription

De brief door Uweledele Groot achtbaare aan ons geschreeven en met den Leden van den Raad gezonden, hebben wij den 10. van de Maand Magarom ofte den 20 deezer ontvangen en dies in„ houd verstaan, en de gem: Leeden hebben ons mondeling verders te verstaan ge¬ geeven al het geen Uweledele Groot„ „achtbaare ons heeft laten weeten. Uweledele Grootachtbaare schrijft, dat wij op de brief van den 13. December die aan ons gezonden is, geen antwoord ontvangen had, wij hebben zulx uit„ gesteld om eerst een nauwkeurig infor„ maatsie daarop te neemen en vervolgens het antwoord te doen toekoomen, wijl wij van die zaak onkundig waaren Intusschen heeft Uweledele Grootacht „baare zonder eenige reeden een sloep naar onze haven gezonden, die al„ daar schooten gedaan heeft, en den Handel op onze Plaats ten eenemaal Johan Gerard van An„ „gelbeek, ontvangen den 27. Jan: 1788 doen 143 doen beletten, dit is de reeden waarom wij geen antwoord op voorm: brief hebben afgezonden Uweledele Grootachtbaare schrijft ons, dat ons Volk aan boord van een Portugeesch Schip zijn aangeweest en verzocht hebben, aan de Wal te koomen en aangebooden hadden Peper aan hen te verkoopen. Wij hebben aan onze Kariakaars aanbevolen om de scheepen die naar de Noord passeeren te verpraagen, en zoo er eenige goederen daar in mogte zijn, die wij gaarne wilde hebben van hen te koopen, en om geen andere Reedenen de Waarheid daar van zal U wel edele Grootachtbaare bij ondertoe¬ „king ontdekken dat alle onwaarhee„ „den zijn die den een of den ander aan U weledele Grootachtbaare heeft verhaald met betrachting om aan de goede Vriendschap tusschen de Komp: en ons hindernisse toe te bren„ gen, wij hebben met de Transche Komp: geen nieúwe Kontrakt gemaakt, de omstandigheeden hiervan, zullen de Leeden van den Raad, Uweledele Groot achtbaare Verslag doen Om - Om de Peper die in ons rijk valt en wij gehouden zijn aan de Komp: te leveren, hebben wij geen reeden aan de Bombaras te verkopen. De peper opte passen die wij aan onze kooplieden hebben gegeeven, hebben dezelven aan de Bombaras van de Noord verkocht, waar¬ van wij Kennis gekreegen hebbende, heb¬ ben wij zulx ten eersten verbooden. Aan de Bombaras hebben wij geen Kaned verkocht. De Zaak in dezer voegen staande schrijft Uweledele Grootachtbaare aan ons, dat wij tegens het aangegaane Kortrakt handelen, het geen ons grootelijx doed verwonderen. Uweledele groot achtbaare is een Perzoon van groot Verstand en vermogen zoodanig zijnde, heeft Uweledele Groot¬ achtbaare een sloep naar onze Hlaven gezonden, doen schieten, den handel stremmen, de Vaartuigen laten weg brengen en het volk aldaar in arrest zetten, dus wij niet begrijpen Kunnen hoe dat Uweledele Grootachtbaare Tols gerechtigheid heeft afgeijscht van Goederen die zij in ons land hebben ver„ kocht 3. 144 „kocht en ingekocht, want de gebruikelijke gerechtigheid van passen heeft de Komp: alhier van haar gevraagd en ook er„ langd, en zoo 'er eenige Tols gerechtigheid van de Negootsie die in ons land gedree„ „ven word aan de Komp: moet worden betaald, behoorde Uweledele Groot acht„ baare aan ons te hebben moeten bedee„ len, zonder dit alles te doen, heeft Uweledele Grootachtbaare onten han„ del doen stremmen, waar door groote schaade is toegebragt, het geen strij„ „dende is tegen de nauwe en goede Vriendschap die wij met de Komp: onder„ houden. Tot het onderhouden van onte troepen en onzen staat zijn de inkomsten van ons rijk niet toerykende, derhalven hebben wij den handel aan ons getrok„ „ken, over zulx zoo Uweledele Grootacht„ „baare den zelven wil verbieden, dan diend de Komp: een wegaan te wijzen waardoor wij die Onkosten kunnen vinden, dus om geen hindernisse in de Vriendschap toe te brengen, maar dezelve te doen konserveeren en Uweled- Uweledele Grootachtbaare daar toe geneegen is, verzoeke ik van de Handelaars die in mijn land koomen om te handelen, geen andere Thols gerechtigheeden uitgenoo„ men de gewoone gerechtigheid van Pas„ sen door de Pachters te laaten afvraagen en de reeds van hem ontvangene Tols gerechtigheeden aan Ananda Mallen te laaten teruggeeven, en vervolgens de Vaartuigen die naar onze slaven Zeilen onverhinderd te laten passeeren De gezondene Geschenken met de Lee„ den van den Raad, hebben wij met veel hartlijkheid geakcepteerd. Voor het overige zullen de gem: Leeden Uweledele Grootachtbaare van alles Kennis geeven, hierop verwachten wij met alle spoed een voldoenend antwoord. Geschreeven bij Balia Melesetta Per„ Roetoem Seroemaal Madewen en geteekend bij zijn Hoogheid. Translaat ola in het Mal„ „labaars geschreeven bij Wijte van een Lijst wegens inge„ vorderde Tols gerechtigheeden van 145. van de goederen die met Vaartuigen op Alepe aan„ gebracht, verkocht en inge¬ kocht zijn, om gemelde bedraagen aan Ananda Mallen geintrageerd te werden gedateerd den 10. van de Maand Magarom ofte den 20. Jan: 1788. Den 22. van de Maand Tanoe ofte den 31. December 1787. van een Bombara genaamt Jajada wegens geloste Su„ ratze Katoen op Alepe ingevorderd a Tols Gerechtigheid - Dukat 100 Den 22. van de Maand Tanoe ofte den 31. Detember van een Bombara genaamt Widambar Miran, op de geladene Kopra te Alepe wegens Jols gerech„ tigheid ingevorderd op ieder Kan= „dil 1. Rop:s Den 29. van de Maand Tanoe ofte den 9. Jan. 1788. van een Bombara van Katje op de geloste 55. Kandijlen Kattoen op Alape als vooren op ieder Kandijl 3. rops. ingevor.

NL-HaNA_1.04.02_3801_0334 view scan ↗

English

collected On the 29th, collected from a Bombara of Cutch belonging to the writer Ragapadi, on the unloaded 22 Candies of cotton at Alepe as before at 4¾ Rupees on each Candy: 104. On the 2nd of the month of Magaram, or the 12th of January, collected in duties from a Bombara named Kappian on the purchased copra: 56. Also, the two Shybars that have been detained at Cochin ought to be released from there and sent away. Below was written: For the translation of the one and the other, Cochin, date as above. Was signed: Simon van Tongeren, Sworn Translator. The 28th, in the city of Cochin. Monday, towards evening, the Right Honorable and Most Respected Governor wrote a letter to the King of Travancore, word for word as follows: Draft letter written by the Right Honorable and Most Respected Governor Johan Gerard van Angelbeek to the King of Travancore, the 28th of January 1788. The commissioners have had much adversity on their return journey and are only just now coming ashore. As soon as Your Highness's letter is translated, I will reply to it properly, which will be done within two days; for now, I send this beforehand to make known that, in the direction of Cranganore, all vessels that wish to come down the river with provisions or other necessities for the service of our fort are being detained by Your Highness's people, claiming that this is Your Highness's order. They even refuse to let pass the water thonie that fetches drinking water for our people, and demand that it puts in at all toll posts and allows itself to be inspected. A thonie with lime and stone needed for the repair of the fort is also being detained. I request Your Highness to send orders as soon as possible to the chiefs there, stating that vessels flying the Company's flag must pass unhindered, that the detained vessel be released immediately, and especially that the water thonie also not be detained by anyone. Furthermore, at Angekaimaal and other places around Cochin, the supply of provisions, such as chickens, eggs, butter, and fruits, etc., is being hindered, whereby we suffer great shortages. I therefore request that Your Highness please provide for this in the strongest terms. The cutter boat that the commissioners had with them and dispatched to me with letters has ended up in the surf and thus on the beach on the south side of Manikoopde. The Company's people wanted to bring that vessel back into the water, but Your Highness's Nairs prevented it, and so it stands there on the beach. I request Your Highness to give orders at once to release it and to be helpful to us so that it may be repaired and brought back into the water. Lastly, I must still mention that I learn with astonishment that Your Highness has been informed that two Shybars or the people thereof were held under arrest here. I therefore assure Your Highness on my word of honor that this is a pure fabrication, and that no one from the dhows, Bombaras, or Shybars has been under arrest here, except only two writers of a Bombara and a Nakhoda of a dhow who, coming here, did not wish to allow themselves to be inspected, and those people were under arrest for only one night, and the next morning were immediately released by me. May God preserve Your Highness. Below was written: Thus translated by me into Malabar. Cochin, date as above. Was signed: Simon van Tongeren, Sworn Translator. Agreed. Arnold Lunel, First Secretary. Letter 4th. Secret daily notes of the principal matters that occurred in this current month, kept by the Chief Interpreter, anno 1788. The 6th of February, in the city of Cochin. Wednesday, in the morning, the Right Honorable and Most Respected Governor Johan Gerard van Angelbeek wrote a letter to the King of Travancore, word for word as follows: Draft letter written by the Right Honorable and Most Respected Governor Johan Gerard van Angelbeek to the King of Travancore, the 6th of February 1788. Upon the return of the commissioners, I had the honor of receiving Your Highness's letter, alongside which they have also reported to me on all that was further transacted with Your Highness. Your Highness assures me of having sold no pepper to foreigners, and has further declared this by word of mouth to the commissioners, with the addition that this would henceforth not happen either and that we could confiscate the pepper that was found in foreign vessels. I am very pleased with this assurance from Your Highness, by which many difficulties will henceforth be prevented, but now I must also make known without hesitation that Your Highness is greatly deceived in this matter by your servants, who without your prior knowledge sell pepper to the Bombaras and other foreigners, and when it is then discovered, shift the blame to the merchants who held passes. This is clearly demonstrated in the case of Tjadeuje, in whose vessel two hundred and thirty-four packs of Travancore pepper were found here, for he has declared at our Secretariat, with the offer of an oath, that he sold his cotton to Your Highness's people, and purchased this pepper back from them; that

Dutch transcription

ingevorderd- Den 29. van een Bombara van Katje toebehoorende karani Raga„ „padi op de geloste 22 Kandijlen Kattoen op Alepe als vooren á 4¾ Ropij op ider Kandijl ingevordt „ 104 Den 2. van de Maand Magaram ofte den 12. Januarij van een Bombara genaamt Kappian op de ingekochte Kopra inge„ vorderd aan gerechtigheid „ 56— Ook dienen de twee Sibaars die op hoet„ siem gearresteerd zijn, daarvan ont„ „slagen en gezonden te werden. /:onder„ „stond:/ voor de Translaatsie van het een en ander Koetsiem dato als boven /:was geteekend:/ Simon van Jongeren gezwoore Translateur Den 28. in de Stad Koetsiem. Maandag tegen den avond schreef Zijn Weledele Groot achtbaare een brief aan den Koning van Trevan„ Koor van Woord tot Woord als volgt Koncept brief door den Weledele Groot achtbaare Heer Gouverneur Johan Rops. 165 Gerard 6 146 Gerard van Angelbeek, ge schreeven aan den Koning van Trevan Koor den 28. Jan: 1788. De Heeren gekommitteerden hebben veel tegenspoed op de terug reize gehad en koomen zoo aanstonds eerst aan de Wal. Zoo dra de brief van Uwe Hoog „heid vertaald is, zal ik den zelven be„ hoorlijk beantwoorden, het geen binnen twee dagen geschieden zal, thans richt ik deezen vooraf om te kennen te gee„ ven, dat naar de kant van Kranganoor alle Vaartuigen, die met leevens midde„ len of andere behoeften de revier wil„ „len afkomen ten dienste van ons fort, door Uw. hoogheids Volk worden aangehouden, voorgeevende dat dit Uw hoogheids ordre is, zelfs willen Hij de Watersonie, die het drnk Water voor ons Volk haalt niet laa¬ ten passeeren, en begeeren dat dezelve op alle tolplaatzen aanleggen en tich visiteeren laaten zal, ook word een Tonie met Kalk en Steen aan gehou¬ den die tot reparaatsie van het fort moet dien en 2 0 Ik verzoek Uw hoogheid ten spoedigsten aan de hoofden aldaar ordres te tenden dat de Vaartuigen met 's Komps vlag „gen vaarende onverhindert passeeren moeten, dat het gearresteerde Vaartuijg ten eersten gelargeerd worde en dat speciaal ook de Water Tonie door niemand opgehouden worde. Ook word op Angekaimaal en andere plaatzen rondom Koetsiem, de toevoer van Leeven middelen, als hoenders, Eijeren, boter en Vruchten en z: belet, waar door wij groot gebreklijden, ik verzoek over zulx, dat Uw Hoogheid hierin op het Krachtigste gelieve te voor- zien. De Kotter Boot die de Heeren gekom¬ mitteerden bij zich gehad en met brie„ „ven aan mij gezonden hebben is aan de Zuid kant van Manikoop de in de branding en zoo op het Strandgeraakt, het Volk van de Kompanie wilde dat Vaartuig weer in het Water brengen, doch Uw. hoog- heids Nairos hebben het belet en zoo staat het zelve daar op Strand. J1 147 Ik vertoek Uw Hoogheid ten eersten ordre te geeven, om het zelve te largee¬ ren en ons behulpzaam te zijn dat het gerepareerd en weder in het Wa¬ ter gebragt worde. Laastlijk moet ik noch melden, dat ik met verwondering verneeme, dat men Uwe Hoogheid bericht gegeeven heeft, dat hier twee Sibaars of het Volk daar van in arrest gehouden wierden. Ik verteekert Uw Hoogheid derhal„ ven op mijn Woord van Eer dat dit een louter verdicht zel is, en dat hier nie„ mand van de Dauws, Bombaras of Sibaars in arrest geweest is, als alleen twee Karanis van een Bombara en een Nachoda van een Dauw die hier koomende zich niet wilden visiteeren laaten, en die men„ schen tijn maar eene nacht in arrest geweest, en den anderen morgen ten eersten door mij gelar„ geerd. God bewaare Uw hoogheid /:onder- stond :/ zoodanig door mij in het Mallabaars overgezet. Koetsiem dato Arnold Lunel dato als boven /: was geteekend: Simon van Tongeren, gezwoore Translateur. Aksordeerd. p:s sekret:s L:a 4: —. 148 Sekreete Dagelijkse Aantekeningen van de voornaamste zaaken in deeze loopende maand voorgevallen gehouden door den Oppertolk als A„o 1788. Den 6. Februarij in de Stad Koetsiem Woensdag 'S morgens schreef den Weledele Groot achtbaare Heer Gouverneur Johan Gerard van Angelbeek een brief aan den Koning van Trevankoor van Woord tot Woord als volgt. Koncept brief door den Weledele Grootachtbaare Heer Gou¬ verneur Johan Gerard van Angelbeek geschreeven aan den Koning van Trevan¬ Koor, den 6 Februarij 1788. Met de terugkomst van de Heeren ge„ kommitteerden heb ik de Eer gehad Uw Hoogheids brief te ontvangen, waar„ „nevens zij mij ook rapport gedaan hebben van al het geen verder met Uw hoog- heid verhandeld is. Uwe 1. Uwe Hoogheid verzeekerd mij geene Peper aan vreemden verkocht te hebben, en heeft dit bij monde aan gekommitteerden nader verklaart, met bijvoeging, dat zulks voort¬ aan ook niet geschieden zoude en dat wij de Peper, die in vreemde Vaartuigen gevonden werd, wij konden Konfiskeeren. Ik ben heer verblijdt over deeze Verteeke¬ ring van Uw. Hoogheid, waardoor voort„ aan veel moeilijkheeden zullen voorge¬ koomen worden, maar nu moet ik ook onbeschroomd te kennen geeven, dat Uwe Hoogheid door zijne bedienden omtrend dit stuk zeer misleidt word, die zonder Uwe Voorkennis Peper aan de Bombaras en andere vreem„ delingen verkoopen, en als het dan ontdekt word, de Schuldschuiven op de Kooplieden die passen hadden. Dit blijkt klaar aan het geval van Tjadeuje, in wiens Vaartuig hier twee honderd en vier en dertig pakken Trevan„ Koorse Peper gevonden zijn, want dezelve heeft ter onzer Sekretarije, onder aanbieding van eede verklaard Dat hij zijne Kapon aan Uw Hoog heids Volk verkocht, en deeze Pep weder van henl: ingekocht heeft, dat

NL-HaNA_1.04.02_3801_0341 view scan ↗

English

that he had asked Your Highness's Regidor and the Canarese Ranga Pooij whether he had to do anything more for the loading of the pepper, but that both had told him that they had notified the Resident of Porka and obtained permission to load the pepper into his vessel, etc. To convince Your Highness of this even further, I enclose herewith a copy of this declaration with its translation. This declaration by Tjadeuje himself cannot be rejected or denied, and is alone sufficient to prove that this was not pepper from the merchants who had pepper passes, but belonged to Your Highness himself; however, I have still further proof of this. For the Resident of Porka, Abraham Toussain, having been called to account concerning this, has declared under offer of oath: 1. That this pepper was prepared in the warehouse of Your Highness. 2. That Ranga Pooij, who manages the affairs of Your Highness, came to him and said that the King had bought the kapok from the Bombara, with the agreement to give pepper in its place. 3. That he, the Resident, the day before the shipment, informed the Besaipoekaren that he could not tolerate that shipment, but would place it under arrest. 4. But that the Besaipoekaren had replied that he would not listen to that arrest, and that his King could sell his pepper to whomsoever he wished; and finally, 5. That that pepper was also actually shipped out of Your Highness's warehouse and by Your Highness's people. This declaration is also enclosed herewith in Dutch and likewise in Malayalam. That Your Highness's servants, who were on board the ships St. Antonio de Padua and Le Grand Duc de Toscane, offered pepper and cinnamon for sale, was related by the captains and supercargoes themselves, who deserve credence in this matter; but since I wish for nothing so heartily as to maintain constantly the friendship between Your Highness and the Company, and to avoid everything that might be prejudicial to the same, I will not trouble Your Highness any longer with this vexatious and unpleasant matter, but rather rely on Your royal word and promise that henceforth no pepper will be sold to foreign European or native vessels. Regarding the cruising, I have already given Your Highness sufficient reasons in my two previous letters, and the commissioners have explained everything further; and even if I could adduce no other reason why I had the vessels arrested before Alepe, the pepper that was found in them would alone be enough to justify this action. But even if there had been no pepper in those vessels, I was nevertheless authorized to arrest them, for the reason that they had bypassed Cochin without having taken passes. That they are obligated to do so, Your Highness yourself acknowledges in your letter with these words: "For the Company has always demanded and also obtained the customary right of passes." Thus I need bring no further proof of this, but I must add that the Company, in order to hold the native vessels to this obligation, and to maintain and cause this right to be respected, has repeatedly caused the coasts to be cruised, as appears from a multitude of instructions that are deposited in our secretariat, of which, in order not to extend this letter too much, I will cite only a few from the last fifty years. In the year 1735, the boat Vlissinge, Quartermaster Jan Theunis, cruised from here southwards to Koilangs Paroe, and in the instructions of 17 January of that year it is among other things clearly stated: that he, the Quartermaster, must cruise the coasts and bring hither all vessels that smuggle pepper, as well as those that are not provided with the Company's passes, and that he must compel by his artillery the vessels that will not obey him. In the year 1743, the boats Zwijndrecht and Settua were sent to cruise the coasts before Alepe and Kakaalang, with orders to bring in all native vessels that sailed from the north to the south and had not called here at Cochin, as well as all vessels that had loaded pepper. In the year 1750, Quartermaster Jan Klaase cruised with the boat Settua, and was ordered in his instructions to bring in all native vessels that had bypassed Cochin, and if they will not obey, to compel them thereto with the artillery. In the year 1765, Boatswain Jan Smith cruised with the small ship De Jonge Susanna from Settua down to Porka, and Quartermaster Hans Matthijs Berends cruised the coasts between Cochin and Porka with the boat Elisabeth, and both were ordered in their instructions immediately to arrest and bring in all vessels that had no passes. I have therefore in this case done nothing other than what has been customary of old and at all times, wherefore Your Highness has no reason at all to complain about this cruising and what occurred during it. Your Highness complains further that I thereby impeded trade in your country; to this it should be replied that the Regidors are themselves to blame for this, as they admitted the vessels without passes, which they should not have done, and that thus the harm that might have arisen from this is not to be attributed to me, but to them. For the rest, it appears most clearly that

Dutch transcription

149 dat hij Uw. hoogheids Rasiadoor en den Kanarijn Ranga Pooij, gevraagd had, of hij ook iets meer doen moest, tot het laden van de peper, doch dat beide aan hem gezecht hadden, dat zij aan den Resident van Porka ge„ waarschúwd en permissie bekoomen hadden de Peper in zijn Vaartuig te laaden enz: Om Uwe Hoogheid hier van noch nader te overtuigen sluite ik hierin een kopij van deeze Verklaaring met deszelfs translaat Deeze Verklaaring van Tjadeuje Zelve kan niet verworpen of ontkendt worden, en is alleen genoeg om te bewijzen, dat het geen Peper van de Kooplieden die peper passen gehad hebben, maar van Uw Hoogheid zelve geweest is, doch ik heb daarvan noch nadere bewijzen. Want de Resident van Porka Abra¬ ham Toussain, hier omtrent verant„ woording afgevraagd zijnde, heeft onder presentaatsie van Eede verklaard. 1. / Dat deeze Peper in het pakhuis van Uw Hoogheid Klaar gemaakt is. 2. 2. / Dat Ranga Pooij die de Zaaken van Uwe Hoogheid waarneemd bij hem ge¬ koomen is en gezegd heeft, dat de Koning de Rapok van de Bombara gekocht had, met het akkoord, om Peper in de plaats te geeven. 3. / Dat hij Resident, sdaags voor den afscheep aan den Besaipoe hare heeft laaten weeten, dat hij dien afscheep niet kost gedogen, maar daarop arrest leggen zoude 4. Doch dat de Besaipoekaren had geantwoordt: dat hij naar dat arrest niet luisteren zoude en dat Zijn Koning Zijne Peper verkoo¬ pen kost, aan wien hij wilde, en eindelijk 5. Dat die peper ook werklijk uit Uw Hoogheids Pakhuis en door Uw. Hoogheids Volk afgescheept is. Deeze Verklaaring gaat meede in het Hollandsch en teffens in het Malabaars hiernevens. Dat Uw Hoogheids Bedienden, die aan Boord van de Scheepen S.:t Antonio de Padua en le grand 2 150 grand. Duc de Toscane geweest zijn, Peper en Kaneel te Koop gepresenteerd hebben, Zulks is door de Kapitains en hargas zelve verhaald, die hier omtrend geloof verdienen, doch wijl ik niets zoo haartg lijk wensche als om de Vriendschap tus¬ schen Uw Hoogheid en de Romp: steets te onderhouden, en al wat aan dezelve hinderlijk, zijn kan, te vermijden: zoo wil ik Uw Hoogheid met deeze verdrie¬ „tige en onaangenaame zaak niet langer vermoeilijken, maar veel meer benusten in Uw Koninglijk Woord en belofte, dat voortaan geen Peper aan vreemde Europeesche of Jnlandsche Vaartuigen verkocht zal worden Nopens de Beknussing heb ik Uw Hoog- heid reets bij mijn twee voorige brieven voldoende reeden gegeeven en de gekom¬ „mitteerden hebben alles nader geecc„ pliceerd en al kon ik geen ander reeden bijbrengen, waarom in de Vaartuigen voor Alepe heblaaten arresteeren, zoo zoude de Peper, die daarin gevonden is, alleen genoeg weezen, dit gedoente te rechtvaardigen. Doch al was geen Peper in die Vaartuigen geweest, zoo was 2 zoo was ik doch bevoegd, dezelven te ar¬ resteeren, om reeden, dat zij koetsiem waaren voorbij gegaan, zonder passen genoomen te hebben. Dat zij hier toe ver„ plicht zijn, erkent Uw. Hoogheid Zelfs, bij zijn brief met deeze Woorden: Want de gebrúklijke gerechtigheid van passen heeft de Komp: haar altoos ge¬ vraagd en ook erlangd. Dús behoeve ik daarvan geen nader bewijs bij te brengen, doch diene ik 'er bij te„ voegen, dat de Komp: om de Inland„ „sche Vaartuigen tot deeze verplicht te houden. En om dit haar recht te bewaaren en te doen respekteeren, te meert maalen de Stranden heeft laaten beknus„ sen, Zoo als blijkt bij eene meerigte instruk¬ sien die ter onzer sekretarije berusten zijn, waarvan ik, om deezen brief niet al te veel uit te brijden, maar eenigen, reder de laaste Vijftig Jaaren, zal aanhaalen. In het Jaar 1735. heeft de Bootvlissin„ ge Quartiermeester Jan Theunis gekrust van hier Zuidwaards tot Koilangs Paroe, en bij de Instruksie van den 17. Jan van dat Jaar staat onder anderen duidelijk vermeldt: dat hij Quartiermeester de Stranden be 151 bekruissen en alle Vaartuigen die in Peper Smokkeen, als meede die van 's Komps. passen niet voorzien zijn, herwaards voeren en dat hij de Vaartuigen, die hem niet willen gehoorzaamen, door zijn geschut dwingen moet. In het Jaar 1743. Zijn de Boots Zwijndrecht en Settua gezonden, de Stranden te be„ „knussen voor Alepe en Kakaalang met last, om alle inlandsche Vaar„ tuigen, die van de noord naar de Zuid zeilden en hier te koetsiem niet aangeweest waaren, op te brengen, ge„ lijk ook alle Vaartuigen, die Peper ge¬ laden hadden. In het Jaar 1750 heeft de Quartirmeestert Jan Klaase, met de Boot settua ge„ Kruist, en is bij zijn Instruksie gelast geweest, alle Jnlandsche Vaartuigen, die Koetsiem voorbijgegaan waaren, opte brengen, en als zij niet gehoor¬ zaamen willen, met het Geschut daartoe dwingen. In het Jaar 1765. heeft de Bootsman Jan Smith met het smal schip de Jon„ ge Susanna gekruist van Settua af tot Porka. Porka toe, en de Quartiermeester Hans Matthijs Berends, heeft met de Boot Elisabeth de Stranden, tusschen Koet „siem en Porka bekrust en beide zijn bij hunne instruksien gelast ge„ weest, alle Vaartuigen die geen passen hadden ten eersten te arresteeren en opte brengen Ik heb derhalven in dit geval niets gedaan, dan het geen van ouds en Ieder alle tijden gebruiklijk geweest is, weshalven Uwe Hoogheid in het geheel geen reeden heeft, zich over deeze bekruissing en het geen daar bij voorge„ vallen is te beklaagen. Uw hoogheid Klaagd verder, dat ik daar door den handel in zijn land verhinderd heb, hierop diend, dat de Rasiadoors daar zelve Schuld aan zijn, wijl zij de Vaartuigen zonder passen geadmitteerd hebben, het geen zij niet hadden moeten doen, en dat dus het nadeel, dat hieruit mogt ontstaan zijn, niet aan mij maar aan hen lieden te wijten is. Voor het overige blijkt ten Klaarsten, dat

NL-HaNA_1.04.02_3801_0347 view scan ↗

English

that I have not had the intention to obstruct the trade in Your Highness's land (apart from the smuggling in pepper and wild cinnamon, which I shall always obstruct), for I have immediately given the same vessels, after they had been inspected and had taken out passes, freedom to depart again for Alepe, as Your Highness will certainly have learned. Further, Your Highness says you cannot understand how I have demanded customs dues on goods that the aforementioned merchants had sold and purchased in Your Highness's land. If Your Highness pleases to have an inquiry made, it will be found that from ancient times until now, all native vessels that have traded between Setua (or now Kranganoor) and Koilang have paid on their sold and repurchase merchandise at Koetsiem just as if those goods had been sold and purchased here. And in order to further convince Your Highness thereof, I enclose herewith an extract from the customs accounts of previous years, containing a multitude of examples that serve as proof of this, whereby Your Highness will thus be convinced that on the goods passing by which were sold in Your Highness's land, and likewise on the products that were purchased in Your Highness's land, the customs duty has always been paid here. And how can Your Highness find it strange or unreasonable that we demand customs on goods that are bought or sold not here, but in Your Highness's land, since Your Highness in that very same manner collects toll at Tengapatnam on goods that are purchased at Koetsiem and brought by vessels to Tutukorijn and sold there, and likewise from Tutukorijn to Koetsiem? This would surely be much more difficult to understand, that Your Highness collects toll on goods that come from a Company place and go to a Company place, than that we collect toll on goods that come from a foreign land or are transported back to a foreign land. I only cite this case, however, to convince Your Highness further by your own example that this is not so strange as Your Highness seems to think, and for the rest I do not wish by this to base our right in this matter in any way upon the example of Tengapatnam, since the same has existed and been exercised at all times, as I have substantiated this with abundant proofs. Your Highness will hereby be convinced that it is not in my power to excuse the merchants who come to trade in Your Highness's land from paying the tolls. By doing this, I would prejudice the rights of the Company, which to preserve inviolate is my first and foremost duty. Just as little can I require the farmer of the taxes to return the farm money that he has received from the aforementioned goods; far more am I obliged to maintain and assist him in this case, for he purchased the tax farm on this condition from the Company, and is on that account fully entitled thereto. And here I must complain of the ingratitude of these merchants, who, after having been treated so mercifully here and released from all punishment, have now still lamented to Your Highness about the payment of the farm. According to the farm conditions, they had forfeited the entire cargo and, on top of that, the full value of the same as a fine; and this punishment was remitted to them, for which they thanked me most emphatically. In particular, Your Highness must find this very unreasonable of the Karga Tjadeuje, who indeed had forfeited his whole cargo of pepper of two hundred and thirty-four packages, and yet was released with only the single farm duty on the sold capon, and has not even paid farm duty on the pepper itself. Furthermore, regarding the request to let the vessels that sail to Your Highness's port pass unhindered, it serves in reply that it has never been my intention to hinder them, and still far less to harm and obstruct the trade in Your Highness's land, and that everything that occurred off Alepe must be attributed solely to the heads of the bombaras and shibars themselves, who passed by this place without taking out passes. And I promise Your Highness that henceforth the vessels that wish to sail to your ports shall also not be obstructed by us, provided they take out passes here and pay the customary tolls, to which they have been obliged from of old, and from which I cannot exempt them, because this is a right that has from of old belonged to the Company, in which I can make no alteration. Your Highness has further also had me verbally requested through the commissioners to release the shibars that were held here under arrest. But I assure Your Highness that no shibar or crew of the shibars is held under arrest here, and that the shibars that were arrested off Alepe and brought up here were released the day after their arrival here and received passes to depart again for the south. To the request for a portion of the Company's merchandise that is brought from Batavia, it serves in reply that the sugar and the few mace and nutmegs that were brought this year had already been sold to the Company's merchants when Your Highness's letter was received. But in the coming autumn I am willing to relinquish a portion of the goods that we shall then receive from Batavia for the same prices that the merchants pay for them, provided that Your Highness takes of all articles in proportion: for example, if Your Highness takes a fourth part of the sugar, that Your Highness then also takes a fourth part of the copper and of the cloves, nutmegs, and mace. This

Dutch transcription

152 dat ik de intentsie niet gehad hebbe den handel in Uw Hoogheidsland te be„ letten /:buiten het smokkelen in pe„ per en wilde Kaneel het welk ik al¬ tijd beletten zal:/ want ik heb dezelf¬ de Vaartuigen, na dat te gevisiteerd waaren en passen genoomen hadden, ten eersten weer Vrijheid gegeeven, naar Alepe te vertrekken, gelijk Uwe Hoog- heid zeekerlijk vernoomen zal hebben; Wijd en zegt Uw. Hoogheid niet begrijpen te kunnen, hoe ik tols Gerechtigheid heb afgeeischt van goederen, die de meer¬ „melde Handelaars in Uw Hoogheids land hadden verkocht en ingekocht wanneer Uwe Hoogheid geliefd onder¬ zoek te laaten doen; zoo zal bevonden worden, dat van al oude tijden af, tot nú toe, alle inlandsche Vaartuigen; die tusschen Setua /:of thans Kranga¬ noor:/ en Koilang handel gedreeven hebben, van hunne verkocht en we„ „der ingekochte Koopmanschappen zoo wel tot te Koetsiem betaald hebben, als of die goederen hier verkocht en ingekocht waaren, en om Uwe Hoog heid daarvan nader te overtuigen zoo 3. st zoo voege ik hier bij en uittrekzel uit de tol reekeningen van voorige Jaaren behelzende een meenigte excempelen die hier van tot een bewijs strekk en waar door Uwe Hoogheid dus overtuigd zal worden, dat van de voorbij passee¬ rende goederen die in Uw Hoogheids land verkocht zijn, en zoo ook van de producten, die in Uw Hoogheids land ingekocht zijn, hier altijd de tols ge„ rechtigheid betaald is. En hoe kan Uwe Hoogheid hed vreemd of onreedelijk vinden, dat wij tot eischen van goederen, di# niet hier, maar in Uw Hoogheidsland, gekocht of verkogt worden. Daar Uwe Hoogheid op die eigenste wijze tol neemt te Tenga„ patnam, van goederen die te koetsiem gekocht zijn en met Vaartuigen naar Tutukorijn gebracht en daar verkocht worden, en zoo ook van Tutukorijn naar Koetsiem Dit zoude immers noch veel moeilijker te begrijpen zijn, dat Uwe Hoogheid tot neemt van goederen, die van een Kompanies plaats koomen en naar een Komp:s plaats gaan, als dat wij toe neemen van goederen, die van een 153 een vreemd land koomen of wederom naar een vreemdland vervoerd worden. gkhaale dit geval echter maar alleen aan, om Uw Hoogheid door Zijn eigen exempel nader te overtuigen, dat dit zoo vreemd niet is, als Uw hoogheid schijnt te denken, en wil voor het ovrige hier door ons recht in deezen geenzints op het Voorbeeld van Tenga„ patnam grondvesten, alzoo het rel¬ ve ten alle tijde bestaan heeft en ge„ oeffend is, zoo als ik dit met overvloe„ „dige bewijzen gestraft hebbe; Uw. Hoogheid zal hier door overtuigd worden, dat het niet in mijn magt is, de Handelaars die in Uw Hoogheids land koomen te handelen, van het betaalen van de tollen te exkuseeren ik toude dit doende het recht van de Kompenie verkorten, het welk ongeschonden te bevaaren mijne eer„ „ste en voornaamste plicht is. Even zoo min kan in den pachter vergen, de pacht penningen, die hij van de voormelde goederen genoten heeft, wederom uittekeeren, veel meer ben ben ik verplicht, hem in dit geval te maintineeren en behulpzaam te zijn want hij heeft de pacht op deeze voor¬ „waarde van de Kompe gekocht, en is uit dien hoofde daartoe ten vollen gerechtigheid. En hier moet ik mij beklaagen over de ondankbaarheid van deeze Koop- lieden, die, na dat zij hier zoe ge„ naadig behandeld en van alle Straffe bevrijdt zijn, nu noch over het betaa¬ een van de pacht bij Uw hoogheid gedoleerd hebben - Volgens de pacht kondietsie hadden tijde heele lading en daar in boven noch de volle Waard van dezelve tot een boete verbeurd, en deeze Straffe is hen geschonken waarvoor zij mij zeer nadruklijk be¬ dankt hebben. Inzonderheid moet Uw Hoogheid dit Zeer onreedelijk vinden van den Karga Tjadeuje, die immers zijne heele lading peper van twee honderd vier en dertig pakken verbeurd had, en echter met de enkelde pacht van de verkochte Kapon vrijgelaaten is, en van de Peperzelfs niet eens pacht 154. packt betaald heeft; Voorts diend, op het Vertoek, om de Vaartui¬ gen, die naar Uw. Hoogheids haven Zeilen onverhinderd te laaten passeeren, dat nooit mijn Oogmerk geweest is, dezel¬ ven te verhinderen, en noch veel min¬ der om den handel in Uw. hoogheids land te benadeelen en te stremmen, en dat alles, wat voor Alepe voorge„ vallen is, alleen aan de Hoofden van de Bombaras en Sibaars zelve moet toegeschreeven worden, die dee„ ze plaats voorbij gegaan zijn, zonder passen te neemen, en ik belove Uwe hoogheid, dat ook voortaan de Vaar„ tuigen die naar Uwe havens zeilen willen, door ons niet zullen belet wor„ den mits zij alhier passen neemen en de gewoone tollen betaalen, waar„ toe zij van ouds verplicht zijn, en waar¬ van ik haar niet kan vrijlaaten, wijl, dit een recht is, het welk de kom„ penie van ouds kompeteerd, waarin in geene Verandering kan maaken. Uwe Hoogheid heeft mij wijders noch door de gekommitteerden mondeling laaten verzoeken, de Sibaars, die hier in arrest gehouden werden, te ontslaan, doch ik betuige Uw. Hoogheid, dat hier geen geen Sibaar of Volk van de Sibaar in arrest gehouden word, en dat de Sibaars, die voor Alepe gearresteerden hier op- gebragt zijn, den dag na hunne aan„ komst alhier vrij gelaaten zijn, en pas¬ „sen gekreegen hebben, om weer naar de zuid te vertrekken. Op het Verzoek om een gedeelte van de Koopmanschappen van de Komparie die van Batavia aangebracht worden, diend in antwoord, dat de Zuiker en de weenige Foelij en Nooten, die dit Jaar aangebracht is, reets aan de Kooplieden van de Kompagnie verkocht was, toen de brief van Uwe Hoogheid ontvangen werd; doch ik wil in het aanstaande najaar gaan„ „ne een gedeelte van de goederen, die wij dan van Batavia Krijgen voor de zelfde Pijsen afstaan, die de Kooplieden daarvoor betaalen mits Uwe Hoogheid van alle ar= tikels naar proportsie neeme, bij Voor¬ beeld als Uw Hoogheid een vierde ge„ deelte neemt van de Zuiker, dat Uwe Hoogheid dan ook neemt een vierde gedeelte van het Koper en van de Nagelen, Nooten en Foeli Dit

NL-HaNA_1.04.02_3801_0353 view scan ↗

English

155 This condition is very reasonable and goes without saying among merchants, as the Company would otherwise be left stuck with the goods that are in least demand, but I wished to warn Your Highness of this in advance, so that you might better consider the matter. Regarding the stone fort at Aijkotte, I am obliged to assure Your Highness that between myself and Your Highness's Minister there was never any talk of a stone fort, but indeed of a stone battery, as I had the honor to inform Your Highness in my letter of the 4th of December last, and the true state of affairs is this. When the Valia Sarvadhikariakkars of Your Highness and of the King of Koetsiem were in conference with me on the 10th of October last, concerning the means of defense in case the Nabab should attack us, they proposed to me to reinforce the Fort Kranganoor and the post post Aikotte and the Moetoekoenes. I replied to them that Kranganoor had been worked on with all might and was still being strengthened daily; that in the previous disturbances the Company had also spent heavy expenses on the batteries at Aikotte and the three palisades on the islands, but that, being made only of earth and coconut trees, they had fallen completely into decay, and that it would not be fair for the Company to have to bear the expenses thereof every time, since those works served for the general defense. To this both Ministers replied that it would then be better if the batteries were raised in stone, and after much discussion back and forth, it was decided that Your Highness and the King of Koetsiem should bear the costs thereof, or provide the stones, lime, and further building materials, as well as the necessary laborers, and that the Company would send its engineers 156 engineers to construct and complete the batteries. But when my letter concerning this matter was about to be dispatched to Your Highness, they requested to read it, in which I had presented the matter just as it is written here; but then Your Highness's Minister declared that it had never been his intention to assume the costs thereof on Your Highness's account, and upon that the matter came to a standstill, and I have had the old batteries at Aikotte somewhat repaired again. If in time it should become necessary for those batteries to be built up in stone, and Your Highness is willing to supply the stone, lime, and building materials, as well as the necessary laborers for that purpose at your expense, then this can be done, and I shall have the work directed by our engineers, but only under this express promise from Your Highness: that the right of ownership of Aikotta Aikotta and of the batteries shall remain unimpaired and preserved for the Company, and that Your Highness, or the King of Koetsiem, shall not, on that account, arrogate to themselves the slightest authority, right, or claim upon Aikotta. In the same manner, it was also agreed that the palisades on Moetoekoene, which are completely dilapidated, would be repaired by Your Highness, and I had already sent our engineer there for that purpose, together with the commanders of Kranganoor and Aikotte, to select the best locations, but this work has also stalled because Your Highness's Ministers subsequently declared that they did not dare to consent to it. The request to henceforth take the linens, which until now have been delivered by the merchants at Cape Comorin, directly from Your Highness yourself, does not depend on me, but on the Governor of Ceylon, to whom Your Highness may be pleased to write concerning this. Furthermore, Furthermore, I am very pleased that Your Highness intends to come here in two months and speak with me about all these matters, for I hope then to converse further with Your Highness on everything and provide full elucidation, and thereby convince Your Highness that I wish with heart and soul to give Your Highness every satisfaction and render all possible services to you, insofar as this is compatible with my oath and duty, by which I am bound to the Illustrious Dutch Company. May God preserve Your Highness. Below stood: Thus translated by me into Malayalam. Koetsiem, date as above, was signed: Simon van Tongeren, Sworn Translator. Note kept by the second interpreter, Johannes Martinus Truins, on the 20th of February 1788, of the message delivered by Ananda Mallen to the Honorable, Right Venerable Governor Johann Gerard Gerard van Angelbeek. On the 20th of February in the City of Koetsiem, Wednesday morning at ten o'clock, the agent of the King of Trevantoor, Ananda Mallen, arrived within this city before the Honorable, Right Venerable Governor, and after paying the customary compliments on behalf of his master, he informed His Honor that His Highness had received the letters from His Honor, and had already replied to the one brought by the commissioners, and that His Highness had since received another letter accompanied by various proofs and allegations, which did not at all agree with what His Highness had spoken with the commissioners and had communicated to His Honor, wherefore His Highness had now sent him to speak about this with His Honor, as that letter was so

Dutch transcription

155 Dit beding is zeer billijk en spreekt onder Kooplieden van zelve, wijlde Kompenie anders met de goederen, die het minst getrokken zijn, zoude blijven titten, doch ik heb Uw Hoogheid hier van vooraf willen waarschuwen, om zig hierop te beter te kunnen beraden. Noopens het steene fort te Aijkotte ben ik verplicht Uw hoogheid te verzeekeren, dat tusschen mijen Uwe Hoogheid Minister novit van een steene fort gesprooken is, maar wel van een steene Battarij, ge„ lijk ik de Eergehad heb, Uw Hoog- heid te melden, bij mijn brief van den 4. Dec: jongstleeden ende waare toedragt is deeze. Toen de Ballia sarwa di Kanakaren van Uwe Hoogheiden van den Koning van Koetsiem op den 10. Oktober jongstleeden met mij in konferent„ sie waaren, over de middelen van defentsie ingevalle den Nabab ons mogt aantasten: zoo sloegen zij mij voor, het Fort Kranganoor en de post post Aikotte en de Moetoekoenes te versterken, ik voerde hen te gemoet, dat aan Kranganoor met alle macht gewerkt was, en noch dagelijks meer versterkt wierd, dat de Kompenie in de voorige onlusten ook zwaare On¬ Kosten besteed had aan de Batterijen te Aikotte en de drie paggers op de Eilanden, doch dat dezelven alleenlijk van Aarde en Klapper- „boomen gemaakt zijnde, geheel vervallen waaren, en dat het niet billijk zijn zoude, dat de Kompanie de Onkosten daarvan telkens most draagen, wijl die werken tot de al„ gemeene defensie dienden: Hierop antwoordeden beide Minis„ ters, dat het dan beter zijn zoude, dat de Batterijen van Steen opge„ haald wierden, en na veel over en weeder praaten werd beslooten, dat Uw Hoogheid en de Koning van Koetsiem de Kosten daarvan draa„ gen, of de Steenen, Kalk en verdere Bouwmatenalien, mitsgaders het nodige aarbeids Volk bezorgen houden, en dat de Kompanie haare In¬ genieurs 156 „genieurs zoude zenden, om de Batterijen aanteleggen en te voltoin. - Doch toen mijn brief over deeze zaak aan Uwe Hoogheid zoude afgaan, verzochten zij den zelven te leeten, waarbij ik de zaak voorgesteld had, zoo als hier geschreeven is, doch toen verklaarde de Minister van Uwe hoogheid dat zijne meening nooit geweest was, de Kosten daarvan voor Ree„ kening van Uwe Hoogheid te nee„ „men, en daarop is de Zaak blij¬ ven steeken en ik heb de oude bat„ terijen te Aikotte weer wat laaten verbeeteren. Indien het in der tijd mogt noodig worden, dat die batterijen van Steen opgemetzeld wierden, en Uwe Hoog- heid de steen en Kalk en Bouw„ „matenalien, mitsgaders het noo= dige arbeids Volk daartoe op zijne Kosten leeveren wil: zoo kan zulks geschieden en ik tal het Werk door onze Jngenieurs laaten divi„ geeren, doch onder deeze uitdruk„ lijke belofte van Uw. Hoogheid, dat het recht van Eigendom van Aikotta 3. Aikotta en van de Batterijen onver- mindert aan de Kompenie gekon¬ serveerd blijve, en dat Uwe Hoogheid, of de Koning van Koetsiem, zich uit dien hoofde geen het minste gezag, recht of pretentie, op Aikotta aan¬ „maatigen In zelver voegen was ook afgesprooken, dat de paggers op Moetoekoene, die geheel vervallen zijn, door Uwe hoog heid zouden hersteld worden, en ik had reets tot dat einde onzen Jnge„ nieur daarna toegezonden, met de Kommandanten van Kranganoor en Aikotte, om de beste plaatzen uit„ te zoeken, doch ook dit werk is blijven steeken, om dat Uwe hoog heids Ministers zeeder betuigde daarin niet te duwen bewilligen. Met verzoek om de Lijwaaten, die tot dus verdoor de Kooplieden aan de Kaap Komorijn geleeverd zijn, voortaan van Uwe hoogheid zelve te neemen, dependeerd niet van mij maar van den Heer Gouverneur van Ceilon, aan wijn Uwe Hoogheid daarover gelieve te schrijven. Voorts Voorts ben ik zeer verblijdt, dat Uwe Hoog heid van voorneemen is, over twee Maan„ „den dit hen te komen, en met mij over alle deeze zaaken te spreeken, want dan hoope ik Uw Hoogheid van alles nader te onderhouden en vol¬ koome elúcidaatsie te geeven en daar door Uw hoogheid te overtuigen, dat ik met hart en ziel wensche, Uw Hoogheid alle genoegen te geeven en alle mij mogelijke diensten toe te bren„ gen, voor zoo ver dit bestaan kan met mijn eeden plicht, waarmeede ik aan de Doorluchtige Nederlandsche Kompe¬ verbonden ben. - God bewaare Uwe Hoogheid. /onderstond zoodanig door mij in het Malabaars overgezet. Koetsiem dato als boven /: was geteekend:/ Simon van Tongeren gezwoore Translateur Aanteekening gehouden door den tweeden Tolk Johannes Martinus Truins op den 20e. Februarij 1788. van de Boodschap door Ananda Male aan den Weledelen Groot achtb: Heer Gouverneur Johan n Gerard Gerard van Angelbeek Den 20. Februari in de Stad Koetsrem Woensdag 's morgens om tien uuren quam binnen deezer Stede den Agent van den Koning van TrevanKoor Ananda Mallen bij den Weledele Grootachtbaare Heer Gouverneur, en naar het afleggen van de gewoone Komplementen, van wegen zijn Meester, maakte hij zijn Weledele Grootachtbaare bekend, dat zijn Hoogheid de brieven van zijn Wel„ edele groot achtbaare ontvangen had, en op die, dewelke de Heeren gekom„ mitteerden hadden gebracht, reets ge„ antwoord had, en dat zijn Hoogheid zeeder noch een nadere brief verzeld van verscheide bewijzen en Allegaat„ sien ontvangen had, die gantsch niet over een quam met het geen zijn Hoog heid met de gekommitteerden had ge„ sprook en aan zijn Weledele groot¬ achtbaare had laaten weeten wes¬ halven zijn hoogheid hem thans ge„ zonden had, om daarover met zijn Weledele grootachtbaare te spreeken, want dat die brief zoda„ 6.

NL-HaNA_1.04.02_3801_0359 view scan ↗

English

158 was written in such a manner that the King could not answer it in writing before he was further assured of the intention of the Honorable and Most Respectable Governor. To this, his Honorable and Most Respectable answered that His Highness's letter had been answered punctually, and that the attached documents served to further prove everything cited therein, but that his Honorable and Most Respectable was prepared to further clarify whatever in it might be obscure or incomprehensible to the King. Ananda Mallen then began to speak of the Pepper, and to pretend that the King had never sold pepper, but that this had been practiced by the merchants who had held passes to transport pepper to the South, but had sold it to the Bombaras. The Noble Governor answered to this that from the attestation of the former Porca Resident Toussaint, it was clearly evident that he had forbidden the Bisaipoehaar and the Canarese Rengapooij from transporting or selling any Pepper in the Bombara, but that they had answered that the King could sell his Pepper to whomever he pleased, and that just recently a ship at Waliatorre south of Anjengo had taken on Pepper. Ananda Mallen sought to deny this, pretending that his master did indeed purchase iron and other necessities from private European ships, but did not sell any Pepper to them, to which the Noble Governor answered that His Highness was not permitted to admit foreign Europeans into his land at all according to the treaty, wherein it was expressly laid down that His Highness may trade with no foreign nation other than solely with the Dutch Company, excepting the English at Anjengo on account of their being settled in His Highness's land. Ananda Mallen answered to this that if His Highness wished to avail himself of such proofs and antiquities, 159 he would be able to produce too much and demonstrate that for the goods bought and sold in His Highness's land, no duty had ever been paid at Cochin, and if this matter were investigated according to law, his master was well assured that those who had misrepresented matters to his Honorable and Most Respectable would certainly be caught in a trap, for His Highness was aware that his Honorable and Most Respectable had great attention and esteem for His Highness, as had been evident during the administration of his Honorable and Most Respectable both here and at Tuticorin, which is why he had requested through the commissioners not to demand any toll dues, apart from the customary pass duties, from vessels that come to trade in His Highness's ports, and to return those already collected; but that from the last letter he had perceived that his Honorable and Most Respectable could by no means do so, which was the reason that the King had charged him to come in person to his Honorable and Most Respectable and to repeat that request most emphatically, in the expectation that in consideration of the close friendship between the Company and His Highness, this request would surely be granted, and that the King had taken the trade into his own hands only on account of the great expenses of his troops and other charges, but that His Highness would never sell any Pepper or Cinnamon to foreigners: And that the King simultaneously made known that if the Noble Governor would grant a favorable answer on this single point, namely the toll exemption, he would then send his first Minister hither to settle all other matters to the satisfaction of the Company. His Honorable and Most Respectable having heard all this, finally said to him that he and the Council were not in a position to grant the request, as it was directly contrary to the Company's interests, which they had to maintain according to oath and duty, but 160 that the King might please write to the High Government at Batavia regarding this. To this Ananda Mallen answered that the King was well assured that the Noble Governor could easily grant this request if only he wished to, and therefore had sent him to make this request to his Honorable and Most Respectable, and he subsequently added that his master had instructed him to declare to his Honorable and Most Respectable that he would absolutely not tolerate that toll be paid on goods he bought and sold, and that if his Honorable and Most Respectable would not grant this request of his, His Highness would then have to take the necessary measures to oppose the collection of the aforementioned toll dues, and that His Highness thus considered it unnecessary to send his Ministers here and treat of the matter, and that in this way the true friendship between the Company and the King would be impeded. The The Noble Governor answered to all this that the King requested something of him that was not in his power, for His Highness was otherwise well convinced that in all cases he sought to please His Highness as far as could be done consistent with his oath and duty, and that he hoped this case would not be detrimental to good friendship; with this, Ananda Mallen took his leave with the promise that he would write all this to his master. And as he went away, he said to the interpreter Truijens that His Highness would send no answer to the last letter of his Honorable and Most Respectable before and until his Honorable and Most Respectable should write that His Highness's request would be granted. below stood: for the translation, Cochin, date as above was signed: Simon van Jongeren, sworn Translator. On February 22 in the City of Cochin, Friday towards noon, his Honorable and Most Respectable wrote a letter to the

Dutch transcription

158 zodanig geschreeven was, dat de Koning die niet schriftelijk Kost beantwoorden voor dat hij nader van de intentsie van den Weledele Grootachtbaare Heer Gou¬ verneur verzeekerd was. Hierop antwoorde zijn Weledele Grootacht bi dat de brief van Zijn Hoogheid punctueel beantwoord was, en dat de daarneevens gevoegde Dokumen ten dienden al wat daar bij aangehaald was nader te bewijzen, doch dat zijn Weledele Grootachtbaare bereid was, het geen daarin duister of onverstaanbaar voor den Koning zijn mogt, nader opte helderen. Ananda Mallen begost toen van de Peper te spreeken, en vóor te wenden, dat de Koning nooit peper verkocht had, maar dat dit gepraktiseerd was door de Kooplieden, die passen gehad hadden, om peper naar de Zuid te vervoeren, doch dezelve aan de Bombaras verkocht hadden. De Edele Heer Gouverneur aantwoorde hier„ „op, dat bij de Attestaatsie van den geweezen Porkasch Resident Toussain duidelijk te zien was, dat hij aan den Bisaipoehaar en den Kanarijn Renga„ „pooij verbooden had om geen Peper in in de Bombara te vervoeren of te ver¬ koopen, doch dat ze ten antwoord gediend hadden, dat de Koning zijn Peper verkoopen Konde aan wien hij wil¬ de, en dat nu deezer daagen noch eerst een Schip op Waliatorre bezuiden Anjenga Peper had ingenoomen. Dit zocht Ananda Mallen te ontkennen voorgeevende dat zijn Meester van de partikúliere Europeesche Schepen wel ijzer en andere benoodigdheeden kocht maar aan dezelven geene Peper ver¬ kocht, waarop de Edele Heer Gou¬ verneur antwoorde, dat zijn Hoogheid in het geheel geen vreemden Euro¬ „peeschen in zijn land mogt admittee¬ „ren volgens het traktaat, waarbij uit„ druklijk ter neder, gesteld was, dat zijn Hoogheid met geen vreemde naat„ „sie zal mogen negootsieeren, als alleen met de Hollandsch Kompenie de Engelschen op Anjenga, uit hoofd dat zij in zijn Hoogheids land gezeeten zijn. Ananda Mallen antwoorde hierop, dat zoo bij aldien zijn Hoogheid rich van zulke bewijzen en oudhee¬ den 150 „den wilde bedienen, hij to veel toude kon„ „nen produceeren en aantoonen, dat voor de goederen, die in zijn Hoogheidsland verkocht en ingekocht worden, nooit eenige Gerechtigheid op Roetsiem betaald is, en inde en deeze taak naar recht onder¬ „zocht wierd, zijn Meester wel verzeekerd was, dat de geene, die het een voor het ander bij zijn Weledele Grootachtbaare voorgebracht hadden, wel in den Knip zouden raaken, want zijn Hoogheid bekend was, dat zijn weledele Groot„ achtbaare een groot attentsie en ach„ „ting voor zijn Hoogheid had, gelijk ge„ bleeken was in het bestier van zijn Weledele Grootachtbaare zoo wel hier als op Tutukorijn, daarom hij door de Gekommitteerden had laaten verzoe„ ken, om van de Vaartuigen, die in zijn Hoogheids Havens koomen te ne¬ gootsieeren, uitgenoomen de gewoone Gerechtigheid van passen, geen tols Gerechtigheid van hen te eischen, en de reets ingevorderde terugte geeven¬ doch, dat bij de laaste brief ontwaard had, dat zijn Weledele Grootachtbaare zulx gantsch niet doen konde, dewelke de reeden was, dat de Koning hem belast belast had om in perzoon bij zijn Weledele Grootachtbaare te koomen, en dat Ver¬ zoek op het Krachtigste te repeteeren, in verwachting, dat uit aanmerking van de nauwe Vriendschap tusschen de Komp: en zijn Hoogheid, dit ver„ zoek wel toestaan zoude, en dat de Koning den Handel tot rich getrokken had, om de Wille van de groote Onkos- ten van zijn troepen en andere on„ gelden maar, doch dat zijn Hoogheid nimmer eenige Peper of Kaneel aan vreemd en verkoopen zoude: En dat de Koning teffens liet weeten, dat de Edele Heer Gouverneur op dit eene Stuk te weeten de tols Vrijheide en favorable antwoord wilde verleenen, hij alsdan zijnen eersten Minister herwaards zenden zoude, om alle andere Zaaken tot genoegen van de Komperie te schikken Dit alles zijn Weledele Grootachtbaare aangehoord hebbende, zijde tegens hem finaal, dat hij en de Raad niet in staat waaren het Verzoek toe te staan, alzoo regelrecht van de Komperie, het welk zij volgens Eed en plicht moesten maintineeren, doch 160 doch dat de Koning hierover naar Ba¬ „tavia aan de Hooge Regeering geliefde te schrijven. Hierop antwoorde Ananda Mallen, dat de Koning wel verzeekerd was, dat de Edele Heer Gouverneur dit Verzoek wel kost akkordeeren als hij maar wilde, en daarom hem gezonden had, om dit Verzoek aan zijn Weledele Groot „achtbaare te doen en hij voegde er vervolgens bij dat zijn meester hem be„ last had aan zijn Weledele Groot„ „achtbaare te verklaaren, dat hij volstrekt niet zoude gedogen dat van goederen die hij kocht en ver„ kocht, tol betaald wierden, dat zoo zijn Weledele Groot achtbaare dit zijn verzoek niet wilde toestaan, zijn Hoogheid alsdan het nodige bij der Hand zoude moeten neemen, om het vorderen van meermelde tols gerechtigheid tegen te gaan, en dat zijn Hoogheid dus onnodig achte Zijne Ministers hier te zenden en de zaak te verhandelen, en dat op deeze Wijze de waare Vriendschap tusschen de Kompe„ en den Koning zoude verhindert worden. De De Edele Heer Gouverneur antwoorde op dit alles dat de Koning hem iets vergoe het geen niet in zijn macht was, want dat zijn Hoogheid anders wel over¬ tuigd was, dat hij in alle gevallen aan zijn hoogheid zocht plaisir te doen, voor zoo veel dit kost geschieden, behou¬ dens zijn eeden plicht, en dat hij hoopte dat dit geval aan de goede Vriendschap niet zoude hinderlijk zijn, hiermeede naam Ananda Mallen zijn afscheid met belofte dit alles aan zijn meester zoude schrijven. En als hij heenen ging zijde hij tegens den Jolk Truijens, dat zijn Hoogheid op de laaste brief van zijn Weledele Grootachtbaare geen antwoord zoude zenden, voor en al eer zijn Weledele Grootachtbaare qúam te schrijven, dat het Verzoek van zijn Hoogheid zoude toegestaan worden. /:onder„ „stond:/ voor de translaatsie Koet„ „siem dato als boven /:was geteekend/ Simon van Jongeren gezwoore Translateur. Den 22. Februari in de Stad Koetsiem Vrijdag tegen den middag schreef zijn Weledele Grootachtbaare een brief aan den

NL-HaNA_1.04.02_3801_0365 view scan ↗

English

To the King of Trevan Koor, the draft is as follows. Draft of a letter written by the Right Honourable Governor Johan Gerard van Angelbeek to the King of Trevan Koor, the 22nd of February 1788. Yesterday Ananda Mallen was with me carrying a message from Your Highness, containing: That my last letter was indeed delivered to Your Highness, but was found to be of such content that Your Highness did not wish to send a written reply to it, but instead had him request of me further not to demand toll dues from the vessels that trade in Your Highness's land. And when I replied to this that this was not in my power, as the Company had exercised this right from of old and I was obliged to protect its rights, he declared that he had been ordered by Your Highness to notify me: That Your Highness would not tolerate that those toll dues be demanded, but would take the necessary measures against it to prevent such. And finally, he added to it: That Your Highness had him tell me that if I did not consent to this, the friendship with the Company would thereby be obstructed. I answered cordially to this that this matter was not in my power, and that I hoped this would not be detrimental to the good friendship, and with that Ananda Mallen departed. However, upon further consideration of the consequences that might arise from this, I thought it best to write this letter to Your Highness, with the request to consider its content maturely. In my last letter to Your Highness, I demonstrated with examples from the last fifty years, together with an extract from the old toll accounts, proving in the clearest manner that the cruising has been done from of old, and that the toll dues, which Your Highness now wishes to have abolished, have been paid from of old. Your Highness will therefore easily understand that it is not in my power to abolish on my own authority a right of the Company that has existed for so many years before my time, but that I would act against my oath and duty if I consented to Your Highness's request. I would thereby bring upon myself the displeasure of my Lords and Masters, and Your Highness would have little benefit from it, as this action of mine would be disapproved and another Governor would be sent in my place to preserve the privileges of the Company better than I. All that I can do in this case out of regard for Your Highness would consist of informing the High Government at Batavia of the case and of Your Highness's request, and I promise Your Highness that I will do so and impart the decision to Your Highness. Regarding the threat of Ananda Mallen: That the friendship between the Company and Your Highness would be obstructed by the refusal of the aforementioned request, I must frankly declare to Your Highness that I did not expect this in the least, since Your Highness knows very well that the welfare of the Malabar is primarily founded on the good friendship that the Company maintains with both Kings. As long as this same good friendship is maintained by all three, there is hope that we will be able to hold our own against those who wish to attack us, as has happened up to now; but when we quarrel with one another, the enemy will have a great chance to achieve his aim, and all three run great danger of being overwhelmed by him. The Company would lose the least in this; it has little profit on this coast. The small revenues from lands and leases, and the profit on the pepper, are far from sufficient to make up for the expenses it must bear here, and the profits it makes here on the Batavian goods it can find just as well outside Malabar in Maskatte, Mocha, Soeratte, and other places, and it possesses such extensive lands throughout all the Indies that Koetsiem is not significant in comparison, and it will always remain a powerful Company even if the Malabar is lost, but Your Highness would lose everything in this. I request Your Highness to take this into serious consideration, and to order his ministers and agents that they should not henceforth threaten the breaking of the friendship so lightly and over such trivial causes, the consequences of which would result in ruin for both parties. I trust much more that Your Highness will act according to his wisdom and prudence in this case, and accept the proposal that I make solely with the good intention of preserving the friendship, and in this confidence I request Your Highness to repeal as soon as possible the prohibition against the supply of provisions everywhere and against the drinking water and firewood at Kranganoor, and to order the servants in that vicinity to let the donies with water and firewood pass unmolested for the Company, as has always been customary until now. However, in the event that these friendly representations of mine for the preservation of peace and friendship should be rejected, it will at least serve to my reassurance that I have neglected nothing that could serve to prevent the sad consequences thereof. May God preserve Your Highness. Underneath stood: Thus translated by me into the Malabar language. Koetsiem, date as above. Was signed: Simon van Jongeren, Sworn Translator. Agreed. Arnold Lunel, First Secretary

Dutch transcription

16 aan den Koning van Trevan Koor vida het concept aldus. Concept brief door den Wel„ edele Groot achtbaare Heer Gouverneur Johan Gerard van Angelbeek geschree¬ „ven aan den Koning van Trevan Koor, den 22 Febrúari 1788. Gisteren is Ananda Mallen bij mij geweest met een boodschap van Uwe Hoogheid, behelzende Dat mijn laaste brief aan Uw Hoog heid wel besteld, doch zodanig van inhoude bevonden was, dat Uw. hoogheid daarop geen schriftelijk antwoord zenden wilde, maar mij door hem naderliet verzoeken, van de Vaartuigen die in Uw. Hoogheids land negootsieeren geen tols gerechtig„ heid te eischen En toen ik hierop antwoordede dat dit niet in mijne macht was, alzoo de Komp: dit recht van ouds geoessend haden ik verplicht was, haare rechten te bewaaren, verklaarde hij door Uw Hoogheid gelast te zijn, mij aantekom¬ digen. Dat Uw. Hoogheid niet zoude gedogen, dat - dat die tols gerechtigheid gevorderd werd, maar daar tegen het nodige ter hand zoude neemen om zulx te beletten. En eindelijk voegde hij er noch bij Dat Uwe Hoogheid mij liet reggen, dat als ik heerin niet bewilligde, de Vriend„ schap met de Kompenie daar door zoude verhinderd worden. Ik heb hierop gemoedelijk geantwoord, dat deeze zaak niet in mijne macht was, en dat ik hoopte, dat dit aan de goede Vriendschap niet hinderlijk zijn zoude en daarmeede is Stnan¬ da Mallen vertrokken, doch bij na„ „dere overweeging van de gevolgen, die hier uit zouden kunnen ontstaan heb ik best gedacht, deezen brief aan Uw Hoogh eed schrijven met ver„ toek om deszelfs inhoúd rijplijk te overweegen Bij mijn laasten brief aan Uw hoog— heid heb ik aangetoonden met ex¬ empels van de laaste Vijftig Jaar, mitsgaders met een extrakt uit de oude tol reekeningen ten Klaar¬ sten beweezen, dat de bekruissingen van ouds gedaan zijn, en dat de tols gerechtigheid, die Uw hoogheid thans 8. 16 thans wil afgeschaft hebben, van ouds betaald is. Uw hoogheid begrijpt dus ligt, dat het niet in mijne macht is, een recht van de Kompenie, het welk zoo lange Jaaren voor mijn tijd heeft plaats gehad, op eigen gezag ofte schaffen, maar dat ik tegen mijn eed en plicht zoude handelen, als ik in uw: hoog „heid verzoek bewilligde Ik zoude daar door de ongust van mijne Heeren en Meesters op mij laaden en Uw. Hoogheid zoude daarvan weinig nut van hebben, door dien dit mijn gedoente gedesapprobeerd en een ander Gouverneur in mijne plaats gezonden zoude worden, om de Vorrechten van de Kompenie beter als ik te bewaaren Al wat ik in dit geval ter liefde van Uw hoogheid kan doen, zoude daarin bestaan, dat ik van het geval en van Uw. Hoogheid verzoek aan de hooge Reegering te Batavia Kennis geeve, en ik beloove Uw. Hoogheid, dat ik zulx doen en aan Uw. hoog heid het bescheid bedeelen zal. Nopens het drijgement van Ananda Mallen= Dat de Vriendschap tusschen de Komp: 8. Kompenie en Uw Hoogheid door de Wei„ gering van het voorschreeven Verzoek zoude verhinderd worden moet ik Uwe hoogheid rond uit verklaaren dat ik het zelve in geenen deele ver¬ „wacht had, door dien Uw hoogheid zeer wel weet dat het Welzijn van de Malabaar voornaamlijk gegrondvest is op de goede Vriens¬ schap, die de Kompenie met beide Konin„ „gen onderhoud. zoo lange dezelve goede Vriendschap van alle drie onderhou¬ „den word, is 'er hoope dat wij ons tegen de geenen, die ons aantasten willen, zullen kunnen staande houden, zoo als tot nu toe geschied is, doch wanneer wij met malkander op hoop maken: zoo heeft de Vijand groote Kans, zijn Oog- merk te bereiken, en alle drie loo¬ pen groot gevaar, door hem overwel„ digd te worden. De Kompenie zoúde hierbij het minste verliezen, zij heeft weinig voordeel op deeze Kust¬ de geringe inkomsten van landerijen en pachten, en de Winst op de Peper rijken op verre na niet toe om de ongelden, die zij hier draagen moet, goed te maaken, en de Win„ sten die zij hierop de Bataviasche goederen 163 goederen behaald, kan zij buiten Mala¬ „baar eeven zoo goed vinden te Maskatte, Mocha, Soeratte en andere plaatzen, en zij bezit zulke uitgestrek te landen door heel Indien, dat Koetsiem daar„ bij niet in aanmerking komt, en te blijft altijd een machtige Kompenie al gaat de Malabaar verlooren, doch Uwe hoogheid zoude daarbij alles verliezen. - Ik verzoeke Uw. hoogheid dit in ernstige overweeging te neemen, en zijne Ministers en Agenten te gelasten, dat, zij voortaan niet zoo ligtvaardig en om zulke geringe Oorzaaken met het verbreeken van de Vriendschap dreigen, waar van de gevolgen voor beide partijen tot bederf zouden strekken. k vertrouwe veel meer dat uwe hoog„ heid, volgens zijne Wijsheid en voorzichtigheid in dit geval zal handelen, en den Voorstel aannee„ men, die ik alleen met het goede Oogmerk doe, om de Vriendschap te bewaaren, en in dit Vertrouwen verzoek ik Uwe hoogheid het Verbod tegen den toevoer van levensmiddelen alomme en tegen het drinkwater en brandhout te Kranganoor ten eer= sten „sten intetrekken, en de Bedienden daaromstreex te gelasten dat hij de Jonies met Water en brandhout voor de Kompenie ongemoeid laaten passeeren zoo als dit tot nu toe altijd is ge„ bruiklijk geweest. Doch bij aldien deeze mijne vriendelijk Voorstelling tot bewaaring van Vreede en Vriendschap mogten verworpen worden: zoo zal het ten minsten tot mijne geruststelling dienen, dat ik niets nagelaaten hebbe, wat dienen Kost, de droevige gevolgen daarvan te voorkoomen. God bewaare Uw Hoogheid. /:onderstond:/ zoodanig door mij in het Malabaars over„ „gezet. Koetsiem dato als boven /:was geteekend:/ Simon van Jongeren, gezwoore Translateur. Akkondeerd. Arnold Lunel p:r sekret:s

NL-HaNA_1.04.02_3801_0371 view scan ↗

English

No. 4. 3 secret Batavia reports To His Right Honourable, The Right Honourable, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General on behalf of the state of the Free United Netherlands and its General Chartered East India Company, and The Right Honourable, Stern Lords Councillors of the Netherlands Indies. Right Honourable, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord, Right Honourable, Stern Lords! § 1. Continuation of the previous report. Although we still remain in uncertainty as to what will ultimately become of all the war preparations and movements of Tipu Sultan on our borders, I nevertheless considered it necessary to continue, as far as possible, my latest reports on that subject dated 26 April, and I therefore dispatch this overland to Tuticorin, and from there to Colombo, in order to inform Your Right Honours of what has occurred since, by the ship Leviathan. § 2. Arrival of the King of Travancore at Tripunithura. On 28 April, the King of Travancore informed me that he had arrived at Tripunithura, the usual residence of the King of Cochin, and that he would send his Dalawa to me the following morning to discuss matters of great importance with me. § 3. The Governor is invited by him. The following morning, I received a separate letter of invitation from His Highness and from the King of Cochin for the following day, in order, these are the very words of Travancore, to negotiate and establish what is necessary by virtue of mutual friendship. § 4. Conference with the Prime Minister of Travancore. The conference with the Dalawa began at eleven o'clock in the morning, was adjourned at two o'clock, resumed at five o'clock, and concluded at seven o'clock; it revolved around the present circumstances, the military preparations of Tipu, his hostile intentions, and the measures that ought to be employed against them. § 5. Is very tedious, will be described briefly. It would significantly lengthen this letter and greatly detain the attention of Your Right Honours if I were to present here all the conversations, arguments, and objections that were put forward from both sides during this five-hour conference, and in the end, this verbosity would not only be tedious but also useless, since it would shed little or no light on Your Right Honours' deliberations. § 6. I therefore hope best to fulfill my duty by briefly presenting to Your Right Honours only the most essential points of these negotiations and the outcome of the conference. § 7. Proposal of the Dalawa. The Dalawa began it with a very extensive discourse on the great military preparations and movements of Tipu Sultan, on his hostile intentions against these Lowlands, and on the danger threatening not only his master but also the Company. § 8. Continuation. He then expressed himself at great length on the vigorous and costly preparations that the King, his master, had made and was still making daily to thwart the enemy and his intentions; how the entire line was garrisoned with troops everywhere, and all forts and batteries were abundantly supplied with artillery and ammunition, sparing no heavy expense required for this purpose; and he thereby sought to convince me that the Company, in like manner, should do its utmost and exert all its strength to offer resistance to the common enemy. § 9. Further continuation. To this end, he continued, it was above all necessary for the Company, in these dangerous circumstances, to unite more closely with both kings, but especially with his master, and to devise the means to foil jointly the hostile design of Tipu Sultan. § 10. Continuation. And this, he said, was the actual reason why both kings had summoned me to Tripunithura tomorrow, while he had been sent to me today by his master to converse with me beforehand on this matter, and thereby prepare for the conference with both kings. § 11. His objective in this. In my last preceding letter of 26 April, in paragraph 21, I already stated that from the beginning of these troubles I had made it a fixed rule for myself not to compromise the Company with the King of Travancore, or bind it to a reciprocal defense, without the utmost necessity; and I already understood from this beginning that I needed to take this rule as a guideline above all in this conference, because from all that the Dalawa brought forward, it was plainly evident that the principal objective of Travancore was to entangle the Company in a closer alliance with both kings, and

Dutch transcription

N:o 4:-. /3 sekreet Batavia berichten Aan zijn Hoogedelheid! Den Hoogedelen Grootachtbaaren wijdgebiedenden Heer M:r Willem Arnold Alting wegens den staat der vrije vereenigde Nederlanden en haare algemeene geoktroieerde oostindische kompanie Goeverneur Generaal ende De Weledele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Indiën Hoogedele Grootachtbaare wijd gebiedende Heer, Weledele Gestrenge Heeren! § 1. Of schoon wij tot nu toe in onzeekerheid vervolg van de voorige leeven, wat van al de oorlogs- aanstalten en beweegingen van Tipoe sultan, op onze grenzen, in 't eind zal worden: zoo heb ik echter vermeend, mijne Jongste berichten dien aangaande van den 26:e April, voor zoo ver mogelijk, te moeten vervolgen, en zende en komst van den koning van Trevankoor te Tripon„ „tare hem genoodigd konferentsie met den eersten Minister van Trevankoor zende derhalven deezen overland naar Tutu„ „korijn, en van daar naar kolombo, ten einde uwe Hoogedelheeden van het zeder voorgevallene, met het schip Leviathan kennis te geeven. — § 2. Den 28:e April liet de koning van Tre: „ vankoor mij bekend maaken, dat hij te Tripontare /de gewoone Residentsie van den koning van Koetsiem / aangekoomen was en den volgenden morgen zijnen Dallewa bij mij zenden zoude, om over zaaken van groot gewigt met mij te spreeken. § 3. Den morgen daaraan ontving ik van De Goeverneur word bij zijne Hoogheid en van den koning van Koetsiem, ieder in 't bezondere, eenen brief van uitnoodiging tegen den anderen dag„ om /dit zijn de eigene woorden van Tre„ „vankoor / uit hoofde van de wederzijdsche vriendschap, het noodige te verhandelen en vast te stellen. §4. De konferentsie met den Dallewa werd 'smorgens om elf uur begonnen, om twee uur afgebrooken, om vijf uur hervat en om zeeven uur geeindigt en roulleerde over de tegenwoordige omstandigheeden de krijgs 165 is heel langdraadig zal kort beschreeven worden krijgs aanstalten van Tipoe, zijne vijandige voorneemens, en de middelen, die men daar tegen behoorde in't werk te richten. §5. Het zoude deezen brief merklijk vergroo„ „ten, en den aandacht van uwe Hoogedel„ „heeden heel zeer ophouden, indien ik hier alle gesprekken, argumenten en tegen= „werpingen wilde bekend stellen, die in deeze vijfstondige konferentsie van weers„ „kanten ter baan gebragt wierden, en aan 't einde zoude deeze langdraadigheid niet alleen verveelen, maar ook nutloos zijn, door dien dezelve weinig of geen licht aan uwer Hoogedelheeden deliberaatsie bij„ „zetten zoude. — § 6. Jk hoope derhalven aan mijne plicht best te zullen voldoen niet alleen het weezent„ „lijkste van deeze onderhandelingen en het resultaat van de konferentsie be: „knopt voor uwe Hoogedelheeden open te leggen. § 7. De Dallewa begon dezelve met een voorstel van den Dallewa zeer breedvoerige redeneering over de groote krijgs- aanstalten en beweegingen van Tipoe sultan, over zijne vijandig voor vervolg verder vervolg voorneemens tegen deeze Beneedenlanden, en over het gevaar, waarmede niet alleen zijn Meester, maar ook de komp: gedrijgt werd. § 8. vervolgens liet hij zich heel omstandig uit, over de vigoureuse en kostbaare aan„ „stalten, die de koning, zijn Meester gemaakt had, en noch dagelijx maakte, om den vijand en zijne voorneemens te keer te gaan, hoe de heele linie over al met krijgs volk bezet, en alle forten en batterijen van ar„ „tillerij en ammunietsie overvloedig voorzien waaren, zonder de zwaare kos„ „ten te ontzien, die daartoe vereischt wierden, en hij zocht mij daar door te over„ „tuigen, dat de kompanie in zelvervoegen haar uiterste best moest doen, en alle krachten inspannen, om den gemeenen vijand tegenstand te bieden. 59. Hier toe, vervolgde hij, was voor alle dingen noodig, dat de komp: in deeze gevaarlijke omstandigheeden, zich met beide koningen, doch inzonderheid met zijnen Meester, nader vereenigde, en de middelen beraam„ „de, om het vijandig toeleg van Tipoe sultan gezamender 166 vervolg zijn oogmerk hierbij gezamen der hand te veriedelen. § 10. En dit, zeide hij, was de eigentlijke reeden, waarom beide koningen mij morgen bij zich te Tripontare ontboden hadden, ter= „wijl hij door zijnen Meester heeden bij mij gezonden was, om mij daar over vooraf te onderhouden, en daardoor, tot de konferentsie met beide koningen, voor te bereiden. § 11. Bij mijnen jongstvoorgaanden van den 26:e April heb ik 521. reets gezegt, dat ik, van het begin deezer Aroubles, het tot eene vasten regel voor mij gemaakt had, de kompanie niet, zonder de uiterste nood„ „zaaklijkheid, met den koning van Tre„ „ vankoor te kompromitteeren, of tot een reciproque defensie te verbinden, en ik begreep uit dit begin reets, dat ik deezen regel voor al in deeze konferentsie tot een richts noer diende te neemen, doordien uit al 't geen de Dallewa te berde bragt, niet duister bleek, dat het voornaamste oogmerk van Trevankoor strekte, om de kompanie in eene nadere verbintenis met beide koningen in te wikkelen en

NL-HaNA_1.04.02_3801_0376 view scan ↗

English

objections, and to entice from me the promise of an unconditional assistance against Tipu, or at least of some contingent toward the war expenses. § 12. On the other hand, however, I understood that I ought carefully to avoid not only a blunt refusal, but even all appearance thereof, partly because the sultan's design was undoubtedly also directed against us, and I would therefore by such a refusal forfeit the assistance of Travancore if we alone were attacked, and partly because Travancore, to whom we, by the existing treaty, have promised our help against his enemies, would regard this refusal as an open breach of the same, and would in his turn also release himself therefrom, and above all from the pepper delivery which has long bored him, and from which he would now all the more gladly break away in order to pursue with full freedom the smuggling trade with which he is once and for all infatuated. § 13. My answer was therefore only that, in reply to his proposal, I was sufficiently informed of the vigorous preparations which the king had made in his country to repel the hostile undertaking of Tipu, and admired them in every respect, as well as trusted that Tipu would thereby be deterred from undertaking anything hostile against these lands, or, if he attempted such, would have to withdraw again without having accomplished anything. That the company on its part had also employed all means within its reach to prevent the incursion of the enemy, and that I would the following day fulfill the desire of both kings and betake myself to Tripoontare in order to deliberate further upon everything with Their Highnesses. § 14. This was not satisfactory; his master desired to be informed beforehand what I, in the present case, wished to do for the defense of the common interests, and how far he could rely on the assistance of the company against Tipu, wherefore he requested me to declare myself clearly on that matter. § 15. Such a declaration was somewhat difficult; I therefore confined it only to the following. As soon as the movements and war preparations of Tipu were observed on our borders, we had already taken the necessary measures in hand to put ourselves in a state of defense against a hostile invasion; Cranganore had been repaired, fortified, and improved at great expense and provided with everything necessary for a vigorous resistance; at Ayacotta the dilapidated line and batteries had been newly thrown up, and further preparations made to deny the enemy the passage over the river and the incursion into the land there; we had furthermore not only increased our troops considerably by recruiting sipahis and chegos, but had also received from Ceylon a considerable reinforcement of Europeans and Malays, and hoped thereby to be in a position to hold back the enemy if he should wish to break through on this side, especially if his master, as was agreed upon, would occupy the westernmost part of Ayacotta with a few thousand men, in order to repel the invasion on that side with greater effect. § 16. To this he remarked that all these preparations served only for our own defense and preservation, but that the question here was what we wished to put into operation for the assistance of his master, and how far he could count on our help if he were attacked in his country. § 17. Against this I argued to him that all the preparations which his master had made thus far likewise served in the first place for his own preservation and for the securing of his country, and I could thus apply his argument to the same with just as much foundation. § 18. But that moreover our aforementioned measures did not confine themselves to our security alone, but extended at the same time to the protection of Southern Malabar in general and of the lands of Travancore in particular, because thereby the easiest access to the king's country was guarded and closed, and that we had therefore actually taken upon ourselves a very weighty and prominent part in the general defense and particularly in the protection of His Highness's land. § 19. That the king his master was himself very convinced of this, inasmuch as he, in the month of October last, when he had sent his prime minister to me to plan the necessary means of defense against Tipu, had desired nothing else from the company than to take care of the defense of these two posts, just as the letters received from His Highness since then concerning these circumstances contained nothing else than repeated exhortations to take proper care of Ayacotta and Cranganore. § 20. For a long time he insisted that I must add a part of the garrison of Cochin to the king's troops, and when I finally convinced him that such

Dutch transcription

bedenkingen en mij de belofte tot een onbepaalden bij stand tegen Tipoe, of ten minsten van eenig kontingent in de oorlogs-ongelden afte lokken § 12. Aan d' andere zijde begreep ik echter, dat ik niet alleen een botte weigering, maar zelfs ook allen schijn daar van, zorgvuldig diende te mijden, eensdeels, wijl het toeleg van den sultan ongetwijfeld mede op ons gericht was, en ik dus door zulke weigering den bijstand van Trevankoor, indien mij al„ „leen aangetast wierden, verbeuren zoude, en anderendeels, wijl Trevankoor, aan wien wij, bij het subsisteerende traktaat; onze hulpe tegen zijne vijanden beloofd hebben, deeze weigering als eene opentlijke ver„ breeking van het zelve aanmerken, en zich op zijne beurt ook daarvan, en voor al van de peper-leverantsie ontslaan zoude die hem al lange verveelt heeft, en waar van hij zich thans te liever zoude willen losscheuren, om den smokkelhandel, waar op hij nu eenmaal verlekkert is, met volle vrijheid door te zetten. — § 13. Mijn antwoord was derhalven alleen, dat en antwoord op zijn voorstel ik van de vigoureuse aanstalten, die de koning 167 Bij eischt een nadere verklaring koning in zijn land, tot afweering van de vijandige onderneeming van Tipoe, gemaakt had, voldoende onderricht was, en dezelven alzints admireerde, mitsga„ „ders vertrouwde, dat Tipoe daar door zoude afgeschrikt worden, iets vijandigs tegen deeze landen te onderneemen, of, indien hij zulx bestond, onverrichter zaake we„ „der zoude moeten aftrekken. Dat de kompaniee van haare zijde ook alle middelen, die onder haar bereik waaren, in 't werk gesteld had, om het indringen van den vijand te beletten, en Dat ik den volgenden dag aan de begeerte van beide koningen voldoen en mij naar Tripoentare begeeven zoude, ten einde met hunne Hoogheeden alles nader te overleggen. § 14. Dit voldeed niet, zijn Meester begeerde voor af geinformeerd te zijn, wat ik, in het tegenwoordige geval, tot verdeediging van de gemeene belangen, doen wilde, en in hoe ver hij op den bijstand van de komp: tegen Tipoe staat konde maaken, wes„ „halven hij mij verzocht, mij daar over duidelijk te verklaaren. — zulk die gegeeven word § 15. zulk eene verklaaring was wat moeilijk, ik bepaalde dezelve derhalven alleen tot het volgende. zoo-dra de beweegingen en oorlogs aan„ „stalten van Tipoe op onze limiten be= „speurd waaren, hadden wij reets de noodige maatregelen bij der hand genoomen, om ons tegen een vijandigen inval in staat te stellen; kranganoor was met groote kosten gerepareerd versterkt en verbeeterd en van al het noodige tot een vigoureuse tegenweer verzorgt; Te Aikotte waaren de vervallene Linie en Batterijen nieuw opgehaald, en de verdere toebereidzelen ge„ „maakt, om den vijand aldaar de passasie over de rivier en het indringen in het land te beletten; wij hadden voorts niet alleen onze troepen door het aanwerven van si„ „pahis en sjegos merklijk geaugmenteerd, maar ook van Ceilon een aanzienlijk sekoers van Europeeschen en Malaiers gekreegen, en hoopten daardoor in staat te zijn, den vijand, indien hij aan deeze zijde mogt willen doorbreeken, terug te houden, inzonderheid bij aldien zijn Meester, zoo 168 zijne aanmerking hierop worden beantwoordt vervolg zoo als afgesprooken was, het westlijkst ge„ „deelte van Aikotte met een paar duizend Man bezetten wilde, om den inval aan dien kant met meerder nadruk af te weeren. § 16. Hij merkte hierop aan, dat alle deeze aan„ „stalten alleen tot onze eigene verdeediging en behoudenis strekten, doch dat hier de vraag was, wat wij tot bijstand van zijnen Meester, in 't werk richten wilden ! en in hoe ver hij op onze hulpe zoude kunnen reekenen, indien hij in zijn land werd aan„ „getast . 517. Hier tegen voerde ik hem te gemoet, dat alle aanstalten, die zijn Meester tot nu toe gemaakt had, insgelijx in de eerste plaats tot zijne eigene behoudenis en tot beveili„ „ging van zijn land strekten, en ik dus zijn argument met eeven zoo veel grond op de„ „zelven toepassen konde. § 18. Doch dat daaren boven onze voormelde maatregelen zich niet tot onze beveili„ „ging alleen bepaalden, maar tevens tot de bescherming van Zuidermalabaar in 't algemeen en van de landen van Tre„ „vankoor in 't bezonder, uitstrekten, wijl daar vervolg oorlogs ongelden. daardoor de gemaklijkste toegang tot 's ko= „nings land bewaard en geslooten werd, en dat wij derhalven werklijk een zeer wig„ „tig en voornaam deel in de algemeene verdeediging en bezonders in de bescher„ „ming van zijn Hoogheids land op ons genoo„ „men hadden. § 19. Dat de koning zijn Meester hier van zelfs zeer overtuigd was, doordien hij, in de maand oktober Jongstleeden, wanneer hij zijnen eersten Minister bij mij gezon„ „den had, om de noodige middelen van de„ „fensie tegen Tipoe te beraamen, niets anders van de kompanie begeert had, dan voor de verdeediging van deeze twee posten zorg te draagen, gelijk ook de zeder ontvangene brieven van zijne Hoogheid over deeze omstandigheeden niets anders behelsden, dan herhaalde vermaaningen om voor Aikotte en kranganoor behoor„ „lijke zorg te draagen. § 20. Langen tijd bestond hij daarop, dat ik een eisch van geld voor de gedeelte van de bezetting van koetsiem bij 's konings troepen voegen most, en toen ik hem eindelijk overtuigde, dat zulx

NL-HaNA_1.04.02_3801_0381 view scan ↗

English

169 was denied concerned the king of Cochin this could not happen without exposing Cochin to the most manifest danger in the unexpected event that Tipu overpowered Cranganore or Ayacotta, he came forward with the demand that the Company ought to bear a portion of the war expenses, which he set first at ten and thereafter at eight lakh rupees. Section 21. I flatly refused this demand, as being destitute of all reason, and finally also absolutely rejected his request to submit the same at least to Your High Excellencies, in order not to give, by granting this last request, any ground for any hope or for further troublesome demands. Section 22. With this ended the first conference, at two o'clock in the afternoon, and the second began in the evening at five o'clock, and concerned mainly the king of Cochin who, the Dalawa said, currently found himself in the utmost embarrassment, because he depended as a tributary on Tipu and had to obey him, or give up the land the second conference who had been summoned by Tipu continuation continuation continuation give up the land that he, outside the lines, possessed in fief or lease from the sultan, and from which he derived most of his revenues and livelihood. Section 23. He continued that the said king had sent to Tipu, upon his arrival at Calicut, two Adikares with a letter of welcome and gifts, and was thereupon invited by the same to come to him at Calicut. Section 24. The king had excused himself from this under polite pretexts, but thereupon received a second letter from Tipu, in which the invitation was repeated and urged more strongly. Section 25. And upon the further excuse a third letter had followed in very serious terms, whereby the sultan absolutely demanded that the king must come to him at Calicut, and this letter was delivered by two Adikares of Tipu, who had orders to bring the oft-mentioned king to Calicut. Section 26. Over this both kings were very embarrassed, and especially desirous to know my opinion, 170 the answer to this follows below secret design of the Dalawa further design remark continuation conference with both kings at Tripunithura proposal of Travancore to know, for which reason they had me further requested, to come especially tomorrow to Tripunithura, in order to take counsel with one another about this, and to make a decision. Section 27. I request permission to pass over the verbose reasonings and remarks of the Dalawa on this subject in silence, because the same was further considered and decided the following day with the two princes, and I must therefore mention it further below, in my report of the conference with the same. Section 28. But on the other hand I ought to remark that I discovered in him a secret design to make the king of Cochin suspect to us, as if he colluded with Tipu, or at least out of necessity did things that were detrimental to the common interests. Section 29. I even believe I perceived that he sought to instill in me the idea that it would be better for the interest of the Company if his lands were transferred to a prince from whom one one did not need to fear such an attachment to Tipu. Section 30. That with this he aimed at no one other than his Master is easy to understand, and I fear that he will attempt to carry into execution the plan to master the lands of Cochin in more peaceful times. Section 31. How detrimental this would be to our interests I do not need first to demonstrate, but prudence requires me to inform Your High Excellencies of this my suspicion, and humbly to request to instruct me in time how we will have to conduct ourselves if this happened. Section 32. I come now to the conference with the two kings, on the first of this month, which passed off quite easily. Section 33. The king of Travancore, who was the spokesman, indeed did his best to persuade me to the promise of some troops, if his country were attacked first, and of some share in the expenses, but was not half so urgent and indiscreet as his 171 answer of the governor continuation continuation continuation his Prime Minister. Section 34. My answer was that the establishment of the Company on this coast was of such little importance to it, and yielded so few advantages, that it could not keep a numerous garrison here or bear great burdens. Section 35. That I nevertheless, since the arise of these troubles, had already more than doubled our garrison, by the recruiting of sepoys and chegos, and the summoning of Europeans and Javanese, in order to garrison Cranganore and Ayacotta as required. Section 36. That the costs of this and of the necessary improvements to the said fortress and camp already mounted so high; that the profits we obtained here by no means sufficed to make them good. Section 37. That I therefore did not want to pacify His Highness with empty promises, and bind myself to nothing further, than to defend Cranganore with all our might, and to prevent the enemy from breaking in at Ayacotta, until

Dutch transcription

169 word ontzegt betrof den koning van koetsien zulx niet kost geschieden, zonder koet„ „siem, in het onverhoop te geval dat Tipoe kranganoor of Aikotte overweldigde, aan het zichtbaarste gevaar bloot te stellen, quam hij met den eischte voorschijn, dat de komp: een gedeelte van de oorlogs-on„ „gelden behoorde te draagen, het welk hij eerst op tien en daarna op agt lak ropijen bepaalde. § 21. Jk heb deezen Eisch, als van alle reeden ontbloot, glad geweigerd en eindelijk zijn verzoek, om denzelven ten minsten aan uw Hoog edelheeden voor te draagen, al„ „ meede volstrekt van de hand geweezen, om, door de inwilliging van dit laaste verzoek, geen voet tot eenige hoop, of tot verdere lastige Eischen te geeven. § 22. Hiermeede eindigde de eerste konferent„ de tweede konferentsie „ sie, om twee uur namiddag, en de tweede begon savonds om vijf uur, en betrof voornaamlijk den koning van koetsiem die, zeijde de Dallewa, zich thans in de uiterste verleegenheid bevond, door dien hij als Tributaris van Tipoe afhing en hem gehoorzaamen, of het land verlooren geeven die bij Tipoe ontboden was vervolg vervolg vervolg geeven moest, het welk hij, buiten de linie, in leen of pacht van den sultan bezat, en waarvan hij zijne meeste inkomsten en bestaan trok. § 23. Hij vervolgde, dat gemelde koning aan Ti„ „poe bij zijn arrivement te kalikut, twee „ kadikares met een brief van verwelkom„ „ming en geschenken gezonden had, en daarop door denzelven genoodigd was, bij hem te kalikut te koomen. § 24. De koning had zich daarvan; onder be„ leefde voorwendzels, verontschuldigd, doch daar op een tweeden brief van Tipoe ont„ vangen, waar bij de noodiging herhaald en sterker aangedrongen werd. § 25. en op de nadere verontschuldiging was een derde brief in zeer ernstige termen gevolgd, waarbij de sultan volstrekt begeerde, dat de koning bij hem te ka„ „likut moest komen, en deeze brief was besteld door twee Adikares van Tipoe, die last hadden, meermelden koning naar kalikut te brengen. § 26. Hierover waaren beide koningen heel ver„ leegen, en vooral begeerig, mijn gevoelen te 170 't antwoord hierop volgt onder heinlijk toeleg van den Dallewa nader toeleg te weeten, weshalven ze mij nader lieten verzoeken, om vooral morgen te Tripontare te komen, ten einde hierover met elkande¬ „ren raad te pleegen, en een besluit te neemen §27. Jk verzoek verlof, de breedspraakige rede„ „neeringen en aanmerkingen van den Dal„ „lewa over dit onderwerp met stilzuijgen te mogen passeeren, wijl het zelve den vol„ „genden dag met de twee vorsten nader overwoogen en beslist werd, en ik dus daarvan hieronder, bij mijn verslag van de konferentsie met dezelven, nader moet gewaagen. § 28. Doch daar en tegen diene ik aan te mer„ „ken, dat ik bij hem een heimlijk toeleg ontdekt heb, om den koning van koet„ „siem bij ons suspekt te maaken, als of hij met Tipoe heulde, of ten minsten uit noodzaaklijkheid dingen deed, die aan de gemeene belangen nadeelig waaren. § 29. zelfs meen ik bespeurd te hebben, dat hij mij het denkbeeld zocht in te boezemen„ dat het voor 't belang van de komp: beter zijn zoude, als zijne landen op eenen vorst overgebragt wierden, van wien men aanmerking vervolg konferentsie met beide koningen te Tripontare proposietsie van Trevankoor men diergelijken aankleeving aan Tipoe niet behoefde te vreezen. §: 30. Dat hij hiermede op niemand anders als zijnen Meester doelde, is ligt te begrijpen en ik vreeze, dat hij het ontwerp, om de landen van koetsiem te vermeesteren in vreediger tijden zal trachten ter uitvoer te brengen. — § 31. Hoe nadeelig dit voor onze belangen zijn zoude, behoeve ik niet eerst te demonstree„ „ren, doch de voorzichtigheid eischt van mij uw Hoogedelheeden van dit mijn ver= „ moeden kennis te geeven en ootmoedig te verzoeken mij bij tijds te instrueeren, hoedanig wij ons, als dit gebeurde, zullen hebben te gedraagen. §32. Jk koome thans op de konferentsie met de twee koningen, op den eersten deezer, die vrij gemaklijken afliep. §33. De koning van Trevankoor; die het woord voerde, deed wel zijn best, mij tot de be„ „lofte van eenige troepen, indien zijn land eerst aangetast wierd, en van eenig deel in de onkosten over te haalen, doch was niet half zoo dringend en onbescheiden, als zijn 171. antwoord van den goeverneur vervolg vervolg vervolg zijn eerste Minister. §34. Mijn antwoord was, dat het etablissement van de komp: op deeze kuste voor haar van zulk een gering belang was, en zoo weinige voordeelen opworp, datze hier geen talrijke bezetting houden of groote lasten draagen kost. §35. Dat ik niet te min, zeder het op koomen van deeze troebels, ons garnisoen, door het aanwerven van sipais en sjegos, en het ontbieden van Europeeschen en Javaanen, reets meer als verdubbeld had, om kran„ „ganoor en Aikotte naar vereisch te be„ „zetten. § 36. Dat de kosten hiervan en van de noodzaak„ „lijke verbeeteringen aan gemelde vesting en kamp reets zoo hoog op stok liepen; dat de winsten, die wij hier behaalden, lange niet toereikten, om dezelven goed te maaken. §37. Dat ik dus zijne Hoogheid met geen ijdele beloften wilde paijen, en mij tot niets ver„ „ders verbinden, als om kranganoor met al ons vermogen te verdeedigen, en den vijand het inbreeken bij Aikotte te beletten, tot

NL-HaNA_1.04.02_3801_0386 view scan ↗

English

Continuation Continuation The king of koetsiem is summoned by Tipoe. to which last, however, according to the repeated promise of his Highness, in case of need, I would request some troops from Paroe. Section 38. But that the Company thereby provided an important aid to his Highness, and in fact protected and secured his country, since the enemy was thereby prevented from breaking through into the same from that side. Section 39. And I made this truth palpable by making him observe that, in case we did not provide him this aid, he would have to employ at least ten thousand men more to man his lines on this side, which he presently used inland and towards the side of Palikatseeri for the protection of his country. Section 40. Concerning this and concerning the defence of kranganoor and Aikotte, some further discussion took place back and forth, and I subsequently had the pleasure that the king declared that he acquiesced in my assurance and promise. The king acquiesces therein. Section 41. After this, the kings informed me that Tipoe had written up to three times, and the last time in very serious terms, to the king of koetsiem to appear before him in person at kalikut, and after serious consideration, and according to general advice, all three of us understood that further excuse would only embitter the Padishah and perhaps induce him to violent measures, and that the king ought therefore to do voluntarily that which he would otherwise be compelled to do by force. Departed for kalikut. Section 42. He accordingly commenced the journey to kalikut on the 8th of this month, and now it must soon be revealed what Tipoe is actually plotting. Section 43. Before I leave this conference, I ought to mention in a few words that the king of Trevankoor raised the question of what the king of koetsiem would do if Tipoe should attempt to force him to act against the Company and attack kranganoor. Strange question from Trevankoor. Section 44. This question, which seemed to have some connection with the attempts of the Dallewa to make the king of Koetsiem suspect, appeared to me as unexpected as it was strange, wherefore I only replied thereto that there was not the least probability to suppose that Tipoe would make such a proposition, and that if anything of the kind happened, I felt assured of the king of koetsiem that he would let nothing seduce him from his fidelity to the Company. Answer of the governor. Letter from the governor to the king of koetsiem. Section 45. But since then, this question aroused in me all kinds of suspicions and reflections, and especially also this, whether Tipoe might perhaps have proposed something of that nature to the king of koetsiem; and I finally decided to seek the explanation thereof from the king of koetsiem himself, wherefore I questioned him circumstantially about this on the 4th of this month, and subsequently exhorted him to fidelity and steadfastness. Section 46. His answer on the day thereafter was very cordial and contained the assurance that no proposal of that nature had ever been made to him by Tipoe, and that he would never allow himself to be torn away from the Company by threats or direct force, but would remain faithful to it, whatever might happen to him; both letters are annexed hereto among the appendices in Dutch. His answer thereto. Section 47. To this day I have no answer from Tipoe to my letter, nor have the two letter-carriers returned yet, which appears somewhat suspicious. He still remains encamped near kalikut, and the renowned Colonel Lale has recently also come down with his brigade from seringapatnam and is presently in his army together with his nephew, the Chevalier De vivi. Tipoe encamped near Kalikut, has Lale with him. Section 48. Furthermore, I add hereto an account of a certain Maarten Geetze, who in former years served with the English and the Nabob of Arkat, and is presently pensioned. This man has two sons in the service of the sultan, whom he visited in seringapatnam, from where he has now recently come down with an army of Tipoe, and therefore deserves some credit as an eye-witness. Account of an old soldier. Section 49. According to this account, the entire force of Tipoe towards this side will be about one hundred thousand men strong, and destined not only to attack Trevankoor from the side of Pallikatseeri, but also us from the side of settua. Its contents. Section 50. Now I ought also to make a further report of the state of the dispute with Trevankoor concerning the crossing, especially because in my previous letter of the 25th of February last, Section 13, I promised that I would endeavour to settle the same with that prince at the personal meeting, and that on the basis that he himself had expressed to our deputies that he would give me an opportunity for that on his intended journey to the North. The dispute with Trevankoor remains suspended. Section 51. But the Dallewa did not mention a single word of this in the aforesaid conference, and when I took the opportunity to

Dutch transcription

vervolg vervolg de koning van koetsiem is bij Tipoe ontboden. tot welk laaste ik echter, volgens de her„ „haalde belofte van zijne Hoogheid, in val„ van nood, eenige Manschap van Paroe vraagen zoude. § 38. Doch dat de komp: hier door een importan„ „ te hulpe aan zijn Hoogheid toebragt, en in der daad zijn land beschermde en beveilig„ „de, wijl de vijand daar door belet werd, van dien kant in het zelve door te breeken. §39. En ik maakte deeze waarheid hand tast„ „lijk, door hem tedoen opmerken, dat inge„ „valle wij hem deeze hulpe niet toebragten, hij ten minsten tienduizend Man meer zoude moeten emploijeeren, om zijne li„ „nie aan deeze kant te bezetten, die hij thans landwaard in, en naar den kant van Palikatseeri, tot beveiliging van zijn land gebruikte. § 40. Hierover en over de verdeediging van de koning berust daarin kranganoor en Aikotte werd over en weer noch wat geredeneerd en ik had vervol„ „gens het genoegen, dat de koning verklaar„ „de, in mijne betuiging en belofte te berusten § 41. Hierna gaven de koningen mij kennis, dat Tipoe, tot drie keeren toe, en de laaste keer 172 naar kalikut vertrokken vreemde vraag van Trevankoor „verneur keer in zeer ernstige bewoordingen, aan den koning van koetsiem geschreeven had, om in persoon te kalikut voor hem te ver„ „schijnen, en wij begreepen, na ernstige en volgens algemeen advis overweeging, alle drie, dat een verdere ver„ „schooning den Patscha maar verbitteren en veelligt tot geweldige middelen over„ „haalen zoude, en dat de koning dus het geen vrijwillig diende te doen, waar toe hij anders door geweld zoude gedwongen worden. §42. Hij heeft dienvolgende de reize op den 8:e deezer naar kalikut aangetreeden, en nu zal het zich haast moeten openbaa„ „ren, wat Tipoe eigentlijk in zijn schild voert: §43. Eer ik van deeze konferentsie afstappe, diene ik noch met een paar woorden aan te haalen, dat de koning van Tre= „ vankoor de vraage opworp, wat de ko„ „ning van koetsiem doen zoude, indien Tipoe hem wilde noodzaaken, tegen de komp: te ageeren en kranganoor aan te tasten! antwoord van den goe„ §44. Deeze vraag, die eenigen zamenhang scheen brief van den goever„ „neur aan den koning van koetsiem scheen te hebben met de pogingen van den Dallewa, om den koning van Koetsiem suspekt te maaken, quam mij zoo onver„ „wacht, als vreemd voor, weshalven ik daar op alleen tot antwoord gaf, dat 'er geen de minste waarschijnlijkheid voor was te veronderstellen; dat Tipoe dergelijken pro„ „posietsie doen zoude, en dat ik mij indien iets dergelijx gebeurde, van den koning van koetsiem verzeekerd hield, dat hij zich door niets van de getrouwigheid aan de kom„ „panie zoude laaten verleiden. § 45. Doch zeder verwekte deeze vraag bij mij allerlij vermoedens en bedenkingen, en inzonderheid ook deeze, of Tipoe zomwijlen iets van die natuur aan den koning van koetsiem mogt voorgesteld hebben; en ik wierd eindelijk te raade, de oplossing van dezelve bij den koning van koetsiem zelfs te vraagen, weshalven ik hem, op den 4:e deezer, hier over omstandig onder„ „hield en vervolgens tot getrouwigheid en standvastigheid vermaande. § 46. zijn antwoord 's daags daar aan was zeer deszelfs antwoord daarop gemoedelijk, en behelsde de verzeekering, dat 173 Tipoe kampeerd bij Kalikut heeft Lale bij zich Relaas van een oud soldaat dat hem noit eenig voorstel van die na„ „tuur door Tipoe gedaan was, en dat hij zich noit door dreigementen of dadelijk geweld van de komp: zoude laaten los„ „scheuren, maar haar getrouw blijven, wat hem ook mogt overkoomen, beide brieven gaan onder de bijlagen in 't Ne„ „derduitsch hierneevens. § 47. Tot heeden toe heb ik geen antwoord van Tipoe op mijnen brief, ook zijn de twee Brievedraagers noch niet terug gekoo„ „men, het geen wat bedenklijk voorkomt, Hij blijft noch bij kalikut gekampeerd en de befaamde kolonel Lalé is on= „langs ook met zijne Brigade van se„ „ ringapatnam afgekomen en bevindt zich nevens zijnen Neef, den Chevailler De vivi, thans in zijn leger. — § 48. voorts voege ik hier noch een Relaas bij van zeekeren Maarten Geetze, die in vroegere jaaren bij d' Engelschen en den Nabab van Arkat gediend heeft, en thans gegasieerd is. Deeze Man heeft twee zoons bij den sultan in dienst, die hij te seringapatnam bezocht heeft dies inhoud blijft uitgesteld heeft, van waar hij nu onlangs met een Leger van Tipoe is afgekoomen, en derhalven als een oog=getuige eenig geloof verdiend. § 49. volgens dit relaas zal de heele macht van Tipoe naar deezen kant omtrend honderd duizend Man. stark, en bestemt zijn, om niet alleen Trevankoor van de kant van Pallikatseeri, maar ook ons van de kant van settua aan te tasten. 5 50. Nu diende ik ook noch nader verslag het geschil met Trevankoor te doen van den staat van 't geschil met Trevankoor, over de bekruissing, inzon= „derheid wijl ik bij mijn voorige van den 25. februari Jongstleeden §13. beloofd heb, dat ik het zelve, bij de personeele ont= „moeting, met dien vorst zoude trach„ „ten af tedoen, en zulx op fundament, wijl hij zelve zich tegen onze gekom„ „mitteerden uitgelaaten had, dat hij op zijne voorgenoomene reize om de Noord, daar toe aan mij zoude geleegenheid geeven. § 51. Doch de Dallewa repte hiervan in de voormelde konferentsie geen enkeld woord, en toen ik geleegenheid nam, daar

NL-HaNA_1.04.02_3801_0391 view scan ↗

English

174 to bring up the Governor's suspicion thereof, his answer was: That his Master had been willing to speak about it on this occasion, but owing to the present troubles and the business arising therefrom, had deemed it advisable to postpone this matter to quieter times. §. 52. I am therefore also unable to provide Your High Honours with any further light concerning this, and suspect that the King will wish to adjust his greater or lesser flexibility according to the outcome of the present circumstances. §. 53. Herewith I commend Your High Honours and the important interests of the Company to God's protection and remain with all respect and fidelity, (below stood) High Noble, Right Honourable, Widely-Ruling Lord and Noble, Stern Lords! Your High Honours' humble and faithful Servant, (was signed) J. G. van Angelbeek, (in the margin) Cochin the 11th of May 1788. Agreed Arnold Lunel provisional secretary Letter A: 175 Draft letter written by the Noble, Right Honourable Lord Governor Johan Gerard van Angelbeek to the King of Cochin on the 4th of May 1788. After my return, I further considered all that was spoken and transacted between us and the King of Travancore, and I find myself obliged, as well on account of the close alliance that exists between Your Highness and the Noble Company as because of the great importance of the matter, to converse with Your Highness further and frankly about this. First, the question of the King of Travancore seemed strange to me, as to what Your Highness would do if Tipu Padshah should wish to compel Your Highness to act against the Company and to attack Cranganore. I begin to suspect from this that Tipu Sultan must have proposed something of the kind to Your Highness, either by a letter or by verbal message, and I ask Your Highness whether anything of the kind has been proposed by Tipu Padshah to Your Highness, and request, if it occurred by a letter, to send the same to me under the promise that I shall keep everything secret. Secondly, I must remind Your Highness that the Company has hitherto been the only support and refuge of the Kingdom of Cochin, through which it has maintained itself thus far, and that it would be entirely lost if the Company withdrew its hand from it; if Your Highness considers this properly, his own conscience will convince him that he must not allow himself to be persuaded by anyone in the world to abandon the Company and act hostilely against it. If therefore Tipu should demand of Your Highness to act against the Company, Your Highness must absolutely refuse this and say straightforwardly that this is impossible for him, and Your Highness must remain steadfast and persevere in this, whatever Tipu Padshah might want to do to compel Your Highness thereto; for if Your Highness allowed himself to be persuaded by fear or threats 176 to act against the Company, the fidelity would be broken, and the Company, which has hitherto maintained Your Highness, would then have to consider him its very enemy. And I leave it to Your Highness to consider what would become of the Kingdom of Cochin if the Company withdrew its hands from it. I request a candid and clear answer to this. I must also most emphatically admonish Your Highness to attend to the rice delivery with more zeal than has occurred hitherto. God preserve Your Highness, (below stood) Thus translated by me into Malayalam, Cochin, date as above. (signed) J. M. Truijens, Sworn Translator. Agreed. Arnold Lunel provisional secretary Letter B: Translation of an Ola written by the King of Cochin to the Noble, Right Honourable Lord Governor Johan Gerard van Angelbeek, received on the 5th of May 1788. I have received Your Noble Right Honour's letter and understood its contents, wherein I saw that Your Noble Right Honour had further considered all that was spoken and agreed between us and the King of Travancore, and found himself obliged to converse with me about it; That the question of the King of Travancore seemed strange to Your Noble Right Honour, as to what I would do if the Nawab should wish to compel me to act against the Company and to attack Cranganore, and that Your Noble Right Honour had to suspect from this that the Nawab must have written something of the kind to me or proposed it verbally, and if I should have received such, that I had to send it to Your Noble Right Honour; and that Your Noble Right Honour also reminded me that the Company has hitherto been the only support and refuge of the Kingdom of Cochin, and that the same would be lost if the Company withdrew its hand from it, and that if I considered this properly, my own conscience would convince me; and if therefore the Nawab should demand of me to act against the Noble Company, I must absolutely refuse this and remain steadfast and persevere in this, whatever the Nawab might want to do to compel me thereto, and that if I allowed myself to be persuaded by fear or threats to act against the Company, fidelity would then be broken. I must reply to Your Noble Right Honour to this, that the close alliance between the Company and me is of many years' standing, and the same has been preserved by my prudence and fidelity, and I hope to do likewise, as I have done until now, and of which there are also proofs; and it will not be unknown to Your Noble Right Honour that neither I nor anyone of my Kingdom shall undertake anything against the Company that is contrary to good friendship. The Nawab has not made to me the least proposal in writing or by verbal message

Dutch transcription

174 des Goeverneurs ver„ „moeden daarvan op te haalen, was zijn antwoord: Dat zijn Meester willens geweest was, bij deeze geleegenheid daar over te spreeken, maar wegens de tegenwoordige onlusten en de daar uit spruitende beezigheeden te raade geworden was, dit stuk tot ge„ „ ruster tijden uit te stellen. §. 52. Jk ben derhalven ook niet in staat, uw Hoogedelheeden hieromtrend eenig nader licht te geeven, en vermoede, dat de ko= „ning zijne meerdere of mindere rekke„ „lijkheid naar de uitkomst van de tegen„ „woordige omstandigheeden zal willen schikken. 553. Hiermeede beveele ik uw Hoogedelhee„ „den en de wigtige belangen der Maat, „schappije in Gods bescherming en blijve met alle eerbied en trouwe /onderstond/ Hoogedele Grootachtbaare wijdgebiedende Heer en weledele Gestrenge Heeren! uwer Hoogedelheeden onderdaanige en getrou„ „we Dienaar /:was geteekend:/ G: G: van Angelbeek /:in margine:/ Koetsiem den 11:e Mai 1788. Akkordeerd Arnold Zunel p„er sekret:s L:a: A: 175 koncept brief door den Weledelen Grootachtbaaren Heer Gouverneur Johan Gerard van Angelbeek geschreeven aan den Koning van Koetsiem den 4e: Mai 1788. Na mijne terúg komst heb ik al het geen tusschen ons en den Koning van Trevan„ Koor gesprooken en verhandelt is, nader overwoogen, en ik vinde mij zoo wel uit Hoofde van de nauwe Alliance die tusschen Uwe Hoogheid en de Edele Komp: plaats heeft, als wegens de groo„ te aangeleegenheid van de zaake ver= plicht, Uw. Hoogheid daarover nader en onbewimpeld te onderhouden. Voor eerst is mij de Vraage van den Koning van Tre van Koor vreemd voorgekoomen, wat Uwe Hoogheid doen zoude, als Tipoe Patscha Uwe Hoogheid wilde noodzaaken tegens de Komp: te ageeren, en kranganoor te attaqueeren ik beginne hier uit te vermoeden, dat Tipoe sultan iets diergelijx aan Uw Hooghds moet voorgesteld hebben het zij bij een brief of door mondelinge boodschap, en ik vraa¬ ge Uw Hoogheid of iets diergelijks van Tipoe Sipoe Patscha aan Uw Hoogheid is voor¬ gesteld, en verzoeke als het bij een brief geschied is, mij den zelven toe te zenden onder belofte dat ik alles geheim zal houden Ten tweeden moet ik Uw Hoogheid indag tig maaken; dat de Komp: tot nu toe de eenigste steun en toevlugt van het Koetsiemsche Rijk geweest is, waar door het zelve zich tot dus lange heeft staan„ de gehouden, en dat het zelve ten eenemaal zoude verlooren gaan, als de Komp: haare hand daarvan aftrok, als Uw Hoogheid dit behoorlijk overweegt; zoo zal zijn eigen geweeten hem overtui„ gen, dat hij tich door niemand in de Wereld moet laaten overhaalen, om van de Komp: afte vallen en tegen haar Vij- „andig te ageeren. — Indien derhalven Sipoe van Uw. Hoogheid eischen mogt, tegen de Komp. te ageeren, zoo moet Uw Hoogheid dit volstrekt weigeren en recht uit zeggen, dat hem dit onmoge¬ lijk, en hier bij moet Uw Hoogheid standvastig blijven en volharden, wat Sipoe Patscha ook zoude willen doen, om Uwe Hoogheid daartoe te dwingen, want als Uw Hoogheid tich door Vreese of drijgementen liet over„ haalen 176 „haalen om tegen de Komp: te ageeren, zoo zoude de getrouwigheid verbrooken worden en de Komp:, die tot dus ver Uw. Hoog- heid heeft staande gehouden zoude hem dan voor haaren eigsten Vijand moeten houden. En ik laat het aan Uw Hoog- heid over te bedenken, wat van het Rijk van Koetziem zoude worden, als de komp: haar handen daarvan aftrok. Ik verzoek hierop een rondborstig en duide¬ lijk antwoord. Ook moet ik Uw. Hoogheid op het na„ druklijkst vermaanen de rijst leverant„ „sie met meer iver te behartigen, als tot nu toe geschied is. God bewaare Uw. Hoogheid /:onderstond: zoodanig door mij in het Malabaars overgezet koet siem dato als boven. /:geteekend:/ J. M. Truijens gezwoore Translateur. Akkordeerd. Arnold Lunel p:l sekrit:s L: B: Translaat Ola door den Koning van Koetsiem geschreeven aan den Weledelen Groot„ achtbaaren Heer Gouver„ neur Johan Gerard van Angelbeek ontvangen den 5. Mai 1788. Uweledele grootachtbaare brief heb ik ontvangen en dees inhoud verstaan waarbij ik zag, dat U weledele groot„ achtbaare al het geen tusschen ons en den Koning van TrevanKoor gesproo„ ken en vastgesteld was, nader had overwoogen en verplicht vond mij daarover te onderhouden Dat de Vraage van den Koning van Tre„ van Koor Uweledele Grootachtbaare vreemd voorquam, wat ik doen zoude als de Nabab mij wilde noodzaakene tegen de Komp: te ageeren en Kran„ ganoor te attaqueeren, en dat Uwel„ edele Grootachtbaare hier uit moest vermoeden, dat de Nabab iets diergelijk aan mij moest geschreeven of mondeling voorgesteld hebben, en zoo ik zulx mogte gekreegen hebben, aan Uw. Weledele Groot achtbaare moeste tenden, en dat Uw Weledele groot achtbaare mij ook ook herinnerde, dat de Komp: tot nu toe de eenigste steun en toe vlugt van het Koetsiemsche rijk was, en dat het zelve zoude verlooren gaan, als de Komp: haar hand daarvan aftrok, en als ik dit be„ hoorlijk overwoog mijn eige geweeten mij overtuigen zoude, en indien derhalven de Nabab van mij eischen mogt tegen de Edele Komp: te ageeren, ik dit volstrekt moeste weigeren, en hierbij standvastig blijven en volharden, wat de Nabab ook zoude willen doen om mij daar toe te dwin¬ gen, en als ik door vreeze of drijgementen liet overhaalen om tegen de Komp: te agee¬ ren, dat dan de getrouwigheid zoude ge„ brooken worden Ik moet Uweledele grootachtbaare hier„ op antwoorden, dat de nauwe Aliance tusschen de Komp: en mij van lange Jaa¬ ren is, en dezelve is door mijne Voor¬ „raat en getrouwig gekonserveerd, en des gelijx hoop ik te doen, gelijk ik tot nú toe gedaan heb, en ook blijken van zijn, en het zal Uweledele grootacht„ baare niet onbekent zijn, dat ik, noch niemand van mijn Rijk iets tegen de Komp: zullen aanvangen, dat te„ gende goede Vriendschap strijdig is. De Nabab heeft mijn geen de minste geschr. of door mondeling boodschap laaten voor- stellen

NL-HaNA_1.04.02_3801_0401 view scan ↗

English

178 to act against the Company, and had I heard or received written notice of such a thing, I would not have failed to inform Your Right Honourable at once. At the conference held between us and the King of Trevankoor, I made known that the Nabab had written to me to come to him, and that he had sent his Harikaras for that purpose. Then it was decided by us after mature deliberation that, as the Nabab is a powerful Potentate and has now approached near, and as I am a Tributary of his, it was best that I went thither to avoid all disturbances and damage to my Realm, which might sometimes arise from a refusal. However, should the Nabab upon my arrival there propose to me to undertake anything against the Company, I shall absolutely refuse this, making known to him that the close alliance between me and the Company is of long standing, and in all this time the least enmity has been raised among us, and that it is therefore now also impossible for me; regarding this, may Your Right Honourable suspect nothing. Furthermore, may Your Right Honourable be assured of my loyalty, and I shall never undertake anything against the Noble Company; but it makes me wonder to perceive Your Right Honourable's suspicion concerning me from Your Right Honourable's letter; therefore I request Your Right Honourable to inform me in this regard. My heartfelt wish and fervent prayer to God is always for the preservation of the True Friendship between myself and the Company, and I shall endeavour that no discord be raised therein. The delivery of the rice balls shall take place with the utmost speed. Signed by His Highness. Underneath stood: for the Translation, Koetsiem, date as above. Was signed: J. M. Truijens, sworn Translator. Agrees. Arnold Lunel, p:t Secretary. 179 Account given by a certain Martin Geetze of Durlah, who arrived here from Talleseen. Lit: C: That the Informant came to the Indies in the year 1752 as a Soldier in a Regiment of Swiss in English service, and served under the Nabab Machemet Ali, but has now been out of service for four years; that as two sons of his had been taken prisoner by the Nabab Huider Ali, he had gone to look for them, and had found them at Seringapatnam; that the Informant had now come down to the South with an Army of the Nabab Tipoe Sultan of about 6 to 7000 men under the Command of General Said Jaffar to reach the English, the said Troops having arrived two to three days' travel behind Talleseene, and today being two months and three days since the Informant departed with the said Army from Seringapatnam; that half a month before the departure of him, the Informant, from Seringapatnam, an Army under Said Mahomet, Commandant Kassaldaar, departed for Pallikatseen, and after the departure of the Informant, Tipoe Patscha with the grand Army took up the march to Kalikoet; that he, Tipoe, also has with him the French General Mr. Lalli with 1500 men under his Command, among them 150 Europeans and 2 Cannons; that all who march to the South will consist of nearly 100000 Men, who advance divided into three, of which a Small army lies two hours behind Talleseen, the other near Palkatseen, and the Main Army at Kalikut; that the Informant has heard from the common People as well as from some nobles that the intention of the Patscha is to destroy the Realm of Trevankoor and attack the same simultaneously from the side of Pallekatseen and that of Settua and other places of the Trevankoor lying on the North side; that yet others add to this that his objective is to take Koetsiem and Salleseen as well; that he, the Informant, regardless of what he has heard, is undoubtedly certain that he, the Patscha, will undertake something of importance, owing to the large supply of Artillery goods, of which he already has the Light Artillery at Kalikut, the Heavy being brought up behind, the Light consisting of rapid-firing pieces, 180 and the heavy of 24, 18, and 12-pounders, besides several Mortars, though without Bombs, as they throw only stones with them; that the Informant departed from Solleseen to get through the country of Trevankoor to Ankat and to look there for yet a Son and a Daughter of the Informant who are with the English, as no person can pass through the Carnatic or other roads. Thus related in the City of Koetsiem, the 2nd of May 1788. Was signed with a Cross, and written around it: this was made by Martin Geetze himself. In the margin: For committing this to paper was signed: Arnoldus Lunel, First Sworn Clerk. Agrees. Arnold Lunel, p:t Secretary. 181 Secret Batavia To His Excellency! The Right Honourable, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord Mr. Willem Arnold Alting, Governor General on behalf of the State of the Free United Netherlands and its General Chartered East India Company, and The Honourable, Most Noble Councillors of the Netherlands Indies. Right Honourable, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord, Honourable, Most Noble Lords! Section 1. I send this via Tutukorijn to Kolombo, in order to give further report to Your Excellencies by the Leviathan. Section 2. Of the two Persons who, according to my previous letter of the 26th of April, were sent to Kalikut to [...] the Company's Commissioners [...] No. 5: 3

Dutch transcription

178 stellen, om tegen de Komp: te ageeren, en zoo ik zulx gehoort of schrijven gekree„ gen had, zoude ik niet nagelaaten hebben Uweledele Grootachtbaare ten eersten te bedeelen. Bij de gehoúdene konferentsie tusschen ons en den Koning van Tre van Koor heb ik bekent gemaakt, dat den Nabab mij geschreeven had, bij hem te koomen, en dat hij ten dien einde zijne Ari„ kaars gezonden had. soen wierd door ons naar rijpe overwee„ ging beslooten, dat, terwijl de Nabab, een machtig Potentaat is, en thans digt genaderd is, en wijl ik een Tribu„ tanis van hem ben, het best was, dat ik daarna toe ging, tot Vermijding van alle Onlusten en Schaade van mijn Rijk, die Somtijds door het weigeren zoude kunnen ontstaan. Maar zoo indien den Nabab met mijn komste aldaar, mij mogte voorslaan tegen de Komp: iets te onderneemen, zoo zal ik dit volstrekt weigeren, hem te kennen geevende, dat de nauwe ali„ „ance tusschen mij en de Komp: van lange Jaaren is, en in alle deeze tijd de minste Vijandschap onder ons ver= wekt is, en dat daarom thans mij ook on„ onmogelijk is; hier omtrend gelieve Uwel„ edele groot achtbaare niets te vermoeden Voorts gelieve Uweledele Groot achtbaare van mijne getrouwigheid verzeekerd te zijn, en tol nooit tegen de Edele Komp. iets onderneemen, maar het doed mij verwonderen uit Uweledele Grootachtb. brief deszelfs vermoeden omtrend mij te ontwaaren, derhalven verzoek ik Uweledele Grootachtbaare mij hier om„ „trend te bedeelen Mijn hartlijke Wensch en vierig beede tot God is altoos, tot konservaatsie van de Waare Vriendschap tusschen mijen de Komp:, en ik tal trachten dat daarin geen Oneenigheid verwekt word.— De Leverantsie van de rijstballen zal met de meeste spoedgeschieden. /:geteekend:/ door zijn Hoogheid /:onder= „stond:/ voor de Translaatsie Koetsiem dato als boven /:was geteekend:/ J. M. Truijens gezwoore Translateur Akkordeerd. Arnold Lunel p:s sekret:s 179 Dat de Relatant in het Jaar 1752. als Soldaat onder een Regiment Zwitzers in Engelsche dienste in Indien gekoomen is, en ieder bij den Nabab machemet, Ali gedient heeft, doch nu Ieder vier Jaaren buiten dienst is, dat hij wijl twee Zoons van hem bij den Nabab Huider Ali¬ gevangen geraakt waaren, naar dezelve was gaan zoeken, en hen te Senngapat„ nam gezonden had, dat de Relatant nu met een Leger van den Nabab Sipoe sultan groot R à 7000 man onder Com„ mando van den Generaal Said Jaffar naar de Zuid was afgekoomen om bij den Engelschen te koomen zijnde gemelde Troepen twee a drie dagen reisers agter Talle¬ seene gearriveerd en heeden twee maan¬ den en drie dagen dat den Relatant met gemelde Armée vertrokken is van Serngepatnam, dat een halve maand voor het Vertrek van hem Re„ latant van Penngapatnam eene Armee onder said Mahomet Kommandant Kassaldaar naar Pallikatseen en na het Vertrek van den Relatant Tipoe Patscha met de groote Armee Relaas gedaan door Zeekeren Martin Geetze van Durlah die van Talleseen hier aan„ gekoomen is. zich La: C: rich op Marsch heeft begeeven naar Kalikoet dat hij Tipoe ook bij rich heeft den Tran¬ schen Generaal M„r Lalli met 1500 man onder zijn Kommando, daaronder 150 Europee„ sen en 2 Kanons, dat al wat naar de Ruid marcheerd bestaan tal in bijna 100000 Man, die in drien verdeeld aan marchee„ ren, waarvan een Kleen leger twee uuren agter Talleseen legt, het ander bij Palkat„ seen en de Hoofd Armee bij Kalikút; dat de Relatant zowel van het gemeene Volk als van eenige grooten gehoord heeft, dat het voorneemen van den Patscha is, om het Rijk van Trevankoor te vermee„ Item en het zelve teglijk overvallen als aan den Kant van Pallekatseen en die van Settua en andere plaatzen van den Prevankoor aan de NoordKant liggende, dat weeder andere noch daar bij voegen, dat het Oogmerk van hem is, om ook Koetsiem en Salleseen te nee„ men, dat hij Relatant, ongeacht het geene hij heeft gehoord, on 'twijfelbaar verzeekert is, dat hij Patscha iets van belang sal onderneemen, door de groo= te aanvoering van Artallen goederen, waarvan hij de Kleene Artillene al reeds op Kalikut heeft, woordende de Zwaare agter aangebragt, bestaande de Kleene in geschwindstukken, en 180 en de groote in 24 18. en 12. ponders, nevens verscheide Mortiers doch zonder Bommen, als werpende daarmeede eenelijk steenen, dat de Relatant van Solleseen gegaan is om door het land van Trevan Koor naar Ankat te geraaken en daar noch een Zoon en een Dochter van den Relatant op te zoeken die bij de Engelschen zijn, alzoo door de Kanenais of andere wegen geen mensch passeeren kan. Aldus gerelateerd in de Stad Koet„ jtem den 2. Mai 1788. /:was geteek: ) „met met en Kruis, en daarom „ geschreeven, kruis dit is door Martin Geetze zelfs ge„ „ten steld /:in margine:/ Voor het papier brengen deezes /:was geteekend:/ Arnol„ dus Lunel E. g. Klerk. Arnold Lunel Akkordeerd p:r sekret„s 181 sekreet Batavia Aan zijn Hoogedelheid! Den Hoogedelen Grootachtbaaren wijdgebiedenden Heer M:r Willem Arnold Alting wegens den staat der vrije vereenigde Nederlanden en haare algemeene geoktroieerde oostindische kompanie Goeverneur Generaal ende De Weledele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Jndiën ƒ. Hoogedele Grootachtbaare wijdgebiedende Heer, Weledele Gestrenge Heeren! §1. Jk zende deezen over Tutukorijn naar kolombo, om noch met den Leviathan aan uw Hoogedelheeden nader bericht te geeven. § 2. van de twee Persoonen, die volgens mijn voorigen van den 26:e April naar kalikut gezonden waaren, om 's komp:s N„o 5: gekommitt:s 3 en ƒ

NL-HaNA_1.04.02_3801_0408 view scan ↗

English

to announce Commissioners and to request a passport for them, one returned on the 13:e of this month, being a Moepen or officer of the sjegos, named Mamoeni, with the report that he and his companion, a Malay sergeant named Oesman, had been escorted from settua all the way to kalikut by the people of Tipoe, and brought directly to the katsjerri, the general meeting place of the prince's officials and of all those who have business with the prince, and had been obliged to hand over not only the letter to the Patscha, but also two private letters to the Jewish merchant Izaak Surjon, and to remain there that night, but had received permission the following morning to go to the house of surjon. Paragraph 3. That they had since gone daily to the katsjerri for an answer, but had been put off from one day to the next until the 5:e of this month, when the Patscha decamped with his army to Tammeratseeri, and according to the word of some would go directly to seringapatnam, but according to others to Palikatseeri. Paragraph 4. That he, Mamoeni, then, on the advice of Izaak Surjon, who in the meantime was condemned to a fine of 40,000 ropijen and on that account had been placed under arrest in his house, had departed from kalikut, and had left his companion there at the house of surjon, in order to be able to bring the answer that might yet follow at some time. Paragraph 5. But on the 25:e of this month the second letter-bearer Oesman also returned without any answer, who in the tale of his experiences agreed completely with the first mentioned, and added to it the following. Paragraph 6. That the Jew Izaak Surjon was condemned by the Patscha to the aforementioned fine, not on account of our letters, as he had tried to make them believe, but because during the last war, when the English conquered kalikut and burned some ships of the Nabab Haider Alichan, he had bought the scrap iron thereof and also a vessel and sent it to koetsiem for sale. Paragraph 7. That the repeatedly mentioned surjon had said to him upon departure: that he would gladly write to me, but did not dare to do so, and that the Relator thus had to tell me orally that I must especially be watchful, for the Patscha had his sights set on koetsiem, and wanted to attack us when the heaviest rains were over, and that the Company above all ought to remain most closely united with the king of Trevankoor, for the preservation of the Malabaar depended on that. That he, the Relator, had indeed heard muttering in kalikut that the Patscha wanted to wage war on the Company, but had postponed this until after their new year, which falls in July this time, because the heaviest rains would then be over, and his army would find water and food everywhere for the horses, camels, and elephants, and we would not be able to get any help from outside. Paragraph 9. I enclose herewith the accounts which the letter-bearers, each upon his arrival here, have provided, and further report that the Patscha has arrived at Palikatseeri, and on the 26:e of this month granted an audience to the king of koetsiem, of which up to now I have been able to learn no other particulars than merely that the mentioned king was outwardly received with distinction and treated kindly, and is expected back towards the 6:e of June next. Paragraph 10. We furthermore remain in uncertainty regarding the intentions of Tipoe, who seems to want to stay at Palikatseeri for the present; however, the anxiety on that account has noticeably diminished since the king of Trevankoor has obtained six battalions of sipahis, each of eight hundred men, from the side of Tirneveli, who are said to have been recruited by him in that area. Paragraph 11. As soon as I receive any further and more certain reports, I shall not fail to send them to kolombo in order to be presented to Your High Excellencies at the first opportunity. Paragraph 12. I commend Your High Excellencies and the important interests of the Company to God's protection and remain with all respect and fidelity. Below stood: Right Honorable, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord, and Right Honorable, Noble, Rigorous Lords! Your High Excellencies' humble and faithful Servant. Was signed: J: G: van Angelbeek. In the margin: Koetsiem, the 31st of May 1788. Agreed, per secretary Arnold Lunel Account given by the Letter A: little Moepa of the company Tjegos kranganoor, in the name of Mamoeni of Wittejekadoe, who brought the letter from the Honorable Lord Governor of this coast for sipoe Patscha to kalikut: The Relator recounts that he was sent with an orderly sergeant of the Malays by the commandant of kranganoor with a letter for Sipoe Patscha to kalikut, that they departed from kranganoor on the 21: of April and, having arrived at Pettua, the Amaldaar of that place gave them a guide as far as sjawekasse; that the Head of this place had them escorted by two persons to kalikut; that they arrived there on the evening of the 28: of April and were brought by their escorts at eight o'clock to the katjeri of the Patscha. That the Amerkan of the Patscha (the one who must announce everyone to him) came immediately to the Relator and asked where he came from and what he wanted; that the Relator answered that he came from koetsiem and had brought a letter along; that the Amerkan, having asked for the letter, he answered that he had to deliver the letter to the Patscha himself; that the Amerkan replied that such could not happen

Dutch transcription

Gekommitteerden aan te dienen en voor dezelven een paspoort te verzoeken, quam den 13:e deezer d'eene terug, zijnde een Moepen of officier van de sjegos, Ma„ „moeni genaamd met het bericht, dat hij en zijn Makker, een Malaitsche ser= „jant Oesman genaamd, van settua af tot naar kalikut door 't volk van Tipoe geeskorteerd, en direkt in de katsjerri, de algemeene vergader plaats van 's vor„ „sten Amptenaaren en van alle de geenen, die iets bij den vorst te doen hebben:/ ge„ „bragt waaren, en niet alleen den brief aan den Patscha; maar ook twee parti„ „kuliere brieven aan den Joods koopman Izaak Surjon hadden moeten overgee„ „ven, en dien nacht daar verblijf houden, doch den volgenden morgen vrijheid ver„ „kreegen hadden naar 'thuis van surjon te gaan. § 3. Dat zij zeder dagelijx naar de katsjerri om antwoord gegaan, doch van den eenen dag tot den anderen uitgesteld waaren tot den 5:e deezer, wanneer de Patscha met zijn leger naar Tammeratseeri opgebrooken 182 opgebrooken was, en volgens 't zeggen van zonnigen direkt naar seringa„ „patnam, doch van anderen naar Pali„ „katseeri gaan zoude. §: 4. Dat hij Mamoeni toen, op den raad van Izaak Surjon, die middelerwijle in een boete van 40'000: ropijen geslagen en daar over in zijn huis gearresteerd was, van kalikut vertrokken was, en zijne Mak„ „ker daar ten huize van surjon gelaaten had, ten einde het antwoord, dat som„ „wijlen noch mogt volgen te kunnen overbrengen. § 5. Doch den 25:' deezer quam de tweede Briefdraager Oesman ook zonder eenig antwoord te rug, die in het ver„ „haal van zijn wedervaaren met den eerst gemelden volkoomen over eenstem„ „de en er noch het volgende bij voegde. § 6. Dat de Jood Izaak Surjon van den Pat„ „scha in de voorschreeve boete gekondem„ „neerd was, niet om den wille van onze brieven, zoo als hij henlieden had willen. diets maaken, maar om dat hij in den laasten oorlog, toen d' Engelschen kalikut veroverd veroverd en eenige scheepen van den Nabab Haider Alichan verbrandt hadden, het oud ijzer daarvan en teffens ook een vaar„ „tuig gekocht en naar koetsiem ter verkoop gezonden had. § 7. Dat meermelde surjon aan hem bij ver„ „trek gezegd had: dat hij gaarne aan mij schrijven wilde, doch zulx niet doen durf„ „de, en dat de Relatant dus mondeling aan mij most zeggen, dat ik vooral waak„ „zaam zijn most, want dat de Patscha het op koetsiem gemunt had, en ons aantasten wilde als de zwaarste regens voorbij waaren, en dat de komp: vooral met den koning van Trevankoor op 't nauwst diende vereenigd te blijven want dat daar het behoud van de Malabaar van afsing. Dat hij Relatant te kalikut wel had hooren mompelen, dat de Patscha de kom„ „panie beoorlogen wilde, doch dit uitge„ „steld had, tot na hun nieuwjaar 't welk ditmaal in Juli valt, om dat als dan de zwaarste regens voorbij waaren, en zijne armee overal water en voedzel 58. voor 183 voor de paarden kemels en elefanten vin„ „den zoude, en wij geene hulp van buiten krijgen kosten. § 9. Jk voege de relaasen, die de Briefdra„ „gers, ieder bij zijne aankomst alhier ver„ „leend hebben hiernevens en melde noch dat de Patscha te Palikatseeri aange„ „koomen is, en den 26:e deezer aan den koning van koetsiem audientsie verleend heeft, waar van ik tot nu toe geen andere bezonderheeden heb kunnen te weeten krijgen, dan alleen dat gemelde koning voor het uiterlijke met distinktsie ont„ „vangen en vriendelijk behandeld is, mitsgaders tegen den 6:e Juni aanstaan„ „de terug verwacht word. § 10. wij blijven voorts noch in onzeekerheid nopens de voorneemens van Tipoe die voor eerst te Palikatseeri schijnt te wil„ len blijven, echter is de ongerustheid der„ „ wegen merklijk verminderd, zeder de koning van Trevankoor ses Battaljons sipahis ieder van agthonderd Man van de kant van Tirneveli bekoomen heeft, die den naam hebben, daaromstreex door door hem aangeworven te zijn. § 11. zoo dra ik eenige nadere en zeekerder berichten krijge, zal ik niet nalaaten dezelven naar kolombo te zenden ten einde aan uwe Hoogedelheeden met de eerste geleegenheid aangebooden te worden. § 12. jk beveele uw Hoogedelheeden en de wigtige belangen der Maatschappij in Gods bescherming en blijve met alle eerbied en trouwe. /onderstond/ Hooge„ „dele Grootachtbaare wijdgebiedende Heer, en weledele Gestrenge Heeren! uwer Hoogedelheeden onderdaanige en getrouwe Dienaar /:was geteekend:/ J: G: van Angelbeek /:in margine/ Koetsiem den 31:=ste Mai 1788. — Akkordeerd p:r sekret:s Arnold Lunel 184 Helaas gedaan door den L:a A: kleen Moepa van de kompe„ nie Tjegos kranganoor in naame Mamoeni van Wittejekadoe, die den brief van den Edelen Heer Goe„ verneur deezer kuste voor sipoe Patscha naar kalikut gebragt heeft: De Relatant verhaald, dat hij met een Orderser„ „jant van de Malaiers, door den kommandant van kranganoor gezonden is met een brief voor Sipoe Patscha naar kalikut, dat zij den 21: April van kranganoor vertrokken en te Pettua aangekoo„ „men zijnde, de Amaldaar van die plaats, hen een wegwijzer meede gegeeven had tot sjawekasse dat het Hoofd van deeze plaats hen door twee por„ „zoonen had doen geleiden naar kalikut, dat zij den 28: April savonds daar gearriveerd en door hunne geleiders te agt uur naar de katjeri van den Pat„ „scha gebragt zijn. Dat de Amerkan van den Patscha /: de geene die een ieder bij denzelven aan„ „dienen moet:/ ten eersten bij den Relatant ge„ „koomen was en gevraagd had, waar hij van daar quam, en wat hij hebben moet, dat de Relatant geantwoord had van koetsiem te koomen en een brief meede gebragt te hebben, dat de Amar„ „kan na den brief gevraagd hebbende, hij geant„ „woord had, dat hij den brief zelfs aan den Pat„ „scha moest bestellen, dat de Amarkan gerepliceerd had, dat zulks niet konde ge¬ „schieden

NL-HaNA_1.04.02_3801_0416 view scan ↗

English

happen and that the relator only had to hand over the letter to him, that he had thereupon handed it over and that the Amerkan had brought it inside, and coming out again had said that the relator had to wait there. That the next morning the Amerkan, coming to the relator, had asked whether he had brought along two letters for Jzaak Surjon and that he had to hand them over to him, that the relator had then handed over to him both the letters that he had taken along for Surjon from the Honorable Governor and from the commander of Kranganoor, that the Amerkan, coming out towards noon, had said to the relator that he could just go along with his companion, asking at the same time where they would take up their lodging, that they, having answered that they would stay with Surjon, the Amerkan had sent two mace-bearers along with them, who, having brought the relator and his companion to Surjon, had gone back again. That the relator had said to Surjon that he had brought along two letters for him, but that the Patscha had sent for them from him, that Surjon had then answered: it is well, I shall ask the Patscha for the letters, you may stay with me. That the next day early in the morning Surjon was called to the Patscha by a mace-bearer and he had gone there. That Surjon, having returned a short time thereafter, had said that he had asked the Amerkan for his letters, but that the latter had answered that they were with the Patscha and that the Patscha had sent for him, Surjon. That while Surjon was saying this, two Pathans had come there and had summoned Surjon to come to the Patscha, that Surjon had immediately gone along and that the relator had thereafter heard that the Patscha had demanded of him the forty thousand rupees that he had imposed on Surjon to pay, but the latter, having stated that he could not pay them, had been placed under arrest in the cutcherry. That two days thereafter Surjon was brought from the cutcherry to his house and there arrested in an upper room, with a sentry with a drawn saber before the door, that Surjon had called the relator to him that same day and said to him: I have been arrested on account of the letters that you brought along for me, and now the Patscha desires that I, just as other merchants must do, shall pay 40,000 rupees; do not stay here, for he will have your heads cut off, therefore just go back again; that Surjon had then also given five rupees to the relator, that the relator had answered: we cannot go back without a reply, for we would be punished for that. That six days thereafter Surjon was brought from the upper room downstairs into his house and was arrested there, with a sentry with a drawn saber who had to remain with him constantly; that the relator and his companion, during all that time, went to the cutcherry in the morning and came home again in the evening, without anyone having spoken to them, and that the relator, having asked the Amerkan several times for an answer, he had always said that he would give the answer. That on the 7th of this month, the Patscha's tents being removed, the relator had inquired after this and that he was then told that a letter had come from Patna, and that the Patscha would depart. That the next day at eight o'clock in the morning the Patscha departed with his son, that the relator has heard that the Patscha will go to Samarasjeeri, from there to Palkatcheeri and from there to Patna, and that it is also said that he will go directly from Tamarasjeerie to Patna. That the relator had also learned that the Maratha had demanded half of the tribute in which the Patscha was in arrears, and that the Patscha had departed for Patna on that account; that the relator, seeing the Patscha depart, had asked the Amerkan whether he would not receive an answer to the letter brought along, but that the latter had answered: if you want to have an answer, you can come to Patna. That the relator, having asked in Kalikut how strong the army of the Patscha was there, this was given to him very generously and even up to seventy thousand men, but that the relator supposes that the same, as far as he has been able to see, will consist of thirty thousand men in total, of infantry, cavalry, artillery, and all the laborers and coolies that belong to the army, and that the artillery consists of 30 or 35 pieces, though not heavier than of 8 lb caliber. That there are two French gentlemen in the army, both elderly men, who command over five thousand sepoys, and that there are no other Europeans in the army except 6 or 7 with the artillery; that fully three-quarters of this army went along with the Patscha, and the rest remained in Kalikut; that several of the sepoys of the Patscha related to the relator that they had received no more than two months of their pay, and could not get the rest, that the Travancore was advancing with a large force and that they would have to perish for nothing, from hunger and by the sword; that they willingly

Dutch transcription

„schieden en dat de Relatant den brief maar aan hem afgeeven moest, dat hij daarop den zelven overgegeeven had en dat de Amarhan dien naar binnen gebragt en weder buiten komende gezegd had, dat de Relatant daar wachten moest dat 'sanderendags smorgens de Amerkan by der Relatant koomende gevraagd had of hij met twee brieven voor Jzaak Surjon had meede gebragt en dat hij dezelven aan hem af¬ „geeven moest, dat de Relatant toen beide de brieven die hij van den Edelen Heer God„ verneur en van den kommandant van kran„ „ganoor voor Surjon meede genoomen had, aan hem had overgegeeven, dat de Amerkan teegen den middag buiten komende aan den Re„ latant gezegd had, dat hij met zijn Makker maar konde hoenen gaan, vraagende te gelijk waar zij hun verblijf neemen zouden, dat zij geantwoord hebbende bij surjon te zullen blijven, de Amerkan hen twee stokken, draagers meede gegeeven had, die den Rela„ „tant en zijn Makker bij surjon gebragt heb„ „bende weder terug gegaan waaren. Dat de Relatant aan Surjon gezegd had, dat hij twee brieven voor hem had meede gebragt, doch dat de Patscha hem dezelven had laa „ten afvragen, dat surjon toen geantwoord had; het is wel, ik zal de brieven van den Patscha wel vraagen, Gijlieden kunt bij mij blijven. Dat den anderen dag smorgens vroeg suc „jon door een stokkedraager bij den Patscha ge„ „roepen 185 „roepen en hij daar naar toe gegaan was. dat sur„ „jon een klijne tijd daarna weder terug gekomen zijnde, gezegd had, dat hij van den Amerkan zijne brieven gevraagd had, maar dat deeze ge¬ „antwoord, dat ze bij den Patscha waaren„ en dat de Patscha hem surjon had laaten roepen dat terwijl surjon dit zeide, twee Pattannes daar gekoomen waaren en sarjon geroepen hadden bij den Patscha te koomen, dat surjon ten eersten meede gegaan was en dat de Relatant, daarna gehoord had, dat de Patscha de Veertigduizend ropijen, die hij surjon op gelegd had te betaalen van hem gevraagd, doch deeze betuigd hebbende dezelven niet te kunnen betaalen, in de katjerie had laaten in arrest zetten. Dat twee dagen daarna surjon uit de katjeri naar zijn huis gebragt en daar in een opkamer gearresteerd is, met een schildwacht met bloo¬ „ten sabel voor de deur, dat surjon dien zelfden dag den Relatant bij zich geroepen en aan hem gezegd had; Jk ben om de wille van de brie„ ven die Gij voor mij hebt meede gebragt ge¬ „arresteerd, en nu begeerd de Patscha dat ik ook gelijk andere kooplieden doen moeten, 40'000: ropijen zal betaalen, blijft Gijl: niet hier, want hij zal Ulieden de kop afslaan laaten, gaat daarom maar weder terug; dat surjon toen ook vijf ropijen aan den Belatant gegeeven had, dat de Relotant geantwoord had, wij kunnen zonder antwoord niet terug gaan, want wij zouden daar over gestraft worden. worden. Dat ses dagen daar na surjon van de opkamer naar beneeden in zijn huis gebragt en daar gearres¬ teerd is, met een schildwacht met een blooten sabel, die altoos bij hem moest blijven, dat de Rela„ „tant en zijn Makker, geduurende al dien tijd, smorgens naar de katjeri gegaan en 'savonds weder te huis gekoomen zijn, zonder dat imand hen heeft aangesprooken, en dat de Relatant verscheide maalen aan den Amerkan om een antwoord gevraagd hebbende, hij altoos gezegd had, het antwoord te zullen geeven. Dat den 7:e deezer de tenten van den Patscha weggenoomen wordende, de Relatant daar na gevraagd had en dat hem toen gezegd was, dat er een brief van Patna gekod „men was, en dat de Patscha vertrekken zoude. dat den anderen dag smorgens om agt uur de Patscha met zijn zoon ver¬ „trokken is, dat de Relatant gehoord heeft, dat de Patscha naar Samarasjeeri zal gaan, van daar naar Palkatcheeri en van daar naar Patna, en dat er ook gezegd word, dat hij van Tamarasjeerie direkt naar Patna zal gaan. dat de Re„ „latant ook vernoomen had, dat de Ma„ ratta, de helft van de tribut, die de Dat„ „scha ten achteren was had laaten vraagen, en dat de Patscha daar om naar Patna vertrokken was, dat de Relasant den Patscha ziende vertrekken, aan den Amer„ „kan 186 „kan gevraagd had of hij geen antwoord op den meede gebragten brief zoude krijgen, maar dat deeze geantwoord had, als gij antwoord wilt hebben, kunt Gij te Patna koomen. Dat de Relatant te kalikut gevraagd hebben. „de hoe sterk het leger van den Patscha daar was, zulx hem heel ruim was op gegee„ „ven en zelfs tot zeeventigduizend Man„ maar dat de Relatant verondersteed dat het zelve zoo veel hij heeft kunnen zien, in der„ „tigduizend Man in het geheel zal bestaan, aan Infanterij, kavallerij, Arthillerie en alle de arbeidslieden en koelies die bij het leger gehoren, en dat het geschut in 30. — of 35: bestaat, doch niet zwaarder dan van 8: lb: Maliber. dat twee fransche Heeren in het leger zijn, beide oude lieden, die over vijfduizend sipahis kommandeeren en dat geene andere Europeeschen in 't leger zijn, dan 6: of 7: bij de Arthillerie; dat van dit leger wel Driequart gedeelte met den Pat¬ „scha meede gegaan, en het ovrige te kalikut gebleeven is, dat verscheidene van de Sipahis van den Patscha aan den Relatant verhaald hebben, dat zij van hun bezoeding niet meer dan twee maanden ontvangen hadden, en het ovrige niet krijgen houden, dat de Trevan„ koor met een groote macht aanrukte en dat zij voor niet, van honger en door het zwaard zullen moeten vergaan; dat zij gaar„ „ne

← previousnext →