VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3801

Malabar · 870 pages · 133 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3801_0420 view scan ↗

English

and when it might be possible, would like to serve with the Dutch; that the Relator had always answered them that he wanted to know nothing of that. That the Relator and his comrade, after the departure of the Patscha, went to Surjon and he then said to them, You have come only with a letter, what can that achieve, the Second of Talliseeri, a gentleman from Mahe and the Bibi of Kananoor have come here, and have brought much money with them, if now two white men from Koessiem had also come here and had brought ample money with them, then the Patscha would have been well satisfied. The Patscha is also displeased because a Raziadoor of Trevankoor has been with the Noble Lord Governor, and because the Governor has promised to let the Trevankoor pass to the north. I do not think, therefore, that you will receive an answer, therefore just go back to Koessiem and leave your comrade here, if an answer should come, then I will send it with him; that Surjon had also told the Relator that the Patscha had reliable reports that in Koetsiem there are many rich people, he had therefore intended first to take Kranganoor and after that also the city of Koetsiem, that this had been reported to the Patscha by the King of Koetsiem, that this king stands very well with the Patscha, and sends detailed reports to him of everything that goes on in Koetsiem. Furthermore, the Relator relates that after his arrival in Kalikut the Patscha had sent the Kanesaib with one thousand men to the mountains to capture the Koeroekel who stayed there, that he was also captured and brought to the Nabab, and having confessed where his riches were, the Patscha had them brought and also took him, Koeroekel, along upon departure, that he also had all the property of Aidroos Koesti seized and took his son with him to Patna. Furthermore, the Relator relates that now thirty days ago two slaves of the Lord Warehouse Master Cellarius, who ran away from here, were captured at Sawekatti by the people of the Patscha and brought to Kalikut, that one day, the Relator and his comrade were called by a servant of the Patscha and brought before him, but that the Patscha, seeing them, had said, these are not them, I must have the two who were brought from Sawekatti, that the two slaves then being brought there, the Patscha had them circumcised, had each put on a cap, and kept them in his service. Thus related within the city of Koetsiem the 13th of May 1788. was signed with some Malabar characters in the margin stood: for putting this on paper signed Arnoldus Lunel First sworn clerk lower: for the translation was signed Salvador Rodriguez Netto. Agreed Arnold Lunel First sworn secretary Letter B: Account given by Oesman, orderly sergeant in the Malay company of Captain Siding Kampong, garrisoned at Kranganoor, who along with the Moepen of the Sheikhs, Mamoeni, went with a letter from the Lord Governor to Kalikut and returned yesterday, the 25th of this month. The Relator fully agreed with the account of Mamoeni of the 13th of this month, which was clearly presented to him, with the following alteration and amplification. 1. That the field artillery in the army of the Patscha consists of forty-three pieces of small caliber. 2. That the army, according to what was said by a European who deserted from Kranganoor eight years ago and is now in service there as a soldier, consists of the following troops: ten kos sepoys, each of 4000 men, thus thus together - - - - - - 40000 men three kos kaitokkes or native warriors with matchlocks, thus 12000. the corps of Lale. . . . 10000. Thus together 62000. That among these 62000 men, there were 1000 cavalrymen, who are divided among the aforementioned corps, that there are also 1000 whites, though the Relator thinks that there are at most 500 of them under the corps of Lale. 3. That Izaak Surjon falsely asserts that he was arrested on account of the two letters from the Lord Governor and Commandant von Mullertz which they had brought along, for his own son told the Relator that the Patscha was enraged and had imposed that fine on his father because, when the English conquered Kalikut and burned some ships of the Nabab, he had bought the scrap iron from them and also a vessel and sent it to Koetsiem and sold it. Furthermore, the Relator declares that after the departure of Mamoeni he remained at Kalikut until Commandant von Mullertz sent word to him that he must return, and that Izaak Surjon then said to him, I would gladly write to the Noble Lord, but dare not, if such a letter were discovered on you, we would both be unfortunate, say verbally to His Honor that he must above all be on his guard, for the Patscha is targeting Koetsiem, and intends to attack the Company when the heaviest rains are over, tell him further that he should especially remain united with the King of Trevankoor, for the preservation of Malabar depends on that. The Relator says further that at Kalikut he heard much murmuring that the Patscha wanted to make war on the Company and had postponed this until after the Moorish New Year, which falls in the month of July, because by then the heaviest rains would be over, and the army would then find grass and water for the horses, camels, and elephants, and we could receive no help from outside. That us and

Dutch transcription

„ne wanneer het mogelijk woezen konde, bij de Hollanders wilden dienen; dat de Reca„ tant hen altoos daar op geantwoord had, dat hij daar van niets weeten wilde. Dat de Relatant en zijn Makker, naer het vertrek van den Patscha, bij surjon ge„ „gaan zijn en deeze aan hen toen gezegd had, Gijl: zijt alleen met een brief gekoomen, wat kan die uitzichten, de sekunde van Talliseeri, een Heer van Mahe en de Bibi van kananoor zijn hier gekoomen, en hebben veel geld meede gebragt, als nu ook twee blanken van Koessiem hier ge„ „koomen waaren en rijkelijk geld meede gebragt hadden, dan zoude de Patscha wel te vreeden geweest zijn. de Patscha is ook misnoegd om dat een Raziadoor van Trevankoor bij den Edelen Heer Goe„ verneur geweest is, en om dat de Goever„ „neur beloofd heeft, den Trevankoor naar de noord te zullen laaten passeeren. Jk denk derhalven niet dat Gijl: een ant„ „woord krijgen zult, gaat gij daarom maar weder naar koessiem en laat uw makker hier, als er een antwoord komen mogt, zoo zal ik het met hem zenden; dat surjon aan den Relatant ook gezegd had dat de Patscha zeker berichten, had, dat te koetsiem veele rijke Menschen 187. Menschen zijn, hij daarom voorneemens geweest is, eerst kranganoor en daarna ook de stad Koetsiem teneemen, dat dit door den koning van koetsiem aan den Patscha bericht was, dat deeze koning heel wel bij den Patscha staat, en van al wat te koetsien omgaat omstandige be„ richten aan denzelven zend. wijders verhaald de Relatant dat de Patscha na zijne komste te malikut den kanesaib met eenduizend Man naar het gebergte gezonden had om den koeroe„ „kel die zich daar heeft opgehouden op te„ vatten, dat hij ook gekreegen en bij den Nrabab gebragt is, en gekonfesseerd heb„ „bende waar zijne rijkdommen waaren, de Patscha dezelven heeft laaten brengen en hem koeroekel ook bij vertrek mee„ de genoomen heeft, dat hij ook al het vermogen van Aidroos Koesti heeft laaten aanslaan en zijn zoon met zich naar Patna heeft genoomen. — voorts verhaald de Relatant dat nu dertig dagen geleeden twee slaaven van den Heer Pakhuismeester Cellarius die van hier weggeloopen zijn te Sawekatti door het volk van den Patscha opge„ vat en naar kalikut gebragt zijn, dat O 8 E op een dag, de Relatant en zijn Makker door een Bediende van den Patscha geroepen en bij denzelven gebragt zijn, doch dat de Datscha hen ziende, gezegd had, deeze zijn ze niet, ik moet de twee hebben, die van Sawekatti gebragt zijn, dat de twee slaaven toen daar gebragt zijnde, de Patscha hen had laaten besnijden, ider een muts had laaten opzetten en in zijn dienst gehouden heeft Aldus Gerelateerd binnen de stad koetsiem den 13:e Mei 1788: /:was geteekend:/ met eenige Mala„ „baarsche karakters /:in margine stond:/ voor het ten papiere brengen deezes /:geteekend:/ Arnold„s Lunel E: gklerk /:lager:/ voor de vertaling /was geteekend:/ Sal„r Rodz: Netto. — Akkordeerd Arnold Lunel 1 p:r sekret:s 188. L:r b: Relaas gedaan door Oesman orderserjant bij de Malaitsche kompanie van kapitain siding Kampong, in garnisoen te kran„ „ganoor, die nevens den Moepen van de sjegos Mamoeni, met een brief van den Heer Goever¬ „neur naar kalikut geweest en gisteren den 25: deezer we„ „derom gekoomen is. De Relatant konformeerde zich ten vollen met het relaas van Mamoeni van den 13:e deezer, het welk hem duidelijk voorgehouden 6 werd, met de volgende alteraatsie en am„ „pliaatsie. 1. / Dat de veld artillerij in 't leger van den Patscha uit drie en veertig stukken be„ staat van kleen kaliber 2. / Dat het Leger volgens zeggen van een Europeesch die voor agt Jaar van kranganoor gedrost en thans daar als soldaat indienst is, uit de volgen„ de Manschap bestaat tien kos sipais ieder van 4000. Man dus dus tezaamen - - - - - - 40000: sixens drie kos kaitokkes of inlandsche krijgers met lontroers, dus 12000. — het koor van Lale. . . . 10000:— Dus tezaamen 62000. — Dat onder deeze 62000: koppen, 1000. kavala„ „risten waaren, die onder voorm: kooren verdeeld zijn, dat er ook 1000. blanken zijn, doch dat de Relatant denkt dat er op zijn hoogst 500. weezen zullen onder het koor van Lale 3/. Dat Jzaak surjon valschlijk opgeeft, dat hij over de twee brieven van den Heer Goever„ „neur en den kommandant von Mullertz die zijlieden mede gebragt hadden gearres„ „teerd is, want dat zijn eigen zoon aan den Relatant verhaald heeft, dat de Patscha vergramd was en zijnen vader die boete op„ „gelegt had, wijl hij toen de Engelschen kali„ „kut veroverd en eenige schepen van den Nabab verbrand hadden, het oud ijzer van dezelven en teffens ook een vaartuig gekocht en naar koetsiem gezonden en verkocht had. wijders verklaard de Relatant, dat hij na 't vertrek van Mamoeni te kalikut gebleeven is 168 is, tot dat de kommandant von Mullertz: hem heeft laaten weeten, dat hij terug most koo„ „men, en dat Jzaak surjon toen tegen hem ge„ „zegt heeft„ jk wilde gaarne aan den Edele „Heer schrijven, doch durve niet, als zulk een „brief bij u ontdekt wierd, zouden wij alle „beide ongelukkig weezen, zeg mondeling aan „zijn Ed: dat hij vooral moet op hoede zijn, want „dat de Patscha het op Koetsiem gemunt „heeft, en voorneemens is, de komp: aan te „tasten als de zwaarste regens voorbij zijn, „zeg hem verders, dat hij vooral met den ko„ „ning van Trevankoor diend vereenigd te „blijven, want dat daar het behoud van de „ Malabaar van afhangt„ De Relatant zegt verders, dat hij te kali„ kut veel heeft hooren mompelen, dat de Patscha de kompanie beoorlogen wilde en dit uitgesteld had, tot na het moorsche nieuw jaar, het welk in de maand Juli valt, om dat als dan de zwaarste Regens voorbij waaren, en d'armé dan gras en wa„ „ter voor de paarden, kemels en Elefanten vinden zoude en wij geen hulp van buiten krijgen kosten. Dat ons a„ en

NL-HaNA_1.04.02_3801_0426 view scan ↗

English

That the deponent departed last Wednesday the 21st from Kalikut, and that the news there was that the Padshah had arrived at Palikatseeri, and that it was also said there that he was having the roads inspected, both towards the south and towards Tritchenapali. Thus deposed in the city of Koetsiem the 26th of May 1788. /:was signed/ with some Malay characters /in the margin:/ for the committing to paper of this /:was signed/ A:s Lunel first clerk Agreed Arnold Lunel p secretary 189 Batavia To his High Nobility No 6: ceased. The High Noble, Right Honourable, Widely Governing Lord Mr Willem Arnold Alting Governor-General on behalf of the state of the free United Netherlands and its General Chartered East India Company and The Right Noble, Honourable Gentlemen Councillors of the Netherlands Indies High Noble, Right Honourable, Widely Governing Lord, Right Noble Honourable Gentlemen. and § 1. I now have the pleasure of informing Your High The hostile intentions Nobilities that the of Tipu being Nabob, Tipu Sultan, has ceased his hostile intentions against Southern Malabar, and especially against our possessions thereon, for the execution of which he had come down with an army of over sixty thousand men and approached close to the borders, most unexpectedly, and if cause thereof. 32 Continuation. if not entirely abandoned, at least postponed them to another time. This change in his decision seems to have been caused chiefly by the unexpectedly large counter-preparations of the King of Travancore, who stood ready with more than fifty thousand men in the lines, not only to defend his own country, but also the possessions of our Company. § 3. For, after the aforementioned Tipu had questioned the King of Koetsiem on all fronts regarding the circumstances of Travancore and the Dutch Company—which King, according to what was already communicated in my humble dispatch of the 31st of May last, was forced to pay him a visit at Palikatseeri, or rather to appear before him—he declared in the second audience that he wished to send envoys with letters and gifts to the King of Travancore, whom he /:King of Koetsiem:/ had to take along and introduce, as indeed 190 to Travancore. nor. 36. Continuation took place. § 4. This embassy was solemnly received by the King of Embassy of Tipu Travancore, and sent back with an appropriate answer and gifts, and then Tipu departed with his army for Coimbatore, eight miles northeast of Palikatseeri, where he is currently still encamped. § 5. Shortly thereafter, the King of Interview of the Travancore, to whom the King of King with the Gover- Koetsiem, after his return from the Nabob, had given an account of his experiences, proposed to me an interview in the palace at Anje Kaimaal; and when for that purpose I proceeded to the country estate of the Burgher Captain Dirksz, called Het Kannetje, situated close to Anje Kaimaal, His Highness chose to meet me there, which took place on the 17th of June last with the customary ceremonies. In this meeting, at which the two prime ministers of the King of Koetsiem, at the request of their - Continuation. of Travancore regarding Tipu. send, but the King had excused himself from this, but nevertheless had to promise to pay a further visit in the month of September or October, when the Padshah intended to come down to this region again. § 10. A more detailed report of this meeting Your High Nobilities will find in the notes of the conference held on the 26th of June last between me and the prime minister of the King of Koetsiem, marked with Lit. C in the aforementioned bundle, to which I refer in this regard. His Travancorean Highness further remarked that from the whole conduct remarks of of Tipu Padshah it was clearly evident that he had come down with such a great force with hostile designs against these Lowlands and especially also against the Company, but this time seemed to have been frustrated therein, because he had observed better preparations for resistance both in the lines and at Aikotte and Cranganore than he had perhaps 192 Continuation. had imagined. § 12. But that one should therefore by no means think that he had given up this intention of his, but much rather that he would resume the same in the coming good monsoon with a considerably larger force. Continuation. § 13. That this was not only probable in itself, but also, according to the secret warning of the King of Koetsiem, the general opinion at Palikatseeri; and the Padshah himself had made this known not unclearly to the King, and had therefore requested that he himself should reside outside the lines, or at least bring his family into safety therein. § 14. That the Company, together with both his proposal to kings, ought therefore to remain on its guard Reinforcement. so as not to be surprised and subjugated, for which reason he, the King of Travancore, would also let his troops remain in the lines for the time being, and until certain news was received of the return journey of Tipu to Seringapatnam, and that we especially also so with Aikotte

Dutch transcription

Dat de Relatant voorleeden woensdag den 21:e van kalikut vertrokken is en dat toen daar tijding was, dat de Patscha te Palikat„ „seeri was gearriveerd en dat daar ook gezegd wierd, dat hij de wegen liet visiteeren, zoo wel naar de zuid, als naar Tritchenapali Aldus Gerelateerd binnen de stad Koet„ „siem den 26:e Mai 1788. /:was geteekend/ met eenige maleijdsche karaters /in mar„ „gine:/ voor het ten papier brengen deezes /:was geteekend/ A:s Lunel Eg klerk Akkordeerd Arnold Lunel p sekret:s 189 Batavia Aan zijn Hoogedelheid N„o 6: gestaakt. Den Hoogedelen Grootachtbaaren Wijd gebiedenden Heer M„r Willem Arnold Alting wegens den staat der vrije vereenigde Nederlanden en haare algemeene Geontroieerde Oostindische Komparie Gouverneur Generaal ende De Weledele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Indien Hoogedele, Groot achtbaare, Wijd gebiedende Heer, Weledele Gestrenge Heeren. en § 1. Thans heb ik het genoegen, Uw Hoog De vijandige voornee„ „edelheeden te berichten, dat de mens van Tipoe rijn Nabab, Tipoe Sultan, zijne vijandige voorneemens, tegens Zuider Mala„ baar en inzonderheid tegen onte be„ zettingen op dezelve, tot welker uit voering hij met een Leger van ruim sestig duizend Man afgekomen en tot digt op de grenten genaderd was, op het onvoorzienste gestaakt, en zoo oortaak daarvan. 32 Vervolg. zoo niet geheel geabandonneert, ten minsten, tot een ander tijdstip ver„ „schoven heeft. Deeze verandering in zijn besluit schij voornaamlijk veroorzaakt te zijn, door de boven alle Verwachting groote tegen aanstalten van den Koning van TrevanKoor, die met meer dan vijftig duizend Man in de Linie gereed stond, om niet alleen zijn eigen land, maar ook de bezittingen van onze Kompe„ te verdeedigen. §3. Want, na dat meerm. Tipoe den Koning van Koetsiem, die, volgens het reets bedeelde bij mijne eerbiedigen van den 31:e Mai Jongstleeden, genoodzaakt geweest is, een bezoek bij hem te Pali„ „katseen afteleggen, of liever voor hem te paresseeren, over alle boegen nopens de omstandigheeden van Tre„ „van Koor en de Hollandsche Kompe ondervraagt had, verklaarde hij in de tweede audientsie, gezanten met brieven en geschenken aan den koning van Prevankoor te willen tenden, die hij /: Koning van Koetsiem :/ mede nee„ „men en introduceeren moest, gelijk ook in 190 aan Trevan Koor. „neur. 36. Vervolg in der daad geschied is. §4. Dit gezantschap is van den Koning van gezantschap van Tipoe Tre van Koor deftig ontvangen, en met een gepast antwoorden geschenken terug „gezonden, en ieder is Tipoe met zijn Leger naar Kombatoer agt wijlen ten Noordoosten van Palikatseen vertrokken, waar hij thans noch gekampeerd ligt § 5. Kortdaamna sloeg de Koning van Mondgespreek van den Trevankoor, aan wien de Koning van Koning met den Gouver„ Koet siem, na zijne terugkomst van den Nabab, van zijn wedervaaren verslag gedaan had, mij een Mondt „gespreek voor in het Pallijs op An„ „je Kaimaal, en toen ik mij tot dat einde naar de buiten plaats van den Burger Kapitain Dirksz, het Kannetje genaamt, digt bij Anje„ „Kaimaal liggende, begaf, verkoos Zijne Hoogheid, mij daarte ont„ moeten, het welk den 17e Juni Jongstleeden met de gewoone Ceremonien gevolgnaam. In deeze zamenkomst, waarbij de twee 1„te Ministers van den Koning van Koetsiem, op het Vertoek van hunnen - Vervolg. Koe Prevan Koor nopens Tipoe. Vrad zenden, doch de Koning had zich daar„ „van verontschuldigd, maar echter moeten beloven, in de maand sep„ tember of Oktober, wanneer de Patscha weder naar deezen kant afkoomen wilde, een nader bezoek afteleggen §10. Een omstandiger bericht van deeze ontmoeting vinden Uwe Hoogedelhee„ „den bij de Aanteekeningen van de Konferentsie, die op den 26e. Juni Jongstleeden tusschen mij en den eer¬ „sten Minister van den Koning van Koet„ „siem gehouden, en bij den eevengemel„ „den bondel met L„a C. beteekend is, waaraan ik mij ten deezen opzichte gedraage Zijn Trevan Koorsche Hoogheid merkte ver¬ aan aanmerkingen van „volgens aan, dat uit het heele gedraag van Tipoe Patscha Klaarbleek, dat hij met een vijandig toeleg tegen deeze Benedenlanden en voornaamlijk ook tegen de Kompe met zulke een groo¬ „te macht was afgekomen, doch dit„ „maal daarin scheen te leurgesteld te zijn, door dien hij zoo wel in de Linie, als te Aikotte, en Kranganoor beetere aanstaeten tot tegen weer ontwaard had, dan hij zich mogelijk had 11. 192 Vervolg. S14. Versterking. had voorgesteld. § 12. Doch, dat men daarom voor al niet noest denken, dat hij dit zijn voorneemen had opgegeeven, maar veel meer, dat hij het zelve in de aanstaande goe„ „de mousson met eene vrij grootere macht zoude hervatten. Vervolg. § 13. Dat dit niet alleen op zich zelve waarschijnlijk, maar ook, volgens de geheime Waarschuwing van den Koning van Koetsiem, het algemeen gevoelen te Palikatseen was, en de Patscha zelve zulx niet onduidelijk aan den koning te kennen gegeeven en daar¬ „om begeerd had, dat hij zelve buiten de Linie resideeren, of ten minsten zyne famille daarin zeekerheid brengen zoude. Dat de Komp: derhalven met beide zijne proposietsie tot Koningen diende op haar hoede te blijven, om niet overvallen en te onder= „gebragt te worden, weshalven hij Ko¬ ning van Trevan Koor ook zijne troe„ „pen vooreerst, en tot dat men van de terugreize van Tipoe naar Seringa„ „patnam verzeekerde, tijding Kreeg, in de Linie zoude laaten blijven, en dat wij vooral ook zoodanig met Aikotte

NL-HaNA_1.04.02_3801_0432 view scan ↗

English

Continuation. §15. 16. further proposals concerning that. Aikotte and Kranganoor were to trade. In particular, His Travancorean Highness insisted that he request troops and ships from Batavia, and that at Aikotte the batteries and parapet, which were made only of earth, should be raised in stone and extended as far as the mud fields. And when I replied on this last point that the Company had already incurred many extraordinary expenses and enjoyed so little advantage here that I dared not burden her with any further charges of that nature, he gave me the following answer. That which I request of the Company tends toward her own preservation and security; if the Company cannot defend Aikotte, let her then cede it to me, then I shall fortify it. I have been in person to Aikotte and have inspected everything carefully; the work that has been made until now can, if necessary, remain as it is for the time being, but toward the sea beach the land lies open; nothing is easier than for the enemy from 193 §17. and agreement. Continuation. from the opposite side to effect a landing there with vessels, of which the country is full, and then the entire post is lost, and the enemy will be before Koetsiem the next day along the road of Baipien; therefore, at least for the time being, the earthen parapet on that side must be extended to the mud and reinforced at the end with a battery, and then I shall, at the first request of the Commander, provide troops to properly defend the post. As I did not wish to offend the King by an outright refusal, and was at the same time convinced of the necessity of that work, I promised to send the Engineer to Aikotte to draw up a plan of it, after which I would explain myself further on the matter. §18. And as the said King at this meeting, and his Minister in the conference that followed, showed much esteem and affection for the Company, and concerning the dispute over the patrolling of Alepe and the tolls of passing native at Aikotte is a native traders, acted with unexpected fairness, and paid much more for the Moetoe Koenis than Your Right Excellencies and I could ever have expected of which several cases a detailed report will follow below, it seemed to serve the true interest of the Hon. Company to satisfy the King in this matter, on which he was so very keen and which genuinely tended to general benefit, in the least costly manner. 7. Continuation. §19. When, therefore, his Dallawa in the conference the next day further urged that the old line and batteries as well as the new ones should be built up of stone, and that I should put this into effect now, or at least request authorization for it from Your Right Excellencies, I politely declined the latter, but consented to his further request that I would send the Engineer soon and permit him, the Dallawa, to be present thereat. However, as I feared that the Dallawa, if he were present at the laying out of new battery made §20. the 194. resume. of the new line and battery, might easily persuade the Engineer to make that work more elaborate and larger than was necessary, whereby the costs would run noticeably higher, I went in person to Aikotte, had the Dallawa meet me there, and had this new work marked out in our presence, and at present they are still busy constructing it, the costs of which will not run much above two thousand or two thousand five hundred rupees, with which the Members of the Council agreed in the session of the 29th of July, and upon which I also hope to obtain the honored approval of Your Right Excellencies. §21. Regarding the opinion of the King of Travancore that Tipoe Sultan will resume his expedition, which failed or was suspended this time, with greater force in the upcoming good monsoon, upon which his request for troops and ships is grounded, I truly do not know what to say myself. If Continuation. §22. Continuation. §24 If one could presuppose in him the principles of prudence and sound statesmanship by which other princes let themselves be guided in their undertakings, one would almost have to assume that he would not dare to attack the King of Travancore, at least for the present and as long as the English have free hands, because he must absolutely expect that they will immediately come to the aid of their ally, who is explicitly included in the latest peace treaty. Continuation. §23. I have made this objection repeatedly to the King and his Minister, but their answer is continually that he is a tyrant and at the same time a madman who listens to no reason, but undertakes anything by which he thinks he can expand his greatness and lust for power. They cite as proof that, by the expedition now suspended, he has already shown that he cares little about the English, which, they say, 17 -

Dutch transcription

Vervolg. §15. 16. verdere Voorslagen dien aangaande. Aikotte en Kranganoor dienden te handelen Inzonderheid bestond zijn Trevan Koor „sche Hoogheid daarop, dat hij van Bata„ „via Volk en Schepen vertoeken, en te Aikotte de Batterijen en borstweening, die alleen van Aarde waaren, van steen ophaalen laaten en tot aan de moddervelden toe, verlengen moest En toen ik op dit laaste stuk diende dat de Komp: reets veel buiten gewoone Onkosten gehad had, en hier zoo weinig Voordeel genoot, dat ik haar met geen verdere Ongelden van die natuur dúrfde bezwaaren, gaf hij mij het volgende antwoord. Het geen ik van de Kompance verge„ strekt tot haar eigen behouden- reekerheid, als de Komp: Aikotte niet verdeedigen kan, laat te het dan aan mij afstaan, dan zal in het bevestigen. Ik ben in Pertoon te Aikotte ge„ weest, en heb alles nauwkeúrig bezichtigd, het werk, dat tot nu toe gemaakt is, Kan des noods voor- „ eerst zoo blijven, doch naar Zeestrand toe, ligt het land open, niets is ge„ „marklijker, als dat de Vijand van 193 § 17. en overeenkomst. Vervolg. van de Overkant daar met Vaartui„ gen, waarvan het land vol is, eene landing doed, en dan is de heele post verlooren en de Vijand sdaags daar aan, langs den Weg van Baipien, voor Koetsiem, daarom moet ten min¬ „sten vooreerst de aarde borstweering aan die kant tot de modder toe verlengt en aan het end met eene batterij versterkt worden, en dan zal ik, op het eerste Verzoek van den Kommandant, Volk geeven, om de post behoorlijk te defendeeren. Wijl ik den Koning door eene botte weigering niet voor het hoofd stooten wilde, en tevens van de noodzaak„ „lijkheid van dat werk overtuigd was, zoo beloofde ik, den Ingenieur naar Aikotte te zenden, om 'er een plan van te maaken, waarna ik mij daar „over verder verklaaren zoude. § 18. En wijl hooggedachte Koning in deeze Bijeenkomst, en zijn Minister in de daarop gevolgde Konferent sien, veel achting en geneegenheid voor de Kompt liet blijken, en omtrent het geschil over de bekruissing van Alepe en de tollen van voorbij vaarende in land„ opetikotte is eene inlandsche handelaars, met onverwachte billijkheid aan de hand quam, en voor de Moetoe Koenis veel meer betaalde dan Uwe Hoogedelheeden en ik oit hadden kun „nen verwachten /: van welk een en ander geval een omstandig verslag hieronder zal volgen:/ zoo scheen het waare belang van de E. Komperie te vorderen, den kouwn in deeze zaak, daar hij zoo zeer op „gesteld was, en die werklijk tot alge„ in een Vordeel strekte, op de minst Kostbaare wijze genoegen te geeven 7. Vervolg. §19. Wanneer derhalven zijn Dallawa in de Konferentsie Idaags daaraan nader aandrong, dat de oude Linie en batte„ rijen zoo wel als de nieuwe van steenen moesten opgemetzeld worden, en dat in dit thans in het Werk richten, of ten minsten daartoe van Uwe Hoog „edelheeden qualifikaatsie vertoeken moest: zoo wees ik dit laaste beleefde, „lijk van de hand, doch bewilligde in zijn nader Vertoek, dat ik den Jngenie spoedig tenden en hem Dallawa per= mitteeren wilde, daarbij tegenwoor„ „dig te zijn. Doch wijl ik beducht was, dat de nieuwe batterij gemaakt Dalla wa, als hij bij het afsteeken van 3 20. de ge 194. hervatten. de nieuwe Linie en batterij tegenwoordig was, den Ingenieur ligtlijk zoude kan„ nen overhaalen, om dat werk om„ „slagtiger en grooter te maaken, dan noodzaaklijk was, waar door de Kos- „ten merklijk hooger zouden loopen: Zoo begaf ik mij in Perzoon naar Aikotte, liet den Dallawa daar bij mij koomen, en dit nieúwe Werk in onze tegenwoordigheid afsteeken, en thans is men noch beezig, met het zelve aante leggen, waarvan de Kosten niet veel boven de twee„ „duizend of twee duizend vijf honderd ropijen loopen zullen, waarmede de Leden van den Raad zich ter sessie van den 29 e. Juli gekonformeerd hebben, en waarop ik ook de g'ëërde approbaatsie van Uwe Hoogedelhee„ „den hoope te verwerven. §21. Van het gevoelen van den koning van aanmerking of Tipoe TrevanKoor, dat Tipoe Sultan, de zijn voorneemen zal dit maal mislukte of gestaakte ex„ „pedietsie in de aanstaande goede Mousson, met grootere macht zal her„ „vatten, waarop zijn Verzoek om Volk en schepen gegrondt is, weet ik waar= „lijk zelf niet, wat ik zeggen zal. Indien Vervolg. §22. Vervolg. § 24 Indien men bij hem de grond begintelen van Voorzichtigheid en gezonde staat„ „kunde Kost presupponeeren, waardoor tich andere Vorsten in hunne onder„ „neemingen laaten bestieren, zoo zoude men haast moeten vast stellen, dat hij den Koning van Tre van Koor ten minsten vooreerst, en zoo lange de Engelschen vrije handen hebben, niet zoude dúrven aantasten, wijl hij absolut verwachten moet, dat dezel¬ „ven hunnen Bondgenoot, die in het laaste vreeder traktaat uitdruklijk begreepen is, ten eersten tullen te hulp komen Vervolg. § 23. Deeze tegenwerping hebbe ik den Koning en zijnen Minister te meermaalen gemaakt, doch hun antwoord is tel„ „kens, dat hij een geweldenaar en teffens een Dolleman is, die naar geene reeden Euistert, maar alles on„ „derneemt, waar door hij denkt, zijne grootscheid en heersch zucht te kunnen uitbreiden. zij voeren tot een bewijs aan, dat hij . door de nu gestaakte expediatsie reets heeft getoond, dat hij zich aan de Engelschen weinig stoord, het welk„ zeggenze 17 -

NL-HaNA_1.04.02_3801_0437 view scan ↗

English

Continuation. 325. defense. native troops are not discharged. they say, is further evident from the fact that during this monsoon he caused the English at Tellicherry to be hostiley attacked by one of his Polygar or Inhabitants in the Kingdom of Kolathiri, over which the Government of Madras has indeed complained, but thus far without fruit, because those troubles still continue to persist. And they will not let themselves be dissuaded from the notion that Tipu has so firmly resolved upon the conquest of Southern Malabar, that he will risk the very utmost for it. § 26. That the King of Travancore firmly and surely believes this is especially evident from the fact that his entire army remains encamped in the lines up to now, notwithstanding that Tipu, as is mentioned here before, has already departed from Palakkad to Coimbatore. § 27. But however matters may stand in this regard, I have at least not yet dared to discharge the native troops taken into service, and also not to send back the Ceylon detachment, partly because this would give great displeasure to Travancore, and partly because Tipu Sultan would thereby be encouraged to undertake something against us, and in particular against Cranganore. § 28. Also, without my reminders, Your High Nobilities will easily understand that the appearance of the national naval squadron on this coast would make a great and very advantageous impression upon us with the native princes, and even upon those among them who are our friends and allies, but that such an effect is not to be expected from one or two frigates, on a coast where people have long been accustomed to the grand display of entire fleets. § 29. And herewith I leave this important matter to Your High Nobilities for wiser judgment, whereby I hope that Your High Nobilities will be convinced that in all the measures taken for the protection of what was entrusted to me, I have had the purest and best intentions, and have incurred no expenses other than those that appeared unavoidable to me and the Council for the securing thereof. In particular, I hope it will be pleasing to Your High Nobilities that I have been able to persuade Travancore to offer unconditional aid to the Company, without having bound the Company to anything further than the protection of its own possessions. § 31. In the second place, I have the honor to inform Your High Nobilities that the disputes with Travancore concerning the cruising off Aleppey and the tolls of passing native merchants, of which my respectful letters of the 15th and 25th of February and the 26th of April last gave detailed report, have been settled very happily and to our full satisfaction. § 32. The foundation for this was laid in this meeting, on the occasion when the King began to speak about the necessity of rebuilding the dilapidated palisades on the Munambam islands and let slip that I had promised last year to submit his request regarding them to Your High Nobilities, but that he had heard nothing further about it. Continuation. § 33. For when I replied to this that I had obtained authorization from Your High Nobilities for the sale, but had been prevented from giving notice thereof by the disputes that had arisen over the cruising and tolls, everyone had to step outside, whereupon he said to me in English: I have investigated the matter of the tolls and cruising and found that in earlier times it was as you wrote to me; but you should have written to me about it first, instead of immediately sending armed vessels to my ports and having them bombarded. Whereupon I answered as best as I could in that language, of which I understand little: I knew that the vessels were taking in pepper before Aleppey; if I had written to Your Highness first, they would have slipped away from me; I did not have Your Highness's port bombarded; the cruiser demanded of the vessels that they show their passes, and therefore fired blank shots at them, and that is sailors' custom. Continuation. § 35. The King replied to this: You have always been a friend of mine, and therefore I also believe that you had no intention to insult me; we will now call the ministers of the King of Cochin back inside; tomorrow my Dalawa will come to you and speak about this matter and Munambam; they have no business with these matters. Consequently, the next day the Dalawa came to me, who regarding the cruising sought to argue that although the Company had indeed caused cruising to be carried out in the past, such had nevertheless taken place far from the shores and at sea, and that therefore the cruisers sent out by me should also have remained at sea, but instead had entered into the King's port, bombarded it, and dragged the vessels lying there for trade by force to Cochin, against which I brought forward that the continuous smuggling trade in pepper had forced me to catch the vessels before Aleppey in the very act, and that the pepper found in them fully justified me. Continuation. § 37. Over this arose a detailed dispute, with which I do not wish to trouble Your High Nobilities' attention, the more so because the substance thereof is made known in my note under Letter B, paragraphs 7 to 13, to which I refer myself, and merely make known that the result thereof was that the King had nothing against the cruising itself, and the

Dutch transcription

195 Vervolg. 325. tegenweer. sche troepen niet zijn afgedankt. zeggenze noch nader blijkt, door dien hij in deeze Moesson door eenen van zijne Palegaars of Inbutanssen in het Rijk van Kollastn, de Engel¬ „schen te Sellitseen vijandig heeft laaten aantasten, waarover het Goevernement van Madras wel ge„ „doleerd heeft, doch tot nu toe ton„ „der vrucht, door dien die Onlusten noch al blijven voortduuren En zij willen tich, niet laaten uit het hoofd brengen, dat Tipoe de Verovering van Zuider malabaar zoo vast beslooten heeft, dat hij daartoe het alleruiterste zal waa¬ „gen § 26. Dat de Koning van Trevan Koor dit vast re van Roorhoudzich en zeeker gelooft, blijkt in zonderheid noch in postuur van daaraan, dat zijn heele Annee tot nu toe in de Linie gekampeerd ligt, niet tegenstaande Tipoe, ge„ „lijk hier voorwaards vermeld staat reets van Palikatseen naar Koim„ „batoer vertrokken is. — § 27. Doch hoedanig het ook hier omtrend waarom onze inland„s moge geleegen zijn: zoo heb ik ten minsten, de in dienst genoomene inlandsche troepen noch niet durven afdanken, is hier nodig afdanken, en het Ceilonsche detache„ „ment ook niet terugtenden, eensdeels wijl dit aan Prevankoor groot mis„ noegen geeven zoude, en anderen deels, wijl Sipoe Sultan daar door aangemoedigd worden zoude, iets tegen ons, en inzonderheid tegen Kranganoor te onderneemen 28. Ook zullen Uwe Hoogedelheeden zonder 'slands Oorlog Eshader mijne bevinneringen ligt begrijpen dat de Verschijving van 'slands Oorlog Eskader op deeze Kuste een grooten en voor ons zeer voordeelegen indruk zoúde maaken opde inlandsche Vorsten en zelfs op de geenen van hen, die onze Vrienden en Bondgenooten zijn, doch dat die uitwerking niet zoude te wachten zijn van een of twee Fregatten, op eene Kuste, daar men heder lange aan de grootsche Vertooning van heele vloo¬ „ten gewent is. § 29. En hiermeede laat ik dit wigtig Ar„ „tikel aan Uw Hoogedelheeden ter wijzere beoordeeling over, waar bij ik hoope, dat Hoogstdezelven overtuigd zullen weezen, dat ik bij 196 330. „gelegd. bij alle de genoomene maatregelen tot bescherming van het mij toevertrouw„ „de de Zuiverste en beste Oogmerken gehad heb, en tot geene Onkosten getreeden ben, dan alleen tot de zul„ „ken, die mij en den Raad tot bevei„ „king van dezelven onvermijdelijk scheenen. Jnzonderheid hoop ik dat het Uwe Hoogedelheeden aangenaam zijn zal, dat ik Trevankoor tot een onbepaalde hulpe aan de Kompe. heb kunnen overhaalen, zonder de Kompenie tot iets verders, als tot de beschenming van haare eige¬ „ne bezittingen, verbonden te hebben. §31. In de tweede plaats heb ik de de geschillen met Eer Uw Hoogedelheeden te berih„ Prevan Koor zijn bij „ ten, dat de geschillen met Tre„ „van Koor over de bekrussing van Alepe en de tollen van voorbij vaarende inlandsche Handelaars, waarvan mijne eerbiedige letteren van den 15e en 25ste Febr. en 26. April Jongstleeden omstandig bericht gegeeven hebben, zeer gelukkig en tot ons volle genoegen afgemaakt zijn. De „genheid gegeeven heeft. 3. 32. De grond werd hiertoe, in deeze bij een wat daartoe gelee„komst gelegt, ter geleegenheid dat de Koning over de noodzaaklijkheid van het herbouwen der vervallene paggers op de Moetoekoenische Eile „den begost te spreeken en zich ont„ „vallen liet, dat ik voorleeden Jaar beloofd had, zijn Vertoek om de„ „zelven aan Uw. Hoogedelheeden voor te draagen, doch dat hij daar „van Ieder niets gehoord had. Vervolg. § 33 Want toen ik daarop diende, dat ik van Uwe Hoogedelheeden qua„ „lifikaatsie tot den verkoop erlangd had, doch door de opgekomene ge„ schillen over de bekruissing en tollen belet was, daarvan Kennis te gee„ ven, moest alles naar buiten, wann„ neer hij in het Egelsche tegen mij Reide In heb de Zaak van de tollen en beknussing ondertocht en bevonden, dat het in vroegere tij„ den zoo geweest is, als gij mij ge„ schreeven hebt; doch gij had daar „over eerst aan mij moeten schrijven, in Steede van ten eersten gewaapen„ „de Vaartuigen te zenden, naar mij„ ne net 197. Vervolg § 34. §36. verdere gesprecken met den Dallaar daarvver. „ne havens, en die te laaten bombardee„ „ren Waarop ik in die taal, daar ik weinig van verstae, zoo goed als ik Kost, tot antwoord gaf. Ik wist dat de Vaartuigen voor Alepe Peper in namen, als ik eerst aan Uw Hoogheid geschreeven had, zouden zij mij ontslipt zijn; ik heb Uw. Hoogheids haver niet laaten bombardeeren; de Knusser heeft van de Vaartuigen geeischt, haare passen te toonen, en daarom losse Schooten op dezelven gedaan, en dat is Zee mans stijl Vervolg. §35. De Koning repliceerde hierop Gij tijt steets een vriend van mij geweest, en daarom gelove ik ook, dat gij geen Oogmerk gehad hebt mij te beleedigen, wij zullen nu de Mi„ nisters van den Koning van Koet„ Siem weer binnen roepen, morgen zal mijn Dallewa bij U Koomen en over deeze raak en de Moe„ toekoenis spreeken, zij hebben met deeze raaken niets van nooden. Dienvolgende quam sdaags daaraan de Dallewa bij mij, die nopens het be„ beknussen tocht te beweeren, dat of schoon de Kompenie voorheen ook wel had laaten Knussen, zulx echter ver van de stranden en in zee geschied was, en dat dus de door mij uitgezondene Knussers ook hadden moeten in tee¬ blijven, doch in steede van dien, tot in 's Konings haven gekoomen waaren, die gebombardeerd en de daar ten han„ del liggende Vaartuigen met geweld naar Koetsiem gesleept hadden, waar„ tegen ik inbragt, dat de geduunige 'smonkelhandel in peper mij genood= raakt had, de Vaartuigen voor Ale¬ „pe op de daad zelve te betrappen, en dat de Peper, die daarin gevonden was, mij ten vollen rechtvaardigde. Vervolg. §37. Hierover ontstond een omstandig 't uist ge„ „ding, waarmeede ik Uwer Hoogedelhee„ „den aandacht niet wil vermoeilij= ken te meer wijl het zaaklijke daar„ a van bij mijne aanteekening sub L„a B. S. 7. tot 13. bekend gesteld is, waar„ „aan ik mij gedraage en alleen be„ „kendstelle dat het resultaat daar van was, dat de Koning tegen de beknussing zelve niets had, en het ge„

NL-HaNA_1.04.02_3801_0443 view scan ↗

English

198 Continuation. §40. did not wish to recall what had passed, but made known that he had given strict orders to the cruisers henceforth to commit no molestations in his ports, but to keep at a proper distance at sea, against which His Highness promised that pepper should be sold to no one other than us and the English, which I promised under this condition. Continuation. §38. Regarding the tolls, he maintained that it was a hard thing that the Company demanded the full toll on goods which the King bought in his own country, and then also on his country's produce which he gave in payment or sold therefor. Continuation. §39. Against which I remarked that these tolls had of old been collected and paid, as I had pointed out in my letters to the King and proven with old accounts, against which the bare pretense of hardship therefore proved nothing. The Dalawa thereupon stepped away from this subject, with these thoughtful words: Proposal for a contract of trade. "Good, Sir! The King desires not to curtail the Company in its ancient rights; I have drafted a plan whereby this entire dispute lapses and whereby the King and the Company can both obtain considerable profits. I shall return tomorrow and lay it open before you; at present it is too late and I must still speak with you about the Mutukunnus, for the King departs tomorrow for the south, and wishes that this matter be settled before his departure." This means consisted, according to my note of 19 June 56, in this: that the King wished to deliver all products of his country to the Company, according to the fourth article of the Treaty of the year 1753, and purchase all necessities from it, in particular the kapok, the consumption of which in his country amounted to about three thousand kandil annually. Continuation. §42. This proposal was in more than one respect of all too great weight, and appeared to me at the same time so unexpected that I dared not commit myself upon it. 199 Continuation. §43. On the one hand, this trade seemed very advantageous, not only on account of the profits that might be obtained from it, but also because the disputes over the tolls would thereby be removed, the path to smuggling for the greatest part cut off, and the entire trade drawn to the city of Cochin and the same thus greatly benefited. Continuation. §44. On the other hand, I foresaw several difficulties, as well on account of the greed and deceitful nature of the Malabars, as also on account of the trouble and the large capital in ready money that was required for such a trade. §45. I therefore took time for deliberation, and requested to that end a statement of the products, their quantity, and lowest prices, which he promised and also sent some days later. List of products which the King wishes to deliver. §46. According to that list, the King wished to deliver annually: 1000 kand. dried ginger at 60 rop. the kand. of 500 lb. 300 do. Bornean at 22½ do. 50 raw wax at 250 do. 50 eaglewood at 80 do. 5 cardamom 1st sort at 1000 do. 1000 Tengapatnam coir at 40 do. 1200 Aroor and Cherrai do. at 20 do. 3000 northern teak beams at 8 do. 3000 southern do. do. at 6 do. 2000 white copra at 27 do. 1000 black do. at 24 do. 250,000 pieces coconuts at 12 rop. the thousand. Below which stood noted the following: All these merchandises amount to rop. 302,250 In diverse linens: 100,000 In teak planks of diverse thickness: 25,000 Total: Rop. 427,250. §47. I consulted hereon with the Company's merchants, who after a few days gave their opinion and the prices for which they were willing to accept those goods. I drew up some remarks from this, which were sent to the 200 The prices are not yet determined. Dalawa and answered by him in a separate paper. §48. It would lengthen this letter remarkably, and at the same time weary Your Excellencies, if I were to deal circumstantially here with those mutual remarks and the conferences with the Dalawa that followed thereupon. I believe therefore to do better by pointing out here only that those remarks and counter-remarks are inserted in the note of 14 July last, and placed side by side in such a way that one can oversee them at the same time and immediately perceive and judge the dispute between the two, and that they contain the subject matter over which the conferences of 14 and 15 July last were held, to which I thus respectfully refer, and from them now only show that they have not been able to agree regarding the prices and further conditions, and thus only regarding the cardamom and The Dalawa on the tolls. coir has it been agreed that as much thereof shall be delivered to the Company at the lowest market prices as I shall state, after the demands from the Netherlands and from Batavia have been received. §49. Now with the matter of the grievances regarding tolls, one was no further advanced than when the negotiation about it had begun, and the Dalawa resumed his previous grievances: that the King had to make such great expenditures that the ordinary revenues of his realm were not sufficient, and thus he had drawn the trade in his country's products to himself in order to find the additional charges therefrom; but that this means was for the greatest part frustrated because the Company claimed the very same tolls on this trade that it enjoyed in Cochin; that we indeed appealed in this respect to ancient custom, but that the same had only related to private traders.

Dutch transcription

198 Vervolg. §40. gepasseerde niet gedenken wilde, doch vertoeken liet, aan de Kniessers voortz „taan slipte ordre te geeven, om in rijne havens geene molesten te plee„ gen, maar zich op een behoorlijken afstand in tee te houden, waar te„ „gen zijn Hoogheid beloofde, dat aan niemand, buiten ons en de En„ „gelschen, Peper verkocht zoude worden, het welk ik onder dee„ „ze Kondietsie beloofde. Vervolg. §38. Nopens de tollen beweerde hij, dat het een harde zaak was, dat de Komp. van goederen, die de Koning in zijn eigen land inkocht, en dan ook noch van zijne landprodukten, die hij daarvoor in betaaling gaf of ver- „kocht, de volle tol begeerde. Vervolg. §39 Waartegen ik anmerkte, dat die tollen van ouds ingevorderd en be„ „taald waaren, zoo als ik bij mijne brieven aan den Koning aange„ „toond en met oude reekeningen beweezen had, waartegen dus het bloote voorgeeven van hardigheid niets bewees. De Dallewa-stapte hierop van dit onderwerp of, met deeze nadenklijke woorden: Goed trakt van Negootsie Goed, mijn Heer! de Koning begeerd de Komp: in haar oude rechten niet te verkorten, ik hebeen ont„ „werp gemaakt, waardoor dit heele geschil vervalt en waarbij de Koning en de Komp: beide aanzienlijke Winsten behaalen Kunnen, ik zal morgen wederkomen en het voor U openleggen, thans is het te laat en ik moet noch met U over de MoetoeKoenis spreeken, want de Koning vertrekt morgen naar de Zuid, en wenscht, dat deeze zaak nog voor zijn vertrek af„ gedaan worde. Dit middel bestond, volgens mijne Voorstel tot een kon„ aanteekening van den 19 Juni 56. daannn: dat de Koning alle pro„ „dukten van zijn land, volgens het vierde Artikel van het Praktaat van het Jaar 1753. , aan de Komp: leeveren en alle benoodigtheeden van haar inkoopen wilde, inton„ „derheid de Kapok, waarvan de Ver= tier in zijn land jaarlijx omtrend drie duizend kandijl bedroeg. Vervolg §42. Deeze Voorstel was in meer dan een opzicht van al te groot ge„ „wigt, en quam mij tevens zoo on„ ver„ 541. aa „. 199 Vervolg verwacht voor, dat ik mij daarop niet darfde Verklaaren § 43. Aan de eene zijde scheen deeze han„ aanmerking daarop del heel voordeelig, niet alleen wegen de Winsten, die men daarop zoude kunnen behaalen, maar ook, wijl daar door de disputen over de tollen weggenoomen, de Weg tot smokkelen voor het grootst gedeelte afgesnee„ „den, en de gansche handel naar de stad Koetsiem getrokken en dezelve dus zeer bevoordeeld worden toude. Vervolg §44. Aan de andere zijde voorzag ik verscheidene Zwaangheeden, zoo wel wegens de inhaaligheid, en den bedrieglijken aart van de Mala„ baaren, als ook wegens den omslag en het groote Kapitaal gereed geld, dat tot zulk eenen handel vereischt werd. § 45. Jk nam derhalven tijd tot beraad, en verzocht tot dat einde een opgave van de produkten, derzel„ „ver quantiteit en naaste prijzen, die hij beloofde en ook eenige dagen naderh and tond lijst van produken §46. Volgens die lijste wilde ten die de Koning uil leeveren de Koning jaarlijx leeve¬ ren „ ren 1000: kand. ged woogde gember à 60 rop: t kand: van 500. lb. do 300 do„ Bom born - - „ 22½: „ d:o 50 „ Ruwo Wax - - - „ 250 „ — — „ - — 50: „ Atgil — — — „ 80„ ——„ — 5 „ Kardamom 1s„te soort „ 1000„ ——„ 1000 „ Tengapatn: Kaijer — „ 40„——„ 1200 „ Aroersche en chiarekse d„o „ 20 „ ——„ 3000 „ Noordsche tekke balk: - „ 8 „ — —„ 3000 „ Zuidsche d„o d„o —„ 6„ —— 2000 „ witte kopra - „27„——„ 1000 „ zwaarte d„o „ 24„- „ 250000„ p„s kokos â 12 rop: het duitend. Waaronder het volgende geno¬ teerd stond. Alle deeze Koopmanschappen bedraagen - - rops, 302250 Aan diverse Lijn waaten - „ 100'000: Aan tekke Planken van diverse dikte „ 25000. - Somma Rop: s 427250. §47. Ek ging hieroer te raade met 's Komp:s Kooplieden, die na een paar dagen hun gevoelen en de prijten opgaven, waarvoor zij die goederen wilden aan„ neemen, ik maakte daaruit ee„ „nige aanmerkingen op, die aan den - — „ „ „ - „ 200. de prijten zijn noch niet bepaald den Dallewa gezonden en door hem bij een apart papier beantwoordt wierden. §48. Het zoude deezen brief merklijk wat daarover gehandeld uittrekken, en Uw Hoogedelheeden is wijst de konferent siendaen teffens verveelen, als ik die weder„ „tijdsche aanmerkingen, en de daarop gevolgde Konferentsien met den Dalle„ wa hier omstandig verhandelen wil„ „de, ik geloove derhalven beter te doen, met hier alleen aan te wijzen dat die remarques en contraremar„ ques bij de Aanteekening van den 14e. Juli Jongstleeden geinsereerd, en zoodanig naast malkander geplaatst zijn, dat men dezelven te gelijk overzien, en het geschil tusschen beiden ten eersten waarneemen en beoordeelen kan, en dat dezelven de matene behelzen waarover de Konferentsien van den 14. en 15 Julij Jongstleeden gehouden zijn, waar- „aan ik mij dus in eerbied gedraage, en uit dezelven nu noch maar aantoone, dat men het nopens de prijzen en verdere kondietsien niet heeft kunnen eens worden, en dus alleen nopens de Kardamom en den Dallawa over de tollen 549. en Kaijer over een gekoomen is, dat daar van zoo veel voor de laagste markts prijzen aan de Komp: zal gelee„ „verd worden, als ik zal opgeeven, na dat de Eischen dit Nederland en van Batavia zullen ontvangen zijn Nu was men met het stuk van de bezwaamissen van tollen niet verder gevorderd, als toen men de onderhandeling daarover begonnen had, en de Dallewa hervatte zijne voorige bezwaarnissen: dat de Koning zulke groote uitgaven doen moest, dat de gewoone inkomsten van zijn Rijk niet toe reikten, en dus den hande in zijne landprodúkten aan zich ge¬ „trokken had, om daaruit de meerdere laasten te vinden, doch dat dit mid= „del voor het grootst gedeelte veriedeld werd, door dien de Komp: van deezen handel de eigenste tollen pre„ tendeerde, die zij in koet siem ge„ „noot, dat wij ons ten dien opzichte wel op het oude gebruik beriepen, doch dat zelve alleen betrekking gehad had tot partik uliere han„ delaars „

NL-HaNA_1.04.02_3801_0449 view scan ↗

English

201 Answer thereto merchants, but not to the Kings, who ought to be free from it. Section 50. My answer to this was: that the toll was not demanded from the King, but from the merchants, and that trade was thereby no more oppressed at Alepe than at Koetsien, and that I was moreover obliged to maintain the right of the Company. Section 51. This gave rise to a protracted and troublesome dispute, Proposals and objections regarding this in which he wanted to force upon me by constraint that I could very well exempt the King from the payment of tolls, if only I wished to do so. Continuation. Section 52. And when this ended fruitlessly, he approached me with the request that I would represent the King's interests to Your High Excellencies and through my intercession bring it about that his trade was exempted from tolls, and that we might then take toll from the private merchants according to custom. Continuation. Section 53. Regarding this, I pointed out that, even though this were proposed by me and granted by Your High Excellencies, new disputes would arise therefrom, because all merchants who brought goods to the King's country or transported them from there would pretend that it was trade belonging to the King. Continuation. Section 54. This, he said, could be prevented with a certificate to be given on behalf of His Highness to the merchants who transported the trade goods belonging to him, while all those who were not provided with such a certificate would have to pay toll. Continuation. Section 55. I, on the contrary, pointed out to him that this would be a very improper and precarious expedient, as the merchants would indeed find the means to provide themselves with such certificates for their private goods. Section 56. Agreement concerning tolls At last we agreed that the King would submit on a list what kind of goods he wished to have brought from the north and what products he wished to give in payment for them, and that I would send that list to Your High Excellencies and submit the request for toll exemption for the same, against which the King promised not to oppose the collection of those tolls on all other goods and the cruising operations. Section 57. That list I have not received to date, for which reason I cannot express myself any further about this for the present, but meanwhile I trust that my handling of this case thus far will receive the desired approval of Your High Excellencies. Section 58. In the third place, I must give Your High Excellencies an account The Moetoekoenis are sold. of the sale of the Moetoekoenis, for which I was authorized by Your most honorable Secret letter of 30 August 1787. Section 59. During the negotiation concerning these islands, A misconception of those islands clarified. it appeared that the Dallewa was under the impression that all three stockades that were constructed in the year 1780 had stood on the Moetoekoenis, and that therefore the islands on which the remains of those stockades were still to be seen belonged to the Moetoekoenis, and thus were included in the intended purchase. Section 60. I therefore informed him that this was an error, for only two of those stockades had stood on the Moetoekoenis, and the third on the island of Mallenkarre, which did not belong to them, but was a separate island that the Company had possessed from of old. This seemed strange to him, and he asserted that the King had firmly believed that all the small islands situated between Aikotte and Kranganoor in the river along Paroe belonged to the Moetoekoenis and would be ceded to him. In this lay a second error; for besides the just-mentioned island of Mallenkawe, which is leased for four hundred rupees per year, there lie even more small islands that do not belong to the Moetoekoenis, and are leased separately, to wit: Little Mallenhare opposite Aikotte for ninety, two pieces of salt land on both sides of Mallenkare for eighty, and another small island called the Vetland for eighty-five rupees. Continuation. Section 61. He was very astonished at this, but I convinced him with the original obligation ola of the Samorin, by which the Moetoekoenis were surrendered to us, that they consisted of three small islands, namely the actual so-called Moetoekoene, Kottolikadoe, and Schettikadoe, and that it was clearly stated in that ola that they were situated on the river of Kranganoor, between the island of Paroe and the Company's island Mallenkare, as clear proof that Mallenkare had never belonged to them, from which it naturally followed that the other small islands just named also did not belong to them, as they were not named in the ola and also lay further westward, which was moreover additionally proved by the lease rolls in which they were recorded separately. Section 62. Request of the King for Mallenkawe. Having been convinced, he requested that Malenhaare and all the other small islands might be surrendered to the King together with the Moetoekoenis, for the Moetoekoenis without the repeatedly mentioned island could not serve the principal purpose for which the King desired them, namely, to fortify them against the enemy on the opposite shore. Section 63. This was refused. This last point I could not deny, for if Malenkare, on which the largest stockade La C. stood, remains unfortified, then the entrenchments or other fortifications that one might construct on the islands KattoliKadoe and MoetoeKoeni could serve for nothing, as an enemy from the opposite shore would then only need to land on Malenhare. I also perceived that the Dallewa was ready to spend a high price for it, but I had to decline this, by reason of

Dutch transcription

201 antwoord daarop delaars, doch niet tot de Koningen, die daarvan behoorden vrij te weezen §. 50. Mijn antwoord hierop was: dat de tol niet geeischt wierd van den Koning, maar van de Kooplieden, en dat de handel daardoor niet meer te Alepe gedrukt wierd als te Koetsiem en dat ik boven dien verplicht was het recht van de Komp: te maintineeren § 51. Dit gaf aanleiding tot een langdraa„ Voorstellen en tegen„dig en lastig disput, waarin hij mij werpingen diewegen met geweld wilde opdringen, dat ik den Koning van het betaalen van tollen wel Kost vrijlaaten, als ik het maar doen wilde. Vervolg. § 52. En toen dit Vruchtloos afliep, quam hij mij met het Vertoek aan boon, dat ik 's Konings belangen aan Uw Hoogedelheeden voordraagen en door myne Voorspraak te wege brengen wilde dat zijne negoot„ „sie van de tollen wierd vrij ge„ laaten, en dat wij dan van de par„ „tikuliere Kooplieden toe naar gewoon„ „te neemen Kosten. Vervolg. §53. Hier omtrend wees ik aan, dat, of schoon dit door mij voorgedraagen en ƒ §S 56. overeenkomst roopende tollen en door Uw Hoogedelheeden toegestaan werd, daaruit nieuwe geschillen ontstaan houden, door dien alle Kooplieden, die goederen naar 's koning land bragten of van daar vervoerden, voorgeeven zouden, dat het negootsie van den Koning was. Vervolg. §54. Dit teide hij, kost men voorkoomen met een bewijs, van wegen zijne Hoog- „heid aan de Kooplieden te geeven, die de handelwaaren van hem ver- „voerden, terwijl al de geenen, die van zulx een bewijs niet voortien waaren toe zouden betaalen moeten. Vervolg. 355. Ik daar en teegen toonde hem aan, dat dit een heer mislijk en bezneg „lijk middel zijn zoude, wijl de Kooplieden, wel dia de wegen vinden houden, om tich voor húnne partikúliere goederen van dergelijken bewijzen te voorzien. Eindelijk quamen wij overeen, dat de Koning bij eene Lijst op„ „geeven toude, wat voor goederen hij van de noord wilde laaten koomen en wat voor produkten hij daar voor in betaaling geeven wilde, en dat ik die lijst aan Uwe Hoog„ „edel - 202 landen. edelheeden renden en het Vertoek om tol Vrijheid voor dezelven voordraagen zoude, waartegen de Koning beloofde, tich tegen het invorderen van die tollen van alle andere goederen en te„ „gen de bekrussingen niet te zullen vertetten. § 57. Die Lijst heb ik tot nu toe niet ont„ „vangen, weshalven in mij hierover ook voor als noch niet verder kan uit„ „laaten, doch middelerwijle vertrouwe dat mijne behandeling van dit ge„ „val tot dus ver de gewenschte goed„ keuring van Uwe Hoogedelheeden zullen wegdraagen § 58. In de derde plaats moet ik Uw Hoog de Moetoekoenis, „ edelheeden bericht geeven van den zijn Verkocht. Verkoop der Moetoekoen is, waartoe ik gequalificeerd ben, bij Hoogst der- „zelver geëerde Sekreete van den 30. Aug:s 1787. §59. Bij de Onderhandeling over deeze Eilan„ een verkeerd be„ den bleek, dat de Dallewa van begrip grip van die ei„ was, dat alle drie paggers, die in het Jaar 1780. aangelegt zijn, op de Moetoekoems gestaan hadden, en dat over zulx de Eilanden, waarop 4 opgehelderd. waarop de overblijftels van die pag„ „gers noch te tien waaren, tot de Moetoekoenis behoorden, en dus on„ „der de beoogde Koop begreepen waaren §60. Ik onderrichtede hem derhalven, dat dit eene dwaaling was, want dat eenlijk twee van die paggers g op de Moetoekoenis gestaan hadden, en de derde op het Eiland Mallen„ harre, het welk niet tot dezelven behoorde, maar een afzonderlijk Eiland was, het welk de Kompe. van ouds bezeeten had. - Dit quam hem vreemd voor, en hij betuigde, dat de Koning in het vaste denk„ „beeld was, dat alle Eilandjes, die tusschen Aikotte en Kranga„ noor in de Rivier langs Paroe lagen, tot de Moetoekoenis behoor- „den en aan hem zouden afgestaan worden. - Hierin lag een tweede dwaaling; want behalven het eeven „gemelde Eiland MallenKawe, het welk voor vierhonderd ropijen 'sjaars verpacht is, liggen daar noch meer Eilandjes, die niet tot de Moetoekoenis behooren, en afton¬ 203 afzonderlijk verpacht zijn, te weeten= Kleen Mallen hare tegen over Ai¬ „kotte voor neegentig, twee Stukjes Zailand, aan weers kanten van MallenKare, voor tachentig, en noch een Eilandje, het Vetland genaamt voor vijf en tachentig ropijen Vervolg. §61. Hierover was hij teer verwonderd, doch ik overtuigde hem met de origineele obligaatsie=ola van den Samorijn, waarbij de Moetoekoenis aan ons overgegeeven zijn, dat dezelven be„ „stonden in drie Eilandjes, nament„ „lijk het eigentlijk zoo genaamde Moe„ „toekoene, kottolikadoe, en schetti„ „kadoe, en dat bij die ola duide„ „lijk stond, dat dezelven geleegen waaren, aan de Rivier van Kran„ „ganoor, tusschen het Eiland van Paroe en 's Komps Eiland Mallenkare, tot een klaar bewijs, dat MallenKare, daar noit toe behoord had, en waaruit van zelve volgde, dat de ovrige zoo even benoemde Kleene Eilandjes daar ook niet toe behoorden, door dien dezelven bij de ola niet benoemd, en ook noch westlijker aflagen, wor¬ „dende dit ten overvloede noch nader bewee„ /8. Verzoek van den Koning om Malien„ „kawe. 362. S. 63. beweezen met de Verpachtings vollen waarbij dezelven afzonderlijk bekend stonden. Overtuigd zijnde, vertocht hij, dat Ma¬ lenhaare en alle de oorige Kleene Eilandjes tegelijk met de Moetoe„ koenis aan den Koning mogten over¬ „gelaaten worden, want dat de Moe„ toekoeris, zonder het meermelde Eeland niet dienen Kosten, tot het voornaam ste Oogmerk, waartoe de Koning die begeer de, te weeten, om dezelven tegen den Vijand van de overkant te fortificeeren Dit laaste Kost ik niet tegenspree¬ dit is geweigerd. „Ren, want, als Malenkare, waar„ op de grootste Pagger La C. gestaan heeft, onbevestigd blijft, zoo kunnen de retranchementen of andere Vesting, „werken, die men op de Eilanden KattoliKadoe en MoetoeKoeni aan„ „leggen wilde, tot niets dienen, alzo een Vijand van de Overkant, dan maar op Malenhare behoefd te landen. Ik bespeurde teffens, dat de Dallewa gereed was, daar voor een hoogen prijs te besteeden, doch ik moest dit deklineeren, uit Hoofde van n

NL-HaNA_1.04.02_3801_0455 view scan ↗

English

204. ling about that. of the letter from Your High Noblenesses of 30 August 1787 § 30, to proceed no further with the sale of lands without authorization from Your High Noblenesses. 364. He had not expected this refusal, Further negotiations. and although I sought to satisfy him, on the one hand, with the argument that last year the three Moetoekoenis alone and nothing more were requested, and I therefore had obtained authorization only and specifically for that, which I did not dare to exceed, and on the other hand, with the offer that I would submit the King's desire regarding the remaining islands to Your High Noblenesses and request Your very same consent thereto, I could nevertheless not move him to negotiate with me concerning the Moetoekoenis alone, he pretending that he dared not proceed on his own authority, since the King, by the exclusion of the other islets, was disappointed in his entire entire purpose, but that he would present the matter to His Highness, and give me an answer tomorrow, to which end he requested to be allowed to know the price of the Moetoekoenis. Continuation. 365. I answered thereto that the three Moetoekoenis were leased for eleven hundred and fifty rupees, which, calculated as capital at three percent, amounted to thirty-five thousand rupees, which was thus the price for which I could cede the same, Continuation. 366. But that there was furthermore another condition attached, without which the purchase could not proceed, namely: that the King had to bind himself in writing not to obstruct the navigation of the river past the Moetoekoenis in any manner whatsoever. Continuation. 367. The following day the Dallewa came inside again and further requested in the name of the King that the island of Great Mallenkarre and the other small islets might be surrendered at the same time with the Moetoekoenis, since these last-mentioned, without the others, did not fulfill the purpose for which they 205. sold to the Dallewa. they were purchased, and His Highness, when he requested the Moetoekoenis, had known no better than that all the islets situated in the river between Kranganoor and Aikotte were included therein. § 68. And when I persisted in my refusal of Declaration of yesterday, and imagined nothing else than that this negotiation would end fruitlessly, he unexpectedly made the following declaration: Sir! The King trusts that you would fulfill his request if you dared to do so; he also trusts that you will request authorization for the sale of the other islets, and then he does not doubt that the same will follow; in this confidence His Highness has instructed me to purchase the Moetoekoenis from the Company now. § 69. I shall not detain Your High Noblenesses The Moetoekoenis with an account of sold for 35,000 rupees. the attempts he made to reduce the demand of three per hundred, but only report that he finally agreed to the same, and the Moetoekoenis have thus been sold to the repeatedly mentioned King for thirty-five thousand rupees, under these conditions: that the bills of sale shall be issued forthwith, but the islands shall only be handed over in the beginning of January, when the lease year has expired; that the Company's merchant David Rhabbij shall provide a proper bond for the purchase money, to be settled in the financial year 1788/89, and that the King, before the transfer is made, shall promise in writing that he will not obstruct the navigation past the Moetoekoenis. § 70. This last occurred by a letter under condition of 25 June, the translation of which is inserted in our secret resolution of 29 July. And this condition has also been clearly stated in the bills of sale themselves—whereby the principal difficulty has been removed that had previously 206. Request to be allowed to sell the other islets. been raised against the cession of those islets. § 71. I hope that this action may meet with Your High Noblenesses' satisfaction, and I hereby submit the request of the King of Trevankoor that the remaining islets situated in the river between Aikotte and Kranganoor, as well as close to the Moetoekoenis, may also be sold to His Highness. Which ones they are. § 72. These islets or detached pieces of land consist of the following: 1. The island of Great Mallenkare, which is leased to Boganta Sittij for — 400 rupees 2. A detached piece or small island called Little Mallenkare, which is likewise leased to Boganta Sittij, for — 90 rupees 3. Two pieces of arable land on both sides of Great Mallenkare, which are leased to Tjorada Walen for 80 rupees 4. A small island called the Vetland, which is leased to the silversmith Bowenta for 85 rupees and thus yield annually in rent 655 rupees which, § 73. Considerations regarding these. which, according to the calculation of one hundred for three, should be worth twenty-one thousand eight hundred and thirty-three rupees and one-third, and can indeed be sold for that amount. Apart from the lease money, these pieces are of no consequence to us, and the right of possession of the same has never brought the Company any other benefits, rights, and prerogatives, and they are partly further described in a report from the Secretary Poolvliet, who traced the origin of the Moetoekoenis, Mallenkare, and the remaining islets from the old papers, which has been recorded in the Secret Resolution of 29 July. Continuation. § 74. On the other hand, the same are of great importance to Trevankoor, in particular Great Mallenkare, which, bordering closely on the two Moetoekoeni islands Kattolikado and Schetikado, must absolutely be fortified if one is to prevent the enemy from crossing over from the opposite side

Dutch transcription

204. ling daarover. van het aanschrijven van Uwe Hoog „eldelheeden van den 30e August 1787. §. 30. , om tot het verkoopen van landen, zonder qúalifikaatsie van Uwe Hoogedelheeden, niet verder te treeden 364. Dit resus had hij niet verwacht, verdere onderhande„ en hoewel ik hem zocht te bevreedi¬ gen, aan de eene zijde, met het argument, dat voorleede Jaar de drie MoetoeKoenis alleen en zonder meer gevraagd waaren, en ik derhalven daartoe ook maar alleen en bepaaldelijk qualifikaat¬ „sie had bekoomen, die ik niet durf„ „de overtreeden, en aan de andere zijde, met de aanbieding, dat ik de begeerte des Konings omtrend de verdere Eilanden aan Uwe Hoog „edelheeden voordraagen en Hoogst¬ „derzelver toestemming daar toe ver„ zoeken wilde, zoo konde ik hem egter niet beweegen, om over de Moe„ „toekoenis alleen met mij te handelen, voorgeevende dat hij daartoe opei„ gen gezag niet durfde treeden, wijl de Koning, door de uitzondering van de Ovrige Eilandjes, in zijn heele heele Oogmerk te leur gesteld wierd, doe dat hij de Zaak aan Zijne Hoogheid voorstellen, en mij morgen bescheid zeggen zoude, tot welk einde hij vertocht, den prijs van de Moetoe„ Koenis te mogen weeten. Vervolg. 365. Ik antwoorde daarop dat de drie Moe „toekoen is voor elf honderd Vijftig ropijen verpacht waaren, die, tegen drie percent tot Kapital gereekend, Vijf en dertig duizend ropijen uit maak„ „ten, het welk dus de prijs was, waar„ „voor ik dezelven Kost afstaan, Vervolg. 366. Doch dat 'er buiten des noch een kondietsie bij was, zonder welke de Koop geen Voortgang hebben konde, te weeten: dat de Koningtich schrift¬ lijk verbinden moest, de Vaart van de rivier voorbij de Moetoekoenis op geener „hande wijze te willen belemmeren. Vervolg 567. Sdaags daaraan quam de Dallewa weer binnen en verzocht uit naam van den Koning nader, dat het Eiland Groot Mallenkarre en de oorige kleene Eilandjes met de Moetoekoeris te ge„ „lijk mogten overgelaaten worden, wijl deeze laastgemelde, zonder de ovrigen, aan het Oogmerk, waartoe te 205 den Dallewa verkocht. ze gekocht wierden, niet voldeeden, en zijne Hoogheid, toen hij om de Moetoekoen is verzocht had, niet be¬ ter geweeten had, of alle Eilandjes, in de rivier tusschen Kranganoor en Aikotte liggende, waaren daar- onder begreepen § 68. En toen ik bij mijne Weigering van Verklaaring van gisteren bleef volharden, en mij niet anders voorstelde, dan dat deeze onderhandeling Vruchtloos afloopen toude, deed hij onverwacht de vol„ gende Verklaring. Mijn Heer! de Koning vertrouwd, dat gij aan zijn Vertoek voldoen zoudt, als gij het durfde doen hij vertroúwd ook, dat gij qualifi¬ kaatsie tot den Verkoop van de andere Eilandjes vertoeken tult, en dan twijfeld hij niet, of dezelve zal volgen, in dit Vertrouwen heeft zijn Hoogheid mij gelast, de Moetoekoenis thans van de Kompenie te Kooper. §69. Ik zal Uw Hoogedelheeden niet de Moetoekoenoes ophouden met een Verhaal van zijn voor 35000 ropijen de poogingen, die hij deed, om den Eisch van honderd te drie te ver= min„ . minderen, maar alleen melden, dat hij eindelijk in denzelven be¬ „willigde en de Moetoekoenis dus voor vijf en dertig duizend ropijen aan meermelden Koning verkocht zijn, onder deeze Kondietsien: dat de Koopbrieven ten eersten zullen uitgevaardigd, doch de Eilanden eerst in het begin van Januari, wanneer het pacht Jaar om is, overgegeeven wor¬ ƒ den; dat Stomp:s Koopman David Rhabbij, voor de Kooppenningen een wel Obligaatiie zal verleenen, om in het Boekjaar 1788/6. vereevend te worden, en dat de Koning, voor dat het trans„ port gedaan word, schriftlijk be„ loven zal, dat hij de Vaart voorbij de Moetoekoen is niet belemmeren stal. § 70. Dit laaste is geschied bij een brief onder kondietsie van den 25. Juni, waar van het trans„ „laat bij onte sekreete Resoluutsie van den 29. Juli geinsereerd is. En deeze Voorwaarde is ook bij de Koopbrieven zelve duidelijk bekend gesteld. - waar door de voornaamste Zwaarigheid weggenoomen is, die men voor 206 Eilandjes te mogen verkoopen. voormaals tegen den afstand van die Eilandjes gemaakt heeft. § 71. Ik hoope, dat deeze behandeling naar vertoek om de andere Uw Hoogedelheeden genoegen mag zijn, en draage bij deezen het verzoek van den Koning van Trevankoor voor, dat de verdere Eilandjes, die in de rivier tusschen dikotte en Kran¬ „ganoor mitsgaders digt bij de Moe„ „toekoenis geleegen zijn, aan zijn Hoogheid ook mogen verkocht worden. welke die zijn § 72. Deeze Eilandjes of afgebrookene Stukjes land, bestaan in de vol„ „genden 1. / Het Eiland groot Mallenhare het welk verpacht is aan Boganta Sittij voor — 2. , Een afgebrooken stukje of Eiland„ „je Kleen Mallenkare gen„t het welk meede aan Boganta Sittij verpacht is, voor —— 3. , twee stukken Zailand aan weerskanten van groot Mal„ „lenKave, die verpacht zijn aan Tjorada Walen voor 80 4. Een Eilandje het Vetland gen:t, het welk verpacht is, aan den silversmit Bowenta voor 85. „ en doen over zulx jaarlijx aan huur 655: rop:s —— 400: 10 p:s 90 die d „ 3. 73. wegen. die, naar de reekening van honderd voor drie, een en twintig duizend agt honderd en drie en dertig ropijen en een derde zouden moeten gelden, en daarvoor ook wel zullen kunnen verkocht worden. Deeze Stukken zijn, buiten de pacht¬ konsideraatsie dier„ penningen, voor ons van geene aangelee„ „genheid en het bezit recht van dezel„ „ven heeft aan de Komp: noit andere voordeelen, gerechtigheeden en prerogati„ ven toegebragt, en zij zijn gedeeltlijk nader beschreeven bij een bericht van den Sekretaris Poolvliet, die den Oorsprong van de MoetoeKoen is, Mallen¬ „hare en verdere Eilandjes bij de oude papieren nagegaan heeft, het welk bij Sekreete Resoluútsie van den 29e. Juli ingeschreeven is. Vervolg. 374. Daar en tegen zijn dezelven voor TrevanKoor van groot belang, in zonder„ „heid groot Mallenkare, het welk digt aan de twee Moetoekoenische Eilanden Kattolikado en Scheti¬ Kado grenzende, absolut moet bevestigd worden, als men den Vij„ „and van de Overkant het over„ komen

NL-HaNA_1.04.02_3801_0461 view scan ↗

English

on two Company gardens, in which we have the same interest as Travancore. Continuation. §75. And because it would not suit the Company to take the expenses thereof upon itself, I hope that Your High Excellencies will the sooner consent to the request of His Highness and qualify me for the sale of the said small islands. §76. Already in the month of January, the Protikaar of Aroe had placed under seizure two small gardens, situated in the village of Irreweni and named Katarina Kardozo, which, together with a small plot of sowing-land, are leased for eleven ropijen per year to the Casten Badie Lonen, under the false pretext that the same belonged to Kalitseen Bitsjoer, which was sold to the King in the year 1786. Continuation. §77. About this I had written several times, both to the Ministers and to the King, and each time received the promise that the gardens would be returned, but each time when the tree counter was sent by me to take them over, Request of Travancore to buy them. Continuation. §80. these orders were evaded by the Protehaare and further servants who were to effect the restitution. I now made a complaint about this, and the Dallewa promised the restitution, but requested at the same time that I should cede those gardens, which according to the inhabitants had of old belonged to Bitsjoer, to the King against payment. Negotiation thereabout. §79. I replied to this: that Bitsjoer had been sold in such manner as it had been leased at that time; that the two gardens aforesaid with the small piece of sowing-land had been leased separately and thus were not sold along with it, which was most clearly evident from the amount of the purchase money of Bitsjoer, which had been calculated according to the rental money, as also at the surrender of Bitsjoer itself; and furthermore, that I could not declare myself on the request to sell those gardens as long as they were kept under seizure, because such a surrender would gain the appearance as if it had been done by coercion. He promised upon this to give further orders for the surrender of the same, the King. §83. The arrest is removed. and did so indeed, but once again without result, because the Protikare did not obey that order. Further request from the King and from the Dallewa. §81. Meanwhile the King requested, by his already previously cited letter of 6 July, inserted in the secret resolution of the 29th, to sell to him these two gardens with the piece of sowing-land, alongside another garden and sowing-land at Katoer. And the Dallewa repeated this request in the conference on the 15th of that month, against which I held before him that the first-mentioned gardens, notwithstanding his repeated orders, had not yet been surrendered. §82. Thereupon he requested to send to him the tree counter Stoltzenberg, who was to take them over, to whom he handed an Ola with four Sipahis, who brought the Protikaar under arrest to Irreweni, whereupon those gardens were surrendered to the tree counter Stoltzenberg, and the fruits enjoyed were paid to the lessee, as Your High Excellencies will find described more circumstantially in the secretarial declaration of the said Stoltzenberg, inserted in the secret resolution of 29 July. §84. And the same sold to the King. I hope that Your High Excellencies will favorably accommodate that I have subsequently sold the said two small gardens with the piece of sowing-land, which together are leased for eleven ropijen per year, to the King for one hundred and three, partly to remove such hateful disputes out of the way, and partly to give satisfaction to His Highness regarding a matter of so little importance. §85. The garden Katoer is not sold. But regarding the request for the garden and sowing-lands at Katoer, I declared that I could not proceed to the sale thereof without the qualification of Your High Excellencies. §86. Request to do so. This garden is leased for forty-five ropijen per year, and, apart from this rental money, gives no benefits or privileges to the Company, and could thus, with the pleasure of Your High Excellencies, be ceded to the King, concerning which I request the highest approval of the same. A case between the King and the Fathers Carmelites. §87. In the fourth place, I must report here that the King of Travancore has assessed the Carmelite Fathers at Verapoli in a fine of one thousand ropijen, because some years ago they had imprisoned a certain Katenaar (native priest) within the convent, who had perished there in the convent and had been buried in silence. Continuation. §88. From this they now made a crime, as if the said clergy had usurped worldly authority in the land and over the subjects of the King, whereby His Highness considered himself insulted. Military execution in the monastery. §89. The Lord Bishop informed me of this through Father Paulino, a few moments before the King arrived at the barrier, and at the same time that the day before a military detachment had been placed in the monastery to force them to pay that fine. Negotiation thereabout. §90. I therefore requested the King to release the said Fathers from this fine, who thereupon instructed Father Paulino to appear before him the following morning at Anjekaimale. The Bishop is arrested. §91. The next morning the Lord Bishop sent two Fathers to me, and gave notice that he had been arrested yesterday in his room

Dutch transcription

/0. 207 op twee Komp:s tuint„ komen beletten wil, waarbij wij met Tre van Koor eenerleij belang hebben. Vervolg. §75. En wijl het de Kompenie niet geleegen zoude koomen, de Onkosten daarvan op zich te neemen: zoo hoop ik, dat Uw. Hoogedelheeden te eerder in het Vertoek van zijne Hoogheid bewilligen, en mij tot den verkoop van gem: Ei„ „landjes qualificeeren zullen. §76. Reets in de maand Januari hadde Proti„ haar van Aroe twee Kleene tuintjes; tjes wordamest gelegd. in het Dorp Jrreweni geleegen en Katarina Kardozo genaamd, die nevens een kleen plekje Zailand, voor elf ropijen 'sjaars aan den Kus„ „ten Badie Lonen verpacht zijn, met arrest belegd, onder het on„ waar pretext, dat dezelven tot Kalitseen Bitsjoer behoorden, het welk in het Jaar 1786. aan den Koning verkocht was. Vervolg. §77. Hierover had ik verscheide Keeren, zoo wel aan de Ministers, als aan den Koning geschreeven, en telkens de belofte bekoomen, dat de tuinen zouden teruggegeeven worden, doch telkens, wanneer de Boomteller door mij gezonden werd, om te over te nee„ men 18 Verzoek van Tre„ van Roor om die te koopen Vervolg. §80. „men, wierden deeze ordres door den Protehaare en verdere Bedienden, die de tenuggave doen moesten, geeluden Hierover viel ik nu Klachtig, en de Dallewa beloofde de terúggave, doch verzocht teffens, dat ik die tuinen, die, naar het zeggen van de Inwoonnen van ouds tot Bitsjoer gehoord hadden, aan den Koning tegen betaaling afstaan wilde §79. Jk antwoorde hierop: dat Bitsjoer ver„ onderhandeling daarover. kocht was, zoodanig als het diertijds verpacht geweest was; dat de twee tuinen en voormelt met het stukje railand apart verpacht geweest en dus niet mede verkocht waaren, het welk op het Klaarste bleek aan het bedraa¬ gen van de Kooppenningen van Bits¬ joer, die naar de huurpenningen beven „kend waaren, gelijk ook bij de over¬ „gave van Bitsjoer Zelve, en voorts, dat ik mij op het Verzoek, om die tui„ nen te verkoopen, niet kost verklaaren, zoo lange zij in arrest gehouden wier¬ „den, wijl zulk een Overgave het aan„ zien zoude gewinnen, als of zij door dwang geschied wa are Hij beloofde hierop nadre ordre tot de overgave 208 den Koning. 383. het arest word wegge„ „nomen overgave van dezelven te zullen stellen, en deed dit ook werklijk, doch al weer zonder vrucht, doordien de Protikare aan die ordre niet gehoortaamde. 381. Intusschen vertocht de Koning, bij nader Vertoek van zijnen voorwaards reets geciteerden brief van den 6. Juli, bij sekreete re„ „soluutsie van 29ste geinsereerd, om deeze twee tuinen met het Stukje Zailand, nevens noch een tuin en Zai„ land te Katoer, aan hem te verkoopen En de Dallewa herhaalde dit Vertoek, en van den Dallewa in de konferentsie op den 15:e dier maand, waartegen ik hem voorhield, dat de eerst gem: tuinen, onaangezien zijne herhaalde ordre noch niet overge„ „geeven waaren Hij verzocht daarop den Boomt eller Stoltzenberg, die te overneemen moest, bij hem te zenden, aan wien hij een Ola met vier Sipahis overgaf, die den Protikaar in arrest naar Irreweri bragten, waarop die tuinen aan den Boomteller Stoltzenberg overgegeeven, en de genootene Vruchten aan den Tach„ „ter betaald wierden, zoo als Uwe Hoogedelheeden dit omstandiger beschree„ „ven vinden, bij het sekretarieele De Kla„ ratoir S 82. 584. en dezelven aan den Koning verkocht. niet verkocht. doen. „ters Karmeliten. „ratoir van gemelde stoltzenberg, bij sekreete Resoluutsie van den 29. Juli: geinsereerd Ik hoope dat Uw Hoogedelheeden gunstig zullen inschikken, dat ik ge¬ melde twee tuintjes met het stuk tailand die te zaamen voor elf ropijen sjaars ver„ „pacht zijn, vervolgens aan den Koning voor honderd ten drie verkocht hebbe, eens deels, om tulke haatelijke geschillen uit den weg te ruimen, en anderen deels, om Zijne Hoogheid, nopens een Stuk van zoo kleen belang genoegen te geeven §85. Doch nopens het Vertoek om de tuin en de tuin Katoer is Zailanden te Katoer, heb ik verklaard, tot den Verkoop daarvan, zonder Uwer Hoogedelheeden Qualifikaatsie, niet te duwen treeden. J 386. Deeze túin is Verpacht voor Vijf een veer- Vertoek om zulxte tig Ropijen 's jaars, en geeft, buiten deeze húúrpenningen, geene Voordeelen of Voorrech¬ ten, aan de Kompenie en zoude dus met believen van Uw Hoogedelheeden, aan den Koning Kunnen afgestaan worden, waaromtrend ik Hoogst derzelver Goedvin„ „den vertoeke een geval tus„ §87. In de vierde plaats diene ik hier noch schen den Koningende Pan te berichten, dat de Koning van Prevan¬ Koor 209 in het Klooster. „reteerd. „koor de Paters Karmeliten te Verapoli in een boete van een duizend ropijen be„ „slaagen had, om dat hij eenige Jaaren ge„ „leeden, zeekeren Katenaar /:inlandschen Priefter:/ binnen het Konven't gevangen gezet hadden, die daarom hals ge„ „raakt en in stilte begraaven was. Vervolg § 88 Hienuit maakte men thans eene misdaad, als of gemelde Geeftlijken tich in het Land en over de Onderdaanen van den Koning wereldlijk Gezag aangemaatigd hadden, waardoor zijne Hoogheid Zich beleedigd hield. § 89. De Heer Bisschop liet mij hiervan door Militaire exekuutsie den Pater Paulino Kennis geeven, eenige Oogenblikken, voor dat de Koning op het kannetje quam, en teffens, dat 'sdaags be„ „voorens een Militair Kommando in het Klooster gelegt was, om henlieden tot de betaaling van die boete te noodzaaken 390 Ik vertocht derhalven den Koning, gem: onderhandeling daarover. Paters van deeze boete vrij te laaten, die daarop den Pater Paulino belaste, tegen den volgenden morgen te Anjekai„ „male voor hem te verschijnen. §91. Den anderen morgen zond de Heer Bisschop de Bisschop word gear„ twee Paters bij mij, en liet Kennis geeven, dat hij Ieder gisteren in zijne Kamer gear¬ aact van„

NL-HaNA_1.04.02_3801_0466 view scan ↗

English

Governor representations. Against this, the Governor makes representations. had been arrested, with sentries before the door, against which he claimed the protection of the Company. § 92. I therefore conferred with the Dallewa on this matter in the conference on 18 June, and demonstrated that the Roman Christians from ancient times had stood under the Company's protection as vassals, and that this had in particular taken place regarding the Lord Bishop of Verapoli and his subordinate clergy, who were all native Europeans; that the King, when acquiring these northern lands, had expressly promised to leave the Roman Christians in their ancient privileges, and that this had also hitherto been observed with particular regard to the monastery at Verapoli; and that I therefore expected from the fairness of the King that these clergymen might also this time be treated as vassals of the Company, and acquitted of the fine, and especially that the military execution be lifted immediately. Continued. § 93. He undertook to report this to the King, and to bring me an answer the following day, and this consisted, according to § 4 of the notes of 19 June, in this: That the King was offended in his authority by these clergymen, and thus could not directly lift the fine, but presented the same to me as a token of his affection, and I could thus act therewith according to my pleasure. Continued. § 94. I understood that this was indeed in appearance a compliment to me, but in fact a subterfuge to preserve the authority which the King usurped over the same, and therefore answered that I thanked His Highness very much for his affection, but could not accept this present, because in this case I did not act for the clergy of Verapoli aforesaid as a private advocate, but on account of the patronage of the Company over the same, and thus simply requested that the same, as standing under the protection of the Company, might be acquitted of the aforementioned fine, and the Lord Bishop be freed from the military execution. The Fathers have succeeded. § 95. This was then also, after much talking back and forth, simply granted, and upon my further request an order was dispatched on the spot to the officer who had occupied the convent to withdraw immediately with his Sipahis, which then also occurred. Letter of the Bishop. § 96. The letter of thanksgiving which this Prelate thereupon wrote to me is transmitted with the translation among the appendices hereof. The interpreter of Koilang had to serve here. § 97. Because the Chief Interpreter Simon van Tongeren, through his advanced age, weakness, and frequent indisposition, would not have been able to serve at the conferences described herein, and the second interpreter, Johannes Martinus Truijens, was still a novice in the service: I, upon the news that the King of Trevankoor was about to come here, summoned the interpreter of Koilang, Salvador Rodriguez Netto, for that purpose, who had to stay here for four full months. I hope therefore that Your High Excellencies Gratuity granted to him. will favorably accommodate that to the same, who has his household at Koilang and had to pay for his maintenance here during service, thirty rupees per month have been granted according to secret resolution of 29 July last. Examined. WRussel. I commend Your High Excellencies and the important interests of the Company to God's protection and remain with all respect and fidelity, (was written below:) High Noble, Highly Respected, Far-Ruling Lord! and Honorable Severe Lords! Your High Excellencies' humble and faithful servant, (was signed:) J. G. van Angelbeek, (in the margin:) Koetsiem, 10 August 1788. Agrees. Arnold Lunel, p. t. secretary. § 1. On 10 June the King of Trevankoor wrote that he would grant an audience to the ambassadors of Tipu Sultan the following day, and go on the 12th to Anjekaimaal, and would gladly speak to me there in the palace of the King of Koetsiem, because he had many matters to say to me. Because one has to travel from here to Anjekaimaal by water, which in the bad monsoon is sometimes somewhat perilous, and the country house of the Burgher Captain Dirck van Rheezigt on the island Kaartje, called Rheezigt, lies not far from the aforementioned palace at Anjekaimaal: I had a residence prepared for me there, in order to be so much closer at hand upon the arrival of the King at Anjekaimaal; but His Highness, having heard this, let me know on the 16th through Ananda Male that he was inclined to come to me on the Kaantje, for which tomorrow was appointed. Notes of the conference with the King of Trevankoor on 17 June 1788. § 2.

Dutch transcription

„verneur Vertoogen. gearresteerd was, met schildwachten voor de deur, waartegen hij de protesie van de Komparie reklameerde. §92. Ik onderhield derhalven den Dallewa in Hier tegen doed de Gou„ de Konferentsie op den 18 Juni hierover, en toonde aan, dat de Roomsche Christenen van al oude tijden als Vasallen onder Skom p:s Bescherming gestaan hadde en dat dit inzonderheid had plaats ge„ „had, omtrend den Heer Bisschop van Verapoli en zijne onderhoorige Geeftlijken die alle geboorne Europeeschen waaren dat de Koning bij het vervoeren van deeze noordlijke Landen, uitdruklijk beloofd had, de Roomsche Christenen bij hunne oude Voorrechten te laaten en dat dit ook tot nu toe met bezon„ „der Opzicht tot het Klooster te Vera poli was naargekoomen, en ik derhal„ „ven van de billijkheid van den Koning verwachtede, dat deeze Geestlijken ook dit maal als Vasallen van de Kompanie mogten behandeld, en van de boete vrij gesprooken en in„ „tonderheid de militaire exekuutsie ten eersten opgeheeven worden Vervolg. §93. Hij nam aan, hiervan aan den Koning Verslag te doen, en mij den volgenden dag een sch 210 wa in dag antwoord te brengen, en dit bestond, volgens 8. 4. van de aanteekeningen van den 19. Juni daarin: Dat de Koning door deeze geeftlijken in zijn gezag gekrenkt was, en dus de boete niet direkt Kost opheffen, doch dezelve, ten blijke van zijne geneegenheid aan mij present deed en ik dus daar mede naar mijn Welgevallen Kost handelen. Vervolg. 394. Ik begreep, dat dit in schijn wel een kompliment aan mij, doch in der daad eene kunstgreep was, om het ge„ zag, het welk de Koning zich over de„ „zelve aanmaatigde, te bewaaren, en antwoorde derhalven, dat ik zijn Hoogheid Zeer bedankte voor zijne geneegenheid doch dit present niet kost akcepteeren, wijl ik in dit Geval voor de geestlijkheid van Verpoli voormeld niet opquam als een partikúliere Voorspraak, maar uit hoofde van het patrocincum van de Komp: over dezelve, en das eenvoudig ver„ „rocht, dat dezelve als onder de Bescher„ „ming van de Komp: staande, van de meer- melde boete vrijgekent, ende Heer Bisschop van de militaire exekuut„ „sie bevrijd mogt worden Dit voor van de ierover h Vasallen hadden, laats ge„ van eeftlijken waaren; van ruklijk te laaten, bezon„ teVera„ derhal„ Koning lijken van de en en in„ utsie Koning genden g en slagen. schop dienst doen. § 95. Dit werd dan ook, na veel over en weer proa„ de Paters zijn ont„tens, eenvoudig bewilligd, en op mijn nader verzoek werd aan den Officier, die het Konvent bezet had, opstaanden Voet ordre afgevaardigd met rijne Sipahis ten eersten aftetrekken, het geen dan ook geschied is. §96. De brief van Dankzegging, die deeze Pre„ brief van den Bis„e laat daarop aan mij geschreeven heeft, gaat met de Vertaaling onder de bijla„ „gen deezes over. §97. Wijl de Oppertolk Simon van Tongeren, door zijne hooge Jaaren, Z wakheid en veel vuldige onpasselijkheid, de in deezen beschreevene Konferent„ „sien niet zouden hebben kunnen bedienen, en de tweede Tolk , Johannes Martinus Truijens, noch een nieuweling in den dienst was: zoo heb ik op de tijding dat de Koning van Trevan Koor dit heen stond te koomen, den Tolk van Koilang Salva door Rodnguet Netto tot dat einde ontboden, die tich hier vier volle maanden heeft moe„ ten ophouden. Ik hoope derhal„ „ven, dat Uwe Hoogedelheeden de Tolk van Koilang heeft hier moeten gun„ 12 211. douceur aan hem toege„ „legd Nagezien Wem WRussel gunstig tullen inschikken, dat aan den zelven, die zijne huishouding te Koilang heeft, en hier zijn onder„ houd ten diensten heeft moeten betaalen, dertig ropijen 's maands volgens sekreete Resoluútsie van den 29. Julij Jongstleeden toege„ legt zijn Ik beveele Uw Hoogedelheeden en de wigtige belangen der Maat„ „schappij in Gods bescherming en blijve met alle eerbied en trouwe /:onderstond:/ Hoogedele Grootacht„ „baare wijdgebiedende Heer! en Weledele Gestrenge Heeren! Uwer Hoogedelheeden onderdaanige en ge„ „trouwe Dienaar /:was geteekend:/ J G: van Angelbeek /:in margine:/ Koetsiem den 10. Aug:s 1788: Akkordeerd. Arnold Lunel 9 p. r sekrit:s 12 d A: ƒ 212 51. Den 10e Juni schreef de Koning van Trevankoor, dat hij den volgenden dag aan de Ambassadeurs van Sipoe Sultan gehoor verleenen, en den 12. naar Anjenaimaal gaan, en mij daar, in het Salais van den Koning van Noet„ „siem, gaarne spreeken wilde, wijl hij veel zaaken aan mij te teggen had. Wijl men van hier naar Anjekaimaal over Water moet, het welk in de quaade moússon Zomtijds wat hachlijk is, en de buiten plaats van den Burger Kapitain Dirck zz op het Eiland Kaaretje, Rhee¬ „zicht genaamd, niet ver van het voor„ „melde Zalaiste Anjekaimaal legt: Zoo liet ik daarvoor mij eene Verblijf plaatsklaar maaken, ten einde bij de aankomst van den Koning te Anje„ Naimaal, zoo veel nader bij der hand te zijn, doch zijn Hoogheid dit gehoord hebbende liet mij den 16:e door Ananda Male weeten, dat hij genee„ „gen was, op het Kannetje bij mij te koomen, waartoe de dag van morgen werd te stemd. Aanteekening van de Konfe„ „rentsie met den Koning van Trevan Koor op den 17de. Juni Tot 1788. A. 52

NL-HaNA_1.04.02_3801_0478 view scan ↗

English

the 17th 3. To that end, in the morning at the opening of the gate, a company of Grenadiers with some field pieces and artillerymen was sent to the Kannetje, and at seven o'clock I also proceeded thither. Toward nine o'clock, the aforementioned King was fetched from the Palace of Anjekaimaal by the Members van Spall and Cellarius with my orembai, and upon arrival at the Kannetje, he was saluted by the Grenadier Company drawn up in a line with the highest military honors, and by the artillery with twenty-one cannon shots, and received by me at the steps in front of the house and conducted inside. His Highness was accompanied by the brother-in-law and the prime minister of the King of Cochin, named Tiromoepadoe and Gowinda Menon. After the first compliments, the King went with me into a separate room, where no one was admitted except the Dalawa Kesha Pulle, the just-mentioned two Cochin court grandees, and my two interpreters, His Highness having himself served during the conference by three young noblemen, of whom the first was his own son, and the other two were his brother's children. His Highness began the conference with the account of the embassy of Tipu Padshah, and communicated to me the contents of the letter received therewith and of his answer to the same, the former consisting of an offer of friendship and the latter of the declaration that His Travancore Highness was very inclined to live in good friendship with His Majesty as a friend of the English. After this, His Highness spoke at length about the visit which the King of Cochin, according to an agreed appointment, had paid to the Padshah at Palghatceri and upon his return had described in detail to His Highness at Ananda, with the request to share with me the remarkable particulars thereof, which he himself would gladly have done, but had to postpone for the present, partly on account of indisposition, and partly to give no reason for suspicion to Tipu by a visit to me so soon after his return. Yet, because many matters occurred in this account in which the Company has no interest, and the King at the end of this conference moreover declared that he would send his Dalawa to me tomorrow to give a further report of everything, I shall only briefly note the substance here. The Padshah had put several very serious questions to the King of Cochin regarding Travancore and the Company, in particular whether Travancore had not taken away many lands of the Kingdom of Cochin and still possessed them; how it came about that the Dutch Company possessed the City of Cochin, which lay in His Highness's land; whether Cranganore and Cochin were strong places; how many troops lay therein; and whether the Company and Travancore were closely allied with each other. To which questions the King had answered with great prudence, namely: that Travancore had obtained those lands in recompense for the aid against the Zamorin; that the Dutch Company had delivered the Kingdom of Cochin from the Portuguese and had conquered the city from them; that Cranganore and Cochin were strong fortresses and well garrisoned; and that the Company and Travancore were close allies. Subsequently, the Padshah had proposed to him to reside henceforth at Trichur, a place outside the Line of Travancore, or at least to send his family thither, but the King had excused himself from this, though he had nevertheless to promise to pay a further visit in the month of September or October, when the Padshah intended to come down to this side again. His Travancore Highness subsequently remarked that from the whole conduct of Tipu Padshah it clearly appeared that he had come down with such a large force with a hostile design against these Low Countries, and especially also against the Company, but this time seemed to have been disappointed therein, because he had perceived, both in the Line and at Ayacotta and Cranganore, better preparations for defense than he had perhaps imagined; but that one should therefore by no means think that he had given up this intention of his, but much rather that he would resume the same in the coming good monsoon with a considerably larger force; that this was not only probable in itself, but also, according to the secret warnings of the King of Cochin, the general opinion at Palghatceri, and the Padshah himself had made this known not unclearly to the King and had therefore desired that he himself should reside outside the Line, or at least bring his family into safety therein. That the Company therefore, together with both Kings, ought to remain on its guard so as not to be surprised and subdued, wherefore he, the King of Travancore, would also for the present, and until certain news was received of the return journey of Tipu to Seringapatam, let his troops remain in the Line, and that we especially ought also to act likewise with Ayacotta and Cranganore. In particular, His Travancore Highness insisted that I should request troops and ships from Batavia, and at Ayacotta the batteries and breastworks that

Dutch transcription

den 17 3. Tot dat einde werd Smorgens met het openen van de poort een Kompanie Grenadiers met eenige Veld „stukken en Artillensten naar het Kannetje gezonden en om zeeven uur be „gaf ik mij meede derwaards. Tegen negen uur werd Hooggemelde Konin door de Leden van Spall en Cellanus, met mijne Orangbai van het Salais van Anjekaimaal afgehaald en bij aankom op het kannetje, van de in een van ka geschaarde grenadier Kompl: met de hoogste militaire honneurs, en uit d' Ar„ tillerij met een en twintig Kanonschooten gesalueerd, en van mij aan de stoep voor het huis ontvangen en binnen geleidt. zijnde Zijne Hoogheid vertelt, van de Zwager en den eersten minister van den Koning van Koetsiem, Tiromoepadoe en Gowinda Menon genaamt. Na de eerste Komplimenten ging de Koning met mij in een afzonderlijk vertrek, daar niemand toegelaaten werd als de Dalawa Keja Pulle, de eeven gem: twee Koetsiemsche Hofsgrooten en mijne twee Toeken, laatende zijne Hoogheid Zich geduurende de Konferent„ sie t: 213 84. S. 5. „sie, bedienen van drie Jonge Edellieden, waar van d' eerste zijn eigene toon, die twee anderen Broeders kinderen waaren. Zijn Hoogheid begon de Konferentsie met het Verhaal van de Ambassade van Sipoe Patscha, en Kommuniceerde mijden inhoud van den daarmede ontvangenen brief en van zijn antwoord op den zelven, bestaande de eerste in een aanbieding van Vriendschap en het laaste in de betuiging dat zijn Trevan„ Koorsche Hoogheid zeer geneegen was, met zijn Majesteit, als een Vriend van d'Engelschen, in goede Vriendschap te leeven. Hiema Spraak zijn Hoogheid in het breede over het bezoek, het welk de Ko¬ „ning van Koetsiem volgens genoomene afspraak, bij den Patscha te Palikat„ „seen afgelegt en bij zijne terugkomst aan zijne Hoogheid te Ananda om¬ standig beschreeven had, met verzoek, om mij de merkwaardige bezonderhee„ „den daarvan te willen bedeelen, het welk hij zelve gaarne zoude ge¬ daan hebben, doch vooreerst uitstellen moest, eensdeels wegens onpaslijkheid, en anderen deels, om door een bezoek aan de zijne ferent 3. 6. aan mij, zoo kort na zijne terugkompt geene reden van achterdocht aan Pipoe te geeven. Dan dewijl in dit Verhaal veele zaaken voorquamen, waarbij de Kompe: geen belang heeft, en de Koning bij het eindigen van deeze Konferentsie, boven dien verklaarde dat hij morgen zijnen Dallawa bij mij tenden wilde, om van alles nader ver„ „slag te doen zoo zal ik hier alleen het zaaklijke Kort aanteekenen De Patscha had aan den Koning van Koet„ „siem verscheidene Zeer nadenklijke vri „gen nopens Trevankoor en de Kompe voor„ „gelegd, inzonderheid, of Trevankoor niet veele landen van het Rijk van Koet siem weggenoomen had, en noch bezal! Hoe e het quam, dat de Hollandsche Kompe, de Stad Koetsiem bezat, die in zijn hoog„ „heids land lag of Kranganoor en Koetsiem sterke plaatsen waaren. Hoe veel Volk daarin lag. En of de Kompe. en Prevan¬ hoor nauw met elkander verbonden waaren. Op welke vraagen de Koning met veel Voorzichtigheid geantwoord had, te weeten: Dat Pre van Koor die landen gekreegen had in Vergelding van de hulpe tegen den Samorijn, dat de 3 7. 214 de Hollandsche Komp: het Rijk van Koetsiem van de Portugeeren verlost, en de Stad van henl: veroverd had; dat Kranganoor en koet„ „siem sterke Vestingen en wel bezet waaren en dat de Kompe. en Trevan Koor nauwe geallieerden waaren. Vervolgens had de Patscha hem geproponeerd, voortaan te Prtsjoer, eene plaats buiten de Linie van Trevan Koor, te resideeren, of ten minsten zijne familie derwaards te tenden, doch de Koning hadtich daarvan verontschuldigd, maar echter moeten beloven, in de maand September of Oktober, wanneer de Patscha weder naar deezen kant afkomen wilde, een nader bezoek afteleggen Zijn TrevanKoorsche Hoogheid merkte ver¬ volgens aan, dat uit het heele gedrag van Sipoe Patscha Klaar bleek, dat hij met een vijandig toeleg tegen deeze Be¬ „needen landen en voornaamlijk ook tegen de Kompe met zulk een groote macht was afgekomen, doch dit maal daarin scheen te eeur gesteld te zijn, door dien hij zoo wel in de lenie, als te etikotte en Kran„ „ganoor, beetere aan staeten tot tegen„ „weer ontwaard had, dan hij zich moge¬ „lijk had voorgesteld, doch dat men daar„ om S. 8. S. 9. 3. 10. „om voor al niet moest denken, dat hij dit zijn voorneemen had opgegeeven, maar veel meer, dat hij het zelve in de aan„ „staande goede Mousson met eene vrij grootere macht zoude hervatten; dat dit niet alleen op zich zelve waarschynlijk, maar ook, volgens de geheime waarschuwrn van den Koning van Koetsiem, het alge„ „meer gevoelen te Pali katseen was, en de Patscha zelve zulx niet onduidelijk aan den Koning te kennen gegeeven en daar „om begeerd had, dat hij zelve buiten de Linie resideeren, of ten minsten zijne familie daarin teekerheid brengen zoude- Dat de Kompe. derhalven met beide Koningen diende op haar hoede te blijven, om niet over „vallen en te ondergebragt te worden, wesha ven hij Koning van Prevan Koor ook zijne troepen vooreerst, en tot dat men van de terugreite van Sipoe naar Senngapat nam verzeekerde tijding Kreeg, in de Linie zoude laaten blijven, en dat wij voor al ook zoodanig met dtikotte en Krangan dienden te handelen Inzonderheid bestond zijn Trevan Koorsch Hoogheid daarop, dat ik van Batavi Volk en Scheepen verzoeken, en te Ai¬ „kotte de Batterijen en Borstweering die

NL-HaNA_1.04.02_3801_0483 view scan ↗

English

215. which were only made of earth, raised in stone and extended up to the mud flats—and when I submitted on this last point that the Company had already incurred many extraordinary expenses, and enjoyed so little advantage here that I dared not burden it with further expenses of that nature, he gave me the following answer: What I ask of the Company tends to its own preservation and security; if the Company cannot defend Aikotte, let it cede it to me, then I will fortify it. I have been to Aikotte in person and have inspected everything closely; the work that has been made so far can if necessary remain as it is for now, but towards the sea beach the land lies open; nothing is easier than for the enemy from the other side to make a landing there with vessels, of which the land is full, and then the entire post is lost, and the enemy the day after along the road from Baipien before Cochin; therefore at least the earthen parapet on that side must for now be extended up to the mud, and at the § 11. end be reinforced with a good battery, and then, at the first request of the Commandant, I shall give as many men as are deemed necessary to properly defend the post. Because I did not want to offend the King by a blunt refusal, and was also myself convinced of the necessity of that work, I promised to send the Engineer to Aikotte to make a plan of it, after which I would explain myself further about it. § 12. Subsequently His Highness spoke about the necessity of repairing the redoubts, or palisades on the Islands of Moetoekoeni and let slip that I had promised him last year to write to Batavia about the cession of those islands, but that he had heard nothing of it yet, to which I replied: That I had done so and had also obtained authorization from the High Government to sell the same to His Highness if I could negotiate a good price for them, but that the disputes arising shortly after the receipt of that authorization over the tolls of the passing vessels and the patrolling of the beaches had prevented me from informing His Highness thereof. I gave this in Portuguese to the interpreters to translate into Malabar, but the King, who understands Portuguese to some degree, did not let it come to translation and said to me in English: That is too much (he probably meant to indicate that it was too important), we will let our people go outside, and speak about it alone. § 13. Thus everyone had to go outside, except for his son, who went to stand at the other end of the room, and then His Highness said to me: I have investigated the matter of the tolls and the patrolling and found that in former times it was as you have written to me, but you should have written to me about it first, instead of suddenly sending armed vessels to my ports and having them bombarded. § 14. I do not know enough English to hold a continuous discourse, and thus with great effort produced the following answer: I knew that the vessels were taking in pepper for Alepi; if I had written to Your Highness first, they would have slipped away from me. I did not have Your Highness's port bombarded; the cruiser merely demanded of the vessels to show their passes, and therefore fired blank shots at them, and this is the custom of seamen. His Highness resumed upon this: You have always been a friend of mine and therefore I also believe that you had no intention to insult me; we shall now call the Ministers of Cochin back inside; tomorrow my Dalawa will come to you, and speak further with you about this matter and the Moetoekoeni; they have no business with these affairs. § 15. The Dalawa, Cochin Minister, and my interpreters were thus called back 217. inside and I took this opportunity to put in a good word with His Highness for the Bishop and the Carmelite Fathers at Verapoli, who had been fined one thousand rupees by the Dalawa on account of a certain incident that happened a few years ago, which they were now seeking to extort from them by a military detachment that was placed in the monastery. His Highness thereupon had Father Paulini, who was at hand for that purpose, come before him, listened to his request and ordered him to appear before him tomorrow at Anje Kaimal, when the matter would be settled. § 16. His Highness now spoke for a while about indifferent matters, was very cheerful and friendly, took very polite leave around twelve o'clock, highly pleased with me and the gentlemen of my company, but declined the commissioners, saying: you gentlemen are accustomed to eat at this time, I have company enough in the Master of Equipage who is Captain of the vessel and can speak English with me. His Highness was thus escorted by me as far as the steps, and by the commissioners to the orembai, and departed very satisfied, under the military honors as upon arrival and the salute of twenty-one cannon shots. Thus done in the year and days aforesaid. (was signed) J. Gs. van Angelbeek Agrees. Arnold Lunel pro secretary

Dutch transcription

215. die alleen van aarde waaren, van steen ophaalen laaten en tot aan de moddervel„ „den toe, verlengen moest - en toen ik op dit laaste stuk diende, dat de Kompe reets veel buiten gewoone Onkosten gehad had, en hier zoo weinig voordeel genoot, dat ik haar met geen verdere Ongelden van die na„ „tuurdurfde bezwaaren, gaf hij mij het volgende antwoord. Het geen ik van de Kompe verge, strekt tot haar eigen behoud en zeekerheid, als de Komp=e Aikotte niet verdeedigen Kan„ laat te het dan aan mij afstaan, dan zal ik het bevestigen. I ben in Perzoon te etikotte geweest, en heb alles nauwheung bezichtigd, het werk, dat tot nu toe gemaakt is, han des noods voor eerst zoo blijven, doch, naar Zeestrand toe, ligt het land open, niets is gemaaklijker, als dat de Vyand van de overkant daar met vaartuigen, waar „ van het land vol is, eene landing doed, en dan is de heele post weg, en de Vijandsdaags daaraan, langs den Weg van Baipien, voor hoetsiem, daarom moet ten minsten vooreerst de aar„ „de Borstweering aan die kant, tot aan de moddertoe, verlengt, en aan het S 11. het end met een goede Batterij versterkt worden, en dan tal ik, op het eerste ver„ zoek van den Kommandant, zoo veel Volk geeven, als noodig geoordeeld word, de post behoorlijk te defendeeren Wijl in den Koning door eene botte weige„ „ring niet voor het Hoofd stooten wilde, en teffens zelve van noodzaaklijkheid van dat Werk overtuigd was; zoo be„ loofde ik, den Ingenieur naar Aikotte te zenden, om er een plan van te maa„ ken, waarna ik mij daarover verder verklaaren zoude §. 12. Vervolgens sprak zijn Hoogheid over de noodzaaklijkheid, van het herstellen der redoeten, of paggers op de Eilanden Moetoekoeni en liet rich daarbij ontval„ len, dat ik hem voorleede Jaar beloofd had, over den afstand van die Eilanden naar Batavia te schrijven, doch doo hij daarvan ieder niets gehoord had, waar op ik tot antwoord diende: Dat ik tul gedaan en ook van de Hooge Regeeni„ qualificaatsie erlangt had, dezelven aan zijne Hoogheid te verkoopen, ind ik er een goeden prijs voor Kost bedin gen, doch dat de kort na den ont„ „vangst dier qualificaatsie opgekome ne 3. 3. 216 „ne geschillen over de tollen van de voor- bij gaande Vaartuigen en het bekruissen van de Stranden, mij belet hadden, zijn Hoogheid daarvan Kennis te geeven. I gaf dit in het Portugeesch aan de Tol„ „ken op, om in het Malabaarsch over te zeggen, doch de Koning die het Por„ tugeesch eeniger maate verstaat, liet het niet tot de Vertaaling koom en en zeide tegen mij in het Engelsch„ Dat is te veel (:waarschijnlijk heeft hij willen te kennen geeven, dat het te wigtig was ( wij zullen oos Volk laaten buiten gaan, en 'er al„ „leen overspreeken, § 13. Dus moest alles naar buiten, op zijnen zoon na, die aan het andere End van de kamer staan ging, en toen zeide zijn Hoogheid tegen mij Ik hebde zaak van de tollen en de bekruissing ondertocht en bevonden, dat het in vroeger tijden zoo geweest is, als gij mij geschreeven hebt, doch gij had daarover eerst aan mij moeten schrijven, in Steede van eensloefs gewaapende Vaartuigen te renden naar mijne havens en die te laa„ „ten bombardeeren J1 SS: 14. Ik kan geen Engelsch genoeg om een a een geschakeld Diskoers te voeren, en bragt dus met veel moeite het volgen antwoord uit. Ik wist dat de Vaartuigen voor Alex Peper in naamen, als ik eerst aan t Hoogheid geschreeven had, touden t mij ontslipt zijn. Ik heb Uw Hoog „heids Haven niet laaten bombarde ren, de Knuisser heeft eenlijk van de Vaartuigen geeischt, haare passe te toonen, en daarom losse schooten op dezelven gedaan, en dit is ze „mansgebruik. Zijn Hoogheid hervatte hierop Gij zijt steets een Vriend van mi geweest en daarom gelove ik ook dat gij geen Oogmerk gehad hebt mij te beleedigen; wij zullen nu d Ministers van Koetsiem weer bi „nen laaten roepen, morgen zal mi Dallawa bij U Koomen, en over dee zaak en de Moetoekoen is nader met u spreeken, zij hebben met deeze taaken niets van nooden §. 15. De Dallawa, Koetsiemsche Minister en mijne solken wierden dus wed binnen 217 9. 16. binnen geroepen en ik nam deeze gelee„ „gen-heid waar, een goed woord bij zijn Hoog „heid in te leggen voor den Bisschopen de Paters Karmelieten te Verapoli, die door den Pallawa, wegens zeeker voor eeni„ „ge Jaaren gebeurt geval in een boete van een duizend ropijen geslagen waaren die men henl: thans door een militai„ „re Kommando het welk in het Klooster geplaatst was, zocht afte persen, zijn Hoogheid liet daarop den Pater Lau lini, die tot dat einde bij der hand was, voorzich koomen, hoorde zijn Vertoek aan en belaste hem, morgen te An„ „je Kainmal voor hem te verschijnen, wanneer de zaak zoude afgedaan worden. Zijne Hoogheid sprak nu noch een poos over onverschillige zaaken, was zeer opgeruimd, en vriendelijk, nam omtrend twaalf uur teer vergenoegd van mij en de Heeren van mijn Getelschap een teer beleefd afscheid, doch bedank¬ te voor de Gekommitteerden zeggende, gij Heeren tijt gewoon, om deezen tijd te eeten, In heb getelschap genoeg aan d' Equipasiemeester die Kapitain van het vaartuig is, en Engels met mij praaten praaten kan zijn Hoogheid wierd dus door mij tot aan de stoep, en door de gekommitteerden tot aan de Orangbai gebragt en vertrok teer voldaan, onder de militaire hon„ neurs, als bij Aankomst en het salut van een en twintig Kanon schooten Aldus gedaan ten Jaar en dagen voormeldt. /:was geteekend:/ J Gs: van Angelbeek Akkordeerd. Arnold Lunel pr sekret:o „

NL-HaNA_1.04.02_3801_0489 view scan ↗

English

218 B. Brief note of the conference with the Dallewa of Travancore, Vesa Pulle, on Wednesday the 18th of June 1788. Section 1. At eleven o'clock the said Minister arrived in the City to see me, with the usual retinue described in the daily register, and after paying the customary compliments, indicated that the King, his Master, had not wished to decline the request of the King of Cochin to admit his Ministers to the conference held yesterday on the small vessel, but had thereby been prevented from speaking with me with open-hearted confidence about the matters that constituted the subject of the conference, and therefore had now, according to agreement, sent him to me to confer with me further about them. Section 2. He began with a detailed description of the meeting and conversations between the King of Cochin and Tipu Sultan near Palghatchen, with which I will not enlarge this note, since the essential points were already made known yesterday from the mouth of the King of Travancore himself in my notes, and before long the account thereof is to be learned in further detail from the King of Cochin. He subsequently gave a description of the audience that his Master had granted to the Envoys of Tipu Sultan, the essence of which consisted of the following. Section 3. The same was held at Paravur in the tent that I had lent to the King for that purpose and had provided with carpets, chairs, and other decorations. The Ambassadors were escorted to the said tent by a double line of four battalions of sepoys in new red cloth uniforms. In front of the tent, the King's bodyguard, consisting of one hundred Nairs in scarlet uniforms with short carbines, and behind the battalions of sepoys a regiment of cavalry had paraded. To prevent the King from having to stand up upon the arrival of the Ambassadors, it was so arranged that, at the very moment they entered at the front, His Highness came forward from the back room of the tent, received the compliments standing, and then was the first to sit down on a distinguished armchair that His Highness had expressly requested from me for that purpose. The Ambassadors were subsequently seated in chairs at his right hand, and the English Major Bannerman, who had been sent from Madras some time before, at his left hand. In the audience itself nothing else occurred except the delivery of the letter and the gifts. Section 4. The letter had stated that he, Tipu, had made peace with the English, in which the King of Travancore, as their ally, was included, that he was therefore inclined to enter into close friendship with His Highness, and had therefore sent these envoys, and had requested the King of Cochin to introduce them and communicate the rest verbally. The gifts had consisted of a robe of honour, a horse, and some head ornaments with diamonds. The next day, His Highness granted the Ambassadors a farewell audience with the same ceremony, and handed over a letter with the counter-gifts. The letter had merely stated: That His Highness found himself greatly honoured by the letter and the gifts of the Padishah, and was no less inclined to live in friendship with His Majesty as a friend of the English, and as a token of goodwill had some gifts presented by his Ambassadors. The gifts had consisted of a robe of honour, some head ornaments with diamonds, and a breast ornament set with a large emerald and other fine stones, and great care had been taken that they amounted to neither more nor less in value than those received. Section 5. Furthermore, the Dallewa brought up again the observation that the King his Master had made yesterday, namely that, although this time Tipu had not carried out his hostile intention against these Lowlands, one must not think that he had abandoned it entirely, but rather that he would resume it before long and most unexpectedly with greater force, for which reason we ought not only to leave the garrisons of Cranganore and Ayacotta on their present footing, but also to reinforce them further before the good monsoon. The King his Master therefore had me urged once again in the strongest terms to take all possible care of those two places and especially to request more troops from Colombo and Batavia without delay, and at the same time to arrange for our warships to be sent to this Coast in order to keep the enemy in check with them. Section 6. On that basis the King subsequently had the further fortification of Ayacotta pressed, and for that purpose the Dallewa now proposed that the breastworks and batteries that had already been constructed by us and, according to yesterday's agreement, still had to be completed, might for the time being serve to repel the enemy who wished to invade across the river, but could not endure in the long run, being constructed only of earth, and that the same therefore of

Dutch transcription

218 B. § 1. Om elf uur quam gemelde Minister, met de gewoone staatsje, die bij het dag register beschreeven word, in de Stad bij mij, en gaf, na het afleggen van de gewoone Kompli„ menten te kennen, dat de Koning, zijn Meester, het vertoek van den Koning van Koetsiem, om bij de gisteren op het Kannetje gehoúdene Konferentsie zijne Ministers te admitteeren, niet had willen van de Hand wijzen, doch daar door belet geworden was, met mij over de zaaken, die het onderwerp van de Konferentsie uitgemaakt hadden, met openhartige vertrouwlykheid te spreeken, en derhalven hem, volgens afspraak, thans bij mij gezonden had, om mij daarover nader te onderhouden. §2. Hij maakte het begin met eene om„ standige beschrijving van de ontmoeting en gespreeken tusschen den Koning van Koetsiem en Tipoe Sultan bij Pali„ Katseen, waarmeede ik deeze Aanteekening Korte, Aanteekening van de Konferentsie met den Dal„ „lewa van Prevan Koor Vesa Pulle e p Woensdag den 18:e Juni 1788 — niet niet zal vergrooten, wijl het zaaklijke ree gisteren, uit den mond van den Koning van Prevan Koor zelve, bij mijne aantee„ kening bekend gesteld is, en in eerlange het verhaal daarvan van den Koning van Koetsiem nader sta te verneemen Hij deed vervolgens eene beschrijving van de audientsie, die zijn Meester aan de Gezanten van Pipoe Sultan verleend ha waarvan het weezentlijke hierin beston § 3. Dezelve was gehouden te Parve in de tent die ik daartoe aan den Koning geleend en van tapijten, stoelen en verdere Ver¬ „sierselen, voorzien had, de Ambassadeur waaren door een dubbeld vanket van vier Battaljons Sipahas, in nieuwe rook laa „kense Monteering naar gem: tent ge„ leidt, voor de tent had 'S Konings Lijfwaet bestaande uit honderd Nairos in Schairlake uniforme met Korte Karabijnen, en agter de Battaljons Sipais een Regim Kavallerij geparadeerd.— Tot Voorkoming, dat de Koning, bij aan komst van de Ambassadeurs, niet be„ hoefde optestaan, was het zoo geschik dat, op het zelfde Oogenblik, dat zij voor intraden, zijn Hoogheid uit het acht vertrek van detent te voorschijn quam de 219 de Komplimenten staande ontving, en toen het eerst op een gedistingueerden Armstoel, „ die zijn Hoogheid daartoe expres van mij had laaten vraagen, ging zitten, d' Ambas„ sadeurs wierden vervolgens aan zijne rechter hand opstoelen geplaatst, en d'Engel„ schen Majoor Bannerman, die eenigen tijd bevoorens van Madras gezonden was, aan zijne linkerhand. In de audientsie zelve was niets anders voorgevallen, als de Overgave van den brief ende geschenken. § 4. De brief had behelst, dat hij /:Sipoe :/ met de Engelschen vreede gemaakt had, waar- bij de Koning van Trevan Koor, als hun Bondgenoot, ingeslooten was, dat hij dus geneegen was, met zijne Hoogheid in een nauwe Vriendschap te treeden, en daarom desze gezanten afgezonden, mitsgaders den Koning van Koetsiem verzocht had, dezelven te introduceeren en het verdere mondeling te bedeelen.. De geschenken hadden bestaan in een Eere„ Kleed, een paard en eenige Hoofdsierselen met Diamanten. 'Sdaags daar aan, had zijne Hoogheid de Ambassa¬ deurs met dezelfde Staatsie afscheids= audientsie verleend, en een brief met de kontra geschenken ter hand gesteld. De De brief had alleen behelst: Dat Zijne Hoogheid Zich met den brief en de ge„ schenken van den Patscha teer versend vond, en niet minder geneegen was, met zijne Majesteit, als een Vriend van den Engelschen, in Vriendschap te leeven, en tot een blijk van geneegen„ heid door zijne Ambassadeurs eeni¬ ge geschenken liet aanbieden De geschenken hadden bestaan in een Eere kleed, eenige Hoofdsierselen met Diamanten, en een Borstsiersel met een grooten Esmaraut en andere fijne steentjes bezet, en men had nauwkeurig gezorgd, dat ze niet meer of minder aan Waarde bedraagen hadden als de ontvangen en 5. Voorts bragt de Dallewa de aanmer- „king, die de Koning zijn Meester gisteren gemaakt had, wederom op het tapijt, dat, of schoon dit maal Tipoe zijn vijandig voorneemen tegen deeze Beneden landen niet had ter uitvoer gebragt, men echter niet moest der ken, dat hij het zelve geheel had laaten vaaren, maar veel meer, dat hij het zelve eerlang en op het onver¬ wachtste 2 220 wachtste met grooter macht zoude her„ vatten, weshalven wij de Garnizoenen van Kranganoor en Aikotte niet alleen op den tegenwoordigen Voet moesten laaten blijven, maar ook tegen de goede mousson noch versterken. De Koning zijn Mee¬ „ster liet mij derhalven nochmaals op het nadruklijkst vermaanen, voor die twee plaatzen alle mogelijke rorg te draagen en vooral zonder uitstel meer Volk van Kolombo en Batavia te verzoeken, en teffens te bewerken, dat onze Oorlogs scheepen naar deeze Kuste gezonden wierden, om den Vijand daarmede in respekt te hoúden. Op dat fundament liet de Koning ver„ volgens aandringen op de bevestiging en, daartoe stelde de van Aikotte „nader Dallewa thans voor, dat de Borstwee¬ „ringen en Batterijen, die door ons reets aangelegt waaren en volgens afspraak van gisteren noch moesten aangemaakt worden, vooreerst wel dienen konden, den Vijand die over de rivier in vallen wilde, aftekee„ ren, doch op ten duur niet konden bestaan, als alleen van aarde aange¬ legt weezende, en dat dezelven dus van 2. S. 6.

NL-HaNA_1.04.02_3801_0494 view scan ↗

English

had to be built of stone, wherefore the King once again emphatically requested me to cancel the work, or at least to propose it to the High Government and request Their High Nobilities' authorization for it, which I, in order to give no hope of this, politely declined, assuring him that the said High Government would not consent to it. Hereupon he requested that I would promptly send the Engineer who, according to yesterday's agreement, was to trace out the new battery, give him prior notice thereof, and permit him to be present thereat, which I promised. § 7. Now the cruising off of Alepe and our demand of tolls from passing traders gave rise to a comprehensive dispute, wherein the Dalawa sought to maintain that, although the Company had indeed had cruisings conducted before this, such had nevertheless taken place far from the shores and at sea, and that thus the cruisers sent out by us ought also to have remained at sea; but instead of that, they had come right into the King's harbor and bombarded it, and had towed the vessels lying there for trade to Cochin; and furthermore, that it was a hard and unjust thing that the Company demanded the full toll on goods that the King purchased in his own country, and then also on the country's produce that he gave in payment therefor, or sold. To wish to make known here in their full extent all the arguments that were brought forward on both sides for and against these two main heads would cause great prolixity, which I can all the more readily avoid, since the King, in yesterday's conference, did not object so much to the Company's right in itself, as to the manner of its execution; I shall therefore record only the most essential points. On the first point I remarked: that the illicit trade in pepper had been carried on greatly and grossly during my presence on this Coast, but that the Court, upon my complaints, had always played the negative and flatly denied everything; that only two years ago a Portuguese vessel between Porca and Coulang had loaded pepper, which had been delivered to the beach by the King's people, but that for lack of proof I had not been able to complain of it; that in the year just past the Frenchman Baycule of Mahé had gone to the Court of Travancore to buy pepper, and that my complaints against this had remained unanswered; that at the same time the supercargo of the Tuscan ship Le Grand Duc de Toscane had also gone to Trivandrum to buy pepper; and that I had finally received report that at Alepe and Porca pepper was also sold to the inland vessels; that by all this I had therefore been compelled to have cruising carried out in the most evident manner. § 10. The Dalawa replied to this that the King his master had never sold pepper to foreign Europeans or natives, and would also never sell it; that I had done well to send out the cruisers, but that these had gone too far, and had committed violence in the King's harbor. § 11. I had sought to entice this answer from him, because it furnished me with an argument against which nothing could be brought, for now I demonstrated that the Court had always flatly denied the smuggling in pepper, however public it was, and that he, the Dalawa, now still denied this himself, notwithstanding the case of the bombara Salam Sawai had been proven most clearly, the blame for which they now wished to cast upon the merchants, who had made an abuse of the pepper passes; and that I thus, in order to get irrefutable proof into my hands, had been compelled to catch in the very act the vessels that were actually engaged in that illicit trade before Alepe, and to prove the smuggling with the very pepper that they had taken aboard; for the pepper that was smuggled there could not be charged to any foreign account, but had been sold directly by the King himself, because His Highness himself declared that the trade at Alepe was conducted for his account. § 12. By this the Dalawa was entirely silenced, for hitherto, in the letters to the King, I had made no great ado about the pepper that was discovered in the vessels at Alepe, but had merely mentioned it in passing, in order to be able to derive from it in due course a new and peremptory argument, which, both by its evidential force and unexpected novelty, had to produce a double effect. § 13. The result of all this was then, that the King had nothing against the cruising itself, and did not wish to dwell further on what had passed, but at the same time had me requested to give strict orders to the cruisers whom we might send out in the future not to commit any molestations in his harbor, but to keep at a proper distance at sea, in return for which His Highness promised

Dutch transcription

van steen moesten opgehaald worden weshalven de Koning mij nochmaal nadruklijk liet vertoeken, dit — het Werk te nihten, of ten minsten aan de Hooge Regeering voor te draagen en Hunner Hoogedelheeden qualifikaat sie daartoe te vertoeken, het welk ik om hier toe geene hoop te geeven, beleefde„ lijk van de Hand wees, onder Verzeeke ring, dat hooggedachte Regeering daar in niet bewilligen zoude. Hierop verzocht hij dat ik den Ingenieu die volgens afspraak van gisteren, de nieúwe Batterij afsteeken zoude, schie lijk zenden, en hem daarvan vooraf kennis geeven en permitteeren wilde, daarbij tegenwoordig te zijn, het welk ik beloofde §7. Nu gaf de beknussing van Alepe en onte Eisch van tollen van voorbij vaarende handelaars aanleiding tot een breedvoerig twistgeding, waarin de Dallewa poogde te bewaaren, dat of schoon de Kompe. voor he ook wel hadlaaten knussen, zulx echter ver van de Stranden en in tee geschied was en dat dus de door ons uitgezondene Knussers ook hadden moeten in tee blijven, doch in steede van 221 38. 9. van dien tot in s konings haven gekoomen waaren, en dezelve gebombardeerd, mits„ gaders de daar ten handel liggende Vaartuigen naar Koetsiem gesleept had¬ den; en voorts, dat het een harde en onbillijk zaak was, dat de Komp van goederen, die de Koning in zijn ei„ gen land inkochte, en dan ook noch van de landsprodukten die hij daar¬ voor in Betaaling gaf, of verkocht de volle toe begeerde Alle argumenten, die voor en tegen deeze twee hoofdstukken van weenskanten bij„ gebragt wierden, hier in haare volle uitgestrektheid te willen bekend stellen, Zoúde groote wijdloopigheid veroortaaken, die ik om zoo veel te eer kan vermijden, wijl de Koning in de Konferentsie van gisteren, niet zoo heer tegen 's komps recht opzich zelve, als wel tegen de wijze van deszelfs uitvoering geexci„ pieerd heeft, ik tal derhalven alleen het allerzaaklijkste te boek slaan. Op het eerste stuk merkte ik aan: dat de Sluikhandel in Leper, ge„ duurende mijn aanweezen op dee„ te Kuste, groot en grof gedreeven was doch dat het Hof op mijne Klachten steets - steets de negative gespeeld, en alles bot weg ontkent had, dat noch eerst voor„ twee Jaar een Portugeesch vaartuig tus¬ sohen Porha en Koilang, Peper gelaaden had, die door 's Konings Volk aan het strand geleeverd was, doch dat ik bij gebrek van bewijs, daarover niet had kun¬ nen klaagen, dat in het Jongst ver„ weeken naar jaar de fransch man Baij= „cule van Mahé naar het Hof van Trevan Koor gegaan was, om Peper te koopen, en dat mijne doleances daarteegen onbeantwoordt gebleeven waaren dat terzelver tijd de super¬ Karga van het Toskaansche Schip Le Grand Duc de Toskane ook naar Tiroe wanderam gegaan was, om Peper te koopen, en dat in eindelijk bericht gekreegen had, dat te Alepe en Portha ook Peper aan de iklland¬ „sche Vaartuigen verkocht werd, dat ik derhalven door dit alles wel ge„ noodzaakt geweest was, op die smost¬ Klaarste laaten Knussen § 10. De Dallewa antwoorde hierop dat de Koning zijn meester noit aan vreem¬ de Europeeschen of inlanders Peper verkocht had en ook nimmer verkoo¬ per 3. 222 „pen zoude, dat ik wel gedaan had, de Kruissers uit te zenden, doch dat deeze te vergegaan waaren, en in de Haven van den Koning geweld bedree¬ „ven hadden § 11. Dit antwoord had ik getracht hem afte„ lokken, wijl het met een argument, verschafte, daar niets tegen in te bren¬ gen viel, want nu betoogde ik, dat het Hof het Smokkelen in Peper, hoe openbaar ook, altijd glad weg ontkent had, en dat hij Dallewa dit nu noch zelve ontkende, niet tegen staande het geval van de Bombara Salam Sawai ten Klaarsten beweezen was, waarvan men thans de Schuld op de Koopen lieden werpen wilde, die een misbruik van de Peper passen gemaakt hadden, en dat ik dus, om een onwederspreeklijk bewijs in handen te krijgen, wel genoodzaakt geweest was, de Vaartuigen, die voor Alepe werklijk met dien sluik han„ del beezig waaren, op de Daad zelve te betrappen, en de sluikerij, met de Peperzelve, die zij ingelaaden hadden, te bewijzen, want dat de Peper, die daar gesmokkeld was, 87 op geen vreemde reekening kost geplakt worden, maar direkt van den Koning zelve verkocht was, door dien zijne Hoogheid Zelfs verklaarde, dat de Han¬ del te Alepe voor Zijne Reekening gedreeven wierd. §12. Hier door werd de Dallewa ten eene„ maal betenderd, want tot dus verhad ik in de brieven aan den Koning van de Peper, die te Alepe in de Vaartuigen ontdent is, geen grooten ophef gemaakt, maar eenlijk als ter loops gewaagd, om¬ daarvan daan in der tijd een nieuw en peremptoir argúment te kunnen ontleenen, het welk zoo door zijne Bewijskracht, als onverwachte nieúwig- heid, een dubbelde Werking doen moest. §13. Het resultaat van dit alles was dan, dat de Koning tegen de bekrussing zelve niets had, en het gepasseerde niet verder gebanken wilde, doch mij teffens ver¬ zoeken liet, aan de Knussers, die wij in den toekomende uitzenden mogten, stipte ordre te geeven, om in zijne Haven geene molesten te pleegen, maar tich op een behoorlijken afstaand in zee¬ op te houden, waartegen zijn Hoogheid beloofde

NL-HaNA_1.04.02_3801_0499 view scan ↗

English

223 § 15. promised that pepper would be sold to no one other than us and the English, which I promised under this condition. § 14. Regarding the tolls of passing traders, I replied that these had of old been collected and enjoyed by the Company; that the traders had never objected to them, but had always paid them willingly; that I had clearly demonstrated this in my letters to the King and fully proved it with old accounts, against which the mere assertion of harshness and injustice therefore carried no weight. The Dallawa then moved away from this subject, with these thoughtful words: Very well, Sir! The King did not wish to infringe upon the Company in its old rights; I have made a proposal by which this entire dispute will lapse, and whereby both the King and the Company can achieve considerable profits; I shall return tomorrow and lay it open before you; at present it is too late, and I must still speak with you about the Moetoekoenis, because the King departs for the South tomorrow, and wishes this matter to be settled before his departure. § 16. During the negotiations over these islands, it appeared that the Dallewa was under the impression that all three stockades, which were erected in the year 1780, had stood on the Moetoekoenis, and that therefore the islands on which the remains of those stockades were still to be seen belonged to the Moetoekoenis, and thus were included in the intended purchase. I therefore informed him that this was an error, because only two of those stockades had stood on the Moetoekoenis, and the third on the island of Mallenkarre, which did not belong to them, but was a separate island, which the Company had possessed of old. This seemed strange to him, and he declared that the King was under the firm belief that all the small islands lying between Aikotte and Kranganoor in the river along Parve belonged to the Moetoekoenis, and were to be ceded to him. Herein 224 lay a second error, because besides the aforementioned island of Mallenkarre, which is leased for four hundred rupees per year, there are yet more small islands lying there which do not belong to the Moetoekoenis and are leased separately, namely: Little Mallenkarre, opposite Aikotte, for ninety; two pieces of land on both sides of Mallenkarre, for eighty; and another small island named the Vetland, for eighty-five rupees. At this he was greatly astonished, but I convinced him by means of the original obligation ola of the Samorin, by which the Moetoekoenis were handed over to us, that the same consisted of three small islands, namely the properly so-called Moetoekoene, Kottolikadoe, and Schettikadoe, and that it was clearly stated in the ola that the same were situated on the river of Kranganoor between the island of Parve and the Company's island of Mallenkarre, as clear proof that Mallenkarre had never belonged thereto, and from which it naturally followed that the other small islands just named also did not belong thereto, since they were not named in the ola, and also lay further westward, § 18. lay, this being moreover fully proved by the lease rolls, wherein they were recorded separately. Being convinced, he requested that Mallenkarre and all the other small islands might be surrendered to the King together with the Moetoekoenis, because the Moetoekoenis could not serve without the aforementioned island for the principal purpose for which the King desired them, namely: to fortify them against the enemy from the other side. § 19. This last I could not dispute, because as long as Mallenkarre, on which the largest camp La C. stood, remains unfortified, the entrenchments or other fortifications which one might wish to construct on the islands of Kattolikadoe and Moetoekoeni can serve no purpose, since an enemy from the other side then only needs to land on Mallenkarre. I perceived at the same time that the Dallewa was prepared to pay a high price for it, but I had to decline this by virtue of the dispatch from 225 Batavia of 30 August 1787 § 30, not to proceed again to the sale of lands without qualification from Their High Mightinesses. § 20. He had not expected this refusal, and although I sought to satisfy him, on the one hand, with the argument that last year only the three Moetoekoenis alone and nothing more had been requested, and I consequently had also received qualification solely and specifically for that, which I dared not violate; and on the other hand, with the offer that I would submit the King's desire concerning the further islands to the High Government and request their consent thereto, I could nevertheless not persuade him to treat with me regarding the Moetoekoenis alone, he pretending that he dared not proceed to that on his own authority, because the King, through the exclusion of the remaining small islands, would be disappointed in his entire objective. However, he would present the matter to His Highness, and give me an answer tomorrow, to which end he requested to be allowed to know the price of the Moetoekoenis. § 21.

Dutch transcription

223 3 15. beloofde, dat aan niemand buiten ons en de Engelschen Peper verkocht zoude wor- den, het welk ik onder deeze Kondietsie beloofd hebbe. §14. Nopens de tollen van de voorbij vaarende Handelaars gaf ik ten antwoord, dat die van ouds door de Kompe ingevorderd en genooten waaren: Dat de Handelaars daar noit iets tegen gehad, maar dezel„ ven altijd willig betaald hadden; dat ik dit in mijne brieven aan den Koning duidelijk aangetoond en met oude Ree„ keningen, ten vollen beweezen had, waar tegen dus het bloote voorgeeven van har= digheid en onbillijkheid niets opereerde. De Dallawa stapte hierop van dit onderwerp af, met deeze nadenklijke Woorden. Goed mijn Heer! de Koning begeerde de Kompe in haar oude rechten niet te verhorten, ik heb een ont„ werp gemaakt, waar door dit heele geschil vervaet, en waarbij de Koning en de Komp: beide aanzienlyke Winsten behaalen kunnen, ik tal morgen weder koomen, en het voor U openleggen, thans is het te laat, en ik moet noch met U over de Moetoe„ Moetoekoenis spreeken, want de Koning vertrekt morgen naar de Zuid, en wenscht, dat deeze Zaak noch voor zijn Vertrek afgedaan worde. § 16. Bij de onderhandeling over deeze Eilanden bleek, dat de Dallewa van begrijp was, dat alle drie paggers, die in het Jaar 1780 aangelegt zijn, op de Moetoekoenis gestaan hadden en dat over zulx de Ei„ landen, waarop de overblijftels van die paggers noch te tien waaren, tot de Moetoekoenis behoorden, en dus onder de beoogde Koopbegreepen waaren. Ik onderrichtede hem derhalven, dat dit eene dwaaling was, want dat eenlijk twee van die paggers op de Moetoe koe„ nis gestaan hadden, en de derde op het Eiland Mallenhare, het welk niet tot dezelven behoorde, maar een afzonderlijk Eiland was, het welk de Kompe. van ouds bezeeten had: Dit quam hem vreemd voor, en hij betuigde, dat de Koning in het vaste denkbeeld was, dat alle Eilandjes, die tusschen Aikotte en Krangahoor in de Rivier langs Parve lagen, tot de Moetoekoems behoorden, en aan hem zouden afgestaan worden; Hier„ 17. -n 4. 4. 224 in lag en tweede dwaaling, want behalven het evengemelde Eiland Mallenkawe het welk voor Vier honderd Ropijen 'sjaars verpacht is, liggen daar noch meer Ei¬ landjes, die niet tot de Moetoekoen is behooren, en afzonderlijk verpacht zijn te weeten: Kleen Mallenkame, tegen over ctikotte, voor neegentig, twee stukjes tai„ „land aan weershouten van Mallen„ „kawe, voortachentig, en noch een Eé„ landje het Vetland genaamt, voor Vijf en „tachentig ropijen. Hierover was hij Heer verwonderd, doch ik overtuigde hem met de origineele Obligaatsie=ola van den Samorijn, waarbij de Moetoekoenis aan ons overgegeeven zijn, dat dezelven beston„ „den in drie Eilandjes, namentlijk het eigentlyk zoo genaamde Moetoekoene, Kottolikadoe en Schettikadoe, en dat bij ola duidelijk stond, dat dezelven geleegen waaren aan de Ricier van van Kranganoor tusschen het Eiland Saroe en SKomps Eiland Malenkawe tot een klaar bewijs, dat Mallenkarre daar noit toe behoord had, en waaruit van zelfze volgde, dat de oorige zoo even benoemde kleene Eilandjes, daar ook niet toe behoorden, doordien dezelven bij de Ola niet benoemd, en ook noch westlijker aflagen, SS 18. aflagen, wordende dit ten overvloede noch nader beweezen met de Verpachtings„ rollen, waarbij dezelven afzonderlijk bekend stond en Overtuigd zijnde, vertocht hij, dat Mallen¬ kare en alle de oorige Kleene Eilandjes tegelijk met de Moetoekoen is aan den Koning mogten overgelaaten worden, want dat de Moetoekoen is zonder het meermelde Eiland niet dienen Kosten, tot het voornaamste Oogmerk waartoe de Koning die begeerde, te weeten: om dezelven tegen den Vijand van de Overkant te fortificeeren. § 19. Dit laaste Kost ik niet tegenspreeken want zoo lange Mallen Karre, waarop de grootste Lager La C. gestaan heeft t onbevestigd blijft; zoo kunnen de retran„ chementen, of andere Vestingwerken, die men op de Eilanden Kattoli„ Kadoe en Moetoekoeni aanleggen wilde, tot niets dienen, alzoo een Vijand van den Overhant, dan maar op Mallen hare behoefd te landen. Ik bespeurde teffens, dat de Dallewa gereed was, daarvoor een hoogen prijs te beesteden, doch ik moest dit de kli„ neeren uit hoofde van het aanschrijven van 225 van Batavia van den 30 Aug:s 1787 §. 30, om tot het verkoopen van landen zon„ „der qualificaatsie van Haar Hoogedel„ „heeden niet weder te treeden. §20. Dit refús had hij niet verwacht, en hoe- wel in hem tocht te bevreedigen aan de eene zijde, met het argument, dat voorleede Jaar de dne Moetoekoenis alleen en zonder meer gevraagd waaren, en ik derhalven daar toe ook maar alleen en bepaadelijk qualifikaatsie had bekoomen, die ik niet durfde overtreeden, en aan de andere zijde, met de aan„ bieding, dat ik de begeerte des Konings omtrend de verdere Eilanden aan de Hooge Regeering voordraagen, en haare toestemming daartoe verzoeken wilde, zoo konde ik hem echter niet beweegen, om over de Moetoekoen is alleen met mij te handelen, voorgeevende, dat hij daar„ toe op eigen gezag niet durfde treeden, wijl de Koning, door de uitzondering van de oorige Eilandjes, in zijn heele Oogmerk te leur gesteld wierd. Doch dat hij de zaak aan Zijne Hoogheid voorstellen, en mij morgen bescheid zeggen zoude, tot welk einde hij vertocht den prijs van de Moetoe koenis te mogen weeten § 21.

NL-HaNA_1.04.02_3801_0504 view scan ↗

English

Section 21. I replied thereto that the three Moetoekoenis were leased for eleven hundred and fifty ropijen, which calculated at three percent to capital amounted to thirty-five thousand ropijen, which was thus the price for which I could cede them, but that besides this there was yet another condition, without which the purchase could make no progress, to wit: That the King must bind himself in writing not to hinder in any manner the navigation of the river past the Moetoekoenis. Section 22. He accepted this ad referendum and wished to depart, but just before his arrival the Proto-Vicars of Verapoli, Francisco de Eliseo and Father Paulino de St Bartholomaeo, had informed me that the last-named, according to the note at the conference of yesterday, had had an audience with His Highness, but had been turned away with his request to remain exempt from the money fine, and that they had received a letter from the Lord Bishop this morning containing that he had been arrested in his chamber since yesterday, and that two Sipahis had been placed as sentries before the same, wherefore they claimed the intercession and protection of the Company. I therefore spoke with the Dallewa about this matter, and pointed out to him that the Roman Christians had from ancient times stood under the protection of the Company as vassals, and that this had particularly taken place with regard to the Lord Bishop of Verapoli and his subordinate Fathers, who were all born Europeans; that the King of Travancore upon conquering these northern lands had expressly promised to let the Roman Christians remain in their old privileges; and that this had also taken place until now, with special regard to the Monastery of Verapoli; and I thus expected from the equity of the King that the aforementioned clerics might also in this case be treated as vassals of the Company and acquitted of the fine, and that in particular the military execution in the monastery might be lifted at once. He replied hereto that the clerics at Verapoli had been assessed this fine because, some years ago, they had imprisoned a certain Catanar within their convent, who had perished there or, according to their statement, had died, and that the King had imposed this fine upon them on the grounds that they had usurped this authority in his lands over his subject and, if the said Catanar had actually died a natural death, had given no notice thereof; but that he would report my intercession to the King and give me an answer hereto tomorrow. Hereupon he took his leave and departed under the usual honors mentioned in the Daily Register. Thus done on the date and day aforesaid. Was signed: J. G. van Angelbeek. Agreed. Arnold Lunel First Secretary Brief note of the conference with the Dallewa of Travancore, Kesava Pillai, on Thursday the 19th of June 1788. Section 1. According to the appointment of yesterday, the Dallewa of Travancore entered at eleven o'clock with the usual state, and apologized for coming so late by alleging that the King, who wished to depart for the South this evening, had detained him; but I had already been informed that yesterday, as soon as he had returned home from the conference, he had sent people to Parur to inquire among the oldest and most knowledgeable inhabitants there how it had formerly stood with the islands of Moetoekoeni, which had previously belonged to the Kingdom of Parur, which emissaries had only returned this morning. Section 2. After the further usual compliments, he requested in the name of the King that the island Great Mallenkawe and the further small islands lying near the Moetoekoenis, which are described more fully in the note of yesterday, might be relinquished to him together with the last-named islands, because the Moetoekoenis without Mallenkawe did not fulfill the purpose for which they were purchased, and when he had requested those islands he had known no better than that the same and all the other islands belonged thereto, etc. And when, for the reasons mentioned in the note of yesterday, I continued to refuse this and could imagine nothing other than that the negotiation would come to naught, he unexpectedly made the following declaration: Sir, the King trusts that you would comply with his request if you dared to do so; he also trusts that, according to your promise, you shall request authorization from the High Government to cede the remaining islands to him as well, and then he is also assured that said authorization will follow. In this trust, His Highness has thus ordered me to purchase the Moetoekoenis from the Company at this time. Section 3. I shall not extend this unnecessarily by a detailed account of the attempts he made to reduce the demand of one hundred for three, but will only make known that he finally consented to the same, and thus the three islands, Moetoekoenoe, Kattelikadoe, and Schittikadoe, have been sold to His Highness the King of Travancore for thirty-five thousand ropijen, under these conditions: that the deeds of sale shall be issued at once, but the islands not handed over until the beginning of January, when the lease year expires; that the Company's merchant David Rahabi shall grant a bond for the purchase money, to be settled in the book year 1788; and that the King, before the transfer is made, shall promise in writing that he will not hinder the navigation past the Moetoekoenis. Section 4. Now the matter of the Roman clergy at Verapoli came under discussion, regarding which the Dallewa declared that the King thereby in his right had

Dutch transcription

§ 21. Ik antwoorde daarop, dat de drie Moe„ toekoenis voor elf honderd vijftig ropijen verpacht waaren, die tegen drie percent tot Kapitaal gereekend, Vijf en dertig duizend ropijen uitmaakten, het welk dus de prijs was, waar voor ik dezelven Kost afstaan, doch dat er buiten de noch een kondietsie bij was, zonder we ke de koop geen voortgang hebben- kor¬ de, te weeten: Dat de Koning zich schriftlijk verbinden moest, de Vaart van de Rivier voorbij de Moetoekoem op geenerhande wijze te willen belen¬ „meren. 322. Hijnam dit aan adreferendum, en wilde vertrekken, doch, eeven voor zijne komste, hadden de Protovicanies van Verapoli Francisco de Eli zeo, en de Pater Paulino de St Bartholomaeo mij kennis gegeeven, dat de laastgenoem„ de volgens het aangeteekende bij de Kon„ „ferentsie van gisteren hedden mogen bij zijn Hoogheid audient sie gehad had, doch met zijn Vertoek, om van de geld boete borijdt te blijven, afgeweezen was, en dat zij van den Heer Bisschop deezen morgen een en brief ontvangen hadden, inhoudende, dat hij teder gis¬ teren 5. 5. 226 teren in zijne kamer gearresteerd was, en dat twee Sipahis tot Schildwachten voor dezelve geplaatst waaren, weshalven zij de Voorspraak en protexie van de Kompe¬ reklameerden. Ik onderhield derhalven den Dallewa over dit geval, en toonde hem aan; dat de Roomsche Christenen van aloude tijden, als Vasallen onder de bescherming van de Kompe gestaan hadden, en dat dit inzonderheid had plaats gehad, omtrend den Heer Bisschop van Verapoli en zijne onderhoorige Pa„ ters, die alle geboorne Europeeschen waa¬ ren, dat de Koning van PrevanKoor bij het veroveren van deeze noordlijke landen, expres beloofd had, de Room„ sche Christenen bij hunne oude Voor„ rechten te zúllen laaten blijven; en dat dit ook tot nu toe, met bezonder opzicht tot het Klooster van Verapoli¬ had plaats gehad, en ik dus verwachtede van de billijkheid van den Koning, dat meerm: geestlijken ook in dit geval als Vasallen van de Kompe. mogten behandeld en van de boete vrij„ gesprooken, en dat inzonderheid ten eersten de militaire exekúútsie in het klooster mogt opgeheeven worden. Hij antwoorde hierop, dat de geestlijken te Verapoli in deeze boete geslagen waaren waaren, wijl zij, eenige Jaaren geleeden, zeekeren Katenaar gevangen gezet hadden, binnen hun konvent, die daar om hals gekoomen, of, volgens hun leggen overleeden was, en dat de Koning, ter zaake dat zij zich dit gezag in zijn landen over zijnen onderdaan aan„ gemaatigd, en indien gem: Katenaar werklijk een natúúrlijken dood gestorven waare, daarvan geen kennis gegeeven hadden, hen deeze boete had opgelegt, doch dat hij aan den Koning van mijne tusschen spraak rapport doen, en mij morgen hierop bescheid zeggen zoude Hierop nam hij afsheiden vertrok onder de gewoone Eerbewijzingen bij het Dagregister vermeld. Aldus gedaan ten daar en Dagen voormeldt. /:was geteekend:/ J G. Van Angelbeek. Akkordeerd. Arnold Lunel p:s sekret:s - 227 Volgens afspraak van gisteren quam de Dal„ „lewa van Trevankoor om elf uur met de gewoone Staatsie binnen, en verontschul„ „digde tich, dat hij zoo laat quam, met het voorgeeven, dat de Koning, die heeden avond naar de Zuid vertrekken wilde, hem had opgehouden, doch ik was reets ondericht, dat hij gisteren, zoo dra hij uit de konferentsie te huis gekoomen was, Volk naar Paroe had gezonden om bij de oudste en landkundigste In woo¬ „ners aldaar te verneemen, hoedanig't met de Eilanden Moetoekoeni, die voor deezen tot het Rijk van Paroe gehoord hebben, in vroeger tijden was geleegen, welke rendelingen heeden morgen eerst terúg gekoomen waaren. Na de verdere gewoone Komplimenten, vertocht hij, uit naam van den Koning dat het Eiland, groot Mallenkawe en de verdere Keeene Eilandjes bij de Korte aanteekening van de Konferentsie met den Dal„ „lewa van Tre van Koor Kesa Pulle, op Donderdag den 19. Juni 1788. Moetoe„ §1. C. 32. Moetoekoenis leggende, die bij de aantee„ Kening van gisteren nader beschreeven zijn tegelijk met de laastgen: Eilanden aan hem mogten overgelaaten worden, wijl de Moetoekoenis zonder Mallen Kawre aan het Oogmerk, waartoe zij gekocht wierden, niet voldeeden en hij, toen hij om die Eilanden verzocht had, niet beter had geweeten, dan dat het zelve en alle ovrige Eilandjes daartoe gehoorden. en z: En toen ik dit om reden bij de aanteekening van gisteren vermeld, blijf weigeren, en mij niets ander Kost voorstellen, dan dat de onderhandeling toude te niet loopen, deed hij onverwacht de volgende Verklaaring: Mijn Heer de Koning Vertruwd, dat ge aan zijn Vertoek voldoen houdt, indien gij het durfde doen, hij vertrouwd ook, da gij, volgens Uwe belofte, van de Hooge Reegering qualifikaatsie vertoeken stult, om de overige Eilandjes ook aan hem afte staan, en dan is hij ook ver reekend, dat die qualifikaatsie volgen zal. In dit vertrouwen heeft zijne Hoogheid mij dus gelast, de Moetoekoenis thans van de Kompe te koopen. 83. 228. § 3. Ik zal deeze niet noodloos uitbreiden door een Omstandig Verhaal van de poo= „gingen die hij deed, om den Eisch van horderd ten drie te verminderen, maar alleen bekend stellen, dat hij eindelijk in den„ zelven bewilligde, en dus de drie Eilan„ den, Moetoekoenoe, Kattelikadoe en Schittikadoe, voor Vijf en dertig duizend ropijen aan zijn Hoogheid den Koning van TrevanKoor verkocht zijn, onder deeze Kondietsien dat de Koopbrieven ten eersten zullen uitgevaardigd, doch de Eilanden niet eer, als in het begin van Januan, wanneer het pacht jaar uit is, overgegeeven worden; dat 's Komps. Koopman David Rhabbi, voor de Koop¬ penningen en Obligaatie tal verlee¬ nen, om in het boekjaar 1788/. vereverd te worden; en dat de Koning, voor dat het transport gedaan word, schriftlijk beloven zal, dat hij de Vaart voorbij de Moetoekoenis niet belemmeren wil. §4. Nu qúam het geval van de Roomsche geeftlijkheid te Verapoli op het tapijt, waaromtrend de Dallewa verklaarde, dat de Koning daar door in zijn recht ge

NL-HaNA_1.04.02_3801_0512 view scan ↗

English

had been offended, and thus could not directly remit the fine, yet as a token of his affection for me, he made a present of it to me, so that I might act therewith according to my pleasure. I understood that this was seemingly a compliment to me, but in fact a trick to preserve the authority which the King claimed over the same, and therefore answered that I thanked His Highness very much for his affection, but could not accept this present, because in this case I did not come forward as a private advocate for the clergy of Verapoli mentioned, but by virtue of the patronage of the Company over the same; and thus simply requested that the same, as standing under the protection of the Company, might be acquitted of the aforesaid fine, and the Lord Bishop be freed from the military execution. This was then also, after much talking back and forth, simply granted, and upon my further request, orders were immediately dispatched to the officer who had occupied the convent that he should forthwith withdraw with his Sipahis, which then also occurred. Already in the month of January, the Protikaar of Are had placed under seizure two small gardens situated in the village of Tweweri and called Katarina Kardozo, which together with a small plot of arable land are leased to the Christian Badie Lonen for eleven ropijen a year, under the false pretext that the same belonged to Kaletseen Bitsjoer, which had been sold to the King in the year 1786. On this matter I had written several times, both to the Ministers and to the King, and had each time received the promise that the gardens would be returned, yet each time, when the tree-counter was sent by me to take them over, these orders were evaded by the Protekaare and other officials who were to effect the return. On this matter I now lodged a complaint, and the Dallawa promised the return, yet requested at the same time that I would surrender those gardens, which according to the saying of the inhabitants had of old belonged to Bitsjoer, to the King against payment. I replied to this: that Bitsjoer had been sold such as it had been leased at that time, that the two gardens aforementioned with the piece of arable land had been leased separately and thus were not sold along with it, which appeared most clearly from the amount of the purchase money of Bitsjoer, which had been calculated according to the lease money, as also at the surrender of Bitsjoer itself, and furthermore, that I could not declare myself upon the request to sell those gardens as long as they were held under seizure; because such a surrender would gain the appearance as if it had been done by coercion. He promised hereupon to give further orders for the surrender of the same. Paragraph 6. Now he began a tedious tale of the heavy expenses which the King, his Master, had to bear, both on account of the annual tribute to the Nabab, Mahmet Alichan, and the maintenance of troops, which this year had been increased by six battalions of Sipahis of eight hundred men each, for the payment of which the ordinary revenues did not suffice, on which account His Highness had been compelled to think of other means, and therefore had established a trading post at Alepe, to sell the products of his country to the Bombaras and other native merchants and to buy again from the same the requirement of Kapok and other goods; yet the Company had disturbed that trade last year by its cruisers and demanded besides from everything that was bought and sold there just as much toll as at Koetsien itself, whereby that trade was naturally much obstructed. He had therefore devised a means to remove this inconvenience, to mutual satisfaction and advantage, which he was assured would be relished by me, because it was based on the Treaty of the year 1753, and at the same time served not only to preserve the Company in the enjoyment of its tolls, but also to bring great advantages to the Honorable Company and at the same time to the colony, and this means consisted in this, that the King wished to deliver all products of his country to the Company and to purchase from it all requirements which the Bombaras brought, and among these the Kapok, of which the consumption in his country amounted annually to about three thousand kandijlen. Paragraph 9. This proposal was in more than one respect of all too great weight and appeared to me at the same time so very unexpected, that I did not dare to declare myself upon it. On the one hand, very great advantages presented themselves, especially that thereby all further disputes with the King concerning the tolls and cruisers would be removed, that also the detriment which our trade suffered from the trade of Trevankoor would thereby be prevented, and that our trade here would thereby increase considerably. On the other hand, I foresaw several difficulties, principally on account of the greed and cupidity of the Malabars, which particularly seems inherent to this Minister, and would seduce him not only to demand unreasonable prices for the products, but also, when an agreement had been reached in that regard, to deliver bad wares, and then also on account of the great trouble which such an unlimited delivery would necessarily cause, and furthermore also on account of the large capital in ready money which was required for carrying on such a trade. Paragraph 10. I therefore gave as an answer to this, that

Dutch transcription

„gekrenkt was, en dus de boete niet direkt Kost opheffen, doch ten blijke van zijne geneegenheid voor mij, dezelve aan mij present deed, en ik daarmeede dus naar mijn welgevallen kost handelen. Ik begreep, dat dit in Schijn wel een Kom„ pliment aan mij, doch in der daad eene Kunst greep was, om het gezag, het welk de Koning zich over dezelve aanmaatigde te bewaaren, en antwoorde derhalven, dat ik zijn Hoogheid teer bedankte voor zijne geneegenheid, doch dit prezent niet Kost akcepteeren, wijl ik in dit geval voor de geestlijkheid van Verapoli vermeld niet opquam als een partikuliere Voor- spraak, maar uit hoofde van het pa„ trocinium van de Kompenie over de„ zelve; en dus eenvoudig verzocht, dat dezelve, als onder de Bescherming van de Kompe staande, van de meer- melde boete vrij gekent, en de Heer Bisschop van de Militaire exekuat sie bevrijd mogt worden. Dit werd dan ook, na veel over en weer praatens, een voudig bewilligd, en op mijn nader Vertoek werd aan den Officier, die het konvent bezet had¬ op 2. 2. 229 op staanden voet ordre afgevaardigd, dat hij met zijne Sipahis ten eersten moest aftrekken, het geen dan ook geschied is. Reets in de maand Jan uan had de Protikaar van Are twee kleene tuintjes in het Dorp Twe weri geleegen en Katarina Kardozo genaamd, die ne„ „vens een Kleen plekje Zailand voor elf ropijen sjaars aan den Kusten, Badie Lonen verpacht zijn, met arrest belegd, onder het onwaar pretext, dat dezel„ ven tot Kaletseen Bitsjoer behoorden, het welk in het Jaar 1786 aan den Koning verkocht was. Hierover had ik verschei¬ de Keeren, zoo wel aan de Ministers, als aan den Koning, geschreeven, en telkens de belofte bekoomen, dat de tuinen touden teruggegeeven worden, doch telkens, wanneer de Boomteller door mij gezonden werd, om te over te neemen, wierden deeze ordres door den Protekaare en verdere Bedien¬ den, die de teruggave doen moesten, geëludeerd. Hierover viel ik nu Klachtig, en de Dallawa beloofde de teruggave, doch verzocht teffens, dat ik die tuinen, die, naar het zeggen van de Jnwooners, van ouds tot Bitsjoer gehoord hadden, aan den 55. den Koning tegen betaaling afstaan wilde Ik antwoorde hierop: dat Bitsjoer ver= kocht was, zoodanig als het diertijds verpacht geweest was, dat de twee tuin en voormelt met het stukje Zailand apart verpacht geweest en dus niet mede verkocht waaren, het welk op het Klaarste bleek, aan het bedraagen van de Kooppenrin„ gen van Bitsjoer die naar de kuurpen„ ningen berekend waaren, gelijk ook bij de Overgave van Bitsjoer Zelve, en voorts, dat ik mij op het Verzoek, om die tui¬ nen te verkoopen, niet Kost verklaaren, zoo lange zij in arrest gehouden wierden; wijl tulk een Overgave het aanzien rou„ de gewinnen, als of zij door dwang geschied waare. Hij beloofde hierop nadere ordre tot de Overgave van den„ zelven te zullen stellen S. 6. Nu begost hij een langwijlig verhaal van de Zwaare Kosten, die de Koning, zijn Meester, draagen moest, zoo wel wegens het jaarlijx tnbut aan den Nabab, Mahmet Alichan, als het onderhoud van troepen, die dit Jaar met ses Batalljons Sipahis van agt honderd Man ieder vermeerderd waaren, tot wel„ -: 230 welker betaaling de gewoone inkomsten niet toe reikten, weshalven zijne Hoogheid genoodzaakt geweest was, op andere mid¬ delen te denken, en daarom te Alepe een handelplaats had aangelegdt, om de produkten van zijn land aan de Bombaras en andere inlandsche Hande„ laars te verkoopen en de benoodigheid van Kapok en andere goederen van den„ zelven weder inte koopen; doch de Kompenie had dien handel voorl= Jaar door haare Kruissers gestoord en begeerde bui¬ ten des van al het geen daar gekocht en verkocht werd, eeven zoo veel toe als te koetsiem zelve waardoor die handel natuurlijker wijze zeer belemmerd werd. Hij had derhalven een middel uitgedacht, om dit in konvenient, tot wedertijds genoe„ gen en Voordeel, wegteneemen, het geen hij verteekerd was, dat van mij gegouteerd zoude worden, wijl het op het Traktaat van het Jaar 1753. steunde, en teffens strekte, om niet alleen de Kompe bij het genot van haare tollen te Konser- veeren, maar ook, aan haar Edele en teffens aan de Kolonie groote Voor= deelen toe te brengen, en dit middel bestond daarin, dat de Koning alle pro= elúcten van zijn land aan de Kompe leeveren en alle benoodigheeden, die de S. 9. de Bombaras aanbragten, van haar inkoopen wilde en daaronder de Kapok, waarvan de Vertier in zijn land jaarlijx omtrend drie duizend kandijlen bedroeg. Deeze Voorstel was in meer dan een opzicht van al te groot gewigt en quam mij teffens zoo heel onverwacht voor, dat ik mij daar¬ op niet durfde verklaaren. Aan de eene zijde vertoonden zich heel groote Voordeelen, inzonderheid, dat daar door alle verdere disputen met den Koning over de tollen en bekrussingen zouden weggenoomen worden, dat ook het nadeel, het welkonte handel bij den handel van Trevan Koorleed, daar door wierd voorgekoomen, en dat onze han„ del alhier daardoor merklijk zoude toeneemen. Aan de andere tijde voorzag ik verscheidene zwaargheeden, voornaamlijk, wegens de inhaaligheid en baatzucht der Mallabaa„ ren, die deezen Minister inzonderheid schijnt eigen te zijn, en hem verleiden zoude, om niet alleen onreedelijke prijzen voor de prodúkten te eischen, maar ook, wanneer men het daar omtrend eens geworden was, slechte waaren te leeveren, en dan ook wegens den grooten omslag, die zulk een onbepaalde leverantsie nood- wendig zoude veroorzaaken, en voorts ook noch wegen het groot Kapitaal gereed geld, het welk tot het bedrij¬ ven van zulk een handel vereischt werd § 10. Ik gaf derhalven hierop tot bescheid, dat 38. 3.

NL-HaNA_1.04.02_3801_0517 view scan ↗

English

that I wished to take that proposal into consideration, and for that purpose especially needed a statement of the products, their quantity and proximate prices, wherefore I requested him to hand the same to me, when I would explain myself further upon it. He promised to do this at the earliest upon his return, and departed for Parur, where the headquarters of the Travancore Army is. Thus done on the year and day aforesaid. was signed J. G. van Angelbeek. Agreed Arnoldus Lunel first Secretary Short Record of the conference held between the Noble Lord Governor and the Sarbadhikari of the King of Cochin, named Govinda Menon. Thursday the 26th of June 1788, at 9 o'clock in the morning, the aforesaid Sarbadhikari came to the Noble Lord Governor and, after paying the customary compliments, made known that his Master, ever since his return from Palakkad, had wished to speak with the Noble Lord Governor himself, but was prevented from doing so by indisposition, and therefore had now sent him to give a detailed account of everything that had occurred at the meeting between His Highness and Tipu Padshah at Palakkad. The Noble Lord expressed that this was pleasing to him, and ordered us, the undersigned Interpreters, to remember everything well, and to write down the essentials at once, which was done by us as follows. On the 13th of the month of Edavam, or the 23rd of May, the King arrived at Palakkad, where, by order of the Padshah, a dwelling was assigned to him in the Brahmin Street, east of the fort. His Highness immediately had his arrival made known to the Padshah by the Karyakar Siralan Pattar, who thereupon had His Highness welcomed by two Moorish Ministers, and announced that he would grant him an audience the next day. The following day, being the 24th of May, in the morning the Padshah sent all kinds of provisions for the King and his retinue, and in the evening at eight o'clock two Moorish Ministers came on behalf of the Padshah to fetch the King, who went thither accompanied only by his brother-in-law Tirumulpad and him, Govinda Menon. The meeting was held outside the fort in the tent of the Padshah. In front of it stood some sentries with naked sabres, and two Moorish Ministers received the King outside of it, and guided him inside to the Padshah, who then came forward and received the King kindly, and made him sit. After the first formalities, the Padshah said among other things: Two years ago, when I was encamped north of Palakkad at Kodagu, I wrote to you that I was very desirous to meet you. Whereupon His Highness replied that his desire had been no less, but that he had never been so far outside his Realm, and his indisposition at that time had also not permitted him to make that journey. Tipu subsequently asked why His Highness had stayed away so long this time, since he had written three letters to him and invited him. To this the King gave as an answer that this had to be attributed solely to his indisposition. Tipu further asked how the King of Travancore conducted himself towards His Highness. Whereupon the King gave as an answer: For many years now we have lived with one another in close friendship, and we are also close friends. Then Tipu said: I have understood that the King of Travancore has taken possession of some lands of Your Highness, and has returned some of the same again, but still keeps possession of the others; is that true? His Highness replied: My Ancestors ceded some lands to the King of Travancore for the assistance rendered in the War against the Zamorin; some years ago Travancore returned some of the same to me again, the rest are still under him. Hereafter indifferent matters were spoken of, and subsequently His Highness gave his presents to the Padshah, consisting of a golden dagger, and two good bracelets, all set with precious stones, and various rich and silk fabrics. The Padshah gave as a counter-present to His Highness two armlets set with pearls, a Robe of Honour, some head ornaments for a turban set with jewels, and a Horse. On the 15th of this month, or the 25th of May, at 10 o'clock in the morning, His Highness was fetched and received by the Padshah with the very same marks of honour as the day before. In this audience the Padshah asked very detailed questions about the Dutch Company, and in the first place how matters stood between the same and His Highness, who thereupon gave simply as an answer: We have lived in a close alliance for many long years. Tipu thereupon asked how the Castle of Cochin had fallen under the authority of the Dutch Company, since the Land belonged to His Highness himself! To this His Highness replied: When the Portuguese here on Malabar, together with the Zamorin, committed many insolences against us, my Ancestors, upon the reports of the good treatment of the Company towards its Allies, requested help from Their Excellencies, who delivered us from the Portuguese and captured the City from them; in this manner the Dutch Company came to this Coast, and ever since then we have lived very contentedly, and closely united. Tipu thereupon asked whether the Castle of Cochin

Dutch transcription

231 dat ik dien Voorstel in Overwel¬ ging neemen wilde, en daartoe in„ zonderheid noodig had eene opgave van de produkten, derzelver quan„ titeit en naaste prijzen, wes- „halven, ik hem verzochte mij de„ zelve ter hand te stellen, wanneer ik mij daarop nader verklaaren wilde Hij beloofde dit bij zijne terugkomst ten eersten te zullen doen en Vertrok naar Paroe, daar het Hoofd quartier van het Prevan„ Koorsche Leger is. — Aldus gedaan ten Jaaren dagen voormeldt. /:was geteekend:/ J. G. Van Angelbeek. Akkordeerd Arnold „ Lunel p:r Sekret:s 3. 232 Korte Aanteekening van de gehoudene konferentsie tus¬ sch en de Edele Heer Gou„ verneur en den Sarbadikana„ kaar van den Koning van Koetsiem in naame Gowinda Menon Donderdag den 26. Juni 1788. smorgens ten 9 uur quam de Sarbadikariakaar voormeld bij den Edelen Heer Gouverneur en maakte, na het afleggen van de gewoone Komplimenten, bekend, dat zijn Meester, Ieder zijne terugkomst van Palkat seen, gewenscht had, den Edelen Heer Gouverneur zelf te spreeken, doch daann door onparlijkheid verhinderd wierd en derhalven hem thans gezonden had, om van al het geen, bij de ontmoeting tusschen zijn Hoogheid en Tipoe Patscha op Palikatseen voorgevallen was, een omstandig bericht te geeven. 82. De Edele Heer betuigde, dat hem dit aangenaam was, en beval aan ons on„ dergeteekende Tolken, alles wel te ont„ houden, en het zaaklijke ten eersten op te teekenen het geen door ons gedaan is, als volgt. §3. Den 13:e van de maand Edawam ofte den 23. e S 1. . 23e: Mei arriveerde de Koning te Palkatseen waar Hem, op beveel van den Patscha in de bramineesche Straat, beoosten het fort, eene wooning aangeweezen werd. zijn Hoogheid liet ten eersten zijne aan„ komst door den Raziadoor Siralen Pater aan den Patscha bekend maaken, die daarop door twee Moorsche Ministers zijn Hoogheid liet verwelkomen, en aanzeggen dat hij hem 's anderen daags audientsie verleenen zoude sdags daarna, zijnde den 24 Mei Smor„ gens tond de Patscha allerlij Levens- middelen voor den Koningen zijn ge„ volg, zen 'savonds om agt uur quaam en twee moorsche Ministers uit naam van den Patscha den Koning afhaalen, die alleen van zijn zwager Tire moepa„ „do en hem Gowinda Menon verzeld daarnaar toe ging §5. De ontmoeting wierd buiten het fort in de tent van den Patscha gehouden, voor dezelve stonden eenige Schildwachten met bloote tabels, en twee moorsche Mi„ „nisters ontvingen den Koning buiten dezelve, en gelijden hem naar binnen bij den Pat„ „scha, die toen voorquam en den Koning vriend„ §4. 233 vriendelijk ontving, en liet zitten; Na de eerste plechtpleegingen zeide de Patscha onder anderen: Ik heb voor twee Jaar toen ik benoorden Palkaetseen op Kodaga gekam¬ peerd was, aan U geschreeven, dat ik zeer begeeng was U te ontmoeten. Waarop zijn Hoogheid antwoorde, dat zijn begeerte niet minder geweest was, doch dat hij noit zoo ver buiten zijn Rijk geweest was, en zijne Onpaslijkheid dier tijds ook niet toegelaaten had, die reize te doen Tipoe vroeg vervolgens, waarom zijn Hoog heid dit maal zoo lang was weggebleeven, daar hij dne brieven aan hem geschree„ ven en hem genoodigd had Hierop gaf de Koning tot antwoord, dat zulx een„ lijk aan zijne dupaslijkheid moeste toe„ geschreeven worden. 36. Tipoe vroeg verder, hoe de Koning van Ire van Koor zich tegen zijn Hoogheid gedroeg. Waarop de Koning tot antwoord gaf„ Het is nu lange Jaaren, dat wij met elkander in nauwe Vriendschap leeven, en wij zijn ook nauwe Vrien¬ den Toen Zijde Tipoe: Ik heb verstaan, dat dat de Koning van Tre van Koor eenige Lan¬ den van Uwe Hoogheid in bezit genoo„ men, en van dezelven eenigen weder terug gegeeven heeft, doch de anderen noch in bezit houd, is dat waar? Zijn Hoogheid antwoorde, mijne Voortaaten hebben eenige Landen aan den Koning van Pre van Koor afgestaan, voor de bewee„ zene assistentsie in den Oorlogtegen den Samorijn, voor eenige Jaaren heeft Ore van Koor eenigen van dezelven weder aan mij teruggegeeven, de overigen zijn noch onder hem. S. 7. Hierna werd van onverschillige dingen ge„ sprooken, en vervolgens gaf zijn Hoogheid zijne presenten aan den Patscha, be„ staande, in een gouden Buirsteeker, en twee goede Armbanden alle met edele gesteenten bezet, en verscheidene rijke en zijde stoffen. De Patscha gaf tot een Kontra present aan zijn Hoogheid, twee Armringen met Paarlen bezet, een Eere Kleed, eenige hoofd Ziertels voor een tulband met Juweelen bezet, en een Paard. 38. Den 15 deezer, ofte den 25. Mei Smor= gens te 10. uur, wierd zijne Hoogheid met 2. 234 met de eigenste Eerbewijzing als 'sdaags te vooren afgehaald en door den Patscha ont„ vangen. §. 9. In deeze audientsie vroegde Patscha zeer omstandig naar de Hollandsche Komparie, en in de eerste plaats hoedanig het tus„ „sch en dezelve en zijn Hoogheid gesteld was, die daarop eenvoudig tot antwoord gaf: Wij leeven in een na uwe Verbintenis Ieder lange Jaaren Tipve vroeg daarop, hoe het Kasteel Koetsien onder het gezag van de Hollandsche Kom„ „pagnie was geraakt, daar het Land doch van zijn Hoogheid zelve was! Hierop ant„ woorde zijn Hoogheed: Toen de Portugeezen hierop Mallabaar met den Samorijn te zaamen tegen ons veele insolentsien pleegden hebben mijne Voorzaaten, op de genichten van de goe„ „de behandeling van DE Komparie aan haare Bondgenooten, Haar Edele te hulp Verzocht, die ons van de Portu¬ geezen verlost en de Stad van hen veroverd heeft, op deeze wijze is de Hollandsche Kompe. op deeze Kuste gekoomen, en Ieder dien leeven wij zeer vergenoegd, en nauw vereenigd. § 11. Tipoe vroeg daarop, of het Kasteel Koet, Item 3. 10.

NL-HaNA_1.04.02_3801_0526 view scan ↗

English

Cochin and the fort Cranganore were strong fortifications, whether many military men were stationed there, and whether one could easily conquer those places. To this His Highness said that the Castle of Cochin was already very strong previously, but under the government of the present Governor had been made much stronger, and currently fifteen or sixteen hundred Europeans and between three and four thousand native soldiers are stationed in it; besides this, thirty or thirty-five gentlemen are stationed there. The fort Cranganore is also strong, six hundred men are stationed in it at present, but many of Your Majesty's own people have seen this fort and can give a better report of it. § 12. The Padishah further asked what kind of man the Governor was, and the King answered, He is a modest and sensible gentleman who has been in various places and has much experience. Tipu further asked how the King of Travancore stood with the Dutch Company, and to this His Highness answered, Those two are also very closely allied. The Padishah further said in this audience, In my treaty with the English, § 14. § 13. 235. I included Your Highness as my ally, and they included Travancore as their ally. Whereupon the King answered that the Padishah and the English will know that better than he. § 15. Subsequently the Padishah proposed to the King that, as he had too little power in his realm and was enclosed within the Lines of Travancore, he would do better not to reside at Trichur henceforth, because this place lay outside the Lines of Travancore; and to encourage him to do so, he added, I will grant Your Highness, for his status and security, one thousand horsemen and five thousand infantry; these troops can be paid out of the annual tribute money to me, and whatever is lacking I will add to it. Hereupon His Highness requested to be excused from this, for if he did so, people would have bad suspicions about him. § 16. Subsequently the Padishah said, I have heard that the King of Travancore is a powerful Prince and a close ally of the English, and possesses very many good qualities. I therefore wish to enter into friendship with him, to which end I shall send two ministers with a letter and presents in your company to him. Your Highness must deliver these to him in my name and persuade the King to enter into an alliance with me, and make him understand that my alliance is more advantageous to him than the alliance of the English, who will surely deceive him, whereas if he has me as a friend, his state will improve greatly. § 17. The King answered thereto that he would gladly take the ministers with the letter and presents along, but would have to let them wait at Trichur in order first to inform the King of Travancore thereof, and if he were inclined to it, he would then have the envoys fetched from Trichur with the letter and presents and introduce them, as well as propose the further proposition to him. With this the conference was concluded on that day, and the Padishah requested the King to come again the next day, saying that he still had more matters to 236 to negotiate. When His Highness returned to his residence, he made his observations on all the propositions of Tipu and clearly perceived that the design of the Padishah was to detach him from the Company and from the King of Travancore, and became very anxious, not knowing what could happen the next day. He prayed to his gods and made many promises to them to save him from these perilous circumstances, for he had little hope of getting away. Finally he resolved to send a message to the four first ministers of the Padishah, of whom two are Moors and two are Brahmins, in order to obtain a speedy dismissal through their agency. He then sent a present of fifteen thousand rupees in cash to the aforementioned ministers and secretly let them know that he had felt unwell since his arrival at Palghat, and therefore requested them to arrange with the Padishah that he be dispatched the next day, before he might fall into disfavor with him through some word or other. § 18. § 19. Hereupon one of the four ministers, named Krishna Rao, a Brahmin who in earlier years was very well known to the King of Cochin, secretly let His Highness know through Siraal and Patter, kanakkars of the King of Cochin, that the Padishah had great designs on southern Malabar, but this time, due to the long delay of His Highness, was disappointed in his intention; that his endeavor at present was to stir up misunderstanding between the English and Travancore, and then execute his design. § 20. That His Highness should be cautious in answering the questions of the Padishah; and that he and the other ministers would endeavor to secure a speedy dismissal for His Highness. § 21. On the 16th of this month or the 26th of May, at eight o'clock in the evening, the Padishah sent two Moorish ministers to fetch His Highness, and coming to him, he said that His Highness could now depart, and the envoys, letter

Dutch transcription

siem en het fort Kranganoor sterke Ver tingen waaren! of daar veele Mil tairen lagen? En of men die plaatze ligtlijk zoúde kunnen vermeesteren Hierop zijde zijn Hoogheid het Kasteel Koetsiem is voor deezen reets heel ster geweest, doch onder de Regeering van den tegenwoordigen Gouverneur noch veel sterken gemaakt, thans liggen daarin Vijftien of sestienhonderd Europeeren en tusschen drie en vierduizend Inlandsche militairen, bui ten des zijn daar noch dertig of vijfen der tig Heeren bescheiden; Het fort Kvan ganoor is ook sterk, daar leggen thans ses hon„ „derd Man in, doch dit fort hebben velle van Uw Majesteits Volk zelve gezien, die daar beter bericht van geeven Kunnen § 12. De Patscha vroeg Wijders, wat de Gouverneur voor een Man was, en de Koning gaf tot antwoord. Het is een zedig en verstandig Heer, die op verscheide plaatzen is ge„ „weest, en veel ondervinding heeft Tipoe vroeg wijders, hoe de Koning van Trevan„ „koor met de Hollandsche Komparie stond, en hierop antwoorde zijn Hoogheid. Die beiden zijn meede teer nauw verbonden. Noch-zijde de Patscha in deeze audientsie Ik heb bij mijn traktaat met de Engel„ S14. schen §: 13. 235. schen Uwe Hoogheid als mijnen geallieerde in¬ „geslooten, en zij hebben Trevan Koor als hunnen Bondgenoot daarbij ingetrokken Waarop de Koning antwoorde: dat zulx de Patscha en Engelschen beeter zullen weeten, dan hij. — § 15. Vervolgens stelde de Patscha aan den Koning voor, dat hij, als in zijn Rijk te weinig macht hebbende, en als binnen de Linie van den Trevankoor opgeslooten zijnde beter zoude doen, niet voortaan te Intsjoer te resideeren, door dien deeze plaatzen buiten de Linie van Trevan„ „koorlag, en hij voegde, om hem daartoe aan te moedigen, daarbij. Ik tal uwe Hoogheid tot zijn staat en zeekerheid duizend Ruiters en Vijfduizend Man voet Volk toe voegen, die Troepen kunnen uit de jaarlijxe tribut penningen aan mij betaald worden, en het mankeerende toe ik 'er bijvoegen. - Hierop verzocht zijn Hoogheid; hem hiervan te verontschul„ „digen, want, als hij dit deede, zoo zoude de Menschen quaade vermoeden op hem hebben § 16. Vervolgens zijde de Patscha, Jk heb gehoord, dat de Koning van Tre van Koor een machtig Vorst, en een nauw geallieerde van de Engel„ schen „schen is, en t eer veel goede hoedanigheeden bezit; Ik wenschte daarom met Hem in Vriendschap te treeden, ten dien einde zal ik twee Ministers met een brief en geschenken in Uw gezelschap aan hem zenden, Uw Hoogheid moet dezelven uit mijn naam aan hem bestellen, en den Koning persuadeeren, dat hij met mij in een verbond treedt, en hem doen begrijpen, dat mijn Alliance voor hem voordeeliger is, als de alleance van de Engelschen, die hem gewis zullen bedregen, waartegen wanneer hij mij tot Vriend heeft, zijn Staat veel verbeeteren zal. § 17. De Koning antwoorde daarop, dat hij de Ministers met den brief en geschenken gaarne toude meede neemen, maar te Pritsjoer moeste wachten laaten, om den Koning van Prevan Koor daarvan eerst te verwittigen, en als dezelve daar toe geneegen was: zoo zoude hij de gezanten met de brief en geschenken van Pritsjoer laaten afhaalen, en introduceeren, mits„ gaders de verdere proposietsie aan hem voordraagen. Hiermeede wierd de konferentsie op dien dag geslooten, en de Patscha verzochte den Koningsanderen dags wederom te komen, zeggende dat hij noch meer zaaken te 3 236 te verhandelen hadde Toen zijn Hoogheid in zijne Wooning terug qúam, maakte hij zijne aan merkingen op alle de proposietsien van Tipoe, en be„ „speurde klaar, dat het toeleg van den Patscha was, om hem van de Komperie en van den Koning van Prevan Koor afte¬ trekken, en wierd zeer ongenust, niet weetende, wat 'sanderen daags zoude kunnen gebeuren, Hij bad zijne Goden, en deed veele beloften aan den zelven om hem uit deeze hachlijke omstandig- „heeden te redden, want hij had wijnig hoop om weg te komen, eindelijk besloot hij een Boodschap aan de vier eerste Minis¬ ters van den Patscha te zenden (:waar¬ „van twee Mooren en twee Bramineeren zijn: om door hunne bewerking een spoedig afschijd te bekoomen. Hij rond toen een geschenk van Vijftien duizend Ropijen aan Kontant aan voormelde Ministers en liet in stiete weeten, dat hij tich ieder zijn komste te Zalkatseen onpaslijk bevond, en rij¬ Lieden daarom bij den Patscha geliefd te bewerken, dat hij des anderen daags afgedepecheerd wierd, voor en al eer hij door het een of ander Woord bij hem in SS 18. en in ongunstraak te. Hieropleet een van de vier Ministers genaamt Kristna Rajer (: een Brami„ neer die in vroeger Jaaren bij den Keoning van Koetsiem heel bekend geweest is:) door Siraal en Patter /:Kanakaar van den Koning van Koetsiem:/ aan zijn Hoogheid in Secretesse weeten; dat de Patscha groote gedagten op de Zuider mal¬ labaar had, doch dit maal, door het lan„ „ge uitblijven van zijn Hoogheid, in zijn het meening was te leur gesteld; dat zoeken van hem thans was, om tusschen de Engelschen en Tre van Koor mis verstand te verwekken en alsdan zijn Oogmerk ten uitvoer te brengen. § 20. Dat zijn Hoogheid voorzichtig moeste wee¬ ren in het beantwoorden van de Vraagt van den Patscha; en dat hij en de over ge Ministers trachten zouden zijn Hoogheid een spoedig afscheid te bezorgen § 21. Den 16. deezer ofte den 26e Mei Savonds te acht úúr, Zond de Patscha twee Moorsche Ministers om zijn Hoogheid aftehaalen, en bij hem Komende, zijde hij, dat zijn Hoogheid thans Koste vertrekken, en de Gezanten, brief §19.

NL-HaNA_1.04.02_3801_0531 view scan ↗

English

237. letter and gifts were to be taken along, that he, the Padshah, was presently to depart for Coimbatore and remain there during the bad monsoon, and also return in the month of September or October, at which time he would expect His Highness again, and with this he wished him a good and safe journey. Paragraph 22. His Highness then thanked the Padshah for his cordial reception and said that he would not fail, when he received news that His Majesty had arrived in Calicut, God willing and in good health, to meet again, on account of the friendship that subsisted between them, in which he placed complete trust. Paragraph 23. The Sarbadi Karyakar further said that his master had heard for certain from several persons in Palghat that Tipu was contemplating a design to become master of Southern Malabar, and that this might still become apparent with the favorable monsoon; wherefore the two Kings and the Company must remain on their guard, and the King specially requested the Honorable Governor to have the necessary troops for Cochin and Cranganore, as well as the warships from Batavia, come for greater defense, so that the Kingdom of Cochin might be protected by Their Honors, as it had always been protected hitherto. Thus done on the year and day aforesaid. Signed: J. M. Truijers and S. R. Netto. Agreed. Arnold Lunel pro Secretary 238 32. Short Note of the Conference with the Dalawa of Travancore, Kesa Pulle, on Monday the 14th of July 1788. Paragraph 1. This afternoon at five o'clock, the Dalawa of the King of Travancore, Kesa Pulle, arrived with the customary state at the Government House, in order to treat concerning the proposal made by him, that the King should deliver all his country produce, such as Ginger, Cardamom, Wax, Womborn, Eaglewood, Copra, Coir, and Coconuts to the Company, and in exchange take over from it cotton and other merchandise brought here from the north, the Arabian coasts, Persia, and elsewhere; concerning which, since the last conference on the 19th of June between me and the said Minister, several messages and letters have been exchanged, of which, in order to shed the necessary light upon the conference and to make my account understandable, I must first give a brief report. A few days after the aforementioned conference, the said Dalawa sent the list of country produce with their quantities and prices which the King wishes to deliver annually, which is inserted here: 1000 candies of dried Ginger at 60 rupees the candy of 500 lbs Dutch; 300 ditto Womborn at 22 1/2 ditto ditto ditto; 50 ditto Raw Wax at 250 ditto ditto ditto; 50 ditto Eaglewood at 50 ditto ditto; 5 ditto Cardamom 1st sort at 1000 ditto ditto; 1000 candies of Tengapatnam Coir at 40 rupees ditto; 1200 ditto [illegible] and Diviek Coir at 20 rupees ditto; 3000 ditto Northern Teak Beams at 8 ditto ditto; 3000 ditto Southern ditto at 6 ditto ditto; 2000 ditto white Copra at 27 ditto ditto; 1000 ditto black ditto at 24 ditto ditto; 250000 Coconuts at 12 Rupees the thousand. Under which the following was noted: All these merchandises amount to: 302250 rupees. For diverse Linens: 100000 rupees. For Teak Planks of diverse thickness: 25000 rupees. Total: 427250 rupees. Paragraph 3. I consulted on this matter with our merchants David Rabbi, Ephraim Cohen, and Anta Chetty, who, after having conferred together for a couple of days, gave me their opinion thereon and the prices for which they were willing to take over these goods. I drew up some remarks from them and sent them to the Dalawa, which were answered by him item by item on a separate paper. 239 I shall place these remarks of mine and his answers or counter-remarks side by side here, whereby they can be judged with greater ease. Counter-remarks of the Dalawa of the King of Travancore, translated from the Malabar language: Article 1. Because the prices of the goods rise and fall annually, one shall determine the prices thereof annually, and whenever the prices run high due to a lack of merchandise, the acceptance may nevertheless not be refused. Article 2. The Ginger, Womborn, Eaglewood, and Copra shall only be delivered at six hundred pounds to the candy, but the Cardamom and Coir used to be delivered at five hundred pounds to the candy, and the delivery should take place on this condition. Article 3. Regarding the note that identical goods being sold in two places, both would suffer damage, it serves that when all the merchandise... Short Remarks of the Governor on the proposed Contract of Trade: Article 1. Because the prices of the goods rise and fall annually, the contract must only be made for one year at a time, because otherwise one party or the other would suffer too much damage. Article 2. Ginger, Womborn, Eaglewood, Cardamom, Coir, and Copra are sold at the candy of six hundred pounds, and one should stick to that. Article 3. When identical goods are sold in two places, both certainly suffer damage, thus the Dalawa must promise that he... of the goods

Dutch transcription

237. brief en geschenken moeste meede neemen, dat hij Patscha thans naar Koim poettoer stond te vertrekken en de quaade mous- sou daar blijven, mitsgaders in de maand September of Oktober weder Komen, alsdan zijne Hoogheid weder bij zich verwachten zoude, en hiermeede wenschte hij een goede en behoude reize § 22. Zijn Hoogheid bedankte toen den Patscha voor zijn gulhartig onthaal en zijde, dat hij niet zoude nalaaten, wanneer hij tijding kreeg, dat zijne Majesteit op Kalihoet was gekoomen, bij Leeven en gezondheid we„ „der te ontmoeten, uit hoofde van de Vriend- schap, die tusschen hen subsisteerde, op welke hij een Volkoom en Vertrouwen stelde. § 23. De Sarbadi Kan akaar zijde voorts, dat zijn meester op Palkatseen van verscheide Perzoonen voor vast gehoord had, dat Tipoe Zwanger ging met het ontwerp, om Heer van Zuider Mallabaar te worden, en dat dit mogelijk met de goede mousson noch toude koom en te blijken; weshalven de twee Koningen en de Kompanie op hunne hoede moesten blijven, en de Koning den Edelen Heer Gouverneur speciaal liet vertoeken, om het noodige Volk voor Koetsiem en Kranganoor Kranganoor, mitsgaders de Oorlogs Scheepen tot meerder defensie van Batavia te laaten koomen, op dat het koet„ „siemsche Rijk door haar Edele gepro¬ tegeerd wierd, gelijk zij tot nu toe altoos gedaan had. Aldus gedaan ten Jaar en daagen voormeldt. /:was geteekend:/ J M. Truijers en S. R. Netto. Akkordeerd. Arnold Lunel pr sekret.:s 238 32. Korte Aanteekening van de Konferentsie met den Dallawa van Trevan Koor Nesa Pulle op Maan„ dag den 14e. Juli 1788. §1. Heeden na middag om vijf uur quam de Dallawa van den Koning van Trevan= „koor, Kesa Pulle met de gewoone Staatsie in het Goevernement, om te handelen over den door hem gedaanen Voorstel, dat de Koning alle zijne land¬ prodúkten, als Gember, Kardamom, Wax, Wom „born, Agiel, Koprus, Kaier en Kokos aan de Kompenie leeveren, en daarvoor, katoen en andere Koopmanschappen die van de noord, de Arabische Kusten Persien en elders alhier aangebragt worden, van haar overneemen zoude, waar „over ieder de laaste Konferentsie op den 19e Juni tusschen mij, en gemelden Minister verscheidene Boodschappen en brieven gewisseld zijn, waarvan ik om over de Konferentsie het noodige licht te verspreiden, en mijn verhaal ver- staan daar te maaken, vooraf een Kort verslag moet doen. Eenige dagen na even gem: Konferentsie tond gem: Dallawa de Lijst van de Landsprodukten met hunne quantiteit en en prijzen, die de Koning jaarlijx wil de zee„ „veren, die hier geinsereerd word 1000 kandijlen gedroogde Gember a bo rop. t Rand. van 500 lb. holls; 300 d„o Bomiborn - - „ 22½ „ d„o - - - d„o 50 d:o Ruw Wax - - - „ 250 „ d-o - - d„o — — „ 50 „ do d„o 50 d„o Agil - 5 d„os Kardamon 18„le soort „ 1000 „ —„—— „ 1000 kand: Tengapatnams Kaier à 40 rop: — „ — — „. 1200 do etwersche en divieksche Kaier â 20 rop: „ — —„ 3000 d„o Noordschetekke Balken - „ 8 „ —„ — —„ 3000 do ruidsche do —„ 6„—„——„ 2000 do witte Kopia — — „27„—„——„ 1000 do zwarte d„o — —„24„——„— 250000 „ RoRos á 12. Ropij de duizend. Waaronder het volgende genoteerd stond Alle deeze Koopmanschappen be„ „draagen — rops 302250. Aan diverse Lijnwaaten - „ 10'0'000 Aan tekke Planken van deverse dikte „ 25000- Somma rops 427250- § 3. Jk ging hierover te raade met onze Kooplieden David Rhabbi, Ephraim Kohen en Anta Sittij, die na een paar dagen alles, met elkander over- „legd te hebben hun gevoelen daarover en de prijzen, waarvoor zij die goederen E wilden overneemen, aan mij opgaven J12 maakte uit dezelven eenige aan„ merkingen op, en zond dezelven aan den Dallawa, die door hem bij een apart 239 apart papier, post voor post beantwoordt wer„ den. Ik zal deeze mijne aanmerkingen en zijne antwoorden of Kontra remarques hier naast malkander plaatzen, waardoor dezelven met meer gemak kunnen beoordeeld wor„ „den. Korte Aan merkingen van Kontra remarques van den Dallewa van den Koning van den Gouverneur op het gepro= Tre van Koor uit het Mallabaarscha„poneerd Kontrakt van ne¬ vertaald „gootsie. Art 1. Art: 1: Wijl de prijzen voor de goederen Wijl de prijzen van de goederen rijzer : jaarlijx „ en daalen; zoo zal jaarlijx rijzen en daalen: men de - prijzen daarvan zoo moet het kontrakt jaarlijx bepaalen, en zoo wan„ telkens maar voor een Jaar „neer door gebreek van Koop gemaakt worden, wijl anders manschappen de prijten hoog de een of andere partij te loopen, zal echter de aannee„ veel schaade lijden zoude: „ming niet mogen geweigerd worden Art: 2. Art: 2 De Gember, Born bor, Agil Gember, Bornborn, At gil Kar¬ en Kopra, zullen alleen het damom, Kaier en Kopra Kandijl tegen ses pond geleeverd worden bij het Kandijl van worden, maar de Kardemom Ses horderd pond verkocht, en en Kaier, plagten het Kandijl daar diend men bij te blijven. tegen vijhonderd pond te leeveren en op deeze kondietsie tolde leverantsie geschieden op het genoteerde, dat eener=Wanneer eenerlij waaren op twee „lij waaren op twee plaatzen plaatzen verkocht worden, verkocht wordende, de beide zoo vast opbeide schaade, schaade zouden lijden, diend, dus moet de Dallawa be„ dat wanneer alle de Koopman „ loven, dat hij van de Art: 3. Artio: 3. schappen, goederen

NL-HaNA_1.04.02_3801_0536 view scan ↗

English

goods that are delivered here, goods that he delivers here, nothing accepted without refuse, to the Bombaras or other will then be determined according to the proposal. vessels to the north. But to the south NB. Regarding the goods that and further for Coromandel etc. this His Highness would deliver to the Company, may be done. — whereof nothing may be sold to the Bombaras or other vessels, it serves that because the goods of our country are collected through the advance provision of loans, it must be ordered there that the Company's merchants must receive those goods exclusively, and no one else may buy even the least goods from the people who bring them thither from my country, whereupon this proposal will also be agreed to. Article 4. Article 4. The article concerning the delivery beginning with The goods must be delivered in the October to February, it serves months of October to February, that for the goods being contracted, both included, and indeed half in the month of August an advance in the first three months, provision of half the money must be made, otherwise we would be left sitting with them. whereupon the delivery according to the content of the contract shall take place beginning from October to March following thereon, when, upon settling the account, the other half of the money will be received. Article 5. Article 5. The beams and planks that Beams and planks we cannot take; here are produced in our country must both yearly more is brought in than exported. — be accepted by the Company, just as is stipulated concerning the other trade goods. Article 6. Article 6. 240. Article 6. Article 6. Regarding the coarse Guinees and Salempoeris, Coarse Guinees and Salempoeris, both unbleached and bleached, bleached and unbleached, we cannot which cannot be received here, because they take; this belongs to the delivery to the Company are collected for the Company at Tutukorijn, at Tutukorijn. it serves in response that, as we shall take a large quantity of kapok and must disburse the same to the weavers for the weaving of the linens, we therefore request to write to the Chief of Tutukorijn to have the money, which was advanced to the merchants for the collection of linens, counted out to us and to receive the linens from us; to which end may his Right Honorable Worship please write to and request the Honorable Lord Governor at Colombo, whereupon a considerable quantity of kapok will be disposed of here; but if this cannot take place, then only as much kapok will be taken as one has need of. Article 7. Article 7. The prices of blue linen Yet other sorts, as well as and striped goods will blue linen and striped be sent along with the samples. goods, one could well accept once one has seen the samples and could agree about the prices. Article 8. Article 8. That for every hundred coconuts On the coconuts here, freight be given; in response it serves 15 percent per hundred is validated for that we used to sell them to the merchants spillage. without that 15 percent spillage there, therefore we shall give no spillage on the coconuts. Article 9. Article 9. Article 9. The samples of the Tengapatnam Of the Tengapatnam coir coir we have already sent; the prices I request a small parcel as a sample. thereof, first sort, the candy is 40 rupees, second sort 30, and third sort 20 rupees, but the candy is of 500 lb. Article 10. Article 10. The coir coming from Neendakara Under the name of coir (or Little Hiwieke), of Awe and Auvieke Awe, Karaporom, and Paroe, we include everything that falls south of the hoetsiem; but the the Company can get for the same coir of Paroer or other price as we sell to the merchants. places to the north is rejected. Article 11. Regarding the kapok that is brought here Article 11. with 10 percent for the Company and two and All kapok that falls here a half percent for the merchants, except the toll, shall be delivered to Travancore with a profit of 10 delivered without toll, it serves percent for the Company and that such shall be accepted if the toll 2½ percent for the merchants, is calculated therein, and besides the toll. the Company must then duly have the kapok weighed out to us according to purchase price and sample. Articles 12 and 13. Article 12. Regarding the Batavia merchandise that is brought, To Travancore a and whereof a third part will be given just third part of to us for the very same prices that the all Batavia merchandise traders shall be delivered for the very same prices

Dutch transcription

„schappen, die hier geleeverd worden, goederen, die hij hier leeven, niets zonder uitschot geakcepteerd aan de Bombaras of andere wierd, zal als dan volgens pro„ „posietsie vast gesteld worden vaartuigen naar de noord ver NB. Aangaande de goederen die kooper toe; doch naar de ruid zijn Hoogheid aan de Kompl. en verder voor Kormandel enz ge zoude leeveren, daarvan niets mag dit geschieden. — aan de Bombaras of andere Vaar „tuigen mogen verkoopen, diend dat om reeden de goederen van ons land door vooruit Verstrekking van Lenningen ingezaameld worden, diend daar gelast te worden, dat de Komp=s Kooplieden die goederen alleen moeten aanneemen, en niemand anders, de minste goederen van de menschen die van mijn land daarna toe bren„ gen houden, mogen koopen, als wanneer toe deeze proposietsie meede toegestaan worden Art 4. Art: 4. Het artikel wegens de Le„ De goederen moeten in de verantsie beginnende met maanden oktober tot Febru„ Oktober tot Februari diend ani beide ingeslooten ge„ dat voor de gekontrakteerd leeverd worden, en wel de wordende goederen in de, helfte in de eerste drie Maand Augustus een vooruit„ maanden, anders zouden wij verstrekking van de helfte daarmeede blijven titten. van het geld zal moeten gedaan worden, wanneer toe de Le„ verantsie volgens den inhoud van het Kont rak't geschieden met begin van Oktober tot Maart daaraan volgende alsdan de reekening liquideerende zol het andere helfte geld ontvangen worden Artic: 5. Art 5. De Balken en Planken die Balken en Planken Kun¬ in ons land vallen zullen bijde nen wij niet neemen, hier word jaarlijx meer afgebragt Komp: moeten geakcepteerd worden, zoo als omtrend de als uitgevoerd. — andere negootsie goederen bepaald is. Art: 6. Art 6. 240. Artic: 6. Art: 6. Nopens de grove Ginees en Salem, Grof Ginees en Salempoens poeris, zoo wel ruw als gebleekt, gebleekt en ruw kunnen wij die alhier niet kunnen aan„ enz genoomen worden, vermits die niet neemen, dit gehoord tot voor de Kompenie op Tutukorij de Leverantsie aan de Kompe ingezaameld worden, diend te Tutukorijn laarop, wijl wij een groote quantiteit Kapok zullen neemen en dezelve tot weven der Lijnwaaten aan de Wevers moeten besteeden, zoo verzoeken wij, aan 't Opperhoofd an Putukorijn te schrijven, het geld, het welk aan te Kooplieden tot het inzaamelen van Lijnwaaten verstrekt wierd, aan ons te laaten toe tellen en de lijnwaaten van ons te ontvangen, ten welken einde gelieve zijn Weledele Groot achtbaare aan den Edele Heer Gouverneur te Kolombo te schrijven en te ver¬ zoeken, als wanneer zal alhier een aanzienlijke quan„ teit Kapon van de Handgezet worden, doch zoo dit niet geschieden kan, zal alsdan zoo veel Kapok ge„ noomen worden, als men van nooden heeft Art: 7. Art 7. De prijzen van blauw Linnen, Doch andere Zoorten als ook en gestreept goed zullen blauw Linnen en gestreept met de Monsters tegelijk goed zoude men wel kunnen gezonden worden. accepteeren als men de mon„ „sters gezien heeft, en het omtrend de prijzen eens kon worden. Art 8 Art: 8. Dat voor ieder honderd Kokos Op de Kokos worden hier ragt gegeeven worde, daarop diend 15. pCt. op het honderd voor dat wij zonder dezelve aan Spillasie gevalideerd. de Kooplieden plagten te ver„ 15 pC„to spillasie aldaar koopen, daarom zullen wij op de Rorzos geen Spillasie geeven Art: 9. ruid Oreu¬ de ru„ er an„ „ Art: 9: Art: 9. De Monsters van de Tenga„ Van de Tengapatnamsche Koier „patnamsche Kaier hebben wij reets gezonden, de prij-verzoek ik een kleene partij „ten daarvan, eerste zoort, tot monster. „bestaat 't Randijl 40 ropijen, tweede Zoort 30, en derde „ zoort 20 ropijen maar het Kan„ „dijl is van 500 lb. Artic. 10. Art: 10. De Kaier vallende op nienda Onder den naam van Kaier „kara /:of Klijn Hiwieke:/ van Awe en Auvieke Awe, Karaporom en Paroe begrijpen wij al wat bezui„ Kan de Kompe: voor dezelf den hoetsiem vaet, doch de „de prijs Krijgen, zoo als wij Kaier van Paroer of andere aan de Kooplieden verkooper. plaatzen om de noord word afgekeurd. Arlic: 11. Wegens de Kapok die hier Art: 11. aangebragt word met 10. pC:t Alle Kapot die hier voet voor de Kompe, en twee en zal men aan Ive van Koorlee„ een half prC=t voor de koop veren met een Winst van 10. „lieden, excepto den tol pCt voor de Kompenie en tol geleeverd worden, diend dat zulx zal aangenoomen ½ pC:t voor de Kooplieden worden, wanneer de tol buiten de tol daarbij gereekend word, en de Kompe zal alsdan de Kapok volgens inkoops prijs en monster behoorlijk aan ons moeten laaten toe wee„ gen. Art: 12. en 13. Artic: 12. Nopens de Bataviasche Koop- Aan Trevankoor zal een manschappen die aangebragt, gerechte derde part van worden en waarvan een der= alle Bataviasche Koop— de gedeelte aan ons zal ge„ manschappen afgegeeven geeven worden voor de eigen„ worden voor de eigenste ste prijzen, die de hande„ w laars prijzen

← previousnext →