VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3801

Malabar · 870 pages · 133 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3801_0539 view scan ↗

English

241 prices that the merchants pay, namely sugar, copper, tin, cloves, nutmeg, and mace, it serves that we, if we accept those goods for the same price, shall make that payment, just as the merchants do, in twelve months. Article 13. Concerning the payment, a fixed and equitable rule must be established, for the Company has no other funds to pay its servants, the pepper, and the rice, than the merchandise. Article 14. All this merchandise concerns the Company's merchants, but the prices of these goods are already fixed; therefore we have nothing to negotiate with the merchants on this matter, but they must be accepted at the prescribed prices. Because the Company cannot carry on this trade itself, but must do this through its merchants, the price of the goods must be regulated or agreed upon with them. Article 15. Regarding the note concerning the cardamom, that it would be accepted at one and a half rupees per pound provided it is delivered clean, it serves that in our country no more than two sorts of cardamom are produced, the price of which has already been made known, namely the first sort at 2 rupees per pound, and the second sort at 1 1/2 rupees per pound. Article 15. Yet the cardamom is the Company's trade, and for it one cannot pay more than one and a half rupees per pound, and then, at the delivery, all the bad quality must be well sorted out. To this article, the Dalawa had added another one concerning the payment, which ran as follows: Article 14. Half of the money for the designated trade must be advanced in the month of August, and the other half settled upon the delivery of the cotton. Paragraph 4. This is thus the matter about which the conference was held, of which I shall only note down the result of each article. Regarding the first article, it was agreed that the purchase should be concluded for only one year, and the King, as well as the Company, should retain the right, after its expiration, to make a new contract or not. The second article encountered no difficulty, for the prices conform to the weight: if one pays six rupees for a Calicut candy of six hundred pounds, so one pays five rupees for a Company's candy of five hundred pounds. Paragraph 5. But the third was of great importance, for on the one hand, if the King continued the trade at Alepe, not only would the competition spoil the market, but we would also miss the principal aim of this contract, which is to withdraw the King from the trade at Alepe. 242 Paragraph 8. This last argument, however, I did not dare to mention, so I kept only to the first, and finally brought it so far that, when agreement was reached regarding the prices, the quantity of each sort would be determined, and the King would sell the remainder from the merchants of the South, against which the Company would promise not to buy such products from anyone else. Paragraph 9. The fourth article, that the Company should advance half the amount for the goods in August, was completely rejected by me, with the demonstration that this was in all respects an unreasonable demand, since the Company at Batavia paid for the trade goods of which the King desired a share with its own money, and here also had to buy the cotton that the King desired with its money without enjoying any advance for it, and thus this article was for the present postponed. Paragraph 10. About the fifth article, agreement was reached; the King requests to bring his beams and planks to market here and to sell them, and this is permitted, and note well has never been refused, and no reasons could be thought of for such a refusal. Paragraph 11. On the sixth article, I pointed out that the delivery of guinees and salempores had to take place at Tuticorin and could not be separated from the collection there; that this in no way diminished the sale of the cotton, and that the King retained the freedom to take as little cotton as he saw fit, provided our merchants were warned in time so as to be able to dispose of what His Highness desired less to the Macao traders. Paragraph 12. On the seventh article there was nothing to remark, and on the eighth only that, if the wastage is not agreed upon, reflection will be taken on this when fixing the prices. On the ninth and tenth there was nothing to remark, but Paragraph 13. The eleventh was further clarified, that the Company shall have ten percent profit on the cotton, excluding the customs duties, and the merchant 2 1/2 percent for wastage and trouble. Paragraph 14. Regarding the twelfth, it was established that the amount for the Batavian merchandise will be credited against the pepper. Paragraph 15. The thirteenth article, concerning the prices at which the King's products would be accepted, was the principal one of all, and was long and fruitlessly debated. But to understand the distinction

Dutch transcription

241 laars zullen betaalen, diend prijzen die de Kooplieden dat wij, als wij die waaren betaalen, te weeten suiker„ voor dezelfde prijs akceptee Koper, tin, nagelen, nooten en „ren, die betaaling daar „ Foeli. van, gelijk de Kooplieden in twaalf manden zullen doen. Art: 13. Omtrend de betaaling diend men een vasten en billijken regel vast te stellen, want de Kompe heeft geen andere fondsen om haare Dienaaren, de Peper en rijst te betaalen als de Koopmanschappen Artic. 14; Alle deeze Koopmanschap pen gaan de Kompenies Wijl de Kompe deezen han„ kooplieden aan maardedel niet zelve drijven kan, prijzen van deeze waaren maar dit doen moet door haare zijn reets vast gesteld, der-Kooplieden; zoo moet de halven hebben wij met de prijs van de goederen met Kooplieden hierover niets te henl: gereegeld of gemaakt trakteeren, maar moeten voor worden de aangeschreevene Prijzen geakcepteerd worden :15. Artic: 15. Doch de Kardamom is Komps, Op het geannoteerde wegens negootsie, en daarvoor Kan de Kardamoin, dat tegen een men niet meer als ander en een half ropij 't pond half ropij het pond betaa„ zoude aangenoomen worden, len, en dan moet bij de mits dezelve zuiver gelee„ leverantsie alhet slegte verd word, diend, dat in ons land niet meer als twee goed uitgezocht worden. zoorten van Kardamom vallen, waarvan de prijs reets bekend gesteld is, te weeten de eerste zoort 't pond 2. rop: en de tweede soort 13 /½ ropij het lb bij deeze Artikel en had de Dallawa noch een gevoegd die de betaaling betrof en aldus luidde: Artic. 14. Het .6. Het geld op de bepaalde negootsie zal de helfte in de maand Augustus vooruit moeten gegeeven en de andere halfte met de Leverantsie van Kopok afgeree„ kend worden §4. Dit is dus de matene, waarover de Konfe„ „rentsie gehouden werd, waarvan ik alleen het resultaat van ieder artikel zal aan„ teekenen. Nopens het eerste Artikel quam i en over- „een, dat de Koop maar voor een Jaar ge„ „slooten worden, en de Koning, zoo wel als de Kompt:, het recht behouden zoude na dies Verloop, een nieuw Kontrakt te maaken of niet Het tweede Artikel ontmoede geen zwaarigheid, want de prijten nichten tich naar het gewigt, als men voor een Kalikuts Kandijl van boott, ses ropijen betaald; zoo betaald men voor een Kom p„s Kandijl van Vijf honderd Pond Vijf ropijen Doch het derde was van groot gewigt, want aan de eene zijde zoude, zoo wanneer de Koning den Handel te Alepe kontinueerde, niet alleen de Konkurrentsie den markt Oeder- ven, maar wij zouden ook het voornaam„ ste Oogmerk van dit Kontrakt missen, het welk is, om den Koning van den handelte Alepe aftetrekken. S 8. § 5. S7. 3. 3. 242 § 10. §8. Dit laaste argument durfde ik echter niet aan„ haalen, dus hield ik mij alleen aan het eer ste, en bragt het eindelijk zoo ver, dat men, wanneer men het nopens de prijzen eens wierd, de quantiteit van ieder soort zoude bepaalen en dat de Koning het overige van de Kooplieden van de Zuid verkoopen zoude, waartegen de Kompl belooven zoude, van niemand anders dergelijken Produkten inte koopen Het vierde Artikel, dat de Kompe de helfte van het bedraagen der goederen in August vooruit verstrekken zoude wierd volsbeete van mij verworpen, onder aantooning, dat dit in alle opzichten een onbillijke Eisch was, door dien de Komp:e te Batavia de handel„ waaren, waarvan de Koning een aandeel begeerde, met haar eigen Geld betaalde en hier de Kapok, die de Koning begeerde ook met haar geld moest in koopen zonder daar- toe eenige vooruit Verstrekking te genieten, en dus werd dit Artikel voorreerst uit„ gesteld. — Over het Vijfte Artikel werd men het eens de Koning vertoekt zijne balken en Plan¬ ken hier ter markt te brengen en te ver- Koopen, en dit word toegestaan, en is NB. noit geweigert geweest, en voor die wei„ „gering zouden ook geene reedenen te be„ „denken zijn. Op het sesde Artikel wees ik aan, dat de Leverantsie van Ginées en Salempoeris te S9. . S 11. 3. 14. te Tutukorijn geschieden most en van den inzaam aldaar niet Kost gesepareerd worden; dat dit den slect van den Ka„ „pok geensints verminderde, en dat de Koning Vrijheid behield, zoo weinig Kapot te neemen als hem goeddunkte, mits onze kooplieden maar bij tijds gewaarschuu wierden, om het geen zijn Hoogheid minder begeerde, aan de Makausvaarders te kunnen afzetten. §: 12. Op het zevende Artikel viel niets aante merken, en op het agste alleen, dat, als de spillasie niet geakkordeerd word, men daarop bij het vast stellen van de prijzen tal resleaie neemen Op het negende en tiende viel niets aante merken doch § 13. Het elfde werd nader verklaard, dat de Kompe op de Kapok, buiten de tollen tien percent Winst zal hebben en de„ Koopman 2½ prC:t voor Spillasie en moeite. Nopens het twaalfde werd vast gesteld, dat het bedraagen der Bataviasche Koopmanschap „pen opde Peper zal verlevend worden § 15. Het dertiende Artikel, betreffende de prijten waarvoor 's Konings Producten zouden aangenoomen worden, was het voornaamste van allen, en werd lange en Vruchtloos bereedeneerd. Doch om het onder¬ scheid

NL-HaNA_1.04.02_3801_0543 view scan ↗

English

243. To more easily compare the difference between the demand of the King and the offer of the Merchants with one another, the following presentation serves, in which the candyl is set at five hundred pounds. Demand / Offer Dried Ginger the candy at 500 lb.: 60 / 41 2/3 Borno Born: 22 1/2 / 16 1/2 Ruxo Wax the candy: 250 / 204 1/6 Agil: 50 / [illegible] Cardamom first sort the candy at 500 lb.: 1000 / 750 White Copra the candy: 27 / 16 1/2 Ditto black the candy: 24 / 13 1/3 Karoporom Coir the candy: 20 / 11 2/3 Coconuts per 1000 at: 12 / 7 1/2 Section 16. The Dalawa referred himself, regarding the demanded prices, to the market of last year and assured that the aforementioned articles were sold for that at Alepe. Our merchants, on the other hand, had informed me that the market had not only been much lower last year, but that the demanded prices were unusually high and the highest upon which one could calculate in a very profitable trade. Section 17. My answer was therefore that I had to believe him on his word in this matter, but could not reconcile therewith the selling prices of the same products which were brought to market here last year from the country of the King of Cochin and sold for less; that the highest selling prices at Alepe could in no fairness be set as the purchase prices of Cochin, for then we would not only have not a single penny of profit, but would even have to suffer great damage on account of wastage, coolie wages, warehouse rent, and other unavoidable expenses; that the King could not even set the quoted prices as net selling prices, since not only did far more expenses accrue when they were stored, guarded, and treated at Alepe than when they were immediately brought to the scales here, but also because the King had remained stuck with a very large consignment, and by far the largest part, which was sold for much lower prices to the vessels to the Coast of Coromandel and Bengal, and partly sent himself with risk for his own account; that fairness therefore required that the prices of the products be moderated in such a manner that the Company, after deduction of the aforementioned expenses and wastage, retained a moderate profit, without which no trade of any kind could exist, and which was also implied in the first proposal of him, the Dalawa, in the conference on the 19th of June last, namely: that this would be a means to bring advantage both to the Company and to the King. 244. Section 18. He persisted in the demanded prices and maintained that the Company could pay them with a prospect of profit, and finally declared himself willing to reduce them somewhat, provided I first improved our offer in an equitable manner, and cited as proof that it was much too low that last year we had paid eighteen rupees for the candyl of coir. Whether the latter was the truth, I could not remember at that moment, but I broke off this tedious negotiation by referring him, regarding the regulation of the prices, to the merchants of the Company, who had to receive, treat, and sell the products, and thus could assess better than I how much could be spent for each article upon purchase, with a good prospect of profit for the Company after deduction of wastage and expenses, which profit I had set at ten per cent, which was very moderate, since the Company had to provide for the payment. Section 19. The price of the cardamom, which was set by the King at two and by me at one and a half rupees per pound, provided the same was properly sorted, met with less difficulty, but the determination thereof was postponed until he should have come to an agreement with the merchants regarding the prices of the remaining products, concerning which he wished to enter into negotiations with them this very evening, and communicate the result to me tomorrow. Section 20. Herewith he departed, and the Company's merchants, who were instructed on everything, were warned to appear before him immediately for that purpose in the palace of the King of Cochin. Thus done in the year and days aforesaid. was signed: J. G. van Angelbeek. Agreed. Arnold Lunel, First Secretary. 245. Section 1. Short note of the conference with the Dalawa of Travancore, Kesa Pulle, on Tuesday the 15th of July 1788. In the morning at seven o'clock the Dalawa entered again with the usual state and complained here about the merchants, who, according to yesterday's agreement, had entered into negotiations with him concerning the prices of the products which the King wished to deliver to the Company, but had not wanted to improve their first offer. Against which the Company's merchant Anta Sittij, who had also entered on my order, testified that it was impossible for them to offer more with any prospect of a small profit. Section 2. Long and fruitless discussion took place about this, and Anta Sittij was finally dismissed without having accomplished anything, whereupon the Dalawa, in a tedious reasoning, practically in the same

Dutch transcription

243. „scheid tusschen den Eisch van den Koning en het bod van de Kooplieden te maklij„ „ker tegen malkander te vergelijken diend de volgende Vertooning, waarbij het Kan„ „dijl op vijfhonderd pond gesteld word! Eisch Bod Gedwoogde Gember het hand: á 500 lb. 60„ 41 2/3. Born born - - - „ „ do „ 22½ „ 162½ Ruxo Wax — — — - „ „ d„o - „ 250 „ 2041. Agil „ 50 Kardam om eerste soort 't Kand: â 500 lb 1000-„ 750 — Kopra witte - - - - „ „ do 27-„ 16½. d=o zwarte - - - „ „ „ - „ 24„ 131 13 Kaijer Karoporomsche „ „ „-„ 20„ 11 2/3 Kokos het 1000 tegen 12„ 1½ § 16. De Dallawa benepzich, nopens de geeischte prijzen, op de markt van voorleeden Jaar en verzeekerde, dat de voormelde Artikels daarvoor te Alepe verkocht waaren, onte koop- lieden hadden mij daar en tegen opgegeeven, dat de markt niet alleen voorleeden Jaar veel laager geweest was, maar dat de geeischte Prijzen ongewoonlijk hoog en de hoogsten waaren, waarop men, bij een heel voordeeli „gen handel, kost reekenen § 17. Mijn, antwoord was derhalven, dat ik hem in dit stuk op zijn Woord moest gelooven, doch daarmeede niet Kost overeenbrengen, de Verkoops prij- „ten van dezelfde Produkten, die voor- leeden daarbij ons uit het land van den Koning Koning van Koetsiem te markt gebragt en voor minder verkocht waaren; dat de hoogste verkoops Prijzen te Alepe met geene billijkheid konden gesteld worden voor den inkoops Prijten van Roetsiem, want dat wij dan niet alleen geenen penning Winst houden hebben, maar zelfs groote schaade, wegens Spillasie, Koele Loon, Pakhuis huur en andere onvermijdelijke ongelden moeten lijden — Dat de Koning de opgegeevene Prijzen niet eens voor Zúivere verkoops prijzen Kost stellen wijl daar niet alleen veel meer ongel„ „den opliepen wanneer ze te Alepe opgelegt, gade geslagen en behandeld, dan wanneer zij hier ten eersten ter schale gebragt wierden, maar ook, wijl de Koning met een heel groote partij, en verre het grootst gedeelte was blijven zitten, die voor veel min„ „dere Prijzen aan de Vaartuigen naar de Kust Kormandel en Ben„ gale verkocht, en gedeeltlijk zel¬ ve met Risiko voor eige Reekening gezonden waaren. Dat derhalven de billijkheid vereischte, dat de prijzen van de Produkten zodanig gemaatigd wierden, dat de Kompe na aftrek van de voormelde Ongelden en Spillasie, een 4 4. 244. een maatige Winst overhield zonder welke geen handel hoe genaamd Kost bestaan, en het geen ook opgeslooten was in den eersten Voorstel van hem Dallawa in de Konferentsie op den 19: Juni Jongstleeden, te weeten: Dat dit een middel zoude zijn, om zoo wel de Komperie als den Koning Voordeel toe te brengen. § 18. Hijbestond op de geeischte Prijzen, en beweerde, dat de Kompenie dezelven met vooruitzicht van Winst betaalen Kost, en verklaarde eindelijk, dezel„ „ven wat te willen verminderen, mits ik ons Bodeerst op een billijke Wijze verbeeterde, en voerde tot een bewijs, dat het zelve veel te laag was, aan, dat wij voorleeden daar voor het Kandijl Kaier agtien Kopijen betaald hadden, of dit laaste de Waarheid was, wist ik mij op dat Oogenblik niet te hevinneren, doch ik brak deeze langdraadige Onderhan„ „deling daar door af, dat ik hem nopens het regelen van de prijzen, aan de Kooplieden van de Kompenie overwees, die de Produkten ontvangen, behan„ delen „delen en verkoopen moesten, en dus beter dan ik konden nagaan, hoe veel voor ieder Artikel bij Inkoop Kost besteedt worden, met een goed vooruitzicht van Winst voor de Kompe. , na aftrek van Spillasie en ongelden, welk en Winst ik opteen perct bepaald had, het welk zeer maatig was, wijl de Kompe voor de betaaling moest zorgen. §. 19: De Prijs van de Kardamom, die van den Koning op twee en van mij op ander= half ropij voor het pond gesteld was, mits dezelve behoorlijk voorleezen werd ont moetstede minder zwaangheid, doch de bepaaling daarvan werd uitgesteld tot dat hij met de Kooplieden nopens de prijzen van de overige Produkten tok„ de overeengekoomen weezen, waarover hij, noch heeden avond met hen lieden in onderhandeling treeden, en mij mor= „gen het resultaat bedeelen wilde § 20. Hiermeede vertrok hij, en 's Komps Kooplieden, die op alles geinstrueerd waaren, wierden gewaarschuwd, ten eersten in het Pallijs van den Koning van Koetsiem tot dat einde bij hem te verschijnen Aldus gedaan ten Jaar en daagen voormeldt. /:was geteekend:/ I. G. van Angelbeek. Anhordeerd. Arnold Lunel . p:r Sekaet:s 245. § 1. Korte etaanteekening, van de Konferentsie met den Dallewa van Prevan„ „ Koor Kesa Pulle, op Dingsdag den 15e: Juli 1788 S morgens om seven uur quam de Dalleur weder met de gewoone Staatsie bin„ „nen en beklaagde tich heer over de Kooplieden, die, volgens afspraak van gisteren met hem in onderhan„ „deling getreeden waaren over de prijzen van de Produkten, die de Koning aan de Kompe. leeveren wilde, doch hun eerste bod niet had „den willen verbeeteren. Waartegen S Komp:s Koopman Anta Sittij, die op mijn ordre mede binnen ge„ „koomen was, betuigde, dat zij onmoge¬ lijk meerbieden Kosten met eenig vooruitzicht van een geringe Winst¬ 82. Hierover werd lange vruchtloos gesproo¬ „ken, en Anta Sittij eindelijk or¬ venichter zaake gedimitteerd wanneer de Dallawa in een langdraadige Redeneering, genoegzaam op dezel¬ ve

NL-HaNA_1.04.02_3801_0550 view scan ↗

English

manner, argued in the conference on the 19th of June that the King, his Master, had to make such great expenditures that the ordinary revenues of his Kingdom were not sufficient, and therefore had drawn the trade in his country's products to himself in order to make good the greater burdens thereby, but that this measure was for the greatest part frustrated because the Company claimed the same tolls from that trade as it enjoyed from the trade in Koetsiem; That we indeed referred in that respect to ancient custom, but that the same had only applied to private traders, and not to Kings, who ought to be free thereof. § 3. I answered to this that the toll was not demanded from the King, but from the merchants, and that trade thereby was not burdened any more at Alepe than at Koetsiem, where just as much toll had to be paid, wherefore the merchants had no reason to complain about it. And that above all this I was obliged to maintain the right of the Company in this and all other cases, and had no power to reduce it or let it drop, which gave occasion to a very tedious and troublesome dispute, wherein he wanted to force upon me that I could easily exempt the King from the payment of tolls if I only wished to do it. § 4. When this ended fruitlessly, he approached me with the request that I would submit the interests of the King to the High Government and, through my intercession, bring it about that His Highness's trade might be exempted from the tolls, and that we could then take the tolls from the private merchants. § 5. I pointed out regarding this that even if I were to propose this and the High Government were willing to grant it, new disputes would arise from it, because all private merchants who brought goods to His Highness's Country and transported them away from there again would pretend that it was trade of the King. § 6. This, he said, could be prevented by giving a certificate on behalf of His Highness to the merchants who transported his trade goods, while all those who were not provided with such a certificate would have to pay toll. § 7. I replied that this would be a very precarious measure, since the merchants would soon find ways to provide themselves with such certificates for their private goods. § 8. Finally we agreed that the King should submit a List specifying which goods he wanted to bring from the North, and what kind of products he wanted to give in payment for them, and that I should send that List to the High Government and submit the request for toll exemption for the same to Their High Excellencies. § 9. In return, the King promised not to oppose the collection of tolls on all other goods that were brought from the North to the South or from the South to the North passing Koetsiem, nor to oppose the cruisings. § 10. After this article had been settled in this manner, the conversation turned again to the country products of Trevankoor, and in particular to the Cardamom and Coir that the Company might need, and the Dallawa was so generous as to offer as much thereof to the Company at the lowest Market Prices as it might desire. But since I could not determine the quantity thereof before the Demand for Cardamom and also the answer to the Sample sent two Years ago from the Netherlands and the Demand for Coir from Batavia shall have been received: I accepted that offer in general, and promised to give the actual quantity thereof in the month of November. § 11. Lastly, the Dallawa requested that the two gardens with a piece of arable land in the Village of Irreweri, of which was spoken further in the Conference of the 19th of June in § 5, might be sold to his Master. § 12. And when I made it known that, notwithstanding his orders, the same had not yet been handed over, he requested to send the Tree Counter, who had to take them over, to him, to whom he delivered an Ola with four Sepoys, who were to bring the Protokaare under arrest to Irreweri. § 13. I thereupon promised that I would sell the said gardens to His Highness for one hundred and three, as soon as the Company should be restored in the possession of the same. § 14. But the Request to cede also the Garden Katoer, I undertook to present favorably to the High Government at Batavia. After this, he took polite leave and departed under the usual honors to Saroe, the Headquarters of the Trevancore Army. Thus done on the Year and days aforesaid /:was signed:/ G. G. van Angelbeek Agreed. Arnold Lunel provisional secretary Tuesday the 29th of July 1788, forenoon. Present: The Right Honorable, Most Worshipful Lord, Extraordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director Johan Gerard van Angelbeek, The Honorable Senior Merchant, Second and Chief Administrator Reinier van Harn, The Honorable Captain and Head of the Military Godlieb George Gebhard, The Honorable provisional Fiscal and Cashier Jan Lambertus van Spael, The Honorable Junior Merchant and Warehouse Keeper Johan Adam Cellarius, The Honorable Junior Merchant, Shopkeeper and Purveyor Willem van Haesten, The Honorable Junior Merchant and Secretary of Police Adriaan Poolvliet, and The Honorable provisional Pay Bookkeeper Johan Andries Scheidz. Secret Resolution taken in Council of Malabar, at the City of Koetsiem After the conclusion of the ordinary matters mentioned in today's common resolution, the Governor notified the Members that the disputes with the King of Trevancore concerning the cruising along the Coast and the levying of tolls from passing Traders, of which was spoken at length in the secret Resolution of the 31st of December of last year, and the 9th and 12th

Dutch transcription

„ve wijze, in de konferentsie op den 19e Juri, betoogde, dat de Koning zijn Meester zulke groote uitgaven doen moest, dat de gewoone inkomsten van zijn Rijk niet toereikten, en dus den handel in zijne landprodukten aan zich getrokken had, om daar door de meerdere lasten goed te maaken, doch dat dit middel voor het grootst gedeelte veriedeld werd, door dien de Kompe van dien handel de„ „telve tollen pretendeerde, die te van den handel in Koetsiem genoot; Dat wij ons wel ten dien opzichte op het oude gebruik benepen, doch dat het zelve alleen betrekking gehad had, tot par „tikuliere Handelaars, maar niet tot de Koningen, die daarvan behoor„ „den wij te weezen. §3. Jk antwoorde hierop, dat de toe niet gevraagd wierd van den Koning maar van de Kooplieden, en dat de handel daar door te Alepe ook niet meer gedruukt wierd als te Koetsiem waar eeven zoo veel tol betaald moest worden, weshalven de Kooplieden geene reeden hadden, om zich daar„ „over te bezwaaren. En dat boven dit alles ik verplicht was, het recht 2 246 recht van de Kompe in dit en alle andere gevallen, te mainteneeren en geene macht hadde het zelve te verminderen, of vaaren te laaten, het welk geleegenheid tot een heel land nadig en lastig disput gaf, waar- „in hij mij met geweld wilde opdrin„ „gen, dat ik den Koning van het be„ „taalen van tollen wel kost vrij laaten, als ik het maar doen wilde §. 4. Toen dit Vruchtloos afliep, quam hij mij met verzoek aan boord, dat ik de belangen van den Koning aan de Hooge Regeering voordraagen, en door mijne intercessie te wege brengen wilde, dat zijn Hoogheids negootsie van de tollen mogt vrijgelaaten worden, en dat wij dan van de partikúliere Koop- „lieden de tollen neemen konden. Ik wees hier omtrend aan, dat of schoon ik dit voordraagen en de Hooge Regee„ ring het toestaan wilde, daaniet nieuw geschillen zouden voortkoomen, want, dat alle partikúliere Koop¬ „lieden, die goederen naar zijn Hoogheids Land bragten en van daar weer vervoerden, voorgeeven zouden, dat het negootsie van den Koning was. G. C heeft ster dat §5. S. 6. 8. Dit zeide hij Kost men voorkoomen, met een bewijs van wegen zijn Hoogheid aan de Kooplieden te geeven, die de Handel waaren van hem vervoerden, tewwijl alle de geenen, die van zulk een bewijs niet voorzien waaren tol zouden moeten betaalen. §7. Jk weder dat dit een zeer mislijk middel zijn toude, wijl de Koop¬ lieden weldra de wegen vinden toti„ „den, om zich voor hunne partiku„ „liere goederen van dergelijken bewijzen te voorzien. Eindelijk quam en wij overeen, dat de Koning bij eene Lijst opgeeven toude, welke goederen hij van de Noord wilde laaten koomen, en wat voor produkten hij daarvoor in betaaling geeven wilde, en dat ik die Lijst aan de Hooge Re¬ „geening zenden en het verzoek om toe vrijheid voor dezelven aan Húnne Hoog- „edelheeden voordraagen zoude. Waartegen de Koning beloofde tich tegen het invorderen van tollen van alle andere goederen, die van de noord naar de Zuid of van de Zuid naar de noord Koetsiem voorbij gebragt wierden en te¬ „gen de bekrussingen niet te zullen ver„ retten Na §9. 2 2. 247 § 10. Na dat dit artikel in deezer voegen afgedaan was, viel het gesprek weder op de land producten van Prevan Koor, en intonderheid op de Kardamom en Kaier, die de Kompe mogt noodig heb „ben, en de Dallawa was zoo genereus, daarvan zoo veel voor de laagste Marhts Prijten aan de Kompl. aantebieden als zij begeeren mogt. Dan dewijl ik de quantiteit daarvan niet kost bepaa„ „len voor dat de Eisch van Kardamom en teffens het antwoord op het voor twee Jaar gezonden Monster uit Nederland en den Eisch van Kaier van Batavia ontvangen zal zijn: zoo akcepteerde ik die aanbieding in het algemeen, en beloofde de eigentlijke quantiteit daar- van in de maand November te tullen opgeeven Laastlijk verzocht de Dallawa dat de twee tuinen met een stukje tai„ land in het Dorp Jrreweri, waarvan in de Konferentsie van de 19de. Juni bij 3. 5. nader gesprooken is, aan zijnen Mee„ „ster mogten verkocht worden. 3. 12. En toen ik te kennen gaf dat dezel„ „ven onaangezien zijne ordres noch niet overgegeeven waaren, verzocht hij den Boom niet 11. . §13. Boomteller die te overneemen moest, bij hem te tenden, aan wien hij een Ola met vier Sipahis overgaf, die den Protokaare in arrest naar Greweni brengen houden. Ik beloofde daarop dat ik gemelde tuinen aan zijn Hoogheid voor hon¬ „derd, ten drie toude verkoopen, too dra de Kompe in het bezit van dezelven hersteld zoúde zijn. S. 14. Doch het Vertoek, om ook de Tuin Ka „toer aftestaan, nam ik aan, gunsti aan de Hooge Regeering te Bata¬ „via te zullen voordraagen. Hier na nam hij beleefdelijk afschen en vertrok onder de gewoone eerb wijzingen naar Saroe het Hoofd quartier van het Trevan Koorsche Leger Aldus gedaan ten Jaar en daagen voormeldt /:was geteekend:/ G. G Van Angelebeek Akkordeerd. Arnold Lunel p:r sekreb: oest, ij en de van t 6 248 Dingsdag den 29: Iuli 1788: voormiddag Present De weledele Groot achtbaare Heer Raad extra ordinair van Nederlands Indien, Goeverneur en Direkteur Iohan Gerard van Angelbeek De E: Heer opperkoopm Sekunde en Hoofdadministr Reinier van Harn De E: Kapitain en Hoofd der Milietsie Godlieb George Gebhard De E: p=l Fiskaal en kassier Ian Lambertus van Spael De E: onderkoopm en Pakhuismeester Iohan Adam Cellarius De E: onderkoopm winkelier en Dispensier Willem van Haesten De E: onderkoopm en Sekretaris van Polietsie Adriaan Poolvliet, en De E: p=l soldij boekhouder Iohan Andries Scheidz Na het afloopen van de ordinaire zaaken, bij de gemeene resoluutsie van heeden vermeld, gaf de Heer Goeverneur aan de Leden kennis, dat de geschillen met den koning van Trevan„ „koor, over het bekruissen van de Stranden en het heffen van tollen van voorbijvaarende Handelaars, waarvan in 't breede gesprooken is, bij sekreete Resoluutsie van den 31: De„ „cember des voorleedenen, en den 9 den 12: den Sekreete Resoluutsie genoomen in Raade van Malabaar, ter Steede Koetsiem en v : 8

NL-HaNA_1.04.02_3801_0558 view scan ↗

English

and 30th January, and the 6th and 21st February of this year, have been satisfactorily settled in the conference which his Honour held, first with the king himself on the 17th June last at the Kannetje, and thereafter with his Highness's First Minister, the Dalawa Resa Pulle, on the 18th and 19th ejusdem, as well as on the 14th and 15th of this month, here, and this in such manner that his Highness does not desire to disturb the Company in its right to cruise the beaches and levy the aforesaid tolls, but only requests that the Company's cruisers do not molest his ports and beach, and that the goods which his Highness causes to be purchased by his people to the north and brought down to his country, and the products given in payment for them, may be exempt from the tolls, of which his Highness shall submit a list, which the Lord Governor has promised to send to the High Government of the Indies and to recommend favorably, whereof it was approved and agreed to make this record. The Lord Governor further communicated that the king in the aforesaid conference had so greatly insisted upon the construction of another battery on the northwestern corner of Aikotte, to prevent the enemy from landing there, that his Honour—in order not to offend that prince, who in all respects showed much esteem for the Company and had approached the just-mentioned disputes with great fairness, by refusing a matter that required no great expense and in which his Highness nevertheless took such a great interest—had consented thereto, and to that end had gone to Aikotte on the 8th of this month, and together with the Dalawa had chosen the site for it, and had given orders for the throwing up of the battery according to the plan which his Honour produced in the Council, noting at the same time in that regard that this battery was indeed very serviceable for the aforesaid purpose and would not amount to much over two thousand rupees. Whereupon, having deliberated, it was approved and agreed to conform entirely therewith. The Lord Governor further communicated that the king of Travancore, during his presence here in the month of September 1786, had requested to purchase the islands of Moetoekoenis, but that his Honour had not dared to consent thereto because of the great importance attached to the possession of those islands by some Commanders before his time, and especially by the Lord Governor Senff of blessed memory, and had therefore submitted that request to the High Government of the Indies, with the result that Their High Mightinesses, by separate secret resolution of 30th August 1787, had qualified him for the sale; wherefore his Honour had now recently sold the same to the said king for thirty-five thousand rupees, under these conditions: that the bills of sale be issued immediately, but the little islands shall only be handed over in January next, since the lease year ends on the last day of December, and that the Company's merchant, David Rahabi, shall provide a bond for the purchase money, to be settled in the coming fiscal year 1788/9; further, that his Honour, considering that the greatest difficulty which Lord Senff had raised against the cession of these little islands consisted in the fact that the king, if he were the possessor of them, would be able to prevent navigation between Cranganore and Aikotte, had expressly stipulated in this contract that his Highness should promise in writing not to obstruct navigation past that place, and that his Highness had complied therewith by a letter of the 6th of this month, the translation of which reads as follows: Translation of a letter written by the King of Travancore to the Right Honourable Lord Governor Johan Gerard van Angelbeek, received the 6th July 1788: I request Your Right Honourable Honour to transfer to me the Moetakoenos, as well as the two gardens and a piece of sowing land on Ejawena, as also the garden and lands at Kaattoer, the amounts for which I will cause to be paid through David Rahabi; please send to me with Ananda Mallen the necessary proofs for this. Furthermore, I promise Your Right Honourable Honour that when the Moetakoenos is ceded to me, not the least hindrance shall be caused to the free passage of the Company's people and vessels going and coming between Cranganore and Aikotte, but they shall be allowed to continue as before. I request to be accommodated regarding the cession of the aforementioned gardens and lands. Written in the year Kollam 963, the 15th of the month of Mithunam, or 1788, the 25th June, by Balia Melesoetto Kanako Prasoodom Peroemaal Madewen, and signed by his Highness. Below stood: For the translation, Cochin, date as above. Signed: J: M: Truijens, sworn translator. Whereupon, having deliberated, it was approved and agreed to conform therewith, and hereby to qualify the Honourable Chief Administrator to convey the said islands to the said King, and to accept in payment for them a notarial bond from the Company's merchant, David Rahabi, payable under the date of ultimate August 1789, and further to take care that the three islands of Moetoekoenis with their boundaries are specified in the bill of sale.

Dutch transcription

en 30:sten Ianuari, en den 6=den en 21: Februari deezes Iaars, tot genoegen bij gelegd zijn, in de konferentsie, die zijn Edele, eerst met den ko „ning zelve op den 17=den Iuni Iongstleeden op het Kannetje, en daar na met zijn Hoogheids Eersten Minister, den Dallewa Resa Pulle, of den 18=den en 19 den ejusdem, mitsgaders op den 14„e en 15: deezer, alhier gehouden heeft, en zulx in deezer voegen, dat zijne Hoogheid de komp: in haar recht tot het bekruissen van de Stranden en het heffen van voorsz: tollen niet begeerd te stooven, doch alleen verzoekt, dat de Komps Kruissers zijne havens en Strand niet molesteeren en dat de goederen, die zijne Hoogheid door zijn volk om de Noord laat koo „pen, en naar zijn land afbrengen, en de proclukten, die daar voor tot betaaling gegeeve worden, van de tollen mogen vrij zijn, waar van zijne Hoogheid eene lijst zal indienen, die de Heer Goeverneur beloofd heeft aan de Hooge Regeering van Indiën te zullen zen „den, en gunstig voor te draagen, waar van goedgevoerden en verstaan is, deeze aan „teekening te houden Noch Kommuniceerde de Heer Goeverneur dat de koning in voorschreeve konferent sie zoo 249 zoo zeer had aangedrongen op het aanleggen „op de noordwestlijksste hoek van Aikotte van noch eene batterij, om den vijand het aanlanden aldaar te beletten, dat zijn Edele, om dien vorst, die in alle opzichten veel achting voor de Kompanie liet blijken, en omtrend de zoo even gemelde geschillen met veele billijkheid was aan de hand gekoomen, door de weigering van eene zaak, die geene groote kosten vereischte, en waarin zijne Hoogheid echter zulk een groot belangstelde, niet voor het hoofd te stooten, daarin had be„ „willigd, en tot dat einde op den 8: deezer naar Aikotte gegaan was, en met den Dallewa te zaamen de plaats daar toe uitgezocht, en tot het opwerpen van de batterij order gegeeven had, naar het plan, het welk zijn Edele in Raade produceerde, en daar om„ „trend teffens aanmerkte, dat die batterij, tot het voorschr oogmerk werklijk zeer dienstig was, en niet veel over de tweeduizend ropijen bedraagen zoude. Waar op gedelibereerd zijnde, zoo werd goedgevonden en verstaan, zich daar„ „ meede alzints te konformeeren. Wijders kommuniceerde de Heer Goeverneur, dat de koning van Trevankoor, bij zijn aan„ „weesen alhier in de maand Zeptember 1786: verzocht ebrua ari d in verzocht had, de Eilanden, Moetoekoenis, aan hem te verkoopen, doch dat zijn Edele daarin niet had durven bewilligen, wegens het groot gewigt, het welk door sommige Komman„ „deurs voor zijnen tijd en voornaamlijk door den Heer Goeverneur Senff /:L:M:/ aan het bezitten van die Eilanden gehecht was, en daarom dat verzoek aan de Hooge Regeering van Indien had voorgedraagen, met dat gevolg, dat Hunne Hoogedelheeden hem, bij aparte Sekreete van den 30: Aug=s 1787: tot den verkoop gequalificeerd hadden, weshalven zijn Edele dezelven nu onlangs aan Hoog gedachten koning voor vijf en dertigduizend Ropijen verkocht had, onder deeze kondiet„ „sien, dat de koopbrieven ten eersten uitge„ „vaardigt, doch de Eilandjes eerst in Dani„ „ari aanstaande overgegeeven zullen worden, wijl het pachtjaar den laasten December om is, en dat 's komp=s koopman, David Rhabbij voor de kooppenningen een obligaatsie zal verleenen, om in het aanstaande Boekjaar 178 8/9 vereffent te worden; voorts dat zijn Edele uit aanmerking, dat de grootste zwaarigheid die de Heer Senff tegen den afstand deezer Eilandjes gemaakt had, daarin bestond, dat de 250 de koning, als hij er bezitter van was, de vaart tusschen kranganoor en Aikotte zoude kunnen beletten, bij dit kontrakt noch ex„ „pres bedongen had, dat zijn Hoogheid Schrift„ „lijk zoude beloven, de vaart daarvoorbij niet te zullen belemmeren, en dat zijn Hoogheid daaraan voldaan had, bij een brief van den 6:den deezer, waar van de vertaa„ „ling aldus luid. Translaat brief door den Koning van Trevankoor geschr: aan den Weledelen Grootacht„ „baaren Heer Goeverneur Johan Gerard van Angelbeek, ont „vangen den 6: Iuli 1788: Ik verzoek Uweledele Grootachtbaare, de Moetakoenos, zoomeede de twee tuinen en een stukje Zaailand op Ejawena, als meede de tuin en landen op Kaattoer, aan mij over te transporteeren, welkers bedraagen, zal ik door David Rhabbij laaten afdraagen, de noodige bewijzen hier toe gelieve Uwel„ „ edele Grootachtbaare met Ananda Mallen mij toetezenden. voorts beloove ik Uweledele Grootachtbaare, dat dat wanneer de moetakoenos aan mij afge„ „staan wierd, aan de vrije passasie van 's komp volk en vaartuigen die van kranganoor en Arkotte gaan en komen geen de minste ver „hindering zal gedaan worden, maar gelijk voordeezen laaten kontinueeren. Ik verzoek nopens den afstand van voormeld tuinen en landen; mij te willen bedeelen. geschreeven in 't Iaar Koilang 963: den 15: va de maand Midoenam, ofte 1788: den 25e den den Iuni door Balia Melesoetto Kanako Prasoe „dom Peroemaal Madewen en geteekend de zijn Hoogheid /:onderstond:/ voor de Translaatse Koetsiem dato als vooren /:geteekend:/ I: M: Truijens gezw translateur. Waarop gedelibereerd zijnde, is goedgevonden en verstaan, zich daarmeede te konformeere en den E: Hoofdadministrateur bij deezen te qualificeeren, om van gemelde Eilan„ „den opdragt te doen aan Hooggedachten Koning, en in betaaling van dezelven een Sekretarieele obligaatiie van 's komp koopman, David Rhabbij, onder ultimo Augh 1789: betaalbaar, te akcepteeren, en voorts te zorgen, dat de drie Eilanden Moetoe„ „koents met hunne limiten bij den koop„ „brief

NL-HaNA_1.04.02_3801_0563 view scan ↗

English

251 letter be clearly made known, to which end it was furthermore resolved to insert here an accurate description of the same, drawn up from the old papers by the Secretary Poolvliet, and produced on this occasion by the Governor. Opposite Aikotte, several deserted islets previously lay, which bore the name of Helenda Poerti, which signifies Dutch islets. Of these, some were successively granted to various persons on behalf of the Honourable Company for cultivation, but owing to the negligence of the grantees, some of them were left in a desolate state and others were little improved. From the Cochin resolution of 7 October 1709, it appears that the corporal Anthoni van den Bosch had made a request to obtain a title deed for two small pieces of severed waste land situated in front of Aikotte, which had been granted to him for cultivation for 25 years by the previous Commander Concerning the Islands Moetoekoenoe and Maliankare van der Duin, and that it was then resolved to grant such a document to him, van den Bosch. Van den Bosch meanwhile happened to die, and a free burgher named Zeeger Zeegertsz had taken possession of those small lands, and subsequently, after the expiration of the term in 1735, one of them was leased out on the Company's behalf for the first time to a certain Boerlaage. In 1740, another piece of cultivated land across the post of Aikotte was leased to Nikolaas Izaaksz. In the bundle of lands granted as benefices, it is recorded that in the year 1761 two small pieces of vacant land situated before the post of Aikotte were granted for cultivation to the Mukkuva Pedro de Karro, and upon making known the locations of those lands, one of the adjacent islets was made known under the name of Maliankarro. This piece of land was in 1780 also leased for the first time under the name of Maliankarro. The three islets of Moetoekoenoe, etc., the 252 the King of the Zamorin mortgaged by written deed to the Company on 26 February 1762 for 16000 Rupees, on the condition that if he did not redeem the said islands within two years after the mortgaging, they would fall to the Honourable Company in full ownership. That document states that those islands extend between the land of Parur and the Company's island of Maliankarro. Their High Excellencies at Batavia declared by separate letter of 14 September 1762 that they were satisfied with this mortgaging. And by separate letter of 24 September 1764, they requested elucidation regarding the location and the utility of those islands in order to dispose of them, as Travancore was beginning to lay claim to them. To this, Commander Breekpot communicated by secret letter of 9 April 1765 that these islets are situated directly opposite Paliporto and Aikotte, from which they are separated by the river that flows to Cranganore, to the east of which these islets lie; that any navigation could be undertaken from there to the prejudice of the Honourable Company cannot be, since these islets are not situated on the sea coast, but eastward on the river; yet a toll could well be established there, because the navigation passes by and around these islets together; but against this it must again be considered that if Travancore is inclined to establish new tolls in his conquered territories, under which he wishes to place these islets, His Highness has more than one place to do so just as conveniently as on the islands of Moetoekoenoe, from where, however, by constructing a fortification, the communication between Cranganore, Chetwai, and Cochin could be more obstructed than from any other places that His Travancorean Highness possesses on that side, because thereby the navigation through the inlet of Aikotte to and from Cranganore, and also simultaneously across the river thither, can be prevented, since one of these islets with its northernmost 253 most corner is also situated on the river which flows past Cranganore from the east into the sea, and which alone forms the separation between our fortress of Cranganore and those islands, which lie lower down towards Aikotte; from there navigation to Cranganore by sea and river can be obstructed; this is the detriment that could be brought upon us from there if Travancore becomes the possessor of it and is so inclined, besides our having to forgo the revenues thereof, and the capital for which they are mortgaged then running great risk of being lost, for even if Travancore were to undertake to satisfy the 16000 Rupees for which they are mortgaged, His Highness will not pay it in cash, but will have it put on account and subsequently keep delaying the settlement of that item as long as is ever possible for him. Their High Excellencies, by secret letter of 17 September 1765, rejected the alleged reasons of Commander Breekpot and authorised him to keep the claim of Travancore, which had then come up again, pending, but

Dutch transcription

251 brief duidelijk bekend gesteld worden, tot welk einde noch verstaan werd, een nauwkeurige, beschrijving van dezelven, door den Sekretaris Poolvliet uit de oude papieren opgemaakt, en door den Heer Goeverneur ter deezer gelegenheid geprodu„ „ceerd, hier te insereeren Iegen over Aikotte hebben bevoorens ver„ „scheide woeste eilandjes geleegen, die de naam voerden van Helenda Poerti, 't welk beduid Hollandsche eilandjes. Hier van waaren eenige sukcessive van wegen de E: komp aan deezen en geenen gegeeven ter bequaammaaking, maar door onagtzaam„ „heid van de aanneemers, zommige daar van inde woeste staat gelaaten en anderen weinig verbeeterd. Bij koetsiemsche resoluutsie van den 7:e oktober 1709: blijkt, dat de korporaal An„ „thoni van den Bosch verzoek had gedaan, om van twee stukjes afgebrookene woeste Landjes liggende voor Aikotte, en de welken aan hem door den voorigen Heer Komman„ Nopens de Eilanden Moe„ „toekoenoe en Maliankare „deur „deur van der Duin ter bebouwing voor 25: Iaaren waaren afgegeeven, een bewijs te mogen erlangen, en dat toen beslooten was aan hem van den Bosch zoodanig een papier te verleenen. van den Bosch quam intusschen te sterven en een vrijburger Zeeger Zeegertsz genaamd, had die landjes aanvaard en vervolgens is een daarvan na tijds expiraatsie in 1735: 'skomp=s weegen voor de eerste maal verpacht aan eenen Boerlaage. In 1740: is een ander stuk bebouwd land over de post Aikotte aan Nikolaas Izaaksz verpacht. In de bondel van, ter beneficie gegeevene landen konsteerd, dat in het Iaar 1761: twee stukjes leedige landjes liggende voor de post Aikotte tot bequaammaaking waaren afgegeeven aan den Mogua Pedro de Karro en bij bekendstelling der leggingen van die landjes, is een der daar bij liggende eilandje onder de naam van Maliankarro bekend ge„ „steld. — Dit stuk landje is in 1780: voor de eerstemaal almeede onder de naam van Maliankarro verpacht. De drie eilandjes Moettoekoenoe enz: heeft 252 heeft de koning van Samorijn den 26: fe„ „bruari 1762: bij geschrift aan de komp=t voor 16000: Ropijen verpand, onder beding, dat zoo hij in Twee Iaaren tijd na de verpanding niet komt aftelossen gem: eilanden aan de E: komp in volle eigendom zoude ver„ „vallen, bij dat geschrift staat, dat die eilan„ „den zich uitstrekken van tusschen het „land van Paroe en het 'skomp=s Eiland Ma„ „liankarro. — Hun Hoogedelheeden te Batavia hebben bij aparte brief van den 14: Zeptember 1762: verklaard in deeze verpanding genoegen te neemen. En bij aparte brief van den 24: September 1764: elucidaatsie gevraagd omtrend de leg„ „ging en het nut van die eilanden, om weegens dezelven te disponeeren, alzoo Trevankoor pretentsie daarop begon te maa„ „ken. Hierop is bij sekreete brief van den 9: den April 1765: door den Heer Kommandeur Breekpot bedeeld, dat die eilandjes zijn geleegen vlak over Paliporto en Aikotte en van waar dezelve afgescheiden zijn, door de rivier, die naar Kranganoor loopt, waar m waar aan deeze eilandjes ten oosten liggen, dat daarvan eenige vaart tot prejudietsie van D: E: Kompe zoude kunnen werden onder„ „noomen, kan niet zijn, dewijl die eilandjes niet aan den boord der zee, maar oostwaards aan de rivier geleegen zijn, doch een tol zoude daar wel kunnen werden aangelegd, om dat de vaart voorbij en om deeze eiland „jes zamelyk is, maar hier teegen komt weder in aanmerking, dat zoo Trevankoor geneegen is, nieuwe tollen in zijn overmee „sterde landen, waar onder hij die eilandje wil gesteld hebben, aanteleggen, zijn Hoog „heid meer als eene plaats heeft om zulx zoo geleegen te kunnen doen, als op de eilanden Moetoekoenoe, van waar echter door het aanleggen van een sterkte de kommunikaatsie tusschen Kranganoor, Settua en koetsiem meer zoude kunnen werden belemmert, als van eenige ander plaatzen, die zijn Trevankoorsche Hoog „heid aan die kant bezit, door dien daar door de vaart door het Zeegat van Aikot na en van kranganoor en ook teffens over rivier na derwaards kan beletten alzoo een deezer eilandjes met de noord „lijkste 253 „lykste hoek ook geleegen is, aan de rivier die uit het oosten Kranganoor voorbij in zee loopt, en die alleen, de scheidinge maakt, tusschen ons Fortres Kranganoor en die Eilanden, die lager na Aikotte toe leggende, kan van daar de vaart op kran„ „ganoor over zee en rivier werden belet, dit is het nadeel, dat ons daar van zoude kunnen werden toegebragt, indien Trevan„ „koor daar bezitter van word, en daar toe inklineerde, behalven dat wij de inkomsten daarvan moeten missen, en het kapitaal, waar voor verpand zijn, als dan grootgevaar loopt, van verlooren tegaan, want Schoon Trevankoor al mogt aanneemen de 16000: Rop=n waar voor verhijpothijkeerd zijn te voldoen, zal zijn Hoogheid die niet in kontant betaalen, maar die op reekening laaten stellen en ver„ „volgens de vereffening van die post delaieerende houden, zoo lang hem, immers mogelijk is. Hun Hoogedelheeden bij Sekreete brief van den 17: September 1765: hebben de geallegeerde reedenen van den Heer Kommandeur Breek „pot verworpen, en gequalificeerd om de pre„ „tentsie van Trevankoor, die toen weder op het tapijt was gekoomen, sleepende te houden, doch der„ o0r e 9 laar Kott no

NL-HaNA_1.04.02_3801_0568 view scan ↗

English

but if that would not help, then to accept the mortgaged 16000 Ropijen for those islands, even if it were less. The Ministers here replied to this, by letter of 15 April 1766, that upon a further request from Trevankoor for the islands in question, they would carry out the order of Their High Mightinesses. In the memorial left behind by Commander Breekpot to Governor Senff, it is stated that the former's opinion is that ceding those islands to Trevankoor would result in great disadvantage to the Company, especially for navigation to Kranganoor. In the treatise of Governor Senff on the extract resolution of 28 July and the general letter from Their High Mightinesses of 26 September 1769, whereby authorization was granted to cede Moetoekoenoe to Trevankoor for 16000 Rops, he states that for several reasons which he alleges therein, namely, that if Trevankoor receives those islands it will not want to give any money, that since they lie between Kranganoor and Koeriapalli, they could obstruct navigation to Pettua, Paponette, and the mountains, as well as the timber rafts, by placing a fort there, and that the said islands yield great revenues, which, calculated on the principal sum of 16000 rops, yield 7 3/16 per cent, he had made no use of that authorization, and he lived in hope that this will be unnecessary for the future, but if not, that it could still take place as soon as Their High Mightinesses come to give further orders. Their High Mightinesses thereupon wrote by secret letter of 25 September 1770 that they could well agree with the opinion of the Governor, for as long as no application is made for it, but should that happen, simply to cede the said islands to Trebankoor for 16000 rops. Furthermore, the Governor produced a declaration from the Tree Counter, Iohan Lodewijk Stolsenberg, indicating what difficulties the King's servants had caused at Irreweni in the month of January last over two of the Company's gardens there called Katharina Kardosa, and had continuously perpetrated until the 15th of this month, when they were finally returned, reading as follows. Declaration of the Tree Counter Stolsenberg Today, 17 July 1788, appeared before me, Arnoldus Lunel, first sworn clerk of police here, in the presence of the witnesses to be named below, the pensioned sergeant and Tree Counter, Iohan Lodewijk Holsenberg, who declared that in the month of January of this year, the Protegaar of Aroe had placed an attachment on two of the Company's leased gardens, situated on Irreweni and named Katharina Kardoza, pretending that they belonged to Kallitseeri Bitsjoer, which was sold to the King of Trevankoor in the year 1786; that the declarant had written to that Protekaar about this and requested that the attachment be removed, since those gardens belonged to the Honorable Company, but that he had replied that these gardens were also on his account among the others that had been given to the King, and that he therefore also had to regard them as such; That the declarant thereupon wrote to the Sarwadikarikaar of Etmanoer, made known the injustice of that attachment, and requested that it be removed again, but that the latter replied that he did not rightly know whether these gardens belonged to the King or not, but that he would write about it to Ananda Male, the King's Agent here, and make the answer known; That, this answer being long delayed, the declarant gave notice of this attachment to the Honorable Right Honorable Governor of this coast; that his Honorable Right Honorable wrote about it to the King and received the reply that he had given orders to return those gardens, if they did not belong among those surrendered to His Highness; That, on orders from the Honorable Right Honorable Governor, the declarant wrote to the Sarwadikarikaar and requested that those gardens be returned to him at once; that the Sarwadikarikaar immediately replied that he had already given orders to return those gardens, and that seeing now that this had not happened, he sent two olas, one to the Protekaar of Aroe, and one to the Karikaar of Tjirtelle, with orders to surrender the gardens at once; That the declarant sent the one ola to the Karikaar of Tjirtelle and requested that the transfer be made, and that this Karikaar immediately sent an ola to the declarant for the Protekaar, whereby he was ordered to surrender the gardens upon receipt and to pay out whatever he had enjoyed from them; That the declarant then went himself to the Protekaar with both olas from the Karikaar and Sarwadikarikaar and handed them over to him; that the Protekaar immediately promised that he would surrender the gardens, but that this did not happen, although the declarant waited three days at Irreweni thereafter; that

Dutch transcription

doch zulx niet willende helpen, als dan de beleende 16000 - Ropijen op die Eilandjes, alwaar 't zelfs minder te akcepteeren. De Ministers van hier, hebben hierop, bij brief van den 15: April 1766: geantwoord, dat zij bij nader aanzoek van Trevankoor om de be„ „wuste eilanden Hunne Hoogedelheedens order, zouden ter uitvoer brengen. Bij de nagelaatene Memorie van den Heer Kommandeur Breekpot aan den Heer Goever„ „neur Serff word gezegt, dat het gevoelen, van den eersten is, dat die eilandjes aan Trevan„ „koor afgestaan wordende, tot groot nadeel voor de Komp zoude strekken, voornaamlijk in de vaart naar kranganoor. Bij de verhandeling van den Heer Goeverneur Senff op de Extrakt resoluutsie van 28: Iuli en Gemeene brief van Hunne Hoogedelheeden van den 26: September 1769:, waar bij qualifi„ „kaatsie word vergeend, om aan Trevankoor moe„ „toekoenoe aftestaan voor 16000: Rop=s zegt, dezelve, dat om verscheidene reedenen die hij daarbij allegeerd, te weeten, dat Trevankoor die eilanden krijgende geen geld zal willen geeven, dat dezelven tusschen Kranganoor en koeriapalli liggende, de vaart naar Tettua 254. Pettua, Paponette en het gebergte, als ook de houtvlotten zoude kunnen stremmen door het leggen van een fors daar, dat gem=e eilanden groote inkomsten geeven, dewelken op de kapitaale som van 16000: rop=s geree„ „kend 7 3/16: p„r C=to uitleeverd, van die qualifikaatsie geen gebruik had gemaakt, en hij in hoope leefde, dat zulx voor den aanstaande onnoodig zal zijn, doch zoo niet, dat het noch kon„ „de geschieden, zoo dra Hun Hoogedelhee„ „den nader komen te ordonneeren. Hun Hoogedelheeden hebben daarop bij se„ „kreete brief van den 25: September 1770: aangeschreeven, dat Hoogst dezelven met het Sentement van den Heer Goeverneur zich wel konden voegen, tot zoo lange er geen aanzoek toe gedaan word, maar zulx geschiedende, gem: eilandjes voor 16000: rop=s aan Trebankoor maar aftestaan. Voorts proeluceerde de Heer Goeverneur eene verklaaring van den Boomteller, Iohan Lodewijk Stolsenberg, aanwijzende, wat moeilijkheeden 's konings Bedienden te Irreweni in de maand Ianuari Iongstleeden, over twee tuinen van de kompanie aldaar Katharina kardosa genaamd verwekt, en geduurig geeluurig gepleegd hebben, tot den 15: deezer, wanneer dezelven eindelijk te rug gegeeven zijn, luidende als volgd. Verklaaring van den Boom„ „teller Stolsenberg Heeden den 17: Iuli 1788: kompareerde voor mij Arnoldus Lunel, eerste gezwoore¬ „neklerk van polietsie alhier, prezent de natenoemene getuigen, de gegasierde ser„ „jant en Boomteller, Iohan Lodewijk Hol„ „senberg, dewelke deklareerde; dat in de maand Ianuari deezes Iaars de Protegaar van Aroe arrest had laaten leggen op twee Kompanies verpachte ruinen, geleegen op Irreweni en Katharina kardoza genaamd, voorgeevende, dat dezelven gehoorden tot Kallitseeri Bitsjoer, die in het Iaar 1786: aan den koning van Trevankoor verkocht is, dat de deklarant daar over aan dien Protekaar geschreeven en verzocht had, het arrest te laaten wegneemen, alzoo die tuinen aan D: E: Komp gehoorden doch dat hij geantwoord had, dat deeze tuinen mede onder de anderen die aan den koning gegeeven waaren, op op zijn reekening stonden en hij dezel„ „ven dus ook zoodaanig moest aanmerken; Dat de deklarant daarop aan den Sarwa„ „dikarikaar- van Etmanoer geschreeven, de onbillijkheid van dat arrest te kennen gegeeven en verzocht had, het zelve we„ „der weg te laaten neemen, doch dat deeze geantwoord had, dat hij niet recht wist, of deeze ruinen aan den Koning gehoorden of niet, maar dat hij daar over aan Ananda Male 'Skonings Agent al„ „hier, schrijven en het antwoord waeten laaten zoude; Dat dit antwoord lange uitblijvende, de deklarant van dit arrest aan den weledelen Grootachtbaaren Heer Goeverneur deezer kuste kennis gegeeven had, dat zijn weledele Grootachtbaare daar over aan den koning geschreeven en tot antwoord bekomen had, dat hij or„ „der gesteld had, om die tuinen, indien dezelven onder de aan zijn Hoogheid overgegeevenen niet behoorden, weder aftegeeven; Dat de deklarant op ordere van den weledelen Grootachtbaaren Heer Goeverneur aan den Sarwadikarikaar geschreeven en verzocht had, om die zui„ „nen „nen ten eersten aan hem weder over te laaten geeven, dat de Sarwadikarikaar aanstonds geantwoord had, dat hij reeds or„ „dere gegeeven had, om die tuinen weder overtegeeven, en dat hij nu ziende, dat zulx niet geschied was, twee olas zons, een aan den Protekaar van Aroe, en eene aan den Karikaar van Tjirtelle, met ordere om de zuinen ten eersten overtegeeve dat de deklarant de eene ola aan den ka „rikaar van Tjirtelle aan hem gezonden en verzocht had de overgaave te laaten doen, en dat deeze karikaar aanstonds een ola aan den deklarant gezonden had voor den Protekaar, waarbij hij gelast wierd om de tuinen op den ontvangst weder over„ „tegeeven en het geen hij van dezelven genooten had, uittekeeren; Dat de de kla„ „rant zoen met de beide olas van den ka„ „rikaar en Sarwadikarikaar, zelfs naar den Protekaar gegaan is, en dezelven aan hem overgegeeven heeft, dat de Protekaar aanstonds beloofd heeft de tui„ „nen te zullen overgeeven, doch dat zulx niet geschied is, schoon de deklarant drie dagen te Irreweni daarna gewacht heeft, dat 5.

NL-HaNA_1.04.02_3801_0573 view scan ↗

English

that the deponent thereupon departed from there to Koetsiem in order to make a report of the matter; that upon this report of the deponent, the Right Honorable Governor had immediately caused an ola to be written to the Dallawa of the king, who was then at Paroe; that three or four days after the deponent's arrival here, having learned from the sub-lessee of those gardens that the Protekaar, the day after the deponent's departure from Irreibeni, had again caused pots to be taken down from the trees, he had immediately reported this to the Right Honorable Governor, and that his Right Honor had thereupon also immediately caused a further ola to be written to the Dallawa; that the day before yesterday, after the Dallawa had been in conference with the Right Honorable Governor, the deponent had gone to the Dallawa by order of his Right Honor, and that the Dallawa had given the deponent an ola for the Protekaar along with four Sepoys, in order to bring the Protekaar to Irrweni and cause the gardens to be surrendered; that the Sepoys brought the Protekaar under their escort to Irrweni, and that the deponent, having then handed over the ola to him, he immediately surrendered the gardens and duly paid the lessee of the same for what he had enjoyed from them. The deponent concludes this his given and rendered declaration with the affirmation that the same contains the pure and upright truth. Thus done and declared within the town of Koetsiem, at the Police Secretariat, on the day, month, and year aforesaid, in the presence of Cornelis Dirk Swabe and Francois Martensz, clerks, as witnesses. Was signed: I: L: Holsenberg. Lower: In my knowledge. Was signed: Arnoldus Eunel, first sworn clerk. In the margin: Present before us. Was signed: C. D. Swabe and F. Martensz. Regarding which the Governor further communicated that, in order to prevent further difficulties, he, upon the repeated request of the king of Trevankoor, had relinquished to him the said two gardens together with a piece of arable land—which together were leased to the Christian Badie Lonen for eleven ropijen per year—at the rate of one hundred for three, and thus for three hundred sixty-six and two-thirds ropij, and on the same conditions regarding the transfer and payment as those of the Moetoekoenis. Whereupon, having deliberated, it was approved and agreed to conform therewith and hereby to authorize the Honorable Chief Administrator to execute the transfer and accept a bond from the Company's merchant David Rhabbi for the purchase monies. Furthermore, the Governor communicated that His Honor, upon receiving the news that the King of Trevankoor was due to arrive here, had summoned the Interpreter of Koilang, Salvador Rodriquez Netto, to serve as interpreter during the conferences with that monarch, because His Honor on this occasion had anticipated long conferences and numerous other engagements, which the chief interpreter van Jongeren, due to old age and infirmity, would not have been able to attend; and that the said Salvador, on account of the numerous commissions, conferences, and other assignments, had been obliged to remain here until now, to whom His Honor had granted thirty ropijen per month, as he maintained his household in Koilang and therefore had to defray all his expenses here at the highest cost. Whereupon, having deliberated, it was approved and agreed to have paid from the Company's treasury to the said Interpreter, for the duration of his presence here—which lasted from 15 March last until the 18th of this month, and thus, including the journey, lasted fully four months—thirty ropijen per month. Finally, the Governor communicated that on the 7th of this month he had inspected the fortifications at Kranganoor, and on that occasion had discovered that the commandant von Mullertz had erected a parapet with several places of arms and a ditch before it, or a formal entrenchment, before the fort at a distance of a heavy cannon shot across the entire plain from one river to the other, not only without authorization, but also contrary to the prohibition made by secret resolution of 18 September 1787; and, what was even worse, far beyond the Company's boundaries and upon the territory of Tipu Sultan, to whom legitimate grounds for complaints and a pretext for commencing hostilities had thereby been given. That His Honor had therefore immediately given a verbal order to demolish that work—which, besides all that, was useless to the Company, because it had no troops to garrison it, and which, with a slight alteration, could serve the enemy who wished to besiege Kranganoor as his first parallel—and had since repeated that order by letter of the 9th of this month, with instructions to account for this unauthorized and reckless conduct; and that according to received written reports from the Officers who had overseen the leveling of the aforesaid entrenchment, that order had been duly complied with, while the commandant had also accounted for himself by letter of the 11th of this month, which in the Council

Dutch transcription

255. dat de deklarant daarop van daar naar koetsiem vertrokken is, om daar van rapport te doen; Dat de weledele Grootachtb: Heer Goeverneur op dit rapport van den de kla„ „rant aanstonds een ola aan den Dallawa van den koning die toen te Paroe was, had laaten schrijven, dat drie of vier dagen na des deklarants komst alhier, hij van den onderpachter van die tuinen vernoomen hebbende, dat de Protekaar 'sdags na des deklarants vertrek van Irreibeni, weder kokers van de boomen had laaten afhaalen, daar van ten eersten aan den weledelen Grootachtbaaren Heer Goeverneur rapport ge„ 1 „daan had, en dat zijn weledele Grootachtb: ook daarop aanstonds eén nadere ola aan den Dallawa had laaten schrijven; Dat eergisteren na dat de Dallawa ter konfe„ „rentsie bij den weledelen Grootachtbaaren Heer Goeverneur geweest was, de deklarant op bevel van zijn weledele Groot achtb: naar den Dallawa gegaan was, en deeze aan den deklarant een ola voor den Protekaar met vier Sipahis gegeeven had, om hem Protekaar naar Irrweni te bren„ „gen en de zuinen te laaten overgeeven„ dat 5. dat de Sipahis den Protekaar onder hun„ „ne eskorte op Irrweni gebracht hebben, en dat de deklarant de ola toen aan hem over„ „gegeeven hebbende, hij de tuinen ten eersten afgestaan en het geen hij van dezelven ge„ „nooten heeft, behoorlijk aan den Pachter van dezelve betaald had. Eindigende de deklarant deeze zijne ge„ „geevene en verleende deklaratoir met be„ „tuiging dezelve te behelsen de zuivere en oprechte waarheid. Aldus gedaan ende Gedeklareerd binnen de Stad Koetsiem, ter Sekretarije van Po„ „lietsie, ten dage, maand en Iaare, voor„ „meld, in presentsie van Cornelis Dirk Swabe en Francois Martensz klerken als getuigen /:was geteekend:/ I: L: Holsen„ „berg /:lager:/ in mijn kennis /:was geteekend:/ Arnoldus Eunel Eertgezw: klerk /:in mar„ 1 „gine :/ ons present /:was geteekend:/ C=s D=r Swabe en F=n Martensz: Waaromtrend de Heer Goeverneur nader kommuniceerde, dat hij, tot voorkoming van verdere moeilijkheeden, gemelde twee tui„ „nen met een stuk Zailand, die tezaamen aan den Kristen Badie Lonen voor elf ropijen 256 ropijen. 'sjaars verpacht waaren, aan den koning van Trevankoor op zijn herhaald ver„ „zoek had overgelaaten voor honderd tegen drie, en dus voor driehonderd ses en sestig en twee derde ropij, en op dezelfde kon„ „dietsie nopens de overgave en betaaling, als van de Moetoekoenis. — Waarop gedelibereerd zijnde, is goedgevonden en verstaan, zich daarmede te konformee„ „ren en den E: Hoofdadministrateur tot het doen van opdragt en 't akcepteeren van een obligaatsie van 'skomp=s koopman David Rhabbi voor de kooppeningen bij deezen te qualificeeren. Wijders kommuniceerde de Heer Goeverneur, dat zijn Edele, op de bekoomene tijding, dat de Koning van Trevankoor ditheen stond te„ „komen, den Tolk van koilang Salvador Ro„ „driquez Netto ontboden had, om bij de kon„ „ferentsien met dien vorst als Tolk te fun„ „geeren, door dian zijn Edele bij deeze ge„ „leegenheid lange konferentsien en meenig„ „vuldige andere beezigheeden voor uit had gezien, welke de oppertolk van Jongeren, wegens ouderdom en zwakheid, niet zoude hebben kunnen bijwoonen, en dat dat gem salvador zich tot nu toe wegens de veelvuldige kommissies, konferentsien en andere bestellingen hier had moeten ophouden, aan wien zijn Edele des maands dertig ropijen had toegelegd, alzoo dezelve zijne huishouding te Koilang had, en dus alles hier ten dieursten had moeten be„ „kostigen. Waarop gedelibereerd zijnde, is goedgevon„ „den en verstaan, gemelden Tolk geduuren„ „te zijn aanweezen alhier, het welk van den 15: Maart Jongstleeden tot den 18: deezer, en dus de reize mede gereekend ruim vier maanden geduurd heeft; Dertig ropijen I„ „maands, uit 's komp=s kasse te laaten voldoen. Eindelijk kommuniceerde de Heer Goever„ „neur, dat hij den 7: deezer te kranganoor de vestingwerken bezichtigd, en bij die ge„ „leegenheid ontdekt had, dat de kommandant von Mullertz: eene borstweering met ver„ „scheide wapenplaatsen en eene gragt daarvoor, of een formeel retranchement, voor het fort op een distantsie van een groote kanon - schoot over de heele vlak„ „te van de eene rivier tot de andere had opgeworpen, niet alleen zonder qualifi„ „kaatsie 257 „kaatsie, maar ook tegen het verbod, bij se„ „kreete resoluutsie van den 18: September 1787: en 't geen noch het ergste was, ver buiten 's komp=s limiten en op het teritoir van Sipoe Sultan, aan wien daar door rechtmaatige reeden tot Klachten en een voorwendzel tot het beginnen van vijan„ „digheeden gegeeven waaren. — Dat zijn Edele dus ten eersten mondeling bevel gegeeven had, dat werk, het welk, boven dat alles, voor de komp onnut was, door dien zij geen volk had, het zelve te be„ „zetten, en den vijand, die kranganoor belegeren wilde met een geringe verande„ „ring tot zijn eerste Parallele kost dienen, wederom te sloopen, en die order zeder had herhaald bij brief van den 9: deezer, met last, om zich nopens dit onbevoegd en onbezonnen gedrag te verantwoorden, en dat aan die order, volgens ingekomene schriftelijke rapporten van de Officiers, die het opzicht over het slechten van voorschreeve retrenchement gehad hadden behoorlijk voldaan was, terwijl de kom„ „mandant zich ook verantwoord had, bij brief van den 11: deezer, die in Raade op „ en„ .

NL-HaNA_1.04.02_3801_0578 view scan ↗

English

Having been read aloud, it was found to read as follows: To the Right Honorable, Highly Esteemed, High and Mighty Lord Johan Gerard van Angelbeek, Extraordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Malabar Coast, etc. Right Honorable, Highly Esteemed, High and Mighty Lord, Pursuant to your Right Honorable Highly Esteemed letter of the 9th of this month, which I highly respect, I take the humble liberty of submitting this. When the Pasha approached our outposts so closely with his, and the rumors assured us for certain of an invasion by him, and I received the order of the 19th of April of the current year from your Right Honorable Highly Esteemed Lord to take all possible care that our outposts give no occasion for hostile disputes, I took the resolution to draw a line round and close about our outposts to prevent all unpleasantries such as desertion, etc., and also for the greater security and protection of Kranganoor and its inhabitants. The work was begun about two full months ago and was completed in eight days. The garrison troops and the local inhabitants worked on it to please me and for their own security. And since they received no daily pay, but only a small gratuity from me, and each also chose the time to work on it according to his own discretion, I kept no record of how many worked daily. I assumed that, since we pay a certain annual contribution to the Pasha for that land, we could also act with it according to our discretion, at least as long as they did not come forward with any protest. And had this happened, I would have immediately, just as when it was raised, had it thrown down and leveled again at my own expense. Furthermore, I had hope that in time this would be obtained as a permanent border demarcation for Kranganoor, whereby many unpleasantries and disputes would be prevented. No advantages, self-interest, nor anything else moved me to begin this work, other than solely the zeal for the service, for my Lords and Masters, and the security of Kranganoor and its inhabitants. Therefore, I take the liberty humbly to request your Right Honorable Highly Esteemed Lord to be pleased to view and arrange this matter in the best light. I have enjoyed more proofs of your Right Honorable Highly Esteemed Lord's generosity, and I shall no less forget this one than all the others, honoring it with gratitude. I commend myself to your Right Honorable Highly Esteemed protection and have the honor to call myself, with the very highest esteem, below was written, Right Honorable, Highly Esteemed, High and Mighty Lord, your Right Honorable Highly Esteemed Lord's very humble and obedient servant, was signed, F: C: von Mullertz, in the margin, Kranganoor, the 11th of July 1788. And since it appeared from the justification and further circumstances that the aforementioned Commander had no evil intention in this, but rather thought he was doing a good work without having foreseen the evil consequences that could have arisen from it, it was, upon the proposal of the Lord Governor, approved and resolved to let him off this time with a fine of six months' salary, with a further written notice that no expenses will be charged to the account for the construction and demolition of that entrenchment. Thus done, resolved, and decreed in the Council of Malabar in the city of Cochin, on the day, month, and year aforesaid, was signed, I: G: van Angelbeek, R: van Harn, G: G: Gebhard, I: L: van Spael, I: A: Cellarius, W: van Haesten, A: Poolvliet, I: A: Scheidz. Agreed: Arnold Lunel First Secretary As painful as it was, Most Illustrious and Respected Sir, the disrespectful and unprecedented behavior of the Royal Minister of the King of Travancore toward me and other Reverend Fathers, just as much was it glorious and honorable for us to have found in the noble person of Your Most Illustrious Lordship such a high and powerful protector in a cause so critical and difficult a circumstance of a minister ill-disposed and committed against us, whom not even the good words of his own King could soften. Most Illustrious Sir, I have no words to express to you my feelings and the gratitude of my heart for so great a favor, obtained for all of us through the generous goodness and valid protection of Your Most Illustrious Lordship, to make up for my insufficiency in giving you the due merits, and to manifest to Your Most Illustrious Lordship that only under the valid protection of such a high patron can we remain at ease henceforth and without fears of not being molested again by the said Royal Minister, as can be known from the writing that he wrote to me, which I send so that Your Most Illustrious Sir may be informed. Most Noble and Highly Respected Sir, For the rest, praying to God Our Lord that in His supreme power He may preserve your noble and respected person for us, and fill you for long years with all the truest prosperities and happinesses together with your illustrious and numerous family, in reward for such particular assistance given to an unworthy Minister of His, with the most sincere, affectionate respect and consideration, I profess myself to be always, of Your Most Illustrious Lordship, the humble, affectionate, and obliged servant, was signed, Bishop of Usula, Vicar Apostolic, in the margin, Varapoli, the 21st of June 1788. Agreed. Arnold Lunel First Secretary

Dutch transcription

opgeleezen zijnde, bevonden werd aldus teluiden Aan den weled: Gestr: Groot agtb: Hoog geb: Heer Johan Gerard van Angelbeek Raad Extra ordinair van Neder„ „lands Indien Goeverneur en Direkteur ter Kuste Malabaar Ac: Weledele Gestrenge Groolagtbaar Hooggebiedende Heer Volgens uw Edele Gestr: Groot agtb: zeer ge „respekteerde van den 9: deezer, neem ik mij de onderdaanige vrijheid deezen in„ „te leeveren. Toen de Pascha zijne voorposten de onze zoo digt naaderde, en het gezugt ons voor„ „zeeker van een inval van denzelven verzeekerde, en ik de ordre van den 19=e April a: c: van uw Ed: Gestr: Groot agtb: ontfing om alle moogelijke zorge te draagen dat onze voorposten geene gelee „gentheeden tot vijandelijke verschillen tegeeven; vatte ik die Resoluutsie, om een Linie Rond en digt om onze voor„ „posten 258 „posten tot voorkomen van alle onaange„ „naamheeden van overloopen etc: en ook tot meerder zeekerheid en bescherming voor kranganoor en Ingezeetene te trekken, voor omtrend twee groote maanden is het werk begonnen en is in agtdlragen vol„ „tooid. Het volk uit het Guarnisoen en de inge„ „zeetene alhier hebben tot Plaisier van mijn, en om haar Eigen zeekerheid daar aan gewerkt, en vermits zij geene daagelijkse betaaling, maar alleenig een kleine Dou„ „ceur van mij hebben gekreegen; ook heeft ieder na zijn goeddunken de tijd verkoosen om daar aan te werken, zoo heb ik geene aanteekening gehouden hoe veele daage„ „lijks gewerkt hebben. Ik heb verondersteld, terwijl Iaarlijks een zeekere kontribuutsie aan den Pascha voor die grond betaalen, dat wij ook daar„ „meede na onze goeddunken konde hande„ „len, ten minsten, zoo lang als zij met geen Protest voor den dag kwaamen, en als. „dit waare geschied, zoude ik aanstonds het werk, zoo als bij het opwerpen voor mijn Reekening weederom ver hebben laaten Smijten den aar smijlen en slegten, nog meer, ik heb hoop gehad, om door den tijd, dit tot een vaste Prensscheiding voor kranganoor te zullen verkrijgen, waar door veel onaangenaamhee„ „den en Disputen zoude voorgekoomen worden: Leene voordeele, Eigenbelang nog iets anders heeft mij bewoogen, om dit werk te beginnen, als alleenig de iver voor den dienst, voor mijne Heeren en Meesters, en de zeekerheid voor kranganoor en Ingezee„ „tene Daarom neem ik mij de vrijheid uw Ed: Gestr: Groot agtb: onderdaaniglijk te verzoeken deeze zaak in den besten zin te willen aanmerken en schikken. Ik heb meer Proeven van uwEd: Gestr: Troot „agtb: Edelmoedigheid genooten, en zal deezen zoo min als alle overige vergeeten, om met dankbaarheid te vereeren. Ik beveele mij in uwEd: Gestr: Grootagtbaare Protectie en hebbe de eere mij met de aller „meeste Hoogachting te noemen /:onderstond:/ weledele Gestrenge Grootagtbaare, Hooggebie„ „dende Heer, uwEdele Gestr: Groot agtb:s zeer onderdaanige en Gehoorzaame Dienaar /:was geteekend:/ F: C: von Mullertz /:in „margine:/ 259 „margine:/ Kranganoor den 11: Iulij 1788:— En vermits uit de verantwoording en verdere omstandigheeden bleek, dat meerm: komman„ „dant daarbij geen quaad oogmerk gehad, maar g veel meer gemeend had, daaraan een goedwerk te doen, zonder de quaade gevolgen, die daar„ „uit hadden kunnen ontstaan, voorzien te„ „hebben: zoo is, op de proposiessie van den Heer Goeverneur, goedgevonden en verstaan, denzelven voor ditmaal met eene boete van ses maanden gasie vrij telaaten, onder nader aanschrijven, dat voor het maaken en sloopen van dat retranchement geen ongelden zullen in reekening gebragt worden. Aldus gedaan, geresolveerd en Gearre„ „steerd in Raade van Malabaar ter steede koetsiem, ten dage maand en Iaare voormeld: /:was geteekend:/ I: G: van Angelbeek R: van Harn, G: G: Gebhard, I: L: van Spael, I: A: Cellarius, W: van Haesten, A: Poolvliet, I: A: Scheidz. Akkordeerd: Arnold Lunel p.:r sekr t:o 260 Je foi Sensivel, Illmo. ed accata do sinhor, ovesatenciozo, enum que ouvido proceder do Real Ministro do Rei Travancor, a lesquar- do de mim, e maij R: Srs Presr. outro tanto foi para no glorioso, et honravel otheor achado em a Nobre Pessoa de Villmo. suria hu tao alto e Poderozo Prottettor em huma Caura taô critica, ed appartada Circunstancia de hum Ministro mal affeciado, ed empenhado Contro de noy, oqual, nem as bous palavras do mesmo seu hei e brandarao. Mui Illmo senhor naô tenho palavras para the exprimir of meus „sentimentos, et agradecimentos do meu Cora- cao por tao alto favor, alcaucado a nox todos da generora bondade e valida Protecaé de Vill: Lenra em suplimento da minha in suffi= cientia para thé dar ox devidos merecimento e para Menifestar a Vsa. Illm: sna g so abaixo da valida protecaô de taô alto Dadroeiro podremog ficar por diante descansados, e sem sustoy de naô ser molestados ontra regda oso= „bre do. Real Menistro, Como se pode Conhecer da o Escritto q elle me Escreveo, oqual man= do g VsHl=m Sen. r Seja informado. Nobmo e Mui Accatado Senhor¬ No L:a F C „ No maij pedindo a Deog Nosse senhon que om osen supremo poder Conserve-nos a sua Nobre ed accatado Pessoa, e re colme por largos annoy de todas as maij verdadeira Projperidades en felecidades unidamente asua Jllustre c ni meroza Familia em Recompenca de tao parti cular assistencia dada ad hum seu in dinho Ministro Com o maij sincero, affectuoso Res= peito, e consideracao: me protesto descur sempre D. Vn. gllmr. Senhr. Humildé Affectuaro e obrigato servo (for assmnado /Bispo usulense vige. Apti /em margina /Varapolé aog 21. de Junto 1788. Aksordeerd. Arnold Luvel p:r sekrt:s

NL-HaNA_1.04.02_3801_0589 view scan ↗

English

5 261 Translation of a Portuguese letter written by the Bishop of Werapoli to the Right Honorable, Highly Esteemed Lord Governor Johan Gerard van Angelbeek. If I was grieved, Right Honorable, Highly Esteemed Lord, over the unfriendly and unprecedented treatment which the Minister of the King of Travancore had inflicted upon me and the Reverend Fathers, it served me all the more for glory and honor that we have found in the noble person of your Right Honorable a high and mighty Protector, in such a perilous and distressing circumstance into which an ill-disposed Minister had brought us, who could not be moved even by the good words of his Master. Right Honorable, Highly Esteemed Lord, I find no words to express my gratitude and heartfelt thanks for the high favor shown to us all through the goodness and worthy protection of your Right Honorable; wherefore I send two Reverend Fathers into the presence of your Right Honorable to make up for my inability and to show the required gratitude to your Right Honorable, and at the same time to testify that by the protection of your Right Honorable we shall henceforth remain in peace and quiet, without fear of being molested by the said Royal Minister, as appears from the mentioned ola the Minister has written to me, and which I send herewith for the inspection of your Right Honorable. For the rest, I pray the Almighty for the preservation of your Right Honorable's high Person and Illustrious family for a series of years, coupled with all prosperities and contentments, as a reward for the special assistance shown to his unworthy Servant, who with the sincerest attention and deepest respect remains, below was written, your Right Honorable's humble and very obedient Servant, was signed, Bishop of Usula and Apostolic Vicar etc., in the margin, Werapoli the 27th of June 1788, below: For the Translation, Cochin the 23rd of June 1788, was signed, I: M: Gruijen. Agreed, Arnoldus Lunel, First Secretary. 2 263 Batavia No. 7 Letter from the Nabob's Commander at Settua regarding the Moetoekoenis. To his Excellency! The Right Honorable, Highly Esteemed, Widely Ruling Lord! Mr. Willem Arnold Alting, Governor General on behalf of the State of the Free United Netherlands and its General Chartered East India Company, and The Right Honorable, Brave Lords Councilors of the Netherlands Indies. Right Honorable, Highly Esteemed, Widely Ruling Lord, and Right Honorable, Brave Lords, 1. A few days after dispatching my respectful reports of the 10th of August last, I received a Malabar ola or letter from the Commander of Fort Settua, named Ramagen Oeman Saibo, the translation of which is included among the annexes, containing: That he had learned indirectly that I wished to transfer the fort of Cranganore and the Moetoekoenis to the English in the name of the King of Travancore. That since the Company, after his Master had taken possession of the lands of Settua and Cranganore, possessed nothing more than Fort Cranganore. That the Moetoekoenis belonged to the King of the Zamorin, and he therefore, if I wished to sell the same, dared not keep this secret, and That he therefore requested me to communicate to him my sentiments regarding this, under the persistence of Friendship. Report from Von Mullerts, that the Nabob will demand them back. 2. And shortly thereafter the Commander of Cranganore, Von Mullerts, informed me by a letter of the 19th of August, a copy of which accompanies this: That he was informed on good authority from the Cranganore region that the Padshah or Tipu Sultan had sent orders to the Chief there to demand the Moetoekoenis from the Company as belonging to the Zamorin Empire, and intended, if they were refused, to take the same away by force. Arrival of the Dalawa of Travancore. § 3. I hastily sent a copy of the first-mentioned ola 264 Negotiation with him on this case. Continued. to the Dalawa of Travancore, who was at the Headquarters of the Travancore Army at Parur, and who immediately came hither to consult with me on the matter. § 4. We both understood that if the Nabob discovered that the Moetoekoenis had indeed been sold to Travancore but were only to be handed over in the coming Year, he might thereby be encouraged to overpower them before that handover took place, because for so long they were to be regarded as Company possessions which he could take away without attacking Travancore and without going against the Treaty with the English. § 5. And that, on the other hand, if those little Islands were already in the hands of Travancore and occupied by its troops, he would not be able to attack them without violating the Treaty with the English, and would thus refrain from doing so out of fear of a breach of the Peace. Continued, and regarding Maliankara. § 6. The Dalawa was also willing, upon my proposal, to take over the repeatedly mentioned Islands immediately for the King, but remarked in addition that measures must also be devised to prevent the Nabob from making himself Master of the Island of Maliankara, where the Stockade Letter C had stood. Continued. § 7. Which he would undoubtedly do if he discovered that the other Islands were occupied by Travancore, but that this Island was still left in the hands of the Company and without defense, the more so as it was commonly counted among the Moetoekoenis as well. Continued. § 8. And that one should therefore choose one of two options, namely to renew and occupy the Stockade Letter C on the Island of Maliankara, or to hand that Island also immediately over to the King, who would then defend it. § 9. I was convinced of the soundness of this argument and therefore found myself in great embarrassment as to which of the two to choose. The

Dutch transcription

5 261 Translaat Portugeesc he brief door den Bisschop van werapoli geschreeven aan den Weledelen Groot Achtb: Heer Goeverneur Johan Gerard van Angelbeek, Was ik bedroefd Weledele Groot achtbaare Heere over de onvriendelijke en noit gehoorde be„ „handelingen, die de Minister van den koning van Jrevankoor mijen de Eerw: Paters had aangedaan, zoo strekte het mij noch meer tot glorie en eere, dat wij inde Edele ^ persoon van uwe weledele Groot achtbaare een hoogen en machtigen Beschermer gevonden hebben, in zulk een hachlijke en benauwde omstan „digheid, waar in ons een qualijk gezinde Minister gebragt had die zelfs door de goe„ „de woorden van zijn Meester niet te bewee„ „gen was. Weledele Groot achtb: Heer, Jk vinde geene woorden om mijne erkentenis en harten dank uittedrukken voor de hooge gunst aan ons allen beweesen door de goedheid en waarde protextie van uweledele groot achtb: waar omme ik twee herwaarde Paters P L:a Paeters in de tegenwoordigheid van Uwele Groot achtb: zende tot vervullen van m onbequaamheid ende vereischte dankbaa „heid aan uweledele Groot achtb: te bewij en teffens te betuigen dat wij door de „ge bescherming van uweledele Groota voortaan met rust en vreede zullen „gen blijven, zonder vrees van door 't „melden Koninglijken Minister te wer gemolesteerd, gelijk blijkt bij de gem: ola Minister aan mij geschreeven heeft, en ik tot spekulaatsie van uweledele gr „ achtb: hier nevens Eende. voor 't overige bid ik den Almogende tot konservaatsie van uweledele Groot act hooge Perzoon en Illustre familie t een reex van Jaaren gepaard met al prosperiteiten en vorgenoegingen vergelding van de bezondere assistents „weesen aan zijnen onwaardigen Dienaa die met de oprechtste attentitie en diepschu eerbied verblijft /:onderstond:/ uweledele Groot achtbaare ootmoedigen en zeer „hoorzaamen Dienaar /:was geteekend:/ Ao „schop van usuleuse en Apostel vicair &:a /:in margine:/ werap den 27. Juni 1788: /:onderd voor 262 voor de Translaatsie Koetsiemden 23: ' Juni 1788: /:was geteekend:/ I: M: Gruijen Akkordeerd. Arnold„ Lunel ele 622 bewi de ta0 2 9ro de lie ete a ap 9 ol hu „ ƒ al p. l sekret„s 2 263 Batavia N„o 7 mandant te settua over de Moetoekoenis. Aan zijn Hoogedelheid! Den Hoogedelen Grootachtbaaren Wijd gebiedenden Heer! M„r Willem Arnold Alting wegens den Staat der vrije vereenigde Nederlanden en haare algemeene geontroieerde Oostindische Kompanie Goeverneur Generaal en de De Weledele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Indien Hoogedele Groot achtbaare wijdgebiedende Heer en Weledele Gestrenge Heeren 1. Weinige dagen na de afzending mijner brief van 's Nababskom„ eerbiedige berichten van den 10=e Augs: Jongstleeden ontving ik een Malla„ baarsche Ola of brief van den Komman„ „dant van het Fort Settua, Ramagen Oeman Saibo gen:t waarvan de over„ „zetting onder de bijlagen overgaat, behelzende Dat hij van ter zijde verstaan had dat ik het fort Kranganoor en de Moetoekoenis, op den naame van den 1„ „lerts dat de Nabab dezel„ „ven terug zal vraagen. Dallawa van TrevanKoor. den Koning van Trevan Koor aan de Engelschen over doen wilde. Dat de Kompenie Ieder zijn Meester de Landen van Settua en Kranganoor in bezit genoomen had, niets meer als het Fort Kranganoor bezat. Dat de Moetoekoenis van den Koning van Samorijn waaren, en hij dus, wanneer ik dezelven verkoopen wilde, zulx niet durfde geheim houden, en Dat hij mij daarom vertocht hem mijn Gevoelen daaromtrend te bedeelen, onder het volharden van de Vriendschap En Kort daarop bedeelde mij de Kom„ bericht, van Von Mul„„mandant van Kranganoor, von Mul„ „lerts bij een brief van den 19e: Aug:s, waarvan de Kopij dezen verzelt. Dat hij van goeder hand uit het Kran„ ganoorsche ondericht was, dat de Patscha of Tipoe Súltan aan het Hoofd aldaar ordre gezonden had, de Moetoekoenis, als tot het Samorijn„ „sche Rijk behoorende van de Kompe. te eischen, en voorneemens was dezel „ven als ze geweigerd wierden met ge„ „weld weg te neemen. komst van den §3. Ik zond van eerstgem: ola ijlings een af„ „ schrift 2. 264. onderhandeling met hem. over dit geval. Vervolg. „schrift aan den Pallawa van Trevan„ „koor, die tich in het Hoofd quartier van het TrevanKoorsche Leger te Paroe bevond, en ten eersten herwaards quam om daarover met mij raad te pleegen. §4. Wij begreepen beide, dat de Nabab ont„ dekkende, dat de Moetoekoenis wel aan TrevanKoor verkocht waaren doch eerst in het aanstaande Jaar zou„ „den overgegeeven worden, daar door zoude kunnen aangemoedigd worden dezelven te overweldigen, voor dat die overgave geschiede, om dat zij zoo lange als 's komperies bezittingen aan te merken waaren, die hij weg- neemen kost, zonder TrevanKoor aante tasten en tegen het Traktaat met de Engelschen aante gaan. §5. En dat hij daar en tegen die Eilandjes, als ze reets in handen van Trevan„ koor en met zijne troepen bezetwaa¬ „ren, niet zoude kunnen aantasten, zonder het Traktaat met de Engelschen te overtreeden en dus daarvan uit vreeze voor een Vreede„ „breuk afzien zoude. De Vervolg Vervolg. §8. De Dallawa was ook op mijn Voorstel bered„ 56. en over Malienkawe om de meerm: Eilanden ten eersten voor den Koning overteneemen, doch merkte daarbij aan, dat men ook moest midde„ „len beraamen, om den Nabab te beletten dat hij zich niet Meester maakte van het Eiland MallenKarre, daar de Pagger L„a C. opgestaan had. §7. Het welk hij zonder twijfel doen zoude als hij ontdekte, dat de ovrige Eilanden van Ire van Koor bezet waaren, doch dat dit Eiland noch in handen van de Komparie en zonder defensie gelaa„ „ten was, te meer wijl het zelve door „gaans mede tot de Moetoekoenis gereekend wierd. En dat men derhalven een van bei„ „den diende te Kiezen, te weeten de Pagger La. C. op het Eiland Mal„ „lenkare te vernieuwen en te bezet„ „ten, of dat Eiland mede ten eersten aan den Koning over te geeven, die het zelve alsdan verdeedigen zoude. §. 9. Ik was van de gegrondheid van dit argument overtuigd en bevond mij d in groote verleegenheid, wat van beide te kiezen Het

NL-HaNA_1.04.02_3801_0597 view scan ↗

English

265. Continuation regarding that Island and the reason that the Sale of further Small Islands took place. Paragraph 10. Renewing the palisade on Mallenkarre would involve the Company in fresh expense, and selling that Island without qualification ran contrary to the express order of Your Right Nobilities in your honored Missive of 30 August 1787. Continuation. Paragraph 11. If I could have been certain, however, that Tipu Sultan would have let himself be deterred by it, I would have chosen the former, namely the fortification of Mallenkarre, out of dutiful obedience to the orders of Your Right Nobilities. Paragraph 12. Yet the contrary appeared far more probable to me, for, by attacking Mallenkarre while it still belonged to us, he would not offend Travancore, and although the latter, on account of our alliance, might take part in the War over it, this would still give the English no reason to interfere in it, or to make war on him, Tipu, over that matter. Continuation Paragraph 13. But if the Mutukuris and Mallenkarre, along with the other Small Islands, were ceded to Travancore and were immediately possessed by the same, Tipu could not attack them without eo ipso acting against the Treaty with the English, to which he would not so readily resolve, on account of the formidable Power which that Nation currently commands in the Carnatic and at Bombay, besides which we, even if he did attack those Islands, would have nothing to do with it, but would remain outside the affair. Continuation. Paragraph 14. These considerations have thus persuaded me to decide upon the Sale of the aforementioned Island, great Mallenkarre, along with the other adjacent Islands of lesser importance, to the King without qualification, in the confidence that Your Right Nobilities will take into equitable consideration the perilous circumstance into which the Demand of Tipu had brought us, and will thus favorably approve this sale without qualification. 266. The resolution concerning it is transmitted. Paragraph 15. The said Islands were thus sold to the King that very same day, not, however, for twenty-one thousand eight hundred and thirty-three Rupees, at which the value was calculated at three percent in my last preceding letter of 10 August last, paragraph 72, but for the round sum of twenty-six thousand rupees, because it had already been discovered that great Mallenkarre, which the Company had leased out for 400 rupees, had been subleased by the lessee for 525 Rupees, which latter sum I thus took as a basis in the calculation of the Purchase money. On conditions. Paragraph 16. The further conditions of this sale are that the Surrender should take place immediately and the payment during the upcoming financial year 1788, and that the Company's Merchant Anta Chetty should provide a Secretarial Bond for the Purchase money. The resolution is approved. Paragraph 17. All this has been approved by the Council, as appears from the secret resolution of 23 August last, transmitted among the annexes to this letter, whereby the Commander of Ayacotta, Johannes Pauswijn, and the Tree Counter Johan Lodewijk Stoltzenberg were commissioned to hand over the three Mutukuris and the other Islands mentioned herein jointly to the commissioners of Travancore. Those islands and the Mutukuris have been surrendered. Paragraph 18. And this was duly carried out as soon as the agreement of the King was obtained here, as appears from the report of the aforesaid commissioners, transmitted among the annexes to this letter. Travancore has, at our request, stationed troops at Ayacotta. Paragraph 19. Furthermore, on that occasion, I induced Travancore for the present to form a single Company of his troops to reinforce Ayacotta, in order by this display to confirm the Nabob in the idea of our close Alliance with that Prince. The answer to the Nabob's Commander is transmitted. Paragraph 20. Lastly, I add here a Copy of the Dutch draft reply to the letter of the aforesaid Commander 267. Its contents. of Chetwai, as the same was determined by the Secret Resolution of 23 August last, containing: that I was astonished that he wrote about matters that did not concern him; for the Mutukuris had already been ceded to the Company by the King Zamorin for more than Twenty-five Years, and were thus its lawful Property, as was fort Cranganore, with which it could do as it pleased. That it was therefore superfluous courtesy on my part to let him know that the Mutukuris and all the other small Islands of the Company between Cranganore and Ayacotta had been sold, not to the English, but to the King of Travancore, but that no thought had hitherto been given to selling fort Cranganore. Paragraph 21. I commend Your Right Nobilities and the weighty interests of the Company to the Protection of the Almighty and have the Honor to be with all Respect, beneath was written: Right Honorable, Highly Esteemed, Widely Ruling Lord, and Right Honorable, Noble, Valiant Sirs, Your Right Nobilities' most humble and faithful Servant, was signed: J. G. van Angelbeek, in the margin: Cochin, the 9th of September 1788. — Agrees with the original. Arnold Lunel provisional secretary

Dutch transcription

265. van dat Eiland en de Vervolg §10. Het vernieuwen van de Pagger op Mal„ reeden dat den Verkoop een harre zoude de Kompenie op nieuw verdere Kleene Eilandjes Kosten jaagen en het verkoopen van dat Eiland zonder qualifikaatsie liep tegen het uitdruklijk bevel van Uwe Hoogedelheeden bij geëerde Missive van den 30. Aug. s 1787. Vervolg. §11. Indien ik echter verzeekerd had kKun„ „nen zijn, dat Tipoe Sultan rich daar„ „door zoude hebben laaten afschrik„ ken: Zoo zoude ik het eerste, of de bevestiging van Mallenkawe, gekoo„ „zen hebben, uit schuldige gehoor- „raamheid aan Uwer Hoogedelheeden beveelen. §12. Doch het tegendeel quam mij veel Waarschijnlijker voor, want, door Mallenkawe aan te lasten, als het ons noch toe behoorde, beleedigde hij Trevankoor niet, en of schoondee„ „ze, uit hoofde van onze alliance deel aan den Oorlog daarover nee„ „men mogt, zoo gaf dit aan de Engelschen doch geene reeden, om tich daarmede te bemoeien, of hem Tipoe daarover te beoorlogen. Vervolg §13. Doch zoo wanneer de Moetoe¬ koeris „koenis en MallenKarre met de verdere Kleene Eilandjes aan TrevanKoor afge„ „staan waaren en door denzelven daa„ zij „delijk bezeeten wierden: zoo Kost Tipoe dezelven niet aantasten, zonder eo ipso tegen het Traktaat met de En„ „gelschen aantegaan, waartoe hij, we„ „gens de ontzachlijke Macht, die dee„ „re Naatsie thans in Karnatik en te Bombai aan handen heeft, zoo ligt niet zoude besluiten, behalven dat wij, al tas„ tede hij die Eilanden dan doch aan, daar „mede niets te doen hebben maar buiten het geval blijven zouden. Vervolg. 514. Deeze overweegingen hebben mij dus overgehaald, om tot den Verkoop van het meermelde Eiland groot mallen„ Kame met de verdere daarbij liggen „de Eilandjes van minder belang aan den Koning zonder qualifikaatsie te besluiten, in het vertrouwen, dat Uwe Hoogedelheeden de hachlijke omstandigheid, waarin de Eisch van Tipoe ons gebragt had, in billijke kon„ sideraatsie neemen, en dus deezen verkoop zonder qualifikaatsie gunn de stig daar 266. verkocht. daarvan gaat over. stig approbeeren zullen § 15. Gemelde Eilanden zijn dus dien zelf„ zij zijn voor 26000 ropijen „ den dag noch aan den Koning verkocht, doch niet voor een en twintig duizend agthonderd en drie en dertig Ropijen, waarop de waarde van honderd voor drie bij mijn Jongst voorgaande van den 10. Augustus Jongstleeden §72. gekalku„ leerd was, maar voor de ronde som van ses en twintig duizend ropijen, door dien reeder ontdekt was, dat groot Mallen„ Kawe, het welk de Kompenie voor 400 ropijen verpacht had, door den pachter weder voor 525. Ropijen ver„ „pacht was, welke laaste som ik dús, bij de bereekening van de Koop- penningen, tot een grondslag genoo„ men heb. §16. De nadere kondietsien van deezen op kondietsien verkoop zijn, dat de Overgave ten eersten en de betaaling in het op handen zijnde boekjaar 1788. geschieden, en s Komp:s Koopman Anta Sittij voor de Kooppenningen een Sekretaneele Obligaatiie ver¬ leenen zoude. de resoluutsie § 17. Dit een en ander is van den Raad ge„ ap„ S 18. die Eilanden en de Moetoekoenis zijn overgegeeven. te Aikotte gelegd. het antwoord aan 's Na„ babs Kommandant gaat approbeerd, blijkens sekreete resoluutsie van den 23. Augustus Jongstleeden onder de bijlagen deezes overgaande, waarbij de Kommandant van Aikotte, Johannes Pauswijn, en de Boomtel¬ „ler Johan Lodewijk Stoltzenberg, gekommitteerd zijn, om de drie Moe„ toeRoeris en de verdere hier vermelde Eilanden te zaamen aan de gekom„ mitteerden van Trevan Koor over te gee„ En dit heeft, zoo dra het aggrement van den Koning hier operlangt was, be„ „hoorlijk gevolg genoomen, blijkens rap- „port van voornoemde gekommitteerden, onder de bijlagen deezes overgaande § 19. Voorts heb ik Trevankoor bij die ge¬ Tre van Koor heeft op„leegenheid gedisponeerd, voor eerst ons verzoek volk een enkelde Komparie van zijne 'troe„ „pen tot Versterking van Aikotte te formeeren, om door deeze Vertooning den Nabab in het denkbeeld van on„ „te nauwe Aliance met dien Vorst te bevestigen. § 20. Laastlijk voeg ik hier noch bij een Kopij van het nederduitsch koncept antwoord op den brief van voormelden Komman„ ven. over. dant 3. 267 dies in houd „dant van Settua, zoo als het zelve bij sekreete Resolúatsie van den 23. Augustus Jongstleeden gearres„ teerd is, behelzende: dat ik verwonderd was, dat hij over zaaken schreef, die hem niet aan„ „ginger; want dat de Moetoekoe„ nis al voor meer, dan Vijf en twintig Jaar door den Koning Samorijn aan de Komperie afgestaan, en dus haar wettige Eigendom waaren, zoo wel als het fort Kranganoor, waar„ „meede zij doen Kost het geen haar behaagde. Dat het dus overtollige beleefdheid van mij was, dat ik hem liet wee„ „ten, dat de Moetoekoenis en alle verdere Eilandjes van de Kompenie tusschen Kranganoor en Aikotte, niet aan de Engelschen, maar aan den Koning van TrevanKoor, ver- „kocht waaren, doch dat om het verkoopen van het fort Kran„ „ganoor tot nu toe niet gedacht was. § 21. Jk beveele Uw Hoogedelheeden in de de wigtige belangen der Maatschappij in de Bescherming des Allerhoogsten en heb de Eere met alle Eerbied te zijn /:onderstond:/ Hoogedele Groot„ „achtbaare wijd gebiedende Heer, en Weledele Gestrenge Heeren Uwer Hoogedelheeden onderdanigste en getrouwe Dienaar /:was geteekend:) J. G. van Angelbeek (:in margine) Koetsiem den 9d„e September 1788. — Akkordeerd. Arnold Lunel p.:l sekret„s

NL-HaNA_1.04.02_3801_0605 view scan ↗

English

268 Letter A: A. Translation of an ola written by the Chief of Settua named Rainagain Oimai Saibo to the Right Honorable Governor Johan Gerard van Angelbeek, received on the 18th of August 1788: I have understood indirectly that your Right Honorable wishes to transfer the fort Kranganoor and the Moettakoennos, under the name of the King of Trevankoor, to the English. Since my Master took possession of the lands of Settua and Kranganoor, those places have been governed by him and the dues thereof paid to him, and the Company has nothing more than the fort Kranganoor alone, as is known to your Right Honorable. Also, your Right Honorable will not be unaware that the Moettakoennos belong to the King of Samorijn, and when your Right Honorable now wishes to sell the same, I cannot keep it a secret, but am obliged to make the rumors thereof known to my Master. Therefore, I request your Right Honorable to inform me of your opinion regarding this, while maintaining the friendship. Signed by the aforementioned Chief of Settua. Underneath stood: For the translation, Koetsiem, date as above. Was signed: I: M: Truiem, sworn Translator. Agrees. Arnold Lunel, Provisional Secretary. 269 Koetsiem Letter B: B: To the Honorable, Stern, Right Honorable Johan Gerard van Angelbeek, Extraordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Malabar Coast, etc., etc., etc. Honorable, Stern, Right Honorable, High-Commanding Lord! My people coming from the north, as well as some of my friends from the Kranganoor region, wish to assure me firmly and certainly that the Pasha has given orders to the Chief of Kranganoor, a Turk and at the same time one of his lowest servants, to make a claim on our islands Moetekoenis with the Company, on the grounds that they once and in earlier times belonged to the Sammorijn; and if they were not surrendered willingly, he, the Pasha, would take them by force. I place no faith whatsoever in this rumor, as I can find no foundation for it. I commend myself to your Honorable, Stern, Right Honorable's high favor, and have the honor to call myself, with the greatest esteem, Honorable, Stern, Right Honorable, High-Commanding Lord, your Honorable, Stern, Right Honorable's very obedient and humble servant. Was signed: F: C: von Mullertz. In the margin: Kranganoor, the 19th of August 1788. Agrees. Arnold Lunel, Provisional Secretary. 270 Secret Resolution, Letter C: C: Saturday the 23rd of August 1788, in the forenoon. Present: The Right Honorable Councillor Extraordinary of the Dutch Indies, Governor and Director Johan Gerard van Angelbeek; The Honorable Senior Merchant, Second, and Chief Administrator Reinier van Harn; The Honorable Captain and Head of the Militia, Polieb George Gebhard; The Honorable Provisional Fiscal and Cashier Ian Lambertus van Spall; The Honorable Junior Merchant and Warehouse Keeper Iohan Adam Cellarius; The Honorable Junior Merchant, Shopkeeper, and Purveyor Willem van Haesten; The Honorable Junior Merchant and Secretary of Police Adriaan Poolvliet; The Honorable Provisional Pay Bookkeeper Iohan Andries Scheidz. Taken in Council of Malabar at the city of Koetsiem. In this meeting, specially convened for the purpose, the Governor communicated to the Honorable Members: That on the 18th of this month an ola had been received from the Chief of Pettua, Ramagen Oeman, whereby the writer wished to know whether the Company intended to sell the fort Kranganoor and the islands Moetoekoenis to the English under the name of Trevankoor, because he did not dare conceal this from his master, the Nabab Tipoe Sultan, as the Moetoekoenis belonged to the Samorijn. That two days thereafter, His Honor had received a report by a letter from the Commander of Kranganoor, stating that news from the north and secret warnings from the petty Kingdom of Kranganoor confirmed that the aforementioned Nabab had given orders to make claims on the said islands, and intended to seize them by force if they were not surrendered willingly. That His Honor had immediately informed the Dallewa of Trevankoor of this, who was still with the army at Paroe, and had subsequently come here yesterday to devise the necessary measures against this undertaking of the Nabab. That His Honor had specially convened this meeting to lay those measures before the same and bring them to deliberation; but, in order to shed the necessary light on this subject, found himself obliged to precede it with a detailed report of the particulars that 271 had taken place during the negotiations concerning the sale of the Moetoekoenis, of which he had made no mention in the session of the 29th of July last on the occasion when the said sale was concluded, as requiring no decision at that time, but which now, when one had to be fearful of the claim of the Nabab, came into very special consideration, and consisted of this: That the King of Trevankoor, when he made the request for the Moetoekoenis, had been under the impression that they consisted of the three islands upon which the three stockades of the Company were established in the year 1780; and that his Dallawa, being informed during the negotiations that the island upon which stockade No. 3 had stood did not belong to them, but was a separate island of the Company called Great Mallankarre, had declared that if this last-mentioned island were not also ceded to the King, the principal object of His Highness to

Dutch transcription

268 L:a A: A. Translaat ola door het Hoofd van Settua genaamd Rainagain Oimai Saibo geschreeven aan den weledelen Groot Achtbaaren Heer Goeverneur Johan Gerard van Angelbeek, ontvangen den 18. Augustus 1788: Ik heb van ter zijde verstaan, dat uwelede¬ „le groot achtb: het fort kranganooren de Moettakoennos onder benaaming van den koning van Trevankoor, aan de Engelschen wil overtransporteeren. zeder dat mijn Meester de Landen van settua en Kranganoor in bezit heeft ge„ „noomen, worden die plaatsen door den zel„ „ven beheerscht en de gerechtigheeden daar van aan hem opgebragt, ende kompanie heeft niet meer als het fort kranga„ „noop alleen, gelijk uw weledele groot achtb: zulx bekend is. Ook zal het uweledele Groot achtb: niet onbewust zijn, dat de Moettakoennos van den koning van Samorijn zijn, en wanneer uw weledele Groot achtb: dezel „ve thans wil verkoopen, kan ik zulx niet rriet geheim houden, maar ben genoodzaakt de geruchten hier van aan mijn Meester bekend te maaken. Derhalven verzoeke ik uweledele Groot achtbaare mij deszelfs gevoelen hier omtrend te bedeelen, onder volharden van de vriendschap geteekend door gem: Hoofd van Settua, /:onderstond: voor de Translaatsie Koetsiem dato als boven /:was geteekend:/ I: M: Truiem gezwrose Translateur. Akkordeerd. Arnold Lunel p:s Sekret:so d d 269 Koetsiem L:r B: B: Aan den Weledele Gestr: Grootachtb: Heer Johan Gerard van Angelbeek Raad Extra Ordinair van Neder„ lands Jndia, Goeverneur en Direkteur ter Kuste Malla„ „baar etc: etc: etc: Weledele Gestr: Groot achtbaare Hoog Gebiedende Heer! Mijn Volk van de Noord koomende als ook eenige mijne vriende uit het Kranganoorse willen mij voor vaast en zeeker verzeekeren, dat den Pascha aan het Hoofd van kranga„ noor, een Turk en tegelijk een zijner laagste Dienaaren zijnde, ordre zoude gegeeven hebben om bij de komp:e pretentie op onze Eijlande Moetekoenis te doen, uit reeden dat zee eens en in vroeger tyden den sammorijn hebben toebehoord en zoo ze niet goedwillig overge„ „geeven wierd, zoude hij Pascha zie met geweld wille inneemen, ik stel ingeheel geen geloof in dit gerucht terwijl ik geen fondament 6 fondament daar toe vinden kan. Ik beveele mij in uw Edele Gestrenge groot achtb: Hooge gunst en hebbe de eer met de allermeeste Hoog achting mij te noemen /onderstond/ Weledele gestrenge Grootachtbaare Hoog gebiedende Heer uw Edele gestrenge groot= achtb: zeer Gehoorsaame en onderdaanige Dienaar /:was geteekend/ F: C: von Mullertz /in margine:/ kranganoor den 19:' August 1788: Akkordeerd. Arnold Lunel prsekret:s 270 Gekreete Resoluutsie, L:r C: C: Saturdag den 23:te Augustus: 1788 voormiddag, Present De weledele Grootachtbaare Heer, Raad extra ordinair van Nederlands Indien, Goeverneur en Direkteur Johan Gerard van Angelbeek De E: Heer opperkoopm: Sekunde en Hoofdadminist=r Reinier van Harn De E: kapitain en Hoofd der Milietsie, Polieb George Gebhard De E: p=r Fiskaal en kassier Ian Lambertus van Spall, De E: onderkoopm en Pakhuismeester Iohan Adam Cellarius De E: onderkoopm winkelier en Dispensier Willem van Haesten De E: onderkoopm en Sekretaris van Polietsie Adriaan Poolvliet De E: p=l Soldijboekhouder Iohan Andries Scheidz In deeze expres daartoe belegde vergede„ „ring, werd door den Heer Goeverneur aan de E: Leden gekommuniceerd: Dat den 18: deezer een ola van het Hoofd van Pettua Ramagen oeman ontvangen was, waarbij de Schrijver begeerde teweeten of de komp het fort Kranganoor en de Eilan„ „een Moetoekoenis op den naam van Trevan„ genoomen in Raade van malabaar ter steede koet„ „siem „koor „koor aan de Engelschen wilde verkoopen, want dat hij zulx voor zijnen Meester den Na„ „bab Tipoe sultan niet durfde verzwijgen, al„ „zoo de Moetoekoenis van den Samorijn waaren. Dat zijn Edele tweedagen daaraan bij een brief van den kommandant van kranganoor bericht gekreegen had, dat de tijdingen van de Noord en geheime waarschuwingen„ „uit het Rijkje van Kranganoor verzeekerden, dat eeven gemelde Nabab order gegeeven had, op gemelde Eilanden pretensies te maaken, en voorneemens was dezelven, als ze niet goedwillig overgegeeven wierden, met geweld wegteneemen. Dat zijn Edele hier van ten eersten had kennis gegeeven aan den Dallewa van Tre„ „vankoor, die zich noch in het Leger bij Paroe bevond, en daarop gisteren hier gekoo„ „men was, om tegen dit bestaan van den Nabab de noodige maatregelen te beraamen. Dat zijn Edele deeze vergadering expres belegd had, om die maatregelen voor dezelve open teleggen, en ter deliberaatsie te bren„ „gen, doch zich, om het noodige licht over dit onderwerp te verspreiden, verplicht vond, een omstandig verslag te laaten voorafgaan van de bijzonderheeden, die 271 die bij de onderhandelingen over den verkoop van de Moetoekoenis„ plaats gehad hadden, waar van hij ter sessie van den 29: Iuli Iongstl=n ter geleegenheid, dat gemelde verkoop ge„ „arresteerd was, geen gewaag had gemaakt, als toen ter tijd geene disposietsie ver„ „eischende, doch die thans, nu men voor de pretensie van den Nabab moest beducht zijn, in gansch bezondere aanmerking quaamen en hier in bestonden: Dat de koning van Trevankoor, toen hij om de Moetoekoenis verzoek gedaan had, in 's begrip geweest was, dat dezelven be„ „stonden uit de drie Eilanden, waarop in 't Iaar 1780: de drie paggers van de kompt aangelegd waaren, en dat zijn Dallawa bij de onderhandelingen onder„ „richt wordende, dat het Eiland, waarop de pagger N=o 3: gestaan had, niet tot dezel„ „ven behoorde, maar een afzonderlijk Eiland van de Komp: was, groot Mallankarre genaamd, verklaard had, dat, bij aldien dit laastgemelde Eiland niet mede aan den koning werd afgestaan, het voor„ naamste oogmerk van zijne Hoogheid om

NL-HaNA_1.04.02_3801_0616 view scan ↗

English

to prevent the intrusion of enemies from that side, could not be achieved, and had therefore requested that the aforementioned island, along with three other pieces of lesser importance adjacent and lying next to it, might also be sold; but that he, the Governor, had been obliged to decline that request, because he had not requested qualification from the High Indian Government for the surrender of those pieces, without which no gardens or lands might be sold, according to the Batavian missive of 31 August 1787. That the King nevertheless had then bought the three Moetoekoenis, consisting of the island properly called Moetoekoene, the island Katolikadoe, and the island Schettikaeloe, to be surrendered in the month of January, upon the promise of him, the Governor, that His Highness's request regarding the aforementioned island Grootmallenkarre and other small pieces would be favorably presented to the Highly Revered Government. After having noted this beforehand, His Honour communicated that, on account of the demand that had arisen from the aforementioned Nabab for the aforementioned Moestoekoenis, he had proposed to the Dallawa to take over the same immediately, which according to the purchase contract were only to be surrendered in January after the lease period had ended, whereby the Nabab would be dissuaded from his intention to seize them by force. That the Dallawa had immediately shown himself ready for this, but had at the same time noted that means had to be devised to prevent the Nabab from making himself master of Mallenkarre, which he would undoubtedly do if he discovered that the Moetoekoenis of Trevankoor were occupied, but the island of Mallenkarre had been left without defense, and that one therefore ought to choose one of the two: namely, to renew the pagger No 3 on the island of Mullenkarre and occupy it with Company troops and cannons, or to surrender that island immediately to the King, who would then occupy it himself. That His Honour, being convinced of the truth of this argument, had understood concerning the renewal, occupation, and defense of the aforementioned pagger No 3 that the same would cause the Company great expense, without being certain in the end whether Sipoe Sultan would let himself be deterred thereby, and that it was at the same time very probable that, seeing all these islands in the hands of Trevankoor, he would undertake nothing out of fear of the English, and that he had therefore proceeded to the resolution to sell the island of Grootmallenkarre and the other surrounding islets of lesser importance to the King of Trevankoor and to surrender them immediately, following which the same were sold at three percent, namely: Groot Mallenkarre, which is leased by the Company to Boganta Sittij for 400 rupees, but has been ceded to this person for 525 rupees; Kleen Mallenkarre, which is leased to Boganta Sittij for 90 rupees; Brought forward: 615 rupees. Carried forward: 615 rupees. Two pieces of arable land on both sides, which are leased to Tjorada Walen for 80 rupees; and An islet called the Vetland, which is leased to the silversmith Bowenta for 85 rupees; Of which the rental moneys thus amounted to 780 rupees, which, calculated at three percent, amounted to twenty-six thousand rupees, for which sum the same were then also sold to the King of Trevankoor, to be taken over immediately by His Highness and satisfied with a bond from Anta Sittij payable in the upcoming financial year. Whereupon, having deliberated, it was unanimously approved and agreed to conform fully to that sale, and to authorize herewith the Honorable Chief Administrator van Harn to execute the conveyance of the said islands to the Highly Revered King, and to accept a bond from Anta Sittij in payment, and furthermore to commission the commandant at Aikotte, Iohannes Pauswijn, and the tree counter, Iohan Lodewijk Holzenberg, to hand over both these islands and the Moetoekoenis to the troops of the King of Trevankoor. After this, the Governor produced the Dutch draft of the reply to the ola of the said commandant of Pettua, which, being read in the Council, was unanimously resolved to have translated into Malayalam, in order to have it delivered to the said commandant as soon as the surrender of the aforementioned islands has been completed, and to insert the same here. Draft ola by order of the Right Honourable Governor, Johan Gerard van Angelbeek, written by the under-interpreter Iohannes Martinus Truijens to the commandant at Tettua in the name of Magamado Oeman Saibo on 24 August 1788: Your Honour's ola to my master, the Governor here, has been received, and His Honour has ordered me to reply thereto that he is very much surprised that Your Honour writes about matters that do not concern Your Honour at all; for the Moetoekoenis were sold to the Company by the King Zamorin more than twenty-five years ago, and are thus its lawful property, as well as the Fort Kranganoor, with which it may therefore do as it pleases. It is thus out of superfluous courtesy that he lets Your Honour know herewith that the Moettoekoenos and all other islets of the Company between Kranganoor and Aikotte have not been sold to the English, but indeed to the King of Trevankoor, but that no thought has been given up to now to the selling of Fort Kranganoor. God preserve Your Honour. Thus done, resolved, and determined in the Council of Malabaar, in the city of Koetsiem, on the day, month, and year aforementioned. Signed: I: G: van Angelbeek, R: van Harn, I: P: Gebhard, I: L: van Spall, I: A: Cellarius, W: van Haesten, A: Poolvliet, and I: A: Scheide. Agreed, Arnold Lunel, first secretary.

Dutch transcription

om het indringen van vijanden van dien kant te beletten, niet kost bereikt worden, en daarom verzocht had, dat meermeld Ei„ „land met noch drie stukken van minder belang, daarbij en naast aanliggende, mede mogten verkocht worden; Doch dat hij Goeverneur dat verzoek had moeten dekli„ „neeren, wijl hij tot den afstand van die stukken geene qualifikaatsie van de Hooge Indische Regeering verzocht had, zonder welke geene tuinen of landerijen mogten verkocht worden, volgens Bata„ „viasche missive van den 31: Aug= 1787: Dat de Koning toen niet te min de drie Moetoekoenis, bestaande in het eigentlijk zoo genaamde Eiland Moetoekoene, het Ei„ „land katolikadoe en 't Eiland Schettikaeloe gekocht had, om in de maand Januari overgegeeven te worden, op de belofde, van hem Goeverneur, dat zijn Hoogheids verzoek, om meermelde Eiland Grootmallen Karre en verdere kleene stukjes aan Hooggeduchte Regeering zoude gunstig voorgedraagen worden. Na dit vooraf aangemerkt te hebben, bedeel„ „de zijn Edele, dat hij wegens den opgekoo„ „menen 272 „menen Eisch van meermelden Nabab op meermelde Moestoekoenis aan den Dal„ „lawa had voorgesteld, om dezelven die vol„ „gens koopkontrakt eerst in Ianuari na geëindigde pachttijd zouden overgegeeven worden, thans ten eersten over teneemen, waardoor de Nabab zoude afgehouden worden, van zijn voorneemen, om de„ „zelven met geweld te bemachtigen. Dat de Dallawa zich hier toe ten eersten bereid getoond, doch teffens aangemerkt had, dat men moest middelen beraamen, om den Nabab te beletten, dat hij zich niet meester maakte van Mallenkarre, het geen hij zonder twijffel doen zoude, als hij ontdekte, dat de Moetoekoenis van Trevankoor bezet waaren, doch het Eiland Mallenkarre zonder defensie gelaaten was, en dat men derhalven een van bei„ „den diende te verkiezen, teweeten de pag„ „ger N=o 3 op het Eiland Mullenkarre te ver„ „nieuwen en met 's komp=s volk en kanons te bezetten, of dat Eiland ten eersten aan den koning over tegeeven, die het zelve als dan bezetten zoude. Dat zijn Edele van de waarheid, van dit argument argument overtuigd zijnde, nopens het vernieuwen, bezetten en defendeeren van de meermelde pagger N=o 3: begreepen had, dat het zelve de komp op groote kosten zou„ „de Zaagen, zonder aan 't eind verzeekerd te„ „zijn, of sipoe sultan zich daardoor zoude laaten afschrikken, en dat het teffens zeer waarschijnlijk was, dat hij alle deeze Eilan„ „den in handen van Trevankoor ziende, niets onderneemen zoude, uit vreeze voor de Engelschen, en overzulx tot het besluit overgegaan was, om het Eiland Grootmallen„ „karre en de verdere daaromstreed liggen„ „de Eilandjes van minder belang aan den koning van Trevankoor te verkoopen en ten eersten overtegeeven, wienvolgen„ „de dezelven verkocht waaren tegen drie ten hondert, teweeten. Groot Mallenkarre, het welk door de Komp aan Boganta Sittij verpacht is, voor 400:- ropijen, doch deezen overgelaaten is voor 525: — rop=s - kleen Mallenkarre 't welk aan Boganta Sittij verpacht is voor 90: — „ Transporteere 615: — rops 273. 615. — rop=s P=r Transport twee stukken Zailand aan weers„ „kanten die verpacht zijn aan Tjorada Walen voor - een Eilandje het vetland gen=t het welk verpacht is aan den Silversmit Bowenta voor - - 85: — „ waar van dus de huurpenningen 780: — rop=s bedroegen, die tegen drie ten honderd beree„ „kend: zijnde Ses en twintigduizend ropijen bedroegen, voor welke Som dezelven dan ook aan den koning van Trevankoor ver„ „kocht waaren, om ten eersten bij zijne Hoogheid overgenoomen en met een obli„ „guatsie van Anta Sittij betaalbaar in het aanstaande Boekjaar voldaan te worden. Waarop gedelibereerd zijnde: is met een„ „paarigheid van stemmen goedgevonden en verstaan, zich met dien verkoop ten vollen te konformeeren, en den E: Hoofdadministrateur van Harn bij deezen te qualificeeren tot het doen van opdragt van gemelde Eilanden aan Hooggedachten Koning, en tot het aanneemen van een obligaatie van Anta Sittij in betaaling, 80: — „ en en en voorts den kommandant te Aikotte Iohannes Pauswijn en den Boomteller Iohan Lodewijk Holzenberg te kommit„ „teeren om zoo wel deeze Eilanden als de Moetoekoenis aan het volk van den Koning van Trevankoor overtegeeven; Hierna produceerde de Heer Goeverneur het nederduitsch ontwerp van het antwoord op de ola van gemelden kommandant van Pettua, het welk in raade geleezen zijnde, zoo werd met eenpaarigheid beslooten, het zelve in 't Malabaarsch te laaten over„ „zetten, ten einde aan gemelden komman„ „dant te laaten bestellen, zoodra de over„ „gaave van de meermelde Eilanden zal beslag erlangt hebben, en het zelve hier te insereeren. koncept ola ter order van den weledelen Grootachtb: Heer Goeverneur, Johan Gerard van Angelbeek, door den, ondertolk Iohannes Martinus Truijens geschreeven aan den kom„ „mandant te Tettua in naame Magamado Oeman Saibo den 24: Aug=s 1788: UwE: ola aan mijne Meester den Heer Goeverneur 274. Goeverneur alhier, is ontvangen, en zijn Edele heeft mij gelast daarop te antwoor„ „den, dat hij zeer verwonderd is, dat Uw E: over zaaken schrijft, die Uw E: in 't geheel niet aangaan; want de moetoekoenis zijn al voor meer dan vijfentwintig Iaar door den ko„ „ning Samorijn aan de Kompanie verkocht, en dus haar wettige eigen„ „dom, zoo wel als het fort kranga„ „noor, waarmeede zij dus doen kan wat haar behaagd. Het is dus overtollige beleefdheid dat hij UwE: bij deezen laat weeten, dat de moettoekoenos en alle verdere Ei„ „landjes van de kompanie tusschen kranganoor en Aikotte niet aan de Engelschen, maar wel aan den ko„ „ning van Trevankoor verkocht zijn, doch dat om het verkoopen van het Fort Kranganoor tot nu toe niet ge„ „dacht is God bewaare UwE: Aldus Gedaan Geresolveerd en Gearresteerd in Raade van Malabaar, ter steede Koetsiem ten ten dage maand en Iaare voormeld /:was geteekend:/ I: G: van Angelbeek R: van Harn, I: P: Gebhard, I: L: van Spall, I: A: Cellarius, W: van Haesten, A: Poolvliet en I: A: Scheide Akkordeerd Arnold Lunel p:s sekret:s

NL-HaNA_1.04.02_3801_0625 view scan ↗

English

275. Letter D. D. To the Right Honorable, Highly Esteemed, and Imperious Lord, Johan Gerard van Angelbeek, Extraordinary Councilor of the Dutch Indies, as well as Governor and Director of the Malabar Coast and its Dependencies. Right Honorable, Highly Esteemed, and Imperious Lord, Pursuant to Your Right Honorable and Highly Esteemed Lordship's much-honored orders, the undersigned proceeded as special commissioners to the islands and lands existing there which have been sold to His Highness the King of Travancore, namely Moetoekoene, Katolikadoe, Chettekadoe, Great and Little Maliankere, and an island named Fetland, a small island, together with two paddy fields, one lying to the east of Great Maliangerre, and the other across from the post of Aikotte at Little Maliangerre, in order to hand the same over to the officials of the King of Travancore, which we duly transferred to the Sarwadikariakaar of Mangatte in the presence of Patna Anawe Kariakaar, Rama Chembakari Ramen Poella Egaman, Caliamallen, and Paroer Mandotte Kariakaar. Herewith we hope to have accomplished this commission entrusted to us to the satisfaction of Your Right Honorable and Highly Esteemed Lordship, and we claim the honor to subscribe ourselves with deep respect. Beneath stood: Right Honorable, Highly Esteemed, and Imperious Lord, Your Right Honorable and Highly Esteemed Lordship's very obedient and submissive servants. Was signed: J:s Pauswijn and J: L: Stolsenberg. In the margin: Cochin, the 7th of September, in the year 1788. Agreed. Arnold Lunel, First Secretary. 276. Letter E. E. Draft ola written by order of the Right Honorable and Highly Esteemed Lord Governor Johan Gerard van Angelbeek by the Assistant Interpreter Johannes Martinus Truijens to the Commandant at Settua in the name of Magamado Oemam Saibo, the 24th of August 1788. Your ola to my master the Lord Governor here has been received, and His Honor has instructed me to reply to it that he is very much astonished that you write about matters that do not concern you at all, for the Moettoekoennos were already sold to the Company by the King Zamorin more than twenty-five years ago, and are thus its lawful property, as is the fortress of Kranganoor, with which it may therefore do as it pleases. It is thus purely out of courtesy that he lets you know herewith that the Moettekoennos and all other small islands of the Company between Kranganoor and Aikotte were not sold to the English, but indeed to the King of Travancore, yet that the sale of the fortress of Kranganoor has not been considered up to now. God preserve you. Beneath stood: Thus translated by me into Malabar, Cochin, date as above. Was signed: I: M: Truijens, Sworn Translator. Agreed. Arnold Lunel, First Secretary. 277. Extract from the General Letter from Cochin to Their High Mightinesses the High Indian Government at Batavia, written the 20th of March 1787. Paragraph 29: The Bookkeeper Scheids was already provisionally appointed to the office of Pay Bookkeeper on the 28th of July 1783, and the news of the promotion of the young Van Spall to Junior Merchant was received here only on the 3rd of March 1786. We therefore chose the senior of two Bookkeepers, who had served for over nine years as an assistant in the Trade Office and had acquired there the necessary ability for that office. Paragraph 30: But even if the promotion of the said Van Spall to Junior Merchant had been known to us at that time, the appointment of the said Bookkeeper Scheids would nevertheless have been favored by Your High Mightinesses' Resolution of the 30th of June 1766, whereby the election of Bookkeepers to Secretarial, Trade, and Pay offices in preference to Junior Merchants on the grounds of greater ability is permitted; of which we necessarily had to make use at that time, as the pay assistant was then fatally ill, as he has since passed away, and it would therefore have been far too risky to entrust that office to a young Junior Merchant who, however good his willingness and effort to give satisfaction might have been, nevertheless had had no opportunity to acquire the necessary ability and experience for it. Agreed. J. H. Overdijck, Sworn Clerk. Number 4. 278. Batavia. To His High Mightiness, The Highly Honorable, Highly Esteemed, Widely Ruling Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor General on behalf of the State of the Free United Netherlands and its General Chartered East India Company, and The Right Honorable, Esteemed Lords Councilors of the Dutch Indies. Highly Honorable, Highly Esteemed, Widely Ruling Lord, and Right Honorable, Esteemed Lords! Paragraph 1: The ships Houtlust and the Negootsee arrived here on the 19th of November last with Your High Mightinesses' much-honored rescript of the 30th of August preceding and the annexes belonging thereto. And as our annual description and the books and papers belonging thereto are not yet ready, we shall also postpone our reply to the aforementioned honored letter and let this

Dutch transcription

275. L:a D: D: Aan den weled: Gestr: Groot achtb: Hooggebiedende Heer Johan Gerard van Angelbeek Raad Extra Ordinair van Neder„ lands Jndia, mitsgaders Goever„ neur en Direkteur der Kuste mallabaar met Resorte van dien. Weledele Gestr: Grootachtbaare Hooggebiedende Heer Volgens uwe Weledelen gestr: groot Achtb: hoog g'Eerde ordre vervoegden zig de Ondergetee„ kende als Expresse gekommitteerdens, na de Eilanden en Landerijen die daar op in weezen en aan zijn Hoogheid den Koning van Trevan„ koor verkocht zijn, als Moetoekoene Katolikadoe Katolikadoe, chettekadoe, groot en kleen Maliankere en Eiland genaamd Fetland een kleen eiland beneffens twee Nelij velden, leg„ „gende het een bij Oosten van groot malianger„ „re, en het eene over de post Aikotte aan kleen Maliangerre om dezelve aan de Beamtenaaren van den Koning van Trevan„ koor overtegeven, het welke wij behoorlijk aan den Sarwadikariakaar van Mangatte in bijweezen van Patna Anawe Kariakaar, Rama chembakari Ramen Poella Egaman, Caliamallen en paroer Mandotte Kariakaar overgegeven hebben. Hier meede verhoopen wij deze ons opgeleg„ de kommissie ten genoegen van uwe weledelen Gestr: groot Achtb: volbracht te hebben en maati„ „gen ons de Eere aan met een diep ontzag te onder„ „schrijven. /onderstond/ weledele gestr: Groot achtbaare Hooggeb: Heer: uwe weledelen gestr: groot achtb:r zeer Gehoorzaame en submissie Dienare /was geteekend/ J:s Pauswijn en J: L: Stolsenberg /in margine:/ Koetsiem den 7: 7ber: A„o 1788:— Akkordeerd. Arnold Lunel pr: Sekaet 276. L: E: E: Koncept ola ter order van den weledelen Groot achtbaaren Heer Goeverneur Johan Gerard van Angelbeek door den ondertolk Iohannes Martinus Truijens geschree¬ „ven aan den kommandant te Settua in naame Maga¬ „mado oemam Saibo den 24.:' August:s 1788. UWE. ola aan mijne Meester den Heer Goeverneur alhier is ontvangen en zijn Edele heeft mij gelast daar op te antwoor„ „den dat hij zeer verwonderd is, dat uwE overzaaken schrijft die uwE. in het geheel niet aangaan, want de Moettoe„ „koennos zijn al voor meer dan vijf en twintig Jaar door den Koning Samorijn aan de komp: verkocht, en dus haar wettige eigendom, zoo wel als het fort Kranganoor, waarmede zij dus doen kan wat haar behaagd. Het Het is dus overtollige beliefdheid dat hij uwE bij deezen laat weeten, dat de Moettekoennos en alle verdere Eiland„ „jes van de komp: tusschen kranganoor en Aikotte niet aan de Engelschen, maar wel aan den Koning van Trevan„ „koor verkocht zijn, doch dat om het verkoop van het Fort Kranganoor tot nu toe niet gedacht is. God Bewaare uw E. /:onderstond:/ zoodanig door mij in het Mallabaarsch overgezet koet„ „siem dato als vooren /:was geteekend:/ I: M: Truijens gezw: Translateur. Akkopdeerd. Arnold Lunel p. sekrit:s 277 277 Extrakt uit de Generaale Missive van Koetsiem aan Hunne Hoogedelhee¬ „den de Hooge Indische Regeering te Batavia, geschreeven den 20e Maart 1787:—. § 29: De Boekhouder Scheids is op den 28:e Juli 1783: reets provisioneel in 't ampt van Soldyboekhouder gesteld, en de tijding van de bevordering van den Iongen van Spall tot onderkoopman is hier eerst den 3e Maart 1786: ontvangen. Wij hebben dus uit twee Boekhouders den oudsten gekoozen, die ruim negen Jaaren als Overdraager op 't Negootsie kantoor gestaan en daar de nodige bequaam„ „heid tot dat ampt verkreegen had. Maar al was ons diertijds de bevordering 5. 30: van gem: van Spall tot Onderkoopman bekend bekend geweest: zoo zoude de aanstelling van gem: Boekhouder Scheids nochtans gefavoriseerd geworden zijn, door Uwer Hoogedelhee„ „den Resoluutsie van den 30' Iuni 1766: waar bij de verkiezing van Boekhouders tot Sekretarij - Negootsie en Soldij-ampten met voorbij gaan van onderkooplieden, i't hoof„ „de van meerdere bequaamheid, word toegelaaten, waar van wij diertijds te noodzaaklijken zonder hebben moeten gebruik maaken, wijl de soldij overdraager diertijds dood ziek was, gelijk hij ook zeder overleeden is, en het dus al te veel zoude gewaagd geweest zijn, dat kantoor aan een Iongen Onderkoopman op te draagen, die„ hoe goed ook zijn wille en betrachting om te voldoen geweest waare, echter geene geleegenheid gehad had, de daar toe noodige bequaamheid en ondervinding te verkrijgen. Akkordeerd. J„b H„k Overdijck z9 klerk gem: wagestir Swabe N„o 4. k 5 278. Batavia Aan zijn Hoogedelheid Den Hoogedelen, Grootachtbaaren, Wijdgebiedenden Heer M M:r Willem Arnold Alting weegens den staat der vrije Vereenigde Nederlanden en haare algemeene Geoktroieerde Oostindische Companie Goeverneur Generaal, ende. De weledele Gestrenge Heeren Raaden. van Nederlands Indien. Hoogedele Grootachtbaare, Wijdgebiedende Heer, en Wel edele Gestrenge Heeren! §1. De Schepen Houtlust en de Negootsee zijn den 19. e November Jongstleeden hier aange„ „koomen met uwer Hoogedelheeden hooggeeerde reskriptsie van den 30:e Augustus bevoorens en de daar bij gehoorende bijlaagen. En wijl on„ „ze Iaarlijxe beschrijving en de daar toe gehooren „de boeken en papieren noch niet gereed zijn, zoo zullen wij ook ons antwoord op voor„ „schreeven geëerde letteren uitstellen en deezen laaten

NL-HaNA_1.04.02_3801_0638 view scan ↗

English

to serve as a covering letter for the ship Houtlust, which is being sent to Kolombo with four hundred and fifty lasts of rice, in order to return from there to the Headquarters, and as a report on what pertains to its loading, provisioning, and further handling. Paragraph 2. This ship was measured upon its arrival, of which the report is enclosed herewith according to orders. Paragraph 3. Upon a submitted petition from Captain Pieter Holl, inserted in the resolution of the 29th of December last, the ship was caulked outboard, a new foretop stay sail was provided to the same instead of an unserviceable one; the boat was also caulked as well as the skiff, and some minor repairs were made to the latter, while two months' wages and rations were provided to the crew, except for bacon and meat. Paragraph 4. The findings regarding the unloaded cargo of this ship are inserted in our resolution of the 8th of this month, an extract of which is enclosed herewith, according to which we have decided to write off the reported shortfalls that accord with the Regulations, to credit the authorities for the surplus delivered, to have the Cape red and white wine found to be spoiled auctioned off, and to write off the three quires of torn imperial paper. With regard to the three pieces of green Chalon serge, which according to the invoice were reportedly short-delivered, we have, considering that the chest in which this serge was packed retained its full gross weight, and that the Amsterdam packing slip speaks only of 9 pieces, so that it was mistakenly stated as 12 on the invoice, decided at once to enter the nine pieces received here into the books for the charged value of twelve pieces, and to give notice thereof to your High Excellencies, as we respectfully do hereby, while presenting the original packing slip. Paragraph 5. The ship De Negootsie was sent to Kolombo on the 10th of December to convey 500 bags of saltpeter and 236 lasts of rice, and is expected back from there again to convey another cargo of rice to Ceilon. Paragraph 6. The ship De Leviathan arrived here from Kolombo on the 17th of November last with the goods that were unloaded there from the ships Gouda, Veere, and Dordrecht for this Government. It departed there again on the 24th of December following with 1977 bags of saltpeter and 812,100 lb of pepper, besides 305 bundles of cowhides. Paragraph 7. The private ship Neptunus arrived here on the 18th of December and departed again for Maskatte on the 28th. Paragraph 8. The private ship Javas Welvaaren arrived here on the 11th of this month with a packet from your High Excellencies, containing papers as listed in the register of the 6th of November last enclosed therein, of which the packet for Ceilon is now being sent thither. Paragraph 9. We have granted transport to Batavia with the bearer hereof to Johan Herman Siering of Riga, who was formerly a soldier here and, due to expiration of time and continual illness, was granted burgher freedom upon his urgent request, remaining, however, free of expense to the Company. Herewith we commend your High Excellencies and the important interests of the Company to God's protection and remain with all respect and fidelity, (below stood) High Noble, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord, and Noble, Right Honorable Gentlemen, your High Excellencies' humble and faithful servants, (was signed) S. I. van Angelbeek, A. van Ham, P. S. Gebhardt, I. A. Cellarius, W. van Haeften, A. Poolvliet, P. van Spall Jr. (in the margin) Koetsiem, the 17th of January 1788. Batavia To the same as before. As soon as the ship Houtlust was fully laden with rice for Ceilon, we sent it to Kolombo with our covering letters, and this now serves further as a cover for a secret packet sent via Tutukorijn to Ceilon, containing the report of matters that had not yet been concluded at that time, which we hope will arrive in Kolombo early enough still to be addressed with Houtlust. On the 27th of January, the Maratha fleet appeared in sight of this fortress, consisting of three three-masted and two two-masted grabs and six galivats; and because the small vessel De Negootsie was on its way from Kolombo, four letters were sent that same evening with various native vessels both from here and from Manikoorde to seek it and our small vessel and to order them to proceed southwards to Anjengo or Kolletje until further orders and there await further orders. The said pirates went northwards again the second day, and as at the same time the Frigate of Goa appeared here and we were thus assured that the pirates would not return here, the ship at Kolletje was warned and arrived here in the roads on the 8th of this month, where it is now taking in saltpeter and pepper for Ceilon. With an English ship we received a letter from the captain of the ship De Parel, Cornelis in 't Anker, dated Rio de la Por, the 12th of July 1787, stating that, having departed from Mauritius on the 15th of April 1787, he had experienced three storms up to the Cape, and on the 30th of May before False Bay was overtaken by a fourth and was driven so far away that, due to leakage and illness of the crew

Dutch transcription

laaten dienen ten geleide van het schip Hout„ „lust, het welk met vierhonderd vijftig lasten rijst naar kolombo gezonden word, om van daar naar de Hoofdplaats terug te keeren en tot verslag van het geen tot de belaading, verstrekking en verdere behandeling van het zelve betrekking heeft. § 2. Dit schip is bij zijn aankomst geweeten, waar van het rapport volgens de ordre, hier nevens gaat. § 3. Op een ingediende verzoekschrift van den kapitain Pieter Holl, geinsereerd ter re„ „soluutsie van den 29:' xber: Iongstleeden, is het schip buiten bootds gekalfaat, aan het zelve een nieuw voorstenge sagzeil ver„ strekt in steede van een onbequaame „ ook is de Boot gekalvaat zomeede de Schuit„ en aan de laaste eenige geringe reparantsie gedaan, mitsgaders twee maanden gasie en rand„ „soen aan de Equipasie verstrekt, uitgenoomen spek en vleesch. § 4. De bevinding van de uitgeleeverde laading van dit schip, is Geinsereerd bij onze resoluit„ „sie van den 8. o deezer, waar van het extrakt hierneevens ligt, volgens dewelke wij besloo„ „ten hebben, de daar bij vermelde minderheeden die met het Reglement akkordeeren te laa„ „ten afschrijven, het meerder uitgeleeverde aan de overheeden te laaten goeddoen, de kuur bevondene kaapsche roode en witte wijn 8 wijn te laaten uitstoolen, en de drie boeken gescheurd imperiaal papier, te laaten afschrij„ „ven Met opzicht tot de drie p:s groene Chalon„ „se saar, die volgens faktuur te min zouden uitgelevverd zijn, hebben wij, uit aanmerking dat de kas, waar in deeze Iaar afgepakt ge„ „weest is, het volle bruto gewigt gehouden, heeft, en het Amsterdamsche afpakbriefje „maan van 9. pees spreekt en dus bij de faktuur abusief 12. zal bekend gesteld weezen, lef„ „fens beslooten, de hier ontvangene negen pees voor de aangereekende waarde van twaalf pees bij de boeken in te neemen, en aan uwe Hoogedelheeden daar van kennis te gee„ „ven, gelijk wij eerbiedig doen door deezen, onder aanbieding van het origineele afpaks briefje. § 5. Het schip de Negootsie is den 10. xber: naar kolombo gezonden ter overbreng van 500: sakken Salpeter en 236: lasten rijst, en word van daar weder terug verwacht om noch een laading rijst naar Ceilon over te brengen § 6. Het schip de Leviathan is den 17. November Iongstleeden van kolombo hier aangekoomen met de goederen die daar uit de schepen Gouda, Veere en Dordrecht voor dit Poeverne„ „ment gelost zijn: Hetzelve is den 24. xber: daar aan weder derwaards vertrokken met 1977. sakke 1977. Sakken Salpeeter en 812100: lb: peper nevens 305. korsies koehuiden. § 7. Het partikuliere schip Neptunus is den 18: December hier aangekoomen en den 28:' weder naar Maskatte vertrokken. § 8 Het partikuliers schip Iavas welvaaren is den 11:e deezer alhier gearriveerd met een pakkel van uwe Hoogedelheeden, inhouden„ „de papieren als bij het daar in geweest zijnde register van den 6=e November Iongstleeden vermeldt staan, waar van het pakket voor Ceilon, thans naar derwaards gezonden werd. § 9 Wij hebben met brenger deezer transport naar Batavia verleend aan Iohan Herman siering van Riga de hier bevoorens sol„ „daat geweest en mits tijds expiraatsie en geduurige ziekte op zijn instantig verzoek in Burger vrijdom gesteld is, doch blijvende buiten lasten van de kompanie; Hiermeede beveelen wij uw Hoogedelheeden en de wigtige belangen der Maatschappije in Gods bescherming en blijven met alle eer„ „bied en trouwe /:onderstond/ Hoogedele Grootachtbaare wijdgebiedende Heer, en Weledele Gestrenge Heeren uwer Hoogedel„ „heeden onderdaanige en getrouwe Dienaa„ „ren /was geteekend/ S: I: van Angel „beek, A: van Ham P: S: Gebhardt, I: 3 279 Batavia A. Cellarius, W: van Haeften, A: Poolvliet, P: van Spall J:r /:in margine/ koetsiem den 17:e Januari 1788. Aan als vooren Zoo dra het schip Houtlust met rijst voor Ceilon volladen was, hebben wij het „zelve met onze geleide letteren naar ko„ „lombo gezonden, en deeze diend thans nader ten geleede van een Sekreete paket over Tu„ „tukorijn naar Ceilon, behelzende het be„ „richt van zaaken die toen haar beslag noch niet hadden, hetwelk wij hoopen dat nog vroeg genoeg te kolombo koomen zal om noch met Houtlust adresse te erlangen. Den 27. e Januari verscheen in het gezicht van deeze vesting de Marattische vloot bestaande in drie driemastige en twee twee mastige Goerabs en in ses Salwets, en wijl het scheepje de Negootsie van kolombo onder weg was, zoo wierden dien zelven a„ „vond vier brieven met verscheidene inland„ „sche J D „sche vaartuigen zoo van hier als van Ma„ „nikoorde gezonden om hetzelve en ons smalschip op te zoeken en te gelasten, om zich tot nadere order Zuidwaards naar An„ „jengo of kolletje te begeeven en daar nader order aftewachten Gemeede zee„ „roovers gingen den tweeden dag wader naar de Noord, en wijl teffens het Fre„ „gat van Goa hier op daagde en wij dus verzeekerd waaren dat de zeeroovers hier niet terug zouden koomen, is het schip voor kolletje gewaarschund en den 8. deezer hier ter reede gekoomen waar het thans salpeter en peper voor Ceilon inneemt. Met een Engelsche schip hebben wij een brief ontvangen van den kapitain van het schip De Parel Cornelis in het Anker, gedateerd Rio de la Por den 12. Iuli 1787 behelsende, dat hij op den 15:e April 1787. van Manrietsius Ver„ „trokken zijnde tot de kaap drie stormen gehad hadde en den 30. Maij voor de baar fals van een vierden beloopen en zoo ver weggedreeven was, dat hij door lekkasie en door ziekte van de equi„ „pasie

NL-HaNA_1.04.02_3801_0643 view scan ↗

English

crew, as well as a lack of provisions and drinking water, had been forced to put into the aforementioned Rio de la Poa on June 8. Regarding the further circumstances and regarding his experiences with the Portuguese Governor there, for the sake of brevity we respectfully refer to the aforementioned letter and an accompanying annex, which are attached hereto in copy. At the session of January 30 last, we dismissed the Bookkeeper Abraham Soussain from the Residency of Dooka and appointed the Bookkeeper Johannes Bos in his place as Resident, as well as appointed the Bookkeeper Johannes Wolff instead of the aforementioned Bos as Shore Watchman. The reasons for this are extensively indicated in the secret papers now being transmitted, wherefore we respectfully request that these appointments may be favorably approved. Herewith we commend Your Right Excellencies and the important interests of the Company to God's protection, and remain with all respect and fidelity, beneath was written, Right Honorable, Highly Esteemed, Far-ruling Lord and Noble, Severe Lords, Your Right Excellencies' humble and faithful Servants, was signed, I: G: van Angelbeek, R: van Ham, P: P: Gebhardt, I: L: van Spall, I. A: Pollanius, W: van Haeften, A: Poolvliet, I: A. Scheids, and Pieter van Spall Jr., in the margin, Cochin, February 15, 1788. To the same as before: Paragraph 1: Pursuant to our respectful letters of January 17 last and the 15th of this month, the duplicates of which are attached hereto, the ship de Negootsie has been laden here with 165236 lb saltpeter, 9203 lb pepper, and 85 lasts of rice, and departs therewith to Calicoilang in order to take in another fully one hundred thousand pounds of pepper and to transport it to Ceylon. Paragraph 2: For Batavia we have shipped therein two chests of medicines and some unserviceable goods, further mentioned in the bill of lading. Paragraph 3. This ship was measured here upon arrival from Batavia, of which the report according to orders is attached hereto. Paragraph 4. An inquiry was also made as to whether the native mariners on the same were well treated during the voyage, and according to the accompanying report they testified that they had no reason to complain. Paragraph 5: Upon the request made thereto by the captain of this ship, Johannes Pleun, and the necessity affirmed by the Master of Equipage, various provisions were supplied to the same, among which a fore-topgallant yard, a large canvas jib, and two sounding leads of 60 and 40 lb, as well as provisions and wages for two months to the crew and the caulking inside and outside the hull, are of the greatest importance, while the other small items are specified in the extract from our resolution of the 22nd of this month, which is attached hereto. Paragraph 6: As we also, according to another extract from our resolution of the 18th of this month, owing to a lack thereof in the Company's stores, purchased from private individuals and supplied to this ship an anchor of 1510 lb at 25 rupees per 100 lb, in place of a similar one which was lost off Cape Comorin. Paragraph 7: The finding upon the delivered Batavian cargo of this ship is inserted in our resolution of December 25 last, the extract of which accompanies this, wherein it was resolved to write off the deficits that do not exceed the regulations, to credit the officers with the permitted percentages on the lots properly delivered, as well as to have the three leggers of Cape red wine that were found sour poured out and likewise written off, and on the other hand to have the officers compensate for the unaccounted-for ten-twelfths of chicken bast-rope. Paragraph 8. But regarding the deficit of 19639 lb of powder sugar indicated in that finding, we are obliged to report the following. Paragraph 9. When the ship was unloaded, the captain reported that several canassers were found to have leaked out, and that he had to attribute the cause thereof to the greenness of the sugar, since other canassers lying near them were found dry and in good condition. Paragraph 10: The cargo was thereupon inspected by specially appointed commissioners, who submitted a written report that in the bottom tier they had found in various places twenty-three canassers that had run empty, but that the other canassers lying next to them were dry and in good condition, and that they had to attribute this accident solely to the greenness of the sugar, which had therefore turned to syrup and leaked out, as is clearly evident from the report itself, which is inserted after the finding. Paragraph 11. However, we did not judge ourselves authorized to exempt the officers from accountability and compensation beyond the regulations, and therefore resolved to charge them for it on account, and to present their request to be exempted from the payment thereof favorably to Your Right Excellencies, as we respectfully do herewith. Paragraph 12: Regarding the finding on the delivered Colombo cargo of this ship, we made dispositions in the session of the 22nd of this month, of which an extract is also attached hereto, and thereupon resolved to credit the officers with the surplus accounted for.

Dutch transcription

280 „pasie, mitsgaders gebrek aan provisie en drinkwaater den 8. e Iuni Rio de la Poa voorm: had moeten inloopen. Nopens de verdere omstandigheeden en nopens zijn wedervaaren bij den Portugeeschen Poe„ „verneur aldaar, gedraagen wij ons kortheids halven in eerbied aan bovengem: brief en eene daar bij gehoorende bijlaage die in kopij hier neevens gaan. Ter sessie van den 30. Ianuari Iongstleeden, hebben wij den Boekhouder Abraham Soussain uit de Residentsie van Dooka ontslagen en den Boekhouder Iohannes Bos in zijn plaats tot Resident mits„ „gaders den Boekhouder Johannes Wolff in steede van evengem: Bos tot Strand„ „wachter aangesteld. De reeden daar toe worden omstandig aan„ „geweeten bij de sekreete papieren thans overgaande, weshalven wij eerbiedig ver„ „zoeken dat deeze aanstellingen gunstig geapprobeerd mogen worden Hier meede beveelen wij uw Hoog edel„ „heeden en de wigtige belangen der Mart„ „schappij AH vertrek van het schip „schappije in Gods bescherming, en blijven met alle eerbied en trouwe /onderstond/ Hoog„ „edele, Groot achtbaare wydgebiedende Heer en Weledele Gestrenge Heeren uwer Hoog¬ „edelheeden onderdaanige en getrouwe Dienaaren /was geteekend/ I: G: van Angelbeek, R: van Ham, P: P: Gibhardt, I: L: van Spall, I. A: Pellanius, W: van Haeften, A: Poolvliet, I: A. Scherds en Pieter van Spall J:r /in margine/ Koetsiem den 15:e Februari 1788. — Aan als vooren: § 1: Ingevolge onze eerbiedige letteren van den 17:e Januari Iongstleeden en 15. e deezer waar van de duplikaaten hierneevens, is het schip de Negootsie alhier beladen met 165236: lb: salpeter 9203. „ peper en 85. lasten rijst en gaat daarmeede naar ka„ „likoilang om noch rum een maalhonderd Batavia, duizend het 281 de lading von Batavia het schip is hier gemeeten de inlandsche Zeevaaren„ den zijn wel behonseld. het geen aan het schip voor strekt is. duizend ponden peper inteneemen en naar Ceilon overtebrengen. § 2: voor Batavia hebben wij daar in afge„ „scheept twee kisten met medikamenten en eenige onbequaame goederen, nader bij het kognossement vermeld. § 3. Dit schip is bij aankomst van Batavia alhier gemeeten waar van het rapport vol„ „gens de ordre hier neevens gaat § 4. Ook is onderzoek gedaan of de inlandsche zeevaarende op hetzelve geduurende de rei¬ „ze wel behandeld zijn en volgens nevens„ „gaande rapport hebben dezelven betuigd, geene reeden van klaagen te hebben. § 5: Op het daar toe gedaan verzoek van den kapitain van dit schip Iohannes Pleen, en de door den Equipasiemeester betuigde noodzaakelijkheid zijn verschei¬ „dene verstrekkingen aan hetzelve gedaan, waar onder een voorboovenbraamraa, een groote linnen kluiver en twee diep¬ „looden van 60: en 40. lb:, mitsgaders rand„ „soen en gasie voor twee maanden aan de 8 vervolg. de bevinding van de Bata. nissete lrding. de equipasie en het kalfaaten binnen en bui„ „ten boord, van het meeste belang zijn, tenwijl de verdere kleenigheeden gespecificeerd staan bij het extrakt uit onze resoluutsie van den 22. deezer, het welk hier nevens gaat. § 6: Gelijk wij ook, volgens een ander extrakt uit onze resolmitsie van den 18. ' deezer, mits ontstentenis bij de kompenie van partiku„ „lieren ingekocht en aan dit schip ver„ „strekt hebben een anker van 1510: lb tegen 25. ropijen de 100: lb: in steede van een dito, het week voor kaapkomoryn verlooren is. De bevinding op de uitgeleeverde Ba„ „taviasche laading van dit schip, is geinse„ „reerd bij onze resoluntsie van den 25. e December Jongstleeden, waar van het extrakt deezen verzeed, waar bij be„ „slooten is, de minderheeden die het reglement met excedeeren te laaten afschrijven, de gepermitteerde percenten op de wel uitgeleeverde partijen aan d. 37. 282 vervolg vervolg vervolg de overheeden te laaten goed doen, mitsga„ „ders de drie leggers kaapsche roode wijn, die zuur bevonden zijn telaaten uitstorten en meede afschrijven, en daar en tegen de minder verantwoorde tien twaalfden kippen bastlond door dezelven te laaten vergoeden § 8. Doch nopens de bij die bevinding aange„ „loonde minderheid van 19639. lb: poeder sinker, zijn wij genoodzaakt het volgende te berichten. § 9. Toen het schip gelost wierd, rapporteerde de kapituin, dat verscheidene kanassers bevonden waaren uitgeloopen te weeten, en dat hij de oorzaak daar van aan de Ionk„ „heid van de zuiker moest toeschrijven, alzoo andere kanassers die daar bij bagen, droog en wel bevonden wierden. § 10: De laading werd daar op door expresse gekommitteerden gevisiteerd, die van schrifte„ „lijk rapport dienden, dat zij in de onderste laag drie en twintig kanassers op verschei „de plaatzen gevonden hadden, die leeggen geloopen waaren, doch dat de andere Kanassers 8 Vervolg 312. Bevinding van de Ceilonsche lading. kanassers, die naast dezelven lagen, droog en wel waaren, en dat zij dit toe„ „val alleen aan de Ionkheid van de Zuiker moesten toeschrijven, die daarom aan het stroopen geraakt en uitgeloopen was, zoo als dit omstandig blijkt bij het rapport zelve, hetwelk achter de bevinding gein„ „sereerd is. §11. Wij hebben ons echter niet bevoegd geoor„ „deeld, de overheeden van de verantwoor„ „ding en vergoeding boven het reglement te bevrijden, en derhalven beslooten, hen daar voor op reekening te belasten, en hun verzoek om van de betaaling daar van bevrijd te weeten, aan uwe Hoogedelheeden favorabel voortedraa„ „gen, gelijk wij zulx bij deezen in eer„ „bied doen Op de bevinding van de aangebrag„ „te kolombosche laading van dit schip, hebben wij ter sessie van den 22. deezer gedisponeerd, waar van ook een extrakt hier nevens en daar op beslooten het meerder verantwoorde aan 8

NL-HaNA_1.04.02_3801_0649 view scan ↗

English

283. continuation to have the superiors compensate, and in contrast to have them pay for what was delivered short, as well as to have a compass damaged by white ants written off. Section 13. The 25 drum skins which were brought with other goods in a chest No. 105 with the ship Iagtrust from Amsterdam to Batavia, with the ship de Maria to Kolombo, and with this ship here, and were found rotten, we have, because the chest was in good condition and thus those skins, according to the regulations, ought to be reimbursed by the senders and packers, charged back to Batavia, in order to be dealt with there according to the esteemed pleasure of Your High Nobilities, Because continuation continuation Section 14. Because it clearly appeared that clerical errors had been made in the Kolombo bill of lading regarding the weight of 24 bars of square iron and the length of sailcloth, as the delivery thereof agreed with the Batavian invoice received here and the chests in which these goods were brought were found to be in good condition and full: we have therefore had those entries entered according to the aforementioned invoice. Section 15. Regarding the shortage of 45 1/2 ells of sailcloth, 52 1/2 ells of heavy Dutch cloth, and 34 1/2 ells of gray cloth, we have, in consideration that the chests in which this cloth was brought 284. Section 16. Concerning discharged persons going over. brought were not only in good condition, but also all the rolls were found full and uncut; had the quantity of ells, as found here, entered into the books with the full charged invoice prices. On this occasion, there depart with closed pay accounts 1 Sergeant 3 Corporals and 2 European Private soldiers along with 1 Bombardier and 1 Gunner, as well as a native Private, all mentioned by name in the accompanying list of names, whom we Also a summoned Malay. at their request have discharged from here to Batavia. Section 17. There also departs with this the native Private Sangok Camp Saua, summoned by Your High Nobilities' esteemed rescript of 30 August 1787. Herewith we commend Your High Nobilities and the weighty interests of the Company to God's protection, and remain with all respect and fidelity. was signed: High Noble, Highly Esteemed, Wide-Ruling Lord and Right Honorable, Strict Lords! Your High Nobilities' humble and faithful Servants was signed: J. G. van Angelbeek, K. van Ham, G. G. Gebrardt, J. L. van Spall, I. A. Cellarius, W. van Haeften, A. Poolvliet, I. A. Scheids, and L. van Spall Jr. In the margin: Koetsiem, 25 February 1788. Batavia 285. Batavia Introduction Section 1. To His High Nobility The High Noble, Highly Esteemed, Wide-Ruling Lord Mr. Willem Arnold Alting on behalf of the State of the Free United Netherlands and its General Chartered East India Company, Governor-General and The Right Honorable, Strict Lords Councilors of the Netherlands Indies. High Noble, Highly Esteemed, Wide-Ruling Lord, Right Honorable, Strict Lords. Now proceeding to the annual description, we have the honor under the main heading of Letters and fulfill Section 2. The Moorish Sailors have not returned. The grapnels were shipped unweighed. Letters and Papers to reply what is necessary to Your High Nobilities' most revered letter of 31 August 1787 and regarding the coir to report that the Ceylon Ministers have undertaken to fulfill the demand for it. Ceilon will fulfill the demand for coir. Of the Moorish Sailors who were placed by us on the ship De Zeeuw, with the express promise that they would be sent back with the first ship, not a single one has returned, for which reason we have also been unable to engage any for the voyage to Batavia at this time. The unserviceable grapnels mentioned in Section 16 were not weighed upon shipment, but, according to custom, posted at the Trade Office with the weight at which they were charged as new and entered into the books; the found shortfall in weight seems to have been lost since through wear and rust, but henceforth such unserviceable goods shall be weighed anew upon shipment, Section 3. 286. Section 4. The Danish firearms yielded us 453:6 rupees. party was charged to Kolombo. as was observed with regard to two unserviceable grapnels that were sent with the ship de Negootsie, which weighed 579 lbs when new, but now only 285 lbs. When we, in our respectful description of last year, reported that of the remaining Danish firearms 254 pieces were found defective and were sold for what they were worth, we could not make known the prices obtained, because the report thereof had not yet arrived; but now we indicate from the same, which was inserted into the resolution of 18 September last, that they were sold for 453 rupees and 6 stuivers, and that the loss thereon and on the previously sold 1026 pieces, which according to the distribution in our advices of 18 April 1786 yielded 2929 94/18 rupees, was charged to Kolombo by invoice of 20 October 1787 at f 11305. -. 8. Section 5. We have the private sugar of the ships

Dutch transcription

283. vervolg aan de overheeden te laaten goed doen, en daar en teegen door hen telaaten be„ „taalen het geen minder uitgeleeverd is mitsgaders een door de witte mier en beschaadigde kompas te laaten afschrij„ „ven. §13. De 25. tromvellen die met andere goe„ „deren in een kas N=o 105. met het schip Iagtrust van Amsterdam op Batavia, met het schip de Maria op kolombo en met dit schip alhier aangebragt en verrot bevonden zijn, hebben wij, wijl de kas wel gekondieh„ „sioneerd geweest is en dus die vel„ „len, volgens het reglement, door de afzenders en afpakkers dienen vergoed te worden, naar Batavia laaten terug reekenen, om daar meede naar het geeerd believen van uwe Hoog edelheeden temo„ „den gehandeld, Wijl vervolg vervolg §. 14. Wijl het klaar bleek, dat bij het kolombos kog nossement schrijffouten begaan waaren nopens het gewigt van 24. star„ „ven vierkant ijzer en de lengte van Everdoek, alzoo de uitlee„ „vering derzelven met de Bata„ „viasche alhier ontvangene faktuur akkordeerde en de kassen, daar dee„ „ze goederen in aangebragt zijn wel gekondietsioneerd en vol bevonden wierden: zoo hebben wij die pos„ „ten volgens de bovengemelde faktuur laaten inneemen. § 15. Nopens de minderheid van 45.½ el Everdoek, 52.½. el zwaar Hol„ „landsch doek en 34.½. eb graauw doek, hebben wij uit aanmerking, dat de kassen, waaren dit doek aangebragt 284. § 16. wegen vorlossers gaan over. aangebragt is, niet alleen wel ge„ „kondietsioneerd geweest, maar ook alle de rollen vol en niet aangesnee„ „den bevonden zijn; de quantiteit der ellen, zoo als hier bevonden is, met de volle aangereekende faktuur prijzen bij de boeken laaten innee„ „men. Met deeze geleegenheid vaaren met afgeslootene soldij reekenin„ „gen over 1. Serjant 3. Korporaals en 2. Gemeene Europeesche militairen nevens 1. Bombardier en 1. kannonier. zoomeede een Gemeene oostulingen alle bij de nevensgaande naamlijst, met naamen vermeldt, die wij op ook een ontbodene Ma. laier. op hun verzoek van hier naar Bata„ „via verlost hebben. § 17. Ook vertrekt daarmeede de bij uw Hoogedelheeden geeerde res„ „kripsie van den 30. Augustus 1787. ontbodene gemeene oosterling san„ „gok Camp Saua. Hiermeede beveelen wij uw Hoogedel „heeden ende wigtige belangen der Maatschappije in gods bescherming. en blijven met alle eerbied en trouwe. /onderstond/ Hoog edele, Groot achtbaare wydgebiedende Heer en weledele ge¬ „strenge Heeren! uwer Hoogedelheeden onderdanige en getrouwe Dienaaren /was geteekend/ J: G van Angelbeek, K: van Ham, G: G: Gebrardt, J: L: van Spallr I: A: Cellarius, W: van Haeften, A: Poolvliet I: A scheids en L: van Spal J:r /in margine/ koet„ „siem den 25. Februari 1788. — Batavia l 285. Batavia Inleiding 5. 1. Aan zijn Hoogedelheid Den Hoogedelen Grootachtbaaren wijdgebiedenden Heer Mr. Willem Arnold Alting wegens den staat der vrije vereenigde Nederlanden en haare algemeene Geoktroieerde oostindische Kompenie, Goeverneur Generaal ende De weledele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Jndiën. Hoog edele, Groot achtbaare; wijdgebiedende Heer Weledele Gestrenge Heeren. Thans treedende tot de Jaarlijxe beschrijving, hebben wij de eere onder het hoofddeel van Brieven en voldoen 52. de moorsche Mattroozen zijn niet terug gekoomen De dreggen zijn ongewogen af „gescheept. Brieven en Papieren op uwer Hoogedelheeden zeer gevenereerde letteren van den 31:e Aug:s 1787. het noodige Ceilon zal den eisch van kaier te antwoorden en nopens de Kaijer te melden, dat de Ceilonsche Ministers aangenoomen hebben, den eisch daar van te voldoen van de Moorsche Matroozen, die door ons 453 op het schip De Zeeuw, geplaatst zijn, met de expresse belofte, dat zij met het eerste schip zouden terug gezonden worden, is geen eene terug gekoomen, weshalven wij thans ook geenen tot de reize naar Ba„ „tavia hebben kunnen engageeren. De onbequaame vierdreggen bij 5. 16. vermeld, zijn bij afscheep niet gewogen, maar, volgens gewoonte op 't Negootsie kantoor bekend gesteld met het gewigt, waarmede ze nieuw aangereekend en bij de boeken ingenoomen zijn, het be„ „vonden minwigt schijnt zeeder door 't slijten en voesten verlooren te zijn, doch voortaan zullen zulke onbequaame goe„ „deren bij den afscheep op 't nieuw gewogen worden 53. het „re 286 5. 4. de deensche geweeren hebben ropijen ons 453:6. gegolden „re partij is naar kolombo aange„ reekend worden, zoo als dit in acht genoomen is, omtrend twee onbequaame dreggen, die met het schip de Negootsie afgezonden zijn en nieuw 579. lb doch thans maar 285. lb. ge„ „woogen hebben. Toen wij, bij onze eerbiedige beschrijving van voorleeden Jaar, berichtgaven, dat van de restant gebleevene Deensche geweeren 254. p:r defekt bevonden en voor het geldende verkocht waaren, konden wij de behaalde prijzen niet bekend stellen, wijl het be„ „richt daar van noch niet was ingekomen doch thans wijzen wij uit het zelve, het welk bij resoluutsie van den 18. Septem„ „ber Jongstl: geinsereerd is aan, dat ze voor 453. rops en 6 stuivers verkocht zijn, en het verlies daar op en op een ande, dat het verlies daar op en op de bevoorens verkochte 1026. p=s, die volgens het bedeelde bij onze advisen van den 18. April 1786. rop: 2929 94/18. gegolden hebben, bij faktuur van den 20:e oktober 1787. met ƒ11305. —. 8. naar Kolombo is aangereekend. §. 5. Wij hebben de partikuliere suiker der scheeps et wij

NL-HaNA_1.04.02_3801_0656 view scan ↗

English

The sugar of the ship officers has been sold along with that of the company. Remarks upon this. Continuation. Continuation. The ship officers, according to Your Right Honourables' order, have sold their sugar along with that of the company, and the yield thereof has been delivered to them; yet we find ourselves obliged to remark in this regard: Section 6. That no private merchant will buy the sugar from the ship officers unless he can count on at least 20 percent gross profit on it, from which, after deduction of the interest on the money, the coolie wages, warehouse rent, wastage, and risk, at best 10 percent net profit remains, and that there is thus no hardship in their ceding the same to the company for a moderate profit. Section 7. That by this arrangement the private trade, which hitherto has been carried on for the account of the company, suffers noticeably, and it loses a part of the profits that have hitherto been obtained from it. Section 8. That the ship officers, knowing that their sugar must be sold along with that of the company, might be led by self-interest to acquire the cheapest 287. Request to have the company's canasters marked. and gardens. and thus also the worst sugar, to the great detriment of our trade. For which latter reason we request Your Right Honourables to kindly have the company's mark placed upon its canasters in the future, in order to be better able to distinguish them from the private sugar upon delivery, the more so because this time several canasters with brown and bad sugar were found among the lots brought in. Section 10. The company's lands and gardens in The privileges in the company's lands the kingdoms of Koetsiem and Trevankoor are merely to be regarded as private possessions, to which no other privileges are attached beyond the revenues, other than solely that the officials of the princes do not readily commit violence against them and against the lessees and inhabitants, and that, if something of that nature occurs and we complain about it, the princes usually give us enough satisfaction to forbid the continuation thereof, without, however, repairing the offense committed. Section 9. Continuation. Continuation. Section 11. Wherefore also criminal or fugitive subjects of the said princes sometimes take refuge there to be free from punishment or prosecution, which often gives occasion for complaints and difficulties. Section 12. But since this is no essential privilege for the company, but much rather a bone of contention between it and the frequently mentioned princes, and no other privileges are known to us, we could not add any fuller description to our report of last year, when we reported on the sale of some parcels to Trevankoor, of what consequence those lands have been outside the company's leases, and what privileges, prerogatives, and rights the title of possession has brought to the company. Section 13. Concerning the sale itself of the aforesaid lands, without further qualification, we take 288. Section 14. Proposal of the Noble Mr. Moens to sell the lands and gardens. Order to make a test for that purpose. the liberty to remark the following. Director General Mr. Moens had shown in his memorandum that the lands and gardens in the territory of this prince lay scattered everywhere, and continuously caused difficulties, and it would therefore be better to sell the same for a good sum than to draw an annual income from them, about which one now and then had difficulties and which sometimes, through a change of times, might become uncertain for us. Section 15. Your Right Honourables were pleased, by the marginal disposition on this item, to order the first signatory to make a test, in accordance with the proposal of Mr. Moens, to sell the company's lands scattered in the territory of Trevankoor to the king of Trevankoor for a capital sum somewhat proportioned to the revenues that the company draws from the same. Here which was taken for a full qualification. Therefore the sale of some to Trevankoor took place. Section 17. Section 16. By this we were led to the idea that Your Right Honourables approved the proposal of the Director General and were thus inclined to sell the lands in the territory of Trevankoor if one could obtain a sum of money for them of which the interest amounted to as much as the revenues, and that this disposition consequently contained a full qualification to sell on that basis not merely some, but even all parcels of land, whenever the opportunity might arise. When therefore the king of Trevankoor, during his presence here, made a request to buy the seven parcels of land spoken of here, and we perceived that we would be able to negotiate for them not merely a capital proportioned to the revenues, but nearly two such capitals—for the proportioned capital would only have amounted to 56666 1/3 rupees 289. Request for pardon in this regard. Section 19. and the purchase price amounts to 103333 1/3 rupees—the thought occurred to none of us that we first had to ask for further qualification anew, whereby besides this extraordinary opportunity would have passed by and probably been lost forever. Section 18. On the contrary, we believed in good faith that by this sale we would gain credit with Your Right Honourables, by having negotiated about twice as much for them as Your Right Honourables, following the approved proposal of the Director General, could have expected for them. Yet now seeing with regret that we have been mistaken in this, we therefore respectfully request pardon, with the promise that henceforth in similar cases we

Dutch transcription

De suiker van de scheepsover. „heeden is onder die van de kompenie verkocht aanmerking daar op vervolg vervolg scheeps overheeden, volgens uwer Hoogedel„ „heeden bevel, onder die van de komp: ver„ „kocht, en het rendement daar van aan hent. afgegeeven, doch vinden ons verplicht, daar omtrend aan te merken. § 6 Dat geen partikulier koopman de suiker van de scheepsoverheeden zal koopen, als hij er niet ten minsten 20. p:r C:t ruwe winst op reekenen kan, waar van, na aftrek van den intrest op 't geld, de koeli loonen, pakhuis huur, spillasie en risiko, op zijn best 10. pr C=to zuivere winst overschiet, en dat er dus geen hardigheid in steekt, dat zij dezelve aan de komp: voor een maatige winst overlaaten. § 7. Dat door deeze schikking de partiku„ „liere handel, die tot nu toe voor reekening van de Komp: gedreeven is, merklijk lijdt en zij een deel van de winsten verliest, die daar tot nu toe, op behaald zijn. 5. 8. Dat de scheeps overheeden weetende dat hunne suiker onder die van de komp: ver„ „kocht moet worden, door eigenbaat zul„ „len kunnen verleidt worden, om de goed„ „koopste 287. verzoek om de komp=e Kanassers te laaten merken en tuinen „koopste, en dus ook de slegtste suiker aan te slaan, tot groot nadeel van onzen handel. Om welke laaste reeden wij uw Hoogedel„ „heeden verzoeken op de kompanies Kanas- „ters voortaan haar merk te willen laaten stellen, om ze bij uitleevering van de par„ „tikuliere suiker te beter te kunnen onder„ „scheiden, te meer, wijl ditmaal onder de aan„ „gebragte partijen verscheidene knasters met bruine en slegte suiker bevonden zijn. §. 10. De Landen en Tuinen van de komp: in De voorechten in 'skomp:s landen de Rijken van Koetsiem en Trevankoor zijn eenlijk aan te merken als privaate bezittingen, waar aan geen andere voor„ „rechten buiten de inkomsten verknocht zijn, dan alleen, dat de Amptenaaren van de vorsten aan dezelven en aan de Pachters en bewooners niet ligt geweld pleegen, en dat, als iets diergelijks voorvalt, en wij daar over klaagen, de vorsten ons door„ „gaans zoo veel satisfaksie geeven, dat zij den voortgang daar van verbieden, zon„ „der echter de toegebragte beleediging te S. 9. vervolg Vervolg te repareeren. 3. 11. Weshalven ook somtijds misdaadige of bevoide onderdaanen van gem: Vorsten daar na toe de wijk neemen om van straf„ „fe of vervolging bevrijdt te zijn, het welk dikwils geleegenheid tot klachten en moeilijkheeden geeft. § 12. Dan dewijl dit voor de komp: geen wee„ „zentlijk voorrecht, maar veel meer een twist appel tusschen haar en meermelde Vorsten is, en ons geen andere voorrechten bekend zijn: zoo hebben wij bij onze voor„ „jaarige beschrijving, toen wij van den verkoop van eenige stukken aan Tre„ „vankoor verslag deeden, geen ampelder beschrijving kunnen voegen, van wat aangeleegenheid die Landen buiten de pachten van de komp: zijn geweest, en welke voorrechten, prerogativen en gerechtigheeden het bezitrecht aan de komp: heeft toegebragt. § 13. Nopens den verkoop zelve van voorsz: landen, zonder nadere qualifikaatsie gebruiken wij 288. § 14. voorslag van den Edelen Heer Moens om de landen en tuinen te verkoopen. Ordre om daar toe een pruve te neemen. wij de vrijheid het volgende aan te merken. De Heer Direkteur Generaal Moens had bij zijne Memorie aangetoond, dat de landen en tuinen in het land van deezen Vorst overal verstroid lagen, en geduurig moeilijkheeden veroorzaakten, en het daar„ „om beter zijn zoude, dezelven voor een goede som te verkoopen, dan daar van een Jaarlijx inkomen te trekken, om het welk men nu en dan moeilijkheeden haden het welk soms bij verandering van tijden, voor ons zoude kunnen onzeeker worden. 5. 15. uw Hoogedelheeden geliefden bij de marginaale disposietsie op deeze post den eerst geteekende te gelasten. een preuve te neemen, om de in het ge„ bied van Trevankoor verstroid liggende landen van de komp: naar het voorstel van den Heer Moens, aan den koning van Trevankoor te verkoopen voor een kapitaal eenigsints geproportsioneerd naar de revenuën, die de Maatschap„ „pij van dezelven trekt. Hier , n die voor een volkoomene quali„ „fikaatsie genoomen Es daarom is de verkoop van eenigen aan Trevankoor geschied 3. 17. 5. 16. Hier door zijn wij in het denkbeeld gebragt dat uw Hoogedelheeden den voorstel van den Heer Direkteur Generaal gou„ „teerden en dus geneegen waaren de Lande. „rijen in 't gebied van Trevankoor te verkoo„ „pen als men daar voor een stuk geld krij„ „gen kost waar van de renten zoo veel be„ „droegen, als de revenuen, en dat derhal„ „ven deeze disposietsie een volkomene quali„ „fikaatsie behelsde, om niet slechts eenige maar zelfs alle grond stukken, wanneer daar toe geleegenheid mogt voorkomen op dien voet te verkoopen. Wanneer derhalven de koning van Tre„ „van Koor, bij zijn aanweezen alhier, ver„ „zoek deed, de zeeven grond stukken, waar van hier gesprooken word, aan hem te ver„ „koopen, en wij bespeurden, daar voor niet slegts een kapitaal naar de revenuen ge„ „proportsioneerd, maar na genoeg twee zul„ „ke kapitaalen te zullen kunnen bedin„ „gen /:want het geproportsioneerde Kapi„ „taal zoude maar 56666 1/3. rop=s bedraagen hebben 289 verzoek om verschooning der wegen 5. 19. hebben en de koopschat bedraagd 103333 1/3. rop:s zoo quam bij niemand on„ „zer de gedachte op, dat wij daar toe eerst op 't nieuw nadere qualifikaatsie moesten vraagen, waar door buiten des deeze bui„ „ten gewoone geleegenheid zoude voor bij en waarschijnlijk voor altijd verlooren gegaan zijn. Jn tegendeel meenden wij ter goeder 5. 18. „trouwe dat wij door deeze verkooping bij uwe Hoog edelheeden eere zouden inleggen, met daar bij omtrend eens zoo veel bedongen te hebben, dan Hoogst dezelven, navolgens den goedgekeur„ „den voorstel van den Heer Direk„ „teur Generaal daar voor hadden mogen verwachten. Doch thans tot leedweezen zien. de, dat wij ons hier in vergist heb„ „ben, verzoeken wij derwegen in eerbied verschooning, onder belofte dat wij ons voortaan in diergelijken gevallen

NL-HaNA_1.04.02_3801_0662 view scan ↗

English

3. 20. Cardamom plants are sent over 3. 21. The cultivation of the same cases will turn out according to Your Right Excellencies' expectations. With this vessel, cardamom plants are again sent, which have already stood for seven months in the same cases in the Governor's garden, and according to the report transmitted under the annexes, were delivered to the officers very lush and healthy. Regarding the cultivation of the cardamom, the undersigned Governor has received the following report from the Ministers of the King of Cochin. The cardamom grows at the feet and in the valleys of mountains and is neither sown nor planted, but comes forth naturally; the place where it grows must be kept clean, or cleared of weeds. 290 Continuation 5. 22. 5. 23. The pepper harvest will be discussed further. When the cardamom is ripe, it is harvested, and then the bush standing on the land is burned; one lets that burned place lie for a year, and then one rolls heavy round stones or logs over it, whereupon the old roots sprout anew and bear fruit. With this agrees the account which the Reverend Canter Visscher gave of this crop many years ago in his letters on Malabar, which are well known and in many hands. Regarding the pepper harvest, we shall, as far as the most recent year is concerned, report what is necessary in the description, while for the rest we refer in this regard to the separate secret letters of the Governor. S. 24. The bill of exchange of Ceylon was paid with cloves. S. 25. The bedding to the hospital warden will cost 105 ropijen per year. We have seen not the slightest disadvantage for the Company in the arrangement of the Ceylon Ministers, who had received five thousand ropijen from the Frenchman Daijot for cloves which they requested us to deliver to him, because we thereby disposed of a parcel of cloves that were paid for on Ceylon, whither we would otherwise have had to send cash at that time; but henceforth we shall refrain from such trade, in accordance with Your Right Excellencies' highly honored order. The allowance of one schelling for the bedding to the hospital warden for each month amounts to not much in the year, because no great number of sick lie in the hospital here; we have 291 Regarding the rations to the militia an error was committed 5. 26. 5. 27. Continuation had that amount checked by calculation, and from the report received thereof from the Head Administrator and accompanying this, it appears that the entire provision for a round year, if the number of sick during the same is reckoned at thirty-five in each month, or 420 in the year, which seldom runs higher, amounts to only one hundred and five ropijen. For the error committed regarding the rations allocated to the militia, we beg pardon, wherein we at the same time take the liberty to point out that, according to §. 37 of our last year's description, our statement made therein that the sergeants could manage with their board money was entirely built upon our aforementioned erroneous conception that wine and butter had been added for them. This appears even more clearly from our Resolution of February 8, 1787, taken on this matter. In order respectfully to request Your Right Excellencies, in the reply to be dispatched, 5. 28. Request to grant the additional board money to the sergeants 5. 29. The artillerymen request to share in that as well to increase the board money of the sergeants by nine schellingen, being the monetary value of the ration allocated to them. We therefore take the liberty to request Your Right Excellencies further herewith to grant this additional board money to the same, against which all provisions of arrack, pepper, salt, etc. should cease. The non-commissioned officers and privates of the artillery have also requested that they might also share in the rations that have been allocated to the militia, but however much we are convinced that they need the same just as much as the infantrymen and also deserve it just as well, we have nevertheless not dared to take it upon ourselves to decide on this, but take the liberty herewith 292 5. 30. The saltpeter was paid for last year with cloves 3. 32. Request for the caliber gauge and bullet molds. to propose the same and to support it with our intercession. The saltpeter that was purchased last year, we paid for with cloves, whereby not only Ceylon was helped to the necessary ballast for the return ships, but also the consumption of the cloves was considerably advanced. §. 31. The purchase thereof in this year will be dealt with hereafter in its proper place. We are not yet able to comply with Your Right Excellencies' further order contained in the extract of the general resolution of March 13, 1787, to make the necessary returns of the artillery, mortars, howitzers, and cannonballs according to the tables sent to us, since we have not yet received the caliber gauge and bullet molds necessary for that purpose, wherefore we humbly the

Dutch transcription

3. 20. kardamom planten gaan over 3. 21. de kulture van dezelve gevallen naar de verwachting van uwe Hoogedelheeden zullen gedraa„ „gen. Met deezen bodem worden weder „rom Kardamom planten gezonden, die reets zeeven maanden in dezelve kassen in 's Goeverneurs tuin gestaan hebben en volgens het onder de bijla„ „gen overgaande rapport heel weelderig en fleurig aan de overheeden afge„ „leeverd zijn. Nopens de kulture van de kar„ „damom heeft de ondergeteekende Goeverneur van de Ministers van den koning van Koetsiem het volgende bericht gekreegen. De Kardamom groeid aan de voe„ „ten en in de valijen van bergen en word niet gezaid en ook niet geplant, maar komt van zelve voort; De plaats, daar ze groeid, moet schoon gehouden, of van onkruid 290 vervolg 5. 22. 5. 23. van de peper inzaam zal nader gesprooken worden. onkruid gezuiverd worden. Als de kardamom rijp is, word ze ingezameld en dan word de struik op het land staande verbrand, men laat die af„ „gebrande plaats een jaar liggen en dan rolt men zwaare ronde stee„ „nen of blokken over dezelve heen, wanneer de oude wortels op 't nieuw uitschieten en vrucht geeven. Hiermede stemt het bericht over een, het welk de Predikant kanter„ „visscher voor veele Jaaren van dit gewas gegeeven heeft in zijne brieven over Malabaar, die bekend genoeg en in veele handen zijn. Over den peper-inzaam, zullen wij, zoo veel het Jongste Jaar be„ „treft, het noodige bij de beschrij„ „ving berichten, terwijl wij ons der„ „wegen voor 't ovrige aan de apar„ „te sekreete brieven van den Goe„ „verneur aa„ voe„ S. 24. de wissel van Ceilon is met Nagelen betaald. S. 25. Het bedde goed aan den Hospita. „verneur gedraagen. Wij hebben in de schikking der Cei„ „lonsche Ministers, die van den fransch, „man Daijot vijf duizend ropijen ontvangen hadden voor Nagelen die zij ons verzochten aan hem af te geeven, geen het minste na„ „deel voor de kompanie gezien, door dien wij daar voor een par„ „tij nagelen quijtraakten, die op Ceilon betaald wierden, werwaards wij diertijds doch kontanten zen„ „den moesten, doch zullen voor„ „taan van zulke negootsiaatsie, volgens hoog geëerd bevel van uwe Hoogedelheeden afzien. De toelage van een schelling „lier zul sjaars 105. ropijen kosten voor het bedde goed aan den Hospitalier voor ieder Maand, bedraagd in het Jaar niet veel door dien hier geen groot getal zieken in 't Hospitaal ligt, wij hebben 291 nopens de randsoenen aan de Milietsie is een abuis begaan 5. 26. 5. 27. vervolg hebben dat bedraagen kalkulatief laaten nagaan en bij het daar van ingekomen en deezen verzellende bericht van den Hoofdadministrateur blijkt, dat de heele verstrekking voor een rond Jaar als het ge„ „tal der zieken geduurende het zelve op vijf en dertig in ieder maand, of 420. in 't Jaar gereekend word, het welk zelden hooger loopt, maar honderd en vijf ro„ „pijen bedraagd. Over het begaane abuis nopens de aan de Milietsie toegelegde rantsoenen, verzoeken wij verschoning, waar bij wij teffens de vrij„ „heid gebruiken aan te wijzen dat, volgens §. 37. van onze voorjaarige beschrijving, on„ „ze daar bij gedaane verklaaring, dat de serjants met hun kost geld toekomen konden, alzints is gebouwd geweest, op ons voorschreeven abusief begrip, dat aan dezelven wijn en boter was toegevoegd. Dit blijkt noch klaarder bij onze Resoluuit¬ „sie van den 8:e februari 1787. op dit stuk genoomen. Om uwe Hoogedelheeden, bij de af te gaane 5. 28. Verzoek om het meerder kost. geld aan de serjants toetestaan 5. 29. de Arthilleristen verzoeken daar aan ook deel te hebben „gaane beantwoording eerbiedig te verzoeken, de kostgelden van de ser„ Jants met negen schellingen te ver„ „hoogen, zijnde de geldswaarde, van het hun toegelegde rantsoen. Wij bevrijmoedigen ons derhalven, uwe Hoogedelheeden bij deezen nader te verzoeken, om dit meerder kostgeld aan dezelven toe te staan, waar tegen alle verstrekkingen van Arak, peper zout ent: zouden dienen te cesseeren. Ook hebben de onder-officiers en gemee„ nen van de Artilleri verzocht, dat zij aan de rantsoenen, die aan de Milietsie toegelegd zijn, mede mogten deel heb„ „ben, dan hoe zeer wij overtuigd zijn, dat zij lieden het zelve eeven zoo noodig heb„ „ben als de Jnfanteristen en het ook eeven zoo wel verdienen: zoo hebben wij echter niet durven op ons nee„ „men, daar toe te besluiten, maar gebruiken de vrijheid het zelve bij deezen 292 5. 30. de salpeter is voorleeden Jaar met nageleg betaald 3. 32. Verzoek om de talstok en kogelmallen. deezen voor te draagen en met onze voor„ „spraak te ondersteunen. De Salpeter, die voorleeden Jaar ingekocht is, hebben wij met ga„ „rioffel nagelen betaald, waar door dus niet alleen Ceilon aan de nodige ballast voor de retoer„ „schepen geholpen, maar ook de sleet der Nagelen merklijk be„ „vorderd is. §. 31. De inkoop daar van in dit Jaar zal hier na op zijne plaats bedeeld worden. Wij zijn noch niet in staat om te voldoen aan uwe Hoogedelheeden nadere order vervat bij extrakt gene„ „raale resoluutsie van den 13:e Maart 1787. om van het geschut, Mortiers, Houbitsen en kogels de noodige opgaven te doen na de aan ons toegezondene tabellen, alzoo wij de daar toe noodige talstok en kogelmallen tot noch niet ontvangen hebben weshalven wij nedrig het

NL-HaNA_1.04.02_3801_0668 view scan ↗

English

5. 33. The requested sulfur cannot be supplied. 5. 34. The further orders will be complied with. 5. 35. Answering of the extracts from the Homeland. humbly request to let us receive them at the first opportunity. The twenty thousand pounds of sulfur requested by Your High Mightinesses, we likewise cannot supply, because this year no sulfur has been imported here, and of the requested one hundred pikols of wax candles, only fifty pikols are now being sent over. All further orders of Your High Mightinesses will be dutifully complied with, while we express our humble thanks for the favorable promotion of the commander of Kranganoor, Frederik Christiaan von Mullerts, to Lieutenant. Having herewith answered the highly esteemed dispatch of Your High Mightinesses and the resolutions and appendices received therewith, we present here following the: Answered Extracts from the Dispatches from the Homeland of the 12th, 14th, and 28th of December 1786. Extract Extract from the dispatch written by the Assembly of Seventeen to the Governor-General and Council at Batavia, dated 12 December 1786. Honorable, Valiant, etc. Paragraph 1. Our last letter to Your Honors was of the 29th of April of this year; since then, the Gentleman Commissioners for the Hague Affairs have further read and considered the letters and documents received from the Indies in the previous year. And now having to send to Your Honors our answer to the same, we must note in advance that this answer is not as complete as we had wished, because, owing to the staying behind of so many ships in the previous year, a multitude of letters that were necessary for the discussion of various matters contained in those letters have not come to our hands. We experienced this lack especially when going through the various points that belong to the main section of Ambon, etc. Paragraph 2. 488. The doubt which we already indicated to Your Honors in the previous year, as to whether the ministers of Malabar would be able to maintain themselves in the possession of the retaken places of Chettua and Paponettij, has, to our regret, proven by the outcome to be only too well founded, as the same ministers were forced, in order to prevent great difficulties with the Nabob Tipoe Saib, the successor of Hijder Alie, to evacuate those places again to him. Paragraph 489. The event regarding this, of which Governor van Angelbeek has given a detailed report in his separate letters, certainly shows most clearly that the best course was chosen in this matter, as both places were not of so much importance to the Company that one could expose oneself to the dangers of a war on their account. Paragraph 490. There has been no opportunity for this. We shall now wait to see if there has been an opportunity to enter into any negotiation with Tijpoe Saib concerning the return of Chettua and Paponettij to the Company against payment of either an equivalent at once, or of an annual tribute. Paragraph 491. The members of the Political Council, Seijfer and Vernede, whom the ministers had sent for that purpose to Seringapatnam, having returned from there without having accomplished their business, because the Nabob, who was due to come down to Kalikoet within two months, had declared himself entirely disinclined to enter into anything before his arrival there, gives us little expectation of a good outcome in this matter. Paragraph 492. Yet suspending our judgment regarding this for the present, we do the same with respect to the ministers' attempts to conclude a commercial treaty with the Nabob. And we expect that if further negotiations should have taken place in this regard, the ministers will have properly taken into account your entirely well-founded remarks concerning the misgivings that would lie in such a treaty, if the Company by means of it were to bind itself to accept, without any limitation of the quantity, all the sandalwood, pepper, and cardamom that Tijpoe Saib should see fit to have delivered to the Company. Paragraph 493. We have found to be of great importance what was reported by Governor van Angelbeek in his separate dispatch of the 20th of April 1784 concerning the state to which political affairs on this coast have been brought by the peace recently concluded between the often-mentioned Tijpoe Saib and the English. Paragraph 494. The first-named having been left in possession of the Zamorin lands by the peace treaty, there is no doubt that the Company has thereby gained a very powerful and thus also a very dangerous neighbor; and we must therefore very especially approve that the ministers' measures are always adjusted as much as possible to that circumstance, it having been very well observed by the Governor that the favorable or unfavorable nature of it for the Dutch Company would mainly depend on the Nabob's disposition towards it. Paragraph 495. Meanwhile, through the confirmation of the Nabob in his powerful states, and especially also in the Zamorin empire, according to the view of Mr. van Angelbeek, the prestige of the English Company among the other Malabar princes and its influence upon them having been significantly diminished, it is very much to be wished for the Company's interests that this may remain so in the long run.

Dutch transcription

5. 33. de geeischte zwavel kan niet bezorgd worden. 5. 34. de verdere orders zullen na„ „gekoomen worden 5. 35. beantwoording van de Patria„ „sche axtrakten. nedrig verzoeken dezelven aan ons met de eerste geleegenheid te willen laaten toekoomen De door uw Hoogedelheeden geeischte twin„ „tig duizend ponden zwavel, kunnen wij mede niet bezorgen, wijl dit Jaar geen Zwavel alhier ingevoerd is en van de ge„ „vraagde een honderd pikols waxkaarsen gaan thans maar vijftig pikels over. Alle verdere orders van uwe Hoogedel„ „heeden zullen plichtschuldig nagekoomen worden, terwijl wij voor de gunstige bevorde„ „ring van den kommandant van Kranganoor Frederik Christiaan von Mullerts tot Luitenant ootmoedig dank zeggen. De Hoog geëerde Missive van uwe Hoog„ „edelheeden ende daar nevens ontvan„ „gene resoluutsien en bijlagen hier me„ „de beantwoordt hebbende laten wij hier volgen de Beantwoorde Extrakten uit de Patriasche Missiven van den 12=den 14=den en 28:e December 1786. Extrakt 293 Extrakt à Extract uit de Missive geschreeven door de vergadering van 17=e aan Generaal en Raaden te Batavia in dato 12: De„ „cember 1786. Erentfeste Manhafte, w=a § 1. Ons laatste schrijven aan VE: is geweest van den 29e April deezes Jaars, zeedert hebben Heeren Commissarissen tot de Haagsche besognes, na„ „der geleezen en overwoogen de Brieven en Papieren in den voorleeden Jaare uit Jn„ „dien ontvangen. En thans ons antwoord op dezelve VE: zul„ „lende doen toekoomen, moe„ „ten wij voor af aanmerken dat dit antwoord niet zoo volleedig is, als wij zulks ge„ „wenscht hadden, door dien weegens weegens het agter blijven van zoo veel scheepen in den voor„ „leeden Jaare een menigte van Brieven welke bij de verhan„ „deling van verscheide zaa„ „ken in die brieven vervat noodig waaren geweest ons niet ter handen gekomen zijn. Dit gemis hebben wij voor al ondervonden, bij het nagaan der onderscheidene punten, welke tot het Hoofd„ „deel van Ambon behooren &a. 488. De bedenkelijkheid, die wij reeds in het voorleeden Jaar VE. lieten blijken of de Ministers van de Mallabaar zich zouden kunnen hand„ „haaven in de bezitting van de weeder ingenoomene plaat„ „zen van Chettua en Pa„ „ponettij is tot ons leedwee„ „zen bij de uitkomst niet dan § 2. maar 294 § 490. Hier toe is geen geleegenheid geweest. maar al te zeer gegrond bevon„ „den als zijnde dezelve Ministers genoodzaakt geweest, tot voor„ „kooming van groote moeijelijk. „heeden met den Nabab Tipoe Saib, Hijder Alies op volger aan denzelven die plaatzen weeder te ontruimen. Het voorgevallene dien aan„ § 489. „gaande waar van de Heer Gouverneur van Angelbeek bij zijn aparte brieven een om„ „standig verslag heeft gedaan toont zekerlijk ten duidelijk„ „ste dat in deezen de beste partij gekoosen is, terwijl bei„ „de plaatsen voor de Maat„ „schappij niet waaren van zoo veel belang dat men zig om de wille van dezelve, aan de ge„ „vaaren van een oorlog konde bloot stellen. Wij zullen als nu afwagten of er geleegenheid zij geweest. om om met Tijpoe Saib in eeni„ „ge onderhandeling te koomen, over de terug gaave aan de Maatschappij van Chettua en Paponettij teegen betaa„ „ling 't zij van een equivalent in eens, dan wel van een re„ „cognitie Jaarlijksch. §491. De Leden uit den Politieken Raad Seijfer en Vernede, die de Ministers, tot dat einde naar Seringapatnam gezonden had„ „den, van daar onverrigter zaa„ „ke terug gekoomen weezende alzo de Nabab, die binnen twee maanden naar Kali¬ „koet stond afte koomen zig volstrekt ongeneegen verklaard had om eer dan na zijn komst aldaar zig op iets intelaaten, doed ons zulks eene kleine verwagting hebben van den goeden uitslag deezer zaake. Dan 295. § 492. Dan ons oordeel hier omtrend nog opschortende doen wij het zelfde ten aanzien van de Mi„ „nisteren pogingen om met den Nabab een Traktaat van koop„ „handel te sluiten, En wij ver„ „wagten dat zo hier omtrend verdere onderhandelingen zoude mogen hebben plaats gehad door de Ministers als dan behoorlijk zullen zijn in agt genoomen, uwe alzints gegronde aanmerkingen over het bedenkelijke 't geen in zoodanig Traklaat gelee„ „gen zouden zijn, wanneer de komp:s door middel van het zelve zig verbond om zon„ „der eenige bepaaling van de hoeveelheid al het Sandel„ „hout, de Peper en Karda„ „mom, die Tijpoe saib zou goed vinden aan de Maat„ „schappij te doen leeveren aan aanteneemen. §493. Van veel belang hebben wij gevonden, 't geen door den Heer Gouverneur van Angelbeek is gemeld, bij zijne aparte mis„ „sive van den 20:e April 1784. weegens den stand, waar in de politieque zaaken ter dee„ „zer kuste gebragt zijn, door den laatst geslooten vreede tusschen meergemelde Tijpoe Saib en de Engelschen. Eerstgemelde bij het vreedes 5494. Traktaat gelaten zijnde in de bezittinge der Sammorijn„ „sche landen, lijdt het geen twijffel of de komp=:e heeft hier door een zeer magtig en dus ook een zeer gevaar„ „lijk nabuur gekreegen; En wij moeten derhalven zeer bijzonder goedkeuren, dat naar die omstandigheid der Mi„ „nisteren maatregelen steeds zoo 296. zoo veel mogelijk ingerigt worden, zijnde het door den Heer Goeverneur zeer wel aangemerkt, dat het voor„ „deelige of nadeelige van dien voor de Nederlandsche maat„ „schappij voornaamlijk zou„ afhangen van 's Nababs ge„ „zindheid omtrend haar. §495. Ondertusschen door de beves„ „tiging van den Nabab in zijne magtige staaten en inzonderheid ook in het Sam¬ „morijnsche rijk naar het be„ „grip van den Heer van Angelbeek, het aanzien van de Engelsche Komp=e bij de overige Mallabaarsche Vorsten, en haar invloed op dezelven merklijk ver„ „minderd zijnde, is het voor kompagnies belangen heel zeer te wenschen, dat zulks op den duur alzoo mogen blijven. Voor ds

NL-HaNA_1.04.02_3801_0676 view scan ↗

English

Paragraph 496. For those same interests, we also consider it not unfavorable that the King of Koetsjiem, by the above-mentioned, has been freed from the fear that the hereditary enemy of his house and realm, the Sammorijn, as the Governor calls him, might be restored, and that the King, moreover, can count on the powerful protection of the Nabab in case Trevankoor should further apply itself to his oppression; it being very pleasing to us to learn at the same time from the letter of the Lord Governor that the King of Rochim continually remains attached to the Company's interest with the same fidelity. Paragraph 497. However much the King of Trevankoor, by the aforementioned peace between the English and Tijpoe saib, in the opinion of the Lord van Angelbeek, had lost the hope of further expanding the boundaries of his realm to the North and enclosing the territory of Palekatscherie therein, as seemed to have been promised to him by the English, and the said Governor thought he could foresee from this that Trevankoor would not now dare entirely to violate the treaties entered into with the Company, especially with regard to the pepper trade, it appears nevertheless from that same letter of the Governor that the Prince's continued small deliveries of pepper to the Company are consequences of the contract concluded between the government of Bombai and the said Prince, to deliver three thousand candies of pepper per year to the English Company for the period of three consecutive years at 120 ro/e per candy. Paragraph 498. The English, after the expiration of this contract, will probably try to persuade him to a renewal of the same, as the Lord van Angelbeek thought; and the Ministers suspecting that Trevankoor intended to put the Company off with fourteen or fifteen hundred candies annually, the plan seems to have been born from this to enter into a new contract with the same Prince and to stipulate therein that the Company would pay the old price of 65 r/e for the first 1500 candies that the King delivered annually, and 80 r/ the candy for the first thousand candies above that, and one hundred rupees for each candy that should be delivered above the 2500 candies. Paragraph 499. Your Nobilities having given your consent to the execution of this plan, in case the Lord van Angelbeek could be assured that by such a renewal of the contract one would promote the objective of a larger pepper delivery without running the danger of entirely losing the benefit of the old contract, we must note in this regard that the benefit of that contract has never been very great, in view of the manifold and virtually uninterrupted complaints about Trevankoor not fulfilling its obligated delivery. On the other hand, it is not unknown to Your Nobilities how we have always had many reservations regarding the raising of the price that the Company would pay to Trevankoor for the pepper. And when we take into account that the Prince is obligated by the contract to deliver 5000 candies of pepper annually to the Company, then the quantity of 1500 candies appears very small to us to grant an increase of as much as 15 r/e for the 1000 candies that would be delivered above that. Nothing came of this, according to the separate secret letter of 20 March 1787 to the High Government, to which we refer here. Then we must now await what outcome the aforesaid authorization of yours will have had, while it is to be wished that, in case the contract has actually been renewed on the aforementioned footing, the same will then have been made for only a small number of years, so that the Company could release itself from it again if it should not find its account in it. Paragraph 500. According to the ministers' statement in the letter of 20 April 1784, the pepper collected on this coast from mid-December 1782 to mid-December 1783 having amounted to 698075 lb, or 50519 lb more than the year before, that increase signifies very little, indeed virtually nothing, considering that that of the year before had amounted to fully 376269 lb less than that of the preceding year, which is why we also hope to find that harvest to have increased considerably more in a following year. Paragraph 501. Referring to what we wrote to Your Nobilities in the letter of 23 November 1785 regarding the quantity of cardamom that can be sent annually to the Netherlands, as well as the maximum prices to be spent for the same, we furthermore express our satisfaction with the care taken by the ministers to send us no other cardamom than that which was found to be of a good sort. Paragraph 502. We saw with pleasure that your attention had fallen upon the gunnies or gunny sacks that can be obtained on this coast, and that Your Nobilities have ordered the ministers to send samples of the same to Batavia at the first opportunity, with a statement of the prices and of the quantity that could, if necessary, be procured annually from there, while it would certainly be a good thing if neighboring Ceilon could also be accommodated therewith from this Government on a suitable footing. Paragraph 503. The price of 120 rd=s that the ministers have spent for the last of the wheat sent to Batavia being fully 45 rd. s

Dutch transcription

§ 496. Voor die zelfde belangen achten wij meede niet ongun„ „stig, dat de koning van Koet„ „siem door het bovengemelde bevreid is van de vreeze, dat de zo als de Goeverneur hem noemt Erf vijand van zijn stam„ „huis en Rijk, de Sammorijn zoude kunnen hersteld wor„ „den, en de koning boven dien op de magtige bescherming van den Nabab kan reeke„ „nen, ingeval Trevankoor op zijne onderdrukking ver„ „der mogt toeleggen; zijnde het ons zeer aangenaam uit het schrijven van den Heer Gouverneur teffens te ver„ „neemen, dat de koning van Rochim steeds met dezelfde getrouwigheid komp:e be„ „lang blijft aankleeven. §497. Hoe zeer nu de koning van Trevankoor door den voormelden 297. voormelden vreeden tussen de Engelschen en Tijpoe saib naar de gedagten van den Heer van Angelbeek, de hoop verlooren had, om de paalen van zijn rijk naar het Noor„ „den verder uittezetten en het Landschap van Palekatche„ „rie daar in te besluiten, zoo als hem door de Engelschen scheen te zijn beloofd geweest, en gem: Goeverneur hier uit meende te kunnen voor„ „zien dat Trevankoor als nu de met de komp: aangegaane Traktaaten, inzonderheid met opzigt tot den peper han„ „del niet ten eenemaal zou„ „de durven overtreeden, blijkt het echter uit, dat zelfden schrijven van den Goever„ „neur dat 's Vorsten aan„ „houdende geringe leveran„ „cien van Peper aan de Maat„ „schappij „schappij, gevolgen zijn van het kontrakt tusschen de regeering van Bombai en gem: vorst geslooten, om ge„ „duurende den tijd van drie agter een volgende Jaaren drie duizend kandijlen pe„ „per 's Jaars tegen 120: ro/e het kandijl aan de komp:e te leveren. § 498. De Engelschen na het uit einde van dit kontrakt hem waarschijnelijk zo als de Heer van Angelbeek meende, tot eene vernieu„ „wing van het zelve; zullen„ „de trachten over te haalen en de Ministers vermoeden„ „de dat Trevankoor voornee„ „mens was, de kompagnie Jaarlijks met veertien of vijftien honderd kandijlen aftezetten, schijnt hier uit het plan te zijn gebooren. om 298 om met den zelven vorst een nieuw kontrakt aan te gaan en daar bij te bepalen dat de komp:e voor de eerste 1500: kandijlen die de ko„ „ning sJaars leverde den ou„ „den prijs van 65: r/e zoude betalen, en 80: r/ het kan„ „dijl voor de eerste duizend kandijlen die daar boven en honderd ropijen voor ieder kandijl die boven de 2500: kan„ „dijlen zouden worden geleeverd. § 499. VE: tot de uitvoeringe van dit plan derzelver toestemming hebbende gegeeven, ingeval de Heer van Angelbeek verzeekerd konde zijn, dat men door zodanige vernieu„ „wing van het kontrakt 't oogmerk eener ruimere Pe„ „per leverancie zou bevorderen. zonder gevaar te loopen van de vrugt van 't oude kontrakt geheel geheel te verliezen moeten, wij hier omtrend aanmerken dat het genot van dat kon„ „trakt nimmer zeer groot is geweest, aangezien de mee„ „nigvuldige en genoegzaam onafgebrooken klagten over het niet voldoen van Cre„ „vankoor aan zijn verpligte leverantie. Daar teegen is het aan VE: niet onbekend, hoe wij altijd veel bedenkelijkheid heb„ „ben gedraagen omtrend het verhoogen van de prijs die de Maatschappij voor de peeper aan Trevankoor zoude be„ „taalen. En als wij in acht neemen dat de Vorst bij het kontrakt verpligt is Jaarlijks aan de Maatschappij 5000: kandijlen peeper te leeveren dan komt ons de hoeweelheid van 1500: kandijlen al zeer ge„ „ring 299 Hier van is niets geworden, blijkens aan de Hooge Regeering, waar aan wij ons hier gedraagen „ring voor om voor de 1000: kandij„ „len die daar booven zouden wor„ „den geleeverd eene verhooging van wel 15. r/e toetestaan. Dan wij moeten als nu afwag„ qualifikatie gehad zal hebben, terwijl het te wenschen is, dat ingeval het kontrakt, op den voorm: voet werkelijk ver„ „nieuwd zij geworden, het zelve als dan maar voor een klein aantal Jaaren gemaakt zal weezen, ten einde de komp:e zig daar van weeder zoude kunnen ontslaan, wanneer zij bij het zelve haare reekening niet mogt vinden. aparte sekreete van den 20:' Maart 1787. „ ten wat gevolg voorzeide uwe §500: Volgens der ministeren op„ „gaave bij missive van 20:e April 1784: de zedert medio December 1782. tot medio December 1783. ingezamelde peeper ter deezer kuste bedraagen hebben„ „de 1: „de 698075: lb: of 50519. lb. meer dan het Jaar te vooren, beteekend die vermeerdering zeer weinig, Ja ge¬ „noegzaam niets, gemerkt, die van het Jaar te vooren wel 376269: lb minder dan die van het toen voorgaande Jaar bedragen had, waarom wij dan ook hoopen bij een volgende Jaar dien inzaam merkelijk meer te zullen vin„ „den toegenoomen: § 501: Ons gedraagende aan het geen wij bij de missive van den 23:e No„ „vember 1785: VE: hebben geschree„ „ven omtrend de hoeveelheid van de Kardamom, die Jaarlijks naar Nederland gezonden zal kun„ „nen worden, mitsgaders de prij„ „zen voor dezelve uiterlijk te besteeden, betuigen wij voorts ons genoegen over de zorgen, die door de ministers aange„ „wend zijn, om geen andere kar„ „damom dan die van een goede soort 300. § 502. Met genoegen zagen wij, dat uwe aandagt gevallen was op de Goenies of Goenie zakken die ter deezer kuste te bekoo„ „men zijn, en dat VE: de Min:s gelast hebben om bij de eerste geleegenheid de monsters van dezelve naar Batavia te zenden, met eene opgaave van de prijzen en van de quantiteit die men daar van Jaarlijks des noods zouden kunnen besorgen, ter„ „wijl het zekerlijk een goede zaak zou weezen, indien het nabuurig Ceilon daar meede op een geschikte voet uit dit Gouvernement konde ge„ „riefd worden. § 503. De prijs van 120: rd=s die de Min:s hebben besteedt voor het last van de naar Batavia „gezondene Tarwe zijnde wel soort bevonden was, ons te doen toekoomen. 45. rd. s

← previousnext →