VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3815

Japan · 718 pages · 128 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3815_0573 view scan ↗

English

303. strict regulation of the artisans in the Memorandum of Management for this Government has also been demonstrated several times in the most accurate manner. short strength of all servants in the Government of Makassar showed that there were no more than 50 heads fewer than that regulation permitted. That observation can, as we trust you will easily recognize, proceed no further than to the extent that it demonstrates that by satisfying the ministers' aforementioned requisition, the number of all servants combined would run too far beyond the regulation. That if we were to regard that observation as made by you to argue that the ministers should have arranged their requisition of military personnel according to what the total number of servants in general was found to be below the regulation, then we would have to declare the said observation unfounded, since it is beyond dispute that the deficiency of servants from the military class cannot be filled by those of another class, and it certainly would not accord with the Company's interest to wish to reduce the number of military personnel simply because here and there in the other classes the regulation had been exceeded. Paragraph 16. Nevertheless, the ministers' requisition of 250 military personnel appears to us rather generously generously estimated, because we have found that among the common soldiers, both in the main garrison and at the outer posts, according to the regulation of Governor Blok, there was a shortfall of no more than 123 heads. And in so far as it is said in the ministers' requisition that they needed those requested, among others, for those who would likely request their discharge, one would almost have to conclude from this latter point that the ministers do not take much trouble to encourage the soldiers whose contracts have expired to enter into a new one; they were, however, not unaware of your aim and desire in this regard. And we can therefore hardly think that the ministers would not have sought to meet the scarcity of men that they knew persistently occurred at Batavia through that means; but then the reason of a possible request for discharge was not sufficient, as long as there was no certainty that those soldiers could not be persuaded to enter into a new contract. Paragraph 167. It appears, meanwhile, from what was also noted in that requisition, that the aforementioned request for 250 military personnel was also made on the grounds that many soldiers were found in the garrison here who were unfit 305 to perform any further service; and this confirms us in the view that we have long held, that in the various military strengths of the Indies, as they are stated in the letters and further papers, quite a reduction would occur if one finally wished those strengths to consist of such men from whom, in case of emergency, the required service could be expected. Referring on that subject to what was written in our letter of the 29th of April last, we shall not elaborate further on this at present, and therefore also not pass over in silence what the ministers represented to you in their letter of the 26th of June 1784 regarding the four virtually unfit soldiers whom they had received from Batavia on the ship 't Huis te Krooswijk, sincerely wishing that the 40 soldiers whom you had partly already sent to this Government and would partly send further in reduction of the ministers' requisition will have better answered the purpose. Paragraph 168. With regard to the servants, we have learned with nothing other than the utmost reluctance of the extreme displeasure that the former Fiscal in this Government, Mr. Jan Willem Hendrik van Rossum, has caused by his conduct, both to you and to Governor Reijke, such that you deemed yourselves obliged, in order to prevent further quarrels and disagreements, to remove the said van Rossum from his office as Fiscal in this Government and to let him transfer to Ambon, in order to be placed again in another post there or elsewhere in the Great East upon improvement of his conduct, as you write; he having been, moreover, on account of his manner of acting toward the Governor, which was considered and described by you as utterly insulting, sentenced to a fine of six months' pay. Lacking various documents that we would need in order to judge fully the conduct of the aforementioned van Rossum, both in his post as Fiscal in general and with regard to the Governor in particular, we can therefore express ourselves no further on the matter than that, according to the descriptions thereof that appear in your letters, the same Fiscal went too far by meddling in affairs that were not within his competence as Fiscal, and in no way toward

Dutch transcription

„303. sebere bepaling der Ambagtslieden bij de Memorie van Menagie voor dit Gouvernement ook al diverse malen ten nauwkeurigste is betoogt. korte sterkte van alle Dienaaren ten Gou„ „vernemente Makassar aantoonde hoe er niet meer dan 50 koppen minder waren dan die bepaling toeliet, die aanmerking kan gelijk wij vertrouwen, dat uE ligtelijk er kennen zul„ „len, niet verder doorgaan, dan tot zo vers met de zelve aangetoond word, dat door de voldae„ „ning van der Ministeren voor Zeiden Eijsch het getal der Gezamentlijke Dienaaren al te ver zoude loopen buiten de bepaling. Dat zo wij die aanmerking zoude moeten be„ „sehouwen, als door uE. gemaakt, ten vertoog dat de Ministers hunnen Eisch van Mi„ „litairen zoude hebben moeten inrigten naar 't geen het getal Dienaaren in het algemeen bevonden wierd te zijn beneden de bepaling dan zouden wij dezelve aanmerking voor ongegrond moeten verklaren dewijl het bui„ „ten tegenspraak is dat het ontbrekende van de Dienaaren uit de Militairen Classe niet kan aangevuld worden, door die van een andere klasse en het zeker met Compag„ & „nies belang niet soude strooken, het ge„ „tal der Militairen daarom te willen ver„ „kleinen om dat men hier en daar in de ande„ „re Classen de bepaling te buiten gegaan was. §. 16 Des niet te min is der Ministeren Eisch van 250. Militairen naar het ons voorkamt vrij ruim ruim genomen, om dat wij gevonden hebben, dat er aan de gemeene Militairen, zo in het Hoofd Gu„ „arnisoen, als op de buijten posten, volgens de bepa„ „ling van den Gouverneur Blok niet meer te kort zijn gekomen, dan 123 koppen. En voor zo veel bij der Ministeren Eisch word ge„ „zegt, dat zij de gevraagde nodig hadden onder an„ „deren voor die, welke hunne verlossing wel zou„ „den verzoeken, zou men uit dit laaste schier moeten besluiten, dat de Ministers zig niet vel moeite geeven om de Militairen welke hun verband hebben uitgediend, aan te moedigen tot het aangaan van een nieuw zij waren egter niet onkundig van uw: oogmerk en verlan„ „gen, ten dien opzigte, En wij kunnen overzulks naauwlijks denken, dat de Ministers niet zou„ „den getragt hebben aan de schaarsheid van Manschappen die zij wisten, dat te Batavia op den duur plaats had, door dat middel te gemoed te komen, maar dan was de reden van het mogelijke verzoek om verlossing niet vol„ „doende, zo lang daar bij niet kwam de zeker„ „heid dat die Militairen tot een nieuw ver„ „band niet te bewegen waren. §: 167: Het blijkt ondertusschen uit het geen bij dien Eijsch mede is aangetekend, dat het gem: verzoek om 250 Milittairen ook gedaan is uit hoofde dat er in het Guarnisoen alhier veele Mili„ „tairen gevonden wierden, die onbequaam waaren om 305 om eenige dienst meer te doen; en dit bevestigd ons in het denkbield 't geen wij lang gehad hebben, dat er op de onderscheidene Militaire sterktens van Indien, zo als dia bij de Brieven en verde„ „re Papieren worden opgegeven, vrij wat ver„ „mindering zou vallen, wanneer men die sterk„ „ten seindelijk zoude willen doen bestaan uit zulke Manschappen, van welke, ingeval van Nood de vereischte Dienst te verwagten zou„ zijn. Ons op dat stuk gedragende aan het geschre„ „vene bij onzen Brieff van den 29„e April laastleeden zullen wij hier van thans niet breeder uitweiden en daar om ook niet stil„ „zwijgen voor bij gaan het geen de Ministers bij kunnen brieff van den 26„e Junij 1784. aan uE hebben vertoond wegens de vier genoeg„ „zaam onbekwame Militairen die zij van Batavia met het schip 't Huis te krooswijk ontfangen hadden van harten wenschende dat 40 Militairen die uE: ge„ „deeltelijk reeds naar dit Gouvernement ge„ „zonden hadden gedeeltelijk nog verder zoude= zenden in mindering van der Ministeren Eisch beter aan het oogmerk zullen hebben §. 168. Met opzigt tot de Dienaaren hebben wij niet dan dien en voldaan. 6„ dan met de uiterste tegen zin vernomen verre„ „gaande ongenoegen het geen de geweze Fis„ „kaal ten dezen Gouvernemente M„r Jan Willem Hendrik van Rossum door zijn gedrag, zo aan uE, als aan den Gouver„ „neur Reijke gegeven heeft, in voege, dat ziE zig verpligt hebben g'oordeeld tot voor kominge van verdere twisten en onenigheden, om gemelde van Rossum uit zijn Ampt van Fiskaal ten de „zen Gouvernemente te stellen en hem naar Ambon te laten overgaan, om aldaar of elder om de groote Oost bij verbetering van zijn gedra zo als uE. Schrijven, weder in een andere Post gesteld te worden, zijnde hij boven dien ter oor„ „zake van desselfs handelwijse omtrent den Gouverneur gehouden en door uE als ten r„ „terste hoonende beschreven in een Boete ver „wezen van zes maanden gagie, verscheide stukken, die wij, om over het gedrag van voornoemden van Rossum, zo in Zijn Post van Fiskaal in 't algemeen als met op„ „zigt tot den Gouverneur in het bij zonder volledig te oordeelen, zoude nodig hebben, anthe „rende, kunnen wij dan ook over het zelve ond niet verder uitlaaten, dat volgens de beschrijven „gen, welke daar van in uwe brieven voorkomt, dezelve Fiskaal te buiten te zijn gegaan met zig in zaken te steeken, welke van zijne be„ „voegdheid als Fiskaal niet waren, en geen zint omtrent 9

NL-HaNA_1.04.02_3815_0577 view scan ↗

English

307 Paragraph 170. Regarding the Governor, as placed at the head of the government, to have observed those duties of propriety, respect, and deference which he owed to the same, and the violation of which can be tolerated in him so much the less, as he is specifically charged with the maintenance of those duties. Paragraph 169. This authority of the chief rulers can certainly nowhere in the Company possessions tolerate the slightest disrespect, and it is especially in this Government that all encroachments upon it ought to be resisted in the strongest manner, in order that before so many native princes by whom one is surrounded in this place, the necessary respect for the head of the government, and with it the prestige of the Company, may be preserved. Yet, however much we also agree with you that the special and local circumstances of this Government, both in the conduct of the government in general and of that part of it in particular which consists in the administration of justice, may require provisions and arrangements that are not customary elsewhere, nor would be useful, and although we to our regret have experienced more than once that in the outer stations errors are sometimes committed in legal matters through lack of sufficient knowledge and experience, which would be of the utmost consequence if the police did not intervene therein, it nevertheless remains certain that the order recently devised by you for the Fiscal in this Government, to give notice to the Governor each time before he should undertake any action or execute any decree of apprehension, and that the latter should then have the authority to make such provisions in that regard as he should deem to be most useful and salutary, it is, we say, certain that he the Governor has thereby obtained a very great power, of which a dangerous abuse could be made by the same. This specific power relates for the most part to the native, over whom not just recently, but already for an entire series of years, the Governors alone have had the direction, even according to the arrangements approved by Your Right Honorable Worships, as it cannot possibly take place otherwise on this Celebes due to the sinister nature of the Bugis and Makassarese nation, who would stop at nothing to get behind the Company secrets through the channel of lesser servants and by that means thwart the best intentions. The remainder concerning justice serves most humbly to state that in this regard a special power has been given to all the governors by their open commission and orders successively received besides, to serve not only for the maintenance of good justice at the outer stations, but also for the restraint of rapacious Fiscals, who otherwise would quite often desire, for the enrichment of their purse, to extort lesser servants and inhabitants. For the rest, the Governor declares that he, as he has done until now, will constantly continue to observe the duties of a worthy ruler, and give your Right Honorable Worships no less than Their High Mightinesses in Batavia any displeasure in this or any other article. Paragraph 171. We therefore consider as highly necessary the provision which you have added thereto in order to hold the Governor to this, that he each time render an account to you of what will have been performed by him in this matter, and lay open before you the reasons for his conduct, or, as you express it, justify himself; we desire, therefore, that the purpose of that provision, both on your part and on the part of the Governor, be strictly fulfilled without the slightest deviation. And we expect from the last-mentioned in particular, that just as his authority ought to be carefully maintained, he the Governor will henceforth also contribute his part, so that among the [illegible] Paragraph 172. [illegible]

Dutch transcription

307 5. 170. Omtrent den Gouverneur, als aan 't Hoofd der Regeering gesteld, te hebben in agt genomen, die pligten van betaamlijkheid van Eerbieden ont„ „zag welke hij aan den zelven schuldig was, en waar van de overtreding in hem te minder ge„ „duld kan worden, als zelfs met de handha„ „ving van die pligten in het bijzonder belast. §. 169. Ditgezag der Hoofd Gebieders kan zekerlijk nergens op Compagnies bezittingen de allermin„ „stekleinagting veelen en het is voor al ten dezer Gouvernemente, dat alle inbreuken op het zelve ten sterkten behoren geweerd te worden, ten einde bij zo veele Inlandsche vor„ „sten van welke men hier ter plaatse omringd is voor het Hoofd der Regering de nodige ag„ „ting en met de zelve het aanzien van de Compage„ „nie bewaard blijve. Dan hoe zeer wij ook uE toestemmen dat de bij zan„ „dere en plaatselijk omstandigheden van dit Gou„ „vernement, zo is het beleid der Regeering in het algemeen, als van dat gedeelte der zelve in het bij„ „zonden, 't welk in de bediening van het Regt is gelegen, voor zieningen en schikkingen kunnen vorderen, die elders niet gebruikelijk zijn, nog ook nuttig zoude wezen, En of schoon wij tot ons leedwezen meer dan een s ondervonden hebben, dat op de buiten kan tooren in de Regts gelegin„ „gen door gebrek aan genoegzame kunde en erva„ „renheid zom tijdsmislagen begaan worden, wel„ „ke „ke van het uiterste gevolg zoude wezen, indien de Deze bepaalde magt ziet voor het grootste gedeelte op den Politie daar in niet tusschen beide kwam zo blijft Inlander, over dewelke niet nu Jongst maar al van voor een geheele Reeks van Jaaren de Gouverneurs alleen de het niet te min zeker, dat uwe Jongst den Fis„ directie gehad hebben zelfs volgens de door uw WelEd: Hoog Agtb: g'approbeerde schikkingen, zo als ook onmoge„ „kaal ten dezen Gouvernemente beraamde ordre„ „lijk anders op dit Celebes plaats kan vinden door de om telkens voor dat hij eenige actie zoude onder„ sinisterheid der Boegineesen en Makassaarse Na„ „tie die niets zoude ontzien om door het kanaal van mindere Dienaaren agter 's'komp„s geheimen te „nemen af eenige dicriet van apprehensie ter Exc„ „lutie zal stellen daar van aan den Gouverneur komen en door det middel de beste oogmerken te kennis te geven, en dat deze als dan bevoegd heid zou Het overige Concerneerende de Iustitie diend ne„ hebben, om daar omtrend zodanige voor zieninge „drigst dat hier omtrend alle de gouverneurs bij hun„ te doen als hij zoude meenen nuttigsten heil„ „ne opene kommissie en successive buiten dien ont„ „fangene bevelen een bijzondere magt is gegeven om Iustitie op de beliten Comptoiren maar ook tot in„ „zaamst te wezen het is, zeggen wij zeker dat te strekken niet alleen tot handhaving van een goede al heel dik wils gelusten zoude ter verrijking van hij den Gouverneur hier door een zeer groote magt „toming van daatsugtige Fiskaals, die het anders heeft verkregen waar door den zelven een gevaarlijk beurs, mindere Dienaaren en Jngezeetenen te kne„ „velen, Overigens betuig den Gouverneur dat hij misbruik zoude kunnen worden gemaakt, steeds gelijk hij tot nog toe gedaan heeft, de pligten van een waardig geberder zal blijven in agt nee„ „men en uw Hoog Edele Hoog Agtb: zo min„ „als Hun Hoog Edelhedens te Ha„ 5. 171. „tavia in dit of eenig andere Artikel eenig misnoegen geven. ad Om Wij beschouwen dus als ten hoogsten nood zakelijk geen an „neese de voorzieninge, welke UE er hebben bijgevoegd ten eigen einde den Gouverneur daar toe te houden dat de zel„ dien al „drag in „ve telkens van het geen in dezen door hem verrigt „neur „hier, ee zal zijn, aan uE Rekenschap geve en bij de rede„ mogen „nen van zijn gedrag voor UE. openleggen of zo verbod aan als uE het uitdrukken, zig regtvaardigen bege„ de gouv „rende wij derhalven, dat aan het oogmerk van kunnen „kacter. die voorzieninge zo aan uwen hand als van de zijde van den Gouverneur zonder de minste aff„ „wijking stiptelijk voldaan worde. En verwagten wij van laastgemelden in het bij„ „zonder, dat gelijk desselfs Gezag zorg vuldig be„ „hoord te worden gehandhaaft, hij Gouverneur Voor „taan ook het zijne toe zal brengen, om bij de Geman„ §. 172. „te verijdelen. H

NL-HaNA_1.04.02_3815_0579 view scan ↗

English

309 Paragraph 113. We would have wished to have encountered no indications that at least make it extremely doubtful whether this so necessary obligation of the Governor was sufficiently observed by him; at least the incident that prompted your recommendation to use more discretion in the future toward the members of the Council of Policy shows that the Governor has at times departed from that path driven by his passions. We also cannot pass by unnoticed Ao. 174. Because the Fiscal van Rossum, with this seizure, had no other intention than to embroil himself with the foreign Chinese traders to the benefit of his own purse, and the import of four pieces was, moreover, too insignificant to tolerate the man's obstinate behavior in this matter—having occurred without the prior knowledge of the Governor, whom, according to local custom, he should have first informed—or to allow foreigners, who were not informed of the prohibition against it, to be prosecuted immediately, the Governor believed he could not act otherwise in this matter to maintain his character. the permission that the said Governor thought fit to give to the Anachoda of a Chinese junk that had been trading here, for the import of some English serges, although contrary to the Edict of 1778 on the subject of foreign manufactures, as indeed by virtue of that Edict four pieces of the aforementioned serges had been seized by the Fiscal. After all, if the Governor had deemed himself authorized to permit this import because of the shortage of manufactures, and because the entire import consisted of only five pieces, then at least the Fiscal should not have been left in ignorance thereof by him, to maintain feelings of respect for the officers of justice. Paragraph 175. We have nowhere heard anything of such a notification from the Governor to the Fiscal, and we must therefore assume this was not done; but then we do not understand on what ground Your Honors approved the manner in which Governor Reijke acted in this matter, especially since the aforementioned prohibition could not have been unknown to him, and it was consequently his duty to inform the Chinese Anachoda of the same. And this having been done, then in our view the ignorance of the said Chinese regarding the aforementioned Edict, as never having been published in his language, could in the present case provide no reason to return to the said Anachoda the aforementioned serges, which, against the proposal of the Governor, had been sequestered by a majority of votes by the Council of Policy pending your further orders: the special permission of the Governor being the only thing that can be taken into consideration here. Paragraph 176. However, not this latter point, but the alleged ignorance 311 ignorance of the Anachoda is cited in your advices of December 31st, Paragraph 61, as the ground for the return of the aforementioned seized goods ordered by Your Honors, however much we might still have gathered this from your Resolutory Besoignes of September 21st, 1784. Paragraph 177. But we hesitate to express ourselves further on this, because, as we have already indicated before, we are unable to view the aforementioned case in its entire scope and context. And in your aforementioned letter to the Ministers, as well as in the aforementioned Resolutory Besoignes, the conduct of the aforementioned Fiscal van Rossum in that matter is described as utterly vexatious and, with respect to the Governor, extremely stubborn and disrespectful, while that description appears there as being based on an investigation of what occurred in that regard both in the Judicial and in the Political Council, and we can by no means suspect that in this investigation and its consequences one would not have proceeded properly. Paragraph 178. We consider the same to be said regarding what appears in your frequently mentioned letter and Besoignes concerning the untrue and mendacious reports, as they are called there, upon which the members of the Council of Justice had based themselves in the handling of this matter, and to which members greater circumspection for the future was therefore recommended by Your Honors. The abolition of the old manner of proceeding, as had previously taken place in this Government, and the introduction of a new one, was rightly noted by Your Honors as a step extending far beyond the authority of the aforementioned College of Justice, and the conduct of the President of that College, who, as Your Honors report, had kept the aforementioned change hidden from the Governor for more than a month, certainly deserved that reprimand which Your Honors applied to the said President for it. And we hope that what Your Honors communicated to the Governor, as well as to the President and the members of the Council of Justice, on the subject of that

Dutch transcription

309 SS. 113. Hadden wij wel gewenscht gene blijken te heb„ „ben ontmoet, die op 't minste het ten uitersten bedenkelijk maaken, of de ze zo nood zaaklijke, verpligting van den Gouverneur door hem genoeg„ „zaam zij betragt geworden: althans het voor„ „val, 't geene uwe aan beveeling verwekt heeft, om in het vervolg tegen de Leeden der vergadering van Politie meerder bescheidentheid te gebruiken, toont, dat de Gouverneur uit dat spoor door zijne driften zam wijlen is geweeken. Wij kunnen mede niet ongemerkt voor bij stappen Ao. 174. Om dat den fiskaal van Rossum met deze aanhaling geen andere in zigten had als zig met de vreemde Chin het verlof 't geen de zelve Gouverneur heeft „neese handelaars te brauilleeren ten voordeele van zijn kunnen goedvinden te geven aan den Anachoda eigen Beurs en den aanbreng van vier stukken toven dien alte gering was om des Mans obstinaat ge„ van een alhier ten handel geweest zijnde China„ „drag in dezen als buiten voorkennis van den Gouver„ „neur geschied wezende, en die hij na het gebruik al„ „se Ionk tot den invoer van eenge Engelsche „hier, eerst in dezen had behoren te kennen, niet te mogen tegen gaan of vriemdelingen die van het verbod daar tegen niet verwettigt waren maar zo sergies, of schoon strijdig met het Placcaat van 1778 op het stuk van vreemde manufac„ aanstonds te laten actioneeren, zo vermend de gouverneur in dezen niet anders te hebben „tuuren zo als dan ook uit kragte van dat kunnen handelen, tot mainctenue van zijn Ca„ Plakaat vier stukken van de voor zeide ser„ „kacter. „gies door den Fiskaal waren aangehaald. Immers zo als de Gouverneur zig bevoegd had ge oordeeld dien invoer te vergunnen, uit hoofde van het gebrek aan manufacturen, en om dat de geheele aanbreng slegts in vijff stukken bestond„ dan had ten minsten de Fiskaal door hem, daar „te de gevoelens van Eerbied voor de officieren van Iustitie te onderhouden. van ten de zel„ „ ege„ van de §. 175. Van eene dusdanig kennis geving van den Gouver„ „neur aan den Fiskaal hebben wij nergen siets vernomen, en wij moeten derhalven, zulks onder„ „stellen niet gedaan te zijn, maar dan begrijpen wij niet op wat grond UE. hebben goedgekeurt de wijze waar op door den Gouverneur Reijke in deze is gehandeld, voor aldaar het voor zeide verbod aan hem niet onbekend heeft kunnen zijn, en mits dien desselfs pligt is geweest den Chineesen Anachoda van het zelve te onder„ „rigten. En dit gedaan wezende dan kon naar ons in zien de onkunde van gemelde Chinees omtrent het voor zeide Plackaat, als nimmer in zijn taal afgekondigt in het voor handen zijnde geval geen reden uitleveren, om de voorzeide Sergies die tegens het voorstel van den Gouverneur door den Raad van Politie tot uwe nadere or„ „der bij meerderheid van stemmen gesequestreerd waren aan den gemelde Anachoda te doen te rug geven: zijnde de bij zondere vergunning van den Gouverneur het eenige, 't geen in deze in aanmerking kan komen. §. 176. Even wel niet dit Laaste, maar de voorgewende van niet behoren te worden onkundig gelaten. onkunde 311 onkunde van den Anachoda word bij uwe advisen van den 31:e December §. 61. aangehaald, als de grond der bij uE: geordonneerd te ruggave van voor zeide aangehaalde goederen, hoe zeer wij zulks nog uit uwe Resolutoire Besoignes van den 21=e September 1784: zouden hebben kunnen op ma„ „ken. §. 177. Dan wij schroomen hier over ons verder uit te laaten, om dat wij gelijk wij reeds te vooren te kennen hebben gegeven, buiten staat zijn 't voorsz geval in desselfs gansche boedragt en Zamenhang te beschouwen. En bij voormelden Uwen Brie f aan de Minis¬ „ters gelijk mede bij voorschreve Resolutoire Besoignes het gedrag van voormelde Fiskaal van Rossum, in die zaak als ten eenemaal veratoir en met op zigt tot den Gouverneur ten uitersten halstarrig en aneer biedig de„ „schreeven word, terwijl die beschrijving al„ „daar voorkomt als gegront op een onderzoek van het des wegen voorgevallene zo in den Iustitieele als in den Politicquen Raad, en wij geen zints vermoeden kunnen dat men omtrent ditt onder zoek en de gevolgen van het zelve niet maar behooren zoude zijn te werk ƒ E §: 178. werk gegaan, houdende wij het zelfde voor ge„ „zegd nopens het geen, bij meergemelde uwe Missive en Besoignes voor komt wegens de onware en leugenagtige Berigten, gelijk dezelve aldaar worden genoemd waar op de lie„ „den van den Raad van Iustitie zig in de behandeling de zer zake hadden gevestigd, en aan welke Leeden daarom meerdere om zig„ „tigheid voor het toekomende door UE was aan bevoolen. De afschaffing der oude Manier van Pro„ „cedeeren, zo als die eertijds ten dezen Gouver„ „nemente had plaats gehad en de invoeringe eener nieuwe, is te regt door UE aangemerkt, als een stap zeer vergaande buiten het vermo„ „gen van het voormelde Collegie van Iusti„ „tie en het gedrag van den Resident van dat ts Collegie, die gelyk uE melden de voorschreve verandering meer dan een maand voor den Gou„ „verneur had verborgen gehouden heeft ze ker„ „lijk verdiend die berisping welke uE den zel„ „ven President daar over hebben toegepast: En wij hoopen dat het geen uE den Gouver„ „neur benevens den President en de Leeden van den Raad van Justitie op het suk Van die

NL-HaNA_1.04.02_3815_0583 view scan ↗

English

313 which change made in the manner of proceeding they have represented under a strict order immediately to withdraw the resolution adopted thereto by the Council, will in the future prevent such transgressions on the part of the Council. Rightly have you disapproved of the custom cited by the Fiscal van Rossum, according to which he, as Captain of the Burghery and Cash-keeper, might use the funds from the Negorij Cash for his trouble to his own particular profit, as indeed upon the auditing of that cash 800 Rds were found to be deficient, which the same Fiscal had taken under his custody on that basis. §. 180. Your having ordered, with the abolition of this custom if it might have taken hold beforehand, to transfer the money that should be in the said Negorij cash above what is necessary into the Company's cash each time, until the same should be required for the service of the Negorij cash, that measure shall serve toward the promotion of an orderly management, on which account attention will also have to be paid to the proper execution of this measure. 5: 179. SS 181. The and transition to the treatment of what is newly to be shared. Passing over the Native affairs in silence, because among them this time we have encountered nothing that requires that we express ourselves particularly thereon, we shall, in conclusion of this Head section, express our satisfaction with the order that you have given to Governor Reijke, to the end, for reasons cited in your secret Letter to the same of 31 December of the Year 1784, to have all Suspect places carefully surveyed, not only under Bouton, where the inspection takes place Annually, but also elsewhere under his Territory, and to have the spice trees found there eradicated, in the expectation that the said Governor will respond to this your so beneficial purpose with all possible zeal. §. 35. This and that now having been answered to Your High Noblenesses' respected Letter of 18 December last, I now proceed, according to my bounden duty, to the humble sharing of what has occurred here, and state Most respectfully in the First place with regard to the §. 36. Makassarese Empire, that according to what is noted in the separate Daily Register under 5 and 13 December last, some objections were raised by the king of the Makassarese concerning the erection of a new Benting of Palisades on Malankerie instead of the Bamboo one, which was almost completely dilapidated. However, I managed it with amiability so that the same took effect, although to reassure this prince and his Grandees (God knows brought to a wrong notion even by what evil Instruments among the Company's own Servants), I was obliged to testify in writing that this Battery placed on Malankerie solely and exclusively for their own security shall be removed from there as soon as the settlement with the Gowa royal regalia still among the Boniers shall have attained its conclusion according to the Intention and the pleasure of the Honorable Company. §. 37. Otherwise everything is quiet and well among them, I having sent Chief Interpreter Deefhout on the 17th of the aforementioned month of December thither and to Sandrabonij, for the settlement or reconciliation of some disputes that arose between these two Empires over some Paddy fields, which was then also done provisionally so far, until the forthcoming Paddy harvest, when only then will that matter be able to be decided according to right and equity with the pointing out of everyone's actual Boundary division. Company the king and Grandees received. Bonij's king has come from Tanette without the least notice. that was noted. §. 40. one of the in the preceding autumn returned. §. 38. On the 26th of this month the king of the Makassarese with his Grandees was at my place in state to pay the ordinary New Year's visit, and His Highness and his entourage were thus received with the requisite Ceremony and stayed with me for the midday meal. §. 39. The Boniers: of their bad conduct, which even since the dispatch of my last Respectful autumn description has been a daily occurrence, I shall, as it is sufficiently described in the Papers belonging under §. 2, report nothing more in this, but merely note that the king of Bonij returned from Tanette to Maros in the beginning of November, without having let me know such, which I caused to be represented to that prince by Resident Burggraaff as not being very acceptable, vide the note in the secret Daily Register under 11 and 14 November, Item 12 December last, about which he then made an inappropriate reply. On the said 12 December in the forenoon there came to my place the sulewatang of Bonij accompanied by the Gallarrang of Bontoala

Dutch transcription

313 die gemaakte verandering in de wijs van procedee„ „ren hebben voorgehouden onder een ernstig bevel om het daar toe bij den Raad aangenomen besluit aanstonds weder in te trekken, dergelijke uitstap„ „pen aan de zeijde van den Raad in het vervolg zal voorkomen. De Regt hebben uE afgekeurd het door den Fis„ „kaal van Rossum aangehaald gebruik volgens het welke hij als Capitain van de Burgerij en Cassa houder de gelden uit de Ve„ „garijs Cassa voor zijn moeite tot desselfs bij zonder profijt zoude mogen gebruiken zo als dan ook bij de opneming van die kas 800 Rd„s daar in te kort waren bevonden, welke de zelve Fiskaal op dien voet onder zig had genomen. §. 180. UE. met afschaffing van dit gebruik zo het al te vooren mogt hebben stand gegre„ „pen g'ordonneerd hebbende om het geld 't geen boven het nodige in de gemelde Nego„ „rijskas zou zijn, telkens in Comp:s kas over te brengen tot dat het zelve ten dienste der Negorijskas zoude worden gevorderd, zal die voorziening strekken ter bevordering eener geregelde huishouding in de ze waram dan ook op de goede uitvoering van dit voor„ „ziening zal dienen te worden gelet. 5: 179. SS 181. De en overgang tot verhande„ „ling van het op nieuw te bedelene. De Inlandsche zaaken met stilswijge„ voor bij gaande, om dat wij onder dezelve ditmaar niets hebben aangetroffen, het geen vorderd, da wij ons over het zelve in het bijzonder verkla „ren zullen wij ten besluite van dit Hoofd deel ons genoegen betuigen over de ordre, die UE aan den Gouverneur Reijke hebben gege „ven, ten einde om redenen bij uwen sekreeten Brieff aan den zelven van den 31:e December des Jaars 1784. aangehaald, alle Verdagte plaatsen niet alleen onder Bouton, alwaa de bezigtiging Iaarlijks geschied, maar ook elders onder desselfs Gebied nauw ken ƒ „rig te doen opnemen, en de specerij Bod „men aldaar gevonden wordende te doen uit„ „roeijen in verwagting dat gemelde Gouver „neur aan dit uw zo heilzame oogmerk met alle mogelijke iever zal b'antwoorden §: 35. Met deteen en ander nu b'antwoord wezende Uw Hoog Edelhe „dens gerespecteerde Brief van den 18„e December voor med zo trede Ik na mijn schuldige gehouden isse als nu ter ne„ „drige bedeling van het alhier voor gevallene, en zeggen Eer„ „biedigst in de Eerste plaats met opzigt tot het §. 36. Makassaarsche Rijk dat er volgens het aan geteek „de 5. 181. 1818 315. „de bij het apart Dag Register onder den 5:e den 13:e December passato eenige bezwaarnissen door den koning der Makassaren zijn G'oppert wegens het opregten van een nieuwe Benting van Palisaden op Malankerie in stede van de Bamboese die ge„ „noegzaam geheel vervallen was. Egter heb Ik het met min„ „zaamheid daar Eenen gedirigeerd dat het zelve gevolg genoomen heeft, schoon jk tot gerust stelling van deze /: God weet door wat voor kwade Instrumenten onder 'skomp„s eigene Dienaa„ „ren zelfs in een verkeerd denkbeeld gebragte :/ vorst en zijne Rijksgroten verpligt den geweest schriftelijk te betuigen dat deze en kel en alleen tot haar eigene veiligheid op Malankerie gestelde Bat„ „terij van daar zal weggenomen worden zo dra de schikking met de nog onder de Boniers zijnde Ioakse Rijks ornamenten na de Jntentie en het welbehagen van dEd„le komp„e zijn beslag zal §. 37. hebben erlangd. Anders is onder haar alles stil en wel, hebben„ „de Ik den oppertolk Deefhout den 17:e van voornoemde maand December naar derwaarts en Sandrabonij afgezonden, ter afmaking of bijlegging van eenige overzommige Padij velden tusschen deze twee Rijken ontstane verschillen, dat dan ook in zo verre bij provisie geschied is, tot de aanstaande Padij snijding wanneer als dan eerst die zaak na regt en billijkheid met het aan wijzen van een ieder seigentlijke Limietscheiding zal Kunnen Comp den koning en Groten ont„ „fangen. Bonijs koning is van Ta„ „nette gekomen zonder de minste kennis geving. dat geremarquertis. §. 40. een der in het voorgaande na Jaar „keert. kunnen worden beslist. §. 38. Den 26:' dezer is de koning der Makassaren met zijn Rijksgian en naderhand een visite van „ ten in statie bij mijn geweest ter aflegging van de ordinaire van Nieuwe Iaars visite, en is zijn Hoogheid en de zijne dus met het vereischte Ceremoniel ontfangen en bij mijn ten mid„ „dagmaal gebleven. door §. 39. De Boniers: van der zelver slegte bedrijven, dat zelfs, ze„ verrigt „dert het afgaan mijner laast Eerbiedige najarige beschrijving, een dagelijks werk geweest is, zal jk als genoegzaam bij de on„ „der S. 2. gehorende Papieren beschreven niets meer in dezenmel d'koning kennis van van zijn „den, maar eenlijk noteeren dat den koning van Bonij in het begin van November van Tanette op Maros te rug is gewaar toe geobsere „keerd, zonder mijn zulks te hebben laten weten, het geen Ik dien vorst, als niet wel te passeeren zijnde, door den Residente Burg„ „Graaff heb doen voorhouden, vide het genoteerde bij het sekreet Dag -Register onder den 11:e 14=e November Jtem 12„e December passato, waar over hij dan een ongepasterus gemaakt heeft. Op gem: 12:e December kwam voor de middags bij mijn den soelle„ ver teijkekene gezanten terugen natang van Bonij verzeld van den Gallarrang van Bontoa„ wat betreft gewoon plimi „la

NL-HaNA_1.04.02_3815_0587 view scan ↗

English

317. to present to me on behalf of the King, as they did and had brought with them, one of the envoys named Arde Pielanreeng, who had returned due to heavy weather and strong westerly winds, and at the same time to request permission to unload his goods, which I granted. After this, on the 29th of January, the Madanrang, the Soelewatang, and three other Bonian court dignitaries appeared before me to pay the New Year compliments on behalf of the King and the Court, which I answered in the most amiable manner, offering them some refreshments at the same time. Section 42. After prior notice given to me, the tooth filing of the eldest daughter of the King of Boni took place on the 18th of this month at Maros. The gift that I deemed necessary to have presented to His Highness, following previous customs, by the junior merchants Budach and Burg Graaff, who were commissioned on that occasion, amounts to a sum of ƒ197:14:8, the write-off of which I respectfully take the liberty to request. Section 43. At the Resident's proposal and in accordance with ancient customs, also to remove any occasional misunderstandings, I permitted the Company's Regents at Maros and those subordinate thereto to attend this festival, if they should be invited. Section 44. Upon the complaints received from the Lessee of the gaming tables here regarding the repeated insolence committed by the King's roaming nephew Basjo Barrang, to such an extent that he had wounded one of our people, I again instructed the aforementioned commissioners Budach and Burg Graaff to make the necessary protests to the King in that regard and to urge His Highness to fulfill his promises, so often made, to send this vagabond to the interior, as I will otherwise be forced to repel force with force and have him brought down. By issuing anew on the 6th of this month a placard against the unwilling acceptance of Dutch coin, in particular payment in any currency other than that of Holland, I also attempted to see whether the daily disputes and difficulties occurring over this with the Bugis and other natives, who follow them in acting arbitrarily in this matter, might not be eliminated. From the Kingdom of Soping, I have the honor to report that Aroe Pantjana, in a letter received by me on the 4th of January, informed me of his already accomplished reconciliation, as promised, between the Datoe of Tidenreng and the Aroe Mario, and the subsequent one to follow between Soping, whose old King, Aroe Pantjana's brother, passed away recently, so that this kingdom is now ruled solely by his son, the Young King. Section 47. Tanette, Section 48. Sanrabonij, Section 49. Thain, and Section 50. Tello. Having nothing to report at this time beyond what has already been dealt with previously, I proceed to the Datoe of Section 51. Tidenreng, from whom I received a letter on the 7th of January last, written to me by him and Prince Aroe Pantjana and stamped with the royal seal of the former, whereby they made known to me their mutual and most strong alliance with one another and the complete submission of the Datoe to the Honorable Company, offering his service wherever one might wish to employ him. This alliance between two princes so formidable to Boni, and the submission of them both to the pleasure of the Honorable Company, being impossible to value enough at this time, I also answered this letter of theirs in such a friendly manner as Your Right Honorables will be able to see among the appendices to this letter, if you please. From the Other Shore, I received on the 9th of March from the hands of an envoy of the King and Grandees of Sumbawa, who, after coming hitherward

Dutch transcription

317. van een vergeefse reise. het gewoone nieuw Jaars Compliment verrigt kennis van het tanden slijppen van zijn oudste dogter waar toe het gebruikelijke geobserveert is. verder „la om mijn uit Naam van den koning (:gelijk zij deden en mede gebragt hadden :/ te vertoonen de door swaar weer en sterke weste winden te rug gekeerde eene afgezanten Name Arde Pielanreeng en teffens te ver„ „zoeken vrijheid tot Lossing zijner goederen, dat Jk toegestaan heb. Hier na zijn bij mijn Op den 29:e Ianuarij verschenen de Madan„ „rang, de soelewatang en nog drie andere Bonische Hofsgroten om uit naam van de koning en het Hof afte leggen het Nieuwe door den madanrang C: s: Iaars Compliment, dat jk op de minsaamste wijze met haar teffens eenige versnaperingen aan te bieden be antwoord heb. §. 42. Na voor afgegvene kennisse aan mijn heeft den 18=e dezer op mel d' koning voor Bonij Geeft Maros gevolg genomen het tande slijpen van de oudste dogter van Bonijs koning. Het Geschenk dat Jk nodig g'agt heb in na„ „volging van voorige gebruiken aan zijn Hoogheid te laten aan„ „bieden door de onder kooplieden Budach en Burg Graaff wel„ „ke bij die gelegendheid gekommitteert zijn geweest bedraagt een somma van ƒ197:14:8:, welkers afschrijving ik Eerbiedig de vrij„ „heid neem te verzoeken. §. 43. De bij woning van dit feest heb jk op 's Residents voordragt in na aloude gebruiken, ook ter wegneeming van eenig zom tijds ver„ „keerd misverstand, toegestaan aan 's komp„s Regenten op Maros en daar onder sorteerende, zo bij aldien zij verzogt mogte worden. §: 41. §. 44. Op 9400 Ze„ in E wegens 's konings brutale Neef Basjo Barrang. „ren. en te gelijk een placcaat „tatie van d' Hollandse munt gepubliceert. —: 3. 46. in soping is het stil: §. 44. Op de erlangde klagten van den Pugter der Topbanen alhier wegens, onder de de Jange weder gepleegd werdende brutaliteiten van de hier zwervende sko„ „nings Neef Basso Barrang zodanig dat hij iemand van de onze had gekwest, heb jk de voorsz: gekommitteerdens weder op nieuw laten dolie Budach en BurgGraaff aangeschreeven dientwegen de nodige protestatien bij den koning te doen en zijn Hoogheid tot na„ „koming zijner zo dikwils gedane beloftden ter verzending van dezen vagabond na de Binnelanden aan te sporen. terwijl Jk anders en nevens genoodzaakt zal zijn geweld met geweld te zeer te laten gaan en wle thans den zelven te doen nederleggen. Sedenringen Ik heb ook door het op nieuw Emaneeren op den 6„e dezer van een verbinten tegens d'onwillige actop„ Placcaat tegens de onwillige acceptatie van de Holland sche Munt, bij zonder Paijement van een andere Munt dan die van Hol„ „landia geprobeert of niet weg te neemen zullen zijn de hier over da„ „gelijks voor vallende stribbelingen en moeijelijk heden met de Boe„ „gineesen en andere Inlanders die in na volging van haar daar inne almede willekeurig handelen. van het Rijk van Soping Heb ijk de Eere te melden dat Aroe Pantjana mijn bij een op den 4:e Ianuarij ontfangene brieff bedeeld heeft zijne volgens belofte bereeds bewerkte verzoening tusschen den Da„ „toe van Tidenreng en den Aroe Mario ende daar op te vol„ „gene tusschen soping, welkers oude koning Aroe Pantjanas schrijven Broeder bau was resident 319. de Jange Koning. en nevenstaande landschappen en volk thans te bedeelen Sidenringen Aroe Pantjanas verbintenisse. 8. 52. §. 53. s schrijvens van de overwal van sum„ dau was koningen de Gimas rsident Meurs. onder de Regeering van Broeder de zer dagen overleden is, zo dat dit Rijk nu door zijn zoon de Ionge koning alleen beheerst word. van §. 47. Tanette §. 48. Sanrabonij 3. 49. Thain, en §. 50. Tello. Ditmaal buiten het reets voor af verhandelde in dezen niets te melden hebbende zo stap jk over tot den Datoe van 3. 51: Tidenren 9. van wien Jk op den 7=e Ianuarij passato een ontfing door hem en den Prins Aroe Pantjana aan mijn ge„ „schreven en met het vorstelijk Cachet van den eersten bestem„ „peld, waar bij zij mijn te kennen gaven hunne weder zeidsche al„ „ler sterkste verbintenisse met den anderen en de volkomene onder„ „werping van den Datoe aan de Edele kompagnie met aanbod zijner dienst waar inne men hem maar zoude willen emploijeren. Deze verbintenis onder twee voor Bonij zo ontzaggelijke Prinsen en de onderwerping van haar beide aan het welbehagen van de Edele kompagnie in deze tijd niet genoeg te wardeeren zijnde, zo heb jk dezen haren Brieff ook op zodanig eene vrien„ „delijke wijze beandwoord, als uw Hoog Edelhedens des gelieven„ „de onder de Bijlagen de zer zullen kunnen zien. Van De Overwal Hebjk den 9„e Maart uit handen van een afgezant van de koning en Rijxgroten van sum bauwa die, na herwaarts rs

NL-HaNA_1.04.02_3815_0590 view scan ↗

English

its contents further further Boutong foreign Europeans tidings from Banjer regarding the intentions of the Bone people, which however concerning Bima and Tambora cannot well be true. thoughts on the Commissioner's proposal. the navigation between Makassar and Banjar. Crain Labakkang has again transgressed. yet he was treated leniently in this matter. and likewise a dispute between him and others settled while a bad subject had to be put in chains for transport. further letters from Batavia. Section 55. who was bound hither, had lost his vessel off Saleijer, had received a letter from Resident Meurs dated the 10th and one from the King and Nobles of the Realm dated the 6th of December of the past year. Section 54. That from the Resident mainly contained an account of the continuation of the unrest, which he attributed to the sluggish, slow, and indeed indifferent conduct of the Sumbawanese themselves, whereas on the other hand he greatly praised the praiseworthy conduct of Bima's King in assisting them on our behalf as much as possible. The letter from the King and Nobles of the Realm contained nothing other than an insolent request to be assisted further with twenty pikols of powder, twenty pikols of lead, five thousand Rijksdaalders in cash, and some cruising vessels, which I then, in my answer given thereto on the 11th, declined as subtly as possible, while on that occasion I also wrote what was necessary to the Resident and dispatched letters to the Kings of Bima and Dompo for further encouragement in bringing an end to Sumbawa's unrest with the assistance of the relief sent over by Your Right Excellencies with the ship De Nephtunus, which bottom will probably have arrived there by now. The aforementioned envoy also handed over to me upon his arrival two letters to be delivered, namely one for the King of Bonij and one for the Datoe Bariengang, accompanied by a male slave, which, although this manner of acting or writing at this time by those of Sumbauwa to Bonij appeared extraordinary to me, I nevertheless judged myself obliged to have delivered according to their address, as was done by Secretary Budach, who had departed at that time on a commission to Maros, and who brought them back to me upon his return for perusal, as I had requested the King to allow according to custom. Section 57. Upon translation, I found that they contained nothing other than a request for powder and lead, of which, as mentioned in Section 30, I also gave the necessary notice to Resident Meurs by letter of the 24th of this month. Section 58. Regarding Boutong, I have nothing more to communicate than what has already been noted above under Section 29, and the same applies to the article of foreign Europeans, of which I have not the slightest thing to report in this. Correspondences with the neighboring governments are continuously maintained, and from the Commissioner at Banjermassing Hofman I received on the 3rd of November last a letter dated the 24th of August 1787. Section 61. In which he informed me: firstly, of the disputes between us and the Bone people that had blown over thither, and the solicitation of that same nation to other peoples in their interest, which latter, as far as Bima and Tambora are concerned, can have little probability in it and was therefore left untouched by me in the letter to the first-mentioned prince, the more so because the investigation hereof was assigned by Your Right Excellencies to Resident Meurs. Section 62. And secondly, the Commissioner's proposal to Your Right Excellencies to open the navigation between Makassar and Banjar, also asking my opinion on this, which I have not yet been able to communicate to that chief for lack of opportunity, but which I nevertheless, on account of the friendship already so strongly maintained in earlier years between the realms of Banjar and Bonij, both through correspondence and otherwise, cannot hold to be very necessary, at least not for as long as the last-mentioned Court continues in its bad intentions concerning the Company. Section 63. As regards the Company's lands and subjects, I respectfully report that, according to the entry in the separate Daily Register under the 7th of December past, I again had to have severely remonstrated to Craeng Labakkang (although at other times he would have deserved something quite different) his committed transgression of leaving his Regency without prior knowledge of myself or of the Maros Resident BurgGraaff, and going in secret to Tanette to attend the festival of the Bugis held there, while on the other hand I remitted the fine of eighty Spanish Reals imposed on him for it and had him informed through the aforementioned Maros Resident that better conduct henceforth will be far more agreeable to the Company than his offer of money. As can appear from the letters to be found among the appendices of this. Section 64. After this, I also summarily settled a small dispute raised by him against certain chiefs subordinate to him over some paddy fields, according to my letter to Resident BurgGraaff of the 7th of January last. Section 65. Also, on the 17th of January here, I had one of the Company's subjects named Poea Magga apprehended by the chief interpreter, both on account of his shown all too great and inadmissible disobedience to my orders and on vehement suspicion of being an enticer of slaves, and secured him in the Company's irons until there shall be an opportunity for his transport to the capital Batavia. Section 66. After this was prepared thus far, I received on the 20th of this month by the pantjallang De Maria alongside Your Right Excellencies' letters.

Dutch transcription

dies inhoud §: 55. verders herwaarts gedestineert, zijn vaarthuig voor saleijer verloren, had, ontfangen Een Brieff van den Resident Meurs gedateert den 10„e en een van de koning en Rijksgaoten gedateert den 6„e December A„o passato. §. 54. Die van den Resident hield principaalijk in een bedeeling van de Continuatie der onlusten die hij kwam toe te schrijven aan de Loo„ „me en trage Ia onverschillige gedoentens van de sumbau„ „wareesen zelfs en waar en tegen hij zier prees het roem waardig gedrag van Bimas koning om onzenthalven haarlieden zo veel mogelijk te assisteeren. De Brieff van de koning en Rijksgroten behelsde niet anders dan een onbeschaamd verzoek om nog met Twintig pikols kruit Twintig pi„ „rols Lood, vijff duizent Rijksd„s aan Contanten en eenige kruis vaartuigen te mogen worden g'assisteert, dat jk dan ook bij mijn daar op gegevene andwoord van den 11:e daar aan zo subtiel moge„ „lijk heb ontlegt, terwijl jk ook bij die occagie de Resident het nodi„ „ge heb aangeschreeven en ook brieven afgezonden aan de koningen van Bima en Dompo tot verdere aan spooring in het einde bren„ „gen van Sumbawas onlusten met assistentie van hett door uw Hoog Edelhedens met het schip De Nephtunus over„ „gezondene onzet, welken Bodem denkelijk nu reets ginter op arriveerd zal wezen. Voorsz Gezant gaf mijn ook nog bij zijn aankomst over twee in 3. 56. bestelling T Vreem vastlijding der Bon 321 verder Boutong §. 59. vreemde Europien vattijding van Banjer wegens bestelling hebbende Brieven als een voor den koning van Bonij en een voor den Datoe Bariengang, verzeld van een Mansslaaff, die jk, of schoon mijn deze handelwijze of het schrijven in deze tijd door die van Sumbauwa aan Bonij wonderbaarlijk voor kwam, egter ver„ „pligt oordeelde na luid van haar addresse te moeten doen bestel„ „len, zo als zulks dan ook geschied is door den in die tijd na Na„ „ros in Commissie vertrokkene secretaris Budach, die mijn dezelve bij zijn te rug komst ter Lecture weder overbragt, alzo jk den koning daar toe na den gebruike verzoek had laten doen §. 57. Bij overzetting benond Ik dat zij niet anders behelsde dan een ver„ „zoek om kruid en Lood, waar van Ik gelijk §. 30. vermeld den Resident Meurs ook de nodige kennisse gegeven heb bij brieff van den 24:e dezer. §. 50. Boutong heb jk niets meer te bedeelen als het gene hier voren onder §. 29 reets is genoteerd, en zo is het ook gelegen met het Artikel van. vreemde Europeen waar van Jk in deze niets het minste te melden heb. Correspondentien met de Naburige Gouvernementen der Ggoniersin zigten. word bij Continuatie onderhouden en van den Commissiant te Ban„ §. 60. van „jermassing i„ in die egter omtrend Bima en Tambora niet wel waar kunnen zijn. gedagten over Thommissian te voorstel. d'vaarttusschen Makassar en Ban Jar: Crain Labakkanq heeft weder buiten gegaan. „Jermassing Hofman heb jk den 3:e November laast Leeden een brieff antfangen de dato 24:e augustus 1787. § 61. waar bi de zelve mijn bedeed: Eerstelijk de tot gin ter overgenaijde verschillen tusschen ons ende Boniers en het aan zoek van deedeld. „ze Natie tot andere volken in hun belang welk laaste zo ver Bima en Sambora raakt, weinig waarschijnlijkheid in zig kan hebben en daarom ook door mijn in de brieff aan eerstgem: vorst onaangeroerd gelaten is te meer nog daar het onderzoek hier van door uw Hoog Edelhedens de Resident Meursma §. 62. opgedragen. En tweedens 's kommissiants voorstel aan UW: Hoog „Edelhedens om de vaart tusschen Makassar en Banjar wegens het opmstelen van te openen met afvraging teffens van mijn gevoelen hier over dien Jk dat opperhoofd door gebrek aan gelegendheid nog niet in hem heb kunnen bedielen, dog die Jk egter uit hoofde van de reets in vroegere Jaren zo kragtig onderhoudene vriendschap tussche de Rijken van Banjar en Bonij met brief wisseling als anderzints niet voor zeer nood zakelijk houden kan, ten min tewijl een „zending „ten voor zo lange niet als het Laastgemelde Hoff blijft in de ket worden Continueeren in haar slegte oogmerken omtrent de kompagnie dog is zag §: 63. 'Skompagnies Landen en onderdanen betreft dien t eenig zintshetrgte spoor te gen melde Jk met Eerbied dat jk braeeng Labakkang volgens watnu het ande nadere „via. 323 dog is zagtelyk daar over gehan„ beld. hem en andere afgedaan terwijl een slegt subject te ver„ in de ketting heeft moeten worden geslagen. nadere schrijvens van Bata„ „via. het aangeteekende bij het upart Dag-Register onder den 7:e xber: passato weder ernestig heb moeten doen voorhouden /: schoon hij bij an„ „dera tijden vrij wat anders verdiend had:/ zijn begane buiten pas met zonder voorkennisse van mijn dan wel den Maros Resi„ „dent BugGraaff zijn Regentschap te verlaten en in stelte na Tanette te gaan ter bij wooning van het aldaar gehouden festijn der Boegineesen, terwijl Ik hem daar en tegen de daar voor opge„ „legde geld Boete van Taggentig Realen spaans heb kwijt gescholden en door voorsz: Maros Resident laten aan zeggen dat een beter gedrag voortaan vrij aangenaamer voor de komp„e zal zijn dan zijn aan bod van geld. Gelijk zulks bij de onder de Bijlagen dezes te vindene Brieven geblijken kan. 3. 64. Hier na hebik nog een klein verschil, door hem G'oppert tegens en teffens een verschil met zommige onder hem zorteerende hoofden over eenige Padij velden, kor„ „telijk afgedaan, volgens mijn brieff aan den Resident Burg„ Graaff van den 7„e Ianuarij Iongst Leeden §. 65. Ook heb jk den 17:e Ianuarij alhier een van 'skomp„s onderdaan „zending na de Hoofdplaats in name Poea Magga zo over zijn betoonde al te overgrote en niet mogelijk te passerene dis obedientie aan mijn orders als over fehemente suspicie van een slave verleider te zijn door den oppertolk laten apprehenderen en in 'skomp„s Boeijen secu„ „reeren tot er gelegendheid zal wezen tot zijn verzonding na Batavia. §. 66. Na dat deze tot ous verre in gereedheid was gebragt ontfing Ik op den 20„e Dezer per de Pantjallang De Maria nevens uw Hog Edel„ „hedens in

NL-HaNA_1.04.02_3815_0594 view scan ↗

English

and gifts for Gima and Dompo dispatched, in return for which further letters from Bima have been received. Your High Right Honourables' original rescription of the 18th of December past, and the appendices that followed according to the register, and Your High Right Honourables' respected separate letter of the 29th of January past, from which I learned with very great joy Your High Right Honourables' orders given to the Bima Resident Meurs to dispatch the armed ship De Nephtunus, which is there, directly hither as soon as the unrest on Sumbauwa has ceased, with instructions to me at the same time to make use of it in case of need, which I shall dutifully do in such an event, or otherwise, if it should not be required, to send it back as soon as possible via Sourabaija to the principal place. § 67. To the Bima Resident Meurs, with an express vessel dispatched at once with the letters received therewith, I have sent the letters and gifts received on that occasion for the kings and grandees of Gima and Dompo, to be delivered by him to those courts in the local manner. To which I have added the sealed packet received therewith from Your High Right Honourables for the said Resident himself. § 68. The day before yesterday I further received from there, besides the packet of papers brought from yonder by the Timor head of Este, of which mention is made in the separate daily register under the 9th of March, a letter of the 1st instant stating that affairs on Sumbauwa were still in the same condition as was mentioned in the Resident's last letter, but that there was now good hope of bringing them to a desired conclusion with the relief obtained from the ship De Nephtunus, which had already arrived there, and the help of the overseas princes who are crossing thither with their forces. § 69. The two war frigates De Lijnsijt and De Pijl not yet having arrived yonder. § 70. Objections of the Boniers against the monetary placard and what was answered thereto. Further reference to the accompanying appendices and conclusion of this letter. The Salawatang of Bontoala also had some objections presented to me the day before yesterday by a single interpreter on behalf of Boni's king, see the note in the separate daily register, regarding the recently issued placard against not accepting the Company's currency. Which objections were once again framed according to the general fashion of their crooked will, just as if one ought first to have consulted with them on this subject, in curtailment of the Company's prerogatives. Whereupon I had the reply given that, this measure having been made in accordance with the tenor of the Bongaja Treaty, it was nothing other than the duty of the Boniers to comply with it, which now finally ought to happen since one has only too often been embroiled with them for so many years in succession over this article, to the notable detriment of the Company's servants and inhabitants. § 71. Concerning matters of lesser importance, I refer most humbly to the accompanying appendices, and especially the separate daily register. And furthermore, having implored the Almighty's blessings upon Your High Right Honourables' high persons and the precious interests of the Company, I profess with the deepest respect to be, High Right Honourable, Right Venerable, Strict, Far-Ruling Lord, Right Noble Strict Lords, Your High Right Honourables' humble and obedient servant, signed, Reijke. Makassar in Castle Rotterdam, the 31st of March Anno 1788. To His High Honour, The High Right Honourable, Right Venerable, Strict, Far-Ruling Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor General, along with The Right Noble, Strict Lords Councillors of the Netherlands Indies, etc., etc., etc. Register of such secret papers as are now being dispatched in original with the vessel of the burgher sergeant Anthonij Jacobus Feesdorp. No. 1. Original separate missive to the aforesaid Their High Right Honourables, dated the 5th of May Anno 1788. 2. Resolution taken in the Council of Policy at Makassar on the 1st of May 1788. 3. Extract of a private missive written by Sourabaija's head Barkeij to Governor Reijke, dated the 3rd of April 1788, with respect to the Country's war frigates De Lijnsijt and De Pijl. No. 4. Extract of a missive from the Boelecomba Resident van Diemar, dated the 30th of April last, written concerning the private bark of the merchant Hemmekam. 5. Extract of a Boelecomba letter of the 20th of September Anno 1787 and 6. Extract of the answer thereto of the 7th of October 1787, both relating to the native Badoe. 7. Declaration of the sergeant-jailer Hendrik Stolberg executed today, and 8. Certificate of the chief interpreter Deelshout and under-interpreter Dewersen, together with said jailer Stolberg, also relating to the said native. 9. Duplicates of the letters to Their High Right Honourables aforesaid dated the 31st of March and the 25th of April last, with the register thereto. Makassar in Castle Rotterdam, the 5th of May 1788. Separate. Batavia. To His High Honour, The High Right Honourable, Right Venerable, Strict, Far-Ruling Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor General, along with The Right Noble, Strict Lords Councillors of the Netherlands Indies, etc., etc., etc. High Right Honourable, Right Venerable, Strict, Far-Ruling Lord, Right Noble Strict Lords. After my respectful letter of the 31st of March was closed, and could not be dispatched due to the west winds that had set in anew, I received on the 12th instant from Boelecomba the pleasant news of the safe arrival at Boutong of the long overdue

Dutch transcription

„dan en geschenken voor gi„ „ma en Dompo afgezonden. waar en tegen nader schrij„ „vens van Bima ontfan„ „gen is. „hedens origineele Rescriptie van den 18:e December passato en daar bij volgens Register gevolgde Bijlagen Hoog Derzelver gerespecteer„ „de aparte van den 29:e Ianuarij passato uit de welke Ik met zeer veel blijdschap vernaam uw Hoog Edelhedens gegevene orders aan den Bimas Resident Meurs om als de onlusten op Sumban„ „wa gecesseert zijn het daar zijnde g'armeerde schip De Neph„ „tunus direct na herwaarts af te zenden met last aan mijn tef„ „fens om daar van in cas van benodigtheid gebruik te maken, het be „ geen Ik dan ook in zulken gevalle schuldpligtig doen zal of anders indien het zelve niet mogte vereischt worden, zodra mogelijk o„ tegen „ver Sourabaija na de hoofdplaats te rug zenden. §: 67. Aan den Bimas Resident Meurs heb Ik ook ter stond met d' daar bijontfangen brie, een Expresse afgezonden de bij die gelegendheid ontfangene brieven en geschenken voor de koningen en Rijksgroten van Gima en met ren Exeprese direct Dompo om door hem aan die Hoven na 's Lands wijze bezorgd en wat te worden. Waar nevens jk gevoegd heb het daar bij voor gedag te is. Resident zelfs ontfangene gesloten Paket van Uw Hoog „Edelhedens. §. 68. Nag ontfing Ik op iergisteren van daar, buiten van ginter aan„ „gebragt Paket met Papieren van het Simors opperhoofd van Este, waar van bij het apart Dag-Register onder den 9:e maart gewag word gemaakt, schrijvens van den 1„e dezer behelsende verdere dat de zaken op sumbauwa nog in de zelfde toestand ver„ Bijl „seerde als bij des Residents laaste brieff vermeld was, dog dat er en ot 325. 5. 70. bezwaarnissa van d' Bo„ „niers tegens het geld. Plakaat en wat daar op g'antwoord verdere refertaan overgaande Bijlagen. en slot van deze. er nu goede hoope was om dezelve met het erlang de ontzet van het daar reets g'arriveerde schip de Nephtunus en hulpe der mede na der„ „waarts met hun magt over te gane overwalsche vorsten, tot een gewenscht einde te brengen. §. 69. Wesende de Twee oorlogs Fregatten De Lijnsten de Pijl nog niet gin ter aangekomen. De Saluatang van Bontoala liet mijn, vide het ga„ „noteerde bij het apart Dag-Register, ook op eergisteren met een enkelde Tolk uit Naam van Bonijs koning eenige be„ „zwaarnissen opgeven wegens het Iongst g'emaneerde pla„ „kaat tegens het niet accepteeren van 's komp„s Munt. welke bezwaarnissen dan al weder geschoeit waren op de algemene lijst van haar slinkse wil, even als of men met haar over dit su„ „jet inkrenking van Te Maatscaappijs voor regten, eerst had moeten raadplegen. waar op Jk ten antwoord liet geven dat deze in„ „rigting naar den ten eur van het Bongaijsche Contract ge„ „schied zynde het niet anders dan de pligt der Bonders was zig daar na te reguleeren, het geen nu eens eindelijk diende te geschie„ „den dewijl men maar al te dikwils zo veel Iaaren agter een door haar toedoen, met dit artikel is gebrouilleert geweest, tot merkelijke schade van 'skomp„s Dienaaren en Ingezetenen. §. 71. Omtrend zaken van minder belang refereere Ik mijn ne„ „drigstaan overgaande Bijlagen en bij zonder het apart Dag Register. En voorts des Allerhoogsten Zegeningen over met te is. „ 326. den 31e Maart kasteel Rotterdam HoogEdel Groot Agtbare Gestringe wijd gebiedende Heere VWel Edele Gestrenge Heeren. uwer Hoog Edelhedens onderdani„ „ge en Gehoorzame Dienaar /:was ge„ „teekend/ Reijke Makassar in het A:o. 1708 over uw Hoog Edelhedens Hooge Perzoonen en Dierbaare Belangens der Maatschappije afgesmeekt hebbende betui„ „ge Ik met de Diepste Eerbied te zijn en B Aan zijn Hoog Edelheid Den Hoog Edelen Groot Agtbaren Gestrengen wij gebieden de ere Mr Willem Arnold Atting. Gouverneur Generaal De welEdele Gestrenge Heeren Raden van Nederlandsch Jndien etc„, ete, etc„a, Benevens N„o 1. Origineel sparte Missive aan Hoog gemelde Hunne Hoog „Edelhedens gedateert den 5„e Meij Anno 1788. 2. Resolutie Genomen in Rade van Politie te Makassar op den 1„e Maij 1788. „ 3. Extract Partikulier Missive door Sourabaijs operhoofd Barkeij aan den Heer Gouverneur Reijke geschreven in „pieren als er tans in originali met het vaarthuig van den Burger sergeant Anthonij Jacobus Feesdorp afge¬ „zonden worden Register van zodanige sekrete Pa„ dato N:o 4. Extract Missive van den Boele combas Resident van Diemar de dato 30=e april jongst Leden geschreven we„ „gens de partikuliere Bark van den koopman Hemmekam. 5: Extract Boelecombas Bie / van den 20:' September a:o 17. en „ 6. Extract van het antwoord daar op van den 7: October 17: beide Relatie hebbende tot den Inlander Badoe „ J: Verklaring van den Zeregean lipier Hendrik Hotberg op heben ge„ „passeert en „ 8. Certificaat van den opertosk Deefhout an ondertok Dewersen ged„ ipier stolberg almede tot ged„te Jnlander be„ „trekkelijk 9. Duplicaaten van de Brieven aan Hunne Hoog Edelhedens wel„ „meld in dato 31„e Maar ten 25„e April Jongst Le„ „den met het Register daar bij Makassar in het kasteel Rotterdam den 5:e Meij 1788. — dato 3„e April 1788. met op zigt tot de Lands oorlogs Fregatten De Lijnijt ende Pijl. „ Apart. 327. Batavia. Aan zijn HoogEdelheid. Den Hoog Edelen Groot Agtbaren Gestrengen wijd gebiedende Heere M„r Willem Arnold Atting Gouverneur Generaal Benevens De wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlandsch Indien etc„a etc„ etc„a HoogEdel Groot Agtbaren Gestrengen wijd gebiedende Heere WelEdele Gestringe Heeren. Na dat mijne Eerbiedige van den 31:e Maart afgesloten was in dezel„ „ve door de weder op nieuw door gekomene weste winden niet konde afgaan ontfing Jk den 12=e dezer van Boelecomba de aangename tijding van de behoude aankomst op Boutong van de zo lang agter geblevene ds an man tie ge„ en be„ wel„ te„ 8. en 6

NL-HaNA_1.04.02_3815_0602 view scan ↗

English

remaining and fourteen days before the ship Hoorn, which had already arrived here on the 11th of March and was also already unloaded and standing on its departure again, departed directly hither from Ioana, the pantjallang Het Beleid, from which place this little keel was to head hither with the breaking of the east monsoon, as Your High Noble Lordships will be able to see, if it pleases you, in detail from the attached letter from the Resident van Diemar, as well as that the Envoys of Bouton were ready to come this way shortly as well. And from which it will then also appear at the same time what kind of rumors, after the statement of the former interpreter, the local resident citizen Iacob de Graaff, the rabble of the Boniers has not spread again, and how little reliance one can thus place on anything that comes from their side or their people; which has also given reason not to be able to fully believe certain further and entirely contradictory reports spread at that same time, likewise communicated by the said de Graaf, though two days later, namely that a certain Wajo panlima Lasoempang with nine armed vessels intended to intercept the aforementioned pantjallang at Boutong, all set forth in broader detail in the attached Resolution taken here on the 16th of this month regarding that matter, to which I humbly request to refer myself, while I herewith also report the receipt yesterday afternoon of Your High Noble Lordships' much respected letter of the 19th of February past, the contents of which I shall strictly observe and also comply as soon as possible with what was demanded therein regarding a certain declaration given by the Company's subject named Maijlallang. I remain with the deepest respect and high esteem, High Noble, Right Honorable, Strict, Far-Ruling Lord and Right Honorable, Strict Lords. Makassar In Castle Rotterdam the 25th of April Anno 1788 Your High Noble Lordships' humble and obedient servant was signed D.r Reijke. apart. Batavia To His High Nobility The High Noble, Right Honorable, Strict, Far-Ruling Lord Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General, The Right Honorable, Strict Lords Councilors of the Dutch Indies etc., etc., etc., High Noble, Right Honorable, Strict, Far-Ruling Lord, Right Honorable, Strict Lords. The Envoys of Bonij have not yet returned here to date, and I have thus also not been able to comply with what was written to me regarding this Court in Your High Noble Lordships' highly respected letter of the 19th of February last cited in my last-sent humble letter of the 25th of April past, the more so as the king still holds his Court at Maros and his subjects meanwhile daily continue to harass subjects in all sorts of ways. The pantjallang Het Beleid arrived here yesterday, the 4th of this month, happily and safely without having had any other adversity at Bouton than that provisions were very scarce there. According to the report of the Lieutenant in command with the spice extirpators, the Envoys were to undertake the journey hither with the first new moon, so that all difficulties regarding this have been cleared away. On the 1st of this month, early in the morning, the Lieutenant of the State's war frigate De Lijnst, which arrived here during the night by boat and is destined via Bima and Sumbauwa for the Moluccas with the brig De Pijl, came to me to inform me on behalf of Captain Meurer of their being driven off course near or around the Paternoster Islands, and to request a pilot and a supply of fresh water, of which they were in short supply. I immediately took such measures in this matter as Your High Noble Lordships will be able to see, if it pleases you, in the attached Resolution to which I humbly refer myself, while I still expect the said ships here unless they might perhaps have taken a direct course to Bima upon information from Captain Lieutenant Tramburg, which, however, after the letter that the Surabaya chief Barkeij sent to me, is not to be thought. Regarding the justification demanded of me by Your High Noble Lordships against a certain submitted declaration, I now have the honor to state: That a Governor at Makassar, according to an ancient custom and by virtue of the authority he alone has over the native, puts native wrongdoers who are sent or brought to him, both by the head interpreter and by the Residents of the respective outer residencies, into the long chain, without a set term, and these are then employed on the Company's works for the Company's service, and fed for their keep, for which they are of great use, as one can accomplish little with the fixed twenty hired laborers for the entire Government. Now it often happens, as has occurred again recently, that the friends of some of these request intercession, either with the jailer or one of the interpreters, with a Governor for the release of such a native walking in the chain, offering something or other for their trouble according to their means; if the friends are good people and the perpetrators have already walked in the chain for an appropriate time as punishment for their villainies committed, then a Governor consents to it, both to please the family and to give the jailer or the interpreters a small gratuity; which funds then also sometimes, in order not to fall into the wrong hands, are accepted by the Governor himself to hand over personally to those who made the request for their release, and thus it occurred with this in the year

Dutch transcription

geblevene en veertien dagen voor het op den 11:e Maart hier reets g'arri„ „veerde en ook al ontloste mitsgaders weder op zijn vertrek staan„ „de schip Hoorn van Ioana direct na herwaarts vertrokkene Pantjallang Het Beleid, van welk plaats dit kieltje met de door„ „brake der Oostmousson na herwaarts stont te stevenen, gelijk Uw Hoog Edelhedens in zijn omstande uit bij gevoegd schrijvens van den Resident van Diemar des gelievende zullen kunnen zien zo wel als dat de Gezanten van Bouton gereed waren eerst„ „daags almede ditt heen te komen. En waar uit dan ook te gelijk blijken zal wat voor gerugten na het opgeven van den voorma„ „ligen Tolk de hier thuishorende presente Burger Iacob de Graaff, het gespuis van Boniers niet al weder verspreid en hoe weinig staat men dus op al het geene dat van haar kant of de haare komt kan staat maken, Dat dan ook de reedenen ge„ „geven heeft om niet wel te kunnen geloven zekere op die zelfde tijd verspreide nadere en de voorige gantsch Contrarieerende Berig„ „ten door gemelde de Graaf almede, dog twee dagen later gecommu„ „niceerd, namentlijk dat zekere Towadjorees Panliema Lasoempang met Negen g'armeerde vaarthuigen van voonemens zoude wezen voormelde Pantjallang op Boutong aff te lopen, alles breder bij almede inleggende en hier op den 16„e dezer over die affaire genomene Resolutie bekend gesteld, aan de welke Ik mijn nedrigst verzoek te mogen gedragen, terwijl Ik bij deze nog melde de ontfangst op gisteren na de middags van Uw Hoog Edelhedens veel gerespecteerde van den 19:e fe„ „bruarij 329 „bruarij passato welkers in houde Ik tot een stephe obser van tie zal ne men en ook zo dra mogelijk voldoen aan het daar bij gevorderde met opzigt tot zekere door 's komp:s onderdaan in name Maij „lallang gegevene verklaring. Ik blijve met de diepste Eerbied in Hoog-agting Hoog Edel Groot Agtbare Gestrenge wijd gebiedende Heere en VWel Edele Gestrenge Heeren. Makassar In het Castell Rotterdam den 25:e April A:o 1788 Uwer Hoog Edelhedens onderda„ „nige en Gehoorzame Dienaar /: was geteekend:/ D„r Reijke. eerst, en ge¬ 331 331 331 apart. Batavia Aan zijn Hoog Edelheid Den HoogEdelen Groot Agtbaren Testeingen wijd gediedende Heere M:r Willem Arnold Atting. Gouverneur Generaal. De welEdele Gestrenge Heeren Raden van Nederlandsch Indien etc„a, etc„o etc„a, Hoog Edelen Groot Agtbaren Testrengen wijd gebiedende Heere Wel Edele Gestrenge Heeren. De Gezanten van Bonij zijn tot heden toe hier nog niet te rug ge„ „komen en Ik dus ook niet in staat geweest om te voldoen aan het mijn met opzigt tot dit Hlof aangeschreevene bij uw Hoog Edelhedens al„ „zints G' Eerbiedigde van den 19„e februarij Jongstaangehaalde bij mijn laast afgezondene nedrige van den 25:e April passato, te meer daar Benevens de en de koning zijn Hof nog op Maros houd en zijn onderdanen inmid„ „dens dagelijks voortvaren onderdanen op aller hande wijze te plagen. De Pantjallang Het Beleid is op gisteren den 4:e dezer gelukkig en behouden hier aangekomen zonder eenige andere te gen„ „spoed op Bouton gehad te hebben dan dat er de Levensmiddelen zeer schraal waren. De Gezanten stonden na opgave van den Gezag hebbende Luitenant met de specerij Exeturpateurs met het eerste nieuwe ligt de reise dit heen aan te nemen, zo dat alle zwa„ „righeden hier omtrent uit den weg zijn geruimt. Den 1=e dezer Smorgens vroeg kwam bij mijn de in de Nagthier met een schuit aangekomene Luitenant van het over Bima en Sumbauwa na de Moluccos met de Brik De Pijl gedesti„ „neerde 'slands oorlogs fregat De Lijnst om mijn uit Naam van den Heer Kapitain Meurer bekend te maken hun verval bij of omstreeks de Paternosters Eilanden en verzoek te doen om een Loods en ontzet van versch water waar aan zij gebrek had„ „den. Ik heb hier op terstond zodanige maatregulen in het werk gesteld als uw Hoog Edelhedens bij nevens gevoegde Re„ „solutie waar aan Ik mijn nedrigst gedrage, des gelievende zullen kunnen zien, terwijl Ik gedagte scheepen als nog hier te gemoet zien bij aldien ze nu niet zomtijds direct de koers na Bima, door onderrigting van de Kapitain Luijtenant Tramburg, mogte ge„ „nomen hebben, dag egter na het schrijvens dat het sourabaijs op„ „perhoofd Barkeij mijn gedaan heeft niet te den ken is. omtrend 333 Omtrend de van mijn door uw Hoog Edelhedens gevorderde verand„ „woording tegens zekere overgezondene verklaring heb jk tans de Eere te dienen. Dat een Gouverneur op Makassar, volgens een al oud gebruik na de beschikking die hij alleen over den Jnlander heeft, Inlandsche kwaaddoenders die hem toegezonden of aangebragt worden zo door de oppertok als van de Residenten der Respective buiten Residen„ „tien in de lange ketting laat slaan, zonder bepaling van tijd, en de„ „ze werden als dan aan s komp„s werken tot 's komp:s dien Hg: emploijeerd, en keld voor de kost, waar toe zij van groot nit zijn, alzo men met de bepaalde Twintig huurlingen voor het gehele Gouvernement weinig kan in 't voeren. Nu Gebeurt het dikwils zo als nog onlangs is geschied dat de vrienden van Lommige dezer het zij bij de Cipier of een der tolken voorspraak verzoeken bij een Gouverneur tot largatie van zo een in de ketting lopaende Inlander, onder aan bod van het een off ander voor haar moeite na rato dat zij vermogend zijn zyn nu de vrienden goede lieden en hebben der misdane reets een gepaste tijd in de ket„ „ting gelopen tot straf harer uitgeregte fielte stukken dan kon„ „senteert een Gouverneur er in, zo om de familie plaizier te doen als om de Cipier of de tolken een Douceurtje toe te voegen; welke penningen dan ook wel zom tijds, om niet in verkeerde handen te geraken, door de Gouverneur zelfs aangenomen worden om eigenhandig die geenen over te geven die voor de zulken haar lar„ „gatie verzoek gedaan heeft, en zodanig is het geschied met deze in anno inmid„ er hier agt m sti„ en door

NL-HaNA_1.04.02_3815_0608 view scan ↗

English

the 5th of May Anno 1788 Badoe of Tiro, who was sent up from Bonthain on the 26th of September anno 1777 and was then, by order of the late Governor van der Voort, shackled in irons in the aforementioned manner. Yet since a statement obtained in this regard, and to cast a blemish upon me if possible, was acquired in a surreptitious and obreptitious manner through the channel of people such as the former Boelecomba Resident Monsieur and his writer the present Dispensier Doser, who owe their well-being to my kindness, I also hope and most humbly request that this paper may be regarded as nothing other than such a wretched instrument, and that a Governor may not come under any suspicion with Your High Nobilities over such trifles. I remain with the deepest respect, High Noble, Right Honorable, Stern, Widely Commanding Lord, and Noble Stern Lords, Makassar in the Castle Rotterdam, Your High Nobilities' humble and obedient servant, signed: D. Reijke. 335 Separate. Batavia. To His High Nobility, The High Noble, Right Honorable, Stern, Widely Commanding Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General, together with The Noble Stern Lords Councilors of the Dutch Indies, etc., etc., etc. High Noble, Right Honorable, Stern, Widely Commanding Lord, Noble Stern Lords. After my respectful letter of the 5th of this month was already closed to be handed to the burgher Fesdorp for delivery, I received late yesterday evening, via the vessel brought over by Captain-Lieutenant Tramburg, a letter from the gentleman Captain of the national war frigate De Lynx, Meurer, wherein His Honor communicated to me that, lying anchored by the islands the Hen and her Chickens, he had resolved to return to Sourabaija and to take along Captain-Lieutenant Tramburg, who is familiar with the fairway, as Your High Nobilities may see in detail, if it pleases you, from an authenticated copy of that letter most respectfully attached hereto. Yet, since apart from the loss of the aforementioned Captain-Lieutenant Tramburg, it appears to me that Captain Meurer intends, in the aforementioned letter, to express in a somewhat prickly manner a kind of dissatisfaction over not receiving such further refreshments as I could not guess would be so urgently needed by His Honor, at least which were not requested of me, or about which a small note had been written to me, whereas I would otherwise have sent the same alongside the drinking water procured by me as well as possible in that short time, I take the liberty to bring this humble remark of mine before the eyes of Your High Nobilities, lest perhaps some ill-founded complaints might be brought in regarding this in time. I say most humbly unfounded, for since Captain Meurer can by no means complain with reason about my solicitude, having had ample personal experience of the same in the past year, which has now again extended so far that I have already rented a house for His Honor from my own pocket just as before, I think that one can give no other name to any complaints arising about this. I remain with the deepest humility, High Noble, Right Honorable, Stern, Widely Commanding Lord, Noble Stern Lords, Makassar in the Castle Rotterdam, the 8th of May anno 1788. Your High Nobilities' humble and obedient servant, signed: D. Reijke. 337. Batavia. To His High Nobility, The High Noble, Right Honorable, Stern, Widely Commanding Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General, together with The Noble Stern Lords Councilors of the Dutch Indies, etc., etc., etc. High Noble, Right Honorable, Stern, Widely Commanding Lord, and Noble Stern Lords. In my respectful letter of the 31st of March last, paragraphs 51 and 52, I also gave notice to Your High Nobilities of the alliance that the Datoe of Sidenreng entered into with Aroe Pantjana in assistance of the Company. However, since he has thereby fallen into such disfavor with the Bonians that there will apparently be no possibility of ever coming to any reconciliation with them again, and he therefore sent me a message this morning offering to place himself, his land, and his people entirely and completely under the protection of the Company, and I gave him a dilatory reply thereto, I cannot fail to provide Your High Nobilities with the requisite information as soon as possible, in order that I may be instructed in this matter with Your orders in the subject case, respectfully mentioning at the same time that from olden times the Honorable Company has taken under its protection all such princes as have come over to it for that purpose. Examples thereof that only simply occur to me now are to be found in the former King of Boni during his flight from his sister who ruled before him, in the Bonian Prince Pongauw Leessoe when he was persecuted by his father, and that of Aroe Pantjana himself, who, as they say, with sack and pack also came over to the Honorable Company and, having been taken under its protection, has remained so to this day. Moreover, it is an old observation that for the Company nothing is surer and better than the coming over of all such princes, in order thereby somewhat to diminish the progressively increased Bonian greatness and, if necessary, always render us capable of withstanding them. I refer myself as yet most humbly to my previous dispatched writings and remain with the deepest respect, High Noble, Right Honorable, Stern, Widely Commanding Lord, and Noble Stern Lords, Makassar in the Castle Rotterdam, the 9th of June anno 1788. Your High Nobilities' humble and obedient servant, signed: D. Reijke.

Dutch transcription

: den 5e: Maij A:o. 1788 anno 1777. den 26„e September van Bonthain opgezondene en toen oplast van wijlen den Gouverneur van der voort op voorschreeven wijze in de ketting geklonkene Badoe van Tiro. Dan daar een ten dezen opzigte en om mijn ware het doenlijk een Blaam aan te zetten ingewonnene verklaring op een sub en obraptive wijze verkregen is door kanaal zelfs van Menschen zo als den toenmaligen Boelecombas Resident Monsieur en zijn schrij „ver de tegenswoordige Dispencier Doser die haar wel zijn aan mijn goedheid te danken hebben, zo hoop Ik ook en verzoeke aller„ „nedrigst dat dit papier niet anders als een zodanig slegt Instru„ „ment mag worden aangemerkt en ren Gouverneur om zulke ba„ „gattellen bij uw Hoog Edelhedens in geen verdenking moge komen. Ik blijve met de diepste Eerbied. Hoog Edelen Groot Agtbaren Tetrengen wijd gebiedende Heere en WelEdele Gestrenge Heeren. Makassar in het kasteel Rotterdam uwer Hoog Edelhedens onder danige en Gehoorzame Dienaar /:was geteekend:/ D Reijke. 335 apart. Batavia Aan zijn Hoog Edelheid Den HoogEdelen Groot Agtbaren Gestrengen wijd gebiedende D: Heere M:r Willem Arnold Alling Gouverneur. Generaal Benevens De wel Edele Gestrenge Heeren Raden van Nederlandsch Indien etc„a, etc„a, Ac„a, Hoog Edel Groot Agtbaren Testrengen wijd gebiedende Heere Wel Edele Gestrenge Heeren. Na dat mijn Eerbiedige van den 5„e dezer reets gesloten was om aan den Burger Fesdorp ter bestelling af te geven zo ontfing Ik gisteren per het den kapitain Luitenant Tramburg overgebragte vaartuig Sa„ „vondslaat een Brieff van de Heer kapitain van het Lands oor„ „logs fregaat De Lijnst Meurer waar bij zijn welEdele Gestrenge mijn kommuniceerde dat bij de Eilanden de Hen met zijn kuikens g'ankerd leggende geresolveerd was na Sourabaija terug te kee„ „ren en den kapitain Luitenan 1. Tramburg het vaarwater be„ „kend op oplast „ ba„ a„ nog eere danige teekend:/ O. en „kend mede te neemen gelijk uwe Hoog Edelhedens in zijn omstande uit een g'authentiseerd Copij van die Brieff Eerbiedigst hier nevens ge„ „voegd des gelievende kunnen zien. Dan dewijl buiten het gemis van de Kapitain Luitenant Tram„ „burg voormeld het mijn toeschijn t dat de Heer Meuren bij voor„ „schreeve Brief eenig zints op een ste kelagtige wijze te kennen wilgeven een zoort van misnoegdheid over het niet ontfangen van zodanige ver„ ver „dere verscringen als jk niet raden zonde bij zijn welEdele Gestren„ „ge zo zeer benodigt te zijn ten minsten die mijn niet gevraagd wa„ „ren of warom mijn een klein lettertje geschreven was, de wijl Jk de„ „zelve ander sluiten het mijn zo goed mogelijk in die kortheid de stijfs bezorgde drinkwater ook zoude afgezonden hebben, zo neem Ik de vrijheid de ze mijne Nedrige te marcque onder het oog uwer Hoog Edelhedens te brengen ofte misschien zomn tijds hier over eenige kwalijk gefundeerde klagten mogte worden inge„ „bragt, Ik zegge aller ootmoedigst ongefundeerde, want daar de Heer Meurer over mij„ Solitesje met rede gantsch niet klagen kan en van dezelve in a„o p„o in een ruime mate ei„ „gene ondervinding gehad en deze zig nu weder opnieuws zo verde gestrektheefst dat ijk nu al reeds voor zijn welEdele Gestrenge even als doen uit mijn eigen Beurseen huis in huur genomen heb, zo den kijk dat men met die klagten daar over oprkomende hier geen andere naam aan geven kan. Ik blijve met de diepste nedrigheid Hoog Edel Groot Agtbare Testringe wijd gebiedende Heere DWel Edele Gestrenge Heeren Makassar in het Kasteel Rotterdam den 8„e Maij Uwer Hoog Edelhedens onderdanige en gehoorzame Dienaar /:was geteekend:/ J: Reijke A„o 1788 337. Batavia Aan zijn Hoog Edelheid Den Hoog Edelen Groot Agtbaaren Gestrengen Wijdgbiedende Heere M„r Willem Arnold Alting Gouverneur Generaal Benevens De welEdele Gestrenge Heeren Raaden van Neederlands India etc: etc: etc: Hoog Edele Groot Agtbaare Gestringe Wijderbiedende Heere en wel Edele Gestrenge Heeren. Bij mijne Eerbiedige van den 31: Maart j: L: §51 en 52 beb pk uw Hoog Edelhedens ook kennisse gegeeven van de verbintenisse die den Datoe van Sidenreng met Aroe Pantjana tot adsisten„ „tie van de komp„e heeft aangegaan. Dan Dewijl hij het hier door zodanig bij de Boniers verkorven heeft dat er geen mogelijk, „heid apparent zal wezen om met dezelve ooit weder in eenige verzoening te komen en hij mijn dierhalven dezen morgen een Bootschap heeft laten doen om zig geheel en al met Land en volk onder de bescherming van de komp„e te begeven en jk hem daar op een uitstellend antwoord gegeeven heb, zo kan ik niet afzijn uw Hoog Edelhedens de vereischte kennisse zo tande m¬ wa¬ tijds brengen den inge¬ over mij mate ei„ tijk nu uisin hier geen en nd:/ zo spoedig doenlijk te geven, ten einde hier omtrend met Hoog Derzelver Bevelen in Cas subject te mogen werden gemuni„ „eert, te gelijk Eerbiedig melden de dat van ouden tijden af de Ed: komp„e alle zodanige Prinsen onder zijn bescherming geno„ „men heeft als tot hem ten dien einde zijn overgekomen. voorbeelden daar van die mijn nu maar enkeld te binnen schieten zijn te vinden in de voorige koning van Bonij in zijn vlugt voor zijn zuster die voor hem geregeerd heeft in den Bonijschen Prins Pongauw Leessoe toen hij door zijn vader ver„ „volgd wierd en dat van Aroe Pantjana zelfs die zo als men zegt met zaken Pak tot de Ed: komp„e ook overgekomen en on„ „der deze zijn bescherming genomen tot heden toe gebleven is, Boven dien is het een oude aanmerking dat voor de kamp„ niets zekerder en beter is als de overkomst van al zulke Prin„ „sen om daar door de successive aangegroeide Bonische Groot heid wat te verminderen en ons des noods altijd tegens de„ zelve bestand te doen zijn. Ik referere mijn als nog aller nedrigst aan mijn vorige afge „gane schrijvens en blijve met den diepsten Eerbied. Hoog Edel Groot Agtbaare Gestrenge wijdgebiedende Heere. en Vel Edele Gestrenge Heeren. Makasser in het kasteel R. Rotterdam den 9: Junij A„o 1788 Guwer Hoog Edelhedens onderdanige en Gehoorzame Dienaar. /:was getekent:/ B„s Reijke. .

NL-HaNA_1.04.02_3815_0613 view scan ↗

English

339 Batavia To his High Honour The High Noble, Right Honourable, Strict, Sovereign Lord Mr. Willem Arnold Alting, Governor General, along with The Right Noble, Strict Lords Councillors of the Dutch Indies, etc., etc., etc. High Noble, Right Honourable, Strict, Sovereign Lord and Right Noble, Strict Lords. Yesterday, by the pantjallang De Maria, we received letters from the Bima Resident Meurs, dated the 7th of this month, containing the situation on Sumbawa and what has already been accomplished there, as well as a request for rations for the crew of the ship De Nephtunus and troops for the further continuation of the expedition. We have taken such resolutions on the one and the other as our own circumstances have advised, and at the same time we have ordered the burgher Ulrich, who had already drifted off with his trade and other slaves for the Company, to remain yet another day and night, in order to be able to give your High Honours the requisite notice of this and other matters by forwarding the aforementioned letter and resolution, as we are also respectfully doing herewith due to the shortness of time. We remain with the deepest humility, High Noble, Right Honourable, Strict, Sovereign Lord and Right Noble, Strict Lords, Makassar, in Fort Rotterdam, the 16th of June Anno 1788. Your High Honours' humble and faithful servants. Signed: B:s Reijke, W:m Beth, Pieter's son, J: M: Baserman, P: L: De Vos, S:m Monsieur, T:s Bosch, J: G: Budach, and J: A: Wiesse. 341 Batavia To his High Honour The High Noble, Right Honourable, Strict, Sovereign Lord Mr. Willem Arnold Alting, Governor General, along with The Right Noble, Strict Lords Councillors of the Dutch Indies, etc., etc., etc. High Noble, Right Honourable, Strict, Sovereign Lord and Right Noble, Strict Lords. Taking advantage of the opportunity of the Chinese Ongsianko departing for Batavia, I have the honour to inform your High Honours that, according to rumours, the vessels of the Bone envoys are said to have been seen around the islands here, so that upon the speedy arrival of the King of Bone from Maros for that purpose, I hope to be placed in a position in the coming days to negotiate with that monarch, according to the pleasure of your High Honours, regarding the surrender of the Gowa royal regalia, which, however, cannot take place before the end of their Great Puasa or New Year's festival, which will likely take another thirteen to fourteen days. Furthermore, since I have not yet answered the question posed by your High Honours in their most respected letter of the 19th of February last, regarding the statement of the Bone envoy, namely that his king had wished to offer the hostile Makassarese still residing with him to the Company in order to obtain pardon, but that this had supposedly been rejected by me, it now serves in all respect that, as I consider that from all the devious actions of the Bonians and their so frequently concocted falsehoods, already communicated to your High Honours, their intrinsic value will have been sufficiently demonstrated, and that this nation therefore no longer merits any belief, your High Honours will also be assured that this fabricated or instigated pretense of the envoy is far from the truth, besides the fact that the King's unwilling conduct in surrendering the royal regalia, and his own statements among his people that he is the actual king over the Makassarese, and the appointment already made on top of that of Aroe Mampoe as regent over the rebels, provide the most sufficient and all the clearest evidence of the untruth of this assertion. From Sumbawa I have received no further news than what was already communicated recently via the burgher Ulrich, after whose departure, as swiftly as possible on the 18th of this month, well-armed and with as many provisions as could possibly be spared for the ship De Nephtunus, I dispatched thither once again the pantjallang De Maria 343 De Maria, under the command of Lieutenant Heijlman, and letters to Resident Meurs, which contained not only an answer to his received letter, but also the remarks deemed useful regarding certain requirements not properly observed during the expedition, as your High Honours will be pleased to see from the copy of the letter respectfully attached hereto. I remain with the deepest humility, High Noble, Right Honourable, Strict, Sovereign Lord and Right Noble, Strict Lords, Makassar, in Fort Rotterdam, the 21st of June Anno 1788. Your High Honours' humble and obedient servant. Signed: B:s Reijke. Agrees, A: Kleek. To his High Honour The High Noble, Right Honourable, Sovereign Lord Mr. Willem Arnold Alting, Governor General, along with The Right Noble Lords Councillors of the Dutch Indies. High Noble, Right Honourable, Sovereign Lord and Right Noble Lords. Your High Honours' highly esteemed separate letter of 1 February 1788 I have had the good fortune to receive; and I report in all humility that I have answered most of what appears in it in our general letter, according to your High Honours' orders, and that the Residents hereby have knowledge of everything, and also gain experience; this will also be continued. I request Separate 345. Original for the Netherlands 349.

Dutch transcription

339 Batavia Aan zijn Hoog Edelheid Den Hoog Edelen Groot Agtbaren Gestrenge wijdgebiedende Heere M„:r Willem Arnold Alting, Gouverneur Generaal. De wel Edele Gestrenge Heeren Raden van Nederlandsch Indien etc: etc: etc: Hoog Edel Groot: Agtbaare Geetrenge Wijdgebiedende Heere en Wel Edele Gestrenge Heeren. Op giteren ontfangen wij met de Pantjallang de Maria schrij„ „vens van den Bimas Resident Meurs, de dato 7„e dezer, behel„ „sende de toestand op sumbawa en het geene daar reeds is uitge„ „regt, mitsgaders verzoek om Randzoenen voor de Equipagie van het schip de Nephtunus en volk tot verdere voorzetting der Expeditie. wij hebben op het een en ander zodanige be„ „sluiten genomen, als onze eigene gesteldheid ont te raden heeft gegeven en te gelijk den Burger ulrich die met zijn koop - en andere - slaven voor de komp„e al afgedreven wat, gelast, van nog een Etmaal te vertoeven, ten einde uw Hoog„ een „Edelheden van dit en ander onder aanbod van voormel„ Benevens „de de afge en Hoog Edel Groot Agtbare Gestrenge Wijdgebiedende Heere en wel Edele Gestrenge Heeren, Makasser in het kasteel Rotterdam den 16„' Junij A„o 1788 uw HoogEdelhedens onderdanige en Trouwschuldige Dienaaren. /:was getekend:/ B:s Reijke. W„m Beth psz: J: M: Baserman, p: L: De vos„ S„m Monsieur T„s Bosch; J: G: Budach en J: A: wiesse — „de Brief en Resolutie de verEischte kennisse te kunnen geven, ge„ „lijk wij zulks dan ook mits de kortheid destijds Eerbiedig zijn doen „de bij dezen Wij blijven met de diepste nedrigheid. 341 Batavia Aan zijn Hoog Edelheid. Den Hoog Edelen Groot Agtbaare Gestrenge wijdgebidende Heere M:r Willem Arnold Alting Gouverneur Generaal. De wel Edele Gestrenge Heeren Raden van Nederlandsch Indien ect: etc: ect: Wijdgebiedende Heere Hoog Edel Groot Agtbaare Gestrenge en Wel Edele Gestrenge Heeren. De gelegentheid dat de Chinees Ongsianko na Batavia ver„ „trekt waarnemende heb jk de Eer uw Hoog Edelhedens te be„ „delen, dat volgens gerugten de vaarthuigen van de Bonische Gezanten hier amstreeks de Eilanden zouden zijn zijn ge„ „zien, zo dat ik bij een spoedige overkomst van Bonijs koning ten dien einde van Maros verhoop eerstdaags in staat ge„ „steld te zullen worden om na het welbehagen van uw Hoog„ „Edelhedens met dien vorst te handelen wegens de overgave der Godese Rijks-ornamenten, dat egter niet zal kunnen geschie„ Benevens den en „den voor het eindigen van haar Groot Pocassa of nieuw Jaars feest, waar meede nog wel derthien 't veerthien dagen zullen heenlopen, Dan daar ik nog niet beandwoord hib, de door uw Hoog Edel vrage „hedens gedan, ^ bij Hoogst Derzelver gerespecteerde van den 19:' februarij Laast leden met opzigt tot het gezegde van Bonissh afgezant namentlijk dat zijne koning de bij hem nog zijnde vijandelijke Makassaren aan DE komp„e ter Erlanging van vergiffenis heeft willen aanbieden dog dat zulks door mijn van de hand zoude gewezzen zijn, zo diend thans daar op Eer „biedigst, dat dewijl jk vermeen, dat uit alle de uw Hoog Edel„ „hedens nu reets bedeelde slinkse bedrijven der Baniers en har zo menigmaal opgediete onwaarheden genoegzaam zal gebleken wezen haar Jntriniicque waarde en dat dus deze Natie geen gelooft meer komt te meriteeren, uw Hoog Edel „hedens ook wel verzekert zullen willen zijn dat dit opge„ „raapte of g'instigeerde voorgeven van den afgezant zeer be„ „'Skonings zijden de waarheid is, buiten dat ook nog 'skomp„s onwillige handelwijze in het overgegeven der Rijks-ornamenten en zijn eigene uitlatingen onder de zijne dat hij de wezentlijke koning over de Makassaren is en de reeds gedane aanstelling daar en boven van Aroe Mampoe tot Rijksbestierder over de Rebellen, de genoegzaamste en alle duidelijks te blijken van de onwaarheid van dit gezegde uitleveren. Van Sumbawa heb ik geen nader tijding ontfangen als het reets bedeelde Jongst met den Burger Ulrich, na welkers vertrek ik ten allerspoedigsten op den 18„e dezer wel g'armeerd met zo veel protuc als maar immers voor 't schip De Aephtunus te missen is ge „weest weder na derwaards gedepecheert heb de Pantjallang De ƒ 343 De Maria onder Commando van den Luitenant Heijlman, en schrijvens aan den Resident Meurs, dat niet alleen behelsde een andwoord op desselfs ontfangene brief maar ook de dienstig g'oor„ „deelde remarcques omtrent zommige bij de Expeditie niet wel in agt genomene vereischtens, gelijk uw Hoog Edelhedens dit een en ander uit het afschrift van de hier nevens Eerbiedigst ge„ „voegde Brief des behagende zullen kunnen zien. Ik blijve met den den diepsten nedrigheid. Hoog Edel Groot Agtbaare Gestrenge wijdgebiedende Heere en Dwel Edele Gestrenge Heeren Makasser in het kasteel Rotterdam den 21e Junij A„o 1788 O uwer Hoog Edelhedens onderdanige Den Gehoorzame Dienaar. /:was getekend:/. B„s Reijke, Accordeert Ai Kleek G e ze g ten het an g An zijn Hoog Edelheid. den Hoog Edelen Groot Achtb=r wyd gebeediende Heer Mr. Willem Arnold Heting goever neur generaal beneeveur de WelEdele Heeren Raaden van Nederlaads Judia Hoog del Groot Achtbr wijd gebeiedende Hee„ en Wel Edele Heeren Uwe Hoog Edelheeden Hoog geloede aparte Schrijvens van den 1 februarij 1788 hebbe 't geluk gehad van wel 't ontvangen; en diene in alle needrig= =heid dat ik het meerste daerin voorkoomende in onzen gemeenen Briev de antwoord, gelijk nu Hoog Welheedens order, en dat de Residen =ten hierdoer van aller kennis draagen, tevens ondervinding be ook zal daer meede =koomen gecontinueert worden. verzoelk Eparte 345. Origineel voor Nederland 349.

NL-HaNA_1.04.02_3815_0620 view scan ↗

English

I humbly request forgiveness that Your High Nobilities' respected orders, contained in your esteemed letter of 10 December 1787 to the Resident Matthijszen and the undersigned, regarding sending my deserted wife to Samarang, have not yet been carried out. The essential reasons are: that whether Matthijszen remains without assistance or leaves without being replaced is one and the same; all papers and books would fall into disorder, which is greatly feared. The Acts of Ratification, which Your High Nobilities are pleased to cite at Section 31 in the letter of 1 February 1788 that follows, have not arrived, and I take the liberty to request them when opportunity offers. Regarding Banjermassing Regarding Juster Moeja, whom Your High Nobilities are pleased to cite at Section 31; he is not a son of Pangerang Amier, but a nephew; for Pangerang Amier, his son is here at Court. Also, the claim of Juster Moeja to the Kingdom of Banjer is far from valid; for there are many here who have a closer right to it. For the rest, I have the honor with all respect to call myself, High Noble, Great, Honorable, Far-Ruling Lord and Noble Lords, 87: 4 April Your High Nobilities' dutiful servant, C. Hoffman Separate 347. Original for the Netherlands 349. 1788 S Batavia To His High Nobility, the High Noble, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord, Master Willem Arnold Alting, Governor General on behalf of the State of the United Netherlands and the General Chartered East India Company, together with the Noble, Highly Esteemed Lords Councilors of the Dutch Indies, etc., etc., etc. High Noble, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord, Noble, Highly Esteemed Lords, Having had the good fortune to see ourselves honored with Your High Nobilities' highly venerated letter under date of 10 December of the past year, and to perceive from it your very Original for the Netherlands Separate 349. Separate respected order to send the wife of the First Draftsman to Samarang at the first suitable opportunity, we take the liberty very humbly to beg Your High Nobilities for forgiveness that we have not yet carried out this order, and have postponed it until Your High Nobilities' further favorable disposition; the humble signers will ensure that nothing concerning the service is neglected. Wherewith we take the liberty to call ourselves with respect and awe, High Noble, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord and Noble, Highly Esteemed Lords, Your High Nobilities' humble and obedient servants, Banjermassing Tatas, 5 April 1788. D. Matthijssen J. Hoffman Geelvinck No 2 Original Secret 351. To His Nobility, the High Noble, Great, Highly Esteemed Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor General, together with the Noble Lords Councilors of the Dutch Indies. High Noble, Great, Highly Esteemed Lord, and Noble Lords! I take the liberty very humbly to present herewith to Your High Nobilities a copy of a dispatch received yesterday from the Governor of Malacca, De Bruijn, regarding the communication about the pirate fleet that has already departed hither Separate under the command of the Siak Said Ali. I therefore immediately communicated this important content to the King and requested that he arm his vessels at hand as quickly as possible, and dispatch them as soon as possible for the protection of the island of Banca and of the tin vessels reliably expected from there. Having already, two months ago, because I was informed by certain Malays arrived from Malacca of that presumed undertaking of the aforementioned Said Ali, earnestly and emphatically requested this of the King, I nevertheless find myself under the disagreeable obligation of having to inform Your High Nobilities that at present not a single vessel lies ready properly armed, and the King shows himself all too little alarmed by the latest confirmation of the certain arrival of that pirate; for although 353 although he has now indeed given orders for the equipping of some penjajaps, that work nevertheless proceeds so slowly that I fear that before that fleet will be able to put to sea, the pirates will have already achieved their objective in capturing the tin vessels. I have also repeatedly made this known to the King, earnestly setting before him the resulting consequences of such negligence, whereby not only his own subjects but also the Company would be significantly injured, and that if the King did not find himself powerful enough to protect the island of Banca against such hostilities—to which he nevertheless ought to apply his utmost ability—it would be better to inform Your High Nobilities of this in a timely manner. Yet all these well-intentioned attempts of mine and frequently repeated representations have hitherto had very little beneficial effect, so I fear that the tin shipments will hereby again be greatly delayed, just as in the past year, which is all the more disagreeable since a good quantity of the mineral already lies loaded in vessels on Banca and they are only waiting for lighter winds for transport hither, but upon the slightest rumors of insecurity those shippers will not dare to set sail without assistance. This prospect, so detrimental to the Company, causes me to take the liberty to bring most respectfully to Your High Nobilities' attention the urgent necessity for expelling those pirates, who, if they succeed again this year in capturing some tin vessels, will in the future

Dutch transcription

verzoek needrig om verget uit dat uwe Hoog Edelheeden gerespecteerde orders verrot in kogtt Dorzolver gelevde schrijvens van den 10 December 1787 an den Besedent Matthijszen en ondergeteekende; om- trect mijn verlaaten Huis vrouw na Samarang te zenden, nog niet ter uitvoer gebragt, de Weezertlijke reeden zijn: dd, of Matthijzen blijvt zouder staar, of gaad weg zonder vervangen te worden, is een en 't zelfde; alle Tampieren en Boeken zouden in de warre raaken, en waer voor No zeer bedugt. De Actons van Fatificatie waervan www Hoog Welheeden gelieven an te haalen bij § 31. in den Marten Briev van den 1 februarij 1788, dat volgen; zijn niet angekoomen, en gebruike de Vrijheid om dezelve te verzoeken bij geleegentheid omtrent Bange massing omtrent Juster Moeja van Welken Uw Hoog Wdelheeden gelieven bij § 32 au t haalen; deezen is geen zoon van Pangorang Hmier maar een neef; want Pangeraug Amier Zijn Loon is hier an t Hofb. Ook is de Pretentie van Justic Moeja op het Banger de Rijk not verre; want hier veele zijn die nader daer toe regt hebben voor 't ovrige heb de eere van mij met alle ontog t naemen Hoog Wdel groot Hetstr wijd gebiedende Heer en Wel Edele Heeren 87: 4 April Wwe Hoog Edelheedens plichtschuldige diena b Hotfman Eparte 347. Origineel voor Nederland 349. 1788 S Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd 3 Den Hoog Edelen Hoog Agtbaaren Wijdgebieden den ster M„r Willem Arnold Atting van weegens den staat der vereenigden Neederlanden en de Generaale Geortrooij- eerde Oostindische Compagnie Gouverneur Generaal. Neevens De Wel Edele Groot Agtbaare Heeren Raaden van Nederlands Indie & & &a. Hoog Edelen Hoog Agtbare Wijdgebieden den Heer WelEdele Groot Agtbare Heeren 's Geluk gehad hebbende oms vereert te zien met uw Hoog Edelheedens Hoog Gevenereerde Letteren sub Dato 10 December Ao passato, en daar uijt te ontwaaren Hooghtenzelver zeer Origineel voor Nederland Apart Gerespecteerde 349. O parte En gerespecteerde Ordre om de Huijsvrouw Dan den Eerste Teekenaar met de Eerste bekwaar geleegentheijd naar Samarang te zenden, zoo gebtuijke wijlden Vrijheijd uw Hoog Edelhee den zeer meedrig om Vergiffenis te verzoek dat wij deese Order nog niet ter uijtvoer gebra hebben, en tot uw Hoog Edelheedens naadele Gunstige dispositie uytgesteld, zullende de nee drige Teekenaars zorgen dat niets wat den daans betreft verwaarloost werd. Waar meede de Vrijheijd neemen ons met Eerbied en Ootzag te noemen. Hoog Edelen Hoog Agtbaare Werdgebiedenden Hee r e Groot Agtbaare Heere 8651 2 uw Hoog Edelheeden. Onder Banjermassing Tatas Den 5„e April. danige En Gehoorsaame Dienaaren 1788 8 ar D Mattijssen J Stopman Geelvinck No 2 Orig:t Secreet 351, Aan zijn Edelheijd Den Hoog Edelen Groot Achtbaaren Heer Er: Willem Arnold Alting Gouverneur Generaal beneevens De wel Edele Heeren Raaden van Neederlandsch Jndia Hoog Edel Groot Achtbaar Heer, En Wel Edele Heeren! Ik neem zeer needrig de vrijheijd Uw Hoog Edel„ „heedens hier neevens aan te biedem Copia eener opgisteren ontfangene Missive van den Heer Malaks Gouverneur De Bruijn ter bedeeling van de bereeds herwaards vertrokkene vloot zee¬ „roovers N Eparte onder gezag van den Siacsen Zuit Alie, dus dies aangeleegene in houd dem Koning aanstond bedeeld en verzogt hebbe, zijne aan handen zij „de vaartuijgen zoo zas doenlijk te armeeren en ter beveijling van 't eijland Banca, en ze van daar deegelijk verwagt wordende Thin Vaan „gen zoo ras doenlijk te willen depecheeren, geen ik bereeds over twee maanden door dien ik van zommige van Malacca gearriveerd & „de Maleijers van die presumptive ondernees „ming van voorm: Zuit Alie was onderrigt, den Koning ernstigen met nadruk verzogt hebbende, vind ik mij des niet teegenstaande in de onaangenaeme verpligting uw Hoog Edelheedens te moeten informeeren, dat thans nog geen enkeld vaartuijg goed gearme klaarlegt, en de Koning zig over de laatste bevestiging van de zeekere komst van die roe „ver al te weijnig geallarmeerd toont, want of schoon 353 schoons hij thans wel ordre tot equipeering van eeni„ „ge panjajaps gegeeven heeft, gaat dat werk niet te min zoo traag voort dat ik vreese dat eer die vloot in zee zal kunnen koomen, de zeeroovers haar oogmerk in 't wegneamen der thin vaartuij„ 6parte „gen bereeds zullen hebben bereijkt, 't geen ik dan ook den Koning bij herhaeling hebbe te ken„ nent gegeeven, de daar uijt voortv:loeijende gevolgen van zodanige verwaarloosing, waar door niet alleen zijne eijgens onderdaenen maar teffens de Compagnie important wierd benadeeld, erns„ „tig heb voorgehouden, en dat zoo indien de Koning zig niet magtig genoeg vond om 't eijland Banca 1. 1 voor diergelijke vijandelijkheedens te kunnen beveijligen; waar toe hij egter zijn uijterste vermo„ „gens moeste aanwenden; 't beeter was Uw Hoog Edelheedens hier van tijdig te moeten infor„ „meeren. Dan alle deeze mijne welmeenende tentames en 6 mee on choon en s dikwils her haalde vertoogens habben tot nog to zeer weijnig uijtwerking ten goede gedaan, dus is vreese dat de thin verzending hier door weeder „om eeven gelijk gepasseerde Jaar grootelijks za vertraagd worden, 't geen kes te onaangenaeme is, vermits bereeds eene goede quantiteijt van de minaraal op Banca in vaartuijgen gelaede legt, en eenlijk maar naar slappere windent vervoer naar herwaarts blijven wagten, dog die op de minste gerugten van onveijligheijd dien a „voorers niet zonder secours zullen durven ze Dit voor de Compte: zoo nadeelige vooruijtzig doet mij de vrijheijd neemen uw Hoog Edelhe „dens eerbiedigst onder Zoog te brengen de Roe „ge vereijscht wordende noodzaekelijkheijd tot verjaeging van die zeeroovers, dewelke zoo in„ „zien haar dit Jaar weederom gelukt eenige thin vaartuijgen weg te neemen voor 't vervolg zig „len.

NL-HaNA_1.04.02_3815_0631 view scan ↗

English

will make themselves all the more capable of such undertakings, the more so because I dare conscientiously assure Your High Excellencies that the Palembanger, regardless of his pusillanimous nature, has far too few vessels to resist such a large force of pirates as is expected to appear here according to the Malacca reports; and because one cannot consider it impossible that these robbers might receive some encouragement and even support from a stronger hand, namely from Poule Pienang, this could therefore have the most detrimental consequences for the Company in the trade here, especially if the greedy Bangcanese were to come to an agreement with those robbers, they would always be able to find ready pretexts to carry on their smuggling trade unhindered under the guise of the capture of their vessels. In the hope that Your High Excellencies will kindly accommodate this raised difficulty of mine, which is purely speculative, I take the liberty to recommend myself to Your Excellencies' highest protection, and have the honor, with wishes for Heaven's bountiful blessing, to be with the deepest respect, High Noble, Right Honourable Lord, And Right Honourable Sirs! Palembang, the 4th of March 1788. Your High Excellencies' Humble and dutiful Servant, D. Walbeeck Original Secret To His Excellency, The High Noble, Right Honourable Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor General, together with The Right Honourable Lords Councillors of the Netherlands Indies. High Noble, Right Honourable Lord, And Right Honourable Sirs! With my secret letter dispatched herewith in duplicate, the original of which I had the honor very humbly to offer to Your High Excellencies per the Sheik Ali, I took the liberty to send Your High Excellencies the Malacca reports concerning the pirates to be expected; I am now reliably informed that the famous pirate Sait Alie has entered the river of Siac with 50 vessels, and that indeed with force against the wish of the prince ruling there, so it is greatly to be feared that this rabble will appear here daily to render the Strait of Banca unsafe. Furthermore, I was confidentially informed by the King that the aforementioned Sait Alie received three coyangs of gunpowder and some other ammunition at Poulo Pienang, with the promise to pay for it on his return in Banca products; thus my fears mentioned in my previous very humble letter are somewhat confirmed. I could not fail to give Your High Excellencies immediate notice of this unpleasant news, since I am assured that this news contains in every respect the full truth; nor shall I fail, upon further discovery, to make a dutiful report to Your High Excellencies, for which purpose I shall endeavor to investigate all possible channels to obtain more certain news. I furthermore have the honor to remain with the deepest respect, High Noble, Right Honourable Lord, And Right Honourable Sirs! Palembang, the 15th of March 1788. Your High Excellencies' Humble and dutiful Servant, D. Walbeeck Dispatched Secret and Separate Letters to the Honourable High Indian Government, dated 1 June, 6 July, 29 September, 24 December 1787; 18 January, 18 February, 17 March, 3 and 28 April 1788. Copy Batavia To His Excellency, The High Noble, Right Honourable Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor General, together with The Right Honourable and Gallant Lords Councillors of the Netherlands Indies. High Noble, Right Honourable, Far-Ruling Lord, and Right Honourable Sirs, § 93. In compliance with the orders given to him pursuant to the 17th article of the 39th paragraph of the undersigned Governor's separate advice to Your High Excellencies of 16 March last, to lease the Riouw domains for the last six months of the current year, the Merchant David Ruhde leased the rights of the Boom, Daatzen, Candles, Madas, Topbaanen, and Arrack by agreement—since he was convinced that a public auction of the same would lack buyers and sureties—to the Captains of the Chinese Nation for rds. 1062. 24. per month; however, being unable to induce them to accept simultaneously the farm of the anchorage money of the vessels, he resolved to have that money collected by a native servant: while the King, in conformity with the 2nd article of the convention concluded with His Highness on 7 February 1787, caused to be delivered to the Resident rds. 580. 40. for the half of what the Nakhodas of the two junks arrived from Hinus and Canton had paid. And since the aforementioned stipulated sum of rds. 1062. 24. per month, or rds. 6375. for the six months, amounted to rds. 2000. more than was bid by the then Captains of the Chinese according to the secret letter of the said Ruhde dated 16 October 1785, this gave us the not unfounded hope that the Riouw revenues would in a short time almost equal, if not surpass, the expenditures. But we have been disappointed in this by a fatal incident, of which we must now, to our heartfelt sorrow, give notice to Your High Excellencies. § 94. On 13 May, the Governor received a letter from the Merchant Ruhde dated the 6th prior, containing that forty vessels had been seen behind Tanjong Pinang, and among them four large penjajaps, heading toward the land- or south side of Riouw; that they did not appear to be pirates, but a fleet coming from Borneo and commanded by a prince; that he (Ruhde) was also informed that those who, during the conquest

Dutch transcription

355 zig des te magtigen tot diergelijke onderneemin„ „ge zullen maeken, te meer dewijl ik uw Hoog Edelheedens gemoedelijk durf verzeekeren dat de Palembanger ongereekend zijn Erfhartige aard, veels te weijnig vaartuijgen heeft tot teegen„ „gang van zoo eene groote magt van Zeeschuijmers als er volgens de Malakse rapporte alhier staat te verschijnen, en dewijl men 't niet onmogelijk zoude kunnen stellen, dat die roovers door mag„ „tiger hand en wel van Poule Pienang eenige aanmoediging en zelfs onderstand ontfingen, zoude zulks dierhalven van de nadeeligste ge„ „volgen voor de Maatschappij in den handel al„ hier kunnen worden, voor al Zoo indien de Schraaf¬ „zugtige Brancaneese '½ met die roovers eens wierde zouden zij altoos gereede objecten kunnen vin„ „den om haere smokkelhandel op voorgaeve van 't wegneemen haarer vaartuijgen ongehin¬ „dert te kunnen drijven. An O Eparte In hoope uw Hoog Edelheedens deeze mijne geopperde zwaerigheijd, die niet dan enkel spe„ „culatief is gunstiglijk zullen gelieven in te schikken, neem ik de vrijheijd mij in Hoogst der„ „zelver protectie aan te beveelen, en heb de Eer naar toewensching van 's Heemelsmilde zee„ „gem met '½ die pot ontzag te zijn. Hoog Edel Groot Achtbaar Heer, En Wel Edele Heeren! Palembang den 4e: Maart 1788. uw Hoog Edelheedens Onderdanige en trouwschuldi„ „ge Dienaar D Walbeeck uldi. ld 6parte 28 N 357 Origineel Secreet Aan zijn Edelheijd Den Hoog Edelen Groot Achtbaaren Heer Er: Willem Arnold Atting Gouverneur Generaal beneevens De wel Edele Heeren Raaden van Neederlandsch Jndia Hoog Edel Groot Achtbaar Heer, En Wel Edele Heeren! Bij mijne bij deezen in duplo afgaande Secree„ „te lesteren welkers origineele ik per zech Alie de Eer gehad hebbe Uw Hoog Edelheedens zeer nee„ „derig aan te bieden, heb ik de vrijheijd gebruijkt uw Hoog Edelheedens de Malakse berigten omtrend de 6 6 parte de te verwagt worzende zeeroover toe te zenden; thans ben ik in 't zeekere geinformeerd dat den besaamde zeeroover Sait Alre met 00 Vaartui „gen de rivier van Siac is binnen geloopen, en zul wel met geweld teegens ( verzoek van den aldaar regeerende vorst, dus zeer te dugten dat dat gespu daegelijks alhier ter ontveijliging van Straat Ban „ca verschijnen zal. Wijders is mij door den Koning vertrouwentlijk be „rigt dat voorm: zait Alie op Poulo Pienang Drie Coijangs kruijt, en eenige andere Ammunitie zou „de ontfangen hebben, met belofte 't een opkzinder bij rethour in bancase producten te zullen betaelen, dus mijn bedugtinge bij mijn voorige zeer needrige eenigzints bewaarheijd worden, hebbende ik niet kunnen nalaeten uw Hoog„ Edelheedens van deeze zoo onaangenaeme tijding directelijk kennisse te geeven, vermits men mij verzeekerd dat die tijding in allen opzigte eene volkoome 359. Palembang den 15e: Maart 1788. volkoome waarheijd behelst, zullende ik niet na„ „laeten bij verdere ontrekking uw Hoog Edelhee„ „dens een verschuldigt rapport te doen, en waar toe ik alle mogelijke Canaele ter bekooming eener wisser tijding zal tragten op te speuren. Hebbe ik wijders de Eer met 't diepote ontzagte verblijven. Hoog Edel Groot Achtbaar Heer, En Wel Edele Heeren! Uw Hoog Edelheedens Onderdanige en trouwschuldi„ „ge Dienaar D Walbroeck 6parte den; n b Alijk re O 8 Afgegaane Secreete en D parte Brieven aan de Edele Hooge Indische Regeering, gedateerd 1. Juni, 6. Iuli, 29. Septam„ „ber, 24. December 1787. 18. Januari, 18. Febru„ „ari, 17. Maart, 3. en 28. April 1788. Copie C O 361. Batavia Aan Zijn Edelheid, Den Hoog Edelen Groot-Agtbaaren Heer Mr. Willem Arnold Alting, Gouverneur Generaal, benevens De Wel-Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Indie Hoog-Edele Groot-Agtbaare Wijdgebiedende Heer, en Wel-Edele Heeren, § 93. De Koopman David Ruhde heeft ter voldoeninge aan de orders, die hem, volgens het 17:de articul dor 39=ste pa„ „ragraphe van des ondergetekenden Gouverneurs aparte adviesen aan Uwe Hoog-Edelheden van den 16. Maart laastleden, ge„ „geven zijn, om de Riouwsche domeiren voor de laaste zes maanden der loopenden jaars te verwagten, de geregtigheden van de Boom, Daatzen, Kaarzen, Madas, Topbaanen en Arak bij accoord, alzoo hij overtuigd was dat het bij publique opveiling van dezelve aan koopers en borgen zoude ontbreeken, overgelaten aan de Capiteins der Chineesche Natie voor rds. 1062. 24. - Secreet ter ter maand; dan, hun niet kunnende beweegen ter acceptatie teffens der pagt van het Ankerasie-geld der vaartuigen, voor„ „genomen dat geld door eenen inlandschen Bediende te laaten in„ „vorderen: terwijl de Koning, conform aan het 2. de articul van de met zijne Hoogheid op den 7. Februarij 1787. gesloten conventie, den Resident heeft doen ter handen stellen ros. 580. 40. —. voor de helfte van hetgene de Nagodas der twee van Hinus en Canton aangekomen Jonken betaald hadden. En nadien de voorschreven bedangen Somme van rds. 1062. 24. -. „ter maand, of rds. 6375. –. voor de zes maanden, rds. 2000. —. meer bedroeg, dan volgens den secreeten brief van gemelden Ruhde sub dato 16. October 1785. door de taen„ „maalige Capiteins der Chineeschen geboden was, wierdt ons daar in 't geene ongegronde hoop geboren, dat de Riouw„ „sche inkomsten binnen korten tijd de lasten na genoeg zou„ „den evenaaren, indien niet surpasseeren. Maar, wij zijn daar in te leur gesteld door een noodlattig voorval, van het welke wij tot onze hartelijke droeffheid Uwer Hoog Edel„ „heden nu moeten kennis geeven. §94. Op den 13. Mai ontving de Gouverneur een brieff van den Koopman Ruhde in dato 6. bevoorens, behelzende dat van agter Tanjong Linang gezien waren veertig vaartui„ „gen, en daar onder vier groote panjajabs, boegende naar den land- of Zuidkant van Riouw; dat dezelven geene zeeschuimers scheenen te zijn, maar eene vloot, die van Borneo kwam, en door eenen vorst gecommandeerd wierdt; dat hij (Ruhde) ook geinformeerd was, dat de bij het conquereeren

NL-HaNA_1.04.02_3815_0643 view scan ↗

English

385. 363 conquering Riouw for the Company, the Buginese Regent Radja Ali, who had fled from there, was in the said fleet, which possibly intended to launch a surprise attack on Riouw; that, as this fleet was approaching slowly, he feared that they might easily be awaiting a reinforcement. We then immediately resolved to send the cutter Iava, the bark Standvastigheid, and the hooker Katwijk aan Zee, carrying eighty-one soldiers, among whom thirty-one Europeans, and nineteen artillerymen, as soon as possible, to the assistance of the Company's garrison on Riouw under the command of Lieutenant Commander Blandauw; they were indeed dispatched on the 15th. But, these vessels, together with the pantjallang Banca that had departed for Riouw some time before, being sighted again on the 18th towards the evening and having arrived in the roads the following day, we learned to our utmost astonishment and chagrin that Riouw had been attacked by a multitude of Solok pirates, joined, so it is believed, with the Buginese, and that Resident Ruhde was forced, during the night between the 14th and 15th, to retreat from there with the officers of the militia and artillery, and a small part of the garrison, but leaving behind the others, as well as most of the Company's effects, and the sloop Iohanna, which ran aground on a shoal while drifting away. Your Right Excellencies will find the circumstances of this most calamitous event recounted in the report that Merchant Ruhde has handed over to us, which is presented in copy alongside this to Your Right Excellencies. Section 95. We reverently add thereto an extract from our Secret Resolutions of May 21st, answered by the said Ruhde, regarding several points in his report that required further clarification or had raised some doubt among us. Section 96. And also a similar extract, answered by him and Captain Vetter, concerning the means to recapture Riouw for the Company. We have required their advice regarding this for the consideration of Your Right Excellencies, because through their local knowledge and experience they were better able to judge this matter than we, who have never been to Riouw, nor have beheld any vessels and the warlike equipment of the Solokkers. Section 97. Notwithstanding the presumptive impossibility in which one had found oneself to defend the Company's main fortress at Tanjong Pinang against the superior strength of the said piratical rabble, when it had already penetrated inland without any hindrance on the part of the Riouwers, as well as to save the stranded sloop Iohanna, we nevertheless, so that we might be assured that the abandonment of both could not be imputed to any neglect of duty, ordered the Fiscal to conduct a thorough investigation into it, and in the meantime decided to discontinue the wages of all the Company's servants stationed ashore at Riouw and on the said sloop 387. 365 as of May 15th, the day on which the said fortress and sloop were abandoned, but to let the wages of the rescued non-commissioned officers and common soldiers and artillerymen, as well as of the common seamen on the oft-mentioned vessel, resume as of the 19th of the same month, the day they arrived here and were also actually employed in the Company's service. Section 98. From the accompanying account of three Malays, whom the Governor sent out to ascertain whether the Solokkers had come to Riouw at someone's summons, or rather of their own accord, and how events had unfolded there after May 15th, it will among other things appear to Your Right Excellencies that Radja Alam, Commander of the Solok fleet, intends to direct his forces against Malacca now, possibly encouraged by the good success of his undertaking against Riouw. And, should that happen, from which may God mercifully preserve us, we would once again find ourselves in a precarious state, since we have too few Europeans in the garrison and among the citizens with which to protect the city and suburbs, as well as the fort on Bouquit-china and the Castle, and we cannot quietly rely upon the bravery and steadfastness of our native troops when they are not supported by Europeans. We therefore pray Your Right Excellencies to send us without delay such a strong reinforcement as Your Right Excellencies

Dutch transcription

385. 363 conquereeren van Riouw voor de Compagnie van daar gevlugte Boegineesche Regent Radja Ali zig in de gemelde vloot bevondt, die mogelijk een toeleg hadt om Riouw te over„ „vallen; dat, vermits die vloot langzaam naderde, hij (huhden bedugt was dat zij wel ligt nog een renfort inwagtten. wij beslooten toen aanstonds de kotter Iava, de bark de Standvastigheid, en den hoeker Katwijk aan Zee, met een en tagtig Militairen, daar onder een en dertig Europeers, en negentien Artilleristen, zoo spoedig immers mogelijk, ter assistentie van Comps. Bezetting op Riouw derwaarts te zenden, onder het bevel van den Capitein Luitenant ter Zee Blandauw; gelijk zij dan ook op den 15. gedepecheerd wierden. Maar, deeze kielen met de eenigen tijd te vooren naar Riouw vertrokken Pantjallang Banca op den 18. tegen den avond weder in het gezigt en den volgenden dag op de reede gekomen zijnde, vernamen wij tot onze uiterste verbaastheid en chagnin dat Riouw door eene merigte van Soloksche roovers, vereenigd (zoo men denkt) met de Boegineeschen, geattaqueerd, en de Resident Ruhde genood„ „zaakt was, om in den nagt tusschen den 14. en 15. met de Officieren der Militie en Artillerije, en een klein gedeel„ „te der Bezettelingen, van daar te retireeren, dog de overi„ „gen, zoo wel als Comps. meeste effecten, en de sloep de Iohanna, die bij het afdrijven op eene droogte vastraakte, agter te laaten. De omstandigheden van deeze zoo ram„ „spoedige gebeurenis zullen uwe Hoog-Edelheden verhaald vinden bij het Rapport, dat de Koopman Ruhde aan ons„ heeft heeft overgegeven en in copie nevens deezen Uwer Hoog-Edelheeden wordt aangeboden. §95. Wij voegen daar reverentelijk bij een door gemelden Ruhde beantwoord Extract uit onze Secreete Resolutien van den 21. Mais, nopens het een en ander point in zijn Rapport, dat nadere opheldering vereischt of bij ons eenige bedenkelijk„ „heid verwekt hadt. §96: En nog een diergelijk Extract, door hem en Capi„ „teni Vetter beantwoord, concerneerende de middelen om Riouw voor de Compagnie te herneemen. Wij hebben hun advies dientwegen gevorderd tot speculatie van Uwe Hoog-Edel„ „heden, dewijl zij door hunne locale kennis en ondervin„ „ding daar over beter oordeelen konden, dan wij, die min„ „mer op Riouw geweest zijn, nog ook eenige vaartuigen en den krijgstoestel der solokkers beschouwd hebben. §97. Onaangezien de presumtive onmogelijkheid, daar men zig in bevonden hadt om Comps. hoofdfortresse te Tanjong Pinang tegen de overmagt van het gemelde roof„ „gespuis te defendeeren, toen het reeds zonder eenige verhin„ „dering van de zijde der Riauwers ten lande ingedrongen was, gelijk ook om de vastgeraakte sloep de Iohanna te redden, hebben wij egter, op dat wij verzekerd mogten weezen dat de verlaating van beiden aan geen pligtverzuim kon worden geimputeerd, den Fiscaal gelast daar na een naauwkeurig onderzoek te doen, en intusschen besloten de gage van alle de te Riouw aan de wal en op de gemelde sloep bescheiden geweest zijnde Comps. Dienaaren te laaten af„ schrijven 387. 365 „schrijven met den 15. Mai, dat men de gemelde fortresse en sloep verlaaten heeft, dog die van de gesauveerde Onder-affi„ „cieren en Gemeenen onder de Militairen en Artilleristen, mits„ „gaders van de gemeene zeevaarenden op het meergemeld vaartuig, weder te laaten cours neemen met den 19. derzelfde maand, dat zij hier gearriveerd en ook werkelijk in Comps. dienst geëmploijeerd zijn. § 98. Bij het deezen verzellend Relaas van drie Ma„ - „leijers, die de Gouverneur heeft uitgezonden om te vernee„ „men of de Solokkers op iemands ontbod, dan wel uit eigen motief, te Riouw gekomen waren, en hoe het zig daar na den 15. Mai hadt toegedragen! zal Uwer H#Hoog-Edel„ „heden onder anderen blijken, dat Radja Alam, Comman„ „dant van de Soloksche vloot, geintentioneerd is om zijne magt nu tegen Malacca te wenden, mogelijk aangemoe„ „dig zijnde door het goed Lucces zijner onderneeming op Riouw. En, indien dat gebeuren mogte, (waar voor God ons genadiglijk behoede:) zouden wij op nieuws in eenen konmeerlijken toestand geraaken, dewijl wij te weinig Europeers in het Garnisoen en onder de Burgers hebben, om daar mede zoo wel de stad en voorsteden, mitsga„ „ders het fort op Bouquit-china, als het Casteel te be„ „schermen, en wij ons op de bravoure en fermiteit onzer inland„ „sche trouper, wanneer zij door geene Europeers ondersteund wor„ „den, niet gerustelijk verlaaten kunnen. Wij bidden derhal„ „ven Uwer Hoog-Edelheden, om tog zonder in't stel ons zooda„ „nig een sterk secours toe te zenden, als het uwer Hoog Edel„ „heden ere am ten 3 heeft overgegeven en in copie nevens deezen Uwer Hoog-Edel wordt aangeboden. §95. Wij voegen daar reverentelijk bij een door ge„ Ruhde beantwoord Extract uit onze secreete Resolutien den 21. Mais, nopens het een en ander point in zijn Ra„ dat nadere opheldering verascht of bij ons eenige bedenke „heid verwekt hadt. §96. En nog een diergelijk Extract, door hem en „teni Vetter beantwoord, concerneerende de middelen om voor de Compagnie te herneemen. Wij hebben hun adv dientwegen gevorderd tot speculatie van Uwe Hoog „heden, dewijl zij door hunne locale kennis en onder „ding daar over beter oordeelen konden, dan wij, die „mer op Riouw geweest zijn, nog ook eenige vaar„ en den krijgstoestel der solokkers beschouwd hebben. §97. Onaangezien de presumtive onmogelijkheid men zig in bevonden hadt om Comps. hoofdfortresse Tanjong Pinang tegen de overmagt van het gemeldev „gespuis te defendeeren, toen het reeds zonder eenige v „dering van de zijde der Riouwers ten lande ingedro was, gelijk ook om de vastgeraakte sloep de Iohan te redden, hebben wij egter, op dat wij verzekerd weezen dat de verlaating van beiden aan geen pligtde kon worden geinputeerd, den Fiscaal gelast daar na en naauwkeurig onderzoek te doen, en intusschen besloten gage van alle de te Riouw aan de wal en op de gem sloep bescheiden geweest zijnde Comps. Dienaaren te laaten schrijven

NL-HaNA_1.04.02_3815_0647 view scan ↗

English

write on 15 May, stating that the aforementioned fortress and sloop have been abandoned, but that of the saved non-commissioned officers and privates among the military and artillerymen, as well as the common sailors on the oft-mentioned vessel, to let them set course again on the 19th of the same month, that they have arrived here and have also actually been employed in the Company's service. Paragraph 98. From the accompanying account of three Malays, whom the Governor sent out to ascertain whether the Solokkers came to Riouw at someone's bidding or on their own initiative, and how matters transpired there after 15 May, it will appear to Your High Excellencies, among other things, that Radja Alam, Commander of the Solok fleet, intends to turn his force now against Malacca, possibly encouraged by the success of his undertaking against Riouw. And, should that happen (from which may God mercifully preserve us!), we would once again find ourselves in a precarious situation, as we have too few Europeans in the garrison and among the citizens to protect the town and suburbs, as well as the fort on Bouquit-china and the Castle, and we cannot restfully rely on the bravery and firmness of our native troops when they are not supported by Europeans. We therefore pray Your High Excellencies to send us without delay such a strong reinforcement as may be possible for Your High Excellencies, in order to frustrate the vengeful and ambitious designs of the Buginese, who (as is thought) are united with the Solokkers. Paragraph 99. Not daring to delay any longer the packet boat De Postlooper, intended to convey our humble dispatches to Your High Excellencies, in order to supply Your High Excellencies with further reports concerning the enemy, we have had her escorted as far as the Strait of Banca by the cutter Iava and the bark De Standvastigheid; which vessels must subsequently remain cruising there for some time to protect the arriving defenseless vessels from Batavia, Iava, and Cheribon, as appears from the copy of the instructions for Captain-Lieutenant Blandauw; wherein we request Your High Excellencies to be pleased to communicate the order regarding the signals to the private traders upon their departure hither for their information. Paragraph 100. We finally present to Your High Excellencies two lists of what was lost with the abandonment of Riouw and the sloop Iohanna, together with a brief strength return of the men who remained there or are missing, and remain with all respect, Underneath was written: High-Noble, Right-Honorable, Widely-Governing Lord, and Right-Noble, Venerable Lords. Lower down: Your High Excellencies' most obedient and bounden servants. Signed: L. G. de Bruijn, A. Couperus, I. A. Wenzel, F. Thievens, H. I. Wiederhold, C. G. Baumgarten, and G. Pungel. In the margin: Malacca, in the Castle, 1 June 1787. Separate Report From His Honour, To the High-Noble, Right-Honorable Lord Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General, and The Right-Noble, Venerable Lords, Councillors of the Dutch Indies. High-Noble, Right-Honorable, Widely-Governing Lord, and Right-Noble, Venerable Lords, Paragraph 101. With the arrival of the English snow The Minerva, Captain William Thomas, on 28 April last, I had the honor of receiving Your High Excellencies' most respected letter of 23 February prior, and shortly thereafter I not only contracted with the said William Thomas that he should bring, or cause to be brought here before the last day of October of the current year, twelve thousand piculs of Bengal rice at the price of sixty-five Spanish reals for every Malacca koyan of 5000 lb., but also urged the Siamese traders to import as much of that grain here as they can accommodate in their vessels apart from other merchandise, in order to protect the inhabitants against a scarcity thereof should nothing or not enough be brought from Iava; although I hope and wish that gracious Providence will have already caused all apprehension of a rice shortage on Iava and Batavia to disappear by watering the earth with sufficient rains and the crop with Her mild blessing. Paragraph 102. The supply of rice in the Company's storehouses in this Government amounted as of the end of May to 1,126,155 lb., and of gunpowder to 48,202 lb. Paragraph 103. A report from the Navy Lieutenant and Acting Master Attendant Meijer regarding the situation of Poeloe Pinang is herewith presented to Your High Excellencies for consideration. Just as the Governor of that island, Mr. Light, pays more for the products of the Malay places than the Company and the Malacca traders have ever paid, in order to gain control of the trade therein, he also sends opium to those places at lower prices than those for which I can part with it. It is even asserted that before long some armed English vessels will come into this strait to escort the Banca tin smugglers to Poeloe Pinang. If, in addition, Riouw—which is said to have been captured by the Solokkers on behalf of the Buginese—should also rear its head again, the trade at Malacca will be undermined on both sides to such an extent that it will completely collapse within a short time. I pray Your High Excellencies to take this into consideration, and to the one

Dutch transcription

387. 365 „schrijven met den 15. Mai, dat men de gemelde fortresse en sloep verlaaten heeft, dog die van de gesauveerde Onder-affi„ „cieren en Gemeenen onder de Militairen en Artilleristen, mits„ „gaders van de gemeene zeevaarenden op het meergemeld vaartuig, weder te laaten cours neemen met den 19. derzelfde maand, dat zij hier gearriveerd en ook werkelijk in Comps. dienst geëmploijeerd zijn. § 98. Bij het deezen verzellend Relaas van drie Ma„ „leijers, die de Gouverneur heeft uitgezonden om te vernee„ „men of de Solokkers op iemands ontbod, dan wel uit eigen motief, te Riouw gekomen waren, en hoe het zig daar na den 15. Mai hadt toegedragen! zal Uwer Hoog-Edel„ „heden onder anderen blijken, dat Radja Alam, Comman„ „dant van de soloksche vloot, geintentioneerd is om zijne magt nu tegen Malacca te werden, mogelijk aangemoe„ „dig zijnde door het goed Lucces zijner onderneeming op riouw. En, indien dat gebeuren mogte, (waar voor God ons genadiglijk behoede:) zouden wij op nieuws in eenen konneerlijken toestand geraaken, dewijl wij te weinig Europeers in het Garnisoen en onder de Burgers hebben, om daar mede zoo wel de stad en voorsteden, mitsga„ „ders het fort op Bouquit-china, als het Casteel te be„ „schermen, en wij ons op de bravoure en fermiteit onzer inland„ „sche troupes, wanneer zij door geene Europeers ondersteund wor„ „den, niet gerustelijk verlaaten kunnen. Wij bidden derhal„ „ven Uwer Hoog-Edelheden, om tog zonder in't stel ons zooda„ „nig een sterk secours toe te zenden, als het uwer Hoog Edel„ „heden „heden mogelijk zal weezen, ter verijdelinge der wraak- en heer „zugtige oogmerken van de (gelijk men deukt) met de solokken vereenigde Boegineeschen. §99. De paquetboot de Loftloopen, geschikt om onze ne„ „drige depeches naar Uwe Hoog -Edelheden over te brengen, niet langer durvende ophouden, om dan Uwe Hoog-Edelheeden nadere berigten no„ „pens den vijand te suppediteeren, laaten wij haar tot in de straat Banca dekken door de kotter Iava en bark de Standvastigheid; die 'er vervolgens eenigen tijd moeten blijven kruitsen, om de aan„ „komende Bataviasche, Iavasche, en Cheribonsche weerlooze vaartuige te beveiligen, blijkens het afschrift der Instructie voor den Capitein Luitenant Blandauw; waar in't wij uwer Hoog Edel „reden verzoeken de order wegens de seinen aan de particuliere handelaars bij hun verdrek naar herwaarts te willen doen med „deelen tot hun narigt. § 100. Wij bieden Uwer Hoog-Edelheden eindelijk aan twee Notitien van hetgene met de verlaating van Riouw en de Hloegd Iohanna verlooren is, benevens eene korte sterkte van de daar verbleven of vermiste manschappen, en blijven met alle eerbied, Onderstond) Hoog-Edele Groot-Agtbaare Mijdgebiedende Heer, en Wel-Edele Gestrenge Heeren (lager) Uwer Hoog-Edelheden zeer gehoorzaame en trouwschuldige Dienaaren (Getekend) L. G: de Bruijn, A. Couperus, I. A. Wenzel, F: Thievens, H. I. wiederhold, C. G. Baungarten, en G. Pungel (in margine) Malacca in het Casteel den 1. Juni 1787. Apart 389 Arraat Van zijn Edelheid, Den Hoog-Edelen Groot-Agtbaaren Heer Mr: Willem Arnold Alting Gouverneur Generaal, De wel-Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Indie Hoog-Edele Groot-Agtbaare Wijdgebiedende Heer, en Wel-Edele Gestrenge Heeren, § 101. Ik heb met de komste van de Engelsche snauw the Minerva, Capitin William Thomas, op den 28. April laastleden, de eere gehad van te ontvangen uwer Hoog-Edelheden zeer gerespecteerde brief van den 23. Februari bevoorens, en kort daar aan niet alleen met denzelven William Thomas ge„ „contracteerd, dat hij voor den laasten October des looponden jaars hier zoude brengen of laaten brengen twaalf duizend pi„ „cols Bengaalsche rijst tot den prijs van vijf en zestig Ip„ reaalen voor ieder Malaccasche Koijang van 5000. –. lb., maar ook de Zegusche handelaars geimimeerd om hier zoo veel van dat graan aan te voeren, als zij buiten andere koopwaaren in hunne vaartuigen bergen kunnen, ten benevens einde t einde dus de ingezetenen voor schaarsheid van hetzelve te be„ „hoeden, wanneer van Iava niets of niet genoeg mogte worden aangebragt, hoewel ik hoope en wensche dat de goedertieren voorzienigheid alle bedugting voor rijstgebrek op Iava en Batavia reeds zal hebben doen verdwijnen door het aardrijk met genoegzaame regens en het gewas met Haaren melden zegen te besproeijen. § 102. De voorraad van rijst in Comps. magazijnen ten deezen Gouvernemente bestondt onder ultimo Mai in 1126155. - en van het buskruid in 48202. –. lb. § 103. Een Berigt van den Luitenant ter Zee en Zl. Equi„ „page-opzigter Meijer, nopens de gelegenheid van Poeloe Linang, wordt. Uwer Hoog-Edelheden tot speculatie hier nevens aange„ „boden. Gelijk de Gouverneur van dat eiland, Mr. Light, voor de producten van de Maleitsche plaatzen meer betaald, dan de Compagnie en de Malaccasche trafiquanten ooit betaald hebben, om dus den handel daar in meester te worden, zende hij ook de amfioen naar die plaatzen tot laager prijzen, dan waar voor ikze kan afstaan. zelfs wil men dat eerlang eenige Engelsche gewapende vaartuigen in deeze straat zullen komen, om de Bancasche tinsmokkelaars naar Poeloe Pinaag te excorteeren. steekt daar bij nu Riouw, dat men wil door de Solokkers voor de Boegineeschen ingeno„ „men te zijn, ook weder het hoofd op, dan zal de negotie te Malacca van weerzijden dermaaten ondermijnd worden, dat zij binnen korten tijd geheel en al zal vervallen. Ik bid. uwer Hoog-Edelheden dit in overweeging te neemen, en den genen

NL-HaNA_1.04.02_3815_0651 view scan ↗

English

369 the person who will come to replace me in the administration of affairs, to furnish him with the necessary orders regarding this matter for his information. Section 104. The King of Siak returned from Trengganu a few days ago, and has excused himself to me by letter for his departure thither, saying that love and respect for his mother had compelled him to undertake the journey against my advice. Section 105. I request Your High Mightinesses to let the packet boat the Postlooper, which is now being sent to Batavia, return not alone, but with other vessels. While I remain, with sentiments of true high esteem, (Was signed) High Noble Grand Venerable Far-Commanding Lord, and Right Noble Austere Lords, (Lower) Your High Mightinesses' very obedient and dutiful servant (Signed) P. G. de Bruijn (in margin) Malacca in the Castle, 1 June 1787. To His Honour, The High Noble Grand Venerable Lord Mr. Willem Arnold Alting Governor-General, together with The Right Noble Austere Lords Councillors of the Dutch Indies Apart [illegible] High Noble Grand Venerable Far-Commanding Lord, and Right Noble Austere Lords, Section 106. The Siak pirate vessels roaming in the Bangka Strait, by which not only three or four vessels have been taken along with them, according to the letter from the First Resident at Palembang to me and the Council in a letter of 30 April last, but by which also, according to other reports, one of the Chinese junks sailing to Batavia was plundered empty, have since or in the month of May near Sambi attacked two vessels coming from Batavia, namely one belonging to the Captain of the Chinese at the aforementioned main settlement and one belonging to the Captain of that nation here. The first surrendered to them without any resistance; but the other, which fought its way through vigorously, having been pursued by them, retreated to Riau, and there unfortunately fell into the clutches of the Solokkers, who sold it along with a portion of the cargo to a Chinese for 1800 Spanish reals. Section 107. The Captain of the English private ship True Briton, which arrived here from Batavia on the 1st of this month, has also related to me that he had seen twenty-five vessels in the Durian Strait that gave chase to him, but that he had escaped them through a favorable opportunity. And since, according to the account that is respectfully presented herewith to Your High Mightinesses, twenty-seven of the Solok pirate vessels 371 343 Solok pirate vessels have departed from Riau for the Durian Strait in order to attack the Batavia and Java vessels there, I had to conclude that it was they who pursued the aforementioned English ship. Section 108. I have therefore, of the four Company vessels on hand, namely the hooker Katwijk aan Zee, the pantjalling Bangka, the galiot Concordia, and the lighter de Haas—since the cutter Java with the bark Standvastigheid, according to the Secret letter of 1 June Section 99, have been dispatched to the Bangka Strait, and the pantjallings Billiton and Philippine to Perak, to provide assistance if necessary to the Company's garrison in that kingdom, in case the King of Selangor, Raja Ibrahim, who was said to have been seen with thirty or forty small vessels before the Perak River, and on whose loyalty to the Company not the slightest reliance can be placed, should undertake anything hostile—sent the hooker and the pantjalling, as the most capable of the first-mentioned four, properly armed, to the Durian Strait, in order to protect the Batavia, Java, and Cheribon merchant vessels, which did not wish to wait near the cutter Java until they could be convoyed, from attacks by pirates; nevertheless, given the uncertainty regarding their strength, provisionally having the aforementioned cruisers take up station at the Cardamom Islands, and having ordered the Captains of the Company's ships Sparenrijk and Rotterdams Welvaren by instruction not only to sail in combination until they have passed the aforementioned strait, but also to escort the cruisers the cruisers through the same, and upon encountering the aforementioned pirates, to destroy them completely or damage them to such an extent that they cannot achieve their wicked aim. Section 109. From the account mentioned in Section 107, it will appear to Your High Mightinesses that the sloop Johanna, left behind at Riau and laden with the plunder obtained by the Solokkers at Riau, along with two more private vessels which they have since captured, has been carried off to their country; that seven European soldiers have been ransomed by two syeds; that the Sultan of Riau has retreated to the island of Lingga, Raja Tua and Raja Bendahara to Pahang, and the two remaining Regents to Trengganu or elsewhere, along with many inhabitants of Riau; that the Solokkers have said they will shortly land outside the city of Malacca on the north or south side to commit a plundering there, but that they would subsequently appear here with a larger force to overpower this place. And one of the Captains of the Chinese on Riau, through the one from here, has had me petitioned to repossess that island, with the assurance that they would faithfully assist the Company, just as they would have driven off the Solokkers by their superior numbers if the Sultan had not opposed it. But, since I have neither men nor cannon to place a garrison there anew, and also do not know whether this will please Your High Mightinesses, I can give no other answer to the said request than that I will take it into consideration, how

Dutch transcription

369 genen, die mij in het bestier van zaaken zal komen vervangen, met de noodige orders daar omtrent te muneeren tot zijn na„ „rigt. § 104. De Koning van Liac is voor weinige dagen van Trangano gereverteerd, en heeft zig door eenen brief bij mij verschoond wegens zijn vertrek naar derwaarts, zeggende dat de liefde en agting voor zijne moeder hem genoodzaakt had„ „den om tegen mijnen raad de reize te onderneemen. § 105. Ik verzoek uwer Hoog-Edelheden om de paquet„ „boot de Postlooper, die nu naar Batavia gezonden wordt, niet alleen, maar met andere vaartuigen te willen laaten te rug keeren. Terwijl ik met gevoelens van waare hoogagting, blijf„ (Onderstond) Hoog-Edele Groot-Agtbaare wijdgebiedende Heer, en wel-Edele Gestrenge Heeren, (Lager) uwer Hoog-Edel„ „heden zeer gehoorzaame en trouwschuldige Dienaar (Gete„ „kend) P. G: de Bruijn (in margine) Malacca in het Casteel den 1. Iuni 1787. Aan zijn Edelheid, Den Hoog-Edelen Groot-Agtbaaren Heer Mr: Willem Arnold Alting Gouverneur Generaal, benevens De Wel-Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlandsch Indie Apart H Hoog Li bet zendt etaald dat straat Loeloe dat ingeno„ gotie den, 5 in den oog Edele Groot Agtbaare Wijdgebiedende Heer, en Wel-Edele Gestrenge Heeren, § 106. De in de Straat Banca zwervende Siacsche Zee„ „voorens, door welken niet alleen drie of vier vaartuigen met hin genomen zijn, volgens het scrijven van den Eersten Resident te Palembang aan mij en den Raad bij eenen brief van den 30. April laastleden, maar door welken ook, volgens andere berigten eene van de naar Batavia Stevenende Chinasche jonken ledig ge„ „plonderd is, hebben sedert of in de maand Mai omtrent Sambij twee van Batavia komende vaartuigen geattaqueerd, naamelijk een van den Capitein der Chineeshen ter gemelde hoofdplaatze en een van den Capitein dier Natie alhier, 't Eerste heeft zig zonder eenigen wederstand aan hun overgegeven; dog het ander, dat'er wak„ „ker doorgeslagen heeft; van hun vervolgd zijnde, is naar Riouw geweken, en daar ongelukkiglijk vervallen in de klaau„ „wen der solokkers, die het met een gedeelte der laading ver„ „kogt hebben aan eenen Chinees voor 1800. –. Sp. reaalen. § 107. De Capitein van het op den 1. deezer van Batavia gearriveerde Engelshe particuliere schip Irne Briton heeft mij ook verhaald, dat hij in de straat Doevioens gezien hadt vijf en twintig vaartuigen, die jagt om hem maakten, dog dat hij door eene gunstige gelegenheid hun ontkomen was. En dewijl, volgens het Relaas, dat uwer Hoog-Edelheden hier ne„ „vens in eerbied wordt aangeboden, zeven en twintig van de Soloksche 371 343. Toloksche voofvaartuigen van Riouw naar de Straat Doerioens ver„ „trokken zijn, om daar de Bataviasche en Iavasche vaartuigen te bespringen, moest ik vaststellen dat die het zijn geweest, die het gemeld Engelsch schip hebben nagezet. § 108. Ik heb derhalven van de aan handen zijnde vier Comps. vaartuigen, naamelijk den hoeker Kadwijk aan zee, de pantjal„ „lang Banca, de gallowet de Concordia, en den ligter de Haas, alzoo de kotter Iava met de bark de standvastigheid, volgens Secreeten brief van den 1. Iuni §99, naar de straat Ban„ „ca, en de pantjallangs Bliton en de Philiprine naar Leva geëxpedieerd zijn, ter assistentie des noods van Comps. Be„ „zetting in dat Rijk, bij aldien de koning van Slangenoor Radja Brima, dewelke gezegd wierdt met dertig of veertig kleine vaarduigen voor de Lerasche rivier gezien te weezen, en op wins trouwe aan de Compagnie geen de minste staat te maaken is, iets vijandelijks mogte onderneemen, den hoeker en de pan„ „tjallang, als de bekwaamsten van de eerstgemelde vier, be„ „hoorlijk gearmeerd, naar de straat Doerioens gezonden, om de Bataviasche, Iavasche, en Cheribonsche handelvaartuigen, die bij de kotter Iava niet hebben willen vertoeven tot dat zij geconvoijeerd konden worden, voor de aanvanding van zeeshui„ „mers te beveiligen, laatende egter in de onzekerheid nopens hun„ „ne sterkte de gemelde kruissers bij provisie aan de eilan„ „den de Cardamoms postvatten, en de Capiteins van Comps. schepen Sparenrijk en Rotterdams welvaaren bij Iustruc„ „tie gelast, niet alleen gecombineerd te zeilen tot dat zij de meergemelde straat gepasseerd zouden zijn, maar ook de kruissers kruissers door dezelve te ëscorteeren, en bij ontmoeting der voorschreven roovers hun geheel te verdelgen of dermaaten te beschadigen, dat zij hun snood oogmerk niet bereiken kunnen. § 109. Bij het §107 gementioneerd Relaas zal Uwer Hoog-Edelheden te vooren komen, dat de te Riouw agter„ „gebleven sloep de Iohanna, beladen met den buit, door de Io„ „lokkers op Riouw behaald, nevens nog twee particuliere vaartuigen, die zij sedert nog genomen hebben, naar hun land vervoerd is; dat zeven Europesche Militairen door twee Laids gerantzoeneerd zijn; dat de suldhan van Riouw naar het eiland Lingen, Radja Toea en Radja Bindhava naar Lahan, en de twee overige Regenten naar Trangano of elders geretireerd zijn, benevens veele inwooners van Riouw; dat de Solokkers gezegd hebben eerlang buiten de stad Malac„ „ca aan de noord-of zuid-zijde te zullen landen, om 'er eene phondering aan te regten, dog dat zij vervolgens met eene grooter magt hier zouden verschijnen om deeze plaats te over„ „meesteren. En der Capiteins van de Chineeschen op Riouw heeft door dien van hier mijn laaten verzoeken, om dat eiland weder in te neemen, onder verzekering dat zij de Compagnie getrouwelijk zouden bijstaan, gelijk zij door hunne overmagt de solokkers verdreven zouden hebben, indien de zulthan zig niet daar tegen gesteld hadt. Maar, dewijl ik, nog volk, nog geschut heb om 'er op nieuw eene Bezetting te leggen, en ook niet weet of dit Uwe Hoog Edel„ „heden behaagen zal, kan ik op het gemeld verzoek niet anders antwoorden, als dat ik het in bedenking zal neemen, hoe

NL-HaNA_1.04.02_3815_0655 view scan ↗

English

373. how much I fear that, in case of delay in this matter, we shall be forestalled by the English, as the possession of Riouw may afford them the opportunity to secure a rich gathering of the Bangka tin and thereby cause the greatest prejudice to the Company. § 110. I trust that Your Right Excellencies, persuaded of the well-founded nature of my apprehension, and at the same time of the necessity to reinforce considerably with men and vessels this establishment so vital to the Company (I mean Malacca), will be pleased to arrange and put into effect such measures for that purpose as Your Right Excellencies, in Your own supreme wisdom and insight into affairs, shall judge most serviceable. While I profess to remain, with the most distinguished high esteem, (was signed below) Right Honorable, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord, and Right Honorable, Stern Lords, (lower) Your Right Excellencies' very obedient and faithful servant (signed) P. G. de Bruijn (in the margin) Malacca in the Castle, the 6th of July 1787. Secret To His Excellency, The Right Honorable, Highly Esteemed Lord Mr. Willem Arnold Alting Governor General, together with The Right Honorable, Stern Lords Councillors of the Netherlands Indies Right Honorable, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord, Right Honorable, Stern Lords, § 111. The receipt of Your Right Excellencies' highly esteemed letters from the 27th of April to the 30th of August last inclusive having been cited in our general letters of today, we request permission to answer now solely the secret letter of the 19th of July, but to answer the others on another occasion. § 112. We express to Your Right Excellencies our heartfelt gratitude for the assistance sent to us to thwart the designs against Malacca of the Solokkers united with the Riouwers, of which we were not without reason apprehensive, but which, owing to the dissensions between their chiefs over the division of the spoils, have hitherto remained without consequence; and likewise for the request made to the Right Honorable, Stern Lord Captain Commander Willem Silvester to be pleased to proceed hither with the warships of the State, for the expulsion of the Company's enemies and the restoration of affairs in this Strait, having the pleasure of informing Your Right Excellencies that His Honor, although having already departed from Mampawa to return to Batavia, has nevertheless allowed himself to be persuaded to comply with Your Right Excellencies' aforementioned request to our assistance. 375. § 113. What has been taken into deliberation with His Honor regarding Riouw, and deemed necessary for the welfare of the Company, the undersigned Governor will respectfully bring to Your Right Excellencies' attention in his separate letter. § 114. The Merchant David Ruhde, to whom, in accordance with our Resolution of the 13th of August last, we had caused extracts to be delivered from Your Right Excellencies' aforementioned esteemed secret letter of the 19th of July, in so far as it contains Your Right Excellencies' observations: 1) concerning that which ought to have been observed and directly put into operation by him for the defense or preservation of Riouw upon the approach of the Solok fleet; 2) concerning the conduct of the commanders of the sloop de Johanna and the pantchiallang Banca in departing in haste, and the failure to set fire to the first-mentioned small vessel when, upon the abandonment of Riouw, it could not be refloated from the shoal upon which it had run aground; 3) concerning the information given by an inhabitant of one of the islands situated nearest to Riouw regarding the arrival of the Solok fleet; has vindicated and explained himself thereon in such a manner as will appear to Your Right Excellencies from his report, which we most humbly offer to Your Right Excellencies in copy alongside this. And since, according to the same, both of the said commanders have not made themselves guilty of any unfaithfulness or neglect of duty, it has been excused, subject to Your Right Excellencies' favorable interpretation, to demand a defense from them on account of what the former Resident Ruhde had alleged with respect to the vessels under their command in his report of the 18th of May of this year. § 115. Besides the aforementioned report of the repeatedly mentioned Ruhde, we also have the honor of transmitting to Your Right Excellencies in copy one from the Fiscal Thierens, together with its appendices, concerning the inquiry held by him into the abandonment of Riouw and the sloop de Johanna, in order that we may obtain Your Right Excellencies' esteemed disposition thereon. § 116. We have granted a warrant of promotion to Corporal Gerrit Spelder, promoted by Your Right Excellencies to sergeant; but the soldier Johannes Broehard remained behind on Riouw, and was either massacred with some others, or is among the ransomed or unransomed European soldiers who have been carried off elsewhere. § 117. At the first good opportunity we shall cause the gold jewelry of Radja Toea, which had been pledged to Resident Ruhde and brought here by him, to be sold, in order to apply the proceeds thereof in reduction of his debt to the Company. § 118.

Dutch transcription

373. hoe zeer ik vrees dat men bij retardement in deezen door de Engelschen geprevenieerd zal worden, dewijl het bezit van Riouw hun gelegenheid kan geeven om eenen rijken inzaam van het Bancasche tin en de Compagnie daar in de grootste afbreuk te doen. § 110. Ik vertrouw dat Uwe Hoog-Edelheeden, ge„ „persuadeerd van de gegrondheid mijner bedugting, en teffens van de noodzaakelijkheid om dit voor de Compagnie zoo aangelegen ztablissement (ik meen Malacca) met volk en vaartuigen merkelijk te versterken, zulke schikkin„ „gen daar toe zullen gelieven te bevaamen en werkstellig te maaken, als uwe Hoog-Edelheden naar Hoogstden „zelver wijsheid en doorzigt van zaaken de dienstigste zullen oordeelen. Terwijl ik met de gedistingueerdste hoogagting betuig te blijven, (onderstond) Hoog-Edele Groot-Agtbaare Wijdgebiedende Heer, en Wel-Edele Gestrenge Heeren, (lager) Uwer Hoog= Edelheden zeer gehoorzaamen en trouwschuldigen Dienaar (etekend) L. G. de Bruijn (in margine) Malacca in het Casteel den 6. Iuli 1787. van te . twee naar naa ers een e„ A or dien Edel„ n neem C: vide Secreet Aan zijn Edelheid, Den Hoog-Edelen Groot-Agtbaaren Heer Mr. Willem Arnold Alting Gouverneur Generaal, benevens De Wel-Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Indie Hoog Edele Groot Agtbaare Wijdgebiedende Heer, Wel-Edele Gestrenge Heeren, § 111. Bij onze gemeene adrieken van heden aangehaald zijnde den ontvangst van uwer Hoog-Edelheden zeer geagte brieven van den 27. April tot den 30. Augustus laastleden inclusive, verzoe„ „ker wij verlof om nu eenlijk op den secreeten van den 19. Iuli, dog op de overigen bij eene andere occasie, te mogen antwoorden. § 112. Wij betuigen uwer Hoog-Edelheden onze hartelijke dankbaarheid voor den bijstand, ons toegeschikt om de aanslagen tegen Malacca van de met de Riouwers vereenigde Solokkers, daar wij niet zonder reden voor bedugt waren, dog die door de dis„ „fentien tusschen hunne Hoofden over de verdeeling van den buit tot hier toe buiten gevolg gebleven zijn, te keer te gaan, en voor het verzoek teffens, dat aan den wel-Edelen Gestrengen. Heer Capitain Commandeur Willem Silvester gedaan is, om zig met 375. met 's lands schepen herwaarts te willen begeeven, ter verdrij„ „ringe van Comps. vijanden en herstellinge der zaaken in deeze Straat, hebbende het genoegen van Uwer Hoog-Edelheden te berigten, dat zijn wel-Ed. , schoon reeds van Manipauwa vertrokken om naar Batavia te retourneeren, zig egter heeft laaten beweegen om aan Uwer Hoog-Edelheden gemeld verzoek ter onzer hulpe te voldoen. § 113. Wat met zijn wel -Ed. ten aanzien van Riouw in deliberatie genomen, en voor het welzijn van de Compagnie noodig geoordeeld is, zal de ondergetekende Gouverneur bij zijnen aparten brief Uwer Hoog-Edelheden in eerbied on„ „der het oog brengen. § 114. De Koopman David Ruhde, aan wien wij, volgens onze Resolutie van den 13. Augustus laastleden, Extracten hadden laaten afgeven uit uwer Hoog-Edelheden voorschreven geëerden secreeten brief van den 19. Iuli, voor zoo verre dezelve inhoudt Uwer Hoog-Edelheden bedenkingen 1) nopens hetgene door hem geobserveerd en tot defensie of behouwd van Riouw bij het aannaderen der soloksche vloot direct hadt behooren in het werk gesteld te worden, 2) nopens het bestaan der Gezaghebbers van de sloep de Johanna en pantjallang Banca om in stelte te vertrekken, en het niet in den brand steken van het eerstgenoemde kieltje toen het bij de verlaading van Riouw niet kon worden af„ „gebragt van de droogte, waar op het vastgeraakt was; 3) nopens de door eenen inwooner van een der naast Riouw gelegen ' eilanden gegeven informatie van de aankomste der zijnde zijn zig der soloksche vloot; heeft zig daar op zoodanig verantwoord en geëxpliceerd, als uwer Hoog-Edelheden blijken zal bij zijnen berigt, dat wij in copie nevens deezen uwer Hoog-Edelheden onderdaanigst aanbieden. En dewijl, volgens hetzelve, beide de gemelde Gezaghebbers zig aan geene ontrouwe of pligt„ „verzuin hebben schuldig gemaakt, is, onder uwer Hoog= Edelheden gunstige welduiding, geëxcuseerd verantwoor„ „ding van hun te vorderen wegens hetgene de geweezen Re„ „sident Ruhde met opzigt tot hunne onderhebbende vaartuigen hadt voorgebragt bij zijn Berigt van den 18. Mai deezes jaars. § 115. Behalven het voorschreven Berigt van meergemelden Ruhde„ hebben wij nog de eere van Uwer Hoog-Edelheden in copie te laaten toe„ „komen een van den Fiscaal Thierens, nevens dies bijlaagen, concer„ „neerende het door hem gedaan onderzoek na de verlaating van cliouw en de sloep de Iohanna, ten einde daar op uwer Hoog Edelheden geëerde dispositie te mogen erlangen. § 116. Wij hebben aan den Corporaal Gerrit Spelder, door Uwe Hoog-Edelheden tot sergeant bevorderd, eene Acte daar van verleend; dog de soldaat Iohannes Broehard is op Riouw agter„ „gebleven, en of met eenige anderen gemassacreerd, of bevindt zig onder de al of niet gerantzoeneerde Europesche Militairen, die naar elders vervoerd zijn. § 117. Bij eerste goede gelegenheid zullen wij de goeid„ „werken van Radja Toea, die bij den Resident Ruhde zijn verpand geweest, en door hem hier gebragt, verkoopen laaten, om het provenu daar van te doen strekken in mindering van zij„ „nen deses aan de Compagnie. § 118.

NL-HaNA_1.04.02_3815_0659 view scan ↗

English

377. Paragraph 118. We are very much obliged to Your High Nobilities for the communication of the news that Captain Bevenson brought to Your High Nobilities regarding the strength of the Solok fleet in the Durian Strait. The captains of the Company ships Sparenrijk and Rotterdams Welvaren, which have departed for Batavia, have also written to the Governor that they had seen several vessels in that strait, and had them chased by the hooker Katwijk aan Zee and the pantjallang Banca, which were dispatched under their escort, although without success, as appears from their letter and the ship's resolution accompanying this in copy; but, when the two last-mentioned vessels subsequently passed through the same strait with a Javanese vessel, they saw none of that predatory rabble, nor did the ships mentioned in our general letter Paragraph 61, together with the cutter Java and the bark De Handvastigheid that returned in their company from Zoelde Favella. However, because we were assured by natives that they were still there, we sent the bark De Standvastigheid thither once again with two pantjallangs, all armed as required, and have since received report from the Commander Johan Christiaan Meijer that while convoying two private Batavian vessels to the Cardamonis islands, which subsequently arrived here, he came in sight of as many as twenty-three large and small vessels, but these did not have the courage to approach them, the cruisers. Paragraph 119. The packet boat De Postlooper, which we are sending to Batavia to deliver the dispatches of the said gentleman Silvester and our own to Your High Nobilities, we are having escorted by the cutter Java to outside the Durian Strait, and remain with all high esteem, Was signed, High Noble, Right Honourable, Far-Ruling Lords, Right Noble, Stern Lords, Below, Your High Nobilities' very obedient and dutiful servants, Signed, P. G. de Bruijn, A. Couperus, J. A. Heuzel, J. Thierens, H. J. Wiederhold, C. G. Baumgarten, and G. Pungel, In the margin, Malacca in the Castle, 29 September 1787. To His Nobility The High Noble, Right Honourable Lord Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General, together with The Right Noble, Stern Lords Councillors of the Dutch Indies High Noble, Right Honourable, Far-Ruling Lord, Right Noble, Stern Lords, Paragraph 120. I have the honour herewith to present to Your High Nobilities the copies of several accounts regarding the actions of the Riouwers and Solokkers; from which it will appear to Your High Nobilities, among other things, that the captain of an English ship that was in the roads of Riouw has not only inquired after the place where the Sultan is now staying, but also requested and obtained a pilot to guide him thither. And since this aroused in me no unfounded suspicion that he had orders to sound out the Sultan as to whether His Highness would permit the English to settle at Riouw for trade; in order, if possible, to prevent this, and to preserve the Company's right of ownership to that place until one should be in a position to make further arrangements regarding it, there were dispatched thither on 27 August the ship Huisduinen, the hooker De Eersgezindheid, and the pantjallangs Bliton and De Tuijn, reinforced with eighty-nine military personnel, under the command of the Naval Captain Arie Simonse Koek, placing into his hands such an instruction as is respectfully appended hereto. Paragraph 121. Shortly thereafter, the Right Noble, Stern Lord Willem Silvester, Commander-in-Chief of the National naval vessels in these regions, having arrived here and having spoken with His Right Nobility about the present state of affairs here on the coast, he completely concurred with my thoughts about Riouw, as I will also present them herewith to Your High Nobilities. To render Riouw entirely fruitless for everyone by completely ruining and destroying it, especially the harbours and anchorages for ships and vessels, as Your High Nobilities have suggested to us for consideration, is absolutely impossible, both because of the situation and extent of the land and the harbour, and because of other insurmountable difficulties. Consequently, one must choose one of these two courses: either to abandon Riouw altogether as it is, or to occupy it anew; but in the former case, one might assume as certain that the English will quickly take possession of it, whether with or against the will of Sultan Mahmoed, since Mr. Light, Governor of Pulau Pinang, as soon as he had learned that the Company's garrison had been driven from Riouw, gave notice thereof to the Ministry in Calcutta with a fast-sailing vessel, and it is presumably on his orders that inquiries were made, according to Paragraph 120, after the dwelling place of the said Sultan. If, on the contrary, we ourselves take possession of Riouw for the Company, as could very easily be done and is also necessary to prevent the ruin of Malacca, then, not to keep the entire country in check, but to secure the great river and to prevent the intrusion of malicious Buginese or other enemies of the Company, there should be two fortifications surrounded with high palisades, one of which, which must contain within itself the warehouse and powder magazine, as well as the hospital, cannot stand at any other place than where it was first constructed, or at the foot of the hill upon

Dutch transcription

377. § 118. Wij zijn uwer Hoog-Edelheden zeer verpligt voor de com„ „municatie van de tijding, die Capitein Bevenson aan Uwe Hoog- Edelheden gebragt heeft wegens de sterkte der soloksche vloot in de straat Doerioens. De Capiteins van de naar Batavia vertrokken Comps. scheepen Sparenrijk en Rotterdams Welvaa„ „ren hebben mede aan den Gouverneur geschreven, dat zij in die straat eenige vaartuigen hadden gezien, en daar op jagt laaten maaken door de onder hun geleide gedepecheerde hoeker Katwijk aan Zee en Pantjallang Banca, hoewel zonder vrugt, blijkens hunnen brieff en de scheeps-resolutie, deezen in copie verzellende; dog, toen de twee laastgenoemde kielen sedert met een Iavaas vaartuig dezelve straat passeerden, hebben zij 'er geenen van dat roof„ „getpuis vernomen, zoo ook met de in onzen gemeenen brief 7. 61. gemelde schepen, mitsgaders de in hun gezelschap van Zoelde Favella geretourneerde kotter Iava en bark de Hand„ „vastigheid. . Egter hebben wij, dewijl ons door inlanders verzekerd wierdt dat zij er nog waren, de bark de stand„ „vastigheid andermaal naar derwaarts gezonden met twee pantjallangs, alle naar vereisch gearmeerd, en van den Gezaghebber Iohan Christiaan Meijer sedert berigt ontvan„ „gen, dat hij bij het convoijeeren naar de eilanden de Carda„ „monis van twee Bataviasche particuliere vaartuigen, (die vervolgens hier gearriveerd zijn,) wel drie en twintig groote en kleine vaartuigen in het gezigt gekregen, dog deeze de courage niet gehad hadden om hun (de kruissers) te naderen. § 119. De paquetboot de Lostlooper, die wij ter bezor„ „ginge woord zijnen Ede toe„ ten 6 van Ede lieeden Cliouw aire van zij„ om 118. „ginge aan Uwe Hoog-Edelheden van des gemelden H Heeren Sil„ „vesters en onze depeches naar Batavia afzenden, laaten wij door de kotter Iava tot buiten de Doerioens geleiden, en blijven met alle hoogagting, Onderstond) Hoog-Edele Groot-Agtbaare Wijdgebiedende Heeren Wel-Edele Gestrenge Heeren, (Lager) Uwer Hoog-Edelheden zeer gehoorzaame en Vrouwschuldige Dienaaren (Getekend) L. G: de Bruijn, A. Couperus, I. A. Heuzel, I. Thierens, H. I. wiederhold, C: G. Baungarten, en G: Pungel (in margine) Malacca in het Casteel den 29. September 1787. — Aan zijn Edelheid Den Hoog-Edelen Groot-Agtbaaren Heer Mr. Willem Arnold, Alting, Gouverneur Generaal, benevens De Wel-Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Indie Hoog Edele Groot-Agtbaare Wijdgebiedende Heer A Wel=e Edele Gestrenge Heeren, § 120. Ik heb de eere van Uwer Hoog-Edelheden hier nevens aan te bieden de afschriften van eenige Relaasen no„ Awart „pens 379. „pens de bedrijven her Riouwers en bolokkers; waar uit: tiwer Hoog-Edelheden onder anderen zal te vooren komen, dat de Capi„ „tein van een Engelsch schip hetwelk op de reede van Riouw ge„ „weest is, zig niet alleen na de plaats, daar de sulthan zig nu ophoudt, geinformeerd, maar ook een Loots begeerd en gekregen heeft, om hem naar dezelve te geleiden. En alzoo dit geen ongegrond vermoeden in mij verwekte, dat hij last hadt om den zulthan te polzen, of zijne Hoogheid aan de Engelschen zoude willen toestaan zig op Riouw ten handel neer te zetten; heeft men, om zulks, was het mogelijk, te prevenieeren, en Comps regt van eigendom aan die plaats te bewaaren, tot dat men in staat zoude weezen van daar omtrent nadere bestellingen te maaken, op den 27. Augs. , het schip Hbuijsduinen, den hoeker de Eersgezundheid, en de pantjallangs Bliton en de Touijn, met negen en tagtig Militairen versterkt, der„ „waarts geëxpedieerd, onder het bevel van den Capitein ter Zee Arie Simonse Koek, hem zoodanig eene Instructie ter han„ „den stellende, als deezen reverentelijk wordt bijgevoegd. § 121. kort daar na den Wel-Edelen Gestrengen Heer Willem Silvester, Commandant en chef van 's Lands schepen van oorlog in deeze gewesten, hier gearriveerd, en met zijn wel -Ed. ge„ „sprooken zijnde over den presenten staat der zaaken hier ter kuste, heeft Hoog dezelve zig geconformeerd met mijne bedenkingen over Riouw, zoo als ik die bij deezen Uwer Hoog-Edelheden ook zal voorstellen. Riouw voor allen infructueus te maaken door hetzelve, bij zonder de havenen en ankerplaatzen der schepen en vaarhui„ „gen ede „gen, geheel te runeeren en te vernielen, gelijk uwe H Hoog Edel „heden ons dat in overweeging gegeven hebben, is absolut impossibe zoo wegens de gelegen - en uitgestrektheid van het land en de haven als wegens andere onverwinnelijke inconvenienten. Bij gevolg dient men eene van deeze twee partijen te kiezen, of Riouw, zoo als het is, voor aldoos te abandonneeren, of hetzelve op nieuws te occupeeren; dog in het eerste geval zoude ma mogen vaststellen, dat de Engelschen 'er schielijk bezit van neemen zullen, 't zij met of tegen den zin van sultha Machmoet, dewijl Mr. Light, Gouverneur van Poeloe Li„ „nang, zoo dra hij vernomen hadt, dat Comps. Bezetting van Riouw verdreven was, daar van met een bezeild vaar„ „tuig aan het Ministerie te Calcutta kennis gegeven, en het presumtief op zijn bevel is, dat men zig (volgens § 120) na de verblijfplaats des gemelden sul thans gein„ „formeerd heeft. Neemen wij zelfs daarentegen Riouw voor de Com„ „pagnie in, gelijk het zeer faciel zal kunnen geschieden, en tot voorkoming doe ruine van Malacca ook noodzaakelijk is, dan behooren 'er, niet om het geheel land in toom te hou„ „den, maar om de groote rivier te beveiligen, en den in„ „drang van kwaadwillige Boegineeschen of andere vijanden van de Compagnie te beletten, twee met hooge palifsaaden omringde vestingwerken, waar van het eene, dat in zig bevluiden moet het pak- en kruidhuis, mitsgaders het Hospitaal, op geene andere plaats kan staan, als daar het eerst is aangelegd geweest, of aan den voet van den berg op

NL-HaNA_1.04.02_3815_0663 view scan ↗

English

on Tanjang Linang, and the other being required on top of the mountain, in such a manner constructed that the latter can defend the former and the dwelling of the Resident, which must lie between both; mounted with 40 pieces of iron cannon (namely 12 pieces of 12, 22 pieces of 6, and 6 pieces of 4 lb.), and garrisoned with five hundred Soldiers and Artillerists; Soengi Riouw, through which the Ilanuns penetrated into the country, and Soengi Iang, which flows behind Tanjong Linang, to be sufficiently dammed under the supervision of experts; and a cutter, like the Latrict or Iava, with three pantjallangs, all well-armed, to be assiduously employed to cruise Riouw's hiding places. Since experience has shown how little one can rely on the bravery of the Batavian natives when they cannot be kept to their duty by a larger number of Europeans, the garrison of the aforementioned two fortifications shall have to consist of two hundred European Soldiers and Artillerists, and for the rest of Sepoys, being an obedient, loyal, and brave people, or, until one has obtained them from the West of the Indies, of Madurese who have served elsewhere. Sulthan Machmoet is, as rumors have it, subject to fits of insanity since his removal to the island of Lingen, which are possibly caused by a gnawing remorse over his ingratitude, treachery, and insubordination against the Company. Rightfully, one might, if one got them into one's hands, remove both him and his two sons, as well as his four Councillors of State, from here for life and banish them elsewhere. But, since it might then happen that his Malay subjects, who are idolatrously attached to the descendants of the old Johore House, being deprived of their lawful prince, would place themselves under the protection of the King of Trangano, likewise descended from the said stem house, and as it is certain that he will readily receive them in order to have the produce of their lands at his disposal; to prevent this, some leniency should be used toward the Sultan when he submits, allowing him to live as a vassal of the Johore Realm in Johore or Lahan, without, however, ever readmitting him or his sons to Riouw again, in order not to be exposed to new treacheries, since it appears no reliance can be placed upon the engagements of Malay Princes, no matter how solemnly sworn. The only thing that could stand in the way of this would be the probability that the Sultan or his successor in the vassalage will seek to compensate himself for the loss of the revenues of Riouw by granting permission to that portion of his subjects who know no other livelihood to go pirating, and thus obstruct trade at that place; however, if this cannot be prevented by cruising, one could, with the pleasure of Your High Excellencies, grant him some gratuity, on condition that he shall be deprived of the enjoyment thereof if it should be found that he tolerates the piracies or does not endeavor to counteract the same with all his might. Riouw being restored in the said manner, the peoples of the surrounding or other lands who come to settle there being placed under Captains or Chiefs of their own Nation, who must depend solely on the Company and take the oath of obedience and loyalty to it, and a mild administration of the same being provided for, the trade will, with the population of the place, undoubtedly increase within a short time to such an extent that the Company will have tolerable burdens there, if not profit, when a duty of five percent is paid on everything imported and exported, no matter from where and by whom, and without any other exception than that made in the 5th article of the Convention concluded with Sulthan Machmoet on the 7th of February of this year, and such other duties are collected as can be introduced without notable burden to the inhabitants and foreign traders. § 122. I submit these my reflections to the enlightened judgment of Your High Excellencies, with a humble request to be pleased to declare yourselves decisively upon them in this very year, and, should Your High Excellencies see fit to grant me the authorization for the re-establishment of Riouw on the proposed footing, then not only to send me at the same time the necessary men and cannons, but also a skilled Engineer, in order to consult with the Engineer Ricard stationed here and others who have knowledge of Riouw's situation, like

Dutch transcription

381 op Tanjang Linang, en het ander boven op den berg gerequireerd wordt, zoodanig dat het laaste het eerste en de wooning van den Resident, die tusschen beiden moet leggen, kan defendeeren, geexstrueerd; met 40. –. ps. ijzeren canons ( naamelijk 12. –. ps. van 12. –. „ 22. —. p. s. van 6. –. en 6. –. ps. van 4. –. lb. gemonteerd, en met vijff honderd Militairen en Artilleristen bezet, Soengi Riouw, door welke de Lolokkers in het land gedrongen zijn, en Ioengi Iang, die agter Tanjong Linang om stroomt, onder het opzigt van des kundigen op eene suffisante wijze toegedamd, en een kotter, gelijk de Latrict of Iava, met drie pantjallangs, alle wel gearmieerd, ter bekruisinge van Riouws Sluipgaten, assi„ „dueel geëmploijeerd te worden. Daar de ondervinding geleerd heeft hoe weinig men zig vts: verlaaten kan op de kloekmoedigheid van de Bataviasche inlanders, wanneer zij niet door een grooter getal van Europeers tot hun„ „ren pligt te houden zijn, zal de Bezetting van de voorschre„ „ven twee vestingwerken moeten bestaan in twee honderd Europesche Militairen en Artilleristen, mitsgaders voor het overige in Lipais, als een gehoorzaam, troúw, en daper volk zijnde, of, tot dat men die van de West van Indie bekomen heeft, in Madureeschen, welke elders gediend hebben. Sulthan Machmoet is, zoo als de gerugten willen, sedert zijne verhuuzing naar het eiland Lingen, vlaagen van krankzinnigheid onderworpen, die mogelijk veroorzaakt worden door een knaagend naberouw van zijne ondankbaar- trouwloos - en weerspannigheid tegen de Compagnie, Regtmaadig zoude men, zoo wel hem en zijne twee zoons, als zijne vier Rijksraaden, wanneer menze z in 6 den het berg in handen kreeg, ad vitan van hier verwijderen en elders bannen m „gen. Maar, nademaal het dan zoude kunnen gebeuren, dat zijn Malaitsche onderdaanen, die aan de afstammelingen uit het oude Iohorsche Huis op eene afgodische wijze geattacheerd zijn, van hunnen wettigen vorst beroofd, zig onder de protexie van den koning van Trangano, mede uit het gemelde Sdamhuis gesproo begaven, en het zeker is dat hij hun gereedelijk zal aanneemen, om de voortbrengzels hunner landen ter zijner dispositie te hebben, dient, tot preventie van hetzelve, omtrent den zultha wanneer hij in submissie komt, eenig menagement gebruikt, hem toegestaan te worden als een Leenman van het Iohorsche Rijk te Iohor of Lahan te woonen, zonder hem egter, nog zijne zoons, ooit meer op Riouw te readmitteeren, ten einde aan geene nieuwe verraaderijen geëxponeerd te weezen, dewijl op de verbintenissen van Malatsche Vorsten, hoe duur ook bezworen geen staat te maaken schijnt. 't Eenigste, dat hier omtrent zoude kunnen ofsteeren, zoude de waarschijnlijkheid zijn, dat de sulthan of zijn successeur in het Leenmanschap zig het verlies der inkomsten van Riouw zal tragten te vergoeden door aan dat gedeelte zijner onderdat „nen, hetwelk geene andere kostwinning kent; permissie te gee„ „ven om ten zeeroof te vaaren, en zoo den handel op die plaats te stremmen; dan men zoude, indien zulks door bekruis „gen niet kan worden belet, met believen van uwe Hoog-Edel „heden hem eenig douceur kunnen toeleggen, onder conditie dat hij van dies genot versteken zal zijn, zoo men bevinden mogte, dat hij de Zeeraoverijen gedoogt, of dezelve niet met alle zijne magt tragt 383. tragt tegen te gaan. Riouw op de gezegde wijze geretableerd, de volkeren van de omleggende of andere landen, die zig daar komen neerzetten, onder Capiteins of Hoofden van hunne eigen Natie, die van de Compagnie alleen moeten dependeeren en aan haar den eed van ge„ „hoorzaam - en getrouwheid doen, gesteld, en voor een zagt be„ „ztier van dezelven gezorgd zijnde, zal met de bevolking der plaatze ook ongetwijfeld de handel binnen korten tijd der„ „maaten toeneemen, dat de Compagnie daar draagelijke lasten zal hebben, zoo al geen voordeel, wanneer men van alles, wat er in- en uitgevoerd wordt, onverschillig van waar en door wien, en zonder eenige andere uitzondering, als die in het 5 de articul van de op den 7. Februari deezes Jaars met Sulthan Machmoet gesloten Conventie gemaakt is, vijf percent betaalen, en zoodanige andere geregtigheden nog heffen laat, als zonder merkelijk bezwaar van de ingeze„ „teren en buitenlandsche trafiquanten geintroduceerd kunnen worden. § 122. Ik onderwerp deeze mijne bedenkingen aan het verligt oordeel van uwe Hoog-Edelheden, met ootmoedig uer„ „zoek om zig daar op in dit jaar zelfs decisief te willen verklaaren, en, indien Hoogst dezelve mogten goedvinden mij qualificatie te geeven ter retableeringe van Riouw op den voorgestelden voet, mij dan niet alleen te gelijk toe te zenden de benoodigde manschappen en canons, maar ook een kundigen Ingenieur, om met den hier bescheiden Ingenieur Ricard en anderen, die van Riouws Lituatie kennis hebben, gelijk m

NL-HaNA_1.04.02_3815_0666 view scan ↗

English

as well as with the merchant Ruhde, or whomever your High Noble Excellencies will be pleased to elect in his place as Resident, to consult and determine where best the fort on the mountain and how both forts must be constructed, in order to be able to defend them with five hundred men. § 123. Meanwhile I shall make every possible inquiry to discover the true state of affairs regarding the claim mentioned in the Report of the aforesaid Ruhde, made by the Chiefs of the Solokkers who arrived at Riouw, that they had been sent by their Sultan at the request of the one from Pontiana to help him attack Mampauwa! § 124. The Junior Merchant Walter Marcus Stuart, Resident at Pontiana, has sent me a Narrative with the cutter the Patriot, wherein it is confirmed that the Elanongers (the same who came to Riouw under the name of Solokkers) have a scheme to overrun Malacca as well as Riouw. I cannot fail to offer a copy of that Narrative to Your High Noble Excellencies herewith. § 125. The King of Selangor, whose presence with thirty or forty vessels before the river of Perak caused me some concern, according to my humble letter of 6 July 1787, has, although he was admitted inside with permission of the king of the last-mentioned Realm, nevertheless attempted nothing hostile, and returned home on 9 July; but the king of Perak has since written a letter to me and the Council, in which he informs us that he suffers much loss through the deceitful practices of his people, and asks what he should do against it! I would not have understood what he meant by this question, had I not been informed by the Commander of the Perak Garrison Godhard Diedenhoven that the Dignitaries of the realm had persuaded the Monarch to request from us an increase in the tin price, as the payment on Poeloe Pinang of 14 Spanish reals per pikul animated every one of the Perak people to transport that mineral thither clandestinely. The delivery to the Company has also been so small this year that I cannot doubt but that the nearby Poeloe Pinang attracts the greatest part of the harvest. But, since it has not pleased your High Noble Excellencies to consent to the proposal in my Considerations of 15 June 1785 § 12, I shall in my answer to the aforesaid Monarch urge the Performance of the Contract, and further try to prevent the Smuggling by cruising the Perak and Larut rivers, although little fruit is to be hoped from that. I remain with the most perfect respect, (Underneath stood) High-Noble, Right-Honorable, Widely-Ruling Lord, and Noble-Stern Lords, (Lower) Your High Noble Excellencies' very obedient and dutiful Servant (Signed) L. G. de Bruijn (in the margin) Malacca in the Castle, 29 September 1787. Separate To his Excellency, The High-Noble, Right-Honorable Lord Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General, together with The Noble-Stern Lords Councillors of the Dutch Indies High-Noble, Right-Honorable, Widely-Ruling Lord and Noble-Stern Lords, I have the honor to offer Your High Noble Excellencies herewith the duplicate of my humble letter of 29 September last, sent with the packet boat the Postlooper; as well as in copy Two letters written to the Noble-Stern Lord Commander and Chief of the State's warships Willem Silvester, A letter to the Noble Captain Lucas, Two Notes from the aforesaid Lord Silvester for the Noble Captains Wierts and Lucas, The Instruction for the Merchant Ruhde as Resident of Riouw, And a secret letter to the Commander of the Perak Garrison Diedenhoven: Containing the reasons and motives for the repossessing of Riouw and the dispatch of a State frigate to Perak; the elaboration of which cannot take place herewith due to the suddenly arisen departure of the State frigates the Zephijr and the Zuijl to Batavia, at a time when I was busy making the necessary arrangements concerning Riouw and Perak. I hope for a favorable excuse from your High Noble Excellencies, and declare to remain with the most distinguished high esteem, (Underneath stood) High-Noble, Right-Honorable, Widely-Ruling Lord, and Noble-Stern Lords, (lower) Your High Noble Excellencies' very obedient and Dutiful Servant (Signed) L. G. de Bruijn (in the margin) Malacca in the Castle, 24 December 1787. Agreed Van Laak C. L. Gillink Separate Batavia To his Excellency, The High-Noble, Right-Honorable Lord Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General, together with The Noble-Stern Lords Councillors of the Dutch Indies High-Noble, Right-Honorable, Widely-Ruling Lord, and Noble-Stern Lords, § 1. Captain Lucas, Captain of the State's frigate the Zephijr, has upon his return from Perak submitted such Reports to Captain Commander Silvester as I, through the communication of his Honor, have the honor of offering to Your High Noble Excellencies in copy herewith. From these it will appear to your High Noble Excellencies that through the King's refusal to admit the aforesaid Captain Lucas to Court, on condition that the Dignitaries of the realm would then also come to pay a visit to his Honor in the Company's fort, his Honor has been unable to apprehend the villainous Sultan Moeda. I shall confer further with Lord Silvester on what ought now to be done to compel the King to the performance of the Contract concluded with the Company, without agreeing to the price increase of

Dutch transcription

gelijk ook met den koopman Ruhde, of den genen, welken uwe Hoog-Edelheden in zijne plaatze tot Resident zullen gelieven te verkiezen, te raadpleegen en te bepaalen waar best het Jord op den berg en hoe de beide forten moeten worden aangelegd, omze met vijf honderd man te kunnen defendeeren § 123. Ondertusschen zal ik alle mogelijke recherche doen ter ontdekkinge hoe het eigenlijk gelegen zij met het in het Rapport van gemelden Ruhde aangehaalde voorgeven der Hoofden van de op Riouw aangekomen Lolokkers, dad zij door hunnen Sulthan ten verzoeke van dien van Loutiana ge„ „zonden zouden zijn om hem Mampauwa te helpen atbaquee„ „ren! §: 124. De Onderkoopman Walter Marcus Stuart, Re„ „sident op Lontiana, heeft met de kotter de Latriot mij een Re„ „laas toegezonden, waar in geconfirmeerd wordt, dat de Elanon„ „gers (dezelfden, die onder den naam van Solokkers op Riouw gekomen zijn) een toeleg hebben, om Malacca zoo wel als Riouw af te loopen. Ik kan niet manqueeren een af„ „schrift van dat Relaas Uwer Hoog-Edelheden hier nevens aan te bieden. § 125. De Koning van Slangenoor, wiers aanwee„ „zen met dertig of veertig vaarduigen voor de rivier van Leva mij wat bekommerde, volgens mijnen nedrigen van den 6. Iuli 5108, heeft, schoon hij met verlof van den koning des laastgemelden Rijks binnen gelaten was, egter niets vijandelijks getenteerd, en is den 9. Iuli naar huis ge„ „keerd; dog de koning van Leva heeft sedert eenen brief aan mij 385. mij en den Raad geschreven, waar in hij ons bekendmaakt, dat hij door de slinksche practijken van zijn volk veel verlies lijdt, en vraagd wat hij daar tegen doen moet! Ik zoude niet begrepen hebben wat hij met deeze vraag bedoelde, indien ik door den Commandant van de Levasche Bezetting Godhard Dieden„ „hoven niet ware onderrigt, dat de Rijksgrooten den Vorst had„ „den overgehaald, om van ons te verzoeken verhooging van den tin prijs, alzoo de betaaling op Poeloe Pinang van 14. –. Sp. reaalen voor de pikol een ieder van de Levaeers anieerde om dat mineraal ter sluik naar derwaarts te vervoeren. De leverancie aan de Compagnie is in dit jaar ook zoo gering geweest, dat ik niet kan twijffelen of het nabijgelegen Poeloe Pinang trekt het grootste deel van den inzaam. Maar, dewijl het uwe Hoog-Edelheden niet behaagd heeft te be„ „willigen in het voorstel bij mijne Consideratien van den 15. Iuni 1785 § 12, zal ik in mijn antwoord aan den gemel„ „den Vorst op de Prestatie van het Contract urgeeren, en de Sluikerijen door bekruissingen van de Levasche en Laroetsche rivier verder tragten te beletten, hoewel daar weinig vrugt van te hoopen is. Ik blijft met de volmaaktste eerbied, (Onderstond) Hoog-Edele Groot-Agtbaare Wijdgebiedende Heer, en Wel-Edele Gestrenge Heeren, (Lager) Uwer Hoog-Edelheden zeer gehoorzaamen en trouwschuldige Dienaar (Geteekend) L. G. de Bruijn (in margine) Malacca in het Casteel den 29. September 1787. Aan wel„ van 9 den rie Apart Aan zijn Edelheid, Den Hoog-Edelen Groot-Agtbaaren Heer M„r Willem Arnold Alting, Gouverneur Generaal, benevens De Wel-Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlandsch Indië Hoog Edele Groot-Agtbaare Wijdgebiedende Heer en Wel-Edele Gestrenge Heeren, : Ik heb de eere van Uwer Hoog Edelheden hier nevens aan te bieden het duplicaat van mijnen met de paquetbood de Postlooper afgezonde„ „nen onderdanigen brief van den 29. September laastleden; zoo mede in copie Twee aan den Wel=Edelen Gestrengen Heer Commandant en Rhef van 's Lands scheepen van oorlog Willem Silvester geschreven brieven, Een brief aan den wel-Edelen Heer Capitein Lucas, Twee Aantekeningen van den gemelden Heer Silvetter voor de wel-Edele Heeren Capiteurs Wiets en Lucas, De Instructie voor den Koopman Ruhde als Resident van Riouwe, En een selveten brief aan den Commandant der Levasche Beke huij Diedenhoven 387. Diedenhoven: Behelzende de redenen en motiven voor het weder in possessie neemen van Riouw en de afzending van een 's Lands fregat naar Leva; welker extensie bij deezen niet kan geschieden wegens het schielijk opgekomen vertrek van 's Lands fregatten de zijne en de Zijl naar Batavia, in een tijd dat ik bezig was de noodige beschikkingen omtrent Riouw en Leva te maaken. Ik ver„ „hoop eene gunstige verschooning van uwe Hoog-Edelheden, en betuig met de gedistingueerdste hoogagting te blijven, (Onderstond) Hoog-Edele Groot-Agtbaare wijdgebiedende Hbeer, en Wel-Edele Gestrenge Heeren, (lager) Uwer Hoog-Edelheden zeer ge„ „hoorzaamen en Vrouwschuldigen Dienaar (etekend) L. G. de Bruijn (in margine) Malacca in het Casteel den 24. December 1787. Accordeer Van Laak CL Gillink wart voor Bez hoven 389. Apart Batavia Aan zijn Edelheid, Den Hoog- Edelen Groot-Agtbaaren Heer Mr. Willem Arnold lting, Gouverneur Generaal, benevens De Wel-Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Indië Hoog-Edele Groot-Agtbaare Wijdgebiedende Heer, en Wel-Edele Gestrenge Heeren, § 1. De Heer Lucas, Carpitein van 's Lands fregat de Seijno, heeft bij wederkomste van Leva zoodanige Rapporten aan den Heer Capitein Commandeur Silvester overgegeven, als ik door mededeeling van zijn wel-Edele Gestr. de eere heb van Uwer Hoog Edelheden hier nevens copielijk aan te bieden. Bij dezelven zal uwer Hoog= Edelheden blijken, dat door 's Konings weigering om den gemelden Heer Lucas ten Hove te admitteeren, onder conditie dat de Rijks„ „grooten dan ook eene visite aan zijn Ed. in Comps. fort zouden komen geeven, zijn Ed. buiten staat geweest is om den ondeugen„ „den Sulthan Moeda te doen opligten. Ik zal met den Heer Lilvester nader overleggen wat nu dient te worden gedaan, om den Koning tot de prestatie van het met de Compagnie gesloten Contract te verpligten, zonder te vreeden in de prijs-verhooging van ƒ 9

NL-HaNA_1.04.02_3815_0672 view scan ↗

English

of eight Spanish reals on each bahar of tin, which His Highness not unreasonably demanded of me in his answer to my grievances concerning the illicit trade in that mineral; all the more so, since the curt reply delivered by that otherwise faint-hearted Prince to Ensign Diedenhoven and the Secretary of Mr. Lucas, E. R. Menness, who were commissioned to the Court, raises no unfounded suspicion in me that Mr. Light, Governor of Zoeloe Lenang, whither almost all the tin that Lera produces is transported through channels that we cannot possibly keep garrisoned, is encouraging His Highness in allowing this, and is striving to make us break camp from Lera. § 2. Of the arrival at Riouw of the fleet sent thither under the command of Captain Wierts, I have received no news as yet. § 3. Captain Thomas, with whom I contracted according to my humble letter to Your High Excellencies of 1 June 1787 § 101, and the Bugis traders whom I encouraged to bring rice, have not returned to this day. From Batavia, Iava, and Cheribon, no more than roughly 300 koyangs of that grain was imported in the said year, although Your High Excellencies had favorably permitted up to 800 koyangs; while the Malay places along this coast have also delivered little. I was therefore obliged, unless I wished to let a multitude of people die of hunger, to have sold to the Citizens and other inhabitants from the beginning of this year daily nine hundred Malacca gantangs or 5625 lb., over and above what is necessary for the accommodation of the households of the Company's Servants. But, since I shall not be able to continue this any longer than until the last of February if no supply arrives from elsewhere in the meantime, seeing that the remainder of rice as of the last of December 1787 consisted of 1078396 lb., and it is very apparent that China, where 5 and 6 Sp. reals are paid per picol of that grain, will be accommodated from Bengal sooner than Malacca, the hooker vessel de Zaarstroom had to be sent to Cueda to obtain, if possible, two hundred koyangs from there, hoping that Your High Excellencies will please approve this out of pity for the indigent inhabitants of Malacca. I also pray Your High Excellencies to send us, over and above the 1000000 lb. of rice demanded in the Requisition for the Company's Servants and their households, as much more with the break of the East monsoon as will be at all possible, in order to be sold for the Company's account here and at the likewise distressed Riouw. I have the honor to remain with all veneration, (Below was written) High Noble, Right Honorable, Wide-ruling Lord, and Right Noble Severe Lords, (Lower) Your High Excellencies' very obedient and dutiful Servant (Signed) P. G. de Bruijn (in the margin) Malacca in the Castle, the 18th of January 1788. Separate Batavia From His Excellency, The High Noble, Right Honorable Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor General, along with The Right Noble Severe Lords Councillors of the Dutch Indies High Noble, Right Honorable, Wide-ruling Lord and Right Noble Severe Lords, § 4. Mr. Willem Silvester, Captain Commander of the State's War Squadron in the Indies, passed away on the 4th of this month, and His Honor's body was buried the following day with such ceremony as will appear to Your High Excellencies from the Extract from the Malacca Daily Register, which is respectfully presented to Your High Excellencies herewith. § 5. I have received news from Captain Wierts that His Honor, having arrived at Riouw on the 10th of January last with all the ships and vessels departed thither under his command, had given orders to clear the hill of Tanjong Pinang, in order to see what its actual situation was, and whether it was fit to be fortified. And since His Honor deemed necessary some more materials than had already been assigned thither, these were dispatched on the 8th of this month with two Company vessels, under escort of the State's frigate the Ceres, with which the said Mr. Silvester had thought fit, shortly before His Honor's death, to augment the naval force at Riouw. § 6. The notorious pirate from the opposite shore, Said Ali, has sailed eastward past this strait with his comrades and fifty vessels of various sizes, surely with the intention to attack first the Palembang and subsequently the Javanese vessels that he can overtake. I have given notice of this to the Resident Walbeek, and requested him to dispose the king of Palembang to the dispatch without delay of a strong small fleet, in order to destroy that rabble; while at the end of March I shall send out two or three armed Company vessels near Loeloe Zavella, in order to protect the vessels coming from Batavia and Iava from their clutches. I have the honor to remain with all veneration, (Below was written) High Noble, Right Honorable, Wide-ruling Lord and Right Noble Severe Lords, (Lower) Your High Excellencies' very obedient and dutiful Servant (Signed) P. G. de Bruijn (in the margin) Malacca in the Castle, the 18th of February 1788.

Dutch transcription

van agt op. reaalen op ieder baar tins, die zijne Hoogheid niet onser „delijk van mijn begeerd heeft in zijn antwoord op mijne doleantien over den morshandel in dat mineraal; te meer, alzoo het bar bescheid, door dien anders bloohartigen Vorst aan den naar het Hof gecommitteerden Vaandrig Diedenhoven en Secretaris van den Heer Lucas E. R. Menness toegevoegd, geen ongegrond vermoe „den in mij verwekt, dat Mr. Light, Gouverneur van Zoeloe Le „nang, werwaarts schier al het tin, hetwelk Leva produceer vervoerd wordt door canaalen, die wij onmogelijk kunnen laat bezetten, zijne Hoogheid in de toelaating daar van Hijst en zijne betragting maakt om ons van Lera te doen opbroe„ „ken. . 72. Van de komste te Riouw der onder het bevil van den Heer Capitein Wierts derwaarts gezonden vloot heb ik nog geene tijding ontvangen. § 3. Capitein Thomas, met wien ik, volgens mijn onder „daanig schrijvens aan Uwe Hoog-Edelheden van den 1. Juni 178 § 101, gecontracteerd, en de Zegusche handelaars, welken ik geanineerd heb, om rijst aan te brengen, zijn tot heden nie wedergekeerd. Van Batavia, Iava, en Cheribon is in het gemelde jaar niet meer aangevoerd, dan min of meer 300 koijangs van dat graan, schoon uwe Hoog- Edelheden tot 800. –. koijangs toe gunstiglijk gepermitteerd hadden; ter„ „wijl de Maleitsche plaatzen langs deeze kust ook weinig geleverd hebben. Ik ben dus genoodzaakt geweest, wilde ik met eene menigte van menschen door honger laaten sterven van het begin deezes jaars of dagelijks negen honderd Malacca „sche 391 „sche gantangs of 5625. –. lb. aan de Burgers en andere ingezetenen te laaten verkoopen, boven hetgene noodig is tot gerief der huir„ „gezinen van Comps Dienaaren. Maar, dewijl ik daar mede, zoo intusschen geen toevoer van elders geschiedt, niet langer zal kunnen continueeren, dan tot den laasten Februari, gemerkt het restant van rijst onder ultimo December 1787 bestaan heeft in 1078396. -. lb. , en het zeer apparent is, dat China, daar men voor de picol van dat graan 5. –. en 6. –. Sp. reaalen betaald, eerder dan Malacca van Bengale geriefd zal worden, heeft men het hoekerschip de Zaarstroom naar Cueda moeten zenden, om was het mogelijk twee honderd koijangs van daar te erlangen, hoopende dat Uwe Hoog-Edelheden dit uit medelijden voor de Malaccasche behoeftige ingezetenen zullen Ik bid ook uwer Hoog Edel„ gelieven goed te keuren. „heden om boven de bij den Eisch voor Comps. Dienaaren en hunne huisgezinnen gevorderde 10'0'0'000. —. lb. rijst ons nog zoo veel met de doorbraake van de Oostmousson toe te zenden, als het miniers doenlijk zal weezen, ten einde voor Comps. rekening hier en op het mede noodlijdind Riouw verkogt te worden. Ik heb de eere van met alle veneratie te blijven, (Onderstond) Hoog-Edele Groot-Agtbaare wijdogebiedende Heer, en Wel-Edele Gestrenge Heeren, (Lager) uwer Hoog-Edelheden zeer gehoorzaamen en trouwschuldigen Dienaar (Getekend) P. G: de Bruijn (in margine) Ma„ „latta in het Castel den 18. Januarij 1788. Aan r dr 178 ik lade Ma Apart Batavia Van zijn Edelheid, Den Hoog-Edelen Groot-Agtbaaren Heer, Mr. Willem Arnold Alting, Gouverneur Generaal, benevens De Wel-Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Indië Hoog Edele Groot-Agtbaare Wijd gebiedende Heer en Wel-Edele Gestrenge Heeren, §4. De Heer Willem Silvester, Capitein Commandeur van 't Lands Esquadir van oorloge in Iubië, is op den 4. deezer overleden, en zijn wel-Eds. lijk den volgenden dag met zoodanig ceremonieel begra„ „ven, als uwer Hoog Edelheden blijken zal bij het Extract uit het Malaccasche Dagregister, dat hier nevens Uwer Hoog-Edelheden in eerbied wordt aangeboden. § 5. Van den Heer Capitein Wierts heb ik tijding gekregen, dat zijn wel- Ed. met alle de onder zijn bevel naar Riouw ver„ „trokken schepen en vaartuigen op den 10. Januari laastleden daar gearriveerd zijnde, order gesteld hadt om den berg van Tanjong Pinang schoon te maaken, ten einde te zien hoe de weezenlijke situatie daar van, en of dezelve van met was om gefortificeerd te worden. Een dewijl zijn wel Ed. e eenige. 393. Van Eenige meerder matterialen, dan reeds derwaarts waren beschikt, noodig oordeelde, zijn die op den 8. hujus met twee Comps. vaartuijgen afgezon„ „den, onder escorte van 's Lands fregat de Ceres, waar mede de ge„ „melde Heer Silvester kort voor zijn wel -Eds. dood goedgevonden hadt de zeemagt te Riouw te augmenteeren. § 6. De berugte Zeeroover van de overwal Said Ali is met zijne Spitsbroeders en vijftig vaartuigen van onderscheiden grootte beoosten deeze straat heengestevend, zekerlijk met oogmerk om eerst de Palembangsche en vervolgens de Iavasche vaartuigen, die hij kan oploopen, aan te vanden. Ik heb den Resident walbeek daar van kennis gegeven, en verzogt den koning van Palembang te disponeeren tot de uitzending zonder retarde„ „ment van een sterk vlootje, om dat gespuis te vernielen; terwijl ik in het eind van Maard twee of drie Comps. gear„ „meerde vaartuigen omtrent Loeloe Zavella zal uitzetten, ten einde de van Batavia en Iava komende vaartuigen voor hunne klaauwen te beveiligen. Ik: heb de eere van met alle venoratie te blijven, (Onderstond) Hoog-Edele Groot-Agtbaare wijdgebiedende Heer en wel-Edele Gestrenge Heeren, (Lager) uwer Hoog-Edelhe„ „den zeer gehoorzaamen en trouwschuldigen Dienaar (Getekend) Z. G. de Bruijn (in margine) Malacca in het Casteel den 18. Februari 1788. van 'sLlands zi zijn in heden reg g de met Wel Ede. van leden en,

← previousnext →