VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3816

Japan · 998 pages · 253 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3816_0585 view scan ↗

English

309. 19 July 1788. rows of houses, from which the inhabitants, unable to offer any resistance, had fled, encouraged by which good fortune the Passirreesen had advanced further, to Tabalong, the principal Negorij of that district, where the Banjeroesen had however received them in such a manner that the Saffirreesen had been obliged to cease their attack, without the narrator having heard anything further of it, except only that the enemy had suffered 2 dead in this attack, while on the side of the Banjareesen only a single man was wounded. That the narrator had furthermore heard that the Passereesen and others were said to have allied themselves to attack Banjormassing both by land and by sea, and that in order to carry the latter into effect, they were said to have assembled a fleet of as many as 270 vessels at Passier; but this rumor had not been generally believed, for some had entirely called into question the assembling of so many vessels, while others had assumed that, even if this were true, it would not be manned against Banjermassing, but rather against some other place. But in order nevertheless to inform himself as much as possible regarding this matter, the chief Hofman had proceeded directly aboard the galley based there, and with it, in company with some other vessels, had sailed to Poulo Laut, where he had spoken with the Captain of that Island, Poeadoe, and conferred with him about this, whereupon the said Poeadoe had replied that he had indeed heard that the Passireesen, together with the Jlanoos or solotkers, were busy assembling a large number of vessels at Passier, 19 July 1788. but that he could say nothing certain about it, nor where that rumor had originated, upon receipt of which report the chief Hofman had immediately returned to Banjer, without having encountered anything on the way other than some pirate vessels, which took to flight upon his appearance. During this absence of the chief Hofman, a rumor had also spread in the Banjer area that the sergeant sent by the said Hofman to gustij Coessim, who was residing in the mountains, along with some other people, was said to have been murdered there; which rumor, however, following the return of Hofman, was contradicted by later received news, according to which the entire matter merely consisted in this: that the natives sent by Hofman to that sergeant had been detained in the mountains by the people of gustie Coessiem, as they were not provided with letters or a pass from the chief, as had been explicitly stipulated in the treaty made with that gustie; but that gustie Coessiem, after having discovered that those people were genuinely envoys of the aforementioned Hofman, had thereupon released them again, whereupon the chief Hofman, in order to be completely assured of this, had sent the pangerang Aria thither to make further inquiry in that regard, which said pangerang had set out on his journey to that end shortly before the narrator's departure from Banjermassing, and had not yet returned. The narrator says this to be all that he heard at Banjermassing up to his departure, which latter was finally granted to him, as well as to the other 311. 19 July 1788. vessels lying ready there, after the return of the chief, on the grounds that the surrounding outer waters were not found to be occupied by enemies, as had at first been thought; for which reason the narrator, together with the other vessels, had departed from Tatas at nearly the same time, but since his vessel, being a Chialoup, had a much deeper draft than the others, he had also spent a longer time, namely up to now about 7 days, before being able to get across the shallows in and before the mouth of the River, whereby he presumed that his companions arrived at the place of their destination much earlier than he, especially a certain Arab residing at Banjer, who had departed from there three days before the narrator and had sailed straight through without being obstructed by the shallows in the River, so that the narrator did not doubt but that the same will have arrived at Batavia, whither he was destined, at least 15 days ago already. Furthermore, the narrator testifies to have heard nothing more than the above, without addition. Was written below: Thus done and related at the Government House at Samarang on the date aforementioned. Written lower: Some characters set by the Banjarese Chassan, and beneath it: In my presence, was signed: F. I. Rothenbuhler Sec.s Copy Translation of a Javanese letter written by the Panumbahan Adipattij Tjacra Nagarra Adiningrat, Regent at Madura, to the Right Honorable Jan Greeve, Councillor of the Dutch East Indies and Governor and

Dutch transcription

309. den 19: Iuli 1788: „rijtjes, waer van de inwoonders, hen geen teegenstand kunnende bieden, gevlugt waeren, door welk ge„ „luk de Passirreesen aangemoedigd zijnde, ver„ „der voort, tot voor Tabalong de hoofd Negorij van dien Land streek, gerukt waren, alwaer hen de Banjeroesen egter sodanig ontvangen hadden, dat de Saffirreesen, haeren aanval hadden moeten sta„ „ken, zonder, dat hij relatant iets verder daer van ver„ „nomen had, dan eenelijk: dat de vijanden in deesen aan „val 2. dooden hadden bekomen, terwijl van de zeide der Banjareesen maer een enkeld man gequetst was. Dat hij Relatant wijders vernomen had, dat sig de Passereesen en andere souden verbonden hebben, om Ban„ „ Jormassing, so te land als ter zee aan te tasten en dat sij, om dit laetste ter uitvoer te brengen, eene vloot van wel 270: vaertuijgen te Passier souden bij een versameld hebben; dog dit gerugt was niet in 't alge„ „ meen gegloofd geworden, want sommige hadden het versamelen van so veele vaertuijgen, geheel in twijffel getrokken; terwijl andere verondersteld. hadden, dat so dit aleens waer was, het dog niet op Ban„ „Jermassing, maer wel op een andere plaets gemant soude sijn. - Danom sig egter so veel mogelijk na dee„ „se zaek te informeeren, had het opperhoofd Hof„ „man sig direct op de aldaer thuijs hoorende galeij begee„ „ven; en daer meede, in geselschap van eenige andere vaertuijgen na Poulo Laut gesteevent, alwaer hij met den Capitain van dat Eiland Poeadoe gespro„ „ken en denselven hier over onderhouden had, waerop gem: Poeadoe geantwoord had, wel vernomen te hebben, dat de Passireesen met de Jlanoos of solotkers, beesig waeren een groot getal vaertuijgen te Passier bij een te samelen „ den 19. Iuli 1788. samelen, dog dat hij niets zeekers daer van wist te zeg„ „gen, nog ook waer dat gerugt van daen was gekoomen, op het bekomen van welk berigt het opperhoofd Hofman direct na Banjer was te rug gekeerd, sonder onderweegs iets anders ontmoet te hebben, als eenige zeerovers= vaer„ „tuijgen, welke op sijne verscheining, de vlugt genomen. Geduurende dit afweesen van het opperhoofd stofman„ had sig ook in het Banjersche, een gerugt verspreit, dat de door gem: Hofman aan gus„ „tij Coessim, die sig in 't gebergte onthield, geson„ „dene sergeant met eenig ander volk, daer ver„ „moord soude sijn, dog welk gerugt na de te rug komst van Hofman, door een nader bekome„ „ne tijding was teegenspraeken geworden, daer volgens deselve de geheele zaek alleen hier in„ „ne bestond, dat de door Hofman aan dien sergeant ge„ „sondene Inlanders, in 't gebergte, door het volk van gus„ „tie Coessiem, waeren aangehouden, als niet voorsien sijn„ „de, van Brieven of een pas van het opperhoofd, soo als, bij het met dien gustie gemaekt verdrag, uitdrukkelijk bedongen was; dog dat gustie Coessiem na ontwaerd te hebben, dat die lieden weezentlijk zendelingen van voorsz: Hofman waren, deselve dan ook weeder ontslagen had, waer op het opperhoofd Hofman om hier van volkomen verseekert te weesen, den pange„ „rang Aria derwaerds gesonden had, om weswee„ „gens nader ondersoek te doen, welke gem: Lange„ „rang kort voor zijn Relatants vertrek van Ban„ „Jermassing, so ten dien einde op reis had begeeven, en nog niet weederom gekomen was. Dit segd hij Relabant alles te zijn, wat hij te Banjermassing, tot aan zijn vertrek toe, vernomen heeft, welk laetste hem Rela „tant eindelijk, so wel als aan de andere daer 311 den 19. Iuli 1788. daer gereed leggende vaertuijgen, na de te rug komst van 't opperhoofd, vergunt was, out hoofde dat men het naerwaeter daer om vertreeks„ niet, gelijk men eerst gemeend had, door vijanden had beset gevonden, waerom hij relatant dan ook neevens de andere vaertuijgen, bij na op eene tijd, van Tatas vertrokken was, dog vermits sijn vaertuijg, als een Chialoup zijnde, veel dieper ging dan de andere so had hij ook een en langere tijd en wel tot nu omtrent 7. dagen toegebragt alvorens over de droogtens in en voor de mand der Rivier te kunnen geraeken, waer door hij vermeende, dat zijne meede makkers veel vroeger dan hij op de plaetse hunner distinatie zijn aangeland, insonderheid seekere te Banjer woonagtigen Ara„ „bier, die drie dagen voor hem Relatant van daer vertrokk„n „ken, en direct doorgeseild was, zonder door de droogte in de Rivier belemmert te worden, dus hij Rela„ „tant ook niet twijffelde of deselve sal ten minsten reeds voor 15. dagen te Batavia sijn aangekomen, na werwaerds deselve gedestineert was. voorts betuijgd hij Relatant niet verder te hebben vernomen, als het bovenstaende zon„ „der meer. /:onderstond:/ Aldus gedaan en gerelateerd ten Gouverneurente Samarang dato voorsz: /: la„ „gerstond:/ eenige Caracters gesteld door den Banja„ „rees Chassan en daer onder :/ In kennisse van mij /:was ge„ „teekent:/ F: I: Rothenbuhler se C=s Copia Translaet Iavaensche brief ge„ „schreeven door den Panumbahan„ Adipattij Tjacra Nagarra Adiningrat Regent te Madura„ Aan den WelEd: Gestrenge Heer Jan Greeve, Raad van Needer¬ „landsch Indie, en Gouverneur en

NL-HaNA_1.04.02_3816_0588 view scan ↗

English

I cannot omit, Brother, to bring by this means to your knowledge that my Brother Aria Panoelar, my brother-in-law Pandjie soero Notto, and my Uncle Pandjie wierio diningrat, who are currently in Ceilon, have very earnestly made known to me their desire that they intend to petition to be permitted to return to Madura, which I cannot bring myself to do other than most respectfully inform your Right Honourable Rigorous Worship thereof, and at the same time humbly request that it may please Brother to bring about, through your Right Honourable Rigorous Worship's assistance, that these aforementioned three persons may return to Madura; and should they, when they have returned here, happen to make their conduct unworthy, your Right Honourable Rigorous Worship may be completely assured that I will without any doubt be responsible for that. All that I have to say is contained in this letter. Below was written: written in Madura on Saturday the 23rd of the light Siam in the Year Djimmakir 1714. Lower: translated by me. Was signed: Wm: wardenaer, Sworn Translator. Copy Translation of Javanese Letter written by the aforementioned Panumbahan to the Authority in the Eastern Corner A: Barkeij, received at sourabaija, and Director on and along Java's North-East Coast. 19 July 1788. 313 19 July 1788. My Brothers Aria Panoelar, Pandji soero Notto, and uncle Pandji wieradiningrat, residing in Ceilon, having most urgently requested of me my favorable intercession with the Honourable Company, to the end of obtaining thereby permission to settle again on this Island, with promises of continuously commendable conduct, it is for that reason, as I cannot pass it by without reflecting upon those urgent requests, that I hereby take the liberty most kindly to request Brother to assist on my behalf with the Noble Lord Governor toward the release of my aforementioned Brothers and uncle from Ceilon, as I am also petitioning His Right Honourable Worship by the enclosed, which petition I trust that Brother will be pleased to present, while I interpose myself as Surety for any further bad conduct of my aforementioned Brothers and uncle. Below was written: End. Lower was written: translated by me. Was signed: H: v: Ligten, Sworn Translator. Copy. I, Ingabeij Soero Adiwid Joijo, Regent at Bangil, through the particular great favor of Their High Noble Lordships the Lord Governor-General and the Lords Councillors of the Netherlands Indies, having been endowed with the Title and Rank of Tommongong soero Adi Nagara, do promise and swear hereby, according to the customary Terms. 25 June 1788: 19 July 1788. not only conform to my previous promise made upon my appointment as Regent of the aforementioned district of Bangil in the passed deed of bond, to be always true and faithful to the illustrious Dutch East India Company, His High Nobility the Lord Governor-General, and the Right Honourable Rigorous Lords Councillors of the Netherlands Indies, as well as the Lord Councillor Extraordinary Jan Greeve, Governor and Director of this Coast, or whoever might for the time being hold authority here on behalf of the aforementioned High Noble Lordships, and strictly to fulfill my deliveries undertaken therein, but also as a token of my gratitude for the great goodness shown to me, to deliver additionally 10 Coyangs of Rice annually, to be delivered for nothing or without payment just like the 10 similar Coyangs already previously delivered by me. And as a sign that I am inclined to observe and fulfill all this holily and faithfully, I have sealed this Act along with three others of identical content with my seal and signed it with my own hand, as well as solemnly sworn upon the Alcoran in the manner of the Mohammedans into the hands of the aforementioned Lord Governor and Director. Below was written: Done at Samarang, 14 July 1788. In the margin: The Company's Seal stamped in Red Wax, and beside it was signed: Jan Greeve. Under the Javanese text were: the seals of the Head Regent of Samarang, the Adipattij Soero dimongallo, and the aforementioned Soera Adinagara. Lower: To my knowledge, was signed: Wm wardenaer, Sworn Translator. 315. 19 July 1788. Copy Memorandum of the Rice already transported from the Eastern Corner to the Capital of the Indies in the year 1788. namely. from sourabaija 14th 17th 28th 24th 29th 2 June by Juragan Tan he Pauw, via Samarang 20. by Than Lonko 40. Pa Barso, via Ioana 12. by Tjoa Hotko, via Samarang 60: from Grissee. 2nd Juragan Ko-In tJong 25: 7th Tjoa Hotko, further laden 40: 10 11th from Bancallang 19 May by sie Lianseeng from Passourouang 16 June by Tjan Siamkong Coyangs 25: by Sie simko 1 June by Tan Poanko Coyangs 25: 9 May by kouw Tjoeiko 13 May by Lim Hioko Coyangs 8: Tjoa Poqua 4: Jjan Niauwko 10: Coyangs 15. by goe ssoeko 80. 9th by Ian Pieter volmer 17: Coyangs 250: so mitarso 15: 22nd amounting together to Coyangs 406: Below was written: Sourabaija, late June 1788. Lower: extracted from the pass lists by me. Was signed: H: v: Ligten, Sworn Translator. 50: 2: turn over 6 94

Dutch transcription

Ik kan niet nalaeten Broeder mits deesen ter kennisse te brengen, dat mijn Broeder Aria Panoelar, mijn swager Pandjie soero Notto en mijn Oom Pandjie wierio diningrat, die sig te Ceilon bevinden, mij seer ernstig van hunne verlangen hadden te kennen gegeeven, dat sij van sints waeren te solleciteeren, om weeder naer Madura te rug te mogen keeren, het welke ik niet over het hart kan brengen, uwelEd: gestr: hier van op het eerbiedig„ „ste kennisse te geeven en tevens needrig te versoeke dat het Broeder gelieve te behagen, om door uwel Ed: gestrenge hulp te weege te brengen, dat deese gemelde drie persoonen, weeder na Madura mogen te rug keeren, en als deselve weeder alhier sullen sijn te rug geko„ mogte „men en sij sig hun gedrag komen onwaerdig te maeken, so kan uwelEd: gestr: volkomen versee„ „kert weesen, dat ik sonder eenig twijffeling daer voor verandwoordelijk sal zijn. Al wat ik te segge hebbe staet vervat in deesen brief /:onderstond:/ geschreeven te Ma„ „dura op saturdag den 23=e van het ligt siam in 't Jaer Djimmakir 1714: /:lager/ getranslateerd door mij /: was geteekend:/ Wm: wardenaer, gesw: Translateur. Copia Translaet Iavaensche Brief geschreeven door eevengemelde Panumbahan, aan den gezagheb„ „berin den Oosthoek A: Bar„ „keij, ontvangen te sourabaija en Directeur op en langs Iavas Noord Oost Cust. den 19. Iuli 1788. den 313 den 19=e Juli 1788. Mijne te Eeilon zig bevindende Broeders Aria Panoelar, Pandji soero Notto, en oom Pandji wieradiningrat, aan mij op het instantigeste versogt hebbende, om mijne gunstige voorspraek bij de Ed=e Compagnie, ten einde daer door permis„ „sie te erlangen, om sig weeder op dit Eiland te mogen needersetten, met beloften van eene aan„ „houdend prijselijk gedrag, zo is om die reede, als niet kunnende voor bij, zonder op die instanties reflectie te vestige, dat ik bij deese de vrijheid neeme Broeder vriendelijkst te versoeke, om ten mijnen reguarde bij de Edelheer gouverneur te willen meede werken tot de verlossing van mij„ „ne voorsz: Broeders en oom van Ceilon, zo als ik zijn E=e gestr: bij inleggende ook ben instee„ „rende, welke instantie ik vertrouwe dat Broe„ „der zal gelieve voortedragen, terwijl ik mij als Borg interponeerd, voor het verder slegt gedrag van opgem: mijne Broeders en oom. /:onderstond:/ Einde :/ lager stond:/ getranslateert door mij /:was get:/ H: v: Ligten, gesw: Transl: Copia. Ik Ingabeij Soero Adiwid Joijo, Regent te Bangil, door de bijsandere groote gunste van Hunne Hoog Edelheeden den Heere gouverneur Generael en de Heeren Raeden van Neederlandsch Indie, begiftigd zijnde, met de Titul en Rang van Tommongong soero Adi Nagara, beloove en sweere mits deesen, om Na gewoone Terme. den 25=e Iunij 1788: niet : den 19. Juli 1788. niet alleen Conform mijne voorige gedae„ „ne belofte, bij 't bij mijne aanstelling tot Regent van 't voorn: district Bangil gepasseerd ver„ „bandschrift, de doorlugtige Neederlandsche oost Indische Comp: zijn Hoog Edelheid den Heere gou„ verneur Generael en de welEdele gestrenge Heeren Raeden van Neederlands Indie, mitsgaders der stee„ „re Raed Extra ordinair Jan Greeve, gouverneur en Directeur deeser Custe, ofte den geene die in der tijd, hier het gezag van weegens welgem: H: H: E: mogte voeren, altoos gehouw en getrouw te sullen sijn, en aan mijne daer bij aangenomene leverantie stipt te sullen voldoen, maer ook tot een teeken mij„ „ner erkentenis, weegens de groote goedheid mij beweesen, boven dien 's Jaerlijks te sullen opbren„ „gen 10. Coijangs Rijst, om eeven als de door mij be„ „10 gelijke Coijangs voor niet of sonder betaling geleverd „vorens reeds geleeverde te worden. - En ten teeken dat ik geneegen ben, dit alles Heiliglijk en ge„ „trouwelijk te observeeren en natekomen, so hebbe ik deese Acte neevens drie andere van gelijken in„ „houd met mijn zeegel verzeegeld en eijgen han„ „dig onderteekend, mitsgaders na de wijse der Ma„ „humetaenen plegtig onder den Alcoran, besworen aan handen van den Heere gouverneur en Directeur mel„ „meld. /:onderstond:/ Actum Samarang den 14=e Iuli 1788. /: in margine :/ 's Comp=s Ca„ „chet gedrukt in Road Lacque, /: en daer neevens /:was geteekent:/ Jan Greeve„ /:onder 't. Javaens stonden:/ de cachet„ „ten van den samarangse Hoofd Re„ „gent den Adipattij Soero dimongal„ „lo, en Soera Adinagara voormeld /:lager:/ Jn kennisse voor mij /:was getee„ „kent:) W=m wardenaer, geswoore Translateur. pte 315. den 19=e Juli 1788. „ 14=e Copia Memorie der bereeds uit den Oosthoek vervoerde Rijst naer Indias Hoofd-plaets in anno 1788. te weeten. van sourabaija „ 17= „ 28=e „ 24=' „ „ 29=e „ 2=e Junij „ Juragan Tan he Pauw, over sam: - - - - „ 20. „ „ Than Lonko - - - - - - - „ 40. Pa Barso, over Ioana - - - - „ 12. „ „ Tjoa Hotko, over Sam: - - - - - - - - „ 60: van Grissee. „ 2=e „ Juragan Ko - In tJong - - - - - - - „ 25: „ 7=e „ „ Tjoa Hotko, nader geladen - - - - - - „ 40: „ 10 „ 11=e „ van Bancallang „ 19=e meij door sie Lianseeng - - - - - - - - - - - - - - - - „ van Passourouang „ 16=e Junij door Tjan Siamkong - - - - - - - - - Coij: 25: „ „ „ „ „ Sie simko - - - - - - - - - „ „ 1=e Junij „ Tan Poanko . . . . . . . . . . „ 25: den 9=e Meij door kouw Tjoeiko „ 13=e meij door Lim Hioko - - - - - - - - - Coij: 8: „ Tjoa Poqua - - - - - - - - - - - „ 4: Jjan Niauwko - - - - - - - - - - - „ 10: . . . . . . . Coij: 15. „ „ „ „ goe ssoeko. . . . . . . . . . . . . . „ 80. „ 9: „ „ Ian Pieter volmer. . . . . . . . . . „ 17: Cai:s 250: so mitarso - - - - - - - - - - - „ 15: „ „ 22: „ zuitmakende te samen -- Coijangs 406: /:onderstond:/ Sourabaija ault=o Iunij 1788: /: la„ „ger:/ getrokken uit de passe Lijsten door mij /:was geteekent:/ H: v: Ligten, gesm: Transl: 50: 2: verte „ „ „ „ „ „ „ —. 6 94

NL-HaNA_1.04.02_3816_0592 view scan ↗

English

Batavia To his High Excellency, The High Noble, Severe, and Right Honourable Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor General, and The Honourable and Severe Lords Councillors of the Netherlands Indies. High Noble, Severe, and Right Honourable Lord, and Honourable and Severe Lords! While undertaking the journey to the courts of both princes, from where I returned on the 20th of this month, I had the honour of receiving Your High Excellencies' most respected separate dispatch of the 8th of July last, accompanied by an extract from the minutes of the resolutions taken by Your High Excellencies on the 4th of the aforementioned month. By these, Your High Excellencies, after calculating how much rice the Company will require in this coming autumn and the coming spring, were pleased to authorise me to purchase first 1060 Lasten for this year, and then a further 500 lasten for the coming spring. To this esteemed authorization of Your High Excellencies, I shall dutifully endeavour to conform, if only I am enabled to do so through the obtaining of the money required for the purchase, as this money is utterly impossible to secure here. In the Company's treasury there is currently no more than between 26000 and 27000 Rds, and from this, the coastal tolls amounting to 25000 Rds must be paid to the princes in the coming month, and Your High Excellencies are aware that this must be carried out promptly on time. Given the small amount that has been paid into the treasury here and in the eastern corner against drafts on the Netherlands, I have no prospect that anything of significance will come in on that footing. The subordinate offices also insist on provision being made for the payment of what is still due on the contingents. And as, among others, the Resident of Soana declared that, beyond the 16000 rds already advanced, he is no longer capable of doing so unless he is accommodated, I could not refuse to grant his urgent request to propose to Your High Excellencies that he be granted drafts on the Gentlemen Masters for a portion thereof, or 5000 rds, against a reimbursement of the ducaton at 72 stuijvers, to be received by Messrs. Ioan Pieter and Ioachim Asueros Schorer in Middelburg. I therefore most respectfully request that Your High Excellencies be pleased to provide me provisionally with 50000 rds in cash, which I require at the very least for the purchase. 317 the 29th of August 1788.

Dutch transcription

Batavia Aan zijn Hoog Edelheid. Den Hoog Edel Gestrenge Groot Achtbaeren Heere M:r Willem Arnold Alting Gouverneur Generaal, en De wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Neederlandsch Indie Hoog Edel Gestrenge Groot Achtbaeren Heere en Wel Edele Gestrenge Heeren! Onder het doen der reijse na de Hoven der beijde vorsten van waar ik den 20: deser ben geretourneert, hebbe ik d'eer gehad te ontvangen uwer Hoog Edelheeden seer gerespecteerde Aparte Missive van den 8. Julij bevoorens bij gevoegd een Extract uijt de Notulen der, op den 4. van laastgemelde maand bij uwe Hoog Edelheeden genoomene besluijten, waar bij uwe Hoog Edelheeden, na bereekening hoe veel Rijst de Comp:e in dit na en 't aanstaande voor Jaar zal noodig hebben, mij gelieven te qualificeeren tot den inkoop eerst van 1060: Lasten voor dit en dan nog 500: lasten voor 't aanstaande voor Jaar Aan deese uwer Hoog Edelheeden g'eerde qualificatie sal ik schuldpligtig tragten te voldoen, so ik, maar door de erlanging van 't tot den inkoop 317 den 29: Augustus 1788. inkoop benoodigde geld, daer toe in staat gesteld worde alsoo dit geld alhier volstrekt niet te bemagtigen is. In Comp=s Cassa is teegenwoordig hier niet meer dan tusschen de 6: en 27000: Rd=s en daar uijt moeten in de aanstaande maand de strandgelden aan de vorsten tot 25000: Rd=s betaald worden en 't is uwe Hoog Edelheeden bekent dat dit op zijn tijd rigtig moet geschieden. Bij het weijnige dat hier en in den oosthoek in Cassa is gesteld op Assignatie na Neederland, heb ik geen uitzigt dat nog iets. van aan belang op dien voet sal inkoomen. Ook insteere; de subalterne Comptoiren om voorsiening, ter betaling van het geene nog op de Contingenten moet voldaan worden. En daar onder anderen de Resident van Soana verklaerde, boven de voor reeds. uijtgeschootene rd=s 16000:, daar toe nu niet verder ver„ „mogend te weesen, sonder dat hij wierd te gemoed gekomen so heb ik niet kunnen weijgeren te bewilligen in zijne instantie om aan uwe Hoog Edelheeden voor te draagen dat hem voor een voor gedeelde daer van of rd=s 5000:- mogen worden verleend Aas„ „signatien op de Heeren Meesters teegen een remboursement de ducaton met 72: stuijvers, om ontvangen te worden door de Heeren Ioan Pieter en Ioachim Asueros schorer te Mid„ „delburg - - . . . . . Ik versoek des seer eerbiedig dat uwe Hoog Edelheeden mij bij provisie gelieven te voorsien met 50000: rd=s aan Contanten die ik ten allerminsten benoodigd ben tot den inkoop 5 Batavia Aan zijn Hoog Edelheid. Den Hoog Edel Gestrenge Groot Achtbaeren Heere G M:r Willem Arnold Alting Gouverneur Generaal, en De wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Neederlandsch Indie Hoog Edel Gestrenge Groot Achtbaeren Heere en Wel Edele Gestrenge Heeren! Onder het doen der reijse na de Hoven der beijde vorsten van waar ik den 20: deser ben geretourneert, hebbe ik d'eer gehad te ontvangen uwer Hoog Edelheeden seer gerespecteerde Aparte Missive van den 8. Julij bevoorens bij gevoegd een Extract uijt de Notulen der, op den 4. van laastgemelde maand bij uwe Hoog Edelheeden genoomene besluijten, waar bij uwe Hoog Edelheeden, na bereekening hoe veel Rijst de Comp:e in dit na en 't aanstaande voor Jaar zal noodig hebben, mij gelieven te qualificeeren tot den inkoop eerst van 1060: Lasten voor dit en dan nog 500: lasten voor 't aanstaande voor Jaar Aan deese uwer Hoog Edelheeden g'eerde qualificatie sal ik schuldpligtig tragten te voldoen, so ik, maar door de erlanging van 't tot den inkoop 317 den 29: Augustus 1788. inkoop benoodigde geld, daer toe in staat gesteld worde alsoo dit geld alhier volstrekt niet te bemagtigen is. In Comp=s Cassa is teegenwoordig hier niet meer dan tusschen de 6: en 27000: Rd=s en daar uijt moeten in de aanstaande maand de strandgelden aan de vorsten tot 25000: Rd=s betaald worden en 't is uwe Hoog Edelheeden bekent dat dit op zijn tijd rigtig moet geschieden. Bij het weijnige dat hier en in den oosthoek in Cassa is gesteld op Assignatie na Neederland, heb ik geen uitzigt dat nog iets. 1 van aan belang op dien voet sal inkoomen. Ook insteere, de subalterne Comptoiren om voorsiening, ter betaling van het geene nog op de Contingenten moet voldaan worden. En daar onder anderen de Resident van Soana verklaerde, boven de voor reeds. uijtgeschootene rd=s 16000:, daar toe nu niet verder ver„ „mogend te weesen, sonder dat hij wierd te gemoed gekomen so heb ik niet kunnen wreijgeren te bewilligen in zijne instantie om aan uwe Hoog Edelheeden voor te draagen dat hem voor een voor gedeelde daer van of rd=s 5000: - mogen worden verleend Ass„ „signatien op de Heeren Meesters teegen een remboursement de ducaton met 72: stuijvers, om ontvangen te worden door de Heeren Ioan Pieter en Ioachim Asueros schorer te Mid„ „delburg - . . . . . . Ik versoek dus seer eerbiedig dat uwe Hoog Edelheeden mij bij provisie gelieven te voorsien met 50000: rd=s aan Contanten die ik ten allerminsten benoodigd ben tot den inkoop 5

NL-HaNA_1.04.02_3816_0596 view scan ↗

English

purchase both of the aforementioned quantity of rice and of other as yet unpaid products, including also the contingent demands; furthermore, I shall take as my dutiful guidance the regulation made by Your High Nobilities, according to which 600 lasts of rice may be transported by private individuals from Java to Malacca and Riouw, and 300 lasts of rice to Palembang. And although the crop in the Eastern Salient has this year turned out nowhere near as favorably as in the recent past, as was already reported in the recently dispatched general letter of the 25th of this month, and here in the vicinity of Samarang and in Demak, as well as in the Joana region, the conceived hope for a rich harvest is markedly disappointed by the adverse phenomenon that the paddy in various places, upon cutting, is found to be empty and the husk without a kernel, while in the Tegal region many ripening fields are currently being ruined again by the so destructive locusts; yet, in supply of the statement required of me by Your High Nobilities, I believe I can advance that, after calculating Batavia's private supply and what is ordinarily required privately for Amboina and Banda, provisionally a quantity of 800 lasts could be permitted to be transported to Banjarmasin, the 29th of August 1788. — Pontianak, 319. Pontianak, and Mempawah, as well as the further places across the water, both for the relief of the leases and the revival of trade, and to somewhat mitigate the inclination toward piracy, which one may reasonably argue arises largely from a lack of food. Passing now to give Your High Nobilities the dutiful account of my proceedings at the courts of the princes, where I was received with all tokens of honor in the most affable manner, and in this respect I have no more reason to be satisfied in my official capacity with the marks of attention shown to me by the Crown Prince of Surakarta, who occupied the place of his lord father at this ceremonial visit, than with those of the Sultan, although this prince in particular made every effort to display his power in pomp and splendor, as the particulars of both are circumstantially described in the daily journal accompanying the enclosures hereof, to which, partly in order not to weary the attention of Your High Nobilities, I respectfully refer; I begin with the Court of Surakarta, with respect to which, to my regret, I must report that the Emperor's life is rapidly hastening to an end. At my first meeting with that prince /: in a darkened room, as His Highness cannot bear the rays of light and thus could not receive me outside the 29th of August 1788. :/ I found him not only very emaciated and extremely despondent, but even in an altogether pitiable state regarding his physical condition, especially his eyesight, of which His Highness is deprived to such a high degree that he cannot distinguish the coarsest objects without great difficulty, even though they are brought ever so close within his reach. Also, on my return journey from Yogyakarta, upon arrival at Semarang, I received the not unexpected news that the prince's demise was believed to be near, as he was then seized by a severe convulsive attack, the very thing by which I had been forewarned that his end would in all likelihood be hastened, being almost entirely motionless, consequently ever unable to relieve the necessary requirements of nature. Upon receipt of this report, I had also already prepared to return to Surakarta, and would indeed have done so, had not the information received shortly thereafter and subsequently from time to time mentioned that some improvement was perceived, as it subsequently also increased, although thus far not yet such that one can consider the danger for this time to be entirely surmounted. Meanwhile, it is held to be quite probable that, regardless of this, that prince cannot last much longer, in which His Highness also assured me himself that he was very comforted and awaited his approaching end the 29th of August 1788. — with resignation: 321. the 29th of August 1788. with resignation: This state of mind, meanwhile, enabled me to deal with that prince all the more frankly in devising with His Highness all such arrangements as we mutually understood might be useful, in the event of a vacancy of the throne, to properly effect the succession and preserve the peace. For when, on the occasion of my second visit, I held a private conversation with the Emperor in a separate room, at which His Highness desired that neither the Crown Prince nor the First Resident be present and that we should thus be entirely alone, that prince, with very great emotion of mind, made known to me that he was very ready to depart this life, as nothing but misfortunes and vexations now fell to his lot, specifying these both to his physical condition and to the death of the Empress, and the shame and grief caused him by the late First Resident Palm; and that His Highness for this reason even longed for his end, if only he could be at ease and assured that the crown and the realm, after his death, would be obtained in peace by his son, the Crown Prince, and that the welfare of the country and subjects could be preserved. Upon this declaration and displayed melancholy, I assured His Highness that he must not disturb himself with anxious thoughts regarding the succession. That the Company, after all, had already positively declared

Dutch transcription

inkoop so van de voormelde quantiteijt Rijst, als van andere nog onbetaalde producten, daar onder ook de Contingent Eijsb: voorts sal ik mij tot schuldig narigt laten strekken de door uwe Hoog Edelheeden gemaakte bepaling volgens welke van Iava 600: lasten Rijst na Malacca en Riouw en 300: lasten Rijst na Palembang, door particulieren vervoert mogen woor„ den. En hoewel het gewasch in den oosthoek dit Jaar op veare na se voordeelig niet is uijtgevallen als in het Iongst voor„ leedene gelijk dit bereeds bij de Iongst afgegaane gemeene brief van den 25: deser is bedeelt, en men ook so wel hier in den omtrek van Samarang en in het Damakse, als in 't Ioanasche in de opgevatte hoop op een rijke oogsb merkelijk te soo leur gestelt word door 't nadeelig verschijnsel dat de Padij op verscheijde plaatsen bij 't suijden, ledig ende bolster sonder kern bevonden word, terwijl in het Tagalsche thans weder veele rijpende velden bedorven worden, door de so vernielende spring„ haanen; so meen ik egter ter suppediteering van de door uwe Hoog Edelheeden, van mij gerequireerde opgave, te kunnen avanceeren dat na bereekening van Batavias particuliere voorsiening en't geene ordinair particuleer voor Amboina en Banda word vereijscht, bij provisie zoude kunnen wer„ den gepermitteert een quantiteijt van 800: lasten naar Banjer, den 29: Augustus 1788. — Prntiana 319. Puntiana en Mampauwa neevens de verdere overwalsche plaatsen te vervoeren so wel tot soulaas der Pagten, en oppa„ „beuring vanden Handel als om eenigsints te verkoeken de drift tot zeerooff, die men met reeden mij stellen dat grooten„ „deels uijt gebrek aan voedsel, ontstaat. Hier meede als nu overgaande om uwe Hoog Edelheeden 't verschuldigt verslag te doen van mijne verrigtingen aan de toven der vorsten, alwaar ik met alle teekenen van eere op 't minsaamste ben onthaald en ten desen opsigte geen meerder ree„ den hebbe in mijne qualiteijt voldaan te zijn, over de blijken van attentie, welke den kroon poins van Soura Carta die bij deese Ceremonieele visite de plaats van zijn Heer vader heeft bekleed, mij heeft. laten blijken, als over den sulthan, schoon deese vorst inson„ „derheid alles heeft aangewend om zijn vermoogen in pragt en praal ten toon te prijden so als de bijsonderheeden van 't een en ander omstan„ „dig beschreeven staan bij 't Dagverhaal, het welk de bijlaagen deeses verseld, en waar aan ik, deels om de attentie van uwe Hoog Edelheeden niet te vermoeijen, mij eerbiedig refeere, beginne ik met het 'Hoff van soura carta, ten opsigte van 't welke ik, tot mijn leed„ „weesen moet melden dat 't met 't leeven van den keijser met rasse schreeden ten eijnde spoed. Ik vond dien vorst bij mijne eerste ont„ „moeting /: in een duijster gemaakt vertrek wijl, sijne Hoogheid de ligt staaalen niet verdragen kan en mij dus niet buijten den 29: Augustus 1788. konde konde ontvangen :/ niet alleen seer vermagerd en ten uijtersten droef geestig, maar selfs in eene allesints beklagens waerdige staat ten aansien zijner lighaams omstandigheeden, insonderleid het gesigt, waar van zijne Hoogheid tot sulk een hoogen graad verstoo„ ken is dat hij niet sonder veel moeijte de grofste voorwaepen kan onderscheijden schoonse hem nog so na onder 't berijk worden gebragt. Ook kreeg ik op mijne terug reijse van DjoeJocarta bij aan„ komst te denarang, de niet onverwagte tijding dat men ge„ loofde 'T vorsten verscheijden na bij te zijn, als zijnde toen over„ vallen van een sware Convussive attacque, Juijst dat geene waar door men mij voorsegd had dat zijn eijnde na alle waarschijne„ „lijkheid soude verhaast worden, als zijnde genoegsaam te eenemaal sonder beweging Consequentelijk steeds buijten 't vermogen om aan de noodsakelijke vereijschtens der natuur te voldoen. Ik had mij op den out ovangst van dit berigt ook reeds gereed gemaakt na Soura Carta te rug te keeren, en soude sulx ook werkelijk gedaan hebben, so de kort daarna en vervolgens van tijd tot tijd ontvangene in formatien geen melding gemaakt hadden, dat men einige beterschap bespeurde gelijk die vervolgens ook is toegenoomen, hoewel tot hier toe nog so niet dat men agter kan 't gevaar voor ditmaal weder geheel te boven te zijn. Men houd 't ondertusschen voor vrij waarschijnelijk dat dien vorst 't des ongeagt, niet lang meer maken kan waar in zijne Hoogheid mij ook selfs heeft betuijgd seer getroost te weesen en zijn aannoederend eijnde den 29 Aug=s 1788. — gelatenheid 321. den 29: Aug=s 1788. gelatenheid aftewagten: Deese gemoeds gesteldheid, heeft mij andertusschen met dien vorst des te onbewimpelder kunnen doen omgaan in 't beraamen met zijne hoogheid van al sulke schikkingen, die wij onderling hebben begreepen dat bij Throons vacature, dienstig kunnen zijn om de opvolging behoorlijk te doen beslag erlangen ende rust te conserveeren. Mant toen ik ter geleegenheid mijner tweede visite, met den keijser in een afgesondert vertrek een mond gesprek hield, waar bij zijne Hoogheid begeerde dat nog den kroonprins nog den eersten Resident tee„ genwoordig en wij dus geheel alleen souden zijn, gaf die vorst mij met seer veel aandoening des gemoeds te kennen seer bereijd te zijn, dit leeven te verlaaten, wijl hem daer in thans niets anders dan rampen en verdrietelijkheeden te beurt vielen, bepaalende die s5 tot zijne lighaams toestaad als de dood der keijzerinne ende semaand en smerte tem door wijlen den Eersten Resident Palm aangedaan, en dat zijne Hoogheid hier om selfs na zijn eijnde verlangde, indien zij maar gerust en verseekerd konde zijn dat de kroon en 't Rijk na zijn en dood, door zijn zoon den kroonprins in vreede zoude verkreegen worden ende welvaard van 't land en onderdaenen bewaard souden kunnen blijven. Ik verseekende op dese te kennen gave en betoonde swaermoedigheid, dat zijne Hoogheid sig ten opsigte der successie niet moest verontrusten met kommerlijke gedagten. Dat de Comp: sig immers reeds stellig verklaard had

NL-HaNA_1.04.02_3816_0600 view scan ↗

English

was in favor of the crown prince and that he could rely upon this if the crown prince continued to maintain the same conduct so that the Company could remain satisfied with him. And that, concerning the care to preserve the peace in this event, everything possible would be done on the part of the Company, provided that, if His Highness's condition should become dangerous, Samarang were informed of it so timely that opportunity remained for the governor to be at Court, with that which he judged necessary to have with him to achieve that purpose, at or shortly after the death takes place. This indeed had the effect that His Highness appeared somewhat reassured by this and summoned the crown prince to inform him of this assurance; but he nevertheless declared at the same time that the ground of his despondency on this subject had not yet been entirely removed by this. By way of explanation of which, His Highness told me that Palm, some time before his death, had caused three sons of the fallen Pangerang Rongo Djadjar, named Bronto Coessoemo, Rongo Coessoemo, and Soemo Dordjo, to come from the Grobogan district, thus from the territory of the Sultan, to Souracarta, and that without informing His Highness of it or asking his approval, a place of residence in the vicinity of Soura Carta had been assigned to them; that he, the monarch, was thus not only burdened with the maintenance of these persons and their accompanying retinue, but was now also exposed to the danger that they might establish a following in his territory and perhaps in time become very detrimental to the tranquility of the Realm of Soura Carta, not to mention the justified displeasure that the Sultan could have over the luring to himself of these persons who had resided in his territory. In these difficulties regarding the Djadjars, I found so much ground that I acknowledged to the Emperor the gravity thereof, and while I assured His Highness that the mentioned Palm had done this in such a highly unauthorized manner without having had orders to that effect, contrary to what the monarch told me he had claimed, and which His Highness declared was also the reason why he had not dared to oppose it, I promised to devise the best means to prevent the harmful consequences thereof as well as possible. And as I recalled how the Sultan had already twice refused the surrender of the descendants of the mentioned Pangerang Rongo to my predecessors, the gentlemen van der Burgh and Siberg, and as was rightly believed, had always, contrary to the truth, denied their presence in his territory, it appeared to me that this monarch could very easily take it amiss that, despite him and against his will, they had now managed to gain possession of them. And in order to be as reliably informed about this as possible, I wrote directly to the first resident of Djocjocarta, van IJsseldijk, to investigate and report to me as soon as possible whether the mentioned persons had moved from there to the Soura Carta district with or without the prior knowledge and consent of the Sultan or of the Grobogan Regent, as well as what the reasons for this relocation had been, as far as they might be known to him, and finally whether one should not reasonably expect that the Sultan, if His Highness were not aware of it, upon discovering the same, would conceive considerable displeasure from it, either against the Company or against the Emperor. Pursuant to this, the mentioned First Resident IJsseldijk wrote to me that, in accordance with the always held assumption, it could now no longer be doubted that both these and others of the Djadjar family had previously resided in the Grobogan district, yet in such a way that this was permitted by the Sultan only by connivance, and His Highness along with his Regents had on that account always feigned ignorance. That he had not been able to discover with certainty whether the Sultan was informed of their relocation; but that on the basis of the information obtained, he was of the understanding that this monarch would not show displeasure over it and, in his opinion, presently in his weakened condition, would not be unwilling to be rid of that entire family from the highlands, if only that could occur without breaching the promises once made by His Highness not to harm them.

Dutch transcription

had ten voordeele van den kroonprins en dat hij sig hier op des konde verlaten so de kroonprins steeds het selfde gedrag bleef hauden dat de Comp:e over hem voldaan konde zijn: En dat wat betreft de bij zorg om dit voorval de rust te Conserveeren, hier toe van weegens de Comp:e alles wat moogelijk was, zoude aangewend worden mits men als zijn Hoogheids toestand gevaarlijk mogt worden op Samarang maar so vroegtijdig daar van wierd geinformeert, dat'er voor den gouverneur geleegenheid overblijft om, met het geene hij ter bereijking van dat oogmerk, noodig oordeeld bij sig te moeten hebben, ten Hove te kunnen zijn, bij af kort na dat 't sterfgeval exteert. Dit was wel van die uitwerking dat zijne Hoogheid hier door hier door sig eeniger maaten gerust gesteld toonde en den kroonprins bij zig ontboot om hem van dese verseekering kennis te geeven; maar hij betuijgde agter tevens dat de grond van zijne swaarmoedigheid op dit sujet hier meede nog niet geheel was weggenoomen, tot explicatie van 't welke, zijne Hoogheid mij seijde dat Palm eenige tijd voor zijn dood uijt 't grobogangsche, dus uit het gebied van den sulthan, na souracarta had doen koomen drie zoons van den gesneuvelde Pan„ „gerang Rongo Djadjar, in naame Bronto Coessoemo, Rongo foessoemo en soemo dordjoijd en dat zonder zijne Hoogheid daar in te kennen of zijne goedvinden te vraagen, aan deselve en verblijfplaats, inde nabijheid van Soura Carta was aangeweesen: — Dat hij vorst dus niet alleen beswaard was met het onderhoud deeser persoonen en den 29: Aug=s 1788. bijhebbend 323. den 29: Aug=s 1788. bij hebbend gevolg, maar als nu ook blood stond dat deselve in zijn gebied sig een aanhang maaken en misschien in tijd en wijle, voor de rust van 't soura cartasche Rijk seer nadeelig konden worden, ongereekend nog het regtmatig misnoegen dat den sulthan soude kunnen hebben, over 't tot sig locken van deese in zijn gebied verblijf gehouden hebbende persoonen. In deese swarigheeden ten opsigte der Djadjars, vand ik so veel grond, dat ik den keijser 't gewigt derzelve avoueerde en terwijl ik zijne Hoogheid verseekerde dat gem: Palm dit op eene so seer ongequalificeerde wijse had gedaan, sonder daer toe order gehad te hebben Contrarie 't geen de vorst mij zeijde dat hij had voorgegeeven en't welke zijne Hoogheid verklaarde, ook de reedenen te zijn geweest, waar van wij sig daarteegen niet had derven versetten, soo beloofde ik de beste middelen te sullen uitdenken om de nadeelige gevolgen daar van best moogelijk voor„ „te koomen. En daer ik mij erinnende hoe een sulthan bereeds tot twee maalen aan mijne opresecesseurs de Heeren van der Burgh en Siberg de overgave der nakomelingen van gem: pangerang Rougo geweijgerd en so als men teregt gemeend heeft, steeds de aanweesigheid derselve in zijn gebied Contrarie de waarheid tegengesprooken heeft, so quam 't mij voor dat dien vorst 't alseer ligt vrij hoog konde opneemen dat men sig, in Weerwil van hem in zijns ondanks, als nu van deselve had weeten meester te maaken, en om dus hier omtrent so veel moogelijk i 'te seekere onderrigt te zijn, schreef iks direct aan den Djoc jocartasch eerste rerdent van Van risseldijk om te ondersoeken en wij ten spoedigsten te berigten of de gemelde persoonen met of sonder voorkennis en bewilliging soff van den sulthan dan wel van den grobogangs Regent, van daer na 't soura Cartasche waeren verhuijst, so meede welke de reedenen van dese verhuijsing waren geweest, voor se verre die aan hem bekend mogte„ zijn en eijndelijk of men niet met grond te verwagten had dat den sulthan, so zijne Hoogheid daar van geen kennis mogt dragen, bij ont„ „waring van deselve, daer uit vrij veel misnoegen soude opvatten 't zij teegen de Comp:e afteegen den keijzer Ingevolge hier van schreef gem: Eerste resident ijsseldijk mij, dat het, Conform de althoos gedaane oorderstelling, nu niet meer in twijffel konde getrokken worden dat zo wel deese als andere van 't Dadjaas geslagt; zig bevoorens in 't grobogangse hadden opgehouden, egter op een wijse dat sulx alleen, als bij ogluijking, door den sulthan was gepermitteerd en zijne Hoogheid beneevens zijne Regenten, sig doendweegen altoos als onweekend gehouden hadden. Dat hij niet seeker had kunnen ontdekken of den sulthan van hunne verhuijsing geinformeert was; maar dat hij op findament der bekoomene informatien, van begaip was, dat dien vorst sig daer over niet misnoegd soude toonen en na zijne gedagten, teegenwoordig in zijn verswakte toestand, sig niet ongaarne van dat gantsche geslagt uit de boovenlanden ontslagen zoude zijn indien zulx maar konde geschieden sonden te kort te doen aan de door zijne Hoog„ „heid eenmaal gedaane beloften van sig aan haar niet te sullen den 29: Aug=s 1788. — vergrijpen

NL-HaNA_1.04.02_3816_0603 view scan ↗

English

offenses, and provided only that they were not sent to any foreign coast. Having thus, on that side, somewhat safeguarded that this matter would not have those disadvantageous consequences which might otherwise have arisen from it, and the Emperor having been further informed of this on my behalf, His Highness subsequently had it proposed to me to speak with the said three persons myself, in which they would have less hesitation since they had been given the firm assurance by the said Palm that the Emperor, or otherwise the Company, would provide for their livelihood and they would never be removed from Java. Upon this proposal, I took into consideration that these princes, on the assurance of the said Palm, had placed themselves in good faith under his power, in the hope of finally seeing an end to the wandering life they have led for so many years; that it was not their fault that the said Palm had proceeded in this matter in an unauthorized manner; that by seizing and deporting them now, one would bring upon oneself great hatred from the natives, since they will always continue to show a certain reverence and respect to that family; that it would therefore be much better if this entire family, gathered together under the Company's territory in the vicinity of Samarang, were assigned a certain place for residence and free use, in order to seek their livelihood from agriculture; that for this purpose, a suitable piece of land could be chosen in the District of Grogol, under Samarang, and the 29th of August 1788. to allow the aforementioned three Princes to settle there provisionally, after first taking the Oath of allegiance to the Company and binding themselves not to leave that place without the Company's consent; that perhaps the Sultan, when his interest in the matter was brought to his attention, might also be disposed to hand over to the Company on the same footing those of that family who are still under his territory, such as a certain Soerio Diepoero and Soemo Iudo, both legitimate sons of the fallen Pangerang Rongo Djadjaa, together with the first-mentioned's little son Djalmo; that if all of these might thus arrive at a peaceful life in this manner, the other legitimate son of the said Pangerang Rongo, named Soemo Diewongso, who has already roamed the shores for so long, might also apply to be likewise received by the Company; and that if, through such treatment—indeed, even if necessary by granting some maintenance, which one would have to give them anyway if they were exiled elsewhere as state prisoners—one had bound this family, which so easily gains a following, to oneself, one could derive considerable benefit from them in one case or another, should one of the courts oppose the Company and one be forced to use authority and power. Having therefore decided through the consideration of this that such the 29th of August 1788. a placement and the provision of the necessary maintenance, for the Company's interest and for the peace and tranquility of Java, is far to be preferred over an arrest and deportation—however much otherwise well deserved by the hostilities so often committed previously—I informed the Emperor of this, with the proposal at the same time to His Highness to meet the Company somewhat in that maintenance, since the Company was about to burden itself with it in order to relieve him of this feared family. The prince assured me upon this that this arrangement was highly pleasing to him and would serve greatly to his peace of mind; that His Highness was also not disinclined to meet the Company in defraying the costs of maintenance for them, but that His Highness also requested that the promise might now be fulfilled which had been so repeatedly made to him by Palm regarding the restitution of the district of Antang, as belonging to His Highness's territory of Cadirie; to which request, in view of Your High Excellencies' resolutions of the 27th of September 1771 and the 31st of January 1781, I did not find it advisable to answer anything other than that I would take it into consideration, and that Palm had received no order to make such promises. I subsequently found a suitable opportunity to speak with the said Brongto Coessoemo, Rongo Coessoemo, and Toemo Widjoijo myself, and after they had expressed to me all repentance over their previous conduct, and that they had committed the robberies solely out of poverty,

Dutch transcription

325. vergrijpen en mits deselve maar na geen vreemde Cust gesonden wierden. gesecureerd Hier door dus aan dien kant enigermaten gereserveerd, dat dit geval die nadeelige gevolgen niet soude hebben, welke daar in't ander„ slints soude hebben kunnen voortkoomen, en den keijser hier van nader mijn entwegen geinformeert zijnde, liet zijne Hoogheid mij vervolgens voorstellen met de gemelde drie persoonen selve te spreeken, waar in zij te minder sewaarigheid zoude maken wijl hun door gemelie Palen de vaste verseekering was gegeeven dat de keijser off anders de Comp:e voor 't testaan van hun soude sorgen en zij nimmer van Iava Zou„ den verwijderd worden; Op dit voorstel nam ik in overweeging dat deese princen, op de verseekering van gem: Palm sig ter goeder trouw onder zijne magt begeeven hadden, in hoop van eens een eijnde te zien aan 't severvend leeven, dat zij so veele Jaren gevoerd hebben. — Dat het hinne schuld niet was dat gemelde Palm hier in op een onge„ „qualificeerde wijse was te werk gegaan. Dat men, door hun als nu op tevatten en te versenden, sig seer in den haat van den Inlanders zoude brengen, wijl die aan dat geslagt althoos een seekere eerbied en agting zal blijven toedraagen. — Dat men dus veel beeter zoude handelen in„ „dien dit gansche geslagt bij een versaemeld onder Comp:s gebied in de nabijheid van Samarang een seekere plaats tot verblijf en vrij gebruijk wierd aangeweesen, om uijt den Landbouw hum bestaan te soeken. . Dat men hier toe in het District van grogol, onder Sa„ marang een bequaame plek gronds zoude kunnen uijtkiesen en den 29: Aug=s 1738. — aldaer aldaar bij provisie de voorm: drie Princen sig laaten ter needer setten na alvoorens den Eed van trouwe aan de Comp:e gedaan en sig verbonden te hebben om die plaats, sonder Comp: bewilliging niet te verlaten: Dat misschien den sulthan, als hem sijn belang daar omtrent wierd onder het oog gebragt, meede wel zoude te disponneeren weesen om de geene, welke sig van dat geslagt, als nog onder zijn gebied bevinden, als daer sijn sekeren soerio Diepoero en Soemo Iudo, beijde egte zoons van den gesneuvelde Pangerang Rongo Djadjaa beneevens de eerstgemelde zoontje Djalmo, meede op dien voet aan de Comp:e overtegeeven. Dat als deese alle dies langs dien weg tot een gerust leeven mogten geraken, den reeds, so lang aan de tran„ „den rondgesworven hebbende meede egte zoon van gemelde Pangerang Rongo, in naame Soemo Diewongso, meede wel aansoek soude doen om insgelijks dusdanig bij de Comp:e te worden aangenoomen. En dat als men door sulk eene behandeling, Ja al waere 't des noods door het geeven van eenig onderhoud /: het geene men ze tog zoude moeten geeven so se als bannelingen van staat na elders versonden wier„ „den:/ dit so ligt aanhang, makend geslagt aan sig verbonden had, men daar van in deese of geene gevallen, dat eene der hoven zig teegen de Comp:e mogt versetten en men in de noodsakelijkheid geraakte gezag en magt te gebruijken, een aanmerkelijk nut soude kunnen trekken. Door de overweeging hier van mij dan gedecideert hebben dat sulk den 29: Aug=s 1788. — eene 327. den 29 Aug=s 1788. — eene plaatsing en verschaffing van het nodige onderhoud voor Comp=s belang en voor de rust en vreede van Java verre te prefereeren is boven eene opligting en versending, hoe seer anders ook wel verdient door de bevoorens so veelmaals gepleegde vijandelijkheeden, deed ik hier van den keijser kennis bekoomen, met de voorslag tevens aan zyne Hoogheid om de Comp:e en dat onderhoud eenigsints te gemoed te komen mij de Comp=e sig daar meede stond te beswaren om hem van dit gevreesde geslagt te ontlasten. De vorst verseekerde mij hier op dat deese schikking hem ten hoogsten aangenaam was en seer tot zijne gerustheid soude strckken. Dat zijne Hoogheid ook niet ongeneegen was de Comp:e inde bekostiging van 't onderhoud voor deselve te gemoed te komen, maar dat zijne Hoogheid dan ook versogt dat als nu mogt vervuld worden de belofte welke hem door Palm so herhaald waren gedaan tot terug gave van 't district An„ „tang, als behoorende tot zijn Hoogheids landschap Cadirie, op welk versoek ik uit hoofde van uwer Hoog Edelheeden besluijten van 27: September 1771. en 31. Januarij 1781. niet geraaden vond iets anders te antwoorden dan dit ik het selve in overweeging soude nee„ men en dat Palm geen order had gehad der beloften te doen. H vond vervolgens eene geschikte geleegendheid van gem: Brongto Coessoemo, Rongo Coessoemo en Toemo widjoijo selve te spreeken en na dat zij mij betuijgd hadden over hun voorig gedrag alle berouw en de begane roverijen alleen uijt gebrek gepleigd te hebben ver „strek

NL-HaNA_1.04.02_3816_0606 view scan ↗

English

I promised them, at their request, the Company's forgiveness and that they would be provided for, with orders to remain quietly and peacefully at Souracarta until I should have taken further care of their interests, at which they showed themselves to be very glad. For the sake of regularity, I must defer the remainder concerning these princes until I come to the report of my proceedings at DjoeJocarta. I must only make mention here regarding them of what the Emperor communicated to me in a letter which I received at DjoeJocarta on the 11th of this month, namely that Brongto Coessoemo had, since my departure, shown many signs of ill-will and seemed to have little inclination to submit to the Company's obedience, but would in all likelihood remove himself from Soura Carta at the first opportunity. For this reason, His Highness proposed to me rather to have him apprehended, on the grounds that he might otherwise soon take to wandering again, adding that his remaining brothers, on the contrary, showed themselves entirely prepared to comply with my desires. To this report, I answered the Emperor that I had noticed with surprise that the said Brongto Coessoemo was now of a very different mind than he had assured me himself. That, upon reflecting on this, I had endeavored to trace what the reasons for it might be, and I recalled that in the defamatory writing which had been found some time ago in the gamelan house and for which Kiaij Alim Damak had been punished, mention had been made of this Brongto Coessoemo. That from this, the suspicion had also arisen in my mind whether now and then one or another among the court grandees of His Highness might not maintain a secret understanding with this Brongto Coessoemo and support him in his malicious designs, perhaps for some reason or other of improper discontent. For, since Brongto Coessoemo, during my presence at Soura Carta, was just as ready and willing as his brothers Rongo Coessoemo and Soemo Widjojo to place themselves under the Company's authority and rely upon its benevolence, and had testified the same to me, there must consequently be a secret reason why this had changed again after my departure. That I therefore, for the tranquility of His Highness and his realm, advised him to have this matter investigated and probed in a covert and cautious manner, for which the best way would be to have the said Brongto Coessoemo himself state the reasons why he had now changed and did not abide by his demonstrated submission. And that perhaps his brothers might be able to shed some light on this, while it was furthermore beyond doubt that those who might be found guilty of this ought to be secured in good time in order to prevent dangerous undertakings. Furthermore, that it was equally beyond all doubt that, since Brongto Coessoemo had now again made himself suspected of detrimental intentions, His Highness ought therefore to give the strictest orders to keep him in such custody that no opportunity would be left for him to escape, after which the necessary measures regarding him could subsequently be devised. While I at the same time added that it would depend on the good conduct of his brothers to derive for themselves the desired benefit from the gracious promises that had been made to them on behalf of the Company at the request of His Highness. The Emperor answered me that this investigation would be conducted carefully, after which the illness of that monarch subsequently worsened so much that for the time being certainly nothing could have been done about it, and regarding which I must therefore await further notice. Previously, I mentioned in passing one of the reasons given by the Emperor for his dejected grief, namely the manifold insult and sorrow inflicted upon him by the late first Resident Palm. To enter now into a narration of all those particulars given to me about it by that monarch would certainly fatigue the attention of Your High Excellencies unnecessarily, the more so because the said Palm is after all deceased and one cannot call him to account. It will be sufficient to say that the reports I cited in my humble letter of the 5th of July last are thereby amply verified. I have therefore mainly applied myself to disposing both the Emperor and the Crown Prince to forget what has passed, as having been committed by someone who had abused his authority and who would certainly have been punished for it if Your High Excellencies had seen fit to give notice of their legitimate grievance. As for the Emperor, that monarch seemed willing to understand that the Company cannot be blamed if its servants behave badly; His Highness merely declared that, since Palm had been described to him so favorably and he had therefore trusted him in everything and had even ordered his son the Crown Prince to conduct himself in all things according to the advice and admonitions of Palm, it was all the more painful for His Highness to realize in retrospect that this trust of his had been so greatly abused, and how wrongly he had acted by not heeding in time the warnings of his son the Crown Prince, whose reports concerning Palm's improper conduct he had never been willing to hear. That furthermore it had been nothing but bad and detrimental advice which he, the monarch, had received from the said Palm, such as, among others, to

Dutch transcription

sprak ik hun, op hunne beide, Comp=s vergiffenis en dat men voor hun soude sorgen, met last om te souracarta stil en vreedig te vertoeven tot dat ik nader voor hun belang soude gesorgd hebben, waar meede sij zig seer verheugd toonten. Het verdere wat deese princen beteeft, dien ik regulariteijts halven te bespaaren tot dat ik zal gekoomen zijn aan het verslag van mijne verrigtingen te DjoeJocarta Alleen moet ik, ten hunnen opsigte hier nog gewag maken van het geene den keijzer mij bedeelde bij een brief die ik den 11=e deser te Djoe Jocarta ontving, namelijk dat Brongto Coessoems seedert mijn vertrek seer veel blijken gaf van quaadhaatigheijd, en weijnig geneegenheid scheen te hebben om sig onder Comp:s gehoor„ saamheid te begeeven, maar zig op het eerste antbod na alle waarshij„ nelijkheid van Souda Carta soude verwijderen waar om zijne Hoog„ heid mij voorstelde hem liever te laaten opvatten uijt hoofde dat hij zig anders spoedig weder aan 't swerven mogt begeeven met bij voe„ ging dat desselfs overige broederes sig daarenteegen volkoomen bereid toonden aan mijne begeerte te voldoen. Op dit berigt antwoorde ik den keijser hoe ik met verwondering had ontwaard dat gem: Brongto Coessoemo nu heel anders gesent was als hij mij selve had versekerd. Dat ik hier op in mijne overdenkingen had trag„ „ten natespeuren wat daar van tog wel de reedenen mogten zijn en ik mij herinerde dat in 't Lasten schriften, het welk voor den 29 Aug=s 1738. — eenige tijd 329. den 29: Aug=s 1788. — eenige tijd in het gammelangs huijs gevonden en waar over kiaij Alim Damak gestraft was, van deese Brongto Coessoemo gewag wierd ge„ „maakt. — Dat hier uijt bij mij ook het vermoeden was ontprooten off niet somtijds dese of geene onder de Hofs grooten van zijn Hoogheid, met deesen Brongto Coesjoemo, heijmelijk verstand houd en denselven in zijn quaadwillige oogmerken ondersteund, en dat wel misschien om deese of geene reedenen van onbetaame„ „lijke wisnoegdheid, want dat daer Brongto Coessoemo bij mijn aanweesen te soura Carta, eeven so gereed en bereijdwillig was als zijne Broeders Rongo Coesjoemo en soemo widjoijd om zig onder Comp=s gebied op hare goedheid te verlaaten in dat selve aan mij haet betuijgd en dus een geheijme reeden moest zijn, waar om dit na mijn vertrek nu weder verandert was: Dat ik dus voor de Rust van zijne Hoogheid en zijn Rijk hem aanraade dit stuk op een bedekte in voorsigtige wijse te laaten, on„ „dersoeken en uijtvorschen, waar toe het best zoude zijn door gemelde Brongts Coessoemo selve te laaten opgeeven om welke reedenam hij nu veranderd was, en zijne betoonde onderwerping geen gestand, deed.- En dat misschien zijne Broeders daar omtrent wel eenig ligt zouden kunnen geeven, mitsg=s dat het voorts geen bedenking leed, dat men sig van de geene, die hier aan schuldig bevonden mogten worden, in tijds behoorde te verseekeren, om gevaarlijke onderneemingen voortekoomen. - voorts dat het eeven so seker buijten alle be„ denking 6 „denking was, dat vermits Brongto Coessoemo sig thans weder van nadeelige voorneemens verdagt maakte zijne Hoogheid dus de strecktste ordres diende te geeven om hem soodanig in bewaering te houden, dat hem geen geleegendheid gelaaten werde te ontsnappen, als wanneer men naderhand omtrent hem het noodige zoude kunnen beramen; Terwijl ik er tevens bij voegde dat het van het goed gedrag zijner broeders soude afhangen voor sig selve het verlangde nut te brekken van de gratieuse toeseg„ ging welke hun van weegens de Compagnie ten versoeke van zijne Hoogheid waren gedaan. Den keijser heeft mij hier op geandwoort dat dit ondersoek nauwkeurig geschieden zoude, waar op vervolgens de ziekte van dien vorst so heer is verergend, dat daar aan voor eerst seeker niets zal hebben kunnen worden gedaan en waar omtrent ik dus nader berigt moet afwagten. — Hier voor maakte ik en passant gewag van eene der reedenen„ welke door den keijzer van zijne mistroostige verdrietelijkheid wierd opgegeeven, namelijk de veelvuldige smaad en smerte welke hem voor den overleeden eerste Resident Palm was aangedaan Om nu te treeden in een verhaal van alle die bijsonderheiden welke door dien vorst daar van aan mij zijn opgegeeven, dit zoude see„ „kerlijk de attentie van uwe Hoog Edelheeden nodeloos gefattiqueert zijn, te meer daar gemelde Palm dog overleeden is en men hem den 29: Aug=s 1788. — dus 331 den 29: Aug=s 1788. — dus niet ter verantwoording kan stellen. — genoeg zal 't zijn, te seggen dat daar door ruijm bewaarheid worden de berigten die ik bij mijne eerbiedige van den 5:' Julij laastleeden hebbe aan„ gehaald. Ik heb mij niets dien ook maar voornamelijk daar op toegelegd om so wel den keijser, als den kroonprins te dispo„ „neeren, het gepasseerde te vergeeten, als begaan door iemand die zijn gesag misbruijkt had en die daar over sekerlijke zoude sijn gestraft geworden, indien Hunne Hoog Edelheeden hadden goed„ gevonden van hun regtmatig beswaar kennis te geeven. — Wat den keijser betreft, dien vorst scheen wel te willen begrijpen dat het de Comp:e niet kan geweeten worden indien haere die„ „naaren seg qualijk gedraagen, alleenlijk betuijgde zijne Hoogheid dat vermits Palm so voordeelig bij hem was beschreeven en bij hem daarom in alles had vertrouwd en selfs zijn zoon den kroonprins gelast zig in alles na de raad en vermaningen van Palm te gedragen 't zijne Hoogheid des te smertelijker viel van agteren te ontwaeren dat dit zijn vertrouwen so seer was mis„ „bruijkt en hoe qualijk hij hed gedaan van niet in tijds gehoor gegeeven te hebben aan die waarschouwingen van zijn zoon den kroon prins, wiens informatien weegens Palm verkeerde handelwijs hij nimmmere had. willen aanhooren Dat het voorts niet dan slegte en nadeelige raadgevingen waaren geweest die hij vorst van gemelde Palm hed ontfangen, als onder anderen om de

NL-HaNA_1.04.02_3816_0610 view scan ↗

English

to enforce the beating of kiaij Alim Damak so rigorously and to rush it so much that no proper investigation into the true culprits could have taken place, because Palm conducted the interrogation in the Lodge and said that he was guilty, and also had the beating carried out between a guard of the Company's Dragoons, which had caused great displeasure among His Highness's grandees and subjects. That Palm subsequently had also advised the ruler to make all foreign priests move out of his realm, but that he, realizing that this would have detrimental consequences, had later halted the execution of the order given for that purpose. And that the said Palm had also constantly entangled him in difficulties with the Pangerang Mangcoenogoro, and had made His Highness so displeased with that prince that he had forbidden him access to him for months, whereas later matters were found to be different. That these had also been the reasons why he had requested that the head of the post should be removed from his post immediately if his conduct was not as it ought to be in accordance with the Company's orders, and to which he declared he still adhered in order not to be so insulted and offended again. In the crown prince, however affable, gentle, and friendly he tried to appear, I nevertheless perceived a great deal of remnants of the 29: Aug:s 1788. a 333. the 29: Aug:s 1788. a deeply rooted displeasure, in which, by a show of special affection and an interaction that inspires the greatest confidence (as appears in the daily journal), I have indeed brought about some change, yet have not been able to succeed so completely as one, for the interest of the Company, may wish can happen in time. In my latest respectful letter of the 5: July past, I also mentioned how it had appeared to me that the Pangerang Adipattij Mangcoenogoro presently had an authority at the Surakarta court that was much too great and therefore necessarily needed to be limited. With this view, focusing my attention particularly on that prince and his conduct since my arrival in Surakarta, I soon found how necessary it was, on a suitable occasion, to bring to his attention what displeased the Company in his conduct and on what footing it was consequently desired that he should conduct himself henceforth. To achieve this aim, I arranged a separate occasion for an oral conversation with that prince in the presence of the first Resident Hantzinck, and took the opportunity to reason with him with propriety, by first expressing to him my pleasure over the elevation that was made by the Emperor on the 29: July, in conformity with his desire and the intercession so urgently requested of me for that purpose, in favor of his Pangerang's son, the 29: Aug:s 1788. son the Tommongang Soerio Coesjoemo, to Pangerang, under the name of Poerbo Nogoro, with the addition of the district of Trenggalek to his former regency of Ponorogo, and the appointment of another of His Highness's sons as Tommongong and regent of the district of Wirasaba, under the name of Soerio Merdjoijo, on which event I congratulated him most affably, adding at the same time how the Emperor had let himself be moved to this appointment solely by my intercession, and to which intercession I had proceeded precisely because there was certainly a harshness in the fact that the son of the first Regent of Demak had been elevated to Pangerang on account of his marriage to one of the Emperor's daughters, and that such had not yet happened up to now with respect to the son of him, Pangerang Mangcoenogoro, although also long married to one of the Emperor's daughters, and thus his own honor as a father was also concerned in this. I subsequently pointed out to him that this therefore again provided public proof of how very much the Company took his interests to heart, and that it fostered an inward inclination to constantly care for the prosperity of him and his children. The Pangerang, having stood up after this, thanked me very emphatically for the intercession granted with the Emperor and declared that he would remain eternally appreciative and grateful to the Company for this great kindness, 335. the 29: Aug:s 1788. to remain, whereupon I assured him that, just as the Company had already given so many proofs of its special esteem for him and his children, it would also never slacken therein, but would always continue to show him, continuously, the same affection and esteem, as long as he, for his part, also continued to behave in such a way as corresponded with his duty and as the Company could reasonably expect of him, although this so necessary requisite had not always been properly observed by him, Pangerang, as could serve as convincing proof thereof the maintenance of a forbidden correspondence between him and his former wife, the Ratoe Bendhoro, daughter of His Highness the Sultan at Yogyakarta, and that with the explicit aim, if possible, to obtain her again as his wife, despite the opposition of the Sultan, whether by ruse or force, although he knew that such would never be permitted to him. The Pangerang thereupon showed the utmost astonishment at seeing himself thus accused of maintaining a correspondence, of which he declared he had never thought, much less had actually executed, and he showed his surprise all the more strongly when I further made known to him all that the deceased First Resident Palm had communicated to me successively in this regard, all of which, being heard by him, radiated indignation and wrath from his eyes.

Dutch transcription

omde staafoeffening van kiaij Alim Damak, so regoureurs te neemen en so seer te verhaarten, dat 'er gem behoorlijk ondersoek na de waere schuldigen had kunnen geschieden, alsoo Pielm 't verhoor in de Logie gedaan en gesegd had dat hij schuldig was en de staaf ook tusschen een wagt van Comp=s Dragonders had laaten uijt voeren, het welk bij zijn Hoogheids rijtgrooten en onderdaenen veel mis„ „noegen had verwekt. Dat Palm hem vorst vervolgens ook geraeden had alle vreemde Priesters uijt zijn Rijk te doen verhuijsen, dog dat wij insiende dat sulks van nadeelige gevolgen zoude zijn naderhand de uitvoe„ „ring der daar toe gegeeven order had gestaakt. — En dat gemelde Palen hem ook gestadig in moeijelijkheeden had gewikkeld met den Pangerang Mang coenogoro, en zijne Hoogheid op dien Prins so seer haddeen misnoegd worden dat hij, denselven maanden lang de toegang tot hem had verboden, terwijl naderhand de zaken anders ontdekt waeren. Dat dit nu ook de reedenen waeren geweest waarom hij had versogt dat men direct het opperhoofd zijn post soude ontneemen, indien zijn gedrag niet was so als het, overeenkomstig Comp:s orders behoorde te zijn, en waar aan hij verklaarde seg als nog te houden om niet weeder soodanig gehoond en beleedigd te worden. In den kroonprins, hoe minsaam, sagtaardig en vriendelijk denselven sig ook tragtte te vertoonen, heb ik egter vrij wveel overblijfsels van den 29: Aug=s 1788. — Een 333. den 29: Aug=s 1788. — een diep ingeworteld misnoegen bespeurd, waar in ik, door eene 3 betooning van bijsondere toegeneegendheid, en eene het meeste ver„ „trouwen wekkende ommegang /:zo als dat hij het Dagverhaal te vooren komt :/ wel eenige verandering hebbe te weege gebragt, dog eeter so volkomen niet heb kunnen reusseeren, als men voor 't belang vande Comp:e mag wenschen dat inde tijd sal kunnen geschieden. — Bij mijne Iongste eerbiedige van den 5: Julij passato maakte ik ook gewag hoe mij was voorgekoomen dat den Pangerang Adi„ pattij Mangcoenogoro teegenwoordig aan het soura Cartasche sof een gesag had dat oveel te groot was en dus noodsakelijk diende beperkt te worden. Met dit insigt, seedert mijne komst de souracarta op dien prins en zijn gedrag in het bijsonder mijne aandag vestigende, bevond ik al ras hoe seer 't noodig was hem bij eene gepaste geleegenheid eens onder 't oog te brengen wat de Comp:e in zijne Conduite mishaagde en op welke voet men mits dien verlangde dat hij sig voortaan soude hebben te bestieren. Ter bereijking van dit oogmerk bepaalde ik een Aparte gelee„ genheid tot een mondgesprik met dien Prins in bij zijn van den eersten Rasident Hantzinck, en nam de geleegendheid waar om hem met voegsaamheid ter reeden te stellen, door hem voor of mijn genoegen 2 te betuijgen over de verheffing, die Conform zijn verlangen en daar toe aan mij so instantig versogte voorspraak, door den keijzer op den 29: Julij was gedaan, ten faveure van zijn Pangerangs Zoon den 29: Aug=s 1788. — Zoon den Tommongang Soerio Coesjoemo, tot Pangerang, onder de Naam van Poerbo Nogoro, met toevoeging van het Land„ „„schap Trengalek bij desselfs voorig regentschap Tronorogo en de aanstelling van een ander van zijn Hoogheids zoonen tot Tommongong en regent van het landschap rierasaba, onder de naam van Soerio Merdjoijo met welke gebeurtenisse ik hem op het minsaamst vergelukte, onder bijvoeging tevens, hoe dat de keijser zig tot deese aanstelling eeniglijk, door mijne voor„ „spraak, had laaten beweepen en tot welke intercessie ik Juijst daerom was overgegaan wijl 'er seeker eene hardigheid in geleegen was, dat de zoon van den Damaks Eerste Regent, weegens zijne Huwelijk met een van 's keijsers Dogters, tot Pangerang verheeven was, en sulx omtrent de zoon van hem Pangerang MangCoenogoro, schoon ook reeds lange aan een van 's keijsers dogter geheuwrd, tot hier toe nog niet was geschied, en dus sijn eijgen eer als vader hier bij ook geinteresseert was. Ik hield hem vervolgens voor dat dit dus op nieuw weder open„ bare blijken opleeverde, hoe seer de Comp:e zijn belangens ter harte nam, en dat zij een innerlijke geneegenheid voede, om voor de welvaart van hem en zijne kinderen bestendig sorge te draegen. — De Pangerang hier na opgestaan zijnde, bedankte mij seer nadrukkelijke voor de verleende voor praak bij den keijzer en betuijgde dat hij de Comp:e voor deese groote goedheid eeuwig erkentelijk en dankbaer zoude blijven, 335. den 29: Aug=s 1788. — blijven, waer op ik heen verseekerde dat, gelijk de Comp:e nu reeds so veele blijken van haere bijsondere agting voor Hem en zijne kinde„ ven, had gegeeven, sig dus ook nimmar daer inne verflauwen, maar steeds voortvaeren soude, om hem, bij aanhoudendheid, dieselvde geneegensheid en agting te bewijsen, so lange hij van zijne kant sig ook sodanig bleef gedragen als met zijne pligt overeenquam en de Comp:e met reeden van hem verwagten kan, hoewel de dit so noodsakelijk requisiet door hem Pangerang Suist niet althoos behoor„ lijk was geobserveerd geworden, gelijk daar van tot een overtuijgend bewijs konde dienen het onderhouden van eene verbodene Correspondentie, kis„ „schen hem en zijne geweesene vrouw de Rathoe Bendhoro, dogher van zijn Hoogheid den Zulthan te Dpoejocaata en dat wel met dit uijt „sigtelijk oogmerk, om waere 't mogelijk, deselve, ondanks de teegen„ „sien van den sulthan, het zij met list of geweld, weder tot zijne vrouw te bekoomen, schoon hij wist, dat hem sulx nimmer soude toegelaaten worden. — De Pangerang toonde hier op de uijterste verbaastheid sig dus beschuldigd te zien met het houden eener Correspondentie, waar aan hij betuijgde nimmer gedagt, veel minder die dadelijk bewerkstelligd te hebben, en zijne verwondering liet hij nog des te sterken blijken, toen ik hem voorts te kennen gaf alles wat de overleedene Eerste Resident Palm, ten deesen opsigte aanmij Sirc„ „cessive had bedeelt, welke alles door hem vernomen wordende, sertraalden verontwaerdiging en granschap beuateling, int zijne oogen

NL-HaNA_1.04.02_3816_0614 view scan ↗

English

29 August 1788. — eyes, and starting up deeply moved, he testified by everything that is holy that all of this was a shameful lie and maliciously invented to cast a stain upon him and make him suspect to the Company, so as to deprive him of its love and affection; and that he was also at all times ready to confirm this testimony under oath. That Palm had for a long time treated him very hostilely and borne him ill will, without his having given him any reason for it, and from which he said had also arisen the displeasure which the Emperor had conceived against him, the Pangerang, for a considerable time, but which had ultimately proved to be without foundation and to have arisen solely from false reports. — That he could say much more about the said Palm, but would rather forget him as a bad person. — Remaining silent hereupon for a while until he, the Pangerang, had finished speaking and had calmed down again, I then resumed speaking and testified that I gave full credit to what he said and also acquiesced in it, which then seemed to satisfy him somewhat again. And after having spoken on this subject for some time longer, I took the occasion to point out to the Pangerang how it was in any case neither fitting nor proper that he repeatedly renewed the requests so often made to have the said Ratoe Bendhoro as his wife again, especially since by this he seemed solely to intend to embroil both the First Resident and the Governor in difficult considerations, as he commonly came forward with such requests upon the appointment of a new Governor or First Resident, just as had now taken place again with respect to the First Resident Hartzinck, apparently under the assumption that, being still ignorant of the true state of these affairs, they would try in one way or another to satisfy his aims, although it could by no means have been unknown to him that this request, having already been denied too many times, would not be granted to him in the future; which conduct, I therefore testified, by no means agreed with the respect and deference he owed to the Company, from whom he had enjoyed so many benefits, but rather that it was to be regarded as if he wished to make a mockery of the arrangements which had been made and established in this regard by the Company; yet that this would suit him very ill and would not be viewed with an indifferent eye or tolerated any longer, so that I told him I desired him to declare frankly what his conduct herein would be henceforth, in order then to be able to take the necessary measures. The Pangerang was indeed somewhat abashed by this serious address. But as the requisite seriousness was at the same time accompanied by the necessary affability and friendliness, it had such an effect on him that he also showed himself convinced that nothing was desired of him other than what was highly fair and just, just as he also stood up from his chair and assured me by the hand in the most solemn manner that it would never again enter his mind to request the aforementioned Ratoe Bendhoro as his wife again, but that he, on the contrary, would from now on consider her as if, with respect to him, she no longer existed at all, indeed was already dead; and that the Company could thus rely on him acquiescing fully in its pleasure, without doing anything against it directly or indirectly, with which assurance I then also content myself, as being in accordance with the proper obedience which he, the Pangerang, owes to the Company and is thereby obliged to submit to its arrangements. Having departed from this subject, I made known to him that another principal cause of my desire to have a separate conference with him, the Pangerang, was to be considered the incident that occurred on 26 July last at the court of the Emperor, when he, the Pangerang, in the hearing of the Crown Prince and the First Residents of both Courts, Hartzinck and IJsseldijk, 29 August 1788. — as well as all the other persons present there, both Europeans and Javanese, publicly under the Pagelarang or in the forecourt, requested permission of me to accompany me to Djoejocarta, under the pretext that, having now grown old, he intended to reconcile with the Sultan, to which I had also directly consented at that time, in order not to give occasion, by a timorous refusal, for the formation of ideas as if one were afraid that he, the Pangerang, would cause trouble for the Sultan or the Company; whereas I understood then that the Pangerang would not make this request so openly if he did not count on a refusal, in order then to boast of it in public and have himself continuously regarded as exceedingly feared, and that thus a striking consent might not fail to have a good effect on this restless person and could the more easily be ventured, since one always remained master of him and his going or staying through the channel of the Emperor. I therefore asked him now whether this request had been serious on his part, or not, in order to be able to issue the necessary orders thereafter. The Pangerang, not without apparent embarrassment at seeing himself thus earnestly spoken to about this, declared that he had requested this purely in jest to pass the time and had intended nothing else by it

Dutch transcription

den 29: Aug=s 1788. — oogen, en met dieft oppaingende, betuijgde hij bij alles wat Eijlig is, dat dit alles schandelijk geloogen en kwaadaardig versonnen was, om hem een schandvlek aantewrijven en bij de Comp: verdagt te maaken, om hem, haere liefde en geneegenheid te ontrekken. en dat hij ook ten allen tijden bereijd was deese betuijgenis met Eede gestand te doen. Dat Palm hem seedert lange tijd seer vijandig behandeld en een quaad wart toegedraegen had, sonder dat hij hem hier toe eenige reedenen gegeeven had, en waar uijt zij seijde, dat ook was voortgesprooten het mis„ „noegen, dat de keijzer een geruijme tijd, Jeegens hem Pangerang had opgevat, dog het welk van agteren gebleeven was sonder grond en alleen uijt valsche rapporten ontstaan te zijn. — Dat hij nog veel meer van gemelde Palm zoude kunnen zeggen; dog hem liever als een slegt mensch wilde vergeeten. - Hier op een poos stilswijgende, tot dat hij Pangerang uijtgesproo„ ken had en weeder tot bedaren was gekoomen, nam ik vervolgens het woord weder op en betuijgde aan zijen gesegde volkoomen geloof te slaan en ook daar inne te berusten, het geen hem„ toen weeder enigermaten scheen te vergenoegen. En na dat men nog een wijl tijds over dit sujet gesprooken had, nam ik daar in't occagie, om dien Pangerang te vertoonen, hoe het dog in allen gevalle nog voegsaam nog betamelijk was, dat hij telkens herhaalde de so veelmaals gedaane versoeken, om s 337. den 29: Aug=s 1788. — om de gemelde Kathoe Bendhoro, weeder tot zijne vrouw mo„ gen hebben, voor al daar hij hier door eenlijk scheen te bedoelen, om so wel den Eersten Resident als den gouverneur in moeijelijke overdenkingen in tewikkelen, wijl wij gemeenlijk met zoort gelijke versoeken voor den dag is gekoomen, bij de aanstelling van een nieuwe gouverneur of eerste Resident, gelijk nu wee„ „der ten opsigte van den Eersten Resident Hartzinck had plaats gevonden, apparent in die veronderstelling, dat men nog onkundig zijnde vande waere gesteldheid deeser zaken, op de een of andere wijse aan zijne oogmerken soude tragten te voldoen, hoewel hem egter geensints onbekend heeft kunnen zijn, dat dit versoek, als reeds te veelmaals ontsegd, hem in 't vervolg niet soude werden imngewik ligd, en welk gedaag ik dierhalven betuijgde, dat geensints over een quam met de agting en eerbied die hij verschuldigd was, aan de Comp:e van welke hij so veele weldaaden had genooten, maer dat sulx veel eer aantemerken was, als of hij den ppot wilde drijven met de schikkingen, welke hier omtrend van weegens de Comp:e zijn gemaakt en vast gesteld; dog dat dit hem egter seer qualijk soude passen en met geen onverschillig oog beschouwd oflanger ge„ „tollereert worden, invoegen ik hem zeijde te begeeren, dat wij sig onbewimpeld soude verklaaren, hoedanig zijn gedrag hier in voor„ „taan zoude weesen, om dan daerna de noodige maatregulen te kun„ „nen neemen. De Pangerang wierd over deese ernstige aanspraak Wel wel eenigsints bedeelt: Dan daar de vereijschte ernst teevens met de noodige minsaam en vriendelijkheid gepaard ging; so had sulx op hem die uijtwerking, dat hij sig teevens toonde overtuijgd te weesen, dat van hem niets anders begeerd wierd, dan het geene ten hoogsten billijk en regtmatig was, gelijk hij van ook van sijnen stoel opstond en mij op het plegtigste aan de hand betuijgde dat nooijt meer in hem soude opkoomen, om voorschreeven Rathoe Bendhoro, weeder tot zijne vrouw te versoeken, maar dat wij haer inteegendeel van nu af aan aanmerken soude als of zij, ten zijnen opsigte in het ge„ heel niet meer in weesen, Ja reeds dood was: en dat de Comp:e dus zonde staat maaken, dat wij volkoomen in haer welbehaa„ „gen soude berusten, sonder direct of indirect, daer teegen iets te doen, met welke verseekering ik mij dan ook te vreeden hiels, als overeenkomstig de betaemelijke gehoorsaamheid welke hij Pangerang aan de Comp:e schuldig en mits dien ver„ pligt is sig haere schikkingen te onderwerpen. van dit onderwerp afgestapt zijnde, gaf ik hem te kennen, dat ook als een voornaamt oorzaak van mijn verlangen, om met hem Pangerang eene aparte Conferentie te hebben, was aantemer„ „ken, het voorgevallen op den 26: Julij J:L: aan 't Hoff van den Keijzer, wanneer hij Pangerang, ten aanhoore vanden kroompirims en de eerste Residenten der beijde Hoven Haatzinck en ijsseldijk den 29 Aug=s 1788. — mitsgaders 339. den 29: Aug=s 1788. — mitsgaders alle de verdere daar aanweesig zijnde persoonen, so Europeesen als Javaanen, publicq onder de Pagelarang of in 't voorhof, aan mij permissie versogt, om sig in mijn gesel„ na schap an D. joe jocarta te moogen begeeven, onder voorwendsel, dat hij, nu oud geworden zijnde voorneemens was, om sig met den sulthan te versoenen, en waarin ik dan ook te dier tijd direct bewilligd had, om door eene beschroomde weijgering geene aanleij„ „ding te geeven tot 't formeeren van iders, als of men bevreesd was, dat Wij Pangerang den sulthan of de Comp:e moeijelijkheeden soude veroorsieken; Terwijl ik toen beqreep, dat dien Pangarang dit versoek niet so opentlijk soude doen indien hij geen staat maakte op een weijgerend antwoord, en om sig dan daar op in het openbaar te verhovaardigen en sig steeds als ten hoogsten gevreest te doen be„ schouwen, en dat dus een frappante toestemming misschien niet zoude missen op dit onrustig mensch van een goede uijtwerking te zijn en te legter konde gewaagd worden, daar men dog althoos van hem en zijn gaan of blijven door 't Canaal van den keijser, meester iik bleef vreg hem derhalven als nu, of dit versoek hem onderdaad ernst was geweest, of niet, om daarna de noodige orders te kunnen stellen. De Pangerang, niet sonder blijkbaer verleegentheid, sig hier over dus ernstig onderhouden ziende, verklaarde zulx in't louter raillerie, tot tijd passeering versogt en daar meede niets anders bedoeld

NL-HaNA_1.04.02_3816_0618 view scan ↗

English

the 29th of August 1788. — to have intended, upon which statement I presented to him, no less seriously than kindly, how wrongly he had acted by coming forward with such an ill-considered request at precisely such an inconvenient time and place, just as if he had intended to cause embarrassment thereby, since we must surely have been inclined not to grant him this request out of fear that he would begin some unpleasant game or other; with the assurance that if these had been his thoughts, he was greatly mistaken, for this had now become completely evident to him from my immediate consent to accompany me, and that this ought to serve him as proof of the Company's complete tranquility and power to preserve everything in peace and quiet, without the presence of him, Pangerang Djoep, being able to be in the least degree an obstruction thereto during my presence. And since that Pangerang hereupon requested once more that this should not be taken amiss, but might only be regarded as an unthinking jest, I let the matter rest there, though not without adding this fitting admonition never again to make similar matters in the future the objects of jesting and pastime, but henceforth to refrain from them so as to give the Company no 341. the 29th of August 1788. — no reason to be reasonably displeased with him. This subject gave occasion to speak further of the Sultan, and especially of the bitterness that seems constantly to persist between that monarch and him, Pangerang, of which I indicated that I had recently heard striking proof, consisting in this: that he, Pangerang, on the occasion of the elevation of one of his grandsons by the Emperor to Pangerang under the name of Mangkoeboemie—the name formerly borne by the Sultan as Pangerang—had lashed out violently against the Sultan and used several improper expressions toward him, which by no means befitted him nor could be approved in him; with the addition that it was therefore also expected that he, Pangerang, would from now on refrain from such blameworthy conduct, so that there would be no reason to complain about him to the Company; which the Pangerang then also willingly undertook properly to fulfill, although he at the same time assured in the most dutiful manner that he had nothing to reproach himself with, having never acted otherwise or spoken ill of the Sultan, but that this, as well as the alleged correspondence between him and the Ratoe Bendoro, was entirely fabricated with no other intention than to make the Company displeased with him; to which assurance I then also expressed that I was willing to give full credence, and wherewith this subject was dismissed. Then, hereupon, I declared further to be very offended, both by the outrages that were committed from time to time by the Pangerang's people against the Emperor's subjects as well as other persons, and by the improper liberties that he took upon himself by immediately taking to the field with armed men upon the slightest incidents and taking the law into his own hands, as had occurred even during my presence a few days earlier, upon the arrest of one of his subjects named Cappen by the Emperor's people on account of horse theft, whereupon he, Pangerang, had caused the same to be carried away by force by a certain Prodjo Iudo with armed men; which I declared was by no means open or permitted to him as a subject of the Emperor, and by which he had offended all the more because he had thereby also failed in the respect and proper deference he owed me in my capacity, as it was certain that if he had suffered wrong in this case, he ought then to have addressed himself to me, and I would then also have procured him just satisfaction, whereas he had now, instead of a proper use, on the contrary made a great misuse of the authority that had for some time been granted to him by the Emperor with the aim of having him maintain supervision over these the 29th of August 1788 — and 343. the 29th of August 1788. — and those matters, and pursuant to which he was obligated to do everything to preserve peace and tranquility. The Pangerang having become ashamed over this, sought to excuse his conduct by attributing it to his strong passion over the wrong done to him in the person of his said subject. But I showed him once again how little this conduct agreed either with his obligation to the Company and the Emperor or with his own interests, all the more since the latter in particular also required that not the least occasion for difficulties or unrest be given by him, and also never to use weapons in any cases or occasions except with the Company's consent and upon its orders, in order that there might constantly be reason to continue taking that same care for his welfare as had been done up to the present day; with the addition that I therefore, as a true and sincere friend, advised and admonished him to conduct himself more prudently in the future and to fulfill the contents of his obligation with greater accuracy; which that Prince then also promised, saying: I am at fault and have acted wrongly, and will henceforth never again take recourse to arms, but in case of any injury, seek my justice from the Company, so that it can procure satisfaction for me, requesting thus once more

Dutch transcription

den 29: Aug=o 1788. — bedoeld te hebben, op welke te kennen gave ik hem niet min ernstig als vriendelijk voorhield, hoe qualijk hij gedaan had met sulk een onberaden versoek Just op so een ongelegene tijd en plaats voor den dag te koomen, eeven als of hij gemeent had, daar door verleegenheid te verwekken, vermits Wij seker in de dippositie moet zijn geweest, dat hem dit versoek niet zoude worden omgewilligd, uijt de bedugting dat hij het Een of ander onaange„ „naame spel beginnen zoude, met verseekering dat ingevalle dit zijne gedagten geweest waeren, hij sig dan grootelyks over„ giste, want dat hemn sulx als nu ten klaersten gebleeken was, uijt mijne directe bewilliging om mij te versellen en dat sulx hem ten bewijse moest strekken van Comp=s volkoomen ge„ „rustheid en vermoogen, om alles in rust en vreede te bewaeren sonder dat de teegenwoordigheid van Hem Pangerang k Djoep geduurende mijn aanweesen daar aan in het minste hinder„ lijk soude kunnen zijn. En vermits dien Pangerang hier op nogmaals versogt, dat sulx niet ten ongoede opgenoomen, maar eenlijk als een onbe„ dagte raillerie mogt aangemerkt worden, so liet ik, hetselve hier bij berusten, hoe wel niet sonder er dese gepaste vermaa„ „ning. bij te voegen van zoortgelijke zaaken in 't vervolg mommer weder tot voorwerpen van raillerie en tijd passeering te maa„ ken, maer sig haer van voorstaam te onthouden om de Comp:e geen. 341. den 29: Aug=s 1788. — geen reeden te geeven over hem met reeden misnoegd te zijn. Dit onderwerp gaf aanleijding om verder van den sulthan te spreeken en insonderheijd van de verbittering die tusschen dien vorst en Hem Pangerang steeds scheijnt te blijven heerschen, waarvan ik te kennen gaf nog onlangs een doorslaande blijk vernoomen te hebben, hier inne bestaande: dat hij Pangerang ter geleegenheid van die verheffing, van eener zijner kleene zoons door den keijzer, tot Pangerang, onder de naam van Mangfoe„ boenie, de Naam, die wel eer door den sulthan als Pangerang gevoerd wierd, heevig teegen den sulthan uijtgevaeren en verscheijdene onbe„ „tamelijke uijtdrukken teegen hem gebesigd had, welke hem geensints pasten nog in hem konde goedgekeurd werden, onder bijvoeging, dat dierhalven ook wierd verwagt, dat hij Pangerang van nu afaan sig van een diergelijk laakbaar gedrag soude menageeren, ten eijnde men geen reeden mogt hebben om sig over hem bijde Comp: te be„ „klaegen; 't geene den Pangerang hier op dan ook met bereijdwillig„ „heid aannam regtig te sullen nakomen, toewel hij teevens, op het pligtigste verseekende dat hij sig geensints te verwijken had, ooijt anders gehandeld te hebben, of van den sulthan qualijk te hebben gesprooken, maer dat dit, so wel als de voorgegeevend Cor„ respondentie tusschen hem en de Rathoe Bendoro ten eenemaal versonnen wes, met geen ander insigt dan om de Comp:e op hem mis„ noegd te doen worden, aan welke verseekering ik dan ook betuijgde wel welgeloof te willen slaan en waarmeede men hier van afstap te Dan hier op verklaerde ik alverder seer ontstigte te zijn, so over de baldadigheeden, welke nu en dan door des Pangerangs volk so wel ten aansien van D' keijzers onderdanen, als andere per„ soonen gepleegt werden, als over de onbehoorlijke vrijheeden, welke hij sig veroorloofde, door, bij de minste voorvallen, direct met gewaepend volk op de been te koomen en sig selven regt te verschaffen, so als selfs bij mijn aanweesen, eenige dagen te vooren, had plaats gehad, bij het inhegtenis neemen van een zijner onderdaenen, in naeme Cappen door 'T' keijsers volk, over paarde diverij, als wanneer hij pangerang denselven door seekeren Prodje Iudo, met gewaepende Manschappen gewel„ „dadig had laeten wegvoeren, het ik verklaarde hem als een onderdaan vanden keijser, geensints vrij te staan of geoorloofd te weesen en waer door hij zig nog des te meerder vergreepen had, nu hij daer door, teevens had gemanqueert in de eerbied en het behoorlijk ontsag dat hij mij in mijne qualiteijt verschuldigd was, als 't seeker was, dat so hij in dit geval ongelijk had geleeden hij sig als dan aan mij had behooren te addresseeren, en ik hem ook dan eene billijke voldoening soude besorgd hebben, terwijl hij als nu, in steede van een behoorlijk gebruijk ter Contrarie een groot-mis„ bruijk had gemaakt, van het gesag, dat hem seedert enigen tijd door den keijzer was verleend met oogmerk om hem over deese den 29: Aug=s 1788 — en 343. den 24: Aug=s 1788. — en geene saken het opsigte te doen hauden en ingevolge van 't welke hij verpligt was, alles toetebrengen om de rust en tranquiliteijd te bewaeren. De Pangerang hier over beschaamd geworden zijnde, tragt zijn gedaag te verschoonen door hetzelve sterke toeteschrijven aan zijne zekere drift over het ongelijk hem in gemelde sijnen ontradaan aangedaan. Danik toonde hem andermaal aan hoe wijnig dit gedrag nog met zijne verbin„ tenis aan de Comp:e en den keijser nog met zijne eijgene belan„ „gens over een quam, te meer daer dit laatste insonderheid ook vorderde, dat door hem geen de minste aanleijding werd gegee„ ven tot moeijelijkheeden of onlusten ook de waepenen nimmer en enige gevallen afgeleegenheeden te gebruijken, als met Comp:e toestemming en op haere order, ten eijnde men bestendig reedenen mogt hebben, om voor sijne welvaart bij aanhoudendheid die selfde sorg te dragen, als tot heeden toe was geschied met bijvoeging dat ik hem dierhalven als een waer en opregt vriend raade ons Vermaande, om sig en den aanstaande voorsigtiger te gedraa„ gen en niet meerder nauwkeurigheid aan den inhoud van sijne verbintenis te voldoen, het geene dien Prins hier op dan ook beloofde, seggende: ik het schuld en qualijk gehandeld, en sal voorthaan nooijt meer mijne toevlugt tot de waepenen neemen, maar ingevalle van enige verongelijking, mijn regt bij de Comp:s soeken, op dat die aan mij voldoening kan besorgen, versoekende due nog„ maals

NL-HaNA_1.04.02_3816_0622 view scan ↗

English

again to pass over what had occurred, in which I satisfied him. These matters having all been settled, I also gave said Pangerang to understand that I would make a detailed report of all this to your High Noble Lordships at the first opportunity, so that just as he, Pangerang, may count on the help and protection of the Company for himself and his people as children of the Company, the Company in turn may also be quietly assured of his loyalty and obedience; whereupon the Pangerang expressed his joy and satisfaction, as he said this had long been a desired matter for him, since then at the same time his innocence would appear of so many matters as had been so unjustly laid to his charge by the deceased Chief Palm. Of what was transacted with that Pangerang, being in my view of great importance for the peace of Java, I gave full disclosure at my farewell visit to the Emperor and Crown Prince, who both expressed themselves particularly content therewith, while I furthermore delivered to the First Resident Hartzinck an authentic copy of the notes which were drawn up of the transactions in this conference held in his presence, in order that said Prince, at any the least deviation from his solemn promises and assurances, may be earnestly addressed thereon and obliged to fulfill the same, as he even promised me further by a letter after the 29th of August 1788. — 345. the 29th of August 1788. my departure from Soura Carta that he would do, and an incident noted in the daily journal under the 20th of August also makes me certain is his intention, although this will not diminish the attention with which he and his conduct will constantly continue to be observed. To conclude this report as far as the Court of Soura Carta is concerned, I would still have to speak of the request made by the Emperor, first orally and thereafter in writing, for the transfer of the Second Resident Dewilde, and which I had also undertaken to present to your High Noble Lordships on account of the well-foundedness of the reasons brought forward by that Prince; since His Highness declared that the same possessed many bad qualities, and as proof of the same cited, among other things, that he led the young Princes into drinking and at night brought them to bad places, and had also expressed himself in very improper terms when the Prince, after the death of the First Resident Palm, had the battovas requested back. But as said Dewilde, who having been addressed concerning all this, brought forward nothing else in his excuse than that he had to share in the displeasure conceived by the Prince against said Palm, having been particularly attached to him, but who at the same time requested me that no public mention might be made of these grievances, as he intended by petition to request his release to the Netherlands; since on the 23rd of this month, after an illness of a few days, he passed away, my notification in this matter is limited solely to that decease and the nomination of the Junior Merchant out of employment Francois van Boekholt, whom I request may be appointed by your High Noble Lordships as Second Resident of Soura Carta in place of the aforementioned Dewilde, being very suitable for it and offering good expectations, with the addition of the title and rank of Merchant, which is designated for this post. — And having now reached that which I have to bring to your High Noble Lordships' respected knowledge regarding the Court at Djokjokarta, I have the pleasure to be able to report of the Sultan, in contrast to the report concerning the Emperor, that this Prince, for his advanced years, is of a still very strong physical constitution and in all probability will long outlive the Emperor. But I must however at the same time also add that his old age is accompanied by such a childish craving for trifles and amusements of such a silly nature, that they are much more suitable for a child than for an elderly Prince, as your High Noble Lordships will encounter some examples thereof in the daily journal, although they make up only a part of those which I witnessed—added to this is that he can sit dozing for hours and instantly forget the 29th of August 1788. — 347. the 29th of August 1788. what happened just moments before, while around matters concerning ceremonial and splendor, he again gives astonishing proof of memory. Insofar as one can now transact or settle any matters with a man of such declining mental faculties in a manner that serves to bring about permanence, I may consider myself to have succeeded reasonably well with respect to several points which formed the subject of a conversation that I held and maintained on the day of my farewell visit with His Highness, in the presence of the Crown Prince, the First Resident van IJsseldijk, and the Grand Vizier Danoeredja. For after this conference had taken its beginning with the reading of a paper stamped with His Highness's seal, which, upon translation by the Grand Vizier, I found to contain an expression of the particular sincerity with which His Highness wished to let me know how uneasy he and his subjects were about the (as His Highness imagined) abolished custom of sending his Bepattij Danoeredja to Batavia to render homage upon the death of a Governor General, which change he declared appeared to him and his people as a sign of estrangement, from which he thought nothing but unrest for the present and in the course of time detriment to the country was to be feared, and wherefore his earnest desire

Dutch transcription

„maals het voorgevallene te willen passeeren, waarin ik hemn genoegen gaf. Deese zaaken diw alle afgehandelt zijnde, gaf ik gemelde Pangerang meede nog te kennen dat ik van dit alles bij de eerste occa„ gie omstandig verslag soude doen aan uwe Hoog Edelheeden op dat gelijk hij Pangerang voor sig inde zijne als Comp=s kinderen, op haer hulp en bescherming staat maaken, de Comp:e daerenteegen ook geruste„ „lijk verseekerd mag weesen van zijne trouw en gehoorzaamheid waar op den pangerang zijne blijdschap en genoegen betuijgde wijl hij seijde zulx voor hem eene lang gewenschte zaak te zijn, also dan teevens zijne onschuld zoude blijken van zoo veele zaaken als hem so seer ten onregte door 't overleeden opperhoofd Palm waeren ten lasten gelegd. Ik heb van het verhandelde met dien Pangerang, als na mijn insien, voor de rust van Iava van veel aanbelang, bij mijne af„ „scheijds visite, aan den keijzer en kroonprins volleedige opennag gegeeven, die beijde betuijgden daer over bijsonder Content be zijn terwijl ik voorts aan den Eersten Resident Hartzinck een authenticque Capij heb afgegeeven vande aanteekeningen, welke van 't verbandelde, in dese, ten zijnen bijweesen, gehou„ „dene Conferentie zijn geformeert ten eijnde gem: Prins, bij enige de minste afwijking van zijne plegtige beloften en ver„ „seekeringen, daar over met nadruk te kennen onderhouden en te verpligten deselve na te koomen, gelijk hij mij selfs na den 29: Aug=s 1788. — mijn 345. den 29: Aug=s 1788. mijn vertrek van Soura Carta bij een brief nader heeft toegesegd te sullen doen en een, bij het dag verhaal onder den 20:e Aug=s aange„ „teekend geval mij ook doed vast stellen zijne intentie te zijn, hoe„ wel dit niet sal verminderen de attentie waarmeede men hem en zijn gedaag steeds zal blijven gade slaan. Tot slot van dit verslag voor so veel 't soura cantasche Hof betreft; soude ik nu nog moeten spreeken van 't versoek dat door den keijser eerst mondeling en daar na bij geschrifte is gedaan om verplaatsing van den tweede Resident dewilde, en het welk ik ook aangenoomen had, weegens de gegrondheid der door dien vorsb: bijge„ bragte reedenen, aan uwe Hoog Edelheeden te sullen voordragen, Wijl zijne Hoogheid verklaarde dat denselven veele quade hoe„ danigheeden besal en tot bewijs van deselve onder anderen bybragt dat hij de Ionge Prinsen tot den drank verleidde en des nagts opslegte plaatsen bragt, ook sig in seer onbetamelijke expressien had uijtge„ laaten toen de vorst, na de dood van den Eersten Resident Palm de battovas had laaten terug vraegen. Dan daar gemelde dewilde die over dit alles onderhouden zijnde, niets anders tot zijn verschoo„ „ning, bij bragt dan dat hij in 't door de vorst teegen gemelde Palen „ opgevat misnoegen moest deelen, als aan denselven bijsonder ge„ attacheert geweest zijnde, dog die mij teevens versogt dat van dese beswaaren geen openbaar gewag mogt worden gemaakt, alsoo hij voorneemens was bij Requeste zijne verlossing na Neederland te versoeken versoeken; seedert of den 23: deser na een siekte van eenige daegen overleeden is, so bepaald sig mijne kennis geeving ten deesen eenelijk tot dat overleijden en de voordaagt van den onder„ koopman buijten emploij Francois van Boekholt, welke ik versoeke dat als daar toe seer geschikt zijnde en goede verwagting geevende in steede van voormelde Dewilde, tot tweede soura Cartiesch Resident, door uwe Hoog Edelheeden mag worden aangesteld, onder toevoeging van de titul en rang van koopman, welke voor deese post bepaald is.— En hier meede als nu genadert zijnde tot het geene ik uwe hoog Edelh: ter g'eerde kennis hebbe te brengen, ten opsigte van het Hoff te Djok jokarta, heb ik wel het genoegen van den sulthan, in opposit aan 't berigt weegens den keijzer, te kunnen melden dat dien vorst, voor zijne hooge Jaeren van eene nog seer sterke Lighaams gesteldheid is en den keijser na alle waarschijnelijkheid, lange sal overleeven. Maer ik moet 'er egter tevens ook bijvoegen dat sijne ouderdom te gelijk gepaard gaat van zulk een guillige sugt tot beuselin„ gen en annusementen van sulk een onnoselen aard, dat deselve veel beeter voor een kind dan voor een bejaard vorst voegzaam zijn, gelijk uwe Hoog Edelheeden daar van deese en geene staaltjes bij het Dag-verhaal sullen te vooren koomen, hoewel die slegts een gedeel„ „te uijtmaken van die, welke ik heb bijgewoond- hier bij komt dat hij uuren lang kan sitten suffen en ogenblikkelijk vergeeten den 29: Aug=o 1788. — is 347. den 29: Aug=s 1788. is het geene so momentelijk te vooren is gebeurd, terwijl hij weeder omtrend zaken, die het Ceremonieele en de pracht betreffen, ver„ wonderlijk blijken van geheugen geeft. voor so verre men nu met een Man van sulke afneemende ziels vermogens, eenige zaken verhandelen of afdoen kan op een wijse die bestendigheid dient te weeg te brengen, kan ik agten reedelijk wel geslaagd te zijn, ten aansien van verscheijde poincten, welke het onderwerp hebben uijt gemaakt van een geprek, dat ik ten dage van mijn afscheijds-visite, met zijne Hoogheid, ten bijwieesen van den kroonprins, den Eersten Resident van ijsseldijk, en den Rijxbestierder Danoeredja hebbe gehad en gehouden. Want na dat deese Conferentie desselfs begin genoomen had met het voorleesen van een met zijn Hoogheids zegul bestempeld papiea, het welk ik, bij vertolking van den Rijxbestierder, bevond te behalsen eene betuijging van de bijsondere opregtheid, waar meede zijne Hoog„ „heid mij wilde te kennen geeven, hoe ongerust hij, en sijne onderdaenen waeren, over de /:so als zijn Hoogheid sig verbeelde :/ afgeschafte ge„ woonte van bij het overleijden van eene Heere Gouverneur Generaal zijne Bepattij Danoeredja, tot het doen der Homage na Batavia te senden, welke verandering hij betuijgde hem en zijn volk voor te koo„ men, als een blijk van verweijdering, waar uijt hij meende dat niet als ongerustheid voor het teegenswoordige en bij vervolg van tijd nadeel voor het land te dugten was, en waer om sijn ernstig verlangen te

NL-HaNA_1.04.02_3816_0626 view scan ↗

English

made known his desire to let this embassy proceed as before, so that it might once again be evident from his subjects that he still lived, just as previously, in close friendship with his grandfather the Lord Governor-General and the Lords Councilors of the Indies, I stated in reply that I was particularly pleased with his evident devotion and gratitude to the Company, since next to God he owed to it his present prosperity and that of his house, but that on the other hand these good fundamental principles were somewhat compromised if His Highness wished to seek the cause of it in a less sensitive heart that the Company might harbor for the close friendship with and attachment to His Highness: That, very far from that, this whole change neither must nor could be viewed in any other light than having arisen from a special consideration for everything concerning the monarch and his interests, and that it was solely out of true compassion that his subjects had been excused from the journey to Batavia, which, through the sudden deaths in rapid succession of three Lords Governors-General, according to the understanding of Their High Mightinesses, must have served as a great hardship, That a request to still perform that homage at Batavia now after a lapse of eight years would sound very strange, but that I could certainly reassure His Highness the 29th of August 1788. assure him, 349 the 29th of August 1788. assure him that the Company would always abide by the sealed and thus sanctified contracts, and that since only the rendering of the homage and not the place where was to be taken into consideration under the contract, I for that reason could not judge the pleasure of another Governor-General in due time, and whether Their High Mightinesses would then again see fit to excuse the journey to Batavia: That furthermore I could not decide to lend my assistance to sending an embassy to Batavia to still pay homage to the Lord ruling Governor-General, as that matter had already been settled with His Highness in the year 1781 by the Lord Governor Siberg and the Company's intention in this regard had not changed, but that if His Highness, not being content with this, wished to show a special token of attention to His High Mightiness, I was not unwilling to arrange that the embassy might yet be admitted at Samarang to receive the homage there in the name of His High Mightiness. However, the Sultan stating hereupon that he was set at ease by my assurance, this matter was left as concluded, the monarch merely requesting that I might answer his paper in writing, which I undertook to do upon my return to Samarang. Hereupon the Sultan proceeded to make known to me how very much he he was moved and ashamed by the report received from Souracarta that a prince was presently located there who was named Soerio Mangcoedoemie, namely a grandson of the Pangerang Adipattij Amang Coenogoro. That he therefore most urgently requested me that a change might be made herein through the mediation of the Company, and that it was all the same to him even if the Emperor honored this prince with another, far more distinguished name, mentioning thereby that of Soerio Diningrat, Soeris Coessoemo, etc., but that since this name had been used by him in his younger years before he ascended the Mataram throne, he now regarded it as an insult done to him from the side of Solo, and that for that reason, as one devoted to the Company, he turned to it just as a child turns to his father, requesting assistance. From these last words I took the opportunity to point out to the monarch in a gentle manner the unreasonableness of his request, and showed His Highness how it was the duty of a child to refrain above all from demanding anything of his father that was impracticable; That the Emperor ruled as monarch over Java just as he the Sultan did, and thus had to be considered independent of him in this matter, and moreover had never concerned himself with all such names as he the Sultan had given to his family during his reign, although the 29th of August 1788. although 351. the 29th of August 1788. although not a few others were to be found that were also used at the Souracarta court. The Sultan, who seemed not satisfied with this rebuttal, thereupon flying into something of a passion and, breaking off the conversation, giving signs as if he wished to obtain satisfaction for himself, saying among other things that if I could not help him, then so be it, and that he would see what he had to do, I made him understand in brief terms that this conduct would be entirely the wrong way to achieve his purpose, and that the Company did not allow itself to be coerced or intimidated, but that if he the Sultan wished to conduct himself calmly, I on the part of the Company would be willing to give new tokens of attention to him and his house: That one would first investigate whether it was the Emperor, or rather Pangerang Mangkoenagara, who had honored this prince with that name, and if the latter proved to be true, I believed I could then answer for its revocation, but if this had been done by the Emperor, I would then have to confine myself to a friendly request to that monarch and on that footing endeavor to bring about a change herein, That if the Emperor complied with this, it would be most agreeable to me, but if he raised difficulties herein, he the Sultan ought then to abandon this matter, and that on the grounds of the independence that exists between both courts with respect to one another, with which arrangement the monarch then seemed to be satisfied. The

Dutch transcription

te kennen gaf om dit gesandschap als voor heen te laaten gevolg hebben, ten eijnde uijt zijne onderdaen en op nieuws blijken, zoude, hij nog eeven als bevoorens, en naauwe vriendschap, met sijnen grootvader den Heere Gouverneur Generaal en de Heeren Raeden van Indee, leefde, betuijgde ik in antwoord bijsonder Content te weesen over zijne blijkbare verkleefdheid en erkentenis aan de Comp:e, wijl hij aan deselve naast god, zijne teegenwoordige Welvaart, en die van zijn huijs te danken hadde, dog dat egter aan de andere kant aan deese goede grond beginsels eenigsints waere te kort gedaan, als zijne Hoogheid de oorsaeke daer van wilde zoeken, in eene minder gevoelig herte dat de maatschappije soude koesteren voor de nauwe vriendschap met, en verknogt„ heid aan zijne Hoogheid: Dat wel verre van dien dese geheele verandering in geen ander dagligt moest of konde beschouwt worden, als te zijn voortgekoomen uijt een bijsondere Considera„ „tie voor alles wat den vorst en sijn belangens beteeft, en dat alleen uijt een waar meede dogen, sijne onderdanen waren g'ex „cuseert van de Reijse na Batavia, die door het schielijk agter een overleijden van drie Heeren Gouverneurs Generaal, na het begrep van hun Hoog Edelheeden, seer tot beswaar soude hebben moeten strekken, Dat een versoek om die Homage als nu nog na verloop van Agt Jaaren te Batavia te willen doen, zeer vreemd soude kelinken, dog dat ik zijne Hoogheid geinst konde den 29: Aug=s 1788. verseekeren, 349 den 29 Aug=s 1788. — verseekeren, de Comp: sig althoos houden zoude aan de verzeegulde en dus geheijligde Contracten en dat vermits alleen 't doen der homage en met de plaats waar, bij het Contract in aanmerking moest genoomen worden, ik uijt dien hoofde niet konde beoor„ „deelen het goedvinden van eene ander gouverneur generaal in der tijd, en of hunne Hoog Edelheeden als dan weder sonder goedvinden de overkomst na Batavia te excuseeren: Dat ik voorts niet konde besluijten mijne hulp te verleenen tot het senden van een gesandschap na Batavia om als nog homasje te doen aan den Heere regeerend gouverneur generaal, alsoo die zaak bereeds in het Iaar 1781. door den Heere gouverneur Siberg niet met zijne Hoogheid afgedaan en Comp:s intentie hier omtrent „ ver„ andert was, maar dat so zijne Hoogheid, hier meede niet Content zijnde en een bijsondere blijk van attentie voor zijne Hoog Edelheid wilde toonen ik niet ongeneegen was te beweeken, dat het gezand „schap als nog op Samarang werde geadmitteert om daar uijt naam van zijne Hoog Edelheid, de Homage te ontfangen. dog den sult han hier op betuijgende door mijne verseekering te zijn ge„ „rust gesteld, bleef deese zaak hier bij als afgedaan, versoekende dien vorst eenelijk dat ik zijn papier schriftelijk mogt beant„ woorden, het welk ik aannam bij mijne terug komt op Samarang te sullen doen. — Hier op vervolgde den sulthan mij te kennen te geeven hoe seer hij hij aangedaan en beschaamt was, over het bekoomen berigt van souracarta, dat sig aldaar thans eene Prins bevond, die genaamt was soerio Mangcoedoemie namelijk een kleijn zoon van den Pangerang Adipattij Amang Coenogoro. Dat hij mij dus aller instantigst versogt door tusschen komst van de Comp:e hier in ver„ andering mogt worden gemaakt, en 't hem om het eeven was, al vereerde den keijzer deesen Prins met eene andere veel aansiene„ „lijker naam, daer bij opnoemende die van soerio Diningraf„ soeris Coessoemo &=a dog dat dese naam door hem gebruijkt zijnde in zijn Iongere Iaaren, alvoorens hij den Mattarmsche Troon beklom, hij het nu aanmerkte als eene hoon, die hem van de kant van solo wierd aangedaan, en dat hij om die reeden, als verkleefd aande Comp:e sig tot haer wende even als een kind sig tot sijn vader werd, versoekende om hulp. Ik nam uijt deese laaste woorden geleegendheid, om dien vorst op eene sagte wijse, de onbillijkheid van zijn versoek aan den dag te leggen en toonde zijne Hoogheid aan hoe het de pligt eenes kinds was, om sig voor al te wagten van zijn vader niets te vorderen, dat onuijtvoerlijk was; Dat den keijzer, zo wel als vorst over Java regeerde, als hij zulthan, en dus moest gereekent worden, in deese van hem onafhangkelijk te zijn en daar bij sig nooijt hadde laaten geleegen leggen, aan alle zulke benamingen als hij sulthan ge„ „duurende sijne Regeering aan sijne familie gegeeven had, of den 29: Aug=s 1788. — schoon 351. den 29: Aug=s 1788. schoon 'ex niet weijnig ander te vinden waeren, die ook aan 't soura Caa„ „tasche 'Hof gebruijkt worden. — Den Sulthan, die niet te vreeden schein met deese weederlegging„ hier op eeniger mate opvliegende en met afbreeking van het Discours blijken geevende, als of hij sig selve satisfactie wilde besorgen seggende onder anderen als ik hem niet konde helpen, dat het dan wel was en dat hij siende zoude wat hem te doen stond, deed ik hem met korte woorden verstaan, dat dit gedrag ten eenemaale besijden, de weg soude zijn om tot zijn oogmerk te koomen, en de Comp:e sig niet liet dwingen nog vervaard maaken, dat als hij sulthan seg bedaart wilde gedragen, ik aan de kant van de Comp:e op nieuws blyken van de attentie voor hem en zijn Huijs wilde geeven: Dat men voor of ondersoeken soude of het den keijser, dan wel Pange„ rang Mangfoenagara was, die deesen Prins met die naam ver„ „eerd hadde, en so het laatste bleek waar te zijn, ik als dan wel meende te kunnen instaan voor de herrooping, dog sulx geschied zijnde door den keijzer, ik mij, als dan moest bepaalen tot een vriendelijk versoek aan dien vorst en op dien voet hier in verandering tragten uit te werken, Dat so den keijzer hier aan voldeed, dit voor mij aller aan„ genaamst soude zijn, dog hier in difficulteerende, hij sulthan als 7„ dan van deese zaak diende aftezien, en zulx int hoofde der onafhang„ „kelijkheid, dee er ten opsigte van beijde tooven, omtrend elkanderen plaats vind, met welke schikking den vorst als toen scheen genoegen te neemen. — Den

NL-HaNA_1.04.02_3816_0630 view scan ↗

English

As the Sultan also gave indication that the conversation from his side was ended, I proceeded to present to that prince how I deemed it my indispensable duty to submit to him some matters of particularly great importance and consideration, beginning by presenting to His Highness how much the Company wished that the Sultan might long be preserved in life and a sufficient state of health to continuously govern his country with wisdom, but that since His Highness's years had already reached such a remarkable height, one must, according to the ordinary course of human life, also be mindful of an end that may still be far off, but with just as much reason may also be near at hand. That in such an event, everything would especially depend on my being promptly informed of all that might transpire, and thereby being enabled to make the necessary arrangements for the preservation of the so blessed condition in which Java currently finds itself: That I, however, was in no small measure liable to be hindered in these salutary intentions if His Highness, just as happened during his last illness, provided the First Resident with so few authentic reports concerning his condition, whereby the latter was rendered incapable of fulfilling his so bounden duty, and that I therefore most earnestly and with appropriate insistence demanded of His Highness that, in the event of any indisposition of importance, he should immediately inform the First Resident thereof and summon him to his presence, so that the latter might supply his reports truthfully and afford me the opportunity to make arrangements for undertaking the march to Djocjocarta, which could always be suspended in case of recovery. The Sultan thereupon thanked me in the most amiable manner for these favorable intentions regarding the subject of himself and his interests, and promised to comply with this request, penetrating as a matter of course how necessary the execution of the proposal was; of which occasion I further made use to present to His Highness the advanced age of the Grand Vizier Danoeredja, presently still serving at his Court and present at this conference, with respect to whom I testified having no doubt that the prince would be moved with gratitude for the so many years of service rendered to him by this minister, and likewise that it was from the same principle that the Company considered itself obliged to keep this man and his family ever in favorable remembrance, but that because the man, through a visible decline of vital spirits and an accompanying defect of hearing and sight, could no longer discharge the post of Grand Vizier with the necessary activity and an extensive oversight of everything, especially not in a time of a vacancy of the throne, when everything must be attended to and all that might appear detrimental to the intended purpose must be handled and directed with firmness and expedition, and which had appeared to me to be of all the more necessity in this case because one cannot yet consider the Djocjocarta realm as truly established, and such can only rightly be said to take place when, upon the decease of this prince, a peaceful succession by the designated Crown Prince occurs, which at Soura Carta—as had casually come to my notice during my presence there—was greatly doubted by some of the grandees of the realm, since these assert that at the division of the Javanese uplands a promise was made to the Emperor on behalf of the Company that the half allotted to the Sultan would, upon the death of that prince, revert to the Susuhunan, and that the cession was therefore made merely on loan to pacify the Sultan at that time; for all of which reasons I was all the more of the opinion that it was necessary to look out in good time for a successor on whose ability and fidelity the Company and His Highness could in due course rely, wherefore I made known to the prince that I wished to be informed upon whom the choice would fall in such a case, with the further recommendation to have the same serve from now on to assist the old Danoeredja, in order that he might in this way make himself more and more capable of standing on his own feet upon the death of the said minister. After the Sultan had reflected for a while, he finally declared that it was Raden Tommongong Notto Judo who appeared to him as the the 29th of August 1788.

Dutch transcription

Den Sulthan hier meede blijken geevende dat het gesprek van zijnen kant g'eijndigd. was, vervolgde ik met dien vorst voortehouden hoe ik het van mijne indispensabele pligt agtte om hem eenige zaa„ ken van bij zonder veel belang en Consideratie te geeven, beginnen„ de met zijne Hoogheid voor tehouden hoe seer de Comp:e wenschte, dat den sulthan nog lange bij Leeven en eene genoegsaeme welstand mogte worden dewaart, om sijn land bij Continuatie met hof te regeeren, dog dat daar de Jaaren van zijn Hoogheid bereeds tot die aanmerkelijke hoogte gesteegen waaren, men na de ordinaire loop van 's menschen leeven, ook gedagtig diende te zijn, op een misschien nog verre, en met eeven so veel grond misschien ook na eijnde, bij zijnde rde. Dat het in een geval 'er vooral op aan soude koomen dat ik spoedig van alles wat 'er mogst omgaan gein for„ „meert, en daar door in staat gesteld wierd de noodige schikking te maaken, ter bewaring vande so geseegende gesteldheid, waaren sig Java thans bevind: Dat ik egter in deese heijlsaame oogmer„ ken niet weijnig stond verhindert te worden als zijne Hoogheid„ eeven als in zijne laatste ziekte plaats had, den Eerste Resident so weijnig egte berigten deed toekoomen, van zijne gesteldheid, waar door deese buijten staat gehouden wierd om aan zijne so schul„ „dige pligt te voldoen, en dat ik daar om op het ernstigst, en met den gepasten aandrang van zijn Hoogheid vorderde, om bij eenige indispositie van belang, den eersten Resident daar van straks kennis den 29: Aug=s 1788. — te 353. den 29: Aug=s 1788. — te geeven, en bij sig te doen koomen, op dat deese zijne berigten na waarheid suppediteeren en mij geleegentheid geeven konde, om mij te kunnen schikken, tot het doen van den optogt na Djoe„ Jocarta, die dog althoos konde gestarkt worde, ingevalle van beeterschap. - Den Sulthan bedankte mij hier op aller minsaamste voor de se gun„ „stige oogmerken, op het sisjet van hem en zijn belangens, en beloofde aan dit versoek te sullen voldoen, als van selve penctreerende. hoe noodsaekelijk de uijtvoering van 't voorstel was, van welke occagie ik dan al verder gebruijk maakte zijn Hoogheid voor tehouden, den hoogen ouderdom van den thans nog aan zijn Htoff dienst doende, en bij deese Conferentie, present zijnde Rijxbestierder Danoeredja, ten wiens opsigte ik betuijgde niet te twijffelen of den vorst zoude met erkentenis aangedaan zijn, over de zo veele Jaaren door deese minister aan hem beweesene diensten, mits„ gaders dat het uijt het selve grond beginsel was dat de Comp=e sig verpligt reekende deesen man en zijn geslagt steeds ten goede gedagtig te zijn, dog dat wijl de man, door eene sigtbaare vermindering van leevens geesten, en een daar bij koomend gebrek aangehooren gesigt niet meer met de noodige activiteijt en een uijtgebreid toesigt op alles, den post van Rijxbestierder konde waarneemen, vooral niet in een tijd van troons vacature, wanneer op alles zal moeten gelet en alles wat mogt voorkoomen aan het bedoelde oogmerk nadeelig te zijn, met fermeteijt en expeditie sal moeten behandelt en ge„ dirigeert „ „dirigeert worden, en het welk mij was voorgekoomen ten deesen van des te meerder noodsakelijkheid te weesen wijl men 't Djokjocartasche Rijk nog niet regt gevestigd kan agten en sulx eerst met regt gesegd zal kunnen worden, plaats te vinden, als bij overleijden van deesen „vorst door den gedespicieerden kroonprins eene vreedige successie ge„ „schied, waer aan te soura Carta /:gelijk mij bij mijn aanweesen aldaar van ter zijde was voorgekoomen :/ door deese en geene der Rijxgrooten seer werd getwijffeld, alsoo dese beweeren dat bij de verdeeling der Javasche boovenlanden aan den keijser van weegens de Comp:e belofte gedaan is dat de helft welke den sulthan is toegedeeld, bij overleijden van dien vorst, weeder onder den soesoehoenang sal koomen, en de afgave dus enkel bijleening is geschied om den sulthan toenmaals te vreede te stellen, om al het welke ik dan des te meerder in het begrip viel dat het saeke was, om bij tijds om te zien na een vervanger, op wiens kunde en trouwe de Comp:e en sijn Hoogheid sig inder tijd soude kunnen ver„ laaten, waarom ik aan den vorst te kennen gaf, gaarne te willen onderrigt zijn, op wien in so een geval de keuse zoude vallen met verdere aanraading om denselven als van nu af aan te doen dienen ter adsistentie van den ouden Danoeredja, ten eijnde sig langs dee„ „sen weg meer en meer bekwaam te maaken, om bij overleijden van gem: minister op eijgen voeten te kunnen staan. Na dat den sulthan sig een poos bedagt hadde, betuijgde hij eijnde„ „lijk dat het Radeen Tommongong Notto Judo was, die hem als den 29: Aug=s 1788. — het

NL-HaNA_1.04.02_3816_0633 view scan ↗

English

355. the 29: August 1788. — appeared to be the most suitable person, and if he were to be chosen for this in due course, he would also not be acting contrary to his adat by putting the sons in their father's place, since this Notto Iudo had previously been married to that Prime Minister's daughter, and thus, although deceased, still had some connection to him; and because I believed I could not point to any sound and sufficient reasons why one should oppose this election, all the more so since the Prime Minister's own opinion, which I had previously obtained on this matter and who had assured me that this arrangement would be beneficial in every respect, along with his full-throated declaration in the presence of the First Resident van IJsseldijk that his, the Prime Minister's, son Ario Manduro would not carry enough weight in the event of any unusual occurrences, furthermore extended to the point that one had no danger to fear from his close family relationship to Prince Notto Coessoemo, and that the latter should certainly be regarded as one of the most active and astute regents of the Court; thus I also found no difficulty in consenting to this choice as far as the Company was concerned, just as I then declared to the ruler that I was satisfied with it, the result of which was that the Sultan, that very same evening, in the presence of the entire company and all the Princes and regents, gave public orders to recognize the Radeen Tommongong in the future as adjunct and co-helper of the Radeen Adipati Danoeredja, asking me publicly on that occasion whether it was thus according to my desire, to which I replied affirmatively. This matter having thus also been concluded to mutual satisfaction, I continued by raising with the ruler how questionable the roaming family of the slain Pangerang Rongo Djadjar had seemed to me until now, who were indeed not harmed by either of the two rulers, but at the same time were not provided with sufficient sustenance to be able to make a living. — That it seemed to me the reason must be sought here as to why they had until now behaved restlessly, at times less and at other times more so, and that in case a means were sought and found to provide them with a proper livelihood, they would perhaps gladly exchange this way of life for one that is less dangerous. That therefore, out of a true intent to contribute everything possible on the Company's side that can serve toward the preservation of the much-desired peace and quiet, and to remove all such obstacles as might make any infringement upon this, I had summoned to me at Surakarta the sons and nephews of the slain Djadjar Prince present there, namely Brongto Coessoemo, Soetno Widjojo and Rongo Coessoemo, and pointed out to them that however much they and their family had previously behaved against the intention and authority of the Company, and one could justly insist on that ground the 29: August 1788. — 357. the 29: August 1788. — upon the utmost persecution, I on the contrary wished to show that it is the Company's way of thinking to choose mercy over rigorous punishment as much as possible, provided that I dared to take it upon myself to have them come down to the coast, and to cede a piece of land in the Grogol area where they could support themselves, with up to 50 heads called up for their retinue, and thus be able to exist without ever being obliged to perform corvée labor. That His Highness the Emperor had very gladly consented to this and expressed his gratitude to me in this regard, and it seemed to me that the Sultan could also not be indifferent in this matter, since his eventual successor—whom, because of the continuing good conduct of the ruler's beloved son Pangerang Adipati Anom Amangku Nagara, and the Crown Prince present at our conversation, I was also permitted to recognize—stood to be freed by this from an enterprising family that easily gained a following because of its antiquity. That for this reason I proposed to have the legitimate son of the aforementioned Pangerang Rongo Djadjar, namely Soero Dipoero, who was still residing in the Grobogan district, together with his little son Djalmo, as well as Soemo Sudo, who was still at this Court, also come to Semarang, in order to place them thus under a solemn oath, and that it would then further be up to them to profit in peace from the Company's merciful arrangements, in the contrary case of which they would have only themselves to thank for being seized and banished. — The

Dutch transcription

355. den 29: Aug=s 1788. — het geschiktste sujet, voorkwam, en deese in der tijd daartoe ver„ „koosen wordende, hij ook niet buijten zijne adat ging, om de soons in de plaats van hun vader te stellen, daar deese Notto Iudo bevoorens was getrouwt geweest met die Rijxbestierders dogter, en dusdanig, afschoon afgestorven, tot hem ook nog eenige betrekking hadde, en wijl ik geene genoegsaeme reedenen met grond meende te kunnen aan„ „wijsen waarde men deese verkiesing soude moeten teegengaen, te meer daar des Rijxbestierders eijge gevoelen het welk ik voor af hier over ingenomen en die mij verseekerd had dat deese schikking allesints heijlsaam soude zijn, met volmondige betuijging teevens in teegenwoor„ „digheid van den eersten Resident van ijsseldijck, dat zijn Rijxbestierders zoon Ario Manduro, daar toe bij eenige ongewoone voorvallen niet ƒ zwaar genoeg zoude weegen, sig voorts daar heenen strekte dat men van zijne naauwe familie betrekking tot den Prins Notto Coessoemo geen gevaar te wagten hadde, en deesen men seeker als een der actiefste en schaanderste regenten van het Hoff moest aan gemerkt worden, so vond ik ook geene swaerigheid om voor so verre het de Comp:s afhing, in deese keuse te bewilligen gelijk ik dan ook aan de vorst verklaarde daarom de genoegen te neemen, waar van 't gevolg was, dat den sulthan nog dienselfden avond in presentie van 't geheele geselschap, en alle de Princen en regenten openbaar onder gaf; om in het vervolg den Radeen Tommongong te erkennen als adjunck en mede helpen van den Radeen de pattij Danoeredja, mij mij bij die geleegendheid in het publicq afvraegende of het dusdanig na mijn verlangen was, het welk ik toestemmend beantwoorde. Deese zaake dus meede tot weedersijds genoegen afgeloopen zijnde, vervolgde ik met den vorst aantekoomen hoe bedenkelijk mij tot nog toe was voorgekoomen het rondswervende geslagt van den gesneuvelde Pangerang Rongo Djadjar, het welk wel door geene der beijde vorsten eenig leed toegebragt, maar ook teffens van geen genoegsaeme onderhoud voorsien wierd, om te kunnen leeven. — Dat het mij voorquam hier in de oorsaake te moeten soeken, dat sij sig tot nog toe, de eene tijd minder, en de andere tijd meerder, onrustig gedraagen hadden, en dat ingevalle 'er een middel gesogd en gevonden wierd om haar een behoorlijk bestaan te besorgen, sij deese manier van leeven misschien gaarne souden verwisselen teegens, eene, die minder gevaarlijk is. Dat ik dus uijt een waar instigt om al het moogelijke van Comp=s zeijde toetebrengen dat dienen kan tot Conservatie van de so gewenschte rust en vreede, en alle zoodanige hinderpaalen uit denweg te ruijmen als hier op eenige inbreuk soude kunnen maaken, op souracarta de aldaar pre„ „sent zijnde zoons en Neeven van den gesneuvelde Djadjars Prins, in naame Brongto Coessoemo, soetno widJoijo en Rongo Coes„ soemo, bij mij ontbooden en aangetoond hadde, dat hoe seer sij, en hun geslagt, sig bevoorens teegens de intentie en het gesag vande Comp:e gedraegen hadde, en men uijt dien hoofde billijk zoude kunnen aan den 29: Aug=s 1788. — „dringen, 357. den 29: Aug=s 1788. — dringen, ik daarenteegen toonen wilde 't Comp:s den kenswijse is, om so veel moogelijk genade booven regoureuse straffe te verkiesen, mitsgaders dat ik wel op mij dorst neemen om hun lieden na de stran„ den te doen afkoomen, en in het grogolsche een stuk lands afte staan, waar in sij sig selve geneeren, tot 50: koppen voor hun gevolg aangeoeije roepen, en dusdanig bestaan konde sonder ooijt verpligt te zijn Heeren dienste te doen Dat zijne Hoogheid den keijser hier in volgaarne bewilligden zijne ƒ7. erkentenis dientweege aan mij betuijgd hadde, en het mij voorquam dat den sulthan meede in deesen niet onverschillig konde zijn daar zijnen opvolger in der tijd, die ik, om 't Continueerende goed gedrag van 's worsten geliefden zoon Pangerang de Pattij Anom Amang Coe„ nagara, en den bij ons gesprek preesent zijnde kroonprins meede „ te moogen erkennen, hier door stond ontslaagen te worden van een on„ „derneemend en om dies aloudheid ligt aanhang verwervend geslagt. Dat ik uijt dien hoofde voorstelde om de nog in het Grobogangse huijs„ houdende egte zoon van meermelde Pangerang Rongo Djadjar, in naeme Soero Dipoero, beneevens zijn zoontje Djalmo, als meede den sig nog aan dit Hof bevindende soemo sudo ook op Samarang te doen koomen, ten eijnde hun dusdanig onder een plegtige Eed te brengen, en dat het dan verder aan hun zoude staan, om in gerust„ heid van Comp=s mede dogende schikkingen te profiteeren, in welk Contrarie geval sij 't aan sig selve souden te danken hebben, van opgeligt en versonden te worden. — op de uijterste vervolging Den

NL-HaNA_1.04.02_3816_0636 view scan ↗

English

The sultan, who after having remained silent for a long time and having considered this proposal with very different facial expressions, subsequently made known that he was particularly pleased with this arrangement, and above all with the favorable assurance given on the subject of his son, and further declared that as far as Soemo Iudo was concerned he gladly consented to the surrender. That it was furthermore not entirely known to him where the mentioned Soerio di Poeko was staying, but that if it were found that this was in the Grobogan district, he would gladly see him also place himself under the protection of the Company, only requesting that the little son named Semidjo, who was in the crown prince's service, might remain with this son of his, who believed he could vouch for his conduct in the course of time, against which I declared I had no objection, so that through this the matter of the Djadjas, even contrary to my expectation, turned out for the best, for which reason I now also take the liberty to request Your High Noblenesses' honored authorization to be allowed to act with them on the footing described above, and to be allowed to grant them, if necessary, a small allowance for maintenance, which I request in that case may be determined by Your High Noblenesses according to what a family of about twenty persons indeed requires. While I then also request to be provided with the necessary orders whether I shall make use of the emperor's demonstrated willingness to participate in that maintenance, the 29th of August 1788. and how 359. the 29th of August 1788. and how I shall then further conduct myself regarding the reclamation of the district of Antang, since I currently see no possibility to comply in this respect with Your High Noblenesses' secret Resolution of the 27th of September 1771, namely to direct matters in such a way beforehand that the emperor comes to offer that territory to the Company. Finally, the sultan requested of me, if possible, a written proof showing that his son the crown prince will in due time be declared His Highness's successor, upon which I gave such an assurance as could serve for the sultan's reassurance, yet at the same time not anticipating the high approval of Your High Noblenesses, which I declared I had to await both on this and the further negotiated articles. If Your High Noblenesses might thus see fit to give the sultan the same complete assurance on this subject as the emperor has already obtained, then I could, for his reassurance, notify that monarch of this by a letter which could then serve as the desired proof. As far as I am concerned, I cannot see why that desire could not be satisfied, since such is after all always conditioned with the proviso of continued good conduct, and such proof would also further serve as a sign of the Company's true intention to let the succession take place in that manner, about which—as it has appeared to me from various circumstances—people have still doubted to some degree, and for that reason have also been so backward in the desired notification of the monarch's illness, perhaps out of fear that the Company, in case of a vacancy of the throne, might have entirely different aims, regarding which one would then be fully reassured. After having succeeded so well in everything and having taken a leave of the sultan that was most affectionate and on his part even so tender that this old man could not refrain from shedding tears, I certainly had not expected that this monarch, only two days after my departure from Djokjakarta, would adopt a conduct that is so improper and discourteous that I must attribute it solely to a weakened mind, and the very unregulated passions arising therefrom. The case I mean is contained in a letter from the Djokjakartan First Resident IJsseldijk, who, having escorted me up to the Samarang territory and having returned from there, wrote on the 20th of this month: that after conveying my compliments to the sultan and crown prince, the monarch had asked him whether he was informed of my intention, both on the subject of his written request and on that of Pangerang Soerio Mangkoeboemi, who is currently in Solo. The first he had answered in conformity with what he remembered had occurred in the separate private conference held between the 29th of August 1788. me and

Dutch transcription

Den sulthan die na een lange poosgesweegen en dit voorstel onder seer verschillende gelaats betooningen overwoogen had, gaf vervolgens te kennen, over dese inrigting, en voor al over de gunstige verseekering op het suijet van sijn soon gedaan, bijsonder in zijn schik te zijn, en betuijgde verder dat wat soemo Iudo betrof hij gaarn bewilligde in de overgave. Dat hem voorts niet vol„ sertrekte bekent was, waar gem: soerio die Poeko sig ophield, dog dat so bevonden wierd sulx in 't grobogangsche te zijn, hij gaarne sien zoude dat deese sig meede onder de bescherming van de Comp:e begaf, alleen versoekende dat het in des kroon prinsen dienst zijnde zoontje genaamd semidjo, bij deese sijnen zoon blijven mogte, die voor sijn gedrag bij vervolg van tijd meende te mogen Caveeren, waarteegen ik verklaarde niets te hebben, zo dat dan hier door deese zaak der Djadjaas, selfs teegen mijne verwagting, op de beste zijde uijtviel, waarom ik dan ook als nu de vrijheid neeme, uwer Hoog Edelheeden g'eerde qualificatie te versoeken, om met deselve op den hier voor beschreeven voet te moogen hande„ len en aan deselve, des noods een gering onderhoud te moogen geeven het welk ik in dat geval versoeke dat door uwe Hoog Edelheeden na het geene een familie van omtrent twintig persoonen wel noodig heeft, mag worden bepaald. Terwijl ik dan teevens versoeke met de noodige orders geninineert te worden, of ik van 's keijsers betoonde bereijd wil„ „ligheid om in dat onderhoud te participeeren, gebruijk zal maaken, den 29: Aug=s 1788. — en hoe 359. den 29: Aug=s 1788. — en hoe ik mij dan verder sal gedraagen omtrend de te rug vordering van het district Antang, wijl ik thans geen moogelijkheid sie om ten deesen opsigte aan uwe Hoog Edelheeden secreete Resolutie september van den 27: December 1771. te voldoen, namelijk om het vaarheenen te dirigeeren dat den keijser dat landschap de Comp: komt aan tebieden. — Eijndelijk versogt den sulthan mij des mogelijk om een schrifte„ „lijk dewijs, waar bij bleek sijnen zoon den kroonprins in der tijd tot Hoogst Desselfs opvolger zal worden verklaart, waarop ik soodanige verseekering hebbe gedaan, als strekken konde tot des sulthans geruststelling, dog tegelijk niet voor uijtloopende het hooge goedvinden van uwe Hoog Edelheeden, dat ik betuijgde so, wel op dit, als de verder verhandelde articulen betuijgde te moeten afwagten. — Oo dus uwe Hoog Edelheeden mogte kunnen goedvinden den suithan op dit sujet deselfde volkomene verseekering te geeven, als den keijser reeds heefd erlangd, dan soude ik, ter zijner gerust stelling dien vorst hier van kunnen kennis geeven, bij een brief die als dan voor het verlangde dewijs zoude kunnen strekken. voor so veel mij betreft„ ik kan niet sien, waar om aan dat verlangen niet soude kunnen worden voldaan, wijl sulx dog althoos geclausuleert word met de mits van een Continueerend goed gedrag, en sulk een bewijs ook nader soude strekken, ten teeken van Comp=s waere intentie om de suc„ cessie in dier voegen te doen geschieden, waar aan men /:na het mij ui't verscheijde omstandigheeden is voorgekoomen :/ nog eeniger ma„ ten x „ten heeft getwijfeld en daar om ook so agterlijk is geweest in de begeerde kennis geeving van 'T vorsten ziekte, misschien uijt be„ „vugting dat de Comp:e in geval van throons vacature, geheel andere oogmerken mogt hebben, dan waar omtrent men als dan ten vollen gerust zoude zijn. — van Na in alles dus so wel geslaagd te zijn en van den sulthan een afscheid genoomen te hebben, dat allerhaatelijkst en van zijne kant selfs so teder was, dat dien guijsaard sig niet bedwingen konde tranen te storten, had ik seeker niet verwagt dat dien vorst slegts twee daegen na mijn vertrek van Djok Jokarta, een gedaag soude aanneemen, dat so onbetamelijk en onheusch is, dat ik het selve alleen aan een verswakte geest, en daar uijt voortkoomende se seer ongerequilde hartstogten moet toeschrijven Het geval dat ik bedoele vervat sig in een brief van den DjoeJoeaa„ tasch Eerste Residant ijsseldijk, die mij tot op het samarangs grond gebied uijtgeleijde gedaan hebbende en van daer terug gekeerd zijnde, den 20:e deeser schreef: dat na aflegging mijner Complimenten aan den sulthan en kroonprins de vorst hem had gevraagd of hij gein for„ „meert was van mijne intentie, so wel op 't sujet van zijn gedaan versoek bij geschrift, als op dat van den sig thans op solo bevindende Pangerang soerio MangCoeboemie. Het eerste had hij beantwoord, Conform het geene hij sig herinnerde te zijn voorgevallen, in het gehouden apart abouchement tusschen den 29: Aug=s 1788. — mij en

NL-HaNA_1.04.02_3816_0639 view scan ↗

English

361 the 29: Aug=s 1788. — me and his Highness, with which they were satisfied, and this matter seemed to hold no further particular objection, but intending to settle the second question in the same manner, and saying among other things that in case it appeared that Pangerang MangCoenagoro had given this name to his grandson on his own authority, I would then certainly be able to provide therein, but this having been done by the emperor, nothing else could be done by me in this regard than to kindly request that the well-mentioned Highness, out of regard for me upon the strong instance of the sultan, would be pleased to revoke that name and change it into another. That from this it would be evident how inclined I showed myself to be of service to the sultan as much as possible in all reasonable cases, but this not being consented to by the emperor, he, the sultan, would then not be able to press the matter further without acting against the dependency that takes place between the two princes in this matter. The sultan having listened to this very attentively, had expressed his thanks to me for this arrangement, but at the same time continued to make it known that if the emperor could not be persuaded to revoke the said name, he would consider such as a sign of no longer wishing to live in friendship with him, the sultan, and for that reason from now on ordered his prime minister to entirely cease all correspondence, whether in disputes between mutual subjects, or in the communication of marriages or deaths back and forth. the 29: Aug=s 1788. — and forth entirely. As this conduct of the Sultan, the said first resident further writes, could now appear to me as nothing other than very rash and absurd, and meanwhile could be of great consequence for the peace of Java, I did not fail to represent this to his Highness, and also that this order given to his prime minister in no way corresponded to the confidence that his Highness had verbally declared to place in me, since he, the sultan, in my presence had expressed his satisfaction with the promised arrangement, without mentioning in the least these orders now given; that he therefore most earnestly requested that his Highness would remember this, and at the same time everything that had occurred in the private conversation, as it would then appear to his Highness as nothing other than that which could serve the true satisfaction of him and his son, and he could subsequently infer for himself from that how this manner of proceeding would please me. That as he, the Resident, soon noticed that many words would have little effect, and they had well considered beforehand what to say and answer, he had ended by informing the prince that he understood he must immediately communicate this matter to me, but that he only requested that the order given to the prime minister might be held in abeyance until the reply from me should be received, which the 363. the 24: Aug=s 1788. — the sultan promised, provided that it was limited to the period of ten days; and furthermore that he, the resident, in order to proceed securely, had demanded the written report from the prime minister, of which he sent me the translation. This conduct of the sultan appeared to me so strange and improper that I could attribute it to nothing other than his advanced age and that same obstinate, dotardly fickleness which accompanies his advanced years, and of which I had encountered so many proofs during my presence in Djocjocarta, that for the Company's interest it would be considered a desirable thing if the sultan's demise were to anticipate that of the emperor, since it would not surprise me if from time to time, on account of this highly aged prince's increasing caprice, one were to become entangled in cases that could be most pernicious to the peace of Java. Upon this, I wrote to his Highness the letter which accompanies the appendices hereof, and in which I represented to him the impropriety of his conduct no less seriously than amiably, while at the same time answering the writing upon which I had promised to express myself further. I do not know as yet in what manner his Highness will take this, and whether there may not already be quite a few signs of displeasure to be perceived upon reading the same. But whatever

Dutch transcription

361 den 29: Aug=s 1788. — mij en zijne Hoogheid, waar meede men genoegen nam, en dese saeke geen bijsondere bedenking meer schein te hebben, dog de tweede vraege inselvder voegen meenende aftedaen, en onder anderen seggende, dat ingevalle het bleek dat Pangerang MangCoenagoro, op eijge gezag deese naam aan zijne kliin zoon gegeeven had, ik als dan daarin wel soude kunnen voorsien, dog sulx geschied zijnde door den keijser, er door mij niets anders in konde gedaan worden, als vriendelijk te versoeken, dat welm: Hoogheid, ten mijnen requar„ „de op de sterke instantie van den sulthan, die naam geliefde te herroepen, en m eene andere te veranderen. — Dat hier uijt soude blij„ ken hoe geneegen ik mij betoonde, om in alle billijke gevallen seen sulthan so veel moogelijk van dienst te zijn, dog hier in door den keijzer niet bewilligt wordende, zij sulthan, als dan niet verder op de zaak soude kinnen aandringen, sonder te handelen teegen ana flangke„ „lijkheid, die 'er in deese tusschen de beijde vorsten plaats vind. — Den sulthan hier op seer attent toegeluijstert hebbende, had betuijgd 1 mij te bedanken voor deese schikking, dog teevens vervolgd te kennen te geeven, dat zo den keijzer niet te overreeden was, tot de herroeping van gemelde naam hij sulx houden soude, als een blijk van niet langer in vriendschap met hem sulthan te willen leeven, en uijt dien Hoofde van nu afaan aan zijne Rijxbestierder gelaste, om alle Correspon„ „dentie, het zij in verschillen tusschen weedersijdsche onderdaanen, het zij in Communicatie van Huwelijken of sterk gevallen over en weer:/ ƒ den 29: Aug=s 1788. — en weer :/ volstrekt te staeken, Daar dit gedrag van den Sulthan /:schaift gemelde eerste resi„ dent verder :/ mij nu niets anders konde voorkoomen, als seer voorbeierig en ongerijmt, en intusschen van veele gevolgen voorde rust van Iava soude kunnen zijn, hebbe ik niet nagelaate sijne Hoogheid sulx voor testellen, en ook dat deese order aan zijnen Rijxbestierder gegeeven, gansch niet beantwoorde aan het vertrouwen, dat zijn Hoogheid mondeling betuijgd had, in mij te stellen, daar hij sulthan bij mijn aanweesen sijn genoegen betuijgd had, over de beloofde schikking, sonder in 't minste te reppen van deese nu gegeevene beveelen dat hij dus instantigst versogt dat zijne Hoogheid zulx wilde gedenken, en te gelijk al het geene wat in het bijsonder gesprek was voorgevallen alsoo daar uijt als dan aan zijn Hoogheid niets anders zoude blijken, als 't geene dat tot waer genoegen van hem en sijn zoonstrek„ „ken konde, en hij daar uijt vervolgens selve bevroeden konde hoedanig mij deese handelwijse bevallen zoude. - Dat daar hij Resident wel haast bemerkte dat veele woorden van weijig uijtwerking zoude zijn, en men bevoorens wel overlegt had, wat te zeggen, en te antwoorden, had ƒ hij g'eijndigd met den vorst te informeeren, dat hij begreep deese zaak ten 49 eersten aan mij te moeten bedeelen, dog dat hij alleen versogt de gegeevene ordre aan den Rijxbeskierder buijten effect gesteld mogt worden, tot dat het antwoord van mij soude zijn ingekoomen, het welk den 363. den 24: Aug=s 1788. — den sulthan beloofde mits sulx sig bepaalde binnen den tijd van tien daegen; mitsgaders dat hij resident omm deese seeker te gaan, het schriftelijk rapport van den Rijxbestierder had gevordert, waar van hij het translaat mij toesond. Dit gedrag van den sulthan quam mij so vreemd en ongepast te vooren dat ik het selve aan niets anders konde toeschrijven dan aan zijne hooge ouderdom, en die selfde eijgensinnige deuselagtige wispetturigheid, welke zijne hooge Iaeren verseld en waar van ik bij mijn aanweesen te Djoejoeaata so veel preuves ontmoet had, dat het voor. Comp=es delang, als een wenschelijk zaak soude aan temer„ „ken zijn, indien des sulthans extinctie die van den keijser antisi„ peerde nadien het mij niet soude verwonderen, indien men van tijd tot tijd door deesen hoog bejaarde vorst weegens zijne toeneemende waewvelmoedigeeid, in gevallen werd gewikkeld, welke voor de ruse van Iava ten hoogsten pernicieus kunnen zijn. — Ik schreef hier op aan zijne Hoogheid de brief, welke de Bijlaagen deeses verseld, en waarin ik hem niet minder ernstig als vriendelijk het onbetamelijke van zijn gedrag hebbe voorgehouden, terwijl ik daar bij teevens beantwoorde het geschrift waar op ik beloofd had mij nader te zullen verklaaren. Ik weet tot nog toe niet in welker voegen zijne Hoogheid sulx was opneemen zal, en of 'er misschien niet al vrij teekenen van mis„ noegen sullen 'te bespeuren zijn bij het leesen derselve. — Dan wat

NL-HaNA_1.04.02_3816_0642 view scan ↗

English

Whatever the case may be, the Company's dignity and its interests absolutely require that this matter be handled in no other way. The Prince's desire in this matter is as improper as it is whimsical, and the haste with which he proceeds has caused him to lose sight of the due respect and deference for the Company to a considerable degree. Yielding to him in a matter as unreasonable as this would consequently lead to the most dangerous prospects, and one would henceforth be daily exposed to the strangest demands and the most extreme coercion. And since this can be foreseen on good grounds, prudence strictly advises that, through a proper firmness, the Company's respect and superiority be maintained as much as possible, before it becomes too late through excessive indulgence. In the meantime, I am of the opinion that this unexpected change in the Prince's behavior has its source in the news that His Highness undoubtedly received concerning the dangerous state of the Emperor's illness and the apprehension held that the end of that monarch was near; all the more reason, therefore, not to act otherwise, so as not to be hindered at such a juncture by this Prince with pretensions that he would readily make if one continues to defer to him in everything and he is assured of always achieving his objective through coercion and discontent. And since it is thus to be foreseen that the Emperor will soon pay nature's toll, 29 August 1788. nature's toll, it would be even less advisable to vex and irritate Pangerang MangCoenogoro through coercion into relinquishing a name that was given to his son by the Emperor, and to which he appears to attach so much value. Notwithstanding this, I have nevertheless instructed the First Resident of Soura Carta to test the waters privately on occasion, to see whether one might not dispose Pangerang MangCoenogoro, just as he exchanged his son's previous name for this one which he has now obtained from the Emperor, to exchange this one again for one that the Company shall then give to his son, not only to show him an outstanding honor, since the Company is after all superior to the Emperor, but also to make him a child of the Company in name as well. But since this can by no means be bound to the Sultan's inappropriate deadline, this can only take effect if the Sultan abandons his coercive tone and shows the required respect for the Company's assistance; for it would by no means be prudent to offend and displease the Emperor and MangCoenogoro at the same time, merely out of deference to the Sultan and to soothe his coercive discontent. And if he takes no other revenge than the execution of the order given to the Grand Vizier, then this shall, as far as I can foresee, be of little little consequence, and His Highness himself will soon experience the disadvantage thereof if correspondence from Soura Carta is likewise ceased, because the interest in this matter is mutual. Furthermore, upon the receipt of further reports, I shall be able to devise further measures accordingly, while I have instructed the First Resident in the meantime to keep himself as informed as possible of everything that is transpiring, and on occasion seriously to impress upon both the Grand Vizier Danoeredja and his adjunct Raden Tommongong Notto Joedo on my behalf that they will be held responsible for all the calamities that might arise from an order which they know for certain may tend to the detriment of the peace and tranquility of Java. And to be all the better assured that the Sultan is informed of my true meaning, since one had to make some haste with the translation of the letter, I explained myself orally regarding this to Pangerang Djoijo Coessoemo, who had served as my escort and who undertook to make a proper report thereof to his prince. And while I must now await what the consequences of this will be, I cannot meanwhile omit to point out hereby that the state of affairs with relation to the Sultan has appeared to me such that, in the event of the prior decease of that prince, by no means so many unpleasantries are to be 29 August 1788. foreseen 29 August 1788. foreseen as if he outlives the Emperor, over and above the fact that this also relates to the Crown Prince of Djocjo, whose years are already quite advanced, and who perhaps will quite readily indulge and allow his desire for the scepter if his father declines so greatly in mental faculties, without this being accompanied by a physical debility that might foretell a fast-approaching end. This now being the report that I had to make of my proceedings at the Courts, it now only remains for me to trust that the same may be to the satisfaction of Your High Nobilities, and be found worthy of Your Most Esteemed approval. While I further deemed myself obliged to express my opinion in this matter: that since the juncture, in more than one circumstance, is now near that the tranquility of Java, in the upcoming weighty changes, according to the apprehension one may have for it, could very easily be disturbed, this will therefore have to be provided for not only by policy but also by force on the part of the Company, and that it is thus of the highest necessity that the military power here, which has been so greatly weakened by the expeditions to Sumbauwa and Banjermassing, be considerably reinforced as soon as it is in any way possible, since it is certain that one can only inspire the necessary respect through power, and that by having the same on hand in time, one may perhaps

Dutch transcription

wat hier van ook weesen mag, Comp=s waerdigheid en haare belangens de vorderen volstrekt dit stuk niet anders te handelen. - 's vorsten begeerte in deese is so onbetaamelijk als guillig en de overhaasting, waar meede hij te werk gaat heeft hem de verschuldigde eerbied en het ontsag voor de Comp: al vrij verre uit het oog doen verliesen. hem toetegeeven in een saak so onbillijk als deese, soude mits dien van de gevaarlijkste uijtsigten zijn en men stond voor taan dagelijks bloot voor de vreemdste vorderingen en de verre gaandste dwang. — En daar dit met grond te voorsien is, so raad de voorsigtigheid volstraktelijk aan door een betamelijke ernst, Comp=s agting en superioriteit so veel moogelijk te handlaevenen, eer het door al te groote toegeevenheid te laat word. ondertusschen houde ik het daar voor dat deese onverwagte verawandering van 'Tvorsten gedaag zijne source heeft uijt de tijding die zijne Hoogheid voorseekere gehad heeft weegens de gevaarlijke staat van 's keijzers siekte ende bedugting die men droeg dat het eijnde van dien vorst na bij was: dus geen reeden te meer om niet anders te handelen, ten eijnde in zulk een tijdstip door deesen vorst niet belemmerd te worden, met pretentien, die hij al ligt soude maaken, so men hem in alles steeds ontsiet en hij verseekerd is door dwang en misnoegen steeds zijne oogmerk te zullen bereiken. — En daar het sog te voorsien is dat den keijzer eerlangde tol der den 29: Aug=s 1788. — natuur 365. den 29 Aug=s 1768. — natuur sal betaalen, so soude het nog minder raadsaam zijn, om de Pangerang MangCoenogoro door dwang te quellen en te erriteeren om afstand te doen van een Naam, welke door den keijzer, aan zijn zoon gegeeven is, en waar in hij so veel waarde schijnt te stellen. Des ongeagt heb ik egter den soura Cartasch Eersse resi„ „dent opgedraegen om onder de hand bij geleegenheid eens te be„ proeven, of meer de Pangerang MangCoenogoro met soude kunnen disponeeren, om eeven zo wel als hij zijn zoons voorige naam heeft verwisseld voor deese, welke hij nu vande keijzer heeft verkreegen, deese nu weeder te verwisselen voor eene welke de Comp:e, als dan aan zijn zoon sal geeven, niet alleen om hem een uijtsteekende eer te bewijsen, daer dog de Comp:e supperieuk is boven den keijzer maar ook om denselven ook in naam tot een kint van de Comp:e te maaken. Dan daer dit geensints verbonden kan zijn aan 's sulthans ongepaste tijds bepaaling, so sal dit eenlijk gevolg kunnen neemen, als den sulthan zijn dwingende toon laat vaeren en voor Comp=s hulp den vereijschte eerbied toond; - want het soude geensints voorsigtig gehandelt weesen om den keijzer en MangCoenogoro te gelijker tijd te beleedigen en misnoegd te maaken, uijt enkele believing voor den sulthan en om zijn dwingend misnoegen te suasen. — En als hij sig geen an„ „dere revenge verschaft dan de uijtvoering der aan den Rijxbestier„ „der gegeeven ordre dan sal sulx voor so verre ik voorsien kan, van Weijnig weijnig gevolg weesen en zijne Hoogheid daar van zelfs eerlang 't nadeel ondervinden, als men van soura Carta meede de Correspondentie staakt, om dat het belang in deesen weederkeerig is. — Voorts sal ik op den ontvangst van nadere berigten, na gelang derselve nadere maatregulen kunnen beraamen, terwijl ik den Eersten Resident gelast hebbe, sig intusschen so veel moogelijk te laaten informeeren van alles wat 'er omgaat en bij geleegenheid so wel den Rijxbestierder Danoeredja als zijnen adjunct Den Radeen Tommongong Notto Joedo mijnent weegen, ernstig voortehouden dat zij verantwoordelijk zullen zijn, voor al de onheijlen die 'er mogten ontstaan uijt eene order„ die zij voorseeker weeten, dat tot nadeel voorde rust en vreede van Iava kan staekken. — En om des te beeter verseekerd te zijn, dat de sulthan van mijn waere meening onderrigt word, dewijl men met de vertaling der brief wat haast moest maaken; so heb ik mij daar over mondeling verklaard aan den Pangerang Djoijo Coessoemo, welke tot mijn geleijd had 8 gedient en die aangenoomen heifd, zijn vorst daarvan behoorlijk verslag te doen. — En terwijl ik nu moet afwagten wat hier van de gevolgen zullen zijn, kanik intusschen niet voorbij bij deesen nog aante stippen dat de gesteldheid van zaaken, met relatie tot den sulthan mij zoodanig zijn voorgekoomen dat 'er bij het voor overleijden van dien vorst op lange na so veel onaangenaamheeden niet te den 29 Aug=s 1788. — voorzien 367. den 29: Aug=s 1788. voorzien zijn, als dat hij den keijzer overleeft, buijten, en behalven dat dit meede zijne betrekking heeft tot den kroonprins van d Joep wiens Jaaren al vrij verre gevordert zijn, en die misschien zijn verlangen na de Rijks. staf, al vrij met sal toegeeven en veroirloven, als zijn vader zo zeer in ziels- vermoogens afneemd, sonder dat dit leevens gepaard gaat met eene Lighaams-verswakking die een haast aanstaand eijnde kan voorspellen. Dit nu het verslag zijnde dat ik van mijne verrigtingen aan de Hoven te doen had, blijft mij thans eenlijk over te vertrouwen dat het selve na het genoegen van uwe Hoog Edelheeden sal moogen zijn, en Hoogst Derselver g'eerde approbatie waardig bevonden werde.— Terwijl ik mij voorts nog verpligt agtte ten deesen mijn gevoelen te uijten: dat vermits het tydstip, in meer van eene omstandigheid, thans na bij is dat de rust van Iava bij de voortevallene gewigtige verande„ „ringen, na de bedugting, die men daer voor mag hebben, al seer ligt zoude kunnen gestoord worden, daar in dus niet alleen door beleijd maar ook door magt van de zijde der Comp=e zal moeten voorsien worden, en dat het dus van de hoogste noodzakelijkheid is, dat het militair vermoogen alhier, het geen door de uijtrustingen naar Sumbauwa en Banjermassing so seer verswakt is, so haast maar eenigsints doenlyk, aanmerkelijk word gerenforceert, alsoo het seeker is, dat men alleen door magt, het noodige ontsag in„ spireren kan en door het in tijds aanhanden hebben van deselve mis schien

NL-HaNA_1.04.02_3816_0646 view scan ↗

English

perhaps events can be prevented or suppressed which, if they are first brought into existence because of our known weakness and have taken root, can afterwards hardly be set right again by a double force. For these reasons, I take the liberty of requesting Your Right Excellencies to provide Java as much as possible with military personnel, since the garrison at Samarang, both cavalry and infantry, as of the 25th of this month was found to be no stronger than 123 active men, among whom are included both officers and privates, and also several incapacitated men, thus far below the establishment, since it permits 277 men. In addition, the garrisons at the Courts are also far from complete, and among the privates, both here and there, there are many who, because of the expiration of their term of enlistment, ask for their discharge, without it having been possible to encourage them to a new engagement. The proofs and documents concerning the principal matters treated herein are to be found among the enclosures to this letter, with respect to the contents of which I still have to note that the desire of Pangerang Mangcoenogoro for a certificate regarding the ownership of his estate can easily be satisfied by me upon the authorization of Your Right Excellencies in a manner that will be compatible with the Company's interests and that of the Emperor. In the general letter that departed from here to Your Right Excellencies under date of the 25th of this month, something has already been said of my findings regarding the Surakarta lodge and buildings, and so I take the liberty of referring respectfully to that and to the enclosures sent along with it. How I found the lodge and buildings at Djoejacarta, together with the forts Oenarang, Salatiga, and Boejoelalie, will, if it pleases Your Right Excellencies, appear in detail from a report drawn up in this regard by Captain Engineer Pilon and likewise accompanying the enclosures to this letter, as it appears therefrom, among other things, that at Djoejocarta the fort and the buildings are in a very clean and well-regulated condition, and only some alteration was found necessary to the military barracks, to whose shallowness and stuffiness were attributed the frequent illnesses observed among the garrison up to as many as forty men; and which alteration the Prime Minister and Regents have taken upon themselves to complete, together with providing some additional space for the main guardhouse to prevent accidents. The Sultan has furthermore promised me to make all possible speed with the completion of the First Resident's dwelling, and that its slow progress was caused by the difficulty in obtaining the necessary timber and lime. On this occasion, I also conversed at length with the Sultan about the construction of three small forts along the road to Djoejocarta, mentioned in the Memorandum of my predecessor in this administration, the Honorable Extraordinary Councillor Siberg, and there under section 25, but that prince showed himself not at all inclined to me to undertake this at his own expense, however much I attempted to make His Highness understand that his own interest was highly concerned therein. Whether I must attribute this to his fickle nature, or rather to his parsimony that exceeds all imagination, regarding this I have hitherto remained in uncertainty. In conclusion of what concerns the upper districts, I take the liberty hereby to submit separately the high necessity of providing both the forts at Surakarta and at Djoejocarta with a suitable fire engine, as I myself experienced during my presence at Surakarta, on the occasion that fireworks were set off and a fierce fire broke out, how necessary it is to be provided therewith; thus I request once again that these may be sent hither, the one for Djoejocarta to serve in exchange for one that is much too small and, moreover, unserviceable. Finding myself now in a position to report to Your Right Excellencies concerning the inclination of the former First Regent of Tegal, Radeen Hadje, to return from Bali to Java, I take the liberty of offering Your Right Excellencies a copy translation of a letter recently written to me by the Gustis of Bali Karang Assam, in which those princes say that Radeen Radjie desires to remain permanently resident on Bali Karang Assam, but that one need not be anxious, as they will attempt to instill good ideas in his heart, so that he may not proceed to any harmful designs. Furthermore, I also add herewith the copy of the translation of the letter written by the said Radeen Radjie to the Panumbahan of Madura, as well as an account from the emissaries who have been to Bali. Since matters now stand thus, and one can make much more commotion without compulsion regarding his return, it would, in my opinion, be best simply to accept the assurance that the Gustis give to ensure that, as long as he is on Bali, he behaves in a proper manner with respect to the Company, since I assume that in time he and his family will find Bali so wearisome that he will make a request of his own accord to be allowed to return. Towards the middle of the coming month of September, in accordance with the authorization of Your Right Excellencies, I shall inspect the subordinate stations to the west under Samarang, unless any impediment should arise why this ought to be postponed. Since the year 1786, a certain Maas Joeriep, son of the former Panumbahan of Mampawa, has been staying here, which prince we already

Dutch transcription

„schien gebeurtenissen kan voorkoomen of bedwingen, die zo se weegens onse bekende zwakheid, eerst tot eistentie gebragt zijn, en voortel geschooten hebben, naderhand door eene dubbele magt qualijk weder te regt te brengen zijn. — Om deese reedenen neem ik de vrijheid uwe Hoog Edelheeden te versoeken Iava so veel immer moogelijk, van militairen te voorsien, alsoo het guarnisoen te samarang so Cavallerij als Invanterij onder dato 25: deeser niet meer dan 123: Coppen dienst doende, sterk is bevonden, waar onder gereekend zijn so wel officiers als gemeenen, en ook verscheide gebrekkige, dus verre beneeden de bepaaling, wijl die 277. koppen toestaat, waar bij nog komt dat de besettingen aande Hooven ook op verre na niet Compleet en 'er onder de gemeenen, so hier als daer, veel zijn, die weegens de expiratie van hun verband, om verlossing vragen, sonder dat men hun tot een nieuw engagement heeft kunnen animeeren. Van de voornaamste zaken in deesen verhandeld worden de be „wijsen en munimenten onder de bijlaagen deeses gevonden, ten opsigte van welken inhoud ik nog te noteeren hebbe dat aan het verlangen vande Pangerang MangCoenogoro om een bewijs wee„ gens den eijgendom zijner Nalatenschap, ligtelijk door mij op qua„ „lificatie uwer Hoog Edelheeden zal kunnen voldaan worden op eene wijse die met 'sComp=s belangen dat van den keijzer bestaanbaar zal zijn. — Bij de gemeene brief, die onder dato 25: deeser van hier aan uwe den 29: Aug=s 1788. — Hoog 369. den 29 Aug=s 1788. — Hoog Edelheeden is afgegaan, is reeds iets gezegd van mijne bevin„ „ding: der Soura Cartasche Loge en gebouwen, en dus neem ik de vrijheid mij daar aan en aan de daar neevens overgesondene bijlaa„ gen, reverentelijk te gedragen. — Hoedanig ik de Loge en gebouwen te Djoejacarta, neevens de„ forten Oenarang, salatiga en Boejoelalie bevonden hebbe dit zal uwe Hoog Edelheeden, des behaagende, omstandig blijk en uijt een berigt door den Capitain Ingenieur Pilon desweegens geformeert ende bijlaagen. deeses almeede versellende, alsoo daar blijkt uijt onder anderen kijz: dat de Djoejocarta het fort en de gebou„ „wen in een seer sindelijke en wel gereguleerde situatie zijn, en 'er slegts eenige verandering is nodig bevonden aan de Militaire Baracque aan welkers ondiep- en bedomptheid men de voetvuldige siektens toesthreef, die 'er onder het guarnisoen tot wel veertig koppen zijn bespeurd, en welke verandering den Rijxbestierder en Regenten op sig genoomen hebben te volbrengen, met en beneevens het besorgen van eenige meer„ dere spatie voor de hoofdwagt, ter voorkoming van ongelukken. De Sulthan heeft mij voorts toegeslegd met de volbouwing van des Eersten Residents wooning alle moogelijke poed te sullen maaken, en dat dies tragen voortgang veroorsaakt wierd door de moeijelijkheid ter bekooming van de noodige Houtwerken en kalk. Ik heb den sulthan bij deese geleegenheid ook wel onderhouden over den aanleg van drie fortjes langs de weg naar DJoejocarta, vermeld vermeld bij de Memorie van mijn predecesseur in dit bestiea den Heer Raad Extra ordinair Siberg en aldaer sub §. 25. , dog dien vorst heeft sig aan mij gansch niet geneegen getoond, om dit voor zijne reekening te neemen, hoe zeer ik zijne Hoogheid ook tragtte te beduijden dat zijn eijgen belang daar bij ten hoogsten was geinte„ resseert. of ik dit nu aan zijn wispelturige aard, dan wel van zijne alle verbeelding te booven gaande suijnigheid moet toeschrijven, hier omtrent ben ik tot nog toe in 't onseekere gebleeven — Tot slot van 't geene de bovenlanden Concerneert neeme ik de vrijheid bij deesen nog afsonderlijk voor tedraegen de hooge noodzakelijkheid om beijde de forten te souracarta en te Djoejocarta van een bequaame Brandspuijt te voorsien, alsoo ik bij mijn aanweesen te soura carta, ter geleegendheid dat 'er een vuurwerk wierd afgestooken ener een lievige brand ontstond, selve heb ondervonden hoe noodsakelijk het is daar van voorsien te weesen dus ik nogmaals versoeke dat die na herwaards mogen gesonden worden de eene voor Djoej om te strekken in ver„ ruijling van eene, die veel te kleen, en daer bij onbequaam is. — Taas mij in staat gesteld vindende uwe Hoog Edelheeden verslag te doen, aangaande de geneijgdheid van den geweesen Tagals eerste Regent, Radeen Hadje om van Balij naar Java terug te keeren, neem ik de vrijheid uwe Hoog Edelheeden aan te bieden Coppea trans„ laat eens briefs onlangs door de Gustijs van Balij Carang Assam. den 29: Aug=s 1788. — aan 371. den 29: Aug=s 1788. — aan mij geschreeven, waer bij die vorsten seggen dat Radeen Radjie begeerd voor althoos te Balij Carang. Assam met er woon te blijven, dog dat men niet behoefd ongerust te weesen alsoo zij in zijn hart goede denkbeelden sullen tragten te leggen, op dat hij tot geene nadeelige bedenkingen koome over te gaan. — Voorts voege ik meede nog hier neevens de Copij van het treanslaat der brieff door gemelde Radeen tadjie aan den Panumbahan van Madura geschreeven, so meede een Relaas van de seudelingen die na Balij zijn geweest Dewijl nu de zaken zoodanig staan, en men sonder de Clin„ tot zijne terug komst, met veel meerder beweeging kan maeken, so soude het, na mijne gedagten, best weesen om maar een voudig de veseseekering te accepteeren welke de gusties doen om te sorgen dat hij, so lang hij sig op Balij bevind, sig op een betamelijke wijse, ten opsigte vande Comp: te gedraegen, also ik onderstelle dat het hem en zijn familie inder tijd te Balij so seer verheelen zal, dat hij van zig selfs wel aanzoek zal doen, om terug te mogen koomen. — Teegen de helfte der aanstaande maand september sal ik ingevolge de qualificatie uwer Hoog Edelheeden de Comptoiren om de west onder samarang sorteerende gaan opneemen indien 'er geene verhindering sig op doen, waar om sulx behoord te worden uijtgesteld. seedert het Jaar 1786. bevind sig alhier seekeren Maas Joeriep, zoon van den geweesen Panumbahan van Mampawa, welke Prins wij reeds

NL-HaNA_1.04.02_3816_0650 view scan ↗

English

29 August 1788. has already some time ago requested to return to his father, and indeed with the aim of disposing his mentioned father, through the good reception that he, Maas Toeriep, has enjoyed here, to submit to the Company and the present Panumbahan of Mampauwa, in which I have made difficulty to consent until now, judging that the detention of the same would serve his father all the more as a motive to make that submission, to which I have meanwhile also ordered him to dispose his father by a letter, but which letter the Resident of Simanap, Stuart, who arrived here since, has informed me that the mentioned former Panumbahan did not wish to receive, for fear that one might have the intention to mislead him thereby and get him into hands. I have since conferred with the mentioned Stuart about the return of the mentioned Maas Toeriep, and he has assured me that no difficulty was to be made therein, provided one made him promise by oath before his departure to undertake nothing that can serve to the detriment of the Company or the present Panumbahan, although it would at the same time be best that he first addressed himself to the present Panumbahan, of whom he assured me that the mentioned Maas Toeriep had nothing to fear. Upon this, I proposed to the mentioned Maas Toeriep that one could indeed consent to his return on the aforementioned footing, but he has presented to me in writing, of which a translation copy accompanies this, the reasons why he is unwilling to place himself under the guard of Sultan Sarief and the present Panumbahan, and that he would then much rather choose to remain here. I therefore take the liberty to request Your High Nobilities to provide me with Your Highest Approvals regarding how I shall have to act concerning the mentioned Maas Toeriep, and whether I shall allow the same to return to his father after prior taking of an oath, or rather detain him here, while in the latter case I also further insist that a determination may be made as to what shall be issued to him for his maintenance, because he is in extreme want. With due respect and esteem I profess to be, Your High Nobilities' very obedient and faithful servant, signed Jan Greeve, in the margin Samarang, 29 August 1788. Copy of the Daily Register or daily notes on the occasion of the journey made to the Javanese upper lands to the princely courts of the Susuhunan or Emperor titled Pakubuwana Senapati Ingalaga Abdul Rahman Sayidin Panatagama; and the Sultan, whose title is Hamengkubuwana Senapati Ingalaga Abdul Rahman Sayidin Panatagama Khalifatullah, and from there back again to Samarang, by the Right Honorable Jan Greeve, Extraordinary Councillor of the Dutch Indies, as well as Governor and Director on and along Java's North East Coast in the year 1788, kept by the junior merchant and Secretary of Police Fredrik Jacob Rothenbuhler. On Saturday 19 July, a meeting of the Council of Police having been convened, after some incoming papers and other matters, more broadly mentioned in the resolutions of that date, had been deliberated upon, it was made known by the Governor to the members of the meeting that it was his intention, pursuant to the authorization received from Your High Nobilities, now to make the journey to the Upper Lands or the Courts of the Javanese princes, the Susuhunan at Surakarta and the Sultan at Yogyakarta, for which His Right Honorable set the day of departure on Monday the 21st of this month, adding that because His Right Honorable was now to hand over the management of affairs at the main office of Samarang to the senior merchant and Chief Administrator Jacobus van Santen, His Honor had also deemed it necessary to provide him with an ample instruction or prescription as to how the matters which should occur during His Honor's absence ought to be handled, which instruction was thereafter read out by order of His Honor and subsequently handed over to the mentioned Van Santen, who thereupon, together with the further members of the meeting, thanked the well-mentioned Governor for the communication given, and at the same time wished His Right Honorable not only a fortunate and prosperous journey, but also that his proceedings and aims at both courts might have a fortunate outcome, for which the Governor thanked them, while at the same time wishing the members a good stay here at Samarang. Affairs thus being properly arranged and everything made ready for departure, there assembled on Monday 21 July, in the morning at five o'clock in the garden De Vrijheid, all the members of the Council of Police together, alongside all further qualified servants, officers, and burghers, as well as the company and retinue destined for the journey, consisting of: The Titular Major and Commandant of the Militia, Leendert Hendrik Vermeer, The Merchant and Fiscal, Barend Jan van Nijvenheim, The Junior Merchant and Resident at Rembang, Godofredus van Massau, The Junior Merchant and Secretary of Police, Fredrik Jacob Rothenbuhler, The Military Captain, Carel Albert Christiaan van Boze, The Captain of Artillery and Engineer, Jean Baptist Pilon, The Chief Surgeon and Hospitaler, Jacobus Johannes Abegg, The

Dutch transcription

den 29: Aug=s 1788. — wij reeds over eenigen tijd versogt heeft tot zijn vader terug te keeren, en dat wel met dit oogmerk, om gemelde zijn vader, door het goed onthaal dat hij Maas Toeriep alhier genooten heeft, te disponeeren, om sig aan de Comp:e en den presenten Panumbahan van Mampauwa te onderwerpen, dan waar in ik tot hier toe, swaerigheid heb gemaakt te bewilligen, als oordeelende dat de aanhouding van denselven, zijn en vader des te eerder tot motief soude strekken om die onderwerping te doen, waar toe ik hem ook intusschen gelast hebbe, zijn vader bij een brief te disponeeren, dan welke brieff den seedert hier aangekoo„ „men Simanaps Resident stuaat, mij heeft berigt, dat gem: geweesen Panumbahan niet heeft willen ontfangen, uijt vreese dat men ten oogmerk mogt hebben hem daardoor te misleijden en in handen te krijgen. Ik heb gemelde stuart seedert over de terug keering van gem: Maas Toeriep onderhouden en deese heeft mij verseekerd dat daar in geen swaerigheid te maaken was, mits men hem voor zijn vertrek bij Eede deed belooven mits te zullen onderneemen dat tot nadeel van de Comp:e of den presenten Panumbahan kan strekken, hoewel het teevens best zoude zijn dat denselven sig eerst aan den presente Pauumbahan addresseerde, van wien hij mij verseekende dat gem: Maas Toeriep niets te vreesen had. — Hier op heb ik gemelde Maas Ioeriep voorgesteld dat men in 373. den 29: Aug=o 1788. — in zijne terug keering op den voorm: voet wel soude kunnen be„ „willigen, dan hij heeft mij bij geschrifte, waar van Copia trans laat deesen verseld, de reedenen opgegeeven, waarom hij ongenoe„ 1. gen is, sig te stellen onder de wagt van sulthan Sarief en den presente Panumbahan, en dat hij als dan veel liever soude ver„ kiesen hier te blijven. Ik neem derhalven de vrijheid uwe Hoog Edelheeden te over„ „soeken mij met hoogst Derselver goedvinden te munieeren, hoedanig ik omtrend den gemelde Maas Toeriep sal hebben te handelen, en of ik denselven, na voorgaande Eeds prestatie tot zijn vader zal laaten terugkeeren, dan wel hier aanhouden, terwijl ik in het laatste geval meede nog insteer dat eene bepaaling may worden gemaakt, wat hem tot zijn onderhoud sal worden afgegeeven, wijl denselven ten uijtersten behoeftig is. — Met verschuldigde eerbied en hoogagting betuijg ik te zijn /:onderstond.:/ Tibul /Lager:/ uwer Hoog Edelh: seer gehoorsaeme en getrouwe dienaer /:was geteekent:/ Ian Greeve /:in „margine:/ Samarang den 29: Augustus A=o 1788. — Copia Dag Register of doegelijkse aantee„ „keningen, ter geleegendheid der gedaane Reijze na de Iavase bovenlanden aande vorstelijke sooven van den soesoehoe„ „nang of keijzer getituleerd. Pacoeboeana Senopattij Ingalaga Abdul Rachman Sahidin Panatagama; en Den Sulthan, wiens Titul is Haming Coeboeana senopattij Ingalaga Abdul Rachman Sahidin Panatagama, Cali fatolach, en vandaer weder terug naar Samarang, door den Wel Ed: gestr: Heere Ian Greeve, Raad Extra ordinair van Neederlandsche Indie, mitsgaders Gouver„ „neur en Directeur op en Langs Iavas Noord oost. Cust in den Iaare 1788. , gehouden door den onderkoopman en Secretaris van Politie Fredrik Jacob Rothenbuhler. op Zaturdag den 19: Iulij, vergadering van Politie belegd zijnde wierd na dat eenige ingekoomene Papieren en andere zaaken breeder bij Resolutien van dien datum vermeld, gedelibereerd was door den Heere Gouverneur aande Leeden der vergadering te kennen ge„ „geeven, dat zijn voorneemens was om ingevolge der bekoomene qualificatie Hunner Hoog Edelheeden, als nu de Reijse te doen na de Bovenlanden of de Hooven der Iavasche vorsten den soesoehoenang te soura Carta enden sulthan te Djoc Jocanta, waar toe zijn wel Ed: Gestr: de dag van 't overtrek bepaalde op Maandag den 21: deeser maand, met bijvoeging dat dewijl zijn wel Ed: gestr: nu de Maneance van zaaken ten Hoofd den 29: Aug=s 1788. — Comptoire 375. den 29: Aug=s 1788. — Comptoire Samarang stand over tegeeven aan den opper„ „koopman en Hoofd administrateur Iacobus van Santen„ sijnE: dus ook nodig had geoordeelt, hem daar toe te voorsien van eene ampele Instructie af voorschrijvinge, hoedanig de zaken welke geduurende sijn Ed: afweesen soude komen voor tevallen, dienden behandelt te werden, welke Instructie daar na ter order van zijn Ed: wierd opgeleesen en vervolgens aan gem: van Santen ter handen gesteld, die daerop neevens de verdere Leeden der vergadering welm: Heere Gouverneur bedank„ „ten voor de gegeevene Communicatie en zijn wel Ed: gestr: teevens niet alleen eene, gelukkige en voorspoedige reijs toewenschten, maar ook, dat sijne verrigtingen en oogmerken aan de beijde tooven, van een gelukkigen uijtslag mogten zijn, waar voor den Heere Gouverneur bedankte, onder toewensching tevens aan de Leeden van een goed verblijf hier te Samarang. - De zaaken dus behoorlijk gereguld en alles tot het vertrek in gereedheid gebragt zijnde, so begaven zig op Maandag den 27:' Iulij, Togtens om vijf uuren inde thuijn de vrijheid, de gezaamentlijke Leeden vanden Politicquen Raad, neevens alle verdere gequalificeerde Dienaaren, officieren en Burgers so meede het tot de Reijs bestemde geseldschap en gevolg bestaande in Den Majoor Titulair en Commandant der Militie Leendert Hendrik vermehr, Den koopman en fiscaal Barend Ian van Nijvenheijm, Den onderkoopman en Resident te Rembang, Godofredus van Massau„ Den onderkoopman en secretaris van politie fredrik Jacob Rothenbuhler, Den Capitain militair Carel Albert Christiaan van Boze Den Capitain vande Arthillerij en Jngenieur Jean Baptist Pilon, Den opperchirurgijn en Hospitalier Jacobus Iohannes Abegg Den

NL-HaNA_1.04.02_3816_0654 view scan ↗

English

The Under-Merchant Francois van Boekhold, The Lieutenant of Cavalry Iohan Michael Gerlach, Ditto of Grenadiers Ioseph Sannet, The Cornet Casper Ioseph Smith, The Ensign and Sub-Major Frans Koop, The Bookkeeper and Translator in the Javanese language Willem Wardenaer, The Bookkeeper Hendrik Christiaan Ham, Ditto Iohannes Wilhelmus van Raadshooven, The Head Regent of Samarang Kiaij Adipattij Soero Dimongollo, The Adipattij Soero Diningrat, First Regent at Damak, The Radeen Tomm: D'jaijd Nagorro, Second Regent at Tagal, The Radeen Tomm: Mangede Coessoemo, Second Regent at Pattij, The Tommongong Soero Wikromo, Regent at Ioana, Ditto Djoijo Diwirjo, Regent at Wiiradossa, Ditto Poemo Nogorro, Regent at Candal, The Interpreter Wirjo di Poero; Ingabeij at Torbaija, and The Ingabeij at Goemoelak Djoijo Nogorro, all with their retinues and servants, as well as a company of Buginese and a company of Malays under their Captains Aming Boeijong and Abdul Awang, as well as the other officers. After spending some leisure time in the garden, some of the persons present there who were not provided with carriages took their leave, while the rest set out armed at a few minutes past half past five, under the discharge of artillery from around the city walls, via the so-called Pattijs Bridge, bypassing the town. The Lord Governor was escorted by a detachment of a sergeant and six ordinary dragoons, while a corporal and 6 ordinary dragoons followed behind the carriage. The remaining dragoons as well as the grenadiers, accompanied by the oboists, had already departed the previous evening ahead to Oenarang in order to render the Lord Governor the proper salute upon his arrival there, as was also done at all stopping places thereafter. Having arrived in this manner at Patjerongang, they tarried there for some time to refresh themselves with a breakfast that the Senior Merchant van Santen had prepared there. After the aforementioned van Santen and persons present had once again wished the Lord Governor and the company a safe journey, they then took their leave and set out on the road. The Lord Governor rode a little further in the carriage up to the first elevation, where His Honour stepped out and proceeded further in a handsomely equipped joly or sedan chair, while the rest of the company followed on horseback. It was about 10 minutes past seven when they arrived at Djateng Alik, where they refreshed themselves slightly once more, and thereafter resumed the journey, arriving at nine o'clock at Oenarang. There, the Lord Governor took up residence outside the fort in a wooden plank house erected for that purpose, and the company took up quarters in the bamboo rooms built beside and behind that house, and partly in the fort De Ontmoeting. From this fort, the Lord Governor was meanwhile greeted by the discharge of the artillery around the ramparts; after which the Lord Governor went to this fort to inspect it. It was found to be nearly completed and very well arranged, being very solidly and strongly built and situated in a very good place. The fort having thus been inspected and the keys thereof presented to the Lord Governor by the postholder stationed there, Sergeant Cornelis Regensburg, they then returned to the lodging of the Lord Governor and held the midday meal there, to which the regents together with the Postholder were also invited. In the afternoon, they enjoyed taking a short walk past the fort to view the handsome rice fields, which appeared very lush on all sides. When evening came, a quantity of sky-rockets and other fireworks were set off by Captain Engineer Jean Baptist Pilon, after which they held the evening meal, the company being in very good spirits. Tuesday the 22: July in the morning at around half past three, they set out again from Oenarang, in the same manner as the day before, and arrived around seven o'clock at Pakoengang or the so-called Commander's halt place. There they met the commissioners from Souracarta, being the titular merchant and Second Resident Egbert Arend de Wilde and the Ensign Coenraad Ramp, who brought a report to the Lord Governor that the Emperor, on account of his sickly condition, found himself unable to come meet His Honour up to Gramat, as is otherwise customary, but that His Majesty would send in his place his son the Crown Prince, invested with the imperial dignity, to that place, and in place of the Crown Prince, to Kletjo, His Majesty's second legitimate son, the Pangerang Ario Mattarin, to receive the Lord Governor there. The said commissioners also gave notice that by the Pangerang Mangcoe Nogorro, one of his sons, named Radeen Maas Soerio Mattarm, and his grandson Pangerang Mangcoeboemie, had been appointed to meet the Lord Governor.

Dutch transcription

Den onderCoopman Francois van Boekhold, Den Luijtenant der Cavallerij Iohan Michael Gerlach, _:o der Granadiers Ioseph Sannet, _ Den Den Cornet Casper Ioseph Smith, ee Den vaendrig en ondermajoor Frans koop, Den boekhouder en translateur inde Iavaansch taal Willem wardenaer, Den boekhouder Hendrik Christiaan Ham„ _:o Iohannes wilhelmus van Raadshooven, Den Den Samarangs hoofd regent kiaij Adipattij Soero Dimongollo, Den Adipattij Soero Diningrat, Eerste regent te Damak, Den Radeen tomm: D'jaijd Nagorro, tweede regent te Tagal, Den „ „ Mangede Coessoemo, tweede regent te Pattij, Den Tommongong Soero wikromo, Regent te Ioana, D:o Djoijo diwirjo, Regent te wiiradossa Den Den _:o Poemo Nogorro, Regent te Candal, Den Tolk wirjo di Poero; Ingabeij te Torbaija, en Den Ingabeij te Goemoelak Djoijo Nogorro, alle met derselver gevolgen bedienden, mitsgaders ook nog Een Compagnie boegineesen en een Compagnie Maleijers onder haere Capitain Aming Boeijong en Abdul Awang item de verdere officieren. Na dat men wat in de thuijn de vrijheid vertoeft had, naemen eenige der daar aanweesend zijnde perzoonen, welke van geene rijtuijgen voorzien waeren, hun afscheid, terwijl men sig niet de overige, eenige minuten over half ses, onder het loosen van het geschut rondsom de stads wallen, in de wapens, over de sogenaamde Pattijs Brug, buijten om de stad, begaf, wordende den Heere Gouverneur g'escorteert door een detachement van een wagtmeester en ses gemeene daagonders, terwijl een den 29: Aug=s 1788. — Corporaal 377. den 29: Aug=s 1788. — Corporaal en 6: gemeene Dragonders agter de koets volgden, zijnde de overige dragonders so meede de granadiers „ vergeselt van de Hobvisten, reeds 's avonds bevoorens, voor uijt na Oenarang vertrokken, om den Heere Gouverneur bij aankomst aldaar het behoorlijk salut te kunnen doen gelijk in 't vervolg ook op alle haltplaatsen geschiede. In deeser voegen dan te Patjerongang aangekoomen zijnde vertoefde men daer eenigen tijd om sig te ververschen met een ont„ „bijt dat den opperkoopman van Santen, daer had doen in gereed„ „heid brengen, en na dat nogmaals door gem: van santen en aan„ „weesende perzoonen aan den Heere Gouverneur en 't gezelschap een behoude rijs was toegewenscht, nam men vervolgens afschijd en begaf sig op weg, rijdende den Heere gouverneur nog een stuk weegs in de wagen tot aan de eerste hoogte alwaar sijn Ed. uijtstap„ te en sig verder in een fraaij toegeruste Jolij of draagkoets, begaf terwijl het overige geseldschap, te Paand volgde. Het was omtrent 10: minuten overseeven toen men de Djateng Alik aankwam, alwaer men sig weder een wijnig ververscht e en daarna de Rijs hervatte en te Negen uuren de oenarang arri„ „veerde, alwaar den heere gouverneur buijten 't fort in een daer„ toe opgeslagen Planken huijs zijn in trek nam, en het geselschap in de besijden en agter dat huijs opgeslagene Bamboese vertrekkon en ook gedeeltelijk in het fort de Ontmoeting, van het welke den Heere Gouverneur intusschen, door het lossen van het geschut, rondsom de wallen, begroet wierd; waerna den Heere gouverneur sig na dit fort begaf, om 'tselve te besigtigen, 't welk men bevond, dat bij na volbouwd en seer wel ingerigt was, zijnde seer hegt en sterk getimmerd en op een seer goede plaats geleegen Het fort dus bestigtigd ende sleutels van 't selve door den aldaer Posthoudend den 29: Aug=s 1788. — Posthoudend sergeant Cornelis Regensburg, aan den Heere Gouverneur gepresenteert zijnde, begaf men sig vervolgens weeder na het Logement van den Heere gouverneur en hield daer het Middagmaal, waar toe de regenten neevens den Posthouder meede geinviteert waeren. — 's agtermiddags verlustigde men sig met het doen een er klijne wandeling voor bij het fort, om de fraeije Rijstvelden te besigtigen, die sig aan alle kanten seer vleurig vertoonden Den Avond gekoomen zijnde, wierd door den Capitain Inge„ „nieur Jean Baptist Pilon een parthij wuurpijlen en ander vuurwerk afgestoken, waerna men de avondmaaltijd hield zijnde het Paavol vrij wel. Dingsdag den 22: Iulij sochtens Circa half vier, brak men van oenarang weder op,; inselfdervoegen als 's daags te voren, en arriveerde Cinca te seeven uuren op Pakoengang of de sogenaamde Comman„ deurs haltplaats, alwaar sig bevonden de gecommitteerdens van souracarta, zijnde den koopman tit: en tweede Resident Egbert Arend de wilde en den vaendrig Coenraad Ramp, die aanden Heere Gouverneur Rapport bragten, dat den keijser sig weegens zijne ziekelijke omstandigheeden niet in staat vond, om zijn Ed: tot gramat te gemoed te koomen, gelijk anders gebruijkelijk is, maar dat Wij in desselfs plaats zijnen zoon den kroonprins, met de keijserlijke statee bekleed, derwaards zoude zenden en in steede vande kroonprins, na kletjo, zijn Majsteits tweede egte zoonden Pangerang Ario Mattarin, om den Heere Gouverneur daer te recipieeren. – Ook gavende gemelde ge„ „committeerdens berigt, dat door den Pangerang Mangcoe Nogorro, een zijner zoons, naamens Radeen Maas soerio Mattarm en zijnen klijn zoon Pangerang Mangcoeboenie, benoemd waren, om den Heere

← previousnext →