VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3816

Japan · 998 pages · 253 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3816_0720 view scan ↗

English

On Monday, Brother the Honorable Gentleman is requested at the deer-hunting ground, to receive the honor of seeing deer shot. On Tuesday it will be a day of rest, but in the evening Brother the Honorable Gentleman is requested by the Sultan, as he wishes to bestow upon his brother the honor of the Bedhaya dance at the place Sri Menganti, and after this is done, so it will be. On Wednesday at half past three o'clock Father the Honorable Gentleman is requested by the Pangerang Adipattij Anom Amangkoenogoro to take pleasure at Babadan, and to proceed thereafter to the place Ardjournangoen. The reason that his Father the Honorable Gentleman is requested toward half past three o'clock is because His Highness's son wishes to show great honor to his father the Honorable Gentleman, both by daylight and in the evening, and his father the Honorable Gentleman may then also please to give his son the Pangerang Adipattij Anom Mangkoenogoro the honor of having the fireworks set off at Ardjournangoen. Should Brother the Honorable Gentleman desire to take his leave on Friday the 12th to return homeward, his Brother the Sultan will not willingly agree to this, but the Sultan would rather be pleased that his Brother the Honorable Gentleman return homeward on Saturday the 13th, for the reason that the Sultan has not yet had his fill of meeting his Brother the Honorable Gentleman, as well as because the Sultan will not see his brother the Honorable Gentleman again every year. Below stood: translated by me. Was signed: Wm Wardenaer, sworn translator. The 29th of August 1783. The 29th of August 1788. Although the Lord Governor was now indeed reluctant to resolve upon a longer stay here than at Soura Carta, in order to give the Emperor no cause for displeasure, His Honor nevertheless foresaw even then that he would not easily be able to avoid this now, any more than had happened in 1781, at least not without giving rise to displeasure, yet at the same time he resolved to postpone giving an affirmative answer as long as possible and not to declare himself on the matter until shortly before the last day. Around 9 o'clock the Lord Governor had the gifts for the Sultan, as well as the Ratoe and Ratoe-Bendoro, together with the other married children of the prince, brought to the Kraton by the Major Titular and Commandant Vermeer and Captain von Boze, accompanied by the Junior Merchant van Boekhold, and those for the Crown Prince and his wives by Cornet Smith and the Translator Wardenaar; while those for Pangerang Ingebeij and the other princes, as well as the Prime Minister and other grandees of the court, were delivered by the Djoejocarta Adjutant Mindorp, all of whom reported upon their return that the Sultan, as well as the Crown Prince and the other recipients, were very pleased therewith, and in particular the prince had amused himself for a considerable time with two silver cuspidors among them that were fitted with an ejecting spring of silver wire, continually opening and closing them again and expressing his highest amazement thereat, especially when, upon his asking whether anyone had ever had such cuspidors before, he received the assurance that this was an entirely new invention. The midday meal having been taken with some of the factory friends, they set out around 4 o'clock accompanied by an escort of Semarang Dragoons to the residence of the First Resident van IJsseldijk, who thereupon departed ahead for the Kraton together with the Second Resident Meurs, from where shortly thereafter the four court Tommongongs appeared to fetch the Lord Governor, whereupon His Honor, together with the company, proceeded to the Kraton and was received there at the carriage by the Crown Prince, who conducted His Honor inside as far as the Srimenganti gate, where the Sultan stood ready to receive His Honor, proceeding thereupon further through the court to His Highness's ponds, where they stepped into a yacht that the First Resident van IJsseldijk had recently had regilded and painted anew at his own expense, as the Sultan himself attested. Having pushed off with this vessel, His Majesty had the Semarang Adipati, whom he had also caused to come into the same along with the Adipati of Demak, approach close to him, relating at the same time to the Lord Governor that he had known this regent from childhood and had previously also given him the name of Basan, by which he also came to address him now, further commending him to the protection of the Lord Governor; and having thereupon arrived at a handsome tower situated all around in the water called Poelo Gedong Pendowo Hargopoerie, they climbed upon it by several flights of stairs, during which the Sultan, despite His high age, displayed so much strength that one had to wonder at it, which also gave him no small the 29th of August 1788. to

Dutch transcription

Op Maandag, word Broeder den Edel heer versogt aan de harte feeste gaarde, om de eere te ontvangen, sarte beesten te zien schieten. op Dingsdag sal rust dag zijn dog 's avonds woord Broeder den Edelheer door den sulthan versogt als willende sijnen Broeder de Eere aandoen van het Badaijen op de plaats sriemengantie, en na sulij gedaan zijnde, so word. op woensdag ten half vier uuren vader den Edel heer, door den Pangerang Adipattij anom amang„ Coenogero oversogt om plaijsier te neemen te Babadan, en om vervolgens tegaan na stad Journan„ goen - De reeden dat zijn vader den Edelheer teegen half vier uuren versogt word is, om dat Hoogst desselfs zoon groote eere aan sijn vader den delheer wel bewijsen, so wel bij het Dagligt als bij den Avond, en zijn vader den Edelheer geliefd dan ook zijn zoon den Pangerang Adipattij Anom Mang Coenogoro de eere te geeven, met het vuurwerk te doen afsteeken te Ardjournangoen Broeder den Edelheer begeert op vrijdag den 12: afscheid teneemen om thuijswaards te keeren, so sal des„ „selfs Broeder den sulthan sulx niet gaarne toestem„ men, maar den sulthan sal eerder genoegen neemen dat zijn Broeder den Edelheer op Saturdag den 13: huijs waards keerd, om reedenen den sulthan nog niet ver„ zadigd is, sijn Broeder den Edelheer te ontmoeten als ook omdat den sulthan sijn broeder den Edelheer, met alle Jaren sal weedersien /:onderstond:/ getranslateerrd door mij /:was get:/ W=m Wardenaer gesw: tr„s den 29 Aug=s 1783. — Ofschoon 443. den 29: Aug=s 1788. — Ofschoon nu wel den Heere Gouverneur ongaarne besloot, tot een langer verblijf hier dan te soura Carta ten eijnde den keijser geen reeden van misnoegen te geeven voorsag zijn Ed: egter toen reeds dit nu even so min als in 1781. is geschied, niet wel te sullen kunnen ontgaan, ten minsten met sonder misnoegen teverwekken, dog besloot tevens so lang mogelijk het geeven van een toe„ stemmend andwoord uijt te stellen en sig eerst kort voor den laatsten dag daar over te verklaren. Omstreeks 9: uuren liet den Heere Gouverneur de geschenken aan den sulthan mitsg=s de Ratoe en Ratoe -Bendoro nevens de verdere gehuwde kinderen van den vorst, door den Majoor hit: en Commandant vermehr en de Capitain van Boze verseld van den onderkoopman van Boekhold na de Caraton brengen en die aan den kroonprins en desselfs vrouwen, door den Cornet Smith. en den Translateur Wardenaar; Terwijl die aan den Pan„ gerang Ingebeij en verdere Princen mitsg=s den rijks be„ stierder en andere Hofgroten, door den D joejocartas adjudant Mindorp besorgd wierden, welke alle bij terung komst rapporteerden dat so wel dessulthan als de kroonprins en verdere begiftigde daar over seer voldaan en insonderheid de vorst sig een geruime tijd vermaakt had met twee daar onder zijnde zilvere quispedoors die voorsien waren van een uitschietende zulx van silver draad, Continueel openen weder toe temaken en daar over zijn hoogste verwondering te betuijgen, bijsonder toen hij op zijne vraag of wel iemand immer tevooren sulke quispedoors had gehad, de verseekering ontving, dat dit een geheel nieuwe uijt„ vinding was Het x Het middagmaal met eenige der Comptoirs vrienden gehouden zijnde begaf men sig circa 4. uuren verseld van een EsCorte Samarangs Dragonders na het woonhuis van den Eerste Resident van ijsseldijk, die daar op nevens den tweeden Resi„ „dent Meurs voor uijt na de Caraton vertrok, van waar kort daar aan verscheenen de vier Dalm Tommongongs„ om den Heere Gouverneur aftehaalen waar op sijn Ed: nevens het geselschap, zig na de Caraton begaf en aldaer door den kroonprins aan de koets gerecipieerd wierd, die sijn Ed. na binnen geleijde tot aan de Poort Soero Mengan„ „tie alwaar den sulthan gereed stond om zijn Ed: te ontvan„ gen gaande daar op verder door de Dalm tot aan zijn Hoog„ „heids wijvers, alwaar men in een Jagt stapte, dat den eersten Resident van ijsseldijk onlangs op nieuws had laten vergulden en schilderen, voor sijn eijgene reeke„ „ning, so als den sulthan selfs betuijgde, Met dit vaartuig dan afgestooken, sijnde died sijne Majesteijt den Sama„ rangs Adipattij, welke hij nevens den Adipattij van Damak meede in het selve had doen koomen tot digt bij hem naderen, verhalende tevens aan den Heere Gouverneur dat hij deesen regent van klijns of reeds gekend had en hem bevorens ook de naam van Basan had gegeeven, waar bij wij hun tans ook nog quam tenoemen, beveelende hem verders in de protexie van den Heere Gouverneur; en hier op aan een fraaije random in 't water geleegene Toorn genaamd Poelo gedong Pendowo hargopoerie gekomen zijnde, klommen langs verscheijdene trappen daar op, waar bij de sulthan ongeagt Desselfs hoogen ouderdom nog so veel kragt deed blijken, dat men sig daar over verwonderen moest, 't geene hem ook niet wijnig den 29 Aug=s 1788. tot

NL-HaNA_1.04.02_3816_0723 view scan ↗

English

was a source of pleasure, to such an extent that upon arriving upstairs he hid himself in one of the rooms, so as to let himself be searched for for some time, just as if he had been lost or gone missing. People amused themselves here by viewing the building and admiring the fine objects that presented themselves to view on all sides, after which they went back into the yacht, with which they crossed further along several buildings situated round about in the ponds to another tower called Poelo kenanga, which they also found to be of a fine layout. Having inspected this building, they went to sit for a moment in one of its rooms, where the sultan, being particularly cheerful, began to dance and encouraged the entire company to do likewise, as was observed, in order to demonstrate thereby the firmness of the ceiling. After this they crossed over to the side where the prince's stables are located, and from there they proceeded to the rear alun-alun, where sitting under the Pagelaran they watched the fireworks being set off, with which the prince seemed very pleased, there being also set off here, together with the name of the sultan, the name of the Lord Governor, which had actually been intended for the fireworks that were to have been set off in front of the lodge. Here several native refreshments as well as all kinds of European pastries were subsequently presented, during which they drank a few glasses of wine, which lasted until about 8 o'clock, when they took their leave and returned homeward from here, whither the Lord Governor was accompanied by the the 29th of August 1788. usual the 29th of August 1788. usual 4 Dalem Tumenggungs. Today the password was willing respect. Saturday the 9th of August, the Rembang resident van Massau and the junior merchant Boekhold were commissioned by the Lord Governor to invite His Majesty the sultan, together with the crown prince and the rest of the royal family, to come to the meal the following day at the house of the first resident van Ysseldijk opposite the lodge, according to the arrangements made to that end, which His Highness also accepted and set the time for it at 9 o'clock. Nothing having occurred that afternoon, they proceeded around 4 o'clock again to the house of the first resident, and subsequently under the escort of the usual 4 Dalem Tumenggungs to the Kraton. Here the crown prince, along with many hundreds of the foremost court dignitaries, was already found seated on horseback, while the sultan, after having received the Lord Governor at a short distance from the carriage and accompanied him to the small bazaar house situated beside it, also mounted one of His Majesty's Persian horses and with it rode 3 times around the alun-alun at a trot; having ridden around for this long, he also came to the small bazaar house, from where they subsequently watched the jousting of the courtiers, who, riding past two by two, thrust at each other several times with their long but blunt pikes; after which they climbed back onto the scaffolding described above and from there saw 3 tigers rampogged, which struck-down animals were brought 447. the 29th of August 1788. brought and displayed there in front of the small bazaar house, while they drank a few glasses of wine and subsequently proceeded inside the Kraton, where the Lord Governor, as it was now already beginning to grow dark, took leave of the sultan, excusing that prince from escorting him as far as the Gate Priemengantie; and having arrived at the carriage, they took leave here again of the crown prince and other princes of the blood, as well as court dignitaries, and proceeded accompanied by the usual 4 Dalem Tumenggungs to Rustenburg, where the Lord Governor gave as the password Interest secured, and thereafter held the evening meal. After everything had been made ready for the stately reception of the sultan in the residence of the First Resident van Ysseldijk, they proceeded on Sunday the 13th of August in the morning around half past seven thither, accompanied by the Company's Semarang Dragoons, while the grenadiers together with the carabiniers had already marched ahead thither; having arrived here, there were appointed by the Lord Governor as commissioners to fetch the sultan from the Kraton and accompany him to the lodge: the titular Major and Commandant Vermerk, the fiscal van Neivenheim, the Rembang resident van Massau, and the Junior Merchant Boekhold, who to that end, together with the First Resident van Ysseldijk and the Second Resident Meurs, also proceeded thither around half past eight, after whose arrival the procession from there in full state and under

Dutch transcription

445 tot genoegen strekte, in so verre dat hij boven komende „ sig in een der vertrekken verschool, om sig dus, eeven als of hij verlooren of absent geraakt was, een tijd lang te laten op soeken. Men vermaakte sig hier met het gebouw te besien en de fraaije voorwerpen te beschouwen, die sig aan alle kanten voor het gesigt op deeden begeevende sig daar na weeder in't Jagt, waar meede men verder langs verscheij„ „dene gebouwen rond somme in de vijvers geleegen, na een andere Toorn genaamd Poelo kenanga stak, welke men meede van een fraaije inrigting bevond. Dit gebouw besigtigd sijnde ging men in een der kamers van het selve een ogenblik zitten, alwaar de sulthan, bijsonder opgeruimd sijnde begon te dansen en het geheele gesel„ „schap animeerde sulks meede te doen namen bemerkte om daar meede de hegtheid dersoldering aan te duijden. Hier na stak men over nade kant, waar sig des vors„ „ten stallingen bevinden en van daar begaf men sig naar de agter passeerbaan, alwaar men ander de Pagelaran sittende, 't vuurwerk sag afsteeken waar over den vorst seer voldaan scheen, zijnde met Naam van den sulthan ook te„ gelijk hier afgestooken de Naam van den Heere Gouverneur die eijgentlijk gedestineerd was geweest, voor het vuurwerk, dat voor de Logie soude zijn afgestoken geworden. Hier wierden vervolgens enige Inlandsche versnapering als ook allerleij Europeesch gebak gepresenteerd, waar bij men eenige Glaasjes wijn dronk 't welk duurde tot Ciaca 8: uuren, wanneer men afscheijd namen van hier weeder te huijswaards keerde, werwaards den Heere Gouverneur door de den 29: Aug=s 1788. gewoone den 29: Aug=s 1788. gewoone 4. Dalm Tommongongs verseld wierd. Heeden was het Parool gewillige agting. Zaturdag den 9: Augustus wierd door den Heere Gouverneur gecommit„ „teerd den Rembangs resident van Massau en den onder„ koopman Boekhold, om sijne Majesteit den sulthan, nevens den kroonprins en verdere vorstelijke familie te nodigen, om volgens de ten dien eijnde gemaakte schik„ „kingen, 's anderen daags in het huijs van den eersten resi„ dent van ijsseldijck teegen over de Logie termaaltijd te koomen, 't geene sijne Hoogheid ook aannam en daar toe de tijd bepaalde om 9: uuren Dien middag niets voorgevallen sijnde, vervoegde men sig omstreekt 4. uuren, weeder na des eerstens resident woonhuijs en vervolgens onder het gelijde van de gewoonen 4. Dalm Tommongongs na de Craton Den „kroonprins vondmen hier nevens veele houderden van de voornaamste Hofgrooten reeds te Paard geseeten, terwijl den sulthan nadat hij den Heere Gouverneur op een „kleene distantie vande koets ontvangen en na het daar besijden geleegene Bassaarduijsje begeleijd had, meede op een van sijn Majesteits Persianen steeg en daarmeede 3: Maalen al dravende de Passeerbaan rondreed, komende hij na dus lang rond gereeden te hebben, ook na het Bas„ saanhuijsje van waar men vervolgens het tournoijen aansag van de hovelingen die, twee aan twee voor bij rijden de eenige rijsen met hunne lange dog stompe Pieken na elkanderen staken waarna men weeder op de hier vooren beschreevene stellagie klom en van daar 3. Tijgers sag ram„ pokken, welke redergevelde dieren voor 't Bassaarhuijsje gebragt 447. den 29: Aug=s 1788. gebragt en aldaer vertoond wierden, ondertusschen dat men eenige glaasjes wijn dronk en zig vervolgens bin„ nen de Caraton begaf, alwaar den Heere Gouverneur wijl het nu reeds donker begonte worden, van den sulthan afscheijd nam excuseerende dier vorst van het uitgeleijde tot aande Poort Priemengantie en aan de koets gekoomen zijnde, nam men hier weeder afscheijd van den kroonprins en verdere Princen van den bloede, mitsg=s Htofgroten en begaf sig verseld van de gewoone 4. Dalm Tommongongs na Rustenburg, alwaar den Heere Gouverneur tot Parool uijt gaf Belang versee„ „kerd, en daarna de avondmaaltijd hield. Na dat alles ingereedheid was gebragt tot de statelijke receptie van den zulthan in het woonhuijs van den Eersten Resident van ijsseldijck begaf men sig op Sondag den 13: Augustus 'smorgens omstreeks half agt na derwaards verseld van de Comp:e samarangsche Dra„ ganders, terwijl de granadiers nevens de kaboisten reeds voor uijt derwaards waren gemarcheerd, hier aangekoo„ men sijnde, wierden door den Heere Gouverneur benoemd, tot gecommitteerdens, om den sulthan van de Caraton. afte„ halen en na de Lagie te begeleijden, den Majoor tit: en Com„ mandant Vermerk den fiscaal van Neijvenheim, den Rembangs resident van Massau en den Onderkoopman Boekhold, die sig ten dien eijnde neevens den Eersten resident van iJsseldijck en den tweede Resident Meurs dan ook Circa tenhalf neegen derwaards begaven, na welkers aankomst de optogt van daar in vollestatie en onder

NL-HaNA_1.04.02_3816_0726 view scan ↗

English

and took place amidst the throng of many thousands of people, namely first came the crown prince alongside the First Resident van IJsseldijk, then the Pangerang Ingabeij alongside the Second Resident Meurs, subsequently the Pangerangs Notto Coessoemo and Pangerang Anom, and after them the commissioners in 4 carriages, after which the monarch himself followed, seated in a coach drawn by 6 horses, accompanied by several companies of military troops, together with his grandees of the realm and courtiers, all on horseback. His Majesty was received at the carriage by the company and at the grenadier guard inside the gate by the Lord Governor, and was further escorted into the great hall of the house, amidst the parading of the grenadiers, who together with the oboists had formed a line from the guard up to the front of the house, on both sides of whose steps the orderlies and trumpeters of the Lord Governor were drawn up. In the hall a throne was placed, provided with a sumptuous canopy of which the two rear hanging flaps were provided with the coat of arms of the Sultan and that used by the Lord Governor. A seat having been taken here, while exchanging the customary compliments, three volleys were fired by the infantry posted in front of the lodge, as well as by the Djoe Jocarta cavalry, followed by several cannon shots from the ramparts of the fort, while some time thereafter one proceeded in front of the gate, where under a bamboo shed erected for that purpose one watched the dancing and playing of the Sultan's 29 Aug=s 1788. Troeno 449 29 Aug=o 1788. —: Troeno Djoijos, with which time passed until approximately one o'clock, when one proceeded inside again and sat down at the table, at which the Pangerang Ingabeij and other princes also took their places, the following toasts being drunk during the meal: The welcome at the table His High Nobleness the Lord Governor-General The Noble Lord Director-General and the Noble Lords Councillors of the Indies The Sultan The Emperor The Lord Governor The Pangerang Adipattij Anom and the Crown Prince of Solo The Ratoes Pangerang Ingabij and the Pangerang Ingabij of Souracarta The First and Second Resident, as well as the First Resident of Souracarta The Radeen Adipattij Danoeredja and the Samarang Adipattij Soero Dimongolo Pangerang Notto Coesoemo and Pangerang Anom, as well as the other sentonos The gentlemen of the company The Beach Regents The friendship between the Company and the monarchs The fortunate and long-lasting reign of the Sultan Chaton Djoe Jocarta adiningrat Craton soura Carta adiningrat The speedy completion of the lodge Slamat 29 Aug=s 1788. Slamat soeka soeka atie Good digestion of the meal The time at the table having been spent with much pleasure, the Lord Governor, together with the monarch, the Crown Prince, and some other princes, as well as the First and Second Resident, retired to an apartment, where after having conversed for some time, the Sultan subsequently took leave of the Lord Governor at approximately half past three and departed, well pleased, together with the Crown Prince and further retinue in the same manner as upon arrival, to the Kraton, being escorted by the Lord Governor as far as the grenadier guard, and from there accompanied home by the Resident and commissioners. The monarch having departed, one amused oneself for some time walking there, and subsequently returned towards evening to Rustenburg, where the evening meal was held. The watchword for today was desired progress. The following day being Monday 11 Aug=s, one proceeded at half past seven in the morning, according to custom, back to the residence of the First Resident, and further after the arrival of the 4 Dalms Tumenggongs, to the Kraton, accompanied solely by an escort of dragoons and some mounted grenadiers. The Lord Governor, having been received by the Crown Prince under the Pagelaran and by the Sultan at the gate Sitinggil, His Honour subsequently went to greet the Ratoes at the Trobojosso, after which one went through the Dalm to the rear alun-alun, where the monarch 451. together with the Lord Governor sat down on the Lemah Duwur or throne for so long until the Sultan's military troops, which he had designated as his escort to Krapyak or the hunting grounds, had marched up. From here one proceeded with the ready carriages to the Sultan's aforesaid hunting ground Krapyak, being a very large field in which many hundreds of deer were present, a part of which were driven between enclosed fences up to the front of the hunting lodge and were brought down from there by the gentlemen of the company and some of the Sultan's court grandees with firearms; after which the Sultan gave orders to drive another herd from a kraal thither as well, which animals, having first been chased in circles for a time by Javanese appointed for that purpose, the monarch subsequently requested of the Lord Governor that His Honour might permit the Samarang soldiers to catch some of those animals alive, which His Honour then also permitted and thereupon gave direct orders to send 8 dragoons and 6 grenadiers for that purpose after the deer, who then also immediately captured several of those animals. But because the Lord Governor considered that this hunting would fatigue the Europeans too greatly and thus might have detrimental consequences for them, His Honour shortly thereafter gave orders again to cease this, the more so because some of the dragoons had also been trampled underfoot and somewhat injured by the deer; the remaining deer were subsequently, by order 29 Aug=s 1788. — of the

Dutch transcription

en onder het geweemel van veele duijsenden van Men„ schen geschiede, teweeten eerst kwam den kroonpoins neevens den Eersten resident van ijsseldijck, daarna den Pangerang Ingabeij neevens den tweede resident Meurs, vervolgens de Pangerangs Notto Coessoemo en Pangerang Anom en na hen de gecommitteerdens in 4. wagens, waar na de vorst selfs volgde zittende in een koets met 6. Paarden bespannen, verseld van verscheij„ „dene Compagnien krijgs volkeren, mitsgaders van sijne rijksgroten en Hovelingen alle Paard, zijne Majesteit wierd aan de koets, door het geselschap en aan de grana„ „diers wagt binnen het tek, door den Heere gouverneur gerecipieerd en verder tot in de groote saal van het huijs begeleijd, onder het Paraderen der granadiers, welke sig nevens de hoboisten in eene rij van de wagt af tot voor het huijs geschaard hadden, ter weedersijde van welks trappen de oppassers en Trompetters van den Heere Gou„ verneurs gerangeerd stonden. In de saal was een Troon geplaatst voorsien met een koste„ lijk verhemelte waar van de twee agter afhangende slippen voorsien waren met het wapen van den sulthan en dat waar van den Heere Gouverneur sig bediend, Hier sit plaats genomen sijnde, wierder er onder het afleggen der gebruijken „lijke Complimenten drie Chargies door de voor de Logie gepos„ teerd staande Infonterij, mitsg=s van de Djoe Jocartasche Cavallerij gedaan, gevolgd van verscheijdene Canonschoten van de wallen van het fort, terwijl men sig eenigen tijd daarna voor het zek vervoegde, alwaar men onder een daar toe opge„ „regt Bamboese afdak het Dansen en speelen van sulthans den 29: Aug=s 1788. Troeno 449 Den 29: Aug=o 1788. —: Troeno Djoijos aansag, waar meede den tijd verliep tot Circa een uur wanneer men sig weeder binnen vervoegde en aan Tafel zitte, waar aan sig de Pangerang Ingabeij en andere Princen meede plaatsten wordende geduu„ rende de Maaltijd de ondervolgende Conditien gedronken. Dewelle komst aan Tafel zijn Hoog Edelheid den Heere Gouverneur generaal De Edele Heer Directeur Generaal ende Ed: Heeren Raaden van Indie Den sulthan Den keijser Den Heere Gouverneur De Pangerang Adipattij Anom ende kroonprins van Solo De Ratoes Pangerang Jngabij en den Pangerang Ingabij van Souracarta De eerste en tweede Resident, mitsg=s den Eersten resident van Souracarta De Radeen Adipattij Danoeredja en Samarangsche Adipattij Soero Dimongolo Pangerang Notto Coesoemo en Pangerang Anom, mitsg=s verdere sentonds De Heeren van 't geselschap De Strand Regenten De vriendschap tusschen de Comp:e ende vorsten De gelukkige en langdurige regeering van den sulthan Chaton Djoe Jocarta adiningrat Craton soura Carta adiningrat spoedige voltooijing van de Logie Slamat „ den 29: Aug=s 1788. Slamat soeka soeka atie 'T wel bekome van den maaltijd De tijd aan Tafel met veel genoegen doorgebragt zijnde, begaf sig den Heere Gouverneur neevens den vorst, den kroon prins en eenige andere Princen mitsg=s de eerste en tweede resident na een apartement, alwaar na eenigen tijd gediscoureert te hebben de sulthan vervolgens Circa half vier afscheid nam van den Heere Gouverneur en vertrek wel vergenoegd, nevens den kroonprins en verdere staet inselfdervoegen als bij aankomst na de Caraton wordende door den Heere Gouverneur tot aan de granadiers wagt begeleijd en van daar door den resident en gecommitteerdens na Huijs verseld. - De vorst vertrokken zijnde, diverteerde men sig daar eenigen tijd niet wandelen en keerde vervolgens teegen den avond weeder na Rustenburg terug, alwaar men de avond maeltijd hield Het parool was heeden gewenschte voortgang Des anderen daags zijnde Maandag den 11: Aug=s begaf men sig 's morgens ten half agt volgens gewoonte, weeder na het woonhuijs van den eersten resi„ dent en voorts na de aankomst van de 4: Dalms Tammon„ gangs, na de Caraton, eenelijk verseld van een Escorte Dragonders, en eenige granadierste Paard De Heere Gou„ verneur, door den kroonprins onder de Pagelaaan, en door den sulthan aande Poort Siaie Mengantie ont„ „vangen zijnde, ging sijn Ed: vervolgens de Ratoes aan de Trobojosso begroeten, waar na men door de Dalm ging na de agter Passeerbaan, alwaar sig den vorst nevens 451. nevens den Heere Gouverneur, solange op de Lama„ doehoer of Troon ter needersette, tot dat des sulthans krijgsvolk, 't welk hij tot sijn geleijde na Curapaik of de wild baan bestemd had opgetrokken was. van hier begaf men sig met de ingereedheid staan de Rijtuij„ gen na des sulthans gem wildbaan Caraprak, zijnde een seer groot veld, waarinne sig veele honderden van Htaatebeesten bevonden, van welke een gedeelte tusschen besloten Paggers, tot voor het Iagthuijs gedreeven en van daar door de Heeren van het geselschap en eenige van 's sulthans Hof groten met schiet geweer ter needer geveld wierden; waarna de sulthan ordre gaf, om nog een andere troup uijt een kraal ook der„ waards te drijven, welke dieren eerst en tijd lang, door daar toe gestelde Javanen inde ronde gejaagt zijnde, versogt den vorst vervolgens aan den Heere gouverneur, dat sijn Ed: aan de samarangsche Militairen permittee„ ren mogte, om eenige van die dieren levendig te vangen, 't geene sijn Ed: dan ook toestond en hier op direct ordre gaf, om 8: Dragonders en 6: granadiers, ten dien eijnde, op de Hartebeesten aftesenden, die dan ook ten eersten verscheijdene van die dieren temagtigde Dan ver„ „mits den Heere gouverneur bedagt was, dat dit Jagen de Europeeschen te seer vermoeijen en dus voor hen van na„ deelige gevolgen zijn mogt, so gaf zijn Ed: kort daar aan weeder last om daar meede te doen ophouden, temeer daar ook eenige der Draganders door de Hartebeesten onder de voet geloopen en enigsints beschadigt waren, de nog overgebleevene staatebeesten, wierden, vervolgens op ordre den 29: Aug=s 1788. — van den

NL-HaNA_1.04.02_3816_0730 view scan ↗

English

the 29th of August 1788. — from the sultan, captured by his people, except two who were set at liberty again, making together with those who had been shot dead a number of fully 95 pieces, which were presented by the sultan to the Lord Governor and also accepted by His Honour, giving direct orders to distribute the same among the Djocjocarta garrison as well as the Samarang military, together with the coastal regents and servants at Rustenburg. The clock having already struck 12, one proceeded by carriage to a building situated not far from there, serving as a residence for the sultan in the paddy season, when he wishes to attend the entertainment of seeing it cut. Here the table was found in readiness, and after one had spent a considerable time there, one subsequently returned at about half past two to the Kraton, from where, after the Ratus had again been complimented by the Lord Governor at the Probo Josso, one proceeded further to the Lodge and onwards to Rustenburg, where the evening meal was taken, the parole today being pleasant continuation. Tuesday the 12th of August, one remained in the morning at Rustenburg and took the midday meal there with some friends of the trading post, making oneself ready in the meantime to go and see the Bedhaya dance in the sultan's Kraton that evening, to which end one went in the afternoon at five o'clock according to custom, again to the first resident's dwelling house and subsequently to the Dalem, and being received there in the same manner as before by the crown prince and the sultan, one proceeded directly under the bazaar house to the side of the gate Sri Menganti, where being seated, there subsequently appeared one after another 7 sets of Bedhaya maidens, each consisting of 7 persons, belonging to the regent and further court grandees together with Pangeran Notto Coessoemo and Pangeran Ingabei, after which those of the crown prince and subsequently also those of the sultan followed, which two latter sets each consisted of 9 persons, so much time passing with this that one took the evening meal only around half past twelve, after the end of which one took leave of His Majesty at about two o'clock and departed for Rustenburg, the parole this day being known interest. Wednesday the 13th of August, nothing having occurred in the morning, one proceeded in the afternoon around half past three to the dwelling house of the First Resident Van Ysseldyk, who had already gone ahead to the crown prince. Here subsequently appeared Pangeran Notto Coessoemo and Pangeran Anom to fetch the Lord Governor, whereupon one rode together in carriages to one of the country estates of the crown prince named Bebadang, where he together with the said First Resident awaited the arrival of the Lord Governor. One subsequently proceeded to another of his country estates, bearing the name of Radja Winangon, where one found his troops stationed, by whom the Lord Governor upon arrival was saluted with the firing of 3 volleys, followed by several shots from some [illegible], which however were of such poor composition that one of them burst to pieces upon being discharged and slightly injured one of the European artillerymen present there. The troops having marched off, there appeared here four of the crown prince's principal concubines, who, seated on horseback with pikes, jousted for some time on the passage-course, after which the crown prince himself, together with the princes his brothers and some of the principal court grandees present there, rode around the passage-course several times. This being done, the aforementioned four concubines appeared again, accompanied by about 35 to 40 more women, all on horseback, who after having performed some maneuvers fired 3 volleys from muskets and thereupon marched off. One then went to walk for some time in the garden, which, although not large, was found to be very delightful and handsomely adorned with all kinds of stone statues that discharged water. In particular, one viewed here with great wonder a spring which, bubbling up with great vigor from the ground, was situated in the middle of a handsome water basin, and which the crown prince said had only been discovered by chance a few years ago, having previously been closed up with large stones that seemed expressly made for that purpose; from all of which, and also because many handsomely hewn stones were found with it, it was generally believed that around here in former times a sanctuary of the Brahmins had been situated. Around this spring were several charming [illegible] resembling very much the ancient heathen temples at Prambanan. the 29th of August 1788. —

Dutch transcription

den 29: Aug=s 1788. — van den sulthan, door desselfs volk gevangen uijtgeson„ „dert twee, die weeder en vrijheid gesteld wierden, mae„ „kende deselve met de geene die dood geschooten waren tesamen een getal uijt van wel 95: stuks, die door den sulthan aan den Heere Gouverneur gepresenteerd en door sijn Ed: ook aange„ „nomen wierden stellende direct ordre om deselve so onder het Djoe Jocartas guarnisoen als de samarangse Militai„ „ren, mitsgaders de strand regenten en Bediendens op Rustenburg uijt te deelen De klak nu reeds 12: geslagen hebbende, tegaf men sig met de Rijtuijgen na een niet veere daar van daan gelee„ gen gebouw, dienende tot verblijf plaats van den sulthan in de Padij tijd, wanneer hij het vermaak wil bijwoonen die tesien snijden, hier vond men de Tafel ingereedheid en na dat men een gerunnen tijd daar aan had toegebragt, keerde men vervolgens Circa half drie na de Caraton, van waar men sig, na dat de Ratoes weeder door den Heere Gouverneur aan de Probo Josso gecomplimenteerd waren, ver„ „der na de Logie en voorts na Rustenburg begaf alwaar men de avond maattijd hield, zijnde het Parool heeden aan„ „genaam vervolg. Dingsdag den 12: Augustus, bleef men ' voormiddags op Rustenburg en hield daar met eenige der Comptoirs vrienden de mid„ dagmaaltijd, makende sig intusschen gereed om dien avond het Badaija spel in 's sulthans Caraton te gaan zien, ten wel„ ken eijnde men 's namiddags ten vijf uuren volgens gewoonte, Weeder na des eersten residents woonhuijs en vervolgens na de Dalm reeds en aldaar in selfder voegen als bevoo¬ „rens op 453. den 29: Aug=s 1788. — rens door den kroonprins en den sulthan ontvangen zijnde begaf men sig direct onder het Bassaarhuijs ter sijde van de Poort sirie mengantie, alwaar gesee„ „ten zijnde vervolgens na den anderen te voorschijn kwa„ men 7. stellen Badaija meijdens, bestaande elk int 7 stuks den rijkbestierder en verdere Hafgroten mitsg=s den Pangerang notto Coessoemo en den pangerang Jngabij toebehoorende, waarna die van den kroonprmns en vervolgens ook die van den sulthan volgden, welke tinee laatste stel„ len elk uit 9. stuks bestonden, verloopende hier meede so veel tijd, dat men eerst omstreeks half een de Avondmaal„ „tijd hield, na het eijndigen van welkee men Cierca te twee uuren van sijne Majesteid afscheijd namen na Rusten„ burg vertrok zijnde het Parrool deesen dag gekend: belang. Woensdag den 13: Aug=s sovoormiddags niets voorgevallen sijnde, be„ gaf men sig 's namiddags omstreeks half vier na het woon„ huijs van den Eersten resident van ijsseldijck die sig reeds voor uit naden kroonprins had begeeven hier verscheenen ver„ volgens de Pangerang Notto Coessoemo enden Pangerang Anom om den Heere Gouverneur afte halen, waar op men gesamentlijk in rijtuijgen na ender buijten plaatsen van den kroonprins reed genaamd Bebadang, alwaar deselve nevens gem: Eerste Resident de komst van den Heere gouver„ neur afwagte, begeeven de men sig vervolgens na een ander zijner buijten plaatzen, voerende de Naam van Radja winan„ gon, alwaar men Desselfs krijgs volkeren geposteerd vond door welke den Heere Gouverneur, bij aankomst met het doen van 3: Chargies gesalueerd wierd, gevolgd van ver„ scheijdene scheijdene schooten uit eenige, die egter van so een slegte Compositie waaren dat een derselve bij het afsteeken aan stukken sprong en een der daar hij sijnde Europeesche Ar„ thilleristen een wijnig beschadigde - Het krijgsvolk afgemarscheerd sijnde kwamen hier te voorschijn wier van des kroonprinsen voornaamste wijnen, die te Paard geseeten, met Pieken op de Passeerbaan eenigen tijd Tournaijden, waar na de kroonprins selfs nevens de Princen sijne Broeders en eenige der voornaamste daar aan weesig zijnde Rijksgroten eenige rijsen de Passeerb aan rondreeden 't welk gedaan zijnde kwamen de op gene: vier bijwijven weeder te voorschijn, verseld van nog Circa 35: â 40. vrouwspersoonen, alle te Paard die na eenige Maneuvaes verrigt te hebben 3: Chargies uijt het handgeweer deeden en daar na afmarcheerden Menging hier op eenigen tijd wanaelen in de Rhuin die men, schoon niet groot egter seer vermakelijk en fraij vercierd vond met allerlij steene Beelden, die water van sig gaven, insonder„ „heid beschouwde men hier met veel verwondering een quel die met veel drift uit de grond op borrelende in 't midden van een fraije waterbak geleegen was en welke den kaoon„ prins sijde dat gevallig eerst voor eenige Jaren ontdekt was, zijnde bevoorens toegemrakt geweest, met groote steenen die expres daar toe scheenen gemaakt te sijn, uijt welk alles en ook om dat 'er veele fraij gehouwene steenen bij gevonden waren, men in't algemeen geloofde dat hier om„ „trend in vorige tijden, een gelugt vande Braminen geleegen heeft. — rondsom deese quel waren verschijdene aardige en veel na de oude Heijdensche Tempels te Brambanan den 29: Aug=s 1788. — gelijkende

NL-HaNA_1.04.02_3816_0733 view scan ↗

English

455. the 29th of August 1788. similar buildings had been erected, which, however, were found to be completely stripped of all furniture, wherefore the Lord Governor also promised to the Prince that upon his return to Samarang he would send him some sets of chairs and benches to be placed here, which the Crown Prince eagerly accepted with heartfelt thanks for this generous offer. After having thus inspected everything, they proceeded back to the Paseban, where they subsequently watched the setting off of the fireworks that had initially been planned for the Lodge, thereafter taking their seats under the Pendopo or Bazaar House situated near the entrance of the garden, before which the aforementioned female bodyguards had meanwhile stationed themselves, who were now on foot and very neatly attired, three more volleys being fired by them in good order, after which they marched off. One then attended the dancing of the Bedhaya maidens here and various other games, which were mostly performed by the Crown Prince's own wives and his principal concubines, which lasted until supper time, at which the coastal regents and the Djoejocarta courtiers were also present, and after having watched the Bedhaya for some time longer, they wished the Crown Prince a good night's rest and departed for Rustenburg around one o'clock. The parole today was Evident Contentment. Thursday the 14th of August, they proceeded in the afternoon to the residence of the First Resident van IJsseldijk, where where also appeared the Raden Adipati Danuredja and various other court grandees, with whom, after the first audience for the Company's servants had concluded, they proceeded to the Lodge, which was found to be already so far constructed that practically nothing further was lacking except the completion of the residence for the First Resident. The buildings were all in good order and also solidly and strongly constructed, so that the Lord Governor was very pleased with them, except with respect to the hospital, which was not only lacking in ventilation but also of such small dimensions that the First Resident van IJsseldijk found himself compelled to use one of his houses outside the fort as a hospital. The military guards at the gate were also found to be placed too close to one another, so that upon entering the gate there was hardly sufficient room left for the troops to deploy, which inconvenience, however, can easily be remedied by taking away a section of the adjacent dwellings on both sides behind these guards; furthermore, the military barracks also had too low a ceiling and were improperly fitted with a front gallery which not only made the barracks very narrow but also obstructed the circulation of air and light, which the Prime Minister nevertheless agreed to have corrected by the Sultan's people by having the building raised higher. After having thus inspected the Lodge, they subsequently returned to Rustenburg, where supper was held with the aforesaid Prime Minister and high officials. the 29th of August 1788. 457. the 29th of August 1788. The parole today was Very Satisfied. The following day, being Friday the 15th of August, which day the Lord Governor, upon the further repeated requests of the ruler, had now set aside both to pay the farewell visit and to hold a private conference with His Highness, some gifts of clothing as well as some horses were sent by the ruler, the Crown Prince, and the other princes and court grandees to the Lord Governor and the company, for which they were most amiably thanked. Nothing further occurred this morning, but in the afternoon, having been fetched as usual by 4 Dalam Tumenggungs of the Sultan, they proceeded around half past four to the Kraton, where they were received in the same manner as before by the Crown Prince at the carriage and by the Sultan at the Sri Menganti Gate. The Lord Governor, having entered the inner Dalam, went to take his leave of the Ratu and the married daughters of the Sultan; after which His Honour, together with the Sultan, the Crown Prince, and the First Resident van IJsseldijk, retired to a separate room to speak about some matters of importance, which conversation having lasted for more than an hour and a half, they sat for a short while under the Bazaar House, Bangsal Alus, where the Sultan made known to his courtiers that he had decided, in view of the advanced age and increasing bodily infirmity of the Prime Minister Danuredja, to assign Tumenggung Nata Yuda to assist him in order to relieve him as much as possible,

Dutch transcription

455. den 29: Aug=s 1788. — gelijkende gebouwen, opgerigt, dog welke men alle van Meubelen ten eenemalen ontblood vand waar om den Heere Gouverneur dan ook aan dien Prins behoofde bij terug komst te samarang hem einige stellen stoelen en Banken te zenden, om hier geplaatst te worden, 't geen den kroonprins, onder hartelijke dank zegging voor deese gulle presentatie, grietig aannam na alles dus besigtigt te hebben begaf men sig weder na de Passeerbaan, alwaar men vervolgens sag afsteeken het vuurwerk, dat eerst voor de Logie was geprojecteerd geweest, neemende daar na sitplaats onder de bij den ingang van den Thuin ge„ leegene Mondopo of Bassaarhuijs, voor het welke sig in„ „tusschen gepasteerd hadden de bovengem: vrouwelijke daa„ gouders, die nu tevoet en seer net uijtgedost waren wordende door hen in een goede ordre nogmaals drie Clargies gedaan waar na sij afmarcheerden, Men woonde vervolgens hier het Dansen bij van de Bedaija meijdens en meer andere speelen, die meest alverrigt wierden, door de eijgene vrouwen van den kroonprins en desselfs voor„ naamste bijwijven, 't welk duurde tot aande Avondmaal„ „tijd, waar bij de strandregenten ende Djoe jocartasche Hovelingen meede aanweesig waren en na dat men ver„ volgens nog eenigen tijd het Badaija had aangesien, wen„ schte men den kroonprins een goede Nagtrust en vertrok Circa een uur na Rustenburg Het Parool was heeden Blijkbaar vergenoegen. Donderdag den 14: Augustus begaf men sig 's agtermiddags na het woonhuijs van den eersten Resident van ijsseldijck, alwaar alwaar meede verscheenen den radeen adipattij Danoe„ redja en verschijdene andere 'tofgrooten met welke men sig nadat het eerst gehoor was geweest voor 'sComp=s diena„ „ren, na de Logie begaf, dewelke men bevond reeds in so verre volbouwd te zijn dat 'er genoegsaam niets ver„ der aan ontbaak dan de voltooijing van het woonhuijs voor den eersten resident De gebouwen waren alle in goede ordre en ook hegt en sterk ingerigt, so dat den Heere gouverneur daar over seer voldaan was, uijtgesondert ten opsigte van het Hospitaal dat niet alleen onlugtig maar ook so klijn van bestek was, dat den eersten Resident van ijsseldijck sig genoodsaakt heeft gevonden een van des„ selfs huijsen buijten het fort tot een Hospitaal te doen emploijeren; De militaire wagten aande Poort vond men ook tenabij elkanderen geplaatst, so dat 'er bij het inkoomen van de Poort, bij na geen genoegsame ruijmte overschoot, voor het volk om uit te rukken dog welk in convenient gemakkelijk kan verholpen worden, door aan bij de sijden agter deese wagten, een stuk van de daar aanstotende woningen afteneemen, zijnde buijten dien ook de Militaire Baracque te laag van soldering en oneijgen voorsien van een voorgalderij die niet alleen de Baracq seer smalmaakt maar ook het omkoomen van lugt en ligt belet 't welk den Rijks bestierder egter aan„ nam door 't sulthans volk te doen verbeeteren door het gebouw hoger op te laten trekken- Nadat men dus de Logie besigtigd had keerde men vervolgens na Rustenburg ƒ terug alwaar met voorsz Rijks bestierder en stafgroten den 29: Aug=s 1788. de 457. den 29: Aug=s 1788: — de Avondmaal tijd gehouden wierd. Het Parool washeeden seer voldaan 'sanderen daags zijnde Vrijdag den 15: Augustus welken dag den Heere Gouverneur als nu op de nadere herhaalde instantien vande vorst bepaalt had so tot het doen der afscheids visite, als het houden van eene aparte Conferentie met zijne Hoogheid, wierden door den vorst, den kroonprins mitsgaders de verdere Princen en toegroten, eenige geschenken van kleedjes als ook eenige Paarden aan den Heere Gouverneur en het geselschap geson„ „den, waar voor men Deselve op het vriendelijkste liet bedanken. — Deesen voormiddag viel verder niets voor, dag 's agter middags begaf men sig door 4. Dalm Tommongangs vanden sulthan, nagewoonte afgehaald, omstreeks half vijf na de Caraton alwaar men inself dervoegen als bevoorens door den kroonprins aan de koets en door den sulthan aande Poort Sirie Mengantie gerecipieerd wierd, gaande den Heere gouverneur en de binnen Dalm gekoomen zijnde, van de Ratoe en gehuurde Dogters van den sulthan afescheijd neemen; waar na sig sijn Ed: neevens den sulthan mitsg=s den kroonprins en den eersten resident van ijsseldijck in een apart vertrek begaf om over eenige zaaken van aangeleegentheid tespreeken, welk onderhoud ruim anderhalf uur geduurd hebbende sat men nog een korte wijl onder het Bassaarhuis Bang„ sal Aloes, alwaar den sulthan aan sijne Hovelingen te kennen gaf dat hij beslooten had om den Rijksbestierder Dauve Redjo, mits sijne Hoog klimmende Jaaren en toe„ „neemende verswakking van Lichaam den Tommongong Notto Judo tot hulp bij tevoegen om hem so veel mogelijk te verligten,

NL-HaNA_1.04.02_3816_0736 view scan ↗

English

to relieve him, with which this old man was not a little pleased. Next, the monarch had the Pangerang Ingabey of Souracarta approach before him to take leave of His Majesty and to kiss his feet, instructing him upon his return to Soura Carta to compliment the Emperor on his behalf; and after this, having also made the Samarang Adipatty and the Adipatty of Demak approach before the Bazaar House, he asked them whether during their stay at Djocjocarta they had lost anything, to which they answered with a no. People then rose, after first having drunk a few glasses of wine to wish a pleasant stay and a safe journey, proceeding subsequently with the monarch up to the Gate Drie Mengantie, where, embracing the Lord Governor, he wished His Honour as well as the company a safe journey to Samarang, for which the Lord Governor expressed his thanks and likewise wished His Majesty a pleasant stay and a further prosperous reign. They then proceeded to the Dalm of the Crown Prince, where they also drank a few glasses of wine, the Lord Governor subsequently taking leave of his wives, after which they departed, being accompanied by the Crown Prince and other Princes and Court dignitaries up to the carriage, where the Lord Governor embraced the Crown Prince and further took his leave, returning thereupon to Rustenburg, where the First Resident gave a farewell dinner that evening, at which all the friends of the factory as well as the coastal regents and others were present. The 29th of August 1788. Today Today the password was Everything as desired. After everything had been prepared for the departure to Samarang, the Lord Governor, on Saturday the 16th of August at six o'clock in the morning, along with the First Resident of Djocjocarta, van Ysseldyck, set out on the road from Djocjocarta in a carriage, after first having taken leave of the First Resident of Souracarta, Hartzinck, who was to return straight back there from here, as well as of the Emperor's son, Pangerang Ingabey, whom His Honour charged to compliment the Emperor, his father, on His Honour's behalf and at the same time to thank him kindly for the escort provided to Djocjocarta. Instead of this Prince, the Sultan had a few days earlier appointed one of his Tumenggungs to accompany the Lord Governor to Samarang. But the First Resident van Ysseldyck having pointed out to him how little this corresponded with the conduct of the Emperor, who had even had the Lord Governor accompanied to Djocjocarta by one of his own sons, he immediately changed his mind and commissioned Pangerang Djojocussuma, together with Tumenggung Marta Laya, to escort the Lord Governor, who then also departed from Djocjocarta at the same time as the Lord Governor, while the company on horseback had already gone ahead, as well as the Grenadiers and Dragoons, of which latter only a small escort accompanied the Lord Governor. Having arrived at Piesangan around half past seven, breakfast was taken there, and leave was subsequently taken of the Prime Minister Danuredja and the other Djocjocarta courtiers who had accompanied the Lord Governor up to that point, after which the Lord Governor resumed his journey and arrived around half past nine at Bodjong, where some time before a brick house had been erected for the accommodation of the Lord Governor. The password here was Well arranged. On Sunday the 17th of August, some of the Djocjocarta friends of the factory took leave of the Lord Governor and the company at Bodjong, just as the Lord Governor also departed from there a little past five, arriving around half past six at the Toll Gate Magelan, where they dismounted and, after lingering for half an hour, set out again on the journey, arriving at eight o'clock in the village of Tetjang, where, just as at the previous halting place, a brick house had been prepared for the accommodation of the Lord Governor. Here the password was also Satisfactory. On the following day, being Monday the 18th of August, at half past three in the morning, they departed again from Tetjang, the 29th of August 1788. proceeding the 29th of August 1788. the Lord Governor taking his place here again in the sedan chair, as His Honour, on account of the steep valleys that had to be crossed on this day, judged it by no means advisable to make that journey by carriage; and after they had arrived at the Toll Gate Pingit around half past six, they took breakfast here and thereupon set out on their way again, thus arriving around nine o'clock at Jamboe, which place belonged under the Samarang Adipatty, who had caused a wooden board house to be erected there for the accommodation of the Lord Governor, and where one found the Salatiga Commander Ludewich. The Lord Governor here gave the First Resident of Djocjocarta, van Ysseldyck, and the Junior Merchant van Bronkhorst, which latter had also accompanied His Honour this far, permission to return to Djocjocarta, as they departed thither. Today the password was Rich in sight. After having departed from Jamboe on the following day, being Tuesday the 19th of August, they arrived past five at the so-called Commander's halting place, where the Lord Governor gave the Salatiga Commander Ludewich permission to return back to this post of his, while, after having first breakfasted a little here, they also departed and arrived around eight o'clock at Oenarang, where the Lord Governor, by the firing of the

Dutch transcription

te verligten, waar meede deese oude Man niet wijnig in zijn schik was- vervolgens liet de vorst den Pangerang Ingabeij van Souracarta tot voor sig naderen om van sijne Majesteit afscheid teneemen ende voeten te kussen, gelastende aan denselven om bij terug komst te soura„ Carta den keijser van Lijnent weegen te Complimen„ teeren, en hier na ook den samarangs Adipattij en den Adipattij van Damak tot voor het Bassaarhuijsse, hebbende doen naderen, vroeg hij aan deselve of sij geduu„ „rende hun verblijf te Djoe Jocarta ook iets verlooren hadden, het geene sij met een beantwoord hebbende stond men vervolgens op, na alvoorens eenige glaas„ jes wijn tot het wenschen van een goed verblijf en een behouden rijs gedronken te hebben, begeevende sig ver„ volgens met den vorst tot aande Poort Drie Mengantie alwaar hij den Heere Gouverneur omhelsende, sijn Ed: als ook het geselschap een behouden rijs na Samarang wenschte waar voor den Heere Gouverneur bedankt en aan sijne Majesteit tevens een goed verblijf en verdere geluk„ kige regeering toegewenscht sijnde, begaf men sig na de Dalm van den kroonprins, alwaar men meede eenige glaas„ jes wijn dronk neemende den Heere gouverneur vervol„ gens afschijd van Deszelfs vrouwen, waar na men ver„ „trok wordende door den kroonprins ende verdere Princen en Hofgroten tot aande koets verseld alwaar den Heere Gou„ verneur den kroonprins om helsde en voorts afschijd nam, keerende daar op na Rustenburg alwaar den Eersten Resi„ dent dien Avond een afscheijds maal gaf waar bij alle de Comp„ „toirs vrionden als ook de strand regenten en andere aanweesig tond; den 29: Aug=s 1788. — Heeden 459. Heeden was het Paraool Alles na wensch Nadat dan alles tot het vertrek na Samarang in gereedheid was gebragt begaf sig den Heere Gouverneur op Zaturdags den 16: Augustus 'smorgens ten 6: uuren neevens den Djoe Jocartas eerste resident van ijsseldijck in een rijting van Djoejocarta op weg, na alvorens af schijd genoomen te hebben vanden Souracartas eersten resident Hartzinck die van haer weeder direct der„ „waarts stond terug te keeren, so meede van des keij„ sers zoon Pangerang Ingabeij, aan wien sijn Ed: op droeg om den keijser sijnen vader uijt sijn Ed: naam te Complimenteren en tevens vriendelijk te bevan„ ken voor het verleend gelijde na Djoe Jocarta. Insteede van deese Prins hadden sulthan eenige dagen bevoorens een sijner Tommongangs benoemd om den Heere Gouverneur na Samarang te begeleijden Dog den eersten resident van ijsseldijck hem vertoond hebbende hoewijnig dit over een kwam met de handelwijse van den keijser die den Heere Gouverneur selfs door een van sijn eijgene zoonen na DJocjocarta had doen versellen veranderde wij ten eersten van besluijt en Committeerde tot het ge„ „lijde van den Heere gouverneur den Pangerang Djoijd Coessoemo, nevens den Tommongong Marta Loije die dan ook te gelijke met den Heere Gouverneur van Djoe Jocarta vertrokken terwijl sig het geselschap te Paard reeds voor uijt had begeeven, so wel als de Granadiers ende Dragondeus, van welke laatste maar maar een klijn Escorte den Heere Gouverneur verselde: Omstreeks halfagt te Piesangan gearriveerd zijnde, wierd daar onsbeeter en vervolgens afscheijd genomen van de Rijks bestierder Danoe Redja en de verdere djoe„ Jocartasche Hovelingen die den Heere gouverneur tot derwaerds hadden verseld, waar na den Heere Gouverneur weeder op rijsging en omtrend half tien te Bodjong aankwam alwaer eenigen tijd bevoorens, een met steene Huijs tot verblijf van den Heere Gouverneur was opgerigt. Het Parool was hier wel ingerigt Sondag den 17. Augustus namen eenige der djoc„ Jocartasch Comptoirs vrienden te Bodjong afscheijd van den Heere gouverneur en het geseeschap gelijk den Heere gouverneur iets over vijf meede van daer vertrok, arriveerde circa half seeven aan de Tolpoort Magelan, alwaer men ontliet en na een half uur vertoeven wee„ „der oprijsging, en om agt uuren inde Negorij Tetjang aenkwam alwaer eeven als op de voo„ „rige halt plaets een steene Huijs was aangelegd tot verblijff van den Heere Gouverneur Hier was het Padool ook voldoende Des anderen daege of op Maandag den 18. ' Augustus om half 4 'smor„ „gens vertrok men weeder van Tetjang den 29: Aug=s 1738. begeevende 461. den 29.:' Augustus 1788 begeevende sig den Heere gouverneur hier wee„ „der in de Jolij, wijl sijnEd het weegens de sware va„ „lijen die men op deesen dag te passeeren had, geensints raadsaam oordeelde, die rijs met een rytuig te doen, en na dat men omstreeks half sieven aen de Tholpoort Pingit was gekoomen, nam men hier het morgen ontbijt en begaf sig daar na weeder op weg, arriveerende dus omstreeks 9 uuren te Jamboe welk plaets onder den samaroonge Adipattij gehoorde, die tot verblijf van den Heere Gouverneur daer een Planken Huijs had doen op„ slaen, en alwaer men den salatigas Commandant Ludewich vond. Den Heere Gouverneur gaf hier aan den Djoayo Cartas eersten Resident van ijsseldijk en den onderkoopman van Bronkhorst welk laetste zijn Ed meede tot dus verre verselt had verlof om na Djocjo Carta terug te keeren, gelijk werwaerds vertrokken, Heeden was het Parool sigt rijk Na dat men 'sanderen daags zijnde Dingsdag den 19. Augustus van Jamboe ver„ „trokken was kwammen over vijf aan de Jogenaemde Commandeurs halfplaets alwaer den Heere Gou„ „verneur aan den Salatigas Commandant Ludewich verlof gaf, om weeder na deese sijne Post terug te keeren, terwijl men na hier eerst wat ont„ beeten te hebben meede vertrok en circa te 8. uuren te oenarang arriveerde alwaer den Heere Gouverneur door het Losbranden van het

NL-HaNA_1.04.02_3816_0740 view scan ↗

English

the 29th of August 1788 the artillery of the fort was saluted. Here the Governor received the news from Souracarta that the Emperor had suffered an attack, so severe that people even feared for his life; for which reason the Governor immediately gave orders to have the grenadiers remain here until further notice, in order to be able to depart at once for Souracarta in case the Emperor should happen to pass away. Toward evening, however, having received further report that that monarch found himself considerably better again and even appeared to be out of danger, His Honour judged that this precaution was by no means necessary any longer, thus letting the grenadiers proceed to Samarang. Today the password was Feared Necessity. Wednesday the 28th of August, having risen in the morning around half past three, they broke camp from Oenarang and arrived around half past five at Djating Alit, from where, after having taken some refreshment, they departed again and arrived at half past seven at Patjerongan, where were found all the qualified persons of Samarang, as well as Samarang's Chinese Captain and further chiefs of that nation, along with other natives, who paid their compliments to the Governor and the company; and after having tarried here about half an hour and having breakfasted in the meantime, 463. — the 29th of August 1788 they then set out in carriages for Samarang, riding between a multitude of flags and pennants as well as Chinese games, which stood arranged on both sides of the road, and subsequently also between a double rank of armed natives up to the East Gate, whither the Company of Malays and Bugis had already advanced, while the Company of European Dragoons rode ahead of the carriages. Inside the city, ranged on both sides up to the Government Bridge, were the residents of the Malay and Bugis campongs who had remained at home, along with the Company of Moors and other residents in full arms and with their ceremonial ornaments under their various officers. Having passed these, they arrived at half past 7 in the garden De Vrijheid, in front of which stood drawn up the Samarang garrison, commanded by the Military Captain de Chateauvieux, as well as the Corps of Youths from the naval school, likewise the Company of Burghers; by the first of which the Governor was subsequently saluted with 3 volleys of small arms, followed by the discharge of the artillery all around the city walls. After the Governor had subsequently been further complimented in De Vrijheid by all the servants as the 29th of August 1788 well as by the officers of the men standing under arms, everyone went home, and thus the court journey came to an end. Samarang, the 28th of August in the year 1788. Underneath stood: Kept by me. Was signed: J: Rothenbuhler, Secretary. P. Copy Translation of a Javanese letter written by the Susuhunan Pakubuwana, etc., to the Right Honourable Jan Greeve, Councillor of the Dutch Indies and Governor and Director of this Coast, received at Djocjocarta the 11th of August 1788. I come hereby, Brother, to report that Brongto Kusumo now harbors bad intentions. In case Brother might think fit in the future to summon him to Samarang, he will by no means be willing to obey that, for he intends to remove himself from Souracarta. If it therefore pleases Brother, I would rather have him seized immediately, because he might otherwise quickly take himself off. His brothers, who are many, submit themselves on the contrary to the pleasure of Your Right Honourable, so that he is the only one who possesses any insolence. 465. the 29th of August 1788: insolence. I, together with Brother's son the Pangeran Adipati Anom and all my further children, sons and daughters, both big and small, otherwise greet Brother most affectionately. Written on Monday the 9th of the light Dulkahidah in the year Jimakir 1714. Lower down: Translated by me. Was signed: F. J. Rothenbuhler, Secretary. Reply of the Governor to the same, dated the 12th of August 1788: After I had taken leave of Your Highness with a heart entirely filled with friendship and brotherly affection, I found myself, after a very pleasant journey, on the 5th of this month here at Djocjocarta Adiningrat, of which I have the honour hereby to give friendly notice to Your Highness. I also embrace this opportunity to offer Your Highness once again my sincere expressions of gratitude for so many tokens of special esteem, true friendship, and brotherly trust with which Your Highness was pleased to honour me during my presence at Souracarta Adiningrat, and the memory of which will ever be of the highest value to me. Above all I firmly hope and trust that Your

Dutch transcription

den 29. Aug=s 1788 het geschut van het fort gesalueerd wierd Hier ontvong den Heere Gouverneur de tijding van Souracarta dat den keijzer een overval had gekreegen sodanig dat men selfs voor zijn leeven bevreesd was, weshalven den Heere Gouver„ „neur dan ook direct order stelde om de granoe„ „diers hier tot nader bevel te laaten verblijven, ten eijnde ingevalle den keijzer mogte koomen te overlijden; als dan ten eersten na souracarta te kunnen vertrekken dog teegen den avond nader berigt ontvangen hebbende dat dien vorst sig weeder merkelijk beeter bevond en selvs im buijten gevaer scheen teweesen so oordeelde sijn Ed dat deese voorsorge nu geensints meer nodig was, latende de granadiers dus maar na Samarang. Heeden was het Parool gevreesde noodsakelikheid woensdag den 28. Augustus 'smorgens omstreeks half vier opgestaen zijnde brak men van oenarang op en arriveerde omstreeks half ses te Djating Alit van waer men na het nuttigen van eenige ver„ „versing weeder vertrok en te half seeven te Patjerongan aankwam alwaer men de gesament„ „lijke gequalificeerde perzoonen van Samarang so ook van Samarangs Capitain Chinees en ver„ „dere Hoofden van die Natie, mitsgaders andere Jnlanders vond, die den Heere Gouverneur en het geselschap Complimendeerden, en nadat men hier Circa een half uur vertoefd en intusschen ontbeeten had 463. — den 29. Aug=s 1788 had, begaf men sig vervolgens in Rijtingen na Samarang rijdende tusschen een meenigte van vlag„ „gen en wimpels mitsg=s Chineese spellen, die ter weedersijde van de weg gerangiert stonden en ver„ „volgens ook tusschen een dubbeld ranket van gewa„ pend Jnlanders tot aan de oostpoort, werwaerds zig de Comp: Maleijers en Bougineesen reeds voor uijt had den begeeven, terwijl de Comp: Europeesche Dragonders voor de waegens aanreed. Binnen inde stad waren aan weeder sijde tot aan de Gouvernements Brug gerangeert de te Huijs gebleevene ingeseetene der Maleijdsche en Bougeneese Campongs, mitsgaders de Compagnie Moren en andere Jngeseetene in volle wapenen en met hunne statie ornamenten onder hunne ver„ scheidene officieren; deese gepasseerd sijnde arriveerde men om half 8. in de thuijn de vrijheid voor de„ „welke gepasseerd stond het samarangs guarinsoene gecommandeerd wordende door den Capitain Mili„ „tair de Chasteauvieur als ook het Corps der Jongelingen uit het marinephool item de Comp: Burgers, door de eerste van welke den Heere Gouverneur vervolgens met 3. Charges uijt het hand geweet gesalueert wierd gevolg van het losbranden van het geschul rondsom de stads wallen. Na dat den Heere Gouverneur vervol„ „gens in de vrijheijd door de gesamentlijke dienaer als den 29. aug=s 1788 als ook door de officieren van het in de wapenen staande volk nader gecomplimenteerd was, be„ „gaf sig een iegelijk na huijsen nam dus de hof„ „rijse daer meede een eijnde Samarang den 28: Augustus Ao 1788. /onderstond:/ gehouden door mij /:was geteekend:/ J: Rolhenbuhler secretaris. P. Copia Translaet Javaensche brief geschreeven door den soesoehoenang Pacoeboeana &=a, Aan den welEdele Gestrenge Heer Jan Greeve, Raad van Nederlands Jndie Mitsgaders Gouverneur en Dierecteur deser Custe, ontvangen te DJosJoCarta den 11: Aug=s 1788 Ik koome Broeder bij deesen te berigten dat Brongto Coesjoemo, nu een kwaed start voed: Jngevalle Broe„ der in't vervolg goedvinden mogte, hem na sa„ „marang te ontbieden, so sal hij daer aan geen„ sints willen obediceeren, moet hij is voorneemens sig van souracarta te verwijderen. Jndien het broeder dierhalven behaagt, so sal ik hem liever ten eersten doen opvatten, uijt hoofde dat hij sig anders somwijlen spoedig weg begeeven mogte desselfs broeders die veele zijn, onderwerpen sig daer en teegen aan het welbehaigen van uwelEd: Gestr:, dus dat hij de eenigste is, welke eenige stoutheijd 465. den 29. Aug=o 1788: Htoutheid besit —. Ik neevens Broeders zoon den Pangerang Adipattij Anom en alle mijne verdere kinde„ „ren, zoons en dogters so groot als klijn, groeten broeder voor 't overige op het minsaamste Gesch: op Maandag den 9:e van het ligt Dul„ „chaijda in't Jaer Djimakier 1714. /lager/ ge„ „translateerd door mij /was geteekent:/ T: J. Rothenbuhler sec: Antwoord van den Heere Gouverneur Op deselve, Gedateert 12.:e aug=so 1788: Na dat ik met een Hart geheel vervuld met vriendschap en broederlijke geneegenheijd van Uwe Hoogheijd afscheid had genomen, heb ik mij na een seer aengenoeme reijse, den 5 e deeser, hier te DJoc„ Jocarta Adiningrat gevonden, waer van ik mij vereere uwe Hoogheid bij deesen vriendelijk kennis te geeven. Deese geleegentheijd omhees ik tevens om uwe Hoogheijd nogmaels mijner welgemeende dankbetuijgingen aante bieden voor so veele blijken van bijsondere agting waere vriendschap en broeder„ „lijke vertrouwen, als waermeede uwe Hoogheijd mij Geduurende mijn aenweesen te souracarta Adeningrat, heeft gelieven te vereeren, en waer vande geheugenis voor mij steeds vande hoogste waerde sal sijn— voor al hoop en vertrouw ik vastelijk dat „ Uwde

NL-HaNA_1.04.02_3816_0744 view scan ↗

English

The 29th of August 1788. Your Highness will not deny me the pleasure of being able to rely with peace of mind upon the certainty and binding nature of what was negotiated and agreed between us, so as to obtain its fulfillment in due course. For this, and the steadfastness of Your Highness's noble assurance henceforth no longer to recall what occurred during the time of the resident Palm, will constitute the greatest honor and most substantial pleasure for me. Alongside the resident Hartsinck, Pangeran Ingebey returns from here to Souracarta with my thanks and cordial greetings, whom Your Highness was pleased to appoint as my escort hither, and with whose zeal and attentiveness I am very well pleased. While I was preparing this, I found myself honored with Brother's friendly letter of the 9th of the light of Dulchaida, from which I perceive, not without astonishment, that Brongto Coetsoemo currently harbors ill intentions and is thus minded completely differently from what he himself assured me. Upon this I have endeavored in my reflections to trace what the reasons for this might be, and I have recalled that in the libel which was found some time ago in the gamelan house, and for which Kiyai Alim Damak was punished, mention was made of this Brongto Coessoemo. From this the suspicion has arisen in me whether perhaps one or another among Brother's court dignitaries might maintain a secret understanding with this Brongto Coessoemo and support him in his malevolent designs, and that perhaps on account of some reason of improper discontent; for since Brongto Coessoemo, during my presence at Souracarta, was just as ready and willing as his brothers Rongo Coessoemo and Soemo Widjoyo to place themselves under the Company's authority and rely on its benevolence, and declared this same to me, there must be a secret reason why this has now changed again after my departure. For the tranquility of Your Highness and his realm, I may thus advise Brother to have this matter investigated and probed in a covert and cautious manner, for which it will be best to let him state himself for what reasons he has now changed and does not stand by his demonstrated submission. And perhaps his brothers will also be able to shed some light upon it. Furthermore, it admits of no doubt that one ought to secure oneself in good time against those who are found guilty of this, in order to prevent dangerous undertakings. It is just as certain beyond all doubt that, since Brongto Coessoemo is currently again making himself suspected of harmful intentions, Brother ought to give the strictest orders to keep him in such custody that he is given no opportunity to escape, after which the necessary measures regarding him can be devised later. And it will furthermore depend on the good conduct of his brothers to derive for themselves the desired benefit from the gracious promises that have been made to them on behalf of the Company at the request of Your Highness. I furthermore salute Your Highness in the most amicable manner, together with our well-beloved son the crown prince, as well as Your Highness's other children, wishing the choicest of Heaven's blessings unto length of days. Was written below: Written at Djoejocarta Adiningrat, the 12th of August in the year 1788. Was signed: Jan Greeve. Further letter from the Emperor, received the 15th of August 1788. The letter sent to me by your Right Honorable has duly reached me and I have fully understood its contents, namely that Brother, after having taken leave of me with a heart filled with friendship and brotherly affection, arrived at Djoejocarta on the 5th of this month, of which Brother had the honor to give me friendly notice, with repeated expressions of thanks for so many tokens of special esteem, true friendship, and brotherly trust which I had given to Brother during his stay at Souracarta Adiningrat, and the memory of which would always be of the highest value to Brother; and that Brother also especially hoped and firmly trusted that I would not deny him the pleasure of being able to rely with peace of mind upon the certain necessity of what was negotiated between me and Brother, so that the same might not remain unfulfilled in due course, the 29th of August 1788, thus

Dutch transcription

Den 29. aug=o 1788. uwe Hoogheijd mij het genoegen niet sal wijgeren van mij met gerustheid te moogen verlaeten, op de seker„ en bondig=heijd van het geene tusschen ons verhandeld en vastgesteld is, om ter zijner tijd des„ „selfs vervulling te erlangen. want dit, en de onwrikbaerheijd van uwe Hoogheids edelmoedige verseekering van voortaen aan het gebeurde ten tijde van het opperhoofd Palm niet meer te willen gedenken, zal voor mij de grootste eer en het weesendlijkst genoegen uijtmaken. Neevens het opperhooft Hartsinck, keert met mijne dankseggingen en hartelijke groete van hier na Souracarta terug den Pangerang Jngebeij die uwe Hoogheijd tot mijn geleijde herwaerts heeft gelieven te bestemmen, en van wiens ijver en oplettenheijd ik seer voldaen ben. Terwijl ik deeze in gereedheijd bragt, vond ik mij vereerd met Broeders vriendelijke brief van den 9=e van het ligt Dulchaida, waer uijt, ik niet sonder verwondering ontwaer dat Brongto Coetsoems tans een quaat start voed en dus geheel anders gesind is, als hij mij selve verseekerd heeft. Jk heb hier op in mijne overdenkingen tragten nate„ „speuren wat daer van dog wel de reedenen mogten zijn, en ik heb mij erinnerd dat in het lasterschrift, het welk voor eenige tyd in het Gamelang huijs gevon„ „den en waer over kiaij Alim Damak gestraft is, van deesen Brongto Coessoemo gewag wierd gemaakt Hier uijt is bij mij het vermoeden ontsprooten of niet somtijds deese of geene onder de Hofsgrooten van Broeder met deese Brongto Coessoems heij„ „melijk verstand houd en den selven in zijn quaedwillige. „ 467. den 29: Aug=s 1788. quaadwillige oogmerken ondersteund, en dat wel mis„ schien om deese of geene reedenen van onbetamelijke misnoegdheid, want daer Brongto Coessoemoe, bij mijn aanweesen te souracarta, eeven so gereed en bereidwillig was, als zijne broeders Rongo Coessoemo en soemo widjoijo om sig onder Compagnies gebied op hare goedheid te verlaate en dit selve aan mij heeft betuijgd, so moet 'er een geheijme reeden zijn, waarom dit na mijn vertrek nu weeder veranderd is. voor de rust van Uwe Hoogheid en zijn Rijk, mgg ik Broeder dus aanraden dit stuk op eene bedekte en versigtige wijse te laten ondersoeken en uitvorschen, waer toe het best zal zijn door hem selve te laaten opgeeven om welke reede„ „nen hij nu veranderd en zijne betoonde onderwerping geen gestand doed. - En misschien sulken ook zijne broeders daer omtrent wel eenig ligt kunnen geeven; Terwijl het voorts geen bedenking tijd dat men sig van de geene die hier aan schuldig bevonden worden, in tijds behoord te verseekeren om gevaarlijke onderneemingen voortekoomen. - Eeven so seker is het buijten alle bedenking dat vermits Brangto Coessoemo sig thans weder van nadeelige. voor„ neemens verdagt maakt, Broeder dus de stricste orders dient te geeven om hem soodanig in bewaering te houden, dat hem geen geleegenheid gelaten word te antslippen, als wanneer men naderhand omtrent hem het noodige kan beramen En het sal voorts van het goed gedrag zijner Broeders aflangen voor sig selve het verlangde nut te trekken van van de gratieuse toesegging welke hun van weegens de Comp:e, ten versoeke van uwe Hoogheid, zijn gedaan. uwe Hoogheid, neevens onsen welbeminden zoon den kroonprins, so meede uwe Hoogheids overige kinde„ ren, salueer ik voorts op het minsaamste, met toe„ „wensching van de keurlijkste van 's Heemels zeegeningen, tot in Lengte van daegen. /:onderstond:/ Geschrreeven te Djoe Joearta Adiningrat den 12: Augustus A=o 178 /:was geteekend/ Ian Greeve. Nadere brief van den keijser ont„ „vangen den 15: Augustus 1788. De door uwel Ed:e Gestr: aan mij toegesondene brief, is mij behoorlijk geworden en ik hebbe dus inhoud volko„ mentlijk verstaan, als dat Broeder, na met een hart vervield met vriendschap en Broederlijke geneegentheid, van mij afscheijd genoomen te hebben, sig op den 5: deeser te Djoejocarta had gevonden, van welk broeder de eere had mij vriendelijk kennisse te geeven, onder herhaalde dank betuijgingen, voor so veele blijken van bijsondere agting, waere vriendschap en broederlijke vertrouwen, 't welk ik Broeder gedurende desselfs verblijf te soura Carta Adiningrat had gegeeven, en waer van de geheugenis voor Broeder steeds van de hoogste waarde soude sijn, en dat Broe„ der ook vooral hoopte en vastelijk vertrouwde, dat ik Denselve 't genoegen niet soude weijgeren, van sig niet ge„ rustheid te moogen verlaaten op de seekeren benodigheid van het geene verhandelt is tusschen mij en Broeder, op dat het selve ter sijner tijd niet onvervuld mogte blijven, den 29: Aug=s 1788. alzoo A

NL-HaNA_1.04.02_3816_0747 view scan ↗

English

469. the 29: Aug=s 1788. — as this and the steadfastness of the generous assurances given by me henceforth to no longer remember what happened during the time of the Resident Palm, would afford Brother the greatest honor and substantial pleasure; furthermore that, alongside the Resident Hartzinck, returning to Sourakarta with Brother's thanks and cordial greetings was the Pangerang Ingebij, whom I had designated for Brother's escort and with whose zeal and attentiveness Brother was very well pleased, and that Brother furthermore, in regard to Brongto Coessoem, desired that an investigation should be conducted into whether there might perhaps be persons by whom he was instigated, which investigation shall then also be carried out by me, and thus Brother may please harbor no further doubts in that regard; while I and your Right Honorable son, the Pangerang Adipattij Anom, together with my other children, grown and small, sons and daughters, greet Brother in the most affectionate manner. Below stood: Written on Thursday the 12: of the Light Dulchaijda, in the Year Djimakier 1714. Lower: Translated by me: was signed: F: I: Rothenbuhler sec:s Copy of the letter from the Right Honorable Governor to the Crown Prince at Soura Carta written the 12: August 1788. Furthermore, I hereby kindly inform my son that, after a pleasant journey, I arrived here at Djoejocarta Adiningrat on the 5: of this month, while I at the same time cannot refrain from expressing my particular pleasure at the cheerful openheartedness with which my son, during my presence at Soura Carta Adiningrat, showed me so much honor and courtesy, which serve as thorough proof of how highly my son values the esteem, love, and affection of the Company, and that I can thus with pleasure call myself your Highness's father. In that capacity I shall also consequently always be mindful of the affectionate and cordial conversations in which we both found so much enjoyment, and wherein I imparted my paternal advice with the best of intentions to my son, and my wishes shall only be fully realized when I perceive that my son continually turns the same to his advantage, just as I may with the greatest right expect, since I intended nothing other thereby than your Highness's own happiness and well-being. I rely therefore on my son's cordial assurance, both in this regard and with respect to the events about which my son was with the greatest justification dissatisfied, and that these shall henceforth be utterly forgotten, together with him who caused them. Herewith I add my affectionate greeting to your Highness with the most cordial wishes for complete health, prosperity, and contentment, for many days to come. the 29: Aug=s 1788. — Below stood: 471. the 29: Aug=s 1788. — Below stood: Written at Djoe Jocarta Adiningrat the 12: August 1788. was signed: J: Greeve. Copy of the translation of the Javanese letter written by the Pangerang Adipattij Anom at Sourakarta, to the Honorable Lord Governor and Director on and along Java's Northeast Coast, received the 15: August Anno 1788. — The letter sent to me by Father, I have duly received and understood its entire contents, namely that Father informs me that Father, after his departure from Sourakarta, had arrived at Djoe Jocarta on the 5: of this month after a pleasant journey, and that Father could not refrain from expressing his cordial pleasure, in the relationship that your Right Honorable holds toward me as toward a son, on account of the honor and courtesies which I had shown Father during his stay here at Soura Carta and which serve as true proof of how very much I was inclined toward the Company and toward your Right Honorable, and indeed I also wish that your Right Honorable may always address me by the name of son. I shall also, in this capacity, always remember my cordiality, which provided your Right Honorable with so much enjoyment. While the counsels added thereto by your Right Honorable have been very useful to me in this matter, and whereof Father's wishes would only be completely fulfilled when your Right Honorable noticed that I continually turned them to my advantage, having intended nothing else thereby, as is also known to me, than this and that, the 29: Aug=s 1788. — and that your Right Honorable thus also completely relied upon my given assurance that everything would be arranged on a proper footing, for all of which I express my gratitude to your Right Honorable many times over, with the wish that such may also take proper effect; while I furthermore do myself the honor of adding to this my kind greeting to Father. Below stood: Written on Thursday the 12: of the Light Dulchaijda in the Year Djimakir 1714. Lower: Translated by me: was signed: F: J=s Rothenbuhler sec:s Conference held by the undersigned Governor and Director of this Coast with the Pangerang Adipattij MangCoe nagarra, in the presence of the Senior Merchant and First Resident of Soura Carta, An dries Hartzinck, on the 1: Aug=s 1788. — The state of affairs at the Court of Soura Carta having caused the Governor, already since his arrival here, to consider it of great utility and even as very necessary to converse with the Pangerang Adipattij MangCoenagara residing here, on a suitable occasion, regarding various matters and events in a manner that would exert the most influence and promise the best success, and having subsequently been further convinced of the assumed necessity by several circumstances that occurred in succession, this Conference was appointed for this purpose, on the occasion that

Dutch transcription

469. den 29: Aug=s 1788. — alzoo dit en de onwrikbaerheid van de door mij gedaene Edelmoedige verseekeringen van voortaan aan het gebeurde ten tijde van het opperhoofd Palm, niet meer te sullen gedenken; Broeder de grootste eer en het weesentlijk genoegen soude ver„ schaffen; voorts dat neevens het opperhoofd Hartzinck met broeders danksleggingen en hartelijke groete na sou„ racarta te rug keerden den Pangerang Ingebij, denwelke ik tot broeders geleijde had bestemd en met wiens ijver en op„ lettenheid broeder seer vergenoegd was, En dat broeder voorts ten opsigte van Brongto Coessoems begeerde, dat ondersoek soude gedaan werden, of er somwijlen lieden waeren, door welke hij aangehitst werd, welk ondersoek dan ook door mij geschieden zal en dus gelieve sig broeder dien aangaande geene twijffelingen meer voortesetten; terwijl ik en uwel Ed gestr: zoon den Pangerang Adipattij Anom beneevens mijne verdere kinderen groot en klijn zoons en dogters, broeder op het minsaamste salueere. /:onderstond:/ gesz: op Donderdag den 12: van het Ligt Dulchaijda, in 't Jaer Djimakier 1714. /Lager / getrans„ s „bateert door mij /:was geteekent:/ F: I: Rothenbuhler sec:s Copia brieff van den Heere Gouverneur aan den kroonprins te Soura Carta geschreeven den 12: Augustus 1788. Wijders geeve ik mijnen zoon bij deesen vriendelijk ken„ nisse, dat ik na eene genoeglijke rijse, op den 5: deeser, hier te Djoejocarta Adiningrat ben aangekomen, terwijl ik ik teevens niet kan af zin mijn bijsonder genoegen te betuijgen over de blijmoedige gulhartigheid, waar meede mijn zoon, geduurende mijn aanweesen te soura Carta Adiningrat mij so veel eer en beleefdheeden heeft beweesen dat deselve tot een grondig bewijs verstrekken, hoe hoog mijn zoon de agting, de liefde en de toegeneegendheid van de Comp:e waardeerd en dat ik mij dus met genoegen uw Hoogheids vader kan noemen. In die hoedanigheid zal ik mits dien ook altoos ge„ dagtig zijn, aan de minsaame en hartelijke gespreken waar in wij beijde so veel vermaak vonden en waar in ik mijn vaderlijke raadgeevingen met het beste hart mijn zoon het meede gedeeld, en mijne wenschen zullen dan eerst volkoomen vervuld zijn als ik bespeure dat mijn zoon sig dezelve steeds ten nutte maakt, gelijk ik dat ook met het hoogste regt verwagten mag, wijl ik daer meede niets anders dan uw Hoogheids eijgen geluk en wel sijn heb bedoeld. Ik verlaat mij dan op mijn zoons hartelijke verseekering, so wel ten deesen opsigte, als ten aansien der gebeurtenis„ „sen waar over mijn zoon met de grootste regtmatigheid is onvergenoegd geweest en dat die dus voortaan ten eene„ „maal vergeeten zullen zijn, te gelijk met hem die dezelve veroorsaakt heeft. Hier bij voege ik mijn minsaame groete aan uwe Hoogheid met de hartelijkste wenschen van een volkomene gesondheid, voorspoed, en genoegen, tot in een lengte van daagen den 29: Aug=s 1788. — /:onderstond:/ 471. den 29: Aug=s 1788. — /:onderstond:/ Gesch: te Djoe Jocarta Adiningrat den 12: Augustus 1788. /:was geteekent:/ J: Greeve. Copia Translaat Javaanse brief gesch: door den Pangerang Adipattij Anom te souracanta, Aande Edele heer Gouverneur en directeur op en Langs Iavas Noord oostcust, ontfangen den 15: Augustus Ao 1788. — De door vader aan mij gesondene brief, hebbe ik wel ont„ fangen en dies geheelen inhoud verstaan, dat namentlijk vader mij te kennen geeft, dat vader na desselfs vertrek van Souracarta na eene genoeglijke rijse, op den 5: deeser te Djoe Jocarta was gearriveerd, en dat vader niet konde af„ zijn desselfs hartelijk genoegen te betuijgen, in de betrekking die uw Ed: gestr: tot mij als tot eenen zoon heeft, weegens de eer en beleeftheeden, welke ik vader geduurende desselfs verblijf alhier te soura carta beweesen had en welke tot een waar bewijs strekken, hoe seer ik tot de Comp:e en tot uwel Ed: gestr: geneegen was, en inderdaad ik wensche ook dat uwel Ed:e gestr: de naam van zoon steeds teegen mij voeren kan. Ik sal ook in deese hoedanigheid, althoos gedenken aan mijne hartelijkheid, die uwel Ed: gestr: so seer tot vermaak heeft ver„ verstrekt. Terwijl de door uwel Ed: gestr: daar bij gevoegde Raad geevingen, in deesen voor mij seer nuttig zijn geweest en waar van vaders wenschen eerst volkomen zouden ver„ „vult weesen, wanneer uwel Ed: gestr: ontwaarde, dat ik mij die steeds ten nutte maakte, als daarmeede /:gelijk mij ook bekend is:/ niets anders bedoeld hebbende, dan dit„ en dat den 29: Aug=s 1788. — en dat uwel Ed: gestr: sig dus ook volkomen verliet op mijne gedaane verseekering, dat alles op een behoor„ „lijke voet zoude geschikt werden, voor welk een en ander ik uwel Ed: gestr: veelmaals mijne dankbaarheid be„ „tuijge, onder toewensching dat zulx ook behoorlijk ge„ volg mag neemen; terwijl ik mij overigens vereere dee„ „sen, mijne vriendelijke groete aan vader bij tevoegen. /:onderstond:/ Gesch: op donderdag den 12: van't Ligt Dulchaijda in 't Jaar Djimakir 1714. /:Lager:/ getrans„ lateert door mij /:was geteekend:/ F: J=s Rothenbuchher se=s Conferentie gehouden door den onderge„ teekende Gouverneur en directeur deeser Custe met den Pangerang Adipattij MangCoe„ nagarra, ten bijweesen van den opperkoop„ „man en Soura Cartasch Eerste Resident An„ dries Hartzinck, op den 1: Aug=s 1788. — De gesteldheid van zaaken aan het Soura Cartasche Hoff, den gouverneur reeds zeedert zijne komst alhier, van veel nut en selfs als seer noodsaekelijk hebbende doen beschouwen, om den alhier zijn verblijf houdende Pangerang Adipattij Mang„ Coenagara, bij eene gepaste geleegenheid, over deese en geene zaaken en gebeurtenissen, op eene de meeste invloed maa„ kende en't beste succes belovende wijse, te onderhouden, en vervolgens nog door verscheijde hem na den anderen voorgekomene omstandigheeden, van dee gesustineerde necessiteijt nader geconvenieert, zijnde geworden, wierd, tot dit oogmerk, dese Conferentie bepaald, ter geleegenheid dat

NL-HaNA_1.04.02_3816_0751 view scan ↗

English

473. that the governor, together with the crown prince and the other children of the emperor, as well as the company of the governor and the qualified office servants, were in the Dalm or the Court of the said Pangerang Adipattij MangCoenagara from half past four in the afternoon until about half past twelve, for on this occasion the governor, among various other familiar and acquaintance-making conversations, made known to that Pangerang that he absolutely also had to confer with him on matters of importance and would choose a specific day for this; because at present there was no opportunity for it, on account of the presence of the crown prince, who attended this reception solely out of politeness toward the governor. The governor also added, in order to make him, Pangerang, regard this conversation in advance as being of all the greater weight: Until now I gave you the name of father, because of your years and the esteem I bear you, but tomorrow I shall come as a father because I shall speak to you as to a child of the Comp:e. The Pangerang, acknowledging this with many signs of respect, very readily consented to this proposed conference, although behind it he showed himself very eager to be allowed to know right at that moment what the reasons for it might be, which curiosity, however, the governor did not find consistent with his purpose to satisfy, and which therefore subsequently increased greatly, when the Soura Cartasch First Resident Hartzinck, upon his repeated inquiries, constantly professed to be entirely ignorant of the matters about which the governor the 29: Aug:s 1788. intended to converse with him. Pursuant, then, to this agreement, the governor proceeded at nine o'clock in the morning, together with the said First Resident Hartzinck, in a carriage to the Dalm of the said Pangerang Adipattij Mang Coenagarra deliberately and with the intention of demonstrating all the greater trust, taking with him no other retinue than a picket of Company dragoons, who, together with the trumpeters and attendants, rode partly in front of and the rest behind the carriage. Having arrived in the Dalm of the Pangerang Adipattij Mang Coenagaroa, his numerous troops were found under arms, properly posted, and everything in good order, the Governor and the said First Resident Hartzinck being led by that prince first into a downstairs apartment and thereafter into one of the upper rooms of his house, in order to be able to speak with one another all the more freely. Having been seated, the governor took the floor, expressing in the first place his pleasure at the elevation which, in accordance with the Pangerang's desire and the intercession so urgently requested of the governor for that purpose, had been made by the Emperor on the 29: Iulij, or now three days ago, in favor of his Pangerang's son the Tommongong Soerio Coessoemo to Pangerang, under the name of Poerbo Nogoro, with the addition of the territory of Trengalek to his former regency of Tronorogo, and the appointment of another of His Highness's sons as Tommongang and Regent of the territory of Wiera Saba, under the name of Soerio Merdjoijo, on which event the governor now the 29: Aug=s 1788. 475. the 29: Aug=o 1788. most amiably congratulated the Pangerang, adding at the same time how the emperor had allowed himself to be moved to this appointment solely through the governor's intercession, and to which intercession he had proceeded precisely because there was certainly a hardship in the fact that the son of the First Regent of Demak had been elevated to pangerang on account of his marriage to one of the emperor's daughters, and such had not occurred until now regarding the son of him, Pangerang Mangcoenogoro, although he had also already long been married to one of the Emperor's daughters, and thus his own honor as a father was also concerned in this. That this therefore provided renewed public proof of how deeply the Comp:e took His Highness's interests to heart and that it harbored an inner inclination to provide constantly for the welfare of him and his children. The Pangerang, having stood up after this, thanked the governor very emphatically for the intercession granted with the emperor and declared that he would remain eternally appreciative and grateful to the Comp=e for this great kindness; upon which the Governor continued by assuring the pangerang that, just as the Comp:e had already given so many proofs of its special esteem for him and his children, it would also never slacken therein, but would ever continue to show him, continuously, that same affection and esteem, so long as he, for his part, also continued to conduct himself as was consistent with his duty and as the Comp:e might with reason expect of him, although the governor at the same time declared that this necessary prerequisite had not, by him Pangerang, precisely

Dutch transcription

473. dat den gouverneur, neevens de kroonprins en verdere kinderen van den keijser, mitsgaders het gezelschap van den gouverneur ende gequalificeerde Comptoirs dienaa„ ren, sig van 's namiddags ten half vijf tos omtrent: half een uur, in den Dalm of het Haf van gemelde pan„ gerang Adipattij MangCoenagara bevonden, want te deser occagie gaf den gouverneur aan dien Pange„ rang, onder verscheijde andere familliaire en kennis maakende gesprekken, te kennen, dat Hij Htem absobut ook eens overzaaken van aangeleegenheid te onder„ „houden had. — en daar toe een expresse dag soude neemen; wijl thans daar toe geen geleegenheid was, uijt hoofde van het aanwee„ sen van den kroonprins die alleen, uijt believing voor den gouverneur, dit onthaal bijwoonde De gouverneur voegde er teevens bij om hem Pangerang dit onderhoud, bij voorraad; als van des te meerder gewigt te doen beschouwen: Tot hier toe gaf ik uw de naam van vader, weegens uwe Jaaren en de agting die uw toedrage dog morgen sal ik als vader komen om dat ik tot uw als tot een kind van de Comp:e sal spreeken. — De Pangerang dit niet veel. teekenen van eerbied erkennende, bewilligde seer gereed in deese voorgestelde Conferentie, schoon hij agter sig seer berig toonde, om nu maar op het oogenblik te mogen weeten wat de reedenen daar van mogten zijn, dog aan welke nieuwsgie„ digheid, den gouverneur met zijn oogmerk niet bestaan„ daar vond te voldoen, en die daar om vervolgens nog groote „lijks overmeerderde, toen den Soura Cartasch Eerste Resident ƒ4 Hartzinck, op zijne herhaalde afvragingen, steeds betuijgde geheel onkundig te zijn, van de zaaken waar over den gou„ den 29: Aug:s 1788. — verneur „verneur voor had hem te onderhouden. — Ingevolge dan van deese afspraak begaf sig den gouverneur 'Smorgens ten Neegen uuren neevens den gemelde Eerste Resident Hartzinck in een koets na de Dalm van gemelde Pangerang Adipattij Mang Coe„ nagarra met voordagt en inzigt om deste groter vertrouwen te doen blijken, geen ander gevolg met sig neemende, dan een Ficquet van de Compagnie Dra„ ganders, die beneevens de Trompetters ende oppassers, gedeel„ „telijk voor, ende overige agter de koets aanreeden. In de Dalm van den Pangerang Adipattij Mang Coenagaroa gekoomen zijnde vond men desselfs talrijke troepes in de wapenen, behoorlijk geposteert en alles in een goede ordre, wor„ dende den Gouverneur en gem: Eerste Resident Hantzinck, door dien prins eerst in een beneeden vertrek en daarna in een der bovenkamers van zijn huijs geleijd, om dies te vrijer met elkanderen te kunnen spreeken Heer gesenten zijnde, nam den gouverneur het woord, met in de eerste plaats Desselfs genoegen te betuijgen over de verheffing, die Conform 's Pangerangs verlangen en daar toe aan den gouverneur so instantig versogte voorspraak, door den Keijser op den 29: Iulij of nu voor drie dagen was gedaan, ten faveure van zijn Pangerangs zoon den Tommongong soerio Coessoemo tot Pangerang, onder de naam van Poerbo Nogorao, met toevoeging van het Landschap Trengalek bij desselfs voorig regentschap Tronorogo, ende aanstelling van een ander van zijn Hoogheids zoonen tot Tommongang en Regent van het landschap Wiera Saba, onder den naam van Soerio Merdjoijo, met welke gebeurtenisse den gouverneur den Pangerang den 29: Aug=s 1788. tans 475. den 29: Aug=o 1788. tans op het minsaamst vergelukt, onder bijvoeging tevens, hoe dat den keijzer zig tot deese aanstelling eeniglijk, door 's gouverneurs voorspraak, had laaten beweegen en tot welke intercessie hij Juijst daar van was overgegaan, wijl er seker eene hardigheid in geleegen was, dat de zoon van den Damaks Eerste regent weegens zijn huwelijk met een van 'T keijsers dogters tot pangerang verheeven was, en sulx omtrent de zoon van hem Pangerang Mangcoe„ nogoro schoon ook reeds lange aan een van 'S keijzers dogters gehuwd, tot hier toe nog niet was geschied, en dus zijn eijgen eer als vader hier bij ook geinteresseert was. Dat dit dus op nieuw openbaare blijken opleeverde, hoe seer de Comp:e zijn Hoogheids belangens ter harte nam en dat zij een innerlijke geneegenheid voede, om voor de welvaart van htem in zijne kinderen bestendig zorge te draagen. De Pangerang hier na opgestaan zijnde, be„ „dankte den gouverneur seer nadrukkelijk voorde ver„ leende voorpraak bij den keijser en betuijgde dat hij de Comp=e voor dese groote goedheid eeuwig erkentelijk en dankbaar zoude blijven; waar op den Gouverneur ver„ volgde met den pangerang te verseekeren dat, gelijk de Comp:e nu reeds so veele blijken van haere bijsondere agting voor hem en zijne kinderen, had gegeeven, sij dus ook niemmer daar inne verflauwen maar steeds voortvaeren zoude, om htem, bij aanhoudendheid, die selfde geneegenheid en agting te bewijsen, so lange hij van zijne kant sig ook soodanig bleef gedragen als met zijne pligt over een quam, ende Comp:e met reeden van hem verwagten kan, hoecvel de gouverneur teevens betuijgde, dat dit 'is noodsakelijk requisit, door hem Pangerang, Junst niet

NL-HaNA_1.04.02_3816_0754 view scan ↗

English

24 August 1788. had not always been properly observed, as could serve as convincing proof thereof the maintenance of a forbidden correspondence between him and his former wife, the Rathoe Bendhoro, daughter of His Highness the Sultan at Djoejacarta, and specifically with the explicit intention, if it were possible, to obtain her again as his wife, despite the reluctance of the Lord Sultan, whether by trickery or force, although he knew that such would never be allowed to him. The Pangerang thereupon showed the utmost astonishment at seeing himself thus accused of maintaining a correspondence of which he declared he had never thought, much less had actually carried out, and he showed his surprise all the more strongly when the Governor further informed him of everything that the deceased First Resident Palm had successively communicated to him in this regard; all of which being heard by him, indignation and wrath instantly flashed from his eyes, and jumping up with passion, he swore by everything that is holy that all of this was a shameful lie and maliciously invented to cast a blemish upon him and to make him suspect to the Company, in order to deprive him of its love and affection, and that he was also ready at all times to confirm this testimony under oath. That Palm had for a long time treated him very hostilely and harbored ill will toward him, without his having given him any reasons for this, and from which he said had also arisen the displeasure that the Emperor had harbored against him, the Pangerang, for a considerable time, but which 477. 29 August 1788. afterwards proved to be without foundation and to have arisen solely from false reports. That he could say much more about the said Palm, but would rather forget him as a bad person. The Governor, remaining silent for a while upon this until the Pangerang had finished speaking and had calmed down further, subsequently resumed speaking and declared that he placed full belief in what the Pangerang said and also rested content therein, which then seemed to satisfy him somewhat again. And after they had spoken for a while about this subject, the Governor took the opportunity to point out to the Pangerang how in any case it was neither becoming nor proper that he repeatedly renewed the so frequently made requests to be allowed to have the said Rathoe Bendhoro as his wife again, especially since he seemed merely to intend by this to involve both the head of the post here and the Governor at Samarang in difficult deliberations, as he usually came forward with such requests upon the appointment of a new Governor or chief, as had now taken place again with respect to the First Resident Hartzinck, apparently under the assumption that they, being still ignorant of the true state of these affairs, would attempt in one way or another to satisfy his aims, although it could not have been unknown to him that this request, having already been refused too many times, would not be granted to him in the future; and which conduct the Governor therefore declared did not at all correspond with the esteem and respect that he owed to the Company, from which he had enjoyed so many benefits, but that this was rather to be regarded as if he wished to mock the arrangements that have been made and established in this regard on behalf of the Company; but that this, however, would ill become him and could not be viewed with an indifferent eye or tolerated any longer, so that the Governor desired that he should declare without evasion what his conduct in this would be henceforth, in order then to be able to take the necessary measures thereafter. The Pangerang was somewhat abashed by this serious address; but as the required seriousness was at the same time accompanied by the necessary affability and friendliness, it had the effect on him that he also showed himself convinced that nothing else was desired of him than that which was in the highest degree fair and just, as he then also stood up from his chair and most solemnly declared, upon the hand of the Governor, that it would never occur to him again to request the aforesaid Rathoe Bendloro as his wife again, but that, on the contrary, he would from now on regard her as if, with respect to him, she no longer existed at all, indeed was already dead, and that the Company could thus rely on him fully acquiescing in its pleasure without doing anything directly or indirectly against it; with which assurance the Governor then also remained content, as being in accordance with the proper obedience that he, the Pangerang, owed to the Company and therefore was obliged to submit to its arrangements. Having departed from this subject, the Governor declared 29 August 1788.

Dutch transcription

den 24: Aug=s 1788. niet althoos behoorlijk was geobserveert geworden, ge„ „lijk daar van tot een overtuijgend bewijs konde dienen, het onderhouden van eene verbodene Correspondentie, tusschen hem en zijne geweesene vrouw de Rathoe Bendhoro dogter van zijn Hoogheid den sulthan te Djoejacarta en dat wel met dit uijtsigtelijk oogmerk, om waere het moogelijk, deselve, ondanks de tegensin van den Heer sulthan, het zij met list of geweld weder tot zijne vrouw te bekoomen, schoon wij wist, dat hem zulx min„ mer soude toegelaaten worden. — De pangerang toonde hier op de uijterste verbaastheid zig dus beschuldigd te zien met het houden eener Correspondentie, waar aan hij betuijgde nimmer gedagt, veel minder die dadelijk bewerkstelligd te hebben en zijne verwondering liet hij nog des te sterken blijken toen den gouverneur hem voorts te kennen gaf alles wat de overleedene Eerste Resident Palm, ten deesen opsigte, aan Hem successive had bedeeld; welke alles door hem vernoomen wordende, straalden verontwaardiging en gramschap denatelings uijt zijne oogen en met drift op springende, betuijgde hij bij alles wat Heijlig is, dat dit alles schandelijk geloogen en quaadaandig versonnen was, om hem een scheinvlek aante„ wrijven en bij de Comp:e verdagt te maaken, om hem Hare liefde en geneegenheid te onttrekken, en dat hij ook ten allen tijden bereijd was, deese betuijgenis met Eede gestand te doen. — Dat Palm hem sedert lange tijd seer vijandig behandeld en een quaade wart toegedraegen had, sonder dat hij hem hier toe eenige reedenen gegeeven had, en waar uit hij seijde, dat ook was voortgesprooten het misnoegen, dat de keijzer een ge„ „ruijme tijd, Ieegens hem Pangerang had op gevat, dog het welk 477. den 29: Aug=o 1788. welk van agteren was sonder grond en alleen uit valsche rapporten ontstaan te zijn. – Dat hij nog veel meer van gem: Palm soude kunnen seggen, dog hem liever als een slegt mensch wilde vergeeten: De Gouverneur hier op een poos stil swijgende, tot dat de Pangerang uitgesprooken. had, en verder tot bedaren was gekoomen, nam vervolgens het woord weder op en betuijgde aan des Pangerangs ge„ zegde volkomen geloof te slaan, en ook daarinne te berusten, het geen hem toen weder eenigermoeten scheen te vergenoegen. En na dat men nog een wijl tijds over dit sujet ge„ sprooken had, nam den gouverneur daar int occagie om den Pangerang te vertoonen, hoe het dog in allen gevalle nog voegsaam nog betamelijk was, dat wij telkens her„ haelde de so veelmaals gedaane versoeken, om de gemelde Rathoe Bendhoro weeder tot zijne vrouw te moogen heb„ ben, voor al daar hij hier door eenlijk scheen te bedoelen, om so wel het opperhoofd hier als den gouverneur te samarang in moeijelijke overdenkingen in tewickelen, wel hij gemeen„ „lijk met zoortgelijke versoeken voor den dag is gekoomen bij de aanstelling van een nieuwen Gouverneur of opperhoofd, gelijk nu weeder ten opsegte van den Eersten Resident Hartzinck had plaats gevonden, apparent in die veronderstel„ „ling, dat men nog onkundig zijnde vande ware gesteldheid deser zaaken, op de een of andere wijse aan zijne oogmerken zoude tragten te voldoen, hoewel hem egter geenzints onbekend heeft kunnen zijn, dat dit versoek, als reeds te veelmaals ont„ zogd, hem in het vervolg niet zoude werden ingewilligd, en welk gedrag den gouverneur dierhalven betuijgde, dat geensints over eenquam 6 een quam met de agting en eerbied die hij verschuldigd was, aan de Comp:e, van welke hij so veele weldaeden had genooten, maar dat zulx veel eer aantemerken was, als of hij den ppot wilde drijven, met de schikkingen, welke hier omtrent van weegens de Comp:e zijn gemaakt en vastgesteld; dog dat dit hem egter seer qualijk zoude passen en met geen onver„ schillig oog konde beschouwd of langer getollereert worden, invoegen de gouverneur begeerde, dat wij zig onbewimpeld zoude verklaaren, hoedanig zijn gedrag hier in voortaan zoude weesen, om dan daarna de noodige maatregulen te kunnen neemen. De Pangerang wierd over deese ernstige aanspraak wel eenigsints bedeest: Dan daar de vereijschte ernst tevens met de noodige minsaam en vriendelijkheid ge„ paard ging; so had zulx op hem die uijtwerking, dat hij sig teevens toonde overtuijgd te weesen, dat van hem niets an„ ders begeerd wierd, dan het geene ten hoogsten billijk en regtmatig was, gelijk hij dan ook van zijnen stoel opstond en op het plegtigste aan de hand van den gouverneur betuijgde dat nooijt meer in hem zoude ovrkoomen, en voorsz: Rathoe Bendloro, weeder tot zijne vrouw te versoeken, maar dat hij haar inteegendeel van nu af aan aanmerken zoude als of zij, ten sijnen opsigte, in 't geheel niet meer in weesen, Ja reeds dood was en dat de Comp:e dus konde staat maaken dat hij volkoomen in haar welbehaagen zoude berusten sonder direct of indirect daar teegen iets te doen, met welke verseekering sig den gouverneur dan ook te vreeden hield, als overeenkomstig de betamelijke gehoor„ zaamheid, welke hij Pangerang aan de Comp:e schuldig en mits dien verpligt is, sig haere schikkingen te onderwerpen. — Van dit onderwerp afgestapt zijnde, betuijgde den gou„ den 29: Aug=s 1788. verneur

NL-HaNA_1.04.02_3816_0757 view scan ↗

English

Governor, that another aforementioned reason for his desire to have a private conference with him, Pangerang Adipattij Mangcoenagarra, was to be noted in what occurred on 26 July last at the court of the Emperor, when he, the Pangerang, in the hearing of the Crown Prince and the first residents of both courts, Hartzinck and Ysseldijck, as well as all the other persons present there, both Europeans and Javanese, publicly under the pagelarang or in the forecourt, had asked the Governor for permission to accompany His Honour to Djococarta, under the pretext that, having now grown old, he intended to reconcile with the Sultan, and to which the Governor had then immediately consented at that time, in order not to give cause, through a fearful refusal, for the formation of ideas as if one were afraid that he, the Pangerang, would cause trouble for the Sultan or the Company; while the Governor then understood that this Pangerang would not make this request so openly if he did not count on a refusal, and then boast of it in public and constantly make himself appear highly feared, and that thus a striking consent might perhaps not fail to have a good effect on this restless person and could all the more easily be risked, since one always remained master of him and his coming or going through the channel of the Emperor. The Governor therefore now asked His Highness whether this request had indeed been in earnest, or not, in order to be able to make the necessary orders thereafter. 29 August 1788. The Pangerang, seeing himself thus earnestly addressed on this matter, not without visible embarrassment, declared that he had requested it purely out of raillery as a pastime, and had meant nothing else by it, upon which declaration the Governor, no less earnestly than kindly, pointed out to him how wrongly he had acted by coming forward with such an ill-considered request at precisely such an inopportune time and place, as if he had intended to cause embarrassment by it, since he must certainly have been under the supposition that this request would not be granted to him, out of apprehension that he would start some unpleasant game or other, with the assurance that if these had been his, the Pangerang's, thoughts, he was greatly mistaken, for this had now been shown to him most clearly by the Governor's immediate consent to accompany His Honour, and that this should serve him as proof of the Company's complete tranquility and ability to preserve everything in peace and quiet, without the presence of him, the Pangerang, at Djoejo during the Governor's presence being able to hinder that in the least. And since the said Pangerang thereupon once again requested that this should not be taken amiss, but might only be regarded as an unthinking raillery, the Governor let the matter rest there, though not without adding this fitting admonition never again in the future to make similar matters the objects of raillery and pastime, but henceforth to refrain from them so as to give the Company no reason to be justly displeased with him. This subject gave rise to further talk of the Sultan and especially of the bitterness that constantly seems to continue to prevail between that monarch and him, Pangerang Adipattij Mangcoenogoro, of which the Governor made known that he had recently heard a striking proof, consisting in this: that he, Pangerang Adipattij Mangcoenogoro, on the occasion of the elevation of one of his grandsons by the Emperor to Pangerang under the name of Mangcoeboemie, being the name that was formerly also borne by the Sultan as Pangerang, had lashed out violently against the Sultan and used several improper expressions against him, which by no means became him nor could be approved of in him, with the addition that it was therefore also expected that he, the Pangerang, from now on would refrain from such reprehensible conduct, so that there might be no reason to complain about him to the Company, which the Pangerang then also willingly undertook to comply with properly, although he at the same time assured in the most solemn manner that he had by no means to reproach himself with ever having acted otherwise or spoken ill of the Sultan, but that this, as well as the alleged correspondence between him and the Ratoe Bendora, was entirely fabricated, with no other intention than to make the Company displeased with him, to which assurance the Governor then also testified well

Dutch transcription

479. „verneur, dat ook als een voornoeme oorzaak van zijn verlangen, om met hem Pangerang Adipattij Mangcoe„ nagarra, eene Aparte Conferentie te hebben, was aan„ temerken, het voorgevallen op den 26: Julij Jl: aan het Hof van den keijzer, wanneer hij Pangeranen, ten aanhoore van den kroopprins en de eerste residenten der beijde Hooven Hartzinck en ijsseldijck mitsgaders alle de verdere daar aanweesig zijnde persoonen, so Europeesen, als Javaanen, publicq onder de pagelarang of in het voor hoff, den gouver„ „neur permissie had versogt om zig in gezelschap van zijn Ed: na Djococarta temogen begeeven, onder het voorwendsel, dat hij, nu oud geworden, zijnde, voornee„ mens was, om sig met den sulthan te versoeken, en waar„ inne den Gouverneur dan ook te dier tijd direct bewilligd had, om door eene beschroomde weijgering geene aanleijding te geeven tot het formeeren van iders als of men bevreest was, dat Hij Pangerang den sulthan of de Comp:e moeijelijk„ heeden soude veroorsaaken; terwijl den gouverneur toen begreep, dat dien Pangerang dit versoek niet so opentlijk zoude doen, indien hij geen staat maakte op een weijgerend. antwoord, en om sig dan daar op in het openbaar te verho„ vaardigen en zig steeds als ten hoogsten gevreest te doen be„ schouwen, en dat dus een frajpante toestemming misschien, niet zoude missen op dit onrustig mensch van een goede uijt„ werking te zijn en te ligter konde gewaagd worden, daar men dog althoos van hem en zijn gaan of blijven, door het Canaal van den keijzer meester bleef. — Den gouverneur vroeg. derhalven als nu aan zijn Hoogheid of dit verzoek hem inder„ „daad eanst was geweest, of met, om daarna de noodige den 29: Aug=s 1738. — ordres „ den 29: Aug=s 1788. — ordres te kunnen stellen. — De Pangerang, niet zonder blykbaare verleegendheid, sig hier over dus ernstig onderhouden ziende, verklaarde zulx uijt louter raillerie tot tijd passeering versogt. en daar meede niets anders bedoeld te hebben, op welke te kennen gave den Gouverneur Hamn Pangerang nieta min ernstig als vriendelijk voorhield hoe qualijk hij gedaan had met zulk een onberaden versoek Juist op so een ongeleegene tijd en plaats voor den dag te koomen, eeven als of wij gemeent had daar door verleegendheid te ver„ „wekken, vermits hij seeker in de suppositie moet zijn geweest, dat htem dit versoek niet zouden werden ingewil„ ligd, uijt bedugting dat wij het een of ander onaangenaame spel beginnen zoude, met verseekering, dat ingevalle dit sijn Pangerangs gedagten geweest waeren, wij sig dan gro„ „telijx vergiste, want dat hem sulks als nu ten klaarsten N gebleeken was, uijt des gouverneurs directe bewilliging om zijn Ed: te versellen en dat zulx hem ten bewijse moest strekken van Comp=s volkomen gerustheid en vermoogen, om alles in rust en vreede te bewaaren, sonder dat de teegenwoordigheid van hem Pangerang te D joejo, geduurende het aanweesen van den gouverneur, daar aan in het minste hinderlijk soude kunnen zijn. — En vermits gemelde Pan„ gerang hier op nogmaals versogt, dat zulx niet ten ongoede opgenoomen, maar eenlijk als een onbedagte vaillerie mogt aangemerkt worden, so liet den gouverneur het zelve hier bij berusten, hoe wel niet sonder 'er deese gepaste ver„ maning bij te voegen van soortgelijke zaaken in 't vervolg min„ mer weder tot voorwerpen van raillaie en tijd passeering te 481 den 29 Aug=s 1788: te maaken, maar sig daarvan voortaan te onthouden om de Compaginie dus geen reeden te geeven over hem met reeden misnoegt te zijn. Dit onderwerp gaf aanleijding, om verder van den sulkhan te spreeken en insonderheid van de verbittering, die tusschen dien vorst en Item Pangerang Adipattij Mang Coenogoro, steeds scheint te blijven heerschen, waar van de gouverneur te kennen gaf nog onlangs een doorslaande blijk vernoomen te hebben, bestaande hier inne: dat hij Pangerang Adipattij Mangfoenogoro, ter geleegenheijd vande verheffing van een er zijner kleijn zoons, door den keijzer tot Pangerang onder de Naam van Mangcoeboenie zijnde de naam, die wel eer door den sulthan als Pangerang ook gevoerd wierd, heevig off teegen den sulthan uijtgevaeren en verscheijdene onbeta„ melijke uijtdrukkingen teegen hem gebeesigd had, welke hem geensints passen nog in hem konde goed gekeurd werden, onder bijvoeging dat dierhalven ook wierd verwagt, dat hij Pangerang vannu af aan sig van een diergelijk laakbaer gedrag zoude menageeren, ten eijnde men geen reeden magt. hebben, om sig overhem bij de Comp:e te beklaagen, 't geene den Pangerang dan ook met bereijdwilligheid aannam rig„ tig te zullen nakoomen, hoewel mij teevens, op het plegtig„ „ste verseekerde, dat hij zig geen sints te verwijken had, ooij't anders gehandelt te hebben of van den sulthan kwalijk te hebben gesprooken, maar dat dit, so wel als de voorge„ geevene Correspondentie tusschen Hem ende Rathoe ben„ dora, ten eenemaal versonnen was, met geen ander in„ sigt dan om de Comp:e op hem misnoegd te doen worden, aan welke verseekering den gouverneur dan ook betuijgde wel

NL-HaNA_1.04.02_3816_0760 view scan ↗

English

the 29th August 1788. — to give credence, and with which this matter was dropped. Then hereupon the Governor declared further to be very offended both by the wanton acts committed from time to time by the Pangerang's people against the Emperor's subjects as well as other persons, and by the improper liberties he allowed himself by immediately taking to the field with armed men upon the slightest incident and taking the law into his own hands, just as had taken place a few days ago even in the presence of the Governor, upon the arrest of one of his subjects named Cajoen by the Emperor's people for horse theft, when he, the Pangerang, had the same forcibly carried off by a certain Prodjo Jude with armed men, which the Governor declared was by no means permitted or lawful for him, the Pangerang, as a subject of the Emperor, and by which he had offended all the more since he had thereby also failed in the due respect and proper deference for the Governor, as it was certain that if he had suffered wrong in this case, he ought to have addressed himself to the Governor, who would then also have provided him with fair satisfaction, whereas now, instead of making proper use, he had on the contrary made great abuse of the authority granted to him for some time by the Emperor with the aim of having him supervise this and that matter, and pursuant to which he was obliged to contribute everything to maintain peace and tranquility. — The Pangerang having become ashamed over this, 483. tried to excuse his conduct by attributing it to his strong passion over the wrong done to him in the person of his aforementioned subject. But the Governor demonstrated to him once again how little this conduct agreed with his engagement to the Company and the Emperor, or with his own interests, the more so because the latter particularly required that not the slightest cause for difficulties or unrest be given by him, and also never to use weapons in any cases or circumstances except with the Company's consent and upon its order, so that there might constantly be reasons to continue taking the same care for his prosperity as had been done to this day; adding that he, the Governor, therefore advised and exhorted the said Pangerang, as a true and sincere friend, to conduct himself more cautiously in the future and to fulfill the contents of his engagement with greater exactness, which the Prince hereupon also promised, saying: I am at fault and have acted wrongly, and henceforth shall never again take recourse to arms, but in case of any injury seek my justice from the chief, so that he may provide satisfaction to me; thus requesting once more that what had occurred be overlooked, to which the Governor consented. All these matters having thus been settled and arranged in such a pleasant manner as one could never have imagined, the Governor informed the Pangerang that he would at the first opportunity make a detailed the 29th August 1788. — report the 29th August 1788. — to their High Excellencies, the Lord Governor-General and the Lords Councilors of the Indies, so that just as the Pangerang, for himself and his people as the Company's children, relies on their help and protection, the Company on the other hand may also be quietly assured of his loyalty and obedience; whereupon the Pangerang expressed his joy and satisfaction, since he said this had long been a desired matter for him, as his innocence would then also appear concerning so many matters as had been so very unjustly laid to his charge by the deceased chief Palm. And after a short time had subsequently been spent in a friendly conversation about some other matters, the Governor stood up and expressed his satisfaction with the interview held with His Highness, assuring him at the same time that he would always remember it and always expect that His Highness would also conduct himself in the future as he had so solemnly assured on this occasion; which the Pangerang promised once again most strongly, and at the same time exclaimed as if in an ecstasy that he thanked God for having granted him the fortune of being able to meet the Governor and to speak about everything so fully; for which friendly as well as earnest assurance the Governor affably thanked him, and thereupon took leave of His Highness and departed for the Lodge. At the bottom stood: Soura Carta date as above. Was signed: Jan Greeve. In the margin: In my presence. Was signed: A: Hartzinck. — Copy

Dutch transcription

den 29: Aug=s 1788. — wel geloof te willen slaan, en waarmeede men hier van afstapte. Dan hier op verklaarde den Gouverneur alverder seer ont„ stigt te zijn so over de baldadigheeden, welke nu en dan door des Pangerangs volk so wel ten aansien van 's keijzers onderdanen als andere persoonen gepleegt werden, als over de onbehoorlijke vrijheeden welke hij sig veroor loofde, door bij de minste voorvallen direct met gewapend volk op de been te koomen, en sig selven regt te verschappen, so als selfs bij het 67 aanweesen van den Gouverneur nu voor eenige dagen had plaats gehad, bij het in hegtenis neemen van een zijner onder„ „danen in name Cajoen door 's keijzers volk, over Paarde dieverij, hij Pangerang denselven door sekeren Prodjo Jude met gewapende manschappen geweldadig had laten weg voeren het geen de gouverneur verklaarde hem Pangerang, als een onderdaan van den Keijzer, geensints vrij te staan of geoor„ loofd teweezen en waar door hij sig nog des temeerder ver„ greepen had nu hij daar door tevens had gemanqueert in de verschuldigde eerbied en het behoorlijk ontsag voor de gou„ verneur, alzo het seeker was dat so hij indit geval ongelijk had geleesen hij sig als dan aan den Gouverneur had behooren te addresseeren, die hem ook als dan eene billijke voldoening soude besorgd hebben, terwijl hij als nu, in sterde van een behoor„ „lijk gebruijk ter Contrarie een groot misbruik had gemaakt van het gesag dat hem sedert enigen tijd door den keijzer is verleend met oogmerk om hem over deese en geene zaken het opsigt te doen houden en ingevolge van het welke zij verpligt was, alles toetebrengen om de rust en tranquili „teis te bewaren. — De Pangerang hier over beschaamd geworden 483. geworden, tragte sijn gedrag te verschoonen door het selve toe„ te schrijven aan zijne sterke drift over het ongelijk Hem in gem: sijnen onderdaan aangedaan. Dan de gouverneur toonde hem andermaal aan hoe weijnig dit gedrag nog met zijne verbintenis aan de Comp:e en den keijzer nog met zijne eijgene belangens over een kwam, temeer daar dit laatste insonderheid ook vorderde dat door hem geen de minste aanleiding werd gegeeven tot moeijelijk„ heeden of onlusten ook de wapenen nimmer in eenige gevallen af geleegentheeden te gebruijken als met Comp„s toestemming en op hare order ten einde men bestendig raedenen mogt hebben, om voor sijnen welvaart bij aanhoudenheid die selfde sorg te dragen, als tot heeden toe was geschied met bijvoeging dat hij gouverneur Item Pangerang dierhalven, als een waar en opregt vriend rade en vermaande, om sig in den aanstaande voorsigtiger te gedragen en met meerder nauwkeurigheid aanden inhoud van sijne verbindtenis te voldoen, het geene dien Prins hier op dan ook beloofde, seggende: ik heb schuld en qualijk gehandeld, en sal voorthaan nooijt meer mijne toevlugt tot de wapenen neemen maar ingevalle van eenige verongelijking, mijn regt bij het opperhoofd zoeken, op dat die aan mij voldoening kan besorgen versoekende dus nogmaals het voorgevallene, tewillen passeeren waar in de gouverneur hem genoegen gaf. Deese zaaken dus alle afgehandeld en op so een genoeglijke wijse geschikt zijnde, als men sig nimmer soude hebben kun„ nen voortstellen, so gafde gouverneur den Pangerang te kennen, dat hij van dit alles bij de eerste occasie omstandig den 29: Aug=s 1788. — verslag den 29 Aug=s 1788. — verslag soude doen aan hunne Hoog Edelheeden, den Heere Gouverneur Generaal ende Heeren Raeden van Indie op dat gelijk de Pangerang voor sig ende sijne als Comp:s kin„ „deren, op haar hulp en bescherming staat maken, de Comp:e daar en teegen ook gerustelijk verseekerd mag weesen van zijne trouw en gehoorzaamheid, waar op de Pange„ „ang zijne blijdschap en genoegen betuijgde, wijl hij sijde sulx voor hem een lang gewenschte zaak te zijn, alzo dan tevens zijne onschuld soude blijken van so veele zaken „ als hem so seer ten onregte door het overleeden opperhoofd Palm waren ten lasten gelegd. En na dat men vervolgens nog een korte poos had toege„ „bragt met een vriendelijk gesprek over eenige andere za„ „ken, stond den gouverneur op en betuijgde desselfs genoegen over het onderhoud met zijne Hoogheid gehad, met verseekering teevens daar aan altoos te sullen gedenken en steeds te ver„ wagten, dat zijne Hoogheid sig in den aanstaande ook sodanig soude bestieren, als hij bij deese gelegenheid op so eene plegtige wijse had versekerd 't geene den Pangerang nogmaals op het kragtigste beloofde en tevens als in eene verrukking uitreep dat wij God dankte dat hij hem het geluk had vergunt van den Gouverneur te moogen ont„ moeten, en over alles so breedvoerig te kunnen spreeken, voor welke so vriendelijke als ernstige verseekering, den gouverneur hem minsaam bedankte en voorts van zijne Hoogheid afscheid nam en na de Logie vertrok /:onderstond/ Soura Carta dato voorsch: /:was geteekend/ Ian Greeve (in margine / Mij present /:was geteekend:/ A: Hartzinck. — Copia

NL-HaNA_1.04.02_3816_0763 view scan ↗

English

485. Copy of a letter written by the Lord Governor to Pangerang Adipattij Mangcoenogoro. During my presence in Soura Carta, so many kindnesses were shown to me by Your Highness, and I have conceived such great esteem and brotherly friendship for Your Highness, that I hastened to seize the very first opportunity to assure Your Highness once more that I found the greatest pleasure in the confidential intercourse which I have had with Your Highness. Nothing, however, exceeds the satisfaction that I have concerning the discussion, as businesslike as it was confidential, with Your Highness in the presence of the Chief Hartzinck, because thereby many matters have been settled in such a manner that both the tranquility and the pleasantries of life of Your Highness can henceforth be permanent. For since Your Highness has given me such solemn assurances regarding the Ratoe Bendhoro, that Your Highness shall henceforth entirely and utterly forget her and consider her as dead and no longer in existence, without ever making any request concerning her again, and furthermore also that Your Highness shall never again take recourse to arms or make use thereof unless with the Company's consent and upon its order, and therefore in case Your Highness or his subordinates should suffer any injury, Brother shall then seek justice and satisfaction from the Company, just as it will always be given and provided in accordance with equity, so I can now also further give Your Highness the most powerful the 29th of August 1788. assurance the 29th of August 1788. assurance that the Company shall always remain the friend and the benefactor of Your Highness and his children, who may and can safely rely upon the Company's steadfast loyalty and well-meaning affection. In the meantime, in accordance with my agreement with Your Highness, I shall make an accurate report of what has been negotiated between us to His High Excellency the Lord Governor-General and the Lords Councilors of India, so that the same, being further convinced of Your Highness's devotion, fidelity, and dutiful obedience, may take the most favorable measures which can forever make permanent the interest and prosperity of Your Highness and his children. I add hereto my well-meaning greetings to brother, my true friend, also to Your Highness's children, wishing all salvation and prosperity. Below was written: Written in Djoe Jocarta Admingrat on the 12th of August 1738. Was signed: I: Greeve. Translation of a Javanese letter written by Pangerang Adipattij Amang Coenogoro, received at Djocjocarta on the 15th of August 1788. Yesterday I had the pleasure of receiving Your Right Honorable's missive and understanding its contents, being most highly gladdened in my heart that Your Right Honorable as well as the Company continually hold me dear and would also never forget me down to my children and grandchildren, who trust in the Company; and that I 487. the 29th of August 1788. that I should now leave my wife the Ratoe Bendoro and regard her as dead, regarding which I shall firmly conduct myself according to the orders of the Company, so that this may be submitted to His High Excellency the Lord Governor-General and the Councilors of the Indies. That I may then only sit and sleep pleasantly, and that my body may also be well conditioned, and if I should ever come to pass away, that my possessions, together with my goods, may then be transferred to my children and grandchildren, for which purpose His High Excellency the Lord Governor-General, together with the Lords Councilors of India, may please provide us with a single document, namely an authorized paper regarding the inheritance of children and grandchildren. Written on Thursday in the month of Dulchaijda in the year 1784. Below was written: translated by me. Was signed: F: J: Rothenbuller, Secretary. Translation of a Javanese writing written by the Sultan to his brother the Noble Lord Governor. I reveal hereby to Brother everything that passes in my heart, both the pleasant and the unpleasant, for the reason that I am sensible that God Almighty and the Prophet Muhammad have caused me to be made a prince through the Company. Whom else, then, should I invoke to gladden my heart and that of my subjects, which necessarily must serve the 29th of August 1788. serve the tranquility and peace of Java, than my Brother, and grandfather the Lord Governor-General together with the Councilors of the Netherlands Indies, which is also why I put down in writing the cause of my uneasy heart, consisting in the currently existing halt of the undertaking of the journey to Batavia by my patih, the Adipattij Danoeredjo, the grandson being far from his grandfather, and the son far from his father, which is why this also makes the hearts of my subjects uneasy, it being regarded by them as if I were far removed from the Company, and this might sometimes not tend at all to the benefit of the country, for which reason I therefore also request of my Brother the Company, and my grandfather the Lord Governor-General, together with the Councilors of India, that the journey to Batavia of my Patih Danoeredjo may take place according to custom, which will be most pleasant to me and my subjects, and I think that it would increasingly be to the benefit of the country. This is my request of God Almighty and the Prophet Muhammad, placing my complete trust in Brother that Brother can be of assistance to me in this, and I am also fully convinced that Brother will contribute everything that can only serve to my pleasure and that of my subjects. Written in Djoe Jocarta Adiningrat, on Thursday the 11th of the light of Dulkahidah in the year Jimakir, anno 1714, or the 14th of August 1788. Below was written: for the translation: I: G: van den Berg. Copy.

Dutch transcription

485. Copia Brief gesch: door den Heere Gouverneur aan Pangerang Adipattij Mangcoenogoro. Mij zijn geduurende mijn aanweesen te soura Carta van uwe Hoogheid so veel vriendelijkheeden beweesen en ik heb voor uwe Hoogheid sulk een groote agting en Broederlijke vriendschap opgevat, dat ik mij haaste om de aller eerste gelegentheid waar te neemen, uwe Hoogheid nogmaals te betuijgen dat ik het aller grootste genoegen heb gevonden in de vertrouwelijke omgang, welke ik met uwe Hoogheid heb gehad. Niets overtreft egter het kententement, dat ik hebbe over het so sakelijk als vertrouwend onderhoud met uwe Hoogheid ten bijweesen van het opperhoofd Hartzinck also: daar door veele zaken vereffend zijn op eene wijse, waar door so wel de rust, als de Leevens aangenaamheeden van uwe hoogheid voortaan bestendig kan zijn. want hun uwe Hoogheid mij sulke plegtige verseeke„ ringen heeft gegeeven ten opsigte om de Ratoe Bendhoro, dat uwe Hoogheid haar voortaan geheel en al vergeeten en houden sal als dood en niet meer in weesen, zonder im„ mer meer om haar einig versoek te doen, en voorts ook dat uwe Hoogheid nimmer weder toevlugt tot de wapen en neemen of daar van gebruijk maken sal ten sij met Comp=s toestemming en op hare order en dus ingevalle uwe Hoogheid of zijne onderhorigen eenige verrugelijking geschied, Broeder als dan bij de Comp:e regt en voldoening sal vragen, gelijk die ook altoos, nabillijkheid gegeeven en besorgd sal worden, so kan ik uwe Hoogheid tans ook nader de kragtigste den 29: Aug=s 1788. — verseekering den 29: Aug=s 1788. verseekering doen dat de Comp:e steeds sal blijven de vriend, en de weldoener van uwe Hoogheid en zijne kinderen, welke sig op Comp=s standvastige trouw en welmeenende toegeneegenheid, vijlig kunnen en moogen verlaten. — Ondertusschen sal ik volgens mijne afspraak met uwe Hoogheid van het tusschen ons verhandelde een nauwkeurig verslag doen aan zijne Hoog Edelheid den Heere Gouverneur generaal ende Heeren Raaden van India, op dat Hoogst deselve van uwe Hoogheids aankleeving, trouw en schuldige gehoorsaamheid nader overtuijgd, de gunstigste maatregulen kunnen neemen welke het delang ende welvaard van uwe Hoogheid en zijne kinderen voor altoos kunnen bestendig maken. — Ik voege hier bij mijne welmeenende groete aan broeder mijn ware vriend, ook aan uw Hoogheids kinderen, met toewensching van alle heijl en voorspoed /:onderstond:/ Gesch: te Djoe Jocarta Admingrat den 12: Aug=s 1738: /:was geteekend:/ I: Greeve. Translaat Iavaansche Brief geschr: door Pangerang Adipattij Amang Coenogoro, ontvangen te Djocjocarta den 15: Augustus 1788. — op gisteren hebbe ik het genoegen gehad uwel Ed: gestr: missive te ontvangen, en dies inhoud te verstaan zijnde ik ten hoogsten verblijd in mijn Htart dat uwel Ed: gestr: zo wel als de Comp:e mij bij voortvarendheid leef hebben en ook nimmer vergeeten soude tot op mijne kinderen en kindskinderen, welke op de Comp:e vertrouwen; En dat ik 487. den 29: Aug=s 1788. — dat ik nu mijne vrouw de Ratoe Bendoro verlaten en als dood aanmerken soude daar omtrent sal ik mij vastelijk gedragen na de orders van d'Comp:e op dat sulks mag voorgedragen werden aan zijne Hoog„ Edelheid den Heere Gouverneur Generaal ende Raden van Indien Dat ik dan maar eniglijk aangenaam zitten en slapen mag, en dat mijn Lichaam ook wel gesteld mag zijn, En zo ik eens kom te overlijden dat dan mijne bezittingen, nevens mijne goederen aan mijne kinderen en kinds kinderen moogen overgelee„ tent werden, waar toe zijne Hoog Ed: den Heere Gouver „neur Generaal nevens de Heeren Raden van Indie wij van een enkeld schriftuur gelieven te voorsien, teweeten een geauthoriseert papier omtrent de Nalatenschap van kinderen en kinds kinderen. Geschr: op Donderdag inde maand Dulchaijda Ao 1784. /:onderstond :/ getranslateerd door mij /:was geteekend/ F: J: Rothenbuller seC=s Translaat Javaans geschrift gesch: door den Sulthan aan zijn Broeder den Edelheer Gouverneur Ik openbare bij deese aan Broeder alles water in mijn hart omgaat, zo wel het aangenaame, als onaangename, om reeden, dat ik gevoelig ben, God almagtig en Nabie„ Mohamat, mij door de Comp:e tot voost heeft doenmaken, wie soude ik dan anders aanroepen om mij en mijn onderdanen 's Hort te verblijden /: dat noodsakelijk dienen den 29 Aug=s 1788. — dienen moet tot de rust en vreede van Iava, als mijn Broe„ der, en groot vader den Heere Gouverneur Generaal beneevens de Raaden van Nederlands Jndia, waarom ik dan ook de oorsake van mijn ongerust hart ter needer stelle bestaande in den thans bevindende stilstand van het doen der Reijse na Batavia door mijn pepatij den Adipattij Danoeredjo, sijnde den kleijn zoon verre van sijn groot vader, en den soon verre van zijn vader, waarom dit dan ook het hart van mijn onderdanen almeeden ongerustmaakt wordende het bij hun lieden aangemerkt als of ik verre van de Comp af was, en soude dit somtijds gans niet tot voordeele van het land strekken, wesweegen ik dan ook versoeke aan mijn Broeder de Comp:, en mijn groot vader den Heere Gouverneur generaal, beneevens de Raaden van India dat de reijse na Batavia van mijn Pepatij Danoeredjo na den gebruike gevolg mag hebben het welk mij en onderdanen aller aangenaamst zal wee„ „zen, en denke ik dat het meer en meer tot voordeel van het land zoude zijn. Dit is mijn versoek van god almagtig en Nabbie Mo„ hamat, stellende mijn volkoomen vertrouwen in broe„ der dat Broeder mij hier in behulpsaam kan sijn, en ben ik ook ten vollen overtuijgd dat Broeder alles Contri„ „bueeren sal wat maar tot mijn in mijn onderdanen vergeuregen strekken kan. Geschre: te Djoe Jocarta Adiningrat, op Donderdag den 11: van 't ligt Dulkahidah in het Jaar Jimaher A=o 1714. ofte den 14: Aug=s 1788. /:onderstond / voor 't translaat:/ I: G: van den Berg Copia

NL-HaNA_1.04.02_3816_0767 view scan ↗

English

489. 29 August 1788. Copy of a letter from the First Resident of Djoejocarta, IJsseldijk, dated the 20th of this month. After I had this morning, while at court, assured the Sultan and the Crown Prince of the high esteem of Your Right Honourable, the first-mentioned asked me whether I had been informed of the intentions of Your Right Honourable, both regarding the subject of his written request and regarding that of Pangeran Soerio Mancoeboemie, who is currently in Solo. Regarding the first matter, I answered in accordance with what I remembered to have occurred during the private meeting held between Your Right Honourable and the ruler, with which they were satisfied, and this matter seemed to present no further particular objections. However, intending to settle the second question in the same manner, and saying among other things that in case it appeared that Pangeran Adipatti Mancoenagoro had given this name to his grandson on his own authority, Your Right Honourable would certainly be able to make provision therein, but that since this had been done by the Emperor, nothing else could be done by Your Right Honourable than to make a friendly request that this His Highness, out of regard for Your Right Honourable and upon the strong insistence of the Sultan, might be pleased to revoke that name and change it to another. That this would show how inclined Your Right Honourable showed himself to be of service to the Sultan as much as possible in all reasonable cases; however, if the Emperor should not consent to this, he, the Sultan, would not be able to press the matter any further without encroaching upon the independence that exists in this regard between both rulers. The Sultan, having listened very attentively, expressed his gratitude to Your Right Honourable for this arrangement, but proceeded to make known to me that if the Emperor could not be persuaded to revoke the said name, he would consider this as a sign of no longer wishing to live in friendship with him, the Sultan, and for that reason he ordered his grand vizier from now on strictly to suspend all correspondence, whether regarding disputes between their mutual subjects or regarding the notification of marriages or deaths back and forth. Since this conduct of the Sultan could not appear to me otherwise than very precipitate and absurd, and could meanwhile have many consequences for the peace of Java, I did not fail to point this out to His Highness, and also that this order given to his bupati did not at all correspond to the confidence which His Highness had verbally professed to place in Your Right Honourable, since he, the Sultan, during the presence of His Excellency had expressed his satisfaction with the promised arrangement without mentioning in the least these orders now given; that I most urgently requested that he be pleased to remember this, and at the same time everything that had occurred in the private conversation, from which nothing else could appear to His Highness than that which could serve the true satisfaction of him and his son, 491. 29 August 1788. his son, and that he might subsequently understand from it how this course of action would please Your Right Honourable. But since I soon noticed that many words would be of little effect, and that they had well considered beforehand what to say and answer, I resolved not to communicate further than to state that I understood my first duty was to inform Your Right Honourable of this matter immediately, but that I only requested that the order given to Danoeredjo might be suspended until the reply from Your Right Honourable should arrive, which the Sultan promised, limiting it within the span of ten days. To be certain in this matter, I have demanded a written report from the grand vizier, which I have the honour to present herewith to Your Right Honourable together with its translation, while I subscribe myself with the greatest respect and high esteem, Underneath stood the title, lower, Your Right Honourable's very obedient servant, was signed, W. H. van IJsseldijk, in the margin, Djoejocarta, 20 August 1788. Copy of a letter written by the Lord Governor to the Sultan at Djoejocarta, dated 22 August 1788. Having accomplished my return journey to Samarang on the 20th of this month in reasonable health, I hereby politely give notice thereof to Your Highness and thank Brother once again for the special tokens of honour, esteem, friendship, and confidence which I

Dutch transcription

489. den 29: Aug=s 1788. Copia Brieff van den Djoe Jocartas Eerste Resident ijsseldijk gedateerd 20: deeser Na dat ik deesen morgen, ten Hoove sijnde, den sulthan en kroonprins van uwel Ed: gestr g=t agtb: hoog agting ten hunnen opsigte verseekerd hadde, vroeg mij eerst gemelde 1 of ik geinformeert was van uwel Ed: gestr: g=t agtb: inter„ „tie, so wel op het sufct van zijn gedaan versoek bij geschrift, als op dat van den sig thans op solo bevinden„ de Pangerang soerio Mancoeboemie Het eerste betref„ fende beantwoorde ik Conform het geene ik mij her innerde te sijn voorgevallen in het gehouden apart abouchement tusschen uwel Ed: gestr g=t agtb: en den vorst, waar meede men genoegen nam, en deese sake geen bijsondere beden„ king meer scheen te hebben, dog de tweede vraege in selfder voegen meenende afte doen en onder anderen seggende, dat ingevalle het bleek dat Pangerang Adipattij Man„ Coenagarra op eijge gesag deese naam aan zijne kleijn soon gegeeven had, uwel Ed: gestr: g=t agtb: als dan daar in wel soude konde voorsien, dog sulks geschied zijnde door den keijzer en door uwel Ed: gestr: g=t agtb: niets anders in konde gedaan worden, als vriendelijk te versoeken dat deese sijne Hoogheid, ten reguarde van uwelEd: gestr: f=r agtb: op de sterke instantie van den sulthan die naam geliefde te herroepen. en in eene andere te veranderen. Dat hier in't soude blijken hoe geneegen uwelEd: gestr: g:t agtb: sig betoonde om mn alle billijke gevallen den sulthan so veel mogelijk van dienst te zijn, dog hier in door den keijzer met bewilligt wordende, hij sulthan als dan niet verder op de saak de saak soude kunnen aandringen, sonder te kort te doen, aan de onafhangkelijkheid die er in deesen tusschen de beijde vorsten plaats vind Den sulthan seer attent toegeluijsterd hebbende betuijgde uwel Ed: gestr: g=t agtb: te danken voor deese schikking, dog vervolgde met mij te kennen tegeeven dat so den keijser met te overreeden, was, tot de herroeping van gem: naam, hij sulks houden soude als een blijk van niet langer in vriend„ schap met hem sulthan te willen leeven, en uit dien hoofde van nu af aan aan sijn Rijks bestierder gelaste, om alle Correspondentien /het sij in verschillen tusschen weder zijdsche onderdanen, het sij, incommunicatien van Huwelijken of sterf gevallen over en weer /valstrekt te staaken Daar dit gedrag van den sulthan mij nu niet anders konde voorkoomen, als seer voorbarig, en ongereijmt, en intusschen van veele gevolgen voorde rust van Java soude kunnen sijn, hebbe ik niet nagelaten zijne Hoogheid sulks voortestellen, en ook dat deese ordre aan sijnen bepatij gegeeven gansch niet beantwoorde aan het vertrouwen dat sijn Hoogheid mondeling be„ tuijgd had in uwel Ed: gestrg=t agtb: te stellen, daar hij sulthan bij Hoogst desselfs aanweesen sijn genoegen betuijgd had over de beloofde schikking, sonder in 't minste te reppen van deese nu gegeevene beveelen, dat ik instan„ tigst versogt dit geliefde tegedenken, ente gelijk al het geene wat in het bijsonder gesprek was voorgevallen waar uijt sijn Hoogheid als dan niets anders blijken soude, als 't geene dat tot waargenoegen van hem en den 29 Aug=s 1788. — sijn soon 491. den 29 Aug=s 1788. — sijn zoon strekken konde, en daar in't vervolgens selve bevroeden konde hoedanig uwel Ed: gestr g=t agtb: deese handel wijse bevallen soude, dan daar ik wel haast bemerkte dat veele woorden van weijnig uijtmerking soude sijn, en men bevoorens wel over legt had, wat te seggen, en te antwoorden, desloot ik niet te communiceeren, dat ik begriep deese saak ten eersten aan uwel Ed: gestr groot agtb: te bedeelen, mijn eerste pligt was, dog dat ik alleen versogt degegeevene ordre aan Danoeredjo buijten. effect gestelt mogt worden, tot dat het antwoord van uwelEd: gestr: g=t agtb: soude zijn ingekoomen, het welk den sulthan beloofde niets zulks sig bepaalt, binnen den tijd van thien dagen, om in deese seeker tegaan, heb ik een schriftelijk rapport gevordert vanden Rijksbestier„ der het welk ik de eere hebbe uwel Ed: gestr: g=t Achtb: met dies translaat hier neevens aantebieden, Terwijl ik mij met de meeste eerbied en hoog agting noeme /:onderstond / Titul /:Lager/ uwel Ed: gestr groot Agtb. zeer gehoors: Dienaer /:was geteekend:/ W: H: van. ijsseldijck /:in margine / DjoejoCarta den 20 Augs 1788. — Copia Brieff geschr: door den Heere Gouve„ neur aan den sulthan te Djoe Jocarta gedateerd 22: Aug=s 1738. — Mijne terug reijse na Samarang den 20: deeser maand in een reedelijke welstand, volbragt hebbende geeve ik uwe Hoogheid daar van bij deesen beleefdelijk ken„ nis en bedanke Broeder nogmaals voor de bijsondere bewijsen van eer agting vriendschap en vertrouwen welke ik

NL-HaNA_1.04.02_3816_0770 view scan ↗

English

which I enjoyed from Your Highness during my presence in Djoejocarta Adiningrat and which I will always remember with pleasure. This pleasure would, however, be considerably greater had I not received notice from Chief Rijsseldijck, already the day after my return, that Your Highness had declared that within ten days the name of Soerio Mangkuboemi must be changed, or else Your Highness would cease the friendship and good understanding with the Court of the Emperor, and that orders to this effect had already been given to the Grand Vizier Danoeredjo. For I will readily admit that I am not a little astonished at this. Your Highness requests my personal assistance to bring about the change of that name; I promise this in so far as I shall find it to be within my power. And notwithstanding that Your Highness acquiesced in this and left the matter to me, Your Highness proceeds directly, without awaiting the outcome, to set a short period of ten days within which Your Highness's desire must be satisfied. Truly, Brother, I had never expected anything of the kind, at least not after I had given Your Highness such heartfelt assurances of the Company's constant goodwill and sincere care for the welfare of Your Highness and his son the Crown Prince. However, since Your Highness has now seen fit to set such a short time, I must declare to Your Highness with the gravity of a well-meaning friend and Brother, the 29th August 1788. that the Company's 493. the 29th August 1788. that the Company's dignity by no means permits the law to be prescribed to it in this manner, and particularly not in a matter such as this where Your Highness requests its assistance. It must be left to the Company alone to judge whether and when the occasion is best suited to induce the Emperor to change a name with which His Highness, as a sovereign, has gifted one of his subjects and with which it subsequently appears that Your Highness is dissatisfied. At least the present grave illness of the Emperor, of which I received knowledge on my return journey and of which Your Highness will surely also have been informed by now, by no means permits discussing such or similar matters with the sovereign at present. Furthermore, the matter by no means requires such haste, for otherwise Brother could have written to me about it before my arrival or during my presence in Surakarta, when I might perhaps have found an opportunity to fulfill Brother's desire, whereas now everything must take place by letters, which requires so much time. Brother thus sees from this how little such a threatening declaration accords either with fairness or with friendship and proper high esteem for the Company. For since Brother dutifully acknowledges that Almighty God has caused Your Highness to be elevated to sovereign through the Company, it is also in accordance with God's will that Brother never fails in the respect and gratitude that Brother owes to the Company for this benefaction. For me in particular, it is also a very unpleasant incident, and I do not know at present what I am to think of the written declaration that Your Highness gave me the last day, namely that Brother placed complete trust in me and was fully convinced that I would contribute everything possible that can serve the pleasure of Your Highness and his subjects. Surely this declaration cannot at all exist alongside Your Highness's declaration of ten days. And the Governor-General and the Council of the Indies will also understand it as such when I inform them of it. The only thing therefore remaining for me in this matter will consist in executing the orders that Their High Excellencies will give me regarding this, since I am entirely unable to satisfy Your Highness's desire in ten days' time. Your Highness is, furthermore, the nearest and the first obliged to promote the welfare of his realm and subjects, and if the Company, through such time limits, is rendered unable to provide its assistance thereto, then the Company can in future by no means be blamed for the disasters that may arise from severing the friendship and correspondence that have hitherto endured between the realms of Solo and Djoejo to mutual prosperity. And herewith I leave this matter to the further equitable consideration of Your Highness. Now, according to Your Highness's request and my promise, I still had to declare myself in writing regarding the document that Brother handed over to me during our farewell discussion the 29th August 1788.

Dutch transcription

welke ik gedurende mijn aanweesen te Djoe jocarta Admingaat van uw Hoogheid hebbe genoten en waar aan ik steeds niet genoegen sal gedenken. Dit genoegen soude egter vrij grooter sijn, had ik met reeds sdaags na mijne terug komst van het opperhoofd rijsseldijck berigt ontvangen, dat uwe Hoogheid sig had verklaard dat binnen Thien dagen de naem van soerio Mangcoeboenie soude moeten veranderd sijn, of dat anders uwe Hoogheid de vriendschap en goede overstand houding met het Hof van den keijzer soude doen sta„ ken en dat daar toe nu reets order gegeeven was aan den rijks bestierder Danoeredjo Want ik wil wel bekennen hier over met wijnig ver„ „baast te staan uwe Hoogheid versoekt van mij in per„ „soon mijne hulp om uijttewerken dat die naam ver„ anderd word; Dit beloove ik voor so verre ik zal bevin„ den sulks in mijn vermoogen te hebben. En niet teegenstaande uwe Hoogheid hier in berust en de saak aan mij overlaat, gaat uwe Hoogheid, sonder daar van den uijtslag afte wag„ ten, direct over, om een korte tijd van Thien dagen te bepalen binnen welke aan uwe Hoogheids verlangen voldaan moet worden. waarlijk Broeder ik had nimmer iets dergelijks verwagt, ten minsten niet nadat ik uwe Hoogheid sulke hartelijke versekeringen heb gedaan van sComp=s bestendige welmeenendheid en opregte sorg voor de welvaard van uw Hoogheid en sijnen zoon den kroonprins. Daar het egter uw Hoogheid nu heeft goed gedagt sulk een korte tijd te bepalen, soo moet ik uwe Hoogheid met de ernst van een welmeenend vriend en Broeder de Clareren, den 29: Aug=o 1788. dat 'sComp=s 493. den 29: Aug=s 1788. — dat 'sComp=s waardigheid geensints toelaat sig dusdanig de wet te laten voorschrijven, en dat bijsonder niet in een saak als deese daar uwe Hoogheid hare hulp begeerd, aan de Comp:e alleen moet het staan om te oordeelen, of en wanneer de gelegentheid het best geschikt is den keijser te beweegen een naam te veranderen, waar meede sijne Hoogheid als vorst een sijner onderdanen begiftigd heeft en waar over het van agteren blijkt dat uwe Hoogheid onvergenoegd is ten minsten laat de teegenwoordige sware siekte van den keijser, waar van ik op mijne terug reijse kennis be„ komen hebbe en waar van uwe Hoogheid voor seker ook reeds verwigttigd sal zijn als nu geensints toe den vorst over sulke of dergelijke zaaken te onderhouden De zaak vereijscht biiten des ook geen sints so veel haast, want anders had Broeder mij voor mijn komst of bij mijn aanweesen te soura Carta daar over kunnen schrijven, als wanneer ik misschien gelegenheid soude gevonden hebben aan broe„ „ders verlangen te voldoen, daar tans alles moet geschie„ „den bij brieven dat oveel tijd vereijscht. Broeder siet dus hier uijt hoe wijnig sulk en drijgende verklaring, nog met de billijkheid nog met de vriendschap en betamelijke hoog agting voor de Comp: over een komstig is want daar Broeder pligtmatig erkend dat god al„ magtig en kind dat god almagtig uw Hoogheid door de Comp: tot vorst heefd doen verheffen, so is het ook overeenkomstig met gods wil dat Broeder nimmer te kort schiet ende eerbied en dankbaarheid welke Broeder voor deese wel„ daad aan de Comp verschuldigd is voor mij en't bijsonder is 't ook een seer onaangenaam voorval en ik weet tans niet met wat ik tedenken hebbe van de schriftelijke betuijgng die uwe Hoogheid mij de laatste dog heeft gedaen namelijk dat Broeder op mij een volkomen vertrouwen stelde en sig ten vollen overtuijgd hield, dat ik al het mogelijke soude Con „tribueeren wat tot het genoegen van Uwe Hoogheid en sijne onderdanen kan verstrekken immers kan deese betuijging met uwe Hoogheids verklaring van Thien dagen en geenen deele bestaan: En dit sullen ook den Heer Gouverneur Generaal ende Raaden van Indie sodanig begrijpen, als ik daar van kennis geeve: Het eenigste wat mij dus in deesen overig blijft sal be„ „staan in het uijtvoeren vande orders, welke hunne Hoog Edelheeden mij deesen aangaande sullen geeven, wijl ik ten eenemaal buijten het vermogen den aanhet verlangen van ruwe Hoogheid in Thien dagen tijds tevoldoen, uwe Hoogheid is voorts de naaste en het eerste verpligt om de welvaard van sijn rijk en onderdanen te bevorderen en als de Comp:, door sulke tijds bepalingen buijten staat word gesteld, hare hulp daar toe te bewijsen, dan kunnen haar in het vervolg ook geensints geweeten worden, de onheijlen die er kunnen voortkomen ui't het afsnijden der vriend„ schap en Correspondentie die tusschen de rijken van solo en Djoejo dus lange tot wedersijdse welvaard hebben stand gehouden. En hier meede laat ik deese zaek aande nadere billijke overweeging van uwe Hoogheid over Numoest ik, volgens uww Hoogheids versoek en mijne belofte mij nog schriftelijk verklaren op het geschrift dat Broeder mij bij ons afscheids gesprek den 29: Aug=s 1788. — overgat

NL-HaNA_1.04.02_3816_0773 view scan ↗

English

495. 29 August 1788. handed over and which I had already answered verbally at the time. To this end, upon my return, I reread that document more closely with all attention and found that Your Highness's heart is troubled by the not yet accomplished homage to His High Nobility, the ruling Governor-General; that Your Highness's subjects conclude from this as if Your Highness were far removed from the Company and that this would by no means serve the benefit of the country. I acknowledge once more with a sincere brotherly heart that this is certainly an important matter, and that it were well to know that Your Highness had fulfilled the Company's desire to pay that homage at Samarang. For since this has already become a settled matter since the year 1781 with respect to performing this duty at Batavia, as the Noble Lord Governor Siberg at that time declared to Your Highness that the Company, on account of Your Highness's refusal, regarded it as if that homage had actually taken place at Samarang on behalf of Your Highness, it would surely be a very strange-sounding desire to wish to perform that ceremony against the Company's desire at Batavia now after a lapse of eight years, and thus I cannot suppose that such is meant by Your Highness. As I recall, I also believe to have understood from Your Highness that the request only pertained to the future upon the appointment of a new Governor-General. But to this I can answer nothing other than what Your Highness already accepted as well-founded at the time, namely that I could not determine in advance how the Lord Governor-General who would have come to the administration by then would think about this matter, and what the Company would desire at that time. The only thing in which I could thus grant my assistance to gladden the heart of Brother and his subjects would consist solely of my requesting the Lord ruling Governor-General to allow that same homage to still be received from Your Highness's envoys by me as representative here at Samarang, and thus to pay no regard to the time of eight years that has passed in the meantime, but only to the fact that this would serve to show publicly through Your Highness that the grandson is by no means far removed from his grandfather, nor the son from his father, and thus the faint-heartedness of Your Highness's subjects could be removed for the promotion of the peace and quiet of Java, which I, together with Your Highness, acknowledge has great interest in this important ceremony still being duly performed during Your Highness's lifetime according to the Company's desire here at Samarang. If, therefore, my assistance herein might be agreeable to Your Highness, then I am prepared to render the same with all cordiality. For the rest, with respect to the horses requested by Your Highness and the still missing pistols, I have put my words into the mouth of Pangerang Djojo Coessoemoe, who is now returning alongside the Tommongong Morto Loijo, with my many thanks to Brother for their assignment to my escort. 497. 29 August 1788. My cordial greetings and best wishes are offered in conclusion of this to Brother, as well as to our beloved son the Crown Prince, alongside Your Highness's princely family. Below stood written: at Samarang, 22 August 1788. Was signed: I. Greeve. Copy of a dispatch from the Lord Governor to the First Resident of Djocjocarta, Van Ysseldijck, dated 22 August 1788. The conduct of the Sultan concerning the desired change of the name of Toerio Mancoeboemie borne at Souracarta, communicated to me by you in a separate letter of the 20th of this month, appears to me so strange and inappropriate that I can attribute it to nothing other than his great age and that same obstinate, childish fickleness which accompanies his advanced years and of which I encountered so many proofs during my presence at Djoejocarta, that it would be considered a desirable thing for the Company's interest if his demise anticipated that of the Emperor, since it would not surprise me if one were from time to time entangled by this aged prince, because of his increasing fractiousness, in incidents which could be highly pernicious to the tranquility of Java. In the enclosed copy of the letter now departing to that prince, you will find how I admonish His Highness about his improper prematurity. I do not know in what manner His Highness will take this.

Dutch transcription

495. den 29: Aug=s 1788. overgaf en dat ik toen reets bij monde beandwoord hebbe Ik heb hier toe, bij mijne terug komst dat ge„ schrift nader, met alle aandagt doorleesen en bevon„ „den dat uwe Hoogheids herte ongerust is over het. nog met volbrengen der verpligtte hulde aan sijne Hoog Edelheid den Heere regeerind Gouverneur Generaal dat uw Hoogheids onderdanen daar uijt opmaken, als of rseve Hoogheid verre van de Comp verwijderd was en dat sulks, gansch niet tot voordeele van het land soude strekken. Ik erkenne nogmaals met een opregt Broederlijk harte dat dit sekerlijk eene gewigtige saek is, en dat het wel teweeten waere, dat uw Hoogheid had voldaan aan Comp: begeerte om die hulde op Samarang afteleggen want vermits dit reeds seedert 't Jaar 1781. een afgedane saak is geworden ten opsigte van het doen deeser pligtigheid te Batavia wijl den Edelen Heere Gou„ verneur Siberg als toen aan uwe Hoogheid heeft verklaard dat de Comp. het mits uw Hoogheids wijgering daar voorhield als of die hulde van weegens uw Hoogheid werkelijk te samarang was geschied, so soude het seeker den seer wonder„ „lijk luidende begeerte zijn, om die plegtigheid teegen Comp=e begeerte zijn, em na verloop van agt Jaaren nu nog te Bata„ „via tewillen doen afleggen, en dus kan ik met onderstellen dat sulks door uwe Hoogheid bedoeld word. Na ik mij winner meen ik ook van uwe Hoogheid ver„ „staan te hebben, dat het versoek alleen betrekking had op 't vervolg bij de aanstelling van een nieuwe gouverneur generaal. Maar hier op kan ik niet anders andwoorden dan het geene uwe Hoogheid toen reeds als gegrond, heeft aan„ genoomen, „ „genoomen, namelijk dat ik voor uit niet konde bepalen hoedanig of den Heer Gouverneur generaal, die als dan tot de regeering soude sijn gekoomen, over dit stuk soude denken, en wat de Comp:e als dan soude begeeren. Het enigste waar in ik dus mijne hulp soude kunnen verleenen om het hart van Broeder en sijne onderdanen te verblijden soude alleen daar in bestaan, dat ik den Heer Regeerend gouverneur generaal versogt, die selfde hulde als nog door mij als representant hier te sama„ rang van uwe Hoogheids gesanten te laten ontvangen, en dus geen reguard teneemen op de intusschen reeds verloopen tijd van agt Jaren maar alleen daar op dat sulks soude strekken om m't openbaar door uwe Hoogheid te doen sien dat de kleijn soon geensints verre verwijdert is van sijn grootvader nog de soon van sijn vader en also de twijffelmoedigheid van uwe Hoogheids onderdanen soude kunnen worden weggenoomen ter bevordering vande rust en vreede van Iava welke ik met uwe Hoogheid erkenne dat 'er veel belang bij heeft, dat deese gewigtige plegtigheid nog bij het leeven van uwe Hoogheid behoorlijk na Comp:e begeerte hier te samarang werde volbragt. Indien dus mijne hulp hier in uwe Hoogheid aangenaam mogt zijn; dan benik bereid deselve met alle hartelijkheid te bewijsen. voor 't overige heb ik ten opsigte vande door uw Hoog„ „heid versogte paarden en de nog ontbreekende pistoolen mijne woorden gelegd inde mond van pangerang djojo Coessoemoe, die nevens den Tommongong Morto loijo tans terug keerd, met mijne veelmalige dankseggingen aan den 29 Aug=s 1788 Broeder 497. den 29 Aug=s 1788. — Broeder voor hunne bestemming tot mijn geleijde. Mijne Hartelijke groete en heijlwensen sijn tot slot deeses Broeder aangeboden, so ook onsen beminde zoon den kroonprins, neevens uw Hoogheids vorstelijke familie /:onderstond geschr: te Samarang den 22: Aug=s 1788 /:was geteekend:/ I: Greeve Copia Missive van den Heer Gouverneur aan den DJoc Jocartas eerste Resi„ „dent van YJsseldijck ged: 22: Aug:s 1788. Het gedrag van den sulthan omtrend de begeerde verandering der te souracarta gevoerd wordende naam van Toerio Mancoeboemie, door UE mij bedeeld bij aparte van den 20: deeser, komt mij so vreemden ongepast tevooren, dat ik het selve aan niets anders kan toeschrijven dan aan zijne hooge ouder„ dom en die selfde eijgensinnige bensel agtige wispelturig„ „heid welke zijne hooge Jaaren verseld en waar van ik bij mijn aanweesen te Djoejocarta so veel preuves ontmoet hebbe, dat het voor Comp=s belang als een wenschelijk zaak soude aantemerken zijn indien zijne extinctie die van den keijser anticipeerde nadien het mij niet soude verwon„ „deren indien men van tijd tot tijd door deesen hoog bejaarde vorst weegens zijne toeneemende wrevelmoedigheid in„ gevallen wird gewickeld welke voor de rust van Java ten hoogsten pernicieus kunnen zijn. Bij de hier ingeslotene Copij der tans aandien vorst ƒ afgaande Brief sal UE: vinden hoedanig ik zijne Hoogheid over desselfs onvoeglijke prematuriteit onderhoude.— Ik weet niet in welker voegen zijne Hoogheid sulks opneemen

NL-HaNA_1.04.02_3816_0776 view scan ↗

English

will receive it, and whether perhaps already some signs of displeasure might be detected upon the reading thereof. But whatever the case may be, the Company's dignity and her interests absolutely demand that this matter not be handled otherwise. The prince's desire in this is as improper as it is whimsical, and the haste with which he proceeds causes him to lose sight of the owed respect and deference for the Company rather far. To give in to him in a matter as unreasonable as this would consequently be of the most dangerous prospects, and one would henceforth be daily exposed to the strangest demands and the most far-reaching coercion. And since this can be foreseen with good reason, prudence absolutely advises to still maintain, as much as possible, through a collective seriousness, the Company's respect and superiority before it becomes too late through excessive leniency. In the meantime, I am of the opinion that this unexpected change in the prince's conduct has its source in the news that His Highness has held for certain concerning the dangerous state of the emperor's illness and the fear one harbored that the end of that monarch was near. A reason all the more not to act otherwise, in order not to be hindered in such a period of time by this prince with pretensions that he would readily make if one constantly defers in everything and he is assured of always achieving his aim through coercion and displeasure. And since it is nevertheless to be foreseen that this prince will soon pay the debt of nature, it would be even less advisable to torment and irritate Pangerang Mangcoenogoro to renounce a name that was given to his son by the emperor and in which he seems to place so much value. Notwithstanding this, I shall instruct the first Resident of Soura Carta to try, underhandedly and when the opportunity arises, to see whether one could not induce Pangerang Mangcoenogoro, just as he exchanged his son's previous name for this one which he has now obtained from the emperor, to exchange this one again for one which the Company shall then give to his son, not only to show him an outstanding honor whereby the Company is to be valued above the emperor, but also to make him in name a child of the Company. But since this can by no means be tied to the sultan's inappropriate deadline, this could only take effect if the sultan abandons his coercive tone and shows the required respect for the Company's assistance. For it would by no means be acting prudently to offend and displease the emperor and Mangcoenogoro at the same time, merely to please the sultan and to [illegible] his coercive displeasure. And if he takes no other revenge than the execution of the order given to the prime minister, then this will be of little consequence, and His Highness will even soon experience the disadvantage of it himself if correspondence from Souracarta is also discontinued, because the interest in this is mutual. Furthermore, upon receipt of further reports, I shall be able to devise further measures according to them, while Your Honor must in the meantime have yourself informed as much as possible of everything that is going on, and on occasion seriously remind both the Prime Minister Dando Redjo and his adjunct Raden Notto Judo on my behalf that they will be held responsible for all the calamities that might arise from an order which they know for certain can tend to the detriment of the peace and tranquility of Java. And in order to be all the better assured that the sultan is informed of my true opinion, since one must make haste with the translation of the letter, I have declared myself on this matter orally to Pangerang Djoijo Coesoemo, who has undertaken to make a proper report thereof to his prince. Wherewith, after greetings, I remain Your Honor's good friend. Signed: Jan Greeve. In the margin: Samarang, the 22nd of August 1788. Copy of a letter from the Governor to the First Resident of Soura Carta, Aantzinck, dated 22 August 1788: To my particular pleasure, I learn from the latest reports received from Your Honor that the emperor's illness, which had worsened so much since my departure from Souracarta, is now somewhat decreasing again, and matters seem to be arranging themselves for His Highness's recovery, which I heartily wish may have a prosperous outcome, although I agree with Your Honor that the life of that prince will, in all probability, soon come to an end.

Dutch transcription

opneemen sal en of er misschien niet alvaij wat teekenen van misnoegen sullen te bespeuren zijn bij het leezen der„ selve - Dan wat hier van ook weesen mag Comp=e waardig heid en hare belangens vorderen volstrekt dit stuk niet anders te behandelen. - 'T vorsten begeerte in deese is so onbetamelijk als grillig ende overhaasting waar meede bij tewerk gaat doed hem de verschuldigde eerbied en het ontsag voor de Comp:e al vrij verre uit het oog ver„ „liesen — tem toetegeeven in een saak s onbellijk als deese, soude mits dien vande gevaarlijkste uitsig„ ten zijn en men stond voortaan dagelijks bloot voor de vreemdste vorderingen ende verregaandste dwang- En daar dit met grond te voorsien is, so raad de voor„ „sigtigheid volstrektelijk aan door een besamelijke ernst Comp=s agting en superioriteit nog so veel mogelijk te handhavenen een het door al te groote toegeevenheid te laat word. — Ondertusschen houde ik het daar voor dat deese onver„ „ragte verandering van 't vorsten gedrag zijne source heeft uit de tijding die zijne Hoogheid voor seeker gehad heeft wee„ gens de gevaarlijke staat van 's keijzers siekte en de bedugting die men droeg dat het eijnde van dien vorst na bij was. heer reden temeer om niet anders te handelen, ten eijnde insulk een tijd stip door deesen vorst met belemmerd teworden met pretentien die hij al ligt zoude maaken so men in alles steeds ontsiet en hij verseekerd is door dwang en misnoegen steeds zijne oogmerk te sullen bereiken. En daar het dog te voorsien is dat dien vorst eerlang de tot der natuur sal betaalen, so soude 't nog minder raad saam zijn om de Pangerang Mangcoenogoro tequellen en den 29: Aug=s 1788. te 499 te erriteren om afstand te doen van een Naam, welke door den keijser aan zijn zoon gegeeven is en waar in hij so oveel waarde schijnd te stellen. Des ongeagt sal ik den soura Cartas eerste Resident opdragen om onder de hand bij geleegenheid eens te beproeven of men de Pangerang MangCoenoopro niet soude kun„ nen disponeeren om eeven so wel als hij zijn zoons vorige naam heeft verwisseld voor deese welke hij nu vande keij„ ser heeft verkreegen, deese nu weeder te verwisselen voor eene welke de Comp:e als dan aan zijn zoon sal geeven niet alleen om hem een uitsteekende eer te bewijsen daardog de Comp: boven de keijzer tewardeeren is, maar ook om den„ „selven ook in naam tot een kind vande Comp:e temaken. Dan daar dit geensints verbonden kan zijn aan 's sulthans ongepaste tijds bepaling, so soude dit eenlijk gevolg kun„ „nen neemen als de sulthan zijn dwingende toonlaat varen en voor Comp:s hulp den vereijschte eerbied toond. — want het soude geensints voorsigtig gehandeld weesen om den keijser en Mangcoenogoro tegelijker tijd te bele„ „digen en misnoegd te maaken, intenkele believing voor den sulthan en om zijn dwingend misnoegen tes-- En als hij sig geen andere revenge verschaft dan de uitvoe„ „ring der aan den rijksbestierder gegeevene order, dan sal sulks van wijnig gevolg weesen en zijne Hoogheid daar van selfs eer„ lang het nadeel ondervinden, als men van souracarta meede de Correspondentie starkt om dat het belang in deesen weeder kerig is. Voorts sal ik op den ontvangst van nadere berigten, na gelang derselve nadere maatrigulen kunnen beramen, den 29: Aug=s 1788. terwijl terwijl UE: sig intusschen so veel mogelijk moet laten informeeren van alles wat 'er omgaat en bij gelegenheid so wel den Rijksbestierder Daude Redjo als zijnen adsunct den Radeen Notto Judo mijnen tweegen ernstig voorhouden dat zij verandwoordelijk sullen zijn voor al de onheijlen die 'er mogten ontstaan i't eene ordere die zij voorseker weeten dat tot nadeel voor de rust en vreede van Iava kanstrekken. En om des te beeter verseekerd te zijn dat de sulthan van mijn ware mening onderrigt word dewijl men met de vertaling der Brief was haast moet maken, so heb ik mij daar over mondeling verklaard aan den Pangerang DJoijo Coesoems die aangenomen heeft zijn vorst daar van behoorlijk verslag te doen. Waar meede na groete blijve /:onderstond:/ UE. goede vriend /:was geteekend:/ Ian Greeve : /:in margine:/ Samarang den 22. Aug=s 1788. — Copia Brief van den Heer Gouverneur aan den Soura Cartas eerste Resident Aantzinck ged: 22: aug=o 1788: — Tot mijn bijsonder genoegen verneem ik uit de laatste der van UE: ontvangene berigten dat 's keijsers siekte die see„ dert mijn vertrek van Souracarta so seer verergerd is thans weeder wat afneemt, en het sig met sijne Hoog heid weeder herstelling schijnd te schikken het welk ik van harten wensche dat weeder een voorspoedig gevolg mag hebben, hoewel ik met uE: vast stelle dat de leevens loop van dien vorst, na alle waarschijnelijkheid haast ten eijnde sal zijn. — den 29 Aug=s 1788. Dit

NL-HaNA_1.04.02_3816_0779 view scan ↗

English

501. 29 August 1788. — Since this can now be foreseen and expected with so much foundation, you ought to prepare yourself for it thoroughly and take good measures in everything, so that the matter may then be properly settled in accordance with the orders and the established arrangement. For my part, I have also made all arrangements to be present at Soura Carta with the utmost haste, and I intend to postpone or delay my impending journey to Tagal if necessary, should I receive such reports from you around mid-September as cause fear for the Emperor's life. I am informing you of all this so circumstantially because, since the departure from Djoejocarta, particular reasons have occurred to me to pay extraordinary attention to the conduct of the Sultan, who seems, as it were, to wish to make use of the Emperor's declining health and weak condition to dictate terms to that monarch for the gratification of his greedy desires, and at the same time to force the Company in a very improper manner to serve His Highness therein immediately. The particulars of the case I refer to here, you will find in the enclosed annexes, to which I can accordingly refer. Yet, since the Company's side ought indeed to employ everything that can be done and pursued with any propriety and without humiliation to keep the princes at peace and preserve the peace as well as possible, one might do one's best to ascertain whether a means 502. a means may be found whereby the Sultan could be satisfied, since it appears, after all, that he takes it very much to heart that his name, which he bore in earlier times when he was already an experienced Prince, has now been given to a youth. After the conversation I had with the Emperor on many matters, I assume that this monarch will not insist very strongly that the son of Mang Coenagoro continue to bear the name of Soerio Mangcoeboemi given to him; it will thus be easy for you to make that monarch realize that for the tranquility of Java it will be best to remove this object of offense in a manner whereby His Highness's honor shall not suffer in the least. The greatest difficulty will only be to make the matter palatable to Pangerang MangCoenogoro, for if this turbulent Prince realizes that the Sultan takes the bearing of that name as an insult, he will very willingly renounce it. And although it could be commanded of him by the Company's authority and he be obliged thereto, such could nevertheless not happen without much grumbling and dissatisfaction, indeed it would be an open disgrace to him, which he would not at all easily allow to be done to him at a time when the Emperor's weak condition allows so little to keep that restless Prince in check, and besides, in the event of the Emperor's demise, one will find enough work to keep him in proper devotion; thus it would be very ill-advised to torment and irritate him beforehand. 29 August 1788. I 503. 29 August 1788. I therefore understand that one must by no means allow oneself to be disposed, by the Sultan's dissatisfaction now so suddenly displayed and his threatening time limit, to use any coercion against the Pangerang Mangcoenagoro at this time or to make him dissatisfied, especially not in a matter of such delicacy; all the less so since the Sultan was already aware of the bearing of this name long before my arrival at the Courts without complaining about it, and during my presence at Djoej even postponed doing so until the last day without showing anything beforehand, just as during my presence at Solo I had no other information than that the Sultan was dissatisfied with the joy which MangCoenogoro was said to have shown on the occasion of receiving this name, which this Prince, however, denied in your presence. The means, then, of which I believe a suitable use could be made, would merely consist in this: that the Pangerang, in order truly to show how much he is in the Company's favor and esteem, so that he is a beloved child of the Company and the latter is his beneficent father, should request from the Company another name of his own choosing for his son Pangerang Mangcoeboemie in exchange for this name. This should be made palatable to him and presented as something that will serve as an outstanding proof of honor for him and his son, since he after all trusts more in the Company than in the Emperor, and this name will therefore be so much more distinguished, serving at the same time to demonstrate how much he enjoys the Company's love and protection. The

Dutch transcription

501. den 29: Aug=so 1788. — Dit met so veel grond van nu af te voorsien en be„ verwagten, zijnde so dient uE: sig so wel te volkomenen daar toe te oprepareeren en in alles goede maatregulen teneemen, op dat het werk als dan sijn behoorlyjk beslag erlangen kan over eenkomstig de orders en vastgestelde schikking. van mijne zijde heb ik ook alle beschikkingen ge„ maakt om met de meeste spoed te soura Carta aanwee„ sig te sijn, en ik ben voorneemens mijne aanstaande Reijse na Tagal des noods te verschuijven of uit testel„ len als ik teegen de helft van september sulke berigten van UE: ontvange, welke voor skeijsers leeven doen dugten. Van dit alles geeve ik uE bij deesen dus omstandig kennis om dat mij seedert het vertrek van D Joe Jocarta bijsondere reedenen sijn voorgekoomen om een ongemeene attentie te verstigen op het gedaag vanden sulthan die sig van 'S keijzers afneemende gesondheid en swakke staat, als het ware, schijnd tewillen bedienen om dien vorst ter in williging zijner gretlige begeertens de wet voor te schrijven, en de Comp teevens op een seer onbetamelijke wijse te dwingen, zijne Hoogheid daarin straks ten dienst te staan. De bijsonderheeden van het geval dat ik hier bedoel, sal uE: ontmoeten bij de hier ingeslotene bijlagen waar aan ik mij dus kan refereeren. Dan daar men dog van Comp:s zijde alles behoord aante„ „wenden, wat met eenige voegsaamheid en sonder vernedering gedaan en betragt kan worden om de vorsten in rust. te houden ende vreede best mogelijk te bewaren so soude men sijn best kunnen doen om te onderstaen of 'er een middel middel te vinden sij, waar door men den sulthan sou kunnen genoegen geeven wijl het dog schijnd dat hij het seg seer ter harte neemd, dat men zijn naam die hij in vroeger tijd heeft gevoerd toen hij reeds een Prins van on„ „dervinding was nu aan een Jongeling heeft gegeeven. Na het gesprek dat ik met de keijser over veele zaken heb gehad, onderstelle ik dat dien vorst er niet seer opstaan sal dat de zoon van Mang Coenagaro, de aan hem gegeevene naam van soerio Mangcoeboe„ nu blijft voeren; dus sal het UE: ligt vallen, dien vorst te doen beseffen dat het voor de rust van Java best sal weesen dit voorwerp van aanstoot wegte nee„ „men op een wijse, waar bij sijn Hoogheids eer in 't minste niet lijden sal. Demeeste moeijte sal het alleen maar om hebben om de zaak aan Pangerang MangCoenogoro smakelijk te„ maaken, want indien deese woelagtige Prins beseft dat de sulthan sig het voeren van die naam als een beledi„ ging aantrekt, dan sal hij er seer oorgaarne van afsien, En hoewel het hem door Comp: gesag soude kunnen bevoolen en hij daar toe verpligt worden, so soude sulx egter met kunnen geschieden als met veel gemor en misnoegen, Ja voor hem een opentlijke schande zijn, die hij sig gansch met gemakkelijk soude laten aandoen in een tijd dat de swak„ „ke toestand van de keijser so weijnig toelaat, dien anrus „tigen Prins in oedwang te houden, en men buijten des in geval van 's keijsers overleiden, werks genoeg sal vinden om hem in behoorlijke devotie te doen blijven dus 't seer onbe„ raden soude sijn hem voor afte quellen en te erriteren den 29 Aug=s 1788. Ik 503. den 29: Aug=s 1788. Ik begrijp dus dat men sig door des sulthans nu so een klaps betoand misnoegen en sijne drijgende tijds bepa„ „ling, geensints moet laten disponeeren, om in deesen tijd tee„ gen den Pangerang Mangsoenagoro eenigen dwang te gebrui„ 8 ken of hem misnoegd te maaken, voor al niet in een saak van die delicatesse, teminder daar den sulthan reeds lange voormijn komst aan de Hoven van het voeren deeser naam kennis heeft gedragen sonder sig daar over te beswaren en sulks bij mijn aanweesen te djoej selfs tot den laat„ „sten dag heeft uitgesteld sonder voor of iets te laaten blijken, gelijk ik dan ook bij mijn aanweesen te solo geen andere in„ te formatie heb gehad als dat de sulthan misnoegd was over de vrolijkheid welke MangCoenogoro bij geleegenheid van het ontvangen deser naam, soude hebben getoond, dog het welk deese Peins in UE: tegenwoordigheid heeft ontkend. Het middel dan, waar van ik meen dat een geschikt gebruik temaken zij soude alleen hier in bestaan, dat de Pangerang om regt te toonen hoe seer hij bij de Comp: in gemst en agting is, sa dat hij een geliefde kind vande Comp: en deese zijn weldoende vader is, voor sijn zoon Pangerang Mangcoeboe„ mie ter verwisseling van diese naam, een andere na sijn wel gevallen van de Comp: versogt. Dit soude hem smakelijk gemaakt en voorgesteld dienen teworden als iets dat tot een uitsteekend bewijs van eer voor hem en zijn zoon sal ver„ strekken, wijl hij dog meerder op de Comp: dan op den keijzer vertrouwd en dus deese naam so veel te aansienelijker sal zijn, ter aantooning tevens hoe seer hij Comp: Liefde en bescherming geniet. Het

NL-HaNA_1.04.02_3816_0782 view scan ↗

English

It is therefore recommended to Your Honour's good management to work this out in the best and most suitable manner. Furthermore, Your Honour should pay attention to what happens when word is received in Soura Carta of the order given to the Sultan through his Prime Minister, which is to be carried out after ten days. Remaining in that case demanded as well of Your Honour as of the first Resident of Djoejocarta, van Ysseldijck, to devise in all things the best means to prevent public alienation and acts of violence between the mutual subjects. After greetings, I remain, was below, Your Honour's good friend, was signed, Jan Greeve, in the margin, Samarang, the 22nd of August 1788. Copy of the Report from Captain Engineer Pilon dated the 21st of this month. The humble undersigned, having been charged by Your Right Honourable, Right Respected during the inspection made by Your Right Honourable, Right Respected of the Company's forts in the upper lands to successively make known his findings, has the honour to present to Your Right Honourable, Right Respected a specific summary, namely: At Oenarang the new fort is almost completely finished and satisfies in all parts, being situated in a much more advantageous place and built with much more defence and convenience than the old fort was. The plan drawn up by the undersigned and approved by Their High Mightinesses, the 29th of August 1788, has been completely and neatly executed under the supervision and diligence of the postholder stationed there, Cornelis Regensburg, and at present nothing more is lacking than the revetment of the moat. The fort Salatiga. This fort, which was built long ago, is still in good condition, owing to the repairs recently made to the fortress wall and to the interior buildings, but the moat around the same lacks a stone revetment. The fort Boedjoelalie. This fort has outwardly the same appearance as that of Salatiga, but it is in poor condition, both as to the fortress wall and to the interior buildings, which are completely dilapidated and very poorly laid out, so that it would not well be possible to carry out convenient repairs, and consequently it would be much more advantageous to plan a new fort in a better situation and in the style of the Oenarang one. Regarding Souracarta, as it has appeared to Your Right Honourable, Right Respected that the defects which the inspectors of the repaired lodge have reported to Your Right Honourable, Right Respected really exist, it would be necessary to begin the absolutely necessary restorations immediately, all in accordance with the report which the gentlemen commissioned for that purpose, Vermehr, Faupelle and Meijer, recently presented to Your Right Honourable, Right Respected. Concerning Djoejocarta, Your Right Honourable, Right Respected has found the fortress walls and interior buildings of this fort to be in a much better and tidier condition than those of the 29th of August 1788 Soura Carta. But upon some remarks presented to Your Right Honourable, Right Respected by the chief of Ysseldijck, and acknowledged as useful by the Prime Minister and further Regents, it being now permitted that the military main guardhouse would be widened a few feet on both sides in order to give more space at the inner entrance of the fort, and in addition to make some improvements to the infantry barracks by raising the roof, since the constant illnesses among the military are attributed to its low stuffiness, it will be effected, since these two items will be without expense to the Company. At present nothing more is lacking for the completion of the lodge than the chief's residence with the buildings adjoining it, of which latter the foundation has already been made, the chief's residence currently being bricked up to the ceiling beams. Hoping herewith to have fulfilled his duty, the undersigned takes the liberty to subscribe himself with the deepest respect, was below, Title, lower, Your Right Honourable, Right Respected humble and obedient servant, was signed, J: B: Pilon, in the margin, Samarang, the 21st of August 1788. Translation of a Malay Letter written by Goesti Noera Made and Goesti Made in Bali Karang Asem to the Right Honourable Lord Governor and Director at Samarang, received at Djoejocarta on the 13th of August 1788. We inform Brother that his letter has reached us very well, and the contents of which we have understood, containing the 29th of August 1788, that Brother forwarded to us a letter from Their High Mightinesses, our brother the Most Honourable Lord Governor-General at Batavia, the contents of which we have likewise understood. Our Brother informed us that Their High Mightinesses at Batavia wished to interfere no further with Raden Hadji, in order to cause us no more unpleasantness, this having been the content of our Brother's letter, and all of which we have made known to him, Raden Hadji. Raden Hadji always desires to keep his residence at Bali Karang Asem, but Brother need not be uneasy, for we shall attempt to instil good ideas in his condition, so that he does not proceed to any detrimental reflections. If it is possible, we request Brother that it may please him to satisfy and reassure his Raden Hadji's condition, so that he will always continuously remember Brother, while we in the meantime hope that he, Raden Hadji, will never entertain thoughts of any improper matters, the more so because he, Raden Hadji, together with his wife, comes from a good family and still has many relatives, for whom he feels an ardent love. Written at Bali Karang Asem on Friday the 8th of the light Sawal in the year 1202, was below, translated by me, was signed, W: Wardenaer, Sworn Translator, the 29th of August 1788, Copy.

Dutch transcription

Het werd dus bij deesen UE: goede derectie aanbevoolen, dit op de beste en meest geschikte wijse uijt te werken. voorts dient UE: attent te sijn op het geene er omgaat als men te soura Carta kennis bekomt van de order voor den sulthan aan sijn Rijksbestierder gegeeven, en die na thien dagen staat uitgevoerd te worden. — Blijvende indien gevalle so wel aan UE: als aan den DjoeJocartasch eerste Resident van ijsseldijck gedemandeert in alles de beste middelen te beraamen om openbare verwijdering en dadelijk heeden tusschen de wederzijdsche onderdanen voor te koomen. Ik blijve na groete /:onderstond:/ uE: goede vriend /:was geteekend:/ Ian Greeve /in margine / Samarang den 22 Aug=s 1788. Copia Berigt van den Capitein Ingenieur Pilon ged: 21: deeser. De nedrige Teekenaer door uwel Ed: Gestr: groot Achtb: belast zijnde geweest bij de door uwel Ed: gestr: g=t Achtb: gedaane visite der Comp=s forten in de boven landen succes sivelijk derselver bevinding bekend te stellen zo heeft hij de eer uwel Ed: gestr: g=t achtb: eene speciaale samentrek king te presenteeren, te weeten: Ta oenarang is het nieuw fort na bij ten eenemaal klaar en voldoed in alle deelen, zijnde het selve op eene veel voordeeliger plaatze gesitueert en met veel meer diffencie en gemaak gebouwt als het oude fort was, het door de Teekenaer geformeert en door Hun Hoog Edel„ den 29 Aug=s 1788. „heedens 505. „heedens geapprobeert plan is onder het opzigt en vlijt van de aldaar bescheijden posthouder Cornelis Regensburg Com„ pleet en sindelijk uitgevoerd en thans mankeert er niets meer aan, als de bekleeding van de gragt. Het fort Salaliga Dit fort, welk reeds lang gebouwt is, bevind sig nog in goed staat, door de Jongst gedaane reparatien aan de vesting muur en aan de binnen gebouwen, dog aan de gragt rondom 't selve mankeert eene steene bekleeding Het fort Boedjoelalie De fort is uijterlijk vande selfde gedaan te als die vvan salatiga, maar het bevind sig in schlegte staat zo wel aan de vesting vuuw als aande binnen gebouwen welke ten eenemaal vervallen zijn en seer schlegt aangelegt, waar door met wel mogelijk soude zijn gevoeglijke reparatien aante doen en gevolglijk veel voordeeliger soude zijn eene nieuwe fort op eene beetere situatie en in de smaak van het oenarangse te projecteeren Navens Nopens Souracarta, aan uwel Ed: gestr: g=t agtb: ge„ bleeken zijnde dat de gebreeken welke de Jnspecteurs van de gerepareerde Logie aan uwel Ed: Gestr: g:t agtb: opgegeeven hebben, recele exteeren so soude het nodig weesen om aande ab„ „solute nood zakelijke herstellingen direct te beginnen alles Conform het berigt welke de daar toe gecommitteerden Heeren vermehr, Faupelle en Meijer aanuwel Ed: gestr: g=t agtb: Iongst gepresenteerd hebben. Djoejocarta aangaande heeft uwel Ed: gestr: g=t agtb: de vesting muuren en binnen gebouwen van dit fort in eene veel beter en Eindelijker staat bevonden als die van den 29: Aug=o 1788. soura Carta, Souracarta, dog op eenige aanmerkingen door het opperhoofd van Ysseldijck aan uwel Ed: gestr: gr: agtb: voorgedragen en door den Rijksbestierder en verdere Regenten als nuttig erkend, als nu toegestaan zijnde dat de militaire hoofd„ „wagt eenige voeten aan wearskanten verschoonen zoude worden om meer ruijmte aande binnen ingang van het fort te geeven en daar bij eenige verbeteringen aande Infan„ „teristen baraque te doen, door het dak te verhoogen wijl men aan dies laagen bedomptheid de geduurige siektens, onder de militairen toe schrijft zo sal het g'effectueerd worden, vermits deese twee articuls sonder belastingen voor de Comp: zullen worden. - thans niets meer ontbreeken tot de voltorijing vande Logie als de opperhoofds wooning met de daar annexe gebouwen van welke laatste het fandament reeds gemaakt is, zijnde het opperhoofds wooning thans tot de solder Balken opgemetzelt. Hier meede verhopende voldaan te hebben neemt de teekenaar de vrijheid sig met de diepste ontsag te onderschrijven /:onderstond:/ Titul / Lager/ uwel Ed: gestr: gr: agtb: oodm: en onderd: dienaer /was get:/ I: B: Pilon /:in margine / Samarang den 21:' Aug:s 1788: — Translaat Malijdsche Brief geschr: door Gustie Moera made en Gustie made te Balij Carang Assam, aan den wel Ed: gestr: Heer Gouverneur en Directeur te samarang ontvangen de Djoejocarta den 13: Aug=s 1788: — Wij geeven Broeder kennis, dat desselfs brief ons seer wel is geworden, en welkers inhoud wij hebben begreepen, behelsende den 29: Aug=s 1788. dat 507. dat Broeder ons een Brief van Hunne Hoog Edelheedens, onsen broeder den Hoog Edelen Heere Gouverneur gene„ „raal te Batavia toesond, welkers inhoud wij meede hebben verstaan onsen Broeder gaf ons kennisse dat hunne Hoog Edelheedens te Batavia sig met Radeen tadjie met verder wilden bemoeijen, ten eijnde ons geene meerder onaangenaamheeden te veroorsaken, zijnde dit den inhoud van onsen Broeders brief geweest, en het welk wij alles aan hem Radeen Hadjie hebben bekend gemaakt. Radeen Hadjie begeerd altoos te Balij Carang Assam met 'er woon verblijf te houden, dog broeder behoefd egter net ongerust teweesen, want wij sullen in zijn staat goede denkbeelden tragten te leggen, op dat hij tot geene nadeelige bedenkingen overgaat. Als het mogelijk is versoeken wij aan broeder dat het Hoogst dezelve gelieft te behaagen sijn Radeen Had„ Jies staat tevergenoegen, en gerust te stellen, ten eijnde hij altoos bestendig aan broeder blijft gedenken, terwijl wij in„ „tusschen hoopen dat hij Radeen Wadsie nimmer tot eenige onbetamelijke zaaken gedagten sal krijgen, temeer om dat hij Radeen Hadjie beneevens sijne vrouw van een goede familie afkomstig is, en nog veele familie heeft, tot dewelke hij een vurige liefde roed Geschr: te Balij Carang Assam op vrijdag den 8 van het ligt sarval in het Jaar 1202. /:onderstond/ ge„ translateerd door mij /was get:/ W: wardenaer gesw: Transl: Den 29: Aug=s 1788. Copia

← previousnext →