VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3816

Japan · 998 pages · 253 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3816_0786 view scan ↗

English

the 29: Aug=s 1788. Copy Translation Javanese Letter written by the former Tagal regent Radeen Hadjie and his wife the Radeenaijoe, residing in the Negorij Padang under the ju- risdiction of Balij Carangassam, to His Highness the Panumbahan at Madura. presented at Sourabaija the 6: Aug=s 1788. — It was in the poeassa month, when we were fortunate enough to receive Your Highness's esteemed letters, and having fully understood their contents, we urge Your Highness and our other brothers to give no more futile sweet and flattering advice, for Radeen Hadjie is no Tommongong who does not yet know the world, but indeed a true Hadje, and one who desires no treasures or lands that do not belong to him, nor has any regret that he requested his dismissal from his office and went to Radjie or Mecha. That brother would like to see us resolve to return again to the Comp:y, such I will not do, unless the regency of Tagal is placed once again, as when I held it, under one regent and given to my son alone under my guardianship. That I have regret over my dismissal from that regency, I declare, as stated, to be not at all the case, but make the request solely for my son Djoko Jannan, and that the Comp: please hold to its promise, made at the time of the Javanese war to my father the actual Tommongong Raksa Nagara, which entails that the Tagal 509. the 29: Aug=s 1788. Tagal regency should remain the portion of no one else than his family alone. And since, as far as is known to me, there has never been anything to reproach that family with, it seems to me, with all due respect, also nothing more than fair, that the Comp: in that regard fulfills its made promise, and not divide the Re- gency with one of the family of the Company's en- emies originating from Banjoemaes, and who is married to the only nominally assumed Tommongong Rakso Nogoro; therefore my plea is very hum- ble that a change may be made in this regard. — Furthermore that I may have my freedom, as was pro- mised to me at that time by Their High Nobilities, namely to be allowed to go to all places for trade, then Brother we shall without doubt re- turn again. Meanwhile I also request that Your Highness please have the goodness to be my authorized agent in petitioning the Comp: for all my out- standing monies, which I have among the inhabitants of the same, that these may be collected and therefrom my pawned goods may be redeemed, as my authorized agent at Batavia the Vice Commander de Haart and his wife are acquainted with my outstanding monies as well as my pawned goods, while otherwise, if Your Highness has someone who can calculate well, I request that you send him here to Balij, in order to be able to give him the statement of my outstanding affairs. Likewise I insist on the restitution of my the 29 Aug=s 1788. my Sloop which Captain Reeren had rented, but was sent to samarang by the Iapara Resident of Tedoenang, where it was seized, with its ammunition, sail, and rigging, and also of the iron taken therefrom by the said Re- sident, for I still cannot understand why the iron of ours alone was confiscated, while if I may obtain all this, there will be no lack on my part to come again to Batavia, whi- ther I am not at all afraid to appear, provided I am beforehand assured, and furnished with proof, that everything / concerning my outstanding affairs / is in the hands of the Hon: Mr. Smith and the Vice Commander de Haart, which favor I most humbly urge upon the Company, and otherwise Your Highness please do not take it amiss of me that I shall then remain un- inclined to return. Lastly the Radeenaijoe thanks Your Highness for the sent 1 large and 1 Boust cloth, with her and my humble greetings to all our beloved family. /was un- dersigned:/ End. /Lower:/ translated by me /was si- gned/ H: v: Ligten sworn translator. Copy Account given by the Madurese Loera Boenga Laut, employed by the Panumbahan of Madura as an envoy to Balij Carang Assam for the delivery of a letter to Radeen Hadjie on this day the 6: Aug=s 1788. The Relator recounts that about 3: months ago

Dutch transcription

den 29: Aug=s 1788. Copia Translaat Jav: Brief geschre: door den geweesen Tagals regent Radeen Hadjie en desselfs huijsvrouw de Radeenaijoe, woonagtig op de Negorij Padang onder het re„ sort van Balij Carangassam, aan zijn Hoogheid den Panumbahan te Madura. vertoond te Sourabaija den 6: Aug=s 1788. — Het was in de poeassa maand, wanneer wij het geluk heb„ ben moogen genieten, de g'eerde letteren van uw Hoogheid te ontfangen, en dies inhoud volkomentlijk verstaan hebbende, zo insteeren wij uw Hoogheid en onse verdere broeders om geene te vergeefs zijnde toete en vleijende raad geevinge meer„ te doen, want dat Radeen Hadjie geen Tommongong is die de wereld nog niet weet maar wel een opregte Hadje, en die geene schatten of landen begeert, welke hem niet toekoomen ook geen berouw heeft over dat hij zijn demissie van zijn ampt had versogt en naar Radjie of Mecha was gegaan. Dat broeder gaarne soude zien indien wij ons konde resol„ veeren om weederom tot de Comp:e terug te keeren zulx zal ik niet doen, zo het regentschap van Tagal niet weeder, als toen ik het gehad hebbe, onder een regent gesteld en aan mijn zoon alleen onder mijn voogdije gegeeven word. Dat ik berouw hebbe over mijn ontslag uit dat regentschap zulks betuijge als gezegd in't geheel niet te zijn, maar doe 't versoek eenelijk voor mijn zoon Djoko Jannan, en dat de Comp: zig aan desselfs belofte gelieft te houden, gedaan ten tijde van den Javaschen oorlog aan mijnen vader aen weesentlijke Tommongong Raksa Nagara welke is behelsende dat 't Tagals 509. den 29: Aug=s 1788. Tagals regentschap aan niemand anders zoude ten deele blijven, dan alleen aan dies familie, En daar het voor zo verre mij bekend is, op die familie nog niets te zeggen is geweest, zo dunkt mij onder welduijding ook dat het niet meer dan billijk is, wanneer de Comp: daar om„ „trend desselfs gedane belofte na komt, en met om het Re„ gentschap te verdeelen met een der familie van sComps vij„ anden afkomstig van Banjoemaes, en die getrouwd is met den maar in naam aangematigden Tommongong Rakso Nogoro, derhalven is mijn instantie seer ootmoe„ „dig dat des aangaande een verandering mag worden gemaakt. — voorts dat ik mijn vrijheid mag hebben, zo als mij toen maals door hunne Hoog Edelheeden is beloofd geworden namentlijk om mij op alle plaatsen ten handel temoogen begeeven, als den Broeder zullen wij zonder twijffel wee„ „derom terug keeren. Intusschen dat ik ook versoeke dat uw Hoogheid de goed„ heid gelieft te hebben, van om mijn gemagtigde, tewillen zijn in het besolliciteeren bij de Comp: van alle mijne uijt„ staande penningen, die ik onder de ingezeetenen van de„ selve hebbe dat die moogen worden ingecasseerd en daar van mijne inpand zijnde goederen moogen worden ingelast zijn„ de mijn gemagtigde te Batavia den vice Commandeur de Haart en desselfs huijsvrouw mijne uijtstaande penningen zo wel als mijne verpande goederen bekend, terwijl ik uw. Hoogheid anders, iemand hebbende, die goed kan reekenen versoeke om die hier op Balij te zenden, ten einde aan denselve de opgave mijner uijtstaande zaaken te kun„ nen doen, Insgelijks insteere ik om de restitutie van mijn den 29 Aug=s 1788. mijn Chialoup die Capitain Reeren in huur gehad heeft, dog door den Iaparas Resident van Tedoenang, alwaar deselve opgehaald was, met dies ammunitie zeijl en treijl opgezonden naar samarang en ook van het doog ged re„ sident daar uijt genomen ijzer, want dat ik als nog met begrijpen kan, waarom toen het ijser van wij alleen in confiscatie was genomen terwijl als ik dit alles mag verkrijgen, het aan mij met zoel man„ keeren van om weeder op Batavia te komen wer„ „waarts ik in't geheel niet bevreest ben te verschijnen mits alvoorens verseekert, en van een bewijs voorsien te zijn, dat alles / mijne uitstaande zaaken betreffende / in handen van de Ed: Heer Smith en den vice Commandeur de Haart is, welke gunst ik de Compagnie op het ootmoe„ digst den insteerende, en anderzints uw Hoogheid om mij met gelieven kwalijk teneemen, dat ik als dan onge„ neegen blijve zal, om terug te keeren. Laastelijk bedank de Radeenaijde uw Hoogheid voor de gesondene 1 groote en 1 Boust kleedje onder haar en mijn nedrige groetenisse aan alle onse geliefde familie /onder„ stond:/ Einde /Lager /getranslateerd door mij /was getee„ kend/ H: v: Ligten gesw: translateur. Copia Relaes gegeeven door den Madurees Loera Boenga Laut, door den Panumbahan van Madura g'emploijeerd als zendeling na Balij Carang Assam ter overbreng van een brief aan Radeen Hadjie op heeden den 6: Aug=s 1788. Den Relatand verhaald dat nu omtrend 3: maanden geleeden

NL-HaNA_1.04.02_3816_0789 view scan ↗

English

511 the 29th of August 1788. has passed, when he was sent from here once more with the fellow Madurese Pa santar to Balij Carrang Assam to deliver a letter from the aforementioned his Highness the Panumbahan of Madura to the former Tagal Regent Radeen Hadjie. However, having arrived at Balij Boleling and having been stricken there with an illness of paralysis, through which he had found himself unable to deliver that letter to Balij Carang Assam in person, it was thus that he had then handed the same over to his fellow companion, the aforementioned Madurese Pasantar, for further delivery, who then departed for Carang Assam with the Boleling gustij Salantik, who was likewise on the point of departure. The Relator further relates that the occupation of the beaches by armed men at Carang Assam at the time when he and the envoy of the Honorable East Coast Authority arrived there the first time to deliver the letters to the Gusti, happened because of the unrest that had arisen between a couple of the Balinese princes, for which reason they had also had the roads and beaches occupied at Carang Assam at that time, and that this was also the reason why they, the envoys, did not dare to step ashore, but returned with the letters. nothing further Thus done and related at the Dutch Office at sourabaija on the date aforesaid. Below was written: the signature of the Madurese Soera Boenga Laut. Lower: In my presence, was signed: H: van Ligten, sworn translator. In the margin: as witnesses, G: van Rijsoort and P: J: Moor. Copy Copy of the Account given by the Madurese Pasantar, having also been with Loera Boenga Laut on a Commission to Balij Carang Assam to deliver the letter to Radeen Hadjie on this day, the 6th of August 1788. — The Relator, having been sent and having departed from here in the month of May last with the Madurese Soera Boenga Laut on a Commission to Balij Carangassam, to deliver a letter from his Highness the Panembahan at Madura to the former Tagal regent Radeen Hadjie residing at the village of Padang, thus relates that due to the stay at Balij Boleling on account of the illness of the said Boenga Laut, he had to deliver the said letter to Carang Assam alone with the envoy of the Banjoewangie Commander, where he, the relator, declares to have handed that letter to Radeen Hadjie himself, on which occasion the relator learned from the same that he, Radeen Hadjie, was inclined to sail to Bancoeloe to trade, of which the relator likewise says he saw that all preparations were being made for it, although it is unknown to the relator with what kind of cargo and further purposes; while furthermore the relator relates that it is also unknown to him whether the frequently mentioned Radeen Hadjie is inclined to return again to Java or not, because he had made nothing at all of his intention known to the Relator, having solely inquired with the relator about the well- the 29th of August 1788. being 513. being of his Highness the Panumbahan at Madura, whom the relator had told Radeen Hadjie was in good health. The Relator also relates that the aforesaid Radeen Hadjie is in a poor condition at Carang Assam, living in a bamboo dwelling roofed with atap, the yard being 10 fathoms long and wide square and provided all around with a thrown-up fence of clay soil, as are most of the houses of the prominent persons in Balij. Thus done and related at the Dutch Office at sourabaija on the date aforesaid. Below was written: The mark of the Madurese Pasantar. Lower: In my presence, was signed: H: van Ligten, sworn translator. In the margin: as witnesses, G: van Rijsoort and P: J: Moor. Copy Translation of a Malay Report written by Maas Djoeriet, to the Right Honorable Lord Governor and Director of Java's Northeast Coast etc. etc. etc. I have the honor to bring the following to your Right Honorable's attention, namely: When my father the Panumbahan Adiwidjoijo sent me toward Samarang to request that Company's European servants might reside at Mampawa, the Major had not yet nothing further the 29th of August 1788. been to Succadana, and upon my arrival here in Samarang I did not bring any letter from my father with me, because he had placed his trust in me. Having proposed this request to the then Honorable Mr. Siberg, his Right Honorable approved the same, but after the passage of a month there came a letter from the Sultan of Pontiana and one ditto from the resident there for the Honorable Gentleman, but what the Pangerang Kassim said to his Right Honorable is unknown to me. Subsequently I went inside again to see his Right Honorable, who then said to me that my father was occupying himself with big lies; then, because I was afraid to speak against it further, and which I also could not do, so I kept silent about it, until war came and my father took flight, for which reason I now request of your Right Honorable, if it can be, to be permitted to return homeward to go and look for my father; but if it might please your Right Honorable that I shall betake myself thither with Toewan Saijd Mochamad, brother of the Sultan at Puntiana, then I request your Right Honorable most humbly for excuse, as I am very afraid, for when my grandfather was still in unity the 29th of August 1788. — with

Dutch transcription

511 den 29: Aug=s 1788. geleeden is, wanneer hij van hier andermaal met den meede Madurees Pa santar naar Balij Carrang Assam was gezonden ter overbreng van een brief van voormel„ „de zijn Hoogheid den Panumbahan van Madura, aan den geweesen Tagals Regent Radeen Wadje dog. te Balij Boleling aangekoomen en aldaar door een ziekte van Lammigheid overvallen zijnde, waar door hij sig buijten staat had gevonden die brief naar Balij Carang Assam selfs inperzoon te hebben kun„ „nen besorgen, zo was zulks dat hij deselve toen aan zijen meede makker den voormelden Madurees Pasantar ter verdere besorging hadde overgegeeven, die toen met den Bolelings gustij Salantik den welke netmeede op vertrek stond, naar Carang Assam was vertrokken Den Relatand verhaald wijders, dat de besetting der staanden door gewapend volk te Carang Assam ten tijde, wanneer hij en den zendeling van den E: oosthoeks gezag heb„ ber de eerste maal ter bestelling der brieven aan de Gustije daar aanquam geschied is door de onlusten welke en tus„ schen een paar der Balische vorsten ontstaan waren, en waarom men toen te Carang Assam ook de weegen en staanden had laten besetten en dat ook de reeden is geweest waarom zij zendelingen niet aande wal hebben durven stappen, maar met de brieven zijn terug gekeerd: (:zondermeer:) Aldus gedaan en gerelateerd ten Nederlands Compt: sourabaija dato voorsz: /:onderstond:/ de Handteekening van den Madurees Soera Boenga Laut /:Lager:/ Jnkennisse van mij /was get:/ H: van Ligten gesw: tr: /:in margine / als getuijgens G: van Rijsoort en P: J: Moor Copia Copia Relaas gegeeven door den Madurees Pasantar, meede geweest hebbende met Loera Boenga Laut in Commissie naar Balij Carang Assam te overbreng van de brief aan Radeen Hadjie op heeden den 6: Augustus 1788. — Den Relatand in demaand Meij pass=o van hier met den Madurees Soera Bonega Laut in Commissie naar Poalij Carangassam, ter overbreng van een brief van zijn Hoogheid den Panembahan te Madura aan den op de negorij Padang zig bevindende gew: Tagals regent Radeen radsie gezonden en vertrokken zijnde zo ver„ haald denselven dat hij mits het verblijf te Balij Boleling door ziekte van gem: Boenga Laut de gem: brief alleen met den zendeling van den Banjoewangies Commandant naar Carang Assam hadde moeten overbrengen, alwaar hij relatand verklaard die brief aan Radeen Hadjie zelfs te hebben overhandigd bij welk occagie den relatant van denselven vernam dat hij Radeen Hadjie geweegen was naar Bancoeloe ten handel tevaaren waar van den delatand insgelijks zegd gezien te hebben dat daar toe alle preparatien wierden gemaakt schoon bij den relatand onbekend is met wat voor een lading en ver„ dera oogmerken, terwijl voorts den relatand verhaald meede bij hem onbekend te zijn of meerm: Rad een Hadjie geinclineerd is om weeder op Java te keeren dan niet want dat hij in 't geheel niets van zijn voorneemen aan den Relatand te kennen gegeeven had, als hebbende zig eenelijk bij den relatand geinformeerd naar het wel„ den 29 Aug=s 1788. stand 513. stand van zijn Hoogheid den Panumbahan te Madura, die den relatand aan Radeen Radjie gezegd hadde dat welvarende was. Den Relatand verhaald ook dat voorsz: Radeen Radjie zig te Carang Assam in een aanoedigen staat bevrind, woonende in een Bamboese met adap gedekte wooning, zijnde het erf lang en breed 10: vaam in het vierkant en rondom voorsien van een opgeworpe pagger van kleij grond zo als de meeste der huijsen vande voorname perzoonen te Balij zijn. Aldus gedaan en gerelateerd ten Nederlands Comptoire sourabaija dato voorsz: /:onderstond:/ Het merk van den Madurees Pasantar /Lager / Inkennisse van mij /:was geteekend:/ H: van Ligten gesw: Fr: /:in margine/ als getuijgens G: van Rijsoort en P: J: Moor. Copia Translaat maleijdsche Berigt geschr: door Maas DJoeriet, aan den wel Ed: gestr: Heer Gouverneur en direc„ „teur van Iavas Noord oostCust & & 4: Ik vereere mij uwel Ed: Gestr: het volgende onder het oog te brengen, teweeten: Toen mijn vader den Panumbahan Adiwidjoijo mij samarang waards sond, om te versoeken dat op Mampawa Compagnies Europeese dienaaren mogten verblijf houden, was den Majoor nog niet na Succadana (zondermeer) den 29: Aug=s 1788. geweest es geweest, en bij mijn aankomst alhier te sa„ marang hebbe ik geen Brief van mijn vader mede gebragt, door dien hij op mij sijn vertrou„ „wen had gesteld. – Dit versoek, aan den toen„ maligen Edelheer Siberg voorgeslagen heb„ bende keurde zijn wel Edele Gestr: het selve goed, dog na verloop van een maand kwam er een Brief van den sulthan van Pontiana en een dito van den resident aldaar voor den Edelheer, maar wat den Pangerang kassim tee„ gens zijn wel Ed: gestr: heeft gesegd is mij onbe„ wust, vervolgens begaf ik mij daar na weeder naar binnen bij zijn wel Ed: gestr:, die mij toen sijde, dat mijn vader sig met grote leugens opgehield; dan dewijl ik bevrees was om verders daar teegen te spreeken, en het geen ik ook niet konde doen, so heb ik daar op stil gesweegen, tot dat 'er oorlog is gekoomen en mijn vader de vlugt heeft genoomen, uitwelken hoofde ik tans aan uwel Ed: Gestr: versoeke om indien het weesen kan thuijswaards temogen keeren om mijn vader te gaan opsoeken, dog als het uwel Ed: gestr: mogte behagen dat ik mij, met toewan saijd Mochamad Broeder van den sul„ than te Puntiana derwaards zal begeeven dan versoek ik uwel Ed: gestr: op het aller nedrigst om verschooning, also ik seer bevreest ben, want toen mijn groot vader nog in enigheid den 29: Aug=s 1788. — met

NL-HaNA_1.04.02_3816_0793 view scan ↗

English

515. the 29th of August 1788. was with his father, there was a matter in which my grandfather helped him as far as possible, until this present sultan bore the name of Sarif before he had the name of Pangerang. My grandfather, without my knowing how such occurred to his mind, took this sultan as his son-in-law and at the same time endowed him with the name of Pangerang. After this, my father gave him a place that is called the land of Sango, which he had conquered, and further supported him in every respect. And while he now treats my father in such a manner, I am very fearful. I have not yet met my father, because he currently finds himself in the utmost distress and misery, living in the midst of the forest, and I find myself unable to come to the aid of both my father and my mother, who raised me from my childhood. Wherefore I come most humbly to request of Your Right Honorable that I may go search for my father, in order to show him the way to his residence under the Company. I wish to charge myself with this under the Company's and Your Right Honorable's orders, so that my father may enjoy the good residing under the Company. the 29th of August 1788. enjoy. However, I very humbly request to be excused from the return journey to Pontiana, as I prefer to remain in Samarang, and Your Right Honorable also knows very well the sum of these circumstances. Below stood: Translated by me. Was signed: Willem Wardenaer, sworn translator. 517. Batavia. page secret the 3rd of September in the year 1788. To His High Excellency, The High Noble, Severe, Great, and Honorable Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor General, and the Right Honorable Lords Councillors of the Dutch Indies, High Noble, Severe, and Great Honorable Lord, and Right Honorable Severe Lords, That which I have feared would happen, I see to my regret, notwithstanding all my precautions, has now indeed come to pass. The sultan sees fit to attack the emperor in an armed manner, even though the pretext over which he had conceived any displeasure against the monarch has already been completely removed. And if I may lend credence to that which has been made known to me among other things by the Chief Regent of Samarang, then that monarch, through his disturbed mind, has gotten the idea that there is a possibility of making himself the sole monarch page the 3rd of September 1788. monarch of Java. I refer myself further to the enclosed annexes, which will unfold to Your High Excellencies the details of everything, and also what conduct I have maintained until now. If it deserves such, I request Your High Excellencies' esteemed approval, and also the necessary orders. Your High Excellencies will hereby also find confirmed at the same time the necessity which I, alongside the council in the respectful general letter of the 30th of January past and also in a separate letter of the 29th of August sent by the ship Holland, have posited: that is, to keep Java's military force in a more formidable state. For while I prepare myself to depart for Soura Carta with as many men from the garrison as can ever be spared, one will have to make use of the burghers to help man watches and posts. I therefore take the liberty, while giving due notice of all this by express, to urgently request Your High Excellencies to be reinforced as soon as possible, among other things page 519. the 3rd of September 1788. among other things also to send me another 20 to 25,000 lb of gunpowder, since the force at hand, which here in Samarang consists of only 123 healthy duty-bound men, while the garrisons at the Courts are also far from complete, will not suffice to have much effect if matters become somewhat engaging, much less to instill as much awe as would have been necessary to preserve peace and quiet. I am, with due respect and veneration, below stood: Title as above, lower stood: Your High Excellencies' very obedient and faithful servant, was signed: Jan Greeve, in margin stood: Samarang the 3rd of September 1788, thereunder stood: P.S. The 50 pairs of pistols brought for the sultan by the pantjallang Riouw have by chance not yet been sent to that monarch. turn over

Dutch transcription

515. den 29: Aug=s 1788. met desselfs vader was, so was 'er een saak waarin mijn groot vader hem na mogelijkheid heeft geholpen, tot dat hij teegenwoordige sul„ „than den naam van Sarif voerde eer hij de naam van Pangerang had Mijn groot vader sonder dat ik weet hoe hem sulks ingedagten is gekoomen, heefd deesen sulthan tot zijn schoonzoon genoomen en hem teffens met den naam van Pangerang begiftigd, hier na heeft mijn vader hem een plaats dat genaamd is, 't land sango, dat hij geslagen had gegeeven, en hem voorts in allen opsigte ondersteund en terwijl hij mijn vader nu op sodanige manier behandeld ben ik seer bevreest; Mijn vader hebbe ik nog niet ontmoet, door dien denselven sig tans bevind in de uijterste nood en ellende, woonende in't midden des Bosch en ik bevinde mij niet instaat om so wel mijn vader als mijn moeder die mij van kinds gebeente af hebben opgevoed, met mijn hulp tegemoet te koomen, weshalven ik uwel Ed: gestr: op 't ootmoedigste koome te versoeken, dat ik mijn vader mag gaan opsoeken, ten eijnde om denselven den weg tot zijn ver„ blijf onder de Comp: tewijsen, Ik wil mij hier toe belasten met 'sComp=s en uwel Ed: Gestr: ordre, op dat mijn vader het goede /:onder de Comp: verblijf houdende :/ kan ge„ nieten den 29: Aug=s 1788. — „nieten, egter van de Rhuijsreijse naar Pontiana versoek ik seer onderdanig geexcuseert te wel„ „sen, also ik liever op samarang blijve, en uwel Ed: Gestr: weet ook seer wel de hoop van deese omstandigheeden /:onderstond:/ getranslateerd door mij /:was geteekend:/ Willem wardenaer geswoore Translateur. — 517. Batavia. pag: secreet den 3: September A=o 1788. Aan zijn Hoog Edelheid. Den Hoog Edel, Gestrenge, Groot, Achtbaren Heere M„r Willem Arnold Alling Gouverneur Generaal, en de wel Ed: gestr: Heeren Raaden van Neederlands Jndie Hoog Edel Gestrenge, Groot Achtbaer Heere en Wel Edele Gestrenge Heeren; Het geene ik bedugt ben geweest dat gebeuren soude, sie ik tot mijn leedweesen, dat ondanks alle mijne voorsorge, nu ook werkelijk daar is. Den sulthan vind goed op een gewapende wijse den keijzer aan te vallen, schoon het pretext waar over hij enig ongenoegen teegen den vorst had opgevat, bereeds volkomen is uit den weg geruimd. En so ik geloof mag slaan aan het geene mijs onder anderen door den Samarangs Hoofd Regent te kennen gegeeven word, dan soude dien vorst sig door sijne ontstelde geest in het ider gebragt hebben, dat 'er mogelijkheid is, om sig tot de einge vorst 5 pag: den 3 september 1788. vorst van Iava te maken. IE gedraege mij voorts aan de ingeslotene bijlagen, welke uwe Hoog Edelheeden, de bijsonderheeden van alles sullen ontvouwen en ook welk gedrag ik tot hier toe gehouden hebbe so sulks het verdiend, dan versoek ik om uwer Hoog Edelheeden g'Eerde approbatie, en ook de nodige orders. uwe Hoog Edelheeden sullen hier door nu ook tevens bevestigd vinden, de noodsakelijkheid die ik nevens de raad bij eerbiedige gemeene van den 30:e Jann: passato en ook bij aparte van den 29: Aug=s /per het schip Holland versonden :/ heb geposeert, dat er is, om Sacas militair vermogen in een meer formidabele staat te houden. want terwijl ik mij gereed make met so veel manschappen uijt het guarnisoen, als maar immer te missen sijn, na soura carta te vertrekken, sal men sig van de Burgers moeten bedienen om wagten en posten te helpen besetten. Ik naem dus de vrijheid terwijl ik oper expresse van dit alles de verschuldigde kennis geeve, uwe Hoog Edelheeden nadrae te versoeken, om so veel mogelijk spoedig versterkt te worden /:onder anderen pag: 519. „ den 3 Septemb=r 1788. — anderen ook mij toetesenden nog 20. â 25000: lb: Buskruijt :/wijl de magt die aanhanden is, en hier te samarang slegts in 123: gesonde dienst doenden bestaat, terwijl de besettingen, aan de Hoven ook op verre na met Compleet zijn, niet sal toereijken om veel effect te doen als de zaken wat engageant komen te worden, veel min nog om so veel ontsag te verwekken als nodig ware geweest om de rust en vreede te conserveeren. Ik ben niet schuldige eerbied en veneratie /onder stond / Titul als voren /lager stond/ uwer Hoog Edelheeden seer gehoorsame en getrouwe dienaer /:was geteekent/ Ian Greeve /in margine stond:/ Samarang den 3 september 1788. /:daaronderstond:/ P: S: Den 50 paren Pistoolen per de Pantjallang Riouw, voor den sulthan aangebragt; zijn gevallig aandien vorst nog niet toegesonden. verte

NL-HaNA_1.04.02_3816_0798 view scan ↗

English

Copy of a Separate Letter written by the First Resident at Soura Carta A Hartzinck to the Lord Governor and Director of Java Ian Greeve on 26 August 1788. Your Right Honourable, Right Worshipful, highly honored letter of the 22nd of this month, together with its enclosures, having been well received by me, I hereby serve in reply that the sickly condition of His Majesty the Emperor here diminishes from day to day, which gives much appearance of recovery. Entering further into reply, I shall not fail to endeavour to inform myself fully in all measures necessary for preparation upon the demise of the monarch. I was just now with His Majesty the Emperor and proposed to His Majesty the change of the name of the Pangerang Mangcoeboenie, in which His Majesty agreed; whereupon I also proceeded to the house of the Pangerang Mangcoenogoro and informed him thereof, wherewith His Highness was also fully satisfied, but yet could not accept the name of Soerio Negoro, designated by Your Right Honourable, Right Worshipful; since one of his grandsons already bears this name, but has assured me that His Highness first wished to devise a name, and then request it of the Emperor; not doubting that my conduct in this respect will carry Your Right Honourable, Right Worshipful's approval and approbation. I have the honour to call myself with the highest esteem and veneration, beneath stood title, lower, Your Right Honourable, Right Worshipful's very humble and obedient servant, was signed, A: Hartzinck. In the margin, Soura Carta the 26 August 1788. The 3 September 1788. Copy. Page: Page 521. The 3rd September 1788. Copy of the Reply to the aforementioned letter from the said Lord Governor to the same, dated Samarang the 27 August 1788. With pleasure I observe from Your Honour's separate letter of the 26th of this month that it has arranged itself so easily with the disposing of the Emperor and the Pangerang Mangcoenagoro toward the change of the name of Soerio Mang Coedoenie, and that instead of the same another name shall now be given to the latter's grandson. And while I gladly profess to be very satisfied with Your Honour's management in this matter, trusting as I do that everything has been handled in such a manner that the Pangerang Mangcoenogoro cannot consider himself offended thereby; I now await Your Honour's further report on which name that Pangerang has now chosen for his grandson, and whether he may perhaps also have decided upon that of Soerio Diningrat or Soerio Coessoemo, relying in this upon Your Honour's attentiveness that the choice does not fall upon such a name by whose meaning cause for displeasure could with reason be given to the Sultan. Furthermore, I now also anticipate Your Honour's further report regarding Brangto Coessoemo and the investigation that, according to the Emperor's letter, was to be conducted in his regard. Wherewith after greetings I remain, beneath stood, Your Honour's good friend, was signed, Ian Greeve. In the margin, Samarang the 27 August 1788. Copy. The 3 September 1788. Copy of a Separate Letter from the Lord Governor of Java Ian Greeve to the Djocjocarta First Resident W: H: van Ysseldijck, dated Samarang the 28 August 1788. Herewith I send Your Honour an authentic extract-missive from the Soura Carta First Resident Hartzinck, as proof that the change of the name of Soerio Mangcoedoemie, so greatly desired by the Sultan, has been effected with more ease, both with the Emperor and with the Pangerang Mangcoenagoro, than there was reason to expect, so Your Honour will now have it in your power to give notice thereof to the Sultan at a convenient time, without it being necessary however to place a copy or translation of that extract into His Highness's hands. Wherewith after greetings I remain, beneath stood, Your Honour's good friend, was signed, Ian Greeve. In the margin, Samarang the 28 August 1788. There beneath stood, P.S. At the very moment when this was about to be dispatched today, the 29 August, I receive Your Honour's separate letter of the above-mentioned date and the Sultan's reply. The first-mentioned I can consider answered by the contents of this letter, and to the latter I am dispatching a short reply, of which the copy is enclosed for Your Honour's contemplation. Copy of a Separate Letter from the Djocjocarta First Resident W: H: van Ysseldijck to the Lord Governor and Page 523. The 3rd September 1788. and Director I: Greeve, written the 28 August 1788. The Pangerang Djoijo Coesoemo and the Tommongang Moatoloijo having arrived here yesterday, and Your Right Honourable's letter to the Sultan and Crown Prince having shortly thereafter been delivered according to custom, I hereby give the requisite notice thereof. Although all the Princes and Court grandees were at hand, I requested the monarch that he would have the letter read only in the presence of the Crown Prince, the Regent, and his adjunct Raden Notto Iudo, and this having occurred, that he would then be pleased to have Djoijo Coesoemo summoned, as I believed I had understood from him that he had a verbal commission from Your Right Honourable. The first request being conformable to the Sultan's intention, the said letter was read aloud by Notto Judo, during which time there was an uncommon attentiveness and silence, which after the reading was broken by the Sultan himself, who gave this order to his Regent: That in case his subjects should be the first to insult any person of Solo by taking away from him his village, rice fields, or cattle, he, Danoeredja, should punish this with death without connivance; but should such first be done by a Solo subject, he should not concern himself with the matter at all, whatever might come of it; and as this order appeared to me not suited to preserve everything in the peace that may presently exist, I addressed the Sultan, declaring

Dutch transcription

Copia Aparte Brief geschr: door den Eersten Resident te soura Carta A Hartzinck, aanden Heer Iavas Gouverneur en directeur Ian Greeve den 26: Aug=s 1788. uwel Ed: gestr: groot Achtb: zeer gehonnoreerde Lettre van den 22: deeser, beneevens dies bijlagen bij mij wel ont„ vangen zijnde zo diene bij deese in antwoord, dat de zieke „lijke omstandigheeden van zijn Majesteit den keijzer alhier van dag tot dag verminderen, 't welk veel schijn tot beeterschap geeft. — verders ter antwoord treedende zal ik niet in gebreeke blijven„ mij in allen ter praparatie nodige maatregulen, bij 't af„ sterven van den vorst, ten vollen tragten kundig te maeken Ik den so even bij sijn Majesteit den keijser geweest, en heb sijn Majesteit de verandering van de naam, van den Pangerang Mangcoeboenie voorgeslagen, waar in zijn Majesteit accordeerde, waar op mij ook ten huijse van den Pangerang Mangcoenogoro vervoegde, En hem daar van verwittigde, waar meede zijn Hoogheid ook ten vollen te vreeden was, maar egter de naam van Soerio Negoro, door uwel Ed: gestr gr: Achtb: aangeschreeven niet konde accepteeren; Dewijl een zijner klijn zoonen deese naam reeds voert, maar heeft mij verseekert dat zijn Hoogheid eerst, een naam wilde uitdenken, en als dan aan den keijser daar om verzoeken; Niet twijffelende of mijn gedrag ten deesen opsigte zal uwel Ed: gestr: gr: agtb: goedkeuren en approbatie, wegdragen. Ik hebbe de eere mij met de meeste hoog agting en veneratie te noemen /:onderstond/ titul /Lager/ uwel Ed: gestr gr: agtb: seer nedrige en gehoorsame dienaer /:was geteekend/ A: Hartzinck /:in margine/ Soura Carta den 26: Aug=s 1788. — den 3: Septemb=r 1788. — Copia pag: pag: 521. den 3:e Septemb=r 1788. Copia Antwoord op evengem: brieff van wel„ melde Heere Gouverneur aan denselven, gedateert Samarang den 27: Aug=s 1788. Met genoegen ontwaar ik uijt VE: aparte van den 26: deser dat het sig so faciel heeft geschikt met het dis„ poneeren van den keijser ende Pangerang Mangcoe„ nagoro, ter verandering van de naam van soerio Mang„ Coedoenie en dat in steede van deselve aan des laast ge„ „noemdens kleen zoon als nu een andere naam zal gegee„ „ven worden. En terwijl ik gaarne betuijge seer voldaan te zijn over UE: directie in deesen, als vertrouwende dat alles op sulk een wijse behandeld is, dat de Pangerang MangCoenogoro daar over sig niet gebelgd kan agten; so overwagt ik als nu UE: nader berigt welke naam dien Pangerang als nu voor zijn kleen zoon heeft gekoosen, en of hij sig misschien ook tot die van soerio Diningrat of soerio Coessoemo magt hebben bepaald, mij in deesen verlaatende op UE: attentie dat de keuse niet valt op sulk een naam, door welken beteekenis aan den Sulthan met reeden stof„ tot ongenoegen soude kunnen worden gegeeven. — voorts sie ik nu meede te gemoed UE: nader berigt omtrent Brangto Coessoemo en het ondersoek dat volgens 's keijsers schrijven, ten zijnen opsigte soude worden gedaan. Waar meede na groete blijve /:onderstond/ VE: goede vriend /:was geteekent Ian Greeve /:in margine / Samarang den 27: Aug=s 1788. — Copia ƒ den 3: September 1788. Copia Aparte Brief van den Heere Iavas Gouverneur Ian Greeve, aan den Djoc„ Jocartasche Eerste Resident W: H: van iijsseldijck, gedateert Sam: den 28: Aug=o 1738 Dier nevens sende ik VE: een authenticq Extract-missive van den soura Cartasch Eerste Resident Hartzinck, ten blijke, dat de door den suthan so seer gewenschte naams verandering van Soerio MangCoedoemie, so wel bij den Keijzer, als bij den Pangerang MangCoenagoro niet meerder faciliteit is uijtgewenkt, dan men reeden had, ten verwagten, dus UE: het als nu in zijn vermogen sal hebben om den sulthan daar van ter geleegener tijd ken„ „nis te geeven, sonder dat het egter nodig is zijne Hoogheid een Copij of Translaat van dat Extract verhand te stellen. — waar meede na groete blijve /:onderstond:/ VE: goede vriend /was geteekent :/ Ian Greeve /:in margine/ Samarang den 28: Aug=s 1788 /:daar onderstond/ P: S: zo op het moment, als deese heeden den 29: Aug=s stond versonden te worden ontvange ik UE: aparte van boven gem: datum en des zulthans antwoord. — De eerst gem: ken ik met den inhoud deeser voor beant„ „woord houden en op de laetste laat ik een korte rescrip„ „tie afgaan, waar van de Copij deesen tot uE specula„ „tie, is ingesloten. Copia Aparse Brief van den Djocjoeartas Eerste Resident W: A: van ijsseldijck aan den Heere Iavas Gouverneur en pag: 523. den 3:e Septemb=r 1788 en Directeur I: Greeve, geschree„ ven den 28: Augustus 1788. — Den pangerang Djoijo Coesoemo, en den Tommongang Moatoloijo op gisteren, alhier gearriveert, en: de Brief van uwel E: gestr: aan den sulthan en kroonprins kort daar na den gebruike geintrageert sijnde, geeve ik daar van bij deese de verschuldigde kennis. afschoon alle de Princen en Hofgrooten bij de hand waaren, versogt ik den vorst, dat de brief wilde laaten leesen, alleen inhet bij sijn van den kroon prins Rijks„ bestierder, en sijn adjunct Radeen Notto Iudo, en dit geschied sijnde, hij als dan Djoijo boesoema geliefde te la„ „ten roepen, also ik vermeende van hem verstaan te hebben, dat van uwel Ed: Gestr: mondeling Commissie had. — Het eerste versoek Conform des sulthans Intentie sijnde, wierd gem: Brief door Notto Judo voorgeleesen, gedurende welken tijd, 'er eene meer den gemeene attentie „ en stille plaets had, dewelke na de Lecture afgebroken # wierd, door den sulthan selve, die aan sijnen Rijksbestierder deese ordre geeff. Dat ingevalle sijne onderdanen het eerst, een sodanige, van solo beleedigde, met hem sijn Negorije, Rijstvelden, of vee afteneemen, hij Danoeredja dit sonder oogluijking met den dood soude straffen, dog sulks het eerst geschie„ „dende door een solosch onderdaan, hij sig (wat 'er ook van mogt komen met de zaak in het geheel niet soude hebben te bemoeijen, en daar deese ordre mij voorkwam met ge„ schikt te zijn, om alles bij de teegenswoordige mag plaets hebbende rust te bewaeren, sprak ik den sulthan aan, betuijgende

NL-HaNA_1.04.02_3816_0802 view scan ↗

English

declaring that I was not capable of adding anything to what Your Right Honourable had written to His Highness, but that I had to presume that His Highness had not understood the contents, wherefore, since the Pangerang Djoijo Coesoemo was not present, I found myself obliged to make the intention of Your Right Honourable further known to him and furthermore to bring to his attention into what danger he brought the blessed peace by issuing such an arbitrary order, that he himself knew how often acts of violence took place between the mutual subjects, which had always still been decided through the intervention of the chiefs and administrators of the realm, but this now being about to come to an end, it was to be foreseen that the most unpleasant consequences would spring from this; and that indeed at a time when His Highness the sultan, through old age, and the emperor, through severe illness, might with good reason think of an approaching end, and in such an unexpected event it would surely above all be preferable that the mutual minds were calm in order to give the Company opportunity to be able to proceed with all the more tranquility to the appointment of a successor according to the intention, and thereby all those who might ever think fit to oppose it would be disheartened, as among a restless and discontented populace it was always easy to do evil, that I therefore most earnestly requested His Highness that he please keep himself free from rashness in this matter, so that he might have no reason to complain afterwards, and to leave the same the 3 September 1788. — page 525. to leave the same to the wise disposal of the Company, to whom he had first entrusted it, and which had also directly given proof of being as helpful to him as possible, but would now have to withdraw its hands from it in case His Highness wished to insist upon a further determination of time, and there would then remain nothing for Your Right Honourable but to inform Their High Mightinesses of an occurrence that would hardly be reconcilable with the verbal and written assurances given to Your Right Honourable. The sultan, having let me speak to the very end, seemed to be very calm, but continued by saying that all these consequences presented by me to him were not to be imputed to him, but to the emperor, that the latter as ruler of Java, and he therefore, however well-founded my words were, could not depart from his decision without detracting from his honour as a ruler, wishing absolutely to know from me that if he left it solely to the Company, how long it would then still take before the emperor was spoken to about the matter, that if I would give him assurance that such would happen within a few days, he would explain himself further, but as I, both because of the indisposition of the emperor as well as because I considered it beneath the dignity of the Company to bind itself to a fixed time, could answer nothing definitive thereto, His Highness became more and more petulant and ordered Danoeriep once again to keep to his order, since there was nothing to be done for that moment, I took my leave, with the request that he please reconsider further, and I meanwhile would report to Your Right Honourable and ask whether it might perhaps be possible for His Right Honourable to give a more satisfactory answer than mine, whereupon I declared to hope that I would have an answer within 3 to 4 days. Thus far this delicate matter had progressed, when I agreed with the Radeen Adipatti and Notto Iudo yesterday evening (since they declared they no longer dared to speak to the ruler about the matter) to make a request to His Highness anew in writing, which is enclosed herewith in original, as it was shown to the sultan this morning, and I was informed thereupon that he adheres to his word, and only desired to be informed by me what Your Right Honourable will please answer to my writings. From the above Your Right Honourable will soon perceive how unyieldingly the ruler has resolved to push through this matter, and that it will not be easy to set his mind at ease; meanwhile may Your Right Honourable please rest assured that strict attention is paid by me to everything that is going on, and herewith concluding this my report I subscribe myself with all respect (underneath stood, Title, lower stood) Your Right Honourable's very obedient servant (was signed) W. H. van Ysseldijck (in margin stood) Djoejocarta the 28 August 1788. (thereunder stood) P.S. upon the closing of this, obtaining the answer of the sultan, the same is enclosed herewith, in which His Highness appears to indicate that he places his trust in the Company, but meanwhile maintains the order to Danoeridja. — the 3 September 1788. Copy

Dutch transcription

betuijgende dat ik niet in staat was iets bij het door uwel Ed: gestr: aan zijn Hoogheid geschreevene, te voegen, dog dat ik veronderstellen moest, Hoogst denselve, den inhoud niet begreepen had, waar om ik wijl den Pangerang DjoijoCoe„ „soemio niet praesent was, mij verpligt vond hem de intentie van UwelEd: gestr: nader bekent te maken en verder onder het oog te brengen, in welk een gevaar hij de geseegende rust bragt, door soo eene willekeurige ordre te geeven, dat hij selve wist hoe dikwils en dadelijk„ heeden tusschen de wederlijdsche onderdanen plaets hadden, die nog altoos door tusschen komst van de opperhoofden en Rijksbestierders waaren beslist, dog dit nu een eijnde staande te neemen, het te voorsien was hier uit de on„ aangenaamste gevolgen soude spruijten; en dat wel in een tijd, dat sijn Hoogheid den sulthan door ouderdom, en den keijzer door swaere siekte, met grond mogten denken op een aannaderend einde en het in so een onver„ „hoopt voorval immers boven al soude te praefereeren sijn, dat de wederseidsche gemoederen bedaarb waaren om de Comp: geleegendheid te geeven, net te meer ge„ rustheid over te kunnen gaan, tot de benoeming van een opvolger na de Intentie, en hier door alle de sulken die oijt mogte goedvinden, sig daar tegen te versetten, de moet soude benoomen worden, daar het onder een onrus„ „tige en onvergenoegde gemeente altoos gemakkelijk was, kwaad te doen, dat ik daarom sijn Hoogheidl aller ernstigst versogt, dat sig dog in deesen saeke geliefde bevrijd te houden, van voorbaerigheid, op dat geen reeden mogt hebben sig naderhand te beklagen, en deselve den 3. Septemb„r 1788. over te laaten den 3 Septemb=r 1788. — pag: 525. over te laaten aan de wijse beschikking van de Comp:e aan wien hij die eerst hadde toevertrouwt, en deese ook direct blijken had gegeeven van hem so veel mogelijk behulp„ saam te sullen zijn, dog 'er de handen als nu van soude moeten aftrekken, ingeval sijn Hoogheid op eene na„ dere tijds bepaeling wilde aandringen, en 'er voor uwel Ed: gestr: als dan niets overbleef, als hun Hoog Edelheedens kennis te geeven van een voorval, dat met wel soude over een te brengen sijn, met de mondelinge en schriftelijke verseekeringen, aan uwel Ed: gestr: gedaan Den sulthan mij ten eenemaale hebbende laeten uitspree„ „ken, scheen seer bedaard te zijn, dog vervolgde met te seggen, dat alle deese door mij aan hem voorgestelde gevolgen, niet aan hem, maar aan den keijser, te imbuteeren waeren, dat deese als vorst van Iava, en hij daarom hoe seer ook mijne gesegdens gegrond waeren, van sijn besluijt sonder sig in sijne eere als vorst te verkorten, niet konde afgaan volstrekt van mij willende weeten, dat als hij het alleen aan de Comp:e overliet, hoe lang het dan nog duuren soude den keijser over de zaak wierd onderhouden, dat als ik hem verseekering wilde geeven dat sulks binnen weinige dagen soude geschieden, hij sig van nader verklaren soude, dog wijl ik so om de indispositie van den keijzer, als wel, om dat ik het beneeden de waardigheid van de Comp:e rekende, sig aan eene vaste tijd te bepalen daar op niets den siets konde antwoorden, wierd sijn Hoogheid meer en meer genelijk en gelasten andermaal aan Danoeriep om sig aan zijn ordre te houden, daar 'er nu voor dat ogenblik niets te doen was, nam ik mijn afscheid, met versoek dat sig nader geliefde - geliefde te bedenken, en ik intusschen uwel Ed: gestr: aapport soude doen, en vraegen, of het Hoogst denselve somtijds mogelijk, waare, een voldoender antwoord als dat van mij te kunnen geeven, waar op ik betuijgde te hoopen dat binnen 3 â 4. dagen soude antwoord hebben. Tot hier toe was deese netelige saak gevorderd, toen ik met den Radeen de pattij en Notto Iudo gisteren avond over een kwam /:wijl sij betuijgde de vorst niet meer over de saak te durven spreeken:/ om sijn Hoogheid op nieuws bij geschrifte een versoek te doen, het welk hier in origi„ neel neevens gaat, also het den sulthan deesen morgen vertoont, en mij daar op berigt is, dat sig aan sijne gesegde houd, en alleen van mij begeerde geinformeert te sijn, wat uwel Ed: gestr: op mijne schrijvens sal gelieven te antwoorden. uit het booven staande sal uwel Ed: gestr: wel haast ont„ waeren, hoe onversettelijk den vorst sig deese saeke voor„ genomen heeft door te dringen, en het niet gemakkelijk sal vallen, hem gerust te stellen, ondertusschen gelieve uwel Ed: gestr: sig verseekert te houden dat 'er door mij op alles wat 'er omgaat nauwkeurig word agt gegeeven, en hier meede dit mijn berigt fineerende ik mij met alle eerbied onderschrijve /:onderstond / Titul /lagerstond/ uwel Ed: gestr: seer gehoorz: dienaer /:was get: /: W: H: van ijsseldijck /:in margine stond/ DJoejoCarta den 28: Aug=s 1788. /:daar onderstond/ P: S: op het sluijten deeses, het antwoord van den sulthan erlangende, gaat hetselve hier neevens, waar in sijn Hoogheid scheirt te kennen te geeven, dat sijn vertrouwen op de Comp: steld, dog de ordre aan Danoeridja intusschen stand hand. — den 3: Septemb:r 1788. Copia

NL-HaNA_1.04.02_3816_0805 view scan ↗

English

the 3: Septemb:r 1788. pag: 527. Copy To His Highness the Sultan After the usual preamble! May it please you Prince to excuse me for taking the liberty to attend upon you with this writing of mine, the duty that rests upon me as Chief on behalf of the Company, the high esteem and respect for your princely person and family, and the value that I place upon the prosperity of your House and subjects, compel me to this. My mind is by far not at ease regarding Your Highness's taken decision, after His Highness himself had read the Honourable Governor's letter, out of fear of unpleasant consequences I promised to write to His Honour thereupon, and to ask whether His Honour the Governor might also be able to determine more specifically when the request to have the name of Soerio MangCoeboenie changed will be brought forward, this I still wish to do if Your Highness insists upon it, but I must declare that I fear the answer will not be able to satisfy the intention of Your Highness, I therefore submit to Your Highness with the required respect for kind consideration, whether it would not better accord with fairness and the trust that Your Honour places in the Company, that Your Highness answer the Honourable Governor's letter by declaring to have understood the same, and to acquiesce in the promises of the Honourable Governor, to do everything possible to the end that the said name is changed, and on that promise Your Highness's order given to Danoeridjo is withdrawn for the present, and that Your Highness in due time requests a definitive decision thereon, by this Prince the Honourable Governor will be placed in a position to make the proper representations regarding the matter, whereas without this there is nothing for His Honour to do but to await the consequence of Your Highness's resolution, which Your Highness yourself will realize cannot be pleasant. I pray you once again Prince, to please pay heed to this instance of mine, arising solely from the true desire that resides in me, to serve Your Highness and the Company according to my duty, and with a sincere heart. underneath was written Djokjocarta the 27: August 1788. was signed W: H: van ijsseldijck. Copy Translation Javanese Letter from the Sultan at Djocjocarta, written to the Java Governor Ian Greeve; received at Samarang the 29: August 1788. After the usual preamble I have received Brother's Letter very well, and fully understood its extensive contents, containing that Brother's state was not pleased that I had set a time of ten days. But I have only given order to my Pepattij Danveridjo. Concerning my request for help to Brother and the Company for the change of the name of Soeris Mang Coedoe mie I have placed my complete trust in Brother and the Company; the fullness with which I open my heart to Brother is because I am not the first beginner. Concerning this matter Brother's thoughts and considerations are the best; but that I have given order to my Pepattij Danoeridjo was through grief that there was someone, the 3: September 1788. who pag: 529. who bore the name of Pangerang Soerio MangCoeboemie. Furthermore Brother is saluted by me and the Pangerang Adipattij Anom MangCoenogoro, wishing the enjoyment of the enduring blessing of Heaven unto length of Days. underneath was written written at Djoejolarta adiningrat on Tuesday the 25: of the light Dulchaida in the Year Djimachir 1714 lower was written translated by me was signed W: Wardenaer, sworn Translator. Copy Answer from the Lord Governor, to the Same, dated Samarang the 29 August 1788. It is solely from the principle of true affection that I bear towards Your Highness and to respond to the trust that Brother says to place in the Company and also in me regarding this matter, thus without taking into consideration the determination of Ten days time, which in respect of the Company and requesting its help cannot be appropriate, that I through my intervention and mediation have brought it so far that His Highness the Soesoehoenang according to the report that I received from the Chief Van tLinck has again withdrawn the name of Soeris MangCoeboenie, and will give another instead to the Prince who has borne the same. Herewith the grief will now be removed which Brother declares to have over that matter, and to which alone I may attribute that Brother's Letter of the 25: of the light Dulchaida is so short and contains so few signs the 3: September 1788.

Dutch transcription

den 3: Septemb:r 1788. — pag: 527. Copia Aan zijn Hoogheid den sulthan Na gewoone voorreeden! Gelieft het mij ten beste te houden vorst dat ik de vrijheid neeme V op te wagten met dit mijne geschrift, de plegt die op mij ligt als opperhoofd van weegens de Comp:, de Hoog agting en Eerbied voor r. o vorstelijk persoon en familie, en de waarde die ik stel in de welvaart van d Huijs en onderdaenen, noodsaeken mij hier toe Mijn staat is op verre na niet gerust, over r: Hoogheids genomen besluijt, na dat Hoogst denselve des Edelheed Gouverneurs brief geleesen had, ik hebbe uit vreese voor onaangenaame gevolgen belooft, daar op aan sijn Ed:le te sullen schrijven, en te vraagen of sijn Ed:e gestr: ook nader soude kunnen bepaelen, wanneer het versoek om de naam van Soerio MangCoeboenie veranderd te hebben sal voorgedraagen worden, dit wil ik nog doen als u Hoog„ heid 'er op staat, dog ik moet betuijgen dat ik vreese het antwoord niet aan de Intentie van Uw Hoogheid sal kun„ nen voldoen, ik geeve u Hoogheid daarom nog niet de vereijschte eerbied in vriendelijke overweeging, of het niet beeter met de billijkheid en het vertrouwen dat uwEd: op de Comp: steld, over een soude komen dat v Hoogheid des Edelheers brief beantwoorden met te betuijgen van deselve verstaan te hebben, en te berusten in de beloften van de Edelheer, om al het mogelijke te werk te stellen ten einde gem: naam veranderd word, en op die belofte U Hoogheids ordre aan Danoerid Jo gegeeven, voor als nog is ingetrokken, en dat u Hoogheid in der tijd daarop uitsluit versoekt, hier door vorst sal de Edelheer instaat gesteld worden, wegens de saak saak de behoorlijke vertoogen te doen, daar 'er sonder dit voor sijn Ed: niets te doen valt als het gevolg van u Hoogheids resolutie aftewagten, het welk u Hoogheid selve bevroeden sult, dat niet aangenaam kan sijn. Ik bid: V nogmaals vorst, op deese mijne Instantie, reguard gelieft te slaan, alleen voortkoomende, uit de waare sugt die bij mij plaats vind, om u Hoogheid en de Comp: volgens mijn pligt, en met een fordaat herte te dienen. /:onderstond:/ Djokjocarta den 27: Aug=o 1788. /:was getee„ kent / W: H: van ijsseldijck. — Copia Translaat Iav: Brief van den Sul„ „than te Djocjocarta, aan den Iavas gou„ verneur Ian Greeve geschreeven; ont„ vangen te Samarang den 29: Aug=o 1788. Na gewoone voorreeden Ik hebbe Broeders Brief seer wel ontvangen, en dies veel vuldigen inhoud volkomentlijk verstaan, behelsende dat Broeders staat met vergenoegd was, dat ik een tijd van thien dagen had bestand. Dog ik hebbe aan mijnen Pe„ pattij Danveridjo eenelijk maar ordre gegeeven. Aangaande mijn versoek om hulpe aan Broeder ende Comp:s ter verandering des naam van Soeris Mang Coedoe mie hebbe ik mijn volkomen vertrouwen gesteld op Broeder ende Comp: — de veelheid waar over ik mijn hart voor Broeder openlegge, is, om dat ik de Eerste beginder niet ben Aangaande dit geval sijn Broeders bedenkingen en over„ weegingen de beste; dan dat ik mijn Pepattij Danoeridjo ordre hebbe gegeeven, is geweest, door droefheid, dat'er ijmand was, den 3: september 1788. die 6 pag: 529. die de naam voerde van pangerang soerio MangCoeboemie. — Voorts word Broeder door mij en den Pangerang adipattij Anoi MangCoenogoro gesalueerd, onder toewensing des genods van den bestendigen zeegen des Henmels tot in lengte van Dagen. /:onderstond:/ geschreeven te Djoe jolarta adiningrat op Dingsdag den 25: van het ligt Dulchaida in 't Jaar Djimachia 1714 /:lagerstond:/ getranslateerd door mij /:was geteekent:/ W: Wardenaer, gesw: Translateur. Copia Antwoord van den Heere Gouver„ neur, aan Denselven, gedateerd Samarang den 29 Aug=s 1788. Det is alleen uit het beginsel van waare geneegendheid, die ik uwe Hoogheid tobedraege en om te beantwoorden aan het vertrouwen, dat Broeder segd in de Comp:e en ook in mij„ meede omtrent dit geval, te stellen, dus sonder in aanmer„ „king te neemen de bepaling van Thien dagen tijd, welke ten op sigte vande Comp:e en haere hulpe te verlangen, niet te passe kan komen, dat ik het door mijne tusschen komst en bemiddeling so verre hebbe gebragt, dat sijne Hoogheid den soesoehoenang volgens het berigt dat ik van het opperhoofd Van tLinck hebbe ontvangen de naam van Soeris Mang„ Coeboenie weeder heeft ingetrokken, en daar voor een an„ „dere geeven sal aan den Prins, welke deselve heeft gevoerd. Hier meede sal als nu weggenoomen sijn de droefheid, die Broeder betuijgd over dat geval te hebben, en waar aan ik ook alleen wel toeschrijven dat Broeders Brief van den 25: van het ligt dulchaijso kort is en so wijnig teekenen den 3: September 1788. behelfd

NL-HaNA_1.04.02_3816_0808 view scan ↗

English

the 3 September 1788. — contained of the brotherly friendship which your Highness has declared to have for me. I furthermore greet Brother and my son the crown prince, wishing all prosperity and true pleasure. Below was written: written in Samarang the 29 August 1788. Was signed: Ian Greeve. Copy of a Separate Letter written by the First Resident of Soura Carta Hartzinck to the aforementioned Lord Governor, dated Souracarta the 2 September 1788. — Just at this moment I receive word from the Chinese of Pakkies that the Pangerang Adipatti Anom and Pangerang Ingebeij and the Pangerang Diepo Coessoemo or Djoijo Coessoemo arrived at Delangse this evening, with a whole party of armed men; thus I considered it my duty hereby to give notice thereof to your Right Honorable Sir: I am going at this very moment to the Emperor, to inform his Majesty thereof, and shall report directly by postscript to your Right Honorable Sir regarding the sentiments of that monarch in this matter. While furthermore having the honor to call myself, with all high esteem and veneration, below was written: Tihul. Lower down was written: your Right Honorable Sir's very humble and obedient Servant. Was signed: A: Hartzinck. In the margin was written: Soura Carta the 2 September 1788. Below that was written: P: S: Coming to the monarch, I informed him of the matter as far as I was aware of it, who thereupon immediately gave orders that his men should patrol this entire night the 3 September 1788. page 531. night through as far as old Cartasoera, and at the same time charged me to report thereof to the Prince Mangcoenogoro, who immediately commanded a number of armed troops to old Cartasoera, and at the same time ordered that a party should carry out patrols the entire night, at the same time asking me whether, if his men should encounter the Djokjocarta pangerang that night at old Cartasoera, what he was to do then; thus I gave him orders to meet force with force, and to report directly to me thereof, whereupon I, with my Dragoons and grenadiers and the Emperor's men, would immediately come to assist him, in order, if it were possible, to get that Pangerang into our hands, either dead or alive; I have also already given notice of what has occurred to the chief of Djokjocarta, and I shall not fail to give further notice to your Right Honorable Sir tomorrow morning, according to the reports received, wherewith I hope to have earned your Right Honorable Sir's approval; thus I take once more the liberty to subscribe myself with all true high esteem. Below was written: your Right Honorable Sir's very humble servant. Was signed: A: Hartzinck. Copy of the Reply from the aforementioned Lord Governor to the same, dated Samarang the 3 September 1788. Just at this moment the 3 September 1788 at 8 o'clock in the forenoon I receive your report by letter of the 2 of this month, from which I see with astonishment what an incomprehensible conduct the sultan presently permits himself and where the 3 September 1788. and for which I can comprehend the reasons all the less, as I have already informed that monarch by a letter of the 29 August that the emperor and the Pangerang Mangcoenogoro had consented to the requested change of name of Soerio Mangcoeboemie. Yet what seems to me the most incomprehensible of all is that the First Resident of Djoejocarta Van Ysseldijck appears to be unaware of the departure on the road of the crown prince of Djoejo, the Pangerang Ingebeij, and the Pangerang Djoijo Coessoemoe with so many armed men, or at least has given no notice thereof either to me or to you. However this may be, upon receiving your report I immediately gave orders to be ready with the grenadiers, Dragoons, 40 Fusiliers, and some Artillerymen, provided with field Artillery and all necessary equipment; and I intend, upon the receipt of further news which might unexpectedly contain a beginning of hostilities, to come in person to Soura Carta, in order to issue the necessary orders on everything myself and, if it is not possible to preserve the peace, then to restore it as much as possible; of which you can inform his Highness the emperor. In the meantime I approve of what you have done, in the hope nevertheless that the crown prince of Djoejo, who I remain convinced must in this matter, against his will, follow the rancorous disposition of his father who is already so greatly fallen into second childhood through old age, will be spared as much as possible in the armed encounter. — I remain, after greetings, below was written: your good friend. Was signed: J: Greeve. In the margin: Samarang the 3 September 1788: - half past Eight o'clock in the forenoon. turn over page 533. Batavia the 10 September 1788. To his High Nobility. The Right Honorable, Valiant, Most Worshipful Lord Mr Willem Arnold Alting Governor General and The Right Honorable, Valiant Lords Councillors of the Netherlands Indies Right Honorable, Valiant, Most Worshipful Lord Right Honorable, Valiant Lords. Hereby I have the honor dutifully to bring to the knowledge of your High Nobilities what the consequences have been of the conduct which the sultan, according to what was communicated in my respectful letter of the 3 of this month, has thought fit to maintain with respect to the emperor. Now, in order to substantiate these further reports, just like the previous ones, with the proofs pertaining thereto, I take the liberty to present herewith a Register with various Enclosures, of whose principal contents I shall provide a detailed account in this matter, while at the same time I request permission to refer to those documents for the rest. In conformity therewith, I then have the pleasure to be able to report and

Dutch transcription

den 3 septemb:r 1788. — behelsd van de Booederlijke vriendschap, welke uw Hoogheid betuijgd heeft voor mij te hebben. Ik groet voorts Broeder en mijnen zoon den kroonprins, ondertoewensching van alle heil en waere genoegen /:onder„ stond:/ geschreeven te Samarang den 29: Aug=s 1788: /:was geteekent:/ Ian Greeve. Copia Aparte Brief geschreeven door den Eersten Soura Cartas Resident Hartzinck aan den Heere Gouverneur welmeld, geda„ „teert Souracarta den 2: Septemb:r 1783. — So op 't moment krijg ik tijding van den Chinees van Pakkies, dat den Pangerang de Pattij anom en Pangerang Ingebeij en den Pangerang Diepo Coessoemo of Djoijo Coessoemo op Delangse heeden avond gearriveert waaren, met een heele parthij gewapent volk; so heb ik 't van mijn pligt geagt uwel Ed: gestr: gr: agtb: daar van bij deese kennisse te geeven: ik gaa so op 't moment na den Keijzer, om zijn Majesteit daar van te verwittigen, en zal uwel Ed: gestr: gr: agtb: aande gevoelens vandien vorst daar omtrent per postscriptum direct verslag doen. Terwijl voorts d' Eere hebbe met alle hoog agting en veneratie mij te noemen /:onderstond / Tihul /:Lagerstond:/ uwel Ed: gestr: Achtb: seer needrige en gehoorzame Dienaer /:was geteekent:/ A: Hartzinck /:in margine stond Soura Carta den 2: septemb=r 1788. /:daar onderstond/ P: S: Bij den vorst komende heb ik hem voor so ver mij bewust was van de zaak kennis gegeeven, die daarop direct laat gegeeven heeft, dat zijn volk, deesen heelen nagt den 3: september 1788. pag: 531. nagt door tot aan oud Cartasoera, soude prtroilleeren, en mij teffens gelast, den Prins Mangcoenogoro daar van ver„ slag te doen, die direct een aantal gewapende manschappen, naar oud Cartasoera gecommandeert heeft, en teffens gelast, dat een parthij den geheelen nagt opatrouljes, zouden doen„ mij teffens vraegende of zo zijn volk, den djokjo Cartas pangerang, die nagt op oud Cartajoura tegen magt komen, wat hem dan te doen stond, zo heb ik hem last gegeeven geweld, met geweld te keeren, en mij daar direct verslag van te doen als wanneer ik met mijn Dragonders en granadiers en 'S keijzers volk, hem direct zouw ko„ men adsisteeren, om waar 't mogelijk dien Pangerang, 't zij leevendig of dood in handen te krijgen, ik heb ook bereets al kennisse van 't voorgevallene, aan 't djokjocar„ „tasch opperhoofd gegeeven, zullende ik niet in gebreeke blijven uwel Ed: gestr: gr: agtb: morgen agtend, naar beko„ mene berigten nader kennis te geeven, waar meede ver„ hoope uwel Ed: gestr: gr: agtb: goed keuring, te hebben weg gedragen, zo neeme nogmaals de vrijheid, mij met alle waere hoog agting te onderschrijven /:onderstond/ uwel Ed: gestr: gr: agtb: seer onderdanige dienaer /:was get:/ A: Hartzinck. Copia Antwoord van welmelde Heere Gouver„ neur, aan denselven, gedateerd Sama„ rang den 3: September 1788. So op 't moment /: den 3: 7ber: 1788 des voormiddags ten 8: uuren :/ ontvange ik UE: berigt bij brief van den 2: deeser, waar uijt ik met verbaking sie, welke een onbegrijpe„ „lijke gedrag den sulthan sig tegenwoordig veroorloofd en waar den 3: Septemb=r 1788. en waar van ik de reedenen te minder beseffen kan wijl ik dien vorst reeds bij een brief van den 29: Aug=s heb kennis gegeeven dat de keijser en de Pangerang Mang„ Coenogoro hadden bewilligd in de begeerde naams veran„ dering van soerio MangCoeboenie. Dan wat mij onder alles het onbegrijpelijkste voor„ komt, is dat den Djoe jocartasch Eerste Resident van ijsseldijck onkundig schijnt te zijn van het op weg slaan van den DJoejos kroonprins den Pangerang Jn„ gebeij ende Pangerang Djoijo Coessoemoe met so veel gewapend volk, ten minsten daar van nog aan mij nog aan UE: enige kennis heeft gegeeven. Dan wat hier van ook weesen mag, ik heb op den ontvangst van UE: berigt, direct order gesteld om met de grenadiers, Daagon„ „ders 40: Fuseliers en enige Arthilleristen, voorsien van veld Ar„ thillerij en al 't nodige mansch vaardig te zijn en ik den voor„ neemens op den ontvangst van nadere tijding welke onver„ hoopt een begin der vijandelijkheeden mogten behelsen, in persoon, na soura carta te koomen, om selve op alles de nodige orders te stellen en de rust so het niet doenlijk is, die te conserveeren; dan so veel mogelijk te herstellen waar van UE: sijne Hoogheid den keijzer kan informeeren: Intusschen approbeeren ik 't door UE: verrigte, in hoope nogtans dat den djoe Jose kroonprins, die ik mij overtuijd houdende dat in deesen sijns ondanks de wrevelmoedigheid van zijne door ouderdom reeds so seer tot kindheid vervallene vader moet involgen, bijde gewapende ontmoeting so veel immers mogelijk sal kunnen gespaard worden. — Ik blijve na groete /onderstond / UE: goede vriend /:was get: / J: Greeve /:in margine/ Sam: den 3: sept: 1788: - 'svoorm: half Neegen uuren. verte pag: 533. Batavia den 10: September 1788. Aan zijn Hoog Edelheid. Den Hoog Edel, Gestrenge, Groot Achtbaren Heere M=r Willem Arnold Alting Gouverneur Generaal en De wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Neederlandsch Indie Hoog Edel, Gestrenge, Groot Achtbaren Heere Wel Edele Gestrenge Heeren. Bij deese heb ik de eer uwe Hoog Edelheeden schuld„ plitig ter kennis te brengen welke de gevolgen zijn. ge„ weest, van het gedrag, dat de sulthan volgens 't bedeelde bij mijne eerbiedige van den 3: deser, heeft kunnen goed„ vinden, ten opsigte van den keijzer, te houden. Om nu deese nadere berigten, eeven als de vorige, met de daar van zijnde bewijsen te staven, neem ik de vrijheid hier neevens aante bieden een Register met diverse Bijlagen, van welker hoofdsakelijke inhoud ik ten deesen detail sal doen, terwijl ik tevens verlof versoeke mij aan die stucken voor het overige te mogen refereeren „ Dien Conform, heb ik dan het genoegen, te kunnen melden en

NL-HaNA_1.04.02_3816_0812 view scan ↗

English

report that with the enterprise, to which they had proceeded on the part of the Djoejo Court, matters have not gone so far that the peace, which Java so happily enjoys, has been disturbed thereby. The crown prince of Djoejo, with the men he had with him, after a stay of merely one day, has withdrawn again from Dilango. Also another party of armed men, whom the sulthan had sent off along another road toward the Surakarta territory under the authority of some Dalems Mantries, has likewise returned to Djoejocarta without having committed any hostilities. This speedy retreat I consider to have occurred because of the approach of the troops both of the Emperor and of the Pangerang MangCoenogoro, which they certainly will not have expected so quickly, and also because they were everywhere so vigilant and ready to oppose by force any violence that might be committed. The Emperor, however, being with reason exceedingly disturbed by such an unexpected armed appearance on his territory, has complained rather earnestly about this to me through the First Resident Hartzinck, and I have also not failed to give orders to the First Resident at Djoejocarta: to ask the sulthan firmly in writing, in the name and on behalf of the Company, the 10th of September 1788, page 535. what His Highness intended by this strange behavior, if the same had occurred with his knowledge (this I added in order not to cut off entirely from that prince the opportunity of excusing this affair somewhat and saving his honor, as it had already occurred anyway and happily had had no consequences), with the demand, in the contrary case, to disavow the same openly to me, since the Company would otherwise take the necessary measures to prevent the Emperor from being insulted by or on behalf of him, the sulthan, just as it had always shown itself ready to uphold his honor and dignity with equity. The sulthan, who has absolutely nothing to boast of concerning this enterprise that ended not very much to his honor, and to which I also attribute his having fallen ill shortly thereafter, subsequently made very ready use of the opportunity that was left to him to excuse himself as if the entering of the Emperor's territory had occurred without his knowledge through the crown prince: And falling from the utmost enterprise into the opposite, that prince has not only assured me that he would punish his son for it, with an interdiction for the future and the 10th of September 1788, the establishing of a strict determination as to how far the crown prince may henceforth distance himself from Djoejocarta, but has also most kindly requested of me that I might forgive the crown prince for this. He further attempts indeed to make believe as if it had only been a pleasure trip and that they had had no intention of causing any displeasure; but besides His Highness's confession that the crown prince had been at Dilangoe because he felt himself to be his son, and thus also could not tolerate that there was anyone who compared himself to His Highness, that prince at the same time acknowledges the dispatching of another party of armed men, although he pretends that this was solely against the subordinates of the Pangerang MangCoenogoro. I therefore hold it quite for certain that this prince, as capricious as he is reckless, wanted to make a trial in his old age of what an unexpected coup by surprise, given the Emperor's feeble condition, might perhaps accomplish, in order then to make use of it, in one respect or another, perhaps in satisfaction of his bitter hatred against the Pangerang MangCoenogoro, since I am not precisely inclined to believe that the 10th of September 1788, page 537. intention extended to the so impossible attainment of sole rule, as I mentioned in my previous dispatch that the conjectures regarding the reasons and motives of this strange and otherwise incomprehensible behavior amounted to that: In order now to accommodate the sulthan somewhat in the embarrassment which he so clearly showed over the outcome of this affair, I have made known to His Highness that, according to his request, I would indeed forgive the crown prince for this excursion, though solely in the firm confidence that nothing of the kind will ever happen again, and that I would notify the susuhunan of the reasons brought forward in excuse, in order to remove the rightful displeasure which that prince had conceived over it, as was subsequently also done, expressing my confidence that His Highness would acquiesce therein. I have on this occasion also caused the sulthan to be informed how pleasing it was to me that His Highness had now taken the decision henceforth always to address the Company whenever anything occurs about which he believes he can with justice complain, pointing out: that this alone is the right way by which the 10th of September 1788, he

Dutch transcription

melden dat het met de onderneeming, tot welke men aan de zijde van het Djoejose Hoff was overgegaan, so verre niet gekomen is, dat de rust, die Iava so gelukkiglijk geniet, daar door is gestoort geworden. — De kroonprins van Djoejo, is met het bijsig hebbend volk, na maar een dag vertoef, van Dilango weder te rug getrokken. — ook is een andere parthij gewapend volk, welke den sulthan, onder het gesag van einge Dalms Mantries langs een andere weg na het souracartasche had afgesonden, meede weeder na Djoe jocarta terug gekeerd, sonder enige vijandelijkheeden gepleegd te hebben. Deese spoedige terug- togt agt ik geschied te zijn wee„ gens de aannadering der troupes so van den Keijzer als van de Pangerang MangCoenogoro, het geen men seker„ lijk so ras niet sal verwagt hebben en ook met dat men allerweegen so waaksaam en gereed was om het geweld, dat 'er mogt gepleegd worden niet geweld te keer te gaan. De keijzer egter over sulk een onverwagte gewapende verscheining op zijn grond gebied, met reeden ten uitrosten gestoort, heeft sig daar over, door den Eersten Resident Hartzinck, bij mij vrij arnstig beklaagd, en ik heb ook niet nagelaten den Eersten Resident te Djoejocarta last te geeven: om uijt naam en van weegens de Comp:e, den 10:e september 1788. aan pag: 535. aan den sulthan, bij geschrifte Cordaat aftevraegen: wat zijne Hoogheid met dit vreemd gedrag bedoelde, so het selve met zijne kennis mogt weesen geschied /: dit voegde ik 'er bij, om dien vorst de geleegendheid niet geheel afte suijden, deese zaak, die toch nu reeds geschied en geluk„ kiglijk geene gevolgen had gehad, enigermaten te kunnen verschoonen en zijn eer te sauveeren:/ met requisit, om in contrarie gevalle, het selve blijkbaar bij mij te dis rvoueren, wijl de Comp:e anders de nodige maatregulen soude neemen om te beletten dat de keijser, eeven so min„ door of van weegens hem sulthan beleedigd worde, als zij sig steeds bereidvaerdig had getoont zijne een en waar„ digheid na billijkheid, te handhavenen. De sulthan, die over deese niet zeer ter zijner eere afgeloopene onderneeming sig gansch niet te verhovaardigen heeft en waar aan ik ook toeschrijve dat hij kort daar aan is siek geworden, heeft sig vervolgens seer gereedelijk bediend van de occagie welke hem gelaeten was om sig te verontschul„ „digen als ware het betrekken van 's keijzers grond gebied buijten zijne kennis door den kroonprins geschied:— En van ten uitersten ondernemend tot het opposite vervallende, heeft dien vorst mij niet alleen verseekerd sijn zoon daar over te sullen bestraffen, met interdictie voor het vervolg en den 10:e Septemb=r 1788. het het maaken van eene Finste bepaling, hoe verre de kroon„ forms sig voortaan van Djoejocarta sal mogen ver„ wijderen, maar mij ook ten vriendelijkste versogt dat ik sulks den kroonpoins mogt vergeeven. — Hij tragt voorts wel te doen gelooven, als waere het slegts een togtje van plaisier geweest en dat men geen oogeerk had. gehad om een ander ongenoegen te veroorsaeken; maar behalven zijn Hoogheids avouement dat den kroonprins op Dilangoe was geweest, om dat hij gevoelde een zoon van htem te zijn, en dus ook niet konde dulden dat 'er iemand was die sig met sijne Hoogheid vergeleek, so erkend dien vorst tevens de af„ „sending van een andere parthij gewapend volk hoewel hij voorgeeft dat sulks enelijk is geweest tegen de ondergestelde van den Pangerang MangCoenogoro. Ik haude het dus wel voor gewis dat deese so guillige als woevel moedige vorst op sijn oude dag een proef heeft willen neemen wat een onverwagte Coup bij ver„ raffing mits 't keijzers debile toestant, misschien konde uitwerken, om sig dan, in het een of ander opsigt, mis„ schien wel ter voldoening aan zijn bittere haat teegen den Pangerang MangCoenogoro, daar van te bedienen, nadien ik suist niet inclineere te geloven dat het den 10: september 1788. — oogmerk pag: 537. — oogmerk sig tot de so ondoenlijke verkrijging der Al„ lien heersching, heeft uitgestrekt, gelijk ik bij mijn vorige gewaagde, dat de gissingen na de reedenen en viees van dit vreemd en anders onbegrippelijk gedrag, daar op uit quamen: Om nu den zulthan weeder enigsints te gemoed te komen, in de verleegenheid, die hij, over de uijtkomst deser zaak, so klaar blykelijk deed bespeuren, heb ik zijne Hoogheid doen te kennen geeven, dat ik volgens zijn versoek, deesen uit„ stap de kroonprins wel wilde vergeeven, hoe wel egter alleen in dat vaste vertrouwen, dat nimmer iets dier ge„ „lijks, weeder gebeuren sal, en dat ik van de, tot verschoo„ ning, bij gebragte reedenen, den soesoehoenang soude ken„ nis geeven, ter werneeming van het regtmatige onge„ noegen, dat dien vorst daar over had opgevat, gelijk dat vervolgens ook is geschied, onder te kennen gave van mijn vertrouwen, dat zijne Hoogheid daar in soude berusten Ik heb bij deese geleegenheid den sulthan ook doen in foe„ meeren hoe aangenaam het mij was dat zijne Hoogheid nu het besluijt had genomen, om sig voortaan altoos aan de Comp: te adresseeren, als 'er iets voorkomt, waar over Wij vermeend sig met regtmatigheid, te kunnen beswaren, met voorhouding: dat dit alleen de regte weg is, waar door den 10:e Septemb=r 1788. — Hij

NL-HaNA_1.04.02_3816_0816 view scan ↗

English

He may obtain a fair satisfaction in such a manner as the Company shall judge best compatible with tranquility and mutual interests. In my previous letter of the 3rd of this month, I briefly mentioned that the pretext over which the Sultan had taken some offense against the Emperor had already been entirely cleared away, and it will have appeared to Your High Nobilities from the enclosures of that letter that I had already on the 28th, and further on the 29th of August, notified Djoejocarta that the change of name of Soerio Mangcoeboemie, so greatly desired by the Sultan, had been arranged with greater ease, both with the Emperor and with Pangerang Mangcoenogoro, than one had had reason to expect. Thus it is further established therein that five days later there was no longer any ground to take that displeasure over that name as a pretext for the aforementioned démarche. Your High Nobilities will further perceive from the enclosures of this letter with how much friendly indulgence the Emperor was willing to accommodate, for the sake of the Company, regarding this change of name in accordance with the desire of the Sultan, although this did not take place the 10th of September 1788. page 539. H6 without that prince making known that it seemed very strange to him that the Sultan took offense at a name that was, after all, arbitrary, and that he, as Emperor in his country, could give such a name as and to whom he wished; adding that, because he nevertheless understood that, on account of the Sultan's fickle nature, disputes could easily arise from such a trifle, he was therefore prepared to change it. I have therefore also testified to His Highness in one of my letters that this accommodating deference, being done solely for the sake of tranquility and peace, was most agreeable to the Company. That prince has since also had the kindness to ask my consent with regard to the name of Soerio Prangwedono, sun of the military commanders, which His Highness intended to give to the son of Pangerang Mangcoenogoro instead of Soerio Mangcoeboemie, and I have not been able to find any reasons not to give it. Pangerang Mangcoenogoro, however, did not submit to the desired name change except out of absolute necessity, for his grief over it was very great, as he testified to me in a writing in which he enumerates in how many instances he has now already had to accommodate himself to the court of Djoejo. His heartbreak was especially increased when the Emperor refused to give his son the name of Nottocoessoemo, certainly because that name is borne by the Sultan's second son. And now he cannot refrain from the resentful expression that Solo had to stand ashamed before Djoejo, and that as long as he could sit and sleep in peace, it was all the same to him what his son was called, even if it were Pangerang Soerio Prangwedono. Now, in order to calm the embittered mind of this prince once again, I have written him a cordial letter, a copy of which is likewise found among the enclosures of this letter. In it, I praise his complete trust in the Company, assure him of its steadfast loyalty and protection, exhort him to cast aside all care, to forget what has happened, and to regard the Company as an affectionate father who never forgets his children. And in order, if possible, to heal the wound at once, I had the First Resident Hartzinck confirm the name of the 10th of September 1788. page 541; Soerio Prangwedono on behalf of the Company in a solemn manner, to serve as a public proof of special esteem. With this, I hope that everything will for the time being be in order and tranquility again. But as one can assume this with so little certainty, especially since both princes currently find themselves ill, I have deemed it best this year not to make use of the qualification granted by Your High Nobilities to inspect the offices situated to the west, subordinate to Samarang. I hope that this will meet with the honored approbation of Your High Nobilities, and that the rest of my proceedings will also be found worthy thereof. I now also further request the honored order of Your High Nobilities as to whether the remaining 50 pairs of pistols, for which the Sultan continues to press, shall be delivered to His Highness. For my part, I would rather proceed to the delivery than, by a refusal, give rise to the notion that one is fearful of him; for this idea would always be most dangerous to tranquility, and the reinforcement of 150 military personnel, which Your High Nobilities were pleased to promise me in your honored letter of the 29th of July past, which reached me on the 6th of this month, will indeed further convince that prince, who will soon receive knowledge of their arrival, of the contrary. the 10th of September 1788. With

Dutch transcription

Hij een billijke voldoening kan erlangen op sulk een wijse, als de Comp:e oordeelen sal, met de rust en weder tijdsche belangen, best bestaan=baar te weesen:— Bij mijn vorige van den 3: deeser maekte ik met een enkel woord gewag dat het pretent, waar over de sulthan enig ongenoegen, tegen den keijser had op „gevat, bereeds volkomen was uit den weg geduurd en uwe Hoog Edelheeden sal uit de bijlagen van die Brief gebleeken zijn dat ik bereeds den 28. en nader den 29: Aug=s naar Djoejo Carta had kennis gegeeven dat de door den sulthan so seer gewenschte naams veran„ „dering van Soerio Mangcoeboenie, so wel bij den Keijzer, als bij den Pangerang MangCoenogoro, met meerder faciliteit was uitgewerkt, dan men reedenen had gehad te verwagten. Dus Consteert daar in't nader dat 'er vijfdagen later geen grond meer was, om dat mis„ noegen over die naam ten voorwendsel van den voorsz: de marche teneemen. uwe Hoog Edelheeden sullen voorts uit de bijlagen deeses ontwaeren met hoe veel vriendelijke toegevenheid de keijzer sig, ten gevalle vande Comp:e, omtrent deese naams verandering, na het verlangen van den sulthan, wel heeft willen schikken, hoewel dit egter niet geschied den 10:e Septemb=r 1788. is den 10:e September 1788. pag: 539. H6 is sonder dat dien vorst te kennen gaf: Hem seer vriemd voorte komen, dat de sulthan over een naam viel die toeh. willekeurig was en dat wij als keijser in sijn Land sulk een naam konde geeven, als, en aan wien hij wilde, met bijvoeging dat dewijl wij egter begreep dat, weegens de wis pelturige aard van den sulthan uit sulk een bagatel lig„ „telijk omenigheeden konden ontstaan, hij dus bereid was deselve te veranderen. Ik heb dus ook aan zijne Hoogheid betuijgd in een mijner brieven, dat deese inschikkelijke deferenci, als eenlijk om rust en vreedes wille geschied, de Comp: ten hoogsten aangenaam was. Dien vorst heeft sedert ook de vriendelijkheid gehad mijne toestemming te vragen ten aansien vande naam van Soerio Trang wedono /:zon der krijgs-overstens:/ welke zijne Hoogheid, in steede van Soerio MangCoe„ boennie, de zoon van Pangerang MangCoenogoro had toegedagt, en ik heb geen reedenen kunnen vinden, om die niet te geeven De Pangerang MangCoenogoro heeft sig egter aan de niet begeerde naams verandering, met dan uit volstrekte noodsakelijkheid onderworpen: want zijne droefheid daar over was seer groot, gelijk hij mij betuijgd in een geschrift, waar bij hij opteld hij in hoe veele gevallen hij sig nu reeds na het het Djoejose Hof had moeten schikken. - zijn Haatseer was nog insonderheid vermeerderd toen de keijser hem weigerde zijn zoo de naam te geeven van Notto Coes„ „soemo, sekerlijk wijl die gevoerd word door des sulthans tweede zoon. - En nu kan hij sig niet onthouden van de spijtige expressie dat solo voor D joejo beschaamd moest staan en dat, als hij maar gerust sitten en slapen konde, het hem dan om het even was hoe zijn zoon genoemd wierd, alwaere het ook Pangerang soerio Prang wedono. Om nu het verbittert gemoed van deesen Prins wee„ der tot bedaeren te brengen, heb ik hem de hartelijke brief geschreeven, waar van de Capij almeede onder de bijlagen deeses gevonden word - Daar bij oprijs ik zijn volslagen vertrouwen op de Comp: verseker hem van hare omwankelbare trouw en bescherming - vermaan hem om alle sorge te laten varen, gebeurde zaken te vergeeten en de Comp: aan temerken als een liefderijk vader, die nimmer zijne kinderen vergeet. — En om de woord, is het doenlijk, in eens weeder te heelen, heb ik, om te strekken tot een openbaar bewijs van bijsondere agting, door den eerste Resident Hartzinck op een pligtige wijse van weegens de Comp: de naam ovan den 10:e Septemb=r 1788. Soerio pag: 541; Soerio Prang wedono laten bevestigen. Hier meede hoop ik dat alles voor eerst wel weeder en rust sal sijn. – Dan daar men dit net se wijnig sekerheid onder stellen kan, bijsonder daar de beide vorsten, sig tans ziek bevinden, so heb ik gemeend dit Iaar geen gebruijk te moeten maken van de qualifi„ catie uwer Hoog Edelheeden, ter inspectie van de Comptoiren die ten westen, onder samarang sorteeren. Ik hoop dat sulks vande g'eerde approbatie uwer Hoog Edelheeden sal zijn en dat het overige mijner verrigtin„ gen die ook waardig sullen worden bevonden. Ik versoek als nu ook nader de g'eerde order uwer Hoog Edelheeden, of de nog resteerende 50: paeren Pistoolen, waar van de sulthan steeds instantie doend, aan zijne Hoog„ „heid sullen afgegeeven worden. voor mij ik soude liever tot de afgaeve overgaan, dan door eene weigering tot begrif verwekken, dat men voor hem bedugt is, want dit denkleeld soude voor de rust steeds het allergevaarlijkste zijn, en het ontset van 150: militairen, het welk uwe Hoog Edelh: mij, bij Hoogst Derselver geEerde van den 29:' Julij passato, die mij den 6: deeser is geworden, gelieven toeteseggen, sal dien vorst, die van derselver aankomst spoedig, kennis sal bekomen wel van het Contrarie nader overtuijgen. — den 10. e september 1788. Met

NL-HaNA_1.04.02_3816_0820 view scan ↗

English

With the bearer of this, the ship Belvliet, I am now having transported to Batavia in good security, strictly recommended to the authorities by a separate order, the son of the fallen Pangerang Rongo Djasjar, named Brongto Coessoemo, mentioned in my previous letter of 29 August, whom the Emperor considered absolutely necessary to have taken into custody and sent hither. I therefore request that this dangerous subject may be removed from this Coast forever. Meanwhile, regarding his brothers, both those residing under the territory of the Emperor and of the Sultan, I await the honored decision of Your High Noble on my proposal of 29 August. The enclosed letter to the former Surakarta Prime Minister Sassra Diningrat, which I am informed contains communication regarding the death of one of his closest relatives, I respectfully request may be delivered to him. In conclusion, I further have the honor to present to Your High Noble a copy of a letter from the Banjarmasin servants to those of Surabaya, dated 21 August past, containing information regarding the arrival at the first-mentioned place of a portion of the relief force sent thither, and that they were awaiting the rest, but that the enemies had departed in all haste from the upper lands, and also that the fairway there was now clear. With due respect and high esteem, I profess to be: Title. Your High Noble's very obedient and faithful servant, was signed: Jan Greeve. In the margin: Samarang, 10 September 1788. 10 September 1788. turn over page 543. 10 September 1788. Copy of a separate letter from the Surakarta First Resident A: Hartzinck to the Lord Governor, dated 3 September 1788. Hereby I take the liberty to inform Your Right Honorable that the Pangerang of Yogyakarta departed again yesterday evening from Delanggu to Yogyakarta, so that nothing has occurred; what reason this Prince had to venture so far into this district is as yet unknown to me. The Lurah of Delanggu, whom I had summoned during the past night, told me that he had asked the Crown Prince what his orders were, to which the other replied that he had heard that the Sanggarang was so beautiful, that he had gone there for that reason, to have a look at it! However, the Emperor admits to being very displeased that this Prince dared to come so close to his Kota without informing either him or me. Meanwhile, I have the honor to call myself with all high esteem and respect: Title. Your Right Honorable's most humble and obedient servant, was signed: A: Hartzinck. In the margin: Surakarta, 3 September 1788. Copy of a separate letter written by the Lord Governor of Java to the Surakarta First Resident Hartzinck, dated 4 September 1788: Herewith I send you my letters serving, according to the enclosed copies, in reply to those of the Emperor and the Crown Prince. The beach revenues will be handed over directly to whoever is sent to receive them. And although it has furthermore appeared to my satisfaction from your separate letter of yesterday that the Yogyakarta Crown Prince with his armed men has returned from Delanggu without any acts of violence having been committed, perhaps upon the approach of the troops of Pangerang Arya Mangkunegara, I nevertheless justify the displeasure that the Emperor expresses over this, as will appear to you from the enclosed copy of a letter which I wrote yesterday to the Yogyakarta First Resident Van IJsseldijk, and of whose contents you can inform the Emperor in order to convince that ruler of the Company's care and inclination to promote in everything, as far as possible, the interest and welfare of His Highness. With which, after greetings, I remain: Your good friend, was signed: Jan Greeve. In the margin: Samarang, 4 September 1788. Copy of a separate letter written by the Lord Governor of Java to the First Resident at Yogyakarta, Van IJsseldijk, dated 3 September 1788. To my utmost surprise, I learn from the report of the Surakarta First Resident Hartzinck that the Crown Prince of Yogyakarta, together with Pangerang Ngabehi and Pangerang Joyokusumo, with a whole party of armed men, arrived at Delanggu on the evening of the 2nd of this month, without any prior notification 10 September 1788.

Dutch transcription

Met brenger deeses 't schip Belvliet, laet ik tans in goede se„ curiteit /:de overheeden bij een aparte ordonnantie ten strictsten aanbevolen :/ na Batavia overvaeren den bij mijne vorige van den 29: Aug=s vermelde zoon van den gesneuvelde Pangerang Rongo Djasjar in naeme Brongto Coessoemo, welke den keijzer volstrekt noodsaekelijk heeft geagt te doen in hegtenis neemen en herw=ds senden. Jk versoek dus dat dit gevaarlijk subject voor altoos van deese Cust mag verweijderd worden. Terwijl ik voorts, ten opsigte van zijne broeders, so wel die sig onder 't gebied van de keijser, als van de sulthan bevonden, de g'Eerde dispositie uwer Hoog Edelh: op mijn voorstel van den 29: Aug=s, blijve te gemoed sien. De hier nevens gevoegde brief aan den geweesen soura Cartas Rijks„ bestierder sassra diningrat, die mij berigt word dat de Communi„ catie weegens 't overleiden van een sijner naast bestaanden betelsd, versoek ik eerbiedig dat aan hem mag afgegeeven worden Tot slot deeses heb ik voorts nog d'een uwe Hoog Edelh: antebiede ' afschrijt een er missive van de Banjersche bediendens aan die van sourabaija van dato 21: aug=s pass=o behelsende narigt wegens de aankomst ter eerst gemelde plaets van een gedeelte van 't derw=s gesonden ontset en dat zij het overige bleeven te gemoed sien, dog dat de vijanden in alle haast uit de bovenlanden vertrokken waeren, so meede dat 't vaarwaeter aldaar tans schoon was. — Me=t de verschuldigde eerbied en hoog agting, betuijge ik te zijn /:onderstond:/ Titul. /:lagerstond /uwer Hoog Edelh: seer gehoorz: en getrouwe dienaer /:was get: / Jan Greeve /:in margine / Samarang den 10: septemb=r 1783. — den 10:e Septemb:r 1788: verte pag: 543. den 10:e september 1788. — Copia aparte Brief van den Soura Cartas eerste„ Resident A: Hartzinck aanden Heere Gouverneur ged: 3: september 1788. — Bij deese neeme de vrijheid, uwel Ed: gestr: agtb: te berigten dat den Pangerang van Djoe Jocarta gisteren avond weeder van de„ Langoe naar Djoe Jocarta vertrokken is, so dat 'er niets is voorgevallen, wat reeden nu dien Prins gehat heeft, om sig so ver in dit district te begeeven is mij als nog onbewust. Den Loura van Adilangon die ik nog heeden gepasseerde nagt heb laaten halen, heeft mij gesegt dat hij den kroonprins gevraagt had, wat van sijn orders was, gaf den ander hem ten antwoord als dat hij gehoort had dat de sangerang so mooij was, dat hij daar om daar naar toe was gegaan! om deselve eens te besien. Egter bekent den keijser seer onvergenoegt te sijn dat dien prins sonder kennis geeving aan hem of wel aan mij, sodigt in sijne Cotta dorst koomen — Terwijl overigens de eere hebbe met alle hoog agting en respect mij te noemen /onderstond:/ Titul /Lager / uwel Ed: gestr: agtb: zeer nedrigst en gehoorsame dienaar /:was geteekend A: Hartzinck /:in margine:/ Souracarta den 3: septemb=r 1788. Copia Aparte Brieff geschr: door den Heere Iavas Gouverneur aan den Soura Cartas eerste Resident Hantzinck van 4: Sept=r 1783: Dier neevens sende ik UE: mijne brieven dienende volgens de bij gevoegde Copijen, in antwoord op die van de Keijzer en de kroonprins „ De Destrand gelden sullen direct afgegeeven worden aan E de geene die tot den ontvangst gesonden word: En hoewel mij voorts tot genoegen in't VE: aparte van gisteren is gebleeken dat den DJoejocantasch kroon prins met zijn gewapend volk van Dilango is terug gekeerd, sonder dat 'er enige dadelijkheeden zijn bedreeven, mischien„ op de aannadering der Tronpes van de Pangerang Aang„ Coenagara, so billijk ik des niet temin het misnoegen dat den keijser daar over betrouwd so als uE sal blijken uijt de ingesloten Copij brief welke ik gisteren aan den DJoe Jacartasch eerste resident van ijsseldijck hebbe ge„ „schreeven en van welks inhoud UE: den keijser kan kennis geeven om dien vorst te overtuijgen van 'sComp=s sorg en geneijgdheid om in alles so veel mogelijk het belang en wel zijn van zijne Hoogheid te bevorderen. waar meede na groete blijven : onderstond/ UE goede vriend /:was geteekend / Ian Greeve /in margine:/ Samarang den 4: September 1783. — Copia aparte Brieff geschr: door den Heere Javas Gouverneur aan den Eerste Resident te Djocjocaata van ijsseldijck ged: 3: September 1788. Tot mijne uiterste verwondering verneem ik uit het berigt van den Soura Cartas eerste Resident Vaatzinck dat den kroonprins van Djoejocarta, nevens de pangerang Jngabeij en de Pangerang Djoijo Coesoemoe met een geheele parthij gewapend volk des avonds van den 2: deeser op De langoe is aangekomen, sonder dat er enige voorgaande kennis den 10.:e Septemb=r 1788. geeving

NL-HaNA_1.04.02_3816_0823 view scan ↗

English

page 545. the 10th September 1788. notification was given, neither to the emperor nor to the aforementioned first Resident of Soura Carta. And since such an unexpected entering upon the emperor's territory with a considerable number of armed men can indicate nothing other than hostile intentions, although the approach of the troops of the Pangerang Mangcoenagoro seems to have caused the execution thereof to cease, seeing that that Prince subsequently withdrew again, and the emperor is with good reason highly displeased about this undertaking, I therefore order your Honour to inquire cordially in writing, in the name and on behalf of the Company, of the sultan what His Highness intends by this strange conduct, whether the same took place with the knowledge of His Highness, with the requisition in the contrary case to disavow the same explicitly to me, so that the Company may otherwise devise the necessary measures, in order that the emperor may just as little beforehand be insulted on behalf of the sultan, as she has constantly shown herself ready to uphold the honour and dignity of the sultan in accordance with fairness. Meanwhile it surprises me that your Honour seems to be unaware of all this, or at least gives me no knowledge thereof, the reasons for which I desire to know, while it also appears very strange to me to have as yet received no answer from your Honour to my letter of the 28th August past. I remain after greetings /:was written beneath:/ Your Honour's good friend /:was signed:/ J: Greeve /:in the margin:/ Samarang the 3rd September 1788 in the evening at 18 hours. /:and beneath it P: S: while closing this I receive your Honour's separate letter of the 2nd of this month serving in reply to my latest of of the 28th August, from which and from your Honour's private letter it is also indeed evident to me that your Honour was informed of the dispatch of a considerable number of armed people by the sultan under the command of some Dalm mantris, but from which it does not appear that your Honour was informed that the crown prince of Djocjacarta and the two other Princes were at the head of the same, so that my aforementioned letter must in so far take effect. Your Honour should also point out to the sultan that the Company, after this incident, has very great hesitation to provide His Highness with firearms, since these are not ceded with the intention of making them serve to disturb the peace and tranquility which Java so happily enjoys. Copy of the Separate letter from the first Resident of Djoejocarta van Ysseldyk to the Lord Governor dated 2nd September 1788. Your Right Honourable Sir's separate honoured letter of the 28th September having been well received here, the letter for His Highness the sultan was handed over by me according to custom to the prince, and I have had this accompanied by the answer with the translation thereof, while I with the greatest respect call myself /:was written beneath:/ title /lower:/ Your Right Honourable's obedient servant /:was signed:/ W: H: van Ysseldyk /:in the margin:/ Djoejocarta the 2nd September 1788. the 18th September 1788. Copy of translation page 547. Copy of the Translation of the Javanese Letter written by the sultan Amangcoeboeana at Djoejocarta Adiningrat, to the Right Honourable Lord Governor of Java received at Samarang the 4th September 1788. — After the usual preamble I have very well received Brother's reply letter and fully understood its contents, that it was solely from the principle of true affection which Brother bears towards me, and also to answer to the trust that I say I place in the Company and also in Brother regarding this matter, that thus without taking into consideration the stipulation of ten days' time, which can not be suitable both with respect to the Company and to request her help, Brother through his mediation had brought it so far that my Nephew the emperor at Souracarta according to the report that Brother had received from the chief Hartzinck had again revoked the name of Soerjomangcoeboemie, and would give in place thereof another name to the Pangerang who had borne it, also that herewith now my grief would be removed which I testified to have had over that case, and to which Brother solely attributed that my Letter of the 25th of the light Dulkahidah was so short and contained so few tokens of that Brotherly friendship which I testified to have for Brother. That Brother and the Company have been pleased to comply with my request for help in this matter, and that Brother has made a request to my Nephew the emperor at Soura Carta and who has complied with Brother's desire, is to me highly the 10th September 1788. gratifying

Dutch transcription

pag 545. den 10:e september 1788. geeving is geschied, so min aan den keijser als aan gem: sou„ ra Cartos eerste Resident. En daar eene so onverwagte betreeding van 's keijzers grond gebied met een aanmerkelijk getal, gewapende Manschappen, mits anders dan vijandige oogmerken kan aandinden hoewel de aannadering der troupes van de Pangerang Mangcoendgoro derselver uitvoering scheint te hebben doen staken, also dien Prins vervolgens weeder is terug getrokken, ende keijzer over dit bestaan met reeden, ten hoogsten onvergenoegd is, so gelaste ik uE: om uitnaam en van weegens de Comp: aan den sulthan bij geschrifte Cor„ daat afte vragen wat zijne Hoogheid met dit vreend gedrag bedaeld, so het selve met kennis van zijne Hoogheid is geschied met requisit om in Contrarie gevalle het selve blijkbaar bij mij te desavoueren, op dat de Comp: anders de nodige maatregulen moge beramen, dat de keijzer eeven s min voor af van weegens de sulthan beledigd worde, als zij zig steeds bereidvaardig heeft getoont de eer en waardigheid van den sulthan na billijkheid te hand havenen. ondertusschen verwondert het mij dat UE: van dit alles onkundig scheijnt, ten minsten mij daar van geen kennis geeft, waar van ik de reedenen begeer teweeten, terwijl het mij ook seer vreemd voor komt nog geen antwoord van uE: te hebben op mijn schrijven van den 28: aug=s passato. Ik blijve na groete /:onderstond:/ UE goede vriend /:was geteekend:/ J: Greeve /:in margine / Samarang den 3: september 1788: 's avond 18: uuren. /:en daar onder P: S: onder het sluiten deeses ontvange ik uE: aparte brief van den 2: deeser dienende in antwoord mijner Jongste van van den 28: aug=s waar uit en uit uE particuliere schrijven mij tevens ook wel Consteert dat uE: onder rigt was van de afsending van een aanmerkelijk getal gewapend volk door den sulthaan onder het gesag van eenige Dalm mantries, dog waar uit met blijkt dat uE: is geinformeert geweest dat sig den DJocjacartas kroonprins en de twee andere Princen aan het hoofd der selver hebben bevonden, dus mijn voormeld schrijven in so verre effect moet sorteeren. Ook diend uE: den sulthan voortehouden dat de Comp: na dit voorval, seer veel sevarigheid maakt zijne Hoogheid van geweeren te voorzien, also die niet afgestaan worden met oogmerk om ze te doen dienen tot het stooren van de rust en vreede, welke Java so gelukkig geniet. Copia Aparte brief van den Djoejocar„ tasch eerste Resident van ijsseldijck aan den Heere Gouverneur ged: 2: sepl: 1788. Bij uwel Ed: Gestr: groot Agtb: aparte g'eerde schrijvens van den 28: sb: alhier wel ontvangen sijnde de brief voor sijn Hoogheid den suelthan, is deselve door mij naden ge„ bruijke aan den voost overhandigt, en heb ik de eene deese te laten versellen van 't antwoord met het translaat daar van Terwijl ik mij met de meeste eerbied noeme /:onderstond:/ titul /lager:/ uwel Ed: gesta gehoorz: dienaer /:was get:/ W: H: van ijsseldijck /:in mar„ gime / Djoejecarta den 2: September 1788: den 18: septemb=r 1788. Copia translaat pag: 547. Copia Translaat Jav: Brieff geschr: door den sulthan Amang Coeboeana te DjoeJocarta Adiningrat, aan den wel Ed: gestr Heer Javas Gouverneur ontvangen te sama„ rang den 4: september 1788. — Na gewoone voorreeden Ik hebbe Broeders antwoord brief seer wel ontvangen en dies inhoud volkomentlijk verstaan, dat 't alleen was uijt het beginsel van ware genegenheid die Broeder mij toedragd, en ook om te beantwoorden aan het vertrouwen, dat ik segge in de Comp: en ook in Broeder omtrend dit geval te stellen, dat dus sonder in aanmerking te neemen de bepaling van thien dagen tijd het welk so ten opsigte van de Comp:e als om hare hulp te verlangen met te pas kan koomen, Broeder door zijne bemiddeling 't so verre had gebragt dat mijne Neef den keijser te souracarta volgens 't berigt dat Broeder van het opperhoofd Hartzinck had ontvangen de naam van soerjo mangCoeboenie weeder had ingetrokken, en daar voor aanden Pangerang die deselve gevoerd had, een andere naam geeven soude, ook dat hier meede nu soude zijn weggenomen mijne droefheid die ik betuijgd hebbe over dat geval te hebben gehad, en aan het welk Broeder alleen toe „schrief dat mijne Brief van den 25: van het ligt dieehaijda so kort was en so weijnig teekenen behelsde van die Broeder„ „lijke vriendschap, die ik betuijgd hebbe voor Broeder te hebben. Dat Broeder en de Comp: heeft gelieven te voldoen aan mijn versoek om hulp in dit geval, en dat Broeder aan mijnen Neef den keijser te soura Carta heeft versoek gedaan ende welke aan Broeders begeerte heefd voldaan, is mijn ten den 10=e September 1788. hoogsten

NL-HaNA_1.04.02_3816_0826 view scan ↗

English

most heartfelt agreeable, and I express my many thanks for this both to the Company and to Brother. Regarding my last made request that Brother be pleased to propose to my grandfather His High Nobility the Lord Governor-General and the Right Honorable Lords Councillors of the Indies, as well as to the Company, to send my Patih Danureja to Batavia, as was customary heretofore, in order to pay respects to grandfather the Lord Governor-General and Lords Councillors of the Indies because it has now already been eight years ago Brother has now satisfied my heart with the fact that the Company regarded it just as if my Patih had been to Batavia. This is what sets my heart at ease, while I in the meantime wish that God the Almighty may be pleased to bless my grandfather the Lord Governor-General with old age and all salvation and blessing, so that I may long continue to request assistance when my heart is troubled; for in all fairness I can request no other assistance than from my grandfather the Lord Governor-General and the Lords Councillors of the Indies. But if in the future a new Governor-General arrives, then I request Brother's assistance to propose to my grandfather the Lord Governor-General and the Right Honorable Lords Councillors of the Indies the journey of my Patih Danureja to Batavia as is the ancient custom, and stated in the Contract, for delivering the gifts to my grandfather the Lord Governor-General, for securing and confirming the bond of friendship, and to gladden the heart of all my subjects. Brother having sent me a pair of spectacles for my own use with my envoy Pangeran D'soijo Koesoemo, whom I had ordered to accompany Brother home to Samarang, I have received them in good order, and they being most agreeable to my heart, I hereby express my gratitude to Brother for them. Furthermore, Brother is most cordially greeted by me and the Pangeran Adipati Anom Amangku Nagara, with the addition of my wishes that Brother may constantly enjoy all blessings, prosperity, and true pleasure for many days to come. Written in Yogyakarta Hadiningrat on Tuesday the 1st of the light Besar in the year Alip 1714. Below stood: translated by me; was signed: W. Waadenaar. Copy Separate Letter from the first Resident of Yogyakarta, van Ysseldijk, to the Lord Governor of Java of 6 September 1788. Your Right Honorable's separate letter of the 3rd of this month having been handed to me yesterday afternoon, I have the honor to state in all deference in response that I knew nothing of the Crown Prince's journey to Delanggu until the day after, and I then immediately addressed myself to the Prime Minister and ordered him to inform the Sultan of this and of my astonishment in that regard, and to say that if the Crown Prince intended to make a pleasure excursion again, I hoped to be of the party then; and since I was assured on the absolute responsibility of Danureja and Natayuda that this excursion, which they themselves as well as I did not know otherwise but that it had only extended to Pangkisan, however much outside of custom, had had no objective resembling any hostility, and the Prince was already back home late that evening, I thought it superfluous to inform Your Right Honorable about the matter, since I was not aware and could not think that so much commotion had been made about it in Surakarta; all the more because the Crown Prince of this Court, being less restricted than the one of Surakarta, with his father's permission, often rides around with his own armed men, then sometimes to the south, the way toward the Sea Beach, and then to the west, to Gamping and Tangkitan, in which I myself last year repeatedly assisted at the Sultan's request. However, since the excursion to Delanggu was certainly too far off, and it was taken so seriously in Solo, I have, in addition to what I carried out in accordance with Your Right Honorable's high orders, addressed myself to the Sultan and delivered to him in person yesterday evening the enclosed document. I found the sovereign a little feverish, but otherwise very friendly and talkative, giving me such declarations as are dictated by the written answer demanded of him, from which it appears that His Highness himself did not know of this excursion to Delanggu, and that he would reproach and order his son no longer to travel so far off.

Dutch transcription

hoogsten aangenaam van harten geweest, en ik zegge daar voor veelmaals dank so aan de Comp:e als Broeder. Aangaande mijn laast gedaan versoek dat Broeder geliefde voor tedragen aan mijn groot vader zijn Hoog Edelheid den Heere Gouverneur generaal ende Wel Ed: Heeren Raden van Indee als ook aan de Comp:, om mijnen Pepattij Danoe Redjo naar Batavia te zen„ „den, gelijk voor deezen gebruik is geweest, ten eijnde de eere te bewijsen aan grootvader den Heere Gouverneur generaal ende Heeren Raaden van Indie /om reedenen het tans reeds agt Jaaren geleeden is (heeft tans Broe„ der mijn hart vergenoegd met dat de Comp: 't hield even of mijn pepattij naar Batavia was geweest, dit is het waar over mijn hart gerust is, terwijl ik intusschen wen„ schen dat god den allerhoogsten mijn groot vader den Heere Gouverneur Generaal gelieve te segenen, met ouderdom en alle heijl en zegen, op dat ik nog lange hulpe kan ver„ soeken, als mijn heert ongerust is, want so kan niet billijkheid geen andere hulp versoeken als bij mijn groot vader den Heere Gouverneur Generaal en de Heeren Raden van Indie, dog als in het vervolg een nieuwe gouverneur generaal komt, dan versoeke ik Broeders hulpe om aan mijn groot vader den Heere Gouverneur Generaal ende Wel Ed: Heeren Raden van Indie voort„ „dragen, de rijse van mijnen papattij Danoe redjo naar Batavia gelijk oud gebruijk is, en in het Contract ver„ „meld staat ter overbrenging der geschenken aan mijn groot vader den Heere Gouverneur generaal ter vast leggingen bevestiging der vriendschaps band en om het den 10e Septembr 1788. — hart den 10:e September 1788. — pag: 549: hant van alle mijne onderdanen te verblijden Broeder tot mijn eijgen gebruijk mij een Bril toegeson„ „den hebbende, met mijnen sendeling pangerang D' soijo Coes„ „soemo dewelke ik geordonneerd hadde Broeder thuijswaards naar samarang te versellen, hebbe ik wel ontvangen en deselve mijn van harten aangenaam zijnde so betuijge ik broeder daar voor mijne dankbaarheid voorts word Broeder door mij en den Pangerang adi„ pattij anom Amang Coenogoro op het minsaamste gegroet met bijvoeging mijner wenschen, dat Broeder bestendig mag smaken alle seegen voorspoed en waar genoegen tot in lengte van dagen. Geschr: te Djocjo Carta adiningrat op dingsdag den 1: van het ligt Boesaar in 't Jaar D Jimakier 1714. /: on„ „derstond /getranslateerd door mij /was geteekend:/ W: Waadenaar. Copia Aparte Bries van den Djoejacarta„ sch eerste resident van ijsseldijck aan de Heere Javas gouverneur van 6: septemb=r 1788. Gisteren middag mij overhandigt zijnde uwel E: gestr: aparte schrijvens van den 3: deeser, hebbe ik de eere daar op in alle eerbied te dienen dat ik van des kroonprinsen reijse na„ dilango, niets geweeten hebbe als daags daar aan, en ik mij als toen ten eerste bij den Rijks bestierder geaddresseert en hem gelast hebbe den sulthan, hier van en van mijne verwondering dientweege te informeeren, en te seggen, dat als den kroonprins, wederom een plaisier togt meende te doen ik als dan hoopte van de pattij te zijn, en daar mij op de 1 op de volstrekte verantwoording van Danderedp en Notto zudo versekert wierd, dat deese togt / die sij met mij selve niet anders wisten of had sig maar tot Panquisang uitgestrekt (hoe seer ook buijten den gebruike, niets ten oogmerke had gehad dat na eenige vijandelijkheid sweemt en den Prins des avonds laat bereeds wederom is thuis geweest, hebbe ik het gemeent over bodig te zijn uwel Ed: gestr: over de saak te onder houden daar mij met bewust was en ik ook niet konde denken men op soura carta daar over so veel beweeging gemaakt had, temeer wijl den kroonprins van dit Hof„ minder gebonden sijnde als die van souracarta, met permissie van zijn vader, dikwels met sijne eijgene gewapende manschappen (als dan eens, om de suijd; deweg op na Zeestrand, en dan eens om de west, na Gamping en Tanquitang) rondreid, waar bij ik selve in 't voorleeden Jaar, temeermalen op het versoek van den sul„ „than hebbe geadsisteert. Dan daar de Togt na dilango voor seeker teverre van de hand, en deselve op solo so hoog opgenomen is, so hebbe ik, boven het door mij verrigte ingevolge uwel Ed: gestr: hoge beveelen, mij bij den sulthan geaddresseert en inperzoon, hem opgisteren avond 't neevens leggend geschrift overhandigt. k vond den vorst, een wijnig koortsig, dog anders seer vrien„ „delijk en praaksaam, doende mij sodanige betuijging, als dicteert, het van hem gevorderde schriftelijke antwoord waar uit blijkt dat zijne Hoogheid selve met van deese togt na dilango geweeten heeft, en hij er zijn soon over de procheeren, en gelasten soude, met meer so verre van den 18:e Septemb=r 1788. de hand

NL-HaNA_1.04.02_3816_0829 view scan ↗

English

page: 552 to go by the hand, and that in case he wished to divert himself once again with his brothers and troops, he would then always take me or someone on my behalf along, so that there might be as little reason for suspicion in Soura carta as elsewhere, and, should I judge it necessary, I could give notice thereof to Samarang; yet the sulthan said that he would determine more closely hereafter how far these journeys might extend in the future, as I demonstrated to his Highness that, however much his son may have been free of harmful intentions, it was absolutely improper to venture so far from the court with so many armed people, where the common man, not being informed of the cause thereof, soon turns to unrest, and may easily leave his lands uncultivated. From this paper it will appear to your Right Honourable that no hostile projects have taken place, yet at the same time that this journey was not made entirely without purpose, since the zulthan, among other things, said: because he feels he is a son of mine and thus, in due time, another compares himself to me: from which I soon gathered they were aiming at the abolished name of soerio mancoeboemie, and therefore warned the sulthan that thinking further upon that would not correspond with the favorable arrangements made in this matter through the intervention of the Company, and I trusted that the armed people, whom I had heard had been sent out, had already been summoned back home; the sulthan, showing surprise at the knowledge I had of this, answered in the most cordial manner that he the 10th of September 1788. his would lay his heart open to the Company and gladly confess what the intention of this dispatch had been, thereupon giving such an account as is recorded here in the writing of the prime minister and in that of the Tommongong Mangoendipoero; and after I had described this entire matter to the sulthan as being very doubtful, I asked him whether he still had anything on his heart, and that if not, he should always abide by the wise dispositions of the Company; whereupon the old man took me by the hand and declared that he now absolutely had no further desire, provided Mancoenagara would only listen to your Right Honourable, but that if he did not do so and again undertook something to his detriment, he would then address himself to your Right Honourable. Your Right Honourable may further rest assured that now that the aforementioned name is out of the world, there remains no semblance of any evil designs in this matter. The troop of armed people, of which I made mention in my private writings of the 2nd of this month, was not included among those of the crown prince, who had no one with him but his brothers and sons with their people, and thus not the pangerang Djoijokoessoemo, nor any of the sulthan's wedonos, but indeed a good portion of his women, from which it is all the more to be inferred that he had no intention of undertaking anything against the Solo Court. On the basis of what has been cited above, I have still kept your Right Honourable's orders regarding the pistols to myself, whereupon I shall await his Highest's further orders. — the 10th of September 1788. And page: 553. And herewith concluding this, I have the honour to be with all respect, /:was written below:/ title /lower/ your Right Honourable's humble and faithful servant /was signed/ W: H: van ijsseldijck /:in the margin:/ Djoejocarta the 6th of September 1788, at 9 o'clock in the morning. — Copy of the memorandum written by the Resident van ijsseldijk to the Sulthan, dated the 6th of September 1788. — Although I had already made known my surprise to the Prime Minister Danoeredjo regarding the crown prince's journey to Dilangoe and had requested of your Highness that if the aforementioned crown prince wishes to go anywhere again, I might then be of the party; yet this morning I received a further letter from my superior, the Lord Governor, wherein I am ordered, in the name of the Company, to ask your Highness whether your Highness is informed of this matter, and if so, what the reasons are that the aforementioned son of your Highness has proceeded so far from here, and so close to SouraCarta, since his Highness the soesoehoenang is displeased about this unusual journey, and it is the Company's desire that all reasons to cause displeasure to the Sourakarta Court be avoided, just as the same has very recently shown itself ready to be of service to your Highness /:was written below:/ Djoejocarta the 6th of September 1788. /:was signed:/ W: H: van iJsseldijck /lower/ Agrees /:was signed:/ W: H: van iJsseldijck the 10th of September 1788. — Copy 6 :

Dutch transcription

pag: 552 de hand tegaan, en dat ingevalle hij sig eens weeder met zijne Broeders, en Troepen diverteeren wilde, hij als dan altoos mij of eene van mijnentweege, soude meede neemen, op dat men so min op Soura carta als alders enige reedenen tot argwaan mogte hebben, en ik sulks nodig oordeelende daar van na Samarang konde kennis geeven dog seijde den sulthan, dat nader soude bepalen tot hoe verre sig deese togten in het vervolg soude moogen uit„ strekken, also ik zijn Hoogheid vertoonde, dat hoe seer zijn zoon ook bevreijd was geweest van nadeelige intenties, het absolut niet tepas kwam seg met so veel gewapend volk op dien afstand van 't hof te begeeven daar den gemeenen man, niet van dies oorsake verwittigt, wel haast overstaet tot ongerustheid, en zijn landen al ligt onbebouwd laat leggen. uit dit papier sal het uwel Ed: gestre blijken dat 'er geene vijandelijke projecten hebben plaats gevonden dog ook tegelijk dat deese reijse niet ten eenemaal sonder insigt is geschied, wijl den zulthan onder anderen sigh: om dat hij gevold een soon van mij te zijn en dus met gaarn en tijd, een ander sig met mij vergelijkt: waar uijt ik wel haaft opmaakte men doelde op de afgeschafte naam van soerio man„ coeboenie en daarom den sulthan voorzield, daar verder aan te denken met beantwoorde soude aan de gunstige schikkin„ gen, die er in deese door tusschen komst van de Comp:e gemaakt is, en ik vertrouwde dat het gewapend volk, dat ik gehoord hadde dat uit gesonden was, bereeds wederom was thuijs ontbo„ „den, den sulthan sig verwondert toonende, over de kennis die ik hier van droeg antwoorde, op de harkelijkste wijse, dat hij den 10:e September 1788. sijn sijn Hart voor de Comp: openleggen en gaarn bekennen wilde wat de Intentie van deese besending is geweest, doen de daar op een sodanig verhaal, als hier in het geschrift van den rijks bestierder en in dat van den Tommongong Mangoendipoero bekent staat, en na dat ik den sulthan deese geheele saak als seer twijffelagtig beschreeven hadde vroeg ik hem of nog niets op het hert had en dit so met sijnde hij dog altoos maar berusten soude, inde wijze beschikkingen van de Comp: waar op den ouderman mij bij de hand vatte en betuijgde nu volstrikt geen begeerte meer te hebben als Mancoenagara maar na uwel Ed: Gestr: wilde luijsteren, dog dat als hij dit met deed en weer iets ondernam, tot het nadeel van hem, hij sig dan bij uEd: gesta: soude adresseeren. Uwel Ed: Gestr: gelieve voorts gerust te zijn dat 'er nu gem: naam uijt de wereld is, aan dit waf geen schijn over„ blijft, van eenige kwade desseijnen. De troep gewaepend volk, waar van ik in mijne particuliere schrijvens van den 2: deser gewag maakte is niet bequeepen geweest onder die van den kroonpoins die niemand bij sig heeft gehad als zijne broeders en soonen met haer volk en dus ook niet den pangerang Djoijofoessoemo, ofte iemand van sul„ thans wedonos, maar wel een goedgedeelte van sijne vrouwen, waar uijt het te meer optemaken is, dat geene intentie heeft gehad om iets teegens het solasche Htof te onderneemen. op fundament van het heer vooren geciteerde, hebbe ik uw Ed: gestr: beveelen ontrent de pistoolen nog voor mij gehouden waarop ik Hoogst derselver nadere ordre sal blijven inwagten. — den 10:e Septemb„r 1788. En pag: 553. En hier mede dese fineerende, heb ik de eere niet alle Eer„ „bied te sijn, /: onderstond:/ titul /lager/ uwel Ed: gestr: onderdanige en trouwschuldige dienaer /was geteekent/ W: H: van ijsseldijck /:in margine:/ Djoejocarta den 6: september 1788. en 's morgens om 9: uuren. — Copia Pemoet geschreeven door den Resident van ijsseldijk aan den Sulthan ged:t 6:' 7ber: 1738. — Ofschoon ik aan den Rijxbestierder Danoekedjo mijne Verwondering bereeds te kennen had gegeeven, over des kroon prinsen reijse na Dilangoe en aan uwe Hoogheid hebbe doen versoeken, om als gemelde kroonprins wederom ergens na van toe wil gaan ik dan de parthij mogt zijn, so hebbe ik deese morgen nader een brief ontvangen van mijnen gebieder den uijt naam Heere gouverneur, waar in mij gelast word, U Hoogheid van de Comp=e aftevraegen of u Hoogheid van deese zaake verwit„ „tigt is, so Ja wat de reedenen is, dat gem: u Hoogheids zoon sig so verre van hier, en so na bij souraCarta vervoegt heeft, wijl zijn Hoogheid den soesoehoenang over deese ongewoone reijse te onvreede, in het des Comp=s verlangen is, dat alle reedenen worden vermijd om het souracartasche Hof onge„ noegen te veroorsaaken, eeven als het selve sig nu Iongst nog bereid vaardig getoont heeft, om uw Hoogheid van dienst te zijn /:onderstond:/ DJoe Jocarta den 6: September 1788. /:was geteekent :/ W: H: van iJsseldijck /lager / Accor„ deert /:was geteekend/ W: H: van iJjsseldijck den 10:e September 1788. — Copia 6 :

NL-HaNA_1.04.02_3816_0832 view scan ↗

English

the 10th September 1788. Copy Translation Javanese writing from the Sultan to the Djoe Jocarta first resident van Ysseldijck, written on the 6th September 1788: This writing contains the statements of the monarch to the chief of Ysseldijck; regarding my son the Pangerang Adipattij Anom AmangCoenogoro, his journey made to Adilangoe, this was caused by his own will, having only had permission from me to go as far as Tanquisang, and it was his intention to see Dilangoe, because he feels himself to be a son of mine, and who also cannot bear that there is anyone who compares himself to me, however the Company needs not think that my son undertook this journey to cause another displeasure, and I now most kindly request that my brother the Honorable Gentleman please forgive his son the crown prince for this, and I shall reproach him for it, and order that he undertake no such thing anymore, and if he should make a pleasure trip again, I then order him to go with you. And chief, I further open my heart to the Company: the reason that I recently sent my subjects was to seek out MangCoenagara's people, and upon finding them to apprehend them, because I heard from my daughter the Rathoe Bendhoro that she was previously accused of having sent some goods to Mangcoenagara, though Danoeredja nor Mangoendipoero have not spoken to me of it, yet my subjects were not able to succeed in this, and my desires were solely to investigate the matter of my daughter with MangCoenagara, but the people of my son page 555. son the crown prince have caught one of MangCoenagara's, who previously deserted from my son, and was therefore also apprehended by his people; these his statements I now hand over to you in writing, and otherwise I have no desires whatsoever, as long as Mangcoenagara listens to the Company, but if he again undertakes something that concerns me, I shall inform my brother the Honorable Gentleman of it. Below stood: written on Saturday the fifth of the light Besaar in the year Jimahier 1714: or the 6th September 1788. Lower: for the translation: was signed: J: G: vd Berg. Copy Javanese writing from the Dalem's regent Mangoendiepoero, to the Radeen Adepattij Danoeridja. Kieij Zoerah's report I have presented to the monarch: that the chief has requested that if the crown prince might again take a pleasure trip, that the monarch please determine up to how far it may take place, as to the north up to Boedjong, to the west up to Brosot, to the south up to the sea, and to the east up to Tanquisang, That the chief requests to be informed a few days in advance if the crown prince might go further than determined, all this has been permitted by the monarch. Copy Separate letter from the Lord Governor to the Djoejocarta's first resident van Ysseldijck, dated 7th September 1788. Without at present further examining how far it is compatible with one another that the crown prince, as is the 10th September 1788. claimed, claimed to have had no evil intentions with his appearance at Dilangoe, and that that prince, according to the Sultan's admission, also wanted to show thereby how he felt himself to be a son of His Highness and thus could not tolerate that another compares himself to that monarch, while the Sultan also could not deny having sent off a troop of armed men against the Pangerang MangCoenogore at the same time, I can for the present, on behalf of the Company, rest in the declaration of the Sultan that His Highness himself indeed knew nothing of the trip made to Delango, having only given permission as far as Tanquisang, and thus would reproach his son about it with orders not to go so far out of hand anymore, so as to avoid all reasons for suspicion. You can thus now further make known to the monarch that, according to the request of His Highness, I am willing to forgive the crown prince for this excursion in the firm trust that never anything of the like shall happen again, with the information at the same time that I shall inform the Soesoehoenang of the adduced reasons of excuse, to remove the justified displeasure that that monarch conceived over it, and which was also the well-founded cause that, by the nature of the matter, from that unexpected appearance, on account of the displeasure against the Emperor made known so publicly by the Sultan, being able to suspect nothing other than hostile designs, they at Souracarta immediately armed themselves and prepared to meet force, if it were committed, with the 10th September 1788. force.

Dutch transcription

den 10:e September 1788. — Copia Translaat Jav: geschrift van den sulthan aan den Djoe Jocarta eerste resident van ijsseldijck, gesch: op den 6: 7ber: 1788: Dit geschrift behelst de gesegdens van den vorst. aan 't opper„ hoofd van ijsseldijck; van weegens mijn zoon den pangerang Adipattij Anom AmangCoenogoro, sijne gedaane reijse na Adilangoe, deese is door sijne eijge wille veroorsaakt, hebbende van mij alleen maar permisie gehad tot Tanquisang te moogen gaan, en is sijne intentie geweest dilangoe te sien, om dat hij gevoelt van mij een zoon te sijn, en die ook niet gaaan en deeld er iemand is, die sig met mij verge„ „lijkt, edog behoefd de Comp:e niet te denken, dat mijn zoon dese reijse ondernoomen heeft, om een ander ongenoegen te veroorsaaken, en versoeke ik nu allervriendelijkst, dat mijn broeder de Edelheer zijnen zoon den kroonprins dit gelieft te vergeeven en sal ik hem daer over reprocheeren, en gelasten dat zulx niet meer onderneemt, en als hij weder een plaijsier togtje mogt doen, als dan ordonneere ik hem met u te sullen gaan. En opperhoofd, ik openbaere verder mijn hart aan de Comp:e de reeden dat ik onlangs geleeden mijn onderdaan en 't gesonden is geweest, om MangCoenagaras volk op te soeken, en bij be„ vinding op tevatten, wijl ik van mijn dagter de Rathoe Ben„ dhoro gehoort hebbe, zij voor dese beschuldigd is, eenige goederen aan Mangcoenagara te hebben gestuimt, dog heeft mij Danoe„ redja nog Mangoendipoero daar van niet gesegt, egter hebben mijn onderdaanen daar inniet moogen slagen, en waeren mijne begeertens, alleen om de saak van mijn dogter met MangCoenagara te ondersoeken, maar het volk van mijn zoon pag: 555. zoon den kroonprins hebben 'er een gekreegen van Mang„ Coenagara, die bevoorens van mijn zoon gedrost, en daarom ook door sijn volk opgevat is, deese sijne gesegdens wu geeve ik in geschrift aan U. over, en overigens hebbe ik hoe„ „genaamt gene begeertens, als Mangcoenagara na de Comp=e luijsters dog als hij weer wat onderneemt dat mij aangaat, sal ik 'er mijn broeder de Edelheer kennis van geeven. /:onderstond:/ geschr: op Saturdag den vijffde van het ligt besaar in 't Jaar Jimahier 1714: ofte den 6: september 1788. /:lager / voor 't translaat:/:was geteekent:/ J: G: vd Berg. — Copia Jav: geschrift van den Dalms ren gent Mangoen diepoero, aanden Ra„ deen Adepattij Danoeridja. kieij Zoerah ie rapport hebbe ik den vorst voorgedragend„ dat 't opperhoofd re versogt heeft, aan den kroonprins weder een plaijsier togtje mogt neemen dat den vorst sulks gelieft te bepaalen, tot hoe verre het geschieden mag, als na het noorde tot Boedjong, na het westen tot Brosot, na 't zeijde tot de zee„ en na 't ooste tot Tanquisang, Dat het opperhooft een paar daegen van te vooren versoekt geinformeert te sijn, als den kroonprins verder mogt gaan als bepaalt is, dit alles is door den vorst gepermitteerd. Copia Aparte brief van den Heere Gouverneur aan den Djoejocantas eerste resident van ijsseldijck, ged=t 7: 7ber: 1788. — Sonder thans nader te ondersoeken in hoe verre het met elkanderen bestaanbaer is, dat den kroonprins gelijk men den 10:e September 1788. — beweerd . beweerd met zijne verschijning te Dilangoe geen quade intentie heeft gehad, en dat dien prins, volgens des sulthans erkentenis, daar meede heeft willen toonen hoe hij gevoelde een zoon van zijne Hoogheid te zijn en dus niet te kun„ „nen lijden dat een ander zig met dien vorst vergelijkt, terwijl de sulthan ook niet heeft kunnen ontkennen terselver tijd een troep gewaapend volk teegen den pan„ gerang MangCoenogore te hebben afgesonden, kan ik van weegens de Comp=e thans wel berusten in de over„ klaring van den sulthan dat namelijk zijne Hoogheid van de gedane togt na Delango selve niets geweeten heeft als alleenlijk maar permissie tot Tanquisang gegeeven hebbende en dus zijn zoon daar over zoude repro„ „cheeren met last om niet meer so verre vande hand te gaan, om dus alle reedenen tot argwaan te vermijden. UE: kan dus als nu nader aande vorst te kennen gee„ ven dat ik, volgens het versoek van zijne Hoogheid, desen uijtstap den kroonprins wel wil vergeeven in dat vaste vertrouwe dat nimmer iets deergelijks weeder gebeuren sal, met informatie tevens dat ik van de bijgebragte reedenen van verschooning den soesoehoenang kennis al geeven, ter wegneeming van het regtmatig ongenoegen dat dien vorst daar over heeft opgeval, en het geene ook de gegronde oorsaak is geweest, dat men na den aard der sake uit die onverwagte verschijning, weegens het door den sul„ „han so openbaar te kennen gegeeven misnoegen op den keijser, niets anders dan vijandige disseijnen kunnende vermoeden, sig te souracarta straks gewaepend en in staat, gesteld heeft om geweld, so het gepleegt wierd, met den 10:e Septemb=r 1788. gemeld

NL-HaNA_1.04.02_3816_0835 view scan ↗

English

the 10th September 1788:— pag: 537. to counter the aforementioned, which, contrary to the stance you expressed in a separate letter of the 6th of this month, I regard not as a step taken too far, but rather as proof of watchful prudence, since the first news received at Soura Carta by no means described the following of that Crown Prince to be so diminished as you presently describe it, as having consisted merely of a good portion of the Prince's women; while it is also certain that, if you had accompanied the Crown Prince this time as well—to which the prevailing displeasure and the knowledge of the dispatch of an armed force could have moved you as much now as ever—the cause giving rise to these movements would not have gained ground to such an extent, seeing that your presence, or the approach toward Dilangoe, would have served either to prevent it or to provide reassurance, so that the appearance there would not have been taken so seriously at Soura Carta. — You should furthermore also inform the Sultan how pleasing it is to me to perceive that His Highness has now resolved to address himself always to the Company whenever something arises about which His Highness considers he may rightfully complain, as this alone is the proper way by which His Highness can obtain equitable satisfaction, in such a manner as the Company shall deem to be most compatible with peace and mutual interests. Furthermore, you may for the present omit the execution of my order regarding the aforesaid pistols; but since I have informed Their Right Honourables of the occurred case and communicated to them that these pistols happened not yet to have been delivered to the Sultan, I must now await what orders Their Right Honourables will send me further in this regard, once I have reported to Them on the sequel to this event. You may therefore give this as an answer to the Prince if His Highness should further request to obtain these pistols. - According to the reports I have concerning the Emperor's condition, there would presently be no objection from that quarter against my departure on the 15th of this month to the West, provided that the feverish condition of the Sultan has no consequences or that none can be predicted with good reason, regarding which I therefore expect your further report in due course, and at the latest by the 12th of this month; After greetings, I remain /below stood/ Your good friend /:was signed:/ Ian Greeve /:in the margin:/ Samarang the 7th September 1788. — Copy Separate letter from the first Resident of Soura Carta, Hartzinck, dated 1st September 1788. — I take the liberty herewith to send over under escort of 1 corporal and 4 dragoons the Radeen Brongto Coessoemo, bound, having had the same apprehended on the order of His Majesty the Emperor; his three brothers, of whom two are here, named Radeen Rongo and Tjoemeno, whom I both interrogated in the presence of the Radeen Adipatti as to whether they wished to make use of the offer made by Your Right Honourable Sir in the presence of the Pangeran Adipatti Anom and the subscriber, answered that they would gladly do so, and that they regarded it as a great favour, the 18th September 1788. — regarded, pag: 559. regarded, to stand under the Company and to be regarded as its children; whereupon I ordered them to remain here with the Radeen Adipatti until Your Right Honourable Sir summons them, with which they were very satisfied; whereupon, for their livelihood, I assigned to them the rice fields granted by the Prince to Brongto Coessoemo; the 3rd brother, named Soemo Djoijo, has not yet arrived here, but I have already given orders to apprehend the same, at which time I shall act with him in the same manner as with his other two brothers, if he is willing to submit to Your Right Honourable Sir's orders. Concerning the name that Pangeran Mangcoenagara wishes to give to his young son, currently still named Mangsoeboenie, I will have inquiries made this morning and immediately report thereof to Your Right Honourable Sir. Wherewith I hope to have complied with Your Right Honourable Sir's honoured intention, and I have the honour to call myself with the highest esteem and respect /:below stood/ Title /Lower/ Your Right Honourable Sir's very humble servant /was signed:/ A: Hartzinck /:in the margin:/ Souracarta the 1st September 1788. Copy Translation of a Javanese letter from the Emperor to the Governor, received at Samarang the 3rd September 1788. — After the usual preamble. As I recently informed you, brother, that because Drotto Coessoemo had shown bad conduct I wished to have him arrested, I have now done so, and I send the same herewith under the escort of my emissary, the Cliwon Singabij Morto, the 10th September 1788

Dutch transcription

den 10:e september 1788:— pag: 537. gemeld te keer te gaan, het geen ik Contrarie UE: bij aparte van den 6: deser te kennen gegeevene sustenue niet als eene te verregegaane beweeging, maar wel als een bewijs van waaksaame voorsigtigheid beschouwe, also de eerste tijding, die men de souracarta ontving, het gevolg van dien kroonprins geensints so diminutie f opgaf, als uE: hetselve thans beschrijft van maar in een goed gedeelte van sprincen vrouwen bestaan te hebben, terwijl het tevens seker is dat indien UE: ook ditmaal den kroonprins had verseld, waar toe het plaats vindend misnoegen er de kennis draging van het afsenden eener gewaepende troep, UE: nu so seer als ooijt, had kunnen permoveerende aanleijdende oorsaak tot die gemaakte beweegingen als dan so verre geen voet gekreegen soude hebben, nademaal UE: presentie, of het naderen van Dilangoe belet dan wel ter gerust stelling soude gestrekt. hebben, om dus de verschijning aldaer te soura Carta so hoog niet te doen opneemen. — UE: dient voorts ook den sulthan ter kennis te brengen hoe aangenaam het mijis te bespeuren dat zijne Hoogheid thans het besluijt genoomen heeft, om sig althoos aan de Comp:e te addresseeren als 'er iets voorkomt, waarover zijn Hoogheid vermeend sig met regmatigheid te konnen beswaaren, also dit alleen de regte weg is waar door zijne Hoogheid een bellijke voldoening kan erlangen op sulk een wijse als de Comp.:e door„ deelen zal met de rust en wederzijdsche belangens best be„ staanbaar te weesen. wijders kan UE: thans wel agterweege laaten de volvoering mijner order ten opsigte dew: pistolen; Maer vermits ik van het g'exteerde geval aan H: H: Ed: kennis gegeeven en daar bij bee„ deeld „deeld hebbe dat die pistoolen gevallig aan den sulthan nog niet waaren afgegeeven, so moet ik als nu afwagten welke beveelen W:a H: Ed: mij ten desen opsigte nader sullen laaten toe„ koomen als ik aan hoogst Deselve van het vervolg deser gebeur tenis sal hebben verslag gedaan. UE: kan dit dus den vorst tot andwoord geeven als zijne Hoogheid nader om de erlan„ ging dier pestoolen versoekt. - volgens de berigten die ik hebbe van 's keijsers toestant, soude 'er van dien kant tans geen bedenking zijn teegen mijn vertrek op den 15: deser na de west, so maar de koortsagtige gesteldheid van den sulthan geen gevolgen heeft of daar int met grond te voorspellen zijn, waar omtrent ik derhalven successive en het laatste teegen den 12: deser UE: nader berigt verwagte; Jk blijve na groete /onderstond/ UE: goede vriend /:was getee„ „kend:/ Ian Greeve /:in margine:/ Samarang den 7: september 1788. — Copia Aparte brief van den Soura Cartas eerste resident Hartzinck, ged=t 1: sep„ „tember 1788. — Bij deese neeme de vrijheid onder Excorte van 1. Corporaal en 4: dragonders, den Radeen BrongtoCoessoemo gevlengelt overtesenden, hebbende deselve op ordre van zijn Majesteit den keijser laaten apprehenderen, sijne drie broeders waar van 'er twee hier zijn in naame Radeen Rongo, en tjoemeno, dewelke ik alle beijde in presentie van den Radeen de pattij ondervraagt heb of zij lieden van de presentatie door uwel Ed: gestr: in presentie van den pangerang de pattij Anom, en den teekenaer wilde gebruijk maken, antwoorde sig lieden seer gaarne en dat sij 't voor een groote gunst den 18:e September 1788. — aanmerkte, pag: 559. aanmerkte„ om onder de Comp:e te staan, En als sijne kinderen aangemerkt te worden; waar op ik haar gelast heb hier bij den radeen depattij te blijven, tot dat uwel Ed: gestr: haar op ontboot, waar mede hij seer te vreeden waeren, waarop ik tot haar leevens onderhoud /: de rijstvelden door den vorst aan Brongto=oessoemo afgegeeven / aan haar toegeweesen heb, den 3=e broeder met naame soemo Djoijo is nog niet hier gearriveert, maar heb bereets last gegeeven denselven te Apprehendeeren, als wanneer ik in selver voegen met hem handelen zal, als met sijne twee andere broeders, so hij sig aan uwel Ed: gestr: beveelen wil onderwerpen. Omtrent den naam die den Pangerang Mangcoenagara aan zijne kleijne soon, thans nog genaam Mangsoeboenie wil geeven, sal ik heeden morgen naar laaten verneemen. En uwel Ed: gestr: daar van direct verslag doen. waar meede verhoope aan uwel Ed: gestr: g' Eerde intentie te hebben voldaan en heb de eene met de meeste hoogagting en respect mij te noemen /:onderstond/ Titul /Lager / uw Ed: gestr: seer needrige dienaer /was geteekent:/ A: Vartzinck /:in margine:/ Souracarta den 1=e september 1788. Copia Translaat Jav: brief van den keijser aan den Heere gouverneur ontfangen te Samarang den 3: September 1788. — Na gewoone voorreeden. Daar ik broeder laast kennisse hebbe gegeeven, dat dewijl drotto Coessoemo een quaad gedrag had, ik hem wilde doen opvatten, so hebbe ik sulx thans reeds gedaan, en sende denselven neevens deese onder geleijde van mijn sendeling den Cliwon Singabij den 10:e September 1788 Morto

NL-HaNA_1.04.02_3816_0838 view scan ↗

English

the 10:e September 1788. — Morto widjaijo, along with a retinue consisting of two mantris, and an officer of the Ampas poeloes Company also handed over with his retinue to your Right Honourable. Rongo still continually persists in goodness, and soemo widjoijo has not yet arrived here, but wishes first to fetch his wife, though I have nonetheless summoned him. — underneath was written: written on Tuesday the 1: of the light Bedaar in the year d'jimakier 1714. lower translated by me was signed: W: wardenaer. sworn translator Reply from the Lord Governor to the Emperor dated Samarang the 4: September 1788. Since your Highness, upon investigation, has found it necessary to have Brongto Coessaemo arrested, I shall now likewise, upon his arrival here, send him as a dangerous person to Batavia, to be removed from this Coast forever; In the meantime, I am very eager to know what reasons brother has discovered as to why he changed his conduct so suddenly, and whether this also occurred upon the advice of someone else. Furthermore, I shall express myself further regarding his brothers Rongo and soemo widjoijo as soon as I shall have received the orders concerning him from the Honourable Grandees of Batavia. In the meantime, I send herewith to your Highness a pot of salted kaalkoppen and some oysters, which I hope may be to your satisfaction and may contribute somewhat to brother's so very much desired recovery and convalescence. Brother, along with our well-beloved son the Crown Prince and pag: 561. and brother's other sons and daughters, are furthermore warmly complimented by me many times. underneath was written: written at samarang the 4 September Ao 1788. was signed: I: Greeve Copy Separate letter written by the Lord Governor to the First Resident at soura Carta, Hartsinck, dated the 6: September 1788. Replying hereby to Your Honour's separate letters of the 1:, 5: and 8: instant, I express my joy at the Emperor's increasing recovery, of which I continue to hope for a desired continuation. Brongto Coessoemo having arrived here in safe custody, shall also depart as such for Batavia, to be removed from this Coast forever. Regarding his brothers Rongo Djoemeno and Soemo widjoijo I shall express myself further as soon as I shall have learned the pleasure of the Right Honourable Grandees. In the meantime, I trust that their conduct will be such as one may expect of them, and that in the meantime they and their movements will be closely watched, in order to be able to secure them in case of a change of conduct; By the enclosed letter, I fulfill the Emperor's desire to know my thoughts concerning the name of Soerio Prang wedono. And in order to bring the pangerang Mangcoe Nogorro back into a good humor through a token of distinction, Your Honour may, on a separate visit on my behalf, assure His Highness that his son obtains this name not only from the Emperor, but also from the Company. Whereupon Your Honour must at the same time represent to that Prince that the change of name which has taken place the 10:e September 1788. must not be regarded as a proof that soura Carta must stand ashamed before d'jocjocarta, but as a friendly compliance which princes are always accustomed to show one another to avoid dissatisfaction and to preserve peace and quiet, and that His Highness should therefore not take this so much to heart, especially since from this an opportunity has now arisen in which he obtains from the Company the most outstanding proof of its esteem and fatherly affection, also for his children: wherewith after greetings I remain underneath Your Honour's good friend was signed: I: Greeve in the margin Samarang the 6: September 1788. beneath it P: S: Your Honour may inform the Emperor of the contents of the declaration of the sultan attached hereto, and make known my confidence that His Highness will acquiesce in it. Copy Separate letter written by the Honourable Governor to the Emperor at soura Carta dated 6: September 1788. — With singular pleasure I have learned from the reports of the Chief Haatzinck with how much friendly compliance brother has been willing to accommodate himself, for my sake, to the desire of the Sultan for the revocation of the name of soerio MangCoeboemi, which had been given to one of the sons of the Pangerang Mang Coenogoro: I regard this as an act performed by brother solely from the principle of always avoiding everything that could in any way the 10:e September 1788. pag: 563: the 10:e September 1788:— be detrimental to peace and quiet, and I can assure your Highness that such is highly agreeable to the Company. — Furthermore, I learn that brother has now intended the name of soerio Prang wedono for him, with which I am also informed that the pangerang Mangcoenogarro is satisfied. Insofar as a proper explanation of the meaning of this name has been given to me here, I also do not find that any well-founded objection can be made against it. And thus I gladly give my consent that your Highness honors that pangerang with this name. — Hereto I add my cordial greetings to brother, along with our well-beloved son the Crown Prince and further to brother's other sons and daughters; wishing all salvation and prosperity until the end of days. 8 1723 underneath was written: written at Samarang the 6: September 1788. was signed: I: Greeve Copy Translation Javanese letter from the Pangerang Adipattij Mang Coenogoro at soura Carta to the Lord Governor, received the 7: September 1788. — After customary preamble. First, I continually persist in the love which your Right Honourable bears toward me, and at the same time I also remain most heartily obliged to the Company in the greatest measure, for if not

Dutch transcription

den 10:e September 1788. — Morto widjaijo, beneevens gevolg bestaande in twee man„ tries, en Een officier van de Ampas poeloes Comp:s meede met zijne gevolg aan uw Ed: gestr: over„ Rongo blijft nog althoos in het goede volharden, en soemo widjoijo is alhier nog niet gearriveerd, maer Eerst sijne vrouw te willen afhaalen, dog ik hebbe hem egter ontboden. — /:onderstond:/ geschre: op Dingsdag den 1: van het ligt Bedaar in het Jaar d'jimakier 1714. /lager /getranslateert door mij /:was geteekend:/ W: wardenaer. gesw: transl=t Antwoord van den Heere gouverneur aan den keijser ged:t Samarang den 4: Sept:r 1788. Dewijl uwe Hoogheid het bij ondersoek noodsakelijk heeft gevonden Brongto Coessaemo te doen opligten so sal ik hem nu ook als een gevaarlijk persoon, bij aankomst alhier, na Batavia versenden, om voor altoos van dese Cust verwijdert te worden; Ondertusschen ben ik seer begeerig te weeten, wat broeder ontdekt heeft de reedenen te sijn, waarom hij so schielijk van gedrag veranderd is, en of sulx ook op aanraading van iemand anders is geschied. voorts zal ik mij over sijne broeders Rongo en soemo widjoijo nader verklaren so dra ik omtrent hem de orders van H: H: Ed: van Batavia sal hebben ontvangen. Intusschen sende ik aan uwe Hoogheid hier neevens Een poot gesoute kaalkoppen en eenige oosters welke ik hoop dat na genoegen moogen zijn en iets moogen toebrengen tot broe„ „ders so seer gewenschte beeterschap en herstelling. Broeder neevens onsen wel beminde zoon den kroompains en pag: 561. en broeders overige zoons en Dogters worden voorts van mij veelvindigmaal vriendelijk gecomplimenteert. /:onderstond:/ geschr: te samarang den 4 september Ao 1788. /:was geteekent:/ I: Greeve Copia Aparte brief geschr: door den Heere Gouverneur aan den soura Cartasch eerste r resident HartLinck, ged:t den 6: septemb=r 1738. Bij deesen beantwoordende UE: Aparte van den 1: 5: en 8: husjus, betuijge ik mijne blijdschap over 'T keijsers toenee„ mende herstelling waer van ik verder een gewenscht vervolg blijve hoopen. Brongto Coessoemo hier in goede verseekering aange„ „bragte zijnde, sal ook zoodanig na Batavia vertrekken„ om voor althoos van deese Cust verwijdert te worden. Over zijne broeders Rongo Djoemeno en Soemo widjoijo sal ik mij nader verklaaren so dra ik het goedvinden van H: W: Ed: sal hebben vernoomen. Intusschen vertrouw ik dat hun gedrag soodanig sal zijn, als men van hun mag verwagten en dat men hun en hunne gangen intusschen a bij overandering van gedrag nauwkeurig sal gade slaan, om sig van hun te kunnen verseekeren; Bij de ingeslootene brief, voldoe ik aan 's keijsers verlan„ gen om mijne gedagten te weeten omtrent de naam van Foerio Maang wedono. En om de pangerang Mangcoe Nogorro door een bewijs, van distinctie weeder in een goede luijen te brengen, kan. uE: Sijne Hoogheid bij een Aparte visite van mijn ent„ weegen verseekeren dat zijn zoon deese naam niets slegts van de keijzer, maar ook van de Comp: erlangd. waer bij uE dien Prins dan leevens moet voorhouden dat de gedaane naams den 10:e September 1788. verandering „ verandering niet moet aangemerkt worden als een be„ wijs dat soura Carta voor d'jocjocartie beschaamd moet staan, maar als eene vriendelijke toegewenheid welke vorsten althoos gewoon zijn elkanderen te bewijsen ter vermijding van misnoegen en om de rust en vreede te bewaa„ den, en dat zijne Hoogheid sig dit dus niet so seer ter harte moet neemen, bijsonder wijl daer uijt thans eene geleegenheid is geboren waer in hij van de Comp:e het aller„ uijtsteekendsb bewijs van haere agting en vaderlijke toegeneegenheid, ook voor zijne kinderen, erlangd: waar meede na groete blijve /onderstond / uE: goede vriend/ was geteekend:/ I: Greeve /:in margine / Samarang den 6: 7ber: 1788. /daar onder/ P: S: van den inhoud der hier neevens ge„ voegde verklaring van den sulthan, kan UE: den keij„ ser informeeren en mijn vertrouwen te kennen geeven dat zijne Hoogheid daer in berusten zal. Copia Aparte brief geschr: door den Eere gou„ verneur aan den Keijser te soura Carta ged=t 6: september 1788. — Met sonderling genoegen heb ik uit de rapporten van het opperhoofd Haatzinck vernoomen met hoe veel vriendelijke toegeevenheid broeder zig, ten mijnen gevalle, wel heeft wil„ len schikken na het verlangen van den Sulthan der weder intrekking van de naam van soerio MangCoeboenie, welke aan eene der zoons van de Pangerang Mang Coenogoro was gegeeven: Ik beschouw dit als een daad door broeder alleenlijk verrigt uijt het beginsel om steeds alles te vermijden, wat eenigsints den 10:e September 1788. voor pag: 563: den 16:e September 1788:— voor de rust en vreede soude kunnen nadeelig sijn, en ik kan uwe Hoogheid verseekeren dat zulks de Compagnie ten hoogsten aangenaam is. — voorts verneem ik dat broeder tans de naam van soerio Prang wedono aan dien heeft toegedagt en waer meede mij ook berigt word dat de pangerang Mangcoe„ nogarro genoegen neemt. voor so verre mij hier een goede uijtlegging van de betekenie deser naam heeft kunnen geeven vinde ik ook niet dat daer op eenige gegronde bedenking vallen kan. . En dus geeve ik gaarne mijne toestemming dat uwe Hoogheid dien pangerang met deese naam vereerd. — Hier bij voege ik mijne hartelijke groete aan broeder„ neevens onsen welbeminde zoon den kroonprins en verdere aan broeders overige zoons en dogters; onder toewensching van alle heijl en welvaard tot in lengte 8 van daagen. 1723 /:onderstond:/ geschr: te Samarang den 6: septemb=r 1788. /:was geteekend:/ I: Greeve Copia Translaat Iavaansche brief van den Pangerang Adipattij Mang Coenogoro te soura Carta aan den Heere Gouverneur, ontvangen den 7: September 1788. — Na gewoone voorreeden. voor eerst blijve ik althoos volharden inde liefde die uwel Ed: gestr: mij toedraagd, en teffens blijve ik de Comp:e ook van harten op 't veelvuldigste verpligt, want indien niet

NL-HaNA_1.04.02_3816_0842 view scan ↗

English

had the Company not looked after me, who knows how things would have gone with me, for it is solely the Company that holds me dear, and therefore I shall also remember the Company until my death and not forget it; so that in the future my children and children's children may always be the Company's children, while the many emotions and feelings of my heart are indeed already known to Your Right Honorable Sir. Translated by me, signed: Yemje, Wm Wardenaar, sworn Translator. Copy of a letter from the First Resident of Soura Carta, Hartzinck, to the Governor, dated 25 August 1788. In reply to Your Right Honorable Sir's letter of the 23rd of this current month, I cannot fail to report further that the gold spectacles for Prince MangCoenagara have also been duly handed over to me. I immediately went to the Emperor thereupon and informed His Majesty of what occurred at the Sultan's Court, and at the same time imparted Your Right Honorable Sir's sentiments to him. Whereupon the Sovereign told me that it seemed very strange to him that the Sultan took offense at a name that was, after all, arbitrary, and that he as Emperor in his Lands could give whatever name he wished and to whomever he wanted; however, that he himself well understood that from such a trifle, knowing the Sultan's fickleness, disagreements could easily arise, for which reason he promised me that he would change it, asking me at the same time whether I was going to Prince MangCoenagara. I answered His Majesty yes, whereupon he ordered his sub-major to go with me to MangCoenagara, so that in case he should sometimes seek any evasions, he might make known to MangCoenagara, in his name, the will both of Your Right Honorable Sir and of himself. However, the commission went very well; arriving at the Prince's, I handed him the gold spectacles with the compliments of Your Right Honorable Sir, and subsequently came to the chapter of the name. But the Prince, without the slightest objection, answered in a friendly tone that it was well, and that he would request the Sovereign for another name for his son, but that he first wished to consider what kind of name he would gladly give his son. While for the rest I have the honor to be, with the highest esteem and respect, Title, below, Your Right Honorable Sir's very humble and obedient servant, signed: A: Hartzinck. In the margin: Soura Carta, 25 August 1788. Further letter from the aforementioned First Resident of Soura Carta, Hartzinck, dated 5 September Anno 1788. This morning I received a very friendly letter from Pangerang MangCoenogorro, wherein he requested me to give his grandson, who is named Soerio MangCoeboenie, another Name. I presented myself to the Emperor, who gave him the Name of Ario Rondro Coessoemo, which I let the Prince know, presenting him at the same time with a case of gin. I received a second letter wherein he informed me that he did not wish to accept that Name, but requested of me the Name Notto Coessoemo. I had this reported directly this morning to the Sovereign, who sent me the answer that he requested that I should petition Your Right Honorable Sir for that name, and if Your Right Honorable Sir would please to give it to him, His Majesty requested to receive a short letter about it from Your Right Honorable Sir. At the same time also communicating that Radeen Soemowidsoijo has arrived here, and that he would gladly stay with his brothers present here, Radeen Rongo and Djoemeno, to enjoy together with them the benefit of Your Right Honorable Sir's promise in due time. While for the rest I have the honor to call myself, with all high esteem and respect, Title, lower, Your Right Honorable Sir's very humble and obedient servant, signed: A: Hartzinck. In the margin stood: Soura Carta, 5 September 1783. Underneath: P.S. In the accompanying translation of Pangerang MangCoenagara, Your Right Honorable Sir will find the name of Pangerang Soerio Prang wedono; just at this moment the sub-major comes to inform me in the Emperor's name that the Emperor had assigned the name of Soerio Prangwedono to Pangerang Mangcoeboenie; therefore I am soliciting Your Right Honorable Sir for that name for that Pangerang. Copy Translation of a Javanese letter written by Pangerang Adipattij Amang Coenagara to the First Resident of Soura Carta, Hartzinck. On Thursday evening at half past five, the sub-major, Pandji Angoen Angoen, was sent to me to communicate the Emperor's orders to me, reading that the Emperor did not wish to permit the Name Notto Coessoemo; whereby I, Pangerang Adipattij Amangsoenogorro, having learned this, was very affected and almost brought to tears. Solo must stand ashamed before Djoejocarta, and yet I must follow the orders of the Emperor; but as long as I can sleep peacefully and sit peacefully, even if they call him Pangerang Soerio Prang wedono. Sossro widjoijo on kitiri comes in the place of Tjocro dipoero, and the Emperor's son Samat would then come on ketiri, or it would be good if the whole land would give ketiri to Soerio Daroeno. Further Translation of the above-mentioned letter. On Thursday afternoon at half past five, Pandjie Angoen Angoen came with the Emperor's order that the name of Pangerang Notto Coessoemo was not permitted to be celebrated.

Dutch transcription

niet na de Comp:e gesien wierd, die weet hoe of het dan met mij soude gaan, want eeniglijk is het de Comp:e die mij lieff heeft, en daar om sal ik ook tot i mijn dood aan de Comp:e gedenken en deselve niet vergeeten; op dat in het vervolg steeds mijne kinde„ ven en kindskinderen 'sComp=s kinderen moogen sijn terwijl de veele aandoeningen en 't gevoel mijn harten bij uwel Ed: gestr: immers reeds bekend zijn /:onderstont :/ getranslateert door mij /:was geteekend:/ Yemje W=m Wardenaar geswore Translateur. — Copia brief van den Soura Cartas Eerste resident Hartzinck, aan den Heere Gouverneur ged=t den 25: Aug=s 1788. — Jn antwoord treedende op uwel Ed: gestr: g=t Achtb: het„ „tre van den 23: deeser loopende maand, so kan al verder niet manqueeren te melden als dat de goude Bril voor den Prins MangCoenagara mij meede wel overhan„ digt is, Jk ben daer op direct bij den keijser gegaan en sijn Majesteijt van 't voorgevallene aan 't sulthans Hoff kennisse gegeeven en hem teffens uwel Ed: gestr: g=t Achtb: gevoele bedeeld so sij de vorst mij dat 't hem seer vreemd te vooren kwam dat den sulthan over een naam viel die immers willekeurig was, en dat hij als keijser in sijn Landen naar kost geeven wat voor een en aan wien hij zilde, Egter dat hij selfs wel begreep dat uijt so een bagatel en de wispelturigheid vanden sulthan kennende, daar ligtelijk oneenigheeden uit kosten voor te groeijen waar om hij mij sig deselve te sullen veranderen den 10:e September 1788. mij pag: 565. mij teffens vragende of ik niet bij den prins MangCoena„ gara ging antwoord ik sijn Majesteijt van Ja waar„ op hij sijn ondermajoor gelaste met mij naar Mang„ Coenagara te gaan ten eijnde bij aldien hij somtijds eenige uijtweegen sogt hem MangCoenagara uijt sijne naam de wel so van uwel Ed: gestr: g=t Achtb: als van hem bekent te maaken, egter de Commissie ging seer wel, bij den prins koomende overhandigde ik hem de goude Boel met 't Compliment van Uwel Ed: gestr: g=t Achtb: en kwam vervolgens op 't schapiter van den naam, maar de prins sonder de minste teegenwerping antwoorde op een vrien„ „delijke toon, tom, dat 't wel was; en dat hij bij de vorst om een andere naam voor sijn zoon soude versoeken, maer dat hij eerst opikere wilde wat ovoor een naam hij sijn soon gaarne soude geeven; Terwijl overigens de eer hebbe, met de meeste hoog agting en respect te zijn /:onderstond:/ Titul /lager/ uw Ed: gestr: groot Achtb=s zeer needrigste en gehoorsame dienaer /:was ge„ teekent:/ A: Hartzinck /:in margine:/ Soura Carta den 25: Aug=s 1788. — Nadere brief van evengemelde soura Cartas Eerste resident Hartzinck gedateert 5: september A:o 1788. — Heeden morgen ontfang ik een zeer vriendelijke lettoe van den Pangerang MangCoenogorro waar bij hij mij versogt, sijn kleijn zoon die genaamd is soerio Mang„ Coeboenie een andere Naam te geeven, vervoegde ik mij bij den keijser die hem de Naam gaf van Ario Rondro den 10:e September 1788. — Coessoems, Coessoemo, 't welk ik aan de Prins liet weeten, hem teffens; kelder genever present doende, kreig ik een tweede brief waar in hij mij bedeelde die Naam niet, de willen accepteeren; maar mij versogt om de Naam Notto Coessoemo zo liet heeden morgen sulks direct aan den vorst rapporteeren, die mij antwoorden lief. dat hij versogt, ik uwel Ed:e gestr: groot Achtb: om die naam zoude versoeken als wanneer uwel Ed: gestr: g=t Achtb: hem die geliefde te geeven versogt zijn Majesteijt een kleijn lettertje daar over van uwel Ed: gestr: groot Achtb: te mogen ontfangen, teffens nog bedeelende als dat den Radeen soemo wid soijo alhier aangekoomen is, en deselve gaarne bij zijn hier zijnde broederse Radeen Rongo en Djoemem, wilde blijven om met haer te saamen 't genot van uwel Ed: gestr: groot Achtb: belofte in der tijd te genieten; terwijl overigens de Eere hebbe met alle hoog agting en respect mij te noemen /onderstont :/ Tituel / Lager/ uwel Ed: gestr: groot Achtb: seer nedrige en gehoorsaame dienaar (:was geteekent:/. A: Haatzinck /:in margine stond/ soura„ Carta den 5: september 1783. /:daer onder / P: S: In neevens gaande translaat van den Pangerang MangCoenagara sal uwel Ed: gestr: Achtb: den naam van pangerang soerio Prang wedono vinden, so op 't moment komt den onder„ majoor mij uijt 's keijsers naam bekent maaken dat de keijser aan den Pangerang Mangcoeboenne den naam van soerio Prangwedono had toegedragt dier„ „halven ik uwel Ed: gestr: Achtb: om die naam voor dien pangerang ben besolliciteerende. den 10:e September 1788. — Copia pag: 56 Copia Translaat Iav: brief geschr: door den pangerang Adipattij Amang Coena„ „gara aan den soura Cartas eerste resident Hartzinck Op donderdag 's avonds ten half ses uuren is den onder„ majoor, Pantji Angoen Angoen bij mij gezonden, om mij 's keijsers beveelen te Communiceeren, luijdende dat den keijser den Naam Notto Coessoemo niet wilde permitteeren, waar door ik Pangerang Adipattij Amang„ „soenogorro dit vernomen hebbende zeer aangedaan en bij na tot heulen overgehaeld wierd. Polo moet beschaamd staan voor DjoeJocarta, en ik moet dog, de ordres van den keijser opvolgen, maar, als ik maar gerust slaapen en gerust sitten kan, maski noemen zij hem dan Pangerang Soerio Prang wedono. Sossao widjoijo op kitiri, komt in de plaats van Tjocro dipoero en 's keijsers zoon Samat, zoude dan op ƒ ketiri koomen of het zoude goet zijn, als 't heele land, ketiri aan Soerio Daroeno geeven. Nadere Translaat van boven gem: brief Op Donderdag agtmiddag ten half ses uuren is Pandjie Augoen Angoen gekoomen met 's keijsers ordre, dat den naam van Pangerang Notto Coessoemo niet mogte gevierd den 10:e September 1788. — worden

NL-HaNA_1.04.02_3816_0846 view scan ↗

English

Hearing this, Pangerang Adipattij Mangkoe Nogorro was very moved at heart, yes, to the extent that, if he were able, he would have wept, because he truly serves the prince and the Surakarta land must stand ashamed before the Mataram. However, the prince's orders must be observed, since I truly remain under his protection, and I sincerely follow the orders of the prince, provided that I can only sit and sleep in peace. If it were however thought fit to give him the name of Pangerang Soerio Prang Wedono, as also that Sossrowidjoijo of Kadirie takes the place of Tjocrodipro, and the prince's son named Samat replaces him, Sossrowidjoijo, in Kadirie; or else it would also be good if the entire land of Kadirie were ceded to the prince's son Sakantook Soerjo Troeno. Below stood: translated by me. Was signed: Wm Wardenaer, sworn translator. Copy translation of a Javanese memorandum containing some grievances of the Pangerang Adipattij Mangkoenogoro at Surakarta. First: he was separated from his wife, who was detained in the Mataram, with the promise that she would return again, but this did not happen; and also with the promise not to be able to marry again, and yet Rathoe Bendhoro married, but Pangerang Adipattij did not. After this, the husband of Rathoe Bendhoro died, but she was nevertheless not allowed to return home, whereupon Pangerang Adipattij conducted himself according to the order not to speak of Rathoe Bendhoro anymore, but to consider her as dead and no longer existing, which has been complied with. The secondary wife of Pangerang Adipattij ran away and arrived in the Mataram, and is not allowed to return home; but a woman, being the daughter of Prowirodirdjo at Djipang, having fled with Radeen Soeperdjo from the Mataram and having come to Pangerang Adipattij, was surrendered upon demand made by the Mataram, but many of Pangerang Adipattij's people who subsequently came to the Mataram were not allowed to return home again, and those who did come back returned of their own will, yet many of them died in the Mataram. Radeen Maas Sadat, having already grown up, bore the name of Pangerang Soerjo Mataram, but the son of the Emperor, Radeen Maas Kleppon, having thereafter assumed the name of Pangerang Rio Mataram, Pangerang Soerjo Mataram received another name, of Pangerang Mangkoeboemi, about which, according to the Emperor, consultations had been held with the Company at Surakarta and agreement reached; but not even half a year having elapsed, the name of Mangkoeboemi was revoked again and exchanged for that of Pangerang Soerjo Prang Wedono. And for which reason Pangerang Adipattij now, according to promise and permission obtained, interferes with nothing whatsoever of the Emperor's or country's affairs anymore, but only the Company shall Pangerang Adipattij not forget and will ever remember the same until his death. Below stood: translated by me. Was signed: W. Wardenaer, sworn translator. Copy of a separate letter from the Lord Governor to the aforementioned Pangerang Adipattij Mangkoenagara at Surakarta, dated 9 September 1788. With pleasure I see from Your Highness's letter on what good grounds Your Highness grounds yourself more and more in full confidence in the Company, of whose cordial affection Your Highness and his children have already enjoyed so many convincing proofs. Your Highness is certainly on the right path in this. Never has the Company wavered in its loyalty and promises. And one can never be more at ease than to rely wholly and entirely on the Company's help and protection. All those interests of Your Highness are thus in the same hand from which Your Highness has until now received so many benefits. Your Highness is thus relieved of all worry for the future, while among sensible people it is established that one must never speak again of matters that are past and settled. Herewith, the strict adherence to the Company's desires and wishes will always be the unwavering guarantee for the future happiness of Your Highness and his children, for the Company shall now and at all times behave as a father towards them. And what father does not wish for the well-being of his children? It has furthermore pleased me exceedingly that Your Highness, with so many tokens of willing obedience, has conformed to the pleasure of the Company and of the Emperor, and that the name of Mangkoeboemi, which Your Highness's son previously bore, for the sake of peace and quiet has been changed into that of Soerio Prang Wedono. And to give Your Highness now again a new proof of how much the Company loves Your Highness and his children, I have ordered the Commander Hartsinck to assure Your Highness that this name is given to Your Highness's son not only by the Emperor, but by the Company, which public proof of special esteem and affection I trust will serve to Your Highness's great satisfaction. As a token of my special friendship, I accompany my cordial greetings with: 1 case of gin, 1 small cask of herring, and 12 bottles of the best liqueurs, of which I wish Your Highness an enjoyable use. Below stood: Written at Samarang, the 9th of September 1788. Was signed: Jan Greeve. The 10th of September 1788.

Dutch transcription

worden; Dit hoorende is pangerang Adipattij Maing Coe Nogorro van harten seer aangedaan geworden, Ja. tot so verre dat hij /:sulks kunnende :/ wel had willen huijlen door dien hij weesentlijk den vorst oppast en het soura Cartasche land beschaamd moet staan voor de Mattarm. Dog Egter moet kvorsten ordres geobserveerd, alsoo ik weesentlijk onder des„ selfs bescherming verblijve, en ik opregt de ordres des vorst navolge, mits ik maar eeniglijk gerust sitten en slapen kan: Als het egter wierd goed„ gevonden hem den naam van Pangerang Soerio mrang Wedono te geeven, gelijk ook, dat sossro wid Joijo van Kadixie in de plaats van Tjocro die Perro komt, en 's vorsten zoon genaamt Samat, hem sossro widjoijo op kadirie vervangt; off anders soude het ook goed sijn als het geheele land kadirie aan svorsten zoon sakantook soerjo Troeno wierd afgestaan /:onderstond:/ getranslateert door mij /:was geteekend :/ W=m Wardenaer gesw: tr=a - Copia Translaat Jav: Memorie, behelsende eenige beswaren van den. Pangerang Adipattij Mangfoenogoro te soura Carta. Voor eerst: heeft men hem van sijne vrouw gesepareerde„ dewelke in de Mattarem is opgehouden, met belofte, dat deselve wader terug soude koomen, dog sulks is niet geschied; en den 10:e september 1788. ook „ pag: 569 den 10:e September 1788. ook met belofte van niet weder te kunnen trouwen, en egter is Rathoe Bendhooo getrouwt, maar Pangerang. Adipattij niet. - Hier na is de man van Rathoe Ben„ dhoro gestorven, maar sij is egter niet thuijswaards moogen keeren, waarop Pangerang Adipattijsig vol„ gens de ordre gedraagen heefd, om niet meer van Rathoe Bendhovo te spreeken, maar om deselve te houden als voor dood en niet meer en weesen, en het welk opgevolgd is; Het bij wijff van Pangerang Adipattijes weg geloopen en in de Mattarm gekoomen, en mag niet weder thuijs waerds keeren: dog een vrouw /:sijnde de dogter van Pro„ wiro dirdjo te djipang:/ met radeen soeperdjo van de Mattarm gevlugt, en bij Pangerang Adipattij gekoomen zijnde, is opgedane opeijsching van de Mattarm opge„ „leeverd, maar veele van Spangerangs Adipattijs volk dat vervolgens in de Mattarm kwam sijn niet weder huijs„ waards moogen keeren, en de geene die weder sijn gekoomen zijn volgens him eijgen wille terug gekeerd, egter zijn er veele van hun in de Mattarin gestorven Radeen Maas sadat, reeds groot geworden zijnde, voerde de naam van pangerang soerjo Mattarm, dog de soon des keijsers Radeen Maas kleppon, daar na den naam aange„ noomen hebbende van Pangerang Rio Mattarm, heeft den Pangerang soerjo Mattarm een andere naam gekreegen, van pangerang Mangfoeboenie, waar omtrent volgens seggen des keijsers met de Comp=e te soura Carta was beraad„ slaagt, en over eengekoomen, dog wnog geen halff Iaar verloopen zijnde, is den naam van Mang Coeboenie weder ingetrokken, en verwisseld teegens die van pangerang soerjo Trang 1: dond, en en waaromme tans den Pangerang Adipattij volgens belofte en bekomene permissie sig met niets hoegenaamd van 's Keijsers of lands saken meer bemoeijt, maar alleenelijk de Comp: sal Pangerang Adipattij niet vergee„ „ten en aan deselve tot zijn dood steeds gedenken /:onder„ stond :/ getranslateert door mij /:was get:/ V: Wardenaer gesw: H:r Copia Aparte brief van den Heere Gouver„ „neur aangem: Pang: Adipattij Mang„ soenagara te soura C: ged=t 9: 7ber: 1788. — Met genoegen zie ik uijt uw Hoogheids brief op welke goede gronden uw Hoogheid sig meer en meer verstrekt in het vol„ „komen vertrouwen op de Comp:e van wienshartelijke geneegen„ „heid uw Hoogheid en zijne kinderen bereeds soveele overtuij„ „gende blijken genoten heeft. — uwe Hoogheid bevind zig hier in sekerlijk op den regte weg. Nimmer heeft de Comp:e in haere trouw en beloften gewan„ „keld. En men kan nimmer geruster sijn, dan zig geheel en al op Comp=s hulp en bescherming te verlaten. — Alle die belangens van uwe Hoogheid sijn dus in die selfde hand van welke uwe Hoogheid tot hier toe so veel weldaaden sijn toegekoomen uwe Hoogheid is dus ontheeven van alle sorg voor 't toekoomende, terwijl 't onder verstandige leeden vast staat dat men nimmer weeder moet spreeken van zaaken die gepasseerd en afgehandelt sijn Hier bij sal de stipte agtervolging van 's Compagnies verlangen en be„ geerte althoos de onwankelbaare waer borg zijn, voor 't toekomend geluk van Uw Hoogheid en zijne kinderen, want de Comp:e sal nu en een allen tijde sig als vader den 10:e Septemb=r 1788. over pag: 571 over deselve gedraagen En welk vader wenscht met het wel sijn zijner kinderen. Het heeft mij voorts ook ongemeen bevallen dat uwe Hoogheid sig met so veel blijken eener gewillige gehoor„ saamheid, heeft geschikt na het welbehagen van de Comp:e en van den keijser en dat de naam van Mang„ Coeboenie welke uwe Hoogheids zoon voorheen voerde„ om rust en voedes wille, is verandert in die van soerio Prang Wedono: En om uwe Hoogheid tans weder een nieuw bewijs te geeven hoe seer de Comp:e uw Hoogheid en zijne kinderen bemind, so heb ik het opperhoofd Hart„ Zinck gelast uwe Hoogheid te verseekeren, dat deese naam niet slegts door de keijser, maar door de Comp:e aan uwe Hoogheids zoongegeeven word, welke openbaar bewijs van bijsondere agting en geneegenheid, ik vertrouwe dat uwe Hoogheid tot veel genoegen sal verstrekken. — Tot een tekenmijner bijsondere vriendschap, laat ik mijne hartelijke groete verseld gaan, van 1: kelder genever, 1: vatje Haring, en 12: flessen beste liqueren, waar van ik uwe Hoogheid een genoeglijk gebruijk toewensche. — /:onderstond:/ Geschr: te Samarang den 9: septem„ ber 1788. /:was geteekent/ Ian Greeve. — den 10. e Septemb=r 1788. —

NL-HaNA_1.04.02_3816_0850 view scan ↗

English

To His High Excellency, The Highly Noble, Stern, and Right Honourable Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General, and The Noble and Stern Lords Councillors of the Dutch Indies. Highly Noble, Stern, and Right Honourable Lord, and Noble and Stern Lords; On the 17th of this month, I had the honour of receiving Your High Excellencies' most respected dispatch of the 8th preceding, to which I hereby respectfully reply, after referring to my latest of the 10th instant, in which I dutifully reported to Your High Excellencies what the consequences were of the sultan's conduct, as described in my previous of the 3rd of this month and its enclosures. In my aforementioned latest letter of the 10th of this month, I also indicated that I was indeed not inclined to believe that the sultan thereby specifically had in mind to test the possibility of making himself the sole monarch of Java. Yet, as I have just as little certainty as to what the true objective of that strange enterprise may have been apart from this—whether it was merely aimed against the Pangerang Mang Coenogoro, in order to satisfy his bitter hatred against that Prince once more in his old age, or whether they wished to venture to see what confusion a surprising blow in Surakarta might bring about, in order to benefit from it as much as possible in one respect or another—the cited case in and of itself gives sufficient grounds to fear that the sultan, under the chosen frivolous pretext, has kept hidden intentions, to thwart which one cannot act quickly enough. This being subsequently applied in particular to the established succession to the throne of the realm of Surakarta, I fully acknowledge that at present, during the lifetime of the emperor, there would be a much better opportunity to thwart the designs which might be fostered to the detriment of that succession, either at the Yogyakarta Court or by the Pangerang Mang Coenogoro, than after the death of the susuhunan. And in consequence thereof, I also believe that it would certainly serve considerably toward the preservation of peace on Java and the well-being of the Company if the emperor were to resign the realm to his son, the crown prince, during his lifetime. Against this, however, a difficulty arises, and one, as I think, of such weight that perhaps, despite this precaution, the peace of Java might nevertheless not be preserved. This difficulty I considered it most highly necessary to bring to Your High Excellencies' respected notice, before making use of the authorization which Your High Excellencies were pleased to grant me in this matter. To this end, may it please Your High Excellencies to recall from my respectful letter of the 29th of August past: that the sultan, according to the description given therein, is of a still very strong physical constitution for his advanced years. That he is nevertheless already bowed under the burden of years, and that this makes itself very visibly noticeable in his continual musings and lack of memory, except for such matters as concern pomp and ceremonial, which clearly indicates that the passion to rule still inspires him to the highest degree, however weak his faculties may otherwise be. Of the Yogyakarta crown prince, I said that his years are already quite far advanced, at least to forty, and one may with reason based on experience establish as certain: that he longs not a little for the period that will place the scepter of the realm into his hands, and indeed that he might perhaps indulge and allow this desire quite considerably, as his father declines so much in mental faculties without this being simultaneously accompanied by a physical weakening that might foretell a near end; for it is well known that filial reverence among the Javanese is generally of little force and significance, and thus would be far too weak here if the royal authority ceased to be powerful enough to prevent a hasty accession to the throne. If now, in this state of affairs, the emperor resigns the Surakarta realm to his son the crown prince, presently about twenty-three years old, I then fear that this will make a very singular impression on the crown prince of Yogyakarta. At least it would not seem strange to me if he took the view that, being so much older than the crown prince of Surakarta, and his father

Dutch transcription

Aan zijn Hoog Edelheid. Den Hoog Edel Gestrenge, Groot Achtbaere Heere M=r Willem Arnold Alting. Gouverneur Generaal, en De wel Edele Gestrenge Heeren Raeden van Nederlandsch Jndie. Hoog Edel, Gestrenge, Groot Achtbaere Heere en Wel Edele Gestrenge Heeren; Op den 17: deeser maand heb ik de eer gehad te ont„ vangen uwer Hoog Edelheeden seer gerespecteerde Mis„ sive van den 8: bevoorens op welke ik bij deesen Eer„ bied antwoorde, na mij voor af gerefereert te hebben aan mijne Iongste van den 10:e hujus, waar bij ik uwe Hoog Edelheeden schuldpligtig verslag heb gedaan welke de gevolgen waren geweest van het gedrag van den sulthan, bij mijne anterieure van den 3: deeser maand en dies bijlagen, beschreeven Bij voorgemelde mijne laetste van den 10:e deeser heb ik tevens te kennen gegeeven hoe ik wel niet in„ „clineerde te geloven dat de sulthan daar meede bepaaldelijk Batavia. op - pag: 573. op het oog had gehad de mogelijkheid te bevroeven, om sig tot de eenige vorst van Iava te maken. Dan daar ik ook even wijnig sekerheid hebbe wat eigentlijk buijten des het ware doel wit van dat vreemd bestaan mag zijn geweest, het zij dat het sig slegts bepaald heeft tegen den Pangerang MangCoenogors, om aan zijn bettere haat tegen dien Prins nog eens op zijn oude dag te vol„ „doen, dan wel dat men heeft willen onderstaan, wat de Confusie bij een surpraenante Coup, in het soura„ Cartasche al soude kunnen uitwerken, om dan daar meede, best mogelijk in het een of ander opsigt, voordeel te doen, so geeft het geliteerd geval, aan en voorsig selve gronds genoeg om bedugt te mogen zijn, dat de sulthan; onder het gecapteert frivool praetexs, oogmerken heeft verborgen gehouden, om welke te veriedelen men niet spoedig genoeg kan werksaam weesen. Dit vervolgens nu in het bijsonder applicabel gemaakt op de vastgestelde Troons successie van het Rijk sou„ racarta, erkenne ik in den volkomenste sin, dat 'er tans, bij het leeven van den keijser, veel beter gelegenheid soude zijn om de oogmerken, welke ten nadeele dier successie, het zij aan het Djoejose Hof, het zij door den d 6p Pangerang Mang Coenogoro mogten worden gefoveert, te den 20:e September 1788. — verijedelen, verijedelen, dan na het overleeden, van den soesoehoenang. — En in Consiquentie van dien, geloove ik ook dat het sekker markelijk soude strekken, tot Conservatie van de rust van Iava en ten welweesen van de Comp:e, indien de keijser nog bij sijn Leeven het Rijk aan sijn zoon den kroonprins resigneerde. Daar tegen doed sig egter eene swarigheid op en, so ik meeke, wel van dat gewigt, dat misschien, ondanks deese voorsorge, de rust van Iava egter niet soude kun„ nen geconserveert worden. — Deese swarigheid heb ik ten hoogsten noodsakelijk geagt uwe Hoog Edelheeden ter g'eerde kennis te brengen, alvorens gebruik te maken van de qualificatie, welke uwe Hoog Edelheeden, mij, ten deesen serjette, hebben gelieven te verleenen Hier toe behage het uwe Hoog Edelheeden sig, uit mijne eerbiedige van den 29: Aug=s passato, te erinneren: dat den sulthan, volgens de aldaar gedaene beschrijving, voor zijne hooge Iaeren, van eene nog seer sterke Lichaams gesteldheid is. — Dat Hij egter reeds gebukt gaat onder den Last der Jaren en dat dit sig seer sigtbaar laat be„ merken aan zijne gedurige mijmeringen en gebrek aan geheugen uitgesondert sulke zaken, die de pracht en het Ceremonieele betreffen, het welk sunst te kennen den 20:e September 1788. — geeft, pag: 575 den 20:e September 1788. — geeft, dat de sugt tot regeering hem nog tot in den hoogsten graad bezield, hoe swak zijne vermogens andersints ook sijn; Van de Djoe joeartasche kroonprins zeide ik dat zijne Jaeren al vrij verre gevorderd, zijn, ten minsten tot veertig, en men met reedenen in de ondervinding gevestigd, mag seker stellen: dat sij niet wijnig verlangd na het tijd „ship, dat hem de Rijks-staf sal doen in handen krijgen, Ja selvs dat hij misschien deese begeerte al vrij wat sal toe„ geeven en veroirloven, als zijn vader so seer in ziels- ver„ J„ „mogens afneamd, sonder dat dit tevens gepaard gaat met eene Lichaams verswakking, die een kort na bij zijnde einde kan voorspellen want het is bekend dat de kinderlijke eerbied bij den Javaenen in het algemeen van weijning kragt en betekenis is, en dus hier veel te swak soude zijn, als het vorstelijk ontsag ophield kragtig genoeg te weesen om een overhaeste Rroons beklimming te beletten. Zo nu in deese staat van zaken, de keijser het soura Carta„ „sche Rijck resigneert aan zijn zoon den kroonprins, tegen„ „woordig omtrent drie en twintig Jaren oud, dan vreesen ik dat dit op de kroonprins van Djoe Jocarta een seer bijsondere inquissie sal maken. ten minsten soude het mij niet vreemd dunken, als hij in het begrep viel dat hij als so veel meerder Jaren hebbende dan de kroon prins van soura Carta, en zijn vader

NL-HaNA_1.04.02_3816_0854 view scan ↗

English

father the sultan being so much older than the emperor, could and might for those reasons, with no less foundation, desire that the governance of the Djoe Jacarta Empire also be transferred to him in the same manner as would then have happened with respect to the Soura Carta Empire. However, I believe there is nothing to which the sultan could be more difficult to bring than to satisfy his son in this matter, of which one of the reasons could well be that the very example of the emperor caused him to hold to the contrary so as always to remain distinctive. And although that monarch, as I once heard previously, would have wished to proceed to such a resignation some time ago, I nevertheless may and can assure on sufficient grounds that in the substantive oral conversation which I recently had with His Highness, I perceived all signs of the contrary to the highest degree. On that footing, one would then have to expect that the crown prince of Djoe jocarta would very soon no longer keep himself within the bounds of that reverence and obedience which he owes to the sultan as his monarch and Lord, and that this would therefore happen very early now, the 20th of September 1788. that which one may indeed fear will happen in time, when the sultan, through advanced old age, becomes further deprived of the capacity to govern without making the Throne vacant through death, namely that his son the crown prince would seek directly to be placed in the immediate possession of the same. And I certainly need not expatiate to demonstrate the harm that would result especially in the first case from an immediate discontent of such a Prince that is certain to follow upon that refusal, not to mention that the Pangerang Mang Coenogoro would likewise not let that opportunity slip to take a chance at obtaining the Djoe Jocarta crown, which he has always claimed and consistently continues to maintain belongs much sooner to him than to the sultan. This brief exposition, I may trust, will be sufficient to demonstrate that, however much it would truly be a useful and beneficial matter for the tranquility of Java and the Company's welfare to have the Empire of the emperor transfer to his son, the crown prince, during his lifetime, and that one would thereby likely avert many detrimental occurrences which, from the contrary, the 20th of September 1788. could very easily arise in time; this expedient might however also have consequences which, from another side, could be just as harmful as those which one seeks to prevent or avoid, so that it only seems to come down to determining when the Company's power is best sufficient to ward off those detrimental consequences which one foresees could arise on both sides, somewhat earlier or somewhat later, to the prejudice of the tranquility and the Company's interest; This now being the difficulty which has restrained me from proceeding to the work of the resignation without Your High Honours' further order, I therefore take the liberty to bring the same herewith beforehand very respectfully under the eyes of Your High Honours, with the request to furnish me with Your High Honours' further orders. While I continue to look forward to receiving these as soon as possible, I have formed the view, together with the Captains of the Country's frigates of war the Valck and the Scipio, which appeared here in the roads on the 17th and 18th of this month, and especially with Mr. Keuvel, that it may be useful for their Honours—while I await the further commands of Your The 20th of September 1788. High Honours and their ships are somewhat prepared here for the homeward voyage to be undertaken before long—in the meantime to pay a personal visit to both monarchs (the emperor being somewhat better again and the sultan also already free of fever, although still weak), in order to inspire some awe through the unusualness of the matter and the clear evidence that one is not as powerless as has long been rather generally believed at the courts, to which end I have sent off beforehand such letters to the monarchs, and also to the first Residents, of which I have the honour to present the copies herewith to Your High Honours, while I hope that this will meet with Your High Honours' approval. In the meantime, I express my gratitude to Your High Honours both for the esteemed approval of my proceedings and for the prompt assistance through the arrival here of the aforesaid Country's Frigates and the sending of 50 soldiers in addition to the 150 already promised to this government by letter of the 29th of July, item 15 to 20 Artillerymen under an officer, and 20,000 lb of Gunpowder, with which quantity, when received together with the aforesaid Soldiers and Artillerymen, things will be well managed here for the present. the 20th of September 1788. further

Dutch transcription

vader den sulthan soo veel ouder zijnde dan de keijser, om, die reedenen met geen minder grond soude kunnen en mogen begeeren, dat ook aan hem inselver voegen: de regeering van het Djoe Jacartasche Rijck werde overge„ geeven, als dan ten opsigte van het soura Cartasche soude weesen geschied. Tot niets geloove ik egter dat de sulthan moeijelijker te brengen soude zijn dan om hier in zijn zoon genoegen te geeven, en waar van wel eene der reedenen soude kunnen weesen, dat zuist het voorbeeld van de keijser hem sig aan het Contrarie deed houden om steeds bijsonder te blijven En schoon dien vorst gelijk ik wel eer eens vernomen hebbe, voor einige tijd tot sulk eene resignatie soude hebben willen overgaan, so mag en kan ik egter op toerijkende gronden versekeren dat ik in het sakelijk mond gesprek„ het welk ik nu Jongst met zijne Hoogheid hebbe gehad, alle teekenen van het Contrarie, tot in den hoogsten graad, heb bespeurd. Op dien voet soude men den te wagten hebben dat den kroonprins van Djoe jocarta sig al ras niet meer soude beperken binnen de palen van dat ontsag en gehoorsaam„ heid welke hij aan de sulthan, als zijn vorst en Heer schuldig is, en dat dus nu al seer vroeg gebeuren soude den 20:e September 1788. — het pag: 572/5. het geene dat men wel mag bedugt zijn in der tijd te sullen geschieden, als de sulthan door hoger ouderdom alverder van het regerings vermogen verstoken ge„ raakt, sonder door den dood de Rhroon vacant te ma„ „ken, namelijk dat zijn zoon de kroon prins soude trag„ ten direct in het dadelijk besit van deselve gesteld te worden. En ik behoeve seker niet verre uitte„ weijden om het schadelijke aan tetonen dat 'er bij uijt„ „nemenheid in het eerste geval uit eene op die wijgering vast te volgene dadelijke misnoegdheid van sulk een Prins. soude resulteren. —. ongerekend dat de Pangerang Mang„ Coenogoro sig die gelegenheid meede niet soude laten ont„ slippen, om een kans te wagen, ter verkrijging van de Djoe Jocartasche kroon, welke hij steeds heeft voorgegeeven, en bestendig blijft beweeren dat veel eerder hem, als den sulthan toekomt. Dit kort betoog, mag ik vertrouwen, sal genoegsaam zijn om aanteloonen, dat hoe seer het waarlijk eene mit„ „tige en heilsame zaak voor de rust van Java en Comp=es wel: zijn soude weesen, het Rijk van de keijser nog bij zijn leeven, op zijn zoon, den kroonprins te doen overgaan, en dat men daar door waarschijnelijk soude eviteren veele nadeelige gebeurtenissen, welke uit het Contrarie den 20:e September 1788. — in der in der tijd al seer ligt sullen kunnen ontstaan; dit expedient egter ook gevolgen soude kunnen hebben, welke, van een ander kant, even so schadelijk souden kun„ „nen zijn, als die welke men tragt voor te komen of te ontneijken, so dat het 'er eenlijk schijnt op aan te komen om te bepalen, wanneer Comp:s vermogen het best toerijkende is, ter afweering van die nadeelige gevolgen, welke men voorsiet dat aan beide kanten wat vroeger of wat laten, sullen kunnen exteren, en projuditie van de rust en Comp=s belang; Dit nu de swarigheid zijnde, welke mij heeft weeder houden, sonder uwer Hoog Edelh:s nadere order, tot 't werk der resignatie over tegaan, so neem ik de vrijheid deselve hier meede alvorens seer reverentelijk te brengen onder 't oog van uwe Hoog Edelheeden, met versoek mij te min„ nieren met Hoogst Derselver nadere orders. Terwijl ik deese so spoedig mogelijk, blijve te gemoed zien, heb ik met de Heeren Capitains van 's Lands freguatten van oorlog de valck en de scipio, welke den 17: en 18: deser alhier ter rheede zijn verscheenen, en wel insonderheid net de Heer Keuvel, het begrip geformeert dat het zijne nuttigheid kan hebben, dat hun Ed:, terwijl ik de nadere beveelen van rawe Den 20:e Septemb:r 1788. — Hoog pag: 579: Hoog Edelheeden afwagte en hunne scheepen alhier tot de eerlang te onderneemen thuijs=reijse enigsints worden geprepareert: intusschen de beide vorsten /:als zijnde de keijzer weder einigsints beter en de sulthan ook reeds koorts ovrij, hoewel nog swak:/ in persoon een besoek geeven, om door de ongewoonheid der zaak en de blijkbaarheid dat men niet so magteloos is als aande hoven sedert lang vrij algemeen geloofd, word, enig ontsag te inspireeren, ten welken einde ik voor af aan de vorsten, en ook aan de eersten Residenten sodanige brieven heb laten afgaan, als waar van ik de eer hebbe de Copijen uwe Hoog Edelheeden hier neevens aantebieden, terwijl ik hoop dat sulks de goed keuring uwer Hoog Edelheeden sal wegdragen. Intusschen betuijge ik uwe Hoog Edelheeden mijne dank„ baarheid so voor de g'eerde approbatie mijner verrigtingen, als voor de spoedige adsistentie door de herwaerds komst der voorm: 's lands Freguatten en het toesenden van nog 50. boven de reeds bij missive van 29: Julij, aan dit gouvernement toegesegde 150: militairen item 15: â 20: Aathilleristen onder een affe„ cier, en 20000: lb: Buskruijt, met welke quantiteit, als die; nevens de voorm: Militairen en Arthilleristen, ontvan„ gen word, 't hier voor eerst wel sal te stellen zijn.—. den 20:e September 1788. — voorts

← previousnext →