Inventory 3816
Japan · 998 pages · 253 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
1. Cutter, which can carry 6 lb guns, and 2. Pantjallings for 3 and 4 lbs to be provided from the first-mentioned vessel or a bark, and that also, over and above the requisition currently being dispatched, may be fulfilled: 8 barrels of salt pork, off 3000 lb 10 ditto salt meat, 4000 lb 4 ditto Dutch butter, 18040 lb 4 leggers of French or Cape wine, or 1493 1/15 kannen 1 half aam of Dutch vinegar, 34 kannen 4 cans of olive oil, 361 3/5 kannen 20 leggers of arrack, 6358 13/10 kannen as well as some other articles, all required for this expedition, according to the plan already drawn up for that purpose in 1736, which I very respectfully attach hereto in copy. The pantjallings and galleys can be supplied and manned from here, as well as provided with the necessaries, if the equipage goods requested in the general requisition are received in time, which I consequently very respectfully request may happen, as well as the dispatch hither of a highly needed sailmaker, since the one who was here passed away recently. A few days ago, on the 29th of December 1787, due to a lack of water and leakage of the sloop, as well as severe weather, some envoys of Sultan Sarief, as well as of the acting Panumbahan of Mampauwa, arrived under stay at Joana; who, having subsequently come hither by the overland route, handed over to me the two Company letters, which I have the honor to present herewith to Your High Nobles. These envoys also still have with them two letters from the aforementioned Sultan and Panumbahan, as well as two packets of gold dust for Your High Nobles, but as they say they are instructed to deliver them in person, they will have to remain here until the time arrives to continue the journey further by sea to Batavia. Furthermore, I have the honor to present to Your High Nobles an extract letter from the first Resident at Souracarta, dated the 23rd of this month, containing how and in what manner the distinction has been regulated that will take place between the ordinary imperial retinue and that of Pangerang Adipattij Anum during the public representation of his father, the prince; which arrangement I hope will answer to the esteemed intention of Your High Nobles. For the rest, I have the honor to call myself with due veneration, underneath stood: Title, lower stood: Your High Nobles' obedient and faithful servant, was signed: I: Greeve. In the margin: Samarang, the 29th of December 1787. Turn over Copy of a Separate Letter, written by the Senior Merchant and Commander of the Eastern Corner Anthonij Barkeij, to the Honorable Jan Greeve, Councillor of the Dutch East Indies and Governor and Director on and along Java's North East Coast, dated Sourabaija, the 21st of December 1787. The envoy of the Panumbahan of Madura, and also mine, having completed their commission and having returned from there a few days ago, I have the honor to inform Your Right Honorable, offering at the same time both the translations of the two letters that the former Regent of Tagal, currently commonly called Radeen Hadjie, sent in reply to his brother-in-law, the aforementioned Panumbahan of Madura, as well as the account given by the last-mentioned envoy, and from all of which it will principally appear to Your Right Honorable that the envoys, upon arriving at Balie Carang Assam, learned that Radeen Hadjie, leaving wife and children behind there, had departed for some time with his vessel to the English post Bancahoeloe for trade, and that the envoys, subsequently arriving at Balie Badong, had encountered Radeen Hadjie there, where the same had returned from a failed voyage to Bancahoeloe, being busy disposing of the cargo of his vessel at Balie Badong, letting the envoys know that he was doing very well at Balie Carang Assam, as the princes, besides a monthly provision of one coyang of rice for him and his family, had granted him the command over 500 men. The 29th of December 1787.
Dutch transcription
1. Cotter, die geschut van 6. lb=s kan voeren, en 2: Pantjallings voor 3. en 4. lb=s van het eerstgem: vaarthuijg of Een Barcq voorsien te worden, en dat ook, boven de thans 6 ƒ afgaande Eijsch moogen worden voldaan: 8 vaeten zout=speck, aff 3000: lb: 10 d:o zout vleesch „ 4000 „ 4: d:o Boter Hollandsch „ 18040: „ 4: Leggers fransche of Caabsche wijn, of 1493 1/15. kann: 1: halff aan Azijn Hollandsch - - „ 34. „ 4. kamen olijven olie - - - -. „ 361 3/5 „ - - - - - - „ 6358 13/10 20: leggers Arak - „ so meede eenige andere articulen, alle tot deese Expeditie be„ nodigd, volgens 't bereeds in 1736. daar toe geformeert project, 't welk ik in Copia seer eerbiedig hier neevens voege. De Pantjallings en Galeijen sullen van hier gefourneert en bemand mitsgaders ook van het noodige voorsien kunnen „worden, so daar toe de bij den generaelen Eijsch gevraagde Equi„ pagie goederen in tijds worden ontvangen, 't welk ik mits„ „dien seer eerbiedig versoeke dat geschieden mag, so meede de herwaerds sending van een hoog benodigde zeilmaeker, alzo de geene daer hier is geweest deeser dagen overleeden is. Van Puntiana sijn voor eenige daegen, door gebrek aan water en Leccagie der Chialoup, so meede weegens 't swaar weer den 29: december 1787. op 19. den 29: December 1787. op Joana, ter houw gekomen, eenige sendelingen van Sulthan Sarief, so meede van den actueelen panumbahan van Mam„ pauwa; die vervolgens over den Landweg herwaards gekoo„ „men sijnde, mij hebben terhand gesteld de twee Comp=s brieven, die ik de eer hebbe uw Hoog Edelheeden hier neevens aantebieden. die gezanten hebben ook nog onder sig twee brieven van de gemelde sulthan en Panumbahan, so meede twee pakjes stof„ goud voor uw Hoog Edelheeden, maar vermits sij seggen gelast te zijn, de bezorging in perzoon te doen, so sullen se alhier dienen te vertoeven, tot dat de tijd daar is om de reijse verder ter zee na Batavia te kunnen voortsetten. Voorts heb ik nog de eer uw Hoog Edelheeden te praesenteeren een Extract missive van den eersten resident te Souracarta, aan dato 23: deeser, behelsende hoedaenig en in welker voegen het onder„ „scheid gereguleerd is dat en tusschen de gewoone keijserlijke statie, en die van den pangerang Adipattij Anum, geduurende de public„ que reprasentatie van sijn vader de vrst, sal plaets hebben, welke schikking ik hoop, dat aan de g'Eerde Jntentie van uw H: E: sal berantwoorden: Voor het overige heb ik de eer mij met verschuldigde veneratie te noe„ „men /:onderstond:/ Titil /:Lagerstond/ uw Hoog Edelheeden ge„ hoorzaeme en getrouw dienaer /:was geteekend:/ I: Greeve /:in margine:/ Samarang den 29:' december 1787. — verte Copia Aparte Brief, gschreeven door den opperkoopman en oosthoeks gezaghebber Anthonij Barkeij, aan den Wel Edele gestrenge Heer Jan Greeve, Raad van Neederlands Indie en Gouverneur en Directeur op en Langs Iavas Noord Oost Cust, gedateert Sourabaija den 21. Decemb: 1787. Den zendeling van den Panumbahan van Madura, en ook die van mij, hunne Commissie volbragt hebbende, en voor een paar dagen van daar te rug gekoomen zijnde, heb ik de eer uwel Ed: gestr: agtb: heer van kennis te geeven, met aanbieding teffens, zo van de translaeten der twee brieven die den geweesen Ta„ gals Regent, thans in de wandeling genaamd Radeen Hadjie aan zijnen behuuwd broeder, den voorm: Panumbahan van Madura in antwoord heeft toegezonden, als ook het door den laast gem: zendeling gegeeven Relaas, en uijt welk een en ander uwelEd: gestr: agtb: ten principaele blijken zal, dat de zendelingen bij aankomst te Balie Carang Assam verneemende, dat Radeen Radjie, met agterlating van vrouw en kinderen aldaer, voor eenigen tijd met zijn vaartuijg naar 't Eng: Comptoir Bancahoeloe ten handel vertrokken was, en dat de zendelingen vervolgens te Balie Badong komende, aldaer Radeen tadsie hadden aangetroffen, alwaar denselven van een verlooren reijse na Bancahoeloe was te rug gekoomen, beezig zijnde de laading van zijn vaartuijg te Balie Badong van de hand te zetten, onder te kennen geeven aan de zendelingen, dat hij het te Balie Carang assam zeer wel had, alzoo hem de vorsten, buijten een maandelijksche verstrekking van een Coijang Rijst door hem en familje, de dispositie over 500: manschappen hadden den 29: december 1787. toegestaan
English
21. 29 December 1787. granted, with promises to increase that number if she should happen to behave well; furthermore, that the said Raden Hadji had already undertaken the return journey to his place of residence, Padang, belonging under Karangasem, before the departure of the envoys. This being the content of the envoys' account, I shall not pass over what Raden Hadji says in one letter to the Panembahan concerning his adversities and the reasons for his stay in Bali, noting solely from the other that he does not seem inclined to resolve upon returning to Java, except under such conditions to which one doubtless will not be able to agree, although the Panembahan of Madura requests me to present the matter in the most favorable light, for His Highness says he feels obliged to do his best for those related to him by blood. I shall therefore defer the formal reply to the letter of the Panembahan until I am first provided with the approval of Your Right Honourable Noble Sirs as to what I am further to do in the matter, for all further missions to be sent in secret to Bali will be nothing but in vain, as it appears that Raden Hadji, retaining the protection of the Balinese gustis, places no trust even in the promises and good advice given to him by his own brother-in-law, the Panembahan. The often-mentioned Panembahan of Madura, having sent me the accompanying letter addressed to Your Right Honourable Noble Sirs, His Highness complains bitterly in the letter written to me, also forwarded herewith in copy, about the scandalous and bad conduct of the Head of the Chinese 29 December 1787. at Bangkalan, Nio Kiong Tjouw, to whom His said Highness had leased some of the Madurese bandharijen in order to provide him with a livelihood thereby, but who from time to time became attached to gambling and smoking opium, to such an extent that his best property was already mortgaged to various parties without the Panembahan being able to obtain his claim of 2279: 20: Spanish reals, whereby His Highness found himself, as it were, placed in embarrassment regarding the annual payment of revenues and delivery of produce to the Company, and for that reason requests that the said Head of the Chinese, Nio Kiong Tjouw, may not only be dismissed, but also not be permitted to remain residing elsewhere on Madura, with the urgent request at the same time that the Chinese bandhar at Sampang, Tan Hinko, may be appointed again in his place as Head of the Chinese at Bangkalan; the Panembahan further also requesting the necessary assistance to be able to obtain his claim amounting to 279: 20: Spanish rixdollars from Nio Kiong Tjouw, whether through the sale of his house or in some other manner; which said requests, and specifically that to dismiss the present Head of the Chinese and to appoint the other in his place again, I take the liberty most respectfully to submit, with the urgent request that a favorable consideration may be granted to His Highness's desire, so as not to incapacitate him from the prompt payment of the annual revenues and delivery of produce to the Company. I have the honour to be, with the highest esteem and all submission, [below:] Title [lower:] Your Right Honourable Noble Sirs' humble and faithful servant [was signed:] A: Barkey [in the margin:] Surabaya, 21 December 1787. Copy 23 29 December 1787. Copy Translation of a Javanese letter written by His Highness the Panembahan of Madura, to the Senior Merchant and Eastern Salient Commander A: Barkey, received at Surabaya on 18 December 1787. After the customary terms! This serving to accompany Bunga Laut, whom I let proceed to Brother, I present herewith also the letters which he brought back from Bali, with the most friendly request to Brother to take the contents of the small one into favorable consideration, and likewise then to present the request made therein to Their High Excellencies in the most favorable light, as I am obliged to do my best for those who are related to me by blood, and have therefore taken the liberty to make this request of Brother. [below:] End, [lower:] translated by me [was signed:] W: van Ligten, sworn translator. Copy Translation of a Javanese letter written by the former Tegal regent Raden Hadji, residing at Padang under the jurisdiction of Bali Karangasem, but at the writing of this letter present in the village of Ngrienten in Bali Badung, to His Highness the Panembahan of Madura, presented at Surabaya on 18 December 1787. I have duly received Your Highness's letter, and from it also very well understood Your Highness's sweet advice, arising from Your Highness's true affection toward me and toward my wife, Your Highness's sister; regarding which I declare that I was dismayed, for the reason that I well know that with Your Highness unknowingly
Dutch transcription
21. den 29: December 1787. toegestaan, met beloften van dat getal te zullen vermeerda„ ƒ „ren, indien zij zig wel kwam te gedraegen; voorts dat gedagte Radeen Hadjie bereeds voor 't vertrek der zendelingen de te rug reijse naar zijn woonplaats Padang onder Carang assam behoorende had aangenoomen. Dit den inhoud van 't Relaes der zendeling zijnde, zal ik niet voorbij gaan van het geen Radeen Radjie in de eene brieff aan den Panumbahan. omtrent zijne weederwaardigheeden, en de reedenen zijne de op onthoud te Balie, zegd, eenelijk uijt de andere noteeren, dat hij niet scheint, tot de terug komst na Java te zullen besluijten, dan onder zoodaenige Conditien, in dewelke men sonder twijffel niet zal kunnen accordeeren, schoon den Panumbahan van Madura mij verzoek doed, om het een en andere favorabelst voortedraegen, want zegd zijn Hoogheid zig verpligt te vinden, om voor de zulken die hem in den bloede destaan ten besten te moeten werken; Jk zal dus met het formeel antwoord op de brief van den Pa„ „num bahan supercedeeren, tot dat ik eerst met het goed„ vinden van uwel Ed: gestr: agtb: zal zijn gemunieert, wat mij verder in de zaak te doen staat, want alle ver„ dere in stilte naar Balie te doene bezendingen niet dan te vergeefs zullen zijn, alzo het scheint dat Radeen kadjee de protexie der Palische gustijs zullende blijven behouden, zelvs geen vertrouwen steld, in de beloften en goede raad gee„ „ving, die hem door zijn eigen swager den paurmbahan gedaan zijn. Den meerm: panumbahan van Madura mij toegezonden hebbende, de neevens gaande brief aan uwel Ed: gestr: agtb: gerigt, klaagd zijn Hoogheid zeer bij de in Copia meede overgaande brief aan mij gesch:, over't ergerlijk en slegt Comportement van 't hoofd der Chineesen den 29: december 1787. Chineesen te Banjallang Nio kiongtjouw, aan wien gedagte zijn oog„ „heid eenige der Madureesche Bandharijen in pagt had afgestaan, om hem daar door een bestaan te bezorgen, dog zig van tijd tot tijd aan het dob„ „beleppel en Amphioen schuijven geattacheerd hebbende, zoodaenig, dat bereeds zijne beste goederen, aan deese in geene verpand weren, sonder dat den panumbaham in staat was, aan zijn praetentie van 2279: 20: spaansche reaalen te geraeken, bevond zig zijn Hoogheid, daar door als in Verlergendheid gesteld, tot de Jaarlijksche voldoening der revenuen, en C Leeverantie der producten aan de Comp:e, en overzulx verzoek doed, dat gedagte Hoofd der Chineesen Nio kiongtjouw niet alleen mag gede„ „mitteerd, maar ook niet gepermitteerd worden, om met 'er woon elders op Madura te blijven remoreeren, met instantie teffens dat in dies plaets weeder tot hoofd der Chineesen te Bancallang mag worden aangesteld, den Chinees bandhaer te Sampang Ian Hilnko. — verzoekende wijders ook den Panumbahan de nodige adjude om aan zijn praetentie groot Rd=s p=s 279: 20: - van Nio kiongtjouw te moo„ gen geraeken, 't zij door verkoop van zijn Huijs ofte op eenige andere wijse; welke gedagte verzoeken, en wel die om het praesente Hoofd der Chineesen te demitteeren en den anderen in zijn plaets weeder aantestel„ „len, ik de vrijheid neem eerbiedigst voor te draegen, met instantie dat in het verlangen van zijn Hoogheid eene gunstige reflectie mag worden geslaegen, ten einde hem niet buijten staat te stellen tot de prompt voldoening der Jaarlijksche Revenuen, ende Leeverantie van producten aan de Compagnie. — Ik verEere mij met de meeste Hoog agting en aller submist te zijn /:onderstond:/ Titul /:Lager/ uwel Ed: gestr: Achtb: ootmoedige en trouwschuldige dienaer /was ge„ teekend:/ A: Barkeij /:in margine:/ sourabaija den 21: decemb=r 1787. Copia 23 den 29: December 1787. — Copia Translaat Javaansche Brieff gesch: door zijn Hoogheid den Panumdahan te Madura, Aan den opperkoopman en oosthoek gezag„ hebber A: Barkeij, ontvangen te Soura„ baija den 18: December 1787. — Na gewoone Terme! Deeze ten geleide van Boenga Laut, dienende die ik tot Broe„ „der taat overgaan, praesenteere hier neevens teffens de brieven die hij van Balie had meede gebragt, met verzoek aan Broeder op het vriendelijkste om den inhoud van de kleine in gunstige overwee„ ging te neeme, en insgelijks om als dan de daar bij gedaene instantie Hunne Hoog Edelheeden op het favorabelste voortedraegen, alzoo ik verpligt den om voor die welke met mij in den bloede be„ staat ten beste te dewerke, en derhalven de vrijheid genomen hebbe„ dit verzoek aan broeder te doen /:onderstond:/ Einde, / lager / getrans„ „lateert door mij /:was geteekent:/ W: van Ligten, gesr: trans= Copia Translaat Javaansche brief gesch: door den geweesen tagals regent Radeen Hadjie, woonagtig te Padang onder 't resort van Balie Carang assam, dog bij 't schrijven van deesen brieff, present op de Negorij Ngrienten te Balie Badong, aan zijn Hoogheid den Panumbahan te Madura vertoont te Sourabaija den 18: December 1787. Ik heb wel ontfangen uw Hoogheids missive, en daar uijt ook zeer wel begreepen, de zoete raadgeevinge van uw Hoogheid, uit hoofde van desselvs waere toegeneegendheid te mij waerds, en tot mijn vrouw uwe Hoogheids suster, daar over betuijge ik ontsteld ge„ „weest te zijn, uit reede; ik wel weet dat bij uw Hoogheid met onbe„ wist
English
could be known, the beginning to the end of my adversities, and all through the doing of van der Burgh, who gave credence to all the sweet talk of others, being desirous of my riches, which I have spent and sacrificed at Mecha; The hatred of the same toward me was great, and became even greater when he had heard that I, at Batavia, had recounted truthfully to the Gentlemen of the High Government that he had burdened the regents with fines and with foisting merchandise upon them at unreasonable prices, and especially because upon the succession of my son in my place, I had had to pay seven thousand, of which van der Burgh had not received a single duit, since this was known to their High Mightinesses, wherefore he sought even more evil to impose upon me, in order thereby to cause me to lose my credit, and likewise that I might be banished from residing on Iava, which indeed took effect, for outside Batavia I had no permission to settle anywhere on Java to reside, while in addition my inheritance, the regency of Tagal, was divided among more than one Regent, without it being known that cause had been given for this by negligent or sluggish performance of the Company's services. I waited up to 6 years at Batavia, in the hope that further investigation would be made concerning this, but not seeing this happen, I, upon requested and obtained permission, went to Wadjie, or Mecha, but nevertheless returned as soon as possible, still wishing to be subject to the Company. Returning again to Batavia, I inquired how matters stood with my affairs, and as it was announced to me that I had received my dismissal from the Tagal Regency, I requested to be allowed to engage in trade here and there, which was indeed at first permitted to me, on 29 December 1787. 25. 29 December 1787. — but was later refused again, notwithstanding that the Noble Mr. Smith, to obtain that permission and to help me, had also done his utmost in the most urgent manner. And since the pain of disgrace before many and myself was too intolerable, as I was given no livelihood and the seeking of Bread was also refused, just as if one had harmed the treasures and riches of the Honorable Company, or had done greater things, I have for that reason taken myself away from the Company in order not to die of hunger, and had sought the path where a livelihood for me, as well as wife and children, was to be found. But now that I have found it, letters arrive incessantly to the great Gustij at Carangassum, containing orders not to permit me to settle here to reside, or else to surrender me again to the Company, through which that gusti, in order not to break the friendship and the Contract with Their High Mightinesses, most strongly announced to me that I had to see to it that I absent myself from Balie again, whereupon I immediately offered my life. The Gusti, having some fear of killing someone without knowing the crimes, had thus not done so, but first inquired of Their High Mightinesses at Batavia after my crimes, to which no answer has yet come, although if the answer to it should come, it will first still be submitted by the gusti for consideration to the foremost councils here, whether these are indeed crimes for which the sentence of death could be imposed upon me, and of which I give Your Highness notice hereby, also that I and my wife are fairly well-regarded by both the Radja and likewise by his Brother, of whom some are Islam and some are Heathens, finding thus that if I, according to Your Highness's advice, return to Java, I shall then come into a snare of entrapment, through the left-behind recommendations of van der Burgh. For the rest, we request our humblest compliments to Mother the Ratoe dipattij waijagh, and likewise presenting such to Your Highness, we insist on placing a good trust in God was below End Lower translated by me was signed H: van Ligten, sworn Translator. Copy Translation Javanese Short note belonging to the just mentioned Letter, written by the former Tagal Regent Radeen Hadjie to His Highness the panumbahan at Madura. Brother Panumbahan, I confess frankly that I would gladly return, and return to the Honorable Company, but first I request a pardon letter signed and sealed with the Company's Cachet from Their High Mightinesses, and likewise this promise, that the Tagal regency be made into one and given back to my son under my guardianship. If the Honorable Company requires that I take an Oath of loyalty for that, I am at all times prepared to do so not only once, but even, if demanded, seven times, and for which Your Highness can safely interpose as guarantor, while I concerning this will also gladly contribute the costs. But if these two requests of mine should not be favorably granted, then I am not inclined to return, even if it meant that I had to perish here on Balie was below End lower translated by me was signed H: van Ligtem, sworn translator 29 December 1787. — Copy
Dutch transcription
wust kan zijn, het begin tot het einde mijner weederwaardig„ heeden, en alles door toedoen van van der Burgh, die aan alle het zoet praeten van andere geloofheeft geslaegen, als begeerig geweest zijnde op mijne rijkdommen, welke ik te Mecha verteerd en ten offer gegeeven hebbe; De haat van denzelve teegens mij was groot, en nog grooter geworden, wanneer gehoord had dat ik te Batavia aan de Heeren der Hoge Regeering zonder verhaald hebbe, dat hij de regenten met boetens en met Negotien teegens onreedelijke prijzen hun aan te smeeren, deswaard had, als meede ten bijzoe„ „derste over dat ik bij optreeding van mijn zoon in mijn plaets, seevenduijzend had moete betaelen, van der Burgh daar geen duijt van getrokken had, door dien zulx bij hunne Hoog Edelheeden bekend was, soekende hij dies nog meer kwaad, om die mij op te legge, ten einde daar door mijn Credit te doen verliese, en insgelijks dat ik van Iava met 'er woon mag verbannen worde, gelijk als ook gevolg heeft gehad, want dat ik buijten de Batavia, geen permissie had om mij ergens op Java met 'er woon te moogen needer zette, zijnde daar bij mijn erfdeel het Tagals regentschap verdeeld onder meer dan een Regen=, zonder dat men weet, dat door magtzaame, dan wel traege waarneeming van 'sComp:s diensten, daar toe reeden ge„ geeven was Ik heb tot 6: Jaaren toe gewagt te Batavia, op hoop dat daar omtrent nader onderzoek zoude gedaan worde, maar zulx niet ziende, zo ben ik op verzogte en bekoomene permissie naar Wadjie, /:of Mecha gegaan, dog egter zo haast als moogelijk was weeder te rug gekeerd, als nog onder de Comp:e willende sorteere, te Batavia weeder koomende, informeerde ik mij hoe het met mijn zaeken zat, en daar mij aangekandigd wierd mijn ontslag uit het Tagals Regent„ „schap verkreegen te hebbe, zo versogte ik om hier en daar mij ten handel te mogen begeeven, het welk mij wel eerst gepermitteert, den 29: december 1787. dog 25. den 29: december 1787. — dog naderhand weederom gerecuseerd wierd niet teegenstaande de Edel Heer Smith ter obtenue van die permissie en om mij te helpe op de dringenste wijse daar toe ook zijn best gedaan had En dewijl de pijn van schande voor veele en mij te ondragelijk was, alzoo mij geen bestaan gegeeven en het zoeken van Brood ook gerecuseerd wierd, net als of een dieschatten en rijkdommen van de EComp:e benadeeld, dan wel grootere zoude gedaan had, zo hebbe ik om die reede mij van de Comp: weg gemaakt om anders niet van hor„ ger te sterven, en had gezogt, na den weg, daar een bestaan voor mij, als meede vrouw en kinderen te vinden was. Den nu ik die gevonden hebbe, koomen 'er onophoudelijk brieven aan den grooten Gustij te Carangassum, dehelsende om mij niet te permitteeren met 'er woon, hier needer te zetten, dan wel weeder uit te leeveren aan de Comp:e, door welke dien gusti, om de vriendschap en het Contract met H: H: E:, niet te breeke, mij ten sterkste aan„ kondigde, om te moete maeke dat ik mij van Balie weeder absenteere, en waar op ik terstond mijn leeven offereerde. Den Gusti eenige vreese hebbende, om iemand zonder de mis„ „daeden, te weeten, te dooden, had zulx dus net gedaan, maar in„ formeerde zig eerst bij H: H: E: te Batavia na mijne misdae„ „den, en waar op nog geen antwoord gekoomen is, zullende egter zo'er het antwoord daar op mogte komen door den gusti het selve eerst nog in overweeging gegeeven worden aan de voornaam„ „ste raaden hier, of die wel misdaeden zijn, daar over mij het vonnis tot den dood konde opgelegd worden, en waar van ik uw Hoogheid bij deese kennisse geeve, ook dat ik met mijn vrouw bijde Radja en insgelijks bij desselvs Broeder, waar van eenige Islam en eenige Reidenen zijn, tamelijk gezien ben vindende dus dus dat als ik, navolgens uw Hoogheids raad weeder naer Java te rug keerd, als dan in een strik van lokking komen zal, door de nagelaetene recommandatien van van der Burgh. Overigens verzoeken wij onse needrigste Complimenten aan Moeder de Ratoe dipattij waijagh, en zulx insgelijks aan uw Hoogheid afleggende, insteeren wij om maar een goed vertrouwen op God te stellen /:onderstond:/ Einde /:Lager / getranslateerd door mij /was geteekent:/ H: van Ligten, gesw: Translateur. Copia Translaat Jav: Cantabeltje gehoorende bij eeven gemelde Brieff, gesch: door den geweesen Tagals Regent Radeen Hadjie aan zijn Hoog„ heid den panumbahan te Madura. Broeder Panumbahan, ik bekenne rondborstig dat ik gaarne terug, en tot de EComp: wilde keere, maar voor af versoeke ik om een geteekende, en met 'sComp=s Cachet gezeegelde pardonbrieff van H: H: E: en insgelijks deese belofte, dat het Tagals regentschap in een gemaakt en aan mijn zoon weeder gegeeven word onder mijn voogdije Regeerd de EComp: dat ik daar voor een Eed van getrouwigheid aflegge, zo ben ik ten allen tijden bereid zulx niet alleen eens, maar zelvs des gepraetendeerd wordende, zeeven maele te doen, en waar voor uw Hoogheid zig vaij als dorg kan interponeeren, terwijl ik des aangaande insgelijks gaarne de kosten Contribueeren. Dan zo deese mijne twee Instantien, niet gunstiglijk ingewilligd mogten worden, den ik als dan niet geneegen om te rug te keeren, al was het ook dat ik hier op Balie moeste vergaan /:onderstond / Einde/ lager / ge„ translateerd door mij/:was geteekent:/ H: van Ligtem, gesw: trans=m den 29: december 1787. — Copia
English
27 the 29: December 1787. — Copy of the account given by the citizen David Hermanus Jansen, residing at Banjoewangie, but currently present here; today the 17 December 1787. — The informant relates that in the month of November last, he was sent by the Commander of the Oosthoek, Mr. Anthonij Barkeij, in a private vessel laden with some trifles, to the village of Padang under the jurisdiction of Balie Carang Assam, in order to inconspicuously gather information there, disguised as a trader, concerning the conduct of the former Tagal Regent Radeen Radjee, and that having departed from here with it, he had called in passing at Banjoewangie to take on refreshments, having subsequently continued his journey from the last-mentioned place to the aforesaid village of Padang; having arrived there, the informant inquired, pursuant to his commission, into the conduct of the said Radeen Radjie, but heard that he had departed for Bancahoeloe in his own sloop to trade, and that Radeen Ajoe was alone at home with the children, whereupon the informant, after staying for 24 hours, departed for Balie Badong, in order to dispose of the trifles he had brought with him there to the greatest advantage; having arrived there, he learned that Radeen Radjee was at that place, having returned from an unsuccessful voyage to Bancahoeloe due to stiff westerly winds, and that he was busy selling off his trade goods there, which consisted of some Bugis sarongs, slaves, and coconut oil. The informant, taking from the latter 20 jars in exchange for 14 corgies of broad Javanese paper, thereby obtained the opportunity to enter into a conversation with him, the 29: December 1787. thus asking him casually and unnoticeably how he was currently faring on Balie, Radeen Radjie saying very well, and that from the Raja at Carang Assam, besides a monthly allowance of one coyang of rice for him, his wife, and children, he has received under his command 500 men, together with the promise from the said ruler that he will provide him with more people upon further good conduct. All this being what the informant had heard from Radeen Radjie himself and from others on Balie, the informant further relates that the said Radeen Radjie returned from Balie Badong, 24 hours before the informant, back to his place of residence, Padang, after which the informant also commenced his return voyage, without anything further. Thus related at the Dutch Trading Post of Sourabaija, date as above. Below was placed the mark made by the abovementioned informant named at the head hereof. Lower down: In the presence of me, was signed W: van Ligten, sworn translator. In the margin: As witnesses, was signed G:t van Rijsoort and P: J: Moor. — Copy of further translation of a Javanese letter written by His Highness the Panumbahan of Madura, to the Senior Merchant and Commander of the Oosthoek, A: Baukeij, received at Sourabaija the 18: December 1787. After the customary terms! However reluctant I am to trouble my brother with complaints and grievances, I nevertheless find myself compelled to do so regarding the Head of the Chinese Nation here, named 29. the 29: December 1787. named Nio kiongtjouw, to whom, out of regard to provide him with a livelihood, I leased some of my shahbandarships, in the confidence that he would pay the cash for them, in order to enable me also to fully account for or settle the annual revenues as well as the deliveries of products to be made to the Company; but that person, notwithstanding the frequent reminders made, failing to meet his obligation, and being now and for a long time indebted to me for an amount of 2279: 20: Spanish reals, for the payment of which he becomes increasingly unable, so much so that he has even pawned his best goods to other people, and which arrears or debts of that debtor have their origin in the fact that he is a great gambler and opium smoker, I therefore take the liberty to most kindly request my brother to effect that not only may the said Head of the Chinese, Nio kiongtjouw, be degraded, but also that he may not be permitted to reside elsewhere on Madura, as he is a person in whom I cannot place the slightest trust; while I likewise urge that in his place as Head of the Chinese here, there may again be appointed the Chinese Tan Hienko, who is shahbandar at Sampang, and who already administered that shahbandarship during the lifetime of my late father to everyone's satisfaction, so I most strongly request my brother's assistance on his behalf. Furthermore, I also urge my brother's aid regarding my claim
Dutch transcription
27 den 29: december 1787. — Copia Relaas gegeeven door den te Banpoewangie remoreerende, dog thans alhier present zijnde durger David Hermanus Jan„ „sen; op heeden den 17 december 1787. — Den Relatant verhaald in de maand November Jl: per een particuliere vaartuijg, belaaden met eenige kleenigheeden, door den Heer Oosthoeks gezaghebber Anthonij Barkeij, naar de Negorij Padang onder het resort van Balie Carang Assam gezonden te zijn, ten einde zig aldaar als een handelaar hennelijk te informee„ ren naar het gedrag van den geweesen Tagals Regent sadeen Radjee, en dat daar meede van hier vertrokken zijnde, en passant om ver„ schoning te haelen, te Banjoewangie aangeweest was, hebbende vervolgens van laastgemelde plaets zijn reijs vervorderd naar voorsch: Negorij Padang aldaer gekomen zijnde, zoo informeerde den Relatant zig, invoege zijne Commissie, naer het gedrag van gem: Radeen Radjie, maar hoorde dat hij met een eige Chialoup ten handel naer Bancahoeloe vertrokken, en de Radeen rijoe alleen met de kinderen te huijs was, waar op den Relatant dus na 1: etmaal vertoedens naar Balie Badong vertrok, ten einde zijne meede gehad hebbende kleenigheeden aldaer ten meesten voor„ „deele van de hand te zette, aldaer gearriveerd zijnde, vernam hij dat Radeen Radjee op die plaets was, als van een verloore reijs naar Bancahoeloe door de stijve weste winden te rug gekoomen zijnde, en dat beezig was, om aldaar zijne Negotie goederen te verdebiteeren, dewelke bestonden in eenige Bouge„ neesen Larongs, slaeven en Clappus olie Den relatant van de laast gemelde 20: falijs in ruijling teegens 14: Corgies Javaanse breed papier neemende, kreeg daar door oliagie om met densel„ „ven den 29: December 1787. ven in een mond gesprek te geraeken, vraegende dus den relatant discoursive en onvermerkt aan hem hoe dat teegenswoordig op Balie hadde, zeggende Radeen Radjie zeer wel, en dat van de Radja te Carang Assam /:buijten een maandelijks onderhoud van een Coijang Rijst voor hem, vrouw en kinderen /onder zijn directie gekreegen heeft 500: man, met delofte teffens van dat gedagte vorst hem bij verder goed gedrag meerder volk zal toevoegen. Dit alles zijnde het geen den Relatant van Radeen Wadjie zelvs, en van anderen te Balie had gehoord, zo verhaald den Rela„ „tant 'er nog bij dat op gemelde Radeen Radjie van Balie Oadong /:een etmaal voor den relatant:/ weeder naar zijn woonplaets Padang te rug gekeerd was, en waar na den Relatant ook weeder zijn te rug reijse aannam /:zonder meer/ Aldus gerelateerd ten Neederlandsch Comptoir sourabaija dato voorsch: /on„ „derstond / het merk gesteld door den in hoofde deeses gem: Relatant /:Lager / in kennisse van mij /was geteekend/ W: van Ligten, gesw: transl=n /:in margine/ Als getuijgen / was geteekend/ G:t van Rijsoort en P: J: Moor. — Copia Nadere Translaat Jav: Brieff gesch: door zijn Hoogheid den Panumbahan te Madura, aan den opperkoopman en Oosthoeks gezag„ hebber A: Baukeij, ontvangen te Sourabaija den 18: december 1787. Na gewoone Terme! Doe ongaarne ik broeder met klagten en beswaerenissen zoude willen moeijelijk vallen zo vinde ik mij nogtens genoodsaakt zulx te moeten doen, over 't hoofd der Chineese Natie alhier met naame 29. den 29: december 1787. naame Nio kiongtjouw, aan wien ik uit reguard van hem een bestaan te geeven, eenige mijner sabandharijen in pagt heb afgestaan, in vertrouwe, dat hij de Contanten daar voor zoude voldoen, ten einde mij in staat te stellen, om ook de Jaarlijksche Revenuen, zo wel als de te doene leeverantie van producten aan de Comp: Compleet te kunnen verant„ woorden of vereffenen, maar dien perzoon niet teegen= „staande de dikwils gedaane aanmaeningen, aan zijne verpligting niet beantwoordende, en mij nu als eeder 't langen tijd schuldig zijnde een montant van reaelen p=s 2279: 20: — tot welkers betaeling denselven hoe langer hoe meer buijten staat geraakt, zoodaenig dat ook zelvs zijne beste goederen bij andere lieden verpand heeft, en welke ver„ agtering ofschulden van dien debiteur zijn oorspronk heeft, door dat denzelven een groote spielder en Amphioen schuijver is, zo neeme ik de vrijheid Broeder vriendelijkst te verzoeken, om te willen dewerke, dat niet alleen gedagte Hoofd der Chineesen Nio kiongtjouw mag worden gedegradeert, maer dat teffens aan denzelven niet mag worden gepermitteerd om elders op Madura te remoreeren, alzo hij een perzoon is, op wien ik geen de minste vertrouwen stellen kan; ter„ „wijl ik insgelijks in steer dat in zijn plaets als Hoofd der Chinee„ „sen alhier weeder mag worden aangesteld den Chinees Tan. Hienko, die bandhaer te Sampang is, en welke die Bandharij bereeds ten lieftijde van wijlen mijn vader tot genoegen van een ieder heeft waargenoomen, dus ik ten sterkste broeders hulpe voor hem versoeken. Voorts insteere ik ook broeders adjude aangaande mijn praetentie
English
the 29: December 1787. claim upon the aforementioned Neo Kiongtjouw to the amount, as has already been stated hereinbefore, of rd=s p=s 2279: 20: — that I may obtain satisfaction thereof, whether through the sale of his house and goods or otherwise, because without such he is in no way capable of satisfying my claim. Brother, to present my requests concerning both matters to the Honourable Governor in the most favorable manner, which will demonstrate a special friendship, I also take the liberty to request Brother to address the enclosed missive to his Honourable, and wherein I make the same representations to the Honourable Lord, in the hope that a favorable approval shall follow thereupon, while in the meantime greeting Brother and honored family most affectionately. Beneath stood / And / lower translated by me /: was signed :/ H: van Ligten, sworn translator. Copy Translation of Javanese letter from the just-mentioned Prince, to the Right Honourable Lord Jan Greeve, Extraordinary Councillor of Netherlands India and Governor and Director on and along Java's Northeast Coast, received at Samarang the 26: December 1787. After the customary preface Although, Brother, I did not wish to bring my following complaints to your attention, in order not to burden Brother, I nevertheless find myself compelled to do so by this letter, since I can no longer tolerate that the Chinese Captain at Madura named Nioe Kiongtjave, to whom I out of pity leased my toll-houses for his livelihood, trusting that he would make payment thereof at its proper time, 31. the 29: December 1787. and that I would thus be capable of paying the yearly money and my other obligated contingents to the Company; however, the said Captain currently takes no trouble at all to fulfill his duty, for which reason I have spoken to him about this many times, but since this seems not to help in any way, he having now been indebted to me for a long time in the sum of Spanish Reals 2279: 26:e — which, the longer it lasts, he will find himself unable to pay, as he has pawned the principal part of his goods due to gambling and heavy opium smoking; on which account I venture humbly to request your Honourable that the same may be dismissed by your Honourable's authority, and never again be permitted to reside in the district of Madura, as he is a man in whom one can place no trust whatsoever — requesting further that it may please your Honourable to appoint my toll-collector at Sampang named Ian Tanko as Captain in his place, since in the time of my father he leased the toll-houses, and such always went well to the great satisfaction of all people, and he is moreover a man of whose faithfulness and uprightness one can be fully assured, for which reason, Brother, I most humbly implore that he, the toll-collector at Sampang, may be appointed Captain; furthermore, I implore your Honourable for a helping hand regarding the payment of the said debt of the aforementioned Captain, for if your Honourable does not cause his house and other goods to be liquidated, I shall surely not obtain my money, on which account I place my hope solely upon your Honourable, as without the said means he, Captain Nes Kiong Tjiaoe, is not in a position to pay his debts to me. I hope that your Honourable will kindly be pleased to grant me your utmost assistance regarding my request. I have also reported to the commander at Sourabaija concerning this, and requested his assistance, not doubting that his Honour will have given notice thereof to your Honourable. Written at Madura on Tuesday the 8: of this light Rabioelawal 1714: /: beneath stood :/ translated by me /: was signed :/ W=m Wardenaer sworn translator. Copy Estimate of the following Provisions, for 4: months' ration, to and for the benefit of 506: heads going elsewhere on expedition, namely: — 3000: — lb salted pork, whereof 1854: — lb to 143: European seafarers, as 144: — lb to 8: cabin passengers, at 4½ lb per month 270 — lb to 15: deck officers, at 4½ lb per month 1440 — lb to 120: European sailors, at 3: lb per month 276: — lb to 18: Artillerymen, to wit 36: — lb to 2: bombardiers at 4½ lb 144: — lb to 8: gunners at 4½ lb per month [illegible] assistants at 3: lb per month 870: — lb to 65: European Military personnel, whereof 18: — lb to 1: Captain or Lieutenant 36 — lb to 2: Ensigns 72: — lb to 4: Sergeants at [illegible] per month 144 — lb to 8: Corporals 600: — lb to [illegible] Privates at 3: lb per month turn over. 33. the 29: December 1787. 4000: — lb salted beef, to wit 2472: — lb to 143: European seafarers, as 192: — lb to 8: cabin passengers, at 6: lb 360: — lb to 15: deck officers, at [illegible] per month [illegible] to 120: sailors at 4: lb 368: — lb to 18: Artillerymen, whereof 48: — lb to 2: bombardiers at 6: lb 192: — lb to 8: gunners 128: — lb to [illegible] assistants at 4 lb 1160: — lb to 65: European Military personnel, to wit 24: — lb to 1: Captain or Lieutenant 48: — lb to 2: Ensigns 96 — lb to 4: Sergeants at 6: lb 192: — lb to 8: Corporals per month 200: — lb to 50: Privates at 4 lb 1040: — lb Butter, whereof 636: — lb to 143: heads European seafarers, as 96: — lb to 8: cabin passengers at 3: lb 60: — lb to 15: deck officers at [illegible] per month [illegible] to 120 sailors 88: — lb to 18: heads Artillerymen, as 24: — lb to 2: bombardiers at 3: lb 32: — lb to 8: gunners at 1: lb [illegible] assistants 316: — lb to 65: heads European Military personnel, whereof 12: — lb to 1: Captain or Lieutenant 24: — lb to 2: Ensigns at 3: lb 48 — lb to 4: Sergeants per month 32: — lb to 8: Corporals at 1: lb 200: — lb to [illegible] Privates turn over
Dutch transcription
den 29: december 1787. praetentie, bij den voormelden Neo Kiongtjouw ten bedraegen gelijk hier vooren bereeds gezegd is van rd=s p=s 2279: 20: — dat ik 't zij door verkoop van zijn Huijs en goederen als anderzints, aan dies voldoening geraeke want hij buijten zulks tons met in staat is mijn praetentie te voldoen. Broeder mij met het een als ander mijne versoeken aangaande, de Edel Heer gouverneur op het favorabelste voor te dragen, een bijzondere vriendschap zullende bewijse, neem ik teffens de vrijheid broeder voor inleggende missive aan zijn Ed: gestr: addressen te ver„ soeke, en waar bij ik deselvee instantien aan de Edel heer komt te doen, op hoop dat daar op een gunstig fiat volgen zal, terwijl ik broeder en g'eerde familie intusschen op het minsaamste den groetende /onder„ stond /Ende /:lager getranslateert door mij (:was geteekent:) H: van Ligten, gesw: transl:. Copia Translaat Jav: brieff van Eeven gemelde prins, aan den wel Edele gestr: Agtbaeren Heere Ian Greeve, Raad Extra ordinair van Needer„ „lands Jndia en gouverneur en directeur op en langs Javas Noort oost Cust, ontvangen te Samarang den 26: december 1787. Na gewoone voorreeden Schoon ik broeder mijn volgende klagten niet wilde onder het oog brengen, om broeder niet lastig te vallen, vinde ik mij egter dog genoodsaakt sulks te doen bij deesen, aangesien ik niet langer kan dulden, dat den Chineesen Capitain te Madura genaamd Nioe kiongtjave, aan denwelken ik ui't meedelijden mijne Bandharijen tot sijn Leevens onderhoud in pagt hebbe gegeeven, met vertrouwen dat hij de betaeling daar van op zijn behoorlijke tijd 31. den 29: december 1787. tijd soude doen, en ik dus in staat zijn, om aan de Compaginie het Jaarlijksche geld en mijn andere verpligte Contingenten te kunnen opbrengen, dog den gemelde Capitain bemoeijd sig thans in geenen deelen om zijn pligt te volbrengen, waar omme ik denselven meenigmaelen hier over hebbe aangesprooken, dog schijnende sulx in geenen deelen te willen helpen, zijnde hij mij nu al een tijd lang schuldig een somma van paansche Reaelen 2279: 26:e — dewelke hij hoe langen het duurt sig niet in staat sal bevinden om te voldoen, als hebbende hij het voornaemste zijner goederen verpand, door toedoen van dobbel en sterk Am„ phioen schuijven, weshalven ik mij verstouk uwel Ed: gestr: oot„ moedig te versoeken, dat denselven door uwel Ed: gestr: vermoogen mag afgezet, en nimmer weer gepermitteerd werden, om in het Landschap Madura te woonen, als zijnde denselven, een man, op wien men geensints meer kan vertrouwen - versoekende wijders dat het uwelEd: gestr: behaege mog mijn bandhaer te Sampang genaamd Ian Tanko, als Capitain in sijn plaets te stellen, alzoo hij ten tijde mijns vaders, de Bandharijen ge„ pagt heeft, en zulx altoos is wel gegaan tot groot genoegen van alle manschen, en hij ook boven dien een man is, van wiens getrouw= en opregtheid men sig ten vollen kan verseekerd houden, uijt welken hoofde ik broeder op het oodmoedigste imploreere, dat hij Bandher te Sampang tot Capitain mag aangesteld worden; voorts imploreeren ik uwelEd: gestr: om de behulpsaeme hand, aangaande de betaeling van gemelde schuld van den voornoemden Capitain, mant als uwel Ed: gestr: sijn huijs en verdere goederen niet laat ten gelden maeken, soo sal ik seekerlijk aan mijn geld niet koomen, washalven ik dien aangaande eenelijk mijne hoope e den 29: december 1787. hoope op uwel Ed: gestr: stelle, alzoo sonder gemelde middelen hij Capitain Nes kiong Tjiaoe, niet instaat is, om sijn schulden aan mij te voldoen. Ik hoope dat uwel Ed: gestr: mij hoogst derselver hulp omtrent mijn versoek gunstig gelieft toetestaan, Jk hebbe den gezaghebber te sourabaija des aangaande meede berigt gedaan, en derselvs hulp versogt, als met twijffelende of zijn Ed: sal uwel Ed: gestr: daar van wel kennisse hebben gegeeven geschreeven te Madura op dingsdag den 8: van dit ligt Rabioelawal 1714: /:onderstond:/ getranslateert door mij /:was geteekend:/ W=m Wardenaer gesw: transl: Copia Project der volgende Provisien, voor 4: maen„ den Randsoen, aan en ten behoeve van 506: koppen gaande na elders in Expeditie, namentlijk. — 3000: - lb soutspeck, daar van 1854:— lb aan 143: Europeese zeevaerende, als 144:— lb aan 8: kaijuits gasten, â 4½. lb: p=r m=d 270 — „ „ 15: deks: officieren „ 4½ „ „ „ 1440— „ „ 120: Europpeese matroosen„ 3: „ „ „ 276:—„ aan 18: Arthilleristen, te weeten 36: — lb aan 2: dombardiers â 4½ lb 144:— „ „ 8: Canoniers - - „ 4½ „ 6 p=s maant, - 2ink 1i handlangers „ 3: „ 870: —„ aan 65: Europeese Militairen, waar van. 18:- lb„ aan 1: Capitain of Luijtenant 36- „ „ 2: vaandrigs - - - - -- 1eld. 72:— „ „ 4: sergeants - - - - - p„s maant 144- „ „ 8: Corporaals. - . . . . . 600:—„ 4 E: gemeenen - - - - - „ 3: „ verte. 33. den 29: December 1787. 400. — d: zout vleesch, te weeten 2472:— lb aan 143: Europeesche zeevaerende, als 192: — lb: aan 8: Caijmits gasten, â 6: lb 360:—„ „ 15. deks officieren, 5 p=r maant 2 „ 120: Mattroosen - - - „ 4: „ 368:—„ aan 18: Arthilleristen, daar van 48: — lb aan 2: bombardiers â 6: lb 192:— „ „ 8: Cannoniers 128:— i „ ni handlangers „ 4 „ „1160:—„ aan 65: Europeesche Militairen, te weeten 24:— lb aan 1. Capitain of Luijtenant 48:— „ „ 2: vaandrigs - - - - - - 26: lb: 96— „ „ 4: Sergeants. . . .. 192:- „ „ 8: Corporaals - - - - - - pp„ro maand 200:— „ „ 50: gemeenen - - - - - - „ 4„ 1040:— lb Booter, daar van 636:— lb aan 143: koppen Europ: Zeevaerende, als 96:— lb aan 8: Caijuits gasten â 3: lb 6. p=r maand „ 60:— „ „ 15: deks officieren „ „ 4 6oun „ „ 12„ matroosen 88:— „ aan 18: Coppen Arthilleristen, als 24:— lb aan 2: dombardiers â 3: lb 32:— „ „ 8: Cannoniers. „ 1: „ 22im „ „ min tandlangers} 316:— „ aan 65: koppen Europeesche Militairen, hier van 12: — lb aan 1: Capitain of Luijtenant 24. — „ „ 2: Vaendrigs - - - - - - - - o/a 3: lb 48- „ „ 4. Seageants. . . . . . pp:s maand 32:- „ „ 8. Corporaals. - . . . „ 1: „ „ hun gemeenen - -- 200. —„ „ verte
English
the 29th December 1787. 1493 1/5 kan French or Cape wine, of which: 893 – kan to 143 head of European seamen 192 kan to the cabin guests at 6 kan 77 to 15 deck officers per month 120 European sailors to 18 head of artillerymen, of which: 131 1/5 kan 48 kan to 2 bombardiers at 6 kan 41 2/5 to 8 gunners at 3 1/2 15 to assistant gunners at 1 3/10 41 469 1/5 kan to 65 head of European military; namely, 24 kan to 1 Captain or Lieutenant 48 to 2 Ensigns at 6 kan 96 to 4 Sergeants 41 3/5 to 8 Corporals at 1 3/10 and privates 34 – kan Dutch vinegar, namely: 16 – kan to 8 cabin guests 4 to 2 Bombardiers 14 to 7 head of military, of which: at 1/2 kan per month 2 kan to 1 Captain or Lieutenant 4 to 2 Ensigns to Sergeants 361 1/5 kan Olive Oil, of which: 228 2/5 kan to 143 head of European seamen, namely: 12 2/5 kan to 8 cabin guests 24 to 15 deck officers to 120 Sailors 49 28 1/5 kan to 18 head of artillerymen 3 1/5 kan to 2 bombardiers 12 4/5 to gunners at 1/5 kan per month 12 1/5 to assistant gunners 104 – kan to 65 head of European military 1 1/5 kan to 1 Captain or Lieutenant 3 1/5 to 2 Ensigns 6 2/5 to 4 Sergeants 12 1/5 to 8 Corporals to privates turn over 35. the 29th December 1787. Anno 1786. 633 1/10 kannen Arrack; of which 5868 – kannen ordinary; namely: 1620 – kan to 135 head European seamen. 180 – kan to 15 deck officers. 1440 – to 129 Sailors, 2760 – kan to 230 head Native seamen. 192 to 16 Artillerymen 96 to 8 assistant gunners, 1296 – kannen to 108 head Artillerymen, namely: 696 kannen to 50 European military, of which: 96 kan to 8 Corporals 600 to 50 privates 600 to 50 private sepoys 49 19/10 kannen Extra to 506 head Europeans and Natives; 96 kannen to 8 Gunners at 3 kannen per month 21 – lb wax candles at 16 lb per month 43 1/2 tallow candles Further Extra for the aforementioned 506 head Europeans and Natives. 28 pieces 3 17/15 pieces common bleached Guinea cloth for table linen, 10 3/25 lb assorted spices 135 – pieces assorted porcelain 6 3/4 quires small format paper 50 – pieces quills, Medicaments, according to regulation, pieces grass-cloth, for bandage cloth, at 6 fathoms for 180 men per month. Samarang the. Chief Administrator van Santen! Issue the aforementioned and above-stated provisions for months ration. to and for the benefit of 506 Europeans and Natives, going on Expedition to elsewhere. 8 Date as above: turn over the 29th December 1787. Extract from the letter written by the Senior Merchant and First Resident at Soura Carta Willem Adriaan Palm, to the Right Honorable Sir Jan Greeve, Councillor of the Dutch East Indies, and Governor and Director on and along Java's North-East Coast dated Soura Carta the 23rd December 1787. I have hereby the honor to thank your Right Honorable together with and on behalf of the sovereign for the results achieved with Their High Mightinesses, whereby the crown prince is granted permission to use the sovereign's state, whenever he shall serve to represent the emperor his father in public, as long as the sovereign's weak physical constitution will not permit him to appear in public himself, and since Their High Mightinesses would like to see, that there nonetheless remained some distinct difference between the usual state of the emperor, and that which Pangeran Adipati Anom shall enjoy in representing his father, I have therefore arranged it in this manner. Firstly, the crown prince when representing his father the emperor shall maintain the sovereign's full state, with this difference: that whereas the emperor sits on his sofa, and upon the Throne, The crown prince shall sit upon a chair equal in level to that of the Chief in front of the Throne. Secondly, that all orders, by a Nyai Lurah or Nyai Tumenggung 37. the 29th December 1787. Tumenggung, as coming from the Emperor, shall be brought to the crown prince, who shall issue the same in the sovereign's name to the present Raden Adipati Danureja. Thirdly, during the tournament game or sepetan, the crown prince shall not be permitted to ride on horseback from his seat along the very route that the emperor always takes, but must deviate slightly and ride off from his customary route expressly designated for that purpose, and Lastly, upon coming outside and going back inside, no other military honor shall be given to the crown prince than as customary, namely, three drum rolls, but while marching, the march shall be beaten. By this, in my opinion, there will remain enough of a discernible difference between the sovereign's appearance in public, or that of his Representative or son, the Pangeran Adipati Anom, and I hope that this arrangement of mine may carry the approval of Your Right Honorable as well as that of Their High Mightinesses. turn over
Dutch transcription
den 29: december 1787. 1493 1/5 kan: Transche off Caabse wijn, waar van. 893. – kann: aan 143: koppen Europeese zeevaerende 192: — kan: aan d: Caijnitsgasten - - - â 6: kan: 77:— „ „ 15 deks officieren. . . p„r maand „1 /0 4 „ 120: Europ: matroosen aan 18 kopp: Arthilieristen, hier van 131: 1/5: kann: 48: — k:n „ 2: bombardiers. . . â 6: k:n 3½ „ 41 2/5 „ „ 8: Camooniers - - „ 1 3/10: 15 — „ m: randlangers. . . 41 469 1/5: kann: aan 65: Coppen Europ: Militairen; als, 24:— k:n aan 1. Capitain of Luijtenant 48:— „ „ 2: vaendrigs - - - - - - p/a 6: k=n 96:— „ „ 4: Seagtants. . . . „ 41 3/5 „ „ 8: Corporaals - - - „1 3/10 „ „ Enn gemeenen- fo 34: — kann: Azijn Hollands, teweeten: 16:— kann: aan 8: Caijnits gasten. . . . . . 2: Bombardiers. . . . . -. 4: — „ „ „ 7 koppen Militairen, daar van 14:— „ p âa —½: k=n p=r m=t 2 – kann: aan 1. Capitain of Luitenant 969 4:- „ „ 2: Vaendrigs. - . . . - — „ „ m: sergeants. 361. 1/5. kann: Olijven Olie, daar van. 228: 2/5 kann: aan 143: kopp: Europeesen zeevaerende, als: 12 2/5 kann: aan 8: Caijuitsgasten. . . . 24:— „ „ 15: deks officieren. . -. „ „ 120 Mattroosen- 49 28: 1/5: kann: aan 18: koppen Arthilleristen 3 1/5 kan: aan 2: bombaerdiers. . . . 12 4/5. „ „ d: Cannoniers - - - - pâ - 1/5 kann: p=r maand 12:15: „ „ handlangers - - - 104:— kann: aan 65: Coppen Europ: Militairen 1 1/5. kan aan 1. Capitain of Luitenant 3. 1/5 „ „ 2. Vaendrigs - - - „ „ 4. Sergeants. . . . - 6 2/5 12 1/5 „ „ 8. Corporaals - - - - - „ „ 2: gemeenen - ƒ verte „ 35. den 29: december 1787. . .. A:o 1786. 633: 1/10: kannen Arak; waar van 5868: — kannen ordinair; te weeten: 1620: — kan: aan 135: koppen Europ: zeevaerende. 180:— kan: aan 15: deks officieren. .. 1440:—. —„ „ 129: Matroosen, 2760: — kan: aan 230:– koppen Inlandsche zeevaerende. 192:— „ 16: —: „ Arthilleristen „ 96: „ 8: handlangers, - - - - - - - - - - 1296:— kann: aan 108: Copp: Arthilleristen, als. 696: kann: aan 50. Europeesche militairen daar van 95: kan: aan 8: Corporaals - - - - - - - - - 600:— „ „ 50: gemeene - - - - - - - - - - 600:- „ aan 50: gemeene sipaijers - - - - - - - - :49: 19/10: kann: Extra aan 506: Coppen Europeesen en Inlanders; 96: kann: 8: Cannoniers - - - - - - . . . . . p â 3: kann: p=r maand 21. – lb wax kaarsen p â 16: lb: per maand 43½ „ Smeerkaersen Nog Extra voor meermelde 506: koppen Europeesen en Inlanders. 28 ps 3 17/15 p:s guinees gemeen gebl: tot tafel goed, 10 3/25: lb specerijen in zoort 135: — p=s porcelijnen in zoort 6¾: boeken kleen formaet papier 50: — p=s schagten, - - . . . -. Medicamenten, volgens reglement, - - - - - - p=s gerassen, tot verband doek, â 6: vaam voor 180: man smaands. Samarang den. Hoofd Administrateur van Santen! Geeft af de vooren en boven gemelde provisien voor 1/ maanden Randsoen. aan en ten behoeve van 506: Europeesen en Jnlanders, gaande in Expeditie na Elders. — 8 Dato voorsz: verte ƒ 1 . . . . den 29: december 1787. — Extract uit de brieff geschreeven door den opperkoopman en Eerste Resident te Zoura„ Carta willem Adriaan Palm, aan den wel Ed: gestr: Heer Jan Greeve, Raad van Needer„ landsch Indie, mitsg=s gouverneur en direc„ „teur op en Langs Javas N=t O=t Cust ged=t Soura Carta den 23: december 1787. — Ik heb mits deesen de eer uwel Ed: groot agtb: met en voor den vorst te bedanken voor het uitgewerkte bij H: H: Edelh: waar door den kroonprins geaccordeert werd 'svorsten statie te mogen gebruijken, wanneer den keij„ zer zijn vader in het publicq zal dienen te repraesentee„ ren, zo lang de debile lichaams Constitutie van den vorst hem niet zal permitteeren zelvs in het publicq te ver„ „scheinen, en daer H: H: Edelheedens gaarn zouden zien, dat 'er al egter eenig kennelijk onderscheid bleeft tusschen de gewoonelijke statie van den keijzer, en die welke pan„ gerang depattij Anom bij repraesentatie van sijn en vader zal genieten, zo heb ik het in deeser voegen gedirigeert. Eerstelijk zal den kroon prins bij repraesentatie van zijn vader den keijzer des vorsten volle statie voeren, met dit onderscheid dat daar den keijzer op zijn sopha sit, en op den Throon. Den kroonprins op een stoel gelijk standig, met die van het opperhoofd zal zitten voor den Troon„ Tweedens, dat alle ordres, door een Njeij Loera off Meij Tommonging 37. den 29: december 1787. — Tommongong, als van den Keijzer komende zullen gebragt werden, aan den kroonprins, die deselve op Tvorsten, naam zal uijtgeeven aa den praesent zijnde Radeen depattij Toijo diningrat. Derdene, Prij het Tournaij spel of sapton, zal den kroon„ prins van zijn sitplaets niet ver„ „mogen te paart te rijden, dezelve de konte die altoos den keijzer neemt, dog iets off moeten wijken en afreeden van desselvs gewonen, en daar toe expres bepaalde. route, en Laestelijk, werd bij het buijten koomen en weeder na binnen gaande, zal de kroonprins geen ander militair honneur gegeeven werden, als naar gewoonte name„ „lijk, drie roffels, dog onder het marchee„ ren, werd de marsch geslagen. — Hier door zal 'er mijns bedunkens kennelijk onder„ „scheid genoeg verblijven, tusschen 'S vorsten verschei„ nen in het publicq, ofte dat van desselvs Represen„ tant of zoon, den pangerang Adipattij Anom en ik hoop dat deese mijne schikking de goedkeuring van uwel Ed: gestr: agtb: zo wel als van Hunne Hoog Edelheedens, zal mogen wegdraegen. verte
English
Batavia To His High Excellency! The High, Noble, Severe, Highly Esteemed Lord 14 G 2 Master Willem Arnold Alting, Governor-General, and the Right Honorable, Severe Lords Councilors of Dutch India High, Noble, Severe, Highly Esteemed Lord, and Right Honorable Severe Lords, The contents of the appendices hereto, joined with those which I, together with a separate letter of 29 December 1787, dispatched to His High Excellency the Lord Governor-General, mainly contain the discovery of a clandestine correspondence between Pangeran Adipati Mangkunegara and his wife, the Sultan's daughter Ratu Bendara, who after her divorce had since married another but is now living in a state of widowhood. The object of this correspondence is to have this princess—who appears dissatisfied with her present reception at the Court of her father, and has made her complaints on that account to Pangeran Mangkunegara—come to him without the knowledge and against the will of the Sultan. For this purpose, according to the first report, he even intended to take an active role by such means as he deemed best suited thereto, but which, according to further news, is confined merely to the passive, namely that he would receive her under his protection with him if she took flight from Yogyakarta to him at Surakarta. Now, in order to prevent this plan from being carried out, it was considered among all means the best and most certain that disclosure thereof be made to the Sultan, and thus that the opportunity be taken away by that prince from his daughter to take a step which would not only be most offensive and painful to His Highness, but no less highly detrimental to all interests whose prudent alignment can make peace and tranquility enduring. As regards the contents of a certain paper appearing in copy translation among the aforementioned appendices, and which in some respect seems to indicate the beginnings of dissatisfaction with the Emperor's administration and some attempts against the tranquility of his Government, it is thought that, although considered very well suited to make a great stir, and thus an object by no means to be concealed by the princes from the Company, it is nevertheless of little significance, whereas one might otherwise consider its contents not entirely beyond speculation, or at least as very well designed for the purpose of making an impression upon a people so very devoted to superstition. Your High Excellencies will further gather from the said appendices that such a paper was found only in Surakarta, and that the writer has not yet been discovered, for which purpose, however, all most expedient means are being employed. As soon as I receive further news of a good outcome thereof and the attainment of the intended objective, both in this matter and toward the thwarting of what has been plotted between Pangeran Mangkunegara and Ratu Bendara, I shall have the honor of informing Your High Excellencies thereof. Meanwhile I call myself, with due respect, below stood Title lower Your High Excellencies' humble and faithful servant was signed Jan Greeve, in margin Semarang the 1st of January 1788. the 1st of January 1788. turn over 41 the 1st of January 1788. Copy Separate letter written by the Senior Merchant and First Resident at Surakarta W. A. Palm, to the Right Honorable Severe Lord J. Greeve, Councilor of Dutch India, and Governor and Director on and along Java's Northeast Coast, dated 31 December 1787. After I had received and read, upon my repeated request, the summary of the missive sent by Pangeran Mangkunegara to Your Right Honorable Severe Esteemed Worship, I found its contents to be of such a nature that I could not refrain from conferring with the said Pangeran about it in a firm manner and in suitable terms, which I then also executed on Saturday the 29th and asked him, the Pangeran, for the explanation of the bad reports given to Your Right Honorable Severe Esteemed Worship, and also suggested to him what disadvantageous conjectures Your Right Honorable Severe Esteemed Worship and the Company might not deduce therefrom, such as whether reasons to complain had been given to him, the Pangeran, either by the Emperor or the Chief; that I could therefore assume nothing else from this than that the Pangeran no longer intended to maintain sincere brotherly friendship with me; and what it would be if we were once to weigh and measure to whom it would be most permissible to complain. Whereupon I then went on further to ask whether I had not at all Garebeg festivals come in person to notify the Pangeran, whether he was sick or healthy, of the day that the Emperor had appointed for the celebration of the feasts, and subsequently invited him in the friendliest manner to attend the festivities in the Lodge, but that he had always excused himself, stating that the Emperor had not received His Highness
Dutch transcription
Batavia Aan zijn Hoog Edelheed! Den Hoog Edel, gestrenge, groot Achtbaeren Heere 14 G 2 M„r Willem Arnold Alling. Gouverneur generaal, en De Wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Neederlands Jndia Hoog Edel Gestrenge, groot Achtbaeren Heere, en Wel Edele Gestrenge Heeren; Den inhoud der Bijlaegen deeses, gevoegd, bij die, welke ik, neevens een apart briefje van den 29: December 1787. aan zijn Hoog Edelheid den Heere Gouverneur Generaal hebbe afge„ vaardigd, Contineert Hoofdzakelijk de ontdekking van eene Clandeskine Correspondentie tusschen den pangerang Depatti Mangfoenagoro. in zijne, na haere Egtscheiding, seedert met een ander gehuuwde dog tans in den weduwlijken staat leevende vrouw, 's sulthans Dogter de Rathoe Bendhoro, en heeft ten doelwit om deese princes, die over het teegenwoor„ „dig onthaal ten Hove van Haaren vader misnoegd scheint, en haere klagten, desweegens aan pangerang MangCoenagara den 7=e Januarij 1788. — heeft 39. heeft gedaan, buijten weeten en in weerwil van den sulthan, tot sig te doen koomen, waar toe hij, volgens het eerste berigt, selvs. acties wilde zijn, door soodaenige middelen, als hij meende daar toe best te weesen, dog het welk, volgens de nadere tijding, sig slegts tot het passive bepaald namelijk, dat hij haar bij sig onder zijne bescherming soude ontvangen, als zij de vlugt van Djokjocarta, tot hem op soura Carta quam neemen Om nu voortekoomen, dat dit plan niet volvoerd worde, heeft men, van alle middelen, dit als het beste en zeeker„ „ste beschouwd, dat daar van aan den sulthan opening gegee„ „ven, en dus door dien vorst aan zijne Dogter de geleegenheid benoomen word, om een pas te begaan, welke voor zijne. Hoogheid niet dan ten hoogsten beledigend en smertelijk, en niet minder voor alle belangens, welker voorsigtige vereeni„ ging de reest en vreede geduursaam kunnen doen zijn, ten hoogsten nadeelig soude weezen. wat betreft den inhoud van seeker papier onder de voorsz: bijlaegen in Copia translaat voorkomende, en het welk in eenig opsigt de beginselen van misnoegen over 'S keijzers bestier en eenige aanslagen op de rust zijner Regeering schijnd aan te duijden, dit meend men dat schoon beschouwd als seer wel geschikt om veel eclat te maeken, en dus een object, door de vorsten den 1: Januarij 1788. voor voor de Comp:e in geenen deele te verbergen, egter van weijnig beteekenis is, daar men anders dies inhoud soude moogen agten als niet geheel buijten specula„ „tie ten minsten als seer wel ingerigt na het oog„ merk, om namelijk bij een volk, so seer verslaafd aan het bijgeloof, impressie te verwekken. Uw Hoog Edelheeden sal voorts nog uijt de gemelde Bijlacgen Consteeren, dat men alleen te sou„ ra Carta sulk een papier gevonden heeft, en dat men den schrijver tot nog toe niet heeft ontdekt, waar toe egter alle meest dienstige middelen worden aangewend. So dra ik van een goede uijtslag derselve en be„ reijking van het bedoelde oogmerk so wel in deesen, als ter verijdeling van het geconverteerde tusschen Pangerang Mancoenogoro en de Ratoe Bendhoro nader bezigt ontvange, sal ik de eer hebbe uw. Hoog Edelheeden daar van kennis te geeven. Intiaschen noem ik mij, met de verschuldigde eerbied /:onderstond:/ Titul /Lager / uwer Hoog Edelheeden onder„ danige en getrouwe dienaer /:was geteekent:/ Jan Greeve, /:in margine / Samarang den 1:e Jann: 1788: — den 1=e January 1788. verte 41 den 1: Januarij 1788. — Copia Aparte brief geschrieven door den opper koop„ man en Eerste Resident te Souracarta W: A: Palm, aan den wel Edelen gestr Heer I: Greeve, Raad van Neederlandsch Jndie, en Gouverneur en Directeur op en langs Iavas Noord oost kust, dato 31: decemb„r 1787. — Na dat ik de ringring van de door pangerang Mangcoe„ nagara, aan Uwel Ed: gestr: agtb: afgezondene missive op mijn herhaald. requisit ontfangen en geleesen hadde, vond ik dies inhoud van dien aard, dat ik mij niet konde onthouden gem: pangerang daar over op een Cordaete wijze ingepaste termen te onderhouden, het welk ik dan ook op saturdag den 29: heb g'executeerd en hem pangerang de Explicatie gevraagd, van de rogne berigten aan uwel Ed: gestr agtb: gegeeven, en ook in be„ „denking, gegeeven, wat of uw Ed: gestr: agtb: en de Comp. daar uijt niet al voor nadeelige Confectuures souwde kunnen opmae„ „ken, als, of hem pangerang of door den keijzer ofte het opperhoofd eenige reeden van zig te beklaegen gegeeven waeren, dat ik hier uit dus niet anders konde veronderstellen, als dat den panga„ rang met mij geen opregte broederlijke vriendschap meer meende te houden, en wat het zijn zouwde, indien we Eens aan het wilken en weegen gingen, aan wien het meest geoorloofd zouwde zijn, zig te beklaegen, waar op ik dan verder voortging te vragen, of ik niet bij alle grabats tijden den pangerang in perzoon, het zij ziek of gezond was komen aanzeggen, de dag die den keijzer tot het vieren van de feesten hadde bepaals, en vervolgens hem op 't vriendelijkste geinviteert, de voolijkheeden in de Logie bij te woonen, dog dat zig altoos hadde ge rexcuseert, dat den keijser zijn Hoogheid niet en hadde ontfan gen „ C. O.
English
in the illness of Ratoe Kintjono and at Her Highness's last moments, that such was after all excusable everywhere and especially among his own countrymen; furthermore, that the Emperor had not left his apartments in five months already, that it was indeed only very recently that the Pangerang had promised me upon all that was dear, not only that if I could arrange for his son Soerio Cesoemo to marry Princess Sophia, His Highness would bind himself in all things to submit to the pleasure of the Emperor and the Company; that I subsequently drafted a new contract thereof, which the Pangerang not only properly signed and sealed along with the Emperor and Pangerang Depattij Anom, as well as the undersigned, but also confirmed with the most solemn oaths in our aforementioned presence; and notwithstanding all this, from the contents of the aforementioned missive to the Honorable Governor, it had sufficiently to be concluded as though His Highness had not been treated properly, that I had always dealt with His Highness too forthrightly, so as to make me, as it were, suspect to my master, and whether His Honor had any grievances or had ever given me notice thereof, and I had shown myself unwilling to remove them; and more similar harangues occurred that morning, which the prince had not expected, who excused himself in the best possible manner, not to say swore that he had not meant it in any bad sense, and that he had stayed away from the Garebeg times for no other reason than the sickly condition of the Emperor and Empress, and that it would thus also not be fitting to make merry at this juncture solely among the Sentonas and Wedonos, especially requesting that no other thoughts be entertained in that regard; that once the Emperor and the undersigned were restored to health again, he would then uninvited, as a brother and true friend, visit me even if it were no Garebeg, as indeed he had often done before; and with this the audience ended under repeated assurances of all goodwill, and I am perhaps already reconciled with Mancoenagara for the third or fourth time. I had prepared this thus far on Saturday evening the 29th of this month, when due to weakness I had to go to bed, and was knocked awake again at two o'clock in the night by the sergeant of the guard, who handed me Your Right Honorable's highly respected letter of the 29th of the same month, in which you are pleased to inform me of the intention to send the aforementioned Pangerang a counter-present, and properly to place before him his duty in a firm, yet at the same time most suitable manner, which cannot but have a good effect on what has already occurred between that prince and the humble signatory. Furthermore, by these presents I shall have the honor to answer the aforementioned missive of Your Right Honorable punctually, and to commit to paper my humble thoughts on various points appearing therein. The matter of Ratoe Bendoro with Pangerang Mancoenogoro could have the most dangerous consequences if it were not provided for in time, which is why I immediately gave notice thereof to Mr. van Ysseldijk in order to be mindful of what is necessary, and if need be, the Lord Sultan ought to be informed of what is smoldering beneath the ashes, and requested not to let Ratoe Bendoro go outside the Kraton, but to keep her in secure custody, for if she slips away and takes her passport under her feet towards this place, as I have further learned the counsel of Mancoenogoro entails, then I see no chance of getting her out of his clutches again; it is better to have promised a little too little than too much. That one was previously always inclined to suppose Ratoe Bendoro was averse to her husband has arisen from nothing other than the pretenses of the ministers, but she was forbidden by her father and subsequently forced to show disrespect to Pangerang Mancoenogoro, etc., etc., etc. That reasons of state do not permit her to return to her husband is indisputable, and therefore Your Right Honorable may rest assured of my zealous efforts to prevent this as much as possible, although according to nature and Javanese law I have always acknowledged that right in this matter is on the side of Mancoenogoro. However, to speak to the said Pangerang about this matter now, as the New Year celebration falls tomorrow, I consider extremely questionable; moreover, I have not yet received any answer to my letter sent to Mr. van Ysseldijk at the same time as the one to Your Right Honorable, and thus, in the hope of favorable interpretation and approval from Your Right Honorable, I intend to pause a little with the delivery of your letter and gift to Mancoenogoro until after New Year. Meanwhile, I am watchful day and night over the conduct of the frequently mentioned prince, of which Your Right Honorable may rest assured; as also that I still have some influence, at which time I shall also lay open and make clear to his understanding the reprimand concerning this which Your Right Honorable wishes me to give the Pangerang, so that he will indeed cease this negotiation again, just as fourteen years ago when he also sent an emissary to Ratoe Bendoro, but
Dutch transcription
„gen in de ziekte van de Ratoe kintjono en op Haar Hoogheids laaste ogenblik dat zulks immers over al en vooral bij zijn Eijgen Lands genooten Excusabel was; boven dien, dat den keijzers reeds in geen vijf maanden zijn appartementen verlaeten hadde, dat 't Immers nog maer zeer kort geleeden was, dat den pangerang mij op al wat dierbaar was beloofd hadde, niet alleen dat zo wanneer ik konde maeken desselvs zoon soerio Cesoemo, met de prin„ „lesse sophia Trouwde zijn Hoogheid zig in alles verbinden zoude zig te onderwerpen, aan het welbehaegen van den keijzer en de Comp. dat ik ook vervolgens daar van ontworpen hebbe een Nieuw Contract, het welk hij pangerang niet alleen met den Keijzer en pangerang depattij Anom, beneevens den ondergetee„ kende behoorlijk onderteekend en gezeegeld heeft, maar ook, in onsen genoemdens praesentie, met de solemneelste Eede heeft bevestigdt, en niet teegenstaande, dit alles uit den inhoud van voorm: missive aan de Edelheer Gouverneur genoegsaam moest opgemaakt worden, als of zijn Hoogheid niet na behooren was gehandeld, dat ik te fordaat altoos met zijn Hoogheid was omme gegaan, om mij op zo een manier als het waere bij mijn gebieder verdagt te mae„ „ken, en zo zijn Edele al eenige beseaeren hadde of mij ooijt ofte ooijt daar van kennis hadde gegeeven, en ik mij onwillig hadde getoont, die uit den weg te ruijmen, en meerder zoortgelijke harrang ins zijn er die morgen voorgevallen, die den prins niet verwagt hadde, die zig op de best mogelijke wijze verschoonde, niet te zeggen en te sweeren het in geen quaden zin gemeent te hebben, en dat hij om geen andere reeden van Grabbaks tijden was weg gebleeven, als om des keijzers en keijzerinnes ziekelijke toestand, en het dus ook niet zoude passen zig alleen bij de sintonos, en wedonos; in dit tijds stip te vervaolijken voor al verzoekende geen andere gedagten den 1=e January 1788. daar 43 den 1: Januarij 1788. daar omtrent te voeden, dat als de keijser en den ondergeteekende eens weeder hersteld waeren, hij als dan ongenoodigt als Broeder en waare vriend mij zoude bezoeken, of schoon geen grabak, dat Jmmers wel meer gedaan hadde, en hier meede is deese au„ dientie onder herhaalde verseekering van alle welmeenendheid afgeloopen, en ik ben mogelijk al voor de derde af vierde maal weeder met Mancoenagara verzoent. Deeze had ik dus verre ingereedheid gebragt op satendag avond den 29:' deeser, wanneer ik uit swakheid mij ter kooij moest begeeven, en des nagts om twee uuren weeder opgeklopt wierd, door de sergeant van de wagt, die mij overhandigde uwel Ed: gestr: agtb: Hoog gerespecteerde meede van den 29: d=o waar bij mij wel gelieft kennis te geeven, voorneemens waerd om meerm: pang=s een Contra praesens te zenden, en eens deftig zijne pligts op een Cordaete, dog teffens aller gepaste wijse voor te houden, dat met anders als een goede uitwerking kan hebben op het geene tus„ schen dien prins en den needrigen teekenaer bereeds is voorgevallen. — verders zal ik d' Eer hebben mits deesen voormelde uwel Ed: gestr agtb: missive punctueel te beantwoorden, en mijne Humble gedagten, over een en andere poincten daar bij voorkomende ten papiere te brengen; De zaak van Ratoe Bendoro met pangerang Mancoenogoro zoude van de gevaarlijkste gevolgen kunnen zijn, zo'er niet in tijds in voorsien wierd, waarom ook direct daar van kennis heb gegee„ ven aan den Heer van ijsseldijk om op het noodige verdagt te zijn, en des noods, dient den Heer sulthan van 't onder de assmeulende kennis gegeeven worden, en verzogt daer Ratoe Bendoro met buijten den Dalm te laeten gaan, maar in Cierele verseeke„ „ring te houden, want ontslipt zij, en neemt zij haar paspoort onder de voeten na herwaards, zo als ik nader vernomen heb den den Raad van Mancoenogoro meede brengt, dan ik geen kans, om ze weederom uit zijne klauwen te krijgen, het is beeter wat te min dan te veel beloofd. Dat men te vooren altoos geinclineert is geweest te veronderstellen Ratoe Bendoro afkeerig was van Haar man is nergens uit ontsprooten, als uit 't voorgeeven der ministers, dog zij is door haar verder verbied en vervolgens gedwongen om pangerang Mancoenogoro kleiagting aan te doen &: &: &: Dat nu de staat kunde niet meede en brengt, dat zij wee„ „der bij haar man komt is onbetwistbaar, en daarom kan uwel Ed: gestr agtb: zig gerust op mijn ijverige pogingen verlaaten; van dit zo veel mogelijk is te zullen beletten, schoon ik na den aard en Javaansche wet altoos heb erkent het regt in deesen aan de zijde van Mancoenogoro is. — Dog om gem: pangerang over deese zaak tans te spreeken, daar morgen het Nieuwe Jaars feest invall, agt ik ten uitersten bedenkelijk, daar en boven heb ik op mijn brief aan de Heer van ijsseldijk te gelijk met die aan uwelEd: gestragtb: versonden nog geen antwoord, en dus meen ik in hoop van gunstig welduijden en approbatie van uwel Ed: gestr: agtb: met de bestelling van toogst desselvs brieff in geschenk aan Mancoenogoro nog wat te pocee„ ren, tot na Nieuw Jaar, intusschen ben ik nagt en dag waaksaam op het gedrag van dikwerff genoemde prins, daar kan uwel Ed gestr: agtb: zig gerust op verlaeten; alzo ook dat ik nog al wat vermag, als wanneer dan ook het ophem daar over uwel Ed: gestr: agtb: tem pangerang door mij geleeft te doen onderhou„ den zal openleggen en wel zo aan zijn verstand brengen, dat hij deese Negociatie wel weeder zal staeken, zo als voorthien Jaaren dat hij ook een sendeling zond, aan Ratoe Bendhoro den 1: Januarij 1788. — dog
English
45 the 1st of January 1788: but who returned home without a head, and who knows what will happen to this one: As for the vicious paper that was found in the public square in the open gamelan house, it will be difficult to discover who the author was; however, regarding this, one would do Manjoenogoro an injustice to suspect him, as he does not occupy himself with such trifles, but if he has something in mind he simply blurts it out. Rather, I would suspect the children of pangerang Rongo in this, which is all of Popish descent from Damak. From Djokjocarta I have not yet received word whether such a paper has also been scattered there, although I have simultaneously given notice of it to the Chief; with the addition of a translation, which letter was also dispatched at the same time as the one to your Right Honorable Sirs. From what was set down herebefore concerning Mancoenogoro's made excuses, when we truly explained ourselves regarding his writings to your Right Honorable Sirs, your Right Honorable Sirs will have been able to perceive that no semblance of displeasure from him towards the Emperor, Crown Prince, or the undersigned takes place, and I therefore request to be excused from stating the reasons for a suspected displeasure. Yet to humor Mancoenogoro, and to keep him in a good temper, as much is done as is possible; however, this requires a certain phlegm, as it is also highly necessary to keep his duty, which he now and then tends to forget, before his eyes in resolute, yet fitting terms, and to lay entirely bare and naked the detrimental consequences for him in his old age. By this means I have at least always won the dispute with him, for this is not the first time, highly honored rulers, that I I have dealt with that field commander, but for a long time now I have had quite delicate and momentous scenes with him, yet have always triumphed. For the rest, I can assure your Right Honorable Sirs that never or ever has any Native, much less Mancoenogoro, been given, or will be given, reasons for offense by me, and I have continually and always aimed to observe the preservation of peace and quiet with those weak weapons that the Company has granted us, and have employed all other means thereto which do not injure the Company's esteem. Nor is it at all the case that I would not understand that pangerang Mancoenogoro should not be made to feel, much less have a humiliating sense of, the prerogatives granted to the Crown Prince or pangerang depattij Anon; and therefore I have also only mentioned in passing to His Highness that on garebeg, pangerang Depattij would represent his father the Emperor, just as has already been practiced 3 to 4 times now, and in which everything was concluded in the utmost good order. And it would also conflict with the respect that is observed with the strictest compliance among the Mohammedans, and in which there is very much to observe. Nor has he ever yet been demanded to come or go against his will, regarding which he will have to confess that he has always been left his free choice, and has thus been treated with all regard and consideration. And with that I shall then also continue henceforth, and thus most humbly observe the wholesome and highly respected order of your Right Honorable Sirs contained in the aforementioned missive, and to be able to comply with it I shall consider a special honor and fortune. While after having commended your Right Honorable Sirs to the merciful protection of the Almighty, I remain /:underneath stood / Title/ the 1st of January 1788. /Lower/ 7 the 1st of January 1788. /:Lower:/ your Right Honorable Sirs' most obedient and humble servant /:was signed:/ W: A: Palm, /:in the margin:/ Souracarta the 31st of December 1787. /:below that stood:/ P.S. Just as I am about to close this, I receive the answer from Mr. van Ijsseldijk, to which I have replied in all haste, as your Right Honorable Sirs will perceive in the enclosed copy, and I hope it will be to your Right Honorable Sirs' satisfaction. I also send the original letter from Mr. Ijsseldijk in order to inform your Right Honorable Sirs of everything as swiftly as possible, and shall await its return after reading. Extract of a missive written by the Senior Merchant and First Resident at Djokjocarta, W: A: van Ijsseldijk, to the aforementioned First Resident at SouraCarta, W: A: Palm, dated the 30th of December 1787. The contents of your Right Honorable Sir's esteemed letter of the 28th of this month appear to me to be of such importance that I would exceed my duty if I did not reply thereto with the utmost speed. I thank your Right Honorable Sir in advance for sending Titjo widjoija, who has been secured in the fortress and is, and will be, provided with the necessary opium; however, I let the corporal and four privates who brought him hither depart again under the escort of this letter, in order to have him escorted from here with an equal command upon his return, which will take place as soon as possible. Along with your Right Honorable Sir, I am surprised that at this Court, just as at Solo, such a questionable paper has not also been found, since the same seems to be addressed to both monarchs
Dutch transcription
45 den 1=e Januarij 1788: dog die zonder kop weeder te huijs quam, en wie weet wat deese overkomt: wat nu betreft het visieuse papier, dat op de publicque plaats in het open gamelang huijs gevonden is, zal moeijelijk te ontdekken zijn, wil den schrijver is geweest, dog des weegens zoude men Manjoenogoro te kort doen hem te verdenken als houdende zig met sulke beuselagtigheeden niet op maar iets voor hebbende vlapt hij het 'er maar uit, veel een zoude ik de kinderen van pangerang Rongo, hier in verdenken, dat dog alles van Paapsche afkomst van Damak is, van D jok Jocarta heb nog geen narigt of 'er meede niet zo een papier is uijtge„ „trooijt, schoon ik te gelijk daar van kennis heb gegeeven aan't Heer opperhoofd; met bijvoeging van een translaat, welke brief al meede te gelijk met die aan uwelEd: gestr: agtb: is afgegaan. uit het hier vooren ter needer gestelde omtrent Mancoenogoro gemaakte Excusen, doen wij ons weegens zijn schreijvens aan uwel Ed: gestr: agtb: eens regt Expliceerden zal uwelEd: gestr: agtb: hebben kunnen ontwaren, 'er geen schijn van misnoegen van hem Jeegens den keijzer, kroonprins of den ondergeteekende plaets vind, en ver zoek ik dus g'excuseerd, te mogen weezen, de reeden van een verdagt misnoegen op te geeven. — Dan om Mancoenogoro te vieren, en in een goede Luijm te houden, kan en word zo veel mogelijk gedaen, egter gehoord hier toe al een zee„ „ker flegina, alzo 't tevens Hoogst: noodsakelijk is, om hemn op een Cordate, dog in gepaste termen zijn, pligt dien hij nu en dan wel eens vergeet voor oogen te houden, en de voor hem nadeelige gevol„ gen op zijn ouden dag maar eens heel nakend en blood te leggen, hier door heb ik ten minsten nog altoos het proces met hem ge„ wonnen, want dit is de eerste maal niet, Hoog geeende gebieden, ik ik met dien veld heer aan de gang ben geweest, maar al voorlang heb ik gants netelige en gewigtige scenes met hem gehad, dog nog altoos getruimpheert, voor 't overige kan ik uwel Ed: gestr: agtb: verseekeren, dat nimmer of ooijt een Inlander veel min Mancoe„ nogoro door mij reedenen van offensie zijn gegeeven, ofte gegeeven 17. zullen worden, en ik nog bij Continuatie altoos daar op uit ben geweest, om met die swakke wapens die de Comp:e ons geleft steeds de Conservatie van de rust en vreede m agt te neemen, en alle andere middelen daar toe aangewend hebbe, welke Comp: agting niet en krenken; ook zij het verre dat ik niet soude begrijppen dat men pangerang Mancoenogoro geen gevoel veel min een ver„ neederend gevoel van de praerogativen aan den kroon prins of pangerang de pattij Anon: toegestaan moet toegebragt werden, en daarom heb ik ook maar als ter loops aan Z: H: kenis ge„ geeven, dat op grabbak en pangerang Depattij desselvs vader den keijser zoude Repraesenteeren, zo als nu bereeds 3. â 4. maelen g'exteert is, en waar bij alles in de uijtersten goede order is afge„ loopen, en 't zouwde ook staijden teegens de Eerbied, die onder de Mahometanen in de stipste opservantie genomen word, en waar bij al zeer veel te observeeren is; Hem is ook nog nimmer gevergt„ om teegens zijn zin te komen of te gaan, waar omtrent hij zal moeten bekennen hem altoos zijn vrije keuse gelaeten is, en dus met alle reguard en Consideratie is behandeld geworden, en daar meede zal ik dan ook zo voortaan Continueeren, en alzo aller nee„ „drigst in observantie neemen, de Heilzame en zeer gerespecteerde ordre van uwel Ed: gestr: agtb: bij voormelde missive vervat, en waar aan te kunnen voldoen, mij een bijsondere Eer en geluk zal reeke„ nen; Terwijl naer uwelEd: gestr: agtb: in de genadige bescherming des Aller hoogsten aanbevoolen te hebben verblijve /:onderstond / Titul/ den 1:' Januarij 1788. — /Lager/ 7 den 1: Januarij 1788. /:Lager:/ uwel Ed: gestr: agtb: zeer gehoorzame en onderdanige dienaer /:was geteekend:/ W: A: Palm, /:in margine:/ sou„ racarta den 31: december 1787. /:daar onderstond:/ P: D: so als dese wil sluijten ontfang ik het antwoord van de Heer van ijsseldijk, waar op ik in aller ijl geantwooijd heb, so als uwel Ed: gestr: agtb: i't inleggende Copia sulks ontwaren, en ik hoop na genoegen van uwel Ed: gestr: agtb: zal zijn Jk send ook de origineele brieff van de Heer ijsseldijk om uwel Ed: gestr: agtb: ten allerspoedigsten van alles kennis te geeven en sal deselve na lectuure te rug verwagten. Extract missive geschreeven door den opperkoop„ man en Eerste Resident te djokjocaata w: A: van Ijsseldijk, aan den eeven gem: Eerste Resident te SouraCarta W: A: Palm, in dato 30: dec: 177. Den inhoud van uwel Ed: agtb: g'Eerde brief van den 28: deeser, komt mij voor, van dat aanbelang te zijn, dat ik buijten mijne pligt soude gaan, so ik daar op niet ten spoedigsten rescribeerde Ik bedanke uwel Ed: agtb: voor af, voor de toezending van Titjo widjoija, die in het fortres gesecureert, en van de noodige Amphioen voorsien is, en zal worden, dog laete ik den Corporaal en vier gemeenen, die hem herwaerds hebben overgebragt, onder geleide deeses, weederom vertrek„ „ken om hem bij sijne te rug sending, die so dra mogelijk plaets sal hebben, met een gelijk Commando, van hier te laten Excorteeren. Met uwel Ed: gestr:, ben ik verwonderd, dat 'er aan dit Hoff, eeven als op solo, meede niet so een bedenkelijk pa„ pier gevonden is, daar het selve aan beide vorsten scheint, geaddresseert „
English
to be addressed, but I can safely assure your Right Honorable, nothing is known of it here, and that a writing of such contents would cause too much sensation to be able to remain concealed, the more so as it is very far from being drafted for the elevation, but rather for the greatest humiliation, of the princes, and they therefore above all could have no reason to hide such a thing from the Company, which in case of any matter of importance cannot be indifferent to them to have as an ally and helper, and that if the sultan's way of thinking should ever dissuade him from giving notice of it to the Company, it surely would have come to my attention through various other ways. Meanwhile I thank your Right Honorable most cordially for the sending, and after taking a copy I shall send the writing back. It were to be wished the author—who in all respects shows himself to be a rascal, and contradicts himself more than once, yea even, writing to the sultan, once again thinks to have the emperor before him—might be discovered and rewarded according to his works. Of more, yea, of the greatest importance is the news that your Right Honorable communicates to me on the subject of Ratoe Bendoro and David, which has surprised me not a little and so astonished me that, if your Right Honorable did not give assurance of the authenticity in the strongest terms, I should almost have to think it was impossible. I cannot understand what moves the woman to come to such an extravagant step, since I can assure your Right Honorable that through the death of Dieponogoro she is not in the least curtailed in her income, as the youngest legitimate son of the crown prince, the 1st of January 1788. 49. The 1st of January 1788. named prince Radeen Maas Rimor, who has been adopted and raised by her and is not above 7 years old, has immediately been placed in the entire Doedoekang of Dipanagara, with no other purpose than to give her the usufruct thereof; and pangerang Djoijo Coesoemo, who has succeeded the deceased in his office, has, as a proof thereof, had to content himself with the meager improvement of 50 tjatjas. Besides, the person must surely be as much assured as anyone that her return to Mancoenagara would be the only and certain way for the latter to avenge himself upon his irreconcilable enemy, the sultan, for the last time, but also in the most painful manner, and she herself, being convinced of the more than ordinary attachment that her father has always had for her, would exchange the enjoyment thereof for a treatment perhaps crueler than death itself. At the previous garebegs of Poeassa and Bazaer she was in the sultan's Dalam, but at the latest feast not, which I nevertheless attributed to her indisposition, which appears to be attributable to an imaginary pregnancy and now, at the end, to a consumptive constitution, but which now causes me no small suspicion, the more so as I remember that, two days after the feast, at 11 o'clock in the evening, when I was already lying in bed, Danveridja in person, in the name of the sultan, came to request me to go the next day with my chief surgeon to his daughter, to examine whether there was anything in our pharmacy that could be of service to her in her ailing situation; and arriving there, I could perceive no particular illness in the woman, and the medicines of Hornof having been offered to her, after permission obtained from her father, she sent her thanks to me and to say that her illness was of no importance. Yet, since I say repeatedly that I may not give the least place to doubt regarding your Right Honorable's assurance, I have deemed it advisable to give notice of the matter to the Grand Vizier in all secrecy, in order to clear myself of responsibility in the event of an unexpected step from one side or the other; who was not a little embarrassed about the matter, and at first inclined to communicate it to the sultan, but as I am not certain whether this accords with your Right Honorable's sentiment, I have agreed with him to do nothing in this without having taken your Right Honorable's prudent advice, with the promise not only to write to your Right Honorable about it by post, but also to request to put us in a position, if necessary, to be able to convince the prince of the truth of the case, since the least uncertainty would terribly kindle the sultan into anger, and the contrivance sometimes taking place solely from the side of Mancoenagara, this would greatly alter the matter and give the sultan occasion to take his daughter to himself into the kraton, and thereby as it were foil his enemy's design at once. Copy of the reply to the above-mentioned extract letter, from the First Resident Palm to the First Resident van Ysseldijk, dated Soura Carta, the 31st of December 1787. In order to comply with your Right Honorable's urgent requisition for an answer to your very esteemed letter of yesterday, I serve in response thereto without the least delay, and without touching upon other affairs than those concerning the Rathoe Bendhoro, this answer the 1st of January 1788. to
Dutch transcription
geaddresseert te zijn, dog ik kan uwel Ed: gestr: gerust verseekeren, men 'er hier niets van weet, en dat een geschrift van dien inhoud, te veel eclat maken soude, om te kunnen verholen blijven, te meer daar het wel verre is van opge„ „steld te zijn, tot verheffing, maar veel eer tot de grootste verneedering, van de vorsten, en deese daarom voor alles geene deeden kunnen hebben, sulks voor d' Comp„e die haar in geval van eenig aanbelang, niet onvoorschillig kan zijn om tot een Bondgenoot, en meede helpen te hebben, te verbrengen, en dat so des sulthans manier van denken, hem al eens af„ raede, om 'er de Comp:e kennis van te geeven, het mij seeker door verscheide andere weegen soude zijn te vore gekomen, Ik bedanke uwel Ed: agtb: intusschen ten hartelijksten, voor de toesending, en zal ik na genomene Copia, het geschrift te rug senden het was te wenschen den opsteller /: die in alle opzigten toond, een halste zijn, en zig meer als eens teegen spreekt, Ja selve, aan den sulthan schrijvende, ook al eens weeder denkt, den keijser voor te hebben :/ ontdekt, en Loon na werken mogt verschaft worden. — van meer, Ia, van het grootste belang is de tijding die uwel Ed: agtb: mij meede deelt, op het suijet van Ratoe Bendoro en David, die mij met weinig verzet, en sodanig verwonderd heeft, dat so uwel Ed: agtb: niet ten stelligsten van de egtheid verseekering deed, ik haast soude moeten denken, 't onmogelijk was. — Ik kan niet begrijpen, wat de vrouw moveert tot eene so buijte sporige stap te komen, daar ik uw Ed: agtb: verseekeren kan, dat zij door den dood van Dieponogoro, met in't minste verkort is, in haare inkomsten, alst de Jongste Egte zoon van den kroon„ den 1: Januarij 1788. prins 49. Den 1:' Januarij 1788. — prins Radeen Maas Rimor genaamt, die bij haar aange„ noomen, en opgevoerd word, en niet boven de 7: Jaaren oud is, ten Eerste in de geheele Doedoekang van Dipanagara is gesteld, met geen ander oogmerk, als om haar waar van 't vrugt gebruik te geeven, en heeft sig pangerang Djoijo Coesoemo„ die den overleedene in zijn werk opgevolgd is, als een bewijs daar van, sig moete vergenoegen, met de sobere verbetering van 50: tjatjas, daar bij moet het mensch immers so veel als iemand verseekert zijn, dat haare terug beering tot Mancoenagara, de eenige en seekere weg soude zijn, dat deese sig aan zijn onver„ soenelijke vijand den sulthan, voor het laest; maar ook op 't allergevoeligste konde wreeken, en sij selve overtuijgt zijnde, van 't meer den gemeen attachement, dat haar vader, voor haar altoos gehad heeft, het genot, daar van soude verwisselen teegens„ eene behandeling, misschien wreeder als de dood selve. Bij de vorige grabbaks van Poeassa en Bazaer, is sij in den zul„ Dalm geweest, dog bij het Jongste feest met, dat ik egter toegeschreeve hebbe, aan haare Indispositie, die door eene ingebeelde swangerheid, en nu bij het eende, aan eene teering agtige gesteltenis scheint toe teschrij„ ven, te zijn, dog bij mij nu geen geringe agter dogt baart, te meer als ik mij herinne, dat, twee dagen na het feest, savonds om 11: uuren al te ded leggende mij Danveridja in persoon, in't naam vanden sulthan kwam versoeken, om des anderendaags, met mijn opper„ „meester eens bij sijne Dogter te gaan, om te Eprouveeren. af 'er in onsen Apotheek iets was, dat haar in haar suckelen de titua„ „tie van dienst kon zijn, en daar komende, ik aan de vrouw geene bijsondere siekte ontwaeren konde, en de medicijnen van Hornof, na bekomen permissie van haar vader, haar aangeboden sijnde, sij sij mij Liet bedanken, en seggen; dat haere siekte, dan geen belang was. Dan daar ik bij herhaling segge, geen twijffel in 't minste te mogen plaets geeven, aan uwel Ed: agtb: verzeekering, hebbe ik het raadsaam geoordeelt, om den Rijksbestierder in alle secretase, van de zaak kennis te geeven, ten einde mij bij eene onver„ wagte stap van de een of andere sijde, buijten verantwoor„ „ding te stellen, die met weinig over de saak verleegen, en ten eerste geneegen was, om 'er den sulthan Communicatie van te doen, dog daar ik niet verseekerd ben, of dit wel slaagt met uwEd: agtb: gevoelen, ben ik met hem over een gekoomen, in deese niets te doen, zonder uw Ed agtb: voorsigtige raadgee„ „ving, te hebben ingenoomen, met belofte om uwEd: gesta met alleen, als per post 'er over te schrijven, maar ook te versoeken, ons in staat te stellen, om den vorst. des noods van, de waarheid van het geval, te kunnen overtuijgen, daar de minste onseeker„ heid, den sulthan vreeselijk in toorn soude ontsteeken, en de uitvinding somtijds al leen vande kant van Mancoenagara plaets hebbende, dit de saak seer veranderen, en den sulthan geleegenheid geeven soude, om sijn dogter bij sig in de fraton te neemen, en daar door sijns vijands oogmerk, als 't waere; in eenste verijdelen; Copia Antwoord op eevengem: Extract brief, van den Eerste Resident Palm aan den Eerste Resident van ijsseldijk, gedateert soura Carta den 31: dec: 1787. Om te voldoen aan uw Ed: Agtb: praessant requisit van ant„ woord op derselver seer geEerde van gisteren, zo diene ik daar op sonder de minste uitstel, en zonder andere affairens, als die de Rathoe Bendhoro betreffende aan teroeren diens antwoord den 1 Januarij 1788. — tot „
English
57. the 1st of January 1788. — can remain postponed until a further opportunity. That it seems to me Your Right Honourable could never have handled the matter of her and pangerang Mancoenagara better and more prudently than by taking the old, thoroughly capable, and Company-loyal Danveridja into your confidence regarding it, who for the time being will certainly keep a watchful eye on things. Meanwhile, I would advise Your Right Honourable to further inform the Lord sultan himself of these intrigues, Your Right Honourable being free to mention my name to the old gentleman, and that we, for the protection of the prince's honour and pleasure, as well as for the preservation and promotion thereof, would wish for nothing more than that the Lord Sultan, by placing Rathoe Bendhoro in the Kraton or through other appropriate means, might halt the progress of this negotiation; for if the Rathoe should once take to her heels as agreed, and arrive here secretly in the dalem of him, pangerang Mancoenogoro, I would see no chance of getting her out of there again so easily. I am certain the Lord sultan will be pleased to hear that this negotiation was possibly discovered by me just in time, for to disclose how I came by it and to produce evidence, such can never be demanded; the intrigues are meanwhile not yet settled by the government. Copy. Separate letter written by the Honourable and Valiant Lord Ian Greeve, Councillor of the Dutch Indies, and also Governor and Director of and along Java's North-East Coast, to the Senior Merchant and First Resident at Soura Carta Willem Willem Adriaan Palm, dated Samarang primo January 1788. — The contents of my latest letter to pangerang Mancoenogoro, of which a copy has been sent to you as usual, will have shown you that I have given no sign of having conceived unfavourable suspicions regarding the contents of the letter he wrote to me, nor regarding the Emperor, nor with respect to you. His Highness's non-admission to the court I attributed to the Emperor's excessive grief, and the failure to obtain the resolution desired by that pangerang concerning a gift of horses to be made, I attributed to Your Honour's sickly state; Meanwhile, it is very agreeable to me that after a personal explanation between you and that pangerang, and his assurances as they appear in your letter of the 31st of December 1787, everything with respect to that Prince is currently in a state of mutual goodwill and satisfaction, whereby the requirement to state the reasons for a suspected displeasure now also lapses of its own accord, as I hope that the reconciliation now effected for the fourth time will be more lasting, and we also rely entirely on your assurance that His Highness has always been treated, and will continue to be treated, with all consideration and regard, although an appropriate presentation and admonition regarding his duty, being very well compatible with this, need not or should not be spared. It will also have appeared to you from the aforementioned copy of the missive that I have by no means fallen short in the 1st of January 1788. — an 53 the 1st of January 1788. — an admonition, as appropriate as possible, to that prince concerning both his duty and obligation with respect to the Company as well as regarding the Emperor, of which I now, along with you, hope for a good result. Now, as regards the matter of him with Ratoe Bendoro, concerning that I fully conform to your view, and consequently approve that the First Resident at the Djokja Court, based on your information and well-devised plan, should now disclose it to the sultan, as being certainly the safest means to achieve the intended goal and to prevent the adverse consequences otherwise perhaps to be expected from it, and I shall therefore also leave the further handling, as far as Djokja is concerned in this, to your good direction, as being nearer at hand, unless the First Resident van Ysseldijk considers himself obligated to report to me on the matter. Meanwhile, I also leave it entirely deferred to your prudent management to deliver my aforementioned letter and accompanying counter-gift, both of which were dispatched on the afternoon of the 29th of December, to the said pangerang when the opportunity shall be most suitable, both for that purpose and for the conversation regarding the aforementioned correspondence, of which I, along with you, promise myself the hoped-for results. Furthermore, I regret that according to your opinion there is so little likelihood of discovering the author of the seditious paper that was found, as in such a case certainty would also be obtained regarding the suspicion of the children of Pangerang Rongo, although it is otherwise believed that this opposition was directed not so much against the Emperor, as against the sultan, their
Dutch transcription
57. den 1: Ianuarij 1788. — tot een nadere geleegendheid kan uitgesteld blijven. Dat het mij voorkomt uwel Ed: agtb: de zaak van haar en pangerang Mancoenagara nimmer beeter en voorsigtiger hadde kunnen tracteeren, als met den ouden door en door kun„ „digen ende Comp:e getrouwen Danveridja in vertrouwen daar van kennis te geeven, die voor eerst dan wel een Wakend oog in 't zeel zal houden, Jntisschen, dat ik uwelEd: agtb: raeden zoude, omme alverder den Heer sulthan selve kennis van deese konkelarijen te geeven, kunnende uwel Ed: agtb: bij den ouden heer gerust mijn nam noemen, en dat wij ter beveiligen van 'svorsten Eer en genoegen, zo wel als tot behoud en bevordering niets liever zouden zien, als dat den Heer Sulthan door Rathoe Bendhoro in de Caaton te plaetsen ofte andere gepaste mid„ „delen den voortgang deeser onderhandeling mogte stuijten, want als de Rathoe eens volgens afspraak 't hazepad koos, en hier in stilte in den dalm van hem pangerang Man„ Coenogoro geraekte ik geen kans zoude zien haar zo gemak„ kelijk weeder daar uijt te krijgen. Ik ben verseekert den Heer sulthan verblijd sal zijn te hooren dat deese onderhandeling door mij nog eventjes in tijds moge„ lijk is ontdekt, want om aan den dag te leggen, hoe ik 'er aan kom en bewijsen te produceeren, zulks is nimmer te vergen; de sen„ „gelingen zijn intusschen nog niets wederom â Gouverno Copia Aparte brief geschreeven, door den Wel Ed: gestrengen Heer Ian Greeve, Raad van Needer„ „landsch Jndie, mitsgaders gouverneur en direc„ „teur op en Langs Javas Noord oost Cust, aan den opperkoopman en Eerste Resident te soura Carta Willem Willem Adriaan Palm, gedateert Samarang p=mo Januarij 1788. — Den inhoud mijner Jongste brief aan pangerang Mancoe„ nogoro, waar van UE: na gewoonte Copia is toegezonden, sal UE: hebben doen sien, dat ik geen blijk heb gegeeven, van nadeelige vermoedens te hebben opgevat, over den inhoud zijner aan mij geschreevene brief, nog ten aansien vanden keijser ten opzigte van VE. Het niet admitteeren van zijn Hoogheid ten hove heb ik aan 's keijzers overmaat van droefheid, en de met erlanging van't de bij dien pangerang begeerde uit sluijtsel, omtrent, een te doen geschenk van paarden, aan uwelEd zeekelijke staat toegeschreeven; Ondertusschen is het mij seer aangenaam, dat na een per„ „soneele expplicatie tusschen VE: en dien pangerang, en zijne betuij„ gingen, soo als die bij UE: schrijven van den 31: december 1787. voorko„ men, alles sig ten opsigte van dien Prins teegenwoordig bevind in een staat van onderlinge welgezindheid en genoegen, waar door als nu ook het requisiet, ter opgave van de reedenen eens ver„ „dagt misnoegen, van selve vervalt, alzo ik hoope dat de tans voor de vierde maal uitgewerkte versoening be„ stendiger zal zijn, en wij mij ook volkomen verlaete op VE: verseekering dat zijn Hoogheid steeds met alle Consi„ „deratie en reguard behandeld is, en verder behandeld sal worden, hoe wel daarom egter een gepaste voorhouding van en vermaning tot sijn pligt als seer wel daar meede bestaanbaer, niet behoefd of diend gemena„ geerd te worden. VE: sal uit de voorschreeven Copia missive ook zijn gebleeken, dat ik geenzints ten te kort geschooten in den 1: Januarij 1788. — eene 53 den 1:' Januarij 1788. — eene so veel mogelijk gepasten voor houding aan dien prins zo wel van zijne pligt en gehoudendheid ten opsigte van de Compagnie als met betrekking tot den keijzer, waar van ik als nu met UE: het goed gevolg verhoope. Wat nu betreft de zaak van hem met Ratoe Bendoro, daar omtrent Conformeere ik mij volkomen met UE: begrip, en keure dien volgende goed, dat den Eerste Resident aan het Djoejose Hoff op UE: informatie en wel beraamd plan, daar van, als nu aan den sulthan opening geeven soude, als zijnde seekerlijk het veijligsten middel ter bereiking van het bedoelde oogmerk en ter voorkoming van de nadeelige gevolgen, daar uijt, mis„ schien anders te wagten, en ik sal dus ook de verdere behandeling, voor so veel Djoep daar in te passe komt, aan UE: goede directie verblijven, als nader bij der hand zijnde, ten waare den Eersten Resident van ijsseldijk begreep„ verpligt te zijn, mij daar van verslag te moeten doen. Intusschen laat ik het ook aan UE: voorsigtig beleid ten vollen gedefereerd mijnen voorm: brief en bij zijnde Contra geschenk, welk een en ander des agtermiddags van den 29: dec: versonden is, aan gemelde pangerang overtegeeven, als de gelee„ genheid het meest geschikt zal zijn, so wel daar toe, als tot het onderhoud, weegens de voorsch: Correspondentie, waar van ik mij met UE: de verhoop te gevolgen beloove. voorts pijt het mij, dat 'er volgens UE: gevoelen so wijnig apparentie is, om den schrijver van 't gevonden seditieus pa„ pier te ontdekken, also men in sulk een geval ook seker„ heid soude erlangen, nopens de verdenking der kinderen van Pangerang Rongo, hoewel men anders meend, dat deese opposi„ „tie sig niet so seer teegen den keijser, als teegen den sulthan hunnen
English
determined their prince and Lord, and according to one of the enclosures of your letter, which is returned herewith, nothing is known at DjoejoCarta of such a rebellious paper: Wherewith, after greetings, I remain /:underneath stood:/ Your Honour's good friend /:was signed:/ Ian Greeve /:in the margin:/ Sam: the 1: Janu: 1788. Copy Translation! "This letter is written by the soesoehoenang Ajoen djoijo Adimoerte senopattij Ingologo, with his friendly greetings to the prince in the Mattarm. I inform Your Honour hereby that it no longer pleases God to see Your Honour as prince, I am the one chosen as prince of the Mattarm, call Your Honour's children together I have a sign, and whoever has the blessing of God, shall be prince in the Mattarm, therefore Your Honour need not be sorrowful, for I must carry out the commands of God, if you doubt this, from what else does it come that food and clothes are expensive! and that it seldom rains; it is dark, what does Your Honour choose from this I alone am chosen by the red and white rainbow, by God. whoever does not adhere to the emperor who comes from Mecca, is an enemy of the Angels and an enemy of all spirits, and shall be pursued by the Thunder, and also by the sun, stars, Moon and clouds, he shall be an enemy of all my people who come from Mecca, my emissaries, who deliver this are: Tedjo Coesoenio, Coewoong Coesoemo, Mego Coesoemo, Djoijo Coesoemo, and the 1: Januarij 1788. Lientang the 1: Januarij 1788. — Lientang Coesoemo, on Tuesday the First of the Light Your Honour must call together the peoples outside, whereupon all who hear this letter must come to meet me. The lease monies of these lands must be brought up in three terms Moeloed Bezaer and Toeassa, being a sum of ten times Ninety hundred Thousand, I advise Your Honour to give me such the whole country with all Priests must deliberate thereon in such a manner as if they had no prince, for I am chosen by God as prince how will you not allow it to me I am destined thereto by God; I have as proof hereof Angels, rainbow, mountains seas flames of fire, Thunder and Lightning received from God on Friday wage being the 3: of the light Djoemadelawal, I have also enjoyed Blessings, being thus two times that I have received blessings, thus Your Honour with Your Honour's priests ought to consider this ripely, for I shall also drive the Europeans from Java if they do not behave well, what then have the Europeans to do here shall they be mightier than God. are then the Europeans Your God: Yes it is good, just stay with Your Honour's Europeans. you are a prince of the Devil, since you do not maintain justice: do you then not think to die, and to be buried in the earth, do you then not feel, that you are a creature of God! and you Adipattij of Samarang must order the coastal peoples, to come to meet me, you prince of the Mattarm: do you think to be a wise prince. do you believe that no one is mightier than the prince in the Mattarm, or do you think that I am afraid of Your Honour's people: you are no prince of God, and also no merciful prince. if I were not a mightier prince than you what would it help me to be a creature of God. do you and your mates then place such firm trust in the Europeans! you are all together no princes, it is certainly customary that you deny it unworthy to be prince, the Angels have lost the battle; when on the 11th of the Light Djoemadelawal I was appointed prince! are you also a prince: and each boepattij knows the Angels with you have lost, it pleases God no more, that you set yourself up as a rebel against God. you are an enemy of the Angels and spirits, you know nothing of the people of God, you do not know that you are created by God: if you knew that your descendants your children's children, would become Boepattijs, all your descendants could enjoy this promise, if you recognize me as prince, you shall be received again with God, no one needs to be sorrowful, for I am chosen by God, and my subjects grant it to me from their hearts, my time has appeared, and I shall not be forgotten, and if you do not adhere to me, I shall punish you with expensive times with sicknesses and with great droughts. furthermore you prince of the Mattarm must tell all priests, that I want to come here, and if you offer resistance, you act against the will of God, and if the Europeans do not recognize me or will not obey my orders, then tell them that I will take my coastal peoples away from them, the Europeans always give you advice but when once they are no longer here, you must be careful, then you will have to experience it, you prince shall take the coast away from the Company, or I shall punish you severely, if the 1: Januarij 1788. — you
Dutch transcription
hunnen vorst en Heer bepaald, en men volgens eene der bij laegen uwer brief, welke hier neevens te rug gaat, op DjoejoCarta van een dergelijk oproerig papier niets weet: Waar meede na groete blijve /:onderstond/ VE: goede vriend /:was geteekent:/ Ian Greeve /:in margine/ Sam: den 1: Janu: 1788. Copia Translaat! „Deesen brief schrijft den soesoehoenang Ajoen djoijo Adi„ moerte senopattij Ingologo, onder zijne vriendelijke groete aan den vorst in de Mattarm. Ik bedeel VWE: bij deese dat het god niet langer behaagt uw E: als vorst te zien, ik den geEligeerd als vorst van de Mattarm, roep uwE: kinderen bij een ik heb een teeken, en wie de zeegen van God heeft, zal vorst in de Mattarm wee„ „zen, daarom behoeft uwE: niet bedroeft te zijn, want ik moet de beveelen Gods volvoeren, als gij daar aan twijffeld, waar van komt het dan dat kost en kleeren duur zijn! en dat het zelden reegent; het en donker, wat verkiest uw E: hier van ik alleen ben door de roode en witte reegenboog, door God verkoren. wie den keijzer die van Mecca komt, niet aanhangt, is een vijands van de Engelen en vijand van alle geesten, en zal van de Donder vervolgt worden, en ook van de zon, starren, Maan en wolken, hij sal een vijand van al mijn volk die van Mecca komen zijn, mijn sendelingen, die deese overbrengen zijn. Tedjo Coesoenio, Coewoong Coesoemo, Mego Coesoemo, Djoijo Coesoemo, en den 1: Januarij 1788. Lientang den 1: Januarij 1788. — Lientang Coesoemo, op Dingsdag den Eerste van het Ligt moet viE: de volkeren buijten bij een roepen, waar op alle die deesen brieff hooren mij te gemoed moeten gaan. De pagt penningen van deese landen moeten in drie termijn Moeloed Bezaer en Toeassa op ge„ bragt werden, zijnde een somma van tien maal Neegentig honderd Duijsend, ik Raad UwE: om mij zulks te geeven het heele land met alle Priesters moeten daar over raad„ pleegen invoegen als of zij geen vorst hadden, want ik ben van God tot vorst g'eligeerd hoe wilt gij het mij niet toestaan ik ben van God daar toe bestemd; ik heb tot blijk hier van Engelen, reegenboog, bergen zeeen vuurvlammen, Donder en Blixem van God op vrijdag wage gekreegen zijnde den 3: van het ligt Djoemadelawal, heb ik ook Zeegeningen genooten, zijnde dus twee keer dat ik zeegeningen ontvangen heb, dus behoord uuE: met uwEd: priesters dit rijpe„ „lijk te overweegen, want ik zal ook de Europeesen, als zij zig niet goed gedraegen van Iava verdrijven, wat hebben de Euro„ peesen dan hier te doen zullen zij aan magtiger zijn als God. zijn dan de Europeesen Iou God: Ia het is goed, blijft maar bij uw E: Europeesen. gij bent een Duijvels vorst, dewijl gij geen regt hand haast: denkt gij dan niet te sterven, en in de aarde begraeven te worden, voelt gij dan niet, dat gij een schepzel gods zijt! en gij Adipattij van Samarang moet de staand=volkeren ordonneeren, om mij te gemoed te komen, gij vorst van de Mallarm: denkt gij een wijs vorst te zijn. geloofd gij dat niemand magtigen is als de vorst in de Mattarm, of denkt gij dat ik voor uwE: volk bang ben: gij bent geen vorst van God, en ook geen genadig vorst. als ik geen magtigen 55 magtiger vorst als gij was wat zou het mij helpen een schepsel van God te zijn. doen ud uwe-maets de Euro„ peesen dan zo vast vertrouwen! gij bent alle maal geen vorsten, het is zeeker gebruijkelijk dat gij het onkend onwaardig als vorst te zijn, de Engelen hebben de strijd verlooren; toen ik den 11=e van het Ligt Djoemadelawal. tot vorst aangesteld wierd! benk gij ook een vorst: en zou bepattij kend de Engelen met gij hebt verlooren, het behaagd God met meer, dat gij als kraman teegens God Jouopwerps. gij zijt een vijand der Engelen en geesten, gij weet niets van de volk aen Gods, gij weet niet dat gij van God gescha„ pen zijt: als gij dat wist zouden zou nakomelingen sou kinds kinderen, Boepattijs worden, alle sou nakomelingen kunnen deese belofte genieten, als gij mij voor vorst erkend, zult gij bij God weeder opgenoomen worden, het behoeft niemand bedroeft te zijn, want ik ben van God verkooren, en mijn onderdoenen gunnen het mij van harten, mijn tijd is verscheenen, en ik zal niet vergeeten worden, en als gij mij niet aanhangt, zal ik sou bestraffen met duure tijden met ziektens en met groote droogtens. wijders moet gij vorst vande Mattarm aan alle priesters zeggen, dat ik hier komen wil, en als gij teegen weer steld, doed gij teegen de wille Gods, en als de Europeesen mij niet er„ kennen of mijn beveelen na koomen willen, zoo zegt hun dat ik mijn strand volkeren van hun af zal neemen, de Europeesen geeven zou altijd raad maer als zij eens niet meer hier zijn, moet gij voorzigtig weezen, als dan zal gij het moeten ondervinden, gij vorst zult de strand van de Comp:e afneemen, of ik zal uw zeer bestraffen, als den 1: Januarij 1788. — Jou
English
57 the 1st of January 1788. — If the prince does not come outside, no man shall dare presume to pick up this letter that comes from Mecca. You, Raden Adipati Djaijadiningrat of Solo, when you have understood the contents of this, must call the peoples together to come meet me. In the coming moon of Rabiulakhir, I shall bring my people into the Mataram, and all those who wish to acknowledge me as their prince must show me respect. The philosophers are still ignorant, and whoever of Solo picks up this letter will have to lay it down again in its place if you wish to see the prince who is to come from Mecca. And you, prince of Solo, although you might seek God's help, it can nevertheless avail Your Honour nothing, for your fate has already been determined, as God has already cast you off, and you must by no means rely on so many people, for otherwise you do not adhere to me. You must above all take care that all the people are called together, for they no longer have a lord. You, prince of Solo, are a mendacious prince, and Your Honour is no longer permitted to be prince. It surprises me that you are still prince. Are you not ashamed that it is Your Honour's fault that food and clothes are expensive, and that it seldom rains? This my land must, at the feasts of Puasa, Maulud and Besar, yield ten times ninety hundred thousand, and Your Honour must calculate this sum well. The thunder has commanded me to let this letter drop. Furthermore, prince of Solo, who is the owner of Heaven and Earth? Do you dare presume to have anything against it, that you are no longer prince? If the Europeans were not there, I would have already taken the coast again and and given it to the prince of the Mataram. Your Honour must incessantly contemplate the contents of this letter. The blessing and help of God is with me. The red and white rainbow belongs to me. I have my sign from Mecca. Just ask my subjects what they prefer: that food and clothes are cheap or expensive, or that it shall seldom rain; what they prefer: to be punished with disease, or not. If you prefer happiness, you must adhere to the coming prince of Mecca. Seek your true prince, who received the commands on Friday Legi, when all the angels washed him; on Sunday Legi the angels also washed him. It is finished with you, prince of Solo. You are unworthy to sit on the throne any longer. Seek the one who is worthy to ascend the throne. You make the hearts of the peoples sorrowful. Whoever wishes to acknowledge me as prince must take good care that the common weal is not neglected. Your Honour has already been in my lands for a long time, therefore I set you a time when the people must be allowed to come home from the forests. You must also take good care that the peoples on the mountains and in the desas come home. No one must be sorrowful, for we are all creatures of God, and whoever adheres to me first, I shall raise, along with all his descendants, to priyayi, and they need not fear being dismissed, but shall retain their offices forever. And you, prince of the Mataram, must impart to your descendants that they need not be sorrowful, for whoever has received the blessing and happiness of God shall be worthy to become prince. And you, prince of the Mataram, not having felt the blessings of God, will have to account for it before God on the 1st of January 1788; 59. the 1st of January 1788. — before God. Can you explain the following riddle to me: can you set orders in the clouds, can you see the stars by day, do you know the sun, the moon, the clouds and the commands of God, do you know God's blessing, do you know Heaven and Earth? A prince descended from the priests must know who is the owner of Heaven and Earth. He who does not know that, also does not know that he is a human and mortal, and that he lives in the world. Fie, are you not ashamed? You must above all take care that my people are called together in the coming month of Jumadilawal, to come meet me collectively. Whoever wants to have me as prince must come meet me and obey my commands. Lastly, I tell Your Honour that this letter was written by a child. But you, prince of Solo, are you a prince, and does Your Honour not know how to behave princely in the lands? Do you not ask, or are you not capable of doing so? Why then are you prince, and do not know God! And you, prince of the Mataram, do you not know that you are a creature of God? Why then have you taken the lands? Although you have taken them, they nevertheless do not belong to Your Honour. Are you then a creature? God has severed Himself from Your Honour, and in the month of Puasa He will punish Your Honour with diseases and afflictions. Yes, yes, prince of Solo, I know you already. You are a mendacious womanish prince. You truly have no happiness or blessing. Are you not ashamed? Why do you not die? Therefore you serve as a burden to the land. There is no one who knows you better than I. God sets orders and governs the world, so says the prince in the Mataram. At the bottom was written: translated by me; was signed: I: I: Emhardt. Copy
Dutch transcription
57 den 1: Januari 1788. — sou vorst niet buijten komt zal geen mensch zig durven onderstaan, deese brief die van Mecca komt op teneemen, gij Radeen Adipattij Djaijadiningrat van Solo, moet als gij den inhoud deeses begreepen hebt, de volkeren bij een roepen, om mij te gemoed te gaan, in het aanstaande Ligt Rabioelachier, zal ik mijn volk in de Mattarin brengen, en alle de geene die mij voor hun vorst erkennen willen, moeten mij Eerbied dewijsen: De Philosoophen zijn nog onkundig, en wil van solo deese brief opraapt, zal hem weeder op zijn plaets moeten neederleggen, indien gij de vorst die van Mec„ „ca staat te komen beleeven wilt, en gij vorst van solo hoe„ wel gij de hielpe Gods mogt verzoeken, kan het uwE: egter niets daeten, wan't het is uwE: toegelegde tot God heeft zou reeds verstooten, en gij moet gansch niet op zouveel volk steunen, want anders hangt gij mij niet aan, gij moet voor al zorge drage, dat al het volk bij een geroepen, word, want zij hebben geen Heer meer, gij vorst van Solo benteen Leuchgenagtige vorst en het is uwE: niet langer gepermit„ teert vorst te zijn, 't wondend mij dat gij nog vorst zijt, bent gij niet beschaemd: dat het uwE: schuld is, dat kost en kleeren duur zijn, en dat het zelden reegent. Dit mijn land moet op de feesten Toeasja, Moielut en Bezaer, tienmaal nee„ „gentig honderd duijzend op brengen en uwE: moet deese som wel besijveren: De Donder heeft mij bevoolen deese brief te laaten vallen. verders vorst van solo wie is bezit„ ter van Heemel en Aarde. durft gij zou onderstaan w iets teegen te hebben, dat gij geen vorst meer zijd als de Euco„ peesen 'er niet waeren, had ik de strand al weederom genoomen, en en aan den vorst van de Mattarm gegeeven. Den inhoud van deesen brief moet uwE: onophoudelijk overdenken, de zeegen en hulpe Gods is bij mij de rood en witte reegen boog behoort mij, mijn teeken hebbe ik van Meica, vraag eens aan mijn onderdaenen, wat zij verkiesen, dat kost en klee„ ren goedkoop of duur zijn, of dat het zelden reegenen zal„ wat zij verkiesen met ziekte bestaaft te zijn, of niet als gij het geluk verkiest, moet gij de koomende vorst van Mecca aanhangen: zoekt uwE: opregte vorst, die de beveelen heeft ontvangen op vrijdag Legie toen hem alle Engelen waschten, op Zondag Legie, hebben de Engelen hem ook gewasschen. het is klaar met sou, vorst van Solo gij bent onwaardig op de troon meer te zitten, zoekt de geen die waardig is de troon te beklimmen, gij maakt de harten, der volkeren bedroeft, die mij voor vorst erkennen wild, moet wel zorge dragen dat 't gemeene best met vernegligeert word, uwE: is al lang in mijn landen, daarom bepaal ik sou een tijd, wanneer het volk uit de bosschen naarhuijs zal moeten laeten koomen, ook moet gij wel zorge dragen dat de volkeren op de Bergen en in de dessaes, naer huijs komen, niemand moet bedroeft zijn, want wij zijn, alle maal schepselen van God, en wie mij ten eerste aanhangt, zal ik met al zijn nakomelingen tot priaijs verheffen, en zij behoeven niet bevreest te zijn afgeset te zullen worden, maar voor altijd haere bediening behouden, en gij vorst van de Mattarm moet aan uwE: nako„ melingen bedeelen, dat zij niet behoeven bedroeft te zijn, want wie den zeegen en geluk van God gekreegen heeft, zal waardig zijn vorst te worden. en gij vorst van de Mat„ „tarm de zeegeningen Gods niet gevoelt hebbende zult het den 1: Januarij 1788. — voor 59. den 1: Januarij 1788. — voor God moeten verantwoorden; kunt gij mij dit volgende raadsel uitleggen, kunt gij en de wolken ordres stellen, kunt 8 gij overdag de staaren zien, kend gij de zon, de maan de wol„ ken ende beveelen van God, kond gij Godszeegen; kend gij Heemel en Aarde een vorst afkomstig van de priesters moet weeten, wie de bezitter van Heemel en aarde is, die dat niet weet, weet ook niet, dat hij een mensch en sterffelijk is, en dat hij op de wareld leeft, foeij bent gij niet beschaamt, gij moet vooral zorge dragen, dat mijn volk in de aanstaande maand dJoemadilawal bij een geroepen word, om mij gesa„ „samentlijk te gemoet te gaan, wie mij tot vorst hebben wil, moet mij te gemoed komen, en mijne beveelen nakomen. Laestelijk zeg ik uwE: dat deese brief door een kint geschr: is, maar gij vorst van Solo, bent gij een vorst: en weet uw E: niet in de landen vorstelijk te gedraegen vraagt gij dan met, of bent gij daar toe niet magtig: waarom dog bent gij vorst, en kend God met ! en gij vorst van de Mattarm, weet gij niet, dat gij een schepsel Gods zijl, waar om heb t gij dan de Landen genomen, hoewel gij deselve genomen hebt, zij komen uwE: egter niet toe, bent gij dan schepseld: God heeft zig van uwE: afge„ „scheurt, en in den maand Tocassa zal hij uwE: met ziektens en on„ gemakken testraffen, Ja; Ia vorst van solo ik ken Joual: gij bent een Lougenagtig wijven vorsb. gij hebt immers geen geluk of zeegen, den 't gij niet beschaamt waarom sterft gij niet: daarom dient gij tot last van het land, er is niemand, die sou beeter kend als ik, God steld orders en regeert de wereld zo zegd de vorst in de Matharm. /:onderstond:/ getranslateert door mi /:was geteekend/ I: I: Emhardt. Copia
English
the 1st of Januarij 1788. — Copy Translation. This letter is written by the Susuhunan Apendjojo Adimurti Senopati Ingalaga, coming from Mecca, who has obtained the blessings of God, on Thursday evening being Pasar Lagi, these blessings came from Heaven, at a time when all people were sleeping, accompanied by lightning bolts, upon which on Saturday morning being Pasar Kliwon a violet rainbow appeared, after which the aforementioned rainbow was washed by many angels in the Meccan sea: on Sunday all the stars also fell from Heaven! and on Thursday evening the rainbow was transformed into a blessed being, which subsequently came down, and another rainbow of red and white colors appeared. whereupon a prophet came in the night, for which reason one must not put out of memory this Friday the 11th of the Light, in the year Wawu, the red and white rainbow reached with its end precisely into the sun. This shall surely be a sign of a prince of Mecca. This letter is written by the Susuhunan Ayendjojo Adimurti Ingalaga, residing in Mecca. Firstly I greet your Honour prince of Solo most amiably, and say unto your Honour that your Honour is no longer permitted to be a prince, you descend from decent and priestly princes, and why do you not do justice, therefore you are a prince of the devil, is that the will of God. why do you not know the face of God, what kind of a prince are you. a prince of the Europeans, your Honour no longer pleases God, it is finished with you, go outside, you apostate of religion you must no longer be on Java, I have been elected as prince of Java, who maintains the religion of the 61. the 1st of Januarij 1788. — Prophet, I have a sign on the transverse clouds and on the rainbow, that I shall surely become prince, since I have had the rainbow for help, on Sunday Legi, washing in the Meccan sea at the descent of the angels, who have washed me, furthermore prince of Solo gather my coastal peoples together and tell the Europeans, that I wish to come here: when the sun shall be adorned with a white border and rainbow, then I shall come from Mecca, confirmed by the blessing of Heaven. the 25th of the upcoming month Djumadilawal I shall in the name of God demand from you the price of the lands, being a sum of ten times nine hundred thousand, for God has cast you out, and commanded me that all creditors and debtors do not need to be deceived, for I am their prince, whosoever does not adhere to the prince who comes from Mecca, shall have neither fortune nor blessing and shall be declared an enemy of my realm, one must not be angry at the one who writes this, for it is no philosopher, he who finds this letter must also lay it down there again, nor shall anyone dare to undertake anything against this letter coming from Mecca, for otherwise he shall be deprived of the blessing and protection of the coming prince, or else be subject to the falling sickness, also the prince coming from Mecca must be proclaimed by the so-called bendhe or striking of the gong, these shall be the ceremonies of the coming prince of Mecca springing from the rainbow of red and white colors, for the delivery of this letter the following persons have been sent, namely: Raden Raden Tedjokusumo, Raden Kuwung Kusumo, Raden Mego Kusumo, Raden Djoyo Kusumo, Raden Malang Kusumo, Raden Tandjoong Anom; Mangmangdono, and Banas Pati, These are all together princely children, therefore you ought to be ripely mindful of this, and not be calm and careless, furthermore your Honour must make this my letter known and consult together about it. I have long, already on the 15th of the Light Puasa with my retinue wished to come here, for the prince of Solo was then already declared unworthy, do all people then desire the blessing of God. I have requested it and obtained it, and that for a lifetime, my people are ashamed to see you, and you are not ashamed to look upon everyone, do you then believe that no one is good anymore except you alone, do you then believe that no one is a priest except you alone, and that there is no prince anymore, except you. do you think that no person is more powerful, than you prince of Solo: do you think that no one pleases God well, except the prince of Solo alone, shall then the Europeans be more powerful than God: ask your sentanas or children, or the one who still thinks to become a prince one day, whether he dares to undertake anything against God. I ask you this, you prince of Solo, in the presence of God: it is finished with your princely realm, you are a prince of the Devil, is it then hard [illegible] the 1st of Januarij 1788. rebel
Dutch transcription
den 1:' Januarij 1788. — Copia Translaat. Deese brieff schrijft den soesoehoenang Apendjoijo Adimoertie Senopattij Ingalaga, komende van Mecca, die de Zeegeningen van God erlangt heeft, op Donderdag 's avonds zijnde Passar Lagie, deeze zeegeningen zijn van den Heemel gekoomen, op een tijd dat alle menschen sliepen, verseld van Bolixems straelen, waar op zig op saterdag 's morgens zijnde passer Cliwon een violette Reegenboog vertoonde, waarna voorm: Reegenboog, door veele Engelen in de Meccase zee gewasschen wierd: op zondag vielen ook alle staaren van den Heemel af! en op Donderdag 's Avonds wierd de Reegenboog in een weesen gezee„ gend verwandeld, het welk vervolgens naar beneeden quam, en een andere Reegenboog van roode en witte Couleuren verscheen. waarop 's nagts een propheet quam, weshalven men deese vrijdag den 11: van het Ligt, in het Jaar wawoe niet uit het geheugen zetten moet, de rood en witte Reegen„ boog reijkte met zijn einde praecies in de zon. Dit zal vast een 8 teeken zijn van een vorst van Mecca. Deese Brief schrijft den soesoehoenang Aijven djoijo Adi„ moertie Ingalogo, huijsvestende te Mecca, Eerstelijk groete ik uwE: vorso van Tolo op het minsaamste, en zegge uwE: dat het uwE: niet langer gepermitteerd is, een vorst te weesen, gij bent afkomstig van fatsoenlijke en priesterlijke vorsten, en waarom doet gij geen regt, dier halven zijt gij een vorst des duijvels is dat de wille Gods. waarom kend gij het aangesigt Gods niet wat bent gij voor aen vorsb. een vorst den Europeesen, uwE: behaag God niet meer, het is klaar met sou, gaa naar buijten, sou afvallen der religie gij moet niet meer op Java zijn, ik ben g'eligeerd tot vorst van Java, die de Religie van den 61. den 1:e Januarij 1788. — van den Propheet onderhoud, Ik heb een teeken aan de dwvarse wolken en aan de Reegenboog, dat ik vast vorst word, dewijl ik de Reegenboog tot hulpe hebbe gehad, op Sondag Loegie, wasschende in de Meccase zee bij het needer„ „daelen der Engelen, die mij gewasschen hebben wijders vorst van solo roep mijn strandvolkeren bij een en zegt aan de Europeesen, dat ik hier wil komen: wanneer de zon met een witte rand en reegenboog verlierd zal zijn, als dan zal ik van Merca koomen, bekragtigd van de zeegeninge des Heemels. den 25: van de aanstaande maand Djoe„ „madilawal zal ik de prijs vande landen, zijnde eene som„ ma van Tien maal Neegen honderd Duijzend in den naeme Gods van Jou vraegen, want God heeft sou verstooten, en mij bevoolen dat alle Crediteurs en Debiteurs met hoeven bedroegt te sijn, want ik den hun vorst, wie den vorst, die van Mecca komt niet aanhangt, zal geen geluk nog seegen hebben en als vijand van mijn rijk verklaard worden, men moet niet quaad zijn, op de geene die deese schrijfz want het is geen Philosooff, die geene, die deese brief vind, moet hem ook weeder daar needer leggen, het zal zig ook niemand durven onder„ staan iets teegen dese brief, komende van Mecca te onder„ „neemen, want anders zal hij vande zeegen en protexie van den komende vorst ontroofd, dan wel de vallende ziekte onder„ worpen zijn, ook moet den van Meica komende vorst door de zogenaamde den dhee of bekkenslag uijtgeroepen worden, dit zullen de Ceremonnen van den komende vorst van Meica zijn spruijtende van den Reegenboog van rood en witte Couleuren, tot het overbrengen van deese brief zijn de ondervolgende persoonen gesonden, als: Radeen Radeen Teedjocoes soenio, Radeen Coewoong Coesoemo, Radeen Mego Coessoemo, Radeen Djoijo Coessoemo, Radeen Malang Coessoemo, Radeen TandJoong Anom; Mangmangdono, en PH. Banas Patti, Dit zijn gesamentlijk vorstelijke kinderen, dierhalven behoord gij dit rijppelijk indagtig te zijn, en met gerust en zorgeloos te zijn verders moet uwE: deese mijne brief bekend maeken en gesamentlyk daar over raadpleegen. Ik heb allang, reeds den 15: van 't Ligt Toeassa met mijn gevolg hier willen komen, want de vorst van solo was toen„ maelen reeds voor onwaardig verklaard begeeren dan alle menschen de zeegen Gods. ik heb hem verzogt en verkreegen, en dat voor Leevens lang, mijn volk is beschaamd om Jou te sien, en gij beu't niet beschaamt om een ieder aante sien, geloofd gij dan dat niemand meer goed is als gij alleen, geloofd gij dan dat niemand een priester is als gij alleen, en dat 'er geen vorst meer is, als gij. denk gij dat a geen mensch magtiger is, als gij vorst van solo: denkt gij dat niemand God wel behaeft, als de vorst van solo alleen zullen dan wel de Europeesen magtiger zijn als God: vraag Tou sentonos of kinderen, of die geene die nog denkt eens vorst te worden, of hij sig durft onderstaan iets teegens God te onderneemen. Jk vraag jou dit gij vorst van solo, in praesentie van God: het is klaer met ouvorstendom, gij bent een vorst des Duijvels valt 't dan swaar een den 1: Januarij 1788. kraman
English
63 the 1st January 1788 to be found a rebel or troublemaker, you are the rebel against God, you are a rebel against the angels; the devil and all damned spirits shall be your enemy, both here and unto eternity! You are an enemy of the land. But did you know this past puasa the 15th what the will of God was? If you did not know it, you are no ruler, but an enemy hated by the thunder. Call your sentanas and priests together to solve my riddle, I demand this, and if you do not do this, the thunder shall cruelly pursue you, and the damned spirits, ghosts, devils, stars, sun, moon, and peoples shall all pursue you as enemies. But ruler of Solo, do you know the payung made of devil's bread? You belong in heaven, but if you do not know it, you shall be hated by God. And can you also, like me, command the peoples, the rainbow, stars, sun, and moon? This power I have received from God when I became ruler; God gave me the devil's bread payung upon the mountain. The drifting clouds and the sun are my signs that I am a ruler of God, and if you doubt this, you only need to pay good attention to it: when I go my course on Sunday Legi and Friday Legi, then my red and white rainbow shall stand straight up against the sun; you must pay good attention to this, for I am a servant of religion since I was blessed by God. If you do not know it, a prophet shall descend at night with rays of lightning: above all, you must not be calm and careless, for the rainbow shall be visible in the month of Sapar toward the southwest and straight in the west; then the ruler of Mecca shall come, the sky shall also be immovably dark, and if no orders come from from the emperor Ayunjoyo Adimurti, you must not be at ease at all, but seek out your ruler and go to meet him; and if you do not go to meet me, you shall suffer evil consequences from it; you shall also meet him who goes to Mataram. You, ruler of Solo, may well appoint tumenggungs and mantris everywhere, but do you not feel then that you are a creature of God? You are finished as a ruler; therefore your land is in disorder, food and clothes are expensive, it seldom rains, and everything is sickly. Where then is the proof that you are a ruler of God? You, ruler of the Mataram, can appoint tumenggungs and mantris, why do you not feel the reward of God! You are finished with your rulership; although you, ruler of Solo, are descended from the Mataram, it must not be so, for we are all together creatures of God. Whoever has and is a ruler is firmly appointed thereto by God. I do not need to tell your Honour this, for you know it yourself as a ruler. the 1st January 1788. turn over 65. Batavia To his High Nobility. The High Noble, Right Honourable Sir, Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General, and the Right Noble and Honourable Gentlemen of the Council of the Dutch Indies, High Noble, Right Honourable Sir, Right Noble and Honourable Gentlemen, Although the matter of the correspondence discovered at Solo between the Pangeran Adipati Mangkunegara and his former wife, the Ratu Bendara, is as yet not so completely unfolded that it can and must be regarded as an indubitable occurrence—because, however much further confirmed on his part by the full confession of that pangeran, it has nevertheless on the side of the court of Yogyakarta hitherto constantly been regarded not only as a most improbable matter, but even a suspicion regarding the Ratu Bendara devoid of all grounds, and of whose untruth they are assured in their conscience and hold themselves convinced—I nevertheless believe that, whatever the truth of it may be, the apprehension of disadvantageous consequences can now, if not entirely, then at least for the greatest part, cease; and it is of this that I consider myself obliged to make a further report to your High Nobilities at present, by offering the enclosures listed in the attached register. From this your High Nobilities will not only ascertain the strong assurance of the said pangeran to take no further steps in this matter without the consent and approval of the First Resident Palm, to which promise that prince seems to bind himself further in his letter written to me, so that, provided he and his movements are constantly observed with attentiveness, one can be reasonably at ease on his part; but among these enclosures your High Nobilities will also find the written assurance of the Yogyakartan Prime Minister Danureja that no correspondence shall take place between the Pangeran Mangkunegara and the Ratu Bendara, for which he interposes himself as guarantor, and whereby one has also obtained a fairly sufficient security from this side, without being exposed to the 12th January 1788.
Dutch transcription
63 den 1: Januarij 1788: — Kraman of oproermaker te vinden, gij tijt de Craman tee„ gens God gij zijt een kraman teegens de Engelen, de duijvel en alle verdoendde geesten, zullen sou vijand zo hier als tot in der Euwigheid zijn! gij zijt een vijand des Lands. maar hebt gij gepasseerde pocassa den 15: geweeten, wat de wille Gods. was; als gij het niet geweeten hebt, ben't gij geen vorst, maar een van de Donder gehaete vijand. roep uw sentonos en priesters bij een, om mijn raadsel optelossen, ik begeen zulks, en als gij dit niet doed, zal sou de Donder wreedelijk vervolgen, en de verdoemde geesten, pooksels, duijvels, starren, zon, Maan en volken, zullen zou alle vijandelijk vervolgen, maar vorst van solo kend gij de Taijoong van Duijvels brood gemaakt gij be„ hoort in de Heemel met als gij hem niet kend. zulk gij van God verhaat zijn en kunt gij ook gelijk ik de volken de Reegenborg, staaren, zonen maan Commandeeren, deese magt heb ik van God verkreegen, toen ik vorst geworden ben, god heeft mij de Duijvels brood paijong gegeeven boven op de Berg, de dwaase wolken ende zon zijn mijn teekens dat ik een vorst van God ben, en als gij daar aantwijfeld, moet gij maar daar op wel letten, als ik op sondag loegie en vrijdag lagie mijn Cours gaa, dan sal mijn rood en witte reegenboog regt opstaan teegen de zon, daar moet gij wel opletten, want ik ben een aanlanger der Religie seedert dat ik van God geseegend ben, als gij het niet weet, zal een propheet snagts met Blixenis straalen nederdaelen: gij moet voor al niet gerust en sorgeloos zijn, want de reegenboog zal zigtbaar zijn, in de maand Saphar teegens Zuijdwesten, en regt in het wes„ ten, als dan zal de vorst van Merca komende lugt zal ook onbeweeglijk donker zijn, en als 'er geen ordres van van de keijser Aijoendjoijd Adimoerti komen, moet gij gansch niet gerust zijn, maer uw E: vorst opsoeken, en te gemoed gaan en als gij myj niet te gemoed gaat, zult gij er quaede gevolgen van hebben, ook sult gij die na de Mattarm gaat te gemoed komen, gij vorst van solo, kunt wel over al tommongangs en Mantries aanstellen, maar gevoeld gij dan niet dat gij een schepsel van God zijt, gij hebt klaar als vorst, daarom is sou Land in des ordre en kost en kleederen duur en het reegent. zelden, en alles is siekelijk, waar is dus de bewijs, dat gij vorst van God zijt, gij vorst van de Mattaram, kunt Tommongongs en mantries aantellen, waarom voeld bij de belooning Gods niet! gij hebt klaar met uwE: vorstendom, of schoon gij vorst van solo van de Mattarm afkomstig zijt, zoo moet egter niet weesen, want wij sijn alle te saemen schep„ „sels van God. wie heeft en een vorst is, is vast van God daar toe aangesteld. dit behoef ik uwE: niet te seggen, want gij weet het als vorst selvs. den 1:' Januarij 1788. — verte 65. Batavia Aan zijn Hoog Edelheid. Den Hoog Edel Gestrenge, Groot Agtbaeren Heere, #k M„r Willem Arnold Alting, Gouverneur Generaal, in de Wel Edele gestrenge Heeren Raaden van Neederlands India, Hoog Edel Gestrenge, Groot Achtbaeren Heere, Wel Edele Gestrenge Heeren Hoewel de zaak der te sols ontdekte Corresponden til tusschen de Pangerang de pattij Mangcoenogoro en zijn geweesen vrouw de Ratoe Bendopo, voor als nog so Compleet niet ontwikkeld is, dat deselve als eene ontwijffelbare gebeurtenis kan en moet beschouw wor„ „den, om dat hoe seer ook, door de volmondige erkentenis van dien pangerang, van zijnen kant, nader bevestigd; egter aande zijde van het Djokjose Hoff, tot hier toe bestendig aangemerkt, als eene, niet allaen ten hoogsten onwaarschijnelijke zaak, maar zelvs een vermoeden, met relatie tot de Ratoe Bendoro van alle grond ontblood, en van welks onwaarheid, men zig in gemoede verseekerden den 12: Januarij 1788. overtuijgd en overtuijgd houd; soo meen ik nogthans dat, wat 'er ook van weezen mag, de bedugting voor naedeelige gevolgen, als nu, so al met geheel dan ten minsten voor het grootste gedeelte, kan cesseeren, en het is hier van dat ik mij ver„ pligt agte uw Hoog Edelheeden tans nader verslag te doen, door aanbieding van de Bijlaegen op neevens ge„ voegd Register vermeld. — Daar uijt sal uw Hoog Edelheeden niet alleen Constee„ ren, de kragtige verseekering van gemelde pangerang, van in deesen verder geen stap, buijten toestemming en bewilliging van den Eerste Resident Palm, te sullen doen aan welke belofte dien prins in zijne aan mij geschree„ ven, brief, sig nader scheint te verbinden, so dat men mits hem en zijne gangen steeds niet oplettend„ heid gaade slaande, van zijnen kant reedelijk gerust kan zijn. Maar onder deese Bijlaegen sullen uw Hoog Edelheeden ook aantreffen de schriftelijke verseeke„ ring vanden D Jokjocartasche Rijksbestierder Danoe„ ridja, dat 'er geen Correspondentie tusschen de pangerang Mancoenagara en de Ratoe Bendhoro plaats hebben zal, waar voor denselven sig als waarborg interponeert, en waar door men ook van deesen kant eene vrije toerijkende securiteit heeft bekoomen, sonder geExponeert te zijn, den 12: Januarij 1788. — aan
English
12 January 1788. to those unpleasant consequences which one considers certain to flow from the disclosure of the discovery made to the sultan, namely, as long as one has not obtained more satisfactory evidence of his daughter's guilt than that which is presently at hand, so that one has thus far been able to manage to bypass this last remedy, although otherwise, without the obtained security, it would be the safest way to render the matter, if it truly exists, completely unfruitful and to prevent dangerous outcomes. I hope that Your High Nobles will deign to honor my conduct in this matter with Your esteemed approval. Concerning the much-pursued discovery of the perpetrators of the composition of the seditious libel found at Souracarta, I have at present nothing else to communicate to Your High Nobles than that one has not yet succeeded in this, and it is even considered quite difficult whether this will be able to be discovered at all. Furthermore, I have the honor to inform Your High Nobles by this that, according to a letter from the commander of the Eastern Salient Barkey, dated the 31 of the past month of December, the ship de Nepthunus had already departed from there on that date and continued its voyage through the Strait toward Bima, after having first taken on board at Sourabaija the Sepoy military personnel destined by Your High Nobles for the expedition thither, with the necessary rations for the period of 7 months and their full weaponry, the said Sepoys consisting of: 1 Captain, 1 Lieutenant, 1 Ensign, 4 Sergeants, 5 Corporals, and 64 Privates, or 76 heads together, and thus 17 privates fewer than were assigned in the Eastern Salient, who had to be retained there because through illness and infirmities they were not in a condition to be employed for this expedition, but whose number was replenished again by the commander with 17 European soldiers from the troops still on hand there for Maccasser, with instructions to the Resident at Bima to have those soldiers transported from there with their full weaponry to Maccasser after the conclusion of the expedition, of which the Maccasser government has meanwhile also been informed, 12 January 1788. with an added request to order the authorities, upon the return of the ship de Nepthunus, to call at the Eastern Salient again in order also to collect their wives and children and the Sepoys remaining there, and subsequently transport them to Batavia. Upon the request of the collective officers and some of the non-commissioned officers and privates among the aforesaid Sepoys, a promise having been made to them by the said commander to provide, during their absence, a portion of the monthly wages to be earned by them to their wives and children left behind at Sourabaija, to the amount of 123 Rupees or Rds 76:42 per month; so I take the liberty of giving Your High Nobles the due notice thereof, in the hope that You will be pleased to acquiesce therein. A unanimous request having also been made by the Sepoy privates upon their departure for Bima for a monthly allowance of two rupees, which they say is also given to those of their nation west of India whenever they are commanded on one or another enterprise, I cannot omit bringing this to the attention of Your High Nobles, with the added request that it may please Your High Nobles to provide me with the necessary orders as to how one shall act in this matter. Meanwhile, I offer to Your High Nobles herewith: 3. Copy of my letter dispatched to Macasser on the 2nd of this month, wherein I conferred with Governor Reyke concerning the dispatch of a company of Madurese soldiers, who in the meantime, upon the exhortations made by the commander in the Eastern Salient to the Panembahan of Madura, will be held in readiness so that, if they should be needed at Macasser, they can immediately be transported thither; of which I shall have the honor to give Your High Nobles further notice. The minister Iohan Wilhelm Deussen, sent by Your High Nobles on the ship 't Loo to Amboina, having fallen ill on the voyage from Batavia hither and worsened to such an extent that he passed away only a few hours after his arrival at Sourabaija on 25 December past, I have the honor to give Your High Nobles the due notice thereof; while permission has meanwhile been granted to his surviving widow and two children to be allowed to remain at Sourabaija for the time being. Of the two pantjallangs for Maccasser mentioned in Your High Nobles' much-respected General Letter of 27 December 1787, yesterday one of them, namely 12 January 1788.
Dutch transcription
ƒ den 12: Januarij 1788. — aan die onaangenaame gevolgen, welke man seeker steld, dat 'er souden voortvloeijen, uit de openbaring der gedaene ontdekking aan den sulthan te weeten, so lang men van zijn Dogters schuldigheid geen meer voldoende bewijsen aan de voorhanden zijnde, soude zijn magtig geworden, 78 invoegen men dus tot hier toe heeft kunnen menageeren het dit laetsten de hoedmiddel over te gaan, schoon anders sonder de erlangde securiteit het veiligste om de zaak zo die werke„ „lijk bestaat, geheel infructueus te maeken, en gevaarlijke uitkomsten te proevenieeren. Ik hoop dat uw Hoog Edelheeden mijne behandeling in deesen, met Voogst Derselver geEerde goedkeuring sullen gelieven te verEeren. Aangaande de zo seer betragte ontdekking der schuldige aan de zamenstelling van het te souracarta gevonden seditieus lasterschrift, heb ik uwe Hoog Edelheeden voor teegenwoordig niets anders te bedeelen, dan. dat men hier in nog niet gereusseert is en het selvs als vrij moeijelijk beschouwd of dit wel sal kunnen worden uijtgevorscht. voorts hebbe ik de eere uw Hoog Edelheeden bij deese ken„ nisse te geeven, dat volgens schrijvens, van den oosthoeks gezag„ hebber Barkeij, de dato 31: der gepasseerde maand December, het schip de Nepthunus, op dien datum, bereeds van daar ver„ trokken „trokken is, en zijne reijse, door den tregter, na Rima heeft voortgeset, na alvoorens te sourabaija ingenomen te hebben, de door uwe Hoog Edelheeden, tot de Expeditie na derwaerds, bestemde sipaijsche militairen, met de benoodigde rand„ „soenen voor den tijd van 7: maanden en hunne volle wae„ penen, bestaende de gemelde Sepaijers, in 1. Capitain, 1: Luijtenant, 1. Vaendrig, 4: sergeants, 5: Corporaals, en Ed: gemeene, off 76: Coppen te saemen, en dus 17. gemeene minder, dan in den oost„ hoek bescheiden zijn, welke aldaar hebben moeten aangehou„ „den werden, alzo sij door siekte en gebreeken niet in staat waaren, om tot deese Expeditie te kunnen g'emploijeerd werden, dog welker getal, door den gezaghebber weeder ge„ „suppleerd is, met 17: Europeese krijgers, mit de aldaer voor Maccasser nog aanhanden zijnde manschappen, met aan„ „schrijven aan den Resident te Bima, om die militairen, na het afloopen der Expeditie, van daar met hunne volle wapenen, na Maccasser te doen transporteeren, waar van het Maccassers ministerie intusschen meede geinformeerd is, den 12: Januarij 1788. — met den 12:' Januarij 1788. met bijgevoegd verzoek, om, bij rethour van het schip de Nep„ thinus, de overheeden te gelasten, den oosthoek weeder aante„ doen, ten einde hunne vrouwen en kinderen ende nog aldaer gebleevene sipaijers meede afsehaelen en vervolgens na Batavia te transporteeren. Op verzoek van de gezamentlijke officieren en sommige van de ouder officieren en gemeenen, onder de voorsz: sipaijeas, door den gem: gezaghebber aan hun toezegging gedaan zijnde om geduurende hunne afweezendheid, een gedeelte haaren te verdienene maandgelden, aan hunne te sourabaija te rug gebleevene vrouwen en kinderen te sullen verstrekken, ten bedraege van 123: Ropijen of rd=s 76: 42: — inde maand; So neeme ik de vrijheid uwe Hoog Edelheeden de verschuldigde kennisse daar van te geeven, in hoope dat Hoogst Deselve daar inne sullen gelieven genoegen te neemen. Door de gemeene Sipaijers bij hun vertrek na Bima, ook eenparig verzoek gedaen zijnde, om een maandelijksche toelaag van twee ropijen, het geen sij seggen dat om de west van Indien, aan die van hunne natie, meede gegeeven werd, wanneer sij tot de een of andere onderneeming gecommandeerd werden, soo kan ik niet voorbij sulx onder het oog van uwe Hoog Edelheeden te brengen, met bijgevoegd verzoek, dat het uw Hoog Edelheeden mag belaegen, mij met de noodige bevel„ len „len te voorsien, hoedaenig men hier inne handelen zal. Intusschen beide ik uwe Hoog Edelheeden hier neevens aan 3. Copia van mijn op den 2=e deeser na Macasser afgegaan schrijven, waar bij ik den Heer Gouverneur Reijke onder„ houden hebben, over het senden van een Comp:e Madureese krijgers, die intusschen, op de door den gezaghebber in den oosthoek, aan den Panumbahan van Madura gedaane adhortatien in gereedheid sullen werden gehouden, om so sij op Macasser mogten noodig sijn, ten eersten na der„ waerds te kunnen getransporteert werden; waarvan ik als aande eere sal hebben uwe Hoog Edelheeden nader kennisse te geeven. Den door uw Hoog Edelheeden met het schip 't zoo naar Amboina gezondene praedikant Iohan wilhelm Deus„ sen, op de reijse van Batavia, na herwaards siek geworden, en sodaenig verslimmerd zijnde, dat denselven maar weinig uuren, na sijne aankomst te sourabaija, op den 25: december P EL: overleeden is, soo heb ik de eere uw Hoog Edelheeden de verschuldigde kennisse daar van te geeven; Terwijl aan des„ „selvs nagelaetene weduwe en twee kinderen, intusschen per„ „missie is overleend, om voor eerst te sourabaija te mogen verblijven. — van de bij uwe Hoog Edelheeden veel gerespecteerde gemeene Missive van den 27: xber: 1787. vermelde twee pantjallangs voor Maccasser is op gisterende eene na„ den 12 Januarij 1788. — „mentlijk
English
71. the 12th of Januarij 1788. — presumably to be followed soon by the other, namely the Maria. The first-mentioned of these small vessels will depart from here again tomorrow for the Factory of Ioana, in order to transship the 5 packs of Linens laden therein into the ship Hoorn, which is currently taking in cargo there, as will also be done with those that are still to be brought by the pantjallang De Snelheid; for which purpose the ship Hoorn will be detained at the said Factory until the arrival of this small vessel. — Meanwhile, the barque De Voorzigtigheid departed for Sourabaija several days ago, and I hope that it may arrive there before the departure of the ship 'T Loo, in order to transship the packs of Linens laden therein into this vessel, for which the officials there have been provided with the necessary orders. With the arrival here on the pantjallang De Oppas of the Naval Lieutenant and Equipment Overseer at Banda Daniel Schietekatte, report was received that at the same time as him, a rowing boat, likewise destined by Your High Nobilities for the government of Banda, departed from Batavia. But this small vessel, as appears from the enclosed copy of the declaration of the crew of the said pantjallang De Oppas, became separated from them near the reef of Sidarij, and until and until today has not appeared here; and although I immediately ordered the Residents of Paccalongang and Tagal to send some vessels to sea in order to cruise for this small vessel, this has nonetheless, as far as I know, been in vain so far, for until now not the slightest report of it has been received, which thus causes me to take the liberty of informing Your High Nobilities of this matter. With due respect and high esteem, I declare myself to be, below stood, Title, lower stood, Your High Nobilities' very obedient and faithful servant, was signed, Ian Greeve, in the margin stood, Samarang the 12th of Januari 1788. — the 12th of Januarij 1788. — turn over 73. the 12th of Januarij 1788. — Copy of a Separate Letter written by the Senior Merchant and First Resident of Soura Cakarta Willem Adriaan Palm to the Honorable and Stern Gentleman Ian Greeve, Councillor of Dutch India, as well as Governor and Director on and along Java's North-East Coast, dated the 6th of Januarij 1788. — Yesterday, the most suitable opportunity having presented itself to me to deliver the letter and the gift from Your Honorable Stern and Worshipful Sir to Manconogoro, and to execute the verbal commission entrusted to me, I availed myself thereof and presented and handed over both to that prince. His Highness read and reread the letter with great attention, but said nothing to me regarding that about which Your Honorable Stern and Worshipful Sir referred to my verbal conference with His Highness; wherefore I immediately brought it up, but the prince initially still wished to make me believe that there was nothing about it in the letter. I nevertheless demonstrated the contrary to him, and before presenting anything to him according to custom, I requested to go with him into a private room, which was granted to me. Here I carried out the charge entrusted to me by Your Honorable Stern and Worshipful Sir concerning the Pangeran's secret correspondence with the Rathoe Bendhoro, on which occasion, after lengthy debates and denials, I pressed the prince so hard that His Highness frankly confessed to me that it was all true, but that he had no intention of bringing the Company or the Emperor into difficulties thereby, or of using any violence, the 12th of Januarij 1788. — using violence, but that it appeared to him there was no harm in this, for since he had heard that Ratoe Bendoro was in disgrace with the Sultan, her husband having died, and that she daily sighed and lamented only to be reunited with him, Mancoenogoro, he had sent his emissaries to her to support her somewhat and to let her know that if she came to him of her own accord, he would receive her with open arms. Whereupon I pointed out to His Highness all the evil and harmful consequences that could result from this clandestine conduct, and at the same time made it known that if he did not wish to abandon it, I would then also clearly understand that the prince was not in earnest when he claimed he wished to be regarded as a child of the Company, and thus neither he nor his children would have any claim whatsoever to that status any longer; but that I, as a true friend, would advise him to cease further correspondence with Ratoe Bendoro, which advice I supported with such remarks on the fortunate state in which this prince has found himself since placing himself under the protection of the mighty Company, that he finally had to confess and say, Brother Palm, you are right, embracing me, and at the same time assuring me that henceforth he would not take a single further step in this matter without first informing me, so as not to bring me unwittingly and knowingly into disgrace with my master and the rest of the High Government, or at least under suspicion of inattention, which assurance was a consequence of my statement that Your Honorable Stern and Worshipful Sir had been exceedingly angered with me that such secret correspondence was being maintained, and to
Dutch transcription
71. den 12: Januarij 1788. — mentlijk eerstdaags van de andere of de Maria meede gevolgd te werden. De eerstgemelde deeser kieltjes sal op morgen weeder van hier na het Comptoir Ioana vertrekken„ om de daarinne afgelaeden sijnde 5: pakken Lijwaden, in het aldaar in lading leggende schip Hoorn, over te scheepen, soo als ook geschieden sal, met die, welken per de Pantjallang de snelheid nog staan aangebragt te werden; ten welken einde het schip Hoorn, tot op de komst van dit kieltje ten gemelde Comptoire sal aangehouden werden. — De Barcq De voorsegtigheid is intusschen, voor eenige daegen, reeds na sourabaija vertrokken, en ik hoope dat dezelve„ nog voor het vertrek van het schip 'T Loo, aldaar mag aankomen, ten einde de daarinne afgelaeden zijnde pakken met Lijwaden in deesen kiel over tescheepen, waartoe de bediendens aldaar van de nodige ordres zijn voorzien. Met den alhier per de pantjallang de opas aangekoomen Luijtenant ter Zee en Equipagie opsigter te Banda Daniel schietekatte, heeft men narigt ontvangen, dat te gelijker tijd met hem, van Batavia is vertrokken, een wek of Rooij„ „boot, door uwe Hoog Edelheeden, meede naar 't gouvernement Banda gedestineerd; Dan dit kieltje is, blijkens de in deesen overgaande Copij verklaering der Equipagie van gem: pantjal„ lang De oppas, bij het rif van sidarij, van hen afgeraakt, en tot en tot heeden toe, hier niet verscheenen, en afschoon ik wel ten eersten de Residenten van Paccalongang en Tagal gelast hebbe, om eenige vaarthuijgen in zee te zenden, ter einde op dit kieltje te kruijssen, is zulks egter tot nog toe voor so veel ik weet te vergeefs geweest, want men tot nog toe geen de minste narigt van het selve heeft ontfangen, 't welk mij dus de vrijheid doed neemen, rwe Hoog Edelheeden kennisse van dit geval te geeven. Met de verschuldigde eerbied en hoog agting betuijge ik te zijn /:onderestond:/ Titul :/ Lager stond/ uwer Hoog Edelheeden, seer gehoorzaemen en getrouwe dienaar /:was geteekent:/. Ian Greeve /:in margine stond:/ Samarang den 12: Januari 1788. — den 12:' Januarij 1788:— verte 73. den 12: Januarij 1788. — Copia Aparte Brieff geschreeven door den opperkoopman en Eerste soura Cartas Resident Willem Adriaan Palm, aan den wel Edele gestrengen Heer Ian Greeve, Raad van Nee„ „derlands Jndia, mitsgaders Gouverneur en Directeur op en Langs Javas Noord oost Cust, de dato 6: Januarij 1788. — Op gisteren eene mij voorkoomende aller bequaamste geleegendheid, om Manconogoro den brief beneevens het ge„ „schenk van uwel Ed: gestr: agtb: te Intrageeren, en de mij opge„ draegene mondelinge Commissie te Executeeren, voorgekoomen zijnde, heb ik daar van geprofiteert, en dien prins het een en ander wees en inhandigen; zijn Hoogheid las en herlas den Brieff met veel attentie, dog zij de mij niets van het geene waar„ omtrent uwel Ed: gestr: agtb: zig aan mijn mondelingen Con„ ferentie met zijn Hoogheids refereerende, waarom ik ten eersten daar van ophaelde dog de prins wilde mij eerst nog doen gelooven 'er niets van instond, daar vande ik egter het Contrarie aantoonde, en alvoorens Hem naar gewoonte iets te praesenteeren verzogt om niet mij in een appart vertrek te gaan, het geen mij accordeerde alhier volbragt ik den Last mij door uwel Ed: gestr Achtb: opgedraegen, weegens des pangerangs geheime Correspondentie met de Rathoe Ben„ dhoro, bij welke geleegendheid naar langduurig debatten en Negativen den Prins het vuur zo na aan de scheenen leide„ dat zijn Hoogheid mij openhertig bekende alles de waarheid te zijn, maar dat niet van sints was de Comp: nog de keijzer daar door in ongeleegendheid te brengen, ofte eenig gewelt be gebruijken, den 12:' Januarij 1788. — gebruijken, maar dat het hem voorquam hier in geen quaad en stak, dat daar hij gehoord had, de Ratoe Bendoro bij den sulthan in ongenaeden was, haer man overleeden zijnde, en dagelijks zugte en Jammerden, om maar weeder bij Hem Mancoenogoro te zijn, hij haar zijne zendelingen had gezon„ den, om haar eenigsints te ondersteunen, en te laeten wee„ „ten, dat zo zij van zelvs bij hem quam, hij haar met open aamen soude ontfangen. waarop ik zijn Hoogheid alle de quaade en nadeelige gevolgen, die uijt deese Clandestine handel=wijze zoude kunnen resulteeren voorhielt, en teffens te kennen gaf, zo daar van niet wilde afzien, ik als dan ook duijdelijk begreep, het den prins geen Ernst was, wanneer hij zogt te beweeren gaarn als een kind van de Comp: aangemerkt te worden, en dus hij nog zijne kinderen geene praetentie hoe genaamt verder daar op te maeken zouden hebben; maar dat ik hem als een waar vriend zoude raeden de verdere Correspondentie met de Ratoe Bendoro te stae„ ken, welke raadgeeving ik met zoodaenige remarcques over den geluk staat waar in dien prins zig het seedert dat zig onder de bescherming der magtige Comp: bevond, staefde dat hij eindelijk moest bekennen en zeggen Broer Palm, gij hebt gelijk, mij omhelsende, en teffens verseekerende, dat voortaan geen stap meer soude doen in deesen, sonder mij alvoorens te kennen, om mij niets onwillens en weetens bij mijn gebieder ende verdere Hooge regeering, in ongenaede te brengen, ofte ten minsten; in verdenking van in attentie, welke verseekering een gevolg was van mijne opgave, dat uw Ed: gestr: agtb: ten hoogsten op mij verstoort waert geweest dat 'er zulke geheine Correspondentie gehouden wierden, en aan
English
7f 12 January 1788 — were underway, of which I appeared to know nothing, or at least had imparted nothing, let alone had opposed it. This business of ours having ended, and after the pangeran had served a few glasses of gin at our ordinary audience place, he brought me once again into the apartment where we had just been alone, and proposed to me to go in cognito and in person to greet the Ratoe Bendoro, between Solo and Djokjo, and thereafter return home again. I answered His Highness that I took this for banter, and that I once again held most earnestly to my advice just given, and that I was assured the prince must far prefer peace and the tranquil enjoyment of his prosperity in the midst of his family above the consequences that would most certainly arise from such an ill-considered step. And thereupon His Highness assured me further that he expected everything from me and would rely solely on me in everything, and consequently would take no step without my prior knowledge. And this is sufficient for me for now, and I imagine it cannot be other than pleasing for Your Right Honourable Sir to learn. I, for my part, am at least very pleased that matters have ended so well, and even more so that I have been fortunate enough to have been able to discover this correspondence in time to halt its continuation and to have the necessary measures taken at the Court of Djokjocarta to foil an unexpected enterprise of the sly commander Mancoenogoro; for all his assurances or oaths cannot convince me so strongly that I should not always remain on my guard against him. And therefore I would deem it quite useful that the Lord Lord Sulthan knew what had happened, if only to be on guard against the progress of this correspondence, and in my opinion the Lord Sulthan would far sooner accept this as a token of the Company's true friendship, notifying him of what has occurred and what is taking place at his Court, rather than fly into a rage over it. Yet I must leave this to the judgment of Your Right Honourable Sir's far wiser discernment, since the chief Resident Van Ysseldijk appears to be of a contrary opinion. The emissaries from Mancoenogoro to the Ratoe Bendoro—of whom one was first sent by Ratoe Bendoro to the pangeran, and whom he in return had accompanied by one of his own men—have not yet returned, which is why another one went after them the evening before yesterday; possibly they will never return, which could easily happen, as occurred 10 years ago. For the rest, I hope that my conduct in this matter may meet with the approval of Your Right Honourable Sir. I commend Your Right Honourable Sir and your precious interests to the safe keeping of the Almighty, and have the honour to be, below stood, Title, lower, Your Right Honourable Sir's very humble and dutiful servant, was signed, W. A. Palm, in the margin stood, Souracarta, 6 January 1788. Copy of a separate missive written by the aforementioned Lord Governor and Director to the First Resident Palm, aforesaid, dated Samarang, 8 January 1788. According to Your Honour's latest of the 6th of this month, the reality of the correspondence discussed in the previous letter between the Pangerang Mangcoenogoro and the Sulthan's daughter the 12 January 1788. — Ratoe 77 17 12 January 1788: — Ratoe Bendhoro having now been further confirmed by the own acknowledgment of that Prince, as I find described in its circumstances in the aforementioned letter of the 6th of this month, I now regard it, along with Your Honour, as very fortunate that this negotiation was discovered just in time, and that this prevented matters from coming to extremes. And since I therefore not only fully approve Your Honour's actions in this matter, but also express my satisfaction with the good management whereby Your Honour received the strongest assurance from the aforementioned Prince that he would rely on Your Honour in everything and consequently would take no further step in this without Your Honour's prior knowledge; so I would, along with Your Honour, still continue to regard informing the Lord Sulthan of what has occurred as the safest precaution against any surprise and the foiling of the precautions taken, were it not that the First Resident Van Ysseldijk, as well as the Djokjo Regent, found this difficulty in it, namely: that the Sulthan will demand more and sufficient proof than what is currently available before His Highness will be convinced that his daughter has complained about her father to the aforementioned Prince—against whom that ruler constantly retains his old bitterness—and made a request to be taken into his protection upon fleeing; which is presumed will appear all the more unbelievable to that ruler because his daughter is constantly surrounded by the ruler's sister and the aunt of her recently deceased husband Dipanagara, and people will consider it impossible that such an embassy—conducted, so it seems, entirely in secret or very circumspectly—
Dutch transcription
7ƒ den 12 Januarij 1788 — aan de gang waeren, waar van ik niets scheen te weeten, ten minsten niets hadde bedeelt, veel iin deselve was teegens gegaan. Deese onse besoigne afgeloopen zijnde en den pange„ rang op onse ordinaire audientie plaets eenige glasen ge„ „neever toegedient hebbende bragt hij mij andermaal in het appartement, waar wij zo eeven alleen geweest waren, en proponeerde mij om in coginto en in perzoon de Ratoe Bendoro,„ tusschen solo en djokjo te gaan begroeten, en daar na weeder te huijs te keeren, Ik antwoorde zijn Hoog heid, dat ik dit hielt voor Railleria, en dat ik mij nogmaels op het ernstigst hield, aan mijne zo eeven gegeevene Raad, en dat ik verseekert was, den vorst de rust en het vreedig genot zijner welvaert in het midden zijner familie verre moest praefereeren, boven de gevolgen, die uni't zo een onbedagt„ „saeme stap voorseeker zouden voortkomen, en daar op versee„ „kerde Z: H: mij nog nader, dat hij alles van mij verwagte, en in alles alleen op mij zig zoude verlaten, en gevolgelijk ook geen stap te zullen doen, zonder mijne voorkennis, en dit is mij voor eerst genoeg, en verbeekd ik mij uw Ed: gestr: agtb: niet dan aangenaam kan zijn te verneemen. Ik voor mij ben ten minsten zeer in mijn schik den zaken nog zo wel afgeloopen zijn, en nog meer, dat ik gelukkig genoeg ben geweest deese Correspondentie tijdig genoeg te hebben mogen ont„ dekken, om het vervolg daar van te staeken, en de nodige maat regu„ len aan het djokjocartasche Hoff te doen neemen, om een onver„ „wagte Entrepriesen van den sluiven veldheer ManCoenogaro te doen mislukken, want alle zijne verzeekeringen of heden kun„ nen mij so sterk niet overtuijgen, om niet altoos nog teegens hem op hoede te zijn, en daarom zoude ik het wel dienstig agten den Heer Heer Sulthan Wist, wat 'r gepasseert was, al was hij het, maar om teegens den voortgang deeser Correspondentie op hoede te zijn en den Heer sulthan zoude mijns bedunkens veel eer zulks als een blijk van 'sComp=s waere Vriendschap die Htem van het voorgevallene; en wat 'er aan desselvs Hoff passeert kennis geeft aanneemen, dan in thoorn daar over ontsteeken, dog ik moet dit aan de beoordeeling van uwel Ed: gestr: agtb: hoog wijser oordeel overlaeten, daar het heer opperhoofd van ijsseldijk van een Contrarie gevoelen schijnt te weezen: De zendelingen van Mancoenogoro aande Ratoe Bendoro, waar van een eerst door Ratoe Bendoro aan den pangerang gezonden was, en dien hij in rettour van een der zijnen heeft doen versellen, zijn nog niet gere„ tourneerd, waarom nog een Eergisteren avont agter aan is gegaan; mogelijk komense ninmer terug, dit konde gemakkelijk gebeuren als over 10: Jaeren. Overigens verhoop ik dat mijn gehouden gedrag in deesen, de goedkeuring van uwelEd: gestr: agtb: zal mogen weg dragen; Be„ „veele uwel Ed: gestr: agtb: en dierbaere belangens en de vijlige hoede des aller hoogsten, en heb de eer te zijn. /:onderstond:/ Titul /Lager:/ uwel Ed: gestr: agtb: zeer oodmoedige en trouw schuldige Dienaer /:was get:d / W: A: Palm /:in margine stond/ SouraCanta den 6: Jan: 1788. — Copia Apart missive geschreeven door Welmelde Heer Gouverneur en directeur, aan den Eerste Resi„ dent Palm, voornoemd, gedateert samarang den 8: Januarij 1788. volgens VE: Jongste van den 6: deeser, de weezendlijkheid der bij voorigschrijven, verhandelde Correspondentie tusschen den Tangerang MangCoenogoro en 's sulthans Dogter de den 12: Januarij 1788. — Ratoe 77 17 den 12: Januarij 1788: — Ratoe Bendhoro, tans nader bevestigd zijnde door de eige erkentemisse van dien Prins, so als ik die bij voormelde brieff van den 6: hujus in zijne omstandigheeden beschreeven vinde, so beschouw ik het tans, met UE: als seer gelukkig dat die onderhandeling nog eeven bij tijds ontdekt, en hier door belet is, dat de zaken tot uitersten zijn gekomen. En daar ik dus niet alleen volkoomen approbeer uE: verrigtingen in deesen, maar ook mijn genoegen betuijge, over de goede directie, waar door UE: van gem: prins de kragtigste verseekering heeft ontvangen, dat hij sig in alles op UE soude verlaeten en gevolglijk ook geen stap sonder UE: voorkennis in deesen verder sou doen; so soude ik met vE: ook als nog voor het veiligste behoed middel teegen alle verras„ „sing en veriedeling der genoomene voorsorg, blijven beschouwen de kennis geeving aan den Heer Sulthan van het geene 'er ge„ passeert is, waare het niet dat den eerste Resident van ijssel„ dijk, so wel als den Djokjose Rijksbestierder er deese swaerig„ heid in vonden dat namelijk den sulthan meerder en voldin„ genden bewijs dan het voorhanden zijnde sal vorderen, eer zijne Hoogheid zal te overtuijgen zijn, dat zijne Dogter bij gem: Prins, op wien dien vorst steeds de oude verbittering blijft behouden, sig over haaren vader beklaegd en aansoek gedaan heeft om bij ontvlugting in zijne bescherming te worden genoomen, het welk ondersteld word dien vorst des te ongeloofbaar te sullen voorkoomen, om dat zijne dogter gestadig omringt is van 's vorsten suster en de Taute van hae„ „ren Jongst overleedene man Dipanagara en men 't als ommogelijk sal aanmerken, dat 'er sulk eene /:na het scheint gausch met geheim of seer omsigtig behandelde :/ bood„ schaps=
English
receipt and dispatch could have taken place without being discovered by these two matrons, or by one of them, or indeed by their people. It will therefore be very desirable that they in Djokjo, in their vigilance, are fortunate enough to discover some of the Solo emissaries there, the last of whom was dispatched not even before the 4th of this month, as these can then serve to identify the Djokjo message-bearers and to convince the Ratoe, whose path to similar correspondence will certainly be cut off by her father, the Lord Sultan, upon such solid evidence. And since I already conveyed my thoughts regarding this some days ago to the First Resident van IJsseldijk, in reply to the report he made to me of his proceedings, I flatter myself that the attentiveness there will presently be so great that this subsequent emissary will not escape, and that care will also be taken that he is not concealed before having served for the desired investigation. Yet as this must be the work of the First Resident van IJsseldijk, which I hope he too will accomplish in accordance with the desire, because the greatest security will actually depend on it, it nevertheless remains continually necessary to be constantly attentive to the conduct of the aforementioned Pangerang, as this will serve most to oblige him to fulfill his assurances. Regarding the seditious and slanderous writing found, the 12th of January 1788. writing, nothing further appearing in Your Honour's aforementioned letter of the 6th of this month, I conclude from this that no discovery has been made concerning it since, which would nevertheless be a very desirable matter, and Your Honour's zeal is therefore most strongly recommended, particularly also to discern thereby whether the suspicion that has fallen on the descendants of the deceased Pangerang Rongo in this regard is indeed well-founded, and whether they might also attempt to resist the Emperor: Wherewith, after greetings, I remain Your Honour's good friend, was signed: Jan Greeve, in the margin: Samarang the 8th of January 1788. Copy Translation of a Javanese Letter written by the Pangerang Adipattij Amang Coenogoro, at Souracarta, to the Right Honourable, the Valiant Mr. Jan Greeve, Councillor Extraordinary of the Dutch Indies, and Governor and Director on and along Java's Northeast Coast, received at Samarang the 9th of January 1788. After the Usual Preface. On Saturday the 26th of this light of Moeloet, I had the honour to receive Your Honour's very kind letter, from which I understood that Your Honour was fully satisfied with my conduct; while I now hold myself assured that I am a true child of the Company, in the meantime I have very well received Brother's affectionate gift consisting of A gold spoon, A gold fork, and A gold table knife, as a token of Brother's ever-constant friendship and love towards me, and when I shall be deceased, as a token of friendship and love to my children and grandchildren, and I shall certainly use the aforementioned spoon, fork, and knife myself and keep them as a remembrance for the rest of my life. I have met the chief myself and have come to an agreement with him regarding my wife. Below was written: Translated by me, was signed: W. Wardenaer, sworn translator. Copy of a Letter written by the Senior Merchant and First Resident at Djorjocarta Wouter Hendrik van IJsseldijk, to the Very Same above-mentioned, dated Djoepoc the 4th of January 1788. Always minding on the one hand my duty to inform Your Honour of all matters of importance occurring at this Court, on the other hand I think I would stretch it too far, indeed exceed it, if I were to occupy His Honour with occurrences that either, without any consequences, can be handled between Solo and here, or are devoid of sufficient light to be presented to Your Honour supported by thorough evidence. In this latter light has appeared to me so far, from the side here, the suspicious understanding imparted to me by Mr. Palm between the Pangerang Mancoenagoro and his previously beloved Ratoe Bendara, but, since I notice from His Honour's writing that Your Honour on this matter, as sufficiently the 12th of January 1788. sufficient
Dutch transcription
schaps= ontvangst en versending kan plaets gehad hebben, sonder: door deese twee Matroonen, of door een van deselve, dan wel de harre, te worden ontdekt. Het sal mits dien seer te wenschen zijn dat men te Djokje in zijne waaksaamheid, soo gelukkig is van eenige der Folosche sendelingen, waar van de laetste selvs niet voor den 4: deeser is afgezonden, ginter te ontdekken, also deese als dan kunnen dienen ter aanwijzing vande Djokjose boodschap brengsters en ter overtuijging van de Rathoe, welke, op sulke dugtige bewijsen, door haren vader den Heer sulthan, wel de pas tot soortgelijke forrespondentien sal worden afgesneeden. En daar ik bereeds voor eenige dagen mijne gedagten hier omtrent aan den Eersten Resident van ijsseldijk hebbe opgegeeven, in andwoord op het verslag, dat densel„ ven mij, van zijne verrigtingen heeft gedaan, so flatteer ik mij dat de oplettenheid tegenwoordig aldaar so groot sal zijn dat deese nadere sendeling, het niet sal ontslippen, en dat men ook wel sorgen sal, dat 'z niet verduijstert word, alvorens tot de begeerde naspeuring, te hebben gediend. — Dan daar dit tons het werk van den Eerste Resident van ijsseldijk sal zijn, 't welk ik hoop dat ook hij Conform het verlangen sal volbrengen, wijl daar van de grootste se„ Curiteis eigentlijk sal afhangen, so blijft het intussen seker steeds noodsakelijk om op het gedrag van meerm: Pangerang bestendig oplettend te zijn, alzo dit het meest sal strek„ ken, om hem tot het nakomen zijner verseekerin„ gen te verpligten. — Aangaande het gevonden seditieus en lasterlijk den 12:' Januarij 1788. — geschrift, 79. den 12: Januarij 1788. — geschrift, bij vE: voorsch: missive van den 6=e deeser niets naders voorkomende, besluijt ik daar uit dat seedert desweegens geen ontdekking is gedaan, het geen nog„ „tans een seer wenschelijke zaak soude zijn en VE: ijver dus ten kragtigste blijft aanbevoolen, bijsonder ook om daar door te ontwaeren of het vermoeden, dat op het na-geslagt van den aflijvigen Pangerang Rongo hier omtrent gevallen is in de daad gegrond zij, en zij zig kans ook teegen den keijzer tragten te verzetten: Waar meede na groete blijve /: UE: goede vriend/ /:was geteekent:/: Ian Greeve /:in margine:/ Sama„ rang den 8: Januarij 1788. —. Copia Translaat Javaansche Brieff gesch: door den Pangerang Adipattij Amang Coenogoro, te souracarta aan den wel Edelen gestr: Heere Jan Greeve Raad Extra ordinair van Neederlandsch Jndia, en Gouverneur en Directeur op en Langs Javas Noord oost Cust, ontv: te Samaraeng den 9: Jann: 1783. Na Gewoone Voorreeden. Op satuendag den 26:e aan dit Ligt Moeloet, hebbe ik de Eere gehad te ontvangen, uwelEd: gestr: seer vriendelijke brief, uit de„ welke ik verstaan hebbe, dat uwel Ed: gestr: ten vollen voldaen was over mijn gedrag; terwijl ik mij nu verseekert houde, dat ik een weezentlijke kind van des Comp:s ben, ondertusschen hebbe ik broeders geneegene geschenk bestaande in Een goude Leepel, Een „ Een Goude fork, en Een goude tafel Mes, seer wel ontvangen, ten teeken van Broeders altoos bestendige vriendschap en Liefde te mij waards, en als ik overleeden sal weesen ten teeken van vriendschap en liefde tot mijne kinderen en kindskinderen, sullende ik voor seeker gemelde Leepel, vork en met selvs gebruij„ ken en mijne geduurige Leeftijd tot een gedagtenis houden. Ik hebbe het heer opperhoofd selvs ontmoet en ben met dezelve over eengekomen, aangaande mijne vrouw. - /:onderstond:/ Getranslateert door mij /:was geteekent/ ope W=m Wardenaer /:gesw: translateur. — Copia Brieff gesch:, door den opperkoopman en Eerste Resident te D'jor Jocarta Woutca Hendrik van ijsseldijk, aan Hoogst denselve voormeld gedateert djoepoc: den 4:' Jann: 1788. — Steeds aan de eene kant mijne pligt gedenkende om uwel Ed: gestr: van alle aan dit Hoff van belang voorvallende saeken, te moeten kennis geeven, so meene ik aande andere zijde, dezelve te verre te trekken, Ja. te buijten te gaan, so ik hoogst denselve occupeere, met passagies die of, zonder eenige gevolgen, tusschen solo en hier, kunnen worden afgehandeld of, ontblood zijn, van het genoegsaam ligt, om niet grondige bewijsen ondersteurt:/ uwel Ed: gestr: te kunnen worden voorgesteld. In dit laatste dagligt is mij tot nog toe, van de kant van hier, te vooren gekoomen, die mij door den Heer palm bedeelde suspecte verstandhouding, tusschen de pangerang mancoenagoro, en sijne bevoorens geliefde Ratoe Pendoro, dog, daar ik aan zijn Ed=e schrijvens bemerk, dat uwel Ed: gestr: over deese zaeke, als genoeg„ den 12: Januarij 1788. „saem
English
81 the 12th of January 1788. — sufficiently convinced of the authenticity on the part of Mancoenagara, had already written, and even sent that which was answered by me to His Honour, so I cannot fail, on my part, to also communicate and report to Your Honour on my conduct to this day. I hope that what was supplied by me to Mr. Palm will have obtained Your Honour's approval, since which time I have written to His Honour that, after I had conferred further on these matters with the prudent Danoeridja, we agreed to test everything possible to inform the Sultan of the case in a manner that will cause the least commotion, concerning which he has requested me to exercise patience for a few days, in which interim he is having a watchful eye kept on the Rathoe by his confidants, and hopes to discover something that is sufficient, apart from my assurances, to convince the ruler of the truth of what was maintained by Mr. Palm; I thought I ought to allow this delay, the more so because the grand vizier declared that he would answer for any consequences during this time, and I for my part am assured that one truly cannot act circumspectly enough in this matter, since the Sultan, upon receiving knowledge of the affair, will give little credence to the misconduct of his daughter, but will rather shift everything onto Mancoenogoro, and then, however old he is, will surely give free rein to his temper, which knows no bounds especially regarding the subject of the said prince, and would easily proceed to an at times all too hasty step, which—even if it consisted in nothing else than the ipse facto cessation of work at the lodge and elsewhere, and the mobilization of his troops— something 82 something that previously in such a similar case, perhaps merely to make a show, he also practiced—would already cause too much disruption to the presently prevailing, so desirable tranquility not to be managed with the utmost tact. However far I may succeed in this, I hope to communicate in due course; meanwhile, having carefully considered the matter, I am of the opinion that one could do nothing more salutary than to inform the Sultan of what has currently transpired only in the case of extreme necessity, but for now merely, on the basis of a desire shown by Mancoenogoro upon the decease of Diepanagara to have his previously beloved Rathoe with him again, to incline him to grant her a residence in his Kraton, yet fearing at the same time that this will not be of sufficient weight, and that he will wish to be fully informed of the matter—which will greatly upset him on the part of his daughter—before he proceeds to this step, truly wishing that the pot which these two people have set on the fire for us had boiled down without tipping over, as the ruler's first question will apparently be whether he must simply stomach such conduct from Mancoenogoro and endure everything in such a manner, an expression he also used during previous unpleasantnesses with that prince, when it will be especially suitable if I can thoroughly prove the guilt of his daughter as the principal instigator, which I must still profess not to be able to comprehend otherwise than on the positive assurance of Mr. Palm, as besides the reasons supplied and stated to His Honour, another is added which is no less compelling, and here the 12th of January 1788. — consists in 83 the 12th of January 1788. — consists in the fact that the Sultan's own sister and, as I believe, the aunt of Diepanagara always live with the Rathoe, and the latter cannot, so to speak, turn around without this pair of old women witnessing it. — Meanwhile Your Honour may be assured that I keep a watchful eye on everything; while I abbreviate this, and with all respect and true high esteem have the honour to remain. — Underneath stood: Title, Lower: Your Honour's humble and obedient servant, was signed: W: H: van Ysseldijk, in the margin: Djokjaccarta the 4th of January 1788. underneath stood: P.S. The time that Danoeridja has reserved for himself is next Tuesday, so that if in that interval I might be informed of Your Honour's pleasure, this might be of use to me during the audience at Court to handle the matter in accordance with the intention. — Extract letter from the aforementioned Lord Governor and Director to the just-mentioned First Resident at Djocjocarta, dated Samarang the 5th of January in the year 1788. — The passage included in my latest of yesterday's date will, before the receipt of this, have already caused Your Honour to reflect that the view Your Honour has formed concerning the necessity of giving notice of what has been transacted and done regarding the correspondence discovered at Solo between Pangerang Mincoenogoro and his former wife the Rathoe Bendhoro squares very well with my expectation. Regarding the matter itself, I have for the certainty of this maintained 6
Dutch transcription
81 den 12:' Januarij 1788. — „saem vande agtheid, aan de kanst van Mancoenagara overtuijgd, bereids geschreeven, Ja selve, het door mij aan zijn Ed:e geantwoord, toe„ gezonden heeft, so duove ik niet nalaten, om van mijne kant uwelEd: gesta: meede bedeeling en verslag te doen, van mijn gedrag tot heeden. Ik hoope dat het doormij gesuppediteerde aan d' heer Palm, uwel Ed: gestr: approbatie zal hebben erlangt, seedert welke tijd ik zijn Ed:e geschreeven hebbe, dat, na dat ik den voorsigtige Danoeridja nader over de zaeken onderhoude hadde wij over een gekoomen zijn, om het mogelijkste te Ex prouveeren, om den Sulthan kennis van 't geval te geeven, op eene wijse, die het minste beneeging maeken kan, en waar omtrent hij mij versogt heeft, eenige weinige dagen gedult te oeffenen, in welke tinschen tijd, hij door zijne ver„ trouwde een wakend oog op de Rathoe laat slaan, en hoope heeft, iets te ontdeken, dat genoegsaam is, om buijten mijne verseekeringe, den vorst vande waarheid, van het door de Heer Peelm gesoutineerde, te kunnen overtuijgen, dit intstel heb ik gemeent te moeten plaats geven, te meer, daar den rijksbe„ „stierder betuigd in de staan, voor een of ander gevolgen, geduu„ rende deese tijd, en ik van mijne kant verseekert ben, dat men in deese waarlijk niet omsigtig genoeg kan handelen, daar den sulthan van 't geval kennis krijgende, luttel geloof zal slaan, aan het wangedaag van zijne dagter, maar wel alles zal schuij„ ven, op Mancoenogoro, en als dan, hoe oud ook is, seeker sijne drift, die vooral op het sujet van gemelde prins geen palenkent, den teugel vieren en ligt overgaan soude, tot een somtijds, alte over haaste stap, die /:al bestond dezelve in niets anders:/ als in het ipse facto doen ophouden, van het werk aande loge, en elders, en het in beweeging brengen, van zijn krijgesvolk/ /iets 12 fiets dat devoorens in so een dergelijk geval, misschien om maar wat vertooning te maeken, ook Excerceerde:/ bereeds te veel in„ breuk, op de thans plaets vindende so gewenschte rust soude maken, om niet met 't meeste beleid te worden geweest. In hoe verre ik in deese egter zal mogen slagen hoope ik bij nadere te bedeelen, ondertusschen ben ik na de saake wel overdagt te hebben, van gevoelen men niets heilsamer soude kunnen doen, als van het teegensewoordig gepasseerde, met als bij de uiterste noodsaekelijkheid, den sulthan kennis te geeven, maar alleen voor als nog, op fundament van, eene sugt, door mancoenogovo (:bij het overleiden, van Die„ panagara, om zijne bevoorens beminde Pathoe, weederom bij zig te hebben :/ getoond, smaek te doen krijgen; in haar een verblijf te geeven in zijn Craton, dog rueese te gelijk, dat dit van geene genoegsaeme kragt zal zijn, en hij vande zaeke /:die hem magtig van de kant van zijn dogter ontsetten zal:/ ten vollen zal willen g'informeerd weesen, alvoorens dot deese stap overgaat, wel wenschende, dat de pot, die deese twee luij„ „den, ons hebben te vuur gezet, sonder omvallen uitgekookt was, alzo apparent, des vorsten Eerste vrage zal zijn, of hij soo een gedrag van ManCoenogoro maar verduwen, en dus danig alles verdragen moet, een expresse die hij bij voorige onaangenaamheeden met die prins meede gebruikte wanneer het voor al tepas sal komen, ik de schuld van zijn Dogter als de eersten aanlegster, grondig dewijsen kan, en die ik nog moet betuijgen niet anders, als op de stellige versee„ kering vanden heer Palm, te kunnen bevatten, daar 'er buijten de gesuppediteerde reedenen, aan Z: E: opgegeeven, nog eene bijkomt, die niet min van kragt is, en hier den 12:' Januarij 1788. — in 83 den 12 Januarij 1788. — in bestaat, dat des sulthans eige suster en zo ik meer de Taute van Diepanagara althoos bij de Rathoe woo„ „nen, en deese zig om so te spreeken, niet omdraijer kan, of dit paar oude vrouwen sijn 'er getuijgen van. — Ondertusschen kan uwelEd: Gestr: verseekert zijn, dat ik op alles een wakend oog houde; Terwijl ik deese bekorte, en met alle Eerbied, en waere hoog agting de Eere hebbe te verblijven. - /:onderstond:/ Titul, /:Lager:/ uwel Ed: gestr: Agtb: onderdanige en gehoorzame dienaer /:was geteekent:/ W: H: van ijsseldijk :/ in marg:ine:/ Djokjaccarta den 4: Janu: 1788. /:daar onderstond:/ P: S: de tijd die Danoeridja sig voor behouden heeft is, aanstaande dingsdag om so ik in die tusschen ruimte van uwel Ed: gestr welbehaegen mogte worden geinformeerd soude mij dit in de audientie ten Hove, sou kunnen te pas komen, om de saek Conform de intentie te behandelen. — Extract brieff van Welmelde Heere Gouver„ neur en directeur, aan eeven genoemde Eerste Resident te djoejo Carta, gedateerd samarang den 5: Januarij Ao 1788. — De periode geinfltueert bij mijne Iongste van dato gisteren, sal uw Ed: voor den ontvangst deeser reeds hebben doen reflecteeren, dat het begrep, waar in uw Ed: gevallen is, aangaande de noodsae„ kelijkheid der kennis-geeving van het verhandelde en verrigte omtrent de te solo ontdekte Correspondentie tusschen pan„ gerang Mincoenogoro en zijn gew: vrouw de Rathoe Ben„ dhoro, seer wel met mijne verwagting quaddreerd. De zaak zelvs betreffende, heb ik voor de zeekerheid deeser gerustineerde 6