Inventory 3816
Japan · 998 pages · 253 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
continued correspondence, no more than Your Honour had any other ground than the positive assurance from Mr. Palm, that I could completely rely on the authenticity of that report and be assured that the correspondence between the pangerang and the emissaries of the Ratoe Bendoro had truly occurred word for word as His Honour informed me, just as that assurance will further appear to Your Honour from the letter enclosed herein in copy. It was also solely that firm assurance which caused me to decide, not only to speak with the pangerang about this in certain veiled terms which Mr. Palm would explain further, but also to express to His Honour my opinion that in any case the safest measure would be to give notice of it to the sultan, in order thus to prevent the flight of his daughter. Yet although for the present I cannot doubt the truth of the matter, because Mr. Palm would not have given me such an assurance, standing surety for everything and thus also responding for the accuracy of the reports, if one could fall into any doubt, it nevertheless appears to me highly speculative and even incomprehensible that of a matter which seems to have been conducted with so little secrecy, nothing in the world has been discovered at the court of Djokjo, the more so since a matter of that nature certainly cannot have been easy to conceal from the Aunt of Diepanagara and the sultan's own sister, as these matrons are continuously around her. 12 January 1788. I therefore entirely approve not only that Your Honour has taken the prudent course of superseding the notification to the sultan, according to the advice of the so perspicacious Danoeridja, until next Tuesday, in order first to await what the outcome will be of his investigation to be conducted in the meantime, but I even believe, for the very solid reasons alleged by Your Honour, that the notification must remain postponed until the very last and until obtaining, if not complete proofs, at least a more reassuring degree of probability, provided namely that Danoeridja's vigilance in the meantime can be considered sufficient. And as everything will easily be able to be discovered if one could only have it pointed out which of the old women belonging to the household of the Ratoe Bendoro were used for this repeated mission, the best means herein will be for Your Honour to request Mr. Palm to send the person of whose faithful discovery His Honour is so very certain to Djokjo for a short time, wherein I cannot see that any difficulty resides, at least not one that can be weighed against or compared to the fatal consequences that can flow from the giving of untrue reports, as such spies are more dangerous than useful, and above all do not deserve to be spared. Since I have until now received no further information regarding this affair from Solo, although my last order went thither on the forenoon of 1 January, and I have since been informed by Mr. Palm, in a letter of the 2nd, of the receipt of those letters, the answering of which His Honour however says he is postponing to another occasion without at the same time mentioning anything of the further course of this affair, I cannot give Your Honour any further light regarding this, the more so as Mr. Palm has found it inadvisable to deliver my letter on the occasion of the New Year to the pangerang and to speak with that prince about the correspondence referred to therein, the outcome of which and the prince's answer to my writing I therefore still await. As my authorization to Mr. Palm to handle this affair further with Your Honour, according to my letter of yesterday, is so qualified that direct notification by Your Honour to me is by no means excluded, I shall now also look forward to receiving further reports regarding this from Your Honour. Extract of a further letter from the First Resident IJsseldijk at Djokjo to the aforementioned Governor and Director, dated Djoejocarta, 9 January 1788. From the receipt of Your Honour's esteemed and ever-respected letter of the 5th of this month, it has appeared to my no small pleasure that you have been pleased to approve my conduct and handling in this matter thus far. The time which the Raden Adipati had reserved for himself to obtain some light on the matter from this side in every possible way now having expired, the same has ended fruitlessly, as well on his side as on mine, and as the means of discovery indicated to me by Your Honour was indeed requested of Mr. Palm 12 January 1788.
Dutch transcription
gerustineerde Correspandentie, soo min als uwel Ed: eenige andere grond, dan de positive verseekering van de heer Palm„ dat ik mij op de egtheid van dat berigt volkomen konde ver„ laeten en verseekert zijn dat de Correspondentie tusschen den pangerang ende zendelingen van de Rathoe Bendhoro, weezendlijk woordelijk was voorgevallen, als zijn Ed:e mij bedeelde, soo als die verseekering uw Ed:e nader sal te voo„ „ren komen, bij de in Copia deesen in geslooten brie„. — Het is ook alleen die soo vaste verseekering geweest, welke mij heeft doen besluijten, niet alleen om de pangerang daar over in seekere bedekte termen /: die de Heer Palm nader soude expliceeren:/ daar over te onderhouden, maar ook zijn Ed:s voor mijn gevoelen op te geeven, dat het in allen gevalle het allervijligste middel zou zijn den sulthan er van kennis te geeven, om dus de vlugt van zijn dogter te beletten.. Dan hoewel ik voor als nog niets vermag te twijffelen, aan de waarheid van de zaak, om dat de heer Palm mij daar van sulk eene, voor alles instaande en dus ook voor de getrouw„ heid der berigten: repondeerende verseekering niet sou ge„ geeven hebben, indien men in eenige twijffeling konde af„ mogt vervallen, soo komt het mij egter ten hoogsten specu„ „latief en selvs onbegrijpelijk, voor dat men van een zaake„ die met soo weinig geheim houding schaint te zijn behandeld„ op aan het djoejoese tof niets ter wareld heeft ontdekt, te meer daar een zaak van dien aard voorseeker Voorde Tante van Diepanagara en des sulthanseige suster met wel te verbergen is geweest, daar deese Matroonen sig onophoudelijk om en bij haar bevinden. — den 12: Januarij 1788. — volkomen 85 den 12: Januarij 1788. — Volkomen approbeer ik dus niet alleen dat uw Ed: de soo voorsigtige part hij getoosen heeft om niet de kennis geeving aan den sulthan volgens het advies van den so doorsigtigen Danoeridja, tot aanstaande dingsdag te supercedeeren, ten einde alvoorens afte wagten, welke den uitslag zal zijn, van zijn intusschen te doen ondersoek, maar ik vermeen selvs, om de door uwel Ed: geallegueerde, seer solide reedenen, dat de kennis geeving, tot op het aller laetste en na erlanging soo al van geen volkomene bewijsen ten minsten van eene meer gerust stellende graad van waarscheinelijkheid moet uit gesteld blijven, indien namelijk Danoeridjas waaksaam„ heid intusschen voor sufficieerende te houden is. En daar alles sig ligtelijk sal kunnen ontdekken; soo men slegts sig konde doen aanwijsen welke der tot het huijs vande Rathoe Bendoro gehoorende oude vrouwen, tot dit, herhaal de sendelingschap zijn gebruijkt, so sal het beste middel hier en bestaan, dat uwEd: de heer Palm ver„ „soekt, om de geene, van wiens getrouwe ontdekking Z: E: so seer verseekerd is, voor een korte poos na d'jokjo te senden waar in ik niet sien kan, dat eenige swaerigheid resideert, ten minsten niet sulk eene die op weegen of in vergelijk kan gebragt worden, teegen de finiste gevolgen, die er uit het geeven van onwaeren berigten kunnen voortvloeijen alsoo sulke ppions, meer gevaarlijk, als nuttig zijn, en voor al met ver„ dienen. gemenageert te worden. — Vermits ik tot nog toe nopens deese affaire geen nadere informatie van Tolo ontvangen hebbe, schoon mijn laatste order den 1: Janu: 'Svoorm: derwaards is afgegaan en ik Seedert van de heer Palm, bij een brieff van den 2: wel gein„ formeert formeert ben van den ontvangst dier brieven, dog welker beant„ woording zijn Ed:e sego tot een andere geleegendheid te surcheeren sonder tevens iets van het verder beloop deeser affaire te mel„ „den, soo kan ik uwE: daar omtrent geen nader ligt geeven ik te meerder daar de heer Palm het ongeraaden heeft gevonden mijn brief ter geleegendheid van het nieuwe Jaar aan den pan„ gerang overtegeeven, en dien prins over de daarin bedoelde Cor„ respondentie te onderhouden, waar van ik den uitslag e sprincen antwoord op mijn schrijven dus nog blijven te gemoed zien. Daar mijne qualificatie aan de heer Palm, om met uw E: deese affaire verder aftehandelen, volgens mijn schrijven van giste„ ren soodaenig geclausuleerd is, dat de directe kennis geeven, door uwel Ed=e aan mij daar van geensints is uitgeslooten, soo sal ik als nu de nadere berigten deesen aangaande ook van uwE: te gemoed zien. — Extract Nadere briev, van den Eerste Resident ijsseldijk te Djokjo, aanden meerm: Heere Gouverneur en Directeur, gedateert Djoe„ IoCarta. den 9: Januarij 1788. — uit den ontvangst van uwel Ed: gestr: geEerde en altoos geEerbie„ digde letteren van den 5: deeser, is mij tot geen gering genoegen ge„ „bleeken dat Hoogst denselven, mijn gehouden gedrag, en behandeling, in deese, tot dus verre, heeft gelieven te approbeeren. De tijd die den Radeen depattij sig voor behouden had, om op alle mogelijke wijse eenig ligt vande kant van hier in de zaak te krij„ gen, als nu verstreeken sijnde, is dezelve, soo wel van die, als van mijne zijden vrugteloos afgeloopen, en daar het door uwel Ed: gestr: mij aangeweesene middel ter ontdekking wel aan den Heer Palim„ den 12: Januarij 1788:— verzogt
English
87 the 12th of January 1788. — was requested and proposed, but in accordance with my expectation could not be put into effect, I have had to console myself with a further communication that even Mancoenagara has confessed the matter to His Honour, and thus, both because of this and the proofs already given previously, there is no longer any shadow of doubt remaining regarding the truth of the matter from the side of Solo; but here, everything having been so well considered, despite all the effort exerted nothing whatsoever could be discovered; thus this has not removed the difficulty I have in informing the Sultan of it for the present. The longer I have reflected upon it, the more I have perceived the harmful consequences that could flow from it, since I know beforehand that even if Your Honour, Mr Palm, and I myself maintained the matter, the ruler would reply: "The gentlemen are misled by Mancoenagara; I do not believe it of my daughter; it is he who still seeks to trouble me in my old age." And here, repeating the same that I wrote to Mr Palm, I state that, were the Sultan a man amenable to advice, or let me rather say to the removal of all such means as could give cause for his unrest, I would have already found it and advised the Regent to lay the matter open to the Sultan without me, adding that the same had been communicated to me by Mr Palm; but since there are as yet no signs from this side, I had avoided speaking to the ruler about it myself; through this, one would think that he would be awakened and inclined to keep a watchful eye on the conduct of his daughter, but as it will already be well enough known to Your Honour what a strange vessel the old gentleman is to navigate through the sea with, and the terrible enmity that exists between him and Mancoenogoro, Your Honour will certainly grant me that a single word uttered by that prince is already enough to make him burst into anger, and thus a disclosure of that nature can have no other than volatile consequences harmful to the good cause. Since preventing this is now my business above all, and every step, indeed so to speak every word, can be followed by just as much accountability, I preferred to leave the matter as it is for the present; but in order to clear myself at the same time and to assure Your Honour that nothing has been done by me in this regard other than what I believed to be founded on prudence, I caused the Regent (who indeed declared that he could not believe the matter on the part of the Ratoo) to deliver to me an attestation under his seal, whereby he warrants for her conduct as well as for the correspondence. If now the declarations made on the part of Mancoenagara to Mr Palm, that he will not involve himself further with her, are sincere, then it seems to me that this matter, which could have been of great consequence, has been brought to a reasonably quiet conclusion, since Your Honour will kindly agree with me that Danoeridja might lose his old head over it if he did not now ensure that the correspondence, supposing it comes from the Ratoo's quiver, if not brought to an absolute end, is at least not of such consequences that it could cause trouble; and I believe I am assured that he now dares not neglect to converse with the Sultan about it on a suitable occasion, which I believe all the more readily as he requested of me, on the 12th of January 1788, a translated 89. the 12th of January 1788. — extract from the letter of Mr Palm, in which His Honour gives assurance of the authenticity of the affair, and I also made no difficulty in mutually serving him in this, from which the ruler will be able to see that I have not failed to report everything to his Regent; but having myself no evidence from this side, I have guarded against a hasty report, something that one must especially guard against with this difficult Sultan if one wishes to remain assured of his confidence; and should the ruler wish to speak to me about it himself later on, I am always ready with my answer for it. But it seems to me, worthy master (and I have also written this to Mr Palm), that if Mancoenagara's assurance now given is sincere, and he wished to give a true token of his trust in the Company, no more suitable means could occur to him for that purpose than to apprehend the first messenger sent to him again from the side of Djoejocarta and hand him over to the Company. Who knows, Right Honourable Sir, what might be discovered thereby, declaring for the present that I cannot understand the conduct of the Ratoo in this: she enjoys the same love, the same advantages, the same honour, and finally the same confidence from her father as before, and her years, which are already around fifty, surely cannot make us suppose that her desire to have a husband again would have made her proceed to that step; and these advantages now weighed in the balance against the uncertain reception of Mancoenagara, who, however much he may profess love and respect, everything (because of the enmity between
Dutch transcription
87 den 12: Januarij 1788. — verzogt en voorgesteld is, dog over eenkomstig mijne verwagting, niet is kunnen worden te werk gesteld, so hebbe ik mij moeten getroosten, met eene nadere bedeeling, dat selvs Mancoenagara, de zaek aan Z: E: bekent heeft, en is er dus so om dit, als bereeds bevoorens gegeevene bewijsen, geen schein van twijffeling meer overig, aande waarheid der saeke, van de kant van Solo, dog i hiea alles so wel overlegt sijnde, er niet teegenstaande alle aan„ gewende moeijte niets hoegenaamt is kunnen ontdekt worden; so heeft dit de swarigheid met weg genoomen, die ik hebbe, om 'er den sulthan voor als nog kennis van te geeven, hoe langer ik mij daar over bedagt hebbe, hoe meer ik hebbe ingedien de na„ deelige gevolgen die daar uijt soude kunnen voortvloeijen, alzo ik bevoorens weete, dat al was 't, dat, uwel Ed: gestr: den Heer Palm en ik selve de saak staande hielden, den vorst antwoorde soude, de Heeren sijn misleid door Mancoenagara, ik geloove het van mijn dogter met, hij is 't, die mij in mijn ouden dag nog soekt te ontrusten. En hier (: het selve, dat aan de heer Palm gesch: hebbe herhaelende:/ so stelle ik, dat, was den sulthan een man, vatbaar voor raad gee„ vingen, of laat ik liever seggen voor de uit de wegruijming van alle zulke middelen als oorsaeke kunnen geeven tot zijn on„ „riest, ik soude het bereeds gevonden, en den Rijksbestierder ge„ raaden hebben, om sonder mij, den sulthan de zaak open te leg„ gen met bijvoeging, dat deselve mij door den Heer Palm bedeelt was; maar van de kant van hier nog geene blijken daar zijnde ik gemenageert hadde, den vorst er selve over te spreeken, hier door soude men moeten denken dat wakker gemaakt, en genee„ gen worde soude, om een wakend oog op het gedrag van zijn Dogter te vestigen, dog daar 't uwEd: gesta: bereeds genoeg bekent sal zijn, zijn, wat een wonderlijk schip den ouden Heer, is, om 'er meede door zee te koomen, en de dreeselijke vijandschap die er tusschen. hem en Mancoenogoro plaets heeft, sal uwEd: gestr: mij wel avoueeren, dat een enkeld woord van dien prins gerept, bereeds genoeg is, om hem te doen ontbranden in toorn, en dus eene bekendmaking van die natuur, geen andere, als op vliegende, en voor de goede zaak nadeelige gevolgen hebben kan. Daar dit voor te koomen nu voor alles mijn zaak is, en ieder stap, sa om so te spreeken ieder woord, gevolgd kan zijn van eeven so veel verantwoording, so hebbe ik gepraefereerd de zaak en voor als nog bij te laeten, dog om mij te gelijk te suijveren, en uwEd: gestr: te verseekeren 'er niets door mij en deese gedaan is, als het geene ik meende op voorsigtig„ heid gegrond te zijn, so hebbe ik den Rijksbestierder /:die im„ mer betuijgde van de kant van de Rathoe de zaak niet te kunnen gelooven:/ mij een bewijs onder zijn seegul doen ter hand stellen, waar bij hij voor haar gedrag so wel, als voor de Correspondentie instaat, so nu de betuijgingen van de kant van Mancoenagara aan den Heer Palm gedaan, dat hij sig met haar niet verder zal inlaten, opregt zijn, so dunkt. mij dat deese zaeke die van veel gevolgen had kunnen weesen, tot een reedelijk gerust einde is gebragt, daar uwEd: gestr: wel met mij sult gelieven te stellen dat Danoeridja en zijn oude hoofd bij soude kunnen verliesen, als nu niet sorgde de Corres ponden„ „tie, gesteld die uit des Rathoes kooker komt, so met volstrekt een Einde neemt, ten minste niet van die gevolgen is, dat er lat maeken kan, en meene ik verseekert te zijn, hij nu niet durft nalaeten, om 'er bij eene gepaste occagie, den sulthan over te onderhouden, het welk ik te eer geloove daer hij mij om een den 12:' Januarij 1788. — overgezet 89. den 12:' Januarij 1788. — overgezet extract uit de brieff van den Heer Palm, waar bij sijn 6 Ed:s van de egtheid der affaire verseekering doet, versogt heeft, en ik ook geen swaarigheid gemaakt hebbe, hem in deese weederkee„ dig van dienst te zijn, waar uit den vorst, sal kunnen sien ik niet gemankeert hebbe, sijn Rijksbestierder van alles verslag te doen, dog selve vande kant van hier geene bewijsen hebbende, ik mij gewagt hebbe voor een overhoestend rapport, iets, waar men sig bij deese ongemakelijken sulthen, voor al voor wagten moet, wel men sig van sijn vertrouwen blijven verseekert houden en is het dat den vorst mij er naderhand selve verspreeken Wil, so ben ik daar toe altoos met mijn antwoord gereed. Maar mij dunkt waarde gebieder (: en dit heb ik den Heer Palm ook gesch:/ dat als Mancoenagara sijne nu gedaene verseekering opregt is, en hij wilde een waaragtig blijk van sijn vertrouwen op de Comp:e geeven, so soude hem geen gepasser mid„ del daar toe kunnen voorkoomen als de eersten sendeling die hem weederom van de kant van DjoeJocarta toegezonden word, op te vatten, en aan de Comp:e over te geeven, wie weet WelEd: gestr: Heer. wat daar door soude ontdekt worden, voor als nog betuijgende, dat ik het gedrag van de Rathoe in deese niet begrijpen kan, sij geniet dieselvde liefde, die selve voordeelen, dat selve hoimeur, en eindelijk dat silvde vertrou„ wen van haar vader als voor heen, en haare Jaaren, die bereeds om en bij de vijftig sijn, kunnen ons immers niet doen veron„ derstellen, haar trek om weederom een man te hebben, haar tot die stap soude hebben doen overgaan, en deese voordeelen nu eens in de weegschael gelegt teegens het onseekere onthaal van Mancoenagara, die, hoe seer ook betuijging van liefde en ag„ „ting mag doen, alles /:int oorsaeke van de vijandschap tus„ schen .
English
the 12th of January 1788. — between him and her father, to have to distrust him in this matter! When I imagine all that, it seems to me not entirely unfounded if I say that I would not be surprised if in time one were to discover that this entire mission was either invented by Mancoenagara himself to cause the Sultan some trouble once again, or else comes directly from this crown prince, who perhaps knowing no other means to incense his father against this antagonist of his than to send him an old woman and make her use the name of his sister, so that this leaking out would give the Sultan reason to complain anew to the Company about the conduct of Mancoenogoro, and if possible thereby achieve his end of tripping up this prince. This, however, I present only as possible, but not as probable, since nothing of the kind has yet appeared to me, but I shall not fail to make every effort to obtain some more light on that matter. — Copy Translation of a Memo from me, Radeen Adipattij Danoeridja, to my Brother, the Chief, Lord Wouter Hendrik van Ysseldijk. The reason that I give a Memo under my seal as proof to my Brother, the Chief van Ysseldijk, is that I have well understood what Brother has told me regarding what was communicated by the Chief, Lord Palm, to Brother, that the Rathoe Bendhoro and the Pangerang AmengConogoro have shown further signs of maintaining some correspondence the 12th of January 1788. — with each other. Now in consultation with Brother, I have agreed not to make this known to the Sultan for the present, but I testify hereby to warrant that the Rathoe Bendoro has no such desires for Pangerang Amang Coenogoro, and also that she will maintain no correspondence with him. below stood: For the translation, was signed: J. G. van den Berg. — Copy of a Separate Letter written by the Right Honourable Jan Greeve, Councillor of the Netherlands Indies and Governor and Director on and along Java's Northeast Coast, to the Right Honourable Barend Reijke, Governor and Director at Maccasser, dated Samarang, the 2nd of January Anno 1788. — The present state of affairs at Maccasser has made it a point of deliberation for Their High Mightinesses whether perhaps the Madurese warriors could be employed there with great benefit, wherefore the same have instructed me to submit this for Your Right Honourable's consideration, which I hereby fulfill, in order that, after obtaining information in this regard, if such is necessary, Your Right Honourable's government may be provided with a company of these mercenaries. — With all high esteem I have the honour to be. — below stood: Title, lower: Your Right Honourable's humble servant and friend, was signed: Jan Greeve, in the margin stood: Samarang, the 2nd of January 1788. — thereunder: P.S. Herewith I attach for your perusal a copy of the Instruction also given to the the commanding officer of the troops detached from here to Sumbawa. — the 12th of January 1788. — Copy. We, the undersigned warrant officers and sailors on the pantjallang the Oppas, declare at the request of the Captain Lieutenant at Sea and Equipment Master of Banda, the Lord Daniel Schiettekatte; That it is true and certain that, having departed from the Batavia roadstead on the 25th of December last, in the evening at sunset, being off and on the Sedarie Reef at depths of 8, 9 to 18 fathoms of rocky bottom, we then steered somewhat more northerly to obtain deeper water; then, after passing the reef, set the course according to the Company's Instruction toward the point of Pamanoekan, at sunset bearing the same to the south-southeast over depths of between 10 and 14 fathoms. Then the aforementioned rowboat, instead of following its course along with us, kept steering north-northeast and ran over the reef, instead of waiting according to given orders to stay with us, being within a short time fully 2½ miles from us to the north-northeast. We immediately fired a shot to make it come to us, but this being in vain, we ran before the wind under bare poles due to a heavy storm squall, because the sky was very obscured with drizzle and no sight of land could be had, and so we could the better sound the depths, setting the course then over depths of 14 to 18 fathoms, to the east by south and east-southeast to run clear of the Reef of Cheribon. We, the undersigned, desiring to confirm this if required under solemn oath. below stood: In the Samarang Roadstead, the 4th of January 1788. was signed: A. Reijniersen, H. Willems, I. Vink, G. Douwe, A. Holmstroom, B. Gijsbregs, and two marks of S. Rosier and H. Brennik. — the 12th of January 1788. — at G Batavia. To His High Excellency, The Most Honourable, Mighty and High Regarded Lord, Master Willem Arnold Alting, Governor-General, and the Right Honourable Councillors of the Netherlands Indies. Most Honourable, Mighty and High Regarded Lord and Right Honourable Lords. With the small vessel the Cornelia Adriana, which arrived here on the 22nd of this month, I had the honour to receive Your High Excellencies' much-respected missive of the 29th of the past month of December. Respectfully answering the same herewith, with the addition at the same time of some points of communication, I express my regret that the private supply of that most vital product of rice to Batavia in the past year was not sufficient to provide the public cheaply therewith; but although the transport of this grain thither was not fully proportional to the needs of that place, nevertheless the tax farmer, in my opinion, has the 29th of January 1788. — freely
Dutch transcription
den 12: Januarij 1788. — „schen hem en haar vader:/ voor sig heeft, om hem in deese te moe„ ten wantrouwen! als ik mij dat alles voorstel, so dunkt mij het niet ten eenemaele ongegrond is, als ik segge dat niet verwonderd soude zijn, so men in der tijd eens gewaer wierd, die geheele besending of door Mancoenagara selve uitgevonden is, om den sulthan weederom wat moeijte te veroorsaeken, of wel direct komt van dnsen kroonprins, die misscheen geen ander middel weetende, om sijn vader teegens deese sijne antagomst in het harnas te Jagen, als om hem een oud wijf te senden, en deese de naam van sijn suster te doen gebruijken, op dat dit uitlekkende, den sulthan reeds soude geeven, sig over het gedrag van Mancoenogoro op nieuws bij de Comp:e te be„ klaegen, en des mogelijk daar door sijn out te berijken, met deesen prins den voet te ligten, dit egter, stelle ik alleen als mogelijk, dog niet als waarscheinelijk voor, also 'er mij nog niets van gebleeken is, dog sal ik met nalaeten alles aantewenden, om eenig meerligt in die saek te krijgen. — Copia Translaat Pemoet van mij Radeen Adi„ pattij Danoeridja, aan mijn Broeder het Heer opperhoofd wouter Hend=k van ijssel„ De reeden dat ik een Temoet als een bewijs onder mijn segul geeve, aan mijn Broeder 't opperhoofd van ijsseldijk, is, dat ik wel verstaan hebbe, het geene Broeder mij heeft gesegd aangaande 't door 't heer opperhoofd Palm bedeelde, aan Broeder, dat de Rathoe Bendhoro en den Pangerang AmengConogoro nog blijken gegeeven hebben, eenige Correspondentie dijk den 12: Januarij 1788. — Correspondentie met malkanderen te houden, dit nu ben ik, in de beraedslaeging met Beoeder over een gekomen, om den sul„ khan voor als nog niet bekent te maeken, dog betuijge ik bij deese 'er voor intestaan, dat de Rathoe Bendoro, sulke begeer„ „tens voor pangerang Amang Coenogoro met en heeft, enook dat geene Correspondentie met hen houden sal: /:onderstond:/ voor 't translaet /:was geteekent/ J:s G: van den Berg. — Copia Aparte Brieff geschreeven door den wel Edele gestrenge Heer Ian Greeve, Raad van Neederlands Jndia en Gouverneur en directeur op en langs Javas Noord oost Cust„ aan den Wel Edele Achtb: Heer Barend Reijke„ Gouverneur en Directeur te Maccasser, gedateert Samarang den 2: Januarij A:o 1788. — De praesente gesteldheid van zaeken te Maccasser, heeft bij Hunne Hoog Edelheeden tod een painct van overweeging gemaakt, of somtijds de Madureesche krijgers met veel nut aldaar souden kunnen worden g'emploijeert, waarom Voogst dezelve mij gelast hebben, uwelEd: Achtb: dit in Consideratie te geeven, en waar aan ik bij deesen voldoen, om na erlanging van informatie desweegens, so sulks nodig is, uwel Ed: agtb: gouvernement, van een Comp:e deeser besolderingen te voorsien. — Met alle hoogagting heb ik de eer te zijn. — /:onderstond:/ Titul /:lager:/ uwelEd: Achtb: ootmoedige dienaen en vriend /:was geteekent:/ Jan Greeve /:in margine stond:/ Samarang den 2: Jann: 1788. — /daar onder :/ P: S: Hier neevens voege ik ter preculatie, Copia der Jnstructie meede gegeeven, aan den den Commandeerende afficier, der van hier na Sumbawa gedetacteerde Militairen. — den 12: Januarij 1788. — Copia wij ondergeteekende bescheidene officieren en Matroosen op de Pantjallang de oppas verklaeren ter requisitie van den Capitain Luijtenant ter Zee, en Equipagie meester van Banda, den Heere Daniel schiettekatte; Dat waar en waaragtig is, dat op den 25: december JL: vertrokken van de rheede Batavia, des avonds met zons ondergang zijnde af en aan 't Rif van Sedarie op de dieptens van 8. 9. â 18: vaam klipagtige grond, stuurde als doen iets noordelijker om dieper waeten te be„ komen, stelde als doen de coers naar 't passeeren van 't rif„ volgens Comp: Instructie op de hoek van Pamanoe„ kan, met zons ondergang peilde deselve in 't Z: Zo. over de dieptens van tusschen de 10: en 14: v=m als doen de voor„ noemde Roeij Boot in steede van zijn Coers beneevens ons te volgen, N: o:t is blijven heen stuuren, die over het Rif is heen geloopen, in plaets van te wagten volgens ge„ geevene orders, om bij ons te blijven, in een korten tijd wel 2½ mijl van ons in 't N:t O=t zijnde, deden direct een schot, om dezelve bij mijn te laten komen, dog zulx te vergeefs zijnde, lieten wij 't door een swaere storm buij voor top en taakel ter lens loopen, door dien de lugt zeer verstopt was, met motreegen, en geen zigt van 't Land konde krijgen, en des te beeter konden looden, stellende de Cours als doen over de dieptens van 14: tot 18 v=m, om de 93 O=r t Z: en O: Z: O: om vrij te Loopen van 't Rif van Cheribon. Wij ondergeteekende begeerende zulx des gerequireerd werdende met solemneele Eede te bevestigen /:onder„ stond:/ ter Rheede Samarang den 4:' Januarij 1788. /:was „gteekend:/ A: Reijniersen, H: Willems, I: vink G: Douwe, A: Holmstroom, B: Gijsbregs, en twee handmerken van S: Rosier en H: Brennik. — den 12:' Januarij 1788. — te G Batavia Aan zijn Hoog Edelheid. den Hoog Edel, Gestrenge Groot Achtbaeren Heere W M=r Willem Arnold Alting. Gouverneur Generaal, en de Wel Edele gestrenge Heeren Raaden van Neederlands Jndie. Hoog Edel Gestrenge Groot Achtbaeren Heere en Wel Edele Gestrenge Heeren. Met het op den 22: deeser alhier gearriveerde scheepje de Cornelia Adriana, hebbe ik de eere gehad te ont„ vangen, uw Hoog Edelheeden voel gerespecteerde missive van den 29: der gepasseerde maand December, Dezelve bij deesen eerbiedig beantwoordende, met bijvoeging tevens van eenige paincten van bedeeling, betuijge ik mijn leedwee„ „sen, dat de particuliere aanbreng van 't so seer aangeleegen. Product van Rijst te Batavia in A=o p=s niet toereikende is geweest, om de gemeente goedkoop daar van te verzorgen, dan afschoon den vervoer van dit graan na derwaards niet ten vollen eevenreedig is geweest, aan de benoodigdheid ter dier plaetsen, zo heeft nogtans den pagter mijnes bedunkens den 29: Januarij 1788:— Vrij
English
95 the 29th of January 1788. far less reason for objection than in the previous year, as the transport now amounted to well far above 900 coyans more than that of the year 1786. For the favorable promise made by Your High Excellencies to increase the requisition of copper duiten from the Netherlands in order to provide Java with them in due time as required, I offer Your High Excellencies my respectful thanks, and would very humbly recommend this Coast in that regard for the future to Your High Excellencies' favorable remembrance. With relation to indigenous affairs, I can unfortunately give Your High Excellencies no more favorable report regarding the condition of the Emperor than that this monarch, notwithstanding all remedies employed, is still compelled to keep to his apartment, and it is believed that there is little hope of a complete recovery, which must certainly be considered an unfortunate circumstance that is greatly to be lamented. Furthermore, in continuation of the report respectfully made in my previous dispatch regarding the correspondence that was supposed to have taken place between the Pangeran Adipati Mangkunegara and his former wife, the Ratu Bendara, although I have for the present nothing further to report than that at Djokjakarta, to everyone's particular surprise, not the least light can be obtained on this matter up to now, notwithstanding that the Regent as well as the Pangeran Joyokusumo, who has oversight of the Ratu's Dalem, are both doing everything possible to discover something about it, as all inquiry in this matter continually remains fruitless, I nevertheless have to bring respectfully to Your High Excellencies' knowledge, with relation to the seditious libel found at Surakarta, that however much reason one had to attribute this unprecedented, rebellious libel to someone who had to be regarded of consideration and of by no means small means to procure a notable following for the achievement of such far-reaching designs, the discovery nonetheless, contrary to all expectation, indicated as the author thereof a common priest named Kyai Alim Demak, who does not even understand writing, and from whom, notwithstanding the most severe interrogation he underwent, one has not been able to discover that he was instigated or stirred up to this evil enterprise by anyone else, as he has unalterably persisted in his pretext that he had those writings put to paper and distributed by his son-in-law because it had so occurred to him and he had thought it good, the 29th of January 1788. the 29th of January 1788. perhaps thereby to be able to make the people rise up against their monarch. The monarch, exceedingly enraged at this scoundrel, therefore also made all possible haste with his execution, in order to satisfy his legitimate wrath, however much it was otherwise thought that through a protracted investigation perhaps this or that further discovery might be made, for which reason the punishment was also so rigorous that he was gepetjes alive from the bottom up, the flesh of his body being cut off piece by piece, and subsequently the aforementioned libel was burned under his nose and thrown into his face, after which he was left in this condition until death should make an end of him. At the same time, another priest named Tanjonganom, who is mentioned in the aforementioned libel as one of the emissaries, and has now been found to have engaged in supplying poison to various persons and to be guilty of doing away with the first wife of the fiscal of the Crown Prince in order thereby to cause his daughter, who was the second wife of the said fiscal, to become all the more beloved by her husband, was burned alive with a small fire. With the tracking down of the aforementioned son-in-law, as well as of some other followers of the aforementioned Kyai Alim Demak, both in the district of that name and elsewhere, one is presently still occupied, in the hope of succeeding therein just as happily as in the discovery and apprehension of the aforementioned priest who had been pregnant with such dangerous designs, whose capture and execution was accomplished without the least commotion through the good direction of the First Resident Palm. The Emperor, reasonably very pleased in every respect with this, and realizing upon the representations made to His Highness on this occasion by the said Resident Palm the dangerous consequences that may further arise from the arbitrary stay of so many priests and other strangers in his territory, thereupon took the resolution in all seriousness to make all priests appear and to hold a review over them, subsequently to deny strangers a further stay there. But to what extent this resolution will be put into execution, time will have to show, although I have meanwhile had His Highness informed on my part that the same, with a prudent execution, appeared to me as very wise and useful. I shall inform the Panembahan of Madura of the 29th of January 1788.
Dutch transcription
95 den 29: Januarij 1788. — vrij minsder reeden van beswaar, dan in het Jaar te vooren, alzoo den vervoer nu wel verre boven de 900: Coij=s meerder bedraegen heeft, dan die van het Iaar 1786: voor de door uw Hoog Edelheeden gedaane geunstige toezegging, om den Eijsch van Koopere Duijten ui't Neederland te vergrooten, ten einde o Iava, daar van in der tijd na verEijsch te voorsien, zeggen ik uwe Hoog Edelheeden eerbiedig dank, en zoude deese Cust, daar omtrent voor het vervolg, en Hoogst Derzelver gunstig aandenken seer needrig aanbevoolen. Met Relatie tot de Inlandsche zaaken, kan ik uw Hoog Edelheeden omtrent de toestand van den Keijzer tot mijn leedweezen geen gun„ „stiger berigt geeven, als dat dien vorst, ongeagt alle aange„ wende hulpmiddelen, tot nog toe verpligt is, zijn aparte„ „ment te houden, en men vermeend dat 'er weinig hoope is, op een volkomene herstelling, 't geene men seekerlijk als een ongelukkige omstandigheid moet beshouwen, de seerte beklagen is. Hoewel ik voorts, ten vervolge van het verslag, bij mijne vorige in alle Eerbied gedaan, ten opsigte der Correspondentie, die en tusschen den pangerang de pattij Mang Coenagara en zijn gewee„ sen vrouw de Ratoe Bendoro, soude hebben plaets gehad, voor als nog niets naders te melden hebbe, dan dat men te Dpoejocartan tot bijsondere verwondering, daar van tot hier toe geen het minste ligt krijgen kan, niet teegenstaande den Rijksbestie„ „der, so wel als den pangerang Djoijo Coesoemo, die 't opsigt, over 's Ratoes Dalin heeft, beide alle het mogelijke in 't werk stellen, om daar van iets te ontdekken, alzo alle navorsching ten deesen steeds vrugteloos blijft zo heb ik egter met relatie tot het te soura Carta gevonden sedetieus lasterschrift, tans uwe Hoog Edelheeden geverentelijk ter kennisse te brengen, dat, hoe seer men reeden had, om dit buijten voorbeeld, oproerig libel, toete kennen, aan iemand die geagt moest worden van Consideratie, en een gansch niet gering vermogen te zijn, om sig een merkelijke aan„ hang te bezorgen, ter bereijking van sulke uijtsigtelijke desseinen, de ontdekking nogtans teegen alle verwagting, als den Autheur daar van heeft aangeweesen een gemeene Paap, met naeme kieij Alim Damak, die selvs het schrijven niet verstaat, en ui't wien men, ongeagt zijn ondergaene allerscherpst examen, niet heeft kunnen ontdekken, dat hij door iemand anders tot dit boos bestaan is aangezet of opgerokkend, als zijnde onveranderlijk blijven persis„ „teeren, bij zijn voorgeeven, dat hij die geschriften, door zijn schoorzoon, heeft laeten ten papiere brengen en verspeiden, om dat het hem dusdaenig ingevallen was en hem goed gedagt den 29: Januarij 1788. — had, den 29:' Januarij 1788. had het volk daar door misschien teegen hunnen vorst te kunnen doen opstaan. De vorst op deesen slendeling ten uijtersten vergramt, heeft daar om ook met de te regtstelling van denselven: /: hoe seer men anders meende, dat doord een langwijlig ondersoek, misschien nog deese of geene ontdekking te doen soude zijn:/ alle moogelijke spoed doen maeken, om aan zijn regtmatige toorn te voldoen, waarom de straf ook so regorens is geweest, dat denselven van onderen op leevendig is gepetjes tot stuk wijze het vleesch zijns lichaams afgesneeden:/ en vervolgens het voorschreeven lebel onder zijn Neus verbrand, en hem in het aangezigt gesmeeten, waar na hij dusdaenig gelaeten is, tot dat de dood van hem een einde soude maeken. — Ter selven tijd is nog een saap in naeme Tanjonganom„ die in het voormelde Libel als eene der sendelingen genoemd word, en nu bevonden is, sig opgehouden te hebben, met het bezorgen van vergif aan deesen en geene, en schuldig te zijn, aan het van kant helpen van de eerste vrouw van den fiscaal bij den kroonprins, om daar door zijne dogter, die de tweede vrouw van gem: fiscaal was, bij haaren man des te meer bemind te doen worden, met een kleen vuur leevendig. verbrand. - Met de opspeuring so van den voorm: schoon zoon, als als van eenige andere aanhangelingen van meer gen: Kieij Alim Damak, so in het district van dien naam als elders, is men tans nog beezig, in hoop van daar in eeven so gelukkig te sullen slagen, als in de ontdekking en ap„ prachensin van voorm: met sulke gevaarlijke dessimen swanger gegaan hebbende paap, wiens demagtiging en te regt stelling door de goede directie van den Eerste Resident Palm, sonder de minste opschudding is volbragt. Den Keijzer hier over met reeden, in allen opsigte seer Content, en op de vertoogen, zijn Hoogheid, bij deese ge„ leegenheid; door gem: Resident Palm, gedaan de gevaar„ „lijke gevolgen besetfende, die 'er uit het willekeurig ver„ blijf in zijn gebied, van soo veel paepen en andere vreem„ „delingen verder kunnen ontstaan, heeft als toen in alle ernst het besluijt genoomen, om alle paepen te doen Compareeren ende revrie en over te houden, om vervolgens aan de vreemdelingen het langer verblijf aldaar te ontseggen. – Dan in hoe verre dit besluijt tot executie sal gebragt worden, sal de tijd moeten leezen„ hoewel ik zijn Hoogheid intusschen mijnent weegen heb laeten informeeren, dat het selve, bij een voorsigtige uitvoering, mij als seer wijsselijk en nuttig voorquam. — Den Ponumpahan van Madura, sal ik in formereen den 29: Januarij 1788. — van
English
99 The 29th of January 1788. — of the approval of Your High Noble regarding the Madurese troops, who were once in the Company's service on Ceylon, to let them remain there in conformity with the desire of that prince, so that the necessary notifications may be made by him in this regard, both now and in the future. The ongoing unrest, both in Malacca as well as on the opposite shore and on Celebes, in which the Company presently finds itself entangled, has, just as with Your High Noble, also raised some doubts with me whether it would be advisable to proceed this year with the planned expedition against the pirates of the birds' nest cliffs on the south coast of Java; which is why I also made some mention of it in my separate letter of the 29th of December 1787 and requested Your High Noble's most revered orders in this regard, taking the liberty now to state my opinion that it will be best to postpone the aforementioned expedition for another year, without it, to my understanding, being rendered any more unfeasible thereby. The outcome of the enterprise to lure back the former First Regent of Tagal, Radeen Hadjie, by means of the Panumbahan of Madura, has already been detailed to Your High Noble in the aforementioned separate letter dispatched from here the 29th of January 1788. — letter of the 26th of December 1787, and thus I shall await in due course Your High Noble's esteemed disposition regarding that matter. However necessary it may be that among the servants, some youths be thoroughly instructed in the Malay language, it will nevertheless entail much difficulty to meet the favorable expectations which Your High Noble have formed of the attempt made here to have some youths instructed in that language locally, as the teacher who was to instruct these youths has since shown himself unwilling to do so, and after a long search, another did present himself, though not of the capacity and knowledge required to provide regular instruction in a foreign language. Despite all this, I shall nevertheless endeavor to achieve the objective in this matter as closely as possible. — Having received report from the Commander of the Eastern Salient, Anthonij Barkeij, that the military lieutenant and commandant at Banjoewangie, Christiaan Hendrik Beeker, passed away there on the 15th of this month after an illness of only a few days, I have the honor to inform Your High Noble of this, as well as that I have immediately sent thither from here, on the small vessel the Cornelia Adriana, the 101 the 29th of January 1788. — sent thither the military ensign Clement de Harits, to provisionally assume the authority and management of affairs there; and since that service requires a composed, unselfish, and gentle man who also knows well how to deal with the native, and possesses sufficient knowledge to maintain correspondence with the Balinese petty kings, I take the liberty to request Your High Noble that the said military ensign de Harits may be confirmed as Commandant at Banjoewangie, with promotion to the requisite rank of military lieutenant, as I believe I have found in him these required qualities. Furthermore, I have the honor to present to Your High Noble herewith a translated copy of a letter recently received from the King of Trangano, mainly containing expressions of his attachment to and trust in the Company to obtain help and assistance in the danger with which his kingdom is threatened by the Siamese, and further a request for assistance with rice in exchange for payment, either in pepper or in money. The vessel of the emissary who brought this letter brought, is lying at the island of De Baviaan, where it was driven, and will therefore have to remain there for another month or two before he can continue his voyage hither, in which interim I hope to be informed of Your High Noble's esteemed pleasure; whether, and to what extent, the request of that prince for assistance with rice may be granted. With due respect and with all high esteem, I declare myself to be, below stood: Title, lower: Your High Noble's humble and very obedient servant, was signed: Ian Greeve, in the margin: Samarang the 29th of January 1788, thereunder: P.S. This was ready for dispatch when I was informed of the death of the first of the emissaries residing here from the Pontianak ruler Sultan Sarieph, and that this death caused the survivors to decide to surrender to me for dispatch their letters and gifts for Your High Noble, which subsequently took place, so that I have the honor to present those letters to Your High Noble herewith, the gifts consisting of a bamboo sewn around with yellow armozeen and a similarly cared-for package, both of which I have caused to be the 24th of January 1788. — done. 103 wrapped with a cross-cord, and sealed as this is, handed over for delivery to the European postilion who conveys this, while those emissaries will await Your High Noble's reply here, and return directly with it. the 29th of January 1788. — turn over
Dutch transcription
99 Den 29: Januarij 1788. — van het goedvinden uwer Hoog Edelheeden om Conform 't verlangen van dien prins, de Madureese Troupes, die eens op Ceilon, bij de Comp:e in dienst zijn geweest, aldaar te laaten blijven, ten einde door hem desweegens de noodige aanschrijvers, so nu als in 't vervolg gedaan vlade; De aanhoudende onlusten, soo op Malacca als de over„ „wal en op Celebes, waarinne sig tans de Comp:e gewikkeld vind, hebben bij mij eeven als bij uwe Hoog Edelheeden, ook reeds eenige bedenkingen doen ontstaan, of het wel gerae„ „den soude zijn, om de voorgenoomene Expeditie teegens de rovers der wgelnestjes klippen, aan de Zuijdkand van Java nu nog in dit Jaar te doen gevolg neemen; waarom ik ook bij mijn Apart schrijven van den 29: decemb=r 1787., daar van eenige mentie gemaakt en desweegens van uw Hoog Edel„ heedens om Hoogst Derselver seer gevenereerde ordres heb ver„ „sogt, waar bij ik thans de vrijheid neemen, voor mijn gevoe„ 1 len, op te geeven, dat het best zal zijn, om de voorsch: Expe„ ditie nog voor een Jaar iit testellen; sonder dat die, na mijn begrip, hier door eenigsints onuijtvoerelijker sal gemaakt werden Den uitslag van de onderneeming om den geweesen Eer„ „sten Regent te Tagal Radeen Hadjie, door middel van den Panumbahan van Madura te rug te lokken, is uw Hoog Edelheeden bij het voorm: van hier afgegaane aparte schrijven den 29: Januarij 1788. — Schrijven van den 26: Dec: 1787. reeds omstandig bedeeld, en dus sal ik in der tijd, de g'eerde dispositie uwer Hoog Edelheeden daar omtrent blijven te gemoed sien. Hoe seer het ook noodsaekelijk is, dat onder de Dienaeren, eenige Tongelingen in het Maleidsch grondig worden onderweesen; zal het egter veel swaerigheid in hebben, om te beantwoorden; aan de gunstige verwagting welke uw Hoog Edelheeden sig geformeerd hebben, van de hier gedaene ppreuve, om eenige Iongelingen hier ter plaetse in die taal te doen instrueeren, alzo de Leermeester die deese Iongelin„ gen stond te onderwijsen, sig seedert onwillig daar toe getoont, en er na lang soeken, sig wel eens ander opgedaan heeft, dog niet van die Capaciteil en kunder welke er ver„ eijscht wood, om een regulmatig onderwijs in een vreemde taal te geeven. Met dit al sal ik egter tragten om het oogmerk, ten deesen, so na immers mogelijk, te bereijken. — Van den Gezaghebber in den Oosthoek Anthonij Barkeij berigt ontvangen hebbende, dat den Luijtenant militair en Commandant te Banjoewangie Christiaan Hend=k Beeker„ na eene ziekte van maar weinige daegen op den 15: deeser al„ „daar is komen te overleiden, so verEere ik mij uw Hoog Edelh: hier van kennisse te geeven, mitsg=s dat onmiddelijk met het scheepje de Cornelia Adriana, door mij, van hier na derw=ts E 101 den 29: Januarij 1788. — derwaards gesonden is, den vaandrig Militair Clement de Hariks, om provisioneel, het gezag en maneance van zaeken, aldaar te aanvaarden; en dewijl tot die dienst gehoord een bezadigd, onbaatzigtig en sagtmoedig man die teffens met den Inlander wel weet omtegaan, en kunde, genoeg bezit, om de Correspondentie met de Balische vorstjes te onderhouden, so neeme ik de vrijheid uw Hoog Edelheeden te versoeken, dat gemelde vaendrig militair de Harits, als Commandant te Banjoe„ Wangie mag worden bevestigd, onder bevordering van de t: daar toe staande qualiteit van Luitenant Militair, alzo ik vermeene, in hem die Eeijschte bezwaar heeden gevonden te hebben. Ik heb voorts nog, de een uw Hoog Edelheeden, hier neevens aante bieden Copia translaat van een brief onlangs ont„ vangen van den Koning van Trangano, ten principale behelsende betuijgingen van zijn attachement aan en vertrouwen op de Comptoir ter erlanging van hulp en bijstand in het gevaar waar meede zijn Rijk door de Siammers gedreigd word, en voorts een verzoek om adsistentie met Rijst teegen betaeling, het zij in peeper of in geld- Het vaartuijg vande zandeling, die deese Brieff heeft overgebragt overgebragt, legt op het Eiland De Baviaan, alwaar hij vervallen is, en sal dies nog wel een maand of twee dienen te vertoeven al eer hij sijne reijse herwaards sal kunnen vervolgen, in welke tusschen tijd ik hoop uwer Hoog Edelheeden geEerde goedvinden te sullen moogen verstaan; off, en in hoe verre, aan het verzoek van dien vorst ter adsistentie met rijst, sal mogen voldaan worden. Met de verschuldigde eerbied en met alle hoog agting betuijge ik te zijn /:onderstond:/: Titul /:Lager/ uwer Hoog Edelheeden onderdanige en seer gehoorsame dienaer /:was geteekend:/ Ian Grieve, /:in margine / Sama rang den 29: Ianuarij 1788: /:daar onder/ P: S: Deese was ter versending gereed, toen mij berigt wierd, het overleeden van den Eersten der hier sijnde sendelingen van Pantianas vorst sulthan Sa„ rieph, en dat dit sterfgeval de overgebleevene had doen besluijten hunner Brieven en geschenken voor uw Hoog Edelheeden, ter versending aan mij over te geeven, het geen vervolgens geschied is, in voegen ik de eer heb die brieven Uw Hoog Edelheeden neevens deesen aantebieden, zijnde de geschenken bestaande in eene met geel armosijn onnaaijde Bamboes en een inselvervoegen besorgd pakja, die ik hier beide heb den 24:' Januarij 1788. — doen. 103 doen om winden, met een kruijskoord, en als deese verseegelen ter bestelling inhandigd, aan den Europeesche Postiljon, die deesen overbrengd, terwijl die sendelingen hier het antwoord van uwe Hoog Edelheeden sullen fo afwagten, en daar meede direct weeder terug keeren den 29: Januarij 1788. — verte „
English
Copy Translation of Malay letter written by Sultan Mangsoer, son of Sultan Djenal Abiedin, in Trangande, to the Honorable Rigorous Sir Ian Greeve, Extraordinary Councillor of Neederlandsch Jndia, as well as Governor and Director of Java's Northeast Coast, received at Samarang the 17: January A:o 1788: After preceding compliments: I make known to Your Honorable Rigorous Sir by this that I had already sent my debit to the Lord Governor General and Noble Lords Councillors of Neederlandsch Jndia to Batavia in the past year, but that two days and two nights after my vessels set sail, the same were smashed to pieces by heavy winds, to the number of 30: both small and large, wherefore I have sent my said debit of this year to the Governor in Malacca instead. I further make known to Your Honorable Rigorous Sir that in the past month of Ramellan I received news from a certain Portuguese named Anthonij krebba that the Wilanon peoples attacked the Riouw Resident and killed the same, by which news I have been very greatly affected and frightened; hoping therefore that brother does not conceive the idea that I would have any part in the said surprise attack carried out by the Welanon and Riouw peoples, for never shall it enter my thoughts to seek an evil path against the Company, but on the contrary I indeed seek a good path for the same. And as true as there is a God and my Prophet, I always place my trust in the Company, that the same will grant me assistance in all necessities, the 29: January 1788., and in all events that might befall me or my land, as it is convinced and also known that the Honorable Company from ancient times until present days makes, settles, and oversees all heavy and weighty affairs in the lands below and above the wind, thus in case any heavy and weighty troubles might befall me from which I myself do not know how to escape, I shall certainly find myself compelled to implore the Company for the necessary assistance, given that from the outset I have placed my hope in the Company. I must further make known to Your Honorable Rigorous Sir that I and the Siamese peoples are presently in discord, as I have successively received from them at certain times two to three letters, in which several things were requested of me, such as money, and 58: or 60 pieces of cannons, this request of the King of Siam being too heavy for me, as I cannot further ponder it or dispute it, whereby consequently this is a heavy matter for me, all the more so since the Siamese nonetheless wishes to seize my land; but in case no such adversities befall me or my land, then I shall send emissaries to the Lord Governor General and to Your Honorable Rigorous Sir. Furthermore I request Your Honorable Rigorous Sir, if it might please the highest same, to send me some rice here, and if Your Honorable Rigorous Sir pleases to have the payment for it in pepper, I shall deliver the same, but if Your Honorable Rigorous Sir desires money for it, I shall send the same over; the pepper costing 10: Reals the picol, just as His High Nobility the Lord Governor General has also paid me for the same, though in my land I have always sold the picol for 14½ Reals. I hope in God and my Prophet, and that Your Honorable Rigorous Sir will please to send me the just requested rice. Below stood: Written the 29: of the past light Bezaar, in the Year Arbie 1201. Lower stood: Translated by me, was signed: Wm Wardenaer, Sworn Translator. the 29: January 1788. Batavia To His High Nobility. The High Noble, Rigorous, Right Honorable Lord Mr. Willem Arnold Alting. Governor General, and The Noble Rigorous Lords Councillors of Neederlandsch Jndia. High Noble Rigorous, Right Honorable Lord, Noble Rigorous Lords; One after the other I have found myself honored with Your High Nobilities' much respected separate letters of the 15: of the past month of January and the 5: of this current month, to which I take the liberty to answer in all respect, that I shall take as dutiful instruction the decision taken by Your High Nobilities to suspend for the present the execution of the alterations and improvements of the Javanese fortification works proposed by Captain Engineer Jean Baptiss Silon in the report presented to Your High Nobilities most recently in the month of October, until the Lords and Masters shall have made further disposition concerning this. the 28: February 1788.
Dutch transcription
Copia Translaat Maleidse Breef geschreeven door den sulthan Mangsoer, zoon van den suelthan Djenal Abiedin, te Trangande, Aan den wel Ed: gestrenge Heer Ian Greeve, Raad Extra ordinair van Neederlandsch Jndia, mitsg=s Gouverneur en directeur van Javas Noord oost Cust, ontvangen te Samarang den 17: Januarij A:o 1788: Na voorgaande Complimenten: Ik geeve uwelEd: gestr: mits deesen te kennen, dat ik mijn Debet, aan den Heere Gouverneur Generaal ende Edele Heeren Raaden van Neederlandsch Jndia, in het gepasseerde Jaar, reeds naar Batavia hebbe overgezonden, dog dat twee dagen en twee nagten na het onderzeil gaan mijner vaartuijgen, dezelve door swaere wind aan stukkend zijn geslagen, ten getalle van 30: zo klein als groot, weshalven ik gem: mijn Debet, van dit Jaar nog, Aan den gouverneur te Malacca hebbe gezonden. Nog geef ik uwel Ed: gestr: te kennen, dat ik in de gepasseerde maand Ramellan, tijding hebbe ontvangen, van seekeren por„ tugees; in naame Anthonij krebba, dat de wilanonse volkeren, den Riouws Resident aangevallen, en denselven vermeld hebben, om welke tijding ik heel seer ben aangedaen en verschrikt geworden; Hoopende ik dus dat Broeder met in het denkbeeld komt, dat ik aan genoemde overrompeling door de welanonse en Riouwse volkeren gedaan, zoude deel hebben, want nimmer sal het in mijne gedagten opkomen, om de Comp:e een quaade weg te soeken, maar ik soek in teegendeel inderdaad een goede weg voor dezelve. — En soo waar als 'er een god, en mijn propheet is, stelle ik altoos mijn ver„ „trouwen op de Comp:e, dat dezelve mij in alle noodwendigheeden den 29: Januarij 1788. — en in 105 den 29:' Januarij 1788. — en in alle gevallen, die mij m: mijn Land mogten overkoo„ men, bijstand sal bewijsen, alzoo men overtuijgd en het ook bekend is, dat de E Comp:se van ouds her tot hundigen daegen toe in de landen ander en boven de wind, alle swaare en gewig„ „tige zaeken maakt, afdoet, ende waarneemt, dus inge„ „valle mij eenige swaere en gewigtige ongeleegendheeden. mogte overkomen, waar uijt ik mij selvs niet weet te redden, sal ik mij seekerlijk genoodsaakt vinde om de Comp:s de noodige adsistentie te imploreeren, aangezien ik van voorzeen af, mijn hoope op de Comp: gesteld hebbe. Ik moete uwelEd: gestr: nog te kennen geeven dat ik ende siamse volkeren thans in onEenigheeden zijn, alzo ik van dezelven op seekere tijden, twee a drie brieven successive ontvangen hebbe, in dewelke mij verscheide dingen verzogt wierd, als geld, en 58: of 60 p=s Canons, zijnde dit verzoek van den koning van Siam voor mij te swaer„ als kunnende ik mij op het selve met meer bedenken of het selve teegenspreeken, waar door gevolglijk dit voor mij een swaare zaak is, te meer Alzo der siammer des niet teegenstaande egter mijn land na sig wil neemen, dog ingevalle mij of mijn Land dier gelijke weederwaardigheeden niet mogte overkomen, soo sal ik sendelingen aan den Heere Gouverneur Generaal en aan uwel Ed: gesta afsenden Voorts verzoek ik uwel Ed: gestr:, in dien 't Hoogst denselven gelieve te behaegen, om mij eenige rijst alhier toetesenden, en als uwelEd: gestr: dies betaeling in peeper gelieft te hebben, so sal ik dezelve leeveren, dog als uw Ed: gestr: geld daar voor begeert sal ik hetselve oversenden; kostende de peeper 10: Reaalen, de picol, gelijk sijn Hoog Edelheid den Heere Gouverneur generaal mij ook voor dezelve betaalt heeft, dog in mijn Land hebbe ik ik althoos de pic: voor 14½ reaal verkogt. Ik hoope op God, en mijnen Profeit, einde uwel Ed: gestr: mij de eeven verzogte Rijst sult gelieve toe te zenden. /:onderstond:/ Geschreeven den 29: van het gepasseerde ligt Bezaar, in 't Iaar Arbie 1201. /:Lager stond:/ getranslateerd door mij /:was geteekent:/ W=m Warde„ naer, gesw: Translateur. — den 29:' Januarij 1788. — verte 107 107 Batavia Aan zijn Hoog Edelheid. Den Hoog Edel, Gestrenge, Groot Achtbaeren Heere tya M=r Willem Arnold Alting. Gouverneur Generaal, en Dewel Edele gestrenge Heeren Raaden van Neederlandsch Jndia. Hoog Edel Gestrenge, groot Achtbaeren Heere wel Edele Gestrenge Heeren; Na den anderen hebbe ik mij verleed gevonden, met uwer. Hoog Edelheeden veel gerespecteerde Aparte Brieven van den 15: der gepasseerde maand Januarij en den 5:' deeser, waar op ik de vrijheid neeme, in alle eerbied te antwoorden, dat ik mij tot schuldige narigt sal laten strecken, het, door uw Hoog Edelheeden, genoomen besluijt, om de Executie der bij het Jongst in de maand october uw Hoog Edelheeden aangebo„ den rapport, van den Capitain Ingenieur Jean Baptiss Silon, door denselven geproponeerde veranderingen en verbeeteringen, der Javasche Fortificatie=werken, voor Eerst nog ins te stellen, tot dat de Hee„ ren en Meesters, daar over nader zullen hebben gedispo„ neerd. den 28: Februarij 1788. — en
English
I have spoken with the said Captain Engineer Tilon regarding the remark of Your High Excellencies, namely that the cannon specified by him as necessary for Java would in general be somewhat too light for the mounting of principal batteries; but he has assured me that in making this specification he had proceeded solely upon proper grounds; for that all the forts and places along Java where batteries could be constructed were commonly situated at a distance of at least 2 to 300 roeden from the ship roads, and thus the batteries were solely to serve to prevent the approach of the enemy chaloupes or other rowing-armed vessels; for which the heavy artillery of 18 to 24 lb was by no means suitable, since for each of the same one needed as many as 10 to 12 men, and which besides could also be moved or aimed only with great difficulty; to which was further added that the walls and ramparts of the forts were also much too light to bear heavy cannon. That he had also deemed it unadvisable to propose heavy batteries, since the enemy nevertheless always retained the freedom to disembark elsewhere; but that he, on the contrary, was of the opinion that the light quick-firing pieces of 2 to 3 lb are to be preferred above the heavy pieces, as being very easy to transport. That the factory Grissee is the only place where heavy artillery, whether of 16 or of 24 lbs, could be placed, but that one would then at the same time require over 400 artillerymen there in order to be able to move the same properly; as in such a case would also have to be done in other places. And since it appears to me that these reasons adduced by the said Pilon, further contained in the accompanying report submitted by him in this regard, are indeed not without foundation, I therefore request permission to abide by them, in the trust that they will also be considered sufficient by Your High Excellencies. Concerning the dispatch to Batavia of the surplus artillery available on Java, the necessary having already been written here by the collective letter of the 30th of the past month of January, I therefore request permission to refer to that. Concerning native affairs, following the receipt of the first-mentioned of Your High Excellencies' aforesaid missives, I immediately informed the Panumbahan of Madura, by a letter enclosed herewith in copy, of the favorable disposition of Your High Excellencies, solely in consideration of the family relation which His Highness bears to the former First Regent of Tagal, Radeen Radjie, who fled to Bali, to grant him a letter of pardon in full form on account of the clandestine and secret departure from the place of residence assigned to him under the territory of the Company; and likewise that it has, moreover, pleased Your High Excellencies to allocate to him on the Company's behalf 100 rds monthly for a respectable livelihood, so that he may live quietly and peacefully here at Samarang or its vicinity, or else to relinquish some piece of land in this district belonging under the Company for his maintenance, but that, as far as his further requests are concerned, the same were far too exorbitant, and it was by no means fitting for him to make such an unreasonable condition; with the added authority given to the Panumbahan to give prompt notice of this to the aforesaid Radeen Radjie, and to make a full promise to him, as well with regard to the pardon as to the promised maintenance, under this express condition however, that he shall have to avail himself of this grace of Your High Excellencies within a very short time and, upon receipt of Your High Excellencies' further letter to be dispatched to him, directly promise and undertake, after the settlement of his affairs, to proceed to Madura in order to receive the letter of pardon there from the Panumbahan. Meanwhile, I have the honor to offer herewith to Your High Excellencies the reclaimed missive to the kings of Bali Karangsem; together with a copy of a letter sent by me today to those princes, regarding which I have regulated myself, according to Your High Excellencies' esteemed order, according to the contents of the copy sent hither of the letter now further to be sent by Your High Excellencies to them; of which I have also forwarded a copy to the commander in the Eastern Corner, with orders likewise to act in accordance therewith. Upon the authority granted for that purpose by Your High Excellencies, the Head of the Chinese at Bancallang, Nio Kiongtjouw, has been discharged from that post, and in his place has been appointed again the Chinese Bandhaer at Sampang, Ian Kienko, while I have at the same time written to the commander in the Eastern Corner to render the Panumbahan all possible assistance in obtaining his claim on the said Nio Kiongtjouw. The expedition against the Mandharese pirates on the south coast of Java having been postponed for the present by Your High Excellencies, I have informed the commander in the Eastern Corner thereof in all
Dutch transcription
De gem: Capitain Ingenieur Tilon, hebbe ik onder„ houden, over de remarque uwer Hoog Edelheeden, dat na„ mentlijk het door hem, als nodig, opgegeeven Cannon voor Java, in 't generaal wat te ligt zoude zijn, ter mon„ „teering van Capitaele Batterijen; dog hij heeft mij ver„ seekert, dat hij in het doen deeser opgave, niet anders dan op behoorlijke gronden was te werk gegaan; want dat alle de forten en de plaetsen langs Iava, waar batterijen zouden kunnen g'extrueerd werden, gemeenlijk, op een afstand van ten minsten 2: â 300: roeden; van de scheeps rheen afgeleegen waeren, en dus de batterijen eene„ „lijk dienen moesten, om de aannaedering van de vijande„ „lijke Chialoupen of andere roeijende = gearmeerde vaar„ „tuijgen, te beletten; waar toe het swaar geschut van 18: â 24: lb geenzints geschikt was, vermits men bij ieder derselver, wel 10: â 12: man nodig had, en die buijten dien ook zeer moeijelijk bewoogen of gepoincteerd konden worden; waar bij nog quam, dat de muuren en wallen van de forten ook veel te ligt waaren, om swaar Canon te draegen. Dat hij het ook, niet raadsaam, had geoordeeld, swaare batterijen te proponeeren, vermits de vijand dog altoos de vrijheid behield; om zig elders te ontscheepen; maar dat hij daaren teegen van gedagten was, dat de geswindstucken van 2: â 3: lb, boven den 28: februarij 1788. de 109 9 den 28: Februarij 1788. — de swaare stucken, te praeseneeren zijn als seer ligt te transporteeren zijnde. Dat het Comptoir Grissee 't eenigste is, waar swaar geschut, het zij van 16: of van 24: lb=s zoude kunnen geplaetst werden, dog dat men dan tevens over de 400: Arthilleristen, daar bij soude noodig hebben, om het selve behoorlijk te kunnen beweegen; zoo als in alsulken gevalle, op andere plaetsen, meede zoude dienen te geschieden. En dewijl het mij voorkomt, dat deese bijgebragte reedenen van gemelde Pilon, nader vervat bij het neevens gaande, door dan„ zelven, desweegens overgegeeven berigt; inderdaat niet van grond ontbloot zijn, zo verzoeke ik mij daar aante mogen gedraegen, in vertrouwen dat die, bij uwe Hoog Edelheeden, meede als voldoende zullen aangemerkt worden. Omtrent de oversending na Batavia van 't op Java aanhanden zijnde overtollig geschut, hier reeds het nodige ge„ schreeven zijnde, bij gemeene brieff van den 30: der gepasseerde maand Januarij, so versoeke ik mij daaraan te mogen refereeren. „Concerneerende: de Inlandsche=zaeken, hebbe ik na den ontvangst van de eerst gem: der voorsch: Missives uwer Hoog Edelheeden den Panum„ „bahan van Madura, ten eersten, bij een Brieff hier neevens, in Copia overgaande, geinformeerd, van de gunstige dispositie uwer Hoog Edelheeden, om, eenlijk i't aanmerking van de familie= familie=betrekking, welke zijne Hoogheid heeft tot den na Balie geweekene geweesen Tagals Eerste regent Radeen Radjie, aan denselven een pardon-brieff in volle forma te verleenen, weegens de Clandestine en heijmelijke verlating der verblijfplaats, welke hem, onder het gebied van de Comp:e was aangeweezen; en zoo meede, dat het uw Hoog Edelheeden, boven dien, nog belaagt heeft, aan hem, tot een ordentelijke bestaan, 'smaandelijks 100: rd=s sComp=s weegen, toeteleggen„ om daar van stil en gerust hier op Samarang of desselvs nabijheid, te leeven, dan wel 't een of ander stukje lands, in deesen ontrek, gehoorende onder de Comp:e tot zijn onder„ houd, afte staan, dog dat, wat desselvs verdere versoeken be„ „treft, dezelve veel te wijd gaapent waeren, en het hem geen„ „zints paste, zulk een onreedelijk beding te maeken; met bij gevoegde qualificatie aan den Panumbahan, om hier van aan voorsch: Radeen Radjie spoedig kennisse te geeven, en aan denselven volkomene belofte te doen, zo wel ten opsigte van het Pardon als van het toegezegde onderhoud„ ander deese expresse voorwaerde nogtans, dat hij binnen zeer korte tijd, van deese gratie uwer Hoog Edelheeden, zal moe„ ten profiteeren en op den ontvangst van uw Hoog Edel„ heeden nader aan hem aftegaane aanschrijven, direct beloven en aanneeme, om, na vereevening zijner zaeken den 28: Februarij 1788. — zig 113. den 28: Februarij 1788. zig na Madura te begeeven, ten einde aldaer de pardom brief, van den Panumbahan, te ontvangen. Intusschen hebbe ik de eere, uw Hoog Edelheeden hier nee„ vens aantebieden, de terug gevorderde Messive aan de koo„ ningen van Balie Carang assem; met en beneevens Copia van een, door mij opheeden, aan die vorsten gezonden brief waar omtrent ik mij, volgens uwer Hoog delheeden g'eerde bevel, gereguleerd hebbe, na den inhoud der herwaards geson„ „dene Copia vande, door uwe Hoog Edelheeden, als nu nader aan Hun aftegaane schrijven; waar van ik den gezaghebber in den Oosthoek meede Copia hebbe laeten toekomen, met last, om zig insgelijks daar na te gedraegen. — Op de daer toe verleende qualificatie door uw Hoog Edelheeden, is het Hoofd der Chineesen te Bancallang Nio kiongtjouw, it dien Joost, ontslagen, en daar en teegen wee„ der in desselvs plaets aangesteld, den Chineese Bandhaer te Sampang Ian Kienko, terwijl ik den gezaghebber in den oosthoek, tevens aangeschreeven heb, om aan den Paium bahan alle mogelijke adjude, te bewijsen, tot het bekomen van zijne praetentie op gem: Nio kiongtjouw. De Expeditie teegen de Mandhareesen Roovers, aan de Zuid„ kamt van Iava, door uw Hoog Edelheeden voor eerst nog uitgesteld zijnde, hebbe ik den gezaghebber in den oosthoek, daar van, in alle
English
all secretariats, informed, in order to be able to govern themselves accordingly; furthermore, I have the honor to bring to your High Nobilities' esteemed attention the demise, which occurred on the 22nd of this month, of the Second Regent of Damak, being the Tommongong Iuda Nagarra, leaving two sons, the one only six and the other eight years old. Concerning the nomination now to be made to fill this vacant post, I find, in the left memorandum of my predecessor in this administration, Mr. Siberg, paragraph 547, the present Regent of Tjingkalsewoe well recommended for it. But since I have found that the First Regent, being the Adipattij Soera Diningrat, could hardly be stirred, even by the now deceased Second Regent, though not related to him, into showing even the slightest signs of a zealous performance of duty, this has given rise to the apprehension in me that, if the aforementioned Regent of Tjingkalsewoe is assigned to that old man as Second Regent, the close relation between father and son will entirely take away all emulation in this important regency, and thus expose it to greater ruin and depopulation. Much as I also fully recognize the utility of the proposal made by the aforementioned Mr. Siberg on 28 February 1788 to choose, in due time, the aforementioned Regent of Tsingkalsewoe as successor to his father as First Regent of Damak, whether upon his death or if he can be induced to resign in favor of this son of his; yet I have deemed that the present depopulated condition of the Damak district, and the resulting detriment to the rice cultivation—most recently proved so convincingly by more than half of the contingent remaining in arrears, and no less prejudicial to the upcoming crop if it is not provided for in the best possible manner—makes it in every way necessary to choose as Second Regent someone who is entirely independent of the First Regent, and who can apply himself, while one exercises patience with that old man, to restore affairs there, at least in part, and to ensure zealous progress, for which I have been able to find no more suitable person than the Ingebeij of Goemoelach Marto Nogoro, of whom the aforementioned Mr. Siberg, in his Honor's memorandum, paragraph 545, also gives a not unfavorable testimony. In making his appointment, should your High Nobilities be pleased to do so upon this proposal of mine, I have this objective in mind: that he, assisted by his uncle, the Head Regent of Samarang, will be able to entice a good portion of the superfluous and idle people here to Damak and provide them with regular work there, in order thus gradually to have such fine harvests in Damak again as in former times. With regard to the servants, I humbly thank your High Nobilities for the favorable order given to send a capable sailmaker here, whom I shall accordingly look forward to receiving when the opportunity arises. The merchant and fiscal on this coast, Johan Carel Lodewijck Eckhaad, having recently submitted a petition to your High Nobilities wherein he requests that, on account of his ailing condition, he may be relieved and permitted to go to Batavia in order to await further employment there, or else return to Europe, as he would then further consider; so I take the liberty to present that petition to your High Nobilities herewith, and to urge that it may please your High Nobilities to grant the request made therein for obtaining his release. I also present to your High Nobilities herewith a copy of a letter dated the 19th of this month, written by Sea Captain Hendrik Holder, commanding the ship Hoorn destined for Macasser, to the commander in the Eastern Salient; from which your High Nobilities, if you please, will be able to see that the small vessel De Cornelia Adriana still found the aforementioned ship Hoorn at Sidaijoe and immediately transshipped into it the soldiers brought from here, with their weapons and rations, etc.; as was also done with those who had been transported from Sourabaija to Sidaijoe, whereupon the aforementioned Captain directly continued the voyage to Macasser. I remain with the greatest respect and high esteem, (below stood:) Title (lower:) Your High Nobilities' very humble and obedient servant (was signed:) Ian Greeve (in the margin stood:) Samarang, 28 February 1788. Please turn over.
Dutch transcription
alle jecretesse, geinformeert, ten einde zig daarna te kunnen reguleeren; voorts verEer ik mij uwe Hoog Edelheeden, ter g'Eerde kennisse te brengen, het op den 22: deeser geecteerde overleiden van den tweede Regent te Damak, zijnde den Tommongong Iuda Nagarra, nalatende twee zoons, de eene maar ses en de andere agt Jare oud omtrent de nu te doen voordragt, ter vervulling deeser vacante plaets, vinde ik, bij de nagelatene Memorie van mijn praedecesseur in dit bestier, De Heer Seberg 547. daar toe wel aangepreesen, den teegenswoordigen Regent van Tjingkalsewoe: Maar vermits ik bevonden hebbe, het den eersten regent, zijnde den adipattij Soera Dinin„ grat, door den nu overleedenen tweede Regent, schoon aan hem niet vermaagschapt, zig nauwlijks tot het geeven van slegts de geringste blijken eener ijverige pligts be„ „tragting, heeft laten opweeken; soo heeft dit bij mij de bedugting doen geboren worden, dat, indien den voorn: Regent van Tjingkalsewoe, als tweede Regent, dien ouden man werd toegevoegd, de nauwe betrekking tusschen vader en schaar soon, alle na ijver geheel en al wegneemen in dit aangeleegen Regentschap, dus aan een grooter verval en volkeloosheid blood stellen zal. toe seer ik dan ook volkoomen erkennen, de nutlig„ heid van het, door Welm: Heer Siberg, gedaene voorstel, den 28: februarij 1788. — om gem: 113 den 28: Februarij 1788. om gem: Regent van Tsingkalsewoe, in tijd en wijle te ver„ kiesen, tot successeur van zijn vader als Eerste Regent te Damak, het zij bij sterfgeval, of als denselven zig eens laat disponeeren, daar van, ten faveure van deesen zijnen zoon, afstand te doen; zo heb ik gemeent, dat de teegenwoordige volkloose toestant van het Damaksch, en het daar uit voortvloeijend nadeel voor de Rijst Culture, Jongst nog so overtuijgend gebleeken, in het agterstallig blijven van meer dan de helfte van 't Contingent, en voor het aanstaande gewasch„ meede niet min praejudiciabel, zo daar in niet, best mogelijk, werd. voorsien; alle zints noodsae„ kelijk maakt, tot tweede regent iemand te verkiesen, die van den eerste regent geheel onafhangkelijk is, en zig bevlijtigen kan, om, terwijl men met dien grijsaard gedult aeffend, de zaeken aldaer, ten minsten voor een gedeelte te herstellen en een ijveri„ gen voortgang te doen hebben, waar toe ik geen geschikken voor„ werp heb kunnen vinden, als den Ingebeij van Goemoelach Marto Nogoro, van wien welm: Heer Siberg, bij zijn Ed: Memorie 545. , meede een niet ongunstig getuijgenis geeft, alzo ik met zijne aanstelling, so uw Hoog Edelheeden deselve, op deese mijne voordragt, gelieven te doen, dit inzigt hebbe, dat hij, geholpen door zijn Oom den samarangse Hoofd Regent, van het hier overtollig en leedig loopend volk, een een goed gedeelte naar Damak zal kunnen loeken en aldaar een gezette arbeid verschaffen, om dus daar door langsamerhand te Damak weeder sulke kunne oogsten te kunnen hebben, als voor heen. Met betrecking tot de Dienaeren, zegge ik uw Hoog Edelheeden needrig dank, voor de gunstige gestelde ordre, ter bezorging na herwaards van een bequaam Zeilemaker, die ik dan ook, bij gelee„ gendheid, zal blijven te gemoed sien. Den koopman en fiscaal te deeser Custe Johan Carel Lodewijck Eckhaad, onderdaags ingedient hebbende, een request aan uw Hoog Edelheeden, waar bij hij versoek doet, om, uit hoofde van zijne suckelende omstandig= „heeden, na Batavia te mogen verlost werden, ten einde aldaar weeder emploij aftewagten, dan wel na Europa te rethourneeren, zoo als hij zig dan nader beraeden zoude; zoo neeme ik de vrijheid, dat supplicq uw Hoog Edelheeden, bij deesen aantebieden, en te insteeren, dat het uw Hoog Edelheeden behaegen mag, in het daar bij gedaene ver„ soek ter erlanging van zijne verlossing te bewilligen. Ook praesenteere ik uw Hoog Edelheeden, bij deesen, Copiae van een, door den Capitain ter Zee Hendrik Holder, den 28: Februarij 1788. — Commanderende 115 den 28: Februarij 1788. — 2 Commandeerende het na Maccasser gedestineerde schip Hoorn, aan den gezaghesber in den oosthoek gesch:e brief de dato 19: deeser; waar uijt uwe Hoog Edelheeden des gelievende, zullen kunnen beoogen, dat het scheepje De Cornelia Adriana, het gem: schip Hoorn nog te sidaijde aangetroffen en ten eersten, de van hier meede gebragte mi„ litairen, met derselver wapens en randsoenen etc:, daar inne overgescheept heeft; zo als, met die geene, welke van Sourabaija na Sidaijoe waren, getrans„ porteerd, meede geschied is, waar meede voorsch: Capitain de reijse na Macasser, direct heeft voortgezet. Ick blijve met de meeste eerbied en hoog agting /(onderstond:/ Titul /:lager/ uwel Hoog Edelheeden zeer oodmoedige en onderdanige dienaer /:was geteekent:/ Ian Greeve /:in margine stond:/ Samarang den 28: februarij 1788. verte
English
Copy. To the Honorable, Rigorous, and Esteemed Lord Jan Greeve, Extraordinary Councillor of the Netherlands Indies, and Governor and Director of and along the Northeast Coast of Java. Right Honorable, Highly Esteemed Lord. Your Honorable and Rigorous Honor having done the undersigned the honor of communicating some remarks from Their High Honors regarding the general description compiled by him of the Javanese trading posts and improvement projects, principally concerning the caliber of the guns projected for the defense of the forts, which caliber appeared to them far too light, the humble undersigned therefore takes the liberty herewith to excuse himself to Your Honorable and Rigorous Honor, and merely to repeat here the reasons that prompted him to exclude the large calibers of 18 and 24 lbs, namely: 1st. The distance from all the forts at places where one could construct defense batteries to the anchorages, and even to the depth of 2 fathoms of water, is generally along the coast of Java at least 2 to 300 rods, from which it is evident that one would project batteries with heavy cannon in vain to shoot with certain aim at enemy ships and sink them, so the artillery of the forts or of the batteries thrown up along the beach must serve to prevent the approach of enemy sloops or other armed vessels. February 28, 1788. 2nd. 117. February 28, 1788. 2nd. The guns of 18 and 24 lb caliber mounted on field or wall carriages according to the old method are very heavy to move and to aim, and with such carriages one must have 10 to 12 men for each gun in order to be able to fire a shot in 6 to 7 minutes; it is easy to understand that most shots aimed against a rowing or sailing sloop will be without effect, given the difficulty of directing such carriages left or right toward a moving point, especially when the batteries are made with embrasures. 3rd. The walls and the ramparts of the forts are too light to bear heavier cannon. 4th. Concerning the batteries that one could mount with heavy cannon, the humble undersigned had great reason not to propose any of those kinds, because it is not to be feared that the enemy would wish to land precisely under such batteries, since there are many places in the vicinity of each fort where he can disembark, and because it is not feasible to propose batteries everywhere. 5th. For this last weighty reason, the undersigned judged that quick-firing guns of 2 and 3 lbs, which are transportable and can be operated quickly by one to two gunners assisted by 4 common assistants, are preferable, but also to cover various detachments. 6th. Finally, he generally had to regulate himself according to the strength of the garrisons and of the artillery. The trading post of Grissee is the only place where heavy artillery would be in any way acceptable, notwithstanding that it was clearly demonstrated in the general report why heavy batteries at this place place, or near the strait of Menari and Sambilangang, will be of no use against enemy ships that would pass by with wind and current; yet supposing the improbable to be true, if the projected fort at Grissee were mounted with 36 cannons of 18 or 24 lb caliber on the sea side, and that by heavy and sustained fire one could cause great damage to the enemy ships passing by, is it not notorious that one must have over 400 artillerymen simultaneously at the guns to properly serve the pieces? Would it not appear fantastical if an engineer were to propose extensive fortification projects with heavy artillery and garrison to cover a trading post, or rather a factory of the Company! And if all the forts of Java had to be mounted on that footing, what enormous expenses would the Honorable Company not have to incur to effect this! The above-mentioned will, the undersigned hopes, suffice to demonstrate that he was justified in proposing no larger artillery than that of 12 lbs, and he has further clearly shown in his report that this caliber must be mounted on traversing platforms and with elevating screws solely to make up for the shortage of artillerymen, as is currently done in Europe and at the Cape of Good Hope, not only to economize on artillerymen, but principally to be able to direct a heavy gun quickly and surely against sailing vessels. Herewith he hopes to obtain Your Honorable and Rigorous Honor's approval, and takes the liberty, with the deepest February 28, 1788. respect
Dutch transcription
Copia. Aan den wel Edelen Gestr: Achtbaeren Heere Jan Greeve, Raad Extra ordinair van Neederlands India, en Gouverneur en directeur op en langs Javas Noord oost Cust. Wel Edele Gesteenge, Groot Achtbaeren Heere. UwelE Ed: Gestr: Achtbare, de ondergeteekende de eere aangedaan hebbende eenige remarques van Hun Hoog Edelheedens te bedeelen, omtrent de door hem geformeerde generaele beschrijving per Javase Comptoiren en projecten van verbeetering, voornament„ „lijk omtrent het Caliber der stukken tot de fensie der forten ge„ projecteert, welke Caliber hoogst dezelve veel te ligt voorgekoo„ men is, so neemt den needrigen teekenaer de vrijheid hier meede sig bij uwel Ed: gestr: agtb: te verontschuldigen en nog maar de reeden die hem, tot de uitsondering van groote Caliber van 18. en 24: lb:s, beweegen hebben, hier te herhaelen, te weeten: 1=o De distantie van alle de forten op plaatsen alwaar men defensie batterijen zoude kunnen extrueeren, tot de scheeps „heeden en selve tot de diepte van 2: vaemen waeter is langs de kust Java gemeenelijk van 2 â 300: roeden op zijn minst, waar uijt blijkt dat men vrugte loos Batterij en met swaere Canon soude projecteeren, om de vijandelijke scheepen en de grond te weeten met gewisse poinctagie te schieten, dus zal het geschut van de forten of van de langs strand opgeworpen Batterij en moeten dienen, om de aannaedering van de vijan„ delijke Chialoupen, of andere gearmeerde vaartuijgen te beletten. — den 28: februarij 1788. — 2=e De 117. den 28: februarij 1788. — 2= De stucken van 18. en 24: lb: Caliber, gemonteerde opveld of= wal- Affuijten na de oude met hode, zijn seer swaar te beweegen ente poincteeren, en men moet met diergelijke affuijten 10. â 12: mannen bij ieder stuk hebben om mn 6 â 7. minuten eene schoot te kunnen doen, 't is ligt te begrijpen dat de meeste schooten teegen eene roeijende afzeilende Ched„ loupen gepoincteerd sonder effecten zullen zijn, aangesien de moeijelijkheid om sulke affuijten lings of regts op eene bewoegelijk poinct te dirigeeren, voor alle, als de batterij en met schiet gaeten gemaakt worden. 3=e De muuren en de wallen vande forten zijn te ligt om swaardder Canon te draegen. 4=e aangaande de Batterijen, die men met swaare Canon soude kunnen monteeren, heeft de needrige teekenaer, groote reeden gehad, om geen van die soorten te proponeeren, om dat niet te bedugten is dat de vijand praecise onder sulke Batlerijen zoude willenlanden, dewijl meenige plaetsen zijn in het omtrek van ieder fort, alwaar hij debarqueeren kan, en dat het niet gevoegelijk is, Ballerijen over al te proponeeren. 5=e Over deese laeste gewigte reede heeft de teekenaer geoordeelt, dat geswind stukken van 2. en 3: ld welke transportable sijn en door eene â twee Cannoniers geassisteert met 4: gemeene handlan„ gers, geswindt gebruijkt kunnen worden praeferable, maer ook om diverse detachementen te dekken. 6=e Eindelijk heeft hij sig generaliter na de sterkte der guarnisoenen en van de Arthillerij moeten reguleeren het Comptoir Grissee is de eenigste plaetse alwaar het grof geschut eenigzints amplectabile soude zijn, niet teegenstaande, dat het duijdelijk in het generaal rappoort aangetoont is waarom swaare Batterij en ter deese plaetse plaetse of bij het gat van Menari en Sambilangang, van geen nut sullen zijn teegen vijandelijke scheepen, die met wint en stroom voorbij souden voeren; dog het onwaarschijnelijk voorwaar stellende, wanneer het geprojecteerde fort te Gressel met 36: Canons van 18. of van 24: lb: Caleber aan de zeekant gemonteert was, en dat men door eene heevige en gesoutineerde vuur de voorbij vaarende vijandelijke schee„ pen veel nadeel zoude kunnen doen, is het niet dan notoor dat men over de 400: Arthilleristen te gelijk bij het geschut moet hebben om de stukken behoorlijke gaan te dienen, zoude het niet als, chimirique voorkoomen, wanneer eene Ingenieur ge„ „extendeerde projecten van fortificatien met swaare Arthil„ E lerij en Guarnisoen quam te proponeeren, om eene Comp„ toir, of liever eene factorij van de Comp: te dekken! en als, alle de forten van Java op die voet gemonteert moesten worden, wel„ ke en orma onkosten, zoude de EComp: niet moeten doen, om dit te effectueeren! het boven aangehaald zal verhoopt de teeke„ naar sufficeeren om aan te toonen, dat hij gegrond geweest is geen grooter geschut, als die van 12: lb te proponeeren, er nog heeft lij duijdelijk in zijn Rapport aangetoont dat dit Caleber op beweegbaere rampaarden en met poinctagie schroeven gemonteert moest worden alleenig om aan 't gebrek van Arthil„ beristen te suppleeren, gelijk het in Europa en aan de Caab de Goede Hoop tans plaets heeft, niet alleen om arthilleris ten te menageeren, maar voornamentlijk om eene swaare stuk gauw en gewis teegen zeilende vaartuijgen te kunnen dirigeeren. Hier meede verhoopt hij uwel Ed: gestr: Achtb: approbatie te mogen hebben, en neemt de vrijheid sig met aller diepste den 28: februarij 1788. — ontsag
English
119 the 28th of February 1788. to sign. Below stood Title Lower Your Right Honorable worships most humble servant Was signed J: B: Pilon In the margin Samarang the 26th of February 1788. Copy of a missive written by the Right Honorable Gentleman Ian Greeve, Councillor of the Dutch Indies, and Governor and Director on and along Java's North East Coast, to the Panumbahan Adipattij Tjakra diningrat, at Madura, dated Samarang the 22nd of February 1788: Then I find myself in a position to give Your Highness a more complete answer regarding the matters still unsettled between us, and thus report in the first place that Their High Excellencies the Gentleman Governor General and the Councillors of the Indies have consented to the exchange, requested by Your Highness and proposed by me, of Your Highness's pepattij Admodjo Nogoro for Your Highness's uncle Maas Demang Brodjo Iudo at Balega, and that the latter mentioned has thus been appointed as Your Highness's pepattij, wherefore I request to have the said Maas Demang Brodjo Iudo come here as soon as possible, in order to take the oath of loyalty and obedience to the Company and Your Highness here, according to ancient custom, as pepattij of Madura. Their High Excellencies have also favorably consented to the appointment of the bandhaer at Sampang, Ian Wienke, as head of the Chinese at Bancallang instead of Nio kiong tjouw, who has been dismissed from this post because of his bad conduct. Thus the deed of this appointment is now being sent to the commander by baakeij. Besides this, I have also succeeded in moving Their High Excellencies to show mercy towards the former Tagal First Regent Radeen Hadjie, who had fled to Bali, in compliance with the strong intercession of Your Highness and the family relation to him. Thus I now have the pleasure to be able to report to Your Highness that the aforementioned Their High Excellencies, out of mere consideration for Your Highness, have graciously pleased to grant him forgiveness and pardon for the clandestine and secret departure from his place of residence which had been assigned to him under the Company's territory, and his stay at Bali, by an open letter in full form prepared thereof under the Company's Great Seal. 7 Pursuant to that pardon, the said Radeen Hadjie will therefore have nothing further to fear on account of his misstep, but he will even be given one hundred rixdollars monthly by the Company for a decent living, to live quietly and peacefully from that here at Samarang, or in its vicinity, and if he should rather choose to possess a piece of land of the Company in this surrounding area for his maintenance, one will also grant him this favor for the sake of Your Highness. But the further requests made by him to Your Highness are far too wide-gaping, and it is by no means fitting for him to make such an unreasonable condition. Your Highness, who intercedes so strongly for this relative with your prayers, will now have it in your power to change his situation for the best through a speedy notification of this benevolent disposition, for Your Highness can give him full promise and assurance the 28th of February 1788: ring 121 both with regard to the Pardon and the promised maintenance. Everything is nevertheless expressly tied to this specific condition, that he must avail himself of this grace within a very short time, and upon receipt of Your Highness's letter to be sent further now, immediately promise and accept to proceed to Madura after settling his affairs, to which place the aforementioned letter of pardon will then be sent, to be handed to him upon arrival there by Your Highness. Furthermore, I can inform Your Highness that Their High Excellencies have also thought fit, in conformity with Your Highness's desire, to let the Madurese troops, who are once in the service of the Company in Ceylon, remain there, and thus Your Highness will be able to send the necessary writing to the heads of those warriors, both now and in the future. I add hereto my cordial greetings to Brother, wishing constant happiness and prosperity. Below stood written at Samarang the 22nd of February Anno 1788: Was signed Jan Greeve. Copy of a missive written by the aforementioned Gentleman Governor and Director, to Gustie Moera Madie and Gustie Madie, Princes at Carang assam, on the Island of Bali, dated Samarang the 27th of February 1788. The administration of Java's North East Coast, as Governor and Director, having devolved upon me upon the departure for Batavia of the Right Honorable Gentleman Councillor of the Indies Johannes Siberg, it now befalls me in that capacity to give a further complete answer the 28th of February 1788. to
Dutch transcription
119 den 28: februarij 1788. — ontsag te teekenen. /:onderstond:/ Titul /lager / uwel Ed: gestr: Achtb: onderdanigsten dienaer /:was geteekent:/ J: B: Pilon /:in margine / Samarang den 26: febr: 1788. — Copia Missive geschreeven, door den wel Edele gestr: Achtbaren Heere Ian Greeve, Raad van Neederland sch Jndie, en Gouverneur en Directeur op en Langs Javas N=ts O=t Cust, aan den Panumbahan Adipattij Tjakra diningrat, te Madura, gedateert Samarang den 22: februarij 1788: Dan vinde ik mij in staat uw Hoogheid een meer volleedig antwoord te geeven, nopens de tusschen ons nog onafgehandelde zaeken, en melde dus in de Eerste plaets dat Hunne Hoog Edel„ heeden den Heere Gouverneur Generaal ende Raeden van Indie bewilligd hebben, in de door uw Hoogheid verzogte en door mij voorgedragene verwisseling van uw Hoogheeds pepattij Admodjo Nogoro, teegen uw Hoogheids oom Maas Demang Brodjo Fido te Balega, en dat dus den laast gemelde, tot uw Hoog heids pepaltij is aangesteld, weshalven ik verzoek om gemelde maas Demang Brodjo Iudo, so dra mogelijke na herwaerde te doen komen, ten einde alhier na 't oude gebruijk, den eed van trouwen en gehoorsaamheid aan de Comp:e en uw Hoogheid, als pepattij van Madura afteleggen. — Ook hebben Hunne Hoog Edelheeden goedgunstig bewilligd in de aanstelling van den Bandhaer te Sampang Ian Wienke tot hoofd der Chineesen te Bancallang in steede van Nio kiong„ „tjouw, die weegens zijn slegt gedrag van deese post ontset is. Dus word de acte deeser aanstelling tans aan den gezagheb„ „ber per Baakeij gezonden. — Behalven dit is het mij meede gelukt H: H: E: te beweegen tot ontferming over den na Balie geweekend geweesen Tagali Eerste Regent Radeen Hadjie ter voldoening aan de kragtige voorspraek van uwe Hoogheid en de familie betrekkong op denselven Dus heb ik het genoegen uw Hoogheid tans te kunnen melden dat welm: H: H: E: ii't enkelde Consideratie voor uw Hoog„ „heid, hem weegens de Clandestine en Heijmelijke verlating van zijne verblijfplaets welke hem onder Comp:s gebied was aangeweesen, en zijne ophouding te Balia, gratieuselijk vergiffenis en pardon hebben gelieven te verleenen, bij een opene brief in volle forma daar van onder Comp:e groot Zegul vervaardigd. 7 Ingevolge van dat pardon sal gem: Radeen Radsie dus ook verder weegens zijnen misstap niets te vreesen hebben maer hem sal selvs tot een ordentelijk bestaan, maandelijks door de Comp:e Een Honderd rijxd=s gegeeven worden, om daar van stil en gerust hier op Samarang, of desselvs nabijheid te leeven, en soo hij lieven mogt verkiesen, in deesen omtrek een stukje lands van de Comp: tot zijn onderhoud, in bezit b te hebben soo sal men hem ten gevalle van uw Hoogheid ook deese gunst bewijsen: Maar de verdere versoeken door hem aan uur Hoogheid gedaan zijn veel te wijd gapend en het past, hem geensints sulx een onreedelijk beding te maeken. — uw Hoogheid die sig voordeesen bloedverwant met zijne voorbeeden soo seer intercedeert, sal het nu in zijn vermoo„ gen hebben, door een spoedige kennis geeving van deese goeder„ tierne dispositie, zijne toestand ten besten te veranderen, want uw Hoogheid kan hem volkomen belofte en verseeke„ den 28: Februarij 1788: — „ring 121 „ring geeven soo wel ten opsigte van het Pardon, als het toe„ gezegde onderhaud. Alles is nogtans wel uitdrukkelijk verbonden aan deese expresse voorwaarde, dat hij binnen seer korte tijd van deese gratie sal moeten profiteeren, en op den ontvangst van uw Hoogheids nu nader aftegaan aanschrijven, direct belooven en aannee„ men, om na verevening zijner zaaken sig na Madura te begeeven, werwaerds als dan de voorm: Pardon brieff zal worden gezonden, om hem bij aankomst aldaer door uw Hoogheid ter hand te worden gesteld. voorts kan ik uw Hoogheid informeeren dat H: H: E: meede hebben goedgevonden om Conform het verlangen van uw hoogheid de madureese troupes, die eens op Ceilons bij de Comp:e in dienst zijn, aldaar te laeten blijven, en dus zal uw Hoogheid, so nu als in het vervolg het nodig aanschrijven aande Hoofden dier krijgers kunnen laten afgaan. Ik voeg hier bij mijne Hartelijke groete, aan Broeder, met toewensching van bestendig geluk en voorspoed. /:onderstond:/ geschreeven te Samarang den 22: februarij Ao 1788: /:was geteekend:/ Jan Greeve. — Copia Missive geschr: door Welm: Heere Gouverneur en directeur, aan Gustie Moera Madie en Gustie Madie, vorsten te Carang assam, op 't Eijland Balie, gedateert samarang den 27: februarij 1788. — Het bestier van Java's Noord oost Cust, als gouverneur en direc„ teur, bij het vertrek na Batavia, van den welEd: gestr: Heer Raad van Jndie Iohannes Siberg, op mij overgegaan zijnde, valt mij in die hoedanigheid, als nu nader een volleedig antwoorde den 28: februarij 1788. — te
English
the 28th of February 1788. to reply to the letter of your Highnesses, written at Balia Carrang Assang, the 22nd of the month of Rajab in the year 1200, as the orders of their High Excellencies, the Lord Governor-General and the Councillors of the Indies, concerning the matter of Raden Hadji have now been received here. This answer now consists of this, that whereas the said Raden Hadji, in his submitted account of what befell him, among others accused persons of distinction who are no longer alive, and concerning whom no investigation can therefore be conducted, the Lord Governor-General and the Councillors of the Indies will therefore no longer concern themselves with the said Raden Hadji, nor further insist with your Highnesses upon his surrender, if your Highnesses remain disinclined to do this voluntarily, as one had believed one might have expected that surrender or refusal from your Highness pursuant to the solemn promise made thereto, and through which the expressions of friendship and goodwill, which your Highnesses repeatedly make, would have been confirmed much better than through this refusal; as for the further offer of your Highnesses to put him, Raden Hadji, to death upon a sentence of the Company, to such an act I can by no means consent, for however much the said Raden Hadji has offended the Company, his offense is nevertheless not of such gravity that he has thereby deserved the punishment of death, and your Highnesses are therefore thanked for this willingness. I make many wishes for the prosperity of your Highnesses unto length of days. Subscribed: written at Samarang 123 the 28th of February 1788. Samarang, the 27th of February, the year 1788. Was signed: Jan Greeve. Copy of a letter written by the Sea Captain H. Bolder, commanding the Company's ship Hoorn, to the Senior Merchant and Authority at Sourabaija A. Barkey, dated aboard the ship Hoorn the 19th of February 1788. I cannot fail to inform your Right Honorable Sir hereby that the ship Cornelia Adriana came to anchor near me on the 18th of this month, and that I have taken over the 50 soldiers, 4 corporals, and 1 sergeant. The rations themselves I received today, the 19th of this month, and as soon as weather and wind permit, I shall set sail to continue my voyage; the rations from your Right Honorable Sir I have now also received properly and satisfactorily for 64 heads, all of them without exception. I remain with high esteem, subscribed: Titles, lower: your Right Honorable Sir's obedient servant, was signed: H. Bolder, in the margin: aboard the ship Hoorn, the 19th of February 1788. Please turn over Batavia. To his High Excellency. The High Noble, Rigorous, and Right Honorable Lord Master Willem Arnold Alting, Governor-General, and the Right Noble and Rigorous Lords Councillors of the Dutch Indies. High Noble, Rigorous, and Right Honorable Lord and Right Noble and Rigorous Lords. Having, since the dispatch of my latest very respectful letter of the 28th of February, again had the honor to receive your High Excellencies' very respected separate dispatch of the aforementioned date, I answer the same hereby, and thus serve to report that 60 to 70 Madurese military personnel for Riouw have already been requested from the Panembahan of Madura, and the officials at Sourabaija have been ordered to ensure that they are ready there to be dispatched with the first of the ships returning from the Eastern Salient to Batavia. The said officials at Sourabaija have also been ordered to prepare as many heavy ropes as well as iron and wheel hawsers of gomuti and coir fiber, the 20th of March 1788. as, 125 the 20th of March 1788. as, due to a shortage at Batavia, could not be supplied upon the requisition made from here, in order, pursuant to your High Excellencies' esteemed recommendation, to make use of them for the ships as well as for the smaller vessels. The envoys of the Sultan of Pontianak and the Panembahan of Mempawah are busy preparing for their departure, at which time the letters and gifts sent to me will be given to them in accordance with your High Excellencies' respected order. Furthermore, I have the honor to offer your High Excellencies herewith a copy of the translation of the Javanese letter dispatched by the Panembahan of Madura, alongside the regents of Sedayu and Pamekasan, to the former First Regent of Tegal, Raden Hadji, who is on Bali, in order to make known to him the favorable resolution taken by your High Excellencies regarding him. After I have from time to time done everything possible to still have delivered something of the arrears of the Regents of: Demak up to koyangs 542 Japara koyangs 47 Batang koyangs 25 on their rice contingents from the past year, Batang only calculated at 75 koyangs, it has
Dutch transcription
den 28: Februarij 1788. te geeven op de brieff van uw Hoogheeden, geschr: te Balia Car„ rang Assang, den 22: van de maand Redjep in't Jaar 1200: alsoo tans de orders van hunne Hoog Edelheeden, den Heere Gouverneur generaal en de Raaden van Indie, over de zaak van Radeen Hadjie alhier ontvangen zijn. Dit antwoord nu bestaat hier in, dat vermits gem: Rredeer fadjie in zijn overgegeeven relaas van het geene hem weeder vaeren is, onder anderen, persoonen van aansien beschul„ „digd, die nu niet meer in leeven zijn, en waar omtrent dus geen ondersoek kan gedaan worden, den Heere Gou„ verneur generaal ende Raaden van India, sig dus aan gem: Radeen Radjie, niet meer sullen laaten geleegen zijn, en bij uwe Hoogheeden niet langer aanhouden, op sijne overgaave, indien uwe Hoogheeden ongeneegen blij„ „ven, dit vrijwillig te doen, gelijk men gemeend had, die overgave of afwijsing van uwe Hoogheid, ingevolge de daar toe gedaane plegtige belofte te hebben, mogen verwagten, en waar door dan ook de betuijgingen, van vriendschap en welmeenendheid, die uwe Hoogheeden bij herhaling doen, veel beeter dan door deese wijgering soude bevestigd zijn geworden, wat voorts het aanbod van uwe Hoogheeden betreft, om hem Radeen kadjie op een vonnis van de Comp:e ter dood te brengen, en sulk een daad, kan ik geensints bewilligen, want hoe seer gemelde Radeen Wadjie, de Comp:e, ook beleedigd heeft so is zijn vergrijp egter niet van dat gewigt, dat hij de straffe des doods daar door verdiend heeft, en dus worden uwe Hoogheeden, voor deese bereidwilligheid bedankt. Ik doe veele wenschen, voor de welvaard van uwe Hoogheeden tot in lengte van daegen /:onderstond:/ geschreeven te Samarang 123 den 28: februarij 1788. — Samarang den 27: februarij Ao 1738. /:was geteekend:/ Jan Greeve. Copia brieff geschreeven door den Capitain tec s zee H: Bolder, Commandeerende 't 'sComp=s schip Hoorn, aan den opperkoopman en gesag„ hebber te Sourabaija A: Barkeij, gedateerd in het schip Hoorn den 19: februarij 1788. — Ik kan niet manqueeren uwel Ed: Achtb: hier meede kennis te geeven; als dat het schip de Cornelia Adriana, op den 18: deeser bij mijn ten Anker is gekoomen, en dat ik de 50: soldaaten, 4: Corporaals en 1: sergeant, heb overge„ noomen: de Randsoenen selvs heb ik op heeden den 19: Dee„ ser ontvangen, en schielijk 't weer en wind permitteerd zal ik onderseil gaan, om mijn rijs voorttesetten, de randsoenen van uwEd: Achtb:, heb ik nu ook voor 64: Coppen na genoegen allegaar niets uijtgesondert rigtig ontvangen. — Verblijve met hoog agting /:onderstond:/ Titul: /:lager/ uwelEd: d: W: Dienaer :/was geteekent:/ H: Holder, /: in„ margine:/ in 't schip Hoorn, den 19: februarij 1788. — verte Batavia. Aan zijn Hoog Edelheid. Den Hoog Edel Gestrenge Groot Achtbaeren Heere M=r Willem Arnold Alting, Gouverneur Generaal, en de Wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Neederlandsch Jndie. Hoog Edel Gestrenge, Groot Achtbaeren Heere en Wel Edele Gestrenge Heeren. Seedert de afrsending van mijne Iongste seer eerbiedige van den 28: februarij, weeder de eer gehad hebbende te ont„ vangen uwer Hoog Edelheeden seer gerespecteerde Aparte Missive van voorm. datum beantwoorde ik deselve bij deesen en diene dus dat van den Panumbahan van Madura bereeds 60: â 70: Madureesche Militairen voor Riouw gevraagd, en de bedienden te sourabaija gelast zijn te zorgen, dat die aldaar gereed zijn, om met het eerste der uijt den oosthoek na Batavia te rug kee„ rende scheepen verzonden te worden. De gem: Bediendens te Sourabaija zijn ook gelast het in gereedheid brengen van so veel swaere touwen mits gaders ijzer- en wiel-trosser van Goemoet- en Caijer draad, den 20 Maart 1788. — als, ƒ 125 den 20:' Maart 1788. — als, mitsgebrek te Batavia, op den van hier gedaane Eijsch niet hebben kunnen voldaan worden, ten einde, sig ingevolge de g'eerde recommandatie uwer Hoog Edelheeden, so wel voor de scheepen, als voor de mindere vaartuijgen daar van te bedienen De gezanten van den sulthan van puntiana en Pamun„ bahan van Manpauwe zijn beezig om sig tot hun vertrek gereed te maeken, wanneer de mij toegezonden brieven en geschenken, Conform de gerespecteerde order uwrer Hoog. Edelheeden, aan deselve sullen worden meede gegeeven; voorts heb ik de eer uw Hoog Edelheeden bij deesen aan te bieden Copia van het translaat Javaansche brief door de panumbahan van Madura, neevens de regenten van Sidaijoe en Parna„ Cassang afgezonden aan den op Balie zijnde geweesen Tagals Eerste Regent Radeen Hadjie om hem de gunstige dispositie uwer Hoog Edelheeden ten zijnen op zigte genoomen, bekend te maeken. — Na dat ik van tijd tot tijd al het mogelijke heb in het werk gesteld, om nog iets van de agterstallen der Regenten van. Damak. . - . . tot. . - - - Coijangs 542:— Japara - - - - - - - „ - - - - - - - - - „ 47: — Batang - - - - - - „ - - - - - - - „ 25: — op hunne Rijst Contingenten, van het voorleeden Jaar Batang maar gereekend op 75: Coijangs, door deselve te doen leeveren, is
English
it has now become most clearly evident to me that they are completely incapable of doing so, which is why I also, on the basis of Your High Excellencies' resolution of the 6th of February 1781, hereby take the liberty of presenting their humble request to be discharged from satisfying this, as truly caused by crop failure and complete inability to settle this. Furthermore, I hereby also take the liberty of requesting Your High Excellencies' favorable permission to undertake, in the coming month of June or July, the journey to the Courts of the princes, and subsequently upon return from there to inspect the coastal offices west of Samarang as far as Tagal, while I shall keep the journey to the Eastern Salient, to inspect that and the remaining offices lying along the way also in accordance with custom, postponed until next year, in order to make it then also with Your High Excellencies' permission, if no cause of hindrance occurs in the meantime. With due respect and veneration I call myself, underneath stood: Title, lower: Your High Excellencies' very obedient and faithful servant, was signed: Jan Greeve, in the margin: Samarang the 20th of March 1788. — the 20th of March 1788. — turn over 127. the 20th of March 1788. — Copy Translation of Javanese Letter, coming from His Highness the Panumbahan in Madura, and the Raden Tumenggungs Suro Diningrat in Sidaijoe and Tjakra Diningrat in Pamekasan, To Raden Hadji, in Bali. After having conveyed our friendly greetings, this serves for communication that Your Honor's letter and the small note via our envoy Bunga Laut have been well received by us, and having understood Your Honor's sincere heart's intention from the content of the small note, we have, taking the matter into consideration, sent the said small note to the Honorable Governor, with the most humble solicitations to be pleased to present Your Honor's request to His High Excellency, which has already been done, but as all of Your Honor's requests, being too excessive and too unreasonable, cannot be granted, His High Excellency, according to His very own answer, in fulfillment of our powerful intercession, and out of consideration for our persons as well as the family relationship to Your Honor, has nonetheless graciously granted forgiveness and pardon for Your Honor's clandestine departure from his place of residence under the Company's jurisdiction and staying in Bali, this letter of forgiveness and pardon being drawn up in full form and under the Company's great seal, which your brother Panumbahan shall hand over to Your Honor as soon as Your Honor shall have arrived in Madura, while it serves for Your Honor's information that in addition Your Honor is granted by the Company one hundred Holland rix-dollars per month, to live quietly and peacefully from that in Samarang or its vicinity, and likewise if Your Honor might prefer to hold a piece of land of the Company in the Samarang area for his maintenance, this favor, out of regard for us, the 20th of March 1788. — will also be shown, wherefore we trust that Your Honor, considering this grace, will hasten to come to us in Madura, to which we invite Your Honor most cordially, as we can assure Your Honor that the promised pardon and maintenance are no lure of the Company but are sincere, which Your Honor can safely trust, and we request only to place a firm trust in God in that regard, as this serves for Your Honor's welfare, and we interpose ourselves as guarantors that not the least harm will be done to Your Honor, and thus we expect and look forward to meeting Your Honor as soon as possible, because everything is explicitly tied to this express condition, that Your Honor will have to take advantage of the grace shown to Your Honor within a very short time, and thus that we ask Your Honor once more to be pleased to show willingness in this, in order to have the opportunity to be delivered from the sufferings. Furthermore we add here that in case Your Honor does not wish to make use of this grace within a very short time, we shall have to regard this as meaning that Your Honor no longer has any respect for us and for his family in Tagal, and that we have been brought into great shame before the Company by Your Honor, which thus has or will have reason to believe our words or promises no longer, and why in such a case we shall also be forced to renounce Your Honor, underneath stood: End, lower: translated by me, was signed: H. van Ligten, sworn translator. turn over 129. the 8th of April 1788. — Batavia To His High Excellency! The High Noble, Right Honourable, Highly Esteemed Lord Mr. Willem Arnold Alting, Governor General, and the Right Honourable, Right Honourable Lords Councillors of the Netherlands Indies. High Noble, Right Honourable, Highly Esteemed Lord and Right Honourable, Right Honourable Lords! As much as the shortness of time has allowed, I have tried to acquit myself as well as possible of the purchase of some Gold for Coromandel charged to me by Your High Excellencies in honored separate letter of the 18th of March passed, and I have therefore not been able to gather more than the weight of 1231 5/6 Reals at the price set by Your High Excellencies of 21 1/2 rix-dollars the real fine, which I am now sending by the overland route with one of the European postilions, under further escort, being 487 7/16 reals in 40 bars, and the remaining 744 reals in unsmelted gold, together packed in a sealed box according to the note enclosed herewith, and for whose amounts I request that in accordance with Your High Excellencies' honored authorization by me, with the
Dutch transcription
is mij tans ten klaarsten gebleeken dat zij daar toe volstrekt onvermogend zijn, waarom ik dan ook, op fundament van uwer Hoog Edelheeden besluijt van den 6=e februarij 1781. , bij deesen de vrijheid neeme voortedraagen derselver oodmoe„ „dig versoek om van dies voldoening te worden gelibereerd, als waezendlijk veroorsaakt door mis=gewasch en vol„ „slagen onvermogen tot dies verevening. Wijders neem ik bij deesen meede nog de vrijheid uwer Hoog Edelheeden gunstige permissie te versoeken, om in de aanstaande maand Iunij off Iulij, de reijse na de Hoven der vorsten aanteneemen en vervolgens bij rethour van daar de strand Comptoiren bewesten Samarang tot Tagal, op t neemen, terwijl ik de reijse na den oosthoek, om dat ende overige onderweegs leggende Comptoiren meede Conform de usantie, te inspecteeren, tot in 't naast komende Jaar sal hou„ „den uitgesteld om die als dan meede met verlof uwer Hoog Edelheeden te doen, so 'er intusschen geen reeden van verhinde„ ring voorkomen. Met schuldige eerbied en veneratie noem ik mij /onder„ stond:/ Titul /:Lager:/ uwer Hoog Edelheeden seer gehoorz: en getrouwe dienaer /:was geteekend:/ Ian Greeve /:in margine / Samarang den 20: Maart 1788. — den 20: Maart 1788. — verte 127. den 20: Maart 1788. — Copia Translaat Jav: Brief, komende van zijn Hoogheid den Panumbahan te Madura, en de Radeen Tommongongs soero Diningrat te Sidaijoe en Tjacra diningrat te Pamacas„ Pang, Aan Radeen Hadjie, te Balie. Na onse vriendelijke groetenisse te hebben afgelegd, zo diend deese tot Communicatie dat uwE: brief en het Cartabelletje per onse zendeling Boenga Laut bij ons wel ontfangen zijn, en uit den inhoud van het Cartabelletje uwel Ed: opregte harten meening verstaan hebbende, soo hebben wij, de zaak in overweeging genoo„ men hebbende, het gedagte Cartabelletje aan de Edelheer Gouverneur gezonden, met de oodmoedigste instantien, om uwEd: verzoek H: H: E: te willen voordraegen, en het welk ook bereeds geschied is, dan alzo aan alle uw Ed: versoeken als te veel en te onbillijk zijnde, niet kunnen worden ingewilligd zo heb„ ken egter H: d: E: blijkens Hoogst derzelver antwoord, ter vol„ doening aan onse kragtige voorspraek, en uit Consideratie voor onse persoonen, als meede de familie betrekking op uwel Ed: gratieusselijke vergiffenis en pardon verleend, uwel Ed: Clandes„ fijne verlating van desselvs verblijf plaets onder 'sComp=s resort en ophouden te Balie, zijnde deese vergiffenis en pardon brief in volle forma, en onder Comp: groot zegul vervaardigd, die uwen Broeder Panumbahan, uwE: sal overhandigen, zo drae als uwE te Madura zal zijn g'arriveert, terwijl tot uwE: narigt diend, dat daar en boven uw Ed: van de Comp:e word toegelegd een Honderd rd=s Holl=s permaant, om daar van stil en gerust te samarang of dies na bijheid te leeven, en insgelijks zoo uw E: liever mogte ver„ kiesen in het samarangse omtrek een stukje Land van de Comp:e tot desselvs onderhoud in bezet te hebben, deese gunst, ten onsen den 20 Maart 1788. — onsen reguarde ook zal worden beweesen, weshalven wij ver„ „trouwen dat uwEd: deese gratie overweegende, zig haesten zal om bij ons op Madura te komen, en waar toe wij uwEd: en vriendelijkste intnoodigen, alzoo wij uw Ed: kunnen verseekeren, dat het toegezegjd pardon en onderhoud geene lokkinge van de Comp:e maar opregt zijn, daar uw Ed:e zig gerust op vertrouwen kan, en wij versoeken om maar daar omtrent een vast vertrou„ „ven op God te stelle, alzoo zulks tot uwE: welvaert diend, en wij interponeeren ons als Borgen, dat aan uwEd geen de minste leed zal worden gedaan, en dus verwagten en zien mij uwE: ten spoedigsten te gemoete, door dien alles uitdrukkelijk verbonden is, aan deese expresse voorwaarde, dat uwEd: binnen zeer korten tijd vande aan uw Ed: beweesen gratie zal moeten profiteeren, en dus dat wij uwEd: nogmaals versoeken om zig daar in bereid„ willig te willen laaten vinden, om geleegenheid te hebben, van de teidenen verlost te zijn. voorts noteeren wij hier nog bij dat ingevalle uw Ed: van deese gratie binnen zeer korten tijd niet gebruik wilde maeken, wij zulx zullen moeten aanmerken, als dat uw Ed: geen agtinge meer voor ons en voor desselvs familie te tagal heeft, en dat wij door uwEd: in een groote schande bij de Comp:e gebragt zijn, die dus reeden heeft of hebben zal, om aan onse gezegdens nog beloften niet meer te gelooven, en waarom mij in zo een Cas ook genood„ „saekt zijn zullen, om uw Ed: van ons afteschrijven /:onder„ stond:/ Einde /:lager:/ getranslateert door mij /:was geteekend:/ H: van Ligten gesw: translateur verte 129. den 8: April 1788. — Batavia Aan zijn Hoog Edelheid! Den Hoog Edel, Gestrenge Groot Achtbaeren Heere W: „k M=r Willem Arnold Alting. Gouverneur Generaal, en de wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Neederlandsch Jndie„ Hoog Edel Gestrenge, Groot Achtbaeren Heere en Wel Edele Gestrenge Heeren! Soo veel de kortheid des tijds heeft toegelaeten heb ik getragt mij best mogelijk, te quiten, van de door uwe Hoog Edelheeden, bij g'eerde Aparte Letteren van den 18: maart passato mij op gedra„ gen inkoop van eenig Goud voor Chormandel en ik heb dus ook niet meerder bij een kunnen krijgen dan het gewigt van 1231: 5/6. Reaelen teegen den door uw Hoog Edelheeden ge„ „stelden prijs van 21½. rijxd=s het reaal fijn, het welk ik tans over den Landweg met een der Europeesen Postilyens, onder verder geleide afsende, zijnde aan 487 7/16. realen en 40: staven, en de overige 744: reaelen aan ongesmolten goud te zamen 6 ƒ afgepakt in een verseguld kistje volgens de hier bij ingesloo„ ten Notitie en voor welks bedraegen ik versoeke dat ingevolge de op uwer Hoog Edelheeden geerde qualificatie door mij, met de
English
arrangements made with the suppliers, assignments may be granted to be paid by the Gentlemen Masters in the Netherlands by preference at 72 stivers each to Petrus Schouten, town printer, and Cornelis van Twiss, pay accountant of the East India Company, both in Amsterdam, to their order or heirs. Herewith I also have the honor to present to Your High Excellencies a request from the Cornet of the Dragoons at Soura Carta, Ditloff Fredrik van Stralendorf, requesting, in view of the ample expiration of his time, to be discharged from the service of the Company with cessation of salary, but if possible, with the addition of the rank of former Lieutenant of the Dragoons; while I also, upon the recommendation of the First Resident of Soura Carta Palm and his given laudable testimony, respectfully propose to Your High Excellencies that it may please the same to appoint again as Cornet among the Dragoons at Soura Carta, in place of the said Stralendorf, the Ensign stationed there, Jacob Ruffel, and in his place as Ensign, the Sergeant among the Dragoons there, Coenraad Ramp. With due respect and high esteem, I have the honor to call myself, Your High Excellencies' very obedient and faithful servant, signed, Jan Greeve In the margin: Samarang, the 8th of February 1788. The 8th of April 1788. Turn over. 131. The 9th of May 1788. Batavia. To His High Excellency The High Noble, Right Honorable, Most Worshipful Lord Master Willem Arnold Alting Governor-General, and The Honorable, Right Honorable Lords Councillors of the Netherlands Indies. High Noble, Right Honorable, Most Worshipful Lord, Honorable, Right Honorable Lords. Having duly received Your High Excellencies' most revered letters of the 11th of the past month of March and the 1st of April, I express my humble thanks to the same for the favorable promise made under the heading of: Money Matters and Remittances, to provide Java with a considerable quantity of Japanese pitis instead of copper duits, wherewith one shall also endeavor here to relieve as much as possible the scarcity of the latter-mentioned coin species that has occurred until now. However much, with regard to Products, concerning the condition of the rice crop in general, I have the most favorable reports to give, and it appears very promising everywhere, so that one can hope for an abundant harvest, yet I have not been able to obtain a reassuring promise from the Regents of Damak regarding the satisfaction of half of the arrears on their previous year's contingents—which, after the obtained favorable remission of 271 coyangs, still remain in arrears to an equally large quantity of 271 coyangs—because a considerable portion of that Regency has had to remain uncultivated due to a shortage of people, thousands of whom have recently moved to the Vorstenlanden again through lack of sustenance. Thus, however much there will be a desired harvest in the Damak region, this must nevertheless only be understood of those fields that are cultivated, and therefore by no means of the entire Regency. With and for those Regents, as well as those of Batang and Japara, I nevertheless express to Your High Excellencies my and their gratitude for the favorable relief granted to them. In like manner, I express my gratitude for the favorable reflection which Your High Excellencies have been pleased to give to the proposal made by me, in relation to native affairs, of the Ingebij of Goemoelak, Marto Nogorro, to be Second Regent at Damak, while I also have the honor to present to Your High Excellencies herewith, The 9th of May 1788. 133 The 9th of May 1788. herewith a copy of the deed of bond executed by the same upon his appointment. May I also be permitted herewith, as far as the matters appearing therein require it, to answer the marginal dispositions that came to me, taken by Your High Excellencies on the 24th of December 1787 upon the Memorandum left to me by my predecessor in this administration, the Lord Councillor Extraordinary of the Indies, Johannes Siberg, wherein first of all came to my attention the honored order of Your High Excellencies to make, at a suitable opportunity, a closer survey of such tracts of land as previously lay waste, uncultivated, and uninhabited, and which were not included among the assigned cacahs to the Susuhunan and the Sultan, for which survey I respectfully maintain that one will first obtain the most suitable occasion when a change of throne takes place, since the present princes would not easily be inclined thereto. Your High Excellencies' recommendation to oppose restless spirits, to prevent an overly close friendship between the Javanese princes, and to observe a reasonable course of conduct with respect to the Company's subjects, and especially to keep the Madurese
Dutch transcription
de Leeverantiers gemaakte schikkingen, verleend moogen worden Assignatien, om door de Heeren Meesters, de diecaton teegen 72: stver= in Neederland bij proeferentie betaald te worden aan Petrus Schouten, stads drukker en Cornelis van Fwist soldij boekhouder vande oost Indische Comp: beide te Amsterdam, ordre ofte erven. Hier neevens heb ik tevens de eer uw Hoog Edelheeden aan te„ bieden een Rrequest van den Cornet onder de dragonders te soura Carta Ditloff fredrik van Stralendorf, verzoekende, mits 6„ ruijme tijds expiratie, om, met stilstant van gagie uit den dienst der Comp:e antslagen te werden, dog so het weezen kan, niet toevoeging vande rang van oud Luitenant der Dragonders; Terwijl ik tevens op de aanprijsing van den soura Cartas eerste Resident Palm en zijn gegeeven loffelijk getuijgenis, aan uwe Hoog Edelheeden eerbiedig voordraege, dat het Hoogst„ deselve behaegen moge, in steede van gemelde stralendorf weeder tot Cornet, onder de dragonders te soura Carta aan„ testellen, den aldaar bescheiden vaendrig Iacob Ruffel en in deese sijn plaats, tot vaendrig, den wagtmeester onder de dragonders aldaer Coenraad Ramp. Met verschuldigde Eerbied en Hoog agting heb ik de eer mij te noemen /: onderstond / te tul /lager/(uwer Hoog Edelheeden seer gehoorz: en getrouwe dienaer / was get:d/ Jan Gdeede /on margine / Samarang den 8: febr: 1788. — den 8: April 1788. — verte 131. den 9: Meij 1788. — Batavia. Aan zijn Hoog Edelheid Den Hoog Edel, Gestrenge, Groot Achtbaeren Heere M=rs Willem Arnold Alting Gouverneur Generaal, en De wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Neederlandsch Indie. Hoog Edele Gestrenge Groot Achtbaeren Heere Wel Edele Gestrenge Heeren. Wel ontfangen hebbende uwer Hoog Edelheeden seer gevene„ reerde missives van den 11=e der gepasseerde maand Maart en 1=e April, zegge ik Hoogt Dezelve needrigt dank, voor de daar bij onder het Hoofdeel van. Geld zaken en Reniesen, gedaene gunstige toezegging, om Iava, met eene aansienelijke parthij Japansche Pitjes, in steede van koopere duijten, te voorsien, waarmeede men hier dan ook tragten zal, de tot nog toe plaets gehad hebbende schaars, heid van de laastgem: munt pecie so veel mogelijk te gemoed te komen Hoe seer ik, wat de Producten betreft nopens den staat van het Rijst gewasch in het algemeen de voordeeligsten berigten te geeven, hebbe, en het en en het sig allerweegen veel beloovend opdoed, invoegen men op een ruijme oogst kan hoopen, so heb ik egter van de regen„ „ten van Damak geen verseekerende toesegging kunnen bekomen, weegens de voldoening van de helfte der op hunne voorjarige Contingenten, na de geobtineerde gunstige remisie van 271. Coijangs, nu nog ten agteren blijvende gelijk groote quantiteit van 271. Caijangs, also een aan„ merkelijke gedeelte van dat Regentschap heeft moeten onbearbeid blijven, door gebrek aan volk, die nu Jongst weeder door gemis van voedsel, bij duijsenden na der vorsten Landen zijn verhuijst, so dat hoe seer 'er in het Damaksche een gewenschte oogst zal weesen, dit egter maar verstaan moet worden, van die velden, welke beaa„ „beid zijn, en dus op verre na niet van 't gantsche regentschap Met en voor die Regenten, so meede die van Batang en Iapara, betuijge ik egter uwe Hoog Edelheeden, mijne en hunne dankbaarheid voor de gunstige ontheffing hun verleend. — Ingelijkervoegen betuijge ik mijne dankbaarheid, weegens de gunstige reflexie, welke uwe Hoog Edelheeden wel hebben gelieven te slaan, op de door mij, met relatie tot de Inlandsche zaken, gedaane voordragt van den Jngebij van Goemoelack Marto Nogorro, tot tweeden Regent te Damak, terwijl ik tevens de eere hebbe uwe Hoog Edelheeden, den 9: Meij 1788. — hier 133 den 9=e Meij 1788. — hier neevens aantebieden, Copia vande door denselven bij sijne aanstelling gepasseerde acte van verband. — Het zij mij bij deesen ook geoorloofd, voor so veel de daar bij voorkomende zaken sulx vorderen te beantwoorden, de mij gewordene Marginaele dispositien, door uwe Hoog Edel„ heeden, den 24: Dec: 1787: genomen, op de Memorie door mijnen proedecesseur in dit bestier, den Heer Raad Extra ordinair van Indie, Iohannes Siberg, aan mij nage„ laten, waar bij wij, in de eerste plaetse, is te vooren ge„ komen, het geEerde bevel uwer Hoog Edelh:, om bij bequame occasie eene nadere opneem te doen, van sodanige landstree„ ken, als bevoorens voest, onbearbeid en onbewoond gelee„ gen hebben, en die onder de toegeweesene Tjatjas aan den soesoehoenang en den Sulthan niet begreepen zijn geweest, dan tot welke opneem ik eerbiedig sustineere dat men eerst de geschikste aanleiding sal erlangen als het tot een Tavons verwisseling komt, wijl de praesente vorsten daartoe niet ligt te animeeren souden sijn. De recommandatie uwer Hoog Edelheeden, tot het teegen„ gaan van onrustige geesten, het weeren van een al te nauwe vriendschap tusschen de Javasche vorsten, en het betragten van een reedelijke handelwijse ten opsigte van 'sComp:s onderdanen en voornamentlijk om den Madurees
English
to keep the Madurese bound to oneself, all this I shall steadily keep in view during the time of my administration, and let the one and the other serve me as a rule and guideline. Because the intrinsic character of the Sultan's illegitimate son, Pangeran Demang, is indeed such that one ought with good reason to be on guard against him and his undertakings, the most serviceable arrangements have already been made in advance to keep a close eye on him on all occasions, and I shall also, as far as is possible, immediately endeavor to ensure that he remains unable to cause any real harm in the event of deaths or unexpected troubles. In the event that the Sultan, upon the unexpected demise of the present Lord Governor-General, remains reluctant to render homage here at Samarang to His Honor's successor, I shall, in conformity with the esteemed order of Your Right Excellencies, then make known to him in a resolute manner that Your Right Excellencies will consider his offer to render that homage at Batavia as if it had actually taken place at Samarang. I shall also endeavor to comply as promptly as ever possible with the orders of Your Right Excellencies to proceed thither as den 9: Meij 1788. — soon 135 den 9: Meij 1788. — as one of the Javanese princes is beyond hope of recovery, since it is certainly highly necessary that upon the demise of one of those princes, the Governor, if possible, be present at court in person. On the basis of the good testimony of the aforementioned Mr. Siberg regarding the abilities and good nature of the Sultan's inner court Tommongong Aria Mandura, being the second son of the present Regent at Djoejocarta, the Raden Adipati Danureja, I have indeed endeavored, on the occasion of the recent illness of this First Minister, to direct matters such that the Sultan would make some preliminary provisions which could assure the said Aria Mandura of the succession in his father's place, but this did not succeed, and it has since been perceived that the Prince's choice will, in all probability, settle upon his son-in-law, the Raden Tommongong Noto-Yudo, to whom many good qualities are also attributed; while for the rest in this regard, I fully agree with the unanimous views, both of the aforementioned Mr. Siberg and of his late predecessor, the Councilor Extraordinary van der Burgh, namely that it will be best to leave the election of a Regent to the choice of the Prince himself, since one will always have to defer to that anyway. Owing to the continuous illness of the First Resident at Surakarta, the Senior Merchant Willem Adriaan Palm, the inspection of the construction and repairs carried out in the fortress there has had to be postponed until the end of this month, whereupon, after this has been carried out, I shall have an exact account drawn up of what must be reimbursed to the Company from the estates of the deceased Senior Merchant and former First Resident at the said office, Fredrik Christoffel van Stralendorf, and the also deceased Captain-Lieutenant Engineer Fredrik Sustman, on account of the poor management maintained by them therein, which I shall subsequently have the honor to present to Your Right Excellencies. Although the construction of the projected three small forts along the road from Djoejocarta, as Your Right Excellencies likewise please to note, cannot take place before the complete finishing of the Lodge at Djoejocarta, I shall nevertheless have the inspection of the places best suited for it carried out at the first convenient opportunity. den 9: Meij 1788. — 137 den 9: Meij 1788. — Meanwhile I have conferred with the Regent of Pamalang about the resumption of the cutting of timber in his district, whereby he has also agreed to make a start again in the coming year and then to deliver 500 pieces of beams every 2 years, as took place in former times, provided however that the thickness thereof remains set from 7 to 18 inches, and no heavier timber is required of him, in which case he believes that he will be able to keep this delivery going for some three years, but not much longer, because both he and Resident Umbgrove, on the grounds of investigation and findings, state that there is no sufficient supply of timber to be found in the small Pamalang forests for that purpose, unless one wished to use the young trees for firewood and other small woodwork, which would certainly be too detrimental. Pursuant to the authorization granted by Your Right Excellencies, the transfer of the present Second Regent of Paccalongang, the Tommongong Sumo Negoro, to elsewhere in the Eastern Salient will take place at a suitable opportunity, and in that case, or upon his death, the administration over the entire district of Paccalongang will again, as before, be left to only one Regent. In the same manner
Dutch transcription
Mavurees aan sig verbonden te houden, dit alles, sal ik, geduurende den tijd van mijn bestier, bestendig in het oog houden, en mij het een en ander tot een regul en rigtsnoer laeten strekken. Dewijl het intrinsicq character van des sulthans onegte zoon Pangerang Demang, in de daad soodaenig is, dat men met reeden teegen hem en sijne onderneemingen diend op hoede te zijn, so sijn reeds, bij voorraad, de meest dienstige schilkingen gemaakt, om hem bij alle geleegendhee„ „den nauw in het oog te houden, en ik sal ook, voor so veel sulx mogelijk is dadelijk betragten, dat denselven buijten staat blijft, om bij sterfgevallen of onverhoopte troube„ les, enig wezendlijk nadeel te veroorsaeken. Ingevalle dat de sulthan, bij het onverhoopt afsterven van den praesenten Heere Gouverneur generaal weigerig blijft, om de Homagie aan Hoogst desselvs opvolger, hier op Samarang te doen, so sal ik Conform 't g'eerd bevel uwer Hoog Edelheeden hem dan op eens Cordaete wijse, te konnen geeven, dat uwe Hoog Edelheeden zijne aanbieding, om die Homagie op Batavia te doen, sullen aanmer„ ken als of die werkelijk op Samarang geschied waere Ook zal ik so veel immers mogelijk prompt trag„ ten te voldoen, aan de ordres uwer Hoog Edelheeden om so den 9: Meij 1788. — dra 135 den 9: Meij 1788. — dra eene der Iavasche vorsten buijten hoop van herstelling is, mij na derwaerds te begeeven, also het sekerlijk ten hoogsten noodsaekelijk is, dat bij het afsterven van eene dier vorsten, de Gouverneur sig des mogelijk in persoon ten hove bevind Op findament der goede getuijgenisse van welm: Heer Siberg, weegens de bekwaamheeden en goeden in„ borst van 's Sulthans dalins Tommongong Aria Mandura; sijnde de tweede zoon van den praesenten Rijbestierder te Djoejocarta, den Radeen Adipattij Da„ noeridja, hebbe ik, bij geleegendheid, der Iongste ziekte van deesen eersten Minister; wel getragt, het daar heen en te dirigeeren, dat den Sulthan eenige voor beschikkingen maakte, welke gem: Aria Mandura van de opvolging in sijn vaders plaats, konde verseekeren, dog dit heeft egter niet willen reusseuren, en men heeft seedert be„ speurd, dat 's vorsten keuse sig, na alle waarscheinelijk„ heid, sal bepaalen, tot zijnen schoonzoon den Radeen Tom„ mongong Notto=Iudo, wien men meede veele goede hoe„ daenigheeden toekend; terwijl ik mij voor 't overige hier omtrent, volkomen Confirmeere met de een stemmige begrippen, so van Welm: Heer Siberg, als van wijlen zijn C Ed=e Proedecesseur den Heer raad Extra ordinair van der Burgh. „durgh, dat het namentlijk best zal zijn, de verkie„ „sing van een Rijxbestierder, aan de keuse van den vorst selvs overtelaeten, wijl men daar aan dog altoos sal moeten defereeren. Mits de aanhoudende ziekte van den Eerste Resi„ „dent te souraCarta, den opperkoopman Willem Adriaan Palm, heeft den opneem der gedane verbouwing en reparatien in 't fortres aldaar, tot in 't einde van deeser maand moeten uitgesteld worden, wanneer ik, na dat sulx sal hebben ge„ volg genomen, een exacte reekening sal doen formeeren, van 't geene, dat, uijt de Boedels van den overleeden opperkoopman en geweesen eersten Resident ten gem: Comptoiren fredrik Christoffel van Stralendorf en den meede overleeden Capitain Lieutenant Ingenieur Fredrik Sustman, weegens de door hun daar inne gehoudene slegte directie, aan de Comp:e sal moeten vergoed worden, die ik vervolgens de eere sal hebben uwe Hoog Edelheeden aantebieden. Hoewel den aanleg der geprojecteerde drie Fortjes, langs de weg van DjoeJocarta, so als uwe Hoog Edelheeden meede gelieven aantemerken, niet eerder sal kunnen geschieden, als na de Compleete voltoijing, der Logie te Djoe Joraata„ sal ik egter de opneemder plaetsen, welke het best daar toe geschikt zijn, bij eerste bequame geleegendheid laten den 9: Meij 1788. — geschieden 137 den 9: Meij 1788. — geschieden. Intusschen hebbe ik de Regent van Pamalang onderhou„ „den, over de vernieuwing, van den aankap van Hout in sijn district, waarmeede hij ook aangenoomen leefz; in 't aanstaande Iaar, weeder een begin te zullen maeken en dan 2 Jaarlijk 500: p=l Balken te leeveren, gelijk in woorige tijden heeft plaets gevon„ den, mits egter dat de dikte derselve van 7. tot 18. duijm bepaald blijft, en'er geen swaarder hout van hem begeerd word, als wan„ weer hij vermeend, dat hij het, met deese leeverantie, wel een Jaar al drie sal kunnen gaande houden, dog ook niet wel langer, vermits so wel hij, als den Resident Umbgrove, op gronden van ondersoek en bevinding poseren, dat 'er inde klijne Pama„ langsche Bosschen, geene genoegsame voorraad van Hout daartoe te vinden is, ten waere dan, dat mende Ionge Bomen, tot versoeken en andere kleene Houtwerk, wilde gebruijken, het welk seeker al te nadeelig soude sijn. — Ingevolge der verleende qualificatie uwer Hoog Edelheeden, sal de verplaetsing van den praesente tweede Regent de Pacca„ longang, den Tommongong Soemo Nogorro, na elders in den Oosthoek, bij voorkomende geleegendheid geschieden, en in dat geval, of wel bij desselvs overleiden, het bestier over het gantsche district van Paccalongang, weeder gelijk bevorens, aan maar eenen Regent gelaeten worden. Insel fdervoegen
English
In the same manner, I shall also dutifully endeavor to comply with the honored resolution of Your High Nobilities to limit the choice of Regents to the sons, brothers, or other closest relatives of the deceased Regent, or else from the family of the one who is most capable of governing the Regency for the welfare of the Comp:e. In order to be certain whether the forests of Paccalongang and Batang, toward the end of the period of their closure, or the year 1791, will again be sufficiently provided with heavy trees to be able to cut therein, or whether they require a longer time to remain fallow, I shall have the same beforehand accurately surveyed and inspected, and give Your High Nobilities knowledge thereof. Meanwhile, I am already actually busy having some of the superfluous inhabitants of the Javanese negorijen here at Samarang gently persuaded to move to the Demak region, in order to populate this district somewhat better by this means, and at the same time slightly reduce the Samarang negorijen in their all too great populousness. And when one gradually and fortunately succeeds in this, as I expect, then I shall endeavor to put the same to the test with regard to more other remote places that are in need of people. the 9:e May 1788. Meanwhile, I have also issued orders against the further admission into the said negorijen of strangers, or those who were born in other Regencies, which I am of the opinion with Your High Nobilities would certainly be the best means to prevent the further increase of those negorijen, if one could otherwise only be completely assured of a proper execution and observance of that order, which, however, owing to the extent and numerousness of the negorijen, is not well possible. Likewise, I shall endeavor as much as possible to prevent an all too strong expansion of the Malay and Macassar campongs here at Samarang, but I deem the most suitable means thereto to consist in this: namely, that a certain tax be placed upon the construction of houses therein, for example of 100 rd=s on a large and 50 rd=s on a small house, with this condition, however, that this shall accrue to the benefit of the Captains or Chiefs of the campongs in which that construction took place, since the execution of this restrictive measure would otherwise not well be feasible. Because the bank before the mouth of the Samarang river is becoming drier and drier, and this also causes more and more inconveniences, everything possible has already been examined and put into operation here to remove it, if possible, or at least to give it a greater depth, but everything has been in vain, and it has since become convincingly evident that no effect is to be expected in this regard from any other means than solely from the already proposed diversion of the river in a straight line, as a result of which the same will be considerably shortened in its course and the discharge of the water will become much faster and consequently the water will also have more force to break up the silt washing onto the bank and carry it back seaward, in such manner as this is further demonstrated in a report handed over to me regarding this by Captain Engineer Jean Baptist Pilon, which I have the honor humbly to present to Your High Nobilities alongside this. Upon the consent granted thereto by Your High Nobilities, I have already had the marriage of the separated wife of the Adipati or head regent here at Samarang with one of the half-brothers of the Panembahan of Madura solemnized, as being in accordance with the inclination of the said Panembahan, while the Samarang head regent has given 2000 rd=s to his said separated wife for that purpose as an outfit. Of the favorable disposition of Your High Nobilities regarding the Pangeran Widjie at Adilangoe, I shall let him enjoy the benefit as soon as a suitable opportunity presents itself for it. Since the presence on Madura of Ratoe Maas, aunt of the present regent of Coedus, the Raden Temenggong Soeradiningrat, would in all probability have an adverse influence on the gentle character of the present Panembahan, I shall, conformable to the intention of Your High Nobilities, by no means permit her to proceed thither, but on the contrary endeavor to deprive her of all opportunities to make any misuse of the yielding nature of that prince. At the same time that the new arrangements approved by Your High Nobilities regarding the timber forests of Rembang were brought to completion, the order issued in the year 1777 against the construction at Joana of private vessels larger than 13 lasts was also renewed, while I shall constantly focus all possible attention on the strict and proper observance thereof. The Pangeran or Chief of the Island of Bawean, Poerbo Negoro, having bound himself during his presence here, on the occasion of the recently held leasing of the Company's domains, to the annual delivery proposed by the well-mentioned Mr. Siberg, of 2500 cans
Dutch transcription
Inself dervoegen, sal ik ook pligtschuldig tragten te vol„ „doen, aan het g'eerd besluijt uwer Hoog Edelheeden, om in de ver„ kiesing der Regenten sig te bepaelen, tot de zoons, de Broeders, of andere naest bestaanden van den overleedenen Regent„ dan wel uijt de familie, der geene, die het bekwaamste is, om het Regentschap tot welweesen van de Comp:e te bestieren. Om verseekert te sijn, of de Bosschen van Paccalongang. en Batang, teegens het einde der tijd van hunne stillegging of het Jaar 1791. weeder genoegsaam van swaare Bomen sullen voorsien sijn, om daarinne te kunnen kappen, of dat die nog een langer tijd nodig hebben, om stil te leggen, sal ik deselve, voor afnauwkeurig laeten opneemen en be„ sigtigen, en uwe Hoog Edelh: den daar van kennisse geeven: Inmiddens ben ik reeds werkelijk beesig, om sommige vande overtollig inwoonders der Iavaansche Negorijen hier te Samarang, met sagtheid te laten disponeeren, tot de ver„ huijsing na het Damaksche, ten einde dit district hier door wat beeter te bevolken, en de samarangsche Negorijen tevens, een weinig in haare al te groote volkrijkheid te verminderen, En wanneer men hier inne, gelijk ik verwagts, lang sa„ merhand gelukkig reusseert, dan sal ik tragten, om het selvde, ten aansien van meer andere afgeleegene en volk behoevende plaetsen, meede ter preuve te brengen. — den 9:e Meij 1788. — ondertusschen 139 den 9:e Meij 1788. — Ondertusschen hebbe ik ook ordres gesteld, teegen het verder admitteeren inde gem: Negorijen, van vreemdelingen, of de sodanige, welke in andere Regentschappen geboren zijn, 't welk ik met uwe Hoog Edelheeden van gevoelen ben, dat seker het beste middel soude zijn, om den verderen aanwasch dier Negorijen te beletten, indien men anders maar volkomen verseekerd konde wesen, van een behoorlijke excutie en nakoming dier ordre, dog het geen, weegens de uitgestrekt en talaijkheid der Negorijen, niet wel mogelijk is. Insgelijks sal ik so veel mogelijk tragten, om eene al te sterkte uitbrijding der Maleidsche - en Maccassaersche Campongs hier te samarang te beletten, dog het geschikste middel daar toe, ver„ meene ik hier inne te bestaan, dat namentlijk, op den aanbouw van Huijsen in deselve, een sekeren tax werd gesteld, bij voorbeeld van rd=s 100: op een groot en rd=s 50:- op een klinhuijs, onder xdo deese bepaaling egter, dat zulx kome ten voordeele van de Capitains of Hoofden der Campongs, waarinne dien op bouwe geschied is, wijl de uijtvoering van dit restringeerend middel, anders met wel doenelijk soude sijn. — Dewijl de Bank voor de mond der samarangsche rivier hoe Langer hoe droger word, en dis ook meer en meer in Convemen„ „ten veroorsaekt, so heeft men hier reeds alles wat mogelijk was, bezogt en in 't werk gesteld, om die, des doenelijk wegteneemen, often of ten minsten daar aan een meerdere diepte te geeven, dan alles is vrugteloos geweest, en sedert is overtuijgend komen te blijken, dat van geen ander middel hier omtrent eenig ffect te wagten is, als eenelijk van de reeds geproponneer„ de verlegging der Rivier in een regte linie, als waar door deselve, in haaren loop merkelijk sal verkort en de afstroming van het water, veel suellen sal worden en gevolgelijk ook het water meer kragt sal hebben, om de aanspoelende slijk van de Bank, te verdeelen en zee„ „waerds te rug te voeren, invoegen dit nader gedemon„ streert word, bij een door den Capitain Ingenieur Iean Baptist Pilon, aan mij desweegens overhandigd berigt, dat ik de Eere hebbe uwe Hoog Edelheeden besijden deesen needrigst aantebieden. — Op het door uwe Hoog Edelheeden daar toe verleend Con„ „sint, hebbe ik het huwelijk van de gesepareerde Huijs„ vrouw van den Adipattij of hoofd regent hier te samarang met een der halve Broeders van den Panumbahan van Madura, reeds laten voltrekken, als overeenkomende met de geneegendheid van gem: Panumbahan, terwijl de Samarangsch Hoofd regent, daar toe aan zijne gedagte gese pa„ reerde huijsvrouw 2000: rd=s, tot een uitset, heeft gegeeven. — van de gunstige dispositie uwer Hoog Edelheeden, omtrent den 9: Meij 1738. den 141: den 9: Meij 1788. — den Pangerang Widjie te Adilangoe, sal ik hem laten gau„ dieren, so dra sig daar toe, een geschikte geleegentheid komt op te doen Nadien het aanweesen te Madura vande Ratoe Maas, Moeije vanden teegenswoordigen regent de Coedus den Radeen Tom„ mongang soera diningrat, na alle waarschijnelijkheid, van een nadeeligen invloed soude zijn op het sagtsinnig Character van den praesenten Panumbahan, so sal ik haar, Conform de intentie van uwe Hoog Edelheeden, geemtints opermitteeren, om sig na derwaards te begeeven, waar in teegendeel haar alle geleegendheeden tragten te beneemen, om eenig misbruik te maeken, van de toegeevende aard van dien prins. Te gelijken tijd, dat de door uwe Hoog Edelheeden geapprobeerde nieuwe schikkingen, omtrent de Houtbosschen van Rembang xp tod stant gebragt zijn, is meede gerenoveerd de in A=o 1777. gestelde ordre teegen den aanbouw te Ioana van parti„ culiere vaartuijgen grooter dan 13: Lasten, terwijl ik steeds alle mogelijke attentie sal vestigen, op de stipte en behoorlijke nakoming van dien. — De Pangerang of Hoofd van het Eiland Baviaan Poerbo Nogorro, bij desselvs aanweesen alhier, ter geleegendheid van de Jongst gehaudene verpagting van 'sComp=s Damijnen, sig verbon„ „den hebbende, tot de door welgem: Heere Siberg, voorgestelde Jaar„ „lijksche Leeverantie van. 2500: kann:
English
cans of coconut oil at 5 stuivers per can, or 6 stuivers including the tub, and 2500 picols of cotton yarn at the Company's ordinary price, I have, in hopes of Your High Noblenesses' approval, provisionally had a deed of mortgage executed for this, which I have the honor to present to Your High Noblenesses alongside this. In accordance with the order of Your High Noblenesses, I have most emphatically recommended to the Commandant at Bancallang to keep a watchful eye at all times on the Madurese Panakawan Aroes and to ensure that no disturbances are caused by him. And since the replacement of the former Bepatti of Madura, Admantja Nagarra, with the Balegas regent Admodjo Nogorro, has since taken effect, according to the proposal of the aforementioned Mr. Siberg and the request of the Panambahan already presented to Your High Noblenesses by me in a separate letter of 30 November 1787, I believe that one will have nothing further to fear from that priest, as this has contributed not a little to curbing the authority he had usurped, as appears from the conduct of the new Bepatti, who shortly after his appointment most emphatically admonished him to quiet and cautious conduct, and added the threat that they 9 May 1788. would otherwise immediately seize him and deliver him to the Company for deportation. The Panambahan's first illegitimate brother having rightly earned the praise of being a man to whom a higher administration may be entrusted with complete peace of mind for the interests of the Company, I shall also, in accordance with Your High Noblenesses' honored letter, bear him in mind for this should an opportunity arise, if, as I trust, he continues in that conduct. Regarding the matter advanced by the aforementioned Mr. Siberg concerning the Islands of Celombo, which currently belong under Sumanap, namely that they could yield more to the Company than it presently enjoys from them if they were leased to trustworthy Chinese, or else ceded like Oeloed Janie, Besokie, and Pamanoekang: in that regard, I request permission to remark that these islands, at the most recent three-year lease of the Company's domains, were also included under the Sumanap shahbandarship according to the lease conditions. And as that shahbandarship has consequently been leased for some years at so high a price that that of former times, when the said islands did not yet belong under it, is by no means comparable to it, I take the liberty respectfully to submit for Your High Noblenesses' consideration whether it would not be best to leave those islands under Sumanap for the time being, until the present three-year lease term has expired, because it is otherwise to be foreseen that the lessee, in the contrary case, will immediately come forward to obtain a considerable reduction on the lease, as these islands, as stated, are the principal reason why the Sumanap lease has risen so high. For previously, when those islands did not yet belong under it, no more was paid for that lease than 260 Spanish Reals per month, or 3120 per year, whereas the same now yields fully 1015 Spanish Reals per month, or 12180 in the year, which thus makes a considerable difference of 9060 Spanish Reals. I will add to this a consideration that appears to me to be of fairly great weight, namely that the Pangeran of Sumanap, if the aforementioned islands, which were only ceded to him a few years ago, were now taken from him again, might in such case become unwilling to make the annual payment of the 10000 rixdollars to which he obligated himself in the year 1784, solely to assist the Company somewhat in the heavy burdens borne during the war with the Crown of England, which have also now already been paid by him for 3 years, and should already have been paid for the fourth time recently at the end of February, but regarding which 9 May 1788. that regent, according to the letter from the commander at Sourabaija, seems to become increasingly slow, although he is frequently admonished to do so. It is thus apparent that in time it would prove difficult, if not entirely impossible, to obtain that cash from him, which is nonetheless annually in high demand for the purchase of products and otherwise in the Eastern Salient. It is then also for these reasons that the said commander at Sourabaija, whom I had ordered to discuss this matter with the Pangeran, has postponed this until the receipt of further orders, with which I therefore request that Your High Noblenesses please furnish me soon. While in conclusion regarding this I further remark that if the aforementioned Islands of Celombo are in time ceded to Chinese or others, whether by hire or lease, they will certainly not be as well able to secure them against the attacks of the pirates, to which they are always exposed, but one would then run a continually greater risk of not only being molested on those islands from time to time by the said pirates, but even being completely ruined. To conduct a careful investigation into the state and condition of the teak and other forests which
Dutch transcription
kannen Clappus olie, teegens 5: stuijvers de kan, of 6: 2500: stuijvers, met de Balie, er bij gereekend, en 3: picols Cattoene gaerens, teegens 'sComp:s gewoone prijs, so hebbe ik, in hoope van uwe Hoog Edelheeden approbatie, hem bij voorraad„ een Acte van verband, daar van doen passeeren, die ik de eere hebbe uwe Hoog Edelheeden, neevens deese aante bieden. Conform de ordre uwer Hoog Edelheeden hebbe ik den Com„ „mandant te Bancallang op het nadrukkelijkste aanbe„ volen, om op den Madureesche Panacawang Aroes, sreeds een waaksaam oog te houden en te letten, dat door denselven geene onrustigheeden werden veroorsaakt; En vermits de verwisseling van den voorigen Peputtij van Madura Ad„ mantja Nagarra, teegen den Balegas regent Admodjo Nogorro, seedert effect heeft gesorteert, navolgens 't voorstel van welgem: Heer Siberg, en 't daar toe door mij, bij Aparte missive van den 30:e November 1787., reeds aan uwe Hoog Edelheeden voorgedragen versoek van den Pauumbahan, so vermeene ik, dat men niets verder van dien Paap sal te vreesen hebben, alzo dit niet wenig heeft toegebragt, om het gezag dat hij sig had aangematigd, te fruijken, invoegen blijkt uijt het gedrag van den nieuwen Bepattij, die hem kort na sijne aanstel„ ling op het nadrukkelijkste tot een stil en omsigtig gedrag vermaand, en 'er bedrijging bij gevoegd heeft, dat men hem den 9: Meij 1788. — anders 143. den 9: Mey 1788. — anders dadelijk soude opvatten, en aan de Comp:s ter versending verleederen. Des Panumbahans eerste onegte Broeder, met regt den Lof ver„ „kreegen hebbende van een man te zijn, aan wien men een hoger. be„ stuur, met volkomene gerustheid, voor de belangens van de Comp: vertrouwen kan, so sal ik hem ook navolgens uw Hoog Edel„ heeden g'eerd aanschrijven, bij voorkomende geleegendheid daar toe in geheugen houden, indien hij gelijk ik vertrouw bij dat gedrag blijft continueeren. wat betreft het geavanceerde, door welm: heer Siberg, om„ trent de Eilanden van Celombo, die tans onder Sumanap. ge„ hooren, dat die namentlijk meerder aan de Comp:e souden kun„ nen opbrengen, dan sij er tans van geniet indien deselve aan vertrouwde Chineesen verpagt, dan wel gelijk oeloed Janie„ Beso=kie en Pamanoekang, afgestaan wierden: daar omtrent versoeke ik te mogen remarqueeren, dat deese Eilanden; bij de Iongst gehoudene drie Jarige verpagting van 's Comp=s Domijnen, meede onder de Sumanapsche sabandharij, volgens de pagt Condi„ „tien, sijn begreepen geweest, En gelijk die sabandharij, dan ook hier door, in val sedert eenige Jaeren, teegen so een hogen prijs is verpagt geworden, dat die van vorige tijden, doende gem: Eilanden 'er nog niet onder gehoorden, op verre na daar bij niet te ver„ gelijken is, so neeme ik de vrijheid uwe Hoog Edelheeden eerbiedig d„ in Consideratie te geeven, of het niet best soude sijn, om die Eilanden„ Eilanden; voor eerst nog onder Sumanap te laaten, tot dat de teegenswoordige drie Jaerige pagt tijd verloopen is, wijl het anders te voorsien soude sijn, dat de pagter, in een Contratie geval, terstond sal opkomen, om een merkelijke afslag op de pagt te verkrijgen, also deese Eilanden, gelijk gesegd, de voornaamste oorsaak zijn, waarom de sumanap„ sche pagt, so hoop gereesen„ts want bevorens toen die Eilanden 'er nog niet onder gehoorden, wierd voor dien pagt niet meer besteed dan 260: p=s Reaelen smaands of 3120 – 's jaars, daar deselve tans wel 1015: pp=s Realen 'smaands komt te rendeeren, of 12180. in 't Jaar, 't geene dus een aansienelijk different uitmaekt van p=r Recaelen 9060: — Ik sal hier nog bij voegen eene bedenking, die mij voorkomt van ovrij veel gewigt te zijn, namentlijk, dat de Pangerang van Simanap, indien de voorschr: Eilanden, welke eerst voor eenige Jaaren aan hem zijn afgestaan, nu weeder van hem afgenoomen wierden in sulken geval misschien onwillig zijn zoude, tot de Jaarlijksche voldoe„ ning vande 10'000:— rd=s waar toe hij sig in A:o 1784. verpligt heeft, eenelijk om de Comp:e, eenigzints te gemoed te komen, in de swaare lasten, geduurende de oorlog met de kroon van Enge„ land gedragen, die door hem ook nu reeds seedert 3: Jaaren betaalt sijn, en ook al voor de vierde maal, Jongst onder ult=o febr:, hadden moeten voldaan worden, dog waar toe den 9: Meij 1788. — dien . 145 den 9: Meij 1788. dien Regent, volgens het schrijven van den gezaghebber te Sourabaija, hoe langer hoe trager scheint te worden, hoewel hyj daar toe meenig werff aangemaand word. Dus is het ap„ parent dat het in der tijd moeijelijk er so niet geheel ondoene„ lijk vallen soude, om die Contanten van hem te bemagtigen, welke agter tot den inkoop van Producten als andersints„ in den oosthoek, Jaarlijks hoog benodigd zijn. Het is dan ook om deese reedenen, dat gem: gezaghebber te soura„ baija, denwelken ik gelast had den Pangerang over deese zaak eens te onderhouden dit uitgesteld heeft, tot het ont„ vangen van nadere beveelen, waar meede ik dis versoeke, dat uwe Hoog Edelheeden mij spoedig gelieven te munieeren; Terwijl ik ten besluijte hier omtrent nog aanmerke, dat so de voorsch: Eilanden van Celombo, in der tijd, aan Chineesen of andere, het zij in huur of pagt afgestaan werden, die seekerlijk niet so goed in staat sullen zijn, om deselve, teegen de aanvallen der Rovers, waar voor die altoos blood leggen, te beveiligen, maar men dan geduurig meerder gevaar lopen soude, om door de gem: Roovers niet alleen van tijd, tot tijd, op die Eijlanden, gemolesteerd, maar ook selvs geheel geruineert te werden. — Tot het doen van Een nauwkeurig ondersoek, om„ trent de staat en toestant van de Iatij en andere bosschen„ Welke
English
Regarding what the aforementioned Mr Siberg was informed can be found on the above-mentioned Islands of Celombo, I have already issued the necessary orders. And as they are currently also actively engaged in this, I anticipate receiving the report concerning this shortly, whereupon I shall have the honor of providing Your High Excellencies with the due notification thereof. Together with the Regent of Bangel, the Jngabeij soero Adiwidjoij, I express humble thanks to Your High Excellencies for the title of Tommongong granted to him. As soon as the deed regarding this mark of favor has been received, I shall ensure that a proper deed is executed by him, whereby he commits himself to the increased delivery of 20 instead of only 10 Coijangs of Rice annually. The disbursement of the douceur of 16 2/3 rix-dollars paid hitherto for each picol of Banjoewangi Indigo, for the encouragement of that cultivation, shall, in accordance with the order of Your High Excellencies, cease directly as soon as the delivery of these dye materials has risen to a respectable quantity. Payment in Rice instead of Cash for the Negorijen being leased in the Regency of Damak and other Rice-yielding Negorijen being surely one of the most suitable means to enable the regents to make an early and complete delivery of their obligated Contingents; the 9th of May 1788. thus shall 147 The 9th of May 1788. thus shall dutiful obedience also be given to the recommendation of Your High Excellencies to cause this to be put into practice further. In the same manner, proper compliance shall also be given to the resolution of Your High Excellencies to continue for the present with the annual production of 30 Corgies of Java bunting, in order to keep the Javanese inclined toward that work. The Entries that, in accordance with the order, still run off the balance sheet in the Samarang Trade books as previous debts of the Javanese princes, both on account of the Trains and war expenses incurred by the Company for their benefit, and of rice that has remained in arrears, consist of the following, namely: for arrears on the reimbursement of the expenses incurred in the war prior to the Year 1733 promised by the Susuhunan Pakubuwana II: ƒ 381,348: —: — for arrears of the delivery of Rice promised to the Company by the said prince: ƒ 1,650,947: 15: — for expenses incurred in the war from the Year 1741 to the Year 1743: ƒ 1,439,232: 7: — for expenses also incurred in the last Javanese war: ƒ 2,778,167: 9: 8 or in total: ƒ 6,181,695: 11: 8 of which the first three entries, by special order of Your High Excellencies in the honored missive of the 27th of November of the Year 1750, were written off and subsequently entered off the balance sheet in the Books to be kept in memory, as also took place regarding the fourth or last entry around the Year 1752, according to the resolution taken by Your High Excellencies in the Resolutions of the 30th of May of the Year 1750. Concerning all these entries, I would be of the opinion, along with the late Governor of Java, Mr van der Burgh, that nothing is ever to be expected or will be received from them, and that one may well consider the same satisfied by the acquisition of the Coasts of Java, just as in the aforementioned missive of the 27th of November 1750 this appears to some extent to be the view of Your High Excellencies; the more so since the amount of the contracted Rice and its promised compensation was very improperly entered to the debit of the Susuhunan in the Trade books of the Year 1745/1749 in order, as Your High Excellencies observe, to enrich the profits of that time therewith. And although Your High Excellencies continue to order in the aforementioned missive the annual carrying forward off the balance sheet with regard to the amount of the war burdens, because the Susuhunan seemed in a certain respect to be able to be held accountable for them, I would be of the view that the division of the Javanese uplands that occurred since in the Year 1755 the 9th of May 1788. apparent 749 the 9th of May 1788. has entirely removed this apparent accountability, and that these Entries could thus well be left out of the Books forever, as no longer being worthy of being transcribed, just as also occurred concerning the ƒ 8,371: 10: 8 that had been running off the balance sheet in the books of Japara on account of debts from the previous Century, as was already written off in the Year 1781, as appears from the reply made by the aforementioned Mr Siberg to the Marginal dispositions of Your High Excellencies on the Memorandum of the late aforementioned former Governor of Java, Mr van der Burgh. Furthermore, the order of Your High Excellencies to retain only two of the four Galleys currently on Java after the completion of the planned expedition to the south coast of Java upon the cessation of the unrest, shall be dutifully complied with by me as required, unless the retention of all 4 becomes absolutely necessary, now that the boldness of the pirates increases so greatly that one is compelled to maintain an almost continuous cruising of the coasts along this Shore, without even these four being sufficient to keep the fairway clear everywhere; which was then also the reason that two more small galleys or Gurabs named the Spreeuw and the Rijger, which served as advice boats during the latest war, have been put in working order through a minor repair to continue there
Dutch transcription
Welke welm: Heer Siberg onderrigt is, dat op de boven gedagte Eilanden van Celombo, gevonden worden, hebbe ik reeds de nodige ordres gesteld, En vermits men daar meede tans ook werkelijk beesig is, so blijve ik het berigt desweegens eerlange te gemoed sien, wanneer ik de eere sal hebben uwe Hoog Edelheeden de verschuldigde kennisse daar van te geeven. Met en beneevens de Regent van Bangel den Jngabeij soero Adiwidjoij, segge ik uwe Hoog Edelheeden needrig dank; weegens de aan hem verleende titul van Tommongong, en so dra de acte, weegens dit gunst bewijs, ontvangen is, sal ik zorgen, dat door denselven een behoorlijke Acte gepas„ seerd worde, waar bij hij sig verbind tot de vermeerderde Leeverantie van 20: in steede van maar 10: Coijangs Rijst 's jaarlijks. De uitreijking van 't tot nog toe betaalde douceur van rd=s 16 2/3, voor ieder picol Banjoewangische Jndigo, ter aanmoe„ „diging van die Cultuure, sal na volgens de ordre uwer Hoog Edelheeden, direct Cesseeren, so dra de Leverantie deeser verstoffen tot een naauwaardige quantiteit sal geklommen weesen. De betaeling met Rijst in steede van Contanten voor de gehuurd wordende Negorijen, in het Regentschap van Damak en andere Rijst geevende Negorijen, seekerlijk een der geschikste middelen zijnde, om de regenten in staat te stellen, tot eene vroegtijdige en Compleete Leverantie hunner verpligte Contingenten; den 9: Meij 1788. — so sal 147 Den 9: Meij 1788. — so sal dins ook schuldpligtig geobedieert werden, aan de recom„ „mandatie uwer Hoog Edelheeden, om dit verder te doen stand grijpen. Inself dervoegen sal ook na behooren voldaan werden, aan het besluijt uwer Hoog Edelheeden, om bij de Jaarlijksche aan„ making van 30: Corgies Iavas vlaggedoek voor eerst nog te Continueeren, ten einde de Javanen tot dat werk geinclineerd te houden; De Posten, die Conform de ordre, bij de samarangsche Negotie boeken, nog binnens zijns voortloopen, als vorigen schulden, der Iavasche vorsten, so weegens de door de Comp:e, ten haren be„ „hoeve gemaakte Trains en oorlogs ongelden, als van agterstallige gebleevene Rijst, bestaan hier inne, te weeten: voor agterstallen, op de door den soesoehoenang Pacoeboeana de 2: beloofde vergoeding der ongelden, gevallen in den oorlog voor het Iaar 1733: - - - - - - - - - - ƒ 381348: —: — voor agtersvallen van de door gem: vorst aande Comp:e beloofde voldoening van Rijst. . . . . „ 1650947: 15: — voor ongelden gevallen in den oorlog van A=o 1741. tot A=o 1743: - - - - - - - - - - . „ 1439232: 7: — voor ongelden meede nog gevallen in den laet„ „ 2778167: 9: 8: „sten Javasche oorlog - - - - - - - - of te zaemen. . . . ƒ6181695: 11: 8: waar van de drie eerste posten, op speciale last uwer Hoog Edelheeden c Edelheeden bij g'eerde missive van den 27: November A:o 1750. afge„ „schreeven en vervolgens bij de Boeken dinens zijns gesteld sijn, om in geheugen gehouden te werden, es als dit omtrent de vierde of laetste poost, om den Iaere 1752. volgens genomen besluijt uwer Hoog Edelheeden bij Resolutien van den 30: Meij Ao 1750, meede heeft plaats gehad. — omtrent alle deese posten soude ik met wijlen den Heer Iavas Gouverneur van der Burgs„ van gevoele zijn, dat van deselve nimmer iets te wagten is, of inkomen sal, en dat men het selve ook wel voor gevalideerd kan houden, door de verkrijging der Stranden van Iava, gelijk dit ook bij voorsch: missive van den 27: 9ber: 1750. eenige o= maten voorkomt het begrip van uwe Hoog Edelheeden te zijn, te meer ƒ daar het bedragen der gecontracteerde Rijst en dies beloofde vergoeding bij de Negotie boeken van Ao 174 5/9. seer oneigen tot Lasten van den soesoehoenang was ingenomen, om, so als uwe Hoog Edelheeden aanmerken, der winsten van dien tijd daar meede te verrijken. En hoewel uwe Hoog Edelheeden de Jaarlijksche overboeking bin„ „nens lijn, ten aansien van 't bedragen der oorlogs lasten, bij voorsch: missive blijven beveelen, om dat den soesoehoenang in seekeren opsigte daar voor aanspreekelijk scheen te kunnen worden gehouden, so soude ik van begrip zijn, dat de sedert in 't Jaar 1755. voorgevallene splissing der Javasche bovenlanden deese den 9: Meij 1788. — schijnbaere 749 den 9: Meij 1788. — schijnbaare aanspreekelijkheid geheel heeft weggenoomen en dat dus die Posten wel voor altoos uit de Boeken soude kunnen ge„ laten werden, als der overschrijving niet meer waardig sijnde, ge„ „lijk dit omtrent de ƒ8371. 10: 8:, die weegens schulden van de vorige Eeuw, bij de boeken van Iapara, binnens lijns hebben geloopen, meede heeft plaats gehad, als zijnde blijkens, de door welm: Heer Siberg gedane beandwoording der Marginaele dispositien uwer Hoog Edelheeden op de Memorie, wijlen de boven gedagte geweesen Heer Iavas Gouverneur van der Burgh, bereeds in den Iaere 1781. afgeschreeven. dan de ordre uwer Hoog Edelheeden om vande thans op Iava zijnde vier Galeije, na 't volbrengen der beraamde ex„ peditie na de zuijdkant van Iava in het Cesseeren der onlusten, maar twee aantehouden, sal door mij na gehoudenisse schuldplig„ „tig voldaan werden, indien anders de aanhouding van alle 4. met absolut noodsakelijk word, nu dat de stoutheid der zeervovers, soo seer toeneemd, dat men verpligt is, tot een bij na gestadige bekruijs„ „king der stranden langs deese Cust, sonder dat selvs dit viertal toerijkende is, om het vaarwater alomme schoon te houden, 't geene dan ook de reedenen is geweest, dat men nog twee kleenen galeijen of Goerapjes genaamd de Spreeuw ende Rijger, welke, geduurende de Jongste oorlog, tot advres vaartuijgen hebben gediend door een kleene reparatie heeft doen in staat stellen om verder daar
English
the 9th of May 1788. to be able to be employed for that purpose, as well as for cruising against the pirates. Of the outcome of the distribution to be made by me, pursuant to Your High Nobilities' honored order, of the disabled serving soldiers here on Java, I shall have the honor to inform the same as soon as the true number is known of those who choose, on the proposed footing, against half pay, half board allowance, and some emoluments, just as invalids, to remain in the Company's service, as several of these people have already shown themselves disinclined to this, professing that they would rather repatriate than continue to serve the Company in such a manner. Since the Artillery Corps here in Samarang, already for some years past, has been between 50 to 60 heads strong, without this having been sufficient, however, to supply the necessary detachments from it and at the same time not leave itself too exposed; so I take the liberty to persist in requesting to be informed by Your High Nobilities whether it is not actually Your High Nobilities' intention to reinforce the said Corps with another 40 to 50 heads above the previous number, and thus bring it to a Company of 107 heads, since, without such an increase, the intended utility thereof cannot well be expected, in such manner as all this is further and circumstantially demonstrated in a report handed over to me by the Captain of the Artillery here, Jean Baptist Pilon, which I have the honor humbly to offer Your High Nobilities herewith, requesting permission to refer thereto. If Java shall indeed be made into one of the rendezvous places of the Company's military force here in the Indies, as conforms with Your High Nobilities' highly honored intention and the nature of the matter, then, according to my understanding, a number of 300 heads, at the least, beyond the ordinary garrison, ought generally to be present here, which is thus also the reason why I have had the Plan for the construction of the Barracks required here, on the plot of Land projected for that purpose by Your High Nobilities, arranged according to that number, just as the same is then also as such offered herewith to Your High Nobilities, together with an explanatory Report belonging thereto and a Calculation of what must be spent for that purpose, to the amount of rds 12816: 19: — besides 880 pieces of Beams and another rds 1200: — for the purchase of the aforementioned plot of Land upon which that building shall be placed; while I most humbly persist in requesting now to be provided with Your High Nobilities' honored disposition, whether the construction of the same may take place in such manner as is indicated therein. the 9th of May 1788. For the authorization granted by Your High Nobilities to increase in due time, upon the increase of the common soldiers here on Java, also the number of officers proportionately, I hereby express my most humble thanks, under the assurance that a discreet use shall always be made thereof. The further contents of the Memorandum of the well-mentioned Mr. Siberg, upon which Your High Nobilities have taken no special disposition or made any reflection, I shall, according to Your High Nobilities' order, take for my dutiful information and observance, and this with all the more accuracy, as I acknowledge with sincere gratitude finding so much guidance and faithful instruction in that Memorandum, that I may also derive hope therefrom to accomplish this administration entrusted to me, with Heaven's help and blessing, successfully in his Honor's footsteps as well. Beside my previous submission of the 20th of March past, I had the honor to offer Your High Nobilities a Copy of the letter which was addressed by the Panumbahan of Madura, together with the Regents of Sidayu and Pamekasan, to their blood relative, Raden Haji, who is currently still staying on Bali, to notify him of the pardon granted to him. The emissaries who have since been employed by that prince for the conveyance of that letter, and those who departed together with them from the authority of the East Coast commander to deliver Your High Nobilities' letters and mine, along with his, to the Balinese Gustis, returned to Madura late in the past month of April, with this oral report, that upon their arrival at Bali, the beaches, not only from Karangasem to Buleleng, were occupied by a crowd of armed men, but that they had also by no means been willing to permit them to step ashore, although they had also shown them the Letters from the vessels several times, calling out that the same were for the Gustis, to which, however, no heed was given, but they continually leveled their pikes at them, in such manner as appears more fully from the accompanying Account of the aforementioned emissaries, to which I take the liberty to refer. The commander in the East Coast is of the opinion, and I share the same suspicion, that this opposition of the Balinese is to be attributed either to the instigations of Raden Haji, or that the Balinese, having learned of the arrival at Surabaya of two of the country's warships, have formed the idea that one would wish to push for the extradition of the said Raden Haji by force, because the Balinese are accustomed to
Dutch transcription
den 9: Meij 1788. — daar toe, so wel als tot de bekruijsing teegen de zeeroovers, te kunnen geEmploijeerd werden. Van den uijtslag der door mij op uwer Hoog Edelheeden g'Eerde ordre, te makene verdeeling vande onbekwame dienst doende soldaeten, hier op Iava, sal ik de eere hebben Hoogst dezelve kennisse te geeven, so dra men het ware getal der sodanige sal weeten, welke verkiesen, om op den voorgestelden voet, tegen halve gage, half kost geld, en eenige emolumenten, even als invalides, in Comp=s dienst te blijven, also sig reeds verschei„ „dene deeser lieden daar toe ongeneegen hebben getoond, onder betuijging dat sij liever wilde repatrieeren, dan op dus da„ etin „nige wijse de Comp: te blijven dienen. — Vermits het Corps Arthilleris ten hier te samarang, dereeds sedert eenige Jaren herwaards, tusschen de 50: â 60. koppen is sterk ge„ weest, sonder dat sulx egter heeft kunnen toereijken, om daar uijt de nodige detachementen te vinden en sig tevens selve met te seer te ontsloten; so neeme ik de vrijheid te insteeren om van uwe Hoog Edelheeden te mogen geinformeert werden, of het niet eigentlijk de intentie van uw Hoog Edelheeden is, om het gemelde Corps met nog 40. â 50. koppen, boven 't vorige getal, te versterken, en dus te brengen tot een Comp:e van 107. Coppen, alzoo, sonder een sodanig vermeerdering, het bedoelde nut daar van niet wel te verwagten is, invoegen ƒ 151 invoegen dit alles nader en omstandig werd aangetoond, bij een, door den Capitain der Arthillarij alhier Iean Baptist Pilon, aan mij overgegeeven berigt, dat ik de eere hebbe uwe Hoog Edelheeden, bezijden deesen needrigst aantebieden, met versoek mij daar aan te mogen gedragen. - Indien Iava met 'er daad sal gemaakt worden, tot eene der versamel plaetsen van 's Comp:s militaire force hier in Jn„ „dien, so als met de Hoog g'eerde intentie uwer Hoog Edelheeden en de aard der zake quadreerd, dan sal 'er volgens mijn begrip, hier doorgaans een getal van 300: koppen, op 't minst genomen, buijten de ordinaire bezitting, aanweesig dienen te zijn, het welk dus ook de reeden is, waarom ik het Plan tot den opbouw des hier benoodigde Baracquen, op het door uwe Hoog Edelheeden daartoe geprojecteerde stukje Land, na dat getal heb doen inrigten, gelijk het selve uwe Hoog Edelheeden dan ook als sodanig hier bij werd aangeboden, met en beneevens een daar toe gehorend demonstratie f Berigt en een Calculatie van het geene daar toe diend bekostigd te werden, ten bedrage van rd=s 12816: 19: — buijten 880: p=s Balken en nog rd=s 1200: — tot den inkoop van 't voorsch: stukje Land, waar op dat gebouw sal geset worden; terwijl ik needrigst in steere, om als nu met de geEerde dispositie uwer Hoog Edelheeden te mogen gemunieert worden, of den opbouw van 't selve so en indiervoegen„ als daar bij word aangeweesen, sal mogen geschieden. — den 9: Meij 1788. — voor door de door uwe Hoog Edelheeden verleende qualificatie, om in den tijd, bij vermeerdering van de gemeene militairen hier op Iava, ook het getal der officieren na eevenreedigheid, te vermeerderen, zegge ik bij deesen needrigst dank, onder verseekering, dat daar van altoos een bescheijden gebruijk sal gemaakt worden. — De verderen inhoud der Memorie van welgem: Heer Liberg, Waarop uwe Hoog Edelheeden geen speciaele dispositie genomen of eenige reflectie gemaakt hebbe, sal ik, na de ordre uwer Hoog Edelheeden, mij tot schuldige narigt en observantie laten staek„ „ken, en dit met des te meerder nauwkeurigheid, daar ik, met nare dankbaarheid er kenne in die Memorie so veel voorligting en getrouwe onderrigting te vinden, dat ik, ook daar uijt hoop mag voeden, om dit mij opgedragen bestier met 's Hermels hulpe en zeegen, op het voetspoor van zijn Ed:e meede gelukkig te sullen volbrengen. — Nevens mijne voorige submisse van den 20. Maart IL: hebbe ik de eere gehad uwe Hoog Edelheeden aantebieden Copia des briefs, welke, door den Panumbahan van Madura, neevens de Regenten van Tidaijoe en Pamacassang, aan hunnen Bloed verwant, den sig thans nog op Balie onthoudende Radeen Hadjie was geaddresseert, ter kennis geeving van het aan hem verleend „pardon. De zendelingen welke door dien prins sedert zijn geemploijeert ter overbreng van dien brief, en die welke met den 9: Meij 1788. — hun ƒ 153 den 9: Meij 1788:— hun te gelijk is vertrokken uijt den van den oosthoeks gezag„ hebber om de brieven van uwe Hoog Edelheeden en die van mij„ neevens de zijne, aan de Balijsche Gustijs te bestellen, zij in in het laetst van de gepasseerde maand April weeder te Madura te rug gekomen, met dit zeer-berigt, dat bij hunne aankomst te Balie, de stranden, niet alleen van Carrang Assam af, tot Boleling toe, met een meenigte van ge„ „wapende Manschappen waren beset geweest, maar dat die ook geensints aan hun hadden willen permitteeren, om aan Land. te stappen, schoon men hun ook de Brieven uit de vaar„ „tuijgen diferente keeren had vertoond, onder toeroeping dat deselve aan de Gustijs waren, dan waar aan men egter geen gehoor had gegeeven, maar bij Continuatie de Pieken op hun geveld, invoegen nader komt te Consteeren, bij het overgaande Relaes der voorsz: zendelingen, waar aan ik so vrij ben mij te refereeren. — De gezaghebber in den Oosthoek, is van gevoelen, en ik val meede in het selvde vermoeden, dat deese teegenstreeving der Balijers toete schrijven is, of aan de opstokerijen van Radeen Radjie, of dat de Balijers verno„ men. hebbende, de aankomst te Sourabaija van twee 's lands oorlog scheepen, in het dendbeeld sijn geraakt, als of men de uitleevering van gem: Radeen Hadjie met magt soude willen pousseeren, om dat, de Balijers gewoon sijn„ sig
English
to put themselves in a state of defense at the slightest rumor, as also took place 3 years ago when the garrison at sourabaija was drilled more than usual. However that may be, it nevertheless appears very speculative to me that they would not even allow a couple of small native vessels, which showed not the slightest sign of hostilities, to approach the shore. For that reason, I have also ordered the aforementioned commander of sourabaija to pay close attention to everything that passes on or around the Island of Balie, as one cannot know where this agitation will ultimately lead. At the same time, I have recommended him to charge the Branjoewangies commander, who has been notified of the encounter of the Madurese emissaries, with the commission to investigate as best as possible what the true reason actually is for the Balinese not only arming themselves in this manner, but also cutting off all correspondence; and also to give the most reassuring pledge that there are not the slightest hostile intentions against Balie, for the achievement of which purpose he is also ordered to look out for a suitable opportunity to have the returned letters delivered in a safe manner to the gustijs of Balie Carrangassam or Baleling, as this will be the best means to make the Balinese ill-founded suspicions disappear. Furthermore, I have the honor to inform your Right Excellencies that on the 13th of the past month of April, the envoy of the king of Bonij, calling himself Aroe Lamodjo, arrived from Batavia at Iapara with two Macassan Paduahangs. During his stay there, he conducted himself very properly and was also received with due honor by the Resident, and was also supplied with rice, water, firewood, and some small provisions for navigation, for which he stated he was in great need, after obtaining which he departed again on the 15th following. As it is mentioned with a single word in the general letter now departing that it is generally very deficient with respect to the equipment of the native cruising vessels, stemming from the regents being unprovided with the necessary firearms, and those in use being virtually and entirely unserviceable, as according to the detailed report from here by separate missive of 20 December 1783 they become very quickly unfit while in use by the natives, wherewith they also excuse themselves in this matter, with the profession of willingness to gladly pay for the necessary new weapons. And since it is thus completely useless to employ so many native vessels in the cruising if they are not provided with the necessary firearms, I hereby request your Right Excellencies honored qualification to be allowed to supply the regents, who need some firearms both for arming the cruising vessels and for guarding the beaches, with them from the Company's stock in a moderate number, on such a footing as was also granted by your Right Excellencies in the honored separate missive to this place dated 4 May 1784. With due respect and high esteem, I have the honor to call myself, below stood: Title, lower: your Right Excellencies very obedient and faithful servant, was signed: Ian Greeve, in the margin stood: Samarang, the 9 May 1788. Copy. I, Radeen Ingebeij Marto Nogoro, Head of Goemoelack, having been appointed through the high favor of the illustrious General Dutch East India Company, the Right Honorable Governor General and Honorable Councillors of the Dutch Indies, in the place of the deceased Tommongong Iudo Nogoro, as second Regent at Damak under the title and honorific of Radeen Tommongong Marto Nogoro, hereby bind myself to the fulfillment and observance of all that is stipulated and promised in the deed of bond passed on 12 March 1777 by the discharged Regents Radeen Tommongong Soemo Dirdjo and Radeen Tommongong Karlo Nogoro, and in addition to this, to surrender and give some desas amounting to an annual value of 250 Reals to the wife and children of the aforementioned Tommongong Iudo Nogoro for their maintenance. All upon the oath solemnly taken by me today into the hands of the Honorable, Strict, Most Esteemed Mr. Ian Greeve, Extraordinary Councillor of the Dutch Indies, and Governor and Director of Java's Northeast Coast. Below stood: Done at Samarang the 31 March 1788, was signed: Ian Greeve. Beneath the Javanese text stood: the seals and signatures of the Samarang Adipattij Soero dimongolo and Radeen Tommongong Merto Nogoro, beside it stood: the Company's seal, stamped in red sealing wax, to the side stood: was signed: F. J. Rothenbuhler Secretary, and lower: Known to me, was signed: Wm Wardenaer sworn translator.
Dutch transcription
sig op het minsten gerugt in staat van tegenweer te stel„ „len, gelijk voor 3: Jaaren meede heeft plaets gehad, toen het Guarnisoen te sourabaija, meer dan ordinair g'exerceerd wierd, dan wat hier van ook weesen mag het komt mij nogtans als seer speculatief voor, dat men selvs een paar kleine Inlandsche vaartuijgen, die geen de minste schijn van vijandelijkheeden hadden, de wal niet wilde laten naderen, en ik heb daarom dan ook voorsch: soura„ baijas gezaghebber, gelast, om op alles wat op of om„ „treeks het Eiland Balie passeert nauwe agt te doen geeven, alzo men niet weeten kan, waar het eigentlijk met de ontstane beweeging heenen wil, terwijl ik hem tevens heb aanbevolen, om den Branjoewangies Commandant, aan wien kennisse gegeeven is van de ontmoeting der Madureesche zen„ delingen de Commissie op te dragen om best mogelijk uit te vors„ schen wat eigentlijk de ware reeden is, dat de Balijers sig niet alleen dusdanig wapenen, maar ook alle Corresponden„ „tie afsuijden, en tevens om de meest geruststellende versee„ kering te geeven, dat men geen de minsten vijandelijke oog„ merken tegen Balie heeft, ter berijking van welk oog„ merk hem meede gelast is, na een bequame occagie om„ tesien, om de te rug ontvangene brieven, aan de gustijs van Balie Carrangassam of Baleling, op een den 9: Meij 1788. — sechuure 155 den 9: Meij 1788. — secuure wijse, te doen besorgen, also dit het beste middel zal zijn, om de opgevatten kwade vermoedens der Balijers, te doen verdwijnen. voorts hebbe ik de Eere uwe Hoog Edelheeden ken„ „nisse te geeven, dat op den 13:e der gepasseerde maand April van Batavia te Iapara met twee Maccassaar„ „sche Paduahangs is aangekomen, de gezant van den ko„ ning van Bonij, seg noemende Aroe Lamodjo, die sig geduu„ rimo „rende sijn aanweesen aldaar, seer geschikt heeft gedragen en ook, door den Resident, met een behoorlijk honeur ontvan„ gen en tevens is voorsien geworden van Rijst, water, brandhout en eenige kleenigheeden tot de zeelagie, waar omme hij betuijgde seer verleegen te zijn en na erlanging van het welke, densel„ „ven op den 15: daar aan weeder is vertrokken. Bij de tans afgaende gemeene Brief met een enkel woord aangehaald wordende, dat het over 't algemeen seer gebrek„ „kig gesteld is met de monture der inlandsche kruijsvaartuij„ gen, herkomstig, door dat de regenten onvoorsien zijn van de nodige schiet geweeren, en de in gebruijk hebbende genoegsaam ten eenemaal onbequaam zijn, gelijk dezelve dit volgens het gedetailleerde van hier bij aparte missive van 20: Decemb=r 1783:, onder het gebruijk bij den inlander alseer schielijk worden, en waar meede zij zig hier omtrent dan ook excuseeren met met betuijging van bereidwilligheid, om gaarne de nodige nieuwe geweesten te bekostigen. En daar het dus volstrekt nutteloos is so oveel inlandsche vaartuijgen in de bekruijs„ „sing te emploieeren indien deselve niet van het nodige schiet geweer voorsien, so versoeke ik bij deesen uwer Hoog Edelheeden g'Eerde qualificatie om de regenten, welke so tot het wapenen der kruijsvaartuijgen, als het bewa„ ken der stranden eenige geweeren nodig hebben, daar van uit Comp=s voorraad in een matig getal te mogen voorsien op sodanigen voet, als waar op 't selve door uwe Hoog Edelheeden bij geEerde aparte missive na herwaards in dato 4: Meij 1784. meede is geaccordeert. Met verschuldigde eerbied en hoog agting, heb ik de eer „ mij te noemen. /:onderstond:/ Titul /:Lager / uwer Hoog Edelheeden seer gehoorzame en getrouwe dienaer /:was geteekend:/ Ian Greeve, /:in margine /tond:/ Samarang den 9: Meij 1788. — den 9: Meij 1788. — verte 77 den 9: Meij 1788. — „Copia Ik Radeen Ingebeij Marto Nogoro, Hoofd van Goemoelack, door de Hoge gunste van de doorlugtige generaale Neederlandsche oost, indische Comp:e, den Hoog Edelen Heere gouver„ neur generaal ende wel Edele Heeren Raaden van Neederland„ sch Jndie van den overleedene Tommongong, sudo Nogoro. aangesteld zijnde tot tweeden Regent te Damak, onder den titul en Eere naam van Radeen Tommongong Marto. Nogoro, verbinde mij bij deesen tot de nakoming en obser„ fantie van al het geen in de Acte van verband, door de gedimoveerde Regenten Radeen Tommongong Soemo Dirdjo, en Radeen Tommongang Karlo Nogoro den 12: Maart 1777: gepasseert, is gestipuleert en beloofd, en om buijten dien aande vrouw en kinderen van opgemelde Toen„ mongong Iudo Nogoro tot onderhoud te sullen afstaan en geeven eenige dessaes ten bedraegen 'sJaarlijks. van. Reaelen 250:— alles op den Eed door mij heeden plegtig afge„ tegt in handen van den wel Edele gestrenge groot Achtbaere Heer„ Ian Grelve Raad Extra ordinair van Neederlandsch Indie, mits„ „gaders gouverneur en Directeur van Iavas Noord oost Cust /:onderstond Actum Samarang den 31: Maart 1788: /:was geteekent:/ Ian Greeve, /onder het Javaans stonden:/ d' Cachetten ende Handteekeningen van den samarangs Adipattij Soero dimongolo en Radeen Tommongong Merto Nogoro /:daarneevens stond/ 't Comp=s Cachet, gedrukt in rood lacg ter zijde stond :/ was geteekent:/: F: J: Rothen„ buhler sec=s /en Lager / In kennisse van mij /:was geteekend:/ W=m Wardenaer gesw: transl: verte
English
9 May 1788. To the Right Honourable, Right Worshipful Jan Greeve, Extraordinary Councillor of the Dutch Indies, and Governor and Director on and along Java's Northeast Coast. Right Honourable, Right Worshipful Sir! The humble undersigned, having been ordered by Your Right Honourable, Right Worshipful to submit his considerations regarding the means that would be acceptable to obtain greater depth in the channel at the mouth of the Semarang river, takes very respectfully the liberty to present his thoughts to Your Right Honourable, Right Worshipful below. The undersigned, in his general report on the present condition of the Company's possessions along this coast, has treated the matter in question at length and, according to his modest abilities in the Dutch language, shown as clearly as possible that there was no other means to make the Semarang river faster and deeper than by a new cut, which must run straight out towards the sea from the flagpole. By this, the distance that the water must discharge to the beach becomes nearly a third shorter, and consequently, the fall and speed of the same becoming much greater, one has hope that the scouring will also have much more effect against the sandbank. If the ground were not so muddy to the depth of 30 to 40 feet, as far as the undersigned has sounded the bottom, he would have proposed in his improvement project regarding the course of the Semarang river and the battery to defend it, to build sufficient stone sluices, in order to cause continuous scouring through them, by closing the gates of the sluices at high sea water and, after the water has run down, opening them all at once. That simple method is applied everywhere against sandbanks in Europe and is not subject to any considerable expense; but seeing no possibility of carrying out such an important work, other than at enormous expense, with hope of success and durability, the undersigned has abandoned it. But regarding a new cut, as shown in plans No 2 and 3, the undersigned takes the liberty to propose its execution to Your Right Honourable, Right Worshipful, and if the calculated expenses of rds 23776: 25:— for the construction of the battery at the bandary and the one at the mouth of the new river, and also the projected pier, might appear too large, one can initially limit oneself to the excavation of the river alone, until one is convinced of the success after its completion. This work would not amount to more than rds 3412: namely rds 1612: for the dam and rds 1800: for 76800 battoors at 4 duits per day for each man. Yet the undersigned must make Your Right Honourable, Right Worshipful observe that the water of the river will have much more force when it runs between two revetted banks and that my projected batteries and pier will come to cost much more in wages if they are made after the water has run into the new cut, so that it was better to execute this projected work in its entirety from the beginning. Herewith the undersigned hopes to have fulfilled Your Right Honourable, Right Worshipful's orders and intention; while he takes the liberty to sign himself with all submission, [below was written] Title [lower] Your Right Honourable, Right Worshipful's most humble and submissive servant [was signed] I: B: Pilon [in margin] Semarang, 1 April 1788. Copy. I, Pangerang Pourbo Nogorro, Regent or head of the Island Lubok or Bawean, which the illustrious General Chartered Dutch East India Company has entrusted to me, to exercise authority over it and govern the same under its supreme rule, hereby promise that, in consideration of the singular goodness shown to me by the aforesaid Company, and to make myself further as worthy as possible of the trust it places in me, I will henceforth willingly deliver: 2500 cans of coconut oil, at 5 stuivers, or including the balijs, at 6 stuivers per can, and 3 pikuls of cotton yarn, as much as possible of the best and finest kind, at the price usually paid for it by the Company, and to pay the one and the other annually, promptly and at the latest before the end of the month of October, and to deliver it into the Company's warehouses there, as well as to subject myself to the orders and commands that Their High Excellencies, the High Government of the Indies at Batavia, or the Governor and Director who exercises authority on this coast, might please to give me from time to time, whether Their said Excellencies please to alter or increase my aforesaid annual contingent, and so forth, all in accordance with the contents of the contract made by me with the Company, which I sincerely intend, as well as this commitment, to observe and follow at all times. And in token that I am inclined to observe and cause to be observed, as well as maintain and cause to be maintained, all this sacredly and faithfully, I have sealed this deed with my seal and signed it with my own hand. [below was written] Semarang, 8 October 1787 [was signed] Ian Greeve [in the margin below the Javanese was written] the seal stamped in red wax, next to the signature of Pangerang Pourbo Nagarra. Copy. To the Right Honourable, Right Worshipful Jan Greeve, Extraordinary Councillor of the Indies and Governor and Director on and along Java's Northeast Coast, etc. Right Honourable, Right Worshipful Sir! Your Right Honourable, Right Worshipful has pleased to [illegible] the undersigned
Dutch transcription
den 9: Meij 1788. — Aan den Wel Edele Gestrenge groot Achtbaere Heer Jan Greeve Raad Extra ordinair van Neederlands Jndia, en gouverneur en Directeur op en Langs Javas Noord oost Cust. Wel Edele Gestrenge Groot Achtbaer Heer! De Nedrige teekenaar door uwel Ed: gestr: groot Achtb geordon„ „neert zijnde, zijn Consideratien en te dienen, omtrent de middelen welke aanneemelijke zouden zijn, om aan 't kil aan de mond van de Samarangse riviere meerder diepte te doen verkrijgen; neemt hij zeer eerbiedig de vrijheid uwel Ed: gestr: ge=te Achtb: hier onder zijne gedagtens voor te dragen. De Teekenaer in zijn generaal berigt over de teegenswoordige toestant der Comp=s besittingen langs deese kust, heeft de waege in questie breedvoerig gehandelt, en na zijn geringe vermogens in de hollandsche taal, so duijdelijk als mogelijk aangetoont, dat geen andere middel was, om de samarangsche riviere snel„ ler en dieper te krijgen, als door eene nieuwe doorgraving, welke van de vlagstok afregt uijt na zee toe loopen moet: hier door word de distantie welke het water tot aan strand afloopen moet, na bij eene derde korter, en gevolgelijk de val en snelheid van deselve, veel grooter wordende, heeft men hoop dat de schuuring ook veel meer effect tegen de seid dank doen sal. was 't terrein so mooderig met tot de diepte van 30. â 40: r=t voor so verre de teekenaer de grond gapeilt heeft / zoude hij in zijn project van verbeetering om„ trent de loop van de samarangse rivier ende Batterij en om de 6 159. den 9: Meij 1788. om deselve, te defendeeren, nog geproponeert hebben, om suf„ ficante steene sluijsen te bouwen, om door hun middel eene geduurig werkende schuuring te veroorsaken, met toe mae„ „ken der poorten van de sluijsen bij hooge Zeewaeter en na dat het water afgeloopen is dezelve eens met alle open te doen. Dat eenvoudig middel, is teegen sandbanken overal in Europa geamplecteert, en is aan geen merkelijke onkosten onderworpen; maar geen mogelijkheid ziende, zoo eene importante werk, als door enorme onkosten, met hoop van succes en duursaamheid uit te voeren, heeft de Teekenaar van afgezien. Maar omtrent eene nieuwe door„ graeving, zo als dezelve in de plans N=o 2: en 3: aangewee„ „sem is, neemt de Teekenaer de vrijheid uwel Ed: gestr gr=t Achtb: de uitvoering derselve voor tedragen, en indien de gecalculeerde onkosten van rd=s 23776: 25:— voor de Extructie van de Batterij bij de Bandarij en die aan de mond van de nieuwe riviere, en teffens de geprojec„ teerde hoofd, te groote mogt voorkoomen, kan men zig voor eerst bepaelen tot de uijtgraving van de rievere al„ leenig, tot dat men na de vollooijing derselve van 't succes overtuijgd word — Dit werk zoude niet meer bedragen als rd=s 3412: te weeten rd=s 1612: voor de Dam en rd=s 1800: voor 76800: battoors â 4: duijten per dag voor ieder man: dog moet de Teekenaer uwel Ed: gestr: gr:t agtb: doen observeeren dat het water van de riviere veel meer kragt hebben zal, wanneer 't selve tusschen twee deschoeide oevers loopt en dat mijne geprojecteerde batterijen en hoofdveel meer werkloon zullen komen te kosten, wanneer deselve gemaakt worden na dat het water water in de nieuwe doorgraving geloopen heeft, dus dat het beeter was dit geprojecteerde werk in zijn geheel van de begin af uit te voeren. — Hier meede verhoopt de Teekenaer uwel Ed: gestr: gr=t Agtb: ordres en intentie voldaan te hebben; Terwijl hij de vrijheid neemt zig met alle onderdanigheid te teekenen /:onderstond/ Titul /:lager / uwel Ed: gestr: gr=t Achtb: oodmoedigst en onderdanigst dienaer /:was geteekent/ I: B: Pilon /:in margine:/ Samarang den 1. April 1788. — Copia Ik Pangerang Pourbo Nogorro, Regent of hoofd van het Eiland Lubok of Baviaan, dat de doorlugtige generaele Neederlandsche geoctroijeerde oost Jndische Comp:e, aan mij toevertrouwd heeft, om onder haer oppergebied het gezag daar over te voeren en het selve te bestieren, beloove mits deesen, dat ik, ui't aanmerking van de sonderlinge goedheid door welm: Comp: aan mij beweesen, en om mij 't vertrouwen dat sij in mij steld verder, so veel mogelijk waardig te meeken, voortaan gewillig sal opbrengen. 2500: kannen Clappus olie, teegens 5: stuijvers, of met de balijs'er bij gereekend, tee„ gens 6: stuijvers de kan, en 3: pikuls Cattoene gaarens, so veel mogelijk van het beste en fijnste zoort, teegens den prijs die door de Comp=e daar door gewoonelijk betaald werd, en het een en ander 'sjaarlijks prompt en uijterlijk voor 't laast van de maand october te voldoen en in 'sComp=s den 9: Meij 1788:— pakhuijsen . 161 den 9: Meij 1788. — pakhuijsen aldaer te leeveren, mitsgaders ook mij te sullen onderwerpen aan de orders en beveelen, die het hunne Hoog Edelheeden, de Hoge Jndiasche Regeering te Batavia, ofte den Heere gouverneur en Directeur die het gezag te deeser kuste voerd, behaegen mogte, mij van tijd tot tijd te geeven, het zij dat Hoogst deselve mijn voorsch: Jaarlijks Con„ tingent gelieven te veranderen, of wel te vermeerderen, en wat dies meer zij, alles agtervolgens den inhoud van mijn met de Comp:e gemaakt Contract, dat ik opregtelijk voornee„ mens den, eeven so wel als deese verbintenis ten allen tijden te sullen nakomen en agtervolgen. En ten teeken ik geneigd ben dit alles heiliglijk en getrouwe„ lijk te observeeren en te doen observeeren, mitsgaders onder„ houden, en doen onderhouden so hebbe ik deese acte met mijn Zegul verseguld en eigenhandig onderteekent. /:onderstond/ Samarang den 8: october 1787 /:was getee„ „kent:/ Ian Greeve /:in margine onder het Javaans stond:/ het Cachet in rood Lacq gedrukt, neevens de hand„ teekening van Pangerang Pourbo Nagarra. Copia Aan den Wel Edelen Gestr: groot Achtb: Heer Jan Greeve, Raad extra ordinair van Indie en gouverneur en Directeur op en Langs Javas Noord oost Cust. &: Wel Edele Gestrenge, groot Achtbaere Heer! uwel Ed: gestr: gr=t Achtb: heeft den teekenaer gelieven op