VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3818

Japan · 1,296 pages · 258 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3818_0455 view scan ↗

English

151 for, since it is now known with sufficient certainty that the English are already meddling here, and one is likewise not unaware of how much that nation hankers and longs for possessions to the east of the Indies, could it not easily happen that the Bugis, strengthened by an English arm and encouraged by good promises from that nation to enter into and establish an alliance or at least a trade in opium, etc., so beloved and profitable to the Bugis, in the event that they should become masters of Sumbawa, will not give up here so easily, but will do everything they can to maintain themselves here; with the force now at hand one can indeed keep matters somewhat lingering, but I do not believe bring them to a good conclusion; the Sumbawarese and other allies are willing enough, yet they are very unskilled, and fight from a distance, like almost all natives in this region, so that it will mostly depend on the Company's power; in addition to this there is a greater difficulty and more worrying prospect for me, consisting in this: that the ship is provisioned for 7 months, which time expires on the 12th of July, and then I am at my wits' end; it will therefore be your Right Honorable orders, which I expect shortly, as to how I am to conduct myself in this delicate circumstance for me: a lack of a sufficient number of men to undertake anything worthy of note; no rations for those who are still on hand, and no opportunity here to obtain anything other than perhaps some rice; may it please your Right Honorable to provide for this, and if your Right Honorable can accommodate us here with another good number of soldiers under brave officers, then and only then is a good outcome of our undertakings to be hoped for; if the small war frigate and brig destined for this place were to appear soon, this would be a good thing, although I also do not believe that they will be so strongly supplied with land forces that they will be able to put the household here in order, especially not in the event that they do not find our present force here. On the Ship Nepthunus force not found here, and since without rations I shall not be able to keep these men and the ship here beyond the 20th or 25th of this month at the latest, it could very easily happen that those small warships did not appear here within that time. Having respectfully communicated all this as so many difficulties for me to your Right Honorable, I very humbly hope and request that your Right Honorable will please honor me as soon as ever possible with your honored orders; since matters here have now nonetheless been started, and are even advancing rather than retreating, it would certainly be very regrettable if one had to abandon them halfway, which would greatly encourage the enemy, who does not know the true cause thereof. I hope and wish with all my heart that I may soon have the high honor of sending your Right Honorable good tidings of our undertaking, while your Right Honorable may please rest assured that I shall spare neither day nor night to practice everything possible to undertake matters with discretion and prudence; and concluding herewith, I commend myself and all of us to your Right Honorable's protection, and subscribe myself with due respect and high esteem, Right Honorable Sir, Your Right Honorable's very obedient and humble servant, /:was signed:/ Meurs P.S. Among the sick is also our artilleryman Flikkenschild, by which we lose very much. Lying at anchor in the roadstead of Sumbawa, the 7th of June 1718. 153 Today, the 14th of May in the year 1788, appeared before me, Cornelis Meurs, junior merchant and resident here, the witnesses to be named hereafter, David Davids, soldier in the service of the Honorable Company stationed at Bima, who declared that he /:who was sent here with letters from the resident, with orders to remain here until the arrival of the said resident:/ had seen a ship sail into this roadstead on the 8th of May. That he, the declarant, thereupon asked the First Regent of Bima for a small proa to go on board that ship, thinking nothing other than that this would be the ship the Nepthunus expected here. That thereupon the said regent gave him, the deponent, a small proa and crew for the requested purpose, with which he, the deponent, rowed to the said ship the following day in the morning, but coming closer to that vessel noticed that it was not the Nepthunus; however, he then had the idea that it might be the ship Het Lam /:which is expected here from Banda:/, whereupon the deponent resolved to go on board. That as soon as the deponent lay alongside with his proa, he was hailed from the ship in the Dutch language to come aboard. That he, the deponent, climbed up thereupon. That at the gangway he found a Moor standing as sentry with a musket, who ordered him, the deponent, to lay down his sidearm, but that someone called from aft that this was not necessary, whereupon he kept his cutlass. That he then noticed, both by the speech and otherwise, that he was on an English ship, which he further learned from the Dutchman on that vessel, who asked him whether he

Dutch transcription

151 want, daar men nu genoegsaam zeeker weet, dat de Engelschen hier reeds onder kankelen, en teffens niet onbewust is hoe zeer die natie haakt en rijkhalst, na bezittingen om de oost van Jndien, zoude het dan niet ligt kunnen gebeuren dat de Boegineesen gesterkt door een Engelsen arm; en aangemoedigt door goede beloften van die natie om in gevalle zij meester wierden van sumbauwa een Bond„ „genootschap of ten minsten, eene voor de Boegineesen zo geliefdoosde en voordeeligen handel in amfioen &„a aan te gaan en op te regten, het hier zo ligt niet zullen opgeeven, maar alles doen wat zij kunnen om het hier te houden, met die magt nu, die hier aanhanden is kam men de zaaken wel wat sleepende houden, dan ik geloof niet ten goede eijnde brengen de sumbauwareesen en overige bondgenoten, zijn wel gewillig, doch zijn zeer onbedreeven, en vegten van verre, als meest alle Jnlanders in deezen oord, zo dat het wel meest op Comp„s macht zal aankoomen, hier bij komt nog eene voor mij grootere zwaarigheid en zorgelijker voor uijtzigt hier in bestaande dat het schip gerancoeneerd is voor 7 maenden welke tijd den 12=e Julij ver„ streeken is, en dan weet ik geen raad, het zullen dus uwwelEd Agtb: ordres zijn die ik in 't korte verwagte hoe mij te gedragen in deese voor mij netelige omstandigheid, gebrek aan een genoegsaam aantal volk, om iets naamwaardigs te onderneemen; geen randsoenen voor die geene die er nog aan handen zijn, en hier geen occasie om iets anders als misschien wat rijst te bekoomen gelieft uw Ed Agtbare hier in te voorzien en kan uwwelEd Agtb: ons hier met nog een goed getal militairen onder brave officieren gerieven, dan en dan ook maar alleen is een goeden uitslag van onse onderneemingen te hoopen, zo de voor deeze plaats gedistineerde oorlogs fregatje en Brik haast koomen opdaagen zoude dit een goede zaak zijn ofschoon ik ook niet geloof dat die zo sterk met Land magt, voorzien zullen zijn dat zij de huijshouding hier in order zullen kunnen brengen, voor al niet ingevalle zij onse tegenswoordige macht. Op 't Schip Nepthunus macht hier niet aantreffen, en daar ik zonder randdoenen, dit volk en schip hier uiterlijk niet langer als tot 20. of 25„e dezer zal kunnen aanhouden zoude het zeer licht kunnen gebeuren dat die oorlogs kieltjes hier binnen die tijd niet kwaamen opdaagen. Dit een en ander als zoo veele bezwaaren voor mij uwelEd Agtb: in eerbied bedeelt hebbende, hoop en verzoek ik zeer nedrig dat uwwelEd Agtbare mij zo spoedig immer mogelijk met desselfs gehonoreerde ordres gelieft te vereeren, daar men nu egter de zaaken hier begonnen heeft en zelfs daar in meer voor als agter waards gaat, zoude het zeeker zeer spijtig zijn als men dezelve halver weegen moest laaten steeken, dat de vijand die de waare oorsaak er niet van weet kijster zoude encourageeren. Ik hoop, en wensch van ganscher dat ik eerlang de hooge eere mag hebben, uwelEd Agtb: goede tijding van onse onderneeming te zenden 1 terwijl uwelEd: Agtb: gerust gelieft te zijn dat ik dag nog nagt zal ontzien, om alles te practiseeren om het mogelijke, met beleid en voorzigtigheid te onderneemen, en hier meede sluijtende beveele ik mij en ons alle in uwwelEd Agtb: Protextie, en noeme mij met verschuldig den eerbied en hoog regting. ƒ Wel Edele Agtbaar Heer UuwelEd Agtbare Zeer Gehoorzaame en onderdanige Dienaar /:was getekend:/ Meurs P. S: onder de zieken behoord ook onsen vuurwerker flikkenschild, waar aan wij zeer veell verliesen leggende g'ankert ter rheede Sumbawa den 7=e Junij 1718 153 Op heeden den 14:e meij anno 1788. Compareerde voor mij Cornelis Meurs, onderkoopman en resident alhier, getuigen na te noemen David davids Soldaat in dienst der E Comp„e bescheij„ „den te Biema, dewelke verklaarde dat hij /:die hier met brieven van den resident gesonden was, niet Last om hier tot de komst van gem: Resident te vertoeven:/ den 8e maij dese rheede had zien bezeijlen een schip Dat hij declarant daar op aan den Eersten Rijksbestierder van Bima een Prauwtje gevraagd had om bij dat schip aan boord te gaan niet anders denkende of dit zoude het hier verwagt wor„ „dende schip de Nepthunus zijn. Dat daar op den gem: rijksbestierder hem Comparant tot ge„ vraagde eijnde een prauwtje en volk had gegeven, waar mede hij Comparant de volgende dag des morgens na gem: schip is geroeijd, dog nader bij dien bodem komende bemerkte dat het de Nepthunus niet was, doch dat hij als toen in 't denkbeeld viel dat het misschien het schip het Lam /:dat hier van Banda verwagt word:/ konde zijn, waar op den Comparand resolveerde om aan boord te gaan. Dat zo haast den Comparant aan boord lag niet zijn Prauwtje hem in de hollandse taal van het schip, wierde toegeroepen, dat hij maar over zoude koomen. Dat hij Comparant daar op boven was geklommen. Dat hij aan de valreep vond staan een moor met een geweer op schildwagt, die hem Comparant ordonneerde zijn zijd„ „geweer afteleggen, doch dat daar op van agteren wierd geroepen dat dit niet behoefde waar op hij zijn houwer behield. Dat hij toen bemerkte zo aan de spraak zo als ander„ „sints dat hij op een Engels schip was, dat hij nader gewaar wierd van den hollander op dien bodem, die hem vroeg of hij

NL-HaNA_1.04.02_3818_0458 view scan ↗

English

he, the appearer, knew well where he was. That the said appearer answered thereto that he believed he was on an English ship. That the Dutchman answered him thereto, you are certainly on an English ship, but do not be afraid for you are in no danger. That he, the appearer, further noticed that the officers or chiefs of that vessel, of whom none wore a uniform, went aft under the awning together with the one among them who spoke Dutch. That shortly thereafter they also called him, the appearer, to the back. That as soon as he, the appearer, arrived there and was let inside, he saw 5 persons sitting around a table there. That the English, through the mouth of the one who spoke Dutch, asked him where the Company's office was, whereto the appearer had answered them that there was no office here, but there was one on Biema. That the English further asked him, the appearer, whether the Company was at war with the Sumbawarese, whereto the appearer answered again in the negative, but that the Bugis were at war here against those of Sumbauwa, and that a few thousand allies were already here to help the Sumbawarese, and that he daily expected here an armed Company ship that had also been sent to help the Sumbawarese with his resident of Biema. Whereto they further asked him whether there were also Europeans ashore here and how many, to which he, the appearer, had answered that there are no other Europeans here besides me, but I expect a great many more with the ship. That after this a slave boy entered with a tray on which lay a piece of striped Bengal linen and a piece of Dourias. That the Dutchman took this cloth from the tray and gave it to him, the appearer, adding, just accept that, there is no harm in it. That he, the appearer, thereupon accepted those goods; that the English further declared to the appearer that they came from Balij and had a letter from the king of Balie to the king of Sumbauwa. That the English, as they did not know the way here, requested him, the appearer, to accompany their envoy with it to the king of Sumbauwa. That the appearer, being embarrassed and not knowing what he ought to do, consented to the English in this. That the English thereupon sent him, the appearer, with a moor to the shore, with which moor he, the appearer, then also went to the king of Sumbauwa. That as soon as he came to the king of Sumbauwa, he made known to the aforementioned that there was an English ship that brought a letter from the king of Balie to him. That thereupon the king of Sumbauwa gathered his grandees of the realm, whereupon the appearer asked the moor where his letter was now. That thereupon the moor had answered, I have no letter, but we come from Balie and have opium and iron, which we could not sell on Balie, and the king of Balie told us that we should go here to Sumbauwa since they were in need of those wares, and to that end the king of Balie gave us an official letter along, but that letter is still on board. That thereupon those of Sumbauwa gave the said moor in reply that they were not accustomed to trade with Englishmen or any white nation other than only the Company; that they did not need their trade, and also did not consent to any of them coming ashore anymore, whereupon he, the appearer, went back to the beach with that moor and delivered him over to the Regent of Biema, who then had that moor brought back on board with a small prahu. The appearer further declares that he subsequently learned from the Bimanese that shortly thereafter the captain of that vessel went ashore with his boat to Mille Bloekies, who lies here in a corner with his prahus and several Bugis in bentings. That after this, on the evening of the 10th of this month, the said English ship left this roadstead. The above-mentioned appearer declares himself ready at all times, if required, to confirm this further with a solemn oath. Thus done and passed on the ship Nepthunus on the date aforesaid, in the presence of Anthonij Joorman and Jan Fredrik Neuman as witnesses. Which I attest. Was signed: E Meurs. Sunday the 15th of June, Anno 1788. Upon a circular consultation. The Governor having made known to the members upon circular consultation the receipt just now of a separate letter from the Bima Resident Meurs, dated the 7th of this month, whereby he, while making known the situation over there, makes a request for rations for the crew of the armed ship the Nepthunus mentioned in that letter, as those supplied or received with it would be consumed by the 12th of July next, as well as for the assistance of a good number of soldiers under brave officers. And it being considered by the well-mentioned Governor the impossibility of divesting ourselves of people here at this time and sending more assistance thither than has already been done, since one has barely more than 63 European men at hand above the bare minimum allocation of this Government, and the number of allies, united with our force if the ship the Nepthiunus is still to be found there, seems to be fully capable of bringing matters over there, where the Banda ship the Lam is also quite expected any day, and the two national warships De Sijn and the Pijl might well join them, to a desired end. Thus, on the further proposal made at the same time, it has been approved and agreed, nevertheless to contribute everything of ours to this end, to send at once, under the necessary written orders to the Resident, another well-armed pantchiallang with a good gunner or cannonier

Dutch transcription

hij Comparant, wel wist waar hij was. Dat gem: Comparant daar op antwoorde dat hij geloofde op hem Engels schip te zijn. Dat de hollander hem daar op antwoorden, gij zijt zeeker op hen Engels schip, dog tijt niet bang wantje hebt geen swarigheid Dat hij Comparant wijders bemerkte dat de officieren /: of op„ „perhoofden van dien bodem, vant geene van haar had een uniform aan :/ agter uijt onder de tent gingen nevens die geene die onder haar hollands spaak. Dat zij kort daar op hem Comparant meede agter requireerden, Dat zo haast hij Comparant daar gekomen en binnen gelaa„ ten was hij daar 5 perkoonen aan een Tafel rond zitten Dat de Engelschen hem door de mond van den gene die Hollands prak afvroegen waar het Comp„s Comptoir was, waar op den Comparant haar had geantwoord dat hier geen Comptoir was, maar wel op Biema Dat zij Engelsen hem Comparant alverder vroegen of de Comp„e oorlog had met de sumbawareese waar op den Comparant weeder antwoorden van neen, doch dat de Boegineesen hier teegen die van sumbauwa oorloogden, en dat hier tot hulpe der sumbauwareesen reeds een paar duijsend Bondgenoten waaren en dat hij hier dagelijks een Comps schip dat g'armeert en mee„ „de tot hulp der sumbauwareesen gesonden was met zijn resident van Biema verwagte waar op zij hem verder vroeg of hier ook Europeesen aan de wal laagen en hoe veel, dat hij Comparant daar op g'antwoord had hier zijn geen andere Europezen als ik, doch ik verwagt met het schip nog een heele boel Dat hier na een slave Jongen met een schenkbord binnen kwam, waar op een stuksje gestreept Bengaals Linneer en een stukje Dourias lag, Dat 155 Dat den hollander dit goedje van het schenkbord nam en aan hem Comparant gaf en 'er bij voegde neemje dat maar aan daar is geen kwaad bij Dat hij Comparant daar op dat goed accepteerde dat zij Engelsen verders daar op aan den Comparant declareerden dat zij van Balij zwaamen en een brief van de koning van Balie aan de koning van sumbauwa hadden. Dat zij Engelsen als hier de weg niet weetende aan hem Com„ parant versogten haare zendeling met dien te willen begeleijden tot de koning van Sumbauwa Dat den Comparant in verlegentheid zijnde niet weetende wat hij te doen had, haar Engelse zulks toe zijden Dat zij Engelsen hem Comparant daar op met een moor na de wal hebben gesonden met welke moor hij Comparant toen ook nade koning van sumbauwa was gegaan. Dat zo haast hij bij de koning van sumbauwa zwam, aan gem: voorsz: bekent maakten dat er Een Engels schip was, die een brief van de koning van balie aan hem bragt. Dat daar op de koning van sumbauwa zijne rijksgrooten ver„ „saamelde wanneer den Comparant aan de moor vroeg waar nu zijn brief was. Dat daar op drie moor g'antwoord had, Jk heb geen brief doch wij zoomen van balie en hebben amfioen en ijzer, die wij op Balie niet hebben kunnen verkoopen, en de koning van Balie heeft ons gesegt dat wij hier na sumbauwa zoude gaan daar men om die whaare verleegen was en tot dat Eijnde heeft de koning van Balie ons een Brief van aanschrijven meede gegeven doch die brief is nog aanboord. Dat daar op die van sumbauwa aan gem: moor hebben ten antwoord gegeven, dat zij niet gewoon waaren met Engelsen of eenige blanken natie als alleen de Compagnie te negotieeren dat. Conp dat oten mee„ sident ord dat zij haar negotie niet nodig hadden, en ook niet verstonden dat er eene van haar meer aan land zoude koomen waar op hij Comparant weeder met dien moor na Strand is gegaan, en hem overgelevert aan den Rijksbestierder van biema, welke dien moor doen weeder met een klijn prauwtje na boord heeft laaten brengen. wijders verklaard den Comparant, dat hij naderhand van de Bimaneesen vernomen heeft dat kort daar op den Capi„ „tain van dien bodem, met zijn schuijt bij mille Bloekies die hier in een hoek met zijne Prauwen en verscheijden Boegenee„ „sen in Bentings Legt aan de wal is gegaan. Dat hier na op den 10 dezer des avonds gem Engels schip deese rheede heeft verlaten. Boven gem: verklaard den Comparant ten allen tijden bereijd te zijn, des gerequireerd werdende met solemneele lede nader bestand te doen. Aldus Gedaan en Gepasseert op het schip Nepthunus dato voorsz: ten overstaan van Anthonij Joorman, en Jan Fredrik Neuman als getuijgen: quod Attestor /:was getekend:/ E Meurs Zondag 157 Zondag den 15 Iuni Ao 1788 Hij rondvrage Door den Heer Gouverneur aan de Heeren Leeden bij Rondvra„ „ge te kennen gegeven zijnde, de ontfangst zo even van een aparte brief van den Bimas resident Meurs, de dato 7 dezer, waar bij denzel„ „ven onder te kennen geving van den toestand ginter, verzoek doet om Randsoenen voor de in die brief vermelde Equipagie van het g'armeerde schip de Nepthunus, alzo de daar aan verstrekte of mede gekregene den 12„e Julij aanstaande verconsumeert zoude zijn, mitsgaders ook om assistentie van een goed getal Militairen onder brave officieren. En daar bij door welmelde Heer Gouverneur gereflecteerd wezende, de ondoenlijkheid, om ons in deeze tijd alhier zelve van volk te ontbloten, en meerder assistentie derwaarts te zenden dan reets geschied is, dewijl men niet meer dan maar nauwlijks 63 man Europeese boven de sobere bepaaling van dit Gouvernement aan handen heeft, en het getal der Bondgenoo„ „ten, met onze magt zo het schip de Nepthiunus daar nog aan te treffen is, vereenigt, volkomen instaat wijnt te weesen, de zaken ginter, alwaar het Bandase schip het Lam alle dagen ook genoegzaam verwagt word, en er mogelijk de twee 'slands oorlogs Fregatten De zijn, en de Pijl wel bij zullen komen, tot een gewenkht Einde te brengen. zo is op de daar bij teffens alverder gedaanen voorstel goedgevonden en verstaan om des niet te min egter al het onze hier toe bij te brengen, ten eersten onder het nodige aanschrijvens aan den Resident weder een Pantjallang wel g'armeerd en met een goed Conszabel of Canno „niet

NL-HaNA_1.04.02_3818_0462 view scan ↗

English

provided to send from here thither, with as much of the requested rations as can be spared from our supplies without our own inconvenience, except for rice which, besides the fact that water buffaloes, sheep, and similar beasts are to be obtained there in abundance, is quite as cheap as here. Also to detain the citizen Ulrich until tomorrow, so that Their High Nobilities may be given the required notice thereof by a short letter. Thus done and resolved at Maccasser in Castle Rotterdam on the date written above. Signed: Bs Reijke W: Beth J: M: Baserman J L de vos Sr Monsieur T Both J: A: wisse and G Budach. In Bima To the Junior Merchant Cornelis Meurs, Resident on behalf of the Company there. Honorable, pious, discreet Sir, In reply to your separate letter of the 7th of this month, which we received on the 15th following, in which notice is given to us of the state of affairs on Sumbauwa, and how far the expedition has already progressed, and also containing a request for rations for the crew of the armed ship de Nepthunus mentioned in the aforesaid letter, and also for assistance from here of a good number of military men under brave officers, it serves to state: That we, after having previously reflected upon the impossibility of divesting ourselves here of personnel at this time and sending more assistance thither than has already been done, and considering that the number of the allies, combined with our force, if the ship de Nepthinus is still to be met with there—which we hope will not have departed before the expedition is brought to an end or no possibility remains to accomplish it, and only then comes hither—seems fully capable of bringing affairs yonder to a desired conclusion, where the Banda ship 't Lam is also expected any day now, and possibly the two national frigates and the sloop Pijl may well join them; the more so if unity among the commanders of the expedition and good management and prudence are exercised at the same time, provided that the enemy is given no time after an achieved victory to recover and strengthen themselves anew. It also appears to us that the highly necessary military discipline is not properly maintained, and therefore you may in our name most strongly recommend to the commander of the expedition of Boni to maintain, and cause to be maintained, proper military conduct among his men, so that good undertakings may not be thwarted thereby and his honor may not be held responsible for it. We have therefore resolved on the 15th of this month, in order nevertheless to contribute our share to this, first to send thither from here again the pantchiallang de Maria, well armed and provided with a good gunner or cannoneer, with as much of the requested rations as can be spared from our supplies without our own inconvenience, except for rice which, besides the fact that water buffaloes, sheep, and similar beasts are to be obtained there in abundance, is quite as cheap as here. We therefore expect a speedy and successful outcome of the further operations and this pantchiallang back as soon as possible, and with it also the 2000 lb in duiten which we had expected to obtain lately, as we also remark hereby that although the failure to send over at the same time the thirteen soldiers planned for Maccasser is now indeed passed over, the same must nevertheless, if possible, still take place together with the Madurese. Furthermore, regarding the provisions being sent over, we refer to the enclosed bill of lading, and remain meanwhile, after greetings, Your good friends, Signed: B Reijke W: Beth J: M: Baserman J L de vos Sn Monsieur Js Both J: G Budach and J: A wisse Agrees, J. G. clerk Maccasier in Castle Rotterdam, the 18 June Ao 1788

Dutch transcription

nier voorsien van hier derwaarts te zenden, met zo veel van de gevraagde Randsoenen als zonder eigen ongerief uit on„ „zen voorraad te missen zullen zijn, behalven Rijst die buiten dat de buffels, schapen en diergelijke beesten daar in menigte te krijgen zijn, ruim zo goed koop valt als hier. Ook nog om den Burger ulrich tot morgen aan te houden ten einde Hun Hoog Edelheeden hier van bij een briefje de verlykkte kennisse te kunnen geven. Aldus Gedaan en Geresolveert tot Maccasser in 't Casteel Rotterdam dato voorschreeven /:was getekend: Bs Reijke W: Beth J: M: Baserman J L de vos Sr Monsieur T Both J: A: wisse en In G Budach. Sima „ 59 Dima Cornelis Meurs Aan den onderkoopman Resident 'tComps wegen aldaar Eerzame voome, Discrete In antwoord op uE aparte brief van den 7„e dezer, die wij op den 15. daar aan volgende ontfangen hebben, waar bij ons kennisse word gegeven van den toestand der zaken op Sumbauwa, en hoe verre men reeds met de Expeditie gevordert is, mitsgaders verzoek behelsende, om Randsoenen voor de in de brief voorm: Equipagie van het g'armeerde schip de Nepthu„ „nus, en ook om assistentie van hier van een goed getal Militaire, onder brave officieren, dient; Dat wij na voor af gereflecteerd te hebben, de ondoenlijkheid om ons in deese tijd alhier zelve van volk te ontbloo„ „ten, en meerder assistentie derwaards te zenden dan reeds geschied is, en het getal der Bondgenooten, met onze magt, zo het schip de Nepthinus daar nog aante treffen is, en dat wij niet willen hoopen dat vertrokken zal wezen, alvorens de Expeditie ten einde gebragt, of geene mogelijkheid over is om die te volbrengen, en dan eerts herwaards te koomen, verEenigd, volkomen in staat scheint te wezen, de zaken ginter, alwaar het Bandasche schip t' Lam alle dagen ook genoegsaam verwagt word, en mogelijk de twee 's Lands fregatten de zijn, en de zepper Pijl wel bij zullen komen, tot een gewenscht einde te brengen, te meer wanneer Eensgezindheid onder de opperhoofden der Expeditie en een goed beleid en voorzigtigheid teffens plaats vind, mitsgaders de vijanden op een behaalde overwinning geen tijd gelaten word, om zig op nieuw te herstellen en te versterken, het scheint ons ook toe dat de zo hoog noodige krijgs Discipline niet na behooren onderhouden word, en daarom kan uE uit onsen Naam den Commandant van de Expeditie van Bose wel ten sterksten recommandeeren Maccasier in't Casteel Rotterdam den 18 Juni Ao 178 recommandeeren, om een geschikt Militaire Gedrag onder de zijne te houden, en te laten onderhouden, op dat hier door de goede ondernemingen niet vereijdelt worden, en zijn E: zig niet daar over verantwoordelijk komt te maken; wij hebben dan op den 15 dezer besloten, om des niet te min egter het onze hier toe bij te brengen, ten eersten weder de Pantjallang de Maria wel g'armeerden met een goed Constabel of Cannoniet voorsien van hier derwaards te zenden, met zo veel van de gevraagde Randsoe„ „nen als zonder eigen ongerief uit onsen voorraad te missen zijn, behalven rijst die buijten, dat, de buffels, schapen en diergelijke bees„ „ten daar in menigte te krijgen zijn, ruim zo goed koop vald als hier; wij verwagten dan een spoedigen en gelukkigen uitslag van de verder bedrijven en deese Pantjallang zo spoedig doenlijk te rug en daar mede als nog de 2000 lb aan duijten, die wij verwagten hadden laast te erlangen gelijk wij ook bij dezen remarqueeren, dat schoon het te gelijk daar mede niet oversenden van de voor Maccatler geprojecteerde dertien militairen nu wel gepasseerd word, het zelve egter bij mogelijkheid als nog met de Madureesen te zamen zal moe„ „ten geschieden. voorts refereeren wij ons nopens de overgaande Provisien aan het Jnleggend Cognoissement, en blijven intusschen na groete uE goede vrienden /:was getekend:/ B Reijke W: Beth J: M: Baserman J Ps de vos Sn Monsieur Js Both J: G Budach en J: A wisse Accordeert a Velp J „ g. klark Maccasier in't Casteel Rotterdam den 18 Juni Ao 1788 recommandeeren, om een geschikt Militaire Gedrag onder de zijne houden, en te laten onderhouden, op dat hier door de goede onderne niet vereijdelt worden, en zijn E: zig niet daar over verantwoordelij te maken; wij hebben dan op den 15 dezer besloten, om des niet egter het onze hier toe bij te brengen, ten eersten weder de Pantja de Maria wel g'armeerd en met een goed Constabel of Cannoniet van hier derwaards te zenden, met zo veel van de gevraagde „nen als zonder eigen ongerief uit onsen voorraar te misse„ behalven rijst die buijten, dat, de buffels, schapen en diergeli „ten daar in menigte te krijgen zijn, ruim zo goed koop vad hier; wij verwagten dan een spoedigen en gelukkigen uitslae verder bedrijven en deese Pantjallang zo spoedig doenlijk te en daar mede als nog de 2000 ld aan duijten, die wij nerwai hadden laast te erlangen gelijk wij ook bij dezen remarqueere schoon het te gelijk daar mede niet oversenden van de voor geprojecteerde dertien militairen nu wel gepasseerd word, het egter bij mogelijkheid als nog met de Madureesen te zamen „ten geschieden. voorts refereeren wij ons nopens de overgad Provisien aan het Jnleggend Cognoissement, en blijven in t na groete uE goede vriende /:was getekend:/ B Reijke W: Beth J: M: Baserman J L de vos Sn Monsieur Js Botch J: G Budach en J: A wisse Accordeert eena G g. klerk

NL-HaNA_1.04.02_3818_0468 view scan ↗

English

Macassar in Castle Rotterdam the 18 June Year 1788 recommend to maintain, and cause to be maintained, a proper military conduct among his men, so that the good enterprise may not thereby be frustrated, and His Honor does not make himself accountable for it; we have therefore resolved on the 15th of this month, nevertheless to contribute our part to this end, in the first place to send thither again from here the pantchalang the Maria, well-armed with a good gunner or cannoneer, with as many of the requested men as can be spared from our provisions without our own inconvenience, except rice which, besides that, buffaloes, sheep, and the like are to be had there in abundance, fully as cheaply as here; we therefore expect a speedy and fortunate outcome of the further operations and this pantchalang as quickly as possible and therewith also the 2000 rixdollars in doits, which we had expected to obtain recently, just as we also note by this that, although the non-dispatch of the previously proposed thirteen soldiers therewith is now passed over, it might however, if possible, still take place together with the Madurese. Furthermore, regarding the transferred provisions, we refer to the enclosed bill of lading, and remain in the [illegible] after greetings, Your Honors' good friends was signed B Reijke W: Beth J: M: Baserman J Ls de vos Jn Monsieur Js Botsh J: G Budach and J: A wisse Agrees Deena qualified clerk Original Secret Copy To the Honorable Pieter Walbeeck First Resident at Palembang there Honorable, Pious, Discreet, Having received news from the Other Shore that the notorious pirate Zait Alie had put to sea again with fifty large and small vessels, certainly in order first to take some Palembang and subsequently also the Javanese or Batavian vessels that he can overpower, as in the previous year, I cannot omit informing Your Honor thereof, and requesting that Your Honor please dispose the King of Palembang to dispatch without delay a strong little fleet, manned with resolute men, for the destruction of that rabble, since otherwise it will come to raid in the Strait of Bangka annually. I remain for the rest, after greetings, underneath stood Honorable, Pious, Discreet, lower Your Honor's Willing friend was signed P: G: De Bruijn, in the margin Malacca in the Castle the 18th February 1738. Walbeeck Agrees. Number Number 4. To The Honorable Venerable Gentlemen Pieter Gerardus de Bruijn outgoing and Abrahamus Couperus incoming Governor and Director on behalf of the General Dutch Chartered East India Company together with the Council of Policy there secret Honorable Venerable Valiant Stalwart Prudent Discreet Lord and Gentlemen In humble rescription to Your Honorable Venerable venerated letters of the 18 February, it serves that immediately after receipt thereof I informed the King of the putting to sea of a multitude of pirates under the command of Zait Alie, whereupon His Highness also put to sea a considerable little fleet for the protection of the Island of Bangka, which so long as it cruised there until the beginning of the Mohammedan fast, not any sea-rovers at all were perceived in the strait, but since the putting in of those cruising vessels, a very considerable band of that rabble has shown itself around the north of Bangka, and after first having plundered all the tin lying ready there, has generally ruined two of the best tin places, Marawang and Klabat, and since those pirates, who it is said are mostly Solorese, still roam about in the Strait of Bangka, the King, at our persistent request, has rearmed his available vessels and sent them thither. Meanwhile, we fear that if, according to rumors, those pirates are only a part of a fleet of over 150 vessels that are still lingering around and near the Malay coast, not only the Palembang people but the Javanese small traders will have very much to suffer, and for whose prevention we have ordered the cruisers to warn properly all vessels going around the north to be on their guard. Furthermore, I cannot refrain from informing Your Honorable Venerable that the burgher van Garling having arrived here in the month of March with a Malay pass made out for Bengal, I suspected him of illicit trade on account of his roaming about, and therefore having refused to grant any pass except to the capital, he departed from here with his bark under convoy of one of the cruisers on the 13 May, but at night at the Pulau Nangka cut his cable and set his course around the north, without anything having been heard of him since. Further knowing nothing notable, I have the honor to remain with the highest esteem, Honorable Venerable Valiant Stalwart Prudent Discreet Lord and Gentlemen, Palembang the 14 July Year 1788 Your Honorable Venerable's Obedient servant P Walbeeck Secret Resolutions taken in the Council of Policy of the City and Fortress Malacca, from mid- February 1787 until the end of March 1788. Number Number Number 4.

Dutch transcription

Maccaker in't Casteel Rotterdam den 18 Juni Ao 1788 recommandeeren, om een geschikt Militaire Gedrag onder de zijne houden, en te laten onderhouden, op dat hier door de goede onderne niet verijdelt worden, en zijn E: zig niet daar over verantwoordelijk te maken; wij hebben dan op den 15 dezer besloten, om des niet egter het onze hier toe bij te brengen, ten eersten weder de Pantj de Maria wel g'armeerden met een goed Constabel of Cannoniet van hier derwaards te zenden, met zo veel van de gevraagde „nen als zonder eigen ongerief uit onsen vooraar te misse behalven rijst die buijten, dat, de buffels, schapen en diergeli „ten daar in menigte te krijgen zijn, ruim zo goed koop vad hier; wij verwagten dan een spoedigen en gelukkigen uitslag verder bedrijven en deese Pantjallang zo spoedig doenlijk te en daar mede als nog de 2000 rd aan duijten, die wij verwa hadden laast te erlangen gelijk wij ook bij dezen remarqueere schoon het te gelijk daar mede niet oversenden van de voor geprojecteerde dertien militairen nu wel gepasseerd word, het egter bij mogelijkheid als nog met de Madureesen te zamen „ten geschieden. voorts refereeren wij ons nopens de overga Provisien aan het Jnleggend Cognoissement, en blijven in't na groete uE goede vriende /:was getekend:/ B Reijke W: Beth J: M: Baserman J Ls de vos Jn Monsieur Js Botsh J: G Budach en J: A wisse Accordeert Deena V g: klerk Origineel Copia Secreet Aan den E: Pieter Walbeeck Eersten Resident te Palembang dien Eerzaame, Vroome, Discreete, Tijding van de Overwal ontfangen hebbende, dat de berugte zeeroover zait Alie weeder met vijftig groote en kleijne vaartuijgen was uijtgeloopen, zee„ „kerlijk om eerst eenige Palembangsche en vervol„ „gens ook de Javasche of Bataviasche vaartuijgen, die hij kan overmeesteren, te neemen, gelijk in het voorige Jaar, kan ik niet onderlaaten uwEd: daar van kennis te geeven, en te verzoeken dat uwEd: den Koning van Palembang gelieve te disponee„ „ren om een sterk vlootje, met geresolveerd volk bemand, zonder uijtstel te expedieeren, ter ver„ „nelinge van dat gespuijs, dewijl het anders Jaarlijks in de straat Banca zal koomen : Stroopen. 168 Ik Ik blijf voor het overige na groete /:Onderstond:/ Eerzaeme, Vroome, Discreete, /:Lager E UwEd: Dienstwillige vriend /:was geteekend:/ P: G: De Bruijn, /:in margine:/ Malacca in het Castee den 18e Februarij 1738. ralbeeck Accordeert. No No 4. tien Aan De wel Edele Agtbaere Heeren Pieter Gerardus de Bruijn afgaanden en Abrahamus Couperus aankomende Gouveneur en directeur wee„ gens den generaele Needer„ landsche g'octroijeerde oost Indiasche Compagnie neevens den raad van politie aldaar tien secreet WelEdele Agtbaere Ernstfeste manhafte voorzienige discreete Heere en Heeren In needrige rescriptie op uwelEd: Agtb: gevei„ nereerde Letteren van den 18 februarij dient dat ik den koning direct naer dies ontfangst van 't uijtlopen eener menigte Zeer overson¬ der bevel van den Zait Alie hebben kennis gegeeven 0: 1681 N 4. gegeeven waar op dan ook zijn Hoogheijd een aanzienlyk vlootje ter bescherming van 't Eijland banca heeft in zee gebragt 't welk zoo Lang 't zelve aldaar tot het bigin der Mahe methaanse vasten gekruijst heeft men hoegenaamd geen Zee Schuijmers in straet heeft vernomen dan zeedert 't binnen Lopen van die kruysvaartuijgen heeft zig een zeer aanzienlijke bende van dat gespuijsom de Noord van Banca vertoond en tweeden beste thin plaatsen marawang en Clabat naar alvoorens al 'z aldaar gereed Leggend thin geroofd te hebben ten eeneraal geruimeert en vermits die rovers die men zegt dat meestendeel Soloceers zoude zijn, als nog in straat Bances rondswerven heeft den koning op ons aanhoudent verzoek zijne aan „hande hebbende vaartuijgen weederom g'arineerd en derwaards gezonden, Jntusschen 167. Intusschen vreezen wij dat zoo indien volgens die rovers, gerugte maer een gedeelte van Een vloot van ruijm 150 vaartuijgen die zig nog om en bij de Maleijdse kust ophouden mogte zijn 1 niet alleen de Palembangers maar de Javaen se smalle Handelaeren zeer veel zic tien len te Leijden hebben en ter welkers voor behoeding wij de kruijssers g'ordonneerd heb„ „ben om alle de om de Noordgaande vaartuij„ gen behoorlijk te waarschouwen om op haar Doede te zijn Overigens kan ik niet afzijn uwel Ed: Agtb kennis te geeven dat den vrijburger van Garling alhier in de maand Maart met een Malaese pas Luijdende naar bengaele g'arriveerd zijnde ik hem weegens zijn rond „swerven, van Linkse handel sucpecteerde en dierhalve geen pas dan naar de hoofdplaats te heb N No 4. 166 heb willen verleenen hij met zijn bark onder Convooij van een der kruijssers op den 13 meij van hier vertrokken heeft dals snagts bij de poeloe Nankaas zijn touw ge„ „kapten zijn Coursomd' noord gezet zonder dat men zeedert iets van hem heeft vernomen wijders niets anotabels weetende vereer¬ ik mij met de meeste hoogagting te verblijven Wel Edel Agtbaere Ernstfeste Manhafte voorzienige Discreete Heere en Heeren Pilembang den 14 Julij A:o 1788 Uuwel Edel Agtbaere euwe Edelens Gedoorzaemd dienaere Jvalbeeel pie Secreete Resolutien genomen in Raade van Politie der Stad en Fortresse Malacca, sedert me¬ „die Februarij 1787, tot ultimo Maart 1788. No N No 4. 9 O delens

NL-HaNA_1.04.02_3818_0481 view scan ↗

English

Monday the 26th of February 1787 Forenoon Meeting of Policy. Absent The Pay Accountant Wiederhold; due to indisposition. The Fiscal Thierens, charged by the Honorable Governor with the investigation into the accusation communicated to His Honor by the Commander of the Dutch Garrison at Pera Godhardt Dirdenhoven in a private letter, dated the 30th of December 1786, against the Honorable Second Mate Hendrik van Velp, that he, being with the pantjallang Banca in the river of Pera, had taken their money and property from some natives, has submitted regarding this matter a Report of the following content To the Right Honorable Stern Sir Pieter Gerardus de Bruijn, Governor and Director of this Right Honorable Stern Sir! City and Fortress! It has pleased Your Right Honorable Sternness to deliver to the undersigned Fiscal an Extract from a letter from Perak's Commander Dirdenhoven dated 30th of December 1786, containing that the Sub-Lieutenant at Sea Hendrik van Velp, as Master of the Company's pantjallang Banca, made himself guilty of various acts of robbery and violence during the time that he was sent with the said small vessel to the mouth of that river to have wood cut, namely A 1. that from a kakap in which there had been seven men, he withheld 37 Spanish reals and a silver pinding 2. that from a deserter of the Laxamana, he took and seized 92 Spanish reals, and 3. that from a ballo in which four persons were present, he took 3 flintlocks, 1 blunderbuss, 10 Malay trousers and 25 Spanish reals, of which by the said van Velp, upon the demand of Perak's Commander, only the three flintlocks were returned, as all this appears from the accompanying Extract marked Letter A. And whereas Your Right Honorable Sternness has likewise been pleased to order the undersigned to conduct an investigation among the crew of the pantjallang Banca to determine how the matter stands with the aforementioned, since both the aforementioned Hendrik van Velp, who was placed on that pantjallang as Master solely for this voyage, as well as the Master Jochem Gerrits and other Europeans most strongly denied that this robbery had occurred; he, the subscriber, therefore has the honor to report to Your Right Honorable Sternness First, that the Depositions obtained by him, which are submitted below under Letters B, C, and D, establish that when the pantjallang Banca lay at anchor in the mouth of Perak's river, and a prahu belonging to the same had gone out with four persons to fish, a ballo came to them, which ballo was brought on board the Banca under the pretext that they were pirates. That from that ballo, by order of van Velp, various goods were taken, and among other things also a handkerchief containing money. That van Velp opened the sash of the Nakhoda, and himself cut that of another Malay from his body with a knife, and lifted and took to himself the cash contained therein, which cash, according to their statement, amounted altogether to around twenty Spanish reals; so that it appears from this that the Malays had more than 12 Spanish reals on them. Moreover, they declare that the Nakhoda, immediately upon his arrival on board, had said that there was money in the handkerchief, and that the total amount of their cash came to 49 Spanish reals. Two witnesses declare that after van Velp had taken this money and brought it into the cabin, he had called to him into the cabin the Second Master Jochem Gerrits, the Sergeant Diets, and Quartermasters Andries Toesen and Anthonij van den Bosch, and that those five persons had come out of the cabin again carrying money with them. And whereas those 7 persons of the ballo, of whom first the two headmen had been put in the stocks, but afterwards together with the five others were locked in the hold, had to be released and their goods returned on order of the Commander at Pera, the Witnesses in documents Letters B, C, and D declare that the Nakhoda, because only 12 Spanish reals in cash were returned to him, complained about this, but that van Velp dismissed him by saying, you all have been here on board so long and have eaten rice three times a day, which must be paid for. Secondly, the Deponents declare in Document Letters C and D that after the deserter of the Laxamana of Pera was brought on board, besides some trifles, a bungkus with money was also handed up from that prahu, though they do not know how much it amounted to, although the undersigned understood from the oral statement of the absent Javanese Lalie that he had seen that that money consisted of three rolls, each according to

Dutch transcription

Maandag den 26: Februari 1787 's Voormiddalgs Vergadering van Politie. Absent Den soldij-boekhouder Wiederhold; door indispositie. Tet Fiscaal Thierens, door den Heer Gouverneur belast met het onderzoek na de door den Commandant der Neder„ „landsche Bezetting te Pera Godhardt Dirdenhoven bij ee„ „nen particulieren brief, gedateerd den 30. December 1786, aan zijn Ed. gecommuniceerde beschuldiging van den El: Onderstuurman Hendrik van Velp, dat hij, met de pant„ „jallang Banca in de rivier van Pera zijnde, aan eenige inlanders hun geld en goed hadt ontnomen, heeft dient„ „wegen ingeleverd een Berigt van den volgenden inhoud Aan den Wel Edelen Gestrengen Heer Pieter Gerardus de Bruijn, Gouverneur en Directeur deezer Het heeft uwel Edele Gestr. behaage de ondergete„ „kende Fiscaal ter hand te stellen Extract uit een brief van Leras Commandant Dirdenhoven gedateerd Wel Edel Gestrenge Heer! Stad en Fortresse! 30 Den 26. Februari 1787. 30. December 1786, behalsende dat de sousluitenant ter zer Hendrik van Velp als Gezagvoerder van Comps. pantjallang Banca zig aan diverse feiten als roof en geweld heeft schuldig gemaakt, in den tijd dat hij met gemeld kieltje aan de mond dier rivier gezonden was om hout te laaten kappen, als A 1: dat uit een kakap waar in zeven man geweest waren agtergehouden heeft 37. sps. reaalen en een zilvere pinding 2. dat van een drosser van de Laxamana ontnomen en na zig genomen heeft 92. p. e riaalen, en 3. dat uit een ballo waar in vier persoonen zijn ge„ „weest genomen heeft 3 snaphaanen, 1. donderbus, 10. Ma„ „leitsche broeken en 25 sp.:s reaalen van het welk door gemelde van Velp, op de afeisching van Leras Comman„ „dant eenlijk te rug gegeven is de drie snaphaanen, gelijk dit een en ander consteerd uit het nevens„ „leggende Extract gemerkt La A. En dewijl Uwel Ed. Gestr. de ondergetekende teffens heeft gelieven te ordonneeren om bij 't scheepsvolk van de pantjallang Banca onderzoek te doen, hoeda„ „nig het met 't bovengemelde gelegen is, alzoo zoo wel de voormelde Hendrik van Velp die eenlijk voor deeze togt als Gezagvoerder op die pantjallang was geplaatst, als de Gezagvoerder Iochem Lerrits en andere Europee„ „sen ten sterksten negeerde dat die roof zoude zijn geschiedt; zoo heeft hij tekenaar de eer Uwel Edele Gestr. Den 26. Februari 1787. Gestr: te berigten Eerstelijk, dat de door hem ingewonnen Verklaaringen die hier onder La B. (en D: worden overgelegd, consteeret, dat toen de pantjallang Banca in de mond van Leras ri„ „vier ten anker leide, en een praauw van dezelve met vier persoonen waren gegaan om te vissen, een ballobij hun is gekomen, welke ballo aan boord van de Banca is gebragt, onder pretext dat het roovers waren. Dat uit die ballo op ordre van van Velp diverse goederen waren gehaald, en onder anderen ook een neusdoek met geld Dat van Velp de buikband van de Nachoda open„ „gemaakt, en die van een andere Maleijer zelve niet een mes van zijn lijf afgesneeden, en de daar in zijn„ „de contanten geligt en tot zig genomen hadt, wel„ „ke contanten na hunne opgaave te zaam tot in de twintig spaansche reaalen beliepen; zoo dat hier uit consteerd dat de Maleijers meer als 12 sp:s re„ „aalen bij zig hebben gehadt. Bovendien verklaaren zij dat de Nachoda direct bij zijn komst aan boord gezegd hadt dat in de neus„ „doek geld was, en dat het geheel bedragen hunner contanten belief tot 49 sps. Twee getuigen verklaaren, dat na van Velp dit geld genomen en in de cajurt gebragt hadt hij de twee„ „de Gezagvoerder Jochem Lerrits, de Serdpeant Diets en Den 20. Februari 1787. en Quartiermeesters Andries Toesen en Anthonij van den Bosch bij zig, in de caijut hadt geroepen, en dat die vijf persoonen weder uit de cajuit gekomen wa„ „ren met geldt bij zig. En dewijl die 7 persoonen der ballo, waar van eerst de twee hoofden in de trouk dog naderhand. nevens de vijf anderen in 't ruim opgesloten waren geweest, op order van den Commandant te Pera moes„ „te ontslagen en hunne goederen te rug gegeven wor „den zoo verklaarende Getuigen bij acte La. B. C. en D. dat de Nachoda, dewijl hem maar 12. Sps. aan contanten te rug gegeven wierden, zig daar over be„ „zwaarde, maar dat van Vlp hem afscheepte niet te zeggen, gij alle zijt hier zoo lang aan boord ge„ „weest en hebben drie maal 'sdaags rijst gegeeten, hetwelke moet betaald zijn. Tweedens verklaaren de Attestanten bij Acte L. a C. en D„ dat na dat de drosser van de Laxamana van Pera aan boord was gehaald, buiten eenige kleinighe„ „den ook uit die praauw opgegeven is een boukus met geld, daar zij egter niet weeten hoeveel het zel„ „ve heeft bedraagen, of schoon de ondergetekende uit de mondelinge opgaave van de zig geabsenteerd hebbende Javaan Lalie heeft verstaan dat hij gezien hadt, dat dat geld bestond in drie rolletjes, ieder na

NL-HaNA_1.04.02_3818_0485 view scan ↗

English

The 26th of February 1787. according to his estimate) of thirty Spanish. And regarding the third point, namely the ballo in which there were four men, the undersigned does not find in the aforementioned statements that money or trousers were taken from that vessel; but indeed that van Velp had 3 flintlocks removed from that ballo, demanding that the Nakhoda pay him 5 rds. for the shot fired, and that because the Nakhoda declared he had no money, van Velp took the three flintlocks for himself in lieu of those claimed 5 rds. Although these three flintlocks were returned upon the requisition of Pera's Commandant, according to the statement of the Nakhoda of that ballo there would still be missing: 1 blunderbuss, 10 Malay trousers, and 25 Sps. reals, regarding all of which the absent Javanese sailor Troea orally declared to the undersigned that he indeed saw that 12 trousers were brought over, from which van Velp selected the best ones and took them for himself. Since it appears from the cited statements that the robbery and acts of violence reported by Pera's Commandant did indeed take place, although the said Hendrik van Velp and Jochem Dirritz, along with the Quartermasters who were stationed on the Banca, The 26th of February 1787. quartermasters Andries Tousen and Anthonij van den Bosch, deny the matter, it nevertheless appeared to the undersigned from their own statements that, with regard to the first ballo, an act of violence is directly revealed. For although they pretend that those Malays wanted to rob the fishing prahu, it appears unacceptable and improbable that the Malays, in plain sight and indeed under the cannon of a Company pantjallang, would dare to attack a prahu with Europeans and Portuguese. Moreover, there is also a contradiction in this, namely that seven men, being robbers, would not have allowed themselves to be brought so willingly on board the pantjallang by those four men, so that the untruth of their statement is easily found herein. Although this conduct, if examined and investigated point by point in a court of law, would clearly be substantiated, the undersigned nevertheless finds himself obliged to bring to Your Right Honourable's attention that, if this matter were brought entirely before the Court of Justice, it is undoubtedly true that many other persons who also had a share in the loot would thereby not be able to escape The 26th of February 1787. escape the ordinary procedures; as well as that several persons from the Trading Post Pera, as well as the robbed Malays (still present), would have to be summoned hither, whereby these procedures will entail very great costs and a long aftermath. Wherefore he takes the liberty of submitting to Your Right Honourable's consideration whether these affairs might not best be settled by a political decision, in order to avoid tediousness. I have the honour to be, with all high esteem, was signed Right Honourable Sir, lower, Your Right Honourable's humble Servant, signed, F: Thierens, in the margin, Malacca the 10th of February 1787. below was written, Agrees, signed, J. van Hsaak, First Sworn Clerk. Whereupon it was deliberated, and, in addition to what was remarked by that Officer, it also being taken into consideration that the Company could still have long service from the said Acting Second Mate van Velpen and the Boatswain Jochem Dirritz, who are capable seamen, if a sufficiently mild punishment were imposed upon them; it is therefore approved and understood to enjoin the Fiscal to have the goods of the often-mentioned van Velp, as having held the authority The 26th of February 1787. authority on the pantjallang Banca and thus being primarily responsible for everything, sold at public auction, in order to transfer the proceeds thereof into the Company's treasury, and to order the pay-bookkeeper to credit him for this on his pay account, but on the other hand to debit him and to have restituted from the Company's cloth warehouse to the Laxamana at Pera Makotta Radja the value of what was robbed there, to the amount of one hundred and thirty-one Sp. reals, according to his statement in a letter written to the Governor; as well as to send both van Velp and Dirritz, with canceled pay and the documents concerning their charges, to Batavia, at the disposal of the Honourable High Indian Government. The Resident of Riouw, David Ruhde, having set forth in his secret letter of the 15th of December 1786 that Military Lieutenant Lucas Fredrik Hutman—who had previously been sent thither according to the Resolution of the 15th of August, but was recalled thence at the Resident's request by the general rescription of the 19th of January last— The 26th of February 1787. last—possesses qualities that indicate a disturber of the peace rather than a keeper of the peace, and which, in the person destined to command the Garrison in due course, or if Captain Vetter were granted his discharge as he requested, could not be tolerated without annoyance in so small a place as Riouw; that he is not the man who, in case of an enemy attack, would be suitable to give the necessary orders for defense; that Captain Vetter, having been requested by him (the Resident) to train the native soldiers in the manual of arms and having assigned this to Lieutenant Hutman, had reported to him that he saw himself forced to step in front of the ranks himself and take up the command; it is therefore, because an officer of such qualities as Resident Ruhde attributes to the said Hutman can also be of no use to the Company here, approved and understood to have him return to Batavia.

Dutch transcription

Den 26. Februari 1787. na zijn gissing) van dertig spaans En aangaande het derde point, naamelijk de ballo daar vier man in waren, vind de ondergetekende bij de voorwaarts aangehaalde Verklaaringen niet dat 'er geld of broeken uit dat vaartuig is gehaald; maar wel dat van Velp uit die ballo heeft doen ligten 3 snaphaanen, begeerende dat de Nachoda aan hem voor 't gedaane schot 5rds. zoude betaalen en dat de„ „wijl de Nachodas verklaarde geen geld te hebben, van Velp voor die gepretendeerde 5 rds. de drie snaphaanen heeft na zig: genomen. Ofschoon nu deeze drie snaphaanen op het requisit van Peras Commandant, zijn terug gegeven zoo zoude volgens opgaave van de Nachoda van die ballo nog manqueeren, 1 donderbus, 10. maleidsche . broeken, en 25 Sps. reaalen, van welk een en andere de zig geabsenteerd hebbende Iavaansche Matroos Troea aan de ondergetekende mondeling heeft ver„ „klaard, dat hij wel gezien heeft dat 'er 12 broeken zijn overgekomen, waar uit van Velp de beste uitgezogt en na zig genomen heeft. Daar nu uit de aangehaalde Verklaaringen blijft dat de door Peras Commandaut opgegeven roof en geweldenarijen wel weezentlijk zijn geschiedt, of„ „schoon de gemelde Hendrik van help en Jochem Lirrits nevens de op de Banca bescheiden geweest zijnde Quartermeesters 5 Den 26. Februari 1787. quartiermeesters Andries Tousen en Anthonij van den Bosch, het een en ander komen te negeeren, is de ondergetekende uit hun eige opgaave egter te voorengekomen, dat ten opzigte van de eerste balle zig om direct een zaak ontdekt als geweld, want of„ „schoon zij voorgeeven dat die Maleijer de vispraauw hebben willen rooven, zoo komt het onaanneemelijk en onwaarschijnlijk voor dat den Maleijer in 't gezigt ja onder het geschut van een Comps. pantjallang zig zoude verstouten een praauw met Europeesen en Por„ „tugeese aan te tasten, buiten dien legt daar ook in eene tegenstrijdigheid, naamelijk door dien zeven man /roovers zijnde / zig zoo goedwillig door die vier man niet na boord van de pantjallang zoude hebben laaten brengen, zoo dat de onwaarheid van haar op„ „gaave hier in ligtelijk te vinden is. of schoon nu deeze handeling in regten van stuk tot stuk nagegaan en onderzogt wordende wel klaar zoude komen te consteeren, zoo vind de on„ „dergetekende zig nogtans verpligt Uwel Edele Ge„ „str. in opmerking te geeven, dat wanneer deeze zaak in alles voor de Iustitieele Regtbank werd gebragt het ongetwijffeld waar is; dat veele on„ „dere persoonen die ook al deel aan den buit zullen hebben gehadt daar door niet zullen kunnen ontgaan Den 26 Februari 1787. ontgaande gewoone proceduures, als ook dat verschei„ „den persoonen van 't Comptoir Lera, zoo wel als de ont„ „„roofde Maleijers (nog present zijnde / na herwaarts ontboden zoude moeten werden, waar door deeze Pro„ „ceduures van zeer groote kosten en lange nasleep zul„ „len zijn, weshalven hij de vrijheid neemt Uwel Edele Gestr. in overweeging te geeven, of deeze affaires door een Politicque decisie niet best zoude kunnen worden afgemaakt, om langwijligheid voor te komen Ik heb de eer met alle hoogagting te zijn, /onderstondt/ Wel Edele Gestrenge Heer /Lager/ Uwel- Edele Gestr: onderdaanige Dienaar /getekend/ F: Thie„ „rens /in margine)/ Malacca den 10. Februari 1787. /onderstond:/ Accordeert /getekend / J. van Hsaak E. G. klerk. Waar op gedelibereerd, en, behalven het geremarqueerde door dien Officier, ook in agting genomen zijnde, dat de Compagnie van den gemelden Pl. Onderstuur„ „man van Velpen den Bootsman Jochem Dirritz, die be„ „kwame zeevaarenden zijn, nog lange dienst zoude kunnen hebben, wanneer hun eene toereikende zagte correctie wierdt opgelegd, is derhalven goedgevonden en verstaan den Fiscaal te injungeeren, om de goederen van den meergemelden van Velp, als het gezag ƒ Den 26. Februari 1787. gezag op de pantjallang Banca gehad hebbende en dus voor alles in de eerste plaatze responsabel zijnde, bij publique venditie te laaten verkoopen, ten einde het provenu daar van in Comps. kasse over te brengen, en den soldij-boekhouder te gelasten om hem daar voor op zijne soldij- rekening te crediteeren, dog daar„ „entegen te debiteeren en uit Comps. kleedenwinkel aan den Laxamana te Pera Makotta Radja te laa„ E „ten restitueeren de waarde van hetgene daar geroofd is, ten bedraagen van een honderd een en dertig Sp. reaalen, volgens de opgaave van denzelven bij eenen aan den Heer Gouverneur geschrevenen brief, mits„ „gaders beiden van Velp en Lirritz met afgeschreven gage en de stukken ten hunnen laste naar Ba„ „tavia te zenden, ter dispositie van de Edele Hooge Indische Regeering. Door den Resident van Riouw David Ruhde bij zijnen secreeten brief van den 15. December 1786 ge„ „poseerd zijnde, dat de volgens Resolutie van den 15. Augustus bevoorens naar derwaarts gezonden, dog bij de gemeene rescriptie van den 19. Januari laastleden Den 26. Februari 1787. laastleden, op des Residents verzoek, van daar weder ontboden Luitenant Militair Lucas Fredrik Hut„ „man, qualiteiten bezit, die eerder eenen rustverstoo„ „ter dan eenen rustbewaarer aanduiden, en die in den persoon, besterid om het Garnisoen in der tijd, of wanneer aan Capitein Vetter, gelijk hij verzogt heeft, zijn ontslag geaccordeerd wierdt, te moeten commandeeren, niet zonder ergernis op zoo eene klei„ „ne plaats: als Riouw geduld konden worden; dat hij de man niet is, die in cas van een vijande„ „lijken aanval geschikt zoude zijn om de noodige orders tot defensie te geeven; dat Capitein Vetter, door hem (Resident) verzogt om de inlandsche Militairen in den wapenhandel te oefenen, zulks aan Luitenant Hutman opgedragen hebbende; hem gerapporteerd hadt zig gedwongen gezien te # hebben om zelf voor het front te gaan en het com„ „mando op te vatten: zoo is, dewijl een officier van zulke qualiteiten, als de Resident Ruhde gemel„ „den Hutman toekent, hier ook van geen nut voor de Compagnie kan weezen, goedgevonden en verstaan hem naar Batavia te laaten we„ „derkeeren 9 9

NL-HaNA_1.04.02_3818_0490 view scan ↗

English

The 26th of February 1787. to return with the hooker ship the Zaanstroom, and to request the Honorable High Indian Government that, in his place, an officer experienced in the service, alert, and knowledgeable in the Malay language may be obtained, in order to employ him as Head of the Militia on Riouw, should it please Their High Nobilities to grant Captain Vetter his discharge. Malacca in the Castle, date as above written. Signed: P. G. de Bruijn, A. Couperus, I: A: Heusel, T Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht, . . . . . . ., and C. G. Baumgarten. Wednesday the 7th of March 1787, in the forenoon. Meeting of the Council of Policy. All present. The documents having been handed by the Governor to the Fiscal of this Government, Thierens, which the Resident of Riouw, David Ruhde, had provided alongside his advices of the 9th of February last, to the charge of The 7th of March 1787. the soldiers Ian Babtist di Leux, Hendrik Goudman, Michiel Citter, and Ioseph Yzesoet, who deserted from there on the 13th of January prior, but were apprehended on the 26th of the same month by two Malays and subsequently sent hither in secure custody, in order to perform his office and duty against them, the said Officer has submitted a Report of the following content: To the Right Honorable Sir Pieter Gerardus de Bruijn, Governor and Director of this city and Fortress, together with the Honorable Members of the Respected Council of Policy. Right Honorable Sir and Gentlemen, The undersigned Fiscal here, on the basis of the papers transmitted alongside them from the said Post, has ex officio served a Statement of Claim in scriptis before the Council of Justice of this Government against the deserters sent up in arrest from Riouw on the date of the 19th of February last, namely the soldiers Ian Babtist Dubieu, Andries Goutman, Michiel Citter, and Ioseph Yzesar; and whereas this Claim was presented to the Defendants according to custom, they dictated in full Meeting, The 7th of March 1787. among other things: That the allotted ration was not supplied to them at the said Post, for now one item was missing, then another again, with the claim that it was not in stock, upon which they were usually given some small amount of money, but also on several occasions nothing for the missing ration. That for several months, instead of rations, except for rice and arrack, one rijksdaalder per month has been provided to each soldier for board money, on which none of them was able to subsist for six days, let alone a month. That although they and their comrades, since the beginning of the provision of the said board money in place of rations, had complained about this and unanimously made known that it was impossible to make ends meet with one rijksdaalder per month, and that the usual rations at Riouw, where they do not have a mess table as at Malacca, were worth well over six times as much to them, not only was no consideration given to this, but even those who, compelled by necessity, grieved over this change so disadvantageous to them and sought redress therein, were threatened—some with arrest and beatings, and others were immediately placed under arrest and beaten. That The 7th of March 1787. on a certain occasion, when it was said that some opium was stolen from the Warehouse—although one had been just as little able to detect any breaking open of that storage place as of the opium chest—two rijksdaalders had been withheld from the pay of every European soldier serving in the fortress at Tanjong Pinang, to pay for the opium that was alleged to have been stolen. That the pay was also not properly provided to them, or not what one had stood ahead of, or the other had earned to his credit over there, prior to departure for Riouw. That they therefore concluded that the Claim of the Fiscal as Plaintiff be denied, consideration be given to their complaints, and good justice be granted to them upon the same, appealing in the contrary event to the Respected Council of Justice of the Castle of Batavia. Upon which dictamen of the Defendants, the Council of Justice here has decided to return the documents submitted with the Claim received from Riouw, as being drawn up outside the Rules of Law, together with the Extract Minutes of the abovementioned dictamen, to the undersigned, in order to conduct such further inquests and to proceed The 7th of March 1787. as he shall deem appropriate. Since now that which was brought forward by the abovementioned four Deserters in excuse of their deed in the said dictamen can be investigated partly, but also somewhat more clearly, among the military personnel who have successively arrived here from Riouw, and whom the Deserters determine to be up to 20 persons, the undersigned finds himself under the obligation to request Your Right Honorable and Gentlemen: 1. That through such ways and means as shall please Your Right Honorable and Gentlemen, it also be investigated and verified at Riouw itself how the matter stands with the complaints of the Defendants regarding the provision of rations at the said Post for some time past. 2. That not only a Report be provided hither by the Resident David Ruhde regarding the compensation of two rijksdaalders per man imposed on the soldiers in garrison at Riouw, or specifically at Tanjong Pinang, on account of the allegedly stolen opium, but also that officers, non-commissioned officers, and some privates alike give testimony under a sworn Declaration regarding whatever they might be aware of concerning this matter. 3. That it also be accurately investigated there whether the soldier, since his presence at the said Post, has been correctly provided his pay, or rather by whom the missing amount was withheld.

Dutch transcription

Den 26. Februari 1787. „derkeeren met het hoekerschip de zaanstroom, en de Edele Hooge Indische Regeering te verzoeken, om in zijne plaatze te mogen erlangen een in den dienst ervaaren en wakker Officier, der Maleitsche taale kundig, ten einde hem als Hoofd van de Militie op Riouw te emploijeeren, wanneer het Haare Hoog- Edelheden behaagt aan Capitein Vetter zijn ont„ „slag toe te staan. Malacca in het Casteel dato voorschreven (gete„ „kend /. P. G. de Bruijn, A. Couperus, I: A: Heusel, T Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht, . . .. . . . , en C. G. Bauigarten. Woensdag den 7. Maart 1787 's Voormiddags Vergadering van Politie. Allen present. Door den Heer Gouverneur den Fiscaal deezes Gouvernements Rierens ter handen gesteld zijnde de bescheiden, welken de Resident van Riouw David Ruhde nevens zijne advresen van den 9. Fe„ „bruari; laastleden heeft gesuppediteerd ten laste van Den 7. Maart 1787. van de op den 13. Ianuari bevoorens van daar gedeser„ „teerde; dog den 26. derzelfde maand door twee Maleijers opgebragte en vervolgens in goede verzekering her„ „waarts gezonden soldaaten Ian Babtist di Leux, Hendrik Goudman, Michiel Citter en Ioseph Yzesoet„ ten einde tegen dezelven zijn ampt en pligt te be„ „tragten, heeft de gemelde Officier ingediend een Be„ „rigt van den volgenden inhoud. Aan den Wel Edelen Gestrengen Heer Pieter Gerardus de Bruijn, Gouverneur en Directeur der„ „zer stad en Fortresse, benevens de Heeren Leden in den Agt„ „baaren Raad van Politie. Wel Edele Gestrenge Heer & Heeren, De ondergetekende Fiscaal alhier, heeft tegen de van Riouw in dato 19. Februari laastleden in ar„ „rest opgezonden deserteurs de Soldaaten Iaer Babtist Dubieu, Andries Goutman, Michiel Citter en Ioseph Yzesar op de nevens huer van het gemeld Comptoir overgezonden papieren amptshalven voor den Raad van Iustitie deezes Gouvernements, gediend van Eisch in scriptis; en dewijl dien Eisch aan de Geduirg„ „den na stile is voorgehouden, hebben zij in volle Vergadering N. Maart 1787. Den 7 Vergadering onder anderen gedicteerd: Dat hun ten gemelden Comptoir het toegelegde „rantzoen niet is verstrekt, want dat dan eenis 't „een, dan weder een ander articul manqueerde, onder „het zeggen dat het niet in voorraad was, wanneer hun „gemeenlijk eenig weinig geld, dog ook eenige reize „niets voor 't manqueerende rantzoen gegeven is. „Dat sedert eenige maanden in plaatze van rantzoen, „excepto rijst en arrak, maandelijks een rijksdaalder „voor kostgeld aan ieder soldaat is verstrekt geworden „van welke niemand hunner in staat was zesda„ „gen, veel minder een maand te subsisteeren. „Dat schoon zij en hunne makkers sedert het begin „der verstrekking van het gemelde kostgeld in plaat„ „„ze van rantzoen, daar over geklaagd en eenpaarig „te kennen gegeven hadden, met een zdr. ter maand „onmogelijk te kunnen rondschieten; en dat hun de „gewoone Rantzoenen te Riouw waar zij geen Bak „hebben gelijk te Malacca, ruim zes maal zoo veel waar„ „dig was, men egter daar op niet alleen geen reflexie „hadt geslagen; maar zelfs hun die, door nood ge„ „Jorangd, zig over deeze voor hun zoo naderlige veran„ „dering bezwaarden, en redres daar in verzogten, „sommigen met arrest en slaagen gedruigjd, en an„ „deren daadtelijk in arrest gezet en geslagen hadt. Dat Den 7. Maart 1787: Dat bij zekere gelegenheid, wanneer 'er gezegd wierdt, „dat eenige anfioen uit 't Pakhuis gestolen was, „hoewel men even zoo min eenige openbreeking „ van die bergplaats als van de anfioenkas hadt kun„ „nen bespeuren, van ieder der in de fortresse te Tan„ „jong Pinang dienst doende Europeschen soldaat, twee „rds van zijne gagie hadt ingehouden, ter betaa„ „ling van de amfioen, die gestolen zoude weezen. Dat ook de soldijen aan hun niet behoorlijk „verstrekt waren, of niet het geen den eenen meer, „den anderen minder bij vertrek naar Riouw daar „van te vooren gestaan of ginder te goed gemaakt „hadden. „ Dat zij overzulks concludeerden dat des Rat. a „ offe Eisschers Eisch ontzegd, op hunne klagten W „reflexie geslagen, en daar op goede Iustitie aan „hun verleend mogte worden, appelleerende bij het „contrarie aan den Agtbaaren Raad van Iustitie „des Casteels Batavia. Op welk dictaamien der Gedaagden den Raad van Iustitie alhier, heeft beslooten= om de bij Eisch overgelegde van Riouw ontvangen stuk„ „ken als buiton Regelen van Regten gecoucheerd zijn„ „de nevens Extract Notulen van het bovengem: dicta„ „nie aan de ondergetekende te rug te geeven, ten einde zoodanige nadere enquesten te doen en te proceeteeren 13 Den 7. Maart 1787. procedeeren als hij bevinden zal te behooren. Daar nu het geen door de bovengemelde vier Deserteurs tot verschooning van hun feit bij het gemelde dictamen is voorgebragt, bij de hier successive van Riouw over„ „gekomen Militairen, en die zij Deserteurs wel tot 20. persoonen bepaalen, gederltelijk dog ook al dunster kan worden onderzogt, vind de ondergetekende zig in de ver„ „pligting Uwel Ed. Gestr. en Heeren te verzoeken, 1. Dat door zoodanige weegen en middelen als uwel Edele Gestr. en Heeren zullen behaagen tot Riouw zelve ook worde onderzogt en nagegaan, hoedanig het ge„ „legen is met de klagten der Gedaagden wegens de ver„ „strekking van rantzoenen ten gemelden Comptoir sedert eenigen tijd herwaarts 2. Dat niet alleen door den Resident David Ruhde een Berigt herwaarts werde gesuppediteerd wegens de te Riouw of Sspeciaal op Tanjong Pinang in Gartisoen zijnde Soldaaten opgelegde vergoeding van twee rds. per man wegens de voorgegeven gestolen zijnde amfi„ „oen, maar ook dat zoo wel Officiers, onder-officie„ „ren, en eenige gemeenen bij een beëedigde Verklaaring dientwegen getuigenis geeven hetgeen hun dienaan„ „gaande bewust mogte zijn 3. Dat mede aldaar naauwkeurig mag worden on„ „derzogt, of aan den soldaat sedert, zijn aanweezen ten gemelden Comptoire zijn gagie rigtig is verstrekt, dan wel door wien het manqueerende is agter gehou„ „den.

NL-HaNA_1.04.02_3818_0495 view scan ↗

English

The 7th of March 1787. and in what it consists. And 4. That the documents submitted herewith, marked with the letters B, C, D, E, and F, may be returned to Riouw, as the first document, letter B, is merely a copy of a declaration at the end of which is stated: This declaration has not been verified nor sworn under oath, because the deponents in this matter were the captors of these runaways, and one would thereby deter the natives in the future from apprehending and bringing in Company deserters; signed D. Ruhde, and the four other documents are also only copies, whereas the Council of Justice requires that the first document be verified and sworn under oath, and that the original verification, as well as that of the four last-mentioned documents, be transmitted hither. I have the honor to be with all high esteem, underneath stood, Right Honorable Sir and Sirs. Lower, Your Right Honorable Sir and Sirs' humble servant, signed F. Thierens, in the margin Malacca the 6th of March 1787. Underneath stood, Agrees, signed I. van Haak, Sworn Clerk. Whereupon, having maturely deliberated, and taking into consideration not only that remaining here in custody until the required inquiry should be completed would be a heavier punishment for the said four soldiers than they would have deserved by absenting themselves from a place where, according to the Fiscal's report, they claim to have been wronged and mistreated, but also that, if the Council of Justice subsequently sentenced them to run the gauntlet, the garrison might possibly refuse to execute that sentence, it has therefore been approved and resolved, in anticipation of the approval of the Honorable High Government of the Indies, to demand from the Council of Justice the lawsuit initiated by the Fiscal against the aforementioned four persons as it stands, and to send it along with the delinquents themselves to Batavia, at the disposal of Their High Mightinesses; and to instruct the Fiscal to conduct the most rigorous investigation into the truth of the grievances presented by them among the persons who have successively arrived here from Riouw, just as, in order to be informed in that regard, the necessary orders will also be dispatched to the Resident there, as well as to Captain Jacob Christiaan Vetter, the titular Ensign George Lodewijk Smit, and Ordinary Fireworker Fredrik Schutz. Malacca, in the Castle, on the date aforesaid, signed P. G. de Bruijn, A. Couperus, J. A. Hensel, F. Thierens, R. B. Hoynck van Papendrecht, H. J. Wiederholt, and C. G. Baumgarten. Sunday the 13th of May 1787. In the afternoon. Meeting of Police. All present. The Governor produced at the meeting a secret letter received this afternoon from the Resident at Riouw, David Ruhde, dated the 6th instant, wherein he writes that he had received word from Mantang, a small place situated behind Tanjong Pinang, that a number of about forty vessels, both large and small, approaching the coast of Riouw, had been sighted; that the persons sent out for further reconnaissance had likewise perceived a fleet of forty vessels, among which were four large penjajaps, namely one with a black, one with a red, and two with white flags, but that the remainder were only small balos, heading towards the shore or south side of the island of Riouw; that it had appeared to them that these were not sea rovers, but a fleet coming from Borneo and commanded by a Prince; that he, the Resident, was also informed that those who had fled from there during the conquest of Riouw for the Company

Dutch transcription

Den 7. Maart 1787. „den, en waar in hetzelve bestaat. En 4. Dat de hier bij overgelegel wordende Actens gemerkt met L a B. , C. , D:, E: en F: naar Riouwmo„ „gen worden te rug gezonden, alzoo de eerste Acte La B. eenlijk een copie verklaaring is, aan welkers einde staat, Deeze verklaaring is niet gerecolleerd nog be„ „eëdigd, om dat de Attestanten in deeze de opbrengers deezer wegloopers waren en men daar door den in„ „lander voor 't vervolg zou afschrikken 's Comps. deserteurs aan te houden en op te brengen; (getekend/ D. Ruhde, en de vier andere Actens ook maar zijn co„ „pijen daar den Raad van Iustitie requireerd dat de eer„ „ste Acte gerecolleerd en beëedigd, en dat dat origineel recollement zoo wel als dat van de vier laastgemelde Actens herwaarts overkome. Ik hebbe de eere met alle hoog agting te zijn /onderstondt/ Wel Edele Gestrenge Heer en Heeren. / La„ „ger/ Uwel Edele Gestr. en Heeren onderdaanige Die„ „naar (getekend/ F. Thierens /:in margine/ Malac„ „ca den 6. Maart 1787 (:Onderstondt:) Accordenrt /getekend:/ I: van Haak E. G. klerk: Waar op rijpelijk gedelibereerd, en niet alleen in aanmerking genomen zijnde, dat hier in hegte„ „nis te blijven zitten, tot dat het gerequireerd onderzoek gedaan zoude zijn, eene zwaarer straf voor de gemelde vier Soldaaten zoude weezen, dan die 15 zij Den 7. Maart 1787. zij verdind zouden hebben door zig van eene plaatze te absenteeren, daar zij, blijkens des Fiscaals Berigt, zeg„ „gen verongelijkt en mishandeld te zijn, maar ook dat, wanneer de Raad van Iustitie hun vervolgens verwees om met de spitsroede gestraft te worden, mo„ „gelijk het Garnisoen zoude weigeren dat Vonnis te exe„ „cuteeren, is derhalven op verhoopte approbatie der Edele Hooge Indische Regeering goedgevonden en ver„ „staan het door den Fiscaal tegen de meergemelde vier persoonen geëntamend Proces, zoo als het is, van den Raad van Iustitie op te eischen, en met de deliquan„ „ten zelfs naar Batavia te zenden, ter dispositie van Haare Hoog-Edelheden, en den Fiscaal te gelasten om na de waarheid der grieven, door hun voorgebragt, de exaet„ „ste recherche te doen bij de successivelijk van Riouw Eer„ „waarts gekomen persoonen, gelijk men om daar om„ „trant geinformeerd te worden ook de noodige orders zal er„ „pedieeren aan den Resident aldaar, benevens den Ca„ „pitain Iacob Christiaan Vetter, Dl. Vaandrig George Loole„ „wijk Smit, en Ordinair Vuurwerker Fredrik Schutz. Malacca in het Casteel dato voorschreven (getekend/ P. G. de Brueijn, A: Couparus, J. A. Hensel, F: Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht, H. J. Wiederholden C. G. Baumgarten. Zondag Zondag den 13. Mai 1787. 's Namiddags Vergadering van Politie. Allen present. De Heer Gouverneur heeft ter Vergaderinge geprodu„ eerd eenen heden middag van den Resident te Riouw David Ruhde ontvangenen Secreeten brief, sub dato 6. ourant, waar in hij schrijft, dat hij van Mantang, en plaatsje gelegen agter Tanjong Pinang, berigt acht bekomen, dat een getal van omtrent veertig oo groote als kleine vaartuigen, die de Riouwsche zal naderden, gezien was; dat de op nadere kund„ schap uitgezonden persoonen mede eene vloot van veertig vaartuigen vernomen hadden waar onder ier groote panjajabs, als een met eene zwarte, ren met eene roode, en twee met witte vlaggen, dog dat de overigen maar kleine baloos waren, boegende naar den land- of Zuidkant van het eiland Riouw; dat het hun hadt toegeschenen dezelven geene reeschui„ rs, maar eene vloot te zijn, die van Borneo kwam, door een Vorst gecommandeerd wierdt; dat hij Resident ook was geinformeerd, dat de bij het con„ quereeren voor de Compagnie van Riouw van daar gevllgte 17 Den 7. Maart 1787. zij verdiend zouden hebben door zig van eene plaatze te absenteeren, daar zij, blijkens des Fiscaals Berigt, zeg „gen verongelijkt en mishandeld te zijn, maar ook dat, wanneer de Raad van Iustitie hun vervolgen verwees om met de spitsroede gestraft te worden, in „gelijk het Garnisoen zoude weigeren dat Vonnis te ex „cuteeren, is derhalven op verhoopte approbatie der Eeal Hooge Indische Regeering goedgevonden en ver„ „staan het door den Fiscaal tegen de meergemelde vie persoonen geëntameerd Proces, zoo als het is, van den Raad van Iustitie op te eischen, en met de deliqua „ten zelfs naar Batavia te zenden, ter dispositie va Haare Hoog-Edelheden, en den Fiscaal te gelasten om na de waarheid der grieven, door hun voorgebragt, de ex „ste recherche te doen bij de successivelijk van Riouw Eer „waarts gekomen persoonen, gelijk men om daar om„ „trent geinformeerd te worden ook de noodige orders zal „pecieeren aan den Resident aldaar, benevens den Ca„ „pitein Jacob Christiaan Vetter, D. l. Vaandrig George Loolt „wijk Smit, en Ordinair Vuurwerker Fredrik Schutz Malacca in het Casteel dato voorschreven (getekend P. G. de Brueijn, A: Couperus, J. A. Hensel, F Thierens, R. B. Hoijna van Papendrecht, H. J. Wiederholden C. G. Baumgarten. Zouslag 17 Zondag den 13. Mai 1787. 's Namiddags Vergadering van Politie. Allen present. De Heer Gouverneur heeft ter Vergaderinge geprodu„ „ceerd eenen heden middag van den Resident te Riouw David Ruhde ontvangenen Secreeten brief, sub dato 6. courant, waar in hij schrijft, dat hij van Mantang, een plaatsje gelegen agter Tanjong Pinang, berigt hadt bekomen, dat een getal van omtrent veertig zoo groote als kleine vaartuigen, die de Riouwsche wal naderden, gezien was; dat de op nadere kund„ „schap uitgezonden persoonen mede eene vloot van veertig vaartuigen vernomen hadden waar onder vier groote panjajabs, als een met eene zwarte, een met eene roode, en twee met witte vlaggen, dog dat de overigen maar kleine baloos waren, boegende naar den land- of Zuidkant van het eiland Riouw; dat het hun hadt toegeschenen dezelven geene rerschru„ „mers, maar eene vloot te zijn, die van Borneo kwam, en door een Vorst gecommandeerd wierdt; dat hij Resident ook was geinformeerd, dat de bij het con„ „quireeren voor de Compagnie van Riouw van daar gevlugte

NL-HaNA_1.04.02_3818_0500 view scan ↗

English

May 1787 The 13th. fled Buginese Regent Radja Ali was present in the said fleet, which possibly intended to surprise Riouw; that, because that fleet was slowly approaching, he, the Resident, feared it might well be awaiting a reinforcement; that the sultan had promised to equip, arm, and send to him, the Resident, the vessels located there, after which he, in consultation with the Commander of the Militia and the other Officers, would see what could be accomplished with those vessels. Requesting meanwhile the prompt procurement of two or three well-armed vessels, fifty Soldiers, whether Europeans or natives, four Gunners, and four Busschieters, announcing that upon the arrival of the vessels from here, three heavy shots in rapid succession from the main fortress would be fired as a signal of safety. Whereupon, having deliberated, it was approved and agreed, First, to dispatch thither as soon as ever possible, for the assistance of the Company's Garrison, the cutter Iava, the bark de Standvastigheid, and the hooker Katwijk aan zee, all well-armed; and distributed aboard those May 1787 The 13th. vessels to place Ensign Johan Fredrik Claas, two Sergeants, two Corporals, one Drummer, and twenty-five Privates of the European Soldiers; as well as twenty-three of the native Christians, one Sergeant, one Corporal, and twelve Privates of the Sepoys, together with one Lieutenant and twelve Privates of the Malay Soldiers, as well as two Bombardiers, five Gunners, and twelve Busschieters; Secondly, to give command to Captain Lieutenant at Sea Paulus Jacobus Blandau, not only over these, but also over other Company vessels that Resident Ruhde might add to them, to destroy or drive off the enemy vessels, provided he undertakes nothing except with the advice and consultation of his Officers, the said Ensign Claas, and the Commanders of the vessels departing with or joining the cutter Iava, and to order him, Blandauw, to make all possible haste to head for Riouw, and, should he encounter the aforementioned Buginese fleet, either underway or before or near Riouw, May 1787 The 13th. to attack the same for the said purpose, namely to destroy or drive it off, as well as subsequently strictly to carry out the orders that Resident Ruhde shall give him; however, if Riouw should unhappily have already been taken by the enemy, he must consider with the said Officers and Commanders which of these two courses of action he should choose, namely, to remain cruising before Riouw until he receives further orders from here, or immediately to return; so that, even if upon his approach or arrival before or at the roadstead of Riouw the prescribed signal is not given from the main fortress on Tanjong Pinang, and this should be proof that the enemy is in possession of the place, he nevertheless must not give up hope of saving the Company's Garrison before he has employed all means to obtain greater certainty regarding its fate. And, thirdly, sending a copy of the Instruction that will be given to Captain Lieutenant at Sea Blandauw, to write to Resident Ruhde that, since that Officer is among other things ordered strictly to follow after his arrival there The 13th May 1787. follow the orders he receives from him, the Resident, he must provide him with further Instructions regarding what he is to do, whether he, the Resident, chooses to keep the vessels sent thither at or near the roadstead of Riouw to keep the enemy away from there, or thinks fit to send the same, together with the sloop de Johanna and pantjallang Banca located there (if the latter has not yet returned hither), around behind Bintang in order to seek out the enemy vessels and destroy or drive them off, provided he does not resolve upon the latter without some well-founded prospect of success; that the state of the Garrison here does not permit reinforcing that of Riouw with fifty men, besides the Soldiers placed aboard the aforementioned three vessels; however, if the enemy has already landed elsewhere and those vessels must consequently be retained for the protection of the Company's fortresses, he, the Resident, may withdraw fifty Soldiers from them, together with Ensign Claas and eight or more Artillerymen, to be employed in the main fortress; that there is no doubt but that the king, by equipping, May 1787. arming, and sending the promised vessels, will have enabled him, the Resident, with Heaven's help, courageously to resist the enemy who might have attacked the Company's Garrison until the appearance of the required and promptly arranged relief, in order subsequently to foil his designs and compel him to retreat; that he, the Resident, must thereafter send back the cutter Iava, bark de Standvastigheid, sloop de Johanna, and pantjallang Banca, with all the Soldiers and Artillerymen placed aboard the two first-named vessels and the hooker Katwijk aan zee, without exchanging any of them for others, and also as much of the 3000 lb. of gunpowder that will be sent thither for the Company's Garrison as he can spare; however, being obliged to retain some of the aforementioned vessels for some time longer, he must by all means let the bark de Standvastigheid return to carry over rations for the expedition's men there; that a rumor is circulating here that the King of Palembang has fitted out some grabs or galleasses with fully one hundred other vessels, The 13th. to

Dutch transcription

Mai 1787 Den 13. gevlugte Boegineesche Regent Radja Ali zig in de gemelde vloot bevondt, die mogelijk een toeleg hadt om Riouw te overvallen; dat, vermits die vloot langzaam nader„ „de, hij Resident bedugt was dat zij wel ligt nog een renfort inwagtte; dat de sulthan beloofd hadt de ginder zijnde vaartuigen te zullen equipeeren, ar„ „meeren, en hem Resident toezenden, waar na hij met overleg van den Commandant der Militie en de verdere Officieren zien zoude wat men met die kielen kon uitvoeren. Verzoekende inmiddens om de spoedige erlanging van twee of drie wel gearmeerde vaartuigen, vijftig Mili„ „toiren, 't zij Europeers of inlanders, vier Canonniers en vier Busschieters, onder bekendmaaking, dat bij de aan„ „komst der vaartuigen van hier tot een sein van verzekering drie zwaare schooten uit de hoofdfortresse kort na elkanderen zouden gedaan worden. Waar op gedelibereerd zijnde, is goedgevonden en ver„ staan, Eerstelijk, de kotter Iava, de bark de Standvastigheid, en den hoeker Katwijk aan zee, allen wel gearmieerd, zoo spoedig imers mogelijk, ter adsistentie van Comps. Bezetting naar derwaarts te expedieeren; en op die kielen Mai 1787 Den 13: E kielen verdeeld te plaatzen den Vaandrig Johan Fredrik Claas, twee Sergeanten, twee Corporaals, een Tamboer en vijf en twintig Gemeenen van de Europesche Mili„ „tairen; benevens drie en twintig van de inlandsche Christenen, een Sergeant, een Corporaal, en twaalf Ge„ „meenen van de Sipais, mitsgaders een Luitenant en twaalf Gemeenen van de Maleitsche Militairen, ge„ „lijk ook twee Bombardiers, vijf Canonniers, en twaalf Busschieters: Ten tweeden, den Capitein Luitenant ter Zee Paulus Ia„ „cobus Blandaua het bevel te geeven, niet alleen over deeze, maar ook over andere Comps vaartuigen, die de Resident Rulde daar bij zoude mogen voegen, om de vijandelijke vaartuigen te vernielen of te verjaagen, mits hij niets onderneeme, als met advies en overleg van zijne Officieren, den gemelden Varandrig Claas, en de Gezaghebbers van de met de kotter Iava vertrekkende of daar bij komende vaartuigen, en hem Blandauw te gelasten, dat hij allen mogelijken spoed moet maaken om Riouw te bestevenen, en, wan„ „neer hij de meergemelde Boegineesche vloot, 't zij onder weg, dan wel voor of omtrent Riouw ontmoet„ dezelve 19 Mai 1787: Den 13. dezelve ten gezegden einde, naamelijk om haar te ver„ „nielen of te verjaagen, attaqueeren, mitsgaders vervol„ „gens stiptelijk nakomen de orders, die de Resident Ruhde hem zal geeven, dog dat hij, indien Riouw reeds onverhoopt door den vijand mogte weezen ingeno„ „men, met de gemelde Officieren en Gezaghebbers moet over„ „wergen wat van deeze twee partijen hem te kiezen staat, naamelijk, voor Riouw te blijven kruissen tot dat hij nadere orders van hier ontvangt, of immediaat weder te keeren! dat hij overzulks, schoon bij zijne nadering, dan wel komste voor of op de reede van Riouw, het voorschreven sein van de hoofdfortresse op Tanjong Linang niet mogte worden gedaan, en dit een bewijs zoude zijn dat de vijand in het bezit van de plaats is, egter de hoop van Comps. Bezetting te redden niet moet verloozen geeven voor dat hij alle middelen heeft aangewend om nopens haar lot meer„ „der zekerheid te erlangen. En, ten derden, onder toezending eener copie van de In„ „structie, die de Capitein Luitenant ter zee Blandauw zal worden medegegeeven, den Resident Ruhde aan te schrijven, dat, vermits dien Officier onder anderen gelast is na zijn arrivement ginder stiptelijk op te volgen, Den 13. Mai 1787. volegen de vorders, die hij van hem Resident ontvangt, bij denzelven van eene nadere Instructie van hetgene, hem te doen staat moet voorzien, 't zij dat hij Resident verkiest de naar derwaarts gezonden wordende kielen, op of om„ „trant de reede van Riouw aan te houden, om den vijand van daar te weezen, dan wel goedvindt dezelve met de gin„ „der zijnde sloep de Iohanna en pantjallang Banca (in„ „dien de laaste nog niet herwaarts geretourneerd is) agter Bintang om te zenden, ten einde de vijandelijke vaartui„ „gen op te loopen en te vernielen of te verjaagen, mits zig tot het laaste niet bepaalende zonder eenig gegrond voor uitzigt van een goed succes; dat de staat van het Garnisoen alhier niet toelaat dat van Riouw niet vijftig man te versterken, buiten de Militairen, die op de voorschreven drie vaartuigen geplaatst zijn, dog, indien de vijand reeds elders geland is, en die vaar„ „tuigen derhalven tot dekking van Comps. fortressen moeten worden aangehouden, hij Resident van de„ „zelven vijftig Militairen kan ligten, benevens den Vaandrig Claas en agt of meer Artilleristen, om in de hoofdfortresse geëmploijeerd te worden; dat men niet twijfelt of de koning zal door het equipeeren armesten 21 Mai: 1787. armeeren en toezenden der beloofde vaartuigen hem Resident in staat gesteld hebben, om met 's Hemels hulpe den vijand, die Comps Bezetting mogte hebben aan„ „gevallen, manmoediglijk te resisteeren tot de opdaa„ „ging van het gerequireerde en onvertraagd beschikt wor„ „dende secours, ten einde vervolgens zijne oogmerken te verijdelen en hem tot de retraite te noodzaaken; dat hij Resident daar na de koster Iava, bark de standvas„ „tigheid, sloop de Iohanna, en pantjallang Banca te rug moet zenden met alle de op de twee eerstgemelde kielen en den hoeker Katwijk aan zee geplaatste Militairen en Artilleristen, zonder eenigen van dezelven tegen ande„ „ren te verwisselen, en ook zoo veel van de 3000. –. lb. buskruids, die voor Comps. Bezetting naar derwaarts zullen worden gezonden, als hij missen kan, dog tot de aanhouding nog eenigen tijd van sommigen der meergemelde vaartuigen verpligt zijnde, de bark de standvastigheid voor al laaten wederkeeren, om rant„ „zoenen voor het volk van de Expeditie derwaarts over te brengen; dat hier een gerugt loopt, dat de Koning van Palembong eenige goerabs of gallowetten met wel honderd andere vaartuigen herft doen uitruesken, Den 13. om

NL-HaNA_1.04.02_3818_0505 view scan ↗

English

23 The 13. May 1787. to seek out the Siak pirate vessels of Said Ali, which roam in the Strait of Bangka and have already taken some tin vessels, and he, the Resident, therefore, if the fleet observed from Mantang should not yet have undertaken anything hostile against the Company, must if at all possible have it investigated whether it is not the Palembang fleet, in order not to err by attacking it by mistake. Malacca in the Castle, date as above. Signed: P. G. de Bruijn, A. Couperus, I. A. Hensel, T. Thierens, H. J. Weederhold, and C. G. Baumgarten. Monday the 21. May 1787. In the Forenoon. Council of Policy. All present. Having reviewed the Report delivered by the Merchant and former Resident at Riau, David Ruhde, upon his arrival on the 19. of this month to the Lord Governor, and now produced by His Honor, May 1787. The 21. Report concerning what occurred at the said place after the dispatch of his secret letter of the 6. instant until the night of the 15. following, on which he abandoned the Company's fortresses with a part of the garrison: it was resolved to have the said Ruhde report further in writing, First, from whom and in what manner he obtained the news communicated in his secret letter of the 6. of this month, that Raja Ali was with the fleet which had been seen five days before behind Tanjung Pinang, considering that his aforesaid Report mentions nothing of that Prince, but rather that the enemy fleet was commanded by the Sulu Princes Raja Alam and Raja Muda, and that according to the report both of the trusted native soldier sent to the said fleet and of the emissaries of the Sultan at Riau, no Buginese were seen or heard on board, and they encountered only a few persons who spoke the Malay language; Secondly, on what foundation his remark in the frequently mentioned Report rests, that Sultan Mahmud 25 May 1787. The 21. knew so well how to conceal and keep secret his plotted intentions that nothing of them leaked out, since it is not established that Sultan Mahmud himself had a hand in the enterprise of the Sulu people, which turned out so disadvantageously for the Company, and the mere account of the disloyal Buginese resident at Riau, Daeng Tappa, that the Sulu vessels had come at the request of that Monarch Sultan Mahmud to help expel the Company from Riau, is not sufficient to hold His Highness suspect or to accuse him of having plotted such a villainous attack against his Liege Lords and Allies; Thirdly, whether the agreement mentioned in the P.S. of his secret letter of the 6. of this month with the Captains of the Chinese, that they would supply one hundred men to be employed in the fortress and that one of them would also keep watch therein, was fulfilled or not, and how that Nation in general, or any of them in particular, conducted themselves toward the Company; Fourthly, whether the Officers of the Militia and Artillery May 1787. Artillery did or did not perform their duty in defending the Company's fortresses; Fifthly, what the name is of the soldier who, like the native Officers, would not conform to the desire of the other European garrison members to capitulate to the enemy; Sixthly, why the sloop the Johanna could not cross the bank as well as the pantchiallang Bangka, but ran aground and therefore had to be left behind? And, if this is to be attributed to its greater draft, why the Resident did not give orders to the Master of that vessel to sail to a more suitable anchorage from which it could drift off at all times; Seventhly, what the reason is that the Resident did not have enough small craft at hand to save, in addition to the cash, other Company effects and its Servants when emergency arose, since through the absence thereof six chests of opium remained in the warehouse, and most of the garrison members perished miserably or fell into the enemy's clutches. The 21. May 1787. It was also resolved to direct the Merchant David Ruhde and Military Captain Jacob Christiaan Vetter, after mature deliberation with one another, to present to this Council in writing what means they believe to be the most suitable, safest, and therefore most preferable for the recapture of Riau, as well as how many troops and what kinds of vessels would be necessary for such an undertaking; and also how one ought to fortify oneself there to be better able to repel enemy attacks than now appears to have been possible. Notwithstanding this presumed impossibility, as well as the abandoning of the sloop the Johanna, it was nevertheless resolved, in order to be certain that the abandonment both of that vessel and of the Company's main fortress at Tanjung Pinang cannot be imputed to any neglect of duty, to have the Fiscal Thierens conduct a careful investigation into this, in order subsequently to provide a written Report of his findings, and meanwhile the pay of all those ashore and on the said sloop. 27

Dutch transcription

23 Den 13. Mai 1787. oe de Siaesche roofvaartuigen van said Ali, die in de straat Banca zwervon en reeds eenige tinvaartuigen ge„ „nomen hebben, op te zoeken, en hij Resident derhalven indien de van Mantang geobservende vloot nog niets vrijandelijks tegen de Compagnie ondernomen mogte hebben, bij maar eenige mogelijkheid moet laaten navorschen, of zij niet de Palembangsche vloot is om door het abusief aanranden van dezelve niet te misdoen. Malacca in het Casteel dato voorschreven (Getekend/ P. G. de Bruijn, A. Couperus, I. A. Hensel, TThierens, H. J: Weederhold, en C. G: Baumgarten. Maandag den 21. Mai 1787. 's Voormiddags Vergadering van Politie. Allen present. Geresumeerd zijnde het door den Koopman en geweezen Resident te Riouw David Ruhde bij zijn arrivement op den 19. hujus aan den Heer Gouver„ „neur overgegeven en door zijn Ed. tans geprootuceerd Berigt Mai 1787. Den 21. Berigt, nopens hetgene ter gemelde plaatze is voorge„ „vallen na de depeche zijnes secreeten briefs van den 6. courant tot den nagt van den 15. daar aan dat hij met een gedeelte der Bezettelingen Comps. fortressen ver„ „laten heeft: zoo is verstaan door den gemelden Rut„ „de nader schriftelijk te laaten berigten, Eerstelijk, van wien en op hoodanige wijze hij beko„ „men heeft de bij zijnen secreeten brief van den 6. dee„ „zer gecommuniceerde tijding, dat Radja Ali zig in de vloot bevondt, die vijf dagen bevoorens agter Tan„ „jong Linang gezien was. gemerkt zijn voorschreven Berigt niets van dien Prinsmeldt, maar wel dat de vijandelijke vloot door de Soloksche Prinsen Radja Alam en Radja Moeda gecommandeerd wierdt, en dat volgens het rapport, zoo wel van den naar dezel„ H: „ve vloot gezonden vertrouwden inlandschen soldaat, ails van de zendelingen des sulthans te Riouw, geene Boegineeschen aan boord gezien of vernomen, en hun maar weinige persoonen voorgekomen waren, welke de Maleitsche taale spraken; Ten tweeden, op wat fundament zijne remarque bij het meergemeld Berigt, dat Sulthan Machmoet zijn. 25 Mai 1787 Den 21. zijn gesmeed voornermen zoo wel heeft weeten te bedek„ „ken en te secreteeren, dat daar van niets is uitgelekt, stount. ? nadien het niet consteert, dat Sulthan Machmoet zelf de hand gehad heeft in de voor de Com„ „pagnie zoo nadeelig uitgevallen onderneeming der Solokkers, en het enkeld verhaal van den ontrouwen Boe„ „gineeschen inwooner te Riouw Dain Tappa, dat de Lo„ „loksche vaartuigen op verzoek van dien Vorst / Sul„ „than Machroet / gekomen waren om de Compagnie van Riouw te helpen verdrijven, niet genoegzaam is om zijne Hoogheid verdagt te houden of te beschul„ „digen van zulk een snooden aanslag tegen zijne Lieu„ „heeren en Bondgenooten gesmeed te hebben; Ten derden, of aan de bij het P: S. van zijnen Secreeten: brief van den 6. deezer gemelde overeenkomste met de Capitains der Chineeschen, dat zij een honderd kop„ „pen zouden beveren om in de fortresse geemploijeerd te worden, en een van hun mede de wagt daar in te houden, beantwoord is, dan niet, en hoedanig die Natie in 't algemeen, of eenigen van dezelve in 't bij„ „zonder, zig omtrent de Compagnie gedragen hebben. Ten vierden, of de Officieren van de Militie en Artillerije Mai 1787 E Artillerije zig al of niet van hunnen pligt hebben ge„ „kweten in het defondeeren van Comps fortressen! Terd vijfden, hoe de soldaat genaamd is, die wen als de inlandsche Officieren zig niet wilde conformeeren met het verlangen der overige Europesche Bezettelingen om met den vijand te capituleeren. Ten zosden, waarom de sloep de Iohanna niet zoo wel als de pantjallang Banca over de bank heeft kunnen komen, maar vastgeraakt is, en derhal„ „ven agtergelaten heeft moeten worden? En, indien zulks te astribueeren is aan derzelver meerder diep„ „treeding, waarom de Resident dan niet aan den Gezaghebber van dat vaartuig order gegeven heeft ter verzeilinge naar eene bekwaamer ankerplaats, van waar het ten allen tijde kon afdrijven". Ten zevenden, wat de reden is dat de Resident geene kleine vaartuigen genoeg aan handen gehad heeft, om behalven de contanten ook andere Comps„ effecten en haare Dienaaren te kunnen sauveeren, wanneer de nood aan den man kwam. t alzoo door ontstentenis van dezelven zes kassen amfioen, in het pakhuis verbleven, en de meeste Bezettelingen ongelukkig omgekomen, of in 's vijands klaauwen Den 21 geraakt. Den 27 Mai 1787. geraakt zijn. Nog is verstaanden Koopman David Ruhde en Capitein militair Iacob Christiaan Vetter te gelas„ „ten, om, na een rijp overleg met elkanderen, aan deeze. Vergadering schriftelijk op te geeven, welke middelen zij vermeenen ter heroveringe van Riouw de geschikt„ „ste, veiligste, en dus verziesbaarste te zijn, mitsga„ „ders hoe veel manschappen en welke soorten van vaartuigen tot zulk eene onderneeming noodig zouden weezen! gelijk ook hoe men zig daar zoude behooren te versterken, om vijandelijke aanvallen beter te kunnen afieeren, dan het nu schijnt mogelijk geweest te zijn! Onaangezien deeze presumtive onmogelijkheid; gelijk ook de redeling van de sloep de Iohanna, is egter om verzekerd te weezen dat de verlaating, zoo „wel van dat vaartuig, als van Comps. hoofd fortresse te Tanjong Linang, niet aan eenig pligtverzuine kan worden geimputeerd, verstaan door den Fiscaal Thierens een naauwkeurig onderzoek daar na te laaten doen, ten einde vervolgens wegens zijne bevinding te dienen van schriftelijk Berigt, en intusschen de ga„ „ge van alle de daar aan de wal en op de gemelde Hoep 27

NL-HaNA_1.04.02_3818_0510 view scan ↗

English

May 1787. The 21st. sloop, to have the Company's servants written off as of the 15th of this current month, when said fortresses and sloop were abandoned at night; but regarding the rescued non-commissioned officers and privates among the military and artillerymen, as well as the common sailors on the aforementioned vessel, as well as Assistant Carel Bruijns and Under-Surgeon Iohan Barthold Eggena, to have their pay resume from the 19th of this month, when they arrived here and were also actually employed in the Company's service. From the aforementioned report of Merchant Ruhse, it appears that the Captain of the Amoy Chinese at Riouw, Ting Bienko, still owes the Company the redemption sum of two chests of opium amounting to rds. 1120. 40. -., and that the said Ruhse, upon his return from here on the 13th of this month, detained a native pantjallang belonging to him, Ting Bienko; it has thus been approved and agreed to have the said pantjallang, which arrived here with a portion of the Riouw garrison alongside the pantjallang Banca, together with the goods laden therein on account of Ting Bienko, sold by the sequester at public auction, and from the proceeds thereof 29 The 21st of May 1787. — to indemnify the Company regarding the aforementioned debt. The Governor having communicated that the envoy from the King of Iohor-Pahang etc., Longhoeloe Awang, mentioned in the General Resolution of the 15th of April last, when he took leave of His Honour on the 18th of this month, or the day before the arrival of the aforementioned pantjallang Banca, paid two hundred rds. in reduction of his Prince's debt to the Company, which amounted to rds. 1368. 36. -., and that His Honour had this small sum transferred to the Company's treasury; it has thus been agreed to keep note of this herewith. Having read a letter received from the First Resident at Palembang, Pieter Walbeeck, dated the 30th of April last; in which he writes that under the supreme command of one Said Ali, and three or four other petty princes, a multitude of pirate vessels outfitted within Siac are roaming near the island of Banca, which have already overpowered three or four vessels laden with tin, and that, because the Company's trade is thereby obstructed to such an extent that the shipment of tin has come to a total standstill, it would for the future be most necessary to punish some of these pirates, The 21st of May 1787. and particularly their leaders, according to their deserts, if they could be overtaken upon their return to Siac; And taking into consideration that the nephew of the old King at Siac, Radja Machomet Ali, named Said Ali, who departed from there some time ago with several vessels and joined forces to the south with some other pirates who had previously steered thither or followed him, will undoubtedly be the same Said Ali mentioned by the Resident of Palembang; but that not only is there no sufficient number of vessels and men at hand to seek out the said pirates, but also no prospect of overtaking them thereby, as the Company's cruisers cannot approach the shore at such a short distance as native vessels, and they could therefore be pursued better by similar vessels outfitted at Palembang; it has thus been approved and agreed to have this remark serve as a reply to the Resident of Palembang, as well as that the old King Radja Machomet Ali, who is more respected in Siac than the King 31 The 21st of May 1787. of that realm, Radja Taia, shall be most earnestly addressed regarding the aforementioned piracies and exhorted to immediately recall his said nephew Said Ali, along with the other Siac princes, with the vessels under their command; but, should they be unwilling to comply with his summons, to directly employ such means as may be capable of compelling them thereto, as well as to ensure that the vessels with tin taken by them be returned, either at Palembang or here. Malacca, in the Castle, the date aforesaid. Signed / P. G. de Bruijn, A. Couperus, I: A: Hensel, F: Thierens, H. J. Weedschold, C. G. Baumgarten and G. Pungel. Tuesday the 29th of May 1787 Afternoon Council of Policy. All present. The Governor produced to the meeting The 29th of May 1787. a report of three Malays who had been sent out on reconnaissance and returned today. Upon the reading of which, it appeared among other things that Radja Alam, the head of the Sulu people who captured Riouw, intended to turn his forces against Malacca now, in order, according to his words, to visit the grave of Radja Hadijee, but that Sultan Machmoet advised him not to be hasty in this; it is therefore, on the Governor's proposal, approved and agreed not only to provide the redoubt on Bouquitchina with cannons and whatever else is necessary for sufficient defense, as well as, for garrisoning both the same and other outposts during the present critical circumstances, to enlist into the Company's service one hundred Chinese and two hundred Malays, the commissioned and non-commissioned officers included, at the pay decreed for the commissioned officers in the General Resolution of the 29th of December 1781, and for the non-commissioned officers and privates in that of the 26th of October preceding, but also to order the heads of the native nations to register all their able-bodied men in bonds

Dutch transcription

Mai 1787. Den 21. sloep beschuden geweest zijnde Comps. Dienaaren te laa„ „ten afschrijven met den 15. deezer loopende maand, dat men 'snagts de gemelde fortressen en sloep verlaaten heeft, dog die van de gesauveerde Onder-officieren en Geinee„ „nen onder de Militairen en Artilleristen, mitsgaders van de gemeene zewaarenden op het meergemelde vaar„ „tuig, gelijk ook van den Adsistent Carel Bruijns en Onderchirurgijn Iohan Barthold Eggena, weder te laaten cours neemen met den 19. deezer dat zij hier gearriveerd en ook werkelijk in Comps. dienst geomploijeerd zijn. Bij het voorschreven Berigt van den Koopman Ruh„ „se consteerende, dat de Capitein der Aimuijers te Riouw Ting Bienko nog aan de Compagnie betaalen moet het uitkoops- bedraagen van twee kassen mifioen tot rds. 1120. 40. -., en dat de gemelde Rulde, bij haar retour van hier op den 13. hujus, heeft aangehouden eene hem Ting Bienko toebehoorende inlandsche pantjallang: zoo is goedgevonden en verstaan de gemelde pantjal„ „lang, die met een gedeelte der Riouwsche Bezettelin„ „gen nevens de pantjallang Banca hier aangekomen is, met de voor rekening van Ting Bienko daar in ge„ „laden goederen, door den sequester bij publique opvei„ „ling te laaten verkoopen, en uit het provenu daar van 29 Den 21 Mai 1787. — van de Compagnie omtrent de voorgemelde schuld schoden „loos te stellen. Door den Heer Gouverneur gecommuniceerd zijn„ „de, dat de bij Gemeene Resolutie van den 15. April laast„ „leden gemelde zendeling van den Koning van Iohor„ Lahanenz., Longhoeloe Awang, toen hij op den 18. dee„ „zer, of 'sdlaags voor de komste van de voorschreven pant„ „jallang Banca, van zijn Ed. afscheid nam, in minde„ „ring der schuld van zijnen Vorst aan de Compagnie, ten bedraagen van rds. 1368. 36. –. , hadt betaald twee hon„ „derd rots, en zijn Ed. dit sommetje in Comps. Geldkas„ „se laaten overbrengen: zoo is verstaan daar van bij deezen Notitie te houden. selezen zijnde een van den Eersten Resident te Palembang Pieter Walbeeck ontvangen brief sub dato 30. April laastleden; waar in hij schrijft, dat onder het Opperbevel van eenen Said Ali, en drie of vier ande„ „re Prinsjes, eene menigte van binnen Siac uitgerus„ „te roofvaartuigen omtrent het eiland Banca zuerwar, die bereeds drie of vier vaartuigen met tin geladen, overmeesterd hebben, en dat, dewijl Comps. handel daar door zoodanig verhinderd wordt, dat de verzending van tin ten eenenmaale stilstondt, het voor het ver„ „volg ter noodzaakelijk zoude zijn eenigen dier roovers Den 21. Mai 1787. roovers, en wel principaal de Hoofden daar van, indien menze bij retour naar Siac kon agterhaalen, naar merite te straffen; En daar op in aanmerking genomen wee„ „zende, dat de neef van den ouden Koning te Siac Rad„ „ja Machomet Ali, met naame Said Ali, die, nu eenigen tijd geleden, met verscheiden vaartuigen van daar vertrokken is, en zig om de zuid met eeni„ „ge andere bevoorens naar derwaarts gestevende of hem gevolgde zeeschuimers vereenigd heeft, ongetwijfeld dezelfde Said Ali zal zijn, van welken de Resident van Palembang gewaagt; dog dat men niet alleen geen genoegzaam getal van vaartuigen en volk aan handen heeft om de gemelde roovers te kunnen laa„ „ten opzoeken, maar ook geene apparentie om hun door dezelven te agterhaalen, dewijl Comps. kruissers de wal op zulk eene korte distantie niet kunnen naderen, als inlandsche vaartuigen, en zij derhalven door soortge„ „lijke vaartuigen te Palembang uitgerust, beter zou„ „den kunnen vervolgd worden: zoo is goedgevonden en verstaan deeze remarque zoo wel te laaten dienen tot antwoord aan den Resident van Lalem„ „bang, als dat den ouden Koning Radja Machomet Ali, die in siac meer ontzien wordt, dan de Ko„ „ning 31 Den 21. Mai 1787. „wing van dat Rijk Radja Taia, over de voorschreven Zeeroo „verijen op het ernstigste zal worden onderhouden, en ver„ „maand, om zijnen gemelden neef said Ali, benevens de verdere Siacsche Prinsen, met de onder hun bevel staande vaartuigen, ten eersten te rug te ontbieden, dog, wanneer zij onwillig zijn om aan zijn opontbod te voldoen, direct zulke hoiddelen in het werk te stellen, die in staat kunnen weezen om hun daar toe te verpligten, mitsgaders ook te zorgen dat de door hun genomen vaartuigen met tin, 't zij te Palembang of hier, wor„ „den wedergegeven. Malacca in het Casteel dato voorschreven getekend/ P. G. de Bruijn, A. Couporus, I: A: Hen„ „sel, F: Thierens, H. J. Weedschold, C. G. Baurgarten en G. Pungel. Dingsdag den 29: Mai 1787 's Namiddags Vergadering van Politie. Allen present. De Heer Gouverneur heeft ter Vergaederinge geprocluceerd „ Den 29. Mai 1787. geproduceerd een Relaas van drie op kundschap uit„ „gezonden en heden wedergekende Maleijers. Bij welks lecture onder anderen te vooren gekomen zijnde, dat Radja Alam, het Hoofd der Solokkers, die Riouw hebben ingenomen, geintentioneerd was om zijne magt nu tegen Malacca te wenden, ten einde„ volgens zijn zeggen het graf van Radja Hadijre te bezig„ „tigen, dog dat Sulthan Machmoet hem aanraad de zig daar niet mede te overhaasten, is overzulks, op 's Gouverneur propositie, goedgevonden en verstaan niet alleen de redout op Bouquitchina van canons en hetgene verder ter genoegzaame defensie noodig is te voorzien, mitsgaders ter bezetting zoo van de„ „zelve als van andere buitenposten, geduurende de tegenswoordige critique omstandigheeden in Comps. dienst aan te neemen een honderd Chineeschen en twee honderd Maleijers, de Opper- en Ouder-officie„ „ren mede gerekend, tegen de besolding voor de Op„ „per-officieren bij de Gemeene Resolutie van den 29. De„ „cember 1781, en voor de Onder-officieren en Gemeenen bij die van den 26. October bevoorens, gearresteerd, maar ook de Hoofden van de inlandsche Natien te ge„ „lasten om al hun bekwaam manvolk in bonden te

NL-HaNA_1.04.02_3818_0515 view scan ↗

English

The 29th of May 1787 to divide, to place a Mandadoor over each band, and to arm those who are experienced in handling firearms with them, to which end the necessary muskets, live cartridges, and cutlasses shall be delivered to them under the responsibility of the said Captains, so that in case of alarm they may appear at the places that must be protected; but to leave the remaining arrangements for resisting enemy attacks deferred to the Governor. And considering that at least one Militia Officer and one Artillery Officer are required in the aforementioned redoubt on Bouquitchina as well as in the town line, but that at present there are only three active duty Militia Officers here, besides the Captain Commandant, and of the Artillery only one, besides the Ordinary Lieutenant and Overseer of the same, while on the cutter Iava, which is about to depart for the Banka Strait, the post of the Third Watch placed on the packet boat the Postlooper must also be filled. 33 The 29th of May 1787. produced a report of three Malays who were sent on a scouting mission and returned today. Upon the reading of which it appeared, among other things, that Radja Alam, the Chief of the Solokkers who have taken Riouw, intended to turn his force against Malacca now, according to his statement in order to visit the grave of Radja Hadji, but that Sultan Machmoet advised him not to rush into this; it has therefore, upon the Governor's proposal, been approved and agreed not only to provide the redoubt on Bouquitchina with cannon and whatever else is necessary for an adequate defense, as well as to enlist in the Company's service during the present critical circumstances one hundred Chinese and two hundred Malays, including superior and non-commissioned officers, for garrisoning the same as well as other outposts, at the pay for superior officers determined by the General Resolution of the 29th of December 1781, and for non-commissioned officers and privates by that of the 26th of October prior, but also to order the Chiefs of the native nations to divide all their able-bodied men into bands, The 29th of May 1787 to divide, to place a Mandadoor over each band, and to arm those who are experienced in handling firearms with them, to which end the necessary muskets, live cartridges, and cutlasses shall be delivered to them under the responsibility of the said Captains, so that in case of alarm they may appear at the places that must be protected; but to leave the remaining arrangements for resisting enemy attacks deferred to the Governor. And considering that at least one Militia Officer and one Artillery Officer are required in the aforementioned redoubt on Bouquitchina as well as in the town line, but that at present there are only three active duty Militia Officers here, besides the Captain Commandant, and of the Artillery only one, besides the Ordinary Lieutenant and Overseer of the same, while on the cutter Iava, which is about to depart for the Banka Strait, the post of the Third Watch placed on the packet boat the Postlooper must also be filled. 33 May 1787 The 29th: it has been approved and agreed to employ the Captain and Lieutenant Ensign of the Militia Iacob Christiaan Vetter and George Lodewijk Schmidt, Ordinary Fireworker Fredrik Schutz, and Third Watch Jochem Hendrik Tessensohn, who recently arrived here from Riouw and who, as far as has been ascertainable until now, have not been guilty of any neglect of duty but have observed their duty as brave Officers, and therefore also to allow their wages, which were written off in accordance with the secret Resolution of the 21st instant, to run again starting the 1st of June next. Malacca in the Castle, dated as above. Signed: D. G. de Bruijn, A. Couperus, I. A. Hensel, F. Thierens, H. J. Wiederhold, C. G. Baumgarten, and G. Pungel. Saturday the 25th of August 1787 In the forenoon Council of Policy. All present. Upon the report given by a Chinese who arrived from Riouw on the 18th instant and produced by the Governor, stating among other things that The 25th of August 1787 the Captain of an English ship, which had been in the roads over there, not only inquired after the place where the sultan is now staying, but also requested and obtained a pilot to guide him to the same; and there being reason therefore to suspect that this Captain may possibly have orders to sound out the sultan as to whether His Highness would be willing to allow the English to settle at Riouw for trade; so, in order to prevent this and to preserve the right of the Company's ownership to that place acquired by force of arms until one is able to make further arrangements regarding it, it has been approved and agreed to dispatch thither the ship Huisduinen, the hooker the Eensgezindheid, and the pantjallangs the Tonijn and Bliton, sufficiently armed, to confer the command over this expedition upon Sea Captain Arie Simonse Koek, and to order him: 1. Upon his arrival in the roads of Riouw, to place the latter three vessels in such order that the ship Huisduinen can support them and they that vessel, should they be attacked by the Solok and Riouw pirates, and subsequently through the Chinese, who with his vessel under convoy of 35

Dutch transcription

Den 29. Mai 1787 te verdeelen, over ieder bende een Mandadoor te stellen, en te zulken, die in de behandeling van het schietgeweer waaren zijn, daar mede te wapenen, ten welken ein„ te de noodige snaphaanen, scherpe patroonen, en Gouwers, ter verantwoordinge van de gemelde Capi„ enns, aan hun zullen worden afgegeven, op dat zij cas van alarm verschijnen kunnen ter plaat„ ren, die beschermd moeten worden; dog de overige schikkingen ter resistentie van vijandelijke aan„ vallen aan den Heer Gouverneur gedefereerd te laa„ en. En geconsidereerd in de voorschreven redout op Bouquitchina, zoo wel als in de Stadslinie ten minsten een Officier van de Militie en een van de le Artillerije gerequireerd wordt, dog hier tans maar drie actueel dienst doende Officieren van de Mi„ litie zijn, buiten den Capitain Commandant, en an de Artillerije slegts een, buiten den Ordinair luitenant en Opziener van dezelve, terwijl op de kot„ ter Iava ook, die naar de straat Banca staat te vertrekken, de plaats van den op de paquetboot de Costlooper gestelden Derdewaak moet vervuld wor„ „den 33 Den 29. Mai 1787. geproduceerd een Relaas van drie op kundschap in „gezonden en heden wedergekeerde Maleijers. Bij welks lecture onder anderen te vooren gekome zijnde, dat Radja Alam, het Hoofd der Solokkers, die Riouw hebben ingenomen, geintentioneerd was om zijne magt nu tegen Malacca te wenden, ten ein volgens zijn zeggen het graf van Radja Hadjra te bezi „tigen, dog dat sulthan Machmoet hem aanraadde zig daar niet mede te overhaasten, is overzulks, op' Gouverneur propositie, goedgevonden en verstaan niet alleen de redout op Bouquitchina van canon en hetgene verder ter genoegzaame defensie noodi is te voorzien, mitsgaders ter bezetting zoo van de „zelve als van andere buitenposten, geduurende de tegenswoordige critique omstandigheden in Comps dienst aan te neemen een honderd Chineeschen en twee honderd Maleijers, de Opper- en Ouder- officie „ren mede gerekend, tegen de besolding voor de Of „per- officieren bij de Gemeene Resolutie van den 29. De„ „cember 1781, en voor de Onder-officieren en Gemeenen be die van den 26. October bevoorens, gearresteerd, maa ook de Hoofden van de inlandsche Natien te ge„ „lasten om al hun bekwaam manvolk in benda te Den 29. Mai 1787 te verdeelen, over ieder bende een Mandadoor te stellen, en de zulken, die in de behandeling van het schietgeweer ervaaren zijn, daar mede te wapenen, ten welken ein„ „de de noodige snaphaanen, scherpe patroonen, en houwers, ter verantwoordinge van de gemelde Capi„ „tenis, aan hun zullen worden afgegeven, op dat zij in cas van alarm verschijnen kunnen ter plaat„ „zen, die bescherund moeten worden; dog de overige schikkingen ter resistentie van vijandelijke aan„ „vallen aan den Heer Gouverneur gedefereerd te laa„ „ten. En geconsidereerd in de voorschreven redout op Bouquitchina, zoo wel als in de Stadslinie ten minsten een Officier van de Militie en een van de Ae Artillerije gerequireerd wordt, dog hier tans maar drie actueel dienst doende Officieren van de Mi„ „litie zijn, buiten den Capitain Commandant, en van de Artillerije slegts een, buiten den Ordinair Luitenant en Opziener van dezelve, terwijl op de kot„ „ter Iava ook, die naar de straat Banca staat te vertrekken, de plaats van den op de paquetboot de Postlooper gestelden Derdewaak moet vervuld wor„ „den 33 Mai 1787 Den 29: „nog „den, is goedgevonden en verstaan den van Riouw hier aangekomen Capitein en Ll: Vaandrig Militair Iacob Christiaan Vetter en George Lodewijk Schuidt, Ordinair Vuurwerker Fredrik Schutz, en Derdewaak Jochem Hen„ „drik Tessensohn, die, voor zoo verre men het tot nog toe heeft kunnen nagaan, zig aan geen pligtverzuim schuldig gemaakt, maar hunnen pligt als braave Officieren betragt hebben, te emploijeeren, en overzulks ook hunne volgens de secreete Resolutie van den 21. courant afgeschreven gagie weder te laaten cours neemen met den 1. Iuni naastkomende. Malacca in het Casteel dato voorschreven /Getekend/ D: G. de Bruijn, A. Couperus, I. A. Hensel, F. Thierens, H. J. Wiederhold, C: G: Baumgarten en G: Pungel. Saturdag den 25. Augustus 1787 's Voormiddags Vergadering van Politie. Allen present. Bij het door eenen op den 18. courant van Riouw aangekomen Chinees gegeven en door den Heer Gouverneur geproduceerd Relaas onder anderen consteerende, dat de ƒ Den 25. Augustus 1787 de Capitain van een Engelsch schip, het welk ginder op de reede geweest was, zig niet alleen na de plaats, daar de sulthan zig nu ophoudt, geinformeerd, maar ook een Loots begeerd en gekregen hadt, om hem naar dezelve te geleiden; En men overzulks reden hebbende van te vermoeden, dat die Capitain mogelijk last heeft, om den sulthan te polzen, of zijne Hoogheid aan de Engel„ „schen zoude willen toestaan zig op Riouw ten handel neer te zetten! zoo is, om dit te prevenieeren, en het door de wapenen verkregen regt van Comps. eigendom aan die plaats te bevaaren, tot dat men in staat zoude weezen van daar omtrent nadere bestellingen te maa„ „ken, goedgevonden en verstaan het schip Huisduinen, den hoeker de Eensgezindheid, en de pantjallangs de Tonijn en Bliton, genoegzaam gearmeerd, derwaarts te expecli„ „eeren, den Capitein ter Zee Arie Simonse Koek over deeze Expedsitie het commaridement op te draagen, en hem te ordonneeren. s Bij zijn aankomst op de reede van Riouw, de laast„ „gemelde drie vaartuigen in die order te plaatzen, dat het schip Huisdunnen hun en zij dien bodem kunnen secondeeren, wanneer zij door de soloksche en Riouw„ „sche roovers mogten worden geattaqueerd, en vervolgens door den Chinees, die met zijn vaartuig onder convooi van 35

NL-HaNA_1.04.02_3818_0520 view scan ↗

English

The 25th of August 1787 from Captain Hoek will depart, not only to ascertain whether any of the said rabble are found, but also in particular whether the English are established. 2. When he receives report of the seat of the English on Riouw, or elsewhere there sees the English flag flying, to send two of his most capable officers and those most skilled in the Malay language ashore in the boat with a white flag, in order to inquire in a polite manner of the person in command there to what end the English have come there, or by what right the English flag flies there, and whether he, the Commander, has any written proof according to which the English have been permitted to settle there or to let the flag fly. And, in the event that such a Commission or Letter of Authorization is shown to them, to request that some persons be sent on board with him, so that he might take a copy of that Commission in order to deliver it to the Government of this place, provided that upon examination thereof, finding that the Commission was granted by the English Government of Calcutta, Madras, or Bombaij, then directly to return with the vessels under his command. 3. But, if no Commission from one of the said English Governments can be produced, or 37 The 25th of August 1787. or if the Commission which is shown to him, Captain Hoek, is granted only by Mr. Francis Light, Governor of Poeloe Pinang, or by some private individual or another, as well as when English are found ashore who refuse to give an answer to his question to the officers sent ashore, to cause to be delivered to their Commander such a Protest as shall be given along to him, Captain Hoek, as an example, and to remain waiting on or about the roadstead of Riouw until the receipt of further orders, without committing any acts of hostility, unless he should be attacked, in which case he must courageously defend himself, or, being unable to hold out, retreat. 4. There being no English on Riouw, nor seeing any English flag flying there, to cause to be made known to the Captains of the ships of that Nation, and likewise to the Portuguese, whom he finds lying upon his arrival at the roadstead of Riouw, or who arrive there afterwards, that he has been sent to blockade that place, since the Riouwers, united with the Solokkers, have compelled the Garrison placed there on behalf of the Dutch East India Company to take flight from there, and that they, the English The 25th of August 1787. or Portuguese namely, must therefore not meddle in the least with the disputes between the said Company and the Riouwers, nor carry on any trade with them, but must depart again within twenty-four hours; however, if they pay no heed thereto, and especially when he, Captain Hoek, perceives that they have any intention to establish or settle themselves on Riouw, to protest against all the detrimental consequences that might flow from such an infringement upon the rights of the said Company. 5. To leave unmolested the Solok or Riouw pirate vessels that are found in or outside the river of Riouw, or that arrive there afterwards, as long as they remain outside the reach of his artillery, but when they approach him, to fire upon them and do his best to destroy or drive them away, without however moving too far from his chosen station, unless utter necessity should require such. 6. This order to attack the Solok or Riouw pirate vessels that approach him too closely is also to be extended to all other native vessels that come near him, since it will not be possible for him to distinguish them The 25th of August 1787. from one another, without however molesting a single small vessel that passes close by the Company's keels, nor such a vessel that seems to wish to be near him, provided that no more than the Nakhoda or Commander is received on board from the same. 7. Not to accept any letters from native Princes that are brought to him, but to tell the bringers that they may come hither with them. 8. Barring such an unexpected case as mentioned in the 2nd article, to summon the Captain of the Chinese present on Riouw on board the ship Huisduinen to come with a small vessel, and to hand him the letter which the Governor will give along to him, Captain Hoek, and furthermore to charge him in the name of this Council that he daily cause the Dutch flag, which he has already received from here for that purpose, to fly on the hill of Tanjong Pinang under cover of some of his people upon whose loyalty he can rely; however, if he raises any difficulties against this, whether because of the presence of the Solokkers on or in the vicinity of Riouw, or for other grounded reasons, then to admonish him not to enter into any negotiations with anyone to the detriment of the Dutch East India Company, of which he is a subject, as a military force will soon be sent to Riouw in order to take possession of it again. 39

Dutch transcription

Den 25. Augustus 1787 van Capitein hoek zal vertrekken niet alleen te laaten ver„ „nreemen, of 'er eenigen van het gemelde gespuis gevonden worden, maar ook inzonderheid of de Engelschen gezeten zijn. 2/ Wanneer hij berigt krijgt van den zeet der Engelschen op Riouw, of daar elders de Engelsche vlag ziet waaijen, twee van zijne bekwaamste en der Maleitsche taale kundigste fficieren met eene wiste vlag op de schuit naar hand te zen„ „den, om aan den genen, die daar het bavel voert, op eene be„ „leefde wijze af te vraagen ten welken einds de Engelschen daar gekomen zijn, of met wat regt de Engelsche vlag daar waart, en of hij (de Bevelhebber / eenig schriftelik bewijs heeft, volgens hetwelke de Engelschen zig daar hebben mo„ „gen neerzetten, of de vlag waaijen laaten! En, bij aldien eene diergelijke Commissie of Lastbrief aan hun ver„ „toond wordt, te verzoeken daar mede eenige persoonen bij heen zoek aan boord te zenden, ten einde hij een afschrift van die Commissie zoude kunnen neemen om het aan de Regeering deezer plaatze te bezorgen, mitsgaders bij examen daar van bevindende, dat die Commissie door de Engelsche Regeering van Calcutta, Madras; of Bombaij verleend is, doen mlet de bijhebbende vaartuigen direct te rug te kee„ „ren 3 Maar, indien men geene Commissie van eene der gemelde Engelsche Regeringen kan voorbrengen, of 37 Den 25. Augustus 1787. of de Commissie, welke aan hem / Capitein koek / vertoond wordt, slegts door Mr. Francis Light, Gouverneur van Poeloe Pinang, dan wel door den eenen of anderen particu„ „lieren persoon, verleend is, zoo ook wanneer Engelschen aan land gevonden worden, die weigeren om aan de naar land gezonden Officieren bescheid op zijne vraag te gee„ „ven, aan hunnen Bevelhebber te doen ter handen stel„ „len zoodanig een Protest, als tot een voorbeeld hem /Ca„ „pitain koek medegegeven zal worden, en tot den ontvangst: van nadere orders op of omtrent de reede van Riouw te blijven vertoeven, zonder eenige fertelijkheden te plaegen, ten zij hij mogte werden aangevallen, wanneer hij zig manmoediglijk defandeeren, of, het niet kunnende uit„ „houden, retireeren moet. 4 / Geene Engelschen op Riouw zijnde, nog ook geene Engelsche vlag daar ziende waaijen, aan de Capiteins van de schepen dier Natie, en insgelijks aan de Portugeeschen; welken hij bij zijn arrivement op de reede van Riouw vindt leggen, of die 'er naderhand aankomen, te laaten bekendmaaken, dat hij gezonden is om die plaats te bloqueeren, nademaal de Riouwers, met de solokkers vereenigd, de van wegen de Nederlandsche Oostindische Compagnie daar gelegde Bezetting genoodzaakt hebben om de wijk van daar te neemen, en dat zij de Engel„ „schen Den 25. Augustus 1787: „schen of Portugeeschen naamelijk, zig derhalven met de geschillen tusschen de gemelde Compagnie en de Riouwers in het minste niet bemoeijen, nog eenigen handel met hun drijven, maar binnen vier en twintig uuren we„ „der vertrekken moeten; dog, indien zij daar geen agt op geven, en voornaamelijk wanneer hij (Capitein koek bespeurt dat zij eenige intentie hebben om zig op Riouw te stabileeren of te vestigen, te protesteeren te„ „gen alle de nadeelige gevolgen, die uit zulk eenen in„ „breuk op de regten van de gemelde Compagnie zouden kunnen voortvloeijen J De Soloksche of Riouwsche roofvaartuigen, die in of buiten de rivier van Riouw gevonden worden, dan wel naderhand daar komen, zoo lang zij buiten het bereik van zijn geschut blijven, ongemoed te laaten, dog, wanneer zy hem naderen er vuur op te geeven, en zijn best te doen om hun te verdelgen of te verjaagen, zonder zig nog„ „tans te verre van zijne verkozen standplaats te ver„ „wijderen, ten zij de uiterste noodzaakelijkheid zulks vereischen mogte. 6/. Deeze order om de Soloksche of Riouwsche roofvaartui„ „gen, die hem te nakomen, te attaqueeren, ook uit te breiden tot alle andere inlandsche vaartuigen, die hem geraaken, dewijl het hem niet mogelijk zal zijn dezel„ „ven Den 25. Augustus 1787. „ven van elkanderen te onderscheiden, zonder nogtans een enkeld klein vaartuig, dat digt bij Comps. kielen passeert, te molesteeren, nog ook zulk een vaartuig, dat bij hem schijnt te willen weezen, mits van hetzelve niet meer dan den Na„ „goda of Gezaghebber binnen boord ontvangende. 7 / Geene brieven van inlandsche Vorsten, die hem gebragt worden; te accepteeren, maar den brengers aan te zeggen, dat zij daar mede herwaarts kunnen komen. 8 Buiten zoo een onverhoopt geval, als waar van in het 2. de articul gesproken is, den Capitain der op Riouw zijnde Chineeschen aan boord van het schip Huisduinen te ontbie„ „den, om met een klein vaartuig te komen, en hem den brief te overhandigen, die de Heer Gouverneur hem, (Capitein zoek) zal medegeeven, mitsgaders hem uit naam van deeze Verga„ „deringe te belasten, dat hij dagelijks op den berg van Tan„ „jong Linang, onder bedekking van eenigen van zijn volk, op welker getrouwheid hij zig verlaaten kan, de Holland„ „sche vlag laate waaijen, welke hij reeds ten dien einde van hier gekregen heeft; dog, indien hij eenige zwaarigheden, daar tegen inbrengt, 't zij wegens het aanweezen der Solok„ „kers op of in de nabijheid van Riouw, dan wel om andere ge„ l „gronde redenen hem dan te vermaanen zig met niemand in eenige onderhandelingen ten nadeele van de Nederlandsche Oostindische Compagnie, waar van hij een onderdaan is, in te laaten, dewijl eenlang eene Oorlogsmagt naar Riouw ge„ „zonden zal worden om hetzelve weder inbezit te neemen 39

NL-HaNA_1.04.02_3818_0524 view scan ↗

English

40 The 25th of August 1787. Regarding all occurrences that could not be foreseen, and upon which he (Captain Koek) could also not be given any orders, to prudently deliberate with his Officers, the Commanders of the Company's vessels, and the Military Ensign Wolterus Amelong, who is understood to be appointed as Commander of the Troops and always to have a seat in the Broad Council, what ought to be done to the greatest service of the Company. After this, having read the Instruction drafted by the Governor for the Sea Captain Arie Simonse Koek, containing the aforementioned and such further orders as His Honour judged ought still to be prescribed to him, as well as an example of the Protest mentioned shortly before in the 3rd article, it was approved and understood to conform therewith by these presents. Malacca in the Castle, date as above. (Signed) L. J. de Bruijn, H. Couperus, I. H.s Heusel, Thierens, G. Baumgarten and G. Lungel. H. J. Wiederhold, CG Agrees W. Baumgarten NaS. Dispatched and Received Secret Letters to and from the Outer Districts Since mid-February 1787, until the end of March 1788. Copy No. 6. Secret From the Honourable Pieter Walbeeck Merchant and First Resident Palembang Honourable, Pious, Discreet, Before a considerable gang of Solok prahus, united (as is thought) with the Bugis, attacked the Company's fortresses at Riouw, and Resident Ruhde having been brought to the necessity, in the night between the 14th and 15th of May last, of retreating from there to here, leaving behind a large part of the Garrison, almost all the Company's effects, and the sloop the Johanna which ran aground on a shoal while drifting away; And we, having been informed of this fatal event, having decided to let the packet boat the Postlooper, which departs for Batavia with these advices to the Honourable High Indian Government, be convoyed into the Strait of Bangka by the cutter Java and the bark the Standvastigheid, which are at the same time suited to remain cruising there for some time, for the protection of the Batavian, Javanese, and Cheribon trading vessels: so Your Honour is hereby given notice thereof; with the request that Your Honour please order the Palembang cruisers to not only inform the Commanders of the Company's ships and lesser vessels, as well as private traders arriving from Batavia, Java, and Cheribon, whether heading for Riouw or for Malacca, of the aforementioned abandonment of Riouw, but also to warn them that they must be on their guard against being ambushed by the Solok people, and that they must not trust even any Company vessel, unless it carries at the main topmast head a red, or a blue, or a white flag, or the Dutch flag reversed, with topgallant sails lowered when such a vessel is not at anchor, and with loose hanging topsails when it is already at anchor; which signal of recognition for the Malacca cruisers we have devised in consideration of how it might sometimes happen that the enemy could let the sloop the Johanna, left behind at Riouw, cruise under a Dutch flag in order to overpower arriving vessels by deception. And so that the Commanders of the vessels destined for Riouw or hither may better guard against this, Your Honour ought also to have them informed of the identifying marks of the repeatedly mentioned sloop the Johanna, given in an attached Description. Although on account of the sailing qualities of the packet boat the Postlooper we may flatter ourselves with the hope that it will not remain long under way, prudence nevertheless advises us to request Your Honour to forward to Batavia, with another good vessel as soon as ever possible, the packet enclosed herein for the aforementioned High Government. The undersigned Governor has spoken in the most serious terms with Raja Muhammad Ali, who is more respected in Siak than the King of that realm, Raja Yahya, regarding the acts of piracy by Sayyid Ali and some other Siak petty Princes communicated to us by Your Honour under the date of 30 April last, and exhorted him to recall them at the earliest opportunity, while ensuring that the captured vessels with tin be returned, whether at Palembang or here; yet we see no chance of catching them, since the Company's cruisers cannot approach the shore at such a close distance, whereas native vessels can be better pursued if the King might see fit to have some outfitted for that purpose. We remain after greetings, (Below was written) Honourable, Pious, Discreet, (Lower) Your Honour's willing Friends and Servants (Signed) P. G. de Bruijn, A. Couperus, I. A. Hensel, F. Thierens, H. I. Wiederhold, C. G. Baumgarten, and G. Pungel (In the margin) Malacca in the Castle the 1st of June 1787. To the Honourable Pieter Walbeeck, First Resident at Palembang Secret Honourable, Pious, Discreet, Having received news from the opposite coast that the notorious pirate Sayyid Ali had again put out to sea with fifty large and small vessels, certainly to capture first some Palembang and subsequently also the Javanese or Batavian vessels that he can overpower, as in the previous year, I cannot omit to give Your Honour notice thereof, and to request that Your Honour please persuade the King of Palembang to dispatch without delay a strong small fleet manned with resolute people, for the annihilation of that rabble, as it will otherwise come raiding annually in the Strait of Bangka. For the rest, I remain after greetings, (Below was written) Honourable, Pious, Discreet, (Lower) Your Honour's Willing Servant (Signed) P. G. de Bruijn (In the margin) Malacca in the Castle the 18th of February 1788. Agrees C. G. Illerz Secretary

Dutch transcription

40 Den 25. Augustus 1787. Omtrent alle voorvallen, die men niet heeft kunnen voorzien, en waar op men hem (Capitein koek) ook geene orders heeft kunnen geeven, met zijne Officieren, de Gezaghebbers van Comps. vaartuigen, en den Vaandrig Militair Wolterus Amelong, die verstaan is tot Common„ „dant der Troupes aan te stellen en altoos sessie in den Bree„ „den Raad te laaten hebben, voorzigtiglijk te overleggen wat ten meesten dienste van de Compagnie gedaan behoort te worden. Hierna gelezen zijnde de door den Heer Gouverneur ont„ „worpen Instructie voor den Capitain ter zee Arie Simonse Koek, vervattende de voorschreven en zoodanige verdere orders, als zijn Ed. oordeelde dat hen nog dienden voorge„ „schreven te worden, gelijk mede een voorbeeld van het straks in het 3.: e articul gemelde Protest, is goedgevonden en verstaan zig daar mede bij deezen te conformeeren. Malacca in het Casteel dato voorschreven (Getekend) L. J. de Bruijn, H. Couperus, I: H:s Heusel, Thiereus, G. Baumngarten en G:t Lungel. H: J. Wiederhold, CG Accordeert W Baumgarten NaS. Afgegaane en Aangekomen Secreete Brieven naar en van de Brujtengewesten Sedert medio Februari 1787, tot ultimo Maart 1788. Copie N No. 6. secreet van den E. Pieter Walbeeck Koopman en Eersten Resident Calembang Voor eene aanzienlijke bende soloksche voorens, vereenigd(zoo men derkt) met de Boegineeshen, Comps. fortressen te Riouw ge„ „'attaqueerd, en den Resident Ruhde in de noodzaakelijkheid ge„ „bragt zijnde, om in den nagt tusschen den 14. en 15. Mei laast„ „leden de wijk van daar naar herwaarts te neemen met agter„ „laating van een groot gedeelte der Bezettelingen, meest alle Comps. effecten, en de bij het afdrijven op eene droogte vastge„ „raakte sloep de Iohanna; En wij, na van dit fatale geval verwittigd te weezen, besloten hebbende de paquetboot de Lostlooper, die met deeze adviesen aan de Edele Hooge In„ „dische Regeering naar Batavia vertrekt, tot in de straat Banca te laaten convoijeeren door de kotter Iava en bark de Standvastigheid, die teffens geschikt zijn om 'er eenigen tijd te blijven kruissen, ter beveiliginge van de Bataviasche, Iava„ „sche, en Cheribonsche handelvaarduigen: zoo wordt UwEd. daar van bij deezen kennis gegeven; met verzoek dat UwEd. aan de Pa„ „lembangsche kruissers gelieve te beveelen, om de Overheden van Coups. schepen en mindere vaartuigen, mitsgaders de particulie„ „re handelaars, die van Batavia, Java, en Cheribon aankomen, n Eerzaame, Vroome, Discreete, 't zijn 8 te N1 't zij om naar Riouw te Htevinen, dan wel naar Malacca, niet alleen te informeeren van de gemelde verlaating van Riouw, maar ook te waarshuwen dat zij op hunne hoede moeten weezen, om door de Solackers niet overvallen te worden, en dat zij zelfs geen Comps. vaarduig vertrouwen moeten, ten zijn op hetzelve aan den grooten top waart eene roode, of eene blaauwe, of eene witte vlag, of de Hollandsche vlag verkeerd, met gestreeken bram„ „zeilen, wanneer zoo een vaartuig niet, en met loshangende marszeilen, wanneer het al ten anker legt; welk sein van verkenning der Malaccasche kruissers wij beraamd hebben, in't consideratie hoe het somtijds zoude kunnen gebeuren, dat den vijand de op Riouw agtergelaten sloep de Iohanna onder eene Hollandsche vlag kruissen liet, om de aankomende vaardui„ „gen door misleiding te overmeesteren. En, op dat de Overhe„ „den der naar Riouw off herwaarts gedestineerde kielen zig daar te beder voor wagten kunnen, dient UwEd. hun ook te laaten onderrigten van de in eene hier bij gevoegde Beshrij„ „ring opgegeven wordende kentekenen der meergemelde sloep de Iohanna. Schoon wij wegens de bezeildheid van de paquetboot de Lost„ „looper ons flatteeren mogen met de hoop, dat dezelve niet lang onder weg zal blijven, raadt de voorzigtigheid ons egter aan UwEd. nog te verzoeken, om met een ander goed vaartuig, zoo Spoedig immers mogelijk, naar Batavia voort te zenden het deezen ingeslooten pa„ „quet voor de welgemelde Hooge eRegeering. De De ondergetekende Gouverneur heeft Radja Machomet Ali, die in siac meer ontzien wordt, dan de koning van dat Rijk Radja Taia, op het ernstigste onderhouden over de door UwEd. sub dato 30. April laastleden aan ons gecommuniceerde Zeerooverijen van said Ali en eenige andere Siacsche Prinsjes, en hem vermaand hun ten eer„ „sten te rug te ontbieden, te gelijk zorgende dat de genomen vaarduigen met tin, 't zij te Palembang of hier, worden weder„ „gegeven; dog om hun te agterhaalen zien wij geen kans, dewijl Comps. kruissers de wal op zulk eene koste distantie niet kunnen naderen, als inlandsche vaartuigen beter zullen kunnen vervolgd worden, indien de Koning mogte goedvinden eenigen daar toe te laaten iitrusten. Wij blijven na groete (Onderstond) Eerzaame, Vroome, Discreete, (Lager) UwEd: dienstwillige Vriend en Dienaaren (Getekend) P. G. de Bruijn, A. Couperus, I. A. Hensel, F: Thierens, H. I. wiederhold, C. G. Baungarten, en G. Pungel (in margine) Malacca in het 'SCastel den 1. Junij 1787. Pieter Walbeeck, Aan den E. Eersten Resident Eerzaame, Vroome, Discreete, Tijding van de overwal ontvangen hebbende, dat de berugte Palembang Secreet Zeevoover te Zeevoerer said Ali weder met vijftig groote en kleine vaartuigen was uitgeloopen, zekerlijk om eerst eenige Palembangsche en ver„ „volgens ook de Iavasche of Bataviasche vaartuigen, die hij kan overmeesteren, te neemen, gelijk in het voorige jaar, kan ik met onderlaaten Uw Ed. daar van kennis te geeven, en te verzoeken dat UwEd. den koning van Palembang gelieve te disponeeren om een sterk vlootje, met geresolveerd volk bemand, zonder uitstel te expe„ „dieeren, ter vermielinge van dat gedpuis, dewijl het anders jaar„ „lijks in de straat Banca zal komen stroopen. Ik blijf voor het overige na groete, (Onderstond) Eerzaame, vroome, Discreete, (Lager) UwEd. Dienst„ „willige Dienaar (etekend) P. G. de Bruijn (in margine) Malacca in het Casteel den 18. Februari 1788. ccordeert t C C. G:llerz Van Saak

NL-HaNA_1.04.02_3818_0537 view scan ↗

English

Separate To the Right Honorable Pieter Gerardus de Bruijn, Governor and Director of the Castle and City of Malacca, along with its dependencies Right Honorable Sir, Pursuant to the highly revered orders of the Commander and Chief of the Fleet of the Republic in the Indies, the Honorable Willem Silvester, I dispatch the cutter de Patriot to facilitate his voyage, and seize this opportunity to respectfully offer Your Right Honorable a report given to me by the Arab Sayyid Mashout, as well as the duplicate of the letter written by me on the first of June last to the Merchant and Resident of Riouw, Ruhde. And since to date I have received no news of the vessel with which I sent the said letter, and Riouw had at that time already met with the lamentable misfortune, this causes me to harbor great apprehension that the aforementioned small craft may possibly have fallen into the hands of the pirates. I have the high honor to sign myself very reverently with the most consummate sentiments of high esteem and respect. (Below was written) Right Honorable Sir (lower) Your Right Honorable's humble and very obedient servant (Signed) W. M. Stuart (in the margin) Pontiana, the 8th of September 1787. To the Right Honorable Pieter Gerardus de Bruijn, Governor and Director of the Castle and City of Malacca along with its dependencies Right Honorable Sir, With humble reference to my latest submission of the 8th of September last dispatched to Your Right Honorable via the cutter de Patriot, I direct this letter as an escort for the pencalang de Valkenaar, into which small craft I have caused to be loaded here such eight months' rations as the ship Jagtrust brought for de Patriot, finding myself unable to present Your Right Honorable with the invoice of their costs, since I have not yet received it from the capital of the Indies. I most humbly request that the aforementioned pencalang be sent back here as soon as possible, as otherwise I would find myself completely destitute of vessels around this outpost, which for the present must still be very necessary here. With the deepest veneration, I enjoy the high honor of signing myself most humbly. (Below was written) Right Honorable Sir (lower) Your Right Honorable's obedient and humble servant (Signed) W. M. Stuart (in the margin) Pontiana, the 8th of October 1787. Agrees In the matter G b: G: Klenk Copy Received 8. N Outgoing and Secret Letters to and from Riouw, from mid-February 1787 to the end of March 1788. 9 O Separate Honorable, Discreet [illegible], § 16. Replying to Your Honor's separate letter of the 3rd of February last, we shall hereby also deal with some points contained in Your Honor's secret letter of the 15th of December 1786, as well as in the general and secret ones of the 9th of the first-mentioned month, insofar as has not yet been done in our general letter of today, or in those of earlier dates. § 17. The reasons that have restrained Your Honor from proposing to us Tan Sionko, who was provisionally appointed First Captain of the Chinese on Riouw, as such, appeared to us in Your Honor's separate letter of the 26th of September 1786 to be: Firstly, that he was not particularly well regarded by the Prince and the grandees of the realm, and was also not loved by his nation, because he did not speak to those who brought their complaints to him, as well as to the accused, without scolding; Secondly, that he had incited the Chinese day traders, or the Batavian and Javanese traders, to Riouw Resident To the Merchant David Ruhde resist or protest against the appointment of a Cantonese as Lieutenant; Thirdly, that out of malice, without grounds or witnesses, and without Your Honor's order or cognizance, he had caused two innocent, respectable Chinese to be imprisoned, as well as thereby openly mocked the Company's lawful authority. § 18. But we have made reflections upon this, which we will now communicate to Your Honor. The first reason, if it were admissible, would in itself have been weighty enough not even to nominate Tan Sionko as First Captain, and Your Honor could then hardly be acquitted of imprudence for having nevertheless provisionally entrusted him with authority over his nation. However, since the King and the grandees of the realm who arrived here with His Highness, as well as all others who know Tan Sionko, have given a testimony of him contrary to that of Your Honor, it seemed very probable to us that Your Honor must have thought better of him before his appointment as First Captain than afterwards. The Batavian and Javanese Chinese traders, Your Honor says, after one of them who spoke on behalf of all and protested against the appointment of a Cantonese as Lieutenant had been arrested, admitted their error and begged pardon, alleging that they had been incited to do so by Tan Sionko. And, if Your Honor knew that it was merely a pretext, how could Your Honor that

Dutch transcription

Apart Aan den Wel-Edelen Groot-Agtbaaren Heer Pieter Gerardus de Bruijn, Gouverneur en Directeur des Casteels en stad Malacca, nevens deszelfs onderhoorigheiden Wel-Edele Groot -Agtbaare Heer Ingevolge de zeer geveneveerde bevelens van den Commandant en cres van 's Lands Esquader in Indie den wel-Edelen Gestrengen Heer Willem Silvester, laat ik tot hoogstdezelve reisvorderen de kotter de Patriot en Capteere teffens deeze gelegenheid uwel Edele Groot Agtbaare Eerbiedig te offereeren een Relaas mij door den Arrabier Saijt Mashout gegeven, mitsgaders de duplicaat der door mij op den eersten Iuni jongstleden aan den koopman en Riouue Resident Ruhde geschrevene missive, en daar ik tot heden nog geen tijding van 't vaartuig waar mede gemelde brief hebbe afgezonden ontvangen hebbe, en Riauw toen ter tijd reeds 't beklaagelijk ongeluk getroffen heeft, zoo doet mijn zulks groote bedugtheid voeden, meergenoemd kieltje mogelijk in de handen der zee schuimers gevallen is. Ik heb de hooge eere mij met de volmaaktste gevoelens van hoogagting en eerbied zeer reverentelijk te subsingneeren. (Onderstond) Wel-Edele Groot-Agtbaaren Heer (lager) Uwel Edele Groot-Agtbaare onderdaanigen en zeer gehoorzaamen Dienaar 5 Dienaar (Getekend) W. M. Stuart (in margine) Pontiana den 8. September 1787. Aan den Wel-Edele Groot-Agtbaaren Heer Pieter Gerardus de Bruijn, Gouverneur en Directeur des Casteels en stad Malacca nevens deszelfs onderhoorigheden Wel-Edele Groot-Agtbaaren Heer, Met onderdaanig reffert aan mijne jongste Submisse van den 8. September Jongstleden per de kotter de Patrist aan Uwel Edele Groot-Agtbaare afgevaardigd, rigte ik deeze ten geleide van de pantjallang de Valkenaar in welk kieltje alhier hebbe doen aflanden zoodanige agt maanden randsoenen, als het schip Iagt„ „rust voor de Patriot heeft aangebragt, vindende ik mij onver„ „mogend Uwel-Edele Groot-Agtbaare de Factuur van dies ko„ „stende te kunnen presenteeren, aangezien dezelve nog niet van Indias hoofdplaatze ontvangen hebbe. Opgemelde pantjallang solliciteer ik ootmoedigst ten eersten hervaarts te rug te zenden, wijl mij anders geheel Destitut van vaartuigen om deezen voord zoude bevinden, die voor eerst nog zeer noodzaakelijk hier weezen moeten. Met de diepste veneratie geniet ik de Hooge eere mij alleronderdaanigst te subsingneeren. (Onderstond) wel -Edele Groot-Agtbaare Heer (Lager) uwel Edele dele Groot-Agtbaare gehoorzaame en submissen Dienaar (Getekend) W. M. Stuart (in margine) Lontiana den 8. October 1707. ccordeert ten Saak G b: G: Klenk a wel- Copie Aangekomen 8. N Afgegaane eij Secreete Brieven naar en van Riouw, k„ „dert medio Februari 1737, tot ultimo Maart 1788. 9 O Apart Eerzaame Discreete § 16. Rescribeerende op UwE aparten brief van den 3. Februari laastleden, zullen wij bij deezen ook verhandelen eenige pointen, vervat in UwE Secreeten brief van den 15. December 1786, mits„ „gaders in den gemeenen en Secreeten van den 9. der eerstgemelde maand voor zoo verre het nog niet geschied is bij onzen gemeenen brief van heden, dan wel bij die van vroeger Datums §17. De redenen die UwE wederhouden hebben van den provisioneel tot Eersten Capitein der Chineeschen op Riouw aan„ „gestelden Tan Sionko als zoodanig aan ons voor te dragen zijn ons in uwE aparten brief van den 26. September 1786. voorgekomen te weezen Eerstelijk dat hij bij den Vorst en de Rijksgrooten niet, zonderling gezien en bij zijne Natie ook niet bemind was de„ „wijl hij tegen de geenen, welke hunne klagten bij hem inbrag„ „ten; zoo wel als tegen: de beklaagden; niet sprak zonder te Scheldens Ten tweeden, dat hij des Chineesche Dagangers, of de en Bataviasche en Iarasche handelaars hadt opgestookt om Riouw Resident Aan den Koopman David Ruhde zig zig tegen de benoeming van een Cantonger tot Luitenant te ver„ „zetten of te protesteeren; Ten derden dat hij twee onschuldige ordentelijke Chi„ „neeschen, uit nijd, zonder grond of Getuigen; en buiten UwE order of kennisneeming, hadt laaten gevangen zetten; mitsga„ „ders daar door Comps. wettig gezag openlijk bespot. — § 18. Maar wij hebben 'er reflezien opgemaakt die wij UwE nu zullen mededeelen. —. De eerste reden, indien zij admissibel. ware, zoude op op zig zelf wigtig genoeg geweest zijn, om Tan Sionko niet eens tot Eersten Capitein te nomineeren, en UwE. dan waar „welijks vrijgesprooken kunnen worden van onvoorzigtigheid dat UwE hem evenwel het gezag over zijne Natie provisio„ „neel hadt opgedragen, dog de Koning en met zijne Hooghed hier aangekomen Rijksgrooten zoo wel als alle anderen, die Jan Sionko kennen een getuigenis van hem gegeven hebben strijdig met dat van uwE:, was het bij ons zeer waarschij„ „lijk, dat UwE voor de benoeming van denzelven tot Eer„ „sten Capitein beter van hem gedagt moet hebben dan na„ „derhand De Bataviasche en Tarasche Chineesche handelaars hebben, zegt UwE;, na dat een van hun die uit aller naar het woord voerde en tegen de benoeming van een Canton„ „ger tot Luitenant protesteerde, in arrest gezet was, hun„ „nen misslag erkend en excus verzogt onder voorgeven door Tan Sionko daar toe aangezet te zijn. En, heeft UwE geweeten dat het slegts een voorgeeven was, hoe kon uw E dat

NL-HaNA_1.04.02_3818_0547 view scan ↗

English

take that pretense as a reason not to nominate Tan Sionko to us as First Captain. We were informed that Tan Sionko was suspected of having had Jan Kongsin murdered, and we therefore had to approve rather than disapprove of him seeking to purge himself of such a suspicion. For although we agreed that, having been appointed Second Captain on behalf of the Company, he ought to have requested your assistance for his defense, we nevertheless also understood that, just as we did from your letters, he will have perceived from your attitude toward him that he was in your bad books, and we could therefore not count it a crime against him that he had addressed himself to his lawful Prince, since no arrangement regarding the jurisdiction of judicial decisions had yet been made at that time, in order to obtain from His Highness, as was stated by the King himself to the undersigned Governor, that the two Chinese related to the murderer beng kiko, with whom it was said that he sometimes came by night to obtain livelihood, might be compelled by threats to say where he was staying. Tan Sionko, you say, had the aforementioned two Chinese imprisoned out of envy and without cause; yet we found this proven nowhere. Paragraph 19. These considerations have obliged us to write to you that a sworn statement should be taken from the repeatedly mentioned foreign traders and sent to us. But you having replied to this that you were prevented in your intention to demand such a declaration from him by the reflection that it would be too much beneath you to place yourself on an equal footing with those mercenaries, and that you might also have had difficulty in persuading them to execute and swear to a statement to the detriment of the First Captain who was at that time still serving ad interim, we desire from you a further explanation of the first part of this reply, as we cannot understand in what respect you would have placed yourself on an equal footing with the aforementioned mercenaries by having them provide a statement of what they had brought forward in their defense, but on the contrary believe that it would have been better for you to substantiate his statement with evidence than to raise doubts in our minds as to whether we could accept that statement, and we observe regarding the second point that, had they refused to provide and swear to the required statement, their inference would then have been an absolute pretense, which could not harm Tan Sionko, just as it cannot do so now, since they have left their accusation unconfirmed. Paragraph 20. We would therefore also, being by no means convinced of the disloyal and treacherous conduct imputed to Tan Sionko, not have proceeded to place him below Ting Bienko upon accusations without proof, had we not taken into consideration that Ting Bienko, with the King's consent, had already been publicly proclaimed as the provisional Head of his Nation, and that you, since you had to carry out the arrangements that had been made with His Highness both regarding the collection of the Riouw domains and otherwise, could not be forced to accept a man in that office who, according to your writing, had lost your confidence. Nevertheless, we wish to have you enjoined henceforth not to consider anyone accused of any crime as immediately guilty, but to conduct an investigation into it, and, if it is a matter upon which we must pass judgment, to gather the necessary evidence and send it to us, without expecting from us that we will remove someone from his post or impose any other corrections upon your writing alone. Meanwhile, we grant permission to the repeatedly mentioned Ian Sionko, together with his household, to come hither either by a Company vessel or by a native vessel in order to settle here, should he be inclined to do so. Paragraph 21. It having been stated in your secret letter of 15 December 1786 that Lieutenant Fredrik Lucas Hutman possesses qualities that denote a disturber of the peace rather than a keeper of the peace, and in the person destined in time to command the garrison cannot be tolerated without offense in such a small place as Riouw, and that he is also not the man who, in case of a hostile attack, would be suitable to give the necessary orders for defense, we have with the

Dutch transcription

3 dat voorgeeven tot seene reden neemen, om Tan Sionko niet tot Eer„ „sten Capitein aan ons voor te draagen. Wij waren onderrigt, dat Tan Sionko verdagt gehou„ „den wierdt van Jan Kongsin te hebben laaten vermoorden, en moesten dus eer goed dan afkeuren, dat hij zig van zulk eene suspicie hadt tragten te purgeeren. Want Schoon wij toe„ „stemden dat hij als van wegen de Compagnie tot tweeden Capitein aangesteld zijnde, UwE assistentie ter zijner verde„ „dinge hadt moeten verzoeken, wij begreepen nogtans ook dat hij even als wij uit uwE brieven, uit UwE houding te„ „gen hem zal hebben bespeurd, dat hij in een kwaad blaad„ „je bij UwE stondt, en wij konden het hem derhalven tot geene misdaad toerekenen, dat hij zig bij zijnen wet„ „tigen Vorst, alzoo toen nog geene beschikking ontrent de competentie van Regterlijke decisien gemaakt was, geadres„ „seerd hadt om van zijne Hoogheid te verkrijgen, (gelyk door den koning zelf aan den ondergeteekenden Gouverneur verklaard is,) dat de twee aan den moordenaar beng kiko vermaagschapte Chineeschen, bij dewelken gezegd wierdt dat hij somtijds bij nagt kwam om leevens onderhoud te erlangen, door dreigementen genoodzaakt mogten worden om te zeg„ „gen waar hij zig ophieldt. Ian Sionko heeft, zegt UwE, uit nijd en zonder grond de gemelde twee Chineeschen laaten gevangen zetten; dog dat vonden wij nergens bewezen § 19 Deeze bedenkingen hebben ons verpligt om UwE aan„ te schrijven, dat van de meergemelde vreemde handelaars eene verklaaring genoomen en beeedigd ons toegezonden zoude worden Maar door UwE daar op geantwoord zijnde, dat UwE in zijn voornemen dit ren voornemen om zoodanig Declaratoir van hem te vorderen ge„ „empecheerd was door de overdenking, dat het te zeer beneeden UwE zoude zijn zig met die huurlingen gelijk te stellen, en dat UwE. ook mogelijk moeite gehad zoude hebben om hun tot het passeeren en beëëdigen van eene Verklaaring ten laste van den des tijds nog adintrim sungeerenden Eersten Capitein te persuadeeren, begeeren wij van UwE nadere explicatie van het eerste lid deezes antwoords, dewijl wij niet begrijpen kunnen in wat opzigt uwE zig met de ge„ „melde huurlingen gelijk gesteld zoude hebben, door hun eene Verklaaring te laaten geeven van hetgeene zij tot hunne verontschuldiging ingebragt hadden, maar daarentegen ver„ „meenen dat het UwE beter zoude zijn geweest zijn zeggen met bewijzen te staaven, dan bij ons twijfeling te verwek„ „ken, of wij dat zeggen konden aanneemen, en merken op het tweede aan, dat; zoo zij gewagerd hadden de gerequi„ „reerde Verklaaring te verleenen en te beëedigen; hunnen illatie dan absolut een voorgeeven geweest zoude zijn, het„ „welk Tan Sionko niet kon schaaden, gelijk het nu ook niet doen kan, nadien zij hunne betigting onbevestigd hebben gelaaten §20. Wij zouden daarom ook, en als geenzins overtuigd van het ontrouwe en verraderlijke gedrag, Tan Sionko ten laste gelegd, niet overgegaan zijn om op aanklagten zonder bewijs hem beneden Ting Bienko te stellen, indien wij niet in consideratie hadden genomen, dat Ting Bienko met toestemming van den Koning reeds publiquelijk voor P„l Pl. Hoofd zijner Natie was omgeroepen en dat Uw E. ; daar UwE. de Schikkingen moeste uitvoeren die men, zoo omtrend de invordering der Riousche Domeinen, als anderzins met 'k zijne Hoogheid hadt beraamd, geen man in dat ampt kon worden opgedrongen, die volgens UwE. schrijven uwE: ver„ „trouwen verlooren hadt. Egter willen wij UwE gerecomman„ „deerd hebben voortaan den genen, die met eenig misdrijf beschuldigt wordt, niet direct voor schuldig te houden maar onderzoek daar na te doen, en, indien het eene zaak is, waar over wij moeten Jugeeren, de noodige bewijzen in te winnen en ons te beschikken, zonder van ons te verwagten dat wij op het enkeld schrijven van UwE iemand uit zijne post zetten of eenige andere correctien opleggen zullen. Terwijl wij aan den meergemelden Ian Sionko permissie verleenen om nevens zijn huisgezin, 't zij met een Comp„s dan wel met een inlandsch vaartuig herwaarts te komen ten einde zig hier neder te zetten, indien hij daar toe ge„ „neegen mogte weezen §21. Bij UwE. Secreeten brief van den 15. December 1786. geposeerd zijnde, dat de Luitenant Fredrik Lucas Hutman qualiteiten bezit, die eerder eenen rustverstoorver dan eenen rustbewaarer aanduiden, en in den persoon bestemd om het Garnisoen in der tijd te moeten commandeeren, niet zonder ergernis op zoo eene kleine plaats als Riouw geduld kun„ „nen worden, en dat hij ook de man niet is, die in cas van een vijandelyken aanval geschikt zoude zijn om de noodige orders tot defensie te geeven, hebben wij hem met het 5

NL-HaNA_1.04.02_3818_0550 view scan ↗

English

intention to demand such a Declaration from him had been prevented by the reflection that it would be too much beneath Your Honour to place yourself on an equal footing with those mercenaries, and that Your Honour also might have had difficulty in persuading them to execute and take oath to a statement to the charge of the then still interim First Captain, we desire from Your Honour a further explanation of the first part of this answer, as we cannot comprehend in what respect Your Honour would have placed yourself on an equal footing with the said mercenaries by having a statement given of what they had brought forward in their excuse, but on the contrary think that it would have been better for Your Honour to substantiate your assertion with proofs, rather than to arouse doubt with us as to whether we could accept that statement, and we note on the second point that, if they had refused to provide and swear to the requested Declaration, their inference would then have been purely an assertion, which could not harm Tan Sionko, just as it cannot do now either, since they have left their accusation unconfirmed. § 20. We would therefore also, and being by no means convinced of the unfaithful and treacherous conduct imputed to Tan Sionko, not have proceeded on accusations without proof to place him below Ting Bienko, had we not taken into consideration that Ting Bienko had already been publicly proclaimed with the consent of the King as Acting Head of his Nation, and that Your Honour, since Your Honour had to execute the arrangements that had been framed with His Highness, both concerning the collection of the Riau Domains and otherwise, could not have a man forced into that office who, according to Your Honour's letter, had lost Your Honour's confidence. However, we wish to recommend to Your Honour in the future not to hold anyone who is accused of any crime directly as guilty, but to conduct an inquiry into it, and, if it is a matter upon which we must judge, to obtain the necessary proofs and provide them to us, without expecting of us that we shall remove anyone from his post or impose any other corrections upon Your Honour's simple letter alone. Meanwhile, we grant permission to the frequently mentioned Tan Sionko to come hither with his family, either with a Company vessel or with a native vessel, in order to settle here, should he be inclined to do so. § 21. It having been stated in Your Honour's secret letter of 15 December 1786 that Lieutenant Fredrik Lucas Hutman possesses qualities that indicate a disturber of the peace rather than a keeper of the peace, and, in the person intended to command the Garrison in time, cannot be tolerated without offense in so small a place as Riau, and that he is also not the man who, in case of an enemy attack, would be suitable to give the necessary orders for defence, we have sent him to Batavia on the ship De Zaanstroom, since an Officer of such qualities as Your Honour attributes to him could also be of no use to the Company here; but we must remark on this that Your Honour might well have specified to us what the peace-disturbing qualities of the said Hutman consisted of, and we order Your Honour not to neglect this in the future anymore. By the European soldiers sent hither on account of desertion with the pantchiallang Bliton, Ian Babtist de Leux, Hendrik Goudman, Michiel Citter, and Ioseph IJzizaar, who, according to § 15 of the common letter and § 2 of the secret letter of 9 February, were able to bring forward nothing else in their defence except that they could not subsist on one rijksdaalder board money per month, such a detailed answer was given here when the Fiscal of this Government, Thierens, exhibited a claim against them before the Court of Justice, as will appear to Your Honour from the Report of that Officer enclosed herewith in copy. And having on that account, as well as for other important motives, decided to demand the lawsuit instituted against them from the Court of Justice and to send it with the delinquents to Batavia at the disposal of the Noble High Indian Government, as they have already been sent thither on the ship De Zaanstroom, but nevertheless to conduct the necessary investigation into the truth of the grievances brought forward by them, we consequently order Your Honour not only to deliver the enclosed written Ordinance of the undersigned Governor to the persons to whom it is addressed, and to send us the reports required thereby at the first opportunity, but also yourself to report conscientiously how much opium was stolen from the warehouse, and when; whether any and what kind of break-in was observed at that storage place or at the opium chest; at what time and with what vessel that chest was brought, unloaded, and in what condition it then was, as well as whether upon unloading it was placed directly into the warehouse or previously kept elsewhere for one or more days; which Commissioners were present at the receipt and redelivery of this opium chest, or when the theft committed on it was discovered; who and which of the garrison members (to be specified by name) compensated the amount of the stolen opium, and how much each; what moved Your Honour to impose such a compensation on them without our prior knowledge and permission; and whether none of them all ever complained about it or opposed it. § 23. Meanwhile, regarding Your Honour's remarks in the 2nd and 15th paragraphs of the aforesaid secret and common advices of 9 February, that the reason which Your Honour had brought forward regarding his position in the secret letter of 10 July 1786 concerning the desertion of the European soldiers in that of 29 September thereafter, by the expiration

Dutch transcription

voornemen om zoodanig Declaratoir van hem te vorderen „empecheerd was door de overdenking, dat het te zeer bene„ UwE zoude zijn zig met die huurlingen gelijk te stelle dat UwE. ook mogelijk moeite gehad zoude hebben om tot het passeeren en beëëdigen van eene Verklaaring laste van den des tijds nog adintrim fungeerenden Ee„ Capitein te persuadeeren, begeeren wij van UwE na explicatie van het eerste lid deezes antwoords, dewijl niet begrijpen kunnen in wat opzigt uwE zig met d „melde huurlingen gelijk gesteld zoude hebben, do eene Verklaaring te laaten geeven van het geene zij toth verontschuldiging ingebragt hadden, maar daarentege „meenen dat het UwE beter zoude zijn geweest zijn zege„ met bewijzen te staaven, dan bij ons twijfeling te ver „ken, of wij dat zeggen konden aanneemen, en merk het tweede aan, dat; zoo zij gewegerd hadden de gerei„ „reerde Verklaaring te verleenen en te beëedigen; hun illatie dan absolut een voorgeeven geweest zoude zijn, „welk Tan Sionko niet kon schaaden, gelijk het nu ook doen kan, nadien zij hunne betigting onbevestigd heb gelaaten §20. Wij zouden daarom ook, en als geenzins ove van het ontrouwe en verraderlijke gedrag, Tan Sionko te laste gelegd, niet overgegaan zijn om op aanklagten zo bewijs hem beneden Ting Bienko te stellen, indien niet in consideratie hadden genomen, dat Ting Bier met toestemming van den Koning reeds publiquelijk P„l Pl. Hoofd zijner Natie was omgeroepen en dat UwE. ; daar UwE. de Schikkingen moeste uitvoeren die men, zoo omtrend de invordering der Riousche Domeinen, als anderzins met k zijne Hoogheid hadt beraamd, geen man in dat ampt kon worden opgedrongen, die volgens UwE. schrijven UwE: ver„ „trouwen verlooren hadt. Egter willen wij UwE gerecomman„ „deerd hebben voortaan den genen, die met eenig misdrijf beschuldigt wordt, niet direct voor schuldig te houden maar onderzoek daar na te doen, en, indien het eene zaak is, waar over wij moeten Jugeeren, de noodige bewijzen in te winnen en ons te beschikken, zonder van ons te verwagten dat wij op het enkeld schrijven van UwE iemand uit zijne post zetten of eenige andere correctien opleggen zullen. Terwijl wij aan den meergemelden Ian Sionko permissie verleenen om nevens zijn huisgezin, 't zij met een Comp„s dan wel met een inlandsch vaartuig herwaarts te komen ten einde zig hier neder te zetten, indien hij daar toe ge„ „neegen mogte weezen § 21. Bij UwE. Secreeten brief van den 15. December 1786. geposeerd zijnde, dat de Luitenant Fredrik Lucas Hutman qualiteiten bezit, die eerder eenen rustverstoover dan eenen rustbewaarer aanduiden, en in den persoon bestemd om het Garnisoen in der tijd te moeten commandeeren, niet zonder ergernis op zoo eene kleine plaats als Riouw geduld kun„ „nen worden, en dat hij ook de man niet is, die in cas van een vijandelyken aanval geschikt zoude zijn om de noodige orders tot defensie te geeven, hebben wij hem met het 5 Schip de Zaanstroom naar Batavia gezonden, dewijl een Officier van zulke qualiteiten, als UwE hem toekent, hier toekent, hier ook van geen nut voor de Compagnie kon weeze dog moeten bij deezen remarqueeren, dat UwE ons wel hadt m „gen opgeeven waar in de rust verstoorende qualiteiten van gemelden Hutman bestonden. en UwE gelasten zulksen het vervolg niet meer te verzuimen. Door de over desertie met de pantjallang Bliton her„ „waarts opgezonden Europeesche soldaaten Ian Babtist de Leux, Hendrik Goudman, Michiel Citter, en Ioseph IJzizaa„ die volgens § 1/5. des gemeenen en §2. des Secreeten briefs van den 9. Februari niet anders tot hunne verontschuldiging hebben weeten in te brengen, als dat zij met een rijksdoealda kostgeld ter maand niet bestaan konden, is hier, toen de Fiscaal deezes Gouvernements Thierens eenen Eisch tegen hu bij den Raad van Iustitie exhibeerde zoodanig een breedvo „rig antwoord daar op gegeeven, als UwE blijken zal bij het Berigt van dien Officier deezen in copie bijgevoegd En uit dien hoofde zoo wel als om andere motieven van aanbelas besloten hebbende het tegen hun geentameerd Proces van den Raad van Iustitie op te erschen en met de deliquanten naar Batavia te zenden, ter dispositie van de Edele Hooge Indi„ „sche Regeering, gelijk zij bereeds met het schip de Zaanstrom derwaarts overgezonden zijn, dog egter de noodige recherche te doen na de waarheid der grieven, door hun voorgebragt, beree„ „len wij UwE. overzulks niet alleen de nevens deeze over„ „gaande Schriftelijke Ordonnancie van den ondergeteekende Gouverneur 7 Gouverneur aan de persoonen ter handen te stellen, op wel¬ „ken zij luiden, en de daar bij gevorderde Berigten ons bij eerste gelegenheid toe te zenden maar zelf ook gemoedelijk te berigten hoe veel amfioen uit het pakhuis gestoolen is; en wanneer! Of aan die bergplaats, dan wel aan de amfioenkas, eenige en wel hoedanige openbreeking bespeurd is. Op welken tijd en met welk vaartuig die kas aan„ „gebragt, ontscheept, en hoedanig dezelve toen gecon„ „ditioneerd geweest mitsgaders of zij bij de ontscheeping direct in het pakhuis, dan wel bevoorens een of meer„ „der dagen elders anders geborgen is. Welke Gecom„ „mitteerden bij den ontvangst en aflevering weder van deeze amfioenkas, of toen men de gepleegden diefstal aan dezelve ontdekte, present geweest zyn. Wie en wie van de Bezettelingen nominatien op te geven het bedraa„ „gen van de gestolen amfioen vergoed hebben, en hoe veel een ieder. Wat UwE bewoogen heeft om hun zulk eene vergoeding op te leggen buiten onze voorkennisse en toelaa„ „ting. En of nooit iemand van hun allen zig daar over be„ „zwaard, dan wel daar tegen geopposeerd heeft. . § 23. Ondertusschen kunnen wij op UwE remarques in de 2. de en 15. d„o paragraphe der voorschreven Secreete en ge„ „meene adviesen van den 9. Februari dat de reden, die UwE van zijne positie bij secreeten brief van den 10. Juli 1786. we„ „gens de desertie van de Europeesche soldaaten bij dien van den 29. September daar aan hadt bygebragt, door het ver„ „loopen 5 3

NL-HaNA_1.04.02_3818_0554 view scan ↗

English

desertion of four European private soldiers, the same of whom mention was just made, was only too well substantiated, and that the outrages of the small number of European soldiers stationed there ought at once to be restrained, could answer nothing else than that a soldier must indeed become recalcitrant when treated in the manner stated here by the aforementioned four deserters. Section 24. Regarding the reintroduced provision of rations to the European corporals, soldiers, and gunners, although the same is in accordance with the order by secret letter of 6 December 1786 and consequently receives our approval, we cannot, however, leave it unremarked that your Honour should not have made a proposal to the Governor to provide board money in lieu of rations without first having investigated whether the said garrison could manage therewith, and especially not have omitted that investigation when your Honour learned of the Governor's concern in that regard from his said secret letter of 6 December, instead of continuing with the provision of board money granted upon your Honour's proposal until four men deserted out of dissatisfaction; and whereas we also wish to accommodate, as far as possible and equitable, the sergeants in their straitened circumstances, whose desire likewise to receive rations in lieu of board money your Honour had provisionally rejected as a novelty, we authorize your Honour to provide them monthly, provided they then receive no board money: 40 lb rice, 10 lb kadjang, 3 lb salt, 3 lb sugar, 3 lb tamarind, 1 lb butter, 10 lb bacon and meat, half kan olive oil, half kan native vinegar, and 4 and a half kan arrack. Section 25. Being informed that the garrison in general are not permitted to supply themselves against payment from the vessels arriving there with what they need for food and clothing, so that they must subsequently purchase it at the highest prices from the hands of the Chinese, and judging that it is contrary to all equity to prevent anyone from providing himself in the cheapest manner from his earned wages with that which he cannot dispense with, we order your Honour henceforth not to deprive anyone of the liberty to do so, but to permit everyone the purchase of all necessary articles, provided care is taken that those who purchase anything also pay for it immediately. For the rest, We remain, after greetings, underneath stood your good friends, signed P. G. de Bruijn, A. Couperus, I. A. Hensel, F. Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht, H. I. Weederhold, and C. G. Baumgarten, in the margin Malacca in the Castle, 31 March 1787. Secret. To the Merchant David Ruhde, Resident at Riouw. Honourable, Discreet Sir, Section 26. Your Honour's considerations concerning the admission of the Bugis to trade at Riouw, and the further explanation of your Honour's opinion by secret letter of 9 February, having already been submitted to the wise judgment of the Noble High Government of the Indies, I shall await Their High Mightinesses' pleasure thereon, and in the meantime continue to persist in the declaration made in my letter of 15 August 1786. Section 27. As regards your Honour's apprehension expressed in the said letter of 9 February, that on account of the washing away of the ground by the sea against the palisades of the main fortress at Tanjong Pinang it will not be possible to endure a second northwest monsoon there except with great difficulty, without pulling back the entrenchment and moving the fort to the rear, as well as your Honour's proposal on that occasion also to reduce the perimeter on the southwest side, where it is indisputably and according to the general opinion too extensive, I cannot send your Honour any orders concerning this before I have obtained further elucidation, and therefore command your Honour not only to instruct me clearly how this can best be done, but also what it will cost according to the most accurate estimate. Section 28. Meanwhile it is well that your Honour requested Captain Vetter to have the required timbers felled in turns by the native soldiers, as this is also always done by the garrison at Pira. Section 29. I further approve the agreement reached by your Honour with the Captains of the Chinese and cited in the secret letter of 26 February; namely, that they shall provide the labourers for driving the piles of the new boom free of charge and at the expense of their nation, in consideration of the fact that this labour concerns the country's service and they do not yet pay any poll tax; and I do not doubt in the least that the King will agree to that accord without any exception. Section 30. The malicious attempt on the King's life, communicated to me in your Honour's secret letter of 7 March, has appeared to me to be of such great consequence that I must recommend your Honour secretly to make every possible investigation into the instigators and the reasons thereof, and to inform me of what is discovered concerning it. Section 31. Upon your Honour's repeated demands, Raja Toea having pledged certain gold works to the weight of 221 and a quarter Spanish reals in specie for his debt to the Company, with a request for postponement of payment until

Dutch transcription

„loopen van vier gemeene Uuropeesche Milituiren, (dezelfden waar van zoo even gesproken is, ) maar te veel was bewaarheid, en dat de baldadigheden van het kleine getal der ginder beschei„ „den Europeesche Militairen eenmaal dienden beteugeld, niet anders antwoorden dan dat een Soldaat wel baloorig moet worden, wanneer men hem zoo behandelt, als de voorge„ „noemde vier deserteurs hier opgegeeven hebben. § 24. Betreffende de weder geintroduceerde verstrek„ „king van rantzoenen aan de Europeesche Corporaals, sol„ „daaten, en Cononniers, kunnen wij schoon dezelve Con„ „form is aan de Order bij secreeten brief van den 6. Decem¬ „ber 1786. en overzulks van onze approbatie, egter niet on„ „geremarqueerd laaten, dat UwE geen voorstel aan den Gouverneur moeste gedaan hebben om kostgeld voor rant¬ „zoenen te verstrekken zonder eerst te hebben onderzogt of de gemelde Bezettelingen daar mede konden toekomen, en dat onderzoek vooral niet agtergelaaten, toen UwE 's Gou„ „verneurs bekommering dientwegen bij zijnen gemelden secre„ ten brief van den 6. December vernam, in plaatze van met de op UwE. propositie ingewilligde verstrekking van kostgeld te continueeren tot dat vier van onvergenoegdheid deserteer„ „den en dewijl wij de sergeanten, welker verlangen om ins„ „gelijks randzoenen voor kostgeld te ontvangen. UwE als eene nieuwigheid provisioneel hadt afgeslagen, ook in hun¬ „nen bekrompen staat zoo veel het mogelijk en billijk is te 9 is te gemoet willen komen, qualificeeren wij UwE, om aan hun mits dan geen kostgeld genietende, maandelijks te verstrek„ ken. —. 40. lb rijst, 10. „ Kadjang, 3. „ zout, 3. „ suiker, 3. „ Tammerende, 1. „ Boter, 10. „ spek en vleesch, ½ Kan olijven olij, ½. „ Azijn inlandsch, en 4½. „ Arak, §. 25. Geinformeerd weezende, dat de Bezettelingen in 't generaal zig uit de ginder aankomende vaartuigen niet voor betaaling voorzien mogen van hetgene zij tot voedzel en dekzel nodig hebben, zoo dat zij het naderhand uit de handen der Chineeschen ten duursten moeten koopen, en oordeelende dat het tegen alle billijkheid strijdt is¬ „mand te beletten zig voor zijn verdiend loon op het goed„ „koopste te grieven met hetgene hij niet ontbeeren kan, gelasten wij UwE voortaan aan niemand de vrijheid daar toe te ontneemen, maar aan een ieder den inkoop van alle articulen van benoodigdheid toe te staan, mits zor„ „gende dat zij die iets koopen het ook daadelijk betaalen. „ voor het overige Wij blijven „ na Groete /:onderstond:/ uwE Goede Vrienden /:getekend:/ P. G. de Bruijn, A. Couperus, I. A Hen„ „sel, F Thierens, R. B. Hoijnck van Papendrecht, H. . I. Weederhold, en C. G. Baumgarten, /in margine / Ma„ lacca in het Casteel den 31. Maart 1787 Secreet Resident op Aan den Koopman David Ruhde Riouw Eerzaame, Discreete, §26. Reeds aan de wijze beoordeeling van de Edele Hooge Indische Regeering overgelaaten zijnde UwE consideratien over de admissie der Boegineeschen ten handel op Riouw, en de nadere explicatie van UwE meening bij secreeten brief van den 9. Februari, zal ik Hoogstderzelver goedvinden daar op af„ „wagten, en intusschen blijven persisteeren bij de verklaaring in mijnen brief van den 15. Augustus 1786. _. § 27. Wat uwE bedugting bij den gemelden brief van den 9. Februari aangaat, dat men wegens het wegspoelen door de Zee van den grond tegen de palissaden der Hoofdfortresse te Tanjong Pinang er geene tweede Noordwestemouson, ten zij met veel moeite, zal kunnen endureeren, zonder de be„ schanssing in te trekken en met het fort agter uit te haalen, gelijk mede UwE. voorstel om bij die gelegenheid den omtrek aan de Zuidwestkant, daar het zonder tegenspraak en volgens het algemeen gevoelen te uitgestrekt is teffens te verkleinen, ik kan UwE daar omtrent geene orders laaten toekomen voor dat ik nadere elucidatie zal hebben erlangd, en beveel UwE derhalven mij niet alleen duidelijk te on„ „derrigten derrigten hoe het een en ander best gedaan kan worden, maar ook wat het naar den naauwkewigsten overslag zal komen te kosten. —. §28. Ondertusschen is het wel dat UwE aan Capitein Vetter heeft gedemandeerd het laaten kappen door de in„ „landsche Militairen bij beurten van de benoodigde paalen dewijl zulks op Pira ook altoos door de Bezettelingen get„ „schiedt. . §29. Ik keur nog goed het door UwE met de Capitains der Chineeschen getroffen en bij secreeten brief van den 26 Februari aangehaald accoord; dat zij het volk tot het inheyen der paalen van de nieuwe Boom voor niet en ten kosten van hunne Natie leveren zullen uit consi„ „deratie dat die arbeid 's Lands dienst betrefd en zij nog geen hoofdgeld betaalen, en twijfel geenzints of de Koning zal dat accoord zonder eenige uitzondering agreëëren. — § 30 De boosaartige toeleg op 's konings leven, mij in UwE Secreeten brief van den 7. Maart gecommuniceert, is mij voorgekoomen van zoo veel speculatie te weezen dat ik UwE moet recommandeeren na de besteekers en reden van dien onder de hand alle mogelijke recherche te doen, en mij te berigten wat daar van ontdekt wordt. § 31. Op UwE herhaalde aanmaningen, door Radja Toea voor zijne schuld aan de Compagnie eenige goudwer„ „ken, ter zwaarte van 221¼ sp. reaalen in specie genampti„ „seerd zijnde, met verzoek om uitstel van betaaling tot dat

NL-HaNA_1.04.02_3818_0558 view scan ↗

English

that he would have pocketed from his son-in-law, the Setan at Andragirij, a certain 3000. –. Sp. reals belonging to him, Your Honour may provisionally content yourself with that, but must nevertheless ensure that the payment is not delayed for too long. § 32. The First Clerk neglected to attach to my letter of 9. February the petition mentioned therein of the answered by me. I now send it to Your Honour, and remain very gladly Your Good Friend Signed: P. G. de Bruijn, in the margin: Malacca in the Castle the 31. March 1787.—. To the Merchant David Ruhde Resident Riouw Honourable, Discreet, § 33 I not only approve of the answer that Your Honour caused to be delivered to Radja Toea when his intention to come hither was made known to Your Honour, but I also desire that Your Honour dissuade him from carrying this out until I am armed with the approval of the Honourable High Indian Government concerning his person, under the pretext that he must first help the King and Your Honour to determine the contributions that the subordinate lands of Riouw can yield, without prejudice to the freedom to send his vessel hither in the meantime for sale, either under the supervision of one of his sons, or of someone else. § 34. The order given to Your Honour in the second article of paragraph 15 of my letter of 9. February last being based upon the King's fair request requiring no further explanation in the fifth article of his Request presented here, I therefore persist with it, because everything that Your Honour permits or connives at regarding the native garrison according to paragraph 21 of his Secret letter of the 2nd of this month can coexist with the prohibition against night-wandering in the Malay campong and taking women against the will of their parents, friends, or bondmasters. § 35. It would be incomprehensible how the King, who together with his Nobles examined item by item the new Regulation on the issuing of Passes to vessels departing from Riouw, and had permission freely to state to me whatever His Highness thought excessive, could have conformed to it in all respects if, as Your Honour says, less had previously been taken for most Passes than is paid now. I do not wish to express myself further on this subject, or make any remarks about the introduced grounds of objection, but merely consider as repeated the previous recommendation to see to it that the said Regulation is not violated. — § 36. Regarding the debt sum of rds. 1368. 36. -. mentioned in my letter of 14: February, it serves for Your Honour's information that the King has bound himself to pay the same within six months, and Your Honour, if that is not fulfilled, must deduct that money from the share of His Highness and the Council of State in the amount of the domains farmed out for the last six months of this Year. §. 37. For lack of a better opportunity, I send here with to Your Honour a letter and gift for the King of Trangano, to be forwarded, either by Your Honour yourself or by Radja Machmoet, with some known Malay or Buginese who is departing thither. After greetings I remain Your Good Friend Signed: P. G. de Bruijn In the margin: Malacca in the Castle the 20. April 1787. To the Merchant David Ruhde Resident Riouw Honourable, Discreet, § 38. Regarding the Chinese Tan Sionko, we believe we may abide by the remarks in our separate letter of 31. March last paragraph 3 to 120. inclusive, and therefore do not consider it necessary to express ourselves further on what is now said of him in Your Honour's separate letter of 24. April paragraph 5, nor on the reasons cited therein which have restrained Your Honour from having the Chinese Traders provide a written Statement regarding the instigation of those traders imputed by them to the said Tan Sionko to protest against the appointment of a Cantonese as Lieutenant, but we shall await him, who according to the conclusion of Your Honour's aforesaid letter was about to depart hither on a native vessel. § 39. On the Reports of Captain Vetter, Provisionally Ensign Smit, and Ordinary Fireworker Schutz, together with Your Honour's Accountability in the same separate letter paragraph 9 regarding the grievances brought forward by the four European Deserters previously named in our separate letter of 31: March, we shall declare ourselves after the Fiscal Thierens, who has been ordered to make the most exact inquiry into the truth of those grievances among the persons who have successively arrived hither from Riouw, shall have served with a Report. —. § 40. Two of the European sergeants stationed yonder, when Your Honour made known to them our concession to their request to receive rations instead of board money,

Dutch transcription

dat hij van zijnen schoonzoon, den Setan te Andragirij, zoude hebben ingepalmd zekere hem competeerende 3000. –. Spreaalen kan UwE Zig daar mede wel bij provisie contenteeren, dog moet egter Zorgen dat de betaaling niet te lang vertraagd wordt. § 32. De eerste Klerk heeft verzuimd nevens mijnen brief van den 9. Februari te voegen het daar in gemeld verzoek¬ „schrift van den door mij beantwoord. Ik zend het UwE nu toe, en blijf zeer gaarne /:onderstond:/ UwE Goede Vriend /getekend:/ L G. de Bruijn, /:in margine:/ Malacca in het Casteel den 31. Maart 1787.—. Aan den Koopman David Ruhde Resident Riouw Eerzaame, Discreete, § 33 Ik keur met alleen goed het antwoord dat UwE aan Radja Toea heeft laaten brengen toen UwE bekend gemaakt wierd zijn voorneemen om herwaarts te komen, maar begeer ook dat UwE hem van dies uitvoering tot dat ik met het goedvinden van de Edele Hooge Indische Regeering nopens zijn per„ „soon gemunieerd ben zal afmaanen onder voorwendzel dat bij den Koning en UwE. eerst moet helpen bepaalen de contributien op 13 contributien, die de onderhoorige landen van Riouw kunnen opbrengen, onverminderd de vryheid om zijn vaartuig intus„ „schen ter verkoop herwaarts te zenden 't zij onder opzigt van eenen zijner zoons, of van iemand anders. § 34. De aan UwE gegeven order in het tweede articul van 315. mijnes briefs van den 9. Februari laastleden ge„ „grond zijnde op 's Konings billijk en geene nadere ex„ „plicatie vereischend verzoek in het vijfde articul van zijn hier overgegeven Request, blijf ik overzulks daar bij persisteeren, dewijl al hetgene UwE volgens V21. zijnes Secreten briefs van den 2. dezer aan de inlandsche Be„ „zettelingen permitteerd of conniveert bestaan kan met het verbod van het nagtzwerven in de Maleitsche kampong en neemen van tegen den zin van haare ouders, vrienden, of Lijfeigenaars. § 35. Onbegrypelijk zoude het zijn hoe de Koning, die met zijne Grooten het nieuw Reglement op de afgaa„ 1 re van Passen aan de van Riouw vertrekkende vaartui „gen van stuk tot stuk geexamineerd, en verlof gehad ar„ heeft om hetgene zijne Hoogheid excessie f rond't vrije„ „lijk aan mij op te geeven, zig daar mede allezins geconfor„ „meerd kon hebben, indien voor de meeste Lassen, gelijk UwE zegt, bevoorens minder genomen was dan nu betaald wordt. Ik wil mij op dit sujet niet verder uitlaaten, of eenige remarques maaken over de ingebragte redenen van F Vie van bezwaar, maer elijk voor herhaald houden de voorige recommandatie, om toe te zien dat het gemeld Reglement niet wordt overtreden. — § 36. Belangende de bij mijnen brief van den 14: Fe¬ „bruari gementioneerde Schuld somme van rds. 1368. 36. -. dient tot UwE narigt, dat de koning zig verbonden heeft om dezelve binnen zes maanden te betaalen, en UwE. , indien daar niet aan voldaan wordt, dat geld moet inhouden van het aandeel zijner Hoogheid en der Rijksraaden in het bedraagen van de voor de laaste zes maanden deezes Iaars verpagte domeinen. §. 37. Bij gebrek van beter gelegenheid Zend ik hier nevens aan UwE. een brief en geschenk voor den Ko¬ „ning van Trangano om, 't zij door UwE zelf of door Radja Machmoet, met eenigen bekenden Maleijer of Boeginees die derwaarts vertrekt voortgeschikt te worden Ik blijf na groete /:onderstond:/ uwE Goede Vriend /getekend:) P. G. de Bruijn /in margine:/ Malacca in het Casteel den 20. April 1787. Aan den Koopman David Ruhde Resident Riouw Eerzaame Discreete, § 38. Belangende den chinees Tan Sionko vermeenen wij ter op 15 te mogen berusten in de remarques bij onzen aparten brief van den 31. Maart laastleden 3 tot 120. inclusive, en agter derhalven niet nodig ons over hetgene nu bij UwE aparten brief van den 24. April 35. van hem gezegd wordt, nog ook over de daar in aangehaalde redenen die UwE weder„ „houden hebben van door de Chineesche Dagangers eene Schriftelijke Verklaaring te laaten geeven nopens de door hun den gemelden Ian Sionko ten laste gelegde ophit„ „zing dier handelaars om tegen de aanstelling van een Cantonger tot Luitenant te protesteeren, nader uit te laaten, maar zullen hem, die volgens het slot van UwE voor„ „schreven brief met een inlandsch vaartuig herwaarts stonde te vertrekken, verwagten § 39. op de Berigten van Capitein Vetter, P„s Vaandrig Smit, en ordinair Vuurwerker Schutz, mitsgaders UwE Verantwoording bij denzelfden aparten brief 39 ten aan„ „zien der grieven, door de bij ons apart schrijvens van den 31: Maart bevoorens opgenoemde vier Europeesche Deserteurs Voorgebragt, zullen wij ons verklaaren na dat de Fiscaal Thierens, welken gelast is om na de waar„ „heid dier grieven de exactste recherche te doen bij de Successivelijk van Riouw herwaarts gekomen persoonen, gediend zal hebben van Berigt. —. § 40. Twee van de ginder bescheiden Europeesche ser„ „geanten, toen uwE aan hun bekendmaakte onze concessie in hun verzoek, om in plaatze van kostgeld rantzoenen te

NL-HaNA_1.04.02_3818_0562 view scan ↗

English

to be permitted to obtain them, having answered that they would indeed accept the rations if everything was supplied to them completely each month and nothing was lacking from it, but the third having replied that, being stationed in the fort on the mountain, he dared not conveniently bring bacon there and therefore desired no rations; thus Your Honour must continue with the provision of board money to the same, and no longer accept any request from them for rations. §41. Good is the order that Your Honour, according to §11 of your aforementioned separate letter of 24 April, has established to prevent the irregularities of which the soldier otherwise makes himself guilty; yet we nevertheless persist in ours, given to Your Honour in the 25th paragraph of our separate letter of 31 March last, since anyone who cannot immediately pay for what he purchases need not be permitted to purchase either. §42. It having appeared to us from Your Honour's secret letter written to the undersigned Governor on the 6th of this month, which was received on the 31st, that the forty vessels observed from Mantang behind Tanjong Pinang were considered by Radja Indra Boengsoe and associates to be a fleet coming from Borneo, and that Your Honour, because Your Honour had information that Radja Ali was aboard it, supposing that his intention was to attack the Company's garrison at Riouw, we resolved on the very same day to dispatch the cutter Iava and the bark the Standvastigheid, along with the hooker Katwijk aan zee mentioned in our general letter of today, all well-armed, as quickly as possible to your assistance thither, just as they are now departing, and to give the commander of the same, Captain-Lieutenant Blandauw, such instructions of which we enclose a copy herewith for Your Honour. And whereas we have instructed him, among other things, upon his arrival there strictly to obey the orders he shall receive from Your Honour; we desire that Your Honour shall provide him with further instructions concerning what he is to do, whether Your Honour chooses to keep the said vessels at or about the roads of Riouw to keep the enemy away from there, or else sees fit to send the same around behind Bintang with the sloop the Iohanna and the pantjallang Banca (if the latter has not yet returned hither), in order to run down the enemy vessels and destroy or drive them off, provided you do not resolve upon the latter without some well-founded prospect of good success. §43. The state of our garrison does not permit us to reinforce that of Riouw with fifty men, besides the soldiers stationed on the aforementioned three vessels. But, if the enemy has already landed elsewhere and Your Honour must therefore keep those vessels for the protection of the Company's fortresses, Your Honour may remove fifty soldiers from them, together with Ensign Claasz and eight or more artillerymen, to be employed in the main fortress. §44. We do not doubt that the King, who promised Your Honour to equip and arm his vessels and send them to Your Honour, will have kept his word and thereby enabled Your Honour, with Heaven's help, to resist the enemy who might have attacked Your Honour manfully until the appearance of the requested relief, which we are dispatching to Your Honour without delay, in order subsequently to foil his designs and compel him to retreat; after which Your Honour must send back the cutter Iava, the bark the Standvastigheid, the sloop the Iohanna, and the pantjallang Banca, with all the soldiers and artillerymen placed on the first two mentioned vessels and the hooker Katwijk aan zee, without exchanging any of them, and also as much of the 3000 lb of gunpowder projected for the Company's garrison as Your Honour can spare; yet, if obligated to detain some of the aforementioned vessels for some time longer, especially let the bark the Standvastigheid return to transport rations thither for the people of the expedition, since the provision thereof has only been made until the end of August, except for the pantjallang Banca. §45. In the meantime, we cannot fail to inform Your Honour of the rumour circulating here that the King of Palembang has fitted out several gurabs or galliots with fully one hundred other vessels to seek out the Siak pirate vessels of Said Ali, which are roaming in the Bangka Strait and have already taken several tin vessels; and accordingly to instruct Your Honour that, if the fleet observed from Mantang has not yet undertaken anything hostile against the Company, Your Honour must, at the slightest possibility, have it investigated whether it is not the Palembang fleet, in order not to commit an error by attacking the same by mistake, although it would be quite imprudent of the Court to send so many vessels to this strait without notifying us of it, as it is not unknown to the same that at this time of year we station the Company's vessels near Poeloe Farella or the Callantigas to protect the Batavian and Javanese traders coming hither from the depredations of sea rovers. For the rest, after greetings, we remain, underneath was written: Your Honour's Good Friends, signed: P. G. de Bruijn, A. Couperus, I. A. Hensel, F. Thierens, H. P. Weederhold, C. G. Baumgarten, and G. Pungel. In the margin: Malacca. G. Klerk Malacca, in the Castle, 15 May 1787. Agreed C. Van Saak

Dutch transcription

te mogen erlangen, geantwoord hebbende dat zij de rantzoenen wel accepteeren wilde indien hun maandelijks alles com¬ „pleet verstrekt wierdt en niet het en of ander daar aan manqueerde, dog de derde dat hij in het fort op den berg bescheiden zijnde daar niet gevoegelijk spek durfdte brengen en derhalven geene rantzoenen begeerde; zoo moet UwE bij de verstrekking van kostgeld aan dezelven continueeren, en geen verzoek van hun om rantzoenen meer aanneemen §41. Goed is de order die UwE volgens §11. zijnes meer„ „gemelden aparten briefs van den 24. April gesteld heeft tot voorkoming van de ongezegeldheden, waar aan de sol„ „daat zig anders schuldig maakt; dan wij persisteeren niet te min bij de onze, in de 25. s parargraphe onzes aparten briefs van den 31. Maart Laastleden UwE ge„ „geven, dewijl aan iemand, die niet immediaat betaalen kan wat hij koopt, ook het koopen niet behoeft toe„ „gestaan te worden. §42. Bij UwE aan den ondergeteekenden Gou„ „verneur geschrevenen Secreeten brief van den 6. hujus„ die op den 31. ontvangen is, ons gebleken zijnde, dat de veertig vaartuigen die van Mantang agter Tanjong Pinang vernomen waren, door Raddja Indra Boengsoe C:s: gehouden wierden voor eene vloot, die van Bornes kwam, en dat UwE. , dewijl UwE narigt hadt dat Radja Ali zig daar in bevond supponeerende dat zijn toeleg was om Comp„s 17 Comp„s Bezetting te Riouw te attaqueeren hebben wij ten zelf„ den dage beslooten de kotter Iava en Bark de Standvastig„ „heid met den bij onzen gemeenen brief van heden gemelden hoeker Katwijk aan zee allen wel gearmeerd, zoo spoedig immers mogelijk ten UwE: assistentie naar derwaarts: te expedieeren, gelijk zij nu vertrekken, en aan den Comman„ „dant van dezelven, den Capitein Luitenant Blandauw, zoodanige Instructie te geeven als waar van wij UwE een af¬ „schrift hier nevens laaten toekomen. En vermits wij hem onder anderen gelast hebben na zijn arrivement gin„ „der stiptelijk op te volgen de orders die hij van UwE. zal ontvangen; begeeren wij dat UwE hem van eene na„ „dere Instructie wegens hetgene hem te doen staat zal voorzien, 't zij dat UwE verkiest de gemelde kielen op of omtrent de Reede van Riouw aan te houden, om den vijand van daar te weeren; dan wel goedvindt dezelve met de sloep de Iohanna en pantjallang Banca (in„ „dien de laaste nog niet herwaarts geretourneerd is) agter Bintang om te zenden; ten einde de vyandelijke vaartuigen op te loopen en te vernielen of te verjaagen, mits zig tot het laaste niet bepaalende zonder eenig gegrond vooruit„ zigt van een goed Succes. - §43. De staat van ons Garnisoen Laat ons niet toe„ dat van Riouw met vijftig man te versterken, buiten de Militairen; die op de voorschreven drie vaartuigen geplag # zijn. zijn. Maar, indien de vyand reedselders geland is; en UwE: derhalven die vaartuigen tot dekking van Comps. fortressen moet aanhouden, kan UwE van dezelven vijftig Militairen ligten, benevens den Vaandrig Claasz en agt of meer arthilleristen; om in de hoofd fortresse geëmploij¬ „eerd te worden. — § 44 Wij twiffelen niet of de koning die UwE beloofd heeft zijne vaartuigen te zullen equipeeren, armeeren, en UwE toezenden, zal zijn woord gehouden en UwE daar door in staat gesteld hebben, om met 's Hemels hulpe den vijand, die UwE: mogte hebben aangevallen, manmoe¬ „diglijk te resisteeren tot de opdaging van het gerequireer„ „de Secours, dat wij UwE onvertraagd beschikken, ten ein„ „de vervolgens zijne oogmerken te verijdelen en hem tot de retraite te noodzaaken; waar na UwE. de Kotter Iava, bark de Slandvastigheid, sloep de Iohanna, en pantjal „lang Banca te rug moet zenden met alle de op de twee eerstgemelde kielen en de hoeker Katwijk aan zee ge„ „plaatste Militairen en Artilleristen, zonder eenige van de„ „zelven te verwisselen, en ook zoo veel van de voor Comps. Be„ „zetting geprojecteerde 3000. –. lb buskruids, als uwE missen kan, dog, tot de aanhouding nog eenigen tijd van Som„ „migen der meergemelde vaartuigen verpligt zijnde de bark de Standvastigheid vooral laaten wederkeeren om rantzoenen voor het volk van de Expeditie derwaarts over te brengen, alzoo de verstrekking daar van maar tot „ C 19 tot Ultimo Augs gedaan is, behalven aan de pantjallang Banca §45. Ondertusschen kunnen wij niet afzijn UwE te informeeren van het hier loopende gerugt dat de Koning van Palembang eenige goerabs of gallowetten met wel honderd andere vaartuigen heeft doen uitrusten om de Siaesche roosvaartuigen van Said Ali die in de Straat Banca Zwerven en reeds eenige tinvaartuigen genomen hebben, op te zoeken, en UwE overzulks te gelasten, dat UwE indien de van Mantang geobserveerde vloot nog niets vyandelyks tegen de Compagnie ondernomen mogte hebben, bij maar eenige mogelykheid moet laaten na¬ „vorschen of zij niet de Palembangsche vloot is. om door het abusief aanranden van dezelve niet te misdoen hoewel het vrij wat onvoorzigtig van het Hof zoude weezen zoo veel vaartuigen naar deeze straat te zen¬ „den zonder ons daar van te verwittigen daar aan hetzelve niet onbekend is dat wij in dit Jaargetij de Comps. vaartuigen bij Poelae Farella of de Callantigas uitzetten om de Bataviasche en Iavasche handelaars die herwaarts komen, voor de plondering van Zeeschuimers te beveiligen Wij blijven voor het overige nae groete /onder„ „stond:/ UwE Goede Vrienden /:getekend:/ P. G. de Bruijn A. Couperus, I. A. Hensel, F. Thierens, H: P: Weeder„ „hold, C. G: Baumgarten, en G. Pungel (in margine) Malacca 19 . G. Klerk Malacta in het Castel den 15. Mai 1737. Agcordeert C Van Saak

← previousnext →