VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3818

Japan · 1,296 pages · 258 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3818_0368 view scan ↗

English

To the King and Grandees of Sumbauwa. Through Your Highness's envoy Makkal Tjoetjoeroeng, who was stranded off Saleijer and subsequently arrived here, I have received Your Highness's and the Grandees' letter dated 6 December 1787, together with an old female slave who has been taken over by the Company upon valuation for 30:—:— Rijxdaalders, for which we will credit the account of the Realm of Sumbauwa. We were pleased that the Bima Resident Meurs, at the request made by Your Highness and Grandees, has assisted with eight barrels of gunpowder, according to custom on account of payment. And since, by the already apparent arrival of the ship De Nepthunus, sent directly by Their High Excellencies for your assistance, Your Highness's request for gunpowder and lead becomes moot, we therefore also hope that Your Highness and Grandees, with proper zeal, will use every effort, with this obtained aid and that of the Kings of Bima and Sompo, to quell the disturbances, and to restore everything to a good footing which, by having indulged the Wadjorese and Buginese far too much on Sumbauwa, had almost fallen into ruin. Although it seemed quite questionable to us that Your Highness and Grandees, in these pressing circumstances, dispatched letters to the King of Boni and the Datoe Baringang without giving us the least notice thereof in Your Highness's received writing, we have nevertheless for this time had these letters delivered according to their address, together with the boy who was sent along as a present. Written at Makasser in Castle Rotterdam, 11 March in the year 1788. was signed: D: Reijke 65 Maccasser To the Honorable Sir Honorable Sir and Friend, The present state of affairs at Maccasser has led Their High Excellencies to consider whether the Madurese warriors might at times be employed there to great benefit, wherefore they have ordered me to submit this for your consideration, which I hereby do, so that, after obtaining information in this regard, if necessary, your government may be provided with a company of these mercenaries. With all high esteem, I have the honor to be, Honorable Sir and Friend, Your humble servant and friend, was signed: Jan Greeve P.S. Enclosed herewith I add for your perusal a copy of the instruction given to the commanding officer of the troops detached from here to Sumbauwa. Samarang, 2 January 1788 Governor and Director there Makasser, in Castle Rotterdam, 13 March in the year 1788. To the Commissioners to the King of Boni, the Junior Merchants Johan Godfried Judach and Simon Burggraaff. Honorable, Pious, Discrete, Since I have today again received complaints regarding the outrages committed yesterday by the Boni Prince Batjo Bararia, to such an extent that one of our people was wounded by him or his men near the guardhouse in the Kampong Malaijoe, both of you must once again most vigorously protest to the King against these evil doings of his nephew, and in my name request that His Highness will finally fulfill his frequently made promise to have this vagabond relocated to the interior, and that as soon as possible, as I shall otherwise, in order to maintain the Company's rights on its own territory, be forced to have him executed, to which the King has already long since given permission. With kind regards, I remain your good friend, was signed: D. Reijke Translation 67 Translation of a Buginese letter written by Arou Pantjana to the Honorable Governor and Director of this Coast of Celebes, being of the following content: Presents his humble compliments to Your Honor and informs Your Honor that I have now arrived in Sopping, and have immediately gathered all the subjects of Mario, because Arou Mario has already been reconciled with Datou Sopping, with an earnest recommendation no longer to think of all that in the past gave rise to the dissensions between Sopping and Mario, but now to live as brothers with one another. Thus our mutual alliance has now become stronger than before, and the reason why I have not yet departed from here is because I wish to go to Mario myself, in order if possible to effect a reconciliation between the Patolaija of Wadjo and Arou Betteng, being the full nephew of my son Arou Mario, so that we four or five of us together may if possible be under the protection of the Honorable Company. I also had the honor to duly receive Your Honor's letter via Intje Kama, and subsequently I communicated the contents thereof to the Adatouang of Sidenreng, who is currently at Compang-binanga-E; and had he been present here in Sopping, we would have already carried out the wishes of Your Honor. However, on my return journey I will call upon the Adatouang of Sidenreng, and there together carry out the contents of Your Honor's letter. Written in Sopping, 5 March in the year 1788.

Dutch transcription

Aan de koning en Rijksgrooten van Sumbauwa. Het uw Hoogheids zendeling Makkal Tjoetjoeroeng die op de Hoogte van saleijer gestrand en zo vervolgens hier aangekomen is, heb ik ontfangen uw Hoogheids en Rijksgrooten brief van den 6„e december 1787 nevens een ou„ „de slave meid die per Taxatie door de kompagnie overgenomen is voor Rijxdaalders 30:—:—: waar voor wij de Rekening van het Rijk van sumbauwa zullen Crediteeren nea Het is ons lief geweest dat den Bimas resident Mheurs uw Hoogheid Rijksgrooten op derzelver gedane verzoek met agt vaatjes kruit na gewoonte op rekening van betaling heeft g'assisteert. En dewijl door de reets aparente aankomst van het direct door Haar Hoog Edelhedens ter uwer assistentie gezondene schip De Nepthunus un Hoogheids verzoek om kruijt en Lood komt te vervallen, zo hoopen wij dan ook dat door uw Hoogheid en Rijksgrooten met regten iever, ten minsten niet meer dan tot nog toe schijnt geschiet te wezen, alles zal aangewend worden om met deze bekomene hulp en die van Bimas en sompos koningen de onlusten te stuiten, en dat geene weder op een goe„ „den voet te brengen het welk, door de op sumbauwa aan de wadjoreesen en Boegineesen, maar al te veel gegevene wil, bij na in dingen zoude zijn schoon het ons al vrij speculatief voorgekomen is dat uw Hoogheid en Rijksgrooten in deze haar drukkende omstandigheid brieven aan den koning van Bonij in den datoe Baringang afzenden zonder ons daar 1 van bij uw Hoogheids ontfangene schrijvens de minste kennis te ge„ „ven zo hebben wij egter deze brieven voor ditmaal laaten bezorgen na luid van derzelver oodresse nevens de Jonge die daar bij tot present gezonden is. Geschreeven tot Makasser in'tkasteel Rotterdam den 11„e Maart anno 1788 D: Reijke /:was getekent:/ Marraler vingeand geraakt. 65 Maccasser Aan den wel Edelen Agtbaren Heer wel Edele Agtbaare Heer en vriend De presente gesteldheid van zaaken te Maccasser heeft bij Hun Hoog„ Edelheedens tot een poinct van overweging gemaakt, of somtijes de Madureese krijgers, met veel nut aldaar, zoude kunnen worden g'emploijeerd, waarom voogst dezelven mij gelast hebben uwE Agt„ „bare dit in Consideratie te geeven, en waaraan ik bij dezen voldoe, om na erlanging van informatie desweegens, zo zulks noodig is, uwE Agtbare Gouvernement, van een Compagnie dezer besoldingen, te voorzien Met alle hoog agting, heb ik de eere te zijn wel Edele Agtbare Heer en vriend uwwl Edele Agtbare ootmoedige Dienaar en vriend /:was getekend:/ Ian Greeve P: S Hier nevens voege jk ter speculatie, Copia der Jnstructie, mede gegeven aan den Commandeerende officier der, van hier, na sumbauwa, gedetacheerde militairen. Samarang den 2„e Januarij 1788 Barend Deijke Gouverneur en Directeur aldaar Charos Maros Makasser in't kasteel Rotterdam den 13e Maart Ao 1788 Aan de Gekommitteerdens na de honing van Bonij De onderkooplieden Iohan Godfried Iudach en BurgGraaff Simon Eerzame, vrome Discrete Dewijl jk heden weder klagten gekregen heb wegens de gister aangeregte mautaliteiten van de Bonijse Prins Batjo Bararia zelfs zodanig dat er een van ons volk door hem of de zijne bij het topbord in de kampong malaijoe gekwest is geworden zo moeten uE beide nogmaals bij de koning tegens deze slegte gedoentens van zijn Neef op het kragtigste protesteeren en uit mijn Naam verzoeken dat zijn Hoogheid zijn dikwils gedane belofte dog eens wil volbrengen met dezen vageband na de binne Landen te doen verhuisen en dat zo spoedig doenlijk dewijl jk anders tot hand„ having van 'tkompagnies regt op haar eigen grond gebied ge„ „noodzaakt zal wezen hem waar toe de koning alreets voor lan„ „ge toestemming gegeven heeft, te laten massacreeren. Ik blijve na minsame groete DReijke uE goede vriend /:was getekend:/ Translaat . o 67 zijn nedrig Compliment aan uwwel Edele Agtbare en maake uwwel Edele Agtbare bekent dat ik thans in sopping g'arriveert ben, en hebbe terstant alle de onderdaanen van Maria bij een verzamelt, om reeden Arou Mario reets verzoent is met Datou sopping, met ernstige recommandatie om al het voorige waar toe aanleiding heeft gegeven tot de oneenig heden tusschen sopping en Mario, als nu niet meer daar aan te gedenken, maar thans zig als Broeders met malkanderen te leven. dus is ons onderlinge verbintenis als nu te sterken geworden dan voorheen, en de reeden waarom dat jk nog niet van hier ben vertrokken, is wijl ik mij zelfs na Mario wil begeeven, om waar het mogelijk de verzoening te bewerken tusschen de Patolaija van wadjo, en Arou Betteng, zijnde de volle Neef van mijn zoon Arou Maria, om is het mogelijk daar door met ons vier of vijffen, onder de pro„ „terie van de E: kompagnie te kunnen weezen. Ook heb jk de Eer gehad uwel Edele Agtbare brief per Jntje kama wel te ontfangen, en vervolgens heb jk den inhoud van dien mede gedeelt aan den Adatouang van sidenreng die zig te Compang„ „binanga-E bevind, en was den zelven hier in sopping present ge„ „weest, dan hadden wij reeds de wille van uwwelEdele Agtbare ter uijtvoer gebragt. waar ik zal met mijn te rug reijse bij den Adatouang van sidenreng aangaan. en aldaar te samen volgens den inhoud van uwwelEdele Agtbare brief ter uijtvoer te brengen Geschreeven in Copping den 5„e Maart anno 1788. Translaat Bougineese Brief geschreeven door Arou Pantjana aan den wel Edelen Agtbaren Heer Gouverneur en Directeur dezer Cutte: Celebes, zijnde van de volgenden inhoud

NL-HaNA_1.04.02_3818_0372 view scan ↗

English

Maccasser Barend Reijke To the Honorable Lord Governor and Director of this coast of Celebes Honorable Lord In compliance with Your Honor's esteemed order contained in the Political Council's resolution of the 5th of this month, the first undersigned departed for Maros on the 13th following; and having arrived there that same evening, subsequently on the 18th of this month, after requesting and obtaining access, proceeded to Maranpeeso, where His Highness the King of Bonij holds his court, together with the second undersigned, as expressly appointed commissioners to attend the feast that was to be held by him, where we found His Highness the King assembled together with all the grandees of the realm. After conveying the customary compliments of Your Honor together with the Council, and congratulations on the tooth-filing of His Highness's eldest daughter, the gift sent along with us on the Company's behalf was handed over to him, and the ceremony of the tooth-filing was completed in our presence, with all the solemnities that are ordinarily observed therewith. Furthermore, we proceeded again to His Highness on the following day, the 19th, since that prince had requested us to postpone our further commission until the next day, as he wished to be excused from it on the day of the feast. We found sitting with the King the Madanrang, the Temilalang, and Craing Iapanang, and after greetings were exchanged and having been seated for a short while, we complained in the most emphatic manner about the insolent and uttermost wicked conduct of his nephew Prince Batjo Barrang, as described in Your Honor's letter of the 13th of this month, with insistence, likewise, that he make him depart for the interior in accordance with the promise already made long ago by His Highness, or that the Honorable Company otherwise, to maintain uncontested authority on its own territory, would have that vagabond massacred. To which the King replied only: that His Highness would order the Madanrang, as was also done in our presence to that minister, and the Datoua Baringang, that as soon as Batjo Barrang appeared in Makassar again, they should tie him up and bring him to His Highness, without wishing to answer anything, though we insisted thereon, regarding the proposed banishment to the interior, or wishing to give his consent in case of renewed insolence to his being massacred. Further, the first undersigned, in the name and with the greetings of Your Honor, caused the letter given to him from the King of Sumbauwa to the King of Bonij, together with a slave and a letter to the Datoua Baringang, to be delivered by the assistant interpreter Billet upon his arrival in Maros, and at the meeting on the aforementioned 19th asked His Highness whether he had properly received both letters and the slave. This having been answered in the affirmative by the same, the first undersigned, according to the charge given to him by Your Honor, had it submitted to His Highness that the Lord Governor trusted that, according to custom, the contents of both letters received would be communicated to His Honor and a copy thereof provided. His Highness answered that as soon as he had obtained a scribe who would have translated them into Malay, His Highness would provide the Lord Governor with a copy of both letters. With this brief report rendered, we trust to have fulfilled the commission entrusted to us and the further orders of Your Honor, and we have the honor to remain with much respect and high esteem, Honorable Lord, Your Honor's humble and dutiful servants, D BurgGraaff D: G: Budak and was signed Translation in the Fort Valkenburg the 21st of March Year 1788 Malay Writing Translation Written by a King and Grandees of Zumbauwa; To the King of Bonij Compliments and blessings according to custom We send our envoy named Kackal Tjotjoeroeng over to Your Honor our son the King of Bonij to appear before you, requesting beforehand that if in this we have not acted properly or done anything contrary to custom, it may not be taken amiss by Your Honor our son, but on the contrary that you excuse us of blame and remind us thereof. Furthermore, we request of Your Honor our son the King of Bonij, because we are in great want of powder and lead, that you please accommodate us with some for a reasonable price, Your Honor being able simply to mention the value thereof in his letter. Knowing nothing else to present to Your Honor our son herewith as a sign of life, than solely a male slave, hoping that Your Honor will not be pleased to disdain the same, though it be meager. Written in Sumbauwa on the 28th day of the month Jappar Year 1201. For the translation was signed Hendrik Bewers. Translation Malay Writing Written by the King and Grandees of Sumbauwa, to Datoe Baringang Compliments and blessings according to custom. Herewith I make known to Your Honor my father, that I have sent my envoy named Mackal Tjoetjoerong to your son the King of Bonij, to request assistance to obtain powder and lead from him, as I am very destitute thereof, and for that reason we greatly trust that Your Honor will also assist us, by speaking about this with your son the King of Bonij, so that we may undoubtedly obtain our request. Furthermore being able to send you my father herewith nothing else as a sign of life than solely a fine grindstone and three fighting cocks. Written in Zumbauwa on the 28th day of the month Japar year 1201. For the translation was signed Hendrik Beiers Maros

Dutch transcription

Maccasser Barend Reijke Aan den welEdelen Agtbaren Heer Gouverneur en Directeur dezer kuste Celebes Agtbare Heer Wel Edele Ter voldoening aan uwer wel Edele Agtbare g'Eerde ordre vervat bij Politicq raads besluit van den 5e dezer, heeft den Eerst onder„ „geteekende zig op den 13„e daar aan Na maros begeeven; en dien zelfden dag 's avonds aldaar g'arriveert zijnde, vervolgens op den 18„e dezer, na versogt en verkreegen Acces, bij zijn Hoogheid den ko„ „ning van Bonij neevens den tweede Tiekenaar, naar maranpeeso alwaar dien vorst zijn Hof houd :/ als Expresse benoemde gecommitteer„ „dens, ter Bijwooning van 't festeijn dat door den zelven gehouden soude worden, alwaar wij zijn Hoogheid den koning, neevens alle de Rijxgrooten vergadert gevonden hebben, zijnde door ons na aflegging van de gewoone Complimenten van uw wel Edele Agtba„ neevens den Raad, en filicitatie met 't tande slijpen van zijn Hoogheids oudste Dogter, het aan ons meede gegevene geschenk sComp„s weegen aan denselven overhandigt, en de plegtigheid van 't soude slijpen in onse presentie volbragt, met al de solemni„ „teiten, die ordinair daar bij g'observeert worden. voorts hebben wij ons des anderen daags den 19„e weederom na zijn Hoogheid begeeven, vermits dien vorsz ons versogt had, onse verdere Commissie tot op den volgenden dag te willen uitstellen alsoo op den dag van 't festijn daar van g'excuseert wilde blijven alwaar wij bij den koning vonden zitten, den Madanrang, den Te„ „milalang, en Craing Iapanang, en na afgelegde groete, en een wijnig zittens op het dragtigste doleerden over de brutale, en aller slegtste gedoentens van zijn neef den Prins Batje Barrang 69 99 Barrang, zo als die beschreeven zijn bij uwwel Edele Agtbare letteren van den 13 dezer met aandrang, teffens, om hem volgens de door zijn Hoogheid reeds voor lange gedaane belofte na de Bin„ „nelanden te wille doen vertrekken, of dat de E: kompagnie anders tot handhaving van het onbetwistelijk gezag op haar Eigen grond gebied dien vagebond soude laaten masjacreeren. waar op den koning alleen in antwoord heeft gedient; dat zijn Hoogheid aan den Ma„ „danrang, gelijk ook in onse presentie aan dien Minister ge schiede, en den Datoua Baringang ordre zoude geeven, om zo dra Batjo Barrang weder op Makakser verscheen, hem te vleugelen en bij zijn Hoogheid te doen brengen, zonder iets, thoon wij daar op aandronge te willen antwoorden, op het voorgestelde Bannissement na de binnelanden, of zijne toestemming te willen geeven in Cas van op nieuws te pleegene Brutaliteiten tot zijn Massacre. wijders heeft den Eerste teekenaar uit Naam en onder groete van uw wel Edele Agtbare de hem mede gegevene brief van den koning. van sumbauwa aan den koning van Bonij, neevens een slaaff en een brief aan den Datoua Baringang, door den onder„ „dolk Billet net zijn komst op Maros laaten overhandigen, en bij de Comparitie op den voorm: 19„e zijn korgheid gevraagd; off beide de brieven en de slaaft behoorlijk ontfangen had, het welk door denselven met Ja beantwoord zijnde, heeft den Eerste teekenaar volgens de hem door uw welEdele Agtbare gegevene Last zijn Hoogheid laaten voorstellen, Dat den Heer Gouverneur ver„ „trouwde, dat van beide de ontfangene Brieven na volgens usantie den inhoude dan zijn Edele Agtbare soude worden gecommuniceert en een afschrift daar van besorgt worden, heeft zijn Hoogheid g'ant„ „woord; dat zo dra Een schrijver gekreegen had, die hem in 't maleijds zoude hebben overgezet, zijn Hoogheid van beide brieven aan den Heer Gouverneur Een afschrift soude besorgen. het dit kort gedaan verslag vertrouwen wij aan de ons opgedragene Commissie en aan de verdere beveelen van uw wel Edele Agtbare Maros Agtbare voldaan te hebben, en verheren ons met veel Eerbied en Hoogagting te zijn wel Edele Agtbaaren Heer uwwel Edele Agtbaare ootmoedige en Trouwschuldige Dienaaren D BurgGraaff Translaat in 't Cortres Valkenburg den 21:e Maart Ao 1788 D: G: Budaik en /:was geteekend:/ 71 Maleijdsch Geschrift Translaat Geschreeven door een koning en Rujksgrooten van Zumbauwa; Aan den koning van Bruij Compliment en zegen wenschingen na Gewoonte wij late onzen zendeling genaamd Kackal Tjotjoeroeng, tot uwE zoon den koning van Bonij overkomen om zich voor uw te vertoonen, niet verzoek alvorens dat zo bij aldien wij in dezen niet na behooren of iets tegen de gewoontens hebben gedaan, door uwE onsen zoon ten quaden mogten geduijd worden, maar in tegen„ „deel van schuld verschoonen en ons daar omtrend te willen doen heruineren. voorts verzoeken wij van uw onzen zoon den koning van Bonij door dien wij zeer gebrek aan kruijd en lood hebben ons voor een redelijk Prijs daar mede te willen gerieven, kunnende uwE maar in desselfs brieff de waarde van dien melding maken Tot een teken van Leven aan uwE onzen zoon bij dezen niets anders aan te presenteeren wetende, dan eenlijk Een mansslaaf hopende dat uwE dezelve schoon gering niet zult gelieven te versmaden —. Geschreven op Lumbauwa op den 28=e dag van de maand Iappar Ao 1201. voor de Translatie /:was getekent Hendrik Bewers. Translaat . Translaat Maleijdsch Geschrift Geschreeven door den koning en Rijksgrooten van Sumbauwa, aan Datoe Barie-ngang Compliment en zegen wenschingen na Gewoonte. Bij dezen make uwE mijn vader bekend, dat jk mijn zende„ „ling genaamd Mackal Tjoetjoerong wt uwen zoon den Koning van Bonij heb gezonden, om hulp te verzoeken ter Erlanging van hem van kruijd en Lood, terwijl daar in zeer ontblood ben, en om dies wille wij zeer vertrouwen dat uwE ons mede zal behulpelijk zijn, van daar omtrend niet uwen zoon den koning van Bonij te willen spreeken, ten eijnde wij onsen versoek ongetwijffeld mog„ „ten verkrijgen voorts niets anders tot een teken van leeven uw mijn va„ „der hij dezen kunnende toeschikken dan eenlijk Een fijn slijp„ steen en drie vegthaanen. Geschreven op Zumbauwa op den 28:e dag van de maand Japar anno 1201. voor de Translatie /:was getekend:/ Hendrik Beiers Maros - —.

NL-HaNA_1.04.02_3818_0377 view scan ↗

English

73 Makassar Maros Honorable, Pious, Discrete. Herewith you receive two native letters sent to me recently by the king of Boni via the secretary Budach, in order to return the same to that monarch and convey my thanks for the kindness he showed in giving me a reading thereof, in accordance with the old customs. After greetings, I remain Your friend was signed B: Reijke in Castle Rotterdam the 28 March Ao 1788 To the junior merchant Simon Burg Graaff Resident on the Company's behalf there Bima Bima To the junior merchant Cornelis Theurs Resident on the Company's behalf there Honorable, Pious, Discrete. After I had dispatched mine of the 11th of this month, I received via the pantchiallang De Maria writings from Their High Nobilities the High Noble Indies Government at Batavia concerning the sending via Bima and Sumbawa to the Moluccas of the national warships De Lijn and De Pijl. As well as the order given to you to send the ship the Neptunus, after the cessation of the unrest on Sumbawa, directly here to Makassar with the force that arrived with it. As well as to conduct the necessary investigation into the correspondence, reported by Banjarmasin's king, of the king of Boni with the prince of Tambora. Of all of which I make only a brief mention here, in the firm assumption that the papers speaking of this will be found in the enclosed packet from Their High Nobilities, to which I have also attached the letters written by Their High Nobilities to the kings and state dignitaries of Bima and Dompo, both sewn into small bags of yellow damask to be delivered by you to those princes in the native manner. While the accompanying gifts are transferred separately into the hands of the anakhoda Intje Tjone. Pursuant to the authorization given to me by Their High Nobilities in 75 Makassar in Castle Rotterdam Their Highest Esteemed missive of 15 January last, I also order you hereby to have a shipload of sappanwood felled on Bima for the upcoming year 1789 and prepared for pickup. While I, both for your consideration and also in order, since I cannot make any sense of these affairs, to be able to confer about it with the king of Sumbawa when opportunity arises, add hereto the copies of the letters sent recently by him to Boni's king and the Datu of Baringa, containing requests for assistance in powder and lead. After friendly greetings, I remain the 24th March Ao 1788 Your good friend was signed B: Reijke Makassar To the Honorable and Respected Sir Barend Reijke Governor and Director of the Coast of Celebes Respected Sir Honorable Sir Being unable to report anything to Your Honorable and Respected Sir about Sumbawa affairs other than that which is already noted in my previous respectful general letter sent herewith, one must now await the further good outcome of matters, while I harbor every good hope in that regard, all the more because I have disposed all the princes to follow me in person to Sumbawa; except the king of Bima, being as yet rather young and less experienced in directing matters of great importance, in whose place I have chosen and requested the gray-haired, worthy Prime Minister, who accepted this immediately and very eagerly, with full satisfaction and consent of Bima's prince, so that I already flatter myself in advance with the pleasure that, God willing, I shall soon have of sharing the fortunate outcome of our affairs with Your Honorable and Respected Sir. And since the thoroughly Company-minded king of Dompo, with some of his dignitaries and a notable part of the people, will now have to leave his country for some time, upon urgent request of the king and state dignitaries I have directly summoned here the dastardly Daing Mallioeng, who during my presence on Sumbawa showed evidence of his ill disposition in the country of Dompo, as I thought that the settlement Sila, as 77 Bima in the Company's fortress the 1st March Ao 1788. bordering on the edges of the Dompo region, was too close at hand for him for his wicked designs, which he might easily forge against the realm of Dompo in the absence of the prince; he currently resides here under the cannon of the post under my eye and supervision, keeps quiet and is very compliant, while I have told him in very serious terms that if he should again commit the least outrage, either directly or indirectly, I would immediately have him transported there for Your Honorable and Respected Sir's further disposition; while I have ordered the noble Aoo to remain in the land of Dompo and in the absence of the king to maintain good order, supervision, and oversight there, which that state administrator, who otherwise intended to follow the kings to Sumbawa, has thus also accepted upon my recommendation, in the hope that all this will merit Your Honorable and Respected Sir's most esteemed approval; and having nothing further to add this time other than a duplicate of mine respectfully dispatched on 10 December of the past year, I commend Your Honorable and Respected Sir's esteemed person and the Company's interests to God's safe protection and take the liberty to call myself with the deepest respect submissively, Honorable Respected Sir Your Honorable and Respected Sir's very obedient and faithful servant was signed Theurs

Dutch transcription

73 Shakasser Maros Discrete. Crome, E Eerzame Dier nevens bekomt: uE twee Jnlandsche Brieven mijn onlangs door den koning van Bonij met den sekretaris Bu„ „dach toegezonden, om denzelven aan dien vorst te rug te ge„ „ven en mijn dank te betuijgen voor de vriendelijkheid die Wij gehad heeft om in overeenkomst der oude gebruijkelijk„ „heden mijn daar van lecture te geven. Ik blijve na groete uE vriend /:was getekend:/ B: Reijke in het kasteel Rotterdam den 28 Maart Ao 1738 Aan den onderkoopman Simon Burg Graaff Resident 'skomp„s wegen aldaar Lima Bima Cornelis Theurs Aan den onderkoopman Resident 't Comps„ wegen aldaar Eerzame, Crome, Discréte. Na dat ik mijne van den 11 dezer afgezonden had ontfing ik per de Pantjallang De Maria schrijvens van Hun Hoog Edel„ „heedens de Hoogj Edele Jndiasche Regering te Batavia wegens de afzending over Bima en sumbauwa na de Moluc„ cos van de Lands oorlogs Fregatten De Lijn, en de Pijl. Als mede de aan uE gegevene ordre om het schip de Neph„ „tunus na het Cesseeren der onlusten op Sumbauwa direct met de daar meede aangekomene magt dit heen na Makassar te zenden. Gelijk ook om het nodige onderzoek te doen na de door Ban„ „Jars koning opgegevene Correspondentie van den koning van Bonij met den vorst van Tambora. van welk een en ander Jk hier maar een enkelde aanhaling doen. in een vaste veronderstelling dat de Papieren hier van spre„ „kende in het in dezen ingeslotene Daker van Hun Hoog Edelhedens zullen te vinden zijn, waar bij jk dan ook gevoegd het de door Hoogst Dezelve aan de koningen en Rijksgrooten van Anna en Dompo geshreeven Brieven beide in zakjes van Geel Damast benaaid om door uE na 's Lands wijze aan die vorsten besteld te worden. terwijl de daar bij gehorende geschenken apart in handen van den Anachoda Jntje Tjone overgaan. Jngevolge de door Hun Hoog Edelheedens aan mijn bij Hooghz - 75 Makasser in't kasteel Rotterdam Hoogst derzelver g'eerde missive van den 15„e Januarij Jongst Leden gegevene kiwalificatie gelast ik uE ook bij dezen om een scheeps lading Sappanhout op Bima voor het aanstaande Jaar 1789 te laten aankappen en tot den afhaal te doen in gereedheid brengen Terwijl Jk nog zo tot uE speculatie als ook om /: dewijl ik geen zamenhang uit deze gedoentens maken kan :/ er bij gelegendheid de koning van sumbauwa eens over te kunnen onderhouden, hier bijvoege de afschriften der door hem on„ „langs aan Bonije koning en den Dato van Baringa ge„ „zondene brieven, houdende verzoek tot asjistentie van kruijt en Lood. Ik blijve na vriendelijke groete den 24e Maart Ao 17418 uE goede vriend /:was getekend:/ Sradraker B: Keijke Maccasser Aan den wel Edelen Agtbaren Heer Barend Keijke Gouverneur en Directeur ter Luste Celebes Agtbaare Heer Wel Edele Uwel Edele Agtbare over de sumbauwareese zaaken niets anders kunnende melden, als dat geene, 't welk reeds bij mijne voorige eerbiedige en bij deezen verzondene gemeene brief genoteert staat, moet men nu den verderen goeden uijtslag van zaken afwagten, terwijl ik daar omtrend alle goede hoop voede, te meer wijl ik alle de vorsten heb gedisponeert om mij in perzoon na sum„ bauwa te volgen; behalven de koning van Bima, als nog wat Jong en min ervaaren, om zaaken van groot belang te kunnen dorigeeren, in wiens plaats ik heb verkooren en verzogt den grijsen braaven Eersten Rijxbestierder, die dat direct zeer greetig heeft aan„ „genoomen, miet volkoomen genoegen en toestemming van Bimas vort, zo dat Ik nij reeds in voorraad vleije, met het genoegen, dat Ik als t God belieft erlang zal hebben, van uwwelEd Agtbare den gelukkigen uijtslag onser zaaken te mogen bedeelen En daar dan nu den allesints Comp„s gesinden koning van Domipo met eenige zijner grooten en een naam waardig gedeelte volk zijn land voor eenigen tijd zal moeten verlaaten, heb ik den daatelen Daing Mallioeng die geduurende mijn aanweezen te sumbauwa blijken van zijn kwaad gesindheijd in 't Land van Dompo heeft gegeeven, op instantig: verzoek van de koning en Rijksgrooten direct herwaards ontboden, wijl Ik dagt dat de Negerij Sila, als gren senden 77 Bima intjoms vesting den 1e Maart Ao 1788. 6 grensende aan de boorden van 't Domponeese, voor zijne zwaa„ „de desseijnen, die hij bij absentie van den vorst veelligt teegen 't Rijk Dompo kande smeeden, te na bij houk voor hem was, hij woond hier thans onder 't geschut van de Post onder mijn dog en opzigd, houd zig stil en is zeer gedweere, terwijl Jk hem in zeer ernstige termin heb aangezegd, dat bij aldien hij 't zij direct of indirect weeder de minste buijtenspoorigheden beging, ik hem direct tot uwwelEd Agtbare nadere dispositie Costij waards zouden laaten transporteeren; terwijl Ik den borele Aoo, heb aanbevoolen op 't Land van Dompo te blijven en bij absentie van den koning goede ordre op-en-toedigt aldaar te houden, dat dien Rijkstestierder, die anders willens was de koninen na sumbauwa te volgen, op mijn recommandatie, dan ook heeft aangenoomen, inhoope dit eén en ander uwwelEd Agtbare hoogst g' Eerde goedkeuring zal verdienen en ditmaal hier verder niet meer bij te voegen hebbende als duplicaat mijner op den 10e december anno passato in eerbied afgezonden beveele Jk uwwelEdele Agtb: geach Perzoon en Comp„s belangens in Gods veilige bescherming en bevrijmoedige mij met den diepsten eerbied onderdaanig te noemen. Wel Edele Agtbaare HHeer Uwwel Edele Agtbare zeer gehoorzame en Trouwschuldigen Dienaar /:was getekent:/ Theurs

NL-HaNA_1.04.02_3818_0382 view scan ↗

English

Makassar the 29th of March Anno 1788 Just as my packet with the Company's letter of the 24th of this month was about to depart, and the same had already been handed over to the Nakhoda for that purpose, I received your letter of the 3rd of March, as well as all the papers sent over with the provision prahu. I shall comply with your requests as much as is ever possible for me, principally in sending over gunpowder and money with a Company pantjallang, at which time the provision prahu will also depart simultaneously. Since I shall now already have arrived at Sumbawa with all the Company's force, I do not doubt that matters there will soon be arranged for the best and all the rabble of Wajoorese and Bugis will be dislodged from there, whereby great praise will then be brought to your Honour and a special advantage to the Company. As the shortage of time prevents me from extending this further, I remain herewith, after greetings, Your Honour's good friend was signed Reijke Friend Meurs O 79 Makassar Boelecomba Godlieb van Diemar To the Junior Merchant Resident on behalf of the Company there Honourable, Pious, Discreet. Upon proposal, I have approved the appointment of one Daeng Paliepoeng as Regent of the village of Tala, belonging under the District of Gantarang, in place of his deceased father Daeng Maroa. Which, as he is now returning over there, may serve for your Honour's information. I remain, after greetings, Your Honour's Good friend was signed Reijke the 6th of April Anno 1788 April Anno 1788 Wednesday the 16th By inquiry Having been circulated by the Governor to the Members for perusal: A letter from Boelecomba's Resident Godlieb van Diemar, dated the 10th of April 1788, just received, which states that it was related to the said Resident by the burgher Jacobus de Graaff, residing here: That, being on Bouthon, he had learned for certain that the Wajoorese Panglima Lasoempang with nine armed vessels intended to overwhelm the management of the Company's stranded pantjallang there; and although this news varies greatly with an earlier report of the 8th of this month, wherein de Graaff, without making the slightest mention of this, reported to the Resident van Diemar upon his arrival there "That the Bouthonese Envoys were lying ready for their departure to this place, and the Bugis with three vessels were spreading bad rumours on Bouthon that Boelecomba and Banthain, as well as Saleijer, had already been conquered by Boni's ruler, also that the Company was at war with the King of Boni, and that a false document regarding this was said to have been on Bouthon, which having been detected, these three vessels were said to have been defeated with the loss of two;" and therefore one ought not to defer any credit to the first news, which indeed was said to have been confirmed by some other reports from our people being there, and also cannot at all be reconciled with the duty of the Bouthonese to maintain proper conduct toward the Company, but rather to regard the same 80 as an idle rumour upon which, moreover, one cannot by any means strip oneself, especially at this time, of people and vessels, because if the matter were true, not a single pantjallang, indeed even two, would be sufficient to punish this atrocious deed, which then would also already have been carried into effect. Thus, upon the proposition made at the same time by inquiry by order of the Governor, in view of the present critical circumstances of the times, it has been approved and understood, while doing everything possible, to nevertheless conform in this matter with the arrangement already made by the Resident van Diemar, and to let the expedition from there to Bouthon of two equipped and well-manned Biranese vessels proceed, and also to bring our decision to the knowledge of the said Resident at the earliest by a short letter. Further, having also been read around: A letter written by the merchant and former Second of Ternate Hemmekam to His Most Honourable, dated the 27th of March last past, whereby he makes known the unfortunate loss of his anchors and ropes, and that he had run aground with his two-masted bark behind Saleijer on the reef situated on the south side and found himself in great danger, with a request to be allowed to have: A sufficient boat Two anchors or grapnels of 1000 lb more or less Two anchors or grapnels of 4 to 500 lb for kedge casting, besides A cable of 10 inches more or less in proportion to the anchors Two sufficient coir or gomuti hawsers. But above all a good seaman from here for his assistance. Thus, the Governor having conferred with the Master of the Equippage Dirk Hinse about this, it has appeared that the requested equipage goods from our small stock, barring the greatest own inconvenience, cannot be spared at all, and that, since Captain Lieutenant Brugman still has to account for his cargo, etc., and the sub-lieutenant is in a sickly condition, and moreover both of them are not so familiar with the waters here as to be able to assist another properly, there is not a single one among the mariners at hand here whom one could employ with peace of mind to refloat the aforementioned bark, if it should still be intact, as Captain Lieutenant Trainburg is not here, and Lieutenant Heilemans is on the verge of his departure for Bima; further, upon the proposition of the well-mentioned Governor, it has been approved and understood to write to the Resident at Boelecomba, Godlieb van Diemar, and instruct him, according to his undertaking by letter of the 9th of this month, to assist the said Hemmekam with everything in his power, and at the same time also to recommend this in our name to the Saleijer Resident Whijts, since such from here, on account of our own shortages and besides all this also because of the change of the monsoon, [illegible]

Dutch transcription

Makaller den 29„e Maart Ao 178 Zo als mijn paket: met 's komp Brief van den 24e dezes stond. aftegaan en het zelve reets ten dien einde den Anachoda al was inhandigt ontfing jk us brief van den 3e Maart gelijk ook alle de met de provisie prauw overgesondene Papieren. Ik zal aan us verzoeken zo veel immer mijn mogelijk vol„ „doen principaal en het overzenden van kruijt en geld met een kompagnies Pantjallang wanneer als dan ook te gelijk de provisie prauw zal afgaan. Dewijl ik nu reets met alle 't compagnies magt op sum„ „bauna zal zijn g'arriveert, zo twijffel jk niet of de zaaken zullen ginter spoedig ten besten geschikt en al het gespuis van wa„ „djoreesen en Boegineesen van ginter gedelogeerd worden waar mede uE als dan groote louangie en de komp„e een bezonder voordeel zal worden toegebragt. Ik blijve terwijl de kortheid des tijds mijn belet desze verder te extendeeren hier meede na groete uE goede vriend /:was getekend:/ Reijke Vriend Meurs O 79 Makaker Boelecomba Godlieb van Diemar Aan den Onderkoopman Resident 'sComp„s wegen aldaar Eerzame, Trome; Discrete. Dub voordragt heb Ik g'approbeert de aanstelling G van eenen Daeng Paliepoeng tot Regent van de onder het District van Gantarang gehorende Negorij Tala instede van zijn overledene vader Daeng Maroa. Het geen, daar dezelve nu te rug weder over gaat, dienen kan tot uE na„ Ik blijve na groete UE Goede vriend /:was getekend/ Keijke den 6:e April Ao 1788 „rigt. April Anno 1788 Woensdag den 16 Bij rondvrage Door den Heer Gouverneur bij de Leeden ter Lectuure rond gesonden zijnde, Een Brief van Boelecombas Resident Godlieb van Diemar in dato den 10e April 1788, zo Even ontfangen, waar bij Conteert, dat door den alhier thuis horende Burger Jacobus de Graaff aan gemelde Resident verhaald is; Dat hij op Bouthon zijnde in het zekere vernomen had, dat den Towadjorees Panliema Lasoempang met Neegen g'armeerde vaartuigen 'sComp„s aldaar ver„ „vallene Pantjallang het Beleid wilde afloopen, en alhoewel deze tijding zeer komt te varieeren met een vroegere van den 8e dezer, waar bij de Graaff zonder hier van het minste te gewogen aan den Resident van Diemar met zijn aankomst aldaar gerapporteerd heeft „ Dat de Bouthonse Gezanten op hun vertrek na herwaards. la„ „„gen, en de Boegineesen met drie vaartuigen op Bouthon kwade „gerugten verspreiden, dat Boelecomba en Banthain, ook saleijer „bereets door Bonijs vorst verovert was, ook dat de Comp„e in oorlog „was, met den koning van Bonij, en een vals geschrift dien aan„ „gaande op Bouthon zoude geweest zijn, dat demerkt zijnde, zoude „deze drie vaarthuigen met verlies van twee verslagen zijn; en men derhalven aan de eerste tijding die wel door eenige andere berig„ „ten van ons ginter zijnde volk geconfirmeert zoude zijn gewor„ „den, en ook gantsch niet met de verpligting, van der Bouthon„ „ders te houdene gedrag omtrend de comp„e over een te brengen is, geen geloof diende te defereeren, maar veel eer dezelve aantemerken als 80 als een los gerugte waar op men zig boven dien geenzints, bijzonders in deze tijd zelfs van volk en vaartuigen ontbloten kan, dewijl de zaak waar wezende geen enkelde pantjallang Ja zelfs twee genoeg zouden wezen dit gruwelijk bedrijf, dat dan ook al reets ter uitvoer zal gebragt wezen, te straffen. zo is op de Pro„ positie bij Eene ter ordre van den Heer Gouverneur te gelijk ge„ „dane Rond vrage, uit hoofde van de tegenswoordige Criticque tijds omstandigheden, goed gevonden en verstaan om alles doende wat mogelijk is zig in dezen Evenwel te conformeeren; met de schikking door den Resident van Dieman bereeds gedaan, en de Expeditie van daar na Bouthon van twee uijtgeruste en wel bemande Biranese vaartuigen zijn voortgang te doen hebben, mitsgaders gemelde Resident ons besluijt bij Een Briefje ten Eersten ter kennisse te brengen. Wijders nog rond gelesen zijnde Een Brief door den koopman en geweezen Secunde van Ternaten Hemmekam, aan zijn Edele Agtbare geschreven, in dato den 27 Maart Jongst Leeken waar bij denzelven te kennen geeft, het ongelukkig verlies van zijn Ankers en Touwen, en dat met zijn twee maste Bark agter saleijer op den Rif, geleegen aan de zuid kant, was vast „geraakt en zig in groot gevaar bevond, niet verzoek om te mogen hebben. Een sufficiente Schuit Twee Ankers of dreggen van 1000 lb min of meer Twee Ankers of dreggen van 4 â 500 lb tot werpen. nevens Een Cabeltouw van 10 d„m min of meer na mate der Ankers Twee sufficiante kaaijer of Goemoets trossen. Dog voor al om Een goed Zeeman ter zijner hulp, van hier. Zo. en Zo is den Heer Gouverneur, hier over den Equipagiemeester Dirk Hinse onderhouden hebbende gebleken, dat de gevraagde Equipagie Goederen uit onzen geringen voorraad, buiten het grootste eigen ongerief gantsch niet te missen zijn, en dat, daar de kapitain Luitenant Brugman zijn lading etc: nog moet verantwoorden en de sou luitenant in een zieke„ 8 „lijke omstandigheid verkeerd mitsgaders deze beide het vaar„ „„water hier niet zodanig kundig zijn om een ander te regt te kunnen helpen er geen een onder de zevarende hier aan handen is, tie men met gerustheid tot het te regt brengen, van de voormelde Bark, zo die nog in wezen mogt zijn, zoude kunnen Emploijeeren, alzo den kapitain Luitenant Trainburg niet hier is, en den Luitenant Heilemans op zijn vertrek na Bima staat, alverder op de Propo„ sitie van welmelte Heer Gouverneur goed gevonden en verstaan om den Resident te Bolecomba Godlieb van Diemar aan te schrijven 7 en te gelasten, om volgens zijn aanneeming bij Brief van den 9„e dezer gedagte Hemmekam met al het geen in zijn vermogen staat te adsis„ teeren, en dit te gelijk den saleijers Resident whijts uit onse naam ook te recommandee„ „ren, nademaal zulx van hier uit hoofde van eigen gebrek en buiten dit alles ook, om de kentering van de Mouson zonden.

NL-HaNA_1.04.02_3818_0387 view scan ↗

English

cannot take place without great danger. Thus done at Makasser in Castle Rotterdam on the date aforementioned. Signed: B: Reijke W: Beth J: M: Baserman J: L: Devos P:n Monsieur, F: Botch J: A: Wisse and J: J: Budach Extract Extract from a private letter written by the Boelecomba Resident van Diemar to the Governor Reijke at Maccasser, dated 8th April anno 1788. Just now the citizen De Graaff arrived here from Bouthon. The pantjallang Het Beleid is safe. It has only one dead, and of the eighteen European sailors, twelve sick were put ashore at Samarang. The gaff of that vessel as well as the foresail yard were broken, and at Bouthon these two spars were completely repaired; thus according to the account of De Graaff there is not the slightest difficulty. In place of the aforementioned Europeans there are Javanese on board, of whom three deserted, though all but one were recovered. I humbly beg pardon that I have written this down in haste; it is to let this reach Your Honorable with all speed, in order to deliver you from the dream or fear that this pantjallang might have been lost. The envoys at Bouthon were inclined to depart hitherwards; and the Buginese with three vessels at Bouthon have spread wicked rumors, that Boelecamba, and Bonthain, and also the Saleijer district were already conquered by the prince of Bonij, also that the Company was at war with the king of Bonij, and that a forged document concerning this was said to have been at Bouthon; that being noticed, these three vessels were said to have been defeated with the loss of two, according to the account of the aforementioned De Graaff. Makasser Makasser Barend Reijke To the Right Honorable Lord Governor and Director of this Coast of Celebes, together with the Council. Right Honorable Lord and Gentlemen, Just this moment the Makasser citizen Jacobus De Graaff arrived here from Bouthon with a paduakang and trepang fisher, and made known to me upon his arrival that on the 5th of January of this year he departed from Batavia with the Company's pantjallang Het Beleid under the command of the second lieutenant Iohan Misman towards Makasser; that the aforementioned pantjallang, departing from Joana, had run aground on a sandbank, yet had got off without leakage; that off the Makasser coast it had encountered severe weather, by which it was driven past, and had arrived happily and safely in the Bouthon roadstead on the 8th of February last; the aforementioned naval officer intending to set sail for Makasser with the breaking through of the east monsoon. The aforementioned citizen called here to provide himself with provisions and water, and subsequently to depart hitherwards with the utmost speed, in order to deliver to Your Honorable a letter from the aforementioned lieutenant. I judged it best to give Your Honorable notice of this by land with the utmost speed, and Boelecomba, in the Company's fortress, the 8th of April anno 1788. and furthermore to call myself with the highest esteem, Right Honorable Lord and Gentlemen, Your Honorable's humble and faithful servant. Signed: I: B: V: Diemar Right Honorable Lord, Right Honorable, I send herewith the letter from Saleijer's resident Wuijts, which yesterday in haste and hurry I forgot to enclose, and I humbly beg pardon in that regard. Just now I received news from the aforementioned resident that Mr. Hemmekam, merchant awaiting employment on Ternaten, with his bark De Maria Elisabeth, of 150 lasts burden, is stuck fast close to Boneratte, has lost five heavy anchors, and has already thrown half the cargo overboard. If I can quickly obtain a large paduakang, I will dispatch to him a heavy anchor of a thousand or more pounds, with two large anchor cables 125 fathoms long and 7 inches thick, and I await further orders from Your Honorable as to what more I shall assist him with, since I have received no particulars from Mr. Hemmekam. I therefore do not know what more I can assist him with. Mr. Tramburg departed today, yet I fear, on account of the daily southwesterly winds, that he will not reach Maccasser before six days. After assurances of respect from my wife and brother-in-law brother-in-law to Your Honorable and Madam, I declare to remain with true high esteem, Right Honorable Lord, Your Honorable's very humble servant. Signed: I: B: V: Diemar Makasser Boelecomba, the 9th of April 1788. Maccasser Right Honorable Lord and Gentlemen, The merchant and former second of Ternaten, Mr. Francois Bartholomeus Hemmekam, informs me by letter of the 25th of March that his Honor, coming from Batavia on the 18th previously and intending to go to Ternaten, through squally and stormy weather, after the loss of the launch and boat as well as 5 heavy anchors, had run aground on the reef near Boneratte on the south side of the Three Brothers with the bark commanded by him, De Vrouwe Maria Elisabeth, of 150 coyans burden; half of the cargo having already been thrown overboard, and his Honor's wife together with three innocent little daughters, along with some small belongings, having been sent to the chief there at Boneratte; and since he is entirely devoid of cutting irons, he has requested me for them as well as for some lighter vessels; although with the former mentioned I am not in a position to assist his Honor, as I have no such equipage goods at hand here, but I can with the latter mentioned; wherefore I hereby take the liberty to give Your Honorable communication as well as of the misfortune that also befell the Malay and juragan named Kalam, residing at Grissee, who, intending to go with his gonting of 25 lasts burden under proper pass from the merchant and resident Anthonius Schwenke, To the Right Honorable Lord Barend Reijke, Governor and Director on the Coast of Celebes, together with the Council at Castle Rotterdam from

Dutch transcription

83 zonder groot gevaar, niet geschieden kan. Aldus gedaan tot Makasser int kasteet Rot„ „terdam dato voorschreeven /:was geteekend:/ B: Reijke W: Beth J: M: Baserman J: L: Devos P:n Monsieur, F: Botch J: A: wisse en J: J: Budach Extract Extract uijt Een particulier Brief geschreeven door den Boelecombas Resi„ „dent van Diemar aan den Gouver„ „neur Reijke te Maccaker de dato 8„e April anno 1788. Zo even is den Burger De Graaff alhier van Bouthon gekoo„ „men. De Pantjallang Het Beleid is behouden. heeft maar een Doode, en van de Agthien Europeese zeevarende zijn twaalff ziek op Samarang aan de wal gezet; De Gaffel is van dat vaarthuig als ook de fokke raa gebrooken en op Bouthon daar van volkomen hersteld van die twee roudhouten; dus volgens verhaal van De Graafs geen de minste swarigheid is; Jnsteede van voormelde Europeesen zijn Javaanen aan boord, waar van drie gedrost zijn, egter op een na wederom bekoomen; Jk verzoeke ootmoedig verschooning dat dit ze in haast heb ter nedergesteld, het is om deese spoedien uwwel Ed: Agtbare te laten geworden, om uijt den droom, of Bedugting dat die pantzal„ „lang mogte gebleeven zijn; te helpen. De Gezanten op Bouthon waren geneed om Costij waards te vertrekken; en de Boegineesen hebben met drie vaartuigen op Bouthon quaade gerugten verspreid, dat Boelecamba, en donthain ook saleijer bereek door Bonijs vorst verovert was, ook dat de Comp„e in oorlog was met de koning van Bonij, en een vals geschrift zoude dien aangaande op Bouthon geweest zijn, dat bemerkt zijnde zou „den deese drie vaartuigen met verlies van Twee verslagen zijn, vol„ „gens. verhaal van voormelde De Graaff. Makaker 85 Glakasser Brend eijke Aan den wel Edelen Agtbaren Heer Gouverneur en Directeur dezer Kuste CEebes Nevens Den Raad Wel Edele Agtbaare Heer en Heeren Zo ogenblikkelijk den Makasjaartch Burger Jacobus De Graaff van Bouthon met een Paduakang en triepang visser alhier aangeland zijnde, heeft mij bij zijn arrivement bekent gemaakt, dat hij den 5e Januarij deses Jaars van Batavia niet skomp Pantjallang Het beleid onder het Gezag van den sout Luitenant Iohan Misman Makasjer waarts is vertrok„ „ken, Dat voormelde Pantjallang van Joana vertrekkende op een zandbank had vast gezeten egter zonder Lekkagie was vlot geraakt. Dat voor de Makassaarse wal zwaar weer had gekre„ „gen waar door voor bij was geraakt, en op de Bouthouse reede gelukkig en behouden den 8e februarij Jongst leden was g'arriveerd, zijnde voormelde zee officier voornemens met de doorbraake der oost Mousson naar Makaker te stevenen. Voormelde Burger is alhier aangegient om zig van houd„ „kost en water te voorzien en vervolgens ten spoedigsten Costij waarts te vertrekken, omme aan uwwel Edele Agtbare over te brengen Een brief van den voormelde Luitenant Ik heb g'oordeelt best te zijn uwwel Edele Agtbare ten allerspoedigsten over den Landwen hier van kennis te geven en Boelecomba: in 'sComps fortres den 8e April A 1788 Horgagting te noemen. en mij voorts met de meeste Wel Edele Agtbare Heer en Heeren. Uwer wel Edele Agtbare onder„ danige en Trouwschuldige Die„ I: B: V: Diemar WelEdele „naar /:was getekend:/ 87 Agtbaare Heer WelEdele Ik zeude navens deezen De Brief van saleijers Resi„ „dent wuijts die ik gisteren door Haast en spoed vergeeten heb mede te incloseeren en verzoeke ootmoedig om verschooning dien aangaande. zo even erlang jk van welmelde resident tijding dat de Heer Hemmekam koopman ter afwagting van Emploij op Ternaten met zijn Bark De Maria Elisabeth groot 150 lasten digt bij Boneratte vast zit, vijf swaare Ankers verlooren heeft, en bereeds de halve lading heeft over Boord geworpen; Jndien Jk spoedig een groote Paduakang kan krijgen zal ik hem Een swaar Auker van Duijzend of meer Ponden toeschik„ „ken, met twee groote Ankertouwen van 125 vaam lang en 7 duima dik, en verwagte nadere ordres van uwwelEdele Agtbare met wat jk denzelven meerder zal assisteeren, vermits Ik van de Heer Hemmekam niets bedeeld heb bekoomen. Ik weet dus ook niet met wat ik hem meer kan assisteeren De Heer Tramburg is heeden vertrokken egter Ik vrees wegens de dagelijkse zuijd weste winden dat hij voor ses da„ „gen niet op Maccasser zal koomen. Naar respect verseekering van mijn Huijsvrouw en kweeger swager aan uwwel Edele Agtbare en Mevrouw betuijge Jk met waare Hoogagting te verblijven wel Edele Agtbaare I Heer uwwelEdele Agtbares zeer onderdaa„ „nigen Dienaar :B: V: Diemar Matrasser Boelecomba den 9:e April 1788 was getekend:/ 89 Maccasser wel Edele Agtbare i Heer en Heeren. Den koopman en geweezen secunde van Ternaten den heer Francois Bartholomeus Hemmekam verwittigt mij bij brief van den 25„e maart als dat zijn Edele den 18 bevorens van Batavia komende, en de wil hadde na Ternaten door een travatig stormend weeder na verlies van barkas en schuijt als ook 5. swaare ankers bij boneratte aan de zuijd kant van de drie gebroeders met de door denzelven gevoert werdende bark de vrouwe Maria Elisabeth groot 150 Coijangs op het rif was vast geraakt, zijnde de helfte der lading bereets overboort geworpen, en zijn Edele huijsvrouw nevens drie onnozele dogtertjes met Eenige klenigheeden na boneratte bij het hoofd aldaar gezonden, en vermits te Eenemaal van houw ijzers ontbloot zijnde heeft mij tevens daarom versogt als wel om Eeni„ „ge los vaartuigen daar ik met de Eerste gemelde niet instaat zijn Edele te kunnen adsisteeren als alhier diergelijk Equipagie goed niet aenhanden heb, maar wel met de laetst genoemde, sulx ik bij deezen de vrijheid neem uwwel Edele Agtbare Communicatie te geeven als van het ongeluk den te grissee woonagtigen maleij„ „en en Juragan genaamt kalam almeede overgekoomen welk niet zijn Gonting groot 25 lasten onder behoorlijke passedulle van den koopman en resident Anthonius Schwenke voornemens zijnde Aan den wel Edelen Agtbaren Heer Barend Reijke Gouverneur en Directeur ter Custe Celebes, beneevens den Raad ten Casteele Rotterdam van

NL-HaNA_1.04.02_3818_0394 view scan ↗

English

Saleijer in the Company's fortress Defentie the 4th of April 1781 to depart from there to Coette, that vessel sank to the bottom by a heavy storm near the island Sidappor, 2 men of its crew being lost therein and the same, with the remainder, together thirteen heads strong, landed here yesterday by a small chiampang, and that which they had brought away from it has already been robbed from them at Tanamalala by some riff-raff of Bugis. Likewise that on the 29th of the past month, with a proper pass from the Bima resident Cornelis Meurs with his pantjallang named De Sweijer of Bima, intending to go to Maccasser, through heavy weather has ended up stranded here, the former military lieutenant Willem van der Hellen. For the rest I have the honor to conclude this, and after wishing the Lord's mild blessing upon your Honorable's highly honored person, to sign not only with high esteem and respect. Honorable Sir and Gentlemen Your Honorable's very humble servant was signed Ar Whijts 91. Maccasser To the Honorable Sir Barend Ceijke Governor and Director of this coast of Celebes Honorable Sir Since the departure of the Company's pantjallang De Snelheid, fully laden with the Company's tithe rice, I learned today from the Maccassar burgher Jacobus de Graaff that he had heard for certain on Bouthon that the Wajo commander Pauliema La Toempang, who previously had been living on Sumbauwa, had arrived on Bouthon with at least nine vessels before the arrival of the Company's pantjallang Het Beleid, being well provided with cannons, swivel guns, and further ammunition, the aforementioned De Graaff testifying that he also saw these vessels in the roads of Bouthon, which at his departure still lay therein; that the aforementioned Lasoempang was said to have been to the King of Bouthon and was said to have requested of him to be allowed to overpower the aforementioned Company's pantjallang, that the King did not want to permit him to do such in the roads, but had left the freedom to do as he pleased when the Company's pantjallang had departed from the Strait of Bouthon, because Bouthon's prince was apprehensive of the Honorable Company that by allowing such his entire country would surely be ruined, and he might sometimes end up in the long chain; that he, De Graaff, has heard this recounted himself by Bugis, Wajoese, and Tollaterese ashore on Bouthon, as well as that he was told by the same and other natives that the aforementioned Lasoempang intended, when the aforementioned pantjallang had departed from Bouthon, to overpower the same with the help of smaller vessels, and that he, De Graaff, could consider himself fortunate that he did not depart with the pantjallang now, the aforementioned De Graaff referring to his crew, who had also learned the same and heard it separately, and who have also recounted the same to me in like manner, however with this alteration that the chief was called Tjoemboeneg, and that they were Mandarese; that he, De Graaff, had given notice of this to the lieutenant and commander of the frequently mentioned pantjallang named Misman, in order thus to be on guard and to admit no natives on board. Upon this unpleasant news I immediately sent a messenger to Bira to the regent of that district, and had him told to send hither without fail as quickly as possible two well-armed paduakkangs each with thirty select Biranese provided with weapons, which I would provide with powder and lead, and to steer immediately to Bouthon; and since these vessels cannot arrive here before six days, I take the liberty respectfully to give notice to your Honorable of the aforementioned and of this provisional arrangement of mine, with a humble request to be pleased to provide me with orders before the dispatch of the same, I intending, with your Honorable's favorable pleasure, to send along one or two native soldiers who know the language for the relief of that pantjallang; while this expedition causes no other expenses to the Honorable Company 93 Boelecomba in the Company's fortress the 10th of April in the year 1717 causes, than rice for board of these Biranese being sent thither, and blanja for various necessities, such as dried fish, sirih, and areca nuts. The aforementioned burgher departs this evening for Maccasser, but since on account of the West and South-West winds still standing and blowing strongly here daily I have reason to presume that his voyage may yet take somewhat long, I send this by the overland route with all possible speed. I furthermore have the honor to call myself with true high esteem and respect, Honorable Sir, Your Honorable's very humble and dutiful servant J. B. D. Diemar Boelecomba was signed

Dutch transcription

Saleijer in't Comp:s vesting defentie den 4„e April 178 van daar na Coette te vertrekken, dat vaartuig door een swaan storm bij het Eijland Sidappor in de grond gezonken is, zijnde 2. man van zijn Equipagire daar bij verlooren en den zelven met de overige te zaamen derthien koppen sterk, per een kleen Chiampang. gis„ „teren alhier aangeland, en het geen zijlieden daar van hadden af„ gebragt bereets door Eenig hoofgespuns van Boegineesen, van haar berooft zijn geworden op Tanamalala. Gelijk ook dat op den 29, passato maand met een behoorlijke passe van den bimas resident Cornelis Meurs net zijn Pantjal„ „lang: genaamt de sweijer van bima de wil hebbende na Mac„ „caster door swaar weeder alhier is koomen te vervallen den oud G luijtenant militair willem van der Hellen. voor't' overige heb ik de Eer deeze te besluijten, en na toewen„ „schinge van 'Theeren mitde zeegen over uwwelEd Agtbare hoog g' herde perzoon niet allen hoog agting en respect, te ondertee„ „kenen. wel Edele Agtbaren Heer en Heeren uwwelEdele Agtbare zeer oot„ „moedigen Dienaar /:was getekend:/ Ar Whijts 1 „ 91. Maccasser Aan den wel Edelen Agtbaren Heer wel Edele Agtbare Heer Daar het vertrek men 'sComp„s Pantjallang De Snelheid met 'skomps thiende Rijst vollaaden, vernam ik heeden van den Maccassaarth Burger, Jacobus de Graaff, dat hij in 't seekere op Bouthon vernoomen had, Dat den Towadjorees Pauliema La„ Toempang, dewelke voor deesen op sumbauwa woonachtig ge„ weest was, niet ten minsten Neegen vaerthuigen voor de komst van sComp„s pantjallang Het Beleid op Bouthon g'arri„ „veerd was, zijnde van Canons, Draijbassen en verdere Ammonitie wel voorsien, betuijgende gem: De Graaff, dat hij deese vaer„ thuijgen ook gesien heeft op de Reede van Bouthon, dewelke met zijn vertrek ook nog op dezelve lagen; Dat gem: Lasoem„ „preng bij den koning van Bouthon zoude geweest zijn; en aan denselven versogt zoude hebben omme voorn: 'sComp„s Pantjallang te moogen afloopen, dat den koning hem zulks niet heeft willen toestaan dat zulks op de Rheede geschiede, maar vrijheid hadde gelaaten, om wanneer 'skomp:s pan„ „tjallang uijt straat Bouthon vertrokken was, om naar zijn welbehaagen te doen, vermits Bouthons vorst door d' E. Comp:e bedugt was, dat door zulks toetestaan zijn gantch Land voorseeker geruineerd wierd, en hij somtijds in de Barend Ceijke Gouverneur en Directeur deser kuste Celebes lange o ri lange ketting konde koomen; Dat wij de Graaff zulks zelfs van Boegineesen, Towadjoreesen en Toelattereesen aan de wal op Bou„ „thon heeft hooren verhaalen, als meede dat hem van dezelve en andere Jnlanders is gezegd, Dat voorm: Lasoempang voornee„ „mens was, om wanneer de voorn: pantjallang van Bouthon ver„ „trokken was, dezelve niet behulp van klijnere vaartuijgen te willen afloopen, en dat hij De graaff zig gelukkig konde ree„ „kenen dat thans niet met de pantjallang vertrok, beroepende meerm: De Graaff zig op zijn volk, dewelke het selve ook hadden vernoomen, en afsonderlijk gehoort, en dewelke mij het selve ook in gelijker voegen verhaald hebben, nogthans met deese altera„ „tie dat het Hoofd Tjoemboeneg hiet, en dat het Mandharee„ „sen waaren; Dat hij de Graaff hier van Den Luitenant en gezaghebber van meermelde pantjallang Misman genaamt hadde kennisse gegeeven, omme dus op Hoede te weesen, en geen Jnlanders aan boord te admitteeren. Ik heb op deese onaangenaame tijding ten eersten naar Bira Een zendeling aan den Regent van die Landstreek gesonden, en hem laaten aanseggen om zonder mankement zo spoedig doenlijk Twee wel g'armeerde Paduakkangs ieder met dertig uijtgeleesene Biranee„ „zen niet wapens voorzien herwaarts te senden, die ik, van kruijt zoude en lood voorsien, en om naar Bouthon ten eersten te steevenen; en dewijl deese vaartuijgen voor ses daagen niet kunnen hier koo„ „men, neem ik de vrijheid uwwelEdele Agtbare van 't voorm: en van deese mijne provisioneele schikking, eerbiedig kennisse te geeven, met ootmoedig versoek om mij met ordres te willen voorsien, voor de afsending derselve, zullende ik niet uwwel Edele Agtbare gun„ „stig welbehagen Een of twee Jnlandsche Militairen die de taal kun„ „dig zijn daarmeede oversenden tot ontsetting van die pantjallang; Terwijl deese Expeditie aan de E: Compagnie geen andere onkosten veroorsaakt. 93 Boelecomba in 'sComp:s fortres den 10=e April Ao 1717. veroorzaakt, als Rijst voor Rondkost deser daar na toe ge„ „sonden wordende Biraneesen, en Blandja voor het een en ander, als drooge vis, Sierie en pinang, voormelde Burger vertrekt heeden avond naar Madcasser dan dewijl ik wegens de nog dagelijks alhier sterk staande en waaijende w en Z:w: winden reedene heb, van te presumeeren dat zijn rheijse nog wat kan lang duuren, zo zend jk deeze ten aller spoe„ „digsten over den Land weg. Ik heb voorts de Eer mij met waare Hoogagting en Eerbied te noemen. wel Edele Agtbaare Heer Umwer wel Edele Agtbaare 't zeer on„ „derdanige en Trouwschuldigen dienaar J: B: D: Diemar Boelecomba. /:was getekend:/

NL-HaNA_1.04.02_3818_0398 view scan ↗

English

Boelecomba To the Junior Merchant Godlieb van Diemar Resident on behalf of the Honorable Company there. Honorable, Pious, Discreet Sir, In reply to your letter of the 10th of this month, which was delivered to us yesterday evening, we immediately deliberated on its contents, and noted that since the latest account from the local citizen Jacobus de Graaff varies greatly with his earlier report brought to you, as mentioned in the letter of the 8th of this month, without making the slightest mention of the Wajo Paulima Lasoempang, who was said to intend to capture the Honorable Company's pantjallang Het Beleid at Buton with nine armed vessels; therefore, one should give no credit to this latest report, which had indeed been confirmed by some other reports from our people there and also cannot at all be reconciled with the behavior the Butonese are obliged to observe toward the Honorable Company, but should rather consider it an idle rumor. However, because of the critical current circumstances in which one presently finds oneself, we have nevertheless decided to conform to the arrangement made by you and approve that the expedition of the two Bira vessels shall proceed, of which we hereby inform you, and at the same time order you to have the aforementioned vessels properly provided with what is necessary in accordance with your proposal, and to give us notice as soon as possible upon receipt of any news regarding this matter. Furthermore, 95 Makassar In Fort Rotterdam The 17th of April Anno 1788. Furthermore, we have received a letter from the merchant and former second-in-command at Ternate, Hemmekam; wherein he reports the unfortunate loss of his anchors and ropes, and that with his own two-masted bark he had run aground behind Saleyer on a reef situated on the south side, and found himself in great danger, with a request to be provided with several heavy equipment items and a good seaman from here to assist him. But since those goods cannot be spared from our meager supply without the greatest personal inconvenience, and there is no one available among the sailors here whom one could safely employ to right the aforementioned bark, we have decided to write to you and order you, according to your undertaking in your letter of the 9th of this month, to assist the said Hemmekam with everything in your power, as this cannot be done from here without great danger due to our own lack and, above all, also because of the turn of the monsoon, and to inform both the said Hemmekam and the Saleyer resident Whijts of this by sending an enclosed letter to the latter. Wherewith, after greetings, we remain, Your good friends, By order of the Right Honorable Lord Barend Reijke Governor and Director of this Coast of Celebes, together with the Council was signed: J:V: Budach Makassar In Fort Rotterdam The 17th of April 1788. Saleyer Alexander Whijts To the Bookkeeper Resident on behalf of the Honorable Company there. Honorable, Pious Sir, Having received, alongside your letter of the 4th of this month, one from the merchant and former second-in-command of Ternate, Hemmekam, wherein he reports the unfavorable situation in which he finds himself with his two-masted bark, with a request to be provided from here with some heavy equipment items and with a good seaman to his assistance; and since this cannot be done from here without great danger due to our own lack and, above all, also because of the turn of the monsoon, we have ordered the Resident at Boelecomba Godlieb van Diemar to assist the said Hemmekam with everything in his power, according to his own undertaking in his letter of the 9th of this month; which we hereby also recommend to you, to contribute everything to his help and assistance. The remaining contents of your letter having been accepted for communication, we remain in the meantime, after greetings, By order of the Right Honorable Lord Barend Reijke Governor and Director of this Coast of Celebes, together with the Council. was signed: J: J: Budach Your good friends 97 Makassar Saleyer The 21st of April 1788 To the Right Honorable Lord Barend Reijke Governor and Director of the Coast of Celebes Right Honorable Lord, Two of the Anakraings, namely Daeng Mangazee, and one Daing Mangoendjoengie, the first an uncle and the latter nephew of the present Bonto Bango, have already applied for the regency of Batta Matta; and having made inquiries as to whether there might perhaps be more who would request it, but no one else having addressed me to date, I take the liberty to report to Your Right Honorable that the land of Batta Matta very gladly left it to the pleasure and arrangement of Your Right Honorable as to whom Your Right Honorable might most graciously please to appoint as their regent from those two petitioners, as they have esteem and respect for both, but more for the first mentioned Daing Mangazee, whom, maintaining him to be the most capable, I hereby come to propose to Your Right Honorable, just as I most humbly request your favorable approval for his appointment as their regent. In the meantime, after heartfelt wishes for lasting, perfect health for Your Right Honorable's highly honored person, and with the most humble compliments, I have the honor to call myself most respectfully, Right Honorable Lord, Your Right Honorable's very humble servant, was signed: A. Wuijts

Dutch transcription

Boelecomba Aan den Onderkoopman Podlieb van Diemar Eerzame, vrome, Discrete. In antwoord op uE brief van den 10=e dezer, die gisteren avond bij ons aangebragt is, hebben wij ten Eersten over dies Jnhoude ge„ „besoigneert, en aangemerkt dat nademaal het laaste verhaal van den alhier thuis hoorende Burger Jacobus de Graaff zeer komt te varieeren niet zijn vroegere aan uE gebragte tijding vermeld bij brief van den 8e dezer, zonder het minste te gewaegen van den Towadjorees Paulima Lasoempang, die met Neegen g'armeerde vaarthuigen voornemens zoude zijn 'sComps Pantjallang het Be„ „leid op Bouthon af te willen loopen men derhalven aan deese laas„ „te tijding, die wel door Eenige andere Berigten van ons ginter zijnde volk, geconfirmeert soude zijn geworden, en ook gantsch niet met de verpligting der Bouthouders te houden gedrag omtrent de E: kompagnie over Een te brengen is, geen geloof diende te defereeren maar veel Eer deselve aan te merken, als Een los gerugt, hebben wij om de Cretique tijds omstandighee„„ „den waar inne men thans verseert, Even wel beslooten, om ons te Conformeeren met uE. gemaakte schikking en approbeeren dat de Expeditie van de Twee Biraneese vaarthuigen zijn voortgang zal hebben waar van wij uE bij deesen verwittigen, en teffens gelasten de voormelde vaarthuigen Conform uE voor„ „stel van het noodige behoorlijk te laaten voorzien, en ons bij ontfangst van eenige tijding dientweegen ten aller spoedigsten kennisse te geeven Resident 'sComps wegen aldaar voorts 95 Maccaker in't Casteel Rotterdam den 17e April Ao 1788. voorts hebben wij ontfangen Een Brief van den koopman Jn geweesen secunde te Ternaten Hemmekam; waar bij den„ „zelven meld, het ongelukkig verlies van zijn Ankers en Tou„ „wen, en dat met zijn eigen twee maste Bark agter Saleijer op Een Rtif geleegen aan de zuid kant was vast geraakt, en zig in groot gevaar bevond, niet verzoek om gerieft te worden met verscheide swaare Equipagie goederen, en Een goed zeeman van hier, tot zijner Adsistentie, dan alsoo die Goederen uit onsen geringen voorraad buiten het groot„ „ste eigen ongerief niet te missen zijn, en onder de zevarende hier geen aanhanden is die men niet gerustheid tot het te regjt brengen van de voorm: Bark zoude kunnen Emploijee„ „ren, hebben wij beslooten uE aan te schrijven en te gelasten om volgens uE aanneeming bij brief van den 9=e dezer gedagte Hemmekam met al het geen in uE vermogen staat te adsisteeren, alsoo sulx van hier uit hoofde van eigen gebrek en buiten dit alles ook om de kentering van de Rhouson, zonder veel gevaar, niet geschieden kan en hier van ook zo wel gedagte Hemmekam als den saleijers resident whijts onder toezending een ingeslotene brief voor den laaten kennis„ „se geving waarmeede na groete zijn. uE goede vrienden Ter ordonnantie van den welEd Agtb Heer Barend Reijke Gouverneur en Directeur dezer kuste Celebes nevens den Raad /:was getekend:/ J:V: Budach Makaster in't Casteel Rotterdam den 17e April 1718. Saleijer Alexander Whijts Aan den Boekhouder Resident 'sComp„s weegen aldaar Eerzame Vrome Nevens uE Brief van den 4 dezer, ontfangen hebbende, Een van den koopman en geweezen secunde van Ternaten Hemmekam waar bij denzelven meld de ongunstige situatie waar in hij zig met zijn twee maste Bark bevind, met verzoek om van hier gerieft te mogen worden met eenige sware Equipagie goederen en met Een goed zeeman ter zijner adsistentie, en dewijl zulx van hier uit hoofde van eigen gebrek en bui„ „ten dit alles ook om de kentering van de kouson zonder groot gevaar niet geschieden kan, hebben wij den Resident te Boelecomba God„ „lieb van dieman gelast; om volgens zijn eigen aanneeming bij Brief van den 9' dezer gedagte Hemmekam met al het geen in zijn vermoogen staat te adsisteeren, het welk wij uE bij deezen ook recommandeeren, om alles toe te brengen tot zijn hulp en Adsistentie het verder voorkomende bij uE Brief voor Communicatie aange„ „noomen zijnde blijven wij intusschen na groete Ter ordonnantie van den welEd: Agtb: Heer Barend Reijke Gouverneur en Directeur dezer Custe Celebes, nevens den Raad. /:was geteekend:/ J: J: Budach UE goede vrienden 97 Maccaker Saleijer den 21:e April 1738 Aan den wel Edelen Agtbaaren Heer Barend Reijke Gruverneur en Directeur ter Cutte filebes wel Edele Agtbaren Heer Twee der Anakraings namentlijk Daeng Mangazee, en Eenen Daing Mangoendjoengie de Eerste een oom, en laast gen: Neef van de prezente Bonto Bango hebben bereets om het regentschap batta matta gesolliciteert; en of er ook somwijl meer zoude zijn die daar„ „om mogt verzoeken hebbende laaten informeeren egter dat tot nog niemand anders bij mij geaddresseert zijnde zo neeme Jk de vrij„ „heid unwelEd Agtb: te melden dat het Land van batta matta zeer gaarne aan het welbehagen en de schikking van uwwelEd Agtb: over„ lieten wie, hoogst uwwelEd Agtb: Eene van die beide verzoekers tot haaren regent mogt behaagen aan te stellen, als hebbende zij lieden voor die bij de agting en respect, dog wel meer voor den Eerst gem: Daing Mangazee wien ik als sustineerende de bequaamte te zijn, uwwel Edele Agtbare bij deeze koome voor te dragen gelijk ik nedrigst den verzoekende om dies gunstig approbatie tot haaren regent. Jntusschen heb ik de Eer na hart grondin toewenschinge van bestendige volmaakte Gezondheid over uwwel Edele Agtbare hoog g'Eerd perzoon, onder nedrigst Compliment, mij Eer„ „biedigst te noeme. wel Edele Agtbaren Heer uwwel Edele Agtbare zeer oot„ „moedigen Dienaar /:was getekend:/ r Wuijts ƒ

NL-HaNA_1.04.02_3818_0402 view scan ↗

English

By Circular Query Thursday the 1st of May Anno 1788 An officer of the State's frigate De Zwijger having arrived early this morning to the Governor, on behalf of his Captain the Right Honorable Sir Meurer, but only communicating verbally; that he, with the aforementioned State's frigate and a brig, had drifted off course somewhere around here, without rightly knowing where, that they were lacking water, and requesting a pilot to bring them into the roads here. That His Right Honorable, having understood from the Master of the Equippage Rinse that, according to his estimation, they must be lying near the Paternoster Islands, immediately gave orders for the speedy preparation of two native Palembang prahus, which are best suited to go thither, in order to provide them with water, and placed on one of them Captain Lieutenant Tramburg, who is very knowledgeable about the waters around here, to set them right and, if necessary, bring them inside here. Then, since these State ships are not destined for Makassar nor come here on a commission, but according to the statement of the aforementioned officer must steer for Ternate, and returning from there call at Bima, and will now probably enter these roads in passing, the Governor, believing for this reason that one need not receive this Captain with the ceremonial determined in anno passato for the Captain Commander of the squadron of warships, 29 has, upon the proposition made by him by order of His Right Honorable via circular query, approved and agreed to salute the Right Honorable Sir Captain Meurer only after he shall have arrived in the roads and had his arrival made known here, with 17 cannon shots from the castle bastions, subsequently sending two delegates from our Council, namely the Fiscal and the Shahbandar, on board to have him welcomed, without observing any further ceremonial upon his coming ashore, except only following the honor determined for the Captains at the gates and guards with the beating of the march. Thus done at Makassar in Fort Rotterdam, date as above. Signed: Reijke W. Beth J: M: Baserman J: L De vos S: Monsieur J: Bosch J: A: Wisse and I: J: Budach. Extract. Extract from a private letter written by the Chief at Surabaya, Barkey, to Governor Reijke at Makassar, dated 3 April Anno 1788. After I had, 3 to 4 days ago, namely on the 30th of the past month of March, for lack of another opportunity, dispatched an express-hired and Company-equipped private vessel to Bima to the Resident Meurs, to convey a packet with papers from Their High Mightinesses, which had been handed to me by Captain Meurer, Commander of the State's war frigate De Zwijger and the brig De Pijl, for further delivery; I receive notice from the office at Gresik regarding the arrival there from Batavia of the Makassar burgher Israel Pieters, with whom I have the honor of sending the enclosed packet with papers brought here yesterday from Semarang, addressed to Your Right Honorable, and a ditto to Captain Meurer, who on the 17th of March undertook the voyage from here with the aforementioned State keels directly to Ternate, without first calling at Bima, as His Honor was apprehensive of otherwise not being able to reach Ternate upon the onset of the easterly winds, intending however upon returning from the Moluccas to steer toward the aforementioned office of Bima. With the aforementioned vessel dispatched by me to Resident Meurs, I also sent some packets with Company papers from Their High Mightinesses, addressed both to the Ministers in Ternate and to those in Amboina 101 and Banda, together with some private letters for Makassar, which had been sent to me via Semarang, and I requested Mr. Meurs to please deliver them securely and swiftly in transport to Your Right Honorable for further favorable forwarding, as there was no further opportunity for this at hand on Java. Extract Extract from a letter written by the Junior Merchant and Resident of Bulukumba, Simon Monsieur, to the Governor and Council here, dated 20 September Anno 1777; wherein among other things is written: Karaeng Tiro, Right Honorable Sir and Sirs, some time ago sent to me the Company's subject named Bado, residing in the negorij of Tiro, whom I now take the liberty to send under safe custody to Your Right Honorable; the said Karaeng, Right Honorable Sir and Sirs, says that this Bado supposedly murdered a child of the negorij of Battan, but there are, Right Honorable Sir and Sirs, no other proofs than that the child, in agony and dying, speaking in the presence of several people residing in the negorij of Battan, accused Bado, saying that Bado, while he was at the well to fetch water, had inflicted those mortal wounds upon him; but the said Bado denies everything. Agrees. Signed: J: J: Budach, Secretary Extract 103 Extract from a letter written by the Governor and Council here, to the Junior Merchant and Resident at Bulukumba, Simon Monsieur, dated 7 October Anno 1777, wherein among other things is written: We have for the present ordered the sent subject Bado to be riveted into chains, in case any evidence of his guilt might perhaps yet come to light. Agrees. Signed: J: J: Budach, Secretary

Dutch transcription

Bij Rondvzage Donderdag den 1„e Meij A:o 1788 Door Een afficier van slands Fregat de zijne bij den Heer Gouverneur deesen morgen vroeg gekomen, uit Naam van zijn Capitain den welEdelen Gestr: Heer Meurer dog egter maar mondelijks gecommuni„ „ceert zijnde; Dat dezelve met de voormelde sLands Fregat en een Brik hier omstreeks vervallen was, zonder regt te weeten waar ter plaatse, dat zij gebrek aan water hadden, en om een Loots om hun hier ter Rheede te brengen, liet verzoeken. Dat zijn welEdele Agtbare van den Equipagie meester Rinse ver„ „staan. hebbende, Dat z' na zijne Gissing omtrent de Paternosters Ei„ „landen moesten leggen, ten Eersten ordre gegeven had, tot het spoedig klaar maken van twee Jnlandsche Piaauwen Palimbangs, die het best ge„ „schikt zijn om daar na toe te gaan, ten einde hun van water te voor„ „sien, en op een derzelve oeplaast hadde, den het warwater hier om„ „streeks zeer kundige Capitain Luitenant Tramburg, om hun te regt te helpen, en I. Noods hier binnen te brengen: Dan aangezien deese s lands schepen niet voor Makasser ge„ „destineerd zijn of hier in Commissie koomen, maar volgens het zeggen van den voormelden officier na Ternaten moeten steevenen, en van daar te rug keerende Bima aandoen, Dezelve nu denkelijk en passant dese Rheede zullen inloopen, zoo is, den Heer Gouver„ „neur uit dien hoofde vermeenende dat men dies Capitain met dat ceremonieel niet behoeft te recipieeren zo als in anno passato voor de Capitain Commandant van 't Esquader oorlog schepen bepaald was 29 was, op de Propositie bij hen ter ordre van zijn welEd: Agtbare ge„ dane Rondvrage, goedgevonden en verstaan, Den welEdelen Gestren„ „gen Heer Capitain Meurer Eenelijk na dat ter Rheede g'arri„ veert zal weesen, en zijn komst alhier bekend hebben laaten maa„ „ken, te Salueeren met 17 kanon schooten van de kasteels bolwerken, vervolgens twee Gecommitteerdens uit onsen Raade, te weeten, den fiskaal en Siabandhaar na Boord te senden, om dezelve te laaten verwelkoomen, zonder Eenig verder Ceremonieel niet Desselfs komst aan de wal te observeeren, als alleen het opvolgen van het IConneur dat aan de Poorten en wag„ „ten met het Hlaan van de Marth voor de Heeren Capitains bepaald is. Aldus Gedaan tot Makasser in't Casteel Rotter„ „dam dato voorschreeven. /:was geteekend:/ Reijke W. Beth J: M: Baserman J: L De vos S: Monsieur J: Bosch J: A: wisse en I: J: Budach. Extract. was Na dat Jk voor 3 â 4 daagen, dan wel op den 30:e der voorleeden maand Maart, door ontstentenisse van een ander gelegendheid een expres afgehuurd en Compagnies weegen uijtgerust particulier vaer„ „tuig na Bima aan den Resident Meurs had gedepecheerd, ter overbreng van een pacquetje met papieren van Hunne Hoog Edel„ „heedens, die mij door den Heer Capitain Meurer, Commandan= van 's Lands oorlogs fregat zijn, en de Brik de Pijl ter hand was gesteld ter verdere bezorging; ontfang ik berigt van 't Comptoir Grissee nopens de aankomst aldaar van Batavia van den Mac„ „cassers burger Israel Pieters, met dewelke ik de Eer heb te laten overgaan de neevensgaande op gisteren van Samarang hier aangebragt pacquetje met papieren aan uwwelEdele Gestrenge gerigt, en een dito aan den Heer Capitain Meurer, die op den 17e Maart met de voorschreeven 's Lands kielen van hier direct 17e naar Ternaten de reise heeft aangenoomen, sonder alvoorens Bi„ „ma aantedoen, alzo zijn Ed: bedugt was Ternaten anders bij het doorkomen der ooste winden niets te kunnen bezeijlen, met voorneemen egter bij retour uijt de Moluccos te steevenen naar het evengemelde Comptoir Bima te wenden. Het het voormeld door mij aan den Resident Meurs gedepecheert vaartuig, heb jk teffens eenige pacquetten met sComps papieren van Hunne Hoog Edelheeden, en gerigt zo 6 aan de Ministers te Ternaten als aan die te Amboina Extract uijt een Particuliere brief geschreeven door het opperhoofd te Sourabaija Barkeij aan den Heer Gouverneur Reijke te Maccas„ „ser de dato 3e April Ao 1788. en 101 en Banda, mitsgaders eenige particuliere brieven voor Maooakier, die mij over Samarang waren toegezonden, laten overgaan en heb ik de Heer Meurs verzogt, deselve Secuur en ppoerin transport aan uwwelEd Agtbaeren vestrenge te willen bezorgen ter verdere gunstige voortschikking, wijl er daar toe op Iava geen gelegendheid meer aanhanden was. Extract Extract uit een Brief geschreven door den onder„ koopman en Boelecombas Resident Simon Monsieur aan den Heer Gouverneur en Raad alhier, de dato 20e september A:o 1777; alwaar onder anderen staat. Crain Siro welEdele Agtbare Heer en Heeren heeft mij voor eenigen tijd toegezonden, den 'sComp„s onderdaan Bado genaamt, op de Negorij Tiro woonagtig, welk ik thans de vrijheid neemt in goede verzeekering tot uw wel Edele Agtbare over te zenden, gen: Crain wel Edele Agtbare Heer en Heeren zeijt, als dat die Bado een kind van de Negorij Battan zoude vermoort hebben, dog daar zijn wel Edele Agtbaare Heer en Heeren geen andere bewijzen, als dat 't zind zieltoogende, seggende in presentie van ver„ „scheiden menschen op de negorij battan woonagtig Bado beschuldigt heeft, als dat Bado hem aan de Put zijnde om water te haalen, die dodelijk wonden had toegebragt, dog gen: Bado negeert alles Accordeert /:was getekent:/ GBudaih secretaris Extract 103 Extract uijt Een Brief geschreeven door den Heer Gouverneur en Raad alhier, aan den onderkoopman en Resident te Boelevamba Simon Monsieur de dato 7:e October Ao 1707, alwaar onder anderen staat: De overgezondene onderdaan Bado, hebben wij voor eerst in de ketting laten klinken of er Zomwijlen nog bewijzen van zijn schuld mogten Opkomen. Accordeert /:was getekend:/ J: J: Budach secretaris

NL-HaNA_1.04.02_3818_0408 view scan ↗

English

May Year 1788 Today, on the Appeared before me, Johan Godfried Budach, junior merchant and secretary of Police of this Government, in the presence of the witnesses named below: The sergeant jailer in the Company's service here, Hendrik Stolberg, known to me, who, at the requisition of the Right Honorable Lord Barend Reijke, Governor and Director of this coast of Celebes, and in order to serve wherever and however appropriate, declared for the truth: That about one month ago, without knowing the exact day, the friends of Kaboe, otherwise known as Idea Maga, came to him, the appearer, and kindly requested him to go to the Lord Governor to ask for his release from the chain, for which they promised to pay him, the declarant, forty Spanish dollars if it succeeded. That having made this request to the Lord Governor, His Right Honorable had told him that this could not be, that that man had to be banished; that the Lord Governor would gladly help the declarant to a profit in another way, but not in this case. The aforementioned having been read again to the declarant and explained clearly to him in Dutch, he declared that this contains the upright truth, giving as reasons for his knowledge as stated in the text, and remaining prepared, if required, to confirm this further on oath at all times. Thus done and passed at Makasser in Castle Rotterdam, date as above, in the presence of Johannes Arnoldus Geubels and Hendrik Willem Voll, clerks, as witnesses required for this purpose. The original of this is duly signed and written on a sheet of paper. Which I attest, J: G: Budach, secretary was signed 105 We, the undersigned, the chief interpreter Diederik Deefhout, the second sworn interpreter Hendrik Bewers, and the jailer of the Company's prison, Hendrik Stolberg, hereby acknowledge that indigenous wrongdoers, according to an ancient custom here, are shackled in the long chain by order of the Right Honorable Lords Governors without a specified period of time, and that sometimes some of them are released upon our intercession, and that one also receives a small gratuity for this. Which we are prepared to confirm under oath at all times. Makasser, the fifth of May, year 1788. was signed: D: Deefhout, Hendrik Bewers, and H:k Stolberg. Right Honorable Strict Lord, My Lord, This morning, after having spent many anxious days, to my great satisfaction I received back Lieutenant Framburg, my officer, and the crew. Before they returned, I had already discovered where I was through the fine map of this land upon which no reliance can be placed. I would have wished there were a possibility to work our way up to Maccasser, which I would certainly undertake if the requested water, which was to be sent to me, were sufficient. However, since I learn that it will not even be sufficient for one week for 130 men, I dare not risk it; which is why I have resolved and have been compelled to return to Sourabaija. And since I cannot resolve to risk the country's ship and crew any further in waters where one cannot rely on maps, in other waters the only support for a seaman, I shall keep Lieutenant Tramburg, sent to me as known, with me. Of which I have the honor to give Your Honor notice; at the same time I have the honor to thank you for the good reception given to my officer, and for the care Your Honor has taken for the country's crew, as well as for the refreshments sent to me, which were very pleasant 107 The country's frigate Lijne near the Hen with the Chickens 4th May 1788 were very pleasant for someone who had roamed at sea for 8 weeks; and I further have the honor to be, Right Honorable Strict Lord, My Lord, Your Honor's obedient servant, was signed: F: A: Meurer P.S. I had written this much of the letter yesterday evening in the hope that the prow with water would arrive. But as it does not arrive, which they perhaps do not intend to do outside the islands, I dare not venture to wait any longer; and since it has my longboat and sailing rig, which I must sail away without, I trust Your Honor will have the goodness to send it to me with the ship to Sourabaija or Batavia. was signed: J:n A: Meurer.

Dutch transcription

Maij Ao 1788 OP Heeden den Compareerde voor mij Johan Godfried Budach, on„ „derkoopman en secretaris van Politie dezes Gouvernements, perre„ „sent de getuigen nagenoemd. Den zergeant Cipier in 's Comp:s dienst alhier Hendrik Jtol „berg, mij bekend, dewelke ter requisitie van den wel Edelen Agtbaren Heer Barend Reijke, Gouverneur en Directeur dezer kuste Celebes, en om te kunnen dienen daar en zo het behoort, voor de waarheid verklaarde. Dat omtrend Een maand geleeden, zonder den precisen dag te weeten, bij hem Comparant gekomen zijn de vrienden van kaboe of anders Idea Maga, die hem vriendelijk verzogt had„ „de bij den Heer Gouverneur te gaan, om zijn ontslag uit de ketting te verzoeken, waar voor zij aan hem declarant beloofdt hadde veertig. spaans te zullen betaalen, indien het gelukte Dat hij Comparant dit verzoek aan den Heer Gouverneur ge„ „daan hebbende, zijn Edele Agtbare hem gezegd had, Dat dit niet konde weezen, dat die man verzonden moest worden; dat den Heer Gouverneur hun declarant op een ander manier wel gaarne aan een profijte zoude wil„ „len helpen, maar in dit geval niet. Het geen voorschreven staat, den declarant nogmaals voorgeleezen en duidelijk in het Nederduits te verstaan gegeven zijnde, zo verklaarde hij zulx te behelsen de opregte waarheid, geevende voor reedenen van wetenschap als in den text, en bereid blijvende des gerequireerd werdende ten allen tijden met hede nader gestand te doen. Aldus Gedaan en Gepasseert tot Makasser in't kasteel Rotterdam Willem dato voorsz:, ter presentie van Johannes Arnoldus Geubels en Hendrik voll klerken als getuigen hier toe gerequireerd, de minute dezes is behoorlijk geteekend en geschreeven op hen vel papier quod Attestor J: G: Budach secretaris /:was getekend:/ 105 Wij ondergetekendens de oppertolk Diederik Deefhout, de tweede gebwoore Tolk Hendrik Bewers, en de Cipier van 'skomp„s boeijen Buije Hendrik Stolberg, bekenne bij deesen dat Jnlandsche kwaaddoenders volgens een al oud gebruik alhier ter ordre van den wel Edele Agtbaare Heeren Gouverneurs in de lange ketting worde geklonken zonder bepaling van tijd, en dat zomtijds wel zommige van dese op onse voorspraak ontslagen worden, en dat men daar voor ook wel een klijne douceurtje krijgt. Het geen wij bereijd zijn ten allen tijden met Eede gestand te doen. Makaster den vijfde Maij anno 1788. :was getekend: D: Deefhout Hendrik Bewers en H=k Stolberg. WelEdele aris Wel Edelen Gestrengen Heer Mijn Heer Deeden morgen kreeg ik naer veel ongeruste dagen gepasseert te hebben, tot mijn groote vergenoeging den Luitenant Framburg mijn afficier en volk wederom, voor dat dezelve weder waren had ik reets ontdekt waer ik (: door de fraije kaerte van dit Land daer geen staet op te ma„ „ken is:/ was, ik hadde wel gewenst er mogelijkheid was naer maccas„ „ser op te werken, het geene zeeker Entameeren zoude, zo de ver„ „sogte of het versogte water, het welke mij gesonden zoude worden toerijzende was, dog vermits ik verneeme het selve nog voor geen week toerijkende zal zijn voor 130 mensche derve ik het niet ze wage waarom ik geresolveert en in de noodzakelijkhijd gebragt ben van weder te keeren naer sourabaija, en dewijle ik niet resolveeren kan, 's lands scheepe en volk meerder te wagen in een vaarwater daer men geen staet op kaerten kan maken /: in andere vaerwaters 't eenig„ „ste soutien voor een Zeeman :/ zo zal ik den Luitenant Tramburg als bekend mij toegezonden bij mij houden waar van de Eere heb uE gestrenge kennis te geven teffens hebbe de here te bedanken voor het goed accenie mijn officier aangedaan, en voor de zorgen welke uE: gestrenge Gehad heb voor 's Lands volk, als mede voor de ververshing mij toegesonden welke zeer aange „naam„ 107 'S Lands fregat Lijne bij de Hen met de kuijkens 4e Maij 1788 aangenaam ware voor ijmand die 8 weeken in zee gesworven had en hebbe verders de Eere te zijn. wel Edelen Gestrengen Heer Mijnu Heer uwE: gO: Dienaer /:was getekend:/ F: A: Meurer P: S: Jk had den deezen gisteren avond zo verre afgeschree„ „ve in hope de Prauw niet water zoude komen dog dezelve niet koomende het welke zij moglijk niet van voorneemen zijn buijten de Eijlanden zo derf ik niet wagen langer te wagten; en vermits dezelve mijn Chaloup en zeijltuijg heeft het welke ik agter uijtzeijlen, zo vertrouwe ik uE ges: de goedtheid zult hebben mij dezelve met het schip naer sourabaija of Batavia te zende. /:was getekend:/ J:n A: Meuren. -

NL-HaNA_1.04.02_3818_0412 view scan ↗

English

Today, the 8th of May, Anno 1788, appeared before me, Johan Godfried Budach, junior merchant and secretary of Police of this Government, in the presence of the witnesses named below: The Captain at sea and Master of Equipage here, Mr. Dirk Hinse, known to me, who, at the requisition of the Right Honourable Mr. Barend Reijke, Governor and Director of this Coast of Celebes, declared for the truth: That on Thursday the 1st of this month, at three o'clock in the morning, Lieutenant Brand of the State's frigate De Lijne arrived at his Honour's dwelling at the wharf, who on the 26th of April, being Sunday evening, departed from on board the aforementioned frigate with a small sloop manned, besides himself, with eight hands, in order to look for Makassar, which frigate according to him must have been lying around here near the islands, without knowing precisely where. That this officer presented himself to the Mr. Governor at six o'clock in the morning and delivered his message, whereupon His Right Honourable ordered him, the declarant, to ship off as soon as possible as much drinking water as could be in two Palembang prahus that were being made ready, for these State ships. That that same evening the aforementioned Lieutenant and his crew, together with Captain Lieutenant Tramburg, departed with one of the vessels to search for the ships and provide them with water; the Honour declarant had shipped in this prahu, in which the aforementioned Tramburg went along, 1 whole beer pipe and 2 half aams, and in the second prahu, which also departed that evening, navigated by the native Intje Gadong, 1 whole and 4 half aams of water. That on the following day, furthermore, by order of His Right Honourable, 19 half leggers were shipped in the pantchiallang De Jonge Frans, with which this small keel also set sail late that same evening, with orders to remain lying near the islands, the Three Brothers, or thereabouts, and to wait and see if it might occasionally be alerted by one of the two vessels, in case they found the State ships and the same required more water, to be able to procure it for them. That on the 6th of this month, the prahu of Intje Gadong having returned, the Nakhoda reported that he had not been able to find the ships, nor had he been able to meet the aforementioned Captain Lieutenant Tramburg, notwithstanding that they had cruised for three days at the latitude near the islands, The Hen with her Chickens and Rotterdam, and therefore, because he could no longer hold out at sea, he had resolved to return hither, bringing back the small sloop with which the State officer had arrived here on the 1st of this month, and which he had taken in tow. The foregoing having been read again to the Honour declarant, he declared the same to contain the pure truth, giving as reason of knowledge as stated in the text, remaining prepared at all times, if required, to confirm it further. Thus declared at Makassar in Fort Rotterdam, on the date aforesaid, in the presence of Willem Hendrik Voll and Leendert van Veen, clerks, as witnesses required for this purpose. The minute of this is properly signed and written on a sheet of paper. Quod Attestor, was signed: J. G. Budach, Secretary. Makassar Saleijer, the 11th of May, Anno 1788. To the Right Honourable, Rigorous Mr. Barend Reijke, Governor and Director of that province. Right Honourable, Rigorous Sir, My indisposition not permitting me to write in detail, this serves solely for the highly esteemed communication that my wife and children, through the assistance of Saleijer's Resident Whijts, have arrived safely here from Bonerate on the 8th of this month with a small part of my disembarked goods, to which the petty king Lamatta also contributed much, besides having shown all help and assistance to my said wife and children during their stay at Bonerate and even escorting their persons all the way to here; whereas on the contrary all my remarkable disembarked goods are being detained by the ruling king of Bonerate, Mantjoana, until such time as he shall have obtained orders regarding their release from the Company and the King of Boni. It is therefore that I most humbly beseech your Right Honourable and Rigorous to be pleased to give the necessary orders to the said petty landholder, so that I may come to enjoy them, since otherwise I would have to suffer great damage in my modest possessions. I commend your Right Honourable and Rigorous, along with your illustrious family, to God's divine protection, and after having recommended myself to your Right Honourable and Rigorous's powerful favour, I take the liberty to call myself in all respect, Right Honourable, Rigorous Sir, Your Right Honourable and Rigorous's very humble servant, was signed: C. B. Kemmekam

Dutch transcription

Op Heeden den 8e Meij Anno 1788, Compareerde E voor mij Johan Godfried Budach, onderkoopman en secretaris van Politie deses Gouvernements, present de getuigen nagenoemd. Den Capitain ter ze en Equipagie meester alhier d' Heer Dork Hinse, mij bekend, dewelke ter requisitie van den wel Edelen Agtbaren Heer Barend Reijke, Gouverneur en directeur deeser Custe Celebes voor de waarheijd verklaarde. Dat op Donderdag den 1 dezer, des morgens om drie uuren aan zijn E: wooning op de werf gekoomen is, den Luitenant Brand van 't 'slands fregat de Lijne, dewelke op den 26' April, zijnde sondag savonds, met een kleene Chialoup bemant buiten dezelven niet nog agt koppen, van Boord van 't voormelde fregat, dat volgens zijn i zeggen hier omstreeks bij de Eilanden moeste leggen, zonder regt te weeten, waar, vertrocken is, om Makaker op te zoeken. Dat dien officier zig 's morgens om ses uuren bij den Heer Gouverneur vervoegt en zijn Boodschap afgelegt hebbende, zijn Edele Agtbare hem declarant g'ordonneert hadde, om ten eersten zo veel drierk water in twee prauwen Palimbangs die klaar gemaakt wierden af te scheepen, als weezen konde, voor deese 's Lands scheepen. Dat dien zelfden Avond den voormelde Luitenant en zijn volk, neevens den Capitain Luitenant Tramburg met een der vaarthui„ „gen vertrokken was, om de scheepen op te zoeken, en hun van wa„ „ter te voorzien, den E: declarant in deese Praauw daar den voormelde Tramburen meede gegaan is had laaten afscheepen 1 Bier Pijp t heel en 2 ' halff aamen, en in de tweede Praauw die almeede dien avond vertrok gevoerd bij den Jnlander Jntje Gadong r heele en 4 halve Ha„ men water. Dat sanderen daags, nog, ter ordre van zijn Edele Agtbare in de. 109 in de Pantjallang de Ionge frans afgescheept zijn geworden 19 halve Leggers, waarmeede dit kieltje ook ten lasten of dien zelfden Avond nog onderzeil gegaan is, met ordre, om bij de Eilanden, de drie gebroeders of daar omtrent te blijven leggen, en af te wagten, of zom„ „teids door een van de twee vaartuigen mogte gewaarshouwt worden, indien zij de 'slands scheepen gevonden, en dat dezelve meerder wa„ „ter benoodigd hadden, het hun te kunnen besorgen. Dat op den 6 dezer de Prauw van Jntje Gadong weederom te rug gekomen zijnde, den Anachoda gerelateert heeft, de scheepen niet te hebben kunnen vinden, nog den voormelde Capitain Lintenant Tramburg te hebben kunnen aantreffen, niet teegenstaande zij drie dagen op de hoogte bij de Eilanden, de Hen met zijn kuiken en Rotterdam gekruist hadden, en derhalven, om dat hij het niet langer in zee konde houden, geresol„ „veert hadde dit heenen te keeren; te rug brengende de kleine Chialoup, waar„ „meede de 'slands officier den 1=te deser hier gekomen is, en die hij op sleeptouw mede genomen had: Het geene voorschreeven staat den E: declarant noginaals voor„ „gelesen zijnde, zo verklaarde hij zulx te behelsen de zuijvere waarheid, geevende voor reeden van weetenschap als in textu vermeld, bereid blijvende om ten allen tijde des gerequireerd werdende nader gestand te doen. Aldus Gedeclareerd tot Maccasser in'tCateel Rotter„ „dam dato voorsz: ter presentie van willem Hendrik voll en Leendert van veen klerken als getuigen hier toe gerequireerd, de minute deeses is behoorlijk geteekend en geschreeven op Een vell papier Quod Attestor /:was getekend:/ J: J: Budach secretaris en Maccasser Sileijer den 11=e ueij Ao 1788. Agtbare Deer Barend Reijke Aan den wel Edele Gestrenge Gouverneur en directeur dier provintie wel Edele Gestrenge Agtbaren Heer Mijne onpasselijkheid niet toelatende omstandig te schrijven, zo dient deze eenelijk ter hoog g'Eerde Communicatie, dat mijn Huijs„ vrouw en kinderen, door hulp van saleijers Resident whijts, met een gering gedeelte mijner ontscheepte goederen op den 8„e dezer behouden van Boneratte alhier zijn g'arriveert, waar toe 't koningje La„ E „matta, ook veel heeft gecontribueert, boven dat aan gemelde mijn Huijsvrouw en kinderen geduurende haar aanwezen te Boneratte alle hulp en asjistentie heeft bewezen en zelfs hun lieden tot hier toe heeft begelijd, daar in tegendeel alle mijne merkwaardige ontscheepte goederen door den Regerenden koning van Zoneratte Mantjoana wer„ „den aangehouden, tot zoo lange order wegens dies afgave van de Comp:e en Bonis koning zal hebben erlangt; het is daarom, ik uwwel Edele Gestrenge Agtbare op het ootmoedigst Smeeke de nodige beveelen aan gemelde land heertje te willen geven, op dat ik daar van mag komen te gaudeeren, alzoo bij het tegendeel: groote schade in mijne geringe besittingen zoude moeten ondergaan; Jk beveele uwwel Edele Gestrenge Agtbare nevens Jllustre familie in Godes divine protezie en na mij in uwelEd Gestrenge Agtbare vermogende gunst te hebben g'insinueert gebruike jk de vrijmoedigheid in alle Eerbied te noeme wel Edele Gestrenge Agtbare En Heer UuwwelEdele Gestrenge Agtbares, zeer onderdanigen Dienaar /: was getekend C: B:s Kemmekam — Js

NL-HaNA_1.04.02_3818_0415 view scan ↗

English

111 Maccasser Maros in the fortress Valkenburg To the Right Honorable and Respected Sir Barend Reijke Governor and Director of the Coast of Celebes there Honorable Sir Right Honorable Having hereby the honor to inform your Right Honorable Respect, that yesterday I was in person with the king of Bouijben, and informed His Highness in the name of your Right Honorable Respect according to the contents of the letter that the river here will be closed on the 24th of this month according to custom, to which His Highness served me in reply, that this was well, and that he would give orders that his subjects shall carry no rice or paddy contrary to the Company's orders, and likewise also that everyone should have his vessels inspected according to custom. The free citizen Diverne, who landed here yesterday morning in the name of your Right Honorable Respect, I introduced in person on the same occasion to the king, and presented his interests, and I do not doubt that the aforementioned Diverne, upon his return, will orally report to your Right Honorable Respect what answer the king has given. Herewith also goes a chap from the king of Bonij, which he thus sent to me ipso facto to forward to your Right Honorable Respect, and the bearer said that from the letter wrapped around it one would easily read how to act therewith. While for the rest, with the greatest respect and high esteem, I style myself, Right Honorable and Respected Sir, Your Right Honorable Respect's humble servant, was signed BurgGraaff the 21st of May Anno 1788 Makasser BurgGraaff Friend. You may upon occasion inform the king of Bonij that I have not been able to deliver his chap or letter sent to me to the citizen Dieverne, because the same was addressed to Daeng Riboko with the title of Ruler of the Makassarese residing in the mountains, whom neither I nor the Company will ever or can ever recognize as such. I remain after greetings, the 23rd of May 1788 Your friend. was signed J: Heijke 113 the 23 May 1788. Above the letter stood the King's chap. On the cover: To the Ruler of the Makassarese being in the mountains. The letter itself: My greetings to you. Here with me has been an emissary of the Lord Governor, who has let me know that a maidservant together with her child and another seven slaves of a freeman have run away, with the request to have the same searched for, as there are rumors that those people are in Parigie. To that end, I have let my interpreter Rewa go along with the aforementioned freeman to see if there were any possibility to track them down. Do your best to comply with this, because I have promised and undertaken to that man to return his slaves. End. According to the statement of the Malay writer, was signed Seena. Samarang To the Right Honorable, Highly Respected and Severe Sir, Jan Greeve Extraordinary Councillor of the Dutch Indies as well as Governor and Director there Right Honorable, Highly Respected and Severe Sir, By daily awaiting the return of the Bonian ambassadors from Batavia in order to know the true resolution of this Court regarding the notification to be received from Their High Honors concerning the surrender of the Goan regalia, I have until today postponed replying to your Right Honorable, Highly Respected and Severe's very esteemed letter of the 2nd of January last with respect to the occasionally necessary requisition of Madurese warriors. But since it appears to me that this embassy, in imitation of their former companions, is protracting their journey in order to smuggle here and there again, I shall serve in humble answer that because by the goodness of Their High Honors the armed ship De Nephtunus has orders to return here after the completion of the Sumbawa expedition, I for now, if that vessel arrives here, shall not need any more Madurese than those currently still on hand here, and this all the more as the authorization to act hostilely against the Bonians from our side has not yet been obtained, 115. Makasser and one, at least as it appears up to the present day, does not have to fear that they will be the first attackers. Yet if unhoped-for necessity should come to demand the claiming of these auxiliary troops in the future, I will not only make use of the favorable authorization, but also try to inform your Right Honorable, Highly Respected and Severe of that necessity as early as practicable. I am also meanwhile very obliged to your Right Honorable, Highly Respected and Severe for the copy of instructions sent to me for the commanding officer of the military personnel sent over on the expedition with the aforementioned ship De Nephtunus, and remain with the deepest respect and true high esteem, Right Honorable, Highly Respected and Severe Sir, Your Right Honorable, Highly Respected and Severe's humble and obedient servant, was signed the 21st of May 1788. in Castle Rotterdam Reijke. Makasser. the 28th of May 1788. Mr. Temmekam. Right Honorable Sir, Upon your Honor's complaints made that the king of Boneratte is detaining your Honor's goods, I have addressed myself to the king of Bonij and received from His Highness the chap enclosed herein for the release thereof, which your Honor will need to show to that petty ruler in order to get the said goods back upon it, your Honor being able to take along or employ as assistance in this matter the passing emissary, being mindful however to promise the said petty ruler according to equity for his expended trouble, which in any case is no more than reasonable. I remain after greetings, Right Honorable Sir, Your Honor's humble servant, was signed B Reijke

Dutch transcription

111 Maccasser Maros in't fortres valkenburg Aan den wel Edelen Agtbaren Heer Barend Reijke Agtbaare Heer WelEdele Hiermeede de Eere hebbende uwwelEd Agtb„s kennisse te geven, dat jk op gisteren in perzoon bij den koning van Bouijben geweest, en Hem zijn Hoogheid uijt naam van uwelEd Agtbares volgens inhoud van de brief kennis geeven dat de riviere alhier op den 24„e dezer vol„ „gens usantie gesloote zal worden, waar op zijn Hoogheid mij in ant„ „woord diende, dat zulx wel was, en dat hij ordre, zoude stelle dat zijne onderdane geen Reijst of Patij teegens 's Comp„s ordre zulle vervoere, teffens ook dat Een ieder volgens gebruike zijne vaarthuijge zoude la„ „ten visiteere. Den vrij burger Diverne die op gistern morgen, uijt naam van uw welEd Agtb:, alhier aangeland is, heb ik bij de zelve occasie, in Perzoon bij de koning aangedient, en zijne belangens voorgedrage, En twijffele ik niet of voorn„t Diverne uwwelEd: Agtbares niet zijn te rug komt; mondelings zal hebbe berigt, wat antwoord dat de koning gegeven heeft, hier neevens gaat mede over Een Tjap van de koning van Bonij die hij mij soo ipso facto heeft toegezonden, om aan uwwelEd: Agtbare over te sende, en zeide den brenger als dat uijt de brieff die daar omme geslage was wel zoude Leese, hoe daar mede moeste handele Terwijl voor het overige met de meeste Eerbied en hoogagting mij noeme wel Edele Agtbaare Heer uw welEd: Agtbare onderdanige Dienaar /: was getekend BurgGraaff den 21e Maij Ao 17188 Gouverneur en Directeur ter Custe Celebes aldaar Makaper BurgGraaff Vriend. uE kan bij gelegendheid de koning van Bonij te kennen geven dat ik zijn mijn toegezondene sjap of Brief niet aan den Bur„ „ger Dieverne heb kunnen afgeven om dat dezelve g'addres„ „seert was aan Daeng Riboko met den titul van Rijks testier„ „der in de Gebergtens zig ophoudende Makkasjaaren daar jk of de komp:e hem nooit of immer voor zullen of kunnen erken„ Ik den na groete den 23:e Maij 1788 uE vriend. /:was getekend:/ J: Heijke „ne 113 den 23 Maij 1788. Boven de Brieff aanstont Konings Zap. Op het Couvert Aan de Rijkbetierder van de in de Gebergtens zijnde Makassaren. De Brief zelfs. Mijn groet aan uw. Hier bij mijn is een zendeling van den Heer Gouverneur geweest die mijn heeft laten weten dat er een meid benevens haar kind en nog seven slaven van een vrijman zijn gedrost, met verzoek om dezelve te laten opzoe„ „ken dewijl er gerttigten zijn dat die menschen op de Parigie bevinden. Jk heb mijn tolk Rewa tot dien einde niet gem: vrijman laten mede gaan of er mogelijkheid was om dezelve op te speuren. Doet uw best om hier aan te voldoen om dat jk die man beloofd en aangenoomen heb. zijn slaven te zullen te rug bezorgen. Einde Na opgave van de Maleijdsche Schrijver /: was getekend:/ Seena. Samarang Aan Den wel Edelen Groot Agtbare Gestrengen Heer Jan Greeve Raad Extra ordinair van Nederlandsch Indien mitsgaders Gouverneur en Directeur, aldaar ƒ Wel Edele Groot Door het afwagten dagelijks na de te rugkomst der Bonische Gezanten van Batavia om de regte Resolutie van dit Hof te kunnen weten op het te ontfangene aanschrijvens Hunner Hoog Edelheedens wegens de overgave der Goase Rijks-ornamenten heb jk tot heeden doe uitgesteld de beandwoording, uwer welEdel Groot Agtb: Gestrenge zeer g'eerde van den 2. e Januarij pagato met opzigt tot de zomtijds noodzakelijk gewordene vordering van Madurese krijgers. Dan nadien het mijn toeschijnd dat dit Gezantschap in navolging van hunne vorige makkers haar reise verbraagt om hier en daar weder wat te Lorrendraijen zo zal jk in nedrig andwoord diecen dat daar door de goedheid Hunner Hoog Edelhee„ „dens het g'armeerde schip De Nephtunus ordre heeft om na volbrenging der sumbauwareese Expeditie dit heen te keeren, Jk voor eerst, zo dien Bodem hier komt, geen Meerdere Madu„ „reese dan de thans hier nog aan handen zijnde zal nodig heb„ „ben, en zulks te meer daar de qualificatie nog niet erlangd „is om van onze kant vijendelijke tegens de Boniers te ageeren Agtbare Gestrengen Heer 115. Makasser en men, ten minsten zo als het er zig tot heeden toe laat uitzien, niet te dugten heeft dat zij de eerste aanvallens zullen zijn Dog zo onverhoopt de noodzakelijkheid het Eisschen dier Hulxtroepen in het vervolg mogt komen te vorderen, zo zal jk van de gunstige qualificatie niet alleen gebruik maken maar uwwelEdele Groot Agtbare Gestrenge van die noodzakelijkheid ook zs vroegtijdig doenlijk tragten te verwittigen Ik den uwwelEdele Groot Agtbare Gestrenge ook inmuirdens zeer verpligt voor de mijn toegezondene Copia Instructie voor de Commandeerende Officier der met het voorm: schip de Nephtunus in Expeditie overgezondene Militairen en blijve met de diepste Eerbied en waare Hoogagting Gestrengen Heer Wel Edel Groot Agtbarie Uwer wel Edele Groit Agtbare Gestrenge onderdanige en gehoorsame Dienaar /:was getekend:/ den 21:e Maij 1788. in het kasteel Rotterdam Eeijke. ren Makasser. den 28e Maij 1788. Heer Temmekam. WelEdel Op uwel Edele gedane klagten dat Bonerattes Koning unEd: goederen komt aan te houden, heb jk mijn bij de koning van Bowij g'addresseert en van zijn Hoogheid het dezen ingeslotene sjap tot largatie van dien ontfangen. het welke uwEd dat vorstje zal dienen te verthoonen om daar op ged„e goederen te rug te krijgen kunnende uwEd tot behulp in dezen mede nemen of gebruiken overgaande zendeling egter indagtig zijnde om ged:e vorstje na billijkheid voor zijn aangewende moeite te beloven. het geen in alle gevallen niet meer dan redelijk is Ik blijve na groete. welEdel Heer uwEdele ootmoedige Dienaar /:was getekend/ d Reijke Dog

NL-HaNA_1.04.02_3818_0421 view scan ↗

English

117 1786 Daily journal kept by the undersigned Sergeant Extirpator Hendrik Willem Marten on his commission to Bouton for the eradication of harmful spice trees, submitted to the Right Honorable Lord Barend Reijke, Governor and Director of this Coast of Celebes. On 2 November, after I had received my instructions from the Right Honorable, I departed from here to Boutong, accompanied by the Boutong envoys, and arrived on 7 Boutong. I immediately made my arrival known to the King through an interpreter. Said spokesman returned at once and gave me the message that his lord and master would immediately have the letter addressed to him collected from on board, which was also done with much ceremony. I also betook myself to the King and presented to His Highness the recognition money given along with me, which he accepted with thanks. After this, I requested the King, according to custom, to have me brought to the islands belonging under Boutong, and specifically to Hoenau and Kalensoesoe, for the eradication work of my commission. The King gave me as an answer to this that his Shahbandar was still on Kalansoesoe and he therefore did not know how matters stood there, whether it was advisable for me or not to go over there, as I later heard from private individuals that said Shahbandar had gone to Kalinsoesoe to settle the dissensions that reside there and gradually bring the people under the King of Boutong. Among other conversations, I brought the King to the chapter of the cannons successively fished up by him from lost Company ships and vessels, and proposed to His Highness whether he would not surrender those guns to the Honorable Company under good payment for their recovery and salvage. His Highness gave me no answer to this, and it seemed as if I were knocking at a deaf man's door. Subsequently, I informed His Highness that the present sent to him by the Right Honorable Lord Governor of Macassar came from Their High Mightinesses in Batavia, and this out of gratitude that His Highness had shown good assistance to the ship De Vriendschap, which had fallen off from Banda, and to its crew. The King was very pleased with this and thanked me, but as it appeared to me, the grandees of the realm were displeased, and it was just as if this present struck them across the head because they had no part in it. After this, I took my leave and departed to the house designated for us, there being nothing noteworthy to record on the remaining days until the 2nd. 119 1786 on 2 December, when I sent an interpreter to the King to request my departure to the islands; said spokesman brought me the message on 10 that I must have some more patience, because the King had to have his children circumcised, therefore had much to do, and could not let me depart. On 23, I had the King requested for the second time through an interpreter to have me brought to the islands, but received no answer. After having let some days pass again, I sent 1787 on 5 January two interpreters to the King with the request not to detain me any longer, as the time was at hand to depart for the islands, and I received on 23 four interpreters from the King who, in the name of their lord and master, brought me the message that I could not yet depart for the islands. Upon this received news, I had the King informed through said interpreters that if he would not let me depart for the islands, I requested that His Highness would send me to Macassar to answer to the Right Honorable Lord Governor that I was being detained here so long in an unnecessary manner. On 30 returned from Batavia the envoys of the King of Boutoug, and likewise There arrived at the Boutong roadstead a two-masted bark, De Verwagting, commanded by the Naval Captain Lieutenant Dekker, having destination to Ternate, which, after having received provisions as well as other necessities, on the 2nd 1787 on 2 February continued its journey to said Government of Ternate. On 4 came three interpreters from the King and brought me a message in the name of their lord and master that I had to hold myself in readiness to be able to depart for the islands still in this month. I let His Highness know with humble greetings that it would please me to finally be allowed to make the long-wished-for journey. On 20 the Shahbandar of Boutong, of whom the King had spoken to me upon my first arrival, returned from the island of Kalensoesoe. I inquired from outside how this commission of his had turned out, and received information that his commission had succeeded well, and that he had brought a portion of the people of the island of Kalinsoetoe under the obedience of the King, but that the remaining or other portion was still strongly opposing and unwilling to stand under the King of Bouton. On 27 arrived at the Boutong Roadstead the National Squadron the Ceres and Scipio, the first commanded by the Right Honorable Gallant Lord Commander van Delen and the other by the Right Honorable Gallant Lord Lucas, as well as a Company pantjallang named Lassem, commanded by the Naval Lieutenant Vrijmoedt, all having destination to Ternate. After said National warships had provided themselves with water and other provisions, I had to request the King, in the name of the Right Honorable Gallant Lord van Delen, for two pilots who were to bring the ships through the narrows of the Strait of Boutong; having obtained these, they on the 2nd

Dutch transcription

117 1786 geteekende sergeant Extirpateur Hendrik willem Marten in zijn Commissie na Bouton ter uijtroeijing der schadelijke specerij Boomen, overgegeven aan den wel Edele Agtbaren Heer Dag Register gehouden door den onder„ Barend Reijke Gouverneur en Directeur dezer Juste Celebes den 2 November Na dat ik mijn Jnstructie van zijn wel Edele Agtbare ontfan„ „gen hadde, ben ik verzeld van de Boutongse gezante van hier na Boutong vertrokken, en arriveerde _o op Boutong en liet ten eersten door een tolk mijn komst den koning bekend maken, gemelde Zaalsman kwam direct te rug, en bootschapte mij dat zijn Heer en meester ter„ „stond de brief die aan hem gerigt was van boord zal laeten afhaelen, 't welk ook met veel reremonie geschie„ „de, ik begaf mij meede bij den koning en overhandigde zijn Hoogheid de aan mij meede gegevene recognitie penn: dien hij met dank aannam. Na deesen versogte ik den koning om mijn navolgens gebruik op de Eijlanden die onder Boutong zorteeren en wel speciaal op hoenau en kalensoesoe te laeten brengen ter uijtroeijing mijner Commissie, den koning gaf mijn hier op ten antwoord, dat zijn Siabandhaar nog n „ 7 nog op kalansoesoe was en daarom niet witte hoe het daar meede geleegen lag, of het wel raadsaam voor mijn was dan niet, om daar ginter te gaan, hebbende Ix nader van Particuliere gehoort dat gedagte Siaband haar na kalinsoesoe was gegaan om de oneenigheeden die daar resideeren te stillen en het volk langsamen„ „hand onder den koning van Bontong te krijgen Onder andere descoursen bragt ik den koning op het Chapiter van de successive bij hem opgeviste Canons van gebleevene sCompagnies scheepen en vaartuigen en stelde zijn Hoogheid voor of hij die geschutten niet onder goede betaeling voor derzelver op vissen en berging aan de E: Comp„e wilde overgeven, zijn Hoogheid gaf mij hier op niets ten antwoord, en 't scheen of ik voor een doofmans huijs aanklop„ „te vervolgens gaf ik zijn Hoogheid te kennen dat het gethenk 't welk hem van den wel Edelen Agtbaren Heer Gouverneur van Maccaker was toegezonden, van Hun Hoog Edelheedens te Batavia kwam, en dat wel uit erkentenis. dat zijn Hoogheid aan het alhier van Ban „da vervallene schip de vriendschap en volk goede Adsis„ „tentie had beweesen, den koning: was daar meede zeer in zijn schik en bedenkte mij, maar zo als het mij toescheen waaren de rijksgrooten misnoegt en het was net of dit gethenk hun lieden voor de kop sloegen om datse geen part daar in hadden, hier na nam ik mijn afscheid en vertrek na het huijs die voor ons gedistineert was, zijnde wijders de overige dagen niets notabels waardig te noteeren als den 2e 1 1787 119 1786 den 2e December wanneer ik een tolk bij den koning zond, om mijn ver„ „trek na de Eijlanden te verzoeken; gemelde taalsman bragt mij op „ 10 _o Betheid dat ik nog wat gedult moet hebbens, dewijl den koning zijne kinderen moets laten besneijden daar om veel te doen had en mij niet konde laeten vertrekkens. _o Liet Jka door een tolk den koning voor de tweede maal verzoe„ „ken om mij na de Eijlanden te laten brengen, dog kreeg geen antwoord, na eenige daagen weederom voor bij te hebben laeten gaan zond ik 1757 den 5. Januarij twee tolken na den koning met verzoek om mij dogn niet langer op te houden dewijl de tijd daar was om na de Eijlanden te vertrekken en kreeg. vier tolken van den koning die mij uit naam van Hun Heeren Meester bootschapte dat ik nog niet na de Eijlanden konde vertrekken, op deese bekoomene tijding liet Ik door gedagte tolken den koning weeten, zo hij mij niet na de Eijlanden wilde laten vertrekken, verzoeke ik dat zijn Hoogheid mij na Maccasser wilde zenden om bij den welEd: Agtbaren Heer Gouverneur te verantwoorden, dat ik op een on„ nodige wijze hier zo lange opgehouden word. _o Retourneerde van Batavia de afgezanten van den koning van Boutoug gelijk meede. Ter rheede Boutong aangekoomen is, een twee maste bark der verwagting gecommandeert door den Capitain Luitenant ter zee Dekker, dewelke hebbende na Ternaten die na be„ „komene verversing als andere benodigheedens op den 2 23 „ 1„ „ 23 „30 _o „ 20 1787 den 2 februarij zijne reise na gedagte Gouvernement Ternaten voor„ „gezet heeft kwaneen drie tolken van den koning en bootschapte mij uijtnaam van hunne Heer en meester dat ik mij gereed moest houden om nog in deese maand na de Eijlanden te kunnen vertrekken, ik liet onder needrige groete zijn Hoogheid weten dat mij lief was om de langgewenshte togt eens te mogen doen. js van het Eijland kalensoesoe weeder te rug gekomen den siabandhaar van Boutong waar van den koning mij bij mijne eerste aankomst gesproken heeft, ik informeerde mij buijten af, hoedanig deeze zijne Commissie was afge„ „lopen, en kreeg narigt, dat zijn Commissie wel geslagen is, en een gedeelte van het volk van het Eijland kalinsoe„ „toe onder de gehoorzaamheid van den koning hadde gebragt, maar de resteerende of andere gedeelte zich nog sterk tegen aankanten om niet onder den koning van Boutonen te willen staan. „ „ 27 _o Arriveerde ter Rhede Boutong 's Lands Esquader de Ceres en schipio de eerste gevoert door den welEdele Gestrengen Heer Commandant van Delen en het andere door den welEd: Gestr: Heer Lucas, als meede een 's Comp„s Pantjallang genaamt Lassem gecommandeert door den luitenant ter zee Vrijmoedt, alle de wil hebbende na Ternaten na dat gedagte 's Lands oorlogs schepen zich voorzien hadden van waten en andere vervarsing hebbe ik den koning uijt naam van de wel Ed: Gestr: Heer van Walm om twee loot„ „sen moeten verzoeken die de scheepen door de hugte van de straat Boudong brengen moesten, dit verkreegen hebbende zijn zij den 2e „ 4 _o - 0 „ 1

NL-HaNA_1.04.02_3818_0425 view scan ↗

English

121 4 1787 the 2nd of March departed from the Roadstead. I departed, together with the two common soldiers under my command and an Ambonese spice expert, also from Boutone and arrived the 7th on Mandati, and sent immediately upon my arrival an interpreter to the king of that small island to make known my arrival, and at the same time to be allowed to make an expedition into the woods; having obtained permission for this, we made an expedition into the woods across mandatie and rested at night on wance; the next day we continued our journey and returned home without discovering anything, whereupon I then spent on the woodsmen to 2½. The 14th I had an interpreter request the king of Mandati to please provide us with a vessel so that we might continue our journey to Caijdoepa; this having been made ready by that little prince, we the 22nd departed from there and arrived the 25th on Caijdoepa, where I immediately, through one of the interpreters given to us, had my arrival made known to the regent there and further requested to make an expedition into the woods. The 28th we made an expedition into the woods across Rokaroka and stayed the night on Tamparra; the next day we continued our journey and came home in the evening and gifted to the guides to 8 7/8. the 30th 12 18th 1717 the 30th of March Having settled my affairs there, I had an interpreter request the regent of Caijedoeppa for a vessel to continue my journey to Iongaino. The 4th of April Having obtained the same, we on the 6th arrived at the island Tonganno, where I at once sent an interpreter to the chief, not only to make known my arrival, but at the same time to ask to make an expedition into the woods; having obtained permission for this, we on the next day, being the 7th, went from there across the negorij Lagolla and stayed the night in the negorij waggen; the next day we continued our journey and came home straight across the land and paid to the woodsmen lb 1½. The 9th Having obtained a vessel, we the 14th departed from Tanganno and arrived the 16th on Tinonko; without wasting time I had my arrival made known to the Mantris or chiefs there, and at the same time requested to be allowed to make an expedition into the woods. After obtaining permission we made an expedition into the woods across Rogua and Ballohida and arrived at Baaro where we stayed the night; the next day early we continued our journey and arrived in the woods at oijhoo where we stayed the night again. this 123 1717 the 20th of April 29 in the evening home without having discovered anything, whereupon I then gifted to the guide rds 2½; the next day I had a vessel requested. The 22nd Having obtained one, we departed from there and the 23rd arrived on Tonganno; I immediately send an interpreter to the chief of that island to make known my arrival and at the same time request to be allowed to make an expedition into the woods; having obtained the same we made the 26th an expedition into the woods across tommo and Langolla and returned home in the evening, and I gifted to the guides rdo 1 7/17. The 28th we made another expedition into the woods on the island Lentua and arrived home in the evening and gifted to the woodsmen rds 1¼. the [illegible] I sent to the chief for a vessel with which to return to Caijedoepa; having obtained the same we the 1st of May departed from there and arrived the [illegible] at Caijedoepa; I immediately had my arrival made known to the King of that island and also requested to be allowed to make an expedition into the woods; having obtained such from the king, we in the morning at daybreak continued our journey and [illegible] departed 1787 the 7th of May traveled across angie and to Tamraka and stayed the night in the last negorij; the next day we continued our journey and returned in the evening and I gifted to the woodsmen rd 2½; at the request of the interpreter to buy provisions I gave him rd 2½; after this gift I sent him to the king of Caijdoepa to obtain a vessel to continue our journey to Natonganna. The 10th we departed from Caijedoepa and arrived the 13th on Mandati; without wasting time I had my arrival made known to the chief of that island and at the same time requested to make an expedition into the woods; having obtained this, we the 21st went through the woods and arrived at Lija where we stayed the night; the next day early we set out on the march again and returned home in the evening without discovering anything and gifted to the woodsmen rds 2½. The 24th we made an expedition into the woods across the land Capotta and tallandaona and returned home in the evening and spent on the woodsmen lds 2¼. The 26th I had an interpreter request the chief to please provide us with a vessel in order to take our departure for Boutong. the

Dutch transcription

121 4 1787 den 2 Maart van de Rheede vertrokken. _o Ben ik, nevens de onder mij zijnde twee gemeene Mili„ tairen en Amboneese specerij kundige meede van Boutone vertrokken en quam „ „ 7 _o op Mandati, en rond direct bij mijn aankomst een tolk na den koning van dat Eijlandje om mijn arrivement bekend maken, en teffens om een Bostogt te mogen doen, hier toe permissie verkreegen hebbende, deeden wij Een bostogt over mandatie en rusten des nagts op wance, des anderen daags vervolgden wij onse togt en kwamen zonder iets te bespeuren weeder te huijs, wanneer ik als toen aan de bossangers to 2½ spandeerde „ „ 14 _o Liet ik door een taalsman aan den koning van Mandati verzoeken om ons een vaartuig te willen geeven, op dat wij onze reijse na Caijdoepa kunnen vervolgen, hier toe door dat vorstje ingereedheid gebragt zijnde, zijn wij „ „ 22 _:o van daar vertrokken en arriveerde 25 _o op Caijdoepa, alwaar ik direct door een vand'ons mee„ „de gegevene tolken mijn aankomst aan de aldaar zijnde regent liet bekend maeken en voorts verzoeken om een bostogt te doen. „ 28 _o deeden wij een bostogt over Rokaroka en overnag„ „ten op Tamparra, des anderendaags vervolgden wij onse togt en kwaamen des avonds te huijs en vereerde aan de weg wijzers to 8 7/8. den 30 „ 12 _ „ „ 18 _o 1717 den 30 Maart Aldaar mijne zaeken verrigt hebbende, liet ik door een tolk bij den regent van Caijedoeppa om een vaartuijg verzoeken, om verders mijne reise na Iongaino te neemen. „. „ 4 April Het zelve bekomen hebbende, zijn wij op 6 —n ten Eijlande Tonganno aangekomen, alwaar ik ten eer„ „sten een tolk na het hoofd zond, om niet alleen mijn aankomst bekend bekend te maaken, maar teffens vraijen liet, om een bostogt te doen, hier toe permissie verkreegen heb„ „bende zijn wijders anderen daags zijnde „ 7 _o van daar over de Negorij Lagolla gegaan en verwagtens op de Negorij waggen, des anderen daags vervolgden wij onse reise en quamen dwars over het Land te huijs en betaalde aan de Ooslopers lb 1½. „ 9 _o Na een vaartuig gekreegen hebbende, zijn wij „ 14 _o van Tanganno vertrokken en arriveerde „ 16: _o Op Tinonko, ik liet zonder tijd versuijm mijn komst aan den Mantris of hoofden aldaar bekend maeken, en tef„ „fens verzoeken om een bostogt te mogen doen. Na verkreegen licentie deeden wij een bostoijt over Rogua en Ballohida en kwaamen op Baaro alwaar wij vernagten des anderdaags vroeg vervolgden wij ons reise en zwamen in het bos op oijhoo daar wij weeder vernagten dit „ 123 1717 den 20 April 29 des avonds zonder iets bespeurt te hebben te huijs, wanneer ik toen aan de weg wijzer rd„s 2½ verherde; des anderendaags liet ik om een vaartuig vragen. „ „ 22 _:o: Een bekomen hebbende, zijn wij van daar vertrokken en „ „ 23 _o op Tonganno aangekomen, ik zend direct een tolk bij het hoofd van dat Eijland om mijn aankomst be„ „kend te maeken en teffens verzoeken om een bostogt te mogen doen, het zelve verkreegen hebbende deeden wij „ „ 26 _o Een boszogt over tommo en Langolla en retourneerde des avonds te huijs en ik vereerde aen de weg wijzers rdo 1 7/17. „ „ 28 _o deeden wij weder en bostogt op het Eijlandt Lentua en kwa„ „men des avonds te huijs en vereerde aan de bosgangers rds 1¼. _o zond ik bij het hoofd om een vaartuig om daar meede na Caijedoepa te rug te keeren het zelve verkreegen heb„ bende zijn wij. „ „ 1 Maij van daar vertrokken en arriveerde _o te Caijedoepa, ik liet terstond mijn arrive aan den Koning van dat Eijland bekend maeken en ook verzoeken om een bostogt te mogen doen, zulx van den konine verkreegen hebbende, zijn wij des morgens met den dag vervolgden wij onse reise en kwanc. verte 1787 den 7e Meij Over angie en op Tamraka gereist en op de laas„ te negorij vernagt, des anderen daags vervolgden wij onse reise en kwamen des avonds te rug en ik vereerde aan de Bosgangers rd 2½, op verzoek van de tolk om leevens middelen in te kopen gaf ik hem rd 2½ na de„ „ze vereering zond ik hem na den koning van Caijdoe„ „pa om een vaartuig te mogen hebben om onse reise na Natonganna vervolgen. „ 10e _o zijn wij van Caijedoepa vertrokken en kwam 13 _„o op Mandati, ik liet zonder tijd versuijm aan het hoofd van dat Eijland mijn aankomt bekend maken en teffens om een bostogt te doen versoeken, dit verkree„ „gen hebbende, zijn wij 21 _o door het Bos gegaan en tot Lija aangekoomen alwaar overnagte, des anderen daags vroeg zettende wij wee„ „derom op markh en kwaemen zonder iets te be„ speuren des avonds te huijs en vereerde aan de boslo„ „pers rd=s 2½ „ 24 _o deeden wij een bosdogt over het Land Capotta en tallan„ „daona en retourneerde des avonds te huijs en pandeer„ „de aan de Boslopers lds 2¼ „ 26 _o Liet Ik door een taalsman bij het hoofd verzoeken om ons een vaartuig te willen besorgen, ten einde onse ver„ „trek na Boutong te neemen. den „

NL-HaNA_1.04.02_3818_0429 view scan ↗

English

1787, the 1st of June, we departed from there and arrived at Boutong. I immediately had an interpreter announce to His Highness the King of Boutong my return from the islands and at the same time kindly request whether I might appear before His Highness in council. The said interpreter brought me word that the shahbandar had received the message, since the king was not ashore but on a pleasure trip with some of his grandees of the realm to Hoenauw, and that I therefore had to have patience until His Highness returned home. The 13th, the king returned from his pleasure trip, whereupon I did not fail the following day to send two interpreters to His Highness and request him whether I might come before him in council, having need to speak about a message which I had received via the Boutong interpreter from the Honorable Lord Governor at Macassar. The said interpreters returned and told me that it was not possible to speak with the king. I informed His Highness once more that he must not take it amiss if I conveyed the message of the aforementioned Honorable Lord Governor through one of his interpreters, namely to remind His Highness once again concerning the salvaged cannons. The 15th, the king informed me through two interpreters that he would consult with his grandees of the realm regarding the message of yesterday and give me a decision on it later when I departed from Boutong. I had to content myself with this. 1787, the 20th of June, I sent an interpreter to the king and requested permission to depart for the small islands, but received no answer until the 1st of July, when two interpreters came to me and brought word on behalf of their lord and master that I could depart whenever it pleased me. I immediately ordered the men under my command to board the vessel, and we set sail and arrived on the 2nd at the island of Cambonaggen, where we made a trek inland as far as Kaunda Unda and spent the night there. The following day we continued our journey and returned to the vessel in the evening. The 4th, we departed from Cambonaggen and arrived on the 6th at Banga, and immediately made a trek inland across the woods of Bongi and returned in the evening to the vessel. The 8th, we departed from Bongi and arrived on the 9th at Caijsaabo. Having made a trek inland there, we returned in the evening to the vessel. The 11th, we departed from Caijsaabo and arrived on the 13th of July 1787 at Kadatoea and immediately went to make a trek inland, spending the night in the forest. The following day we continued our journey and returned in the evening to the prahu. The 15th, we departed from Kadatoea and passed by Lijbotokidi, and arrived on the 17th at Siompa. We immediately made a trek inland across Siompa and to the settlement of Bilinapada and spent the night there. The following day we continued our journey and boarded the vessel on the 18th, making haste to depart for Boutong, where we arrived on the 19th and presented the forest guides with 2½ rixdollars and the interpreter with 1¼ rixdollars. I immediately had an interpreter announce my arrival to the king. The said interpreter brought me word in return that the king was very ill and indisposed, and could not be spoken to. The 25th, in the morning, four interpreters came from the settlement of Boutong, sent expressly to me, and brought word that the assembled grandees of the realm had resolved in their council to dethrone their king, and had elevated to that dignity the second voice or Taxatie, and in place of the latter had appointed the Kapitan Laut as Taxatie. I asked those messengers what the reasons for this were, but none of them could give me an answer and they all attested not to know the reasons for it. However, I inquired into this privately and learned from people to whom I gave a small gratuity now and then that it had occurred for no other reason than that they had taken this precaution because the king was growing old and weak and could no longer rule. 1787, the 3rd of August, I sent two interpreters to the settlement where the king was to request permission for my departure hither, but received no answer. The 15th, four interpreters came from the settlement, sent expressly to me to report that their new king had been presented to the people and thus confirmed. I expressed my thanks for the message and dispatched on the 20th an interpreter to the new king with a request whether I might appear in his council, but received no answer. The 26th, I dispatched a second interpreter to the aforementioned king with the same message as on the 20th of this month, and in case it could not be arranged that I might speak with the king in person, I further instructed that interpreter to tell the king that the time had come to depart for Macassar, and therefore to request from His Highness the necessary vessels and crew. The 28th, three interpreters were sent to me from the king and brought word that His Highness would issue the necessary orders.

Dutch transcription

125 1787 den 1' Iunij zijn wij van daar vertrokken en arriveerde Op Bontong, ik liet direct door een tolk zijn Hoog „heid den koning van Boutong mijn retour van de Eilanden bekend maaken en teffens vriendelijk ver„ „zoeken of ik bij zijn Hoogheid in vergadering mag verscheinen, gedagte taalsman bragte mij tot zeer berigt dat den siabandhaar de boodschap aange„ „nomen had, vermits den koning niet op het Land was maar op een Plaisier togt met eenige zijner Rijksgrooten na hoenauw waren en ik dierhalven gedult moest houden tot dat zijn Hoogheid weederom te huijs kwam 13 _o Reverteerde den koning van zijn Plaisier togt wanneer ik niet manqueerde om des anderen daag twee tolken na zijn Hoogheid toe te zenden en hem te ver„ „zoeken of ik bij hem in vergadering mogte koomen en noodzakelijk moest spreeken over een boodschap, dien ik met den Boutongs Tolk van den wel Edele Agtbaren Heer Gouver„ neur te Marcaker ontfangen had, gedagte tolken kwamen weder te rug en zijde mij dat niet mogelijk was om den koning te kunnen spreeken, ik het zijn Hoogheid den andermaal weten dat hij dan niet kwalijk moeste neemen, dat ik de bootschap van den wel Edelen Agtbaaren Heer Gouverneur welmeld door een zijner tolken laten weeten, namentlijk om zijn Hoogheid omtrent de opgevishte Canons nogmaals te helpen errinneren. _o 15 _o Liet mij den koning door twee tolken weten, dat hij over de bootschap. 14 bootschap van gisteren niet zijn rijksgrooten zal raadplegen en mij daar van naderhand wanneer Ik van Boutong zal vertrek„ „ken uijtsluijsel geven, ik moest mij hier mede getroosten. 17r7 den 20„e Junij zond jk een tolk bij den koning en liet verzoeken om na de klijne Eijlanden te vertrekken dog kreeg niet eerder bescheijd als „ „ 1e Iulij wanneer twee tolken bij mij kwaamen en bootschapten mij uijt naam Hunner Heer en meester dat ik vertrekken konde, wanneer het mij beliefde, ik liet terstond de onder mijn zijnde man„ scherppen in het vaartuig gaan en gongen onder zeijl en kwamen „ „ 2 _o ten Eijlande Cambonaggen, alwaar wij een bostogt deeden tot op kaunda unda en daar vernagten, des anderen daags vervolgden wij onse reise en kwamen des avonds in het vaartuig „ „ 4 _o vertrokken wij van Cambonaggen en arriveerde „ „ 6 _o te Banga, en deeden direct een bostogt dwars over de bosgaagir van Bongi en retourneerde des avonds na het vaartuijg „ 8 _o Gingen wij van Bonge en kuamen 9 _o te Caijsaabo aldaar een bostort gedaan hebbende kanden wij des avonds na het vaartiig 11 _o vertrokken wij van Caijsaabo en arriveerden den 13e „ „ „ 4 127 1787. den 13e Julij 25 te kadatoea en gong direct een bostogt doen en vernog„ „ten in 't both des anderendaags vervolgden wij onse reise en kwamen des avonds in de Prauw 15„e _o vertrokken wij van kadatoea in kwamen voor bij Lijbo„ „tokidi en 17 _o te Sempa, wij reeden ten eersten een bostagt over Seompa en op de Negorij Bilinapada en over nagten aldaar des anderen daags vervolgden wij onse reise en begeven ons „ „ 18 _o op het warting en maakten spoeds om na Boutong F te vertrekken alwaar wij „ „ 19 _o Arriveerde, en vereerde aan de boslopers ads 2½. en aan de tolk rd:s 1¼ Ik liet opstond door een tolk aan den ko„ „ning mijn komst bekend maken, gedagte Taalsman bragte S mij tot keer berigt, dat den Koning zeer ziek en vingelandt niet te spreeken was _o des morgens kwaamen vier tolken van de Negorij Boutong bij „pres aan mij gezonden en bootschapten mij, dat de gezamentlij„ „ke Rijggrooten in hunne vergadering besloten hadden hunne koning te dethroneeren, en tot die waardigheid wederom verheven: hadden, de tweede stem of Taxatie en insteede van den zelven tot Saxati hadden aangesteld den Capitain Lauwd, ik vroeg aan die boot„ „schappers wat de reedenen van dien was, dog geen van alle kon„ „de mij hier op antwoorden en betuigen te zamen de rei„ „denen daar van niet te weeten maar ik informeerde mij „ den 1 - 17r7 den 3 Augustus mij hier over onderhands en kreeg van Luijden die ik nu en dan een vootje gaf zo verre kennis, als dat het om geen an„ „dere reedenen geschiede datse deese voorzorging gebruikt hadden, om dat den koning oud en swak wierd en niet meer regeeren konde. zond ik twee tolken na de Negorij waar de koning was om mijn vertrek na herwaards te verzoeken, dog kreeg geen antwoord. „ „ 15 _o kwamen vier tolken van de Negorij die Expres bij mij gezon„ „den wierden om mij te bootschappen, dat hunne nieuwen koning voor het volk aangesteld en zodanig bevestigt was, ik bedankte mij voor de bootschap in depecheerde „ „ 20. _o Een tolk na een nieuwen koning niet verzoek of ik in zijn vergadering mogte verscheijnen, dog kreeg geen antwoord „ „ 26 _o Depecheerde ik een tweede tolk na welmelde koning met de bootschap als op den 20 dezer en zo het niet geschieden mogte, dat ik den koning mondeling konde te spreeken krijgen, zo gaf ik verders aan dien taalsman ordre om de koning te zeggen, dat de tijd daar was om na Mac„ „tassen te vertrekken, en daarom van zijn Hoogheid de nodige vaartuigen en volk liet verzoeken. „ 28 _o Kreeg ik drie bolken en van den koning gezonden en bootschapten mij, dat zijn Hoogheid de nodige ordres zal laeten 170

NL-HaNA_1.04.02_3818_0433 view scan ↗

English

129 to issue orders for my upcoming departure for Maccasser. 1717, the 4th of September, six interpreters appeared, sent by the new king to inform me that he had been fully confirmed in everything. I thanked the king for his communication and at the same time requested whether I might appear before His Highness in his assembly. The 10th, having obtained access, I went for the first time to the new king in the assembly. Having arrived there, I congratulated His Highness on his elevation to the throne. After sitting for some time, I asked the new king how matters stood with the salvaged cannon that were located on Boutong, and whether he was inclined to hand them over in accordance with the offer of the Honorable Company. Upon this, His Highness looked at me and acted just as if he knew nothing of it. But after much deliberation and having looked at his grandees, he replied to me that he was a new king and his grandees were mostly all new in office and knew nothing of the cannon, but were of the belief that whatever belonged to the realm must also remain there. I replied to the king upon this and told him that it was impossible that he, as a former second person of the land, and his grandees possessed no knowledge of those affairs; that the Honorable Company would gladly have back, under a reasonable payment, the cannon on Boutong from lost Company ships and vessels; wherefore I once again requested the king to be allowed to hear a definitive conclusion to these matters. To which he replied to me that he would consult with his grandees about this and then inform the Honorable Company of their inclination. After that conversation, I requested the king to kindly issue the necessary orders for my departure hither, since I otherwise ran the risk of missing the voyage and thereby incurring the displeasure of my superior, the Right Honorable and Venerable Lord Governor of Maccasser, who, through my longer absence, will remain deprived of being able to communicate to Their High Mightinesses in Batavia the necessary knowledge of the condition of the land, Boutong. To which the king replied to me and said that neither he nor the country could help it that my departure was being delayed for so long, as one could well see that the land was in distress, meaning by this that the land was in a troubled state. I answered the king upon this that I had heard this word more than once on Boutong and must consider it virtually an old proverb, and therefore once again requested the king not to delay my departure any longer. His Highness replied to me once again and said that I must not grieve over the departure and could depart from Boutong within the space of ten days. I took my leave upon this and returned home. From this whole conduct of the new king, I must, in my humble judgment, observe that he is not as well-disposed toward the Honorable Company as the old king was. 131 old king was. 1757, the 21st of September, I sent an interpreter to the king to help him remember that the ten days had passed and I saw few preparations being made for my upcoming departure for Maccasser, but received no answer. The 1st of October, there arrived at the Boutong roadstead two faithful Paduwakangs which, being still before the river until they came to anchor within it, fired several shots, both from handguns and from other artillery. I was curious to know what kind of vessels they were, the more so as I had learned that no vessels were permitted to enter the river without the prior knowledge or permission of the king. My curiosity led me so far as to find out whose they were and what they came here to do, and to that end I went to the Kalompang, or place where they lay at anchor, and soon learned, although it was against the wish of the king, as I was told afterward, that they were vessels of the king of Boni who came there on an embassy and had a letter for His Highness the king of Boutong. The 2nd, the king informed me through four of his interpreters that an envoy of the king of Boni had arrived at his residence, without mentioning that he had brought a letter for His Highness. I informed the king through the said interpreters that, as it appeared to me, they must be express envoys of the king of Boni, and therefore I wished to know what their arrival

Dutch transcription

129 laeten stellen tot mijn aanstaande vertrek na Maccasser. 1717 den 4: September vertcheenen ses tolken die door den Nieuwen Koning gezonden waren om mijn aan te zeggen dat hij volkoomen in alles bevestigt was, ik liet den koning voor zijn gegevene Communicatie be„ „danken en teffens verzoeken of ik bij zijn Hoogheid in zijn vergadering mogte verscheinen. „ „ 10 _o Na bekoomene acses, begaf ik mij voor de eerstemaal bij den Nieuwen koning in de vergadering, daargekomen zijnde wenschte ik zijn Hoogheid geluk, met zijn verheering tot den Throon na eenige tijd gezeeten te hebben vroeg ik den nieuwen ko„ „ning hoe het met de opgevischte Canon die op Boutong wa„ „ren gelegen lag, en of hij die na volgens presentatie van de E: Compagnie genegen was overtegeven. Hier op zag zijn Hoogheid mij aan en stelde zich net even eens of hij er niets van weet, dog na lang geweegen en zijn Rijksgrooten hier op aangezien te hebben, gaf hij mij ten antwoord, dat hij een nieuw koning was en zijn Rijksgrooten meest ook alle nieuwe keliering waren en van de Canons niets weeten maar in verbeelding zijn, dat al wat bij het Rijk gehoorde daar ook te moeten blijven Jk repliceerde den koning hier op en zijde hem, dat het onmogelijk wat dat hij van die affaires als een gewesen tweede Jtem van het Land en zine Rijksgrooten geen kennisse droegen, dat de E: kompagnie die op Boutong zijnde Ca„ „nons van gebleevene 'tCompagnies scheepen en vaartuigen onder een redelijke betaeling gaarne weederom wilde hebben, waarom ik nogmaals den koning verzogte om een . om uijtsluijsel van zaeken te mogen hooren. waar op hij mij ten antwoord diende, van hier over niet zijne Rijksgrooten te zullen raadpleegen, en als dan aan de E: komp„s kennis geeven hoedanig zij genegen zijn. Na dat gespaek verzogte ik den koning om de nodige ordres te willen laeten stellen tot mijn vertrek na herwaards, dewijl ik anders gevaar liep de reise niet te zullen krijgen en dan de ongenade van mijn gebieder den wel Edele Agtbaaren Heer Gouverneur van maccasser op den hals te zullen haelen die door het langer uijtblijven van mijn verstooken zal blijven om hunne Hoog Edelheeden te Batavia de nodige ken„ „nis van het Land, Boutongs gesteldheid te kunnen mede deelen. waar op den koning mij hier op diende en zijde dat hij nog het Land niet helpen konde dat mijn vertrek zo lang word uijt„ „gesteld, vermits wa wel zag dat het Land soese had menende hier medt dat het Land in een bedrukte staat zig bevind ik ant„ „woorde den koning hier op dat jk dit woord meer dan eens op veigevind Boutong gehoord had en genoegzaam voor een oud spreek„ woord moet aanmerken, en daarom den koning nogmaals versogte om mijn vertrek niet langer op te houden zijn Hoogheid gaf mij hier op weederom ten antwoord en zeijde dat ik mij dog over het vertrek niet bedroefden zal en binnen de tijd van tien dagen van Boutong konde vertrekken, ik nam hier op mijn afscheid en begaf mij na huijs uit dit eeen en ander gedrag van den nieuwen koning moet ik na mijn geringe oordeel aan merken dat hij niet wel voor de E: kompagnie gesint, gelijk wel den onden . 131 ouden koning geweest is 17857 den 21e september zond jak een tolk bij den koning om hem te helpen onthouden dat de tien dagen voor bij woeren en ik wijnien aanstalt ziet maeken tot mijn aanstaande vertrek na Maccatier maar kreeg geen antwoord. „ „ 1e october Arriveerde ter Vheede Bontong twee Trouw Paduwakangs dewelke nog voor het revier zijnde tot dat zij daar inne ten ankere kwamen, diversche schoten zo uijt het hand geweesen als andere geschut deeden, ik was benuwd om te weeten wat het voor vaartuigen zijn, te meer ik vernomen had, dat er geen vaartuigen in 't Revier mogte komen zonder voorkennis of Permissie van den koning min Nieuwschierig„ vneandt „heid bragt mij zo verre om te weeten van wien zij zijn en wat zij hier kwamen doen en begaf mij tot dien einde na de Calom„ „pangn of plaats alwaar zij ten anker lagen en vernam /:schoon het tegens den zin van den koning zo als ik mij naderhand heb laaten zeggen geweest was :/ wel haast, dat het vaartuigen van den koning van Bonij waaren die in ambasade daar ginter kwamen en Een brief voor zijn Hoogheid den koning van Boutong hadden. liet mij de koning door vier zijner tolken weeten, dat er een zendeling van den koning van Bonij tot zijnent was gekoomen, zonder te melden dat hij een Brief voor zijn Hoogheid meede gebragt had, ik liet den koning door ge„ „dagte tolken weeten, dat zo het mij voorkomt Expresse Gezanten van den koning van Bonij moeste zijn en daarom wel wenschte te mogen weten, wat hun komst „ „ 2 _

NL-HaNA_1.04.02_3818_0436 view scan ↗

English

1787 the 3rd of October Note: this is wrong, as the letter shown to me, written on ordinary paper, could be the actual one they received. was supposed to mean, but it was kept secret from me. However secretly everything proceeded, I nevertheless learned from outside that the following day the letter from Bonij's king would be brought ashore and received at the castle by the king. Nor was I mistaken; the following day the aforesaid letter was brought ashore and received with a small ceremony. The king and his grandees, having seen the letter and understood its contents, were somewhat offended, as I learned indirectly, because the so-called letter was written on lontar leaves, as the natives were indeed accustomed to write their letters on such leaves in earlier times, which might however be a fabrication, he ordered his interpreters to take the envoys of Bonij's king outside the castle until further orders, which also happened. I went among both those natives and the Boutonders to intercept what the contents of the letter were, and after much inquiry I finally received an answer from some Boutonders, given as a secret that I deemed necessary to note down here, that the king of Bonij makes known to their king by that letter his plans, as insolent as they are unpraiseworthy, to want to make war against the Honorable Company, and at the same time thereby comes to request him to grant him and his people the necessary assistance in his evil designs, the said Bonij envoys having a similar letter for a king of 133 of Hounauw in order to win him over to his side as well. What now the answer of the king of Bouton as well as that of Hounauw was, where the envoys sailed to on the 7th thereafter, the undersigned could not state with any certainty, but as it appeared to me, Bouton's king lent little ear to it. On 10 October the king of Boutong dispatched his envoy to Batavia. On 24 ditto, I and the men under my command attended a meeting with the king and took our leave to depart hither, being the next day, 25 ditto, we sailed out of the river and met the vessel of the envoy of the king of Boutong, who had undertaken the journey to Batavia on the 10th of this month, but had returned because of heavy contrary winds, just as we also, after having struggled at sea for about a month, on 23 November, likewise had to do, and had to enter the river of Boutong again. Having come to anchor there, I immediately made my return known through an interpreter. The said interpreter returned with the message from the king that I had to wait seven more days, that the east winds that usually still blow at this time of year would then break through, and I could then undertake the journey again. The seven days having elapsed, we put to sea again, and after having struggled for some days and gotten no east winds, we were compelled to turn back, just as we then also on 1787 the 5th of December arrived at the Bouton roadstead, and I had the king informed of this failed journey of ours. 1788 the 23rd of January, there arrived at the Boutong roadstead a Company pantjallang named De Swaan, commanded by Captain Lieutenant I. E. Jansen, coming from Batavia, intending to go to Ternaten. On the 27th ditto, the ship Holland also arrived there, commanded by Captain Jansen, and after it had provided itself with water and some necessary provisions, the ship departed from Boutong on 30 ditto, and sailed for Ternaten. On 6 February, the pantjallang Het Beleid, destined for this Government and commanded by Second Lieutenant Jan Tiesman, also arrived at the Boutong roadstead, on which was also aboard as a passenger the Macassar burgher Jacobus De Graaff. On 13 ditto, the pantjallang De Swaan, which had arrived previously on 23 January, departed from Boutong for its destined place, Ternaten. 135 Ternaten. 1788 the 4th of March, there also arrived at the Bouton roadstead a two-masted bark, De Voorzigtigheid, commanded by Captain Lieutenant Murk, and after he had provided himself with water and refreshments, departed on 13 ditto for Amboina. Also on the 14th ditto, the burghers Steijns and Muller came to anchor at Bouton, coming from Samarang, intending to go to Maccasser. On the other hand, as was subsequently communicated to me by the aforementioned Second Lieutenant Tiesman, the burgher Jacobus de Graaff departed for Macassar with a native vessel that had arrived there for trade, with the captain named Jammele. On this occasion I also learned from the said Tiesman that the aforementioned De Graaff had told him in secret and warned him to be on his guard, as he had heard on Bouton from some natives that the Boutanders had on two separate occasions requested their king to seize the aforesaid pantjallang in the roadstead; but that the king did not permit such. I confronted the Second Lieutenant and asked him why he had not given me notice of this matter earlier when De Graaff was still there, as it was a matter of importance so that an investigation could be made into it, and I nevertheless did not fail to inquire into these statements of De Graaff, but learned that they were made-up lies that they had palmed off on De Graaff. the 27th ditto.

Dutch transcription

1787 den 3e october NB. dit is fout als de aan „nair Papier geschrevene Brief de wezentlyke is die zij ontfangen hebben. zoude kunnen zijn. te beduijden heeft, maar het wierd voor mijn Sekreet gehouden, dog hoe sekreet het ook alles in zijn werk gong vernam ik nogtans buijten af, dat des an„ „beren daags de Brief van Bonijs Koning aan de wal zal gebragt worden en in het kasteel bij den koning gerecipieert, Ik wierd ook niet be„ „dragen des anderendaags af wierd voorschreeven brief aan de wal gebragt en met een klijne Caremonie ontfangen, den koning en zijn Rijks„ grooten de Brief gezien en den inhoud van dien verstaan hebbende, waeren eenigzints zo als ik van ter zijde verstaan hebben geraakt, om dat de zo genoemde brief op Lonter Bladen /:gelijk de Jnlanders wel in vroegere tijden de ma„ mijn verthoonde op ordi=nier hadden om hunne Brieven op zulke Bla„ den te schrijven :/ geschreven was, ordonneerde zijne tolken dat Egter wel een verdigtsel om de Gezante van Bonijs koning zo lange buijten 't Casteel te brengen tot nadere ordre 't welk ook geschiede, ik begaf mij zo wel onder die Inlanders als onder de Bouthanders om te onderscheppen, wat den inhoud van de Brief was en kreeg na lang vragen eijndelijk van eenige Boutonders als een geheijm dien ik noodzakelijk g'agt hebbe hier te moeten noteeren be„ scheid, dat den koning van Bonij Hunne Koning bij die bief te kennen geeft, zijne zo brutale als onprijsens waardi„ „ge voorneemen om tegens de E: kompagnie te willen oorlogen en daar bij teffens komt te versoeken om hem in zijne quade de zijnen de nodige adsistentie te willen verleenen heb„ „bende gedagte Bonijse Gezanten een Dito Brief voor een koning van 133 van Hounauw om die meede tot de zijne overte haa„ „len wat nu het antwoord van den koning van Boutonen zo wel als die van Hounauw waar de Gezante op den 7e daar aan na toe zijn gesteevend, geweest is, zoude den ondergeteekende met geen gerustheid niet kunnen opgeeven, maar zo het mij voorkwam, heeft Bou„ „tongs koninen wijnig oor aangeleent. da17 2 10 october heeft den koning van Boutong zijn zendeling na Ba„ tavia gedepecheert. „ 24 _o Ben Jk en de onder mijn zijnde manschappen bij den koning in vergadering geweest en naemen onse afscheid om na herwaards te vertrekken des ande„ „rendaags zijnde _o zijn wij uijt het revier gezeijlt en ontmoetede het vaartuijg van den Gezante van den koning van Boutong, die op den 10„e dezer de reise na Batavia heeft ondernomen, dog swaar tegen winden te rug was gekeert, gelijk wij meede na omtrent een maand op zee gezukkelt te hebben op „ „ 23 November Insgelijks hebben moeten doen, en de Revier van Bou „tong weeder hebben moeten inlopen, daar ten anker gekomen zijnde, liet jk terstond door een tolk mijn te rugkomst bekend maeken, gedagte taalsman, kwam weeder te rug met de bootschap van den koning; dat ik nog seven dagen moeste vertoefen, dat als dan de ooste winden die ge „meenlijk in deze Jaars getij nog waijen zullen deurkomen en ik dan weederom de reise konde aan„ „neemen 25 - „ 27 neemen. De Seven dagen verstreeken zijnde, begaven wij ons weeder op zee en na eenige dagen gezukkelt en geen ooste winden gekreegen hebbende waren wij genoodzaakt te „rug te keeren, gelijk wij dan ook op 1717 den 5 December Ter Bouthonse rheede kwamen en ik liet den koninen van deeze onse verlozene reise kennisse geven. 1788 den 23 Januarij Arriveerde ter rheede Boutong een 'sCompagnies Pan„ „tjallang genaamt De Swaan gecommandeert door den Capitain Luitenant I: E: Iansen komende van Batavia de wille hebbende na Ternaten 9 Js mede aldaar aangekomen het schip Holland; ge „commandeert door den Capitain Iansen en na dat den„ „zelve zich van water en enige noodwendige benoodigdhee„ „den van leevens middelen voorzien had is het schip op „ 30 _:o van Boutong vertrokken en na Ternaten gesteevend. 6 feruarije Js almeede ter rheede Boutong g'arriveert het voor dit 9 Gouvernement gedestineerde Pantjallang het Beleid, gevoerd door den sous Luitenant Jan Tiesman waar op zich mede als Passagier bevond den Maccassaarse burger Jacobus De Graaff „ 13 _o Js de op den 23 Januarij bevoorens aangekomene Pantjallang de swaan van Boutong vertrokken na zijn gedestineerde plaats -- tematen „ „ „ 17 135 Ternaten 1788 den 4e Maart Arriveerde meede ter Rheede Boutone een twee maste Bark de voorzigtigheid, gecommandeert door den Capitain Luitenant Murk en is na dat hij zich van water en verversching voorzien heeft op. 13 _o Na Amboina vertrokken, ook is _o op Boutom ten anker gekomen de Burgers steijns en Muller komende van samarang de wil hebbende na Maocasser Daar en tegen zo als mij naderhand door voormelde Sous Luitenant Misman gecommuniceert is geworden, is den burger Jacobus de Graaff met een daar ginter ten handel aangekomene Jnlands vaartuig met den anachoda Jam mele genaamt na Maccasier vertrokken Bij deeze occagie vernam ik teffens van gemelde Misman dat voormelde De Graaff hem in 't Sekreet verteld en gewaar„ schouwd had op hoede te wezen, alzo hij op Boutonen van eenig Jnlanders gehoord had, dat de Boutanders, hunne koning tot twee diverse maalen verzogt hadden, om voorsz: Pantjallang op de rhede aftelopen; maar dat den Koning zulx niet toegestaan heeft, jk voerde den sous Luitenant te gemoed en zijde hem waarom dat hij mij niet eerder toen de Graaff daar nog was van deze zaek geen kennisse had gegeven, alzo het Een zaak van belang was, om daar na onderzoek te kunnen doen, en liet nogtans niet na om na deze gezegdens van de Graaff te informeeren, maar vernomen dat het opgeraapte leugens zijn, die zij de Graaff aan de mouwen gespeld hadden den 14 e „ „ 27

NL-HaNA_1.04.02_3818_0440 view scan ↗

English

1788 the 14th of April The citizen of Ternate named Ebrachem arrived there from Batavia and the 20th departed again for his mentioned place of residence Ternate the 25th The escort departed hither just as the citizen Steijns also departed under convoy with his paduwakangs and having remained there for another month and subsequently having received permission from the king, we departed on the 28th from Bouton with the king's envoy and arrived the 31st at the Makassar roadstead and upon our arrival fired three shots. Makassar the 31st of April anno 1788 was signed Henrik Willem Mertin Translation. 137 Translation of Malay Letter written by Sultan Aliem Moedien, King and Dignitaries of Bouthon to the Honorable Right-Worshipful Governor and Council at Castle Rotterdam in Makassar. After preceding compliments, We take the liberty of respectfully informing your Honors that, since Sultan Kaij Moedin, due to advanced age and continuous illness, as well as impairment of memory, no longer finds himself able to properly govern the realm of Bouthon, all the dignitaries of Bouton have therefore seen fit to elect as king the designated or present Sultan Aleem Moedin, grandson of the former Sultan Sakie Oediem, being the nearest and most legitimate to the crown of Bauthon, in whom we also have the confidence that he will look after the welfare of the country and peoples, and also strictly maintain and comply with the contents of the contract concluded between the Honorable Company and Bouthon, for which reason we have solemnly and publicly presented the aforementioned Sultan Aliem Moedien as such to the people. Furthermore, we the King and Dignitaries make known that upon the arrival of our envoys, we duly duly received the customary annual recognition money in the amount of 150 rixdollars, for the sending of which we express our most humble gratitude to your Honors. Furthermore, we also received with the aforementioned envoys the letter from your Honors, from the contents of which we perceived that regarding our repeated request, we could not obtain any permission concerning the keeping of the cannons requested back by your Honors, but on the contrary your Honors continue to insist upon the return thereof or else the value of the same, so we declare to your Honors that it is somewhat impossible for us to be able to comply with this, yet what shall we say, the Honorable Company is the only one to which we can take our refuge to ask for help, secondly because we have no large weapons to be able to offer resistance against powerful enemies such as the English; yet may your Honors please be assured that we shall never have the thought of waging war against the Honorable Company, since our ancestors have sworn so sacredly upon the Quran to the contracts that we concluded with the Honorable Company. Some time ago a sloop and a paduwakang arrived here on Bouton, the first commanded by the mate Lokman, and the other by a citizen; during their stay here we treated each other with all friendliness, and they were assisted by us with the necessary provisions as well as otherwise, until they were on the point of their departure, when they did things that were unreasonable, even done together with the sergeant, 139 done together to shoot our cattle dead without asking the owner, yea in such a manner that when they could not take the shot beasts with them, simply leaving them lying to rot, which caused a great stench, and also on that occasion one of our Boutonese was wounded with a bullet; moreover, that they also simply took away without asking the fences of the people's gardens, as well as their goats and billies, and brought them aboard the sloop, at all of which doings we were very astonished, it appearing through this as if enemies had arrived among us here on Bouton. We must also inform your Honors that the sergeant did not proceed according to the orders given to him annually on behalf of the Honorable Company, namely the eradication of the spice trees, but on the contrary, and whenever he comes to the islands he simply imposes fines upon the people, the fines received by him thus amounting to the sum of eighty rixdollars. That also in the past year upon his arrival on Bouton, he was recommended by us to make his inspection journeys expeditiously, yet the sergeant troubled himself little about it but ran around with his goods, notwithstanding that we had him reminded several times by our interpreters to conduct himself according to ancient custom, but that he had not wanted to comply with this, but had become angry, saying among other things, what need have I of such dignitaries, for I esteem them as much as trifles and garbage. Doings of the mentioned sergeant, Honorable Right-Worshipful Sirs, which have caused us much displeasure, and therefore we cannot refrain from most humbly requesting your Honors that it may please your Honors to be so good as to remove the aforementioned sergeant, along with the rascal

Dutch transcription

17r8 den 14:e April Is den burger van Ternaten genaamt Ebrachem van Batavia aldaar aangekomen en „ „ 20 _o weeder na gedagte zijn woonplaats Ternaten vertrokken „ „ 25 _o Is het beleid na herwaards vertrokken gelijk meede onder Convoije vertrokken is den burger steijns, met zijn Pa„ „duwakangs en na een maand daar ginter nog ge„ „bleeven en naderhand van den koning permissie ge„ „kreegen hebbende, zin wij op „ „ 28 _o van Boutonen vertrokken met 's koningn zendeling en arriveerde „ „ 31 _o ter Rheede Maccasser en dede bij ons aankomst drie Schooten. Maccasser den 31 e April Ao 1788 /:was getekend:/ Henrik Willem Mertin Translaat. 137 Translaat Maleijtsche Brief geschreeven door sulthan Aliem Moedien koning en Rijksgrooten van Bouthon Aan den welEdelen Agtbaren Heer Gou„ „verneur en Raad ten kasteele Rotter„ „dam tot Makaster. Na voorafgegane Complimenten Zo neemen wij de vrijheid uwwel Ed: Agtbare ter g'Eerde kennisse te brengen, dat aangezien sulthan Kaij Moedin door hoogen ouderdom en Continueele ziektens, mitsgaders verzwakking van het geheugen en dus zig niet meer instaat bevind, om het Rijk van Bouthon na behooren te kunnen regeeren, dierhalven hebben alle de rijksgrooten van Bouton goed„ „gevonden, tot koning te verkiesen den Texatie of den presentenrt Sulthan Aleem Moedin klijn zoon van den voorigen sulthan sakie oediem zijnde de naaste en gewettigste tot de kroon van Bauthon, in wien wij ook de vertrouwendheid hebben dat hij het welweesen van Land en volkeren zal behartigen, en ook den inhoud van het Contract tusschen de Edele kompagnie en Bouthon geslooten, stiptelijk onderhouden en nakomen, weshalven hebben wij welmelde sulthan Miem Moedien als zodanig op een plegtige wijze publicq aan den volke voorgesteld Alverders maken mij koning en Rijksgrooten bekend, dat met de overkomst van onze Gezanten, wij behoorlijk hebben hebben ontfangen de gewoone Iaarlijkse Recognitie pern: ten bedragen van Rijxds 150:—: voor welkers toezending wij uweltd. Agtbare ootmoedigst dank betuige. voorts hebben wij ook met voorm: Gezanten ontfangen den brief van uwelEe Agtb: en uit welkers inhoud wij ontwaard hadden dat op ons herhaald, verzoek geene toestemming hebben mogen erlangen, 3 ƒ omtrent het aanhouden van het door uwwelEd Agtbare terug gevraagde Canons, maar in tegendeel blijft uwwel Edele Agtbare aandringen om de te rug gave van dezelve dan wel de waarde van dien, zo betuigen wij uwelEd: Agtb dat zulks voor ons enigzints ondoenlijk vald, om daar aan te kunnen voldoen, dog wat zullen wij zeggen, W 9 de Edele komp„e is de eenigste waar aan wij onzen toevlugt kunnen neemen, om hulp te moeten verzoeken, ten an„ „deren om dat wij geen grote wapens om magtige vijan„ ƒ „den zo als de Engelsen tegenstand te kunnen bieden dan uwelEe Agtb: gelieve verzekert te wezen, dat wij nimmer de gedagten zullen hebben om de Ed: komp„e te beoorlogen, daar onze voorouder) de Contracten die wij met de Ed: komp:e hebben geslooten, zo heilig„ „lijk op den Alkozan hadden bezwozen. voor eenigen tijd is alhier op Douton aangekomen Een Chialoup, en Een paduwakang de Eerste gevoerd door den Stuurman Lokman, en de andere door eenen Burger, ge„ „durende hun verblijf alhier hebben wij elkanderen met alle vriendelijkheid bejegent, en door ons van het nodige zo aan levensmiddelen als andersints g'adsisteert zijn geworden, tot dat zij op hun vertrek stond, als wanneer zij dingen hebben gedaan die onredelijk waren, zelfs met de zergeant zamen. 139 zaemen te hebben gedaan om onze koebeesten zonder van den eigenaar te verzoeken, dood schieten, Ja zodanig dat wanneer zij de geschotene beesten niet kunnende meede neemen dezelve zo maar te laten leggen verotten waar door een groote stank verwekt heeft, en ook bij die gelegentheijd Een van onse Bouthouder met Een kogel gekwest raakte mitsgaders dat zij ook de Paggers van de menschen haare Thuijnen, zo mede haare geijten en Bokken, zon „der te vragen zo maar weg te neemen, en aanboord van de Chialoup te brengen, alle welke gedoentens wij zeer verwondert ben geweest, schij„ „nende daar door of er vijanden bij ons hier op Bouthon zijn aange„ „weest. ook moeten wij uwwelEd Agtb: bekend-maken dat den zergeant, zig niet agtervolgens zijne ordres die hem Jaarlijks van wegens de Edele komp„e werd mede gegeven, namentlijk het uijtroeijen der specerij Boomen, te werk was gegaan, maar ter Contrarie, en wan„ „neer hij op de Eijlanden komt de mensten zo maar in de boete te slaan bedragende dus de door hem ontfangene boetens de somma van Taggentig tijnd„s Dat hij ook in anno passato met zijn aankomst op Bonthon, door ons is gerecommandeert om zinee visitatie togten spoedig te doen, dog dat hij zergeant zig weinig daar aangestoort heeft maar rond was geloopen met zijne goederen, niet tegenstaande wij hem verscheijdemaalen door onse tolken heeft laten voorhouden, om zig volgens oud gebruik te moeten gedragen, maar dat hij zulk's niet had willen opvolgen, maar quaad was geworden, zeggende onder anderen, wat heb. Ik met zou grooten van nooden, want die Extimeer Ik zo goed als pruslen en vuijlins Gedoentens van gemelde zergeant wel Edele Agtbare Heeren, die oms veel e genoegen verwekt heeft, en dierhalven kunnen wij niet nala„ ten uwwelEd: Agtbare ootmoedigst te verzoeken, dat het uwwelEd Agtb: zo goed gelieve te zijn om velmelde zergeant benevens de smous de

NL-HaNA_1.04.02_3818_0444 view scan ↗

English

please do not send the soldier Godschalk Meijer back here anymore, except for Bon, who until now has done nothing unreasonable that we could complain about. For the transport of the Honorable Company's men, we are now having the Manterie Rakea depart as our envoy to Makasser, together with a Pangelaksang and an interpreter, carrying a letter from us to Your Right Honorable. In anno passato we handed over to the aforementioned sergeant four persons who had presented themselves here as subjects of the Honorable Company, but we no longer know where they have ended up, in addition to two other persons whom the Boutonese had fished out of the water, whom we now take the liberty of sending to Your Right Honorable under the supervision of the abovementioned envoys. Furthermore, this serves to inform Your Right Honorable that half of the rebellious subjects of Kalingsosoe had submitted to us, but that they had not yet agreed to make compensation for the sloop De Nooteboom. We will nevertheless do our utmost to gradually bring the other half of those rebellious people under our obedience as well, at which point we will demonstrate regarding that compensation the sincere and well-meaning heart that we bear toward the Honorable Company. The only matter is that we are somewhat uneasy here about the conduct of the Boniers and the Ternatans, since both of these had been brothers from ancient times, and also because until now we have not been able to understand what the reasons might be why they massacred some of our subjects at the mouth of the river of Bouthon. For this reason we cannot refrain from taking our refuge in the Honorable Company as our father and protector, and 141 to request the Very Same to please give us some information regarding this. Next, we find ourselves compelled to inform Your Right Honorable that a certain soelewattang has arrived here on Bouthon with us, claiming to have been sent by the King of Bonij; also bringing a letter, which emissary we, according to ancient custom, had welcomed and received with the required ceremony. But after we had opened the letter, we found that, not complying with our mutual ancient practice in the Malay language, it was written in the Makassarese language; and since we were afraid that the Honorable Company might conceive some bad suspicions of us, we have placed the same into the hands of our Manterie now crossing over, for further delivery to Your Right Honorable. Herewith we take the liberty of offering to Your Right Honorable as a present two male slaves; in return, we most humbly urge Your Right Honorable to also please send us the recognition money of anno passato and that of this year, amounting to rds 300. Lastly, we request Your Right Honorable to please demand from the sergeant the sum of thirty rixdollars in satisfaction of his debt, and upon receipt thereof to hand it over to our envoys. Written in the land of Bouthon on the 20th day of the month Tabang or the 26th of Maij Ao 1788. For the translation was signed D: Deefhout 1 1: a:/ a place in Bonij The outer inscription or address of the letter by the Tomilalang of Bonij, to the King of Boutong Translated Buginese writing written according to Compliments greetings as customary Informing Your Honor by this express messenger that I have sent the soelewattang of Kajoe Ara /:a:/ to Your Honor, because my emissaries, having lost their vessel at the village of Moena, had arrived with Your Honor on Boutong; eight of my slaves, whom I received as payment from the Mandarese and who also arrived there with my aforementioned emissaries, have run away, and which slaves are now being detained by the Sepatia, or the second in command next to the King. Therefore I place my trust in Your Honor to kindly obtain the aforementioned slaves from the Sepatia and hand them over to my aforementioned emissary, the soelewattang of Kadjoe Ara aforesaid. Furthermore being unable to present Your Right Honorable with anything other than merely a silk kakambang, even if Your Right Honorable were only to use it as a washing cloth. Hendrik Bewers For the translation signed 143 Arrival of the envoys of Bouthon Junij Ao 1788 Thursday the 5th After the envoys were seated, they delivered the letter of which the King of Bouthon made mention in his letter to the Lord Governor, the same being written in Makassarese characters but in the Buginese language, the inscription of that letter reading from the Tomilalang to the King of Bouthon, the content thereof being according to translation; and at the same time informing the Lord Governor that their King had received that letter and emissary with the required ceremony, and meanwhile had also ordered a house to be prepared for the aforementioned emissary in which he was to lodge. But that to the King of Bouthon that received letter seemed somewhat suspect, and thus wanting to inquire into the truth of whether the emissary was genuinely sent by Bonij; but that they, without awaiting this, had departed without it being known whereto. To which the Lord Governor answered thanking their King for the forwarded letter, as being in accordance with the contract, and that the King had done very well in this regard, and from which one can further see that the Boniers sought to nestle themselves everywhere they could possibly enter, in order to play their roguish part and unsettle another's land and people. After this, being further asked by the Lord Governor whether.

Dutch transcription

/:de soldaat Godschalk Meijer :/ na herwaards niet meer gelieve te zenden, excepto henen Bon, die tot nog toe niets onreedelijks gedaan heeft daar wij over klagen kunnen. wij laten thans ter overbrenging van 'sEkomp„s Manschappen, als onze Gezanten na Makasser vertrekken den Manterie Ra„ „kea benevens Een Pangelaksang en Een tolk mede nemende Een brief van ons aan uwwelEd Agtbare In anno passato hebben wij aan meer melde zergeant overgege„ „ven, vier pertoonen, die zig alhier voor onderdaanen van de Edele Comp„e hadden uitgegeven, maar wij weeten nu niet meer waar zij beland waaren, behalven twee andere perzoonen, die door de Boutonders uijt het water hadden opgevischt, die wij thans de vrijheid neemen onder op„ zigt van bovengemelde Gezanten tot uwwelEd: Agtb: ver te zenden. wijders dient tot kennisse van uwelEd Agtbare dat de helfte der wederspannige onderdanen van kalingsoesoe aan ons hadden onder„ „worpen, dog dat zij nog niet hadden aangenoomen om de vergoeding te doen van de Chialoup de Nooteboom, wij zullen des niet te min ons uijterste best aan wenden om langzamerhand ook de andere helfte van die weerspannige order onse gehoorzaamheid te krij„ „gen, als wanneer wij dan toonen zullen omtrent die vergoeding, de opregte en welmeenend hard die wij de Edele komp:, boedraagd. het eenigste maar om dat wij hier wat ongerust ben over het gedrag van de Boniers en de Ternatanen, vermits deeze bijde al van oude tijden broeders waren geweest, en ook om dat wij dot nog toe niet hebbende kunnen begrijpen wat de reedenen van mogte weezen, waarom zij aan de mond van de Revier van Bouthon, eenige van ons onderdaanen gemassacreerd hadden, weshalven kunnen wij niet nalaten om onse toevlugt tot de Edele komp„e als onse vader en hoeder te neemen en aan 141 aan Hoogst dezelve te verzoeken van aan ons eenige onderrigting hier onstrent gelieve te geeven. vervolgens vinden wij ons genoodzaakt uwwelEed Agtbare te moeten bedeelen, dat alhier op Bouthon bij ons is aangekomen, zeekere soelewattang voorgevende van door den koning van Bonij gezonden te weezen; mede brengende Een brief, welke zendeling wij volgens oud gebruik met de verEischte Ceremonie hadden ingehaald en gerecipi„ „eerd, maar na dat wij de brief hadden g'opend, zo bevonden wij dat dezelve als niet overeenkomende met onse onderlinge oude uianse in de maleijtsche taal, maar wel in 't Makatjaarsche te zijn ge„ schreeven, en vermits wij bevreest waaren dat de Edele komp„e eenige quade vermoedens op ons mogte opvatten, zo hebben wij dezelve in handen van onsen tans overvarende Manterie gesteld, ter verdere bestel„ „lingn aan uwelEd Agtbare Hier nevens neemen wij de vrijheid aan uwelEd Agtbare tot een present aan te bieden, Twee Manslaven daar en tegen insteeren wij uwelEd Agtb: ootmoedigst aan ons ook gelieve toe te zenden de recog„e „nitie penningen van anno pasrato en die van dezen Jaare ten bedragen van rds 300 Laastelijk verzoeken wij uwweld Agtb: om vanden zergeant gelieft aftevorderen de somma van rijxd Dertig in voldoening van desselfs schuld. en bij onfangst derzelve aan onse Gezanten over te geven. Gescreeven op 't Land van Bouthon op den 20' dagn der maand Tabang of den 26 ' Maij Ao 1788. voor de Translatie /:was getekent:/ D: Deefhout 1 1: a:/ ten plants in Bonij het buijtenste opschrift of adresse van de brief door den Tomilalang van Bonij, Aan den ko„ „ning van Boutong Translaat Boeginees Gekhrift geschreeven volgens Complimenten Groete na Gewoonte Bij dezen Expres uwE: te kennen gevende, dat ik den soelewat„ „tang van kajoe Ara /:a:/ tot uwE gezonden heb, wijl mijn zendeling op de Negorij Moena zijn vaartuig verlooren hebbende bij uwE op Hou„ „tong aangekoomen waaren, agt van mijn slaven die Jk van de Moendreesen tot betaling gekregen heb en mede met gedagte mijn zendeling aldaar zijn aangekoomen, gedrost zijn, en welke slaven thans door den Sepatia of de tweede naast de koning worde aange„ „houden, dierhalven stelle ik mijn vertrouwen op uwEd, om gedagte slaven van den sepatia te willen aflisschen en aan gem: mijn zendeling den soelewattang van Kadjoe Ara voormeld te over„ „handigen Voorts niets uwwelEdele anders dunnende presenteeren, als eenlijk een zijde kakambang, al zoude uwwelEd dezelve maar voor een wasch kleerje gebruiken Hendrik Bewers voor de Translatie /:getekend:/ 143 Binnekomst van de dezanten van Douthon Junij A 1788 Donderdag den 5 Na dat de Gezanten gezeten waren, gaven z' den brief over, waar van den koning van Bouthon, bij zijn brief aan den Heer Gouverneur mentie gemaakt heeft zijnde dezelve geschreeven met Makassaarsche karaoters dog in de Bougineese taal, luijden„ „de het opschrift van dien brief van den Tomilalang Aan den koning van Bouthon, wezende den inhoud daar van volgens Translaat en teffens den Heer Gouverneur te kennen gevende dat hun ko„ „eing die brief en zendeling met de verEijscte Ceremonie had gere„ „cipieert en intusschen ook een huijs voor gemelde Huijs zendeling waar in hij zoude logeeren had laten klaar maaken. Dog dat de Koning van Bouthon die ontfangene brief wat suspert voorkwam en zulks na de waarheid willende verneemen of de zendeling wezentlijk door Bonij gezonden was, maar dat zij zonder dit aftewagten, waren heenen gegaan, zonder te weeten waar na toe. waar op den Heer Gouverneur antwoorde Hun Koning voor de toegezondene brief te bedanken, als over een komende met het Contract, en dat den koning hier omtrent zeer wel had gedaan, en waar uijt men verder zien kan dat de Boniers over al zog ten in te nestelen waar zij maar konden inkomen om door hun schem„ „agtige Rol te speelen om eens anders Landen volk te ontrusten Hier na nog door den Heer Gouverneur gevraagd zijnde of.

NL-HaNA_1.04.02_3818_0448 view scan ↗

English

whether according to the said suspect letter a vessel of the Boniers had run aground on Bouton or thereabouts, and whether they, the Boniers, claimed slaves from that stranded vessel of Bouton. Whereupon the Envoys answered to have heard nothing of this, and also to know nothing thereof. Subsequently the Lord Governor further said that His Right Honourable would have the aforementioned letter translated into Malay, and give a copy thereof along to the Envoys to deliver to their king, with the accompanying small parcel sewn in yellow linen. was signed D: Duphout 145 Macassar Barend Reijke To the Right Honourable Lord Governor and Director of the Coast of Celebes Right Honourable Lord, Your Right Honourable's very respected letters, both public and secret, per Intje Tjone, the jurutulis Pulaat, Intje Dalla, and the pantjallang De Maria, I have had the honour to receive successively in the latter part of May, but as my daily occupations do not permit me as yet to dutifully answer all of these, I hope that Your Right Honourable will please take this in the best light, while by this means I take the liberty respectfully to report in brief to Your Right Honourable of our actions and progress here since our last departure from Bima, while upon further outcome of affairs I shall not fail respectfully to present to Your Right Honourable a fuller record of our daily actions in the manner of a journal. On the 5th of May, I had the honour to inform Your Right Honourable of our adverse voyage. On the 7th following, we set sail with the ship Nepthunus from the watering place at Bima towards Sumbawa, and on the 11th we encountered near the island of Satonda a large ship showing an English flag. On the 12th of May, we reached the Sumbawa roadstead where we immediately received on board the regent of Bima, the king of Tambora, and the grandees of Dompu, Sanggar, and Pekat, who had already arrived here with 50 prahus several days before us, for our and Sumbawa's assistance. As we arrived here at the roadstead and obtained some information regarding Sumbawa affairs, I found that matters here had worsened considerably instead of improved; the Bugis in the upper kampong were stronger, the enemies had overcome three bentengs of the Sumbawanese, and here in a corner of the bay were lodged two Sumbawanese princes named Mille Beloekies and Schander, who, although they had kept quiet until now out of peace, were nevertheless devoted to the party of the chief rebel Mille Bedoella and Radja Goa, residing at Taliwang. But since, through rumours, I have always suspected this Mille Beloekies, I warned the king and grandees of Sumbawa and the Pangerang of Taliwang in the latter part of last year against the evil plots of that rogue, yet those grandees saw no danger in him, and he was quiet at Taliwang. Now, at the time that the Pangerang or Radja of Taliwang, with his regent and a large body of people from Taliwang, had come here to the aid of his sovereign and country, these Mille Beloekies and Schander joined a large mob of Bugis and other rounded-up vagabonds, while Schander set himself up as Pangerang and Mille Beloekies as regent of Taliwang, and they arrived here at the roadstead in the month of March with 26 very well-equipped and armed prahus, where they immediately in a corner of the bay, at a place called Labuan Ponti, which is naturally fortified on both sides by two steep descending rocky points, threw up three large ramparts of stone and good earth, revetted with wood and bamboo, and several smaller bentengs, which were all very well provided with one-pounder pieces and rantakas. 147 From the accompanying deposition of the soldier David Davids, whom I had sent with letters to the king of Sumbawa to announce our arrival, it will appear to Your Right Honourable of the arrival here of an English ship, while the First Regent of Bima and the king of Tambora are further able to add to this that they understood from the Moor mentioned in the aforementioned deposition that they, the English, had no letter for the King of Sumbawa, but for the head of the Bugis on Sumbawa, and that they also saw that the English captain or perhaps one of his officers, after the Moor's return on board, rowed with a heavily laden boat to the bight and was received by Mille Beloekies cum suis, and that the English ship, coming into the roadstead without a flag, fired several shots and was very stately thanked by Mille Beloekies from his benteng. Having found myself obliged to make this digression for Your Right Honourable's honoured information, I shall now further briefly impart to Your Right Honourable our further proceedings and enterprises: That same 12th of May, we resolved together with the combined Allies to send an embassy in the name of all to Mille Beloekies and Schander, just as that same afternoon several native chiefs from our midst were commissioned and sent to ask essentially of the above-mentioned two and the Bugis with them, in the name of the Company and that of the Allies, what their intentions were, why they entrenched themselves so strongly there, and whether they came to the aid of the Sumbawanese or to that of the hostile rebels in the Bugis kampong. Towards evening our envoys returned with the answer from Mille Beloekies and Schander that they could not answer this so briefly, but

Dutch transcription

of er na luijd van voorsz: suspecte brief Een vaartuig van de Boniers op Bouton of daar omstreeks gestrand was en of zij Boniers slaven uijt dat gestrande vaartuig van Boubong te pretendeeren hadden. waar op de Gezanten antwoorden hier van niets te hebben gehoord, en ook niets daar van te wee„ vervolgens zeijde den Heer Gouverneur alverders dat zijn Edele Agtbare de voormelde brief in 't Maleijds zoude laten over setten, en een afschrift daar van aan de Gezanten meede geeven om L' aan hunnen koning te behandigen, met e het daar bij zijnde pakjes in geele linne benaaid /:was getekent:/ D: Duphout „ten. 145 Mhadcaker Barend Reijke Aan den welEdel Agtbaren Heer Gouverneur en Directeur der Custe Celebes Wel Edel Agtbaar Heer uuwel Edele Agtbare zeer gerespecteerde brieven, zo gemeene als secreete per Jntje Tjone den sorisa Pulaat, Jntje Dalla en de Pantjallang de maria heb ik alle de eere gehad in't Laast van meij successive te ontfangen, dooh mijn dagelijkse occupatien, mij niet toelatende op deeze alle voor als nog pligtelijk te rescribeeren, hoop ik dat uwwelEd Agtbare mij dit ten besten zult gelieven te duijden, terwijl jk door dese de vrijken gebruike uwelEd Agtb: van onse verrigtingen en vordering alhier zeedert ons laast vertrek van Biema eerbiedig in 't kort verslag te doen, terwijl Jk bij nadere uitslag van zaaken niet in gebreeke zal blijven uwwel Ed Agtb: een ampeler aanteekening van onse dagelijkse verrig„ „tingen Journaals wijze in eerbied te presenteeren. Op den 5„e meij, heb ik de eere gehad uwwelEd Agtbare van onse tegenspoedige reijse te informeeren. den 7„e daar aan zijn wij met 't schip Nepthunus van de wa„ „ter plaats op Biema na Sumbauwa onderzeijl gegaan en den W. e ontmoeten wij onder 't Eijland setonda een groot schip toonen„ „de een Engelsche vlag. den 12„e meij bezeijlde mij de rheede sumbauwa daar wij direct aan boord kreegen, den rijksbesteerder van Bima den koning van Tambora en rijksgrooten van Dompo, Sangar en Pecas, die hier met 50 srauwen reeds eenige daagen, voor ons waaren aangeko„ „men, tot onser en sumbauwas hulpe zo et zo als wij hier ter rheede arriveerden en eenige informatien omtrend de sumbauwareese zaaken bekwaamen, vond jk dat de zaaken hier zeer verslimmert instede van verbeterd waaren, de Boegineesen in de Campong boven waren sterker, drie bentings der sumbauwaree„ „sen, hadden de vijanden overwonnen, hier in Een hoek van de Baij was genesteld twee sumbauwareese Prinssen in name mille Be„ „loekies, en schander, die of schoon uijt vreede zig tot nog toe stil hadden gehouden egter de parthij van den hoofd rebel mille Be„ „doella en radja goa waren toegedaan, op Taliwane haar ophou„ „dende, dan dewijl jk door gerugten die mille Beloekies steeds Geduspecteerd heb, heb ik nog in 't Laast van gepasseerde Iaar, de koning en rijksgrooten van sumbauwa en den Pangerang van Taluwang gewaarschouwd teegen de kwaade aanslagen van dien schurk, doch die grooten vonden geen gevaar in hem en hij was stil op Taliwang ten tijde nu dat den Pangerang of radja Taliwang met zijn rijksbestierder en een groote par„ „thij volk van Taliwang hier tot hulp van zijn vorst en Land was gekoomen, vervoegd deese mille Beloekies en schander zig bij een groote hoop Boegineesen en andere opgeraapte rondswervers intusschen dat schander zig opwerpt voor Pangerang en wille De „loekus voor ryksbestierder van Taliwang en koomen met 26e van alles zeer wel voorziene en gewapende prauwen, hier in de maand maart ter rheede daar zij direct in Een hoek van de Baij op een plaats genaamt Laboeang Ponti dat door de na„ „tuur aan weerkkanten met twee aflopende stijle klip hoeken versterkt is, waar zij drie groote van steenen in goede aarde wallen, niet houdt ens Bamboesen beschoeijden en ver„ scheijden kleindere bentings opwierpen die alle zeer goed van Een„ „ponder stukjes en rantakkes voorsien waaren. uijt 147 uit nevens gaande verklaring van den soldaat David Davids die ik niet brieven om onse komst bekent te maaken, aan de koning van sumbauwa had gesonden, zal uwel Edele Agtbare geblijken de komst alhier van een Engels schip terwijl den Eersten Bimas rijksbe„ „stierder en koning van Tambora hier nog weeten by te voegen dat zij van de in opgem: verklaring voorkomende moor, hebben verstaan, dat zij Engelschen geen brief hadden voor de Koning van sumbauwa, maar voor het hoofd van de Boegineesen op Sumbauwa en dat zij lieden ook gesien hebben, dat de Engelse Capitain /:of misschieen een zijner officieren :/ na de te rug komst van de moor aan boord met een zwaar geladene schuijt na de bogt is geroeijd en door mille Beloekies C: I: ontfangen, dat het Engelsche schip ter rheede koo„ „mende zonder vlag eenige schooten heeft gedaan en door mille Beloekies uijt zijn Benting zeer statig is bedankt. Deeze uitwijding tot uwwel Ed. Agtbare g'eerd narigt mij verpligt gevonden hebbende te moeten doen. zal ik uwwelEd Agtb: verders nu in 't kort bedeelen onse verdere verrigtingen en ondernemingen: Nog dien zelfden 12e Meij resol„ „veerden wij nevens de gezamentlijke Bondgenoten een am„ basade te zenden uit aller naam aan mille Beloekies en shan„ „der gelijk daar toe nog dien zelfden nademiddag eenige Jnlandse hoofden uit ons midden wierden gecommitteerd en afgesonden om eijgentlijk aan boven gem: twee en bij hebbende Boegineesen uit 'sComp„s naame en die der Bondgenoten, wat zij, van gedagten waaren, waarom zij zig daar zo sterk verschansten en of zij tot hulpe der sumbauwareesen of die der vijandelijke rebellen in de Campong Boegies kwamen, tegens den avond kwamen onse sendelingen te rug, met antwoord van mille Beloekies en schander, dat zij hier op niet zo kort konden antwoorden maar

NL-HaNA_1.04.02_3818_0452 view scan ↗

English

but first had to consult with their orang tua or elders, and would then answer us later, when it suited them, after the lapse of a few days. We noticed sufficiently from this answer that this was merely trickery on their part, simply to gain time to fortify themselves better and to consult and deliberate upon their affairs with their comrades up in the kampong, with whom they had free correspondence through the captured Sumbanese bentings. For this reason, they resolved not to lose any time but to attack them directly, just as we attempted to do for the first time on 14 May, both by land with the help of our allies and at sea against their praus with our boat and two armed sloops, but we were repulsed. Upon this, we deliberated with the allies and those of Sumbawa to erect bentings against theirs, wherein we placed two 8-pounder pieces, a mortar, etc., and on the 20th we began once again to bombard and attack them, yet again without much fruit, except that we observed that the enemy suffered many dead and wounded, mostly caused by our bombs and heavy artillery. In the meantime, after this day, we held continuous conferences with those of Sumbawa and the other allies. We now had a respectable watch gathered here, all of whom were intent on bringing their bentings ever closer from time to time to those of the enemies, and fired from time to time at the enemy, and watched for every opportunity, until those of Sumbawa finally on the 3rd of this month had the good fortune to drive the enemy out of their strongest bentings, which they had on a corner of almost inaccessible cliffs and rocks, whereupon we immediately directly also moved up with our artillery and further force and had the occasion and the advantage on the other side of that corner in the same bay where the enemy was entrenched, over 150 roeden forward along the beach in the afternoon, to get our bentings set up, so advantageously placed that from there with our heavy artillery and bombs we could salute all the bentings that the enemy still had left, while the allies and those of Sumbawa also pressed forward successively, which had such a good effect that the enemy, taking advantage of the dark night, took to flight in very great silence with some of their small praus, without our being able to notice it from the ship or prevent their fleeing, leaving behind 9 of their largest praus, which they had not been able to push off the shore and some of which had also been disabled by our firing, together with a quantity of rice, very many corselet cloths and other trade goods, including cash, and various barrels of gunpowder, among which were several small, very recognizable English barrels, which goods were taken as prize both by our allies and by soldiers and artillerymen in a very unruly and wanton manner, without the officers maintaining any rule or order in this. Whoever got something, kept it, and those who were unfortunately wounded in previous attacks, like two second lieutenants who were in very hot fire on the sloops during the first attack and were wounded along with others, and were not present at this wanton plundering but performing their duty on board, could claim nothing, notwithstanding that both I and Captain Gallo put this before the officer, in particular the Commander van Bose, and urged a proportionate distribution; but the Commander, who has very little discipline among his people, let the matter rest here, and did not trouble his head about it, or at least made no effort of it. As we now have no more enemies here, we are presently busy having our artillery and other ammunition goods brought up to the top, so that we hope that the day after tomorrow, when we shall march up to the top with our entire force, everything will be in order and in place, when we, together with those of Sumbawa and the other allies, will try everything and make every effort to inflict a defeat upon the enemy here as well. In the meantime, I take the liberty to bring to Your Right Honorable's esteemed notice that we departed from Bima with 153 European and Sepoy soldiers, item 16 artillerymen, of whom successively 6 men have been killed in action and three have died of illness, from which must then also be deducted 16 sick as well as wounded, who cannot march into the field; 52 common seamen are also still left to us, and of these 25 are stationed on land, both with the artillery and for other services; the remainder, who are mostly boys, must remain on board for ship's duty, so that Your Right Honorable can very easily gather from this statement how weak we are against an enemy who is very strong here, and has now had over a year's time to become thoroughly entrenched; which is why I hope that Your Right Honorable will not take it amiss that I provisionally, until Your Right Honorable's further orders, retain the 26 Madurese presently here for our assistance, while I hereby let the pantchalling de Maria depart thither at Your Right Honorable's disposal. Without detracting from Your Right Honorable's wiser judgment, I cannot, however, refrain from submitting for Your Right Honorable's favorable consideration the difficulties that I find in the affairs here, and whether one cannot expect with some foundation that the same will worsen from time to time through a longer delay, item whether a good outcome might not also be of very great importance to the Honorable Company; because

Dutch transcription

maar zig eerst met haare orang toea of oude lieden moesten be„ „raaden en ons dan naderhand als het haar gelegen kwam na ver„ „loop van eenige daagen zouden antwoorden, wij bemerkten aan dit antwoord genoegsaam dat dit, maar Lorrendraijerij van haar was, om maar tijd te winnen om haar beter te versterken en met haare makkers boven in de Campong daar zij door de overwon„ „nene Sumbauwareesen Bentings vrije Correspondentie meede hadden, haare zaaken te beraaden en overleggen, waarom zij resolveerden geen tijd te verliesen maar haar op 't Lijf te vallen gelijk wij zulks voor de eerste maal op den 14„e meij zo te land met behulp van onse Bondgenoten, als ter zee op haare prau„ „wen niet onse bood en twee g'armeerde schuijten probeerden, doch wierden afgeslagen. Hier op beraadslaagden wij met de Bandgenooten en die van sumbauwa om Bentings teegen de haare op te regten, daar wij twee 8 ponder stukken, Bomketel &s in plaatsten en den 20„e andermaal haar begonnen te Bombardeeren en Attacqueren, doch alweder zonder veel vrugt, behalven dat wij ontwaarden dat de vijand veele dooden en gequesten bekwaamen meest veroorzaakt door onse Bommen en grof geschut, Jntus„ „schen hielden wij na deezen dag geduurige conferentie met die van sumbauwa en de overige bondgenoten, wij hadden hier nu een naam waardig wagt bij elkanderen die alle bezien waren van tijd tot tijd haare Bentinge al nader bij die der vijan„ „den te Brengen, en van tijd tot tijd op de vijand vuurden, en haar alle kansen afzaagen tot die van sumbauwa Eijndelijk op den 3e dezer het geluk hadden de vijand uit haare sterk„ „ste Bentings die zij op een hoek van bij kans ontoegange„ „lijke klippen en rotsen hadden te verjaagen waar op wij direct 149 direct ook niet onse arthillerij en verdere magt opkruijden en de occasie i 't voordeel hadden aan de andere kant van die hoek in de„ „zelfde baaij daar de vijand genesteld was over de 150 roeden voorwaards langs het stand in de nasemiddag onse Bentings opgeset te krijgen zo voordeelig geplaast dat wij van daar met ons grof geschut en Bom„ „men alle de Bentings die de vijand nog over hadden konden begroeten, terwijl de stondgenoten en die van sumbauwa ook successive op„ „drongen dat van zulken goede uijtwerking was dat de vijand van de donkere nagt gebruik maakende in zeer groote stilte met eenige hunner klijne Prauwen de vlugt nam en zonder dat wij het van 't schip zonden bemerken, of haar 't vlugten beletten, nalatende 9 stuks haarer grootste Prauwen, die zij niet hadden van de wal kunnen zetten en waar van eenigen ook onbequaam door ons geschooten waaren nevens een menigte rijst zeer veele Corsie kleedjes en andere negotie goederen tot Contanten incluijs en diverse vaatjes kruijt waar onder verscheijden klijne zeer kenbaare Engel„ se vaatjes, welke goederen zo door onse Bondgenooten als Soldaten en arthilleristen op een zeer ongebondene en baldadige wijze prijs wierd gemaakt zonder dat de officieren hier in regul of order hielden die wat kreeg, die had wat, en die in voorige attacquen ongeluk„ „kig geblesseert waaren gelijk twee sous Luijtenants die op de sloepen bij de eerste Atlacque in zeer heet vuur geweest en nevens anderen geblesseert waaren, en bij dit baldadig plunde„ „ren niet tegenwoordig maar aan boord haar dienst waarnamen„ konden niets bedingens, niet tegenstaande, zo wel ik als den Capi„ „tain Gallo, dit aan de officier in specia den Commandant van Bose voor hielden en tot eene evenredige verdeeling aan maan„ „den doch den Commandant die zeer wijnig dicipline onder zijn volk heeft, liet het hier bij berusten, en brak er zijn hoofd niet meede of ten minsten maakte er zijn werk niet van. Wij wij hier nu geen vijanden meer hebben de zijn thans bezig onse Arthillerij en andere ammunitie goederen na boven te laaten brengen dat wij hoopen dat overmorgen wanneer wij met onse gantsche magt na boven zullen trekken alles in order en geplaats zal koo„ „men, wanneer wij neevens die van sumbauwa en de overige bond„ „genooten alles zullen probeeren, en in't werk stellen om oe vijand ook hier de nederlaag te geeven. Intusschen gebruik ik de vrijheide uwwelEd Agtb: ter g'eerde ken„ „nisse te brengen dat wij met 153 Europeesen en Sipaijse militairen item 16 arthilleristen van Biema zijn vertrokken waar van successi„ „ve 6 stuks zijn gesneuveld en drie aan ziekte overleeden waar van dan ook nog moet afgetrokken worden 16 zo zieken als gequesten, die niet meede in 't veld kunnen trekken 52 gemeene zevarende zijn ons ook nog over en hier van zijn 25 zo bij de Arthillerij als tot andere diensten aan land geplaast de resteerende dat meest Jongens zijn moeten tot scheeps dienst aan boord blijven zo dat uwwelEd Agtb uijt deese opgaave zeer ligt kunnen nagaan hoe zwak wij zijn teegens eene vijand die hier zeer sterk is, en nu over het Jaar tijd heeft gehad om zig wel ter deegen vast te nestelen; waarom ik hoope dat uwel Ed Agtb: mij niet kwalijk zal neemen dat ik tot uwwelEd Agtb: nader order bij provisie de hier nu zijnde 26 madureesen tot onse hulpe aan houde terwijl in de Pantjal„ „lang de maria, bij deezen tot uwelEd Agtb: dispositie Costij waards laat vertrekken. zonder nu te kort te doen aan uwwelEd Agtb: wijser oordeel; mag is egter niet afzijn uwelEd Agtbare in gunstige Consideratie te geeven, de zwarigheeden die ik vind in de zaaken alhier en of men niet met eenige grond kan verwagten dat dezelve door een langere ver„ „wijling van tijd tot tijd zullen verslimmeren, item of niet ook aange„ eenen goeden uitslag de EComp„e zier veel zoude kunnen gelegen zijn; want.

← previousnext →