Inventory 3818
Japan · 1,296 pages · 258 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
22 to be put into the ground, not upright, but lengthwise, and just or only a finger's breadth under the earth, when the shoot, having risen to the height of around or over half a foot, is transplanted at the beginning of the rainy season to a suitable place and distance under the reach of the shade of trees, and subsequently during the dry monsoon is not cleared of the surrounding tender, young grass, but for that time must find coolness at the root therein; Concluding herewith for this time, I wish Your Right Honorable, Severe, Highly Esteemed a happy administration in Heaven's mild blessing, and remain with pure high esteem, and, below stood, Right Honorable, Severe, Highly Esteemed Gentlemen, lower, Your Right Honorable, Severe, Highly Esteemed humble servant, was signed, L: J: Haga, in the margin, Banda in the Castle Nassau the 28th of May 1788. Today, the 15th of May, Anno 1788: Appeared before me, Jan Dirk van Clootwijk, junior merchant and secretary of Police of this Government, present the witnesses named below, the citizen and resident here, David Gerrits, known to me, recently arrived from Ceram, who, at the requisition of the Right Honorable and Esteemed Lord Lambertus Janszoon Haga, Governor and Director of this Province, declared for the truth that he, the deponent, with his presence there saw that, in a junk from the negorij Quaij at the Island Keffing, departed for Aroe 23 Aroe with the orangkaij Booijlilie, without knowing to what end. The above-written having been made known to the deponent in the Malay language, he declares the same to contain the pure truth, giving as reason for his knowledge that which is in the text, and being prepared, if required, to confirm the same on oath. Below stood, Thus done and declared at Banda Nassau, date as aforesaid, was signed, D: Gerrits. Lower, Quod Attestor, signed, J: D: van Clootwijk, secretary. At the side, present before us, signed, Nicolaas Hendrik Welman and Johannes Isaac Claasz. Still lower, Agrees, was signed, J: D: van Clootwijk. Lower, Agrees, signed, Johannes Hendrik Ditterich, sworn clerk. Today, the 14th of May, Anno 1788: Appeared before me, Jan Dirk van Clootwijk, junior merchant and secretary of Police of this Government, present the witnesses named below, the former orangkaij of Wammer, Coenraad Abraham Schipion, who recently fled from Aroe and arrived here per the Company's pantjallang Het Geduld, who, at the requisition of the Right Honorable and Esteemed Lord Lambertus Janszoon Haga, Governor and Director 24 Director of this Province, declared for the truth: That what occurred at Aroe in the past year there between the native peoples and the inhabitants from here is mostly to be blamed on the brother of Prince Noekoe, who on Klein Keij housed peoples who are murderers and never come to Banda, and had sent two Gorammers and headmen, each of a junk, named Maliase and Bangaloa, from the negorij Amar to Aroe, to persuade the orangkaij of Wockum to conspire with the aforementioned Noekoe's brother, who would then undertake to drive away the Europeans and would come to take up his residence there, with the threat that, if the aforementioned orangkaij of Wockum would not accept this proposal, he could then expect what would grow out of it. That the Gorammers, perceiving that this proposition had no influence with the said orangkaij and that he was not to be moved to renounce the Honorable Company, thereupon incited the Oedjierese to take by surprise all the vessels of the Bandanese and murder the people, which they then also carried out, after which, and when no more citizen vessels were to be found, the said rebels gathered with all the peoples of the small negorijen and resolved to search out the servants and citizens, as happened; furthermore, having forced the Alfurs of the hinterland, which is called Djaboe Legang, to hand over the fleeing Europeans who resisted against them, but which resulted in that 25 that they seized the headmen of those places, and their subordinates were thereby forced to hand over the fugitives kept hidden by them. That they transported all of them to Oedjier and subsequently murdered the servants, but only detained the citizens they found until they had accomplished everything and forced the Alfurs of the hinterlands to come under their obedience and conspire with them, to the end of renouncing the Honorable Company, as happened, except for the Kabiorese, who refused to mix among them and thus remained still faithful to the Honorable Company. That the Oedjierese, having rested a few days, departed with the Gorammers to Klein Keij and requested assistance from Noekoe's brother, who had in the meantime settled there, who then also immediately gave a letter to the orangkaij of Oedjier to hand the same over to his brother who is on Ceram, and at the same time to request his assistance. That after the dispatch of the said letter, Noekoe's brother de facto departed with his corra-corra to Aroe, and there established orders and took the people under his obedience or authority. That with the beginning of the west monsoon, the orangkaij of Oedjier, named Adaan, arrived there from Ceram, and also subsequently 19 large, along with some small, Goram junks from the negorijen Zeliakat, Amar, Daij, and Ondar, as well as one from Ceram from the negorij Quaij, at the Island Keffing with the orangkaij Booijlelie, also three corra-corras with ammunition from Noekoe, the crews consisting of the peoples of Weda, Patanie, and Maba. That
Dutch transcription
22 in de grond gestoken te worden, miet staande, maar overlang, en even of slegts een vingerbreed onder de aarde, wanneer de spruit tot de hoogte van omtrend of boven een halve voet opgeschoten zijnde, met het begin der regen tijd op een bekwaame plaats en distantie onder het bereik der ƒ schaduwr van bomen verplant, en vervolgens geduurende de droogt Mousson van het omgroeijende Iagte, Jongs gras niet ontdaan word, maar voor die tijd daar in verkoeling aan de wortel vinden moet; Hier meede ditmaal besluitende wensche ik uwel Ed. Gestr: Groot Achtb: een geluckig Bestier in des Hemels milden Zeegen, in blijve met een zuivere hoogagting. en. /:onderstond:/ wel Edele Gestr: Groot Achtb: Heeren /:lager /. Uwel Edele Gestrenge Groot Achtb: ootmoedigen Dienaar /:was geteekend. /. L: J: Haga /:in margine:/ Banda in tCasteel Nassauw den 28:e Maij 1788. — Op Heeden den 15e: Maij Ao 1788: Comparaend voor mij Jan Dirk van Clootwijk onderkoopman en secretaris van Politie deeses Gouvernements present de getui„ „gen nagenoemd — David Gerrits mij be¬ Den Burger en in woonder alhier kend jongst van Ceram g'arriveerd — Dewelke ter requisitie van den Wel Edelen Achtbaar en Heer Lambertus Janszoon Haga Gouverneur en Directeur deeser Provintie, voor de waarheid verklaard dat hij deposant met desselvs aanweesen aldaar gezien heeft, dat in een Jonk uit de Negorij quaij ten EijlanderKeffing naar Aroe 8 23 Aroe is vertrocken met den orangkaij Booijlilie sonder te weeten tot wat eijnde — Het geen voorschreeven staat den deposant en de maleidsche spraakt te verstaan gegeeven zijnde, zo verklaard hij zulx te be„ „helsen de zuivere waarheid, geevende voor reeden van weetenschap als in den text en bereid zijnde, des gerequireerd wordende deselve met Eede gestand te doen. — /.onderstond /. Aldus Gedaan en verklaard te Banda Nassauw dato voorsz. /:was geteekend. /. D: Gerrits. /. lagu. /. Quod Attestor /:getekend / J: D: van Clootwijk secretaris . /. ter zeide /: ons present. /. geteekend. /. Nicolaas Hendrik welman en Johannes Isaac Claasz /: nog lager:/ Ac„ „cordeert /: was geteekend /. J: D: van Clootwijk / lager:/ Accordeert /:geteekend:/. Joh=n Hend=k Ditterich geh: Clercq Op Heeden den 14: Maij A=o 1788: Compareerde voor mij Jan Dirk van Clootwijk onderkoopman en secrestaris van Politie deeses Gouvernements present de ge„ „tuigen nagenoemd — Den Jongst van Aroe gevlugten en per 's Comp:s Pantjallings het Geduld alhier g'arriveerden oud orangkaij van wammer Coenraad Abraham Schipion Dewelke ter Requisitie van den welEdelen Achtbaren Heer Lambertus Janszoon Haga Gouverneur en Directeur eerd 24 Directeur deeser Provintie, voor de waarheid verklaarde Dat 't voorgevallene te Arox in A:o p=o aldaar tusschen de lands volkeren en de Jngeseetenen van hier, meesten deels te wijten is aan de broeder van Prins Noekoe die op klijn keij volkeren die moor„ „denaars zijn, en nimener op Banda komen huisveste en twe Go„ „rammers en Hoofden ieder van een Jonk, genaamt Maliase en Bangaloa, uit de Negorij Amar naar Aroe had gesonden om den orangkaij van wockum te overreeden met gem: Noekoes Broeder te samen te spannen die als dan soude onder„ „neemen de Europeesen weg te Jagen en aldaar zijn inwooning zou„ „de komen neemen, met bedreiging dat, wanneer gem: orangkaij van wockum dit voorstet niet wilde accepteeren hij dan kende verwagten wat er uitgroeijen zoude — Dat de Porammers ontwaarende dat die propositie bij gemelden orangkaij van geen invloed en dezelve niet te beweegen was, van de E Comp=s afstand te doen, zij daar op de oedjiereesen aangeport hebben, om alle de vaartuigen van Bandaneesen te overrompelen, en het volk te vermoorden, zo als ze dan ook ter uitvoer hebben gebragt, na het welke en doen er geen Burger vaartuigen meer te vinden waaren de gemelde Rebellen zich hadden versamelt met alle de volkeren van de kleijne Ne„ „gorijen en besloten, om de bestettelingen en burgers op te zoeken, gelijk geschied is, hebbende zich de alfoereesen van het agterland dat genaamt word Djaboe legang, boven dien gedwongen, de vlugtend Europeesen afte geeven, die zich daar teegen hebben verset dan 't welk van dat gevolg is geweest dat 25 datse de Hoofden van die plaatsen hebben opgevat, en hun ondergestelde daar door genootsaakt waren de door hun schuijl gehouden wordende vlugtelingen af te geven. Dat zijne alle deselven naar oedjier vervoerd en de Dienaaren ver„ „volgens vermoord dog de Burgers die ze gevonden hebben alleen aange„ „houden hadden tot dat ze alles verrigt en de Alfoereesen van de gter„ „landen gedwongen, onder hun gehoorzaamheid te komen en met hun te samen te spannen, ten einde van de E: Comp=s afstand te doen zo als geschied is, uitgesondert de kabioreesen, die zich niet hebben willen onder hun mengen en d' E Comp:e dus nog getrouw zijn gebleeven Dat de oedjereesen eenige dagen gerust hebbende, met de Geram„ „mers vertrocken waren naar klijn kerij en bij den aldaar zig intus„ „schen gehuisvest den Broeder van Nolkoe adsistentie verzogt heb„ „ben, die dan ook ten eersten een brief aan de orangkaij van cedjier heeft afgegeeven ten einde denzelven aan zijn Broeder die op Ceram is, te over„ „handigen, en teffens om zijn adsistentie te versoeken — Dat na 't afzenden van gem: brief, Noekoes Broeder defacto met zijn Corra Corra naar Aroe vertrocken is, en aldaar ordres gesteld en het volk onder zijn gehoorzaamheijd of gezag genomen heeft — Dat met het begin der west Mousson de orangkaij van oedjier Adaan genaamt, van Ceram, aldaar aangekomen is, en ook vervolgens 19: groote, nevens eenige klijne Goramnse jonken, uit de Negorijen Zelia„ „kat, Amar, Daij en Ondar zo meede een van Ceram uit de Negorij Quaij, ten Eijlande Keffing met den orangkaij Booij„ „lelie, ook drie Corra Corra met Ammunitie van Noekoe bestaan„ „de de Manschappen uit de volkeren van Weda, Patanie en Mabor Dat ands
English
26 That furthermore all the vessels had arrived there and the brother of Noekoe, having renamed himself Djo Magofva, then gave each of the citizens of Banda who had remained in said period, as well as the orangkays appointed by the Honorable Company, an office, and thus appointed the citizens as his personal retainers to carry his parasol, betel box, and kris and to follow behind him, the soldier Jacobus de Silva as his writer, the orangkay of Oedjier as marinjo, and the deponent as steersman of the corocoro when he goes out cruising. That said brother of Noekoe, after the arrival of an emissary from Noekoe with a letter brought by the corocoro of that express messenger, directly sent one of his confidants to Klein Kei to fetch some crewmen as bailers or rowers, who then also arrived with four Keiese and other Tidorese, also bringing a letter to him, Djo Magofva, upon the reading of which he immediately set guards and sent the mentioned orangkay of Ceram Boijlelie to Wammer to summon the deponent with orders that he, along with other Christians, should immediately come to Oedjier to receive orders, and if the deponent could not come, then to remain there and watch out so that when the sloops and pantchiallangs destined from Banda for Aroe according to Noekoe's letter, consisting of five vessels, might arrive there, to prevent their crews from coming ashore, even to fetch drinking water and firewood, but if they should nevertheless attempt to do so, he, the deponent, together with the Christians under his command, must massacre all of them, to which he, the deponent, answered yes. That 27. That the deponent on that occasion conversing with said Booijlelie, the latter related to him that during said period two orembaais of Aroe had departed with the orangkays of Wockum for Banda and had arrived there safely, but that the orangkay of Wammer with his orembaai was driven behind Poelo Rhun, and that he, Booijlelie, together with another Ceram jonk and one from Goram from the village of Ondar, who wished to go with him to Bali, encountered them, gave chase and overtook them, and captured all the crew, and those who were fluent in the Malay language were tied with stones to their feet and thrown into the sea, but the remainder, who were not fluent in the Malay language, were transported to Bali and sold there, except for a female person whom he brought back to Ceram and could not sell; that subsequently said Booijlelie further made known that Noekoe had promised to provide more assistance in the coming, being the present year and following the recent event, because the four kings of the Great Papuan Coast had promised to send corocoros after the passage of a few days. That the vessels from Banda had arrived at Aroe, and the deponent, seeing this, immediately took an orembaai and went directly aboard the Honorable Company's pantchiallang and informed the mate of everything, with whom he also remained without returning to shore until the action took place, and he subsequently departed with the convoy vessels for Banda. That which is written above having been made known to the deponent in the Malay 28 language, he declared the same to contain the pure truth, giving as reason of knowledge as in the text, and being willing, if required, to confirm this his deposition by oath. Beneath was written: Thus done and declared at Banda in Castle Nassau on the date aforesaid. Was signed with a cross, marked by the deponent. Lower down: Which I attest. Signed: J. D. van Clootwijk, Secretary. In the margin: In our presence. Signed: J. J. Claasz and N. M. Welman. Still lower: Agrees. Signed: J. D. van Clootwijk, Secretary. Lower: Agrees. Signed: Johan Hendrik Ditterich, Sworn Clerk. On this day, 23 April 1788, appeared before me, Jan Dirk van Clootwijk, Junior Merchant and Secretary of Police of this Government, present the witnesses named below: The native Christians Petrus Johannes van Leynitoe and de Lay and Tetedawar, both from Newlelie villages on the South-Western Island, near Great Timor, of competent age, recently arrived here from the latter mentioned place with the sloop of the European citizen Fredrik Christoffel Spits, which returned from Batavia via Ceram. Who, at the requisition of the Honorable Lambertus Janszoon Haga, Governor and Director of this Province, declared for the truth: That on a certain evening, while still in their village, the three of them had gone out fishing with a small prahu and had fished the whole night, but in the morning at the break of that day,
Dutch transcription
26 Dat voorts alle de vaartuigen aldaar gekomen waren en de broeder van Noe„ „koe, zich hernaamt hebben Djo Magofva, als toen de Burgers van Ban„ „da die in 8:o p=o gebleeven waaren nevens de door D' E Comp: aangestelde orangkaijs, ieder een officie gegeven en dus de burgers tot zijn Lijf jongens om zijn Cupersol, tampat Surie, en kries te dragen en agter hem te volgen den soldaat Jacobus de Silva tot zijn schrijver den orangkaij van Oe djier voor marinjo, en den deposant voor roerganger van de Corra Corra, als hij uit kruisen gaat aangesteld heeft. — Dat gem:e Noekoes Broeder, na de aankomst van een sendeling van Hoekoe, met Een brief met de Corra Corra van die expresse, direct eene van zijn vertrouweling naar klijn keij gesonden heeft, ter afhaal van eenige manschappen voor scheppers of roeijers, welke dan ook g'aa„ „riveert zijn met vier keijneesen, en andere Tidoreesen meede brengin„ „de een brief aan hem Djo Magofva, na 't lazen dewelke hij ten eer„ „sten wagten gesteld en den gedagden orangkaij van Ceram Boijlelie gezonden heeft naar wammer, om den deposant te roepen met be„ vel, dat hij neevens andere Christenen, ten eersten op Oedjier zal „heb te komen, om ordres te ontfangen, en zo hij deposant niet kon„ „de komen dan aldaar maar zoude blijven, en op te passen om wan„ „neer de Chialoupen en Pantjallings die van Banda gedesti„ „neerd waaren voor Aroe volgens de brief van Noekoe bestaan„ „de in vijf vaartuigen, aldaar mogten arriveeren, als dan te be„ „letten, dat dies manschappen niet aan de wal quamen, zelfs niet ter afhaaling van drinkwater en brandhout dog wanneer ze zulx egter ondernemen wilden, hij deposant, nevens de onder zullen hem staande Christenen, alle dezelve moeten masacaeren, 't geen hij deposant beandwoord heft met Ja Dat 27. Dat hij dedarant bij die gelegenheid met ged=e Booijlelie descouree„ „rende, deselve hem verhaald heeft, dat in d=o p=o twee rembaijen van Mroe, met de orangkaijs van wockum naar Banda vertrocken in aldaar geluckig g'arriveerd waren maar dat de orangkaij van wam„ „mer met zijn orembaij, agter Poelo Rhun was verdreeven, hebbende hij Booijlelie, nevens nog een Ceramse Jonk, en een uit Goram uit de Negorij ondar, die met hem naar Balie wilden, deselve gerescon„ „treert, daar op jaagt gemaakt en agterhaald, mitsgaders de man„ „schappen alle opgevat en die de maleidse taale magtig waaren, met steenen aan de voeten vast gebonden en in zee geworpen dog de ovr„ „rige, die de maleedse taal niet magtig waaren, naar Balie ver„ „voerd en aldaar verkogt, excepto een vrouws perzoon die hij roe„ „der op Ceram heeft te rug gebragt en niet konde verkopen, dat vervolgens gem:e Booijlelie nog te kennen gaf, dat Noekoe belooft heeft in 't aanstaande zijnde het presente Jaar en het Jongste voorgevalle meer adsistentie te zullen verschapfen wijl de vier koningen van de groot Paporse Cust beloofd hadden na verloop van een paar dagen Corra Corras te zullen senden. ~ Dat de vaartuigen van Banda op Aroe g'arriveert waren, en den deposant dat ziende, ten eersten een oxembaij genomen, en direct naar Boort van 'sComp=s Pantjalling zich begevin en den stuurman van alles vervittigt heeft, bij wien hij ook ge„ „bleven is zonder weder naar de wal te gaan tot dat de actie is voorgevallen, en hij met de Convoij vaartuigen vervolgens na Banda vertrocken is — Het geene voorschreven staat, den deposant in de maleidsche Spraak 28 spraak te verstaan gegeeven zijnde, verklaarde hij zulx d, zuivere waarheid te behelsen, gevende voorreeden van wetenschap als in den tert en bereid zijnde des gerequireerd wordende date zijne depositie met Eede gestand te doen. ./.onderstond:/ Aldus Gedaan en Gedeclareert te Banda in 't Casteel Nassauw dato voorsz /. was geteekend:/ met een kruisje omschreeven door de deposant /:lager. /. Quod Attestor /:getekend/ J: D: van Clootwijk secret=s /: ter zeide /. Ons present /: geteekend /. J=s J=b Claasz en N=s M=r Welman /:nog lager/ Accordeert /getekend /. J: D: van Clootwijk secret=s /.:lagie / Accordeert ./geteekend/ Joh=n Hendk Ditterich gesw. Caucq Op Heeden den 23: April 1788: Compareerde voor mij Jan Dirk van Clootwijk onder koopman en Secretaris van Politie ten deesen Gouvernements present de getuigen nagenoemd De Inlandsche Christenen Petrus Johannes van Leijnitoe en de Laij en Tetedawar beiden van Newlelie Negorijen op 't zuid wes„ „ter Eijlandsetie, bij groot Timor van Competente ouderdom Jongst met de van Batavia over Ceram gereferteerde Chialoup van den Eu„ „ropees Burger Fredrik Christoffel Spits van laatstgedagte plaats herwaarts overgekomen. Dewelke ter requisitie van den wel Edelen Achtbaren Heer Lambertus Janszoon Haga Gouverneur en Directeur deser Zeo„ „vintie, voor de waarheid verklaarden Dat zij op zeekeren avond, nog in hunne Negorij zijnde, met hun drien met een klein praauwtje uit vissen waaren geweest en de geheele nagt gevist hadden, dog des morgens met het aanbreken van dien dag, hoe
English
29 although at first, due to the dark weather, they had not been able to make out anything, yet afterwards, by the bright gleam of the lightning, they had caught sight of a vessel, which had made them resolve to take flight with their small prahu; That they, the deponents, having finally grown exhausted from bailing, and thus no chance remaining for them to evade the aforementioned vessel, were overtaken by the same and run down, such that their small prahu sank, whereupon they were taken prisoner, transferred into the pirate vessel, and had their hands tied behind their backs; That they, the deponents, were then informed that the repeatedly mentioned vessel was a Ceram junk manned by 18 hands of the peoples of Hetfing and Kellewarce, the anakhoda of the same calling himself Kilbaat; That the pirates, having proceeded further to the Island of Moa, had there plundered a small negorij belonging to the orangkay Albertus, and driven off its inhabitants; That they had subsequently crossed over to Greater Timor, attacked the Portuguese inhabitants of the negorij Batoe matang, and taken two of them prisoner, who however afterwards, before they departed from there, had fled; That after this, having departed again along Greater Timor, and having arrived at the Island of Wetter, belonging under the Residency of Kisser, they had there driven off the inhabitants of a small negorij, plundered and set fire to their houses, and having gone from there back to Greater Timor to the negorij Alox, they had traded there with the inhabitants, 30 just as they also did later with those of the Island of Pandaij, situated off Greater Timor; That at the last-mentioned island they had wanted to sell the deponents, or barter them for goods, but having been unable to accomplish this, had departed once more for Ceram; That they, the deponents, at the last-mentioned place, then learning that a Banda chaloup had arrived at the roadstead, had fled to it, and crossed over hither with the same. The aforementioned having been made understandable to the deponents in the Malay tongue, they declare this to contain the pure truth, giving as reason of knowledge as stated in the text, and being prepared, if required, to confirm the same under oath. Below stood: Thus done and declared in Banda in Castle Nassau on the date aforesaid. Was signed: with three crosses described by the deponents. Lower: Quod Attestor. Signed: J: D: van Clootwijk, Secretary. In the margin: In our presence. Signed: Johannes Isaac Claasz and Bodewijns Anthonij Eduart. Lower: Agrees. Was signed: J: D: van Clootwijk, Secretary. Still lower: Agrees. Signed: Joh:n Hend:k Ditterich, Sworn Clerk. To 31. To the Right Honorable Sir, Jan Adam Schilling Governor and Director. Right Honorable Sir! With reference to my humble letter of the 28th of May of this year, which was dispatched in duplicate, I hereby tender further to Your Right Honorable four declarations concerning the affairs of Aroe, among them two from the soldiers presently arriving who were missing there, and submit in this manner to His Excellency's respected notice what is mentioned therein, in so far as it shall require attention; and it were to be wished that at least the most villainous evildoers among the Ceram and Goram people could once be given their just deserts, whereas on this occasion those of Zillewaroe Zilletaij on Ceram Laut have been willing to render good service, in that they provided help and protection from the hands of the orangkay of Quai, named Booijlilie, and subsequently delivered hither, by means of the Banda burgher Jan Michiel, two of the soldiers noted as missing in Aroe in my cited letter of the 28th of May, named Pieter Pauhuta of Zoorto, and Pieter Mattheus of Sameth, who, after having cleared themselves, according to the attached report of the Fiscal, against the testimony of their comrades regarding negligence and cowardice, were by a separate resolution of the Political Council taken here on the 30th of June declared acquitted thereof and once again employable in the Company's service, and as such, following their petition, are sent home under this escort. For the rest, I take the liberty in passing to inquire of Your Right Honorable concerning the soldier Willem Martinus van Raadshoven, who in the past spring was sent with Company papers via Ceram to Ambon and also delivered them there, but has not returned to this day, and there being also no report of him, one must merely presume that he has ended up elsewhere on the vessels that at that time failed to make the voyage hither. And herewith I commend Your Right Honorable together with the Company's interests to God's merciful protection; and I remain with all true high esteem. Below stood: Right Honorable Sir. Lower: Your Right Honorable's very obedient servant. Was signed: L:s J:n Haga. In the margin: Banda in Castle Nassau, the 20th of August 1788. Still lower: P.S. After the closing of this letter, I receive news from Ceram that during the attack at Aroe of or by our convoy vessels, a certain captain of Noekoe, Jman Boelie of Maba, was shot dead, but that he was not sent by Noekoe, but had departed thither on his own with a vessel and people from Maba. To the Right Honorable Sir Lambertus Janszoon Haga Governor and Director of this Province Right
Dutch transcription
29 hoe wel zij door het donker weer in den beginne niets hadden kunnen ontwaaren, igter naderhand mits den helder schijn van het weerligt, een vaartuig in het gezigt hadden gekreegen, 't geen hem had doen resolveeren, met hun praauwtje de vlug te neemen — Dat zij deposanten, eindelijk vermoeid geworden zijnde, van het schep„ „pen, en dus geen kans voor hun was overgebleeven om het gem: vaartuig te ontwijken door het zelve waren agterhaald en om ver„ geroeid, zodanig dat hun Praauwtje was gezonken vervolgens gevangen genoomen en in de rovers vaartuig overgenomen, en hun de handen agter de rug was gebonden waren Dat zij deposanten toen waren onderrigt geworden, dat het meer gedagte vaartuig een Ceramse jonk en met 18: koppen van de vol„ „keren van hetfing en Kellewarce bemand was, in anachoda van deselve zich Kilbaat noemende ~ Dat de rovers voorts naar het Eijland Moa vertrocken zijnde aldaar een kleine Negorij, toebehoorende den orangkaij Albertus, hadden uitgeplundert en derselver Inwoonders verjaagt— Dat zij vervolgens waren overgegaan naar Groot Timor, en de Portugeese Inwoonders van de Negorij Batoe matang g'attac„ „queert en twee derzelver gevangen genoomen hadden dog die na„ „derhand weder voor dat van daar vertrocken gevlugt waren— Dat zij hier na weeder langs Groot Timor vertrocken, en op het Eij„ „land wetter onder de Residentie te kisser gehoorende g'arriveerd zijnde, aldaar de inwoonders van eene kleijne Negorij verjaagd, hunne hui„ sen geplundert en in den brandgestoken mitsg=s van daar weder na groot Timor naar de Negorij Alox gegaan zijnde, aldaar met de inwoonders 30 inwoonders genegotieert hadden, gelijk ook naderhand, met die van het Eijland Pandaij aan groot Timor leggende Dat zij ten laatst gemelden Eijlande de deposanten hadden willen verkoopen, of tegens goederen verruilen, dog daar toe niet hebbende kunnen gelangen, wederom naar Ceram waren vertrocken Dat zij deposanten ter laastgem: plaatse toen verneemen„ „de dat er een Bandasche Chialoup waster houw gekomen zij naar deselve de vlugt hadden genoomen, en met deselve her„ „waards overgekomen waaren — Het geen voorschreven staat de deposanten in de Maleidse spraak te verstaan gegeven zijnde, zo verklaaren zij zulx te behelsen de suivere waarheid, geevende voor reeden van weetenschap als in den text, en bereid zijnde des gerequi„ „reerd worden deselve met Eede gestand te doen en /onderstond:/ Aldus Gedaan en verklaard te Ban„ „da in 't Casteel Nassauw dato voorsz /:was getek:d/ met drie kruisen omschreeven door de deposanten /lager /. Quod Attestor /:geteekend. /. J: D: van Clootwijk secretaris. /. ter zeide. /. Ons present /. geteekend:/: Johannes Isaac Claasz en Bodewijns Anthonij Eduart /: lager. /. Accordeert /was geteekend. /. J: D: van Clootwijk Secreta. „ris /. nog lager. /. Accordeert. /. geteekend. /. Joh=n Hend=k Ditterich gesw:r Clercq Aan 31. Aan den wel Edelen Achtbaren Heer Wel Edele Achtbare Heere! Jan Adam Schilling Gouverneur en Directeur — Het referte aan mijne nedrige van den 28:e Maij deeses jaars die dubbelvoudig is afgezonden, biede ik uwel Edele Achtb. bij deesen nader aan, vier stuks verklaringen in de zaken van Aroe daar onder twee van de tans over„ „gaande aldaar vermiste soldaten en drage sodanig op, aan de g'eerde kennisse van Hoog: Deszelve het daar bij vermelde, in zo verre als tot de attentie zal vereijsschen; en het was te wenschen dat ten minsten de snood„ „ste boosdoenders van de Cerammers en Gorammers eensloon na werken konde worden toegedeelt waar en tegen ditmaal die van Zillewaroe Zilletaij te CeramLauwt, goede diensten hebben willen doen, daar se uit handen van den orangkaij van Quai Booijlilie genaamt hulpe, en be„ schutting gegeven mitsg=s vervolgens. herwaards bezorgt hebben, door mid„ „del van den Bandas Burger Jan Michiel, twee vande bij mijn aangehaal„ „de Brief van den 28: Maij als te Aroe vermist genoteerde soldaten, in na„ „me Pieter Pauhuta van Zoorto, en Pieter Mattheus van Sameth die na datze volgens deze bijgevoegd Berigt van den Fiscaal, zig, tegen het die 32 het getuigde door hun mackers van nalatigheid en lacheteit hadden gezuivert, bij een apart Potiticq Raads besluit alhier op den 30: Junij genomen, daar van vrij gekend en weder emplojabel tot 'sComp=s dienst zijn verklaard, en zodanig na hun bede, onder dit gelijde, worden thuis gezonden. Voor het overige neeme ik de vrijheid, en passant bij uwelEd: Achtbaar te informeeren na den soldaat willem Martinus van Raadshoven, die in het voorlede voorjaar met Comp Pappieren over Ceram na Ambon gezonden is en denzelve ook aldaar aangebragt heeft, dog tot heden niet „narigt te rug is gekomen, en ook geen ^ van hem zijnde, men slegts moet pre„ „sumeeren dat dezelve op de vaartuigen die te dier tijd de reise herwaards niet gekregen hebben na elders vervallen is. En hier mede beveele ik uwel Edele Agtbaare met sComps Belangen in Godes genadige Be„ „scherminge; en blijve met alle ware hoog agting. — /:onderstond /. welEd: Achtbare Heere. /. lager:/ uwelEdele Achtbare zeer gehoor„ „zamen Dienaar /:was geteekend. /. L:s J:n Haga. /. in margine:/ Ban„ „da in't Casteel Nassauw den 20. Augustus 1788. /. nog lager / P: S: na het afsluiten van deeze, ontfang ik van Ceram berigt dat bij de attaque te Aroe van of door onsz Convoij Vaartuigen, zeekere Ca„ „pitain van Noekoe Jman Boelie van Maba dood geschoten is, dog „dat hij niet door Noekor gezonden maar op zich zelfs met een vaar„ „tuig en volk van Maba derwaards vertrocken zoude zijn. — Aan den WelEdelen Achtbaren Heer. — Lambertus Janszoon Maga Gouverneur en Directeur deezer Provintie wel
English
33. Right Honorable Sir! Having been commissioned ex officio by Your Right Honor to examine in particular whether the persons Pieter Pauhuta of Titawaij, Pieter Mattheus of Sameth, and Jacob Martinus of Coopang, the first two being soldiers in the Company's service belonging to the Corps of the Ambon Command, and the last a burgher and resident here, formerly a sailor on the private sloop Weltevreden, deployed together in the late part of the month of February of this year on the expedition to Aroe and recently brought over here by junk from Ceram, had made themselves more or less guilty of cowardice during the attack that arose there, whether by an untimely flight or otherwise; with regard to which investigation I have the honor, in order to avoid an extensive detail, briefly to report to Your Right Honor that the signatory has once more emphatically presented to the aforementioned deponents their given statements, taken at the requisition of Your Right Honor (annexed hereto), asking whether they were able to confirm what they deposed under oath without the slightest hesitation and with a quiet conscience, which they undertook to do without any apparent anxiety and with all ostensible tranquility— truly a sort of proof that not a little corroborates the undersigned in the tranquil opinion that the slightest action can be instituted against them concerning what has been cited above, consequently, subject to respected 34 corrections, that the first two may quietly be employed again in the service of the Company, and the last may earn his living here as before. While expecting to have observed my duty, I subscribe myself most humbly. Below stood: Right Honorable Sir. Lower: Your Right Honor's humble and faithful servant. Was signed: B: van de Walle. In the margin: Banda Neira, the 30th of June 1788. Still lower: Agrees. Signed: Joh:n Vand:r Ditterich, sworn clerk. On this day, the 25th of June 1788, appeared before me, Johan Hendrik Ditterich, Bookkeeper and sworn Clerk of Police of this Government, and authorized present, the aftermentioned witness: Pieter Mattheus of Sameth, under the residency of Haroeko, aged by estimation 29 years, in the Company's service, and arrived here in the most recent past year 1787 with the Command of Amboina; who, at the requisition of the Right Honorable Sir Lambertus Janszoon Haga, Governor and Director of this Province, related for the pure truth that in the late part of the month of February of the current year, the precise date unknown to him, he, along with seven other soldiers and a corporal of the Ambon Command, was placed on the private sloop Weltevreden and departed together with the Company's pantjalling Het Geduld from here to Aroe, both vessels intended for convoy and protection of three burgher vessels belonging 35 here, which departed thither at the same time for trade; and all came safely to anchor together in the bay of Dobbo there after a voyage of 20 days, having called at the island of Groot Keij along the way. That Sergeant Jacob Wonderling, also of the Ambon Command, stationed on the pantjalling Het Geduld, having lain in the roads for two days, went out fishing in the morning in a lipplip, alias scoop canoe, and seeing a large, heavily manned orembai lying near the river there, sailed toward it; having come close and asked what kind of people they were, he clearly perceived from their answer and gestures that they intended no good. Thereupon, this non-commissioned officer returned immediately to his assigned vessel and informed both his commander, Lieutenant at Sea Arent Borninkhoff Jansz, and the skipper or nakhoda of the aforementioned private vessel of this encounter. That subsequently, the just-mentioned commander called out to and ordered the skipper of the relator's assigned vessel, Intje The-Eng, lying anchored close to one another, to send out his orembai well-armed and manned to reconnoiter, also letting it be known through his quartermaster that he was busy preparing his own orembai, and that the skipper should just send his ahead. That after receipt of this order, he, the relator, with a corporal, seven privates of the Ambon Command, two Europeans, and nine mariners, departed from on board, and [proceeded] up to before the mouth
Dutch transcription
33. Wel Edele Agtbaare Heer! Mij exofficio door Uwel Edele Agtbare in mandat is gegeven zijnde, om in 't bij zonder te examineeren of de perzoonen Pieter Pauhuta van Fi„ „tawaij, Pieter Mattheus van Sameth, en Jacob Martinus van Coopang, de twee eerste zoldaten in 'sComp:s dienst gehoorende tot 't Corps van het Ambons Commando, en den laesten Burger en inwoon„ der alhier geweesen mattroos op de Particuliere Chialoup welte vre„ „den, te zamen in 't laast van de maand Februarij deeses Jaars tot de Expeditie naar Aroe g'emploijeert en onlangs per Jonk van Ceram dit heen overgebragt: zich min of meer schuldig hadden ge„ „maakt aan Lacheteit bij de aldaar onstaene attacque, 't zij door een ontijdige vlugt of andersints, ten aspecte van welk onderzoek d' lee hebbe uwel Edele Agtbaaren teravitatie van een wyd lustig de„ „tail kortelings te dienen van Berigt dat den teekenaar voornoemde de„ „posanten hunne gegevene relaesen ter Requisitie van hoogstuwel owelEdele Agtbare :/ dezen g'annexeert /. nogmaals op het nadruk„ kelijkste heeft voorgehouden onder afvrage of zonder de minste hasitatie en met gerusten Consientie in staat waren hunne gedeposeerde met eede te kunnen bekragtigen, ' gunt zijlieden zonder eenige blijkbaare bekommering en al„ „le oogen schijnelijke tranquiliteit aannamen te doen — voorwaar een zoort van preuve die den ondergetekende niet weinig Car„ roboreert tot geruste opinie van de minste actie tegens dezelve over als hier voor en is aangehaelt te kunnen institueeren gevolgelijk /: onder g'eerde 34 g'eerdi Correctis /: dat de twee eerste gerustelijk weder in den dienst van de Compagnie kunnen worden g'emploijeert, en den laesten zich als voor heen alhier erneeren Terwijl in verwagting van mijn pligt te hebben betragt op het needrigste mij onderschrijven . /: onderstond/. Wel Edele Agtbaere Heer /:lager:/ uwel Edele Agtbares onderdanige en trouwschuldige Dienaar /:was geteekend /. B: van de Walle /:innargine /. Banda Weira den 30: Junij 1748. /: nog lager:/ Accordeert / geteekend:/ Joh:n Vand:r Ditterich gesw: Clercq Op Heeden den 25: Iunij 1788: Compareerde voor mij Johan Hendrik Ditterich Boekhouder en ge„ „swoore Clercq van Politie deeses Gouvernements en g'authoriseerd pac„ „sent de getuigen nagenoemde Pieter Mattheus van Sameth onder 't Comp„ toir Haroeko oud nagissing 29. Jaaren in 's Comp=s dienst en met 't Com„ „mando van Amboina in 't Iongst gepasseerde Jaar 1787: alhier aangeland, Den welken ter Requisitie van den welEdelen Agtba„ „ren Heer Lambertus Janszoon, Haga, Gouverneur en Di„ „recteur deser Provintie voor de zuivere waarheid relateerde dat in het laest van de maand Februarij anni Currentis Den Pracisen datum hem onbewust: beneevens nog zeven andere militairen en Een Cor„ „poraal van het Ambons Commando op de Particuliere Chialoup weltevreeden geplaatst en te zamen met 'sComp=s Pan„ „tjalling Het Geduld van hier naar Aroe is vertrocken, beide de bodems geprojecteert tot Convoij en dekking van drie der alhier 35 alhier 't huijs gehoorende vaartuijgen burger vaartuigen dewelke te ge„ „lijk ten handel derwaards vertrokken ook alle te zamen na een reis van 20: dagen behouden in d' bogt Dobbo aldaar ter anker gekomen, en onderweegs 't eiland groot keij hadden aangegiert Dat den zergtant Jacob wonderling almeede van 't Ambons Commando bescheiden op de Pantjalling Het Geduld, twee Etmaelen ter rheede gelegen hebbende in de morgen stond met een Lipplip /: alias. /. schep Praauwtje uit vissen is gegaan, en omtrent de revier aldaar een Groot orembaij sterk bemand: ziende leggen, op dezelve was afge„ „vaaren, na bij gekomen en gevraagd hebbende, wat voor volkeren uit derselvers antwoord en Gebaar, duidelijk bespeurt hadde, dat niets goeds van voornemens waren: dezen onder officier daar op ten eer„ „sten naar zijn bescheiden bodem was te rug gekeert en van dies ontmoeting zo wel zijn gezaghebber Den Lieutenant ter Zee Arent Borninkhoff Jansz als den schipper of anachoda van het hier vooren geciteerde particuliere vaartuig had verstandigd Dat vervolgens evengemelden gezaghebber, den schipper van des ee„ „latants, bescheeden bodem Intje TheEng na bij elkander geantert leggende, toegeroepen en g'ordonneert heeft, zijn orembaij wel g'ar„ „meert en bemand om te recorgnoseeren uit te zenden tevens door dies Quartier meester latende weten, dat met 't vervaardigen van desselfs orembaij bezig was, en den schipper de zijne maar voor af soude stuuren. - Dat na ontfangst dezer ordre hij relatant met Een Corporaal zeeven gemeene van 't Ambons Commando, twee Europeesen en Negen Mariniers van boord zijn afgevaaren, en tot voor de mond a al
English
having scooped at the mouth of the river, immediately at least thirty large vessels by estimation had come down upon them from the same, barricaded from front to back in such a manner that the crews had nothing to fear from cannon, and much less from small arms, so that the firing from the one-pounder cannon and musketry for nearly two hours could cause them the least damage; that he, the deponent, and his fellow companions, being too weak to offer further resistance to the superior strength of the enemy, were indeed forced to retreat and during the flight defended themselves with muskets until not far from the pantjalling; that noticing it was not well possible to escape the murderous claws of their rather merciless assailants and enemies, consisting of Gorammers from the settlements of Keliakat, Amar, Daij, Ondar, and Mirang, and the Cerammers from the settlement of Quaij on Zeffing, while the marines were fatigued from the long bailing and rowing, he, the deponent, jumped overboard into the sea in order to escape them by swimming and save his life, being followed by the sailor Jan Dammer, several of his companions, and marines, after the sailor Jan Jonkers, who acted as gunner at the one-pounder brass cannon, was shot dead by the enemy and others were massacred. That the deponent, while swimming to shore, was taken prisoner by the orangkay of the settlement of Quaij located on Kelfing, named Booijlelii, and after a stay of about two months at Aroe in the settlement of Oedjur, had transported him to his aforesaid settlement, along with a one-pounder brass swivel gun with some domestic sails and rigging, all belonging to the burgher vessel belonging to the burgher ensign here, Anthonij Boode, which was burned by the enemy, as the deponent learned after the fact. That the former master journeyman of the blacksmiths, Jan Michiel, had wanted to ransom him, the deponent, from the aforementioned orangkay, and being unable to agree on the price, he fled his master by night and unseasonable hours, and subsequently with Michiel safely arrived here by a junk belonging to the orangkay of the settlement of Kelitaij. The deponent further relating that while on Aroe, the inhabitants of the settlement of Oedjier told him that the brother of the renowned Tidore Prince Noekoe, having arrived there more than a year ago with a large number of exiled Ternate Alfurs and from the settlements of Tobelo and Tobaro, conspired with the inhabitants of Maba, Weda, and Patanie, three settlements located on Halmahera, being subjects of the King of Tidore, instigated and supported by the faithless inhabitants of Oedjier, had invaded the Company's post and sacrificed it to the flames of fire, caused the garrison to be put to death in an inhuman manner, and subsequently set himself up as king of the country, and that the Oedjurese had intended the hostile attempt committed against the Honorable Company and the Christian inhabitants of Wockum, without more. Finally, that he, the deponent, whenever required, shall maintain on oath the points contained in this his given report. Below was written: Thus done and related at Banda in Castle Nassau on the date aforesaid. Signed with a cross marked Pieter Mattheus. Lower: Quod Attestor, signed Johan Hendrik Ditterich, sworn clerk. In the margin: Present before us, signed Nicolaas Hendrik Welman and Jan Willemsz. Still lower: Agrees, was signed Johan Hendrik Ditterich, sworn clerk. Today, the 25th of June, the year 1781, appeared before me, Johan Hendrik Ditterich, bookkeeper and sworn clerk of police of this government, authorized, in the presence of the witnesses named below: Pieter Pauhuta from Titowaij under the office of Saparoua, aged by estimation thirty years, soldier in the service of the Company, arrived here in the most recently passed year 1787 with the detachment of Amboina, who, at the requisition of the Right Honorable Lord Lambertus Janszoon Haga, Governor and Director of this province, related for the pure truth that with a corporal and seven more of his countrymen, or thereabouts, belonging under the Amboina government, all stationed in the same capacity on the private sloop Weltevreeden together with and alongside the Company's pantjalling Het Geduld, in the late part of February of this year, departed from here to Aroe, both aforesaid vessels intended for convoy and protection of the three burgher vessels belonging here at home navigating there at the same time for trade. That after a voyage of twenty days, all arrived there together and came to anchor in the bay of Dobbo, and after having lain in the roadstead for two days and nights, Sergeant Jacob Wonderling, also of the Ambon detachment, stationed on the aforesaid pantjalling, having gone out fishing after midnight by a liplip, alias scoop prahu, seeing at the break of day around the mouth of the river a large orembai manned with a crowd of people lying there, immediately sailed toward the same, having come close and called out what people they were, had discovered it to be a plot of a hostile nation. That the aforementioned sergeant having subsequently returned to his stationed vessel, its commander, the lieutenant at sea
Dutch transcription
36. „mond van de rivier geschept hebbende al ten eersten uit deselve op haar waren afgekomen na gissing ten minsten Dertig groote vaartuigen van vooren tot na agter dusdanig bebentingd dat de voerders niet te vreesen hadden voorgeschut, en minder schiet geweer zo dat het vuuren uit 't een ponder kanon en hand geweer van bij na twee uuren dezelve de minste schade konde toebrengen, Dat hij relatant niet zijne mede makkers te zwak om de over„ „magt van den vijand langer tegenstand te beeden, wel genookaatt geweest zijn: te retireeren en onder 't vlugten met 't hand geweer tot niet verre van de Pantjalling verweert hadden, dat bespeu„ „rende het niet wel mogelijk was te ontvlugten de moord zug„ „tige klauwen hun eer onbarmhartige aanzanders en vijanden bestaande uit Gorammers van de Negorijen Keliakat, Amar, Daij, ondar en Mirang de Cerammers van de Negorij Quaij op zeffing dewijl de mariniers door het lang scheppen en roeiw vermoeit waren: hij Relatant overboord in zee gesprongen was, om door het zwemmen dezelve te ontko„ „men en zijn leeven te salveeren, wordende gevolgt van den mattroos Jan Dammer, van verscheide zijner makkers, en mariniers, na dat den mattroos Jan Jonkers die als Bus„ „schieter bij 't een ponder metaele Canon ageerde, van den vijand dood geschooten en andere gemassacreert waren. Dat den Relatant onder 't swemmen naar Land van den orangkaij der Negorij Quaij geleegenop kelfing Booijlelii genaamt 37. genaamt: was gevangen genomen, en na verblijf van omstreeks twee maanden te Aroe in de negorij Oedjur: hem na voors zijne negorij hadde vervoert, ook teffens Een ponder metaele Draijbas met eenige vaderlandse zeilen en touwwerk alle van het burger vaartuig, den vaendrig der burgerij alhier Anthonij Boode toebehoorende, het welk door den vijand was verbrand, zo als den Relatant na dato te hooren gekomen was. Dat den geweezen Meesterknegt der Smits gesellen Ian Michiel hem relatant van den orangkaij voornoemt had willen uitlossen, en over de prijs niet eens kunnende geraaken, zijn meester bij nagt en ontijden was ontvlugt, en vervolgens met Michiel per een Jonk, den orangkaij van de negorij Kelitaij toebehoorende: alhier geluckig aangeland — Den Relatant alverders relateerende dat op Aroe zijnde, d' in „woonders de negorij Oedjier hem hadden gezegt, dat de Broeder van den gerenomeerden Tidors Prins Noekoe ruim een Jaar geleeden, al„ daar met een groot getal uitgeweekene ter naatsche alphoer en van de Negorij Tobelo en Tobaro aangekomen zijnde gecomplot„ „teert met d' inwoondus van Maba, weda en Patanie drie nego„ „rijen geleegen op Halmahera, zijnde onderdaanen van Tidors ko„ „ning door de trouweloose inwoonders van Oedjier aangehitst en ondersteunt 'sComp=s Post had g'in vadeert, en aan de vlam des vuurs op geoffert de bezettelingen op een onmenschelijke wijze om het leven laten brengen en zich vervolgens als koning van ls 38 van 't land had op geworpen en dat de oedjureesen het ge„ „pleegde vijandelijk attentaat tegens de E Compagnie en de Christentenwoorders van wockum voorneemen waren ge„ „weest. zonder meer Eindelijk dat hij relatant ten allen tijden gerequireerd wor„ den der de poincten in dit zijne gegeven relaes vervat met Eede zal gestand houden. /onderstond /: Aldus Gedaan en Gerelateert te Banda in 't Casteel Nassauw dato voorsz /:wasgel:/ met een kruisje om „schreeven Pieter Mattheus /: lager /: Quod Attestor / gete„ „kend /. Joh=n Hend=k Ditterich gesw: Clercq /: ter Seede / ons present /. geteekend/ icolaas Hendrik welman, en Jan Willemsz /: nog lager /: Accordeert :/: was geteek:d /. Joh=n Hend=k Ditterich gesw: Clercq Op Heeden den 25: Junij Ao 17181: Compareer¬ „de voor mij: Johan Hendrik Ditterich Boekhouder en geswoore Clercq van Politie deses Gouvernements en g'authoriseert present de getuigen Nagenoemd Pieter Pauhuta van Titowaij onder het Comp„ „toir Saparoua oud na gissing Dertig jaren, soldaat in dienst van de Comp=s, in 't Jongst verweeken Jaar 1787: met het Com„ „mando van Amboina alhier aangeland, den welken ter Requisitie 39 Requisitie van den wel Edelen Agtbaren Heer Lambertus Janszoon Haga, Gouverneur en Directeur deser Provintie, voor de zuivere waarheid relateerde, dat met een Corporaal en nog seeven zijner lands lieden, of daar omstreeks onder het Amboinas Gouvernement gehoorende, alle in deselfde quali„ „teit bescheiden op de Particuliere Chialoup welte vreeden met en beneevens sComp: Patjalling Het Geduld: in het laest van Februarij dezes Jaers: van hier naar Aroe, is vertrokken, belde voor sz bodems geprojecteerd ter Convooij en tot dekking van de te gelijk derwaerts ten handel navigeerende drie alhier 't huis gehoorende burger vaartuigen. — Dat na een reisje van Twintigsdagen alle te zamen aldaar g' „arriveert en ten anker gekomen zijn in de baaij van 20'bbo en na twee Etmaelen ter rheide geleegen te hebben, den zergeant Jacob Wonderling almede van het Ambons Comman„ „do, bescheeden op voorst Patjalling na middernagt per een Liplip /alias/ schep Praauwtje u't vissen gegaan zijnde: met het aanbreeken van den dagh omtrend de mond van de revier een groote orembaij bemand met een menigte van volkeren zien„ „de leggen, ten eersten op deselve was affgevaaren, na bij gekomen, en toe geroepen hebbende wat voor volk het waeren, had ontwaert, een Comploot van vijandelijke natie te zijn Dat evengenaemden zergeant vervolgens naar zijn bescheiden bodem te rug gekeert zijnde, dies gezaghebber den Lieutenant ter zee
English
40 of the private sloop Weltevrede, reporting that upon having given the required notice of this encounter and discovery, the said commander had thereupon called out to and ordered the skipper or anachoda of the deponent's assigned vessel, anchored not far from each other, to immediately send out a well-armed and manned orembai to reconnoiter, letting it be known through his quartermaster that he was busy readying his orembai for equipping, but that the skipper should first send his own out towards the enemy. That accordingly he, the deponent, together with a corporal and seven privates of the Ambon Command, besides two more Europeans and nine native marines, departed from on board, and having approached around the mouth or entrance of the cited river, the enemy, with a large number of vessels fortified from front to back and thus protected from shooting danger, had come upon them, the predatory and hostile rabble consisting, as he the deponent heard afterward, of Goramese from the negorijen of Keliakat, Amar, Daij, and Ondar, those of Ceram from the negorij of Quaij, conspired with the inhabitants of Maba, Weda, and Patanie, three negorijen situated on Halmahera, subjects of the King of Tidore. Arent Borninkhoff Jansz and skipper or anachoda. That he, the deponent, with his comrades, after having fired for about two hours upon the hostile vessels and peoples, 41 and having been unable to inflict any damage whatsoever on them, subsequently, being too weak to offer further resistance to the superior strength of his pursuers, was forced to retreat, defending themselves during the flight with musketry until not far from the Company's patjalling. That he, the deponent, noticing that it was not possible to escape the enemy, all the more so because the marines were completely exhausted from rowing and bailing, jumped overboard to save his life by swimming, after the sailor Jan Dammer with the aforementioned marines had already preceded and abandoned him, while the sailor Jan Jonkers, who acted as gunner at the brass swivel-gun, had been shot dead by the enemy, and several of the marines and the deponent's comrades were massacred, in the orembai as well as in the water. That he, the deponent, while swimming, was taken prisoner by the Mabarese, and after a stay of two months on Aru in the negorij of Oedjier was transported by his aggressors, the Mabarese, to upper Ceram and to his good fortune arrived in the negorijen of Kelitaij and Kellewaroe, both situated near one another; and since the inhabitants thereof were inclined to ransom him, but the demand of 80 rixdollars being too excessive for them, took him by force from the Mabarese without paying ransom, and subsequently handed him over to the former master of the blacksmith journeymen Jan Michiel, who was lying there trading with his junk, in order to transport him to Banda, which also had the desired outcome; further relating that during his presence at Aru he heard from the inhabitants of the negorij of Oedjier 92 that the brother of the famous Tidore Prince Nuku had arrived there over a year ago with fugitive Ternatean Alfurs from the negorijen of Tobillo and Tobaro, and had set himself up as king of the country, and also that this usurper, incited and supported by the treacherous peoples of the negorij of Oedjier, was indeed the principal leader of the invasion of the post there and had put the garrison to death in an inhuman manner, and that the Oedjierese had plotted the committed hostile attack against the Company and the Christian inhabitants of Wockum, without more. Finally, that he, the deponent, whenever required, shall confirm the points contained in the statement under oath. Below stood: Thus done and related at Banda, in Castle Nassau, on the date aforementioned. Was signed with a cross described as Pieter Pauhuta. Lower: Quod Attestor, signed Joh.s Hend.k Ditterich, sworn clerk. In the margin: In our presence, signed Nicolaas Hendrik Welman and Jan Wellemsz. Still lower: Agrees with the original, was signed Joh.n Hend.k Ditterich, sworn clerk. Today, the 25th of June, anno 1788, appeared before me, Johan Hendrik Ditterich, bookkeeper and sworn clerk at the Secretariat of Police of this Government, authorized in the presence of the witnesses to be named: Jacob Martinus of Kupang, burgher here, aged approximately 27 years, and of the Protestant religion, the
Dutch transcription
40 van de Particuliere Chialoup wel te vreeden Berigtende van dies ontmoeting en ontdekbing de vereischte kennisse gegeven heb„ „bende daar op gemelden gezaghebber, den schipper of anachoda van des relataints bescheiden bodem niet verre van elkanderen geankert: toegeroepen en had gelast, ten eersten een orembaij wel g'armeert en bemand om te recognosseeren uit te zenden, latende door zijn quar„ „tier meester weten, dat met 't vervaardigen van zijn orembaij bezig was om te equipeeren, doch dat den schipper de zijne maar voor af op den vijand zoude afzenden. — Dat dien volgende hij relatant met een Corporaal en zeeven gimeene van 't Ambons Commando buijten des met nog twee Europeesen en Neegen Inlandsche mariners van boord zijn afgevaeren en om„ „stroeks de mond of ingang van geciteerde revier genadert zijnde: den vijand met een groot getal vaartuigen van vooren tot agteren bebentingd en dus voor schuts gevaar bevrijd: op haaren waaren afgekomen het roof en vijandelijk gespuijs bestaande zo als hij relatant na dato gehoort heeft uijt Gorammers van de negorijen keliakat, Amar, Daij, en ondar, die van Ceram uit de negorij Quaij gecomplotteert met de inwoonders van Maba, Weda en Patanie, drie Negorijen gelegen op Halmahera, onderdanen van Tidors koning. zee Arent Borninkhoff Jansz en schipper of anachoda- Dat hij relatant met zijne mede mackers na omstreeks twee uuren op de vijandelijk vaartuigen en volkeren gevuurt te hebben 41. hebben: en dezelve geen schade hoe genaamt kunnen den toebrengen, vervolgens te swak om de overmagt van zijne varranders, langer tegenstand te kunnen bieden, wel genootzaakt zijn geweest te retireeren onder het vlugten haar met schieten uit het hand giweer verweerende tot niet verre van 's Comp: Patjalling Dat hij relatant bespeurende het niet mogelijk was den vijand te ont„ „vlugten, te meer alzo de Mariniers ten eenemaal vermoeit waren van 't rocien en scheppen overboord was gesprongen om door t swem„ „men zijn leeven te salveeren, na dat al voorens den mattroos Jan Dammer met de evengerepte mariniers hem waren voorgegaan en verlatende hadden, mitsgaders den matroos Jan Jonkers die als Busschieter bij de metaele draaijbas ageerde van den vijand dood geschoten, verscheide van de mariniers, en des relatants ma„ „die makers gemassacreert waren, inde orembaij zo wel als in 't water Dat hij relatant onder het swemmen van de mabareesen was ge„ „vangen genomen, en na verblijf van twee maanden op Aroe in de negorij Oedjier door zijne aggresseurs de mabareesen was ver„ „voert naar boven Ceram en tot zijn geluk aangeland in de nego„ „rijen kelitaij en kellewaroe, beide, bij den aan den anderen gelegen; alzo de inwoonders van dien genegen waaren om hem uit te lossen d dog den Eisch van 80: rd=s haar te excessief zijnde van de Mabaree„ „sen zonder losgeld uit te keeren met geweld afgenomen en vervol„ nt „gens aan den aldaar met zijn Jonk ten handel leggende den geweezen a„ Baas der Smith gezellen Jan Michiel hadden ter hand ge„ „steld, ten einde naar Banda over te brengen, het welk dan ook van 't gewenschte gevolg was geweest; wijders relateerende bij aan„ weesen oda een op eesen n 92 „weesen te Aroe van de in woonders der negorij oedjier gehoort te hebben, dat de broeder van den befaamden tidors prins Noekoe ruim een Jaer geleeden aldaar was aangekomen met een uit geweekene Ternaatsche al„ „phoeren uit de negorijen Tobillo en Tobaro, en zig als koning van 't Land had opgeworpen, zo meede dat deezen usurpateur aangehitst en ondersteunt van de trouwelook volkeren der negorij Oedjier welde voor „naamste dirhebber was van de invasie der Post aldaar en de be„ „zettelingen op een onmenschelijke wijse om het leeven gebragt en dat de oedjiereesen het gepleegde vijandelijk attentaat teegen de Comp en de Christen inwoonders van wockum gesmeet hadden zonder meer Eindelijk dat hij relatant ten allen tijden gerequireert wordende de poincten in het relaes vervat met eede te zullen gestand houden '/ onderstond/. Aldus Pedaan en Gerelateert te Banda uit„ Casteel Nassauw dato voorsz: /:was geteekend:/ met een kruisje omschreeven Pieter Pauhuta /: lager /. Quod Attestor /:getek:d/ Joh=s Hend=k Ditterich gebw: Clercq / ter zeide /: ons present/ geteekend/ Nicolaas Hendrik Welman en Jan Wellemsz. /: Noglager. /. Accordeert /:was geteekend:/ Joh=n Hend=k Ditterich gebid: C: Op Heeden den 25: Junij Ao 1788. Compareerde voor mij Johan Hendrik Ditterich Boekhouder en gebld: Clercq ter secretarij van Politie ten deesen Gouvernement en geauthoriseerd present de naar 'te noemene getuigen— Jacob Martinus van Coepang Burger alhier oud na gissing 27: Jaaren, en van de protestansche Religie, Den
English
Who, at the requisition of the Right Honorable Lord Lambertus Janszoon Maga, Governor and Director of this Province, related the pure truth to be that as a sailor in private service on the sloop Weltevreden, alongside and simultaneously with the Company pantjalling Het Geduld, he departed from here for Aru in the latter part of the month of February of this year, both vessels destined for the convoy and protection of three local civilian trading vessels also heading thither, and after a voyage of twenty days they all dropped anchor together in the bay of Dobbo there, having touched at the island of Great Kei along the way to provide themselves with some necessities. That after being anchored in the bay for two days, Sergeant Jacob Wonderling of the Ambon Command, stationed on the aforementioned pantjalling, having gone out fishing early in the morning at daybreak in a small scoop prahu, and seeing a large and heavily manned orembai lying near the mouth of the river discharging there, rowed towards it in order to inquire what kind of people they were; that having come close to them and perceiving from their answer and gestures that they intended no good, he immediately returned to the vessel to which he was assigned, reporting his experiences and encounter to his commander, Navy Lieutenant Arij Borninkhoff Jan H, and to the skipper or nachoda of the private sloop. That the aforementioned commander thereupon called out to the aforementioned skipper, with both vessels lying anchored not far from one another, and ordered him to immediately send out his orembai, well-manned and armed, for reconnaissance, having his quartermaster simultaneously pass the word that he was busy preparing his own orembai and that the skipper should simply send his ahead; and that he, the deponent, consequently departed from the ship with a corporal, eight common soldiers of the Ambon Command, two Europeans, and eight marines, and having rowed to the front of the mouth of the aforementioned river, a multitude of large vessels immediately came out at them from the river, fortified with bulwarks from front to back, thus prepared against gunfire, not knowing how many, yet estimated to be thirty in number. That before the superior strength of the enemy, being engaged in battle for nearly two hours, he, the deponent, and the other marines, exhausted from rowing and paddling, were forced to jump overboard to save their lives if possible, as the sailor Jan Jonkers, who served as gunner at the brass swivel gun, had already been shot dead by the enemy and several soldiers and marines had been massacred in the orembai; being captured while swimming by the orang kaya of the village of Quaij on Keffing, named Booijlilie, who subsequently, after a stay of two months in the village of Ujir on Aru, transported him to his aforementioned place of residence. That he, the deponent, seeing the opportunity, as he had heard that a European trading at Kelitaij not far from Quaij was residing there, fled by night and unseasonable hours from his guardian master, the aforementioned orang kaya, and happily fell into the hands of his deliverer, the former master blacksmith journeyman Jan Michiel, with whom he safely arrived here by the junk of the orang kaya of Kelitaij. Relating further that on Quaij, in the house of the said Booijlilie, he saw a brass cannon of 1-pound caliber, several homeland sails and rigging from the civilian vessel with which the local civilian ensign Anthonij Boode had departed for Aru for trade, which had been burned by the enemy in the Dobbo roads, as the deponent learned after that date on Quaij. Finally, that certain Ujirese, during his stay on Aru, had informed him that the brother of the notorious Prince Nuku had arrived there in the past year, having in his retinue a large multitude of refugee Ternatean Alfoors from Tobelo and Tobaru, conspired with the inhabitants of Maba, Weda, and Patani, three villages situated on Halmahera, subjects of the King of Tidore, with whom, instated and supported by treacherous Ujirese, he had invaded and burned the Company post there, subsequently had the garrison and certain Christians of the village of Wokam murderously put to death, and thereafter had raised himself to king of the land. And lastly, that he, the deponent, was prepared at all times when required to maintain the points contained in this report by oath. Beneath was written: Thus done and related at Banda, in Castle Nassau, date as above. Was signed with a cross, inscribed Jacob Martinus. Lower down: Quod attestor, signed, Johan Hendrik Ditterich, sworn clerk. In the margin: In our presence, signed, Ns Hs Welman and Jn Wellems. Still lower down: Conforms, signed, Ch. Wendr Dittrick, sworn clerk. Today, the 5th of June, the year 1788, appeared before me, Johan Hendrik Ditterich, bookkeeper and sworn clerk at the Secretariat of Policy of this Government, authorized, in the presence of the witnesses named below: Andries Komans of Ambon, citizen and inhabitant here, of competent age and of the Reformed religion, recently arrived here from Ceram, known to me. Who, at the requisition of the Right Honorable Lord Lambertus Janszoon Maga, Governor and Director of this Province, declares for the truth: That when the deponent was there, he had heard that three junks from Ceram, from the village of Killebaroua on the island of Keffing, with the men of the orang kaya Kana
Dutch transcription
43 Den welken ter requisitie van den wel Edelen Agtbaaren Heer Lambertus Janszoon Maga Gouverneur en Di„ „recteur deezer Provintie, relateerde de zuivere waarheid te wesen, dat als mattroos in particuliere dienst op de Chialoup welte vre„ „den daar meede en tegelijk met sComp Pantjalling Wet geduld in het laest van de maand Februarij deezes Jaars van hier naer Aroe is vertrokken, beide de bodems gedestineert tot Convooij en dek„ „king van drie der alhier thuijs gehoorende en almeede derwaerts ten handel steevenende burger vaartuigen, en na een reisje van Twintig dagen alle te zamen in den bogt van Dobbo aldaar 't anker hebben laeten vallen, onderweegs het Eijland Groot keij hadden aangegiert, omme van eenige noodwendig heden te voorzien.— Dat na twee dagen in de bogt waeren geankert. den zergeant Ja„ cob wonderling van 't Ambons Commando bescheiden op voorst Pantjalling Smorgens met het aan breeken van den dag, per een kleene schep Praautje uit vissen gegaan zijnde, en om„ „trent de mond van de aldaar afwaterende rivier een groot en sterk bemande orembaij ziende leggen, op de zelve was afgevaaren ten inde 't inquireeren wat voor volkeren, dat na bij dezelve gekomen uit der„ „zelvers antwoord en gebaar ontwaarende niets goeds g'intentioneerd waeren ten eersten naer dies bescheiden bodem is te rug gekeert van zijne wedervaeren en ontmoeting zijn gezaghebber den Luitenant ter zee Arij Borninkhoff Jan H en den schipper of anachoda„ van de particuliere Chialoup berigtende Dat evengemelde gezaghebber daar op den schipper voorm=t met de beide bodems niet verre van den anderen g'ankert leggende heeft 44 heeft toegeroepen, en gelast ten eersten zijn orembaij wel bemand en g' „armeerd: om te recognosseeren uit te zenden, latende door dies quantier meester teffens de roete doen dat met 't vervaardigen van deszelfs orembaij bezig was en den schipper de zijne maar voor af stuuren zoude, en dat hij relatant gevolglijk met een Corporaal„ agt gemeene Militairen van 't Ambons Commando, Twee Europee„ „sen en agt mariniers van boord zijn afgevaeren en tot voorde mond van voorsz revier geschept hebbende: ten eersten uit dezelve op haar waaren afgekomen een menigte van groote vaartuigen bebentingd van vooren tot agter, dus voor schuts gevaar berrijd niet wetende hoe veel, egter nagissing wet ten getalle van Dertig Dat voor de overmagt van den vijand /. bij na twee uuren slaegs. /. hij relatant en d' andere marinies vermoeit van 't roeijen en scheppen genootzaakt is geweest, over boord te springen om waar 't mogelijk zijn leeven te salveeren alzo reets den mattroos Jan Jon„ „kers die als busschieter bij de metaele Draibas ageerde, door den vijand dood geschoten en eenige militairen en Mariniers in de orembaij gemassacreert waren, onder 't schemmen gevangen ge„ „nomen zijnde door den orangkaij van de negorij Quaij op keffing Booijlilie genaamt die hem vervolgens na verblijf van twee maanden in de negorij Oedjier op Aroe naar voorm: zijne woonplaats heeft vervoert Dat hij relatant de baan en kans schoon siende, alzo hem te hoo„ „ren was gekomen dat een Europees ten handel op kelitaij nit 45 niet verre van Quaeij zich onthield: bij nagt en ontijden zijnen verwaarden Lijfheer den voornoemden orangkaij was ontvlugt, en gelukkig vervallen in de handen van zijnen valosser den ge„ „weezen Meesterknegt der Smits gezellen Jan Michiel, met den welken per 't Jonk van kelitaijs orangkaij behouden alhier was aangekomen. Relateerende wijders dat op Quaij ten huijse van gerepten Bo„ „lilie heeft gezien Een metaal kanon van 1: lb bals, verscheide vaderlandsche zeilen en touwwerk, van 't burger vaartuig waer mede den burger vaendrig alhier Anthonij Boode waar Aroe ten handel vertrokken is, door den vijand ter rheede Dobbo ver„ „brand; na dato den relatant op Quaij te weeten gekreegen Eindelijk dat zommige oedjireesen, bij aan weezen te Aroe hem hadden verwettigd, dat de broeder van den berugten prins Noe„ „koe in den vergangen Jaere aldaar was aangekomen, onder zijn gevolg bij zig hebbende een groote menigte uitgeweekene Ternaatsche Alphoeren van Tobillo en Tobaro gecomplot„ „teert met de inwoonders van Maba, weda en Patanie drie Negorijen geleegen op Halmahera onderdanen van Tidors, koning, met dewelke /: aan getutst en onder steumt door trouwe„ „loose redjireesen:/ sComps Post aldaar had g'invadeert in ver„ „brand, vervolgens de bezettelingen en zommige Christenen van de negorij Wockum moordadig om het leven laten brengen en daar na zig tot koning van het land verEeven had. — Ende ten laasten dat hij relatomt ten allen tijden gerequireerd wordende 6 26 wordende bereid was, de poincten in dit relaas vervat met Ei„ de gestand te houden. /:onderstond:/ Aldus Gedaan en Gerelateert te Banda Jn 't Casteel Nassauw dato voorsz /: was geteekend /: met een kruisje omschreeven Jacob Martinus /:lager:/ Quod Attestor /:geteekend/ Joh=n Hend=k Ditterich gesw: Clercq /: ter reide. /. ons present / getekend:/ N=s H:s welman, en J=n Wellems. /: nog lager:/: Accordent/ get:/Ch: Wend=r Dittrick gem: Op Heeden den 5e: Junij Ao 1788 Compareerde voor mij Johan Hendrik Ditterich Boekhouder en geswore Clercq ter secretarij van Politie ten deesen Gouvernemente en g'authoriseert present de getuigen Nagenoemd Andries Komans van Amboina burger en inwoonder alhier van Competenten ouderdom en van gerefor„ „meerde Religie Jongst van Ceram alhier g'arriveerd, mij bekend. Dewelke ter Requisitie van den welEdelen Agtbaaren Heer Lambertus Janszoon Maga Gouverneur en Directeur dezer Provintie, voor de waarheid verklaard.— Dat thoen den deposant aldaar was, hij had ter hooren gekree„ „gen, dat drie Jonken van Ceram uijt de Negorij Killebaroua ten eilande keffing, met de Manschappen van den orangkaaij Kana
English
47. Kana Kana, and the heads of the one junk named Manona, and the other heads the declarant cannot name, who had departed for Keij, and with the return of two of the said junks, which the deponent then found at the house of the said Kana Kana, except only the aforementioned Manona, who had recounted to him that one of their junks was wrecked, and he, Manona, alongside the others with his junk had been driven as far as Aroe, on the hinterland in a village named Watteleij. That the said Nakhoda further told the aforementioned Kana Kana that while he was on Aroe, the rebels had come to him and requested his assistance to help attack the Honourable Company, but upon his persistent refusal, they placed him under arrest and stole his goods, consisting of 2 pieces flintlocks, 1000 pieces birds' nests, 20 pieces tripang and a slave, and other Cerammers who were aboard his junk subsequently ransomed him back for the value of 1 piece elephant's tusk and 2 pieces copper gongs. That the said Manona had among other things also related to the orang kaya Kana Kana that, while on Aroe, he had also seen that two Ceram junks, namely one belonging to the orang kaya Booijlelie from the village Quaij with the crew aboard it, and the other to the Nakhoda named Toean from the village Gisser Kellewaroe with his crew, 48 crew or the men of the orang kaya Maba, as well as the Gorammers from the villages Keliakat, Amar and Ondar, who assisted the Udir people in their enterprises. Herewith the appearer, ending his deposition, affirmed once more after it was read to him that it contains the pure truth, and that he is prepared to confirm the same under oath. Below was written: Thus done and declared at Banda in Castle Nassau, date as above. Was signed: Andries Komans. Lower: Which I attest. Signed: Joh:n Hend:k Ditterich, sworn clerk. To the side: In our presence. Signed: B:s A:j Duard and P:s M:r Leurs. Still lower: Agrees. Was signed: Joh:n Hend:k Ditterich, sworn clerk. Agrees. First sworn clerk, Arie Coomans. Copy 49 Banda To the Right Honourable Sir Lambertus Janszoon Maga Governor and Director there. Right Honourable Sir, The day before the departure from here of my honoured predecessor, the Right Honourable and Respected Sir Adriaan de Bock, Extraordinary Councillor of the Dutch Indies, on the 8th of June last, the original of Your Right Honour's separate dispatch dated the 28th of May prior was delivered here with the enclosures cited therein, and subsequently also the duplicate thereof. In compliance with the request made therein, I would have shared my thoughts and intentions with Your Right Honour long ago regarding the requested assistance for the recapture of the overrun post at Aroe, had the steadily blowing east and south-east winds given me even the slightest hope that my letter could be delivered to Your Right Honour. Since I now hope to have overcome that difficulty through more favourable weather, I will not let a single moment pass to comply with the aforementioned request, by informing Your Right Honour that, deeming the recapture of the aforementioned post necessary together with yourself, I intend 50 to assist Your Right Honour with all that is within my power, so that the outcome may, with the blessing of the Lord, be a desired success, and the respect for the Honourable Company and its arms may once again be restored to its former lustre in those parts; to which end it appears to me not unserviceable that we meet one another with a moderate force at Keffing, Pulau Gisser or Goram, to deliberate upon the measures necessary for this. If Your Right Honour can therefore resolve to do so, I request that I may be informed of this as soon as possible, so that I may take my measures accordingly, both before and during the execution of the Grand Hongi inspection, which, life and health permitting, I intend to undertake along the north coast of Ceram in the beginning of the month of October and to cross directly from Keffing to Goram, both to plan the expedition to Aroe with Your Right Honour, and to punish the guilty Gorammers in such a manner that they lose all desire to adhere any longer to the party of the rebelling Prince Nuku and his followers, and to grant them further support and to indulge their extensive lust for murder and robbery in contempt of the allegiance they so dutifully swore to the Honourable Company. Regarding the accusations against Nakhoda Kelibaat of Keliwaroe at Keffing, upon arriving there I shall also conduct the necessary investigation, and should he be found guilty, deliver him to Justice for punishment, to receive his just deserts. I thank you kindly for the instructions concerning the planting of the nutmegs and shall have a trial made thereof; but since my honoured predecessor not only requested clarification thereon, but also how the ripened nut should be smoked and treated so as to remain free from worm holes and rot, I find myself obliged to submit that request anew to Your Right Honour for fulfilment. Meanwhile, I must lament that of the [seeds/plants] sent, and in part again
Dutch transcription
47. kana kana, en de hoofden van de Eene Jonk genaamt Ma„ „nona en de andere hoofden weet den de Clarant niet op te geven, die naar Keij vertrokken waren, en met de te rug komste van twee die gem: Jonken toen den deposant ten huise van gem: kana kana had aangetroffen, als alleen den voornoemden Manona die aan den zelven had verhaald dat een Jonk van hun aanstukken geraakt, en hij Manona nevens de andere met zijn jonk tot naer Aroe verdreven was, aan het agterland in een negorij die genaam te roord watteleij. — Dat gemelde anachoda den meer gewaagden kana kana wijders had hij op Aroe zijnde, de Rebillen bij hem waren gekomen en hem zijne adsistentie hadden verzogt om d'E Comp te hel„ „pen attacqueren, dog op de aanhoudende weigering, hem zel„ „ve in arrest genomen en zijne goederen, bestaande in 2: p=s snaphaenen 1000. p:s vogelnesjes 20: p=s trippangs en Een slaaf ontroofd en andere Cerammers, die op zijn Jonk waren hem vervolgens voor de waarde van 1: p=s oliffants tand en 2, p=s kopere gongs weder uit gelost hadden Dat meer gezegde Manona onder anderen nog aan den orang„ „kaij kana kana had gerelateerd; dat hij op Rroe zijnde, tevens had gezien, dat twee Ceramsche Jonken als ein den orang„ „kaij Booijlelie, uit de Negorij Quaij met de daar op zijn„ „de manschappen en de anderen den Anachoda genaamt Toean uit de Negorij Gisser Kellewaroe met zijn manschappen 48 manschappen of de volkeren van den orangkaij Maba, als de mede de Gorammers uit de negorijen keliakat, Amar en ondar die de oedjireesen in hunne onderneemin„ „gen assisteerden — Hier mede den Comparant zijnde depositie eindigende be„ „tuigde hij nogmaals na datze hun was voorgeleezen dezelve de zuivere waarheid te behelsen, en bereid te zijn het een en ander met Eede gestand te doen— /:onderstond /. Aldus Redaan en Verklaard te Banda in 't Casteel Nassauw dato voorsz /:was geteekend:/ Andries Komans /: lager/ quod Attestor /:geteekend:/ Joh:n Hend=k Ditterich gesw: C: /: ter zeide / ons present / geteekend /. B=s A:j Duard en P=s M=r Leurs /. nog lager /. Accor„ „deert. /:was getekend /. Joh=n Hend=k Ditterich getw C: Accordeert Eerste gezwklerk. Arie Coomans Copia 49 Banda Aan den Wel Edelen Achtbaaren Heer Lambertus Janszoon Maga Gouverneur en Directeur aldaar Wel Edele Achtbare Heer. 'S daags voor 't vertrek van hier van mijnen g'eerden predecesseur den Wel Ed: Gestrenge Achtbare Heer Adriaan de Bock Raad Extra ordinair van Nederlands India of den 8: Junij J=o leeden is hier aangebragt het origineel uwer welEdele Achtb: aparte Missiv de dato 28:' Maij bevorens met de daar bij ge„ citeerde Bijlagen en vervolgens ook 't duplicaat, derzelve; Jn„ voldoening aan het daar bij gedaane verzoek zou ik uwel Edele Achtbare al voorlange mijne gedagten en intentie bedeeld hebben omtrend de gevraagde adsistentie ter herovering van de afgelopene Post te Aroe ingevalle de stijf doorgeblasen hebbende ooste en zuid Ooste winden mij eenige de minste hoop ge„ „geven hadden, dat mijn schrijven Uwel Edele Achtb: ter hand gesteld konde worden: Daar ik nu hoope die swarigheid te boven gekoomen te zijn door 't handsamer weer, wel ik dan ook geen ogenblik laten voor bij gaan om aan voorsz: versoek te voldoen, door Uwel Edele Achtb: te informeeren dat ik met denzelve de herovering van voorsz: Post noodzakelijk oordeelende voorneemens ben uwel Edele 50 uwel Edele Achtb: te adsisteeren met al wat in mijn vermogen is, op dat den uitslag met den zegen des Heeren van een ge„ „wenscht succes zij, en het ontsag der Ed: Maatschappij en haa„ „ve wapenen weeder in den voorigen luister om dien oord hersteld mag worden, ten welken einde het mij voorkomt niet ondienstig te weezen dat wij elkanderen met een tamelijke magt te keffing, p=lo Gisser of Goram ontmoeten, ter beraaming van de daar toe nodige middelen; zo uwelEd: Achtb: derhalven daar toe kan besluiten, verzoeke ik dat mij daar van ten spoedigsten kennis gegeven moge worden op dat ik daar na mijne maatregulen nemen kan, zo voor als onder 't doen der Groote Hongij visite, die ik bij leven en gezondheid, gedenke in den beginne van de maand October langs de noordkant van Ceram te onder„ „nemen en van Kesfing direct na Goram over te steken, zo om met uwel Edele Achtb: de Expeditie na Rroe te beraamen als om de strafschuldige Gorammers zodanig te kastijden dat hun de Cust vergaan moge om langer de parthij van de Rebelleerende Prins Noekoe en zijne adherenten aan te hangen en hen verdere onder„ „steuninge te verleenen en hunne verre gaande moord en roofzugt in vi„ „lipende der door hun zo pligtig beswoorene trouwe aan de Ed: Comp:e, Na de beschuldigingen ten laste van den Anachoda Kelibaat van Keliwaroe te keffing zal ik daar komende ook 't nodige onder zoek doen in hem bij bevinding van schuld ter straf oeffening aan de Justitie overgegeeven om loon na werken te ontvangen Voor het onderrigt omtrend de Poting der Noten danke ik vriende„ „lijk en zal daar van een preuve laten nemen, dan wijl mijn g'eerde predecesseur niet slegts daar om elucidatie verzogt heeft maar ook hoedanig de rijp gewordene noot geroekt en behandelt diend te wor„ „den om van de wormsteeken en vermolming bevrijd te blijven, vind ik mij verpligt uwel Ed: Achtb: dat versoek ter voldoening op nieuw voor te dragen; Intusschen moet ik beklagen dat van 't toegesondene en ten deele weeder
English
partly returned military detachment has not been used or could not be used for the purpose for which it was sent from here, and even more so the misfortune that befell 1 corporal and 8 privates at Aroe out of the 20 men who were sent thither to facilitate private trade, as the enemy will likely have been not a little encouraged thereby to commit further hostilities, although I do not hope for such, but rather that through a successful outcome of the upcoming undertaking, peace and quiet may be, if not fully restored, at least that the arms of the Honorable Company may restrain the enemy in such a manner that he will be forced to desist from committing further hostilities. Living in this hope, I commend Your Honorable Right Worshipful to God's safe keeping and remain with all high esteem, [below was written] Honorable Right Worshipful Sir, [lower] Your Honorable Right Worshipful's humble servant, [was signed] J. A. Schilling. [in the margin:] Amboina, Nieuw Victoria, the 16th of August 1788. Agrees [with the original] Arie Coomans First sworn clerk. Copy Ternate As a follow-up to what was noted in a separate letter dated 1 March of this year regarding the rebelling Tidorese Prince Noekoe, I find myself obligated to inform Your Honorable Right Worshipful that although this proud Prince received the Commissioner of Ceram, Adriaan Pattij Radjawane cum suis, with all honor, and opened and read the letter given to him with the customary ceremonies, and furthermore, according to the report of the said Commissioner, subsequently gave orders to cease all hostilities that might take place between the Company and the Papuan peoples, from the answer he provided to that letter, not the slightest sign of an inclination to submit can be found, but rather the contrary, as he left the proposals made to that end unanswered, and in response came forward with arrogant reproaches, as if he had been deprived of his lawful share, as can be seen from the translation of his letter which I offer herewith to Your Honorable Right Worshipful for consideration, along with a copy of the one written to him in the name of my honored predecessor, the Honorable Valiant Sir, Extraordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director there, To the Honorable Right Worshipful Sir Alexander Cornabé, Indies, Adriaan de Boek. The faint hope that previously existed that he might finally have come to repentance and remorse over his committed murders and robberies, and be inclined to submit, has thereby entirely vanished and, as it appears to me, is mainly caused by the fact that his brother, with the help of the Maba, Weda, and Patani Gorammers and some Ceram people, has overwhelmed the post at Aroe in the past year and, having plundered the Banda petty traders who were there, taken their vessels and merchandise, and made them slaves, has been supplied with everything that can fuel his further obstinate rebelliousness, while the newly acquired booty from some Banda citizens who ventured in the past month of February to depart for Aroe to test whether they could trade there as before, will also have contributed not a little thereto; wherefore it has, in my opinion, become highly necessary that both he himself and his faction be brought to reason by means of force, before his faction becomes stronger and more powerful so as to withstand us, since the brother of the aforementioned rebel Noekoe has already set himself up as King of Aroe and assumed the name of Djo Magofva, according to the accounts sent to me thereof by the Governor of Banda, Maga, which I have the honor to offer herewith in copy to Your Honorable Right Worshipful, and also to communicate thereby that I was informed by the aforementioned Governor of Banda by letter dated 20 August that according to reports received from Ceram, during the recent attack at Aroe, a certain captain of Noekoe, Iman Boeli of Maba, was shot dead, who had not been sent by Noekoe, however, but had departed thither on his own accord with a vessel and men from Maba, in order thereafter, whenever it might be deemed necessary, to conduct an investigation and to persuade the peoples of Maba, Weda, and Patani in the best manner to abandon the side of Noekoe and his faction, for their own salvation and preservation. And since some Alfoors of Tobelo and Tabaro have also joined that band, according to the account accompanying this in copy from the soldier Pieter Mattheus of Sameth cum suis, it would be a desirable thing if Your Honorable Right Worshipful could induce the King of Ternate to make these mountain peoples of his turn back and forbid them to join Noekoe and his faction again. During the grand Hongi expedition to be undertaken, I hope to find an opportunity to crush the more than excessively large and dangerous power of the rebel Noekoe, and by mutual consultation with the Governor of Banda, to devise such measures as are useful and serviceable for restoring the so greatly disturbed peace and security of the inhabitants on both sides. While I in the meantime have the honor to subscribe myself with true esteem, [below was written] Honorable Right Worshipful Sir, [lower] Your Honorable Right Worshipful's humble servant, [was signed] J. A. Schilling. [in the margin:] Amboina, Nieuw Victoria, the 8th of September, Year 1788. Agrees [with the original] Arie Coomans First sworn clerk.
Dutch transcription
51. deele weeder te rug gekomene Commando militairen dat emploij niet gemaakt is of gemaakt heeft kunnen worden, waar toe 't van hier gezonden was en nog veel meerder 't ongeluck dat 1: Corporaal en 8: gemeene te Aroe getroffen heeft van de 20. koppen die derwaards gezonden waaren ter faciliteering van den Particulieren handel, dewijl den vijand vermoedelijk daar door niet wijnig g'incourageert zal zijn tot 't plegen van meerdere vijandelijkheden, schoon ik zulx niet verhope maar veel meer dat door een geluckig reusit der aanstaande onder na„ ming de rust en vreede weder zo niet ten vollen hersteld ten min„ „sten de wapenen die Ed: Maatschappij den vijand sodanig, beteu„ „gelen mogen dat hij genoodsaakt zal worden van 't plegen van verdere hostiliteiten afte zien — In deze hope levende, beveele ik UwelEd: Achtb: in Godes vei„ „lige hoede en blijve met alle hoog agting /onderstond /. wel Edele Achtbaare Heer /: lager /. Uwel Edele Achtbaare Ootmoedige Dienaar /:was getekend:/ J: A: Schilling / in margine:/ Amboina Nieuw Victoria den 16: Augus„ „tus 1788: — Accordeert NrieCoomans Eerste gezet klerk. 52 53. Copia Ternaten Tot een vervolg van 't genoteerde bij aparte brief de dato 1: Maart h:a: no„ „pens den rebelleerende Tidors Prins Noekoe vinde ik mij verplicht uwel Ed: Achtb: te bedeelen dat of schoon deesen Hoogmoedigen Prins den Commissaris van Ceram Adriaan Pattij Radjawane C: s. met alle honneur gerecipieerd en den hem meede gegeevene brief met de gewoone Ceremonien g'opend: en geleesen mitsg=s na het verhaal van gem:e Commissaris vervolgens ordre gegeeven om alle hostiliteiten die er tusschen de Comp:e en de Papoese volker en mogten plaats hebben, te doen staaken, uit het andwoord dat hij op die brief gepast heeft, egter geen de minste blijk te vinden is van geneegenheid om in submissie te willen komen, maar veel meer het tegendeel, dewijl hij de daar toe gedaane voorstel„ „ben onbeantwoord gelaten heeft, in daar en tegen met arrogante verwij„ „tingen te voorschijn is gekomen, even of men hem. zijn geregt efdeel ont„ „houden had, gelijk te zien is uit het Translaat van desselfs brief die ik uwel Ed: Achtb: ter speculatie hier nevens aanbiede, met een afschrift van die aan hem geschreeven is uit naam van mijnen g'eerden Predeces„ seur den wel Edele Gestrenge Heer Raad Extra ord=e van Nederlands WelEdele Achtbaare Heer Gouverneur en Directeur aldaar — Aan den welEdelen Achtbaren Hier Alexander Cornabé Indie 54 Indis Adriaan de Boek . De flaauwe hoope die er dus bevoorens geweest is dat hij eindelijk tot berouw en in keer over zijne bedrevene Moord en Roverijen zoude gekomen zijn, en gene„ „gen wesen om zich te submitteeren, is daar door geheel en al verdweenen en na 't mij toeschijnt, hier door hoofdzaakelijk veroorzaakt om dat zijn broeder met behulp der Maba, weda en Patanireesen Gorammers en eenige Cerammers de Post te Aroe in a. o p=s overrompeld. en de Ban„ dase smalle handelaars, die aldaar geweest zijn geplundert hunne vaartuigen en koopmanschappen na zich genomen en hun zelve tot slaven gemaakt hebbende van alles voorsien is geworden, dat tot zijne verdere halstarrige wederspannigheid voedsel geven kan, terwijl de nieuw be„ haalde buit op eenige bandase burgers die het in de verweekene maand Febr: gewaagt hebben na Aroe te vertrecken om te beproeven of te al„ „daar gelijk bevoorens handel konden drijven, daar toe mede niet wijnig gecontribueerd zal hebben; wes het na mijne gedagten hoog noodsa„ „kelijk geworden is dat zo wel hij selve als zijnen aanhang door mid„ „del van geweld tot reeden gebragt werde, eer zijnen aanhang sterker en magtiger word om weeder staan te kunnen worden, vermits de broeder van meerm: Rebel Noekoe zich reets tot koning van Aroe heeft opge„ „worpen en den naam van Djo Magofva aangenomen, na de relasen die mij daar van door den Heer Bandas Gouverneur Maga toege „zonden zijn, en ik de Eere hebbe uwelEd: Achtb: hier nevens in Copia aan te bieden, en daar bij ook te Communiceeren dat mij door voorm: Heer Bandas Gouverneur bij brieve in dato 20. Augustus is ter kennis gebragt, dat volgens ontfangene berigt van Ceram in de Jongste attacque te Aroe zeekeren Capitain van Noekoe Iman Boeli van Maba, doot geschoten dog door Noekoe niet, gezonden, maar uit zich zelve met een vaartuig en volk van Maba derwaards vertrocken zoude 55 zoude wezen, ten einde daar na wanneer 't nodige geoordeelt mogte worden, onderzoek te kunnen doen en de volkeren van Maba, weda en Patanij op de beste wijse te overreden, de parthij van Hoekoe in zijnen aanhang te verlaten, tot hun eigen heil en behoud: En vermits zich bij dien hoop almede gevoegd hebben eenige Alphoeren van Tobelo en Tabaro na aanleiding van 't deesen in Copia versellende relaas van den sol„ „daat Pieter Mattheus van Sameth C: S. zou het eene gewenschte zaak wesen zo Uwel Ed: Achtb: den koning van Ternaten konde beweegen om deese zijne bergvolkeren te rug te doen keeren en verbieden om zich bij Noekoe en zijnen aanhang weeder te vervoegen — Onder de te doene groote Hongij hope ik gelegendheid te zullen vinden. om de meer dan al te groot en gevaarlijk wordende magt van den Re„ „bel Noekoe te zullen kunnen fnuiten en met onderling overleg van den Heer Bandas Gouverneur zodanige middelen te beraamen welke ter herstelling van de zo zeer gestoorde rust en vijligheid van roe„ „der zijdsche ingeseetenen nuttig en dienstig is, Terwijl ik mij in tus„ schen de eere geeve met waare agting te onderschrijven :/onderstond:/ wel Edele Achtbaare Heer /:lager:/ uwel Edele Achtbaare Ootmoedige dienaar /:was geteekend:/ J: A: Schilling /inmargine./. Amboina Nieuw Victoria den 8:e September A=o 1788: Accordeert Arie Coomans Eerste gezaklerk: uw 16
English
57. Copy To the Respective Heads of the Spice-producing Offices Sapparoua, Hila, Laricque and Maroeko Honorable, Pious, Discreet, By secret Resolution of the 28th February of this year, it has already been decided, in compliance with Their High Nobilities' earnest desire, to cause all fruit-bearing clove trees found in the respective datijs beyond the stipulated number of 50 pieces to be extirpated, and by a further secret resolution of the 15th August last, not only to demand from you the faithful execution of that weighty and necessary work, assisted by one or two of the most capable persons who are with you, besides the ordinary clove writer, pursuant to the extract accompanying this, but also on that occasion to conduct a careful investigation into the private plantings of the native known under the name of Tatanamangs and to keep an accurate record thereof with specification of the fruit-bearing, half-grown, and young clove shoots, furthermore also to inform yourselves most accurately whether the private plantings of the native Chiefs and elders who since the year 1784 have been removed from their posts, dismissed, or deceased, have been extirpated according to the orders existing thereto, or not; and in the latter case to extirpate them still, as also all the clove trees that shall be found in the extinct datijs linjap which cannot be filled due to a shortage of people. I 58 I therefore recommend and command you in the most earnest manner hereby the prompt execution of those orders and do not doubt in the least that you, as faithful and honor-loving servants, will contribute everything that is required for the promotion and speedy completion of this commission, since your reports to be submitted and expected here will have to be confirmed by oath, which is consequently noted herewith for your information. While in the meantime, after greetings, I remain, was written below, your good friend, was signed: J. A. Schilling, in the margin: Amboina the 2nd September 1788. Agrees First sworn clerk Arie Coomans 59 60 61. To the Honorable, Worshipful Sir, Johan Adam Schilling Governor and Director of this Province Honorable, Worshipful Sir! As commissioners for the receipt of the Nutmegs and Mace, we inform your Honor with all respect that there has been delivered to us by various Suppliers this year a quantity of 13000 pieces of Nutmegs and 21 lb of Mace, which we have divided in the following manner, pursuant to your Honor's desire, and have also packed after proper preparation, namely: 2 pieces soekels, first wrapped in canvas, containing each 10 lb of mace, or together 20 lb 1 ditto smaller soekel ditto wrapped, containing 1 lb of mace 2 pieces single rattan soekels, each containing 5000 pieces of Nutmegs, and 1 ditto smaller soekel containing 500 pieces of Nutmegs 2500 pieces of Nutmegs out of the shell, which through ignorance of the Supplier have been shelled. For the rest, we also inform your Honor that due to the ignorance of the Suppliers, about one in five are mixed in that are still somewhat too young, but when fully ripe, one hundred pieces of nuts make one pound, and from four hundred 62. hundred pieces ordinarily comes one pound of mace when they are delivered so promptly and in full. Subsequently, according to honored order, we have paid for every 100 pieces of Nuts with the Mace 15 stivers, which makes a total sum for the 13000 pieces of Rds. 40: 30: wherewith we hope to have acted to your Honor's satisfaction, so we sign ourselves with all respect, was written below: Honorable, Worshipful Sir, lower: your Honor's very humble Servants, was signed: G. N. V. Quericke and P. Wolsgaard, in the margin: Amboina the 23rd September 1788. Agrees Arie Coomans First sworn clerk. 63 Note: this letter to be added to the annexes of the 2nd volume secret incoming letters 1789. 64 56 To the Honorable Pieter Walbeeck, Merchant and First Resident, Palembang. Honorable, Pious, Discreet, Although the vessels coming from Batavia, Java, and Cheribon have had no encounters with the pirates who, according to your secret letter of the 14th July last, had roved around Banca and ruined two of the local tin sites, we nevertheless consider it a plausible precaution that you have caused the vessels heading northward to be warned by the Palembang cruisers to be on their guard. Copy Secret The burgher Jacob van Garling, having arrived at Palembang in violation of the pass granted to him here for Bengal, and having been sent by you to Batavia, has, as we are informed, betaken himself to the island of Pulau Pinang occupied by the English, and there sold his vessel. After friendly greetings we remain, was written below: Honorable, Pious, Discreet, lower: your dutiful friends, was signed: P. G. De Bruijn and A. Couperus, in the margin: Malacca in the Castle, the 14th October 1788. Agrees H. Huijner Examined 66 50 56 Memoir left by the Extraordinary Councilor and Governor and Director of Amboina Adriaan de Bock to his successor, the elected Governor and Director Johan Adam Schilling in order to be able to regulate himself thereby in the management of affairs, dated 10th April 1788.
Dutch transcription
57. Copia Aan de Respective Hoofden der Specerij gevende Comp„ „toir Sapparoua, Hila; Laricque en Maroeko Eerzame, Vrome, Discrete Bij secreete Resolutie van den 28:e Febr: deeses Jaars is reets g'ar„ „resteerd om in voldoening Hunner Hoog Edelheedens ernstige begeerte alle de vrugtdragende Nagulbomen welke in de respective da„ tijs boven 't bepaalde getal van 50: stuks gevonden worden te doen extirpeeren, en bij een nader secreet besluit van den 15„e Augustus J: L: om uEd de trouwe uitvoering van dat gewigtig en noodzake„ „lijk werk niet alleen te demandeeren, g'adsisteerd van een of twee der geschikste perzoonen, welke bij uEd zijn, buiten den ord=e Nagulschrijver na aanleiding van 't deezen verzellende extract, maar ook om bij die gelegen„ „heid een nauwkeurig ondersoek te doen na de particuliere aanplantin„ „gen van den Jnlander onder den naam van Tatanamangs bekend en daar van een accurate aanteekening te houden met specificatie der vrugtdra„ „gende, halfwassene en Jonge Nagulspruiten, voorts ook om zig op het nauwkeurigste te informeeren of de particuliere aanplantingen der inlandse Hoofden en oudstens welke seedert A=o 1784: uit hunne Pos„ „ten, gedimoveerd, ontslagen of overleeden zijn, naar de daar toe„ „leggende ordres g'extirpeerd zijn dan niet ! en in 't laaste geval om dezelve als nog te extirpeeren, gelijk ook alle de Nagulboomen welke in de uitgestorvene en mitsswackheid aan volk niet te ver„ „vullen zijnde datijs linjap te vinden zullen weesen — Ik 58 Ik recommandeere en beveele UE derhalven de prompte executie dier orders op 't ernstigste bij deesen aan en twijffele ook geenzints of uEd: zult als trouw en eerlievende dienaaren alles toebrengen wat tot de bevordering en spoedige absolveering deeser commissie ver„ „eijscht word, wijl derselver hier van in te diene en verwagt werden„ „de Rapporten met Eede bekragtigt zullen moeten worden, dat mits dien ter uwer narigt hier bij genoteerd word— Terwijl ik intusschen na groete blijve / onderstond/ UE goede vriend. /. was geteekend:/ J: A: Schilling /:in margine. /. Amboina den 2=e 7ber: 1788: Accordeert Eerste gezuklent. NieCooman 59 60 61. Aan den wel Edelen Agtbaren Heer. Johan Adam Schilling Gouverneur en Directeur deser Provintie wel Edele Agtbaren Heer! Als g'committeerdens tot den ontfangst der Note Musschaaten en Foelij geeve uwel Edele Agtb: met alle Eerbied te kennen, dat ons door diverse Leveranciers dit Jaar geleeverd zijn, Eene kwantiteit van 13000: P=s Noten en 21: lb Foelij, welk in vol= „gender voegen, ingevolge uw wel Edele Agtb: begeerte hebben verdeeld, en ook behoorlijk geprepareerd hebben afgepakt, als 2: P=s soekels, eerst in zeijldoek, g'embaleerd, houden ieder in 10: lb foelij of tesamen 20: lb 1: „ d=o kleindere soekel d=o g'embaleerd inhoudende 1: lb foelij 2: „ Enkelde Rotting soekels ieder houdende in 5000: p:s Noote Muschaden, en 1: „ „ kleijnder soekel houdende in 500: a=s Note Muschaven 2500: P=s Note Muschaden uijt den dop dien door onkunde van den Leverancier zijn, uijtgedaan Overigens geeve uw wel Edele Agtb: mede te kennen, dat wee„ „gens de onkunde der Loveranciers, wel Een Hondert van de vijf onderlopen, die nog wat te Jong zijn, dog volkome Rijx zijnde de Een Hondert P=s Nooten Een Pond uijtmaakt, en van de Vier Hondert 62. Hondert P=r ordinair Een Pond Foelij komt als zo promt ten vollen geleeverd worden Vervolgens hebben wij ter g'eerde order voor ieder 100: P=s Nooten met de Foelij betaald 15: stv=s het geene eene generaale somma uijtmaakt voor de 13000 P=s van r=o 40: 30: waarmede verhoope na genoegen uwer wel Edele Agtb: bezul „len hebben g'handeld, zo onderteekene ons met alle agting /onderstond:/ wel Edele Agtbaren Heer /lager:/ uw wel Edele Agtb: zeer onderdanige Dienaaren /was geteekend:/ G: N: V: Quericke en P=r wolsgaard /in margine:/ Amboina den 23:en September 1788 Accordeert ArieCoomans Eerste geziokterk. ele den 36 NB. deeze brief te voegen in de bylagen van 't 2de deel sec Int: bb. verger 1789. 62 Killing te 56 Aan den E Pieter Walbeeck. Koopman en Eersten Resident; Palembang. Eerzaame Vroome, Discreete, coon de van Batavia, Java, en Cheribon ko„ „mende vaartuijgen, geene tencontres gehad heb„ „ben, met des clokkers, Die volgens uwE secreeten brieff van den 14 Julij laastleeden, omtrent Banca Gesworven en twee der bese thin plaat„ „zen geruineert hadden, merken wij Egter als eene Plausible voorzorgaan, dat uwEd: door de Palembangse kruijsteren, de om de Noordste„ „venende vaartuijgen heeft laeten waarschuwen, op hunne hoede te zijn; hilling 624 D: Copia Secreet te en te J Roog Gz De burger Jacob van Garling, met violatie van de hem hier verleende pas naar Bengae„ „le, te Palembang aangekomen, en door uw Ed: naar Batavia gesonden, heeft zig, zo als wij onderregt zijn, naar het door de Engelschen ge¬ „occupeert Eijland Poeloe Pinang begeeven, en daar zijn vaartuijg verkogt. Na vriendelijke groete blijven wij„ /:onderstont:/ Eerzaame, Vroome / Discreete /:lager uwEd: Dienstwillige vrienden, /:was geteekent:/ P:r G:s De Bruijn, en A:s Couperus, in margine Malacca in 't Casteel den 14 october 1780 Accordeert H: Huijner Nagezien 66 Thilling 1 ƒ en te 50 ck Schilling 2n in zaken te 56 Memorie door den Heer Raad Extra ordinair mitsgaders gouverneur en Directeur van Amboina Adriaan de Bock naargelaaten aan zijn Edele vervanger den Heer g'eligeerd gouverneur en directeur Johan Adam Schilling om zich daar na in de maneance van zaken te gedateed 10: April 1788:— konnen reguleeren
English
67 Memoir concerning the present state of the Company's affairs in the Province of Amboina, delivered by the Extraordinary Councillor of the Indies, as well as outgoing Governor and Director, Adriaan de Fock, to his successor, the Governor and Director elect, Mr. Johan Adam Schilling, so that he may regulate himself accordingly in the management of affairs, subject to the esteemed approval of Their High Excellencies. Sir, The Noble High Government of the Indies has been pleased, at my request by separate letter of 5 September last, to release me from the administration of this government, and by letter of 18 December thereafter, to summon me to assist at the High Table, with orders to make a proper transfer of the Company's effects to Your Honour, as having been appointed as my successor, and at the same time, as is customary, to deliver a memoir of the present state of this government. Since so recently a memoir was drafted by my respected predecessor, the Extraordinary Councillor Mr. van Pleuren, which was not only approved by the Noble High Government of the Indies, but also, by marginal disposition of 28 December 1785 together with the resolutions then taken upon it, recommended with the strongest observance, I shall, to avoid all prolixity, referring myself thereto, direct Your Honour to it. As well as regarding the constitution of these lands, and also the nature, reason, customs, and origin of the natives, to the letters from Batavia kept at the Secretariat, together with the Amboinese Land and History Description by the merchant George Everhardus Rumphius, wherein all this is circumstantially described. Although time will have brought about some changes in that regard, as Your Honour will clearly perceive from the surviving memoirs of the gentlemen governors who have been here since, to which I likewise refer myself, especially to the extensive memoir drafted by Mr. Fockens. Meanwhile, a presence of more than 22 years in this Province and the holding of diverse posts, among which chiefly that of Secretary and thereafter that of Head Administrator, has afforded Your Honour the opportunity to judge locally of by far the most matters that are dealt with here. And although apart from this, everything has been set down so clearly in the documents already cited above that, to avoid useless writing, I would consider it unnecessary to add anything thereto, I shall, in order to comply as far as possible with the aforementioned order, treat of such matters wherein during my nearly three-year administration changes have taken place, or according to the commands of Their High Excellencies still must be made. In that sense, following the guideline of the aforementioned memoir of Mr. van Pleuren, making a beginning with: The Clove Cultivation, distinctly described in that memoir and still more circumstantially in that of Mr. Fockens, demonstrating what different opinions have existed since the previous century, in order to reduce the trees at one time and then increase them again according to whether the annual harvest of fruits yielded too much or too little for the market, I could entirely refer Your Honour thereto, because I know of no other or better means for diminishing the trees than those proposed therein. And since Their High Excellencies, by the marginal dispositions on the first memoir taken on 28 December 1785, have been pleased to order emphatically the strict observance of the orders approved by Them by separate missive of 31 December 1778, I shall refer Your Honour thereto as being of such importance that they require Your Honour's continuous attention; although during my three-year administration I have not considered it necessary to apply those means, seeing that the datijs as well as the fruit-bearing trees have decreased, namely: in 1785 the number of fruit-bearing clove trees was still 202637, and thus 13237 trees above the quota of 50 pieces per datij, and in the year 1787, when the datijs were 57 fewer, 183973 fruit-bearing, and thus 3327 trees below the quota. And in my opinion this decrease will continue, seeing that the frequent extirpations make the native entirely indifferent, as appears from the fact that in most negorijs under this main Castle few clove trees are found in comparison with earlier years; which is thus caused by the desertion of the negorij peoples, whereby the statutory services diminish so much that I have often with difficulty been able to get the most necessary work done. For the native, lazy and sluggish, does not apply himself to agriculture at all, and being averse to statutory services, he seeks to evade them by aspiring to the Company's service as a soldier or sailor; and if this does not succeed, he quietly leaves his negorij despite the established penalties. So that, in order not to depopulate the negorijs entirely, one must proceed cautiously with the extirpation, for the native cares little about the clove trees, and he would gladly fell all of them if he could be relieved of the burdensome statutory services. The Master's service nevertheless requires that, to prevent large crops, I emphatically recommend to Your Honour the order established by Their High Excellencies by resolution of 28 December 1785, upon the proposal of Mr. van Pleuren.
Dutch transcription
67 van Comp„s zaken in de Provintie van Am „ina overgegeve door den Raad Extra ordine van Indie mitsgaders afgaand Gouverneur en Directeur Memorie nopens den Presentens Adriaan de Fock aan zijn vervanger, den Heer g'eligeerd Gou„ „verneur en Directeur Johan Adam Schilling om zig daar na op de g'eerde goedkeuren Hunner Hoog Edelheeden in; de maneance van zaken te kunnen reguleeren Mijn Heer. Het heeft de Edele Hooge Indiashe Regeering behaagd, mij, op mij„ „ne instantie bij aparte Brieff van den 5:e September L: L: uijt het bestier van dit gouvernement te ontslaan, en bij brieff van den 18: december daar aan, ter assistentie en aan de Hooge Tafel op te roepen, met or„ „der, om aan UwEd: als tot mijn Successeur benoemd zijnde, behoorlijke Transport van sComp„s effecten te doen, en 'teffens om naar gehouden is overtegeeven, een memorie van den tegenwoordigen staat deses Gouverne„ „mantsen Van ƒ Dan daar so kort geleeden door mijn gerespecteerde Predicsur de Heer Raad Extra ordinair van Pleuren eene Memorie is ontworpen, die bij de Edele Hooge Indiashe Regeering niet alleen g'approbeerd, maar ook bij marginaale despositie den 28 December 1785: met de als doen daar opgenomene besluiten, met nadrukster observancie is aanbevoolen, zo zal ik ter vermijding van alle wijdloopigheid, mij hier aangedragende uw Ed: daar toe zo wel overwijsen, als met betrekking tot de Constitutie deesen Landen, gelijk mede den aart, reeden, gewoontens en afkomst der Inlanders, naar de ter Secretarij berustende Brieven van Batavia, mitsgaders de Ambon„ „sche Land in Historie Bekijving van den Koopman George Ever„ „hardus Rumpheus, daar het een en ander in zijne omstaande be„ „kchreven staat, Schoon de tijd daar omtrent wel eenige verandering zal heb„ „ben te weeg gebragt, zo als uwed uit de nagelatene Memories van de seedert hur geweest zijnde Heeren gouverneurs, niet onduister ontwaaren zal, en waar aan ik mij overzulx almeede refereere, voornamelyk aan de door den Heer Fockens ontworpen ampele Memorie, Intusschen dat een aanweesen van ruim 22: Jaaren in deese Provintie, en 't bekleeden van di„ „verse Posten, waar onder voornamelyk die van Secretaris en daar na die van Hoofd Administrateur uwEd: de gebeegendheid verschaft heeft, over verre de meesten zaaken die in deese verhandeld worden, Locaal te kunnen oordeelen. En of schoon ex buiten des bij de reets. hier voor aangehaalde Schrif„ „tuuren alles zo duidelijk is ter needer gesteld, dat ik ter vermijding van vergeefs schrijfwerk onnodig zoude vinden iets daar bij te voegen, zal ik om zo veel mogelijk aan de voorsz: order te voldoen, van zulke zaaken han„ „delen, als waar in geduurende mijn bij na drie Jaarige Regeering, ver„ „andering plaats gehad, of volgens de beveelen Hunner Hoog Edel„ „heeden nog gemaakt moet worden Ten dien zinde den Lijdraad volgende van de hier voor aangehaal„ „de Memorie van den Heer van Pleuren, een begin maken met De Nagul Culture, bij die memorie distinct beschreeven en nog Omstandiger bij die van den Heer Fockens onder E 699 onder aantooning, in wat verschillende gevoelens men al van de voorgaan Eeuw af geweest is, om na mate dat den Iaarlijksen Insaam der vrugten te veel ofr weijnig tot den debiet uitleverde de Boomen nu eens te verminderi en dan weder te vermeerderen, zoude ik uw Ed: gehelijk daar toe kunnen overn „sen, om dat ik geene andere of beter middelen tot het diminueeren der Boomen weet uit te denken, als daar bij zijn voorgesteld, en daar Hun Hoog Edel „heeden, bij de marginale dispositien op de eerste memorie, Den 28 De„ „cember 1785: genomen, met nadruk hebben gelieven te ordonneeren, de stipte observancie van de door Hoogst Dezelve bij apparte Missive van 31: De„ „cember 1778: goedgekeurde ordres, zal ik uw Ed: daar toe overwijsen, als van die aangeleegendheid zijnde, datse uwEd: attentie bij aanhoudenheid vereijs„ „schen; of schoon ik die middelen in mijn drie jaarig bestier niet noodig hebbe g'oordeelt te appliceeren, gemerkt, de datijs zo wel als de vrugtdragende Boo„ „men verminderd zijn, namentlijk; in 1785: was het getal der vrugtdragen de boven, nagulboomen nog groot 202637:; en dus 13237: boomen ^ de bepaling van 50: p„s datij en in A„o 1787: wanneer de datijs 57: minder waaren, 183973: vrugt„ „dragende, en dus 3327: boomen beneeden de bepaaling, en deese vermindering zal naar mijn gedagten wel voortduuren, gemerkt de menigvuldige extirpa„ „tien den Inlander geheel onverschillig maakt, zo als blijkt dat in de meeste Negorijen onder dit Hoofd Casteel weinig Nagulboomen; naar maate van vroegere Iaaren gevonden worden, en 't welk dus veroorzaakt is, door het verloop der Negorijs volkeren, waar door de Heeren diensten zodanig ver„ „minderen, dat ik dikwerf met moeite het Hoog nodigewerk heb kunnen ver„ „rigt krijgen, want den Inbander Luij en traag legd zich in 't geheel niet toe op den Landbouw, en teffens derrs van s Heeren diensten; tragt hij om die te ontwijken voor soldaat of Mattroos sComp„s dienst te ambieeren, en dit niet lukkende; verlaat hij in weerwil van de gestelde panaliteijten, in stille zijn Negorij; zo dat men om de Negorijen niet geheel te ontvolken, met de Extirpatie voorzigtig dient te werk te gaan, want den Inlander zich weinig de Nagul, Boomen bekrund, en hij gaarne alle dezelve zal omvellen, zo hij van de lastige Heeren diensten konde ontslagen worden — 'S Meesters dienst vereijkht egter dat ik uw Ed: ter voorkoming van groo„ „te gewassen, de door Hun Hoog Edelheeden bij besluit van 28 Decem„ „ber 1785:, op voordragt van de Heer van Pleuren gestelde order met nadruk aanbeveele —
English
In the first place, to consider the datis that decrease due to abandonment or the death of the dati-holders as lapsed and not to cultivate them again, but to eradicate the clove trees found on them. Secondly, to always allow the extirpation of the clove trees of the lapsed datis to take place in the presence of the Regents and elders of the negorijs to which such datis belong. Thirdly, to bring about for the native, under the oppressive burden of the extirpations, all possible relief in the court and feudal services, by excusing the cruises during the clove harvest when it is not absolutely required, and that they receive a prompt payment for their daily services, timber, and masonry lime, without being burdened with unusual matters. Experience has meanwhile shown me that, notwithstanding all these measures, the crops are at times so opulent that not only the fruit-bearing and half-grown trees, but even the young trees bear fruit, as the most recent harvest most clearly demonstrates, without limiting itself to the usual season; for after the cloves were gathered in the past year, those fruits were picked again shortly thereafter in various places, so that the fruits were sent to me in the month of May from Hila and in July from Laricque, which was successively followed by other places, whereby most of the cloves were gathered before the usual Hongi season. The childhood disease that raged severely here had indeed caused much hindrance in the gathering into the barn, but the different times at which the cloves reached ripeness made the harvest rich and plentiful. Not only this, but the multitude of patanamangs or private plantations are indeed the principal cause of the abundance of cloves in a large harvest, for these undergo no extirpation, increase annually, and because of the secrecy cannot easily be discovered, whatever efforts I have applied thereto. The Heads of the Offices, to whom I have recommended the inspection thereof with so much emphasis, seek to shrug that investigation off their shoulders, as it does not agree with their interests at all, and your Honour would therefore not do amiss to have the inspection thereof carried out on occasion, yet in a covert manner, as is now being done through the appointed sergeants, by such persons who are not interested therein, under the promise of a small gift. For what do all the extirpations avail after all, indeed nothing but trouble and worry, since one does not thereby achieve the intended objective, and one can indeed attribute it to nothing other than the aforesaid, when one beholds the most recent crop, which, after the felling of so many trees and the extinction of a multitude of datis, is still just as opulent as before. The nutmeg cultivation described by my predecessor does not at all answer expectations, and it appears that the native has no desire or zeal for the planting and cultivation of that product; for upon my arrival in this Province, following the example of my aforementioned predecessor Mr. van Pleuren, I continued the payment of one kopij for one hundred ripe nuts, yet fruitlessly; they brought me no ripe nuts, but rather unripe ones, and it was for that reason that in a conference held on 4 February 1786 I appointed the Master of Equipment Kulk and Captain van Guericke—the former as an ex-perkenier and the other having long been stationed in Banda—to receive the nuts for the price determined in the contract, whereupon no nuts were brought to me at all, on which account I offered a premium of 50 rijksdaalders to whomever should deliver one thousand ripe nuts within the year; yet they were not spurred on by this either. Meanwhile, some had delivered a small quantity of fifteen and a half pounds of nuts, of which seven and a half pounds were spoiled during the smoking process, as appears from the record in the resolution of 8 October 1787, which, in order to encourage them, I paid at 30 stuivers per hundred, and the good nuts with the mace, divided into two lots, I presented to the Most Noble Gentlemen Seventeen and the Noble High Indian Government, see my separate letter of 19 September past. I have [illegible] the Governor of Banda, Mr. Seijdelman, and afterwards the
Dutch transcription
In de eerste plaats, om de datijs die door verloop of sterften der datijhouders verminderen, als vervallen aantemerken en niet weder te Cultifeeren, maar de daar in te vinden Nagul Boomen uitteroeijen — Ten andere het Extirpeeren der Nagul Boomen van de vervallene datijs, altoos te laten geschieden, ten bijweese van de Regenten en oudstens der Negorijen, tot welken zodanige datijs behooren - Derden, om den Inlander in de druskende last den Extirpatien, alle mo„ „gelijke verligtingen in de Hof en Heeren Diensten te weeg te brengen, door het excusseeren der bekruissingen in den Nagul oogst, wanneer het niet absolut vereijscht word, en dat se eene prompto betaaling krijgen voor hunne quartidiensten, Houtwerken en metselkalk, zonder met ongewoone zaaken bewaard te worden De ondervinding heeft mij intuschen doen zien, dat ongeagt alle deze mid¬ „delen, de gewassen bij tijden zo opulent zijn, dat niet alleen de Vrugtdragende en halfwassene, maar zelfs het Jong geboomte vrugten geeft, zo als de Jongsten oogst ten duidelijksten aanwijst, zonder zich aan de gewoone tijd te bepaalen want na dat in a„o p„o de Nagulen waren ingesameld, wierden die vrugten kort daar na, op diverse plaatsen weeder geplukt, zo dat mij in de maand Maij van Hila en in Iulij van Laricque, de vrugten wierden toegezonden, dat Successive van de andere plaatsen gevolgd wierd, waar door voor de gewoone Hongij tijd, de meeste Nagulen waaren ingezamelde De hier sterk gegeasseerd hebbende kinderziekte had wel veel hindert in den in schuur te weege gebragt dog de differente tijden op dewelke de Nagulen tot rijp„ „heid kwaamen, maakten den oogst rijk en Dit alleen niet, maar de menigte der Patanamangs ofe eige aanplantin„ „gen, zijn wel de voornaame oorzaak van de veelheid der Nagulen bij een groot gewakt, want deze ondergaan geen Extiipatie, neemen Jaarlijks toe, en zijn door de geheijm houding niet wel te ontdekken, wat moeijten ik daar toe heb aangewend— De Hoofden van de Comptoiren, dien ik den opneem daar van, met zo veel nadruk heb aanbevoolen, trachten zig dat onderzoek van den hals te Schuiven schuiven, als gants niet met hun intrest over een komende, en uw Ed: zoude derhalve niet qualijk doen, den opneem daar van bij gelegenheid, dog op eene bedekte wijse te laten verrigten, zo als thans door de gecommitteerde Sergianten, door zulke perzoonen als daar bij niet g'intresseerd zijn, onder uitloving van Een smal geschenkje Want wat baaten dog alle de Extirpatien, immers niets dan moeijtens en hoofd„ „breeken, daar men het bedoelde oogmerk dog niet mede bereikt, en men kan het im„ „mers aan niets anders als het voorsegde toeschrijven, wanneer men het Jongste ge„ „was bethouwd, dat na het omvellen van zo veele Boomen, en het uitsterven eener minigte datijs, nog even opulent is, als bevoorense De door mijn predecesseur beschreeve. Noore Cultivrl, beantwoord geensints aan de verwagting in het schijnd dat den Inlander tot de aanplanting en Cultiveering van dat pro„ „duct geen lust of ijver heeft, want de betaaling van een kopij, voor een Hondert rijpe nooten, Continueerde ik bij mijn komst in deese Provintie, naar 't voorbeeld van mijn gedagten predecesseur de Heer van Pleuren, dog vrugteloos, men bragt mij gee„ „ne rijpe, maar wel onrijpe Nooten, en het was om die reede dat ik in een gehoudene Conferentie op den 4: Februarij 1786: den Equipagemeester Kulk en Capitain van Guericke den Eerste als geweesen Perkenier in den andere als in Banda lange tijd bescheiden geweest, committeerde tot den ontfangst der Noote, voor de bij het Contract bepaalde prijs wanneer mij in 't geheel geene Nooten gebragt wier„ „den, weshalve ik eene promie van 50: rijxd„s uitloofde aan den geene, die dui„ „send rijpe Nooten binnen het Jaar zoude leveren, dog hier door wierden zij nog niet aangespoord, intusschen hadde eenige een geringe quantiteit van vijftien en half Ponden Nooten geleevert, waar van seeven en half Pond onder het rooken zijn bedorven geraakt blijkens het genoteerde bij resolutie van den 8: October 1787: ~ die ik om hun te animeeren, â 30: stve=s 't Hondert betaald heb, en de goede nooten met de foelij, in twee parthijen verdeeld, de Hoog Edele Heeren 17:e en de Edele Hooge Indiashe Regeering, vide mijn apart schrijven van 19„e September bedoorens aangebooden. — Ik heb de Heer Bandas gouverneur Seijdelman en naderhand de 10 71
English
In the first place, to consider as lapsed and no longer cultivate the datijs that diminish through the decline or death of the datij holders, but to eradicate the clove trees found within those datijs. Secondly, always to have the extirpation of the clove trees of the lapsed datijs take place in the presence of the Regents and elders of the Negorijen to which such datijs belong. Thirdly, to bring about for the native inhabitants, amidst the oppressive burden of the extirpations, all possible relief in the court and corvée services, by excusing the crossings during the clove harvest when it is not absolutely required, and ensuring that they receive prompt payment for their daily timber and masonry lime, without being burdened with unusual demands. Experience has meanwhile shown me that, despite all these measures, the crops are at times so opulent that not only the fruit-bearing and half-grown trees, but even the young trees bear fruit, as the latest harvest most clearly indicates, without confining themselves to the usual season. For after the cloves had been gathered in the past year, those fruits were picked again shortly thereafter in diverse places, so that in the month of May the fruits were sent to me from Hila and in July from Laricque, which was successively followed by the other places, whereby most cloves were gathered before the usual Hongi season. The smallpox epidemic that raged severely here had indeed caused much hindrance in the storage, yet the different times at which the cloves reached maturity made the harvest rich and abundant. Not only this, but the multitude of Patanamangs or private plantations are indeed the principal cause of the large quantity of cloves during a great harvest, for these undergo no extirpation, increase annually, and, owing to their secrecy, cannot easily be discovered, whatever efforts I have made toward that end. The heads of the trading posts, to whom I very emphatically recommended the survey thereof, attempt to shrug off that investigation, as it does not agree with their interests at all; and Your Honour would therefore do well to have the survey thereof carried out on occasion, yet in a covert manner, as is now done by the commissioned Sergeants through such persons as are not interested therein, under the promise of a small gift. For what do all the extirpations avail after all, surely nothing but trouble and headaches; since one does not thereby achieve the intended objective, and one can indeed attribute it to nothing other than the aforesaid, when one observes the latest crop, which, after the felling of so many trees and the dying out of a multitude of datijs, is still as opulent as before. The nutmeg cultivation described by my predecessor by no means corresponds to expectations, and it appears that the native inhabitants have no desire or zeal for the planting and cultivation of that product. For upon my arrival in this Province, I continued, after the example of my said predecessor Mr. van Pleuren, the payment of one kupang for one hundred ripe nuts, but in vain; they brought me no ripe nuts, but rather unripe ones. And it was for that reason that, in a conference held on 4 February 1786, I commissioned the Master of the Equipage Kulk and Captain van Guericke—the former having been a Perkenier and the latter having been stationed in Banda for a long time—for the receipt of the nuts at the price stipulated by the contract, whereupon no nuts were brought to me at all. For this reason, I promised a premium of 50 rixdollars to whoever should deliver one thousand ripe nuts within the year, but they were still not spurred on by this. In the meantime, some had delivered a small quantity of fifteen and a half pounds of nuts, of which seven and a half pounds became spoiled during smoking, as appears from what was noted in the resolution of 8 October 1787; which I, in order to encourage them, paid for at 30 stuivers the hundred, and offered the good nuts with the mace, divided into two lots, to the Most Noble Gentlemen Seventeen and the Noble High Government of the Indies, see my separate letter of 19 September past. I have to the Governor of Banda, Mr. Seijdelman, and subsequently to the
Dutch transcription
In de eerste plaats, om de datijs die door verloop of sterften der datijh ou verminderen, als vervallen aantemerken en niet weder te Cultifeeren, maar de dat in te vinden Nagul Boomen uitteroeijen — Ten andere het Extirpeeren der Nagul Boomen van de vervallene dat altoos te laten geschieden, ten bijweese van de Regenten en oudstens der Nego„ tot welken zodanige datijs behooren - Derden, om den Inlander in de drukkende last den Extipatien, alle „gelijke verligtingen in de Hof en Heeren Diensten te weeg te brengen, door h„ excusseeren der bekruissingen in den Nagul oogst, wanneer het niet absolut vereijscht word, en datse eene prompto betaaling krijgen voor hunne quartidie„ Houtwerken en metselkalk, zonder met ongewoone zaaken betwaard te worde De ondervinding heeft mij intusschen doen zien, dat ongeagt alle deze „delen, de gewassen bij tijden zo opulent zijn, dat niet alleen de Vrugtdrage„ en halfwassene, maar zelfs het Jong geboomte vrugten geeft, zo als de Jongst oogst ten duidelijksten aanwijst, zonder zich aan de gewoone tijd te bepaalen want na dat in a„o p„o de Nagulen waren ingesameld, wierden die vrugten ko„ daar na, op diverse plaatsen weeder geplukt, zo dat mij in de maand Maij van Hila en in Iulij van Laricque, de vrugten wierden toegezonden, dat Successi„ van de andere plaatsen gevolgd wierd, waar door voor de gewoone Hongij tij„ meeste Nagulen waaren ingezamelde De hier sterk gegeasseerd hebbende kinderziekte had wel veel hindert in d inschuur te weege gebragt dog de differente tijden op dewelke de Nagulen tot „heid kwaamen, maakten den oogst rijk en Dit alleen niet, maar de menigte der Patanamangs of eige aanplant „gen, zijn wel de voornaame oorzaak van de veelheid der Nagulen bij groot gewakt, want deze ondergaan geen Extirpatie, neemen Jaarlijks toe, en z door de geheijm houding niet wel te ontdekken, wat moeijten ik daar toe heb aangewend— De Hoofden van de Comptoiren, dien ik den opneem daar van, met 2 veel nadruk heb aanbevoolen, trachten zig dat onderzoek van den hals te Schuiven schuiven, als gants niet met hun intrest over een komende, en uw Ed: zoude derhalve niet qualijk doen, den opneem daar van bij gelegenheid, dog op eene bedekte wijse te laten verrigten, zo als thans door de gecommitteerde Sergianten, door zulke perzoonen als daar bij niet g'intresseerd zijn, onder uitloving van Een smal geschenkje— Want wat baaten dog alle de Extirpatien, immers niets dan moeijtens en hoofd„ „breeken; daar men het bedoelde oogmerk dog niet mede bereikt, en men kan het im„ „mers aan niets anders als het voorsegde toeschrijven, wanneer men het Jongste ge„ „was bethouwd, dat na het omvellen van zo veele Boomen, en het uitsterven eener minigte datijs, nog even opulent is, als bevoorens e De door mijn predicesseur beschreeve. Noote Cultiere, beantwoord geensints aan de verwagting in het schijnd dat den Inlander tot de aanplanting en Cultiveering van dat pro„ „duct geen lust of ijver heeft, want de betaaling van een kopij, voor een Hondert rijpe„ nooten, Continueerde ik bij mijn komst in deese Provintie, naar 't voorbeeld van mijn gedagten predecesseur de Hleer van Pleuren, dog vrugteloos, men bragt mij gee„ „ne rijpe, maar wel onrijpe Nooten, en het was om die reede dat ik i een gehoudene Conferentie op den 4: Februarij 1786: den Equipagemeester Kulk en Capitain van Quericke den Eerste als geweesen Perkenier en den andere als in Banda lange tijd bescheiden geweest, committeerde tot den ontfangst der Noote, voor de bij het Contract bepaalde prijs wanneer mij in 't geheel geene Nooten gebragt wier„ „den, weshalve ik eene pramie van 50: rijxd„s uitloofde aan den geene, die dui„ „send rijpe Nooten binnen het Jaar zoude leveren, dog hier door wierden zij nog niet aangespoord, intusschen hadde eenige een geringe quantiteit van vijftien en half Ponden Nooten geleevert, waar van seeven en half Pond onder het rooken zijn bedorven geraakt blijkens het genoteerde bij resolutie van den 8: October 1787: ~ die ik om hun te animeeren, â 30: stve=s 't Hondert betaald heb, en de goede nooten met de foelij, in twee parthijen verdeeld, de Hoog Edele Heeren 17:e en de Edele Hooge Indiakhe Regeering, vide mijn apart schrijven van 19„e September bedoorens aangebooden. — Ik heb de Heer Bandas gouverneur Seijdelman en naderhand de 20
English
confer with Mr. Haga about the means that could contribute to this matter, but the illness and subsequent death of the former His Honour prevented this, while no favorable opportunity has yet presented itself for correspondence with the latter until late in the previous year, to which I have not yet received an answer. Meanwhile, it is certain that other means must be devised if one wishes to see that work brought to fruition in due time. However, since the High Government ordered by resolution of 28 December 1785 not to insist on the full planting of 10000 trees, one will be able to keep it going on the present footing for a long time yet, considering that the state of the nutmeg plantations upon my arrival in this Province consisted of 2145 trees, namely 311 fruit-bearing, 794 half-grown, and 1140 young; and presently 363 ditto, 859 ditto, and 1421 ditto; or 52 fruit-bearing, 65 half-grown, and 281 young trees more. Yet, should it please the Noble High Government in due time to see this work brought to fruition, it will in my opinion be utterly necessary to encourage the native population more strongly, whether by granting gratuity money, linens, rice at cost price as is done on Banda, or by reducing court and feudal services in proportion to the increase of their plantations, considering that the native must for the most part dispose of his clove trees before he can proceed to the planting of nutmeg trees, and since these latter trees require many years before they yield fruit, the native remains deprived of his livelihood during that interim, which they must procure through other means. Concerning the other products described in the memorandum of my respected predecessor Mr. van Heuren, such as the cotton cultivation, the pepper, indigo, the sandalwood, cacao, the sapanwood, and the coffee plantations, nothing favorable has occurred during my administration to enable me to elucidate anything further to Your Honour than what is already described in that memorandum. The rice plantation at Bouw seems to increase somewhat, now that the present Chief Mazel, upon my emphatic recommendation, urges the native population there somewhat more strongly to that and to the cutting of timber. The passavras or root of the culilawan, as well as the oil from the bark, together with the cajuput oil, which is annually demanded in a small quantity by the High Government, is usually assigned for delivery to the castle head surgeon as the most suitable person for it, as has also been done during my administration and as the Resolutions will show Your Honour; meanwhile I have encouraged the Regents on the south coast of Ceram, and especially those of Familauw, to supply that wood, which has also been willingly carried out by them, as it is still a small point of trade for those poor people. Regarding the teak plantations, pursued for some years with great zeal, experience has shown that it has produced vain trouble and labor, because some Ambon districts are utterly unsuitable for it due to the stony soil. My predecessor Mr. van Heuren emphatically recommended this plantation to me in His Honour's left-behind Memorandum, which is why I inspected it during my first Hongi expedition to the subordinate offices, and among them found the forest at Saparoua to be the largest and most extensive. However, since those trees seemed very languishing and of no promise, I had them examined further by experts and found, to my regret, that they would never be able to recover the annual expenses disbursed for them; wherefore, pursuant to what was noted in the Resolution of 17 January 1786, I resolved not only to notify the Noble High Indies Government thereof, but at the same time ordered the chief to disburse no further expenses for them, but to have them kept clean annually by the people destined for the small Hongi, and this still takes place, while the Company now has not the least burden from it. The said High Government was pleased, by letter of 15 December 1786, the same
Dutch transcription
de Heer Haga onderhouden, over de middelen welke in deze zoude kunnen mede werken, dan de ziekte en daar opgevolgde dood van den eerste zijn Edele, heeft zulx verhindert, terwijl zich tot de Correspondentie met den laaste, nog geene favorable gelegenheid heeft opgedaan, als nu in 't laast van 't voorgange Jaar, waar op ik nog geen antwoord ontfangen heb; dit is intusschen zeeker, dat er andere middelen moeten bedagt worden, wil men dat werk in der tijd tot effect gebragt zien, dan daar de Hooge Re„ „geering bij besluit van 28: December 1785: gelast om op de voltallige aan plan„ „ting van 10000: boomen niet aan te dringen, zal men het op den presenten voet nog lange kunnen gaande houden, gemerkt den staat der Noote plantagien bij mijne komst in deeze Provintie bestond in 2145: Boomen; als e 311: vrugtdragende thans 363: d=o 794: halfwassen en 1140: Ionge en 859: 1421: of wel 52: vrugtdragende 65: kaligassen, en ƒ81: Jongeboomen meerder Dog behaagde het de Edele Hooge Regeering in der tijd, dit werk tot effect gebragt te zien, zal het naar mijn gedagte ten uitterste nodig zijn, den Inlander sterker te animeeren, 't zij door 't geeven van douceur gelden Lijwaaden, rijst teegens den inkoops prijs, zo als op Banda plaats vind, dan wel 't verminderen van Hof en Heeren Dun„ „sten, naar maaten hunne plantagien toeneemen gemerkt den Inlander zich van zijne Nagulboomen meerendeels moet ontdoen, alvoorens hij tot de aanplanting van Noo„ „te Boomen kan overgaan, en daar deze laatste Boomen veele Jaaren noodig hebben, eer dat zij vrugten geeven, blijft den Inlander dien tusschen tijd ontstooken van zijn leevens onderhoud, dat zij zich door een ander middel verschaffen moeten van de verdere voorbrengselen, bij de memorie van mijn gerespecteerde prede„ „cesseur de Heer van Heuren beschreeven, als De Capas Culture, de Peeper Indi„ „go, het zandelhout Cacao, t Iapan hout en de Coffij Plantagien, is mij geduurende mijn bestier, niets favorabels voorgekomen, om uwel Edele desweege iets meerder te kunnen elucideeren, als bij die Memorie reets beschreeven staat e d=o „ d=o De Rijst Plantagie te Bouw schijnte eenigsints toeteneemen, nu het teegenwoordige Hoofd Mazel op mijne nadrukke„ „lijke recommandatie, den Inlander daar en tot het kappen van hout wat ster„ „ker aanset in De Passavras of wortel van de Coelilawang, zo wel als de olij dnt de bast, met de Caijoe, Poetij olij, die door de Hooge Regeering Jaarlijks in een geringe quantiteit g'eijscht word, is gewoonlijk den kasteels oppermeester, als daar toe het geschikst, ter levirantie aanbevoolen, zo als geduurende mijn bestier ook geschied is, en gelijk de Resolutien uw Ed: zullen aanwijsen, terwijl ik de Regenten aan de Zuidkant van Ceram en voor al die van Familauw, tot den aanbreng van dat hout hebbe g'annimeerd en door hun ook ge„ „willig is ter uitvoer gebragt, als nog een gering poinct van handel voor die arme Menschen zijnde ~n De Iatij Plantagien, al eenige Iaaren met veel ijver voortgeset, heeft de ondervinding doen zien, dat vergeefsche moeijte en arbiid heeft te weeg gebragt, wijl sommige Ambonsche distuicten, door de steenagtige grom„ daar toe ten eenemaale ongeschikt zyn Mijn Predecesseur De Heer van Meuren recommandeerde mij deeze plantagie, bij zijn Edele nagelate Memorie met nadruk, weshalven ik dezelve onder het doen mijner eersten Hongij rhijse op de Subalterne Comptoiren hebbebezigtigd, en daar onder het boks te Saparoua, als het grootste en uitgestrekte bevonden, dan daar die boomen zeer quinende en van geen verwagting scheenen, hebbe ik dezelve door deskundigen nader laten examineeren, en tot mijn leetweesen be„ „vonden, datse de daar voor opgebragte Iaarlijkse ongelden, nimmer zouden kunnen recouvreeren; weshalven ik ingevolge het genoteerde bij Resolutie van den 17: Januarij 1786: besloot, de Edele Hoog Indische Regeering daar van niet alleen kennis te geven, maar ook tefpens het opperhoofd gelast hebbe daar voor geene ongelden meer op te brengen, maar dezelve Jaarlijks te laten schoonhou„ „den door het volk voor de kleine Hongij geschikt, en dit vind nog plaats, terwijl er de Comp:e nu geen de minste last van heeft en Welmelde Hooge Regeering behaagde het bij brief van 15: December 1736 dezelve .
English
to make the same observation, with authorization to chop down and destroy all such forests and plantations from which, through many years of experience, no hope of success can be had, and on the contrary to continue and pursue the planting with all diligence and labor in such places where the soil is judged suitable. In order to make use of this authorization, I have, pursuant to what was noted in the Resolution of 27 March 1787, ordered the Chiefs of Hila, Bouro, and Manipa to vigorously pursue the teak plantations on Kahoela, Bouro, Manipa, and Kelang, as these are not only the best soil for those trees, but also suitable places for exiles to be able to work on them as well as in the sago forests, and I do not doubt in the least that time will answer it with good success; while in the meantime, as occasion arises, in the forests—both here under the main Castle, on Saparoua, Nussalaut, Haroeko, Hila, and Laricque, as being of no importance—one can successively have the best timber felled that can still be employed, and let the young trees continue to grow, since they cause the Honorable Company no burden whatsoever. The sago forests, very amply described in the left-behind memoir by Messrs. Fockens and van Heuren, sufficient orders have been issued concerning them, to which I defer in order to avoid prolixity; of these forests, those at Poelo Tikos were leased out to the Bonoa people on 25 October 1782 for 5 years at 60 rixdollars per year, and because that term expired in the year 1787, I prolonged that lease on the same footing for 5 years during the session on 14 November of that year, and ordered the Manipa Resident van Capelle to collect those moneys according to custom and account for them in his books; while, at their request, I had a chop, or Company's iron brand, delivered to the Regents of Bonoa, as well as to those of Loehoe, in order to be able to mark with it such trees as have already been ceded by them. The forests at Loehoe and Loekij, which noticeably increase and decrease in proportion to the supply of cash and merchandise being large in this Province, the Commander has the passes arranged in such a manner that they do not sail directly to Pirox and Tanoenoe, but call at Loehoe beforehand, which experience during the last two years of my administration has shown me to have noticeably increased the revenues. The clearing of these sago forests having been permanently assigned to the Chief at Hila by the Supreme Government by resolution of 28 December 1785, it is carried out pursuant to that order every two years, instead of the small Hongi, by the peoples of the negorijs designated for that purpose, and The trade or sale of merchandise consists mainly of some packs of coarse Surat and Coromandel linens, with some bales of Javanese cotton yarn. These were brought to a considerably high price by my predecessor, Mr. van Pleuren; however, since the loss of Nagapatnam and the necessity of purchasing those linens from private individuals, those profits have dropped noticeably, given that those linens are not always of the usual assortment, and the calculated prices therefore often differ from earlier times. The Supreme Indian Government, by the aforementioned resolution of 28 December 1785, upon the proposal of Mr. van Heijren, has been pleased to prefer the sale by public auction over that from the shop, and following His Honor's example, I have also always attended the auctions in person; while I am likewise of the opinion that this sale is more advantageous for the Company, since private trade is thereby supported and the native is given the opportunity, although not as cheaply, to obtain linens in small quantities, which from the Company can hardly be obtained in less than whole pieces. The sale, which for the most part depends on a large or small clove harvest, cannot well be determined with certainty, and one must principally conduct oneself accordingly in drawing up the requisitions. One must constantly be watchful against the illicit import of those linens, especially during large clove harvests; however much the poverty of the navigators belonging here is a hindrance, the desire nevertheless creeps over them now and then to persuade others to do so in their interest. The
Dutch transcription
dezelve aanmerking te maken, met qualificatie, om alzulke boschen en plantagien waar van men door veel Iaarige ondervinding geen hoop van Succes kan hebben, om ver te kappen en te vernitigen, en daar en teege met allen vlijt en arbeit, de aanplanting te Continueeren en door te zetten, op zulke plaatsen, als waar toe de grond bekwaam word g'oordeelt . Om mij deese qualificatie ten nutten te makken, heb ik ingevolge het aange„ teekende ter Resolutie van den 27: maart 1787: de Hoofden van Hila, Bouro en Manipa gelast, de Iatij plantagien op Kahoela, Bouro, Manipa en kelang, met vigeur door te zetten, als niet alleen de beste grond voor dat geboomte, maar ook, de geschikte plaatsen voor Bannelingen, om daar aan, zo wel als in de zagoe Bosschen te konnen arbeijden, en ik twijffel geen sints of de tijd zal het met een goed succes beantwoorden; intusschen dat men bij gelegendheit in de Bosschen, zo wel hier onder het Hoofd Casteel, op Saparoua Nussalaut, Haroeko„ Hila, in Laricque, als van geen aanbelang, de beste houtwerken die nog te em„ „ploijeeren zijn, successive kan laten kappen, en de Ionge boomtjes laten voortgroeijen wijl se d'EComp:se dog tot geen last verstrecken~ De Pagoe Bossen, bij de nagelatene memorie door de Heer Fockens en van Heuren zeer ampel beschreeven, daar omtrente zijn toerijkende ordres gesteld, waar aan ik mij ter vermijding van wijdlopigheid defe „reere; van deese Bosschen waaren die te P„lo Tikos, den 25: october 1782: voor 5: Jaaren in pagt aan de Bonoers afgestaan voor 60: rd„s sjaars, en wijl die tijd in a„o 1787: is g'expireerd, hebbe ik ter setting. op den 14: November van dat Iaar, die pagt, op denselven voet voor 5: Iaaren geprolongeerd en de Manipas Resi„ „dent van Capelle gelast die penningen naar usantie te incasseeren en bij zijne boekjes verantwoorden; Terwijl ik de Regenten van Bonoa op hun verzoek, wen als die van Loehoe heb laten ter hand stellen, een tjap, of Comp„s merk in ijzer, om daar mede zodanige Boomen te konnen merken, als riets door hun zijn afgestaan De Bosschen te Loehoe en Loekij, die merkelijk toe en afneemen. na maate den aanbreng van Contanten en handelwaaren in deze Provintie groot zijn, in den gebieder de Passen zodanig laat inrigten, datse niet direct naar Pirox en 75 en Tanoenoe vaaren, maar alvoorens toehoe aandoen, 't geen mij de ondervinding in de tweede laatste Iaaren van mijn bestier heeft doen zien, dat merkelijk de In„ „komsten heeft doen vermeerderen~ Het zuiveren dezer Zagoe Bosschen door de Edele Hooge Regeering bij besluit van 28„e December 1785: het Hoofd te Hlila permanent opgedragen zijn„ „de, word ingevolge die order, om de twee Iaaren, insteede van de kleene Hongij, door de daar voor bestemde Negorijs volkeren, verrigt en De Handel of verkoop van Koop= „manschappen bestaat voornamelijk uit eenige pakken grove Souratsche Cormandelse Lijwaaden, met eenige baalen Iavake Cattoene garen, deese zijn door mijn predecesseur de Heer van Pleuren op een Considirabele hooge prijs gebragt, dog zedert 't verlies van Nagapatnam en dat men genood „zaakt geweest is die Lijwaten van Particuliere in te koopen, zijn die winsten mer„ „kelijk gedaald, gemerkt die Lijwaten niet altoos van de gewoone sorteerings zijn en de aanreekenings prijsen daar door dikwelf met vroegere tijden defereeren e De Edele Hooge Indiasche Regeering heeft bij meermeld be„ voordragt van den Heer van Heijren den verkoop stuit van 28: december 1785: op de per vendutie, boven die uit de winkel gelieve te prefereeren, en ik heb in naarvolging van zijn Edele ook altoos de vendutien in perzoon bijgewoond; Terwijl ik meede van gevoele ben, dat deese verkoop voor de Maathhappij voordeeliger is, terwijl hier door den Particulieren handel word gesouteneerd en den Inlander gelegendheid gegeeven, hoe wel zo goed koop miet, de Lijwaaten in geringe quantiteiten te konnen bekoomen, die bij de Comp:e niet wel minder, als in heele stukken te krijgen zijn Den vertier die meerendeels afhangd van een groot of klijn Nagel gewakh, is niet wel met zekerheid te bepaalen, en men diend zich daar na in 't formeeren der Eijsschen, principaal te gedragen ~ Ieege den ongepermitteerden Invoer van die Lijwaden, diend min steeds waaksaam te zijn, voor al bij groote Nagel gewasschen, hoe zeer ook de armor„ „de, der hier thuishoorende Naviganten hinderlijk is, bekruipt hen egter nu en dan de Lust, om anderen daar toe in hun belang over te haalen — Den
English
The purchases consist, besides the cloves yielded by the annual harvest, of the culilawan and cajeput oil demanded by Batavia, as has already been stated separately under that heading above, along with the sassafras, candied and dried mother cloves, of which latter article Their High Excellencies by separate letter of 23 January 1787 determined the quantity at 6000 pounds for the trade with Japan, and which has also already been enjoined upon the heads of the spice-producing trading posts, pursuant to the entry in the Resolution of 31 August of the same year, to be dispatched in the spring with the first ship or vessel departing from here, or else sent so early that it can arrive there in good time for shipment in the vessels planned for that empire; further, also, in some building materials, sago, and other small household necessities, as well as coir for the laying of cordage for the vessels on hand. The profits, which aside from the premium on pay, must flow solely from the sale of merchandise, are very small, and depend principally on a large or small clove harvest, as I have already demonstrated under the heading of sales, and your Honour cannot fail to know from experience that they must mainly flow from the piece-goods trade, which cannot be conducted with the success of former times, when the desired assortments were ordered directly from Coromandel for fixed prices, whereas they are now brought in by private individuals, lower in quality and at higher prices, so that the prospect in this regard is not at all favorable, though I wish with all my heart that it may take a better turn under your Honour's administration. The increase or decrease of the revenues from the leases, the hunting forests, the small stamp, the twentieth penny, and the agio on money paid by bill of exchange, which I must attribute to the ebb and flow of trade and the fruitfulness or unfruitfulness of the season, regarding which I have had no reason to complain during my administration, and I wish with all my heart that those sources of prosperity may increase further under your Honour's administration. The expenses have been so curtailed by my predecessor, Mr. van Heuren, that I could devise nothing further for their improvement, and considering that the Noble High Government of the Indies, by their Resolution of 28 December 1785, was pleased to recommend that I follow in his Honour's footsteps and make every effort to reduce the burdensome expenses; these, now, at the assumption of my administration on the ultimo of August in the year 1785, with the cancellation of the interest money, amounted to ƒ 244738: 7: 12: — and on the ultimo of August 1787 to ƒ 235455: 18: 12: — and thus currently still ƒ 9282: 9: — less, which nevertheless still exceeds the calculation in the memorandum of retrenchment by more than ƒ 21000, and therefore I cannot recommend that important point to your Honour with any greater emphasis. Then, concerning the expenses that could be saved by reducing the administrative establishment in this Province, I have, upon the esteemed request of the Noble High Government of the Indies by resolution of 3 October 1786, in compliance with the orders of the Most Noble Gentlemen the Seventeen by letter of 5 November 1785, presented my Considerations, as they are inserted into the Resolution of 10 August of the past year, to Their High Excellencies, and on which your Honour will need to await their dispositions. With no less urgency do I consider myself obliged to recommend for your Honour's imitation the cruising patrols, just as they are very amply described by my predecessor Mr. van Heuren in his Honour's posthumous memorandum, and approved by Their High Excellencies in the aforementioned Resolution of 28 December 1785, and which I judge all the more necessary in these present worrisome times, now that free navigation through these seas has been granted to the English, especially during large clove harvests, as in the preceding year, when I maintained the cruising patrols around the clove districts with 24 orembaais, and from Goram along the south coast of Ceram to the Bay of Ambon with two well-armed pantjalangs, as well as from here to Sawai on the north coast of Ceram and back with seven vessels, all of which likewise
Dutch transcription
Ten Inkoop bestaat buiten de Garioffel Nagulen, die 't Jaar„ „lijks gewakh uitleeverd, in de van Batavia g'Eijscht wordende Coelilawang en Caije poetij olij, zo als reets hier voor onder dat Hoofddeel afzonderlijk gesegd is, nevens de Sassafras, geconfijte en gedroogde Moernagulen, van welk laatste artikel Hun Hoog Edelheeden bij aparte brief van den 23: Ianuarij 1787: de quantiteit op 6000. ponden: tot den handel op Iapan bepaald hebbe, en 't geen ook de Hoofden van Spece„ „rij geevende Comptoiren, ingevolge het genoteerde bij Resolutie van den 31 Augus „tus desselven Jaars, reets aangeschreeven is, om in 't voorjaar met het eerst van hier vertrekkend schip of vaartuig, of wel zo vroeg verzonden te worden, dat nog tijdig genoeg aldaar kan arriveeren, tot den afcheep in de voor dat rijk geprojecteerde scheepen voorts, nog, in eenige bouwmaterialen, sago en andere geringe benodigtheden in de huishouding, ook gemoed, tot het slaan van Touwerken, voor de aan handen zijnde vaartuigen De Winsten, die buijten het opgeld op de zoldijen; eenlijk moeten voortrlopijen uit den verkoop van koopmanschappen, zijn zeer gering, en han„ „gen ten principaale af, van een groot of klein Nagelgewakh, zo als ik bereets onder het Hoofdeel van verkoop, vertoond hebbe, en uwel Ed: bij ondervinding niet onbekent kan zijn, dat voornamelijk moeten voortvloeijen uijt den Lijwaat handel, die niet met dat succes kan gedreeven worden, als in vroegere tijden, doen men de begeerde sortementen, voor bepaalde prijsen direct van Cormandel worderde, daar se nu door particulieren worden aangebragt, minder in Deugd en tegens hoogere prijsen, zo dat het vooruitzigt in deeze gants niet favorabel is, schoon ik van harten wensch, dat het onder uw Ed: bestier een beteren keer neeme e De vermeerdering of wel vermindering der Inkomsten, van de Pagten de Iagoe Bosschen, het klyn Zegel, den Twintigsten penning, en de agio van op wissel getelde gelden, die ik toeschrijve moet, aan het af en toenemen van den handel, en de vrugt of onvrugtbaarheid van het Saisoen, daar over heb ik geduurende mijn bestier geen reeden van klagen gehad, en ik wensch van har„ „te, dat die bronnen van welvaard, onder uw Ed: bestier en meer mogen toe„ „neemen — E De Lasten, zijn door mijn Predecsur De Heer van Heuren zodanig besnoud, dat ik tot verbetering van dezelve niets meerder weeten uitledenke, en gemerkt de Edele Hoog Indiasche Regeering bij Hoogst Derzelver re„ „solutie van 28: December 1785: mij hebbe gelieven te recommandeeren, om naar het voetspoor van zijn wel Ed: mijn uitterste betragting te maken, tot vermindering der drukkende laste; deese nu hebben bij het aanvaarden van mijn bestier of ult„o Augustus anno 178/5. met intrekking der intrest penningen, be„ draagen - - - - - - - - - - - - - - -. - . . . . - ƒ 244738: 7: 12: — en ult„o Augustus 1737. . . . . . . . . . . r „n 235455: 18: 12:— en dus thans nog. . . . . . . . . . . . . . . . . . . ƒ 9282: 9: — minder, dat egter nog ƒ 21000 -- ruim 't gecalculeerde bij de memorie van menage surpasseerd, en dus kan ik uw Ed: dat poinct van aanbelang, met geen meer nadruk aanbeveele n Dan wat de Lasten, betreffen, welke door het verminderen van den omslag in deese Provincie zoude konnen behoud worden, hebbe ik op het g'eerd requisiet der Edele Hoog Indiasche Regeering bij besluit van 3„e october 1786: in voldoe„ „ning aan de beveelen der Hoog Edele Heeren 1C=nen bij brief van 5: November 1785:, mijne Consideratie, zo als die bij Resolutie van den 10„e Augustus des ge„ „passeerden Jaars zijn g'insereerd, Hoogst Dezelve aangebode en waar op uwEd: Derzelver dispositien, zal dienen aftewagten en Met geenen minderen aandrang agt ik, mij verpligt uw Ed: ter navol„ „ging aan te beveelen, de Bekruijssing, zodanig als die door mijn Predicesseur de Heer van Heuren bij zijn Edele nagelate memorie, zeer ampel beschree„ ven staat, en door Hun Hoog Edelheeden bij de meerm: Resolutie van 28: December 1785: goedgekeurd is, en het geene ik in de tegenswoordige zorgelijke tijden, nu de vrije vaarts door deese zein aan de Engelschen is g'accordeerd, te noodzake„ „lijker oordeel, voor al bij groote Nagulgewasschen, zo als in het voorgaande Jaar, doen ik de bekruissing rondsomme de Nagul districten met 24: orim„ „baijen, en van Goram langs de Zuidkust van Ceram tot de Baaij van Am„ „bon met twee wel g'armeerde Pantjallangs, mitsg„s van hier naar Sawaij aan de Noordkant van Ceram en te rug met seven vaartiigen, die alle meede d 1
English
were also provided with the necessary crew, handguns, and firearms, I ordered to be performed. And because the pantjallangs are not so suitable for that purpose in these fathomless waters as the rowing vessels, I had some oars placed on them, which was found to be of great utility, and which I recommend to your Honor as a proper measure to follow, while it would not be unserviceable if the vessels built for this province were all constructed in such a way that oars could be mounted on them. The Hongi Expedition, established of old to divert the native as much as possible from harvesting cloves, I consider for that reason very useful to be continued, though by no means during large clove harvests; for since free navigation was granted to the English, it is an all too alarming prospect to leave the government with the most considerable force, to strip the negorijen of people, and to leave the cloves as prey. In my opinion, it is therefore of the utmost necessity at such times to regulate an extensive patrolling system, as I have cited here before, yes, far more prudently than to visit some negorijen stripped of people along barren beaches on northern Ceram with Ambon's force. Experience will show your Honor that the dangers to which this fleet is exposed consist mainly in the fact that the orembaijen, which are almost all built without a single nail and are exposed to fierce winds, high seas, or rocky shores, very easily break apart, at which time the European fears he will lose his life, whereas the native swims ashore and does not care about his loss, because he receives 50 rixdollars in the Company treasury for his old and worn-out orembaai; while besides this payment, the Company must bear the loss of the ammunition supplies on board, and thus it is highly necessary that in such accidents, before proceeding to that payment, one carefully investigates whether the claims are satisfactory. The victorious sea battles fought by my predecessor, Mr. van Reuren, against the fleet of the rebellious Prince Nuku, see the notes in his Honor's left-behind memorandum, held my attention for some time after I arrived in this province; imagining that matters of that nature had occurred in this province in former times, I checked the daily registers of that period, where I found all the exploits described in a rather exaggerated manner. I can and may assure your Honor that no dangers of that nature are to be feared any longer, for neither the aforementioned Nuku nor the Papuans will await the Hongi fleet, much less oppose it, and the fear of the Cerammers of it is so great that they always know in advance where the Hongi is coming, either to pay homage to it or to flee inland if, convicted of treacherous conduct, they do not wish to expose themselves. Yet leaving this aside, this Hongi constitutes a great burden on the native; for in the first place, besides the cruising, he must maintain a Hongi orembaai that has the specified length and manner, under penalty of a fine of 50 rixdollars whenever anything is lacking in this number, besides the confiscation of that vessel; Secondly, he must provide the same with sails, cordage, the specified number of crew, and other necessities, or fall into a second fine; Thirdly, he must abandon his clove trees, the sole means of his existence, leave his wife and children behind to their own care without daily sustenance, and provide himself with the necessary provisions for his voyage without receiving the slightest wage for it; and Fourthly, upon his return, he must furnish his share toward the payment of the fines to the Fiscal, which are not small, for this officer, trained to have his subordinates pursue the violators of the Hongi Edict, no matter how unfortunate the circumstances that led them to it, lets nothing pass. When conducting my second Hongi, I reduced the fines specified in that edict by more than half, not counting some that I abolished entirely, in order to bring about every possible relief for the native in this regard, as well as in the court and corvée services, cruising, and prompt payment for delivered materials, and I cannot recommend enough to your Honor to exercise all possible moderation in this article and not to rely on the generosity
Dutch transcription
meede van het benodigde volk, hand en schietgeweer voorzien waaren, heb laate verrigten En wijl de Pantjallangs, in deese grondeloose vaarwaters, tot dat eijnde zo geschikt niet zijn, als de roeij vaartuigen, hebbe ik op dezelve eenige riemen laten plaatsen, dat van een groote nuttigheid bevonden is, en 't geen ik uwEd: als een gepast mid„ „del ter navolging aanbeveele, terwijl het niet ondienstig zoude zyn, dat de vaartui„ „gen, die voor deese Provintie worden aangemaakt, alle zodanig worden ingerigt, dat er riemen opgeplaatst konnen worden . De Hongij Togt van oud ther ingerigt, om den Inlander zo wel mogelijk van het Nagul plucken te diverteeren, agte ik om die reede zeer dienstig dat gecontinueerd word, doch geensints bij groote Nagelgewasschen; want zeedert de vrije vaart aan de Engelschen is afgestaan, is het van een al te zorgelijken aanschouw om het gouvernement, met de aanzienlijkstemagt te verlaaten, de Negorijen van volk te ontblooten en de Nagulen als ten prooije te laten, het is dan naar mijn gevoele bij zulke tijden van de uitterste noodzakelijkheid, eene wel g'extendeerde Bekruissing, zo als ik hier voor aangehaald heb te reguleeren, Ja vrij voorrigtiger als met Ambons magt, benooide Ceram, langs dorve stranden, eenige van volk ontbloote Negorijen te bezigtigen — De ondervinding zal uwEd: doen zien, dat de gevaaren waar aan deese vloot g'exponeerd is, voornamelijk hier in bestaat, dat de orembaijen, welke meest alle sonder een spijker gebouwd zijn, en aan felle winden, hooge zeen, of klippige stranden geExponneerd, zeer ligt uit den anderen raaken, wanneer den Europeens gevaar hoopt zijn leeve te verliesen, daar den Inlander naar Land hremd, en zijn verlies zich niet bekreund, om dat hij voor zijn oude en afgevaare orembaaij rd„s 50:—: - in 't sComp„s kas ontfangd; terwijl zich de Comp:e behalven deese betaa„ „ling getroosten moet, het verlies der daar op zijnde amunitie goederen, en dus is het hoog nodig, dat men bij zulke ongelukken, alvoorens men tot die betaa„ „ling overgaat, nauwkeurig onderzoekk of de voorgevens voldoenden zijn e De victorieuse zee slagen door mijn predecesseur de Heer van Reuren, teegende vloot van de rebelleerende Prins Noekor gehouden, vide het aangeteekende bij zijn Edele nagelatene memorie, hielde mijn aandagt, doen ik in deese Provintie arriveerde, eenig tijd gaande dan, wel eertijds zaaken 79 zaaken van die natuur, in deese Provintie voorgevallen, mij voorstellende, deed mij de dagregisters van dien tijd naloopen, wanneer ik alle de verrigtin„ gen, in zijn omstaande vrij vergroot beschreeven vond, ik kan en mag uw Ed: verzeekeren dat er geene gevaaren van die natuur, thans meer te vreesen zijn, wande de voornoemde Noekoo, nog de Papoin zullen de Hongij vloot niet inwagten veel min teegen gaan, en de vreese van den Cerammer is daar voor zo groot, dat zij altoos voor af weeten, van waarde Hlongij komt, om deselve homage te doen, of wel Landwaards in te vlugten zo hij overtuigd van ontrouwe behan„ „deling, zich niet exponneeren wil Dan dit daar gelaaten, zo strakt deese Hlongij tot eene groote last voor den Inlander; want in de eerste plaats moet hij buiten de kruis, nog eene Hongij orembaaij onderhouden, die de bepaalde lengte en wijse heeft, op verbeur„ „te van rd„s 50: boete, wanneer maar iets aan dit getal ontbreekt, buiten de verbeuik verklaaring van dat vaarting en Ten tweede moet hij dezelve van zijlen, touwerken, het bepaald getal manschappen en andere benodigtheeden voorzien, of vervald in een tweede boek en Ten derde, moet hij zijne Nagelboomen, het eenige middel van zijn be„ „staan verlaaten, zijn vrouw en kinderen, ontbloot van een dagelijks onderhoud, aan hun eijgen zorge overgeeven, en zich voor zijne rijse, van de benodigde provi„ „sie voorzien sonder de geringste Loon daar voor te genieten en Ten vierde moet hij naar zijne te rugkomst, zijne portie fourneeren, tot de betaaling van de boetens aan den Fiscaal, die niet weinig zijn, want deesen officier afgeregt om de overtreders van het Hongij Placcaat, hoe ongeluckig ook zij daar toe gekomen zijn, door zijne supoosten te doen agterhaalen, laat niets passeeren Bij het doen van mijne tweede Hongij, hebbe ik de boetens bij dat Plac= „caat bepaald, ruim de helft verminderd, ongereekend sommige die ik geheel afgeschaft heb, om bier in den Inlander zo wel, alle mogelijke verligting te weeg te brengen, als in de Hof en Heeren diensten bekruissing en promp te betaling voor geleverde materialen, en ik kan uw Ed: niet genoeg aanbeveele, in dit articul alle mogelijken moderatie te gedruken en het mit op de genereusiteit
English
generosity of a Hongi Fiscal to depend upon, and In A° 1736 the Regents of Alang, Lillebooij, and Hoetoemoerij requested me that, just like all the others, each might furnish an orembaaij instead of a Corre Corre, but since these Corre Corre are absolutely necessary in the fleet for the galley, livestock pen, and the Fiscal, and are nevertheless a great burden for those poor people because they need more people to furnish such a vessel and fewer can be excused, besides being obliged to fund a cruising orembaaij, Their High Excellencies, by letter of 15 December 1786, denied this request, yet at the same time permitted granting them some relief in other matters, which I judge best done in reducing the quarters of crew and, as much as possible, excusing them from the cruising patrols. In the past year, Hila's head Smissaerd presented to me the petition of the Regents of Wackal and Caijteto to be allowed to furnish one orembaaij jointly instead of each separately, because due to the decline of their village populations they were unable to crew an orembaaij each. I have likewise submitted this request to the Honourable High Indian Government, but have not yet been able to obtain a reply from the same; meanwhile I do not doubt in the least that requests of this nature will increase more and more due to the daily decline of the village populations, as indeed followed shortly thereafter. During my latest Hongi or inspection, the Regents of Soija, Mardika, and Halong complained to me that they were unable to crew an orembaaij each, and as I found that their complaints were well-founded, I permitted the latter two to furnish a Corre Corre together, and the first to accompany the minister on his inspection, which is less burdensome and damaging to them, and may well be kept in consideration by Your Honour, always to favor in this way those who are provided with few people. Regarding the holding of the Saniri or general Land Assembly of the Alfurs, Messrs. van der Voort and van Pleuren were not in agreement. In anno 1786 I held this Land Assembly at Pamahoe, in the bay of Hoeamohel, and contrary to my expectations it turned out well. Now, to give a full description of this Saniri I consider superfluous, because they are described at length in the memoirs of the aforementioned Messrs. van der Voort and van Pleuren, while the Honourable High Indian Government, acting upon the latter by Resolution of 28 December 1785, because of the utility demonstrated by Mr. van Pleuren, resolved to have that general Land Assembly held at least every 5 years alternately at the three Main Rivers designated for that purpose, although I am of a contrary opinion, as this ceremonial serves solely to drive the Governor to expense and The extirpation of spice trees is of such importance to the Company that I cannot recommend it strongly enough to Your Honour, especially in unpermitted places, for since unhindered navigation through these seas has been granted to the English, the islands of Ceram and Bouro remain, as I assume on good grounds, the object of their attention, and not at all without reason, because those extensive lands contain more trees than one can imagine, and how else could these foreigners obtain the spices, when smuggling is so strictly guarded against, than through the inhabitants of these islands, the tree-less Alfurs. I have taken much trouble to uncover this secret, and have finally advanced so far that I am now reliably informed that the interior of Ceram is full of spice trees, and I therefore consider it, especially at this time, of the utmost importance to apply oneself to the extirpation there and In anno 1786 I held a Saniri, at which time the Alfurs, while drinking the Mattakan, or swearing drink, promised me faithfully to point out all spice trees, while at that very same time several bamboos were brought to me which were filled with cloves and were thus transported down from the mountains by the Alfurs to exchange them with the Ceram people for linen, parangs, and other necessities.
Dutch transcription
generusiteit van een Hongij Fiscaal te laten aankomen en In A„o 1736: versogten mij de Regenten van Alang, Lillebooijen Hoetoe„ „moerij„ om even als alle andere, ieder eene orembaaij in steede van een Corre Corre te mogen scheppen, dan daar deese Corre Corre in de vloot absoluit benodigt zijn, voor de Cambuis, veehok, en den Fiscaal, en egter een groote Lastpost voor die arme menschen, om dat zij tot het scheppen van zulke een vartuig, meerder volk nodig hebben en minder g'excusseerd konnen worden buijten dat zij ge„ „houden zijn nog een kruis orembaij te bekostigen, hebben Hun Hoog Edelheeden bij brief van den 15: December 1786: dit versoek ontsegd, dog teffens gepermitteerd, hen en andere zaaken eenige verligting toe te brengen, dat ik best oordeel, in de vermin„ „dering van quarts volk en zo veel mogelijk, t excusseeren van de bekruissing In het voorleeden Jaar, wierd mij door Hilas hoofd Smissaerd voorgedra„ „gen, de instantie van den Regenten van wackal en Caijteto, om insteede van ieder gesamendlijk een orembaaij te mogen schepen, om dat door verloop hunner Negorijs volkeren, zij buiten staat waren, ieder een orembaaij te bemannen, ik heb„ dit verzoek mede de Edele Hooge Indiasche Regeering voorgedragen dog van Hoogst Derzelven nog geen andwoord mogen erlangen; intusschen twijffele ik geensints, of verzoeken van deesen aard zullen meer en meer toeneemen door het dagelijks verloop der Negorijs volkeren zo als dan al kort daar na, gevolg genoomen heeft — Bij het doen mijner Iongste Hongij of visit, klaagden mij de Regen„ „ten van Soija, Mardika en Halong, buiten staat te zyn ieder een orem„ rbaij te kunnen bemannen, en wijl ik bevond dat hunne klagten gegrond waren, heb ik de twee Laatste gepermitteerd, te samen een Corre Corre te scheppen, en den eersten om den predikant op de visite te versellen, dat hun minlastiger en schadelijker is, en bij uw Ed: wel in aanwerking mag worden gehouden, om„ daar meede altoos de zulke te faroriseeren, die van weinig volk voorzien zin Over het houden van de Jandele of algemeene Landvergadering der Alfoiren, zijn 81 zijn het de Heeren van der voorten van Pleuren niet eens geweesten Ik heb in anno 1786: deese Landdag te Pamahoe, in de bogt van Hou„ amohel gehouden, en dezelve is teegens mijne verwagting wel uitgevallen — Om nu van deese Sanirie eene volleedige beschrijving te geven, agt ik over„ boodig, om dat die in de memorien van welmelde Heeren van der voort en van Keuren breedvoerig beschreeven staan, terwijl de Edele Hoog Indiasche Regeering, op de laatste bij Resolutie van 28:e December 1785: om de door de Heer van Pleuren betoogde nuttigheid, beslooten heeft die algemeene Landvergadering, ten minste om de 5: Jaaren beurtelings aan de daar toe bestemde drie Hoofd Rivieren te laaten houden, hoe wel ik van een Con„ „trarie gevoele ben, als strekkende dit Ceremonieel eenlijk om den gouverneur op kosten te Iaagen en Het Extirpeeren van Specerij Boo= „men, is voor de Maatshappij van die aangelegenheid dat ik het zelve uw Ed: niet kragtig genoeg kan aanbeveelen, voor al op ongepermitteerde plaat„ „sen, want daar aan de Engelschen de ongegineerde vaart door deese zeen is toege„ „staan, blijven de Eijlanden Ceram en Bouro /:zo als ik op goede gronden veron„ „derstel:/ het voorwerp hunner attentie, en gants niet ongegrond, om dat die uitge„ „strekte Landen, meerder boomen in zich bevatten, als men verbeelden kan, en hoe zoude deese vreemdelingen dog beeter aan de specerij koomen, daar teegen den Smockelhandel, so strikt gewaakt word, als door de bewoonders van deese Eijlanden, de Poomeloose alfoeren— Ik heb veele moeijte gedaan om agter dit geheim te koomen, en ben eindelijk zo verre gevorderd, dat ik nu in het zeekere onderrigt ben, dat Ceram van binnen vol met specerij boomen is, en ik agt het derhalven, voor al in deese tijd, van het uitterste gewigt, om zich op de Exterpatie aldaar, toe te leggen en In Anno 1786: hield ik eene Sanixie, wanneer mij de Alfoeren onder het drinken van de Mattakan /:bekweerings drank:/ beloofde alle Specerij Boome getrouwelijk te zullen aanwijsen, terwijl mij in dat zelve tijd stip, eenige bamber„ „sen wierden aangebragt, die met Nagulen gevuld en door de alfoeren dusdanig uit het gebergte afgevoerd wierden, om die aan de Ceraommers tegens Lijwaat, par„ „dings in andere benodigtheeden te veruilen —
English
And if one considers with attention how these mountain peoples obtain their necessities, since they, ignorant of any trade or craft, perform no labor whatsoever, then one must indeed assume that the spices, which propagate themselves, are their only recourse. In my nearly three-year administration, I have made every possible endeavor toward the extirpation in unpermitted places, and I have also succeeded reasonably well, as the outgoing letters to the Honorable High Government and the resolutions will show Your Honor. At the end of the previous year, through the agency of the fugitive Captain Sanirie Pelakahoe, whom I also for that reason left unpunished, a multitude of spice trees on the north side of Ceram were pointed out to me, and as an indisposition prevented me from making the inspection of the offices early, I found a suitable opportunity not to detain the hongi vessels needlessly, but to send commissioners thither, who then made such discoveries as are described in detail in the report inserted in the resolution of 5 December, on account of which it was resolved therein to send thither in the coming months of April or May some orembaais with people, covered by a detachment, for the eradication of those trees. Furthermore, as I have cited above in what manner the Alfoor carries off the cloves and barters them to the Cerammers, it will also be of great utility that Your Honor does not lose sight of the conduct of the latter, for the Cerammers, known of old as smugglers, have certain outlets to dispose of the cloves brought to them, and in this, my suspicion is not unfounded regarding the navigation to Boeton, back and forth, for which reason I have most strictly recommended to the cruisers the inspection of all vessels according to the instructions given to them. Having thus far presented to Your Honor my sentiment concerning the extirpation in unpermitted places, I shall now briefly note, with respect to that in permitted places, or in the datis, that as long as the tatanamangs continue on the present footing, keeping the mature trees on the footing determined by Their High Honors is of not the least use, considering that in large crops, notwithstanding this extirpation, the quantity delivered remains just as large, which otherwise must absolutely decrease. Native affairs have been described so amply by my predecessor, Mr. van Pleuren, in His Honor's memorial, with the citation of a multitude of arrangements and remedies which His Honor was obliged to make during his ten-year administration, that I shall not presume to make any refutations in that regard; but since I have adopted them all as such for compliance, I likewise recommend them to Your Honor, whereas with respect to the extensive description of the Cerammers I must note that with all harsh treatments of those peoples nothing is gained; for, being treacherous by nature and having nothing to lose, one wastes time and expense needlessly, and it therefore seems to me much more fitting that, while maintaining a prudent distrust, one should cajole them by providing them as much as possible with necessities, so that they need seek no other outlets by frequenting the navigation to Java, Bali, Bouton, and elsewhere, which I judge to be very perilous, because Ceram produces nothing of note for trade, and they must therefore have recourse to the spices, as I have said above under the heading of extirpations, which are brought to them by the Alfoors from the mountains in bamboos. Since the High Government, pursuant to what was noted in Their High Resolution of 28 December 1785, has been pleased to suspend the disposition concerning the dependency of the entire island of Ceram, with the surrounding islands of Keffing, Poulo Gisser, Ceram Laut, and Goram, Your Honor will have to await the outcome thereof in order thereafter to be able to take your measures regarding those islanders and their trade with the Papuans. The murders and robberies by these peoples, says Mr. van Pleuren, have from of old been a bitter scourge for this province, and not without reason; although these have decreased greatly since I ceased the ransom of kidnapped people, for the Cerammer, having a free hand in this, knew how to turn that robbery to his advantage, and I have also since, as appears from what was noted in the resolution of 2 October of the past year 1787, closed that account in the books, so that nothing more of it now appears except a small remainder amounting to ƒ 1161: 17: 12, which those of Bouro must settle through the delivery of timber. The punishable deeds of the notorious Prince Noekoe, calling himself
Dutch transcription
En overdenkt men eens met aandagt, hoe deese bergrolkeren aan hunne benoodigd„ „heid koomen, daar zij onkundig van eenige neering of handteering, hoegenaamd geen arbeid verrigten, dan diend men wel te onderstellen, dat de specerijen, welke zich selfs voortteelen, hun eenige toevlugt is; In mijn bijna drie Jaarig bestier, heb ik alle mogelijke dovoiren tot de Extirpatie op ongepermitteerde plaatsen aangewend, en ik ben ook reedelijk welgeslaagd, zo als uw Ed de afgaande brieven aan de Edele Hooge Regeering en de Resolutien zullen aanwijsen— In het laaste van het voorgaande Jaar, zijn mij door toedoen van den ge„ „vlugte Capitain Sanirie Pelakahoe, welke ik ook om die reede straffeloos gelaaten heb, een meenigte specerij boomen aan de Noordkant van Ceram, aangeweesen, en wijl eene onpassalijkheid mij belette de visite op de Comptoiren vroegtijdig te doen, vond ik eene geschikte gelegendheid om de Hongij vaartuigen niet noodeloos aantehouden, maar met gecommitteerdens derwaarts te zenden, welke dan sodani„ „ge ontdekkingen hebben gedaan, als bij het ter Resolutie van den 5: December g'insereerd berigt, breedvoerig beschreeven staan, wethalven daar bij beslooten is, om in de maanden April of Maij aanstaande, eenige orembaijen met volk door een Commando bedekt, derwaarts te zenden, ter uitroeijing van dat geboom„ „te —n Dan daar ik hier voor heb aangehaald, op wat wijse den Alphoer de Na„ „gulen afvoerd, en aan de Cerammer verruild, zal het meede van veel nuttigheid zijn, dat uw Ed: het gedrag der laasten, niet uit het oog verluest, want de Ceram„ „mers van oudsher, voor smokkel handelaaren bekend, hebben zeekere uitwee„ „gen om de hun aangebragte Nagulen, van de hand te zetten, en hier inne ver„ „denking ik niet ongegrond, de vaart op Boeton, over en weeder, waaromme ik de kruissers ten steekste heb aanbevoole, het visiteeren van alle vaartuigen blij„ „kens de aan hun meede gegeevene Instructien en Tot hier toe uw Ed: voorgeschreeve hebbende mijn gevoelen omtrent de Extir„ „patie op ongepermitteerde plaatsen, zal ik nu nog kortelijk, met opzigt tot die op gepermitteerde plaatsen, of in de datijs noteeren, dat zo lange de tatanamangs op den presenten voet blijven voortduuren, het houden der volwassen boomen op de door Hun Hoog Edelheeden bepaalden voet, van geen het minste nut is, gemerkt dat bij groote gewassen niet tegenstaande deese Extirpatie, de geleverd wordende quantiteit eeven groot blijft die anders absolut verminderen moeste en De 83 De Jnlandsche zaaken, zijn door mijn Prede„ „cesseur de Heer van Pleuren bij zijn Edele Memorie zo ampel beschreeven met aanhaaling van een meenigte schikkingen en redressen, die zyn Ed: in zijn tien jaarig Bestier genoodzaakt geweest is te moeten maaken, dat ik mij niet eman„ „cipeeren zal, daar omtrent eenige wederleggingen te doen, maar daar ik ze alle als zodanig ter opvolging heb aangenoomen, uw Ed: dezelve ook sodaanig aanbevee„ „le, intusschen dat ik met opzigt tot de uitgebeerde beschrijving der Cerammers, note„ „ren moet, dat met alle harde behandelingen aan die volkeren, niets gewonnen word; want in den aard trouweloos en niets te verliesen hebbende, verspild men de tijd en kosten noodeloos, en het komt mij derhalven vrij gepaster voor, dat men onder het voeden van een voorzigtig wantrouwen, hun Caijoleerde met zo veel moge„ „lijk van benoodigtheiden te voorzien, op dat zij geene andere uitweegen, door het frequenteeren van de vaart op Iava, Balij, Bouton en elders, behoeven te zoeken, die ik oordeel dat zeer bedenkelijk is, om dat Ceram niets noemen swaar„ „digs voor den handel leeverd, en zij derhalven toevlugt moeten neemen tot de spece„ „rijen zo als ik hier voor onder het Hoofdeel van Extipatien gesegd hebbe, dat hun door de alfoeren uit de gebergtens in bamboesen wordt aangebragt — Daar nu de Hooge Regeering ingevolge het genotenrde bij Hoogst Dersel„ „ver Resolutie van 28 december 1785: de dispositie hebben gelieven te surcheeren, over de onder„ „hoorigheid van het geheele Eijland Ceram, met de omleggende Eijlanden keffing, Poulo Gisser, Ceram Laut, en goram, zal uwEd: den uitslag daar van moeten afwagten, om daar na uwe mesures, opzigtelijk die Eijlanders, en den handel derzelven, met de Papoen, te konnen nemen e De moord en Roverijen van deese volkeren, zegd de Heer van Pleuren, is van oudsher een bittere roede voor deese Provincie geweest, en niet ongegrond; hoe wel die zeedert ik de inlossing der geroofde menschen gestaakt heb veel verminderd: is, want den Cerammer hier in de hand hebbende, wist zich dat roven ten mitte te ma„ ken, en ik heb ook zeedert, blijkens 't genoteerde bij Resolutie van den 2: october des gepasseerden Jaars 1787. die reekening bij de boeken gesloten; zat dat daar„ nu niets meer van voorkomt als een restantje groot ƒ 1161: 17:12: dat die van Bouro, door de Leverancie van houtwerken moeten vereevenen — De staafwaardige bedrijven van den berugten Prim Noekoe, zich noemende
English
calling himself King of Ceram in the Papuan lands, who has caused much trouble here, ought also not to be withheld from Your Honour's knowledge. He has, during my administration, resided on the north side of Ceram, in the negorij Waroe, Hottij, or Rarakit, and I have during that time applied all possible diligence and effort to catch him in a trap wherever possible, but in vain; in A:o 1785 I captured Rarakit, where he was present so shortly before my arrival that the fire in his kitchen was still burning, and since I was taught by this that means of force were a futile effort, I tried to overpower him by stratagem; but this likewise refusing to make progress, I attempted, by feigning to be his friend, to achieve my objective; all to be seen in detail in my separate letters addressed successively to the Honourable High Government, and Their High Mightinesses have been pleased to communicate to me by letter of 23 January 1787 that the reward of 1000 rd:s offered to whoever delivers this rebel alive into our hands was communicated to the Lords Governors of Ternate and Banda, with the order, however, that in case it should happen that a pardon had been promised in any way to the said Noekos pursuant to the earlier order, to inform Their Honours directly thereof, and that this has not yet been able to take place, for such reasons as are detailed more broadly in my separate letter to the Honourable High Indian Government of 15 June 1787. The fugitive Captain Sanirie Pelakahoe, who has successively been accused of many robberies and murders, has also kept me busy for some time, until I was informed in the past year by the Sawaij Commander, Ensign Fockens, that more was being placed to his account than he had actually done, and that he had offered to submit to the Company, provided that he were received back in grace; while, to show evidence of his sincerity, he had pointed out a multitude of spice trees, and I have therefore thought it best to make useful use of this, as Your Honour will observe from my aforesaid letter to the Honourable High Indian Government of 15 June 1787, and the consequences are that he has since made and reported new discoveries of spice trees again, as appears from the further incoming report from the aforementioned Commander Fockens dated 10 October A:o p:o. Upon the return of the pantjallangs De Vriendschap and De Willem, which were sent out on patrol, it has appeared to me from a report of the masters of those vessels that the people of the negorijen Ammar and Salakat, on the island of Goram, are said to be accomplices in the surprise attack on the settlement on Aroe, and that as evidence thereof, two bells stolen there and six metal swivel guns are still to be found in their negorijen; now considering that these islanders are deemed of much use to Banda, for which reason they have come into consideration with me; these punishable actions could not well be overlooked but merit a sharp correction, and I therefore deem it necessary that this matter be investigated at an opportunity or during the conduct of the Hongi. With regard to the outer posts, upon conducting my first Hongi, I found such a multitude of defects in the buildings and fortification works existing there, that after my return, I commissioned Artillery Lieutenant Strick, experienced in engineering, to survey all of them as accurately as possible and to report the defects in a statement; and this officer having complied therewith by a report of 10 March 1786, which is annexed hereto in original, I resolved to have these defects repaired as well as possible and without causing much stir; I therefore ordered the Saparoea Chief Beth to provide for the buildings in Fort Duurstede as much as possible, with the order that the regents should supply the necessary materials for it, except for the ironwork, which I had made here, while I ordered those of Haroeko and Hila to have the necessary timber felled in advance by the regents, and it will be highly necessary to urge the chiefs to this continuously if one wishes to expect any improvement in that respect in due time. At Manipa, I found the redoubt Wantrouw during my Hongi conducted in A:o 1786 to be in a deplorable condition, and since a project for a new work had already been drafted, I noted my opinion concerning this in the Hongi report of that time, which was also approved by Their High Honours, to which, for the sake of brevity, I refer. Furthermore, I have the post Sawaij, upon the obtained qualification of the Honourable High
Dutch transcription
noemende koning van Ceram in de Papoen die hier veele op het gemaakt heeft, behoor„ „de mede uw Ed: kennisse nmiet onttrocken te worden — Vlij heeft zich geduurende mijn bestier, aan de Noordkant van Ceram, op de Negorij waroe, Hottij of Rarakit opgehouden, en ik heb in dien tijd alle mogelijke vlijd en moeijte aangewend om hem, waar 't mogelijke z den knip te krijgen, dog vrugteloos; in A„o 1785: overmeesterde ik Rarakit, alwaar hij zich noch zo kort voor mijnen komst bevond, dat het vuur in zijn Combouis nog brande, en dewijl ik hier door geleesd wierd, dat middelen van geweld, vergeefsche moeijte was; heb ik hem getragt door list te overmeesteren; dog dit almede niet willende vlotten, probeer„ „de ik, door het rijnsen van zijn vriend te zijn, mijn oogmerk te berijken; alles in het breede te zien bij mijne aan de Edele Hooge Regeering successive gerigte aparte brieven, en Hoogst Dezelven hebben mij bij brief van den 23: Januarij 1787: gelieven te Communiceeren, dat van de uitloving van rd„s 1000: rd„s aan den geenen die deese rebel levendig in handen leeverd, aan de Heeren gouverneurs van Ternaten en Banda Communicatie was gedaan met order egter, om ingevalle het gebeurde, dat aan gedagte Noekos, ingevolge de vroegere order, Pardon ieks toegesegd, daar van Hun Ed: direct kennis te geeven, en dat nog geen plaats heeft konnen vinden, om zodanige reedenen, als bij mijne aparte brief aan de Edele Hoog Indiasche Regeering van 15: Junij 1787: in 't breeder gedetailleert — Den voortvlugtigen Capitain Sanirie Pelakahoe die sucesseve met veele Roverijen en Moorderijen beschuldigd is, heeft mij mede eenigen tijd beesig gehouden, tot dat ik in het gepasseerde Jaar door den Sawaijs Commandant, de vaendrig Fockens ben g'informeerd geworden, dat er meer op zijn reeckening gesteld wierd, dan hij wesentlijk gedaan had, en zich had aangebooden, aan de Comp:e te willen onderwerpen, zo wanneer hij in genaade weeder aangenoomen wierd; intusschen dat hij om blijken te toonen van zijnen welmeenenheid, een meenigte specerij boomen had aangeweesen en Ik heb derhalven het best gedagt hier van een nuttig gebruik te maken zo als uwEd: uit mijn voorsz: brief aan de Ed: Hooge Indiasche Regeering van 15e Junij 1787: ontwaren zal, en de gevolgen zijn, dat hij zeedert weder nieuwe ontdekkin„ „gen van specerij boomen gedaan en opgegeeven heeft, zo als blijkt uit het nader ingekoome berigt van de voorn: Commandant Fockens de dato 10: 8ber: A:o p„o E 85 Bij het retourneeren van de ter kruissing uitgezondene Pantjallangs de vriend= „schap in de willem, is mij uit een berigt der gezaghebbers van die vaartuijgen ge„ „bleeken, dat die van de Negorijen Ammar en Salakat, op 't Eijland Goram„ mede pligtigen zoude zijn, aan de overrompeling van de besitting op Aroe, en dat ten blijke daar van, in hunne Negorijen nog te vinden zouden zijn, twee aldaar geroofde klokken en ses metaale Draaijbassen; gemerkt nu deese Eijlanders van veel net voor Banda worden g'oordeeld, om welke reeden zij bij mij in Consi„ „deratie zijn gekomen; zoude deese staafwaardige gedoentens, niet wel konnen worden gepasseerd maar eene scherpe Correctie miciteere, en ik agte het dier„ „halven noodig, dat deese zaak bij gelegendheid of wel onder het doen der Hongij worde onderzogt — Met opzigt tot de Buijten Comptoiren bevond ik bij het doen mijner eersten Hongij, zo een meenigte gebrecken aan de daar zijn„ „de gebouwen en fortificatie werken, dat ik naar mijn retour, den in de genie er„ „vaaren Arthillerij Luitenant Strick Committeerde, alle dezelve zo nauwken„ „rig doenlijk op teneemen en de gebreeken bij en berigt op te geven; en deesen officier daar aan bij een berigt van den 10:e maart 1786: 't geen in originali deesen g'anexeerd is, voldaan hebbende, ben ik ter raade geworden deese gebreeken, zo goed doenlijk en zonder veel ophet te maken, te laten repareeren„ ik gelaste derhalven het Saparous Hoofd Beth, om de gebouwen in het fort Duursteede zo veel mogelijk te voorzien, met order, dat de Regenten daar toe, de benoodigde materiaalen zoude Leveren, uitgenoomen het ijzerwerk, 't geen ik hier hebbe laten maken, middelerwijle dat ik die van Haroeko en Hi„ „la gelast hebbe, het benoodigde hout door de Regenten in voorraad te laten kappen, en het zal ten hoogsten nodig zijn de hoofden hier toe bij aanhouden„ „heid aantespooren wil men daar omtrent in der tijd eenige verbetering ver„ „wagten —. De Manipa, bevond ik de Redout wantrouw bij mijne gedaane Hon„ „gij in A„o 1786: in eene de plorable toestant, en wijl er reets een project tot een Nieuw werk was ontworpen; heb ik mijn gevoele desweege bij het Hongij Relaas van dien tijd genoteerd, en 't geen ook door Hun Hoog Edelhee„ „den is geapprobeerd, waar aan, ik mij, kortheyds halve gedraage voorts: heb ik de Post Sawaij op de gevincreerde qualificatie der Edele Hooge