VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3838

Ceylon · 1,258 pages · 177 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3838_1029 view scan ↗

English

received from the Disawa some presents of betel, etc. Monday the 16th, at one o'clock in the afternoon, the gifts had been carried off, and I departed behind the letter. At 5 o'clock I was close to Ganne Roewe, but had to wait at the ordinary place until it began to grow dark. Towards half past six the letter was taken up, and I was at the same time requested to approach. At the usual place I was received by the Disawa of the Three and Four Korales together with the other courtiers who had come to meet me at Sitavaca and Attapittij, and they brought me slowly forward to beside the tree in front of the rest house. Having arrived at this point, it was already dark, and I found the following gentlemen drawn up in a row for my reception, namely: The Second Imperial Adigar Doembere Ralehamie, Attepattoe Mohotiaar Pattepolle Ralchamie, Ratteraale of Oedoenoere Kattekoembere Ralchamij, of the Maresiapattoe Noegewelle Ralchamij, Mohandiram Kobbekadoewe Ralehamij, of Oedoepolle ditto, of Wattoepalle ditto, ditto of the Great Dispens Poeswelle Ralehamij. Having had in their retinue for ceremony: 8 whips, 5 grasshoppers, 5 large standards, 20 small ditto, 60 Sepoys with sabres and shields, 107 men with firearms, and 30 ditto with pikes. After the welcome and the serving of rose water, the Second Imperial Adigar led me to the letter pavilion in the rest house, where the letter was inspected and deposited, under a salute of 15 shots from grasshoppers. Hereupon the usual compliments began, while standing under the mandapa before the letter pavilion, and these concluded with nearly the same words as at Sitavaka and Attapittij, on the occasions when I met the Disawa of the Three and Four Korales and the Maha Mohotiaar. The Lord Adigar then said that since it had already grown late, and His Honour still had to be at the Court, he intended to depart, but before his departure he brought me into a room, which he said had been prepared as my bedroom, and coming outside he also showed the room prepared for the scribe. We escorted His Honour and the other gentlemen as far as the steps by the river, where the Lord Adigar informed me that the following courtiers were commissioned to keep guard with the Embassy, namely: The Attepattoe Mohotiaar Pattepolle Ralehamij, Ratteraale of Oedoenoer Kattekoembere Ralehamij, of the Havesijepattoe Noegewelle Ralchamij, Mohandiram Kobekadoewe Ralehamij, ditto Oedepalle, ditto Wattoepalle, of the Great Dispens Poeswelle Ralchanij. I offered my compliments for this, and went back a short distance, standing for a moment with the first in rank of the commissioned courtiers on guard, until the Adigar and the other court dignitaries parted from one another, and with them we returned to the rest house. Night having fallen, the royal music was performed in honour of the letter, and this being finished, the aforementioned Attepattoe Mohotiaar, as the first in the commission, made known that by order of His Majesty, some pastry and other refreshments from the Great Dispens had been brought for me and the scribe, and he requested to have these brought inside. We accepted it and expressed our pleasure regarding it, requesting that our humble thanks be conveyed to His Majesty for what had been sent. The courtiers on guard thereupon took their leave of us, and we escorted them again outside the rest house, as far as the place where they usually part from us. Tuesday the 17th. I dispatched a letter to Your Right Honourable, to give notice of my arrival yesterday evening at Gannenoeive. By that letter I have likewise communicated to Your Right Honourable that, according to rumours, I would have the first audience on the 19th or 20th, and that thus far the court dignitaries who successively met me have brought up nothing concerning the Honourable Company and the Court. In the morning at 10 o'clock, the courtiers on guard let it be known that the Waddene Toeakkoekare Mohotiaar named Denegamoewe Ralehamij and the Mohandiram Walangodde Ralehamij from the Court had arrived on the opposite side of the river, and that they were ready to go and receive those gentlemen. Upon that message, I proceeded together with the scribe to the tree in front of our rest house, and from there we went together to the steps of the river and there welcomed both the aforementioned gentlemen. According to custom, they were served with rose water, and subsequently we escorted them to the letter pavilion, where they viewed the letter. Subsequently, those gentlemen announced that they had been commissioned by the Court to inquire after the welfare of myself and the scribe, and also whether we had been treated according to custom after our arrival at Ganne Roewe, etc. I answered each matter as required, and upon my invitation those gentlemen sat down with us in the rest house. The discourse was simple, and after about an hour they departed; we escorted them again to the steps, and having served them with rose water, we left them, and escorted our commissioned guards back to the tree before the rest house and parted from them there as well. In the evening, around 7 o'clock, the Mohotiaar and four more of the courtiers on guard came into the rest house and, according to custom, had in our presence

Dutch transcription

1199. ve van den Dessave eenige presenten van betel EtC: Maandag den 16. 's middags om een uur, waaren de geschenken weg„ „gedraagen en ik vertrok agter den brief. om 5. uuren was ik digt bij ganne roewe, dog moest mij op de ordi„ „naire plaats ophouden tot dat het began donker te worden. Tegen half zeven uuren wierd den brief opge„ „noomen en ik wierd te gelijker tijd verzogd nader te koomen. op de gewoone plaats wierd ik ontvan„ „gen door den dessave der drie en vier korles nevens de verdere hovelingen, die mij op Sitavaca en Attapittij te gemoed gekoomen zijn en ze bragten mij langzaam voort tot naast de boom voor 't rust huijs Op deeze hoogte gekoomen zijnde, was het reeds donker en ik vond aldaar de volgende Heeren tot mijne receptie in een reij, geschaard, te weeten. De tweede rijks adigaar Doembere Ralehamie Atte pattoe mohotiaar Pattepolle ralchamie „ Ratteraale van oedoenoere Kattekoembere ralchamij „ de Maresiapattoe Noegewelle ralchamij „ 3 „ Mohandiram kobbekadoewe ralehaurij oedoepolle D —. „ 3 —. wattoe palle @ —. in —. „ —. van 't groot dispens Poes welle ralehanij 9 Hebbende „ 3 Hebbende tot statie bij zig gehad. 8. Zweepen 5. sprinkhaanen 5. groote vaandels 20. kleine d 60. Sipahis met Zabels en schilten 107. koppen met gewieren en 30. D —. „ pieken Na de welkomming en toediening met roose water, beide der tweeden rijksadigaar mij na het brieve huijsje in het rusthuijs, alwaar den brief bezigtigd en gebor„ „gen wierd, onder een saluut van 15. schooten uijt sprink „haanen Hier op naamen de gewoone komplimenten een begin, onder de mandoe voor het brieve huijsje staande, en dezelven liepen bij na met dezelfde bewoordingen af, als te sitavaka en Attapittij, bij gelegendheeden ik de Dessave der Drie en vier korles ende maha mohotiaar ontmoetede De Heer Adigaar zeide vervolgens, dat wijl het reeds laat geworden was, en zijn E: ook nog aan het Hoff moeste weezen, voorneemens te zijn, van te vertrek„ „ken, dog voor zijn weggaan bragd hij mij in een vertrek, welke hij zeide tot mijn slaap kamer te zijn 1209. zijn klaar gemaakt en buijten koomende wees hij ook de klaar kamer voor de scriba we geleiden zijn E: en de verdere Heeren tot aan de trap bij de revier, alwaar de Heer Adigaar mij te kennen gaf, dat de volgende hovelingen gecommitteerd waaren, om bij de Ambassade te blijven wagt houden, als: De Attepattoe mohotiaar Pattepolle ralehamij „ Ratteraale van Oedoenoer kattekoembere ralehamij —. „ de Havesije pattoe Noegewelle ralchamij „ 3 „ Mohandiram kobekadoewe Ralehamij „ 3 — —. Oedepalle 9 „ 9 —. wattoepalle 3 van 't groot Dispens Poeswelle ralchanij „ 9 . Jk maakte daar voor mijn Compliment, en ging effen te rug en bleef bij de eerste in rang van de gecommitteerde wagthebbende wovelingen een ogenblik staan, tot dat de Adigaar en de verdere hofsgrooten van den anderen raakten en met hun gingen wij weder na het rusthuijs Den avond ingevallen zijnde, wierd de koninglijke mu„ ziek ter eere van den brief gehouden en deeze afge„ „loopen zijnde, gaf voorm: Attepattoe Mohotiaar als de eerste in de Commissie te kennen, dat ter ordre van -. en zijne zijne K: M: uijt het groot dispens eenig gebak en andere versnaperingen, voor mij en den schriba aangebragt waaren en hij verzogte het een en ander te laten bin„ „nen brengen. wij accepteerden het in lieten onse genoegen derweegens blijken, met verzoek zijne K: M: voor het toegezon„ „dene onzen nedrigen dank afteleggen. De wagd hebben „de Hovelingen naamen hier op van ons afscheiden wij geleiden hun weder buijten het rusthuijs, tot op de plaats daar ze gewoonlijk van ons scheiden Dingsdag den 17. Lied ik een brief aan uwel Ed: groot Achtbaare afgaan, om kennis van mijne arrive gisteren avond op gannenoeive te geeven. Ik heb uwel Edele Groot Achtbaare bij die brief tevens gecommuniceerd dat ik volgens de gerugten op den 19. of 20: de eerste audientie zoude hebben en dat tot dus verre de mij successive ontmoete Hofsgrooten, niets aan „gaande DE: Comp:e en het koff ter spraake gebragt hebben. Des morgens te 10. uuren lieten de wagd hebbende hood „lingen weeten, dat de waddene Toeakkoekare moho„ „tiaar genaamt Deneg amoewe Ralehamij en de mo„ „handiram Walangodde ralehamij van 't Hoff aan de overzeide van de revier aangekoomen waaren, en dat ze 1201. ze gereed zijn, die heeren te gaan decipieeren. Ik begaf mij nevens de scriba op die boodschap tot aan de boom voor ons rusthuijs en vandaar gingen wegezament„ „lijk na de trap van de rivier en verwelk omden aldaar voornoemde beide Heeren Na den gebruijke wierden ze met roosewater bediend en vervolgens geleiden we hun na het brieve huijsje, alwaar ze, den brief bezaagen Vervolgens maakten die weeren bekend, dat ze door het Hoff gecommitteerd waaren, om na de welstand van mij en de scriba te komen verneemen en ook of mij na onzen aankomst te ganavoewe naar gewoonte zijn behandelt Etc: Ik beandwoorde het een en ander na vereisch en op mij nodiging zijn die Heeren met ons in het rusthuijs gaan zitten Het diskoers was invoudig en na een uur omtrend vertrokken ze: we bragten haar weder tot aan de trap en hun met roose water bediend hebbende, verlieten wij ze, en geleiden onze wagd hebbende gecommit„ „teerden te rug, tot bij de boom voor het rusthuijs en verlieten hun meede aldaar. Des avonds omtrend 7. uuren kwam de mohotiaar en nog vier van de wagd hebbende Hovelingen in het rusthuijs en lieten volgens gebruijk in onse tegenwoor„ „digheid

NL-HaNA_1.04.02_3838_1034 view scan ↗

English

the music in honor of the royal letter could be heard. Wednesday the 18th: the mohotiaar and three more of the courtiers on guard arrived, being received at the rest house by me and the scribe, to inspect the letter and gifts and also to inquire after our well-being. In the evening, music was played as usual. Thursday the 19th: nothing else occurred other than the inspection of the letter and gifts in the forenoon, and the customary music in the evening. Friday the 20th: at 8 o'clock in the morning, the courtiers on guard gave notice that the Mohandirams Miwattoere and Attoegodde ralehamies from the Court had arrived on the other side of the river, and that they were ready with me and the scribe to go receive the gentlemen who had arrived. Upon this message, we set out to meet them and brought them before the small letter house. The letter having been inspected, the first commissioner paid the usual compliments, adding that they had been ordered by His Royal Majesty to tell me that, should no hindrances arise at Court, I would then this evening be led to the audience, and upon this they departed. In the afternoon at 4 o'clock, the following deputies arrived to guide me to the audience, namely: The Dessave of Matele Erreuw welle ralehamie, Padikare mohotiaar Wattarantinne ralehamie, and Mohandiram Lihiniwatte ralehamij, having with them for ceremonial pomp: 10 grasshoppers 16 men with guns 12 ditto with pikes 2 large banners and 18 small ditto. After the inspection of the letter and the conclusion of the customary compliments observed on this occasion, the gentlemen deputies requested permission to have the gifts carried away, and at 5 o'clock I departed with them from the rest house, and was immediately ferried across the river, from where I and the scribe traveled further in our palanquins toward Kandy, as far as the mandoe in the Oedenoer street. Around 7 o'clock I arrived there, and a moment later I noticed by the whip crackers that the second Imperial Adigar was going to the Court. I had to wait there a good hour before the deputies who had fetched me from Gannoruwa sent word to approach. I immediately found them, and they brought me beneath the Devil's Tree, and there I was detained a little while until the Lord Second Imperial Adigar arrived, accompanied by several other court dignitaries, with whom, after exchanging the usual compliments, I was brought before the palace, where I found the Lord First Imperial Adigar arranged in a row alongside all the other courtiers, whom I greeted in the customary manner. Subsequently, the First Imperial Adigar, along with the Dessave of the Three and Four Korales, went inside the palace to give notice of my arrival. Shortly thereafter they came outside again, and by order of His Royal Majesty I was brought to the forecourt of the palace, where I took the letter upon my head and went up to the front of the audience hall beneath the canopy carried by the letter bearers. This canopy was removed here, and the First Imperial Adigar alerted me and the scribe that after the opening of the curtains we had to kneel. We did this on one knee at the place where we stood, then inside the audience hall for the second time, and at the end of the carpet for the third time. The scribe remained kneeling there, and I, standing up, approached the throne with the letter upon my head and had to kneel again upon a velvet cushion lying before the feet of the King. His Royal Majesty took the letter from the silver dish, and immediately the Dessave of the Three and Four Korales relieved me of it, whereupon, rising, I took off my hat and, stepping back a little, made my compliment, after which I was taken by the arm on both sides by the Second Imperial Adigar and the Dessave of the Three and Four Korales and led backward to the end of the carpet, and there I was told to kneel again. This kneeling lasted fairly long, and upon His Royal Majesty's permission to sit at my ease, I had to request permission for that once more, and having obtained it, I seated myself upon the carpet, but with my legs tucked behind. The scribe sat down with me and in the same manner. His Royal Majesty had the customary annual questions put to me through the First Imperial Adigar, and I had them answered according to the rule by our mudaliyar and first interpreter. Furthermore, His Royal Majesty had me asked whether I had anything to propose. I requested permission to do so, and that being granted, I said that I had been charged by Your Right Honorable Worships to assure His Royal Majesty in the most dutiful manner of Your Right Honorable Worships' unshakeable sentiments of friendship and alliance, and that Your Right Honorable Worships, representing the Noble Illustrious Company on Ceylon, are very inclined and ready to give His Royal Majesty continually all possible tokens of their highest goodwill toward His Royal Majesty, and for the rest heartily wish that the fortunate reign of His Royal Majesty may continue for a series of years to the happiness and prosperity of the renowned Kandyan empire and its faithful subjects. Furthermore, I made the customary proposal regarding the peeling of cinnamon in the designated places in the King's territory.

Dutch transcription

„digheid de muzick ter eere van den koninglijken brief hooren. Woensdag den 18: kwam de mohobiaar en nog drie van de wagt hebbende Hovelingen, door mij en den scriba gerecipi„ „eerd zijnde aan het rusthuijs, ter bezigtiging van den brief en geschenken en ook om na onzen welstand te verneemen. Met den avond wierd na gewoonte gemusiseerd. Donderdag den 19. viel niets anders voor, dan de bezigtiging van den brief en geschenken des voormiddags, en des avonds de gewoone muziek Vrijdag den 20. des morgens te 8. uuren, lieten de wagd hebbende hoo „lingen weeten, dat de Mohandirais Miwattoere en Attoegodde ralehanies van 't Hoff aan de overzeid van de rivier aangekoomen waaren, en dat ze gereed zijn met mij en de schriba de aangekoomene Heeren te gaan recipieeren. welgaven ons op die boodschap om hun te ontmoeten en bragten hun voor het brieve huijsje Den brief be„ „zigtigd zijnde, nam de eerste in Commissie de gewoon Complimenten waar, met bij voeging, dat ze door zijn k M: gelast waaren mij te zeggen, dat zoo 'er geene verhinderingen aan't Hoff mogten voorkoomen, ik dan heeden avond tot de audientie zoude geleid worden en 1202. en hier op vertrokken ze. Des agtermiddags te 4. uuren zijn de volgende gecom„ „mitteerden aangekoomen, om mij tot de audientie te geleiden, te weeten De Dessave van Matele Erreuw welle ralchanie Padikare mchotiaar wattarantinne ralchanie en „ mohandiram Lihiniwatte ralehamij hebbende tot statie bij zich gehad 10: sprinkhaanen 16: koppen met geweeren 12. D —. „ pieken 2. groote vaandels en 18. kleene —. Na bezigtiging van den brief en aflooping van de gewoone Complimenten, die bij deeze geleegendheid worden in agt genoomen, verzogten de Heeren gecommit„ „teerden vrijheid, om de geschenken te laten wig dragen, en om 5. uuren vertrok ik met hun uijt het rusthuijs, en wierd datelijk de revier overgezet, van waar ik en den schriba in onze pallenkeins na kandia voortreisden, tot aan de mandoe inde Oedenoer straat. Omtrend 7. uuren kwam ik aldaar aan, en wierd een ogenblik daar na door de zweepslagers gewaar, dat den tweeden rijks Rijks. Adigaar na het Hoff ging: Ik moest mij aldaar een groot uur ophouden, voor dat de gecommit„ „teerden, die mij van Ganerouwe afgehaald worden hadden, lieten waarschouwen, nader te koomen jk vond hun ook aanstonds en ze bragten mij tot onder de Duijvels boom en aldaar wierd ik een weinig opgehouden, tot dat de Heer tweede rijks„ adigaar aankwam, verzeld van nog eenige Hoff „grooten, met de welken ik na het maken der gewoone complimenten, tot voor het paleis gebrag„ wierd, alwaar ik de Heer Eerste rijks-adigaar nevens alle de verdere Hovelingen in een reij ge„ „schaard vond, die ik na de gewoone wijze groetede. Vervolgens ging den Eersten rijks adigra nevens de dessave der Drie en vier korles, binnen het paleis, om van mijne komste kennis te geven kort daarna kwaamen ze weder buijten en ik wierd op ordre van zijne k: M: op het voorpliin van het paleis gebragt, alwaar ik den brief op het hoofd nam en tot voor de audientie zaal, onder het verhemelte, dat door de brieve dragers gedraagen wierd, ging. Dit verhemelte wierd hier weggenoomen, en de eerste rijks adigaar waarschouwde mij en den schriba, dat we na het opon der 1203. der gordijnen moeste knielen. wij deeden dit met een knie op de plaats daar we stonden, vervolgens binnen de audientie zaal voor de tweede maal en aan het end van het tapijl, voor de derde maal; De scriba bleef daar knielende, en ik opstaande naderde den troon met den brief op het Hoofd en moest op eene fluweeele kussen, die voor de voeten des konings lag, wederom knie„ „len. zijne k: M: nam den brief uijt de zilvere schotel en aanstons ontlastede mij den dessave van de drie en vier korles van dezelve, waar op ik onder het opstaan mijn hoed ofnam en een weinig te rug treedende, mijn Compliment maakte, waar na ik door den tweeden rijks„ adigaar en den Dessave der drie en vier korles aan weers zeiden bij den arm genoomen en agter „waards geleid wierd, tot aan het end van het alkatief en daar wierd mij gezegt van weder te kuielen Deeze knieling duur de reedelijk lang en op zijne K: M: verlof om op mijn gemak te mogen zitten, moest ik daar toe nog eens verlof verzoeken, en dat verkreegen hebbende plaatste ik mij op de alkatief, dog met de beenen agter waards. de schriba ging ging met mij en op dezelfde weizze zitten zijne K: M: liet mij door den eersten rijks-adigaar, de jaarlijkse gewoone vraagen doen en ik liet ze door onzen modliaar en eerste tolk na den regel beandwoorden Voorts liet zijne K: M: mij vraagen of ik iets voor„ testellen had. Ik verzogte verlof om dat te mogen doen, en zulx toegestaan zijnde, zeide ik, door Uwel Ed: groot Achtb: te zijn belast geworden zijne K: M:, Teisar op de pligtigste wijze te verzekeren van uwel Edele groot Achtb: onwrik baare gevoelens van vriendschap en bondgenoot„ „schap, en dat uwel Edele groot Achtbaare represzen„ „teerende, de Edele Doorluchtige kompenie op Ceilon zeer geneegen en bereid vaardig is, aan zijne k: M: bij voort dueuring alle mogelijke blijken van Hoogst deszelfs goede gezintheid omtrend zijne k: M: te geeven en voor het overige hartelijk wenscht, dat de gelukkige Regeering van zijne k: M: een reeks van jaaren tot geluk en wil vaart van het be„ „roemd Kandiasch rijk en dies getrouwe ander„ „daanen continueeren mooge voorts deed ik het gewoon voorstel tot het schillen van kanneel in de bepaalde plaatzen in 's konings land

NL-HaNA_1.04.02_3838_1039 view scan ↗

English

1204. country, pursuant to the 3rd article of my instruction, but received in response the answer that the decision regarding the roads would be given to me later. Upon this, I requested permission to present the costly gifts received by me from your Right Honourable and brought along. His Majesty said that it was well, and I thus received permission to have the gifts brought inside. I went backwards with the scribe outside the hall, yet kneeling each time at those same places where we had done so upon entering, and which lasted each time until the court dignitaries had performed their homages by falling to the ground nine times. On the forecourt I remained standing with the court dignitaries, and we watched the gifts being brought inside. Here I handed over the keys of the spice chests to the Second Adigar. I took the opportunity here to say politely, yet emphatically, to the Second Imperial Adigar that the Honourable Company had suffered great damage in the past year, because the cinnamon peelers were hindered in their work for a considerable time. That upon so many tokens of friendship which your Right Honourable had shown to the Court from time to time since the beginning of his reign, and still willingly wishes to show continuously, such hindrances ought not to have followed, but rather an accommodation regarding the peeling of the cinnamon, even above the Balane mountain. That he, Lord Adigar, will find mention made of this my grievance in the letter which I just had the pleasure of offering to His Royal Majesty. He immediately interrupted here and said something regarding the gifts that were being carried past. But I told our Mudaliyar to repeat my aforementioned words once more in the most earnest manner. As soon as the Mudaliyar began, this Adigar said that I would receive an answer to my request concerning the cinnamon peeling at the second audience, and that in the meantime he would also get to read the royal letter. I replied briefly thereto that it was well. I deemed it advisable, according to the circumstances, to hold this conversation with the said Adigar, because he is the principal one who will seek to put everything into effect to have the matter of the cinnamon answered as disadvantageously as possible by the Court, 1205. and so it seemed, it had also affected him. A moment after this he left me and went back a little to refresh himself, as he was visibly faint due to his illness and weakness. The Disava of Udapalata, Angammana Ralahamy, subsequently addressed me, and that very briefly, as he only asked what office I held. I told him that I was Trade Bookkeeper at Colombo. Hereupon the Disava of the Three and Four Korales came out of the palace and asked how I fared. I answered that compliment, and for the rest no one spoke any more. As soon as the gifts were before me, the Second Adigar arrived and brought me, along with the scribe, for the second time inside the palace, and we knelt again in the aforementioned manner until we received permission to sit down with our legs tucked backwards. His Royal Majesty then had it asked whether I had forgotten to present anything, which having answered with no, I obtained permission to return to my rest-house. We left the palace kneeling at the aforementioned places. Hereupon I and the scribe were brought back to the forecourt by the Lords Adigars and the other courtiers, and they handed us over to the Grand Dispensier, in order to be led by him into the banquet hall, and having consumed something there, we were brought down the stairs of that hall again by the aforementioned Grand Dispensier. I found not far from me the Second Imperial Adigar and the other court dignitaries, who escorted me to the place where I was received. Here I expressed my thanks for all the honours and courtesies received, and commended myself to the gentlemen's continuing, well-meaning friendship; and after taking leave, I departed back to Gannoruwa, escorted by the Nanayakara Mohottiar Kahadewe Ralahamy and the Mohandirams Dulwewe and Wattegiddere Ralahamy, where I arrived at 2 o'clock in the morning. I must still record here in conclusion that the very aged First Adigar, having led me inside the palace and before the first curtain, had slipped away from there, because he was not able to fall to the earth as often and in such a difficult manner as is observed at the Court; 1206. yet when the conversation was about to begin, the old gentleman came softly inside the audience hall and onto the last carpet, where I found myself alongside the Second Adigar, the Disavas, and both interpreters of the embassy, to speak. This went very deficiently, and if the Disava of the Three and Four Korales had not placed himself behind him and next to the interpreters to help him each time with what he had to say, this Adigar would not have been strong enough for this his duty, for the first interpreter Mudaliyar assured me after the audience that he had found the old man's memory entirely poor on that occasion. On Saturday the 21st I had the honour to notify your Right Honourable of the completed audience, and that according to rumours I would be led to the second or final audience on the 23rd. In the evening at 5 o'clock the Waddana Tuwakekkara Mohottiar Denegamuwa Ralahamy and the Mohandiram Dulwewe of the Court came to me and inquired after my health in the name of His Royal Majesty. At my request, these courtiers sat down for a short time. Sunday

Dutch transcription

1204. land, ingevolge het 3. art: van mijne instructie, dog bekwaam, daar op tot andwoord, dat het bescheid der weegen aan mij nader zoude gegieven worden Hier op verzogt ik verloff de door mij van uw Ed: groot Achtb: ontvangen en aangebragte kostelijke geschenken te mogen intragieren. zijne M: zeide dat het wel was en ik bekwam dus verlof de geschenken te laten binnen brengen jk ging met de scriba agterwaards buijten de zaal dog telkens knielende op diezelfde plaatzen, daar we binnen koomende zulx gedaan hebben en het welk telkens zoo lang duurde, tot dat de Hoffs grooten hunne eerbewijzingen door negenmaalen op de grond te vallen, verrigt hadden Op het voorplein bleef ik met de sofs grooten staan, en we zagen de geschenken binnen brengen Ik gaf hier de sleutels van de specerij kisten van den aan den Tweeden Adigaar over Jk nam hier de geleegendheid waar den tweeden rijks adigaar beleefd, dog nadrukkelijk te zeggen, dat dE: Comp:e in anno passato groote schade geleeden hat, door dien de kanneel schillers een geruimen teid in hun werk zijn gehinderd geworden. Dat op zoo veele blijken van vriendschap die uwel Ed: Groot te Groot Achtb: aan het Hoff, zedert Hoogst deszelfs regee„ „ringe van tijd tot tijd beweezen had, en nog bij voort„ „duuring gaarne beweizen wil, dier gelijke hindernis„ „sin niet had behooren te volgen, maar wel eene inschikkelijkheid omtrend het schillen van de kanneel, zelfs boven de berg Balane Dat hij Heer Adigaar bij den brief dien ik zoo even het genoegen had zijne K: M: aantebieden van dit mijn bezwaar, zal mentie gemaakt vinden Hij viel hier op aanstonds in de reeden en zeide iets aangaande de geschenken, die voor bij gedraagen werden. doch ik zeide aan onzen Modliaar, om voormelte mijne gezegdens nog eens op het ernstig„ „ste te herhaalen. zoo dra de modliaar begon, zeide deezen Adigaar, dat ik om mijn verzoek wegens het kanneel schillen, bij de tweede audientie and„ „woord zoude erlangen en dat hij intusschen ook den koninglijken brief zoude te leezen kreigen Ik zeive daar op kortelijk dat het wel was. Jk vond na de omstandigheeden raadzaam dit ge„ „sprek met gemelten adigaar te houden, om dat hij de voornaamste is, die alles zal zoeken, in het werk te stellen, om 't stuk van de kanneel, zoo onvoordeelig mogelijk door het Hoff, te doen beandwoor„ „den 1205. „den en zoo het scheen, heeft het hem ook getroffen Een ogenblik hier na verliet hij mij en ging een beetje agterwaards om zich te verkwikken, alzoo hij wee„ „gens zijne ziekte en zwakheid, zigtbaar magteloos was. De Dessave van oedepatate Aganmoene aalchamij sprak mij vervolgens aan en dat zeer kort, alzoo hij, maar vroeg, wat ik voor een dienst waarnam Jk zeide hem, dat ik Negotie boekhouder op kolombo was Hier op kwam den Dessave der drie en vier korles uijt het palacis en vroeg hoe ik voor jk beand„ woorde dat compliment in voor het overige sprak niemand meer zoo dra de geschenken voor mij waaren, kwamden tweeden Adigaar aan, en bragt mij nevens den schri„ „ba voor de tweede maal binnen 't paleis en wij kniel„ „den weder op de voorengemelde wijze, tot dat wij verlof kreegen, om met de beenen agterwaards te mogen gaan zitten. zijne K: M: liet toen vraagen, of ik ook iets vergeeten had voorte daa„ „gen, het welk ik met neen beandwoord hebbende, verlof bekwam om na mijn rusthuijs te mogen te rug keeren. te gingen knielende op de voorengenoem„ „de plaatzen, het palais uijt. Hier Hier op wierd ik en den schriba door de Heeren Adigaars en de verdere hovelingen weder op het voorplein gebragt en ze gaven ons over aan den groot Dispensier, ten einde door hem inde banketzaal geleid te worde en aldaar wat genuttigd hebbende, wierden we weder door voornoemde groot Dispensier de trappen van die zaal afgebragt. Ik vond niet verre van mij den tweeden rijks-adigaar en de verdere Hofsgrooten die mij het uijt geleide gaven tot op de plaats, daar ik ontvangen ben geworden Jk betuijgde hier mijnen dank voor alle genoote eere en beleefdheeden en recommandeerde mij in den Heeren continueerende wel meenende vriendschap, en na afscheid genoomen te hebben, vertrok ik na ganna„ „rouwe te rug, onder geleide van de Nanajakare mohotiaar kahadewe ralehamie en de mohandirams Doelwewe en watte giddere, ralehamie, alwaar ik des morgens om 2. uuren aankwam Jk moet nog tot besluijt hier ter nederstellen, dat den stok ouden Eersten Adigaar, mij binnen het paleis en voor de eerste gordijn geleid hebbende zich van daar weggemaakt had, om dat hij niet in staat was, zoo dikwils en op zoo eene moeijelijke weize„ als dat aan het Hoff geobserveerd word, op de aande te 6 1206„ te vallen, dog toen het gesprek zoude beginnen, kwram den ouden Heer sagjes binnen de audientie zaal en op de laatste alkatief, daar ik nevens de tweede Adigaar, De Dessares, en de beide talken van de am„ bassade ons bevonden, om het woord te voeren. Dit ging zeer gebrekkig en zoo den Dessave der drie en vier korles niet agter hem, en naast de tolken zich geplaatst had, om hem telkens, te helpen in het geen hij zeggen moest, zouden deezen adiegaar tot dit zijn beroep niet sterk genoeg geweest zijn, want de eerste tolk modliaar heeft mij na de audientie verzekerd, dat hij den ouden man bij die geleegendheid gants slegd van memorie gevonden had. Saturdag den 21. had ik de eer uwel Edele groot achtbaare kennis te geven van de afgeloopene audientie en dat ik volgens de gerugten op den 23. tot de tweede of laatste audientie zoude geleid worden Des avonds om 5. uu ren kwam de waddene Toeabekoe„ „kare molotiaar Denegamoewe ralehamij en de mo„ „handiram, Doelwewe van het Hoff bij mij en vernamen uijt naam van zijne K: M: na mijne welstand. Op mijn verzoek zijn deeze Hovelingen een korten tijd gaan zitten Sondag

NL-HaNA_1.04.02_3838_1044 view scan ↗

English

Sunday the 22nd in the evening at six o'clock, the courtiers on guard came to inquire after my and the scribe's welfare. Monday the 23rd in the forenoon at about 10 o'clock, two Chiefs over the Lascarins came to inform me that this evening the second or farewell audience would take place, and that the necessary delegated courtiers would arrive to escort me. At 4 o'clock in the afternoon, the courtiers on guard let me know that the Disava of Udapalata Angammana Ralahami and two mohandirams of the court had arrived on the other side of the river, and that they were ready to go with me and the scribe to receive the arrived gentlemen. Upon that message we set out to meet them, and subsequently escorted them to the rest house, where the Disava announced that his Honour and the other arrived gentlemen had been ordered by His Royal Majesty to escort me this evening to the second or farewell audience. We departed immediately from the rest house and around 5 o'clock I was ferried across the river, from where I and the scribe, just as when going to the first audience, proceeded in our palanquins up to the well-known mandapa in the Yatinuwara street. Around 7 o'clock I arrived there, and again around 8 o'clock I perceived by the whip-cracks that the second imperial adigar went to the Court, and I was told that the first imperial adigar had also arrived at the palace after I was already present in the mandapa. Until 9 o'clock I had to remain there, until I was summoned to the audience, and I entered the palace with the same ceremony as at the first audience. When I was kneeling at the end of the carpet, I received permission to be seated with the legs backwards. His Royal Majesty then asked after my welfare, and whether I had received proper respect as well as the customary maintenance since my last appearance before the throne. I answered these customary questions as required, and subsequently had our mudaliyar and interpreter ask the first imperial adigar for an answer to the request I made at the first audience to peel cinnamon in His Majesty's lands. The Lord Adigar answered that this would be given to me after the audience. His Royal Majesty then made it known that His Royal Majesty had found in the received letter from Your Honourable Grand Esteemed some expressions with which His Majesty had been pleased, and that on arriving in Colombo I was to inform Your Honourable Grand Esteemed of this. To that I gave the customary answer, namely that I would carry this out with great attention. After that, His Royal Majesty asked whether I was inclined to return to Colombo again. I answered that I was ready to do so, to return with His Majesty's permission. Then, by His Majesty's command, I and the scribe were presented with the ordinary gifts. On this occasion, both of our interpreters likewise received their customary gifts from the king. Having expressed thanks for this and for all further received honor and care during this my Embassy in His Royal Majesty's lands, and for the favorably obtained permission for the journey back, we walked backwards, kneeling at the customary places, out of the audience hall. Subsequently, the detachment of the embassy, consisting of 1 corporal and 6 privates, was called before the audience hall and before the first curtain, where they knelt and received upon their heads the customary gifts of linens. After this, the five letter-carriers were called, who, just like the detachment, received their gifts of linens. This took place in our presence and that of all the courtiers. Both the Imperial Adigars and the Disava of the Three and Four Korales thereupon entered the audience hall, and coming outside, the first Adigar informed me that His Royal Majesty had granted permission to peel cinnamon up to the mountain Balane, but that the cinnamon peelers must be strictly forbidden from going beyond the determined places, whereas for some years now they have been venturing up beyond that mountain. The Second Adigar immediately added thereto that if the cinnamon peelers should happen to violate this express stipulation, a change could then come about regarding the permission granted by His Royal Majesty. I answered the first Adigar that the cinnamon peelers have a strict prohibition against staying beyond the determined places, and that this order was renewed anno passato. With this, this matter was concluded. The first Adigar said further that our schoolmasters harass the inhabitants so much by arresting and accusing them whenever they go to their temples, adding that he, the Adigar, knows very well that the schoolmasters cause these troubles on their own accord, without having been commanded to do so quite so strictly. He requested that the schoolmasters might be restricted in this regard. I answered that on arriving in Colombo I would give notice thereof to Your Honourable Grand Esteemed. The Adigar said that that was very good. Hereupon I left the place beside the audience hall where these conversations occurred, and was taken to the inner courtyard and from there by the grand dispenser into the banquet hall, and I remained there until the remaining retinue of the embassy once again received the gifts of linens according to custom. The grand dispenser subsequently led me downstairs to the foremost inner courtyard of the Palace, from where I was escorted by the Lords Adigars and other court dignitaries outside the Palace and then as far as the well-known Devil's Tree. Here I requested once again to convey my humble thanks to His Royal Majesty for all the kind

Dutch transcription

Sondag den 22. des avonds om ses uuren, kwaamen de wagthebbende Hovelingen na mijn en schribas welstand verneemen Maandag den 23. Des voormiddags omtrend 10: uuren, kwaamen twee Hoofden over de Lascorijns mij bekend maaken dat heeden avond de tweede of afscheids audientie zoude zijn, en dat tot mijne geleiding de noodige gecommitteerde Hovelingen zoude aankoomen Omn 4. uuren des agtermiddags lieten de wagd hebbende Hovelingen mij weeten, dat de Dessave van oedepala„ „te Angamnoene ralchamij en twee mohandirams van het hoff aan de overzeide van de revier aan„ gekoomen waaren, en dat ze gereed zijn met mij ende schriba de aangekoomene Weeren te gaan recipieeren we begaven ons op die boodschap om hun te ontmoe„ „ten, en geleiden hun vervolgens na het rusthuijs, al„ „waar de Dessare bekend maakte, dat zijn E: ende verdere aangekoomene Heeren door zijne K: M: gelast zijn, mij heeden avond tot de tweede of afscheids audientie te geleiden. we vertrokken da„ „delijk van 't rusthuijs en omtrend 5. uuren wierd ik de revier overgezet, van waar ik ende schriba even als bij het gaan tot de eerste audientie, in onse pallenkeins voortgingen, tot aande bekende mandoe 1207. mandoe in de oedenoer straat. omtrend 7. uuren arri„ „veerde ik aldaar en wierd weder omstreeks 8. uuren door de sweep slaagen gewaar, dat den tweeden rijks adigaar na 't Hoff ging en men zeide mij dat de eerste rijks adigaar ook in 't paleis ge„ „koomen was, na dat ik in de mandoe mij reeds bevond. Tot 9. uuren moest ik mij aldaar ophou„ „den, tot dat ik ter audientie geroepen wierd en ik kwam in 't palleis met de zelfde Ceremonie als bij de eerste audiintie. Toen ik aan het end van 't tapeid kwielende was, bekwam ik verlof met de beenen agterwaards te mogen zitten. zijne K: M: vroeg toen na mijn welstand en of ik het behoorlijk respect, zoo wel als het gewoon onderhoud bekoomen had, zedert mijne laatste ver„ „scheining voor den throon jk beandwoorde deeze gewoone vraagen na vereisch en Lied vervolgens door onsen modliaar en tolk aan den eersten rijksadigaar vraagen om andwoord, op mijn bij de eerste audientie gedaan verzoek, om in zijn M: Landen kanneel te schillen. De Heer Adigaar and woorde, dat mij dat na de audientie zouve gegeeven worden zijne K: M: Lied zich vervolgens hooren dat zijne k: M: bij nd ala bij den ontvanger brief van uwel Ed: Groot achtbaare eenige uijt drukkingen gevonden had, waar over zijne M: verbleid geworden is, en dat ik dat op kolombo koomende uwel Ed: groot Achtb: moest bekend maken jk gaf daar op het gewoon andwoord, namentlijk dat ik dat met veel aandagt zoude volbrengen. Daar na vroeg Z: k: M: of ik geneegen was weder na kolombo te rug te keeren. Ik andwoorde daar toe bereidvaardig te zijn, om met zijne M: verlof te retourneeren. Toen wierd ik en den scriba op zijne M: bevel met ordinaire geschenken beschonken. onze beide tolken bekwaamen bij deeze geleegendheid hunne gewoone geschenken van den koning meede. Wier voor en voor alle verdere genootene eere en verzorging geduurende deeze mijne Ambassade, in zijne K: M: landen en voor het gunstig bekoomen verlof tot de te rug reize bedankt hebbende, gingen wij rugwaards en op de gewoone plaatzen knielende, uijt de audientie zaal Vervolgens wierd de Commando van de ambasade bestaan „de in 1. Corporaal en 6. gemeenen voor de audientie zaal en voor de eerste gardijn geroepen, alwaar ze geknield en op hunne hoofden de gewoone geschenken van lijn„ „waaten ontvingen. Hier na wierden de vijff brieve dragers geroepen 1208. geroepen, dewelken even als het Commando hunne ge„ „schenken van lijmwaaten bekwaamen. Dit geschiede in onze en des gezamentlijke hovelingens tegens„ „woordigheid De beide Rijks-Adigaar en de Dessave der Drie en vier korles gingen voorts inde audientie zaal en buijten koomende, maakt de eerste Adigaar mij bekend, dat zijne K: M: verlof gegeeven had, om tot aan den berg Ballane te mogen kanneel schillen, dog dat de kanneel schillers strikt verbooden moesten worden, om niet verder dan tot de bepaalde plaatzen te koomen, terwijl zij nu zedert eenige jaaren zich tot boven die berg begeeven. De Tweede Adigaar voegde aanstonds daar bij dat zoo de kanneel schillers deeze expresse bepaaling mog„ ten koomen te overtreeden, dat dan omtrend het gegeeven verlof door zijne K: M: eene verandering zal kunnen koomen. Jk andwoorde den eersten Adigaar, dat de kanneel schillers strikt verbod hebben om niet verder dan tot de bepaalde plaatzen zig optehouden en dat die order in anno passato vernieuwd geworden is, Hier meede was dit stuk afgeloopen. De eerste Adigaar zeide voorts, dat onze schoolmeesters de de ingezeetenen zoo lastig vallen, met haar te arresteeren en aan te klaagen, wanneer ze zich in hunne tempels begeeven, met bij voeging, dat hij Adigaar zeer wel weet, dat de schoolmeesters deeze moeijenissen uit hun eigen toebrengen, zonder daar toe juijst zoo sterk te zijn aanbevoolen. Wij verzogt dat de schoolmees„ „ters daar omtrend mogten worden bepaald. Ik andwoorde dat ik op kolombo koomende uwel Ed: groot Achtb derweegens zoude kennis geven. De Adigaar zeide dat dat zeer goed was. Hier op verliet ik de plaats bezeiden de audientie zaal, daar deeze gesprekken voorvielen en wierd op het binnen plein en van daar door den groot dispensier in de banket zaal gebragd, en ik bleef aldaar zoo lange vertoeven, tot dat het overig gevolg van de ambassade, de geschenken van Lijnwaten volgens gewoonte ditmaal weder ontvingen. De groot Dispensier leide mij vervolgens om laag, op de voor af binnen plein van 't Paleis, van waar ik door de Heeren Adigaars en verdere Hoffs„ grooten buijten het Palleis en vervolgens tot bij de bekende duijvels Boom uijtgeleid wierd. Hier verzogd ik mijnen nedrigen dank nogmaals aan zijn k: M: te willen verzeekeren, voor alle de goed„

NL-HaNA_1.04.02_3838_1049 view scan ↗

English

1209. favors which His Royal Majesty was pleased to bestow upon me, and at the same time took my leave of the assembled courtiers and departed back to ganarouwe, under the escort of the waddene Toeakkoekare Mohotiaar named Denegammoewe ralehanij and two mohondirams, where I arrived in the night at 1 o'clock. Concerning the matter of the beaches, not a single word was asked of me anywhere, so the contents of the 9th article of my instructions remained untouched. Tuesday the 24th. In the morning I had the honor to inform Your Right Honorable Worship of the concluded farewell audience and that the return journey would take place this afternoon, and that I would thus, departing from Roeannelle on Saturday morning the 28th, arrive at Arrisawelle at noon. At 12 o'clock the courtiers on guard gave notice that the second adigaar of the realm had arrived at the river in order to give orders for my departure, and at 3 o'clock His Honor arrived on this side of the river. The courtiers on guard gave me notice of this as well, and I went with them to meet the Adigaar, and after the administering of rose water, I escorted His Honor to the rest house. There he made it known that he had been ordered by His Royal Majesty to escort me out. Shortly thereafter we left the rest house, and the Lord Adigaar alongside the courtiers on guard gave me an escort to the place where I had been received upon my arrival, and I departed from there in the company of the Attoepattoe mohotiaar Pattepolle ralehamij and two mohandirams, and arrived at walwagodde around 7 o'clock. A moment before my departure from gannerouwe, the Dessave of Matele sent to me, in the name of His Royal Majesty, a European soldier, with the notice that he, having deserted from Trinconomale, had been apprehended and brought in by the Kandyans. I had this detainee taken over by the embassy's escort and sent word to the dessave that I would take him with me and, upon arriving at Colombo, inform Your Right Honorable Worship of the matter. This detainee says his name is Pieter Hemelsalig of Droeve, of the Roman religion, having at 1210. Trinkonomale a wife and children. That at Trinconomale he had been a soldier in the company of the Lord Colonel Von Drieberg, and had served there as mess-keeper since the 17th of October of last year. That on the 1st of January of this year he was falsely accused by his servant of having stolen 69 rixdollars from this servant's chest, and that out of grief, because he had been made out to be a thief innocently, and also to prevent accidents, being somewhat intoxicated on that occasion, he had walked away from Trinconomale with the intention of going to Colombo. That, not knowing the way, he had arrived that same evening around 7 o'clock at a lascarin post in Kandyan territory, and that those lascarins had brought him to the dissave of Matele after they had detained him for 15 days. That through persistent requests to this Dessave he had been sent to me, and that his intention had never been to betake himself to Kandyan territory, and he therefore requests a merciful punishment for his offense. Wednesday the 25th. Around noon I set out on the journey and arrived at Attapittij at 5 o'clock. Thursday the 26th. I departed at noon and arrived in the evening at jdelmapane. Friday the 27th. In the evening I arrived at Roeanelle. Saturday the 28th. Around 11 o'clock in the morning I arrived at sitaraca and remained there for a good hour until the commissioned courtiers had changed their clothes, and then we crossed the river together, and we were received there by the senior merchant and Dessave of the Colombo surroundings, Mr. Diederich Thomas Fretz, and the junior merchant Anthonij Pieter Hageman. These gentlemen brought us into the rest house at Arrisawelle, where the Attoepattoe mohotiaar delivered the compliments customary on this occasion, which were answered by our Dessave according to custom. We sat together for a short half hour, and then the aforementioned commissioners were escorted to the river by us, with the Lord Dessave Fretz at the head, and we remained standing there until they had crossed over. 1211. Past 2 o'clock in the afternoon we set out on the journey and arrived at Hangewelle at 8 o'clock in the evening. Sunday the 29th. In the morning we left that rest house and arrived before noon at Ampatle and in the afternoon at Colombo. With the heartfelt wish that this commission of mine may have been accomplished to the satisfaction of Your Right Honorable Worship, I have the high honor to subscribe myself with all respect, (below stood) Right Honorable, Highly Esteemed, High and Mighty Lord! Your Right Honorable Worship's very obedient servant, (was signed) A: Samlant, (in the margin) Colombo the 30th of March Anno 1789. Agrees, Sybrands, First Clerk No. 38. Examined, J: P:s Sterk: 1212. To The Lord Dessave of the Three and Four Korales. By high order of the Right Honorable Lord Governor, I have the honor to inform Your Honor that at Mannar, on the 8th of this month, there arrived from the Coromandel Coast princesses for the great Court of His Royal Majesty of Kandia, accompanied by some nayaks, who have also brought along a camel and a stallion horse. Wherewith, after friendly greetings, I remain with all esteem, (below stood) Your Honor's humble servant, (was signed) D:k P:s Fretz: (in the margin) Hulftsdorp the 17th of January 1789. Agrees, Sijbrands, First Clerk Examined, P:r Vn Geijzel

Dutch transcription

1209. goedheeden die zijne K: M: mij heeft gelieven aante„ „doen, en nam tevens mijn afscheid van de gezament„ „lijke hovelingen en vertrok na ganarouwe te rug, onder geleiding van de waddene Toeakkoe„ „kare Mohotiaar genaamd Denegammoewe rale„ „hanij en twee mohondirams, al waar ik de nagts om 1. uur aankwamt Aangaande het stuk van de stranden, heeft men mij nergens een woord gevraagd dus is den inhoud van 't 9. art: van mijne instructie, ongeroerd ge„ „bleeven. Dingsdag den 24. Des voormiddags had ik de eer uwel Ed: groot Achtb: van de afgeloopene afscheids audientie kennis te geven en dat uit de te rug reize heden agtermiddag zoude voorvallen en ik dus zatur„ „dag den 28: des morgens van Roeannelle vertrekkende, des middags op Arrisawelle zoude aankoomen Om 12. uuren lieten de wagt hebbende hovelingen weten„ dat den tweeden rijks-sodigaar bij de revier aange„ „koomen was, ten einde ordre te stellen tot mijn vertrek en om 3. uuren kwam zijn E: aan deeze kand van de revier. De wagt hebbende Hovelingen lieten mij daar van ook ook kennis geven en ik ging met hun den Adigaar te gemoet en na toediening van roose water, geleide ik zijn E na het rusthuijs. Aldaar maakte hij bekend, van door zijne K: M: te zijn gelast, mij het uijt geleide te geven. kort daar na gingen we uijt het rusthuijs, en den Heer Adigaar nevens de wagt hebbende hovelin„ „gen gaven mij het uijt geleide tot de plaats, waar ik bij mijn aankomste gerecipieerd geworden ben en ik vertrok van daar in gezelschap van de Attoe„ „pattoe mohotiaar Pattepolle ralchamij en twee mo„ „handirams en kwam omstreeks 7. uuren te walwagodde Een ogenblik voor mijn vertrek van gannerouwe, zoud de Dessave van Matele, uijt naam van zijne K: M: bij mij, een Europeesche zoldaat, met aanzeg„ „ging, dat hij van Trinconomale gedisserteerd zijnde door de kandianen was opgevat en aangebragt. Jk lied deezen arrestand door de Commando van de ambassade overneemen en den dessave laten zeggen, dat ik hem zoude meede neemen en op kolombo koo„ „mende uwel Edele Groot Achtbaare van de zaak kennis geven Deezen arrestand zegd genaamd te zijn Pieter Hemel„ „salig van Droeve en rooms van religie, hebbende op Tain Courn: 1210. Trinkonomale vrouw en kinderen Dat hij op Trinconomale zoldaat onder de Compenie van de Heer overste Von Drieberg geweest is, en zedert den 17. october Anno passato de schafbaserij aldaar waargenomen had. Dat hij den 1. Januarij deezes jaars, door zijn knegt leugenachtig was beschuldigd, dat hij uijt de kist van deezen knegd rd:s 69. zoude gestoolen hebben, en dat hij uijt droefheid, om dat hij onschuldig tot een dief uijt gemaakt was, en ook tot voorkoming van ongelukken, als zijnde bij die geleegendheid wat bedronken geweest, van Trinconomale was weggegaan, met voorneemen op kolombo te koomen Dat hij de weg niet weetende, dien zelfden avond tegen 7. uuren aan een laskorijns post, in het kandiasche geraakt was, en dat die lascorijns hem bij de dis„ „save van Matele gebragd hadden, na dat ze hem 15. dagen hadden aangehouden Dat hij door aanhoudend verzoeken bij deezen Des„ „save, bij mij gezonden was en dat zijne intentie nooijt geweest is, zig na het kandiasche te begeven, en verzoekt dierhalven eene genadige straffe, voor zijn misdaad. woensdag ryf Woensdag den 25. Ging ik tegen de middag op reis en arriveerde om 5. uuren te Attapittij Donderdag den 26. vertrok ik des middags en arriveerde des avonds te jdelmapane Vrijdag den 27. arriveerde ik des avonds op Roeanelle. Zaturdag den 28: kwam ik des middags om streeks 11. uuren op sitaraca en vertoefde aldaar een groot uur, tot dat de gecommitteerde kovelingen, zig verkleed hadden en voer vervolgens gezamentlijk de revier over en we wierden, aldaar ontvangen door den opperkoopman en Dessave der Colombose ommelandin De Heer Diederich Thomas Fretz en den onderkoopman Anthonij Pieter Hage„ „man. Deeze Heeren bragten ons in het rust „huijs te Arrisawelle, alwaar de Attoepattre mohotiaar de Complimenten bij deeze gelee„ „gendheid gebruijkelijk waarnam, die door onzen Dessave na gewoonte beandwoord wierd wij naamen gezamentlijk een klijn half uurtje plaats, en vervolgens wierden voornoemde ge„ Committeerden, door ons, de Heer Dessave Fretz aan het hoofd, het uijt geleide tot aan de revier gegeeven en we bleeven aldaar staan¬ tot dat ze overgevaaren waaren. Des 1211. Des middags over 2. uuren gingen we op reis en kwaanen des avonds te 8. uuren op Hangewelle Sondag den 29. Des morgens verlieten wij dat rusthuijs en kwaa„ „men des voormiddags op Ampatle en des agter „ middags op kolombo Met hartelijken wensch, dat deeze mijne Commissie na genoegen van uwel Edele groot Achtbaare mag volbragd zijn, heb ik de Hooge eere; mij met alle eerbied te onderschrijven /:onderstond) wel Edele Gest: Groot Achtb: Hoog Eebiedende Heer! uwer wel Ed: Groot Achtb: zeer gehoorzame Di„ „naar /: was geteekend:/ A: Samlant /:in mar„ „gine:/ kolombo den 30: Maart A:o 1789. Akkordeert Sybrands Egklerk 11 No. 38. Nagezien J= P:s Sterk: 1212. Aan Den Heer Dessave der drie en vier korls Op hoog bevel van den wel Ed: Groot Achtb: Heer Gouverneur heb ik de eere uw Ed: bekent te maaken dat te mannaar op den 8 deeser maand van de kust kormandel aangekoo„ men zijn, Princessen voor het grote Hoff: van Z: K: M: van Kandia, verzelt van eenige naikers die ook teffens een kameel en een hengst Iaard hebben meede gebragt. waarmeede na vriendelijke groetenis met alle agting blijve /:onderstond:/ uw Ed: Dw: Die„ naar /:was geteekend:/ D=k P:s Fretz: /: in man„ gine:/ Hulftsdorp den 17 Januarij 1789. Akkordeert Sijbrands Egklerk - Nagezien P„r Vn Geijzel

NL-HaNA_1.04.02_3838_1059 view scan ↗

English

1213. To the Lord Dissave of the Three and Four Korales Pursuant to high orders from the Right Honorable Lord Governor, I inform Your Honor that the Lord Ambassador of the illustrious Company is due to depart from here for the great Court of His Royal Majesty of Kandy on the 4th of March. I have furthermore the honor to be with all respect was written beneath Your Honor's humble servant was signed D:k J:s Fretz in the margin Hulftsdorp The 24 February 1789. Agreed Eybrands First Clerk 1 Checked P:r Van Geysel 1214. Kandy To the Lord Dissave of the Three and Four Korales It is by high order of the Right Honorable Lord Governor that I hereby have the honor to address Your Honor on the following matters of importance, consisting herein That for a long series of years, 40 peeling tents have annually been located across the river Maha Oya in the villages to be named below, from where the cinnamon peelers peeled cinnamon up to the mountain Balane without being obstructed therein, except that for some time now they have been driven back to this side of the river Maha Oya under the announcement that they may have no peeling tents or dwelling places across the Maha Oya. The Right Honorable Lord Governor cannot think otherwise than that this is the doing of some petty minor headmen in those regions. The peeling tents were located as follows: At at Kosroepe peeling tents 2 Makakeheelwelle 5 Mepittije 1 Sellewe Reheelpanneli 5 Dejanwolle 3 Algamme 1 Reviminnegammene 1 also here and there of which the names cannot now be given 6 to 7 Total Peeling tents 40 Further, the cinnamon peelers who peeled cinnamon in the Theledollospattoe in the following peeling tents: Anwarantenne 1 Maakadewore 1 Kittehgodde 3 Bakkoelwelle 1 Gannetenne 2 Peremadolle 1 Williwattoere 3 Tambeoette 1 Pattadenije 1 1 1215. were 10 to 12 days ago driven downstream by the aratchy and lascorins of the gravet Maetelejaddewatte kadewet, namely from Madoeve, Miepittije, Ballewatwalle, Kahaheene, Hovemboewe, Bamberegahakande, Dienoeaane, and Bokkawolle. Your Honor will easily understand that such proceedings tend to the considerable detriment of the Company's cinnamon service. Furthermore, in view of the good understanding between His Royal Majesty and the illustrious Company, which has risen to a high summit, the Right Honorable Lord Governor feels fully confident that Your Honor will have the goodness to provide for this soon, so that the cinnamon peelers may without hindrance erect peeling tents at the aforementioned places in the Four Korales and in the Theledollospattoe and peel cinnamon there in peace. It will therefore be very good if Your Honor would please make the aforesaid matters known to His Royal Majesty at a favorable hour, and see to it that it may please His Royal Majesty to the aforesaid end to issue such orders as are consistent with His Royal Majesty's renowned justice. I have furthermore the honor to be with all respect was written beneath Your Honor's humble servant in the margin Hulftsdorp The 14 July 1789 Agreed Van Geysel Checked Eybrands First Clerk 1216. Kandy A few days ago, in the Hapitigam Korale in the village of Kotadeniyawa, situated next to the 7 Korales on the river Maha Oya, and specifically near the lascorin guard post, there was found a tied-up ola, with a small scrap of ola tied to it, upon which was written: That this ola had to be delivered unopened to the Right Honorable Lord Governor; and having received it as such, I at once handed it over to the said Lord Governor. Subsequently, having learned the contents of that ola, the Right Honorable Lord Governor handed it over to me with instructions to send it to Your Honor, as it might perhaps be useful that His Royal Majesty of Kandy be informed of the contents of that ola. I therefore have the honor to present to Your Honor the said ola herewith, notifying you that the Right Honorable Lord Governor has further instructed me to request Your Honor to be pleased to give notice thereof to His Royal Majesty at a favorable hour; To the Lord Dissave of the Three and Four Korales as also as also that His Honor has given orders to investigate here whether anything further can be discovered concerning the writer of the ola, as well as regarding its contents, and that as soon as anything further is learned, notice thereof will be given to Your Honor. Having herewith complied with the orders received from the Right Honorable Lord Governor, I furthermore have the honor, after numerous friendly greetings, to be with all respect was written beneath Your Honor's humble servant in the margin Hulftsdorp the 2 August 1789. Agreed Eybrands First Clerk 11 Van Geysel Checked

Dutch transcription

1213. Aan Den Heer Dessave der Drie en Vier korls Ingevolge hoog bevel van den wel Ed: Groot Achtbaare Heer Gouverneur make uw Ed: bekend, Dat den Heer Ambassadeur van de doorluchtige kompenie op den 4 ' Maart van hier, na het grote Hoff van Z: K: M: van kandia staat te vertrekken. Ik heb voorts de eeve met alle agting te zijn /:onderstond:/ uw Ed: Dw: Dienaar (:was geteekend D=k J=s Fretz: /:in margine:/ Hulftsdorp Den 24 Februarij 1789. Akkoweert Eijbrands Egkeerk 1 HageZien P„r Van Geijzel 1214. Kandia Aan Den Heer Dessave der drie en vier korls Met is op hoog bevel van den wel Edele groot Achtb: Heer Gouverneur dat ik bij deezen de eere heb„ be uwelEdele over de ondervolgende zaaken van aange¬ leegentheid te onderhouden hier in bestaande Dat zeedert een groote reeks van Iaaren Jaarlijks, 40 schiltenten aan de overkant van de rivier Ma„ haoije zijn geweest in de hier onder te noemene dorpen; van waar de kanneel schillers tot aan de berg Ballane kanneel geschilt hebben, zonder dat zij daar in verhindert zijn geworden dan alleen zeedert eenigen tijd zijn dezelve aan deeze zeide van de rivier Mahaoije te rug gejaegt onder aankundiging om geene schiltenten, of verblijfplaatzen aan de overkant van Maha„ oije te moogen hebben. De wel Edele Groot Achtb: Heer Gouverneur kan niet anders denken dan dat dit is het bedvijf van eenige kleine min„ dere hoofden in die kontrijen De Schilten ten zijn geplaatst geweest als volgt te te kosroepe - - - - - - schiltenten. . . . 2. „ Makakeheelwelle - - - „. . . . . . 5 „ Mepittije. - - . . . . . „. . . . . 1. Sellewe „ Reheelpanneli - - - „ - - - - - 5 „ Dejanwolle - - - - „ - - - - 3 „ Algamme - - - - „ . . . . 1 „ Reviminnegammene „ . . . 1 nog hier en daar waar van de naamen nu niet kunnen opgegeven worden 6 a. 7 Geld Schiltanten 40 Bevinden zijn de kanneel schillers, die in de Theledollospattoe in de ondervolgende Schilten¬ Anwarantenne . . . . . Maakadewore - - - - - „ - - - - - - „ „ - Kittehgodde - - - - „. -. - - - 3 Bakkoelwelle. . . . „. . . . . . 1 Gannetenne - - - - - - „ - - - - - 2 Peremadolle - - -. . „. . . . . 1 Williwattoere - - - - - „ - - - - - 3 Tambeoette - - - - - „ - - - 1 Pattadenije - - - - „. - - - - - 1 „. - - - . 1 „ten „ 1 1215. ten kanneel geschilt hebben voor 10 a 12 daagen door den arvaatje en Laskorijns van de gravet Maetelejaddewatte kadewet na beneeden verjaagt, namentlijk van Madoe ve, Miepittije, ballewatwalle Kahaheené hovemboewe, bamberegahakande, dienoe„ aane, en Bokkawolle Uweledele zal zelfs Ligtelijk kunnen begrijpen dat zulke gedoentens strekken tot merkelijk nadeel van s' komps: kanneel dienst ook houd de wel Edele Groot Agtb: Heer Gouverneur uit hoofde van de goede verstand houding tusschen Z: K: M: en de door luchtige komp: die tot een hoogen top gereezen is zig volkoomen verzeekert dat uwel Edele de goedheid zal hebben om spoedig daar in te voorzien, op dat de kanneel schillers onverhinderd kunne schilten ten kunnen op slaan op de hier vooren gemel de plaatzen in de vier korls en in de The ledollos pattoe en daar gerust kanneel kun„ nen schillen. Wet zal dierhalven zeer goed zijn wanneer uw Edele voorsz: zaaken bij een goeduur aan Z: K: M: geliefd bekend te maaken en te bewerken dat het Z: K: M: ten eijnde voorsz: 1 voorsz: mooge behaagen om zoo daanige or„ ders te stellen als met Z: K: M: Roem„ ruchtige rechtvaerdigheid overeenkoomen. Jk heb voorts de eere met alle respect te zijn /:onderstond:/ uw Ed: Dw: Dienaar /:in margine:/ Wulstsdorp Den 14 Julij 1789 Akkordeerd. van geijzel Nagezien. Eijbrands Egkeerk 1216. Kandia Voor weinige daagen is in de Hapetigamkorl in het dorp kottedeniawe, geleegen naast de 7 korls aan de rivier mahavije, en wel bij de laskorijnswagt post; gevonden een toegebondenla, met een klein snippertje ola daar aan gebonden, waar op geschre„ ven stond; Dat die ola aan den weled: Groot Achtb: Heer Gouverneur en geopent moeste bezorgt worden, gelijk ik dan ook denselven zodanig ontvan„ gen hebbende, ten eersten aan wel gemelden Heer Gouverneur hebbe overhandigt vervolgens heeft den weled: Groot Achtb: Heer Gouverneur na den inhoud dier ola verstaan te hebben, mij den selven overgegeven met last, om hem aan uw. Ed: te senden, will het somwijlen zijne nattig„ heid hebben konde dat zijne K M van kandia van den inhoud dier ola geinformeert wierde. Ik heb dusde eere Uwel Ed: gemelde ola hier nevens aante presenteeren, onder te kenne te geving Dat den wel Ed: Groot Achtb: Heer Gouverneur mij nog verder gelast heeft om uwel Ed: te verzoeken, om daarvan bij een goed uur aan Z: K: M: te Aan Den Heer Dessave der drie en vier korls willen willen kennis geven; gelijk ook dat hoogst zijn wel Ed: ordres gesteld heeft om alhier te onderzoeken of men iets nader kan ontdekken nopens den schrijver der ola, zo wel als wegens den inhoud daar van en dat zo dra iets verder vernomen word, daar van kennis aan uwel Ed: zal wor¬ den gegeven Hier meede voldaan hebbende aan de ontvange ne ordre van den wel Ed: Gr: Achtb: Heer Ga Gouverneur, zo heb ik voorts de eere, na veel„ maalig vriendelijk groeten, met alle achting te zijn /:onderstond:/ uwel Ed: Dw Dienaar /:in margine:/ Hulstsdorp den 2 augustus 1789. Akkoweert Sijbrands Eg klerk 11 Van Geijzel Nagezien

NL-HaNA_1.04.02_3838_1071 view scan ↗

English

1217. To the Dissava of the Three and Four Korales In your Honour's letter in reply to mine of 14 July, I find it mentioned that the cinnamon peelers are not forbidden to peel cinnamon in the usual places and to pitch their tents there, but that they have gone to peel outside the usual places in the Five Countries named Rattepaha, and that they were therefore told not to do so, adding that in order to point this out, two messengers along with some cinnamon peelers could be sent. The headmen of the cinnamon peelers have testified that they have not been to those places at all, nor have they peeled cinnamon there, but, as has been customary from of old, they wished to set up their tents across the stream of Maha Oya below the mountain to peel cinnamon, but that they were driven away from there to this side of the aforementioned stream. They further reported that the aforementioned permitted area across the Maha Oya is large, measuring seven miles in length, miles, and in breadth one mile in some places and somewhat less in other places. The Right Honourable Governor was very pleased with your Honour's notification that the cinnamon peelers are not forbidden to go peeling in the usual places, and has instructed me to request your Honour that your Honour would also kindly ensure that the cinnamon peelers are not hindered from setting up their peeling tents in the aforementioned usual places across the stream of Maha Oya and from peeling cinnamon without any hindrance. And since it is necessary that the inhabitants there be informed of this so that the cinnamon peelers can work there unhindered, I have further been instructed by the aforementioned Governor to request your Honour to have the aforementioned inhabitants informed thereof by persons expressly sent thither by your Honour. Two trustworthy persons along with some headmen of the cinnamon peelers are now proceeding across in order to point out further the aforementioned permitted places across the streams of Maha Oya, as well as to investigate whether any cinnamon peelers 1218. have gone to peel on Ratepake and to bring those who have been guilty of this over here in order to receive their punishment. Was signed: Your Honour's humble servant. In the margin: Colombo, 12 August 1789. Agrees, Sybrands, First Clerk. Examined, B. Geysel. 1219. Kandy The Right Honourable Governor has instructed me to reply to your Honour's latest well-received palm-leaf letter regarding the delay of the Nayakkars at Mellewewe. That upon receipt of your Honour's earlier palm-leaf letter, dealing with the then imminent departure of the Nayakkars via Jaffnapatnam to the other coast, the necessary orders were immediately dispatched to Jaffna. That subsequently, by a letter of 24 September from Mannar, report was received that the Vanniyar of Nuwarakalawiya had made known by an ola that a chief Swami and several other minor Swamis along with their retinue had arrived there from Kandy in order to travel further via Mannar to the other coast, and that thereupon, assuming that those mentioned Swamis would be the same Nayakkars who, according to your Honour's earlier palm-leaf letter, were to depart via Jaffna, instructions were immediately written to Mannar To the Lord Dissava of Sabaragamuwa and the Three Korales to care for those Nayakkars according to custom, while today the aforementioned instruction has also been repeated further. And that if everything done in the Mannar district in this regard is not as complete, and especially not as prompt, as was done previously, this is to be attributed to the prolonged drought, which has caused crops to fail, so that there is not only a lack of provisions, but also of straw for roofing the houses, and even of drinking water, due to which many inhabitants have gone elsewhere, and particularly to the Nuwarakalawiya Vanni. For this reason, the Chief of Mannar has requested the Vanniyar of the Nuwarakalawiya to order the Mannar inhabitants to go to their residences in the Mannar district in order to build the necessary rest houses for the Nayakkars, because people are lacking for that purpose. Your Honour thus sees from this that the necessary orders have been issued, and that the servants will comply with them as best as possible. I remain further, after very friendly and repeated greetings, with all respect, Was signed: Your Honour's humble servant. In the margin: Colombo, 10 October 1789. Agrees, Gybrands, First Clerk. Examined, Vn Geysel. Number 39. 1220. Short detail of the most remarkable events in the Maratha and other related Madura kingdoms in the year 1789, respectfully dedicated to the Right Honourable Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon and the Coast of Madura, and the Council, by Martinus Mekern, Senior Merchant and Chief, and the Council at Tuticorin. Right Honourable, High-Commanding Lord! We have the honour, according to annual custom, herewith to present to your Right Honourable a brief report of the events since the conclusion of our respectful compendium of the ult:o

Dutch transcription

1217. Aan De Dessave van de drie en vier korls Bij uwel Edele brief in antwoord van de mijne van den 14 Iulij vind ik aangehaald, dat aan de kan„ neel schillers niet verbooden is om op de gewoone plaatzen kanneel te schillen en daar hunne tent opte slaan maar dat ze buiten de gewoone plaatzen in de vijflanden genaamt Rattepaha zijn gaan schellen, en dat daar om aan hun ge¬ zegd was dat niet te moeten doen met bijvoe„ ging dat om zulks aantewijzen twee bootschap„ pers neevens eenige kanneel schillers konde worden gezonden De Hoofden van de kanneel schillers hebben be„ tuigd dat ze in het geheel op die plaatzen niet geweest zijn, nog kanneel geschild hebben maar zoo als van ouds gebruikelijk geweest is aan de overkant van de spruit Mahaoije beneeden de berg om kanneel te schillen hunne tenten hebben willen opzetten, dog dat ze van daar tot aan deeze kant van de voormelde spruuit zijn verjaagt ze hebben nog berigt dat voormelde gepermitteerde plaat aan de overzijde van Mahaoije groot is, in de lengte zeven mijlen mijlen en in de breed te opzommige plaatzen een mijl en op andere plaatzen wat minder. De wel Edele Groot Agtb: Heer Gouverneur is op uw Edele aanschrijven dat aan de kanneel schillers niet ver„ booden is, om op de gewoone plaatzen te gaan schild zeer verblijd geworden, een heeft mij gelast uw Ed: te verzoeken dat uw Ed: niets dien ook gelieve te zorgen, dat de kanneel schillers niet worden belet, om op voorsz: gewoone plaatze aan de over„ zeide van de spruit Mahaoije hunne schil¬ tenten te zetten en zonder eenige verhindering Kanneel te schillen. En wijl het nodig zij dat de inwoonderen aldaar, Hier van worden onderrigt ten eijnde de kanneel schillers daar onverhinderd werken kunnen ben ik door wel gem: Heer Gouverneur nog gelast uw Edele te verzoeken om aangem: inwoonderen daar van, door expres door uw Ed: daar toegezon„ dene luiden, te doen kennis geeven. Twee geloofbaare perzoonen neevens eenige Hoofden van de kanneel schillers gaan tans over ten einde naader aantewijzen de voorsz: gepermitteerde plaatsen aan de overzijde van de spruiten Mahaoije als meede om na te speuren of eenige kanneel schillers 7 1218. schillers op Ratepake zijn gaan schillen en die zig daar aanschuldig gemaakt hebben dit heen over te brengen ten eijnde hunne straffe te erlangen /:onderstond:/ uw Ed: Dw: Dienaar /:in margine:/ kolombo Den 12 aug=o 1789. Adkordeert Sijbrands Eijklerk een Nagezien B: Geijzel 1219. Kandia De Weledele Groot Achtb: Heer Gouverneur heeft mij gelast, om uw Ed: op desselfs jongste wel ontvangen brief ola nopens het vertoeven der Naikers te Mel„ leewewe te antwoorden. Dat op den ontvangst van Uw Edele vroegere brief ola, handelende van het toen op handen geweest zijn„ de vertrek der Naikers over Jaffnapatnam na de overwal, ten eersten de nodige ordre na Jaffna afgesonden is Dat vervolgens bij een brief van den 24 September van mannaar bericht ontfangen is Dat de wanni„ a van noegere bij een ola had te kenne gegeven dat ereen periese Swaamie, en nog eenige minde¬ en ve Swaanigen nog eenige mindere swaamies nevens hun gevolg aldaar van kandin waaren aan gekoomen om verder over man naar na de over„ wall, te reisen en dat daarop, in veronderstellinge dat die genoemde swaamies dieselfde naikers zouden zijn, die volgens uw Ed: vroegere brief ola over Iaffia stonden te vertrekken, ten eer„ sten na Mannaar is aangeschreeven om Aan Den Heer Dessave van Sassergam en De Drie korls voor L L L H voor die Naikers na gewoonte te zorgen terweil ook heeden voormeld aanschrijven nog nader herhaalt zij en dat zo ook alles wat in het mannaarse hierin gedaan word, niet zo volleedig, en insonde„ heid niet zo spoedig als wel bevoorens geschied, zulks toeteschrijven is aan de langduurende droogte, die veroorsaakt heeft dat er geen graanen hebben kon„ nen groeijen, zo dat er niet alleen gebrek is aan leven sonder houd, maar ook aan stroo tot het dekken der huisen, en selfs aan drinkwaater waar door veele in woonders na elders en insonderheid na de noe geve wannie zijn gegaan alwaar om ook het opperhoofd van mannaar de wannia van de noegen verzogt heeft om de mannaarse inwoonders te willen ordonneeren om na hunne woonplaatsen in het mannaarse te gaan, ten einde de nodige rusthui„ sen voor de naikers te maken weil daar toe volk „mankeert. uw Ed: ziet dus uijt het een en ander dat de nodige ordres zijn gestelt, en waaraan de bediendens best mogelijk zullen voldoen Ik blijve voorts na seer vriendelijk en veelmaalig groe te met alle achting /:onderstond:/ uw Ed: Dw Die„ naar /:in margine:/ kolombo Den 10 oktober 1789 Akkordeert Gibrands lyklerk Die„ ber groe „ Vn Geijzel Nagezien N N:o: 39: 1220. Kort detail van de aenmerkelijke lijste gebeurtenissen in de „ marraatsche en ovre van koorsen Maduresche „ Rijken in het Jaar 1789: voor gevallen in eer„ „bied opgedraegen aan den WelEdelen Groot achtbaaren Heer. Willem Jacob van de Graaff Raad ordinair van Nederlands Jndien Gouverneur en Direkteur van het Eiland Ceijlonen de kuste Madure, Nevens den Raad door Martinus Mekern opperkoopman en opperhoofden den Raad te Jutukorijn. Wel Edele Groot Achtbaare Hoog Gebiedende Heer! Wij hebben de eer uwel Edele Groot agtb: volgens Jaarlijks gebruik hier bij kortelijk verslag tedoen van het voorgevallene sedert afslui„ „ten van ons eerbiedige kompendium van ult:o 9

NL-HaNA_1.04.02_3838_1080 view scan ↗

English

ulto August of last year, both in the Madura and Marrua and Trevancore realms, making a beginning with. The Realm of Madura and its lowlands are still under the administration of the Nabob Mahmed Alichan and of His Highness's Land Regent at Tirnevelli, Edwardchan. Since the conclusion of our respectful compendium of ulto August of last year, wherein we had the honor to report that over the arrest of six parraas and four kannekappels of the merchants of Ponnekail by the Manigaars of Kailpatnam and Atoer, we had complained by letter of the 22nd of that month to the Land Regent of Tirnevelli as well as to Mr. Buchanan, the Nabob's Agent, and under protest against this act as a violation of the privileges of the Company had requested that these people might be released and the Manigaars punished for their boldness, the merchants of Ponnekail, who also had no more money at hand to continue the trade, have strictly forbidden their curatoors at Atoer to let anything whatsoever be done for them until their kannekappels should be released. This had the consequence that the Manigaar, perceiving that this tended to the reduction of his income because no more linens were brought in and thus no tolls were paid, released the four kannekappels from their arrest, but the six parruas, who had been transferred from Atoer back to Kailpatnam, were still kept under arrest and mistreated. And as we received no answer to our aforementioned letters, we wrote once again to the Land Regent on 9 September and requested the release of the said parruas and that the Manigaars might be exemplarily punished. Since then, by an antedated letter of 7 September, which we only received on the 14th thereafter, he reported that the Manigaar of Atoer had set the arrested kannekappels and parruas at liberty again; but on the contrary we had report that the parruas, having been handed over by the Manigaar of Atoer to the one of Kailpatnam, had been caused by the latter to be brought to Kailpatnam and was still holding them prisoner there. We therefore requested the Land Regent once again on the 17th thereafter to be pleased to comply with our request made beforehand by letter of the 9th, but seeing no answer follow upon this, we gave notice of this anew to Mr. Buchanan, demonstrating that the violence committed against the said parruas was a violation of our privileges and of the latest treaty, which confirmed our privileges anew. Mr. Buchanan replied that he would not oppose the Nabob's Faujdar, the Land Regent, in the collection of revenues except with reluctance, regarding which he has the right to do in the Nabob's lands whatever he sees fit; but that if we believed this conflicted with our trade, it were to be wished that provision be made therein by some measure, and that the delay thereof was to be blamed on us alone, because we had not ratified the treaty; and furthermore that he wished to be troubled no more with any complaints until he saw that what was already stipulated by the contract was ratified, and that he wanted no part in our disputes. Shortly thereafter we received report from Ponnekail that the six parruas were finally set at liberty, after they had been forced by the Manigaar to pay twenty chakkrams and to sign an obligation that they would pay another forty chakkrams after their release, and that the Manigaar of Kailpatnam had caused the Ponnekail villagers to be warned to ensure that this money was paid, with the threat that he would otherwise send out a dhoni to seize the fishermen's dhonis at sea, and place people on the beach to seize the fish they catch. We also gave notice of this to the Land Regent and requested him to have the 20 chakkrams extorted by violence returned, along with the obligation of 40 chakkrams, and to punish the Manigaar of Kailpatnam exemplarily. And since the fishermen of Ponnekail, who are bitterly poor people, did not dare go to sea despite it being a good fishing season out of fear of the Manigaar's threats, we have meanwhile not only stationed our cruising dhoni off Ponnekail to protect the fishermen's dhonis, but also sent thither a detachment of sepoys consisting of a sergeant, a corporal, and twelve privates to preserve the village from further acts of violence. Notwithstanding that Mr. Buchanan had declared he wanted nothing to do with our disputes, we nevertheless, in accordance with the recommendation by Their High Right Excellencies by extract missive dated 2 June of last year written to Colombo, gave notice of this case anew to Mr. Buchanan, requesting his influence in order to do us justice, adding that in Article 12 of the treaty it was stipulated that until the ratification, the agreed articles would have their force and value, and that since the Nabob was enjoying the benefit thereof on his side, the same could not with any fairness be refused to the Company. Mr. Buchanan completely admitted this, but he added that nothing is mentioned in the said article that this concerned him, from which we thus had to conclude that we could not address ourselves further to Mr. Buchanan with any effect. Since then, the Land Regent, upon our complaint regarding the Manigaar of Kailpatnam, has made an inquiry into the matter, and has caused us to be notified by one of our servants that the parruas of Ponnekail, since their tribute money in 1779 was reduced by sixty chakkrams by the Manigaar Pitje Aende Chetty, had therefore yearly given a gift to the Manigaars

Dutch transcription

ult:o aug:s J:o L: zo in de Maduresche als Mar„ „ruassche en Trevankoonse rijken Een begin ma„ „kende met. Het Rijk van Madure en desselfs beneeden landen staan nog onder de bestiering van den Nabab Mah„ med. Alichan en van zijn Hoogheids Landsp „regent te Tirnevelli Edwardchan sedert het afsluiten van ons eerbiedig kompen„ „dium van ult:o aug:s J:oL: waer bij wij de eer gehad hebben te melden, dat we over het arresteeren van ses parraas en vier kanne„ „kappels van de kooplieden van ponnekail door de Mannigaars van kailpatnam en Atoer aen den Landregent van Tirnevelli zo wel als aen den heer Buchanan 's Na„ „babs Agent bij briev van den 22: dier maand geklaagde en onder protest over dit be„ „drijf als een schending van de voorrechten van de komp: versocht hadden dat deese menschen mochten gelargeerd en de Ma„ nigaars over hunne stoudheid gestraft worden, hebben de kooplieden van pon„ „nekail die ook geen geld meer aen handen hadden om den handel voortte„ „setten aen hunne kuratooren te Atoer vol„ strekt verboden om voor hun niets hoege„ „naamd te laeten verrigten tot zo lange hunne 1221. hunne kannekappels zouden ontslagen, weesen, 't geen van dat gevolg geweest is, dat de Manigaar bemerkende dat zulx strekte tot vermindering van zijn in„ „komen door dien er geene lijnwaeten meer aangebragt en dus ook geene tollen betaeld wierden de vier kannekappels uit hun arrest heeft ontslaen dog de ses parruas die van Atoer weder na kailpatnam waaren overgebragt, wierden nog in arrest gehouden en mishandeld, en wijl we op onse voorm: brieven geen antwoord kreegen. hebben we aen den Landregent den 9: september nog eens geschreeven en versocht om de ontslaging van de gemelde parruas en dat de Manigaars voor beeldelijk mogten gestraft worden, sedert heeft deselve bij een geantedateerden brief van den 7: september, die we eerst den 14: daer aen hebben ontvangen gemeld dat de Manigaar van Atoer de ge arresteerde kannekappels en parruas weder op vrije voeten gesteld had, maar we had„ „den daar en tegen berigt dat de parruas door de Manigaar van Atoer aen die van Kailpat„ „nam overgegeeven zijnde, dieze hen na kail„ „patnam had laeten brengen en aldaar nog ge„ „vangen hieldt. wij versochten derhalven op den 17: daer aen andermaal den Land regent om aen ons ons verzoek bij brief van den 9: tevooren gedaen te willen voldoen, dog hier op geen antwoord ziende volgen geven we hier van op nieuw kennis aen den Heer Buchanan met vertooning dat het geweld aen de gemelde parruas gepleegd een schending was van onse privilegien en van het laeste traktaat, 't welk onse privilegien op nieuw heeft bevestigd. De Heer Buchanan antwoorde dat hij niet dan met weesien zig zoude versetten tegen, Nababs Fausdaar, den Landregent, in het invorderen van de reve„ „nien, waar omtrent hij recht heeft, om in 's Nababs landen te doen 't geen hij goedvind maar dat indien wij meenden dit te strijden met onsen handel het te wenschen waere dat daer in door een middel voorsien word, en dat het uitstel daar van alleen aen ons te wijten was, wijl wij het traktoet niet geratificeerd hadden en voorts dat hij wenschte niet meer lastig teworden gevallen met eenige klagten tot dat hij zag dat was geratificeerd 't geen reets bij het kontrakt was gestipuleerd en dat hij geen deel wilde hebben in onse dus„ „puten kort daar na kreegen we berigt van ponnekail dat de ses parruas eindelijk op vrije voeten gesteld waeren, na dat ze door den manigaar gedwongen waeren om twintig 's jak„ „kerons te betaelen en een bewijs te teeken dat 1222 dat ze na hunne ontslaging nog andere veertig 's jakkerons zouden betaalen, en dat de Manigaar van kailpatnam aen de ponnekail„ „sche dorpelingen had laeten waarschouwen, om te zorgen, dat dit geld betaald wierd met bedrijging dat hij anders een tonie zoude uitsenden om de visschers tonies in zee weg teneemen, en welk aan strand stellen om de vis die te vangen weg teneemen. Wij gaven hier van ook kennis aen den landregent en versogten hem om de door geweld afgeperste 20: 'sjakkeroms in 't bewijs van 40 1 Jak„ „kerons te laeten te rugge geeven en om den Manigaar van kailpat„ „nam voorbeeldelijk te straffen en vermits de visschers van ponnekail, die bitter arme menschen zijn schoon een goede vistijd niet dorsten na zee gaen, uijt bedugting voor de bedrijging van de Manigaer hebben we intusschen niet alleen onse kruijsstonie voor ponnekail geplaats om de visschers tonies te bevijligen maer ook een aetachement sipahid bestaende in een zergeant een korpo„ „raal en twaelf gemeene na derwaards gesonden om het dorp voor verdere geweldenarijen te bewaaren Niet tegenstaende de Heer Buchanan verklaerd had met onse duspiten niet te willen te doen hebben gaven wij echter over een komstig het aenbevolene door hun Hoog Edelh: bij extrakt missive de dato 2: Junij J:o L: na kolombo geschreeven aen den Heer Buchanan van dit geval teffens op nieuw kennis versoekende om zijn influencie, ten einde ons recht te doen met bijvoeging dat bij 't traktaet artikel 12: bedongen was, dat tot de ratifikaatsie, de bedongene artikelen hunne kragt en waarde zouden hebben en dat de Nabab van zijne zijde daer van 't genot trekkende, het zelve met geen billijkheid aen de kompanie konde gewijgerd worden. Dit heeft de Heer Buchanan volkomen toegestaen maer hij voegde er bij dat bij het gem: artikel niets gemeld wordt, dat hem dit aenging, waer uijt we dus besluiten moesten dat we ons met geen vrugt verder bij den Heer Buchanan zouden kunnen addressee„ „ren sedert heeft de Landregent op onse klagte over de Mani„ „gaar van kailpatnam daer na ondersoek gedaen en door een van ouse bedienden ons laeten kennis geeven dat de parruas van ponnekail zedert dat hunne tribut penn: en 1779: door den Manigaer pitje aende Chittij met sestig 's 7akkerons verminderd waeren daer voor Jaarlijks een geschenk aen de Ma„ „nigaars t

NL-HaNA_1.04.02_3838_1084 view scan ↗

English

...had given to the Manigaars, and that because they had not paid this now, the current Manigaar had again demanded the old duty as it was determined before the year 1779, adding that the inhabitants had to give the Manigaar either the renewed duty with the gift, or the old duty. We were always apprehensive that the country's government would not wish to recognize the reduction made by a Manigaar who was not authorized to do so; but since a careful investigation has shown that the Parruas, since the reduction of their tribute, have paid no present to the Manigaars for it, and since these people are currently so impoverished that they are utterly unable to pay the customary tribute moneys any longer, we have had it represented to the Land Regent that the Parruas of Ponnekail were still so heavily burdened that it is only with the greatest difficulty that the reduced tribute moneys are collected, and that these destitute people, if more were demanded of them, would only have to abandon the village, since they are otherwise more heavily taxed than any other inhabitants of this coast, and that they would also already have abandoned the village had the Company not incurred greater expenses to preserve the village and people, requesting therefore to order the Manigaars to be content with the reduced tribute moneys that have been paid since 1779, and to return the money and the bond that they have taken by force. To this, the Land Regent, by letter of 8 November, of which we had the honor to present a copy to your Right Honorable Worships with our respectful letter of the 19th thereof, merely informed us that he had strictly ordered the Manigaar of Kailpatnam not to molest the Parruas of Ponnekail, but to conduct himself towards them according to ancient custom, so that the extorted money and the promissory note have not been returned to the Parruas to this day. To our letter of 15 August last, in which, according to our respectful compendium of the ultimate of August, we asked the Land Regent for the settlement of his remaining debt or for proper security for it on the nelly crop or other revenues of the country, he replied by letter of 7 September that the payment would be made from the country's revenues; but this not having taken place, we further urged him by letter of the 12th of this month for the restitution of his remaining debt, still amounting to Company pagodas 4244 and 10½ Madurese fanams, adding that if the payment did not follow within eight days, we would be obliged to address ourselves to the Nabab in this regard; however, he has to this day answered nothing to this item. To attend the inspection of the pearl banks along this coast on behalf of the Nabab, five tonies arrived here on 25 October, of which three were Moorish tonies from Kailpatnam and the remaining two belonged to the Parruas of Wirandepatnam, who had been compelled by the Manigaar of Kailpatnam with blows to come hither with their tonies. We complained about this to Mr. Buchanan as well as to the Land Regent, and received as an answer from the first-named that he found it strange that we complained that the Nabab made use of tonies belonging to people who live in his own villages; but without entering too deeply into this, we further demonstrated to Mr. Buchanan that Wirandepatnam has from all times been possessed and ruled by the Company, which still derives some small revenues from it, that from of old it was the seat of the Parruas, which was transferred by us to Tutukorijn, and that neither the Parruas of Wirrandepatnam nor from any other place have ever rendered any other obligation to the Nabab than the customary tributes. In the meantime, the Parruas of the Wirandepatnam tonies ran away, and the 3 Moorish tonies likewise returned to Kailpatnam without informing us. On 10 November, we received an answer from the Land Regent in which he declared that he had hired the tonies of the Parruas of Wirandepatnam as inhabitants of the Armane, since the Armane itself had no tonies; however, Mr. Buchanan, to whom we had further clearly pointed out, among other things, by letter of 1 November the reasons why we had objected to the violent pressing of the two Parrua tonies, upon his arrival here on 11 November declared outright that such was contrary to the customs and privileges of the Company, and requested of us four tonies in order to assist at the inspection of the pearl banks on behalf of the Nabab, which we also provided to him, and the inspection was thereupon commenced on 4 December with four tonies of the Company and four tonies of the Armane. Since all the pearl banks were inspected in the previous year, we did not deem it necessary this year to have those banks reinspected on which nothing was found in the previous year, and only had examined the seven banks that were found occupied with oysters in the previous year, with which work was already finished on the 13th of this month, the same being found occupied again with oysters of four, three, and two years. We thereupon demonstrated to the Moor Audulkader Tambij, who was charged with the commission of the inspection on behalf of the Nabab, that as far as the Company is concerned, the inspection for this year could be considered ended, but that if the Nabab's servants deemed it necessary to visit any other banks, it would be done if they would only please specify them. He said that he would write about this to Mr. Buchanan, and requested in the meantime to examine the large bank Solaijrenpaer

Dutch transcription

„nigaars gegeeven hadden en dat wijl ze dit nu niet hadden betaeld de tegenwoor„ „dige Manigaar weder de oude geregtigheid zo als deselve voor 't Jaar 1779: bepaeld was, had ingevorderd met bijvoeging dat de in wooners of de vernieuwde ge„ regtigheid met het geschenk of de oude geregtigheid aan den Manigaar moesten geeven. wij waeren altoos bedugt dat de Landsregeering de gemaakte vermindering door een Manigaar, die daer toe niet ge„ „rechtigd was, niet zoude willen erken„ „nen maar wijl bij een nauwkeurig onder„ „soek gebleeken is, dat de parruas zedert de vermindering van hun tribut, daer voor geen present aen de Manigaers hebben op„ gebragt en wijl deese menschen tans zo zeer verarmt zijn dat ze de gewoone tribut penningen volstrekt niet meer kunnen op„ „brengen, hebben we aen den Landregent laeten vertoonen. dat de parruas van ponnekail nu nog zo zeer belast waeren dat het niet dan met de grootste moeijte is, dat de ver„ „minderde tribut penn: te binnen komen en dat deese behoeftige menschen, indien van hen meer gevorderd wierd, alleen het dorp zouden 1223. zouden moeten verlaeten, vermits ze buiten des zwaarder belast zijn als eenige andere ingezeetenen van deese kust, en dat ze ook reets het dorp zouden hebben verlaeten indien de Comp: niet grooter kosten gedaen had, om het dorp en volk te bewaeren met versoek derhalven om de Manigaars te be„ lasten te vreeden te zijn met de vermin„ „derde tribut penn: die zedert 1779: betaeld zijn en te rugge te geeven het geld en de obli„ „gaetsie die te met geweld hebben afgenomen De Landregent heeft ons hier op bij brief van den 8: November waer van we 't. afschrift de eergehad hebben uw welEdele groot agtb: aentebieden, bij onsen eerbiedigen van den 19: daer enkel bedeeld dat hij de Manigaar van kailpatnam scherpelijk had aenbevoolen om de parruas van ponnekail niet te molesteeren, maar zig omtrent hun te gedraegen volgens het oud gebruik zo dat het afgedwongen geld en het schuld bewijs tot nu toe aen de parruas niet zijn te rugge gegeeven op onsen brief van den 15: aug:s J: L: waar bij wij volgens ons eerbie„ „dig kompendium van ult:o aug:s den land„ „regent om de voldoening van zijn restant schuld of om behoorlijke se curiteijt daer voor voor gevraagd hebben op 't nelie gewas of andere inkomsten van 't land, heeft hij bij brief van den 7: september geantwoord dat de vol„ „doening uit 's lands inkomsten zoude geschieden maar dit niet geschiet zijnde hebben we hem bij brief van den 12: deeser nader aengemaend om de restitientsie van zijn restant schuld nog groot kompanies pagooden 4244: en 10:½ Madure„ „sche fanums met bijvoeging dat we indien de betaeling binnen agt dagen niet volgde genood„ „zaakt zouden weesen ons derweegen bij den Nabab te addresseeren, dog hij heeft op deese post tot nu toe niets geantwoord. om de visitaatsie der paerbbank en langs deese kust van wegen den Nabab bij te woonen zijn den 25: oktober hier vijf tonies aengekomen daar van drie Moorsche tonies van Kailpatnam ende overige twee gehoorende aende parricas van wirandepatnam die door den Manigaar van kailpatnam door slagen gedwongen waaren met hunne tonies na herwaards te komen Wij hebben hier over aen den Heer Buchanan zo wel als aen den Landregent geklaagd en van de eerste genoemde tot antwoord be„ „koomen dat hij het vreemd vondt, dat we ons beklaagden, dat de Nabab gebruik maekt van tonies gehoorende aen menschen die in zijne eigene dorpen woonen, maar zonder ons hier over heel diep en te laeten, hebben we den 1224. den Heer Buchanan nader vertoond, dat wirande„ „patnam van alle tijden is bezieten en geree„ „geerd geweest door de komp: die er tot nu toe eenige kleine revenuen van trekt dat daer van ouds geweest is de zetel van de parruas die door ons is overgebragt na Tutukorijn en dat nog de parruas van wirrande patnam noch van eenig ander plaets ooijt eenig ander verpligting als de gewoone tributen aen den Nabab hebben opgebragt, Jntusschen zijnde parruas van de wirandepatnamsche =weggeloopen en de 3 moorsche tomies tonies zijn meede zonder ons kennis te gee„ „ven na kailpatnam te rug gekeerd Den 10: November ontvingen wij antwoord van den Landregent waer bij hij verklaerde, dat hij de tonies van de parruas van wirande„ „patnam als inwooners van de Armane had in huur genomen vermits de Armane zelfs geen tonies had, dog de heer Buchaman aen wien wij nader bij brief van den 1: No„ „vember onder anderen duidelijk hebben aengeweesen de reedenen waarom wij ons beswaerd hadden over het geweldadig pressen van de twee parruassen tonies heeft bij zijne aankomst alhier op den 11: November rond uijt verklaard dat zulx strijdig was met de gebruike„ ende previligien van de Comp: en van ons ver„ sogt van „sogt om vier tonies ten einde bij de visitaetsie der paarlbanken voor reekening van den Nabab te assisteeren die we aen deselve ook hebben besorgd en de visitaetsie is daar op den 4: Decem„ „ber met vier tonies van de Comp: en vier to„ „nies van de Armane begonnen. Wijl in het voorleeden Jaar alle de paarlbanken gevisiteerd zijn hebben wij niet nodig ge-oordeelt om in dit Jaar die banken waer op in het voor„ „leeden Jaar niets gevonden is, weder te laeten visiteeren en maar alleen laeten examinee„ Seven „ren de zelver banken die in het voorleeden Jaar met oesters zijn beset bevonden waer meede men reets den 13: deeser gedaen werk gekreegen heeft zijnde deselve weder beset bevonden met oesters van vier, drie en twee Jaaren wij hebben daar op aen de Moor Audul kader tambij, die belast was met de kom„ „missie van de visitaetsie van weegen de Nabab vertoond, dat voor zo verre de komp: betreft de visitaetsie voor dit Jaar voor ge- eijndigd konde worden gehouden, maar dat indien 's Nababs bedienden het nodig oordeel„ bezoeken „den om nog eenige andere banken te dessrgon het zoude geschieden indien zij deselve maer geliefden op te geeven. Hij zeide dat hij daer over aen den Heer Buchanan zoude schrijven en versocht om intusschen de groote Bank Solaijren paer

NL-HaNA_1.04.02_3838_1089 view scan ↗

English

to visit Tolaiyrenpaar, as the weather for it was currently still favorable. This would have already taken place, but in the meantime, on the evening of the 14th of this month, two Moors arrived with a letter from Mr. Buchanan, stating that the aforementioned Moors were authorized to attend the inspection of the pearl banks on behalf of the Nabob in place of the previous commissioner. Since then, at the request of Mr. Buchanan, several banks situated between here and Ponnekail, on which a few oysters were found last year, have been visited without anything being found on this occasion, so that the inspection may now be regarded as completed, although at the close of this letter we await a favorable opportunity to also visit the large bank Tolaiyrenpaar before Tutucorin. After we, as mentioned above, had provided four thonies at the request of Mr. Buchanan to assist in the inspection for the account of the Nabob, two Adikares from Tirnevellie arrived at Bempaar, demanding in the name of the Land Regent from the Parruas there two thonies or as much money as was required to maintain two other thonies; and upon the refusal of the Parruas to comply with this demand as an innovation, they forbade them to go out to sea to fish and furthermore brought two Parruas here. We have complained both to the Land Regent and to Mr. Buchanan about this new infringement upon our rights, and requested the latter to bring about a redress of this deed, and to ensure that such acts of violence might not occur again. The Land Regent replied to this that nothing of the incident was known to him, and that he had dispatched people to bring the Adikares to him under arrest; and Mr. Buchanan has furthermore given us an assurance that he would attend to our complaints. On the 15th of this month, two Serwegarens and a Sepoy arrived at Manapaar on behalf of the Moor Aude Kader of Kollesegrepatnam to summon the Company's merchant Sodellemaden. Upon the inquiry of the residents regarding the reason for this summons, they stated that since the Manigaar of Kollesegrepatnam had been brought to the Land Regent at Tirnevelli on account of arrears in lease money, the aforementioned Moor Aude Kader, as surety for the Manigaarship, had already caused several of the Manigaar's family at Kollesegerepatnam to be taken into custody in order to send them to Tirnevelli together with the merchant Sodellemaden, whom they had come to fetch. But upon the reply of the residents that they could not let this merchant go—who in his own person was also indebted to the Armane—because the Company's trade would thereby be obstructed, but that if there were proof that Sodellemaden personally owed anything to the Armane, they would then ensure that the debt was paid, the emissaries of Aude Kader returned to Kollesegrepatnam without causing any further trouble. However, because the residents of Manapaer feared that people would come again to seize Sodellemaden, who had been taken into protection inside the lodge, and other merchants concerning the aforementioned debt of the Manigaar of Kollesegrepatnam, they requested from us a detachment of military personnel in order to protect the merchants against violent actions. But since the merchant Sodellemaden, as a brother's son of the Manigaar, was answerable for the debts of his uncle according to the laws of the land, and because the Nabob's servants exempt no one from this law without the consent of the Nabob; and furthermore, since it has subsequently come to our knowledge that the deceased merchant Allegappa Sittij, who was the father of the present merchant Sodellemaden, repeatedly had to pay money for the debts of his brothers Pandaren and Pietje Aende Sittij, and that it was therefore nothing new that Sodellemaden was now held liable for the debts of Pandaren and Pietje Aendie Sittij, as according to the custom of the land he could inherit from them and thus also had to pay for them; we have therefore written to Manapaar not to pursue the matter of the merchant Sodellemaden any further, since under these circumstances we could not protect him against the prosecution of the native government until matters with the Nabob are completely settled. With orders to instruct Sodellemaden that he must hide himself outside Manapaar for a time until matters with Pietje Aendie and Pandaren Sittij are arranged, as we could grant him no protection in this matter. However, to protect the village against other acts of violence that might be attempted, we have, at the request of the residents, dispatched for some time to Manapaar a detachment of Sepoys consisting of: 1 Sergeant 1 Corporal 12 Privates. In the country of Marrua no change has occurred, the same being, according to what was cited by us,

Dutch transcription

1225. solaijrenpaar te besoeken, wijl het weder daar toe tans nog gunstig was. Dit zoude reets geschiedt zijn maar middelerwijle kwamen den 14: deeser des avonds twee Mooren met een brief van den Heer Buchanan, behelsende dat de gemelde Mooren gequalificeerd waeren, om insteede van den voorigen kommissiant de bestie„ „ring van de visitaetsie der paarlbanken van wegen den Nabab bij te woonen sedert zijn op de begeerte van de Heer Buchanan eenige banken tusschen hier en ponnekail leggende waar op in 't voor„ „leeden Jaar eenige wijnige oesters waaren gevon„ „den besogt zonder dat daar op dit mael iets ge„ „vonden is, zo dat de visitaetsie tans voor afge„ „loopen kan worden gehouden schoon men on„ „der het sluijten deeser naar een goede gelee„ „genheid wacht om noch de groote bank Tolaij„ „renpaar voor Tutukorijn te gaen besoeken. Na dat we zoo als hier vooren is aengehaalt op het versoek van den Heer Buchanan vier tonies besorgd hadden om voor reek: van den Nabab bij de visitaetsie te assisteeren waaren en twee adikares van Tirnevellie te bempaar gekoo„ „men begeerende uit naam van den Landre„ „gent van de parruas aldaar twee tonies dan wel zo veel geld als er nodig was om twee andere tonies te onderhouden en op de wijge„ „ring der parruas om aen deesen eisch als een nieuwigheid al ek renpaer nieuwigheid te voldoen verboden zo hen na zee te gaen visschen en hebben voorts twee pariuas na herwaards meede gebragt, wij hebben zo aen den Landregent als aen den Heer Buchanan over deese nieuwe inbreuk van onse rechten geklaagd en aen de laatste genoem„ „de versocht om te bewerken dat deese daed her„ „steld wierd, en dat diergelijke geweldenarijen niet meer mogten voorkoomen. De Landregent heeft hier op geantwoord dat hem van het voor„ „gevallene niets bekend was en dat hij volk had afgesonden om de Adikares gevangen bij hem te brengen en de Heer Buchaman heeft ons daer bij toezegging laeten doen dat hij op onse klagten zouden letten. Den 15: deeser kwamen binnen Mannaap twee ser„ „wegaren en een sipalie uitnaem van de Moor„ Aude kader van kollesegrepatnam om den kompenies koopman sodellemaden te roepen zeggende op de vrage der residenten na den reede van dit op ontbod, dat de Manigaar van kollesegrepatnam wegens agterstallige pagt penn: na Tirnevelli bij den Landre„ gent gebragt zijnde voormelde Moor Aude kader als borg voor het Manigaarschap reets verscheide van de familie van den Manigaer te kollesegerepatnam had laeten in versee„ „kering brengen om nevens den koopman clodellemaden 1226. sodellemaden wien ze kwamen haelen naar sirnevelli op te senden maar op het antwoord der residenten dat ze deesen koopman die ook in eigene perzoon aen de Armane mits schul„ „dig was, niet konden laeten gaen om dat 's Comp:s handel daar door zoude gestremd worden, dog dat ze indien er bewijsen waeren, dat sodelle ma„ „den in zijn partikulier aen de Armane iets schuldig was als aan zouden zorgen dat de schuld voldaen wierd, zijnde afgesondeenen van Aude kader naar kollesegrepatnam terug gekeerd zonder eenige verdere moeijelijkheeden aente„ „rechten, Maar wijl de residenten van Manapaer bedugt waeren dat er weder volk zoude af„ komen om sodelle maden, die binnen de losie in bescherming genomen was en andere koop„ „lieden over voorm: schuld van den Manigaar van kollesegrepatnam op te vatten, versochten ze ons om een detachement Militairen ten einde de kooplieden tegen geweldadige be„ „drijven te beschermen: Doch daar de koopman sodellemaden als Broeders soon van den Mani„ „gaar naar 'slands wetten voor de schulden van zijn oom aenspreekelijk was en om dat 't 's Nababs bedienden van deese wet niemand uitsluijten buijten toestemming van den Nabab mitsg:s wijl ons zedert daer bij is ter kennis gekomen dat de overleedene koopman Allegappa sittij die de vader is geweest van de presente koop„ „man Sodelle maden meermaals geld heeft moeten ge jaer maden moeten betaelen voor schulden van zijne broeders pandaren en pietje aende sittij en dat het dus niets nieuws was dat sodelle mad tans wierd aengesprooken voor schulden van pandaren en pietje aendie sittij daar hij volgs 's lands wijse van hen konde erven en dus ook voor hen moest betaelen zo hebben we na Manapaar aengeschreeven om de zaek van den koopman sodellemaden niet verder te pousseeren wijl we hem in deese omstanden niet konden beschermen tegen de vervolging van de Jnlandsche regeering tot zo lange de zaeken met den Nabab volleedig zouden zijn geschikt, met last om sodellemaden aente„ „seggen, dat hij zig voor een tijd buijten mana„ „paar moest verbergen tot dat de zaeken met pietje aendie en pandaren sittij zouden ge-arrangeerd weesen alsoo we hem in deese zaak geen bescherming konden verleenen om het dorp echter tegen andere gewelde na„ „rijen die men onderneemen mogte te be„ „schermen, hebben we op 't versoek der residenten voor eenige tijd na Manapaar gesonden een detachement sipalus bestaende in 1: zergeant 1: korporaalen 12: gemeenen Jn het land van Marrua is geen verandering voorgevallen wordende het zelve volgens het aengehaelde bij ons

NL-HaNA_1.04.02_3838_1093 view scan ↗

English

1227. our respectful compendium still governed by the radja wiesejeregoenaden sedoepoddi katta Teuver. In reply to our letters of the 22nd of August, whereby we informed the Teuver and his prime minister that, according to their request, we would send a decent official to kilkare to settle the pending disputes with the Teuver Court as soon as it suited them to send someone to kilkare for that purpose as well; having themselves replied by letters of the 8th of September last that they had so much to do at the Court with the affairs of the Cerkar /:Nabab:/, that they had no opportunity to enter into negotiations at kilkare with an envoy of ours, but that they would take this into consideration in the coming month of January, as Your Right Honourable will have observed from the copies of the aforementioned letters, which we have had the honour to present to the same alongside our humble letter of the 6th of October last, from which it clearly appeared that the Teuver and his minister intend nothing else than to keep matters lingering without providing us with any settlement. We therefore took the liberty therein to leave to Your Right Honourable what we should further do regarding this matter, since all efforts made by us to settle the disputes with the Teuver himself had turned out to be fruitless, and since Mr. Buchanan had declared that he absolutely did not wish to meddle with anything other than what concerned the fisheries; further dutifully demonstrating that the Tranquebar merchant Verwijk still remains at Sonde and continues to collect linen and to transport it to Tranquebar, and that the merchants at kilkare persistently request compensation for the toll that they have had to pay over and above the toll that is validated to them and charged upon the linens, being 1: 13/3: pagodas on every 100 pieces, for which a favourable promise had already been made to them by Your Right Honourable's letter of the 8th of January last, upon which we still respectfully await Your Right Honourable's esteemed disposition at the closing hereof. In the kingdom of Trevankoor, where our factory at Cape Kommorijn is situated, we continue to enjoy an unhindered freedom of trade and peaceful residence. We have the honour to remain with all respect and fidelity /:was written below:/ Right Honourable 1228. Right Honourable, High-commanding Lord, Your Right Honourable's humble and faithful servants /:was signed:/ M: Mekern, A: v: d: wall, D: V: D: Driesen, and F: Damman /:in the margin:/ Tutukorijn, the 31st of December 1789. Agrees Wijbrands First Clerk Fretz Examined. No: 40: 1229 Ceylon To the Right Honourable Lord Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director of the said Island, on the Coast of Madure, Inchiado, etc. etc. etc., alongside the Council. At Colombo Noble, Stern, Valiant, Wise, Prudent, Very Discreet Sirs. We have had the honour of receiving Your Right Honourable's letters of the 23rd of September last, in reply to which we kindly request Your Right Honourable to permit us to receive the gold brought for this coast by the ship De Gouverneur Falck, by one of our sloops, De Herstelling or the Zeerob, currently wintering at at Jaffanapatnam. And whereas Your Right Honourable requires of us to be informed as to what would be the safest way of forwarding it hither in future in such cases, it seems to us that this could be done by a Company's sloop that is at hand, or else with a cruy-thony, either via Jaffanapatnam or through Manaar's Straits, as has previously been the custom, we, however, always deferring in this matter to the wiser judgment of Your Right Honourable. The lack of funds for procurement and collection of linens for the Honourable Company obliges us to request Your Right Honourable that, to sustain this practice, we may be supplemented from the gold destined for our coast; for otherwise, since what has been sent is already so small, we run the risk of falling into entanglements detrimental to the Master's interests due to the moneyless condition in which we already find ourselves. We therefore have the honour to remain with all respect /:was written below:/ Noble, Stern, Valiant, Wise, Prudent, Very Discreet Sirs, Your Right Honourable's humble and obedient servants /:was signed:/ No. 1230. To the same as above N:s Tadama, M: Stoffenberg, I: D: Simons, B: Brouwer, F: W: Bloeme, I: S: de Raeff /:in the margin:/ Palleacatta in the Castle Geldria, the 22nd of November 1788. The ship Straalen, Captain Chasson, destined from Europe to Bengal, and having departed on the 22nd of July last from the Cape, arrived at Bimlipatnam on the 29th of October, due to missing the Ganges. Today we received, by private reports, the very unpleasant news that on the 24th of the month of November the aforesaid ship was overtaken there by a severe storm, and after the loss of three anchors and the cutting of the cable whereby the fourth anchor remained in the ground, fled from the Bimlipatnam Roadstead, according to orders from the ship's captain, who along with his head surgeon and some crew members were on shore, towards Trincomalee. The said Captain had arrived at Jaggernaikpoeram and was in agreement with a certain person to hire a private vessel there in order to cross over to Trincomalee with it. We considered it our duty to inform Their High Honours of this occurrence, and request

Dutch transcription

1227. ons eerbiedig kompendium nog bestier door den radja wiesejeregoenaden sedoepoddi katta Teuver- Jn antwoord op onse brieven van den 22: aug:s waer bij we den seuver en zijn eerste minister hebben ken„ „nis gegeeven dat we volgens hun versoek een fat„ „soendelijk beampte na kilkare zouden zenden om de zweevende geschillen met het Teuversche Hoff aftedoen zo dra hot hun geleegen kwam om ten dien einde meede iemand na kilkare tesenden hebbende zelven bij brieven van den 8: september J:L: geaantwoord dat ze met de zaeken van den Cerkar /:Nabab:/ zo veel aen het Hoff te doen hadden, dat ze geen geleegenheid hadden om met een zendeling van ons te kilkare in on„ „derhandeling te treeden, maar dat ze dit in de maand Januarij aenstaende in bedenking zou„ „den neemen zo als uw welEdele Groot agtb: dit zal beoogd hebben uit de kopijen van gem: brieven die wij de eer gehad hebben „nevens onsen onderdanigen van den 6: oktober J:L: Hoogst deselve aentebieden waer uijt dui„ „delijk bleek dat de Teuver en zijn minister niet anders voor hebben als om de zaeken dralende te houden zonder ons eenige afdoening te besorgen. Wij namen dus daer bij de vrij„ „heid aen uw welEd: groot agtb: overtelaeten wat we verder omtrent deese zaek zouden ^ daar doen alle aengewende pogingen van ons om de geschillen met den seuver zelve afte„ „doen gevallen bij ns „doen vrugteloos waaren afgeloopen, en daer de Heer Buchanan verklaard had zig volstrekt met niets anders te willen bemoeijen als het geen de vis„ „scherijen betrof met plicht schuldige ver„ „tooning voorts dat de Frankebaarsche koop„ „man verwijk zig nog te sonde blijft ophouden en voortgaet lijnwaet intesaemelen en na Tran„ „kebaar te vervoeren en dat de kooplieden te kilkare bij aenhoudendheid versoeken om vergoeding van den Tol, die zij hebben moeten betaelen boven den tot die hen gevalideerd en op de lijnwaeten belast wordt, zijnde 1: 13/3: pagooden op elke 100: stukken waer toe hen bij uwel Edele Groot agtb: missive van den 8: Jann: Ja J:L: reets gunstige toesegging gedaen was, waer op wij uwel Edele Groot agtb: ge-eerde dispo„ „sietsie onder het sluijten deeses nog eerbiedig verwagten. Jn het rijk van Trevankoor waer in onse fak„ „torij aen de kaap kommorijn legt genieten we bij voortgang eene onverhinderde handel vrij„ „heid en vreedzaeme inwoning. Wij hebben de eer met alle eer„ „bied en trouwe te blijen /:onderstond:/ welEdele 1228. wel Edele groot agtb: Hoog gebiedende Heer, uwer wel Ed: groot agtb: onderdanige en getrouwe Dienaeren /:was geteekend:/ M: Mekern, A: v: d: wall, D: V: D: Driesen, en F: Damman /:in margine/ Tutukorijn den 31: December 1789: Accordteert Wijbrands Egklerk Fretz Nagezien. No: 40: 1229 Cijlon Aan den Wel Edelen Groot Achtbaeren Heer Willem Jacob van de Graaff„ Raad Ordinair van Nederlands Jndia Gouverneur en Directeur des gemelde Eijlands ter Custe Madure, Inchiado, &:a &:a &:a Neeven den Raad. Te Colombo E Edele Erntfeste, Manhafte, wijze, voorzienige zeer discreete. Wij hebben de eer gehad te mooge ontfangen, uwel Edele Groot Achtbaarens Letteren van den, 23 7ber Jongst„ „leeden in rescriptie van welke wij Uwel Edele Groot Achtb: vriendelijk verzoeken het, voor deesen kuste, aen„ =gebragte goud met 't schip D' Gouverneur Falok te moogen ontfangen met een onser Chialoupen De Her„ stelling of de Zeerob, zig thans ter overwintering op op Jassenapatnam bevindende. En terwyl UwelEdele Groot Achtb: van ons vereijs„ „chen onderrigt te worden hoedaanig in den aenstaen„ =den in diergelijke gevallen den vyligsten weg van Eer„ =waards overzending zouden weezen, zo komt 't ons voor, dat dit zouden kunnen geschieden met een aen handen zijnde Comp:s Chaloup dan wel met een kruij„ „tonij 't zij over Jasfanapatnam, dan wel door Ma„ naars engte, zo als bevoorens gebruijkelijk is geweest ons egter altoos in deese aen 't wijzer oordeel van Uwel Edele Groot Achtb: gedefereerd houdende. Het gebrek aen fondsen ter aenbesteeding in inzaam van Lijwaaten voor de E: Comp:e verpligt ons, uwel Edele Groot Achtb: te verzoeken dat deses ge„ „bruijk te staaven, van 't voor onse kust bestemde goud, moogen werden gesuppleerd, want wij anders, daar het gezondene al reeds zo Gering is, gevaar Loopen om in beslommering voor 'S Meesters belangen nadeelig te zullen geraaken door den Gildeloosen toestan„ daer wij ons al reeds in bevinden. Wij hebben dan met alle eerbied te verblijven/: nderstand Edele Erntfeste Manhafte wijze, Voorzieni„ =ge zeer discreete Uwel Edele Groot Acht„ =baarens onderdanige en gehoorsame Dienaer /: was getekend:/ N:o 1230. Aan als Vooren N:s Tadama, M: Stoffenberg I: D: Simons B: Brouwer F: W: Bloeme I: S: de Raefff: in margiene:) Palleacatta in 't Casteel Geldrin den 22 November 1788 'T schip Straalen Capitain Chasson uijt Europa na Bengate bestemd en den 22 Julij pass=o van de Caab vertrokken, is door miszijling van de ganges op Bimi„ =lipatnam den 29 october, aengekoomen. Heeden ontfangen, bij particuliere berigten de zeer onaen„ =genaam tijding, dat 't voorsz: schip op den 24:e van de maand november aldaar door eene Swaare storm„ =beloopen, en na verlies van drie Ankers en 't kappen van „het touw, waar door 't vierde Anker in de grond is gebleeven, van de Bimilise Reede volgens onder van den schip heer die neevens zijn opperchirurgijn, en eenige manschappen aen de wal waeren, na Trinco„ =nomaale gevlugt. Gemelde Capitain was op Iaggernaikpoeram aenge„ =koomen en in accoord met een zeeker perzoon om een particulier vaartuijg aldaar in te huuren om daar meede na Trinconomale over te gaan. wij hebben het onse pligt geagte Hunne Hoog Edel„ „heedene van dit geval te moeten kennis geeven en verzoe„ ke

NL-HaNA_1.04.02_3838_1102 view scan ↗

English

To the same as before. May it therefore graciously please Your Right Honorable Sirs to dispatch our accompanying respectful letters to Batavia at the first opportunity. With all due respect, we have the honor to remain, underneath signed as before. In the margin: Palleacatta in Castle Geldria, the 11th of December 1788. We have the honor to let this serve as accompaniment to 7 small boxes in which our usual annual papers for Europe and Batavia have been packed, which we humbly request may be sent according to their addresses. And we further accompany this with our copy advices to the Noble High and Honorable Lords Directors in the Netherlands, their High Nobles dated 10 March, 20 and 29 October, as well as 11 December of the past year. Together with two packets for Cochim and Suratta, which we kindly request to provide with an address. After respectful greetings, we have the honor to remain, underneath signed as before. In the margin: Palleacatta in Castle Geldria, the 14th of March 1789. Below: P.S. We also most respectfully present to Your Right Honorable Sirs a letter from the Orphan Masters to those of Colombo under flying seal. To the same as before. We take the liberty to let this serve as accompaniment to the enclosed small requisition, with the very kind request that we may be accommodated with this. Wherewith we have the honor to remain, underneath signed as before. In the margin: Palliakatta in Castle Geldria, the 14th of March 1789. We have the honor to inform Your Right Honorable Sirs that our bark De Zeerob arrived here safely on the 16th of this month, having received thereby six bars of gold weighing 120 marks and 4848 Porto Novo pagodas, from the 17 bars that were brought to this coast with the ship De Gouverneur Falck. We express to Your Right Honorable Sirs our humble thanks for the remittance of this gold and money, yet we respectfully take the liberty to note that, pursuant to Your Right Honorable Sirs' much esteemed letter of the 17th of January of the current year, we had flattered ourselves that only 5 bars had been used for minting into pagodas at Tutukorijn, and that pursuant to the much esteemed orders of Your Right Honorable Sirs to the servants there, we were to obtain the remaining 12 bars and the minted pagodas in so far as they had not been expended. In view of our great distress, we have looked forward to this relief with longing, and made our arrangements accordingly; receiving less therefore puts us somewhat in a tight spot, which we take the liberty to bring to the knowledge of Your Right Honorable Sirs, in the hope that Your Excellencies, upon a generous relief, will still be pleased to accommodate us with the missing portion. We also present to Your Right Honorable Sirs a copy of a petition submitted to our assembly by the Chief Surgeon of this castle, Pancratius Harringa, this afternoon. We have duly considered the contents thereof and believe that it appears from it with complete certainty that the shortage delivered has its origin in the difference between Dutch and English weight. Wherefore we also take the liberty to charge the calculated amount of 17 pagodas and 5 fanams to Colombo, firmly trusting that Your Right Honorable Sirs will judge this matter just as we do. While for the rest we have the honor to remain with all high esteem, underneath signed as before. In the margin: Palleacatta in Castle Geldria, the 23rd of March 1789. To the same as before. We had the honor to inform Your Right Honorable Sirs by our secret letter of the 24th of this month of a certain interloper who had shown himself in the Ganges under the Dutch flag. Since then we have been favored with advice from Bengale, by letter from the Right Honorable Lord Director and Council dated 10 March, that the vessel in question was taken into possession there since then, without offering the slightest resistance. We find it necessary to inform Your Right Honorable Sirs thereof. While for the rest we have the honor to remain with all high esteem, underneath signed as before. In the margin: Palleacatta in Castle Geldria, the 29th of March 1789. We have the honor to send herewith to Your Right Honorable Sirs: An invoice of various linens and red leather sent from here via Jaffana in the past year with the sloops De Zeerob and De Herstelling, amounting to the sum of 790 guilders, 2 stivers and 8 pennings. Two debit memoranda regarding provisions supplied to 39 Easterners who departed for Jaffana on the aforementioned sloop De Herstelling. Item, the provisions requested and supplied to the Reverend Minister Meijer during his presence here, amounting together to the sum of 1905 guilders and 1 stiver, as well as the allowance received by the said Reverend for the month of September of the past year, amounting to the sum of 99 guilders. One credit memorandum of 116 guilders and 19 stivers, or 25 pagodas, 23 fanams and 5½ cash, appended with a return of 229¼ pounds of reject indigo, sold here at public auction. We request that these papers may be handled according to orders. While for the rest we have the honor to remain with high esteem, underneath signed as before. In the margin: Palliacatta in Castle Geldria, the 10th of June in the year 1789. We let this serve to accompany a packet for Your Right Honorable Sirs brought here today from Batavia by the Honorable Company's ship Hoofsen. The commanding Captain Pas has orders

Dutch transcription

Aan als vooren „ke dienthalven dat 't Uwel Ed: Groot Achtb: gunstig behagen mag, onse neevens gaande eerbiedig let„ =teren, met eerste gelegentheijd Batavia traasts te doen afgaan. Met alle schuldige Hoogachting hebben wij de eer te noemen (:onderstond:) en geteekend:) Als voore:/ in margiene:) Palleacatta in 't Casteel Gel„ dria den 11 December 1788. Wij hebben de eere deese te laaten dienen ten geleijde van 7 kasjes, waar in onse gewoone Jaarlijkse pa„ =pieren voor Europa en Batavia zijn afgepakt, wel„ „ke wij needrig verzoeken dat volgens hunne adresse moogen verzonden worden. En laaten deeze nog versellen onse Copia advijsen aan de Edele Hoog Achtbaare Heeren Maijores in Nederland haar hoog Edelheedens de dat is 10 Maant 20 en 29 october, mitsgaaders 11 December des gepas„ =seenden Jaars. Benevens twee paketten voor Cochim en suratta welke wij deviendelijk versoeken addres te verleenen. Wij hebbe de eene ons na eerbiedige sallutatien te mogen noemen /:onderstond:) en getekend:) Als voore /: in mar„ =giene:/ Palleacatta In 't Casteel Geldriar en 14 Maart 1789. /:Lager :/ P: S: nog bieden wij welEd groot Achtb: 1231. Aan als Vooren. Aan als vooren. Achtbaare eerbiedigst aen een brief van Weesmees„ teren aen die van die van Colombo onder Cachet voland. Wij neemen de vrijheijd deeze te laaten dienen ten ge„ =leijde van neevens leggend eijschje met zeer vriende„ „lijk verzoek om hier meede te moogen werden gerieft. Waar meede wij d'eere hebbe te noemen (:onderstond:) en geteekend:) Als vooren /:in margiene:/ Palliakatta In 't Casteel Geldria den 14 Maart 1789. Wij hebben de Eere Uwel Ed: Groot Achtb: ken„ „nisse te geeven, dat onse Bark de Zeerob den 16 dee„ „zer alhier behouden is aengekoomen, hebbende daar mee„ „de ontfangen ses staaven goud weegende mg.- - tr: 120 en Ponton:s pagooden 4848—. van de 17 Staaven die voor deese kust waaren aangebragt met 't schip de Gouverneur Falck. Wij betuijgen Uwel Ed: Groot Achtb: onse nedrige kangh voor de overmaaking van dit goud en geld, dog nee„ „me egter eerbiedig de vrijheijd aen te merken, dat wij ons, in gevolgen uwel Ed: Groot Achtb: seer g'eerde missive van den 17=e Jannuarij A=o Currintij ha„ „delen geflatteert; dat er maar 5 staaven waaren gebruijkt tot 't vermunten op Tutukorijn tot pa„ groden, en dat wij ingevolgen de seer g'eerde onders van Uwel Ed: Groot Achtb: aan de bediendens al„ „daar de overige 12 Staaven en de gemunte pagoden NNt. in so verre die niet uijtgegeeven waaren stonden te er„ „langen. Jngezien onse groote benoodigtheijd, hebben wij dit ontzet met verlangen te gemoet gezien, en onse ar„ rangemeente daar na genoomen; 't minder ontfan„ =gene brengt ons dus een wijnig in 't naauw, het welk wij de vrijheijd neemen uwel Ed: Groot Achtb„ te kennen te geeven in hoope dat Hoogst deselven ons bij een ruijm ontzet, nog met de ficieeren„ =de sullen gelieven te gerieven. Wij bieden uwel Ed: Groot Achtb: teffens aen een af„ =schrift van een request door den Opperchirur„ =gijn deeses kasteels Pancratius Harringa Mesperheeden in onse vergadering ingediend; wij heb„ =ben den inhoud van dien wel overwoogen, en neemen dat daar uijt met volkoomen zekerheijd blijkt, daa het min uijtgeleverde zijn overspronk heeft uijt het verschil tusschen het hollands en Engelsch ge„ wigt. Waarom wij ook de vrijheijd neemen 't aangeren =kende bedraagen van pagooden r. 17. 5 Colombo aen te reekenen, vastelyk vertrouwende dat uwel„ Ed: Groot Achtb: eeven als wij over dit geval„ zullen oordeelen. Terwijl wij voor 't overige D'Eer hebben met alle hoogagting te noemen. /:Onderstond:) en Getekend:) Als 1232. Aan Als vooren Aan als voren Als vooren /:in margiene:/ Palleacatta In 't Casteel Gelaria den 23 Maart 1789. ƒ Wij hebben D' eer gehad UwelEdele Groot Achtb: bij onse secreete missive van den 24=e deezer ken= „nis te geeven, van zeekere Lorrendraijer die zig in de gangis onder Hollandsche Vlag hadde laaten zien t' zeedert zijn wij vereend geworden met advijs van Bengale, bij brief van den WelEd: Groot Achtb:r Heer Directeur en Raad, sub dato 10 maart dat 't scheepje in questi t' zeedert, zonder de minste tegenstand te bieden, aldaer in: het bezit genoomen is. Wij vinden noodig Uwel Ed: Groot Achtb: hier van kennis te geeven. Terwijl wij voor 't overige d' eer hebben met alle hoogagting te noemen /:onderstond:/ en geteekend:) Als:/ in margiene:/ Palleacatta In 't Casteel tr Geldria den 29 Maart 1789 Wij hebben de Eer Uwel Ed: groot achtb: hier nevens te zenden Een factuur van diverse lijwaten, en rood Leer. in het gepasseerde Jaar met de chioloupen De Zeerob en Aan als Vooren en de Herstelling van hier over Jaffana toegezonden, ten bedragen van ƒ 790: 2:8: Twee Memories ten last wegens verstrekkingen aan 39. koppen Oosterlingen met voornoemde Chealoup De Herstelling na Jassena vertrokken Item het af„ gelangde en verstrekte aan den Eerw: Heer Predikant Meijer, bij zijn aan weezen alhier te zamen ten beloo„ „pe van ƒ 1905:1. , als meede het genootene door welge„ „melde zijn Eerw: voor de maand September A:o p:o ten bedaagen van ƒ 99. Eene Memorie ten goede van ƒ 116: 19: of pag: 25. 23. 5½. bij gelegt een rendement van 229. ¼. lb: in digo uit„ „schot, alhier per publieke vendutie verkogt Wij verzoeken dat met deeze papieren na de order mag werden gehandelt Terwijl wij voor het overige de eer hebben met hoog achting te verblijven /:onderstond en geteekend, als vooren, in margine:/ Palliacatta In't kasteel Geldria den 10: Junij A:o 1789. Wij laaten deesen dienen ter geleiden van een paket voor UwelEd:s Groot Achtb: met s: E: Somp: schip Hoofsen van Batavia heeden aengebragt. Den daar op Commandeerende Captn: Pas heeft. Order

NL-HaNA_1.04.02_3838_1107 view scan ↗

English

To the same as before. had orders to deliver the same in sailing past Galle, Baticalo, or Trinconomale. The aforementioned captain testifies that having arrived at the latitude of those places, he made the proper signals in order thereby to lure out the small vessels to which he was ordered to deliver it, and that notwithstanding the effort he expended thereto, no counter-signal was made at the aforementioned places, nor did any vessels come out, so he had continued his voyage, having moreover been compelled to do so by the stormy weather encountered there. Wherewith we have the honor to remain, was signed, As before, in the margin, Palliacalla In Castle Geldria The 22nd of June 1789. We respectfully inform Your Right Honorable Worships hereby that nine crewmen, having deserted with the boat of the chaloup De Liefde from Trinconomale and having landed at Madras, have, in accordance with the cartel subsisting between us and the English, been sent over hither by them under military escort, and whom we have placed To the same as before have placed upon the Company ship Horssen lying here in the roads, in order to be transported therewith to Batavia, together with a copy of the aforementioned cartel, for the esteemed disposal of Their High Excellencies. We have the honor to be with esteem, was signed, As before, in the margin, Palliacata In Castle Geldria the 29th of July 1789, lower, P.S. For Your Right Honorable Worships' esteemed reflection we enclose herewith a copy of the aforementioned cartel. We have the honor to inform Your Right Honorable Worships of the receipt of your letters of the 10th of February, 21st of March, and 9th of April last. And to thank you kindly for the communication given that the Company ship Straalen had already departed from the bay of Galle on the 20th of December of the past year and had sailed for Bengale, whither Captain Masson had likewise undertaken his voyage. We also express our thanks for the forwarding of our letter to the High Government at Batavia with the ship Berkhout that departed thither. The packet from Souratta brought to this coast with the very same vessel has safely arrived, as has the Batavia letter packet per the ship Hinloope. The packet for Bengale received from Your Right Honorable Worships met with a speedy dispatch, and we also learned with great pleasure that the small chests with papers for the Netherlands and Batavia, along with the packets for Cochim and Suratta, had safely arrived from here, whilst we likewise express our thanks to Your Right Honorable Worships for the kind notification. With Your Right Honorable Worships' missive of the 9th of April, we received a Bengale packet, as well as a petition addressed to us from the bookkeeper and pay-transfer officer Bronsveld stationed here. The request made therein to be allowed to remain in Your Right Honorable Worships' government on account of his sickly condition is of such a nature that we have in no way been able to consent to it, because it incontrovertibly shows To the same as before shows that he intends nothing else by it than to lead up the garden path, if not formally swindle, his creditors, among whom belongs principally the Orphan Chamber here for a sum of current pagodas 5355 7/40 and for sequestration moneys, which two items indeed amount to a considerable sum of pagodas 9894 1/16. For these reasons we request Your Right Honorable Worships, in case the aforementioned servant cannot provide secure guarantors for the payment of the mentioned debts, to send him over hither in one secure way or another at the discretion of Your Right Honorable Worships, in order to come settle his affairs before the Court of Justice, as his so-called incurable illness is merely a pretext. Wherewith we have the honor to remain, was signed, As before, in the margin, Palliacatta in Castle Geldria the 8th of August 1789. With the arrival of the bark De Jonge Willem Arnold, we had the honor to receive Your Right Honorable Worships' most esteemed letters of the 20th of August last, together with the five chests of bar gold and silver mentioned therein, To the same as before received per the ship Den Arend from Batavia for this coast, for the dispatch of which we, humbly thanking Your Right Honorable Worships, shall forward thither per the ship Horssen the letter sent to us addressed to Their High Excellencies the Right Honorable High Indian Government at Batavia, and deal properly with the received invoice amounting to 278 florins, 13 stuivers. While for the rest we have the honor to convey to Your Right Honorable Worships via the bearer hereof 3 small chests with red sealing wax 1 bale with 100 pieces of wax cloths and 4 bales with 500 pieces of drum skins and 500 pieces of goat skins, and request that the enclosed memorandum amounting to 2155 florins, 9 stuivers be dealt with properly. Wherewith, wishing this small vessel a prosperous voyage, we have for the rest the honor to remain with all high esteem, was signed, As before, in the margin, kalamkedaor Palliacatta in Castle Geldria the 28th of September 1789. The sub-lieutenant Johannes De wit, having been stationed on the ship Horssen and remained behind here due to illness, we have permitted to transfer to Your Right Honorable Worships' government, in order to [illegible] a passage there

Dutch transcription

1233. Aan als vooren. order gehad om 't zelve in 't voorbij zeijlen op Gale, Baticalo, of TrinConomale af te geven; Den Captain voormeld betuigt op de hoogste van die plaatsen gekoomen zijnde, behoorlijken seinen ge„ daan te hebben om daar door uijttelokken de Klij„ ne vaartuijgen aen welke hij gelast was het af te geeven, en dat niet tegenstaande de moeijte die hij daar toe aangewend heeft, op voorm: plaatsen geen Contra sein Gedaan werdende; nog ook gen vaee„ „tuigen, na buijten koomende, zijne rijse vervolgt had, daar buijten die nog wel verpligt geweest zijn„ „de door 't onstuimig weer dat aldaar had aan„ getroffen. Waar meede deere hebben te verblijven /:onderstond:/ en getekend:/ Als voore /: in margiene/: Palliacalla Jn 't Casteel Geldria Den 22 Junij 1789. Wij Geevren Uwel Edele Groot Actb: bij deesen eer„ „biedig kennisse, dat negen manschappen, met de schuit van de Chialoup de Liefde van Trinconomale gedeserteert zijnde, deselve op Madras aengeland zijnde, en volgens 't Cartel dat tusschen ons en de Engelschen subsisteert door hun herwaards onder Escorte van Mili„ „taire overgezonden zijn en welke wij geplaatst hebben Aan als vooren hebben op alhier ter Rheede leggende Comp: schip Horssen, om daar meede na Batavia, nevens Co„ „pia van voorz: Cartel getransporteert te wor„ „den ter Geerde dispositie Hunner Hoog Edel„ „heeden. Wij hebben d' Ere met achting te zijn /:onderstond, en geteekend:/ Als vooren /: in margiene:/ Pallia Cata Jn 't Casteel Geldria den 29 Julij 1789 /:Lager:/ P: S: Tot Uwel Ed: Groot Achtb: G'eerde speculatie voe„ gen wij nevens deesen Copia van voorz: Cartel. Wij hebben de eer UwelEd: Groot Achtb: Hen„ „nis te geeven van den ontfangst van derselver Letteren van den 10 feb: 21 Maart, & 9 April Jongstleeden. En vriendelijk te danke voor de Gedaane Comma„ „nicatie, dat 's komp: schip Straalen reeds den 20 Dec: A:o P:o uijt de baij van Gale ver„ „trokken, en na Bengale was gezeijld, wel„ „waards Cap:n Masson almede zijne reijze on„ „dernoomen had. Wij betuigen ook onse dank voor de overschilk van onsen brief den hooge regeering te Bata„ „via met 't na derwaerts vertrokken schip Berk„ hout 1234. hout. 'T Paket van Souratta met even Gem: bodem a Costij aengebragt, is wel aengekoomen gelijk meede 't Batavias brief paket per 't schip Hinloope. Het van UwelEd: Groot Actb: ontfange„ „ne Paket voor Bengale heeft een spoedige verzending gehad, ook hebben we met veel ge„ noegen vernoomen, dat de kasjes met pa„ „pieren voor Nederland en Batavia, benee„ „vens de paketten voor Cochim en Suratta van hier wel geworden waaren, terwijl wij UwelEd: Groot Achtb: voor de Genegene kennis Geeving onse dank almede betuigen. Met UwelEd: Groot Achtb: missive van den 9=e April, hebben wij Ontfangen een Bengael„ paket, benevens een Request van de alhier beschijdene Boekhouder en Soldij overdra„ „ger Bronsveld aen ons ingerigt Het versoek daar inne Gedaan om we„ „gens zijne siekelijke omstandigleeden, in Uw Ed: Groot Achtb: Gouvernement te mo„ gen verblijven, is van die natuur, dat wij geensints daar inne hebben kunnen bewil„ duijt hoofde t ontegenselfgelijk aen „ligen toont Aan als Vooren „toont dat hij daar meede niets anders be„ „doelt dan zijne Crediteuren, waar onder prin„ „cipaal behoord, de Weeskamer alhier voor een somma van p:r C:o 5355 7/40 en voor se questra „tie penningen welke twee posten wel beloopen een aansienlijk montant van pagooden 9894 1/16, om den thuin te leijden, so niet formeel te dupeeren. Om deese Leeden versoeke wij UwelEd: Groot Achtb: om bij aldien gem: Dienaar voor de betaaling der Gementioneerde schulden geene secure borgen kan stellen, den zelve op een of andere verzekerde wijse na welgevallen van u welEd: Groot Achtb: herwaarts over te zenden, te ijnde zijne saaken voor den Raad van Iustitie te komen afdoen, want zijne zo ge„ „naamde ongenusbare ziekte, eenlijk een voor„ wendsel is. Waarmeede de eere hebben te verblijven/:onderstond: en Getekend:) Als vooren /:i margiene:/ Pallia„ „ Catta vn Casteel Geldra den 8. Aug:s 1789 Met de arrive van de bark De Jonge Willem Arnold, hebben wij de eere gehad te ontvangen uwel Ed: groot achtb: zeer g'eerde Letteren van den 20: Aug:s I:o Leeden, nevens de daar bij verbelde vijf kisten met bhaar 1235. Aan als Vooren bhaar goud en zilver, per het schip Den Arend van Batavia voor deeze kuste ontvangen, voor welkers toezending wij uwel Ed: groot achtb: nedrigst bedan„ „kende, zullen wij de ons toegezondene brief aan Hunne Hoog Edelheeden de Edele Hooge Indische regering te Batavia gedediceerd, per het schip Hor„ „sen derwaerds overzenden, en met de ontvangen factuur groot ƒ 278: 13. —. na behooren handelen. Terwijl wij overigens de eere hebben, per brenger deezes uwel Ed: groot Achtb: te doen toekomen 3. kistjes met rood zegel lak 1. Pak met 100: Piesen waxdoeken en 4. Pakken met 500: p:s trom en 500: Peesen Bokke vellen, en verzoeken met de inleggende Memorie groot ƒ 2155: 9. na behooren te laten handelen. waarmeede wij dit kieltje een gelukkige reize toe wenschende, voor 't overige de eere hebben, met alle Hoog achting te verblijven. /:onderstond en ge„ teekend:/ als vooren /:in margine:/ kalamke daor Palliacatta in het Casteel Geldria den 28: 7ber: 1789. Den sous Luijtenant Johannes De wit, bescheiden geweest op het schip Horssen, en door ziekte alhier agter ge„ „bleeven, hebben wij toegestaan, om tot uwel Ed: groot Agtb: gouvernement over te gaan, ten einde aldaar een pas„

NL-HaNA_1.04.02_3838_1112 view scan ↗

English

To the same as above to request further passage. We have the honour to be, with all high esteem, below stood and signed as above, in the margin Paliacatta In Castle Geldria, the 21st of October 1789. One after the other we have had the honour to receive Your Right Honourable esteemed letters of the 20th and 26th of August, also the 4th, 23rd, and 27th of September last, and express initially our humble thanks for the notification given to the Bookkeeper Bronsveld that he must depart hence upon our summons. Likewise, we offer Your Right Honourable our gratitude both for the information given regarding the fixed departure dates of the packet boat to the Cape of Good Hope, and for the two European cases forwarded and brought by the barque ship Trinkononmale, alongside a letter from the Cape Ministers, which, along with the received invoice of calculation for the five chests of gold and silver brought for this charge by the ship Den Arnold, will be dealt with properly. The two packets sent to us, addressed to Their High Excellencies the Supreme Indian Government, we forwarded on the 19th of October last via the ship Horsen to Batavia, and the letters for the Ministers in Bengal at once via Madraspatnam. Furthermore, we have the honour to bring to Your Right Honourable's esteemed notice that by the English Ministry at Madras, according to the cartel subsisting between the two nations, there have been surrendered to us one quartermaster and five sailors, named Ian Simon Dom, Iohannes Valler, Hendrik Kok, Jens Pietersz, Ian Fabree, and Ionas Wilholm, who, according to their confession, having been stationed on the barque Sensura, deserted with a boat of Raits to Coedeloer and were transported from there to Madras. We have also placed these men on the ship Horsen and sent them to Batavia at the disposal of Their High Excellencies. And since we are very much at a loss here on the Coast for vessels, as we cannot manage well with only the two sloops at hand, we very kindly request Your Right Honourable to let us have in the coming spring the two vessels built for this Coast, for which we long very much in order to provide our offices with what is needed, and in turn to bring over the ready return goods from there. We enclose herewith the duplicates of our letters of the 8th of August and 28th of September last, and request a kind forwarding of the enclosed letter for the Cochin Ministers. While, for the rest, after humble greetings, we have the honour to be with all high esteem, below stood and signed as above, in the margin Paliacatta in Castle Geldria, the 17th of November Anno 1789. Agreed. Sijbrands Egneerk Examined ttork No. 41. Coromandel, To the Honourable Mr. Nicolaas Padema, Senior Merchant and Governor in the Government there, alongside the Council at Palleakatta. Honourable Sir and Particularly Good Friends. We have had the honour to receive Your Honours' letters of the 10th, 19th, and 30th of October last, alongside the two packs of coarse sailcloth and one pack of red upper-leather mentioned in the first, and the 28 packs of blankets for Batavia and 12 ditto for the Cape mentioned in the second. We thank Your Honours kindly for the procurement of the first two, and have sent the latter two to Galle to be dispatched when opportunity arises. The received letter for the Supreme Indian Government at Batavia we shall dispatch at the first opportunity, and the letter for the Cape Ministers we have sent along with our letter to Galle to be dispatched with the ship De Gouverneur Falck. The requested two bales of cinnamon we shall send to Your Honours at an opportunity. We hereby present to Your Honours our requisition of necessities for the year 1790, and kindly request you to have the same fulfilled. While writing this, we received Your Honours' letter of the 22nd of November last. Since, through lack of money, we have been forced since our writing of the 23rd of September 1788 to have five bars of the gold mentioned therein minted into pagodas, we have ordered the Tuticorin servants to send to Jaffanapatnam with a proper account as much of this gold as is unminted, as well as the pagodas struck from it insofar as they have not been spent, and ordered the servants there to forward both to Your Honours in accordance with your request by one of the sloops, De Verstelling or De Zeerob. And as those sloops might depart before the receipt of the gold, we have sent a copy of Your Honours' aforesaid letter to the Jaffna servants, with orders to consider whether in such a case it can be ventured without apprehension to send the gold with a powder-tony according to Your Honours' proposal; if not, to do so in such other manner as they shall judge can be done with the greatest safety. For the rest, after friendly greetings, we remain, below stood, Honourable Sir and Particularly Good Friends, Your Honours' willing friends and servants, was signed W. C. van de Graaff, P. Sluijsken, G. E. Holst, B. L. van Litter, and A. Samlant, in the margin Colombo, the 14th of January 1789. We have had the honour to receive Your Honours' letter of the 11th of December past. The ship Straalen already departed from Galle on the 26th of the said month to proceed on its voyage to Bengal, and we have therefore written to the Trincomalee servants to tell the captain of that vessel, Masson, to return as soon as possible, in order to get aboard his assigned vessel with his accompanying crew. The received letter for the Supreme Indian Government

Dutch transcription

Aan als Vooren passagie verder te verzoeken. Wij hebben de eer, met alle hoog achtting te zijn /:onderstond en geteekend:/ Als vooren /:in margine:/ Palliacatta In 't Kasteel Geldria, den 21. october 1789. Na den anderen hebben wi de here gehad te ontfan „gen uwel Edele Groot Agtb: zeer geagte letteren van den 26. en 26 Augustus item 4, 23 en 27 september laastleeden en betuijgen aanvan„ „kelijk onse humble dank voor de gedaane aankundiging aan den Boekhouder Bronsveld dat hij dit heen vertrekken moet op onze oproeping. — Desgelijks offereeren wij uwel Edele Groot Agtb: onse dankbaarheijd zoo wel voor het gege „ven narigt van de bepaalde vertrek daagen van de pakket bood na de Caab doede hoop als voor de overgezondene twee Europeese Kasjes per het Baars schip Trinkonomb „le aangebragt nevens Een brief van de Caad „sche Ministers zullende met de ontfan„ „gene 1236. „gene factuur van aanreekening van de met het schip Den Arnold voor deese laste aange„ „bragte vyf kisten goud en zilver na behooren ge „handeld worden. De aan ons toegezondene twee pakketten aan haar hoog Edelheeden de Eedele hooge Indiasche Regeering gesuperscribeerd hebben wij op den 19 october I: L: per het schip Horsen na Ba„ „tavia en de brieven voor de Ministers in Ben„ „gale ten Eersten over Madraspatnam voort, geschikt. „hebben wij de eere uwel Edele Groot agtb: Voorts „ nog ter geëerde kennisse te brengen dat door het Engelsch: Ministerij te Madras aan ons volgens het tusschen de Beijde natien subsisteerend Caatel zijn uijtgeleeverd een quartiermeester en vijf Mattroosen in naamen Ian Simon Dom Iohannes Val„ „ler hendrik Kok Jens Pietersz: Ian Fabree en Ionas Wilholm, die volgens haare bekentenisse op de Bark sensura bescheyden geweest zijnde met een Pol van Raits ne boedeloor Coedeloer gedrost en van daar na Madras getransporteerd zijn. Wij hebben die man„ „schappen meede op het schip Horsen ge„ „plaats en ter dispositie van Haar Hoog Edelheeden na Batavia gezonden. En nadien wij hier ter Custe zeer ver„ „leegen zijn om vaartuijgen als kunnen „de alleen met de twee aanhanden zijnde Chialoupen het niet wel stellen zo ver„ „zoeken wij uwelEdele Groot Agtb: Zeer vriendelijk, om de twee voor deese Custe aan„ gebouwde Chenijs ens in het aanstaande voor jaar te doen geworden, waar na wij zeer verlangen om onse Comptoiren van het nodige te voorzien, en weeder de ge„ „reede rethouren van daar over te brengen Wij voegen hier bij de Duplicaaten en zer Letteren van den 8 augustus en 28 Septem „ber J: L: en verzoeken aan de inleggende brief voor de Couchimse Ministers eene vriendelijke voortporting. - Terwijl 1237. Terwijl wij voor het overige de Eere hebben na ge„ „dienstige groote met alle hoog agting te zijn /on„ „der stond:/ en geteekend als vooren. /in margiene 't Casteel Geldriep den Paliacattaan „ 17 November A. o 1789 Accordeert. Sijbrands Egneerk Nagezien ttork No: 41: No 1238. Cormandel, Aan den E: Heer Nicolaas Padema, P: opperkoopman en Gezaghebber, in het Gouvernement aldaar Nevens den Raad te Palleakatta. E: Heer en Bijzondere Goede vrienden. Wij hebben de eere gehad te ontvangen uwwel Ed=s missives van den 10:e 19:e en 30:e oktober Jongst leeden nevens de bij de eerste vermelde tweed pakken ruw zijldoek en een pak rood over leer en de bij de tweede vermelde 28: pakken dekens voor Batavia en 12: d=o voor de Kaab. wij bedanken uwEdelens vriendelijk voor de bezorging van de twee eerste en hebben de twee laastgemelde na Gale gezonden om bij gelegent„ had teworden verzonden. De ontvangene brief voor de Edele Hooge India „sche Regeering te Batavia zullen we bij eerste gelegentheid afzenden en de brief voor de Heeren Ministers Ministers aan de Kaal hebben we nevens onzen brief na Gale gezonden om met het schip de Gouverneur Falck teworden afgezonden 6 De gevraagde twee baalen kanneel zullen we uw Edelens bij gelegentheid toezenden. wij bieden uw Edelens hiernevens aan onzen Eisch van benodigdheeden voor den Jaare 1790. en ver„ zoeken vriendelijk dezelve te willen laaten vol„ doen. Ouder het schrijven deezes ontvangen we uw Edelens missive van den 22:e November Jongstleeden. wijl wel zeedert ons schrijvens van den 23:e september 1788. door geld gebrek genoodzaakt zijn geweest om vijf staaven van het daar bij vermeld goud telaaten vermunten tot pag: hebben we de Tutukorijnsche bedienden gelast om zoo veel van dit goud als niet vermunt is, zoo wel als de daar van geslaagene pagoo„ den voor zoo verre ze niet uitgegeeven zijn, uit een behoorlijke aanreekening te zenden na Jaffenapatnam en de bediendens aldaar gelast om het een en ander aan uw Edelens, overeenkomstig derzelver verzoek met een der sloepen de verstelling of de zeerob overtezen den, en wijl die sloepen voor den ontvangst van het goud konden vertrekken, hebben we de Jaffenasche, bedienden voorsz uwEd:s brief in Kopia toegezonden, met last om in over„ „weging teneemen of het in zulk een geval zonder 1239. Aan als vooren. zonder bedugting kan worden gewaagt om het goud met een kruijttonie na uwEd:s voor„ stel te verzenden zoo niet, dat te doen op zul„ ke andere wijze als ze zullen oordeelen niet de meeste vijligheid te kunnen geschieden. Wij blijven voor het overige na vriendelijke groete /:onderstond:/ E: Heer en Bijzondere Goede vrienden. uw Edelens Dienstwillige vriend en Dienaaren /:was getekend:/ W: C: van de Graaff, P:s Sluijsken, G: E: Holst, 33: L: van Litter en A: Samlant /:in margine:/ Kolombo den 14:e Januarij 1789. Wij hebben de eer gehad te ontvangen uw Ed:s missive van den 11:e xber: passato. 'T schip Straalen is reeds den 26:e van gemelde maand van Gale vertrokken, om zijne rijze na Bengale te vervorderen, en wij hebben derhalven den Trinkenomaalsche Bedienden aangeschreeven, om den kapitein van dien bodem Masson aantezeggen, om hoe eer zoo beeter terug tegaan, ten eijnde met zijne bij hebbende manschappen op zijn bescheiden bodem tegeraaken, De ontvangene brief voor de Edele Hooge Indische Regeering

NL-HaNA_1.04.02_3838_1122 view scan ↗

English

Government, we will forward to Batavia with the ship Berkhout. We herewith send Your Honours a packet of letters, received for Your Honours from Soeratta with the aforesaid ship, and furthermore add the duplicate of our letter of the 4th of January last and the duplicate of our requisition of necessities for this year. For the rest, after friendly greetings, we remain, was undersigned: as before, was signed: W. J. van de Graaff, J. d. C. Tilenius, G. E. Holst, M. P. Raket, J. Reintous, and B. L. van Zitter, in the margin: Colombo the 10th of February 1789. Lower: P.S. We request a secure forwarding of the enclosed packet for Bengal. To the same as before. The enclosed packet having been received from Batavia with the ship Hinloopen for Your Honours, we have the honour to present the same herewith to Your Honours and remain for the rest, after friendly greetings, was undersigned: as before, was signed: W. J. van de Graaff, P. Sluijsken, M. P. Raket, and B. L. van Zitter, in the margin: Colombo the 21st of March 1789. To 1240. To the same as before. To the same as before. We have had the honour to receive Your Honours' missives of the 14th of March last. The small boxes for the fatherland and Batavia received therewith, and the packets for Cochin and Suratta, we shall forward when opportunity arises, and strive to fulfill the received requisition. We present herewith to Your Honours a packet from Bengal received for Your Honours, and a petition addressed to Your Honours presented to us by the bookkeeper and pay-transferer there, Johannes Abraham Bronsveld, with the request that the same might be presented to Your Honours. For the rest, after greetings, we remain, was undersigned: as before, was signed: W. J. van de Graaff, P. Sluijsken, M. P. Raket, B. L. van Zitter, A. Samlant, and J. A. Vollenhoven, in the margin: Colombo the 9th of April 1789. We have the honour to present herewith to Your Honours a packet from Cochin, received for Your Honours, and remain otherwise, after friendly greetings, was undersigned: as before, was signed: W. J. van de Graaff, P. Sluijsken, J. P. C. Tillenius, G. E. Holst, J. Reintous, B. L. van Zitter, and A. Samlant, in the margin: Colombo the 4th of June 1789. To To the same as before. To the same as before. We have had the honour to receive Your Honour's missive of the 10th of June last, and will cause the invoice and memoranda received therewith to be dealt with according to custom; meanwhile, we present herewith to Your Honour a letter packet to the Messrs. Ministers in Bengal, for which we kindly request addressing. For the rest, after greetings, we remain, was undersigned: as before, was signed: W. J. van de Graaff, P. Sluijsken, M. P. Raket, C. Tillenius, Js. Reintous, B. L. van Zitter, and A. Samlant, in the margin: Colombo the 15th of July 1789. Lower: P.S. We also present herewith to Your Honours a letter under flying seal from the Court of Justice of this Castle addressed to the court there. We have had the honour to receive Your Honours' esteemed letters of the 22nd of June last, together with the Batavian packets mentioned therein. We thank Your Honours for the good delivery thereof and kindly request that you dispatch the enclosed packet with the ship Storssen to the Honourable High Indian Government at Batavia. For the rest, after friendly greetings, we remain, 1241. To the same as before. greetings, was undersigned: as before, was signed: W. J. van de Graaff, P. Sluijsken, M. P. Raket, Js. Reintous, B. L. van Zitter, in the margin: Colombo the 18th of July 1789. Lower: P.S. We also present herewith to Your Honours the duplicate of our last of the 15th of this month. The Honourable High Indian Government has given us notice of the decision of the Lords Masters to employ packet boats for the carriage to and fro of letters, with instructions to inform Your Honours of the fixed departure time of the packet boat that is destined to make two voyages from Ceylon to the Cape of Good Hope from the month of February to the month of November, in order that Your Honours may send their papers for the fatherland to Ceylon in time. The packet boat destined for Ceylon has not yet arrived here, and thus we cannot determine with certainty when it can be dispatched, but it serves meanwhile for Your Honours' information that, should this vessel arrive here in this or the coming month, we will then let it make the first voyage to the Cape by the end of the coming month. In the uncertainty of whether Your Honours have already been provided with the plan regarding the employment of the packet boats, we enclose a copy thereof herewith, and as soon as we have regulated the fixed sailing days of the Ceylon packet boat for the future, we shall give Your Honours further notice thereof. We request that you forward the enclosed letter for the Messrs. Ministers in Bengal at the first opportunity. For the rest, after friendly greetings, we remain, was undersigned: as before, was signed: W. J. van de Graaff, P. Sluijsken, C. Tilenius, Js. Reintous, B. L. van Zitter, and A. Samlant, in the margin: Colombo the 5th of August 1789. Lower: P.S. We also send Your Honour herewith our duplicate letters of the 18th of July last. To the same as before. The bookkeepers Johannes Abraham Bronsveld and Fredrik Hendrik Leembruggen have presented us with a petition, of which we offer Your Honour a copy herewith. We

Dutch transcription

Regeering, zullen we met het schip Berkhout na Batavia voortschikken. wij laaten uwE: hiernevens toekoomen een brief paket, met even gem: schip van soe„ ratta voor uwEd: ontvangen, en voegen daar nog bij 't duplikaat van onzen brief van den 4:e Januarij Jongstleeden en 't Du„ „plikaat van onsen Eesch van benodigd„ heeden voor dit jaar. wij blijven voor het overige na vriendelijke groete /:onderstond:/ als vooren /: was ge„ tekend:/ W: J: van de Graaff„ J: d: C: Tilenius G: E: Holst, M: P: Raket, J: Remtous, en B: E: van Litter, /: inmargine:/ kolom„ bo den 10:e februarij 1789. /:lager:/ P: S: aan het ingeslooten paket woor Bengale verzoeken wij eene sekuure voortschikking Aan als vooren Het ingeslooten paket met het schip Hinloopen van Batavia voor Uw Ed:s ontvangen zijn„ de, hebben we de eere hetzelve uw Edelens hier„ nevens aantebieden en blijven voor het overige na vriendelijke groete /:onderstond:/ als vooren /:was getekend:/ W: J: van de Graaff, P: Sluijs„ ken, M: P: Rakit en B: L: van Zitter /:in„ „margine:/ Kolombo den 21:e Maart 1789. Aan 1240. Aan als vooren Aan als vooren. Wij hebben de eere gehad te ontvangen uw Ede„ kens missives van den 14:e Maart Jongstleeden. De daarnevens ontvangene kasjes voor het vader„ land en Batavia en de Paketten voor koetsiem en Suratta zullen we bij gelegentheid voort„ „schikken en den ontvangen Eisch tragten te vol„ doen. We bieden uw Edelens hier nevens aan een Paket van Bengale voor uwEdelens ontvangen en een request aan uw Edelens gerigt door den boekhouder en soldij overdrager aldaar Johannes Abraham Bronsveld aan ons gepretenteerd, met verzoek dat het zelve aan uw Edelens mogte worden aangebooden. wij blijven voor het overige na groete /:onder„ stond ( als vooren /:was getekend:/ W: J: van de Graaff, P: Sluijsken, M: F: Raket, B: L: van Zitter, A: Samlant, en J: A: vollenho„ ven /:in margine:/ kolombo den 9:e April 1709. Wij hebben de eer uw Ed:s hiernevens aantebieden een pakit van koetseim, voor uwEd: ontvan„ „gen en blijven overigens na vriendelijke groe„ te /:onderstond:/ als vooren /:was getekend:/ W: J: van de Graaff, P: Sluijsken, J: P: C: Tillenius, C: E: Wolst, J: Treintous, B: E: van Zitter, en A: Samlant, /:in margine:/ Kolombo den 4:e Juni 1789. Aan E Aan als vooren Aan als vooren We hebben de eer gehad te ontvangen uwEd: missive van den 10:e Junij Jongstleeden, en zullen met de daar bij meede ontvangene faktuur en Memories na den gebruike doen handelen, intusschen bieden we UwEd:e hier„ nevens aan een briefpaket aan de Heeren Mi„ nisters in Bengale, waar voor we vrieu„ delijk addresse verzoeken. wij blijven voor het overige na groete /:on„ derstond:/ als vooren /:was getekend:/ W: J: „van de Graaff, E: Sluijsken, M: P: Haket, C: Tillenius, J:s Reintous, B: L: van Zittea, en A: Lamtant /: in margine:/ kolombo den 15:' Julij 1789. /lager/ P: S: Nog bieden wij uw Ed:s hiernevens aan, een brief onder Cachet vollant van den Raad van Justietsie deezes Kasteels aan den gerechte aldaar gerigt. Wij hebben de eer gehad te ontvangen uw Ed:s geachte letteren van den 22:e Junij J:o leeden, nevens de daar bij vermelde Bataviasche Pakketten. we bedanken uwEd:s voor de goede bezorging daar van en verzoeken vriendelijk het ingeslooten paket met het schip storssen aan de Edele Hooge indiasche Regeering te Batavia te willen af„ zenden. Wij blijven voor het overige na vriendelijke groete 1241. Aan als vooren groete /:onderstond:/ als vooren /:was gete„ „kend:/ W: J: van de Graaff, P: Sluijsken, M: P: Raket, J:s Reintous, B: L: van Zitter /:in„ margine:/ kolombo den 18:e Julij 1789. /la„ „gerd:/ P: S: Nog bieden we uw Ed:s hiernevens aan het Duplitaat onzer laatsten van den 15. e deezer. De Edele Hooge Indische Regeering heeft onsken nis gegeeven van 't besluit van de Heeren Mees„ ters, om tot het over en weder brengen van brieven, paquet booten te emploijeeren, met last om aan uw welEd:s te informeeren van den bepaalden vertrektijd der Paquet boot, die bestemd is om van de maand februarij tot de maand November, twee togten van fei„ lon na de kaab der goede Hoop te doen, ten einde uwEd: derzelver papieren voor 't va„ derland, in tijds naar Ceilon kunnen zenden. De voor Ceilon bestemde Papuetboot is hier nog niet aangekoomen en we kunnen dus niet voor vast bepaalen, wanneer dezel„ ve kan gedepecheerd worden, dog dient in„ tusschen tot uw Ed:s narigt, dat zoo dit vaar„ tuijg in deeze of de aanstaande maand hier mogte aankoomen, wij als dan 't zelve met het laatst van de aanstaande maand, de de eerste togt na de Caab zullen laaten doen In de onzeekerheid of uw Ed:s reeds voorzien zijn van 't plan, nopens 't Emploij der pa„ „quetbooten, voegen wij daar van een af„ „schrift hiernevens, en zoo dra wij de vaste zijldaagen van de Ceilonsche paquetboot, voor den aanstaande zullen hebben geregu„ leerd, zullen wij uw Ed:s daar van nader kennisgeeven. Den inleggende brief voor de Heeren Minis„ ters in Bengale verzoeken we bij eerste gelegentheid te willen voortzendens 1 Wij blijven voor het overige na vriendelijke groete /:onderstond:/ als vooren /:was gete„ kend: C: W: J: van de Graaff, P:o sluijtken C: Filenius, J:s Reintous, B: L: van Zitter en A: Samlant /:in margine:/ Kolombo„ den 5:e aug:o 1789. /:lager:/ P: S: onzen duplikaat letteren van den 18:e Julij J:o leeden laaten wij uw Ed:e bij deezen meede toekoo„ mens. Aan als vooren De Boekhouders Johannes Abraham Brons„ veld en Fredrik Hendrik Leembruggen hebben om een request gepresenteerd waar van we uwEd: heernevens Kopij aanbieden wij

NL-HaNA_1.04.02_3838_1127 view scan ↗

English

1242. To the same as before We have nothing against it as far as the bookkeeper Leembruggen is concerned, and if Your Honours might also consent to the request of the bookkeeper Bronsveld, we request the old to please send his closed pay account; we shall then likewise send to Your Honours the pay account of Leembruggen, whom we have meanwhile permitted to depart thither for a short voyage. For the rest, after friendly greetings, we remain, underneath stood: as before, was signed: W: J: van de Graaff, P: Sluijsken, M: F: Raket, B: L: van Zitter, and A: Samlant. In the margin: Kolombo, the 26th of August 1789. The Noble High Indian Government has sent to us with the ship den Arend, as appears from the accompanying extract from their esteemed missive of the 26th of June last, five chests of bullion gold and silver for further forwarding to Your Honours, and we now have the honour to present the same to Your Honours via Trinkenomaale with the sloop de Jonge Willem Arnold, and send enclosed herewith the invoice received thereof To the same as before and the impressions of the seals with which the aforementioned chests are sealed. We subsequently request that the aforementioned sloop be sent back again. For the rest, after friendly greetings, we remain, underneath stood: as before, was signed: W: J: van de Graaff, P: Sluijsken, M: P: Raket, J: Reintous, B: L: van Zitter, A: Samlant, J: A: Vollenhoven. In the margin: Kolombo, the 28th of August 1784. Lower: P.S. if the ship Storssen might not yet have departed upon receipt of this, we request Your Honour to please send the enclosed letter with it to the Noble High Indian Government at Batavia. We add hereto an invoice of today amounting to ƒ 278:13. —. We have had the honour to receive Your Honours' esteemed letter of the 29th of July last, and kindly thank you for what was communicated therein regarding the deserted crew of our bark de Liefde. According to the promise in our letter of the 5th of August last, we now inform Your Honour that we have determined the departure dates of the packet boat to the Cape of Good Hope for the upcoming period to be mid-May and ultimo August. We present herewith to Your Honour a letter packet, 1243. To the same as before. received for Your Honours from Batavia with the ship de Laanstroom, and a letter for the Ministers at Houglij, which we request to please forward thither as soon as it can be done. Thereby the said ministers are informed of the arrival at Gale of the ship Spaaren, which had sailed out for Bengale, and the 34 chests of silver in bars brought out with it for the Bengal Directorate, the prompt notification of which will most likely be of great service to their Honours in taking their measures. For the rest, after friendly greetings, we remain, underneath stood: as before, was signed: W: J: van de Graaff, P: Sluijsken, J:s Reintous, B: L: van Zitter, and A: Samlant. In the margin: Kolombo, the 4th of September 1789. We have had the honour to receive Your Honours' esteemed missive of the 8th of August last and thank Your Honours for the good delivery of our letters to Bengale. The Bookkeeper Bronsveld has been notified that he is summoned by Your Honours and must depart. With the country ship Trinkenomaale there were brought for Your Honours To the same as before two small cases from the fatherland and a letter from the Cape of Good Hope; the latter we present enclosed herewith to Your Honours, along with a duplicate invoice of account of the five chests of gold and silver brought for Your Honours with the ship den Arend, which were sent with the sloop den Jonge Willem Arnold via Trinkenomaale to Your Honours, and the duplicate of our last of the 4th of this month. The aforementioned two small cases will be sent to Your Honour by the Jaffna servants. For the rest, after friendly greetings, we remain, underneath stood: as before, was signed: W: J: van de Graaff, P: Sluijsken, M: P: Raket, A: Samlant, and J: A: Vollenhoven. In the margin: Kolombo, the 23rd of September 1789. — We present herewith to Your Honour a letter addressed to the Gentlemen Ministers in Bengale, with a friendly request to please forward it to its address. For the rest, after friendly greetings, we remain, underneath stood: as before, was signed: W: J: van de Graaff. In the margin: Kolombo, the 27th of December 1789. . To 1244. To the same as before. To the same as before We have the honour to present herewith to Your Honour a letter packet received here yesterday for Your Honour with the ship Huijsduijnen from Batavia; with the said ship was also brought for Your Honour's government a chest of bullion gold of 15 carats, which we shall send to Your Honour via Jaffna as soon as possible. For the rest, after friendly greetings, we remain, underneath stood and signed: as before. In the margin: Kolombo, the 28th of October 1769. The Noble High Indian Government has directed us by missive of the 17th of April last to make an arrangement for maintaining a regular correspondence with the remaining offices around the west of India. We have therefore in the session of the 16th of October last, as appears from the enclosed extract of our resolution, resolved to have a letter dispatched to Your Honours every three months, beginning with the end of December next, whether

Dutch transcription

1242. Aan als vooren Wij hebben 'er niets tegen zoo veel de boekhou„ der Leembruggen aangaat, en wanneer uw Ed:s ook mogten bewilligen in het ver„ zoek van de boekhouder Bronsveld, ver„ gemt: zoeken we„ oud tewillen zenden zijn afgesloo„ te soldij reekening we zullen uwEd:s dan ins„ „gelijks toezenden de soldij reekening van Leembruggen die we intusschen hebben gepermitteerd na derwaards voor een spring„ togt te vertrekken. wij blijven voor het overige na vriendelijke groete /:onderstond:/ als vooren /:was„ „getekend:/ W: J: van de Graaff, P: Sluijs„ ken, M: F: Raket, B: L: van Litter en A: Samlant /:in margine:/ Kolombo. den 26:e aug:o 1789. De Edele Hooge Indiasche Regeering heeft ons met het schip den Arend, blijkens nevensgaande Ex„ trakt uit hoogst derzelver g'eerde missive van den 26:e Junij Jongstleeden, toegezonden vijf kisten met bhaar goud en zilver ter verdere bezorging aan uwEd:s, en we hebben de eere dezelve uwEd:s tans aantebieden over Trin„ kenomaale met de sloep de Jonge willem Ar„ nold, en zenden hier in geslooten de daar van ontvangene Aan als vooren ontvangene faktuur en de afdrukzels van de zegels waarmeede voormelde kisten verze„ „geld zijn. De voornoemde sloep verzoeken we vervolgens weder terug tezenden. Wij blijven voor het overige na vriendelijke groete //:onderstond:/ als vooren /:was getekend:/ W: J: van de Graaff, P:s Sluijsken, M: P: Raket, J: Reintous B: L: van Litter A: Samlant, J: A: vollenhoven /:in margine:/ Kolombo den 28:e aug:o 1784. /lager :/ P: S: zoo het schip Storssen bij ontvangst deezes nog niet mogte vertrokken zijn, verzoeken we uw Ed:e den inleggenden brief daarmeede te willen afzenden aan de Edele Hooge Indiasche Regeering te Batavia. we voegen hier bij een faktuur van heeden groot ƒ 278:13. —. Wij hebben de eer gehad te ontvangen uw Ed:s geach„ te letteren van den 29:e Julij Jongstleeden, en bedanken vriendelijk voor't daarbij bedeelde, nopens de gedeserteerde manschappen van onze bark de Liefde. volgens belofte bij onzen brief van den 5:e aug:o Jongstleeden, geeven wij uw Ed:e tans berigt, dat we de vertrekdagen van de Paketboot na de kaal der goede Hoop, voor den aanstaan„ de hebben bepaald op medio Maij en ult:o augustus Wij bieden uw wel Ed:e hiernevens aan een brief paket, 1243. Aan als vooren. paket, met 't schip de Laanstroom voor uw Edelens van Batavia ontvangen, en een brief voor de Ministers te Houglij, die we verzoeken zoo spoedig het geschieden kan der„ waards te willen voortschikken. Daar bij word aan gem: ministers bedeelt de aankomst te Gale van het voor Bengale uitgekoomene schip spaaren en het daarmeede voor de Bengaalsche dierektsie uitgebragte 34: kisten met zilver aanstaaven, waar van de spoedige kennis hun Ed: in het neemen van derzelver maatregelen naastdenkelijk van veel dienst zijn zal. wij blijven voor 't overige na vriendelijke groete /:onderstond:/ als vooren /:was getekend:/ W: J: van de Graaff, P: Sluijsken, J:s Reintous, B: L: van Zitter en A: Samlant, /:in margine:/ Kolombo den 4:e September 1789. Wij hebben de eere gehad te ontvangen uw Ed:s geachte missive van den 8:e aug:s Jongstleeden en bedanken uw Ed:s voor de goede bezorging onzer brieven naar Bengale. De Boekhouder Bronsveld is aangekundigt, dat wij door uw Ed:s opgeroepen is en vertrek„ ken moet. Met het baarsch schip Prinkenomaale zijn voor uw Edelens Aan als vooren uw Edelens aangebragt twee kasjes uit het vader„ land en een brief van de Kaal de goede Hoop„ de laaste bieden we uw Edelens hier ingesloo„ ten aan, nevens een duplikaat faktuur van aanreekening van de met het schip den Arend voor uw Ed:s aangebragte vijf kisten met goud en zilver, die niet de sloep den Jongen wil„ lem Arnold over Prinkenomaale aan uw Edelens zijn gezonden en het duplitaat onzer laatste van den 4:e deezer. De voormelde twee kasjes zullen uE: door de Jaffenasche bedienden worden toegezonden. wij blijven voor het overige na vriendelijke groete. /:onderstond:/ als vooren /:was gete„ kend:/ W: J: van de Graaff, P: Sluijsken, M: P: Raket, A: Lamlant en J: A: vollenhoven /:in margine:/ Kolombo den 23:e 7ber: 1789. — Wij bieden uw Ed:e hiernevens aan een brief gerigt aan de Heeren Ministers in Bengale, niet vriendelijk verzoek daaraan addresse tewillen verleenen. wij blijven voor 't overige na vriendelijke groete /:onderstond:/ als vooren /:was getekend:/ W: J: van de Graaff /:in margine:/ Kolombo den 27:e xber: 1789. . Aan 1244. Aan als vooren. Aan als vooren Wij hebben de eer uw welEd:s hiernevens aan„ tebieden een brief paket met het schip Huijs„ duijnen van Batavia voor uw welEd: gis„ ter alhier ontvangen met gemeld schip is ook voor uw wel Ed: gouvernement aange„ bragt een kist met bhaar goud van 15. ka„ „taaten, die we uw welEd:e over Jaffena ten eersten zullen toezenden. wij blijven voor het overige na vriende„ „lijke groete /:onderstond / en geteekend / als vooren /:in margine:/ Kolombo den 28:e oktober 1769. De Edele Hooge indische regeering heeft ons bij missive van den 17:e April J:ol: aange„ „schreeven om eene schikking temaaken ter onderhouding van eene gereegelde Carres„ pondentsie met de overige kantooren om de west van Indie. we hebben daarom ter sessie van den 16:e oktober Jongstleeden blijkens ingeslooten extrakt onker resolunttie, beslooten, om alle drie maanden, te beginnen met ultimo December aanstaande aan uw welEd:s een brief te laaten afgaan het zij dat

NL-HaNA_1.04.02_3838_1132 view scan ↗

English

whether there is something to report of which it is of any importance that your Honors are promptly informed, or not, since it can even from time to time have its utility for the western factories mutually to know from each other that nothing has occurred. These our letters will be dispatched via Tutukooijn with the English posts, addressed only to the Gentlemen Commanders and sealed with the private seal of the first-undersigned Governor; and the letters for Souratta will be addressed to Koetsiem with the request to the Gentlemen Ministers there to forward the same along the shortest and most convenient route, whether via Bombaij or directly to Souratta. We kindly request your Honors to consider whether your Honors, in satisfaction of the aforementioned intention of their High Mightinesses, might likewise deem it proper, in the manner aforesaid, to have a letter dispatched to this government every three months, since we have received with the ship Prinkenomaale a directive specifying the departure days of the packet boats. We offer your Honors herewith a copy thereof, along with the communication To as before also communicating that we have accordingly resolved to dispatch the Ceylon packet boat on 1 Maij and 1 October. And since it may be of use to those who choose to send their private letters from there via Ceilon to know the arrangements we have made in that regard for this Government, we further append hereto a copy of the plan adopted for that purpose by our aforementioned Resolution. For the rest, after friendly greetings, we remain, stood below and signed as before, in the margin Kolombo, 3 9ber 1789. Lower: P. S. We further offer your Honors herewith the duplicates of our letters of 23 7ber and 28 Otober of the current year, and a letter for the Gentlemen Ministers in Bengale, which we request you to be so good as to forward when opportunity arises. The gold chest received for your Honors from Batavia and mentioned in our letter of 28 October last, the Jaffena servants have been ordered to forward to your Honors in the best possible manner. To as before The account thereof received from Batavia we offer to your Honors herewith. For the rest, after friendly greetings, we remain, stood below and signed as before, in the margin Kolombo, 5 November 1789. The Honorable Respectable Directors of the presiding Chamber of Amsterdam have informed us by missive of 5 Februarij of this year of the purpose of their High Mightinesses in sending out the Military Commission, which has already arrived on the outer roadstead of Gale on the 1st of this month with the frigates Zephir and Havik, and of what must be observed regarding the said Commission in the Indies, along with instructions also to give notice thereof to your Honors. We therefore offer your Honors enclosed herewith a copy of the aforementioned missive alongside copies of the two memoranda received therewith, so that your Honors may act accordingly. We also offer your Honors herewith our requisition of supplies for the year 1790, the fulfillment of which, when opportunity arises, we To as before kindly request, the duplicates of our letters of 3 and 5 November last, a letter addressed to your Honors marked I. B. brought from the Cape of Good Hope with the aforementioned frigate Zephir, and a letter addressed to the Gentlemen Ministers in Bengale, which we request you to be so good as to forward when opportunity arises. For the rest, after friendly greetings, we remain, stood below and signed as before, in the margin Kolombo, 9 xber 1789. We had the honor to receive your Honors' esteemed missives of 21 Oktober and 11 9ber last. We thank your Honors for the good delivery of our letters to the Honorable High Indian Government at Batavia and to the Ministers in Bengale. The received letter for the Gentlemen Ministers at Koetsiem we have sent thither with the State's frigate of war Zephir. The thoni built for your Honors at Kalpettij has already departed for Jaffena and will be sent over from there at the first opportunity, and the thoni being built at Batikala will also soon be finished. We request your Honors, when in the future any people who have deserted from Ceilon are apprehended or handed over there, as in both cases mentioned in your Honors' letters of 29 Julij and 11 November last, not to send the same to Batavia, but hither with the documents concerning the charges against them; when your Honors have the opportunity to do so, we then request you to notify us; we will then send a vessel to fetch them. The enclosed letter to the Gentleman Governor of Madras and the Council we kindly request to have securely delivered. We also request to have securely delivered the letter further enclosed herein for the Gentlemen Ministers in Bengale, to which we append the duplicate of our last of the 9th of this month with the duplicate of the requisition mentioned therein. We To as before remain for the rest, after friendly greetings, stood below and signed as before, in the margin Kolombo, 31 December 1789. Akkeweert Eybrands Egklerk Examined P. Vn Geyzel No. 42

Dutch transcription

dat 'er iets te bedeelen zij waar van het van eenig belang is, dat uw wel Ed:s daar van spoedig zijn geinformeerd, of niet, wijl het ook zelfs omtijds zijne nuttigheid voor de westersche kantooren hebben kan onder„ ling van malkanderen teweeten, dat 'er tieets voorgevallen is, Deeze onze brieven zullen worden afgezonden over Tutukooijn met de Engelsche posten beschreeven alleen aan de Heeren Hoofd gebieder en verzeegeld met 't partikulier Cachet van den eerst ondergetekenden Gouverneur en zullen de brieven voor souratta worden geaddresseerd na Koetsiem niet verzoek aan de Heeren Ministers aldaar om dezelve langs den kortsten en bekwaamsten weg voorttezenden, 't zij over Bombaij dan wel dierekt na souratta. wij verzoeken uw welEd:s vriendelijk in be„ Gtr „denking te willen neemen, of uw welEd: ter voldoening aan de voorschreeve inten„ tie van hunne Hoog Edelheeden niet ins„ „gelijks zouden kunnen goedvinden, invoe„ „gen voorsch: alle drie maanden een brief aan dit gouvernement te laaten afgaan vermits we met het schip Prinkenomaale een aanwijzing hebben ontvangen, bepaa„ lende de vertrekdaagen van de paket„ booten beiden wij uw welEd: een afschrift daar van hiernevens aan, met kommuni„ kaatsie 1245. Aan als vooren kaatsie teffens dat we overeenkomstig daar meede hebben beslooten de Ceilonsche paket boot op den 1: Maij en 1:e october te depe„ cheeren. En wijl het den geenen, die hunne partikulie„ de brieven van daar over Ceilon verkiesen te zenden, van nut kan zijn teweeten de schikkingen die we daaromtrent voor dit Gouvernement hebbe gemaakt, voe„ „gen wij nog hier bij een afschrift van het projekt daar toe bij voorsch: onze Resoluuttie gearresteerd. wij blijven voor het overige na vriendelijke groete /:onderstond en geteekend:/ als voo„ ren /:in margine:/ kolombo den 3:e 9ber: 1789. /:lager:/ P: S: Wij bieden uw wel Ed: hiernevens nog aan de duplikaaten onzer brieven van den 23:e 7ber: en 28: otober J:o lieden en een brief voor de Heeren Minis„ tert in Bengale, die we verzoeken bij gelegentheid tewillen voortzenden De Goudkist voor uw wel Ed: van Batavia ontvangen en vermeld bij onzen brief van den 28:e oktober Jongstleeden zijn de Jaffenasche bedienden gelast om op de best mogelijkste wijze aan uw welEd: over„ „tezenden 8 Aan als vooren tezenden, De van Batavia ontvangene aanreekening daar van beiden we uw welEd: hiernevens aan wij blijven voor het overige na vriendelij„ de groete. /:onderstond en geteekend:/ als vooren /:in margine:/ Kolombo den 5:e November 1789. De Edele achtb: Heeren Bewindhebberen ter presi„ diaale kamer Amsterdam, hebben ons bij mis„ „sive van den 5:e februarij deezes Jaars g'infor„ meerd van 't oogmerk van hunne Hoog Mogenden in 't uitzenden van de Militaire Commissie die reeds met de fregatten de Zephir en de Havik, den 1:e deezer op de biiten rheede van Gale is gearriveerd, en van 't geen nopens de„ zelve Commissie in Indien moet worden geobserveerd, met last teffens, om ook daar van aan uw welEd:s kennis te geeven. we„ bieden derhalven uw welEdelens hieringeslooten aan, een afschrift van voorsch: missive nevens Copijen van de daarmeede ontvangene twee memorien, op dat uw wel Edelens zig daar na kunnen rigten. Ook bieden we uw wel Edelens hiernevens aan onzen Eisch van benodigtheeden voor het Jaar 1790. , welkers voldoening bij gelegentheid we 1246 Aan als vooren we vriendelijk verzoeken, de duplikaaten onzer brieven van den 3. en 5. November Jongstleeden, een brief aan uw welEdelens ge„ rigt gemerkt I. B. met voorm: fregat de Zephia van de Kaab de Goede Hoop aange„ bragt en een brief aan de Heeren Ministers in bengale gerigt die we verzoeken bij gele„ „gentheid tewillen voortzenden. wij blijven voor 't overige na vriendelijke groete. /: onderstond en getekend als vooren in margine:/ Kolombo den 9:e xber: 1789. — Wij hebben de eere gehad te ontvangen uw welEdelens g'eerde missives van den 21:e oktober en 11:e 9ber: Jongstleeden. we bedanken uw wel Ed:s voor de goede bezorging onzer brieven aan de Edele Hooge Indiasche Regeering te Batavia en aan de Ministers in Bengale. De ontvangene brief voor de Heeren Minis„ ters te koetsiem hebben we met 'slands tregat van oorlog de Zephia na derw:s gezonden. De te kalpettij voor uw welhd: aangeboude tonie tonie is reets na Jaffena vertrokken en zal bij eerste gelegentheid van daar overge„ zouden worden, en de tonie die op Batikala aangebouwd word zal ook spoedig klaar gemaakt worden. we verzoeken uw welEd:, om wanneer voortaan eenig volk dat van Ceilon ge„ deserteerd is, aldaar word opgevat of uitge leverd gelijk in de beide gevallen vermeld bij uw Edelens brieven van den 29=e Julij en 11:e November Jongstleeden, hetzelve niet na Batavia, maar na herwaards tezenden met de stukken ten hunnen laste wanneer uw Edelens daar toe gelegentheid hebben, dan verzoeken we ons dat te bedeelen we zullen dan een vaartuig zenden om ze aftehaalen De ingeslootene brief aan de Heer Gouver„ neur van Madrad en de Raad verzoeken we vriendelijk sekuur te doen bestellens. ook verzoeken we sehuur te doen bestellen de nog hier in geslootene brief voor de Heeren Ministers in Bengale waar bij wij voegen het Duplikaat onzer laasten van den 9:e deezer met het Duplikaat van den daar bij vermelden Eijsch. wij 1247 wij blijven voor het overige na vriendelijke groete /:onderstond en geteekend:/ als vooren /:in margine:/ kolombo den 31:e December 1789. Akkeweert Eijbrands Egklerk Nagezien P„r Vn Geijzel No: 42:

NL-HaNA_1.04.02_3838_1139 view scan ↗

English

1248. Ceylon To the Noble Lord Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, as well as Governor and Director of the aforementioned Island and its Dependencies, together with the Council. Noble, Honorable, Valiant, Wise, Prudent, Most Discreet Lord and Friends. On the 6th of August last, we were sent all at once from Paliacatta Your Honors' esteemed letters of the 15th of February and the 5th of December 1787, also the 30th of April 1788, along with several duplicates of previous letters, the originals of which had already been received and also answered by us. We thank Your Honors for the European and Surat packets sent to us therewith, as well as the copies of Your Honors' dispatched advices to the Lords Masters and Their High Mightinesses, and we offer in return the copies of those which we have written in the past year to our aforementioned High Superiors. Expressing also our obligation for the information shared with us regarding the condition of the sloop De Krab after the departure of its crew from Mergui, we have, in accordance with Your Honors' request, caused to be paid out here to the junior merchant De Masse the 460 Sicca Rupees advanced by him to the junior merchant Boers for the service of the crew of that vessel. Having been ordered by the Noble High Indian Government to send to Your Honors' Government the sloop De Chinsurah, which has been found unfit for pilot service in this river, we now let the same depart thither under the conveyance of this letter and the command of Captain Lieutenant Jan Gerrit Drees, whom we have placed upon her; that vessel is provisioned for three months and furthermore provided with all things necessary for undertaking that voyage, which we hope he will accomplish promptly and successfully. The cost of the same, with the inventory provided thereto amounting to the sum of ƒ25,510. 3. 8., is charged in the invoice which, together with the account of expenses, has been handed separately sealed to the commander. We have laden therein the silk fabrics set forth on the bill of lading invoice drawn up thereof and signed by the said commander, amounting to ƒ4,414. 13. 8.; this is the only thing, since up to now no long gunnies have been received, that we, on account of the scarcity of cash, have been in a position to fulfill from Your Honors' requisition of the past year, and we hope that the same will be found satisfactory. Two years ago, the ensign Hans Swanefretz arrived here from Europe, who, owing to our small garrison in this Directorate, can be of no service and, in the hope of being able to be placed on Ceylon, has requested to be permitted to sail over thither with his wife; we have agreed to this and request Your Honors to be so good as to employ him there if possible, or otherwise grant further transport to Batavia. In the same manner, we have permitted to sail over with this vessel the junior assistant Albert Hendrik Giessler, who, owing to the expiration of his contract, requested and obtained from us his discharge to Europe, but lacks the opportunity here to make use of it, which he hopes to find on Ceylon with one of the return ships. Along with several packets for Malabar, Surat, and Paliacatta, for which we request favorable forwarding, we add hereto three letter packets addressed to Your Honors, brought here among the papers of the ship Straalen destined for this Directorate from Europe, which, having encountered adversities, was unable to reach the Ganges and arrived at Bimilipatnam, from where its letters and papers were sent to us overland. We also take this opportunity to congratulate the Noble Lord van de Graaff most sincerely on obtaining the illustrious dignity of Ordinary Councilor of the Dutch Indies, and wish His Honor the best of blessings, both upon His Honor's person and the momentous governance entrusted to his care. We have the honor to call ourselves with all high esteem, (underneath stood) Noble, Honorable, Valiant, Wise, Prudent, Most Discreet Lord and Friends, Your Honors' very willing friends and servants. (was signed) I. Titsingh, J. W. S. van Haugwitz, J. C. Fredrik, A. G. Kraijenhoff, J. Eilbracht, F. Wieman, I. C. Steijning, (in the margin) Hooghly in Bengal, the 11th of February 1789. No. 43. Agrees Sybrands First Clerk Pr. van Geyzel 1250. Bengal. To the Noble Lord Mr. Isaac Titsingh, Extraordinary Councilor of the Dutch Indies, Director over the Company's trade and concerns, together with the Council. Hooghly. Noble, Honorable, Valiant, Wise, Prudent, Most Discreet Lord and Friends! We have the honor to offer Your Honors herewith our requisition of necessities for the use of this Government for this year, with the kind request that it may be fulfilled as soon as possible. Furthermore, we accompany this with a letter packet addressed to Your Honors, brought with the ship Berkhout from Surat, in duplicate of our letter of the 11th of September past.

Dutch transcription

1248. Clilon Aan den Edelen Heer Willem Jacob van de Graaff, Raad Ordinair van Nederlandsch Indien, mits„ „gaders Gouverneur en Dierekteur van het ge„ melde Eiland en de Resorte van dien nevens Den Raad Edele, Erntfeste, Manhafte, wijze, voorzienige, zeer Diskreete Heer en Vrienden. Onder den 6:e aug:o Jongstleeden, zijn ons op eenmaal van Pallakatta toegezonden uwer welEd:s g'achte letteren van 15:e feb: en 5: xber: 1787. item 30:e April 1708. nevens nog eeni„ „ge duplikaaten van voorige brieven, wil„ kers origineelen bereets bij ons ontvangen en ook beantwoord waaren wij bedanken uw wel Ed:s voor de ons daarmeede toegezondene Europische en souratsche paketten item de Copijen Uwer Edelens afgevaardigde advisien aan de Heeren Meesters en Hun Hoog Edelheeden en bieden Dezelve weederkeerig aan de afschriften van die welke wij in het gepas„ „seerde Jaar aan welmelde onze Hooge supe„ Kolombb. kieuren „rieuren geschreeven hebben. voor het ons meede gedeelde nopens den toestand van de sloep de krab na het vertrek van dies Equ„ „pagie van Mergie, meede onze verpligting be„ tuigende, hebben wij ingevolge uw wel Ed:s ver„ zoek aan den onderkoopman de Massse alhier laaten uitkeeren de S. o s . 460. door hem aan den onderkoopman Boers ten dienste van de Equi„ „pagie van dat kieltje voorgeschooten Door de Edele Hooge Indische Regeering gelast zijn„ de, de sloep de Chinsuaah, die tot den Lootsdienst in deeze Rivier onbequaam bevonden is, naar uwelEd: Gouvernement te zenden laaten wij „dezelve tans onder geleide deezes en het gezag van den door ons daar op geplaatsten kaptein Luitenant Jan Gerrit Drees na derwaards ver„ trekken; dat kieltje is voor drie maanden ge„ „proviandeerd en voorts van al het noodige tot het doen dier rijze voorzien, die wij hoopen dat hij spoedig en gelukkig volbrengen zal.— Het kostende van dezelve met de daar aan verstrekte Inventaris ten bedraage van ƒ25510. 3. 8. werd aangereekend bij de faktuur die nevens de onkostreekening den gezaghebber apart verzeegeld inhandigd is. Wij hebben daar in afgelaaden de zijde stoffen be„ kend gesteld op de daar van geformeerde en door 6 1249. door gedagte gezaghebber geteekende Cognosse„ ment faktuur groot ƒ4414. 13. 8. dit is 't eenig„ ste wijl tot nog toe geene lange goenies zijn ontvangen dat wij uit hoofde der schaarsheid van kontanten instaat geweest zijn te kunnen, voldoen op uw wel Edelens Eisch van het gepas„ „seerde Jaar en hoopen dat hetzelve na genoegen zal bevonden worden. voor twee Jaaren is uni't Europa alhier aangekoo„ men den vaandrig Hans Swanefretz, die mits ons gering guarnisoen in deeze Dierectie van geen dienst zijn kan en in hoope van op Ceilon geplaatst te zullen kunnen worden ver„ zogt heeft met zijn vrouw na derwaarts 'te moogen overvaaren; wij hebben daar in g'accordeerd en verzoeken uw wel Ed:s hem des moogelijk aldaar tewillen emploijeeren ofte anders verder Transport naar Batavia. In zelver voegen hebben wij toegestaan met dit Kieltje over te vaaren den Jong assistent Albeat Hendrik Giessler, die mits expiraatsie van zijn verband zijne verlossing naar Europa van ons verzogt en verkreegen heeft, dan waar van te profiteeren hem hier de gelegentheid ontbreekt, die hij hoopt op Ceilon met een der retoerscheepen te zullen vinden. Nevens Nagezien Nevens eenige paketten voor de Mallabaar souratta en Paliakatta voor welke wij een gunstige voortschikking verzoeken, voegen wij hier nog bij Drie briefpaketten aan uw welEd:s geaddresseerd alhier aangebragt onder de papie„ ren van het voor deeze Directie uit Europa gedestineerde schip Straalen, dat door ontmoete tegenspoeden de Ganges niet heeft kunnen be„ deiken en te Bimilipatnam aangekoomen is, van waar ons dies brieven en papieren over„ land toegezonden zijn. Wij neemen deeze geleegentheid teevens waar den Edelen Heer van de Graaff op het welmee„ ver nendst te gelukken met de verkreegene luij„ „sterrijke waardigheid van Raad ordinair van Nederlands Indien en wenschen zijn Edele de beste der zeegeningen toe zoo over zijn Ede„ les Persoon als het gewigtig bestier aan zijne zorge toebetrouwd. Wij hebben de eere ons met alle hoogachting te noemen. /:onderstond Edele, Erntfeste, Man„ hafte, wijze, voorzienige, zeer Diskreete Heer en vrienden. Uwer welEdelens zeer Dienstwillige vriend en Dienaaren. /:was getekend:/ I: Sitsingh, J: W: S: van Haugwitz, J: C: Fredrik A:g: Kraijenhoff, J:s Eilbracht, F: wieman, I: C: Steijning, /:in margine:/ Houglij in Bengale den 11: februarij 1789. N:o 43: Akzordeert Sijbrands Eijklerk Pr Vn Geijzel 1250. Bengase. Aan Den E: Heer M:r Isaac Titsingh. Raad Extraordinair van Nederlands Jndia Direc; „teur, over 's Comp:s handel en ommeslag Neevens den Raad. Houglij. Edele Eerntfeste Manhaf te wijze voorsinigen zeer Discree„ „ten Heer & Vrienden! Wij hebben D' eere uwel Edelens hier neevens aen te bieden, onsen eisch van benodigtheeden ten be„ hoeven van dit Gouvernement, voor dit Jaer met vriendelijke versoek; dat daar aen zona moogelijk ten Spoedigsten mag worden voldaan. Voorts laaten wij deesen nog versellen een brief paket van uwel Edelens gericht met het schip Berhout van Iu„ „ratta aengebragt in het duplicaat van van onzen brief van den 11. 7ber: P: os:o Na te

NL-HaNA_1.04.02_3838_1144 view scan ↗

English

After the ship Straalen had already departed from Gale on the 26th of December last to pursue its voyage to Bengale, the captain of that vessel, Gerardus Nasson, arrived at Trinconomale on a private craft, along with the crew members who had remained behind with Bimilipatnam, all mentioned in the enclosed list of names. Upon receiving the report thereof, we immediately wrote to the servants at Trinconomale to tell the said Captain Nasson that he could do no better than to return as soon as possible, in order to get back onto his assigned vessel with his crew, with the exception of the Cadet Heupner and the three soldiers and seven sailors mentioned in the aforementioned list, whom we have authorized the Trinconomale servants, upon their proposal made to that end, to be allowed to retain there; wherefore we request Your Honours to please have their pay accounts closed in the ship's books and sent to us at the first opportunity, alongside the pay accounts of the crew members who remained behind at Gale from the said vessel, the name list of which has been delivered by Your Honours' Gale servants. 17 1251. To the same as before. For the rest, after friendly greetings, we remain, /:below was written:/ Noble, Honorable, Valiant, Wise, Prudent, and Very Discreet Sir and Friends, Your Honours' humble friends and servants, /:was signed:/ W: J: van de Graaff, J: P: C: Kellius, G: E: Holst, M: P: Raket, J: Reintous, B: L: van Zitter /: in the margin, Kolombo the 10th of February 1789. For the payment of a small parcel of rice that was purchased here, we found ourselves under the necessity of drawing upon Your Honours an assignment amounting to two thousand nine hundred forty-two and six-sevenths, say 2942 6/7 sicca rupees, to be paid to the burgher Johan Carel Lodewijk Blume, for which his office in Houghly has been credited with ƒ 3023:17:8; which we very kindly request to honor with payment. We hereby present to Your Honours the triplicates of our letters of the 12th and 24th of December 1788 and the 10th of February, and a pay note of the 23rd of February last. For the rest, after friendly greetings, we remain, /:below was written:/ Signed as before /: W: J: van de Graaff, P: Huiske, M: P: Raket, B: L: van Zitter, J: A: Vollenhoven /: in the margin, Colombo the 24th of March 1789. To To the same as before. With the arrival of the sloop Chinsura at Trinconomale, we had the honor to receive Your Honours' esteemed letter of the 11th of February of this year. We thank Your Honours for the silk fabrics sent to us therewith, and copies of Your Honours' letters to the Fatherland and Batavia, and we hereby offer Your Honours copies of our advices to the Gentlemen Masters and their High Mightinesses for the year 1788, alongside the duplicate of our latest of the 24th of March of this year, and an invoice of the 24th of June last amounting to ƒ 2733:17:—, wherewith we request that you act according to custom. We have provided proper addresses to the received packets of letters for Mallaba, Suratta, and Palleacatta. We request that you inform us up to when the ensign Hans Swaane Retz enjoyed his board money and emoluments there, and the assistant Giesler his board money. The first undersigned Governor thanks Your Honours in the most sincere manner for the congratulations offered on his promotion to ordinary councillor of the Netherlands Indies. For the rest, after friendly greetings, we remain, /:below was written and signed as before / in the margin:/ Kolombo the 15th of July 1789. To 1252. To the same as before. The Noble High Indian Government has informed us of the decision of the Gentlemen Masters to employ packet boats for the carriage to and fro of letters, with orders to inform Your Honours of the appointed departure time of the packet boat that is destined to make two voyages from Ceylon to the Cape of Good Hope between the month of February and the month of November, in order that Your Honours may send their papers for the Fatherland to Ceylon in time. The aforementioned packet boat has not yet arrived here, and we can therefore not determine in advance when the same can be dispatched; but it may meanwhile serve for Your Honours' information that if this vessel should arrive here during this or the coming month, we shall then let the same make the first voyage to the Cape by the end of next month. In the uncertainty of whether Your Honours are already provided with the plan regarding the employment of the packet boats, we enclose a copy thereof herewith, and as soon as we shall have regulated the fixed sailing days of the Ceylon packet boat for the coming season, we shall give Your Honours further notice thereof. ƒ To the same as before. For the rest, after friendly greetings, we remain, /:below was written and signed as before / in the margin:/ Colombo the 5th of August 1789. /: Below: P.S. We further add hereto our duplicate letter of the 15th of July last. According to the promise in our letter of the 5th of August last, we now inform Your Honours that we have determined the departure days of the packet boat to the Cape of Good Hope for the coming season to be mid-May and the last day of August. On the 31st of August last, the barque ship 't Spaaren, destined for Bengale, arrived in the bay of Gaale, having suffered great damage to its rigging due to a most severe storm it endured, as appears from the enclosed extract from the Gale letter of the 1st of this month, to which we refer. We have immediately ordered the servants at Gale to have this ship promptly put into a state to be able to continue its voyage to Bengale. For the rest, after greetings, we remain, /:below was written and signed:) As before /:in the margin /: Colombo the

Dutch transcription

Na dat het Schip Straalen reeds den 26e DeC=ter: passo: van Gale was vertrokken, om zijn rijze na bengale te vervorderen, is met een particulier vaartuig te Trinconomale aen „gekomen de Capitain van dien Bodem Gerardus Nas son, nevens de Mansschappen die met Bimilipat„ nam zijn te rug gebleeven, alle vermeld bij de Ingeslot Naemlijst. Wij hebben op 't daar van ontfangen berigt de bedienden te B „conolmale ten eersten aengeschreeven om gem: Capitain M „son aen te seggen dat hij niet beeter konde doen dan hoe zo beeter te rug gaan om met zijne Manschappen weder op zijn beschijden bodem te geraken uijtgezo dert den Cadet heupner en de bij de voorz: Lijst vermelden drie Soldaaten & zeeven Matroosen dien wij de TrinconomaalsC Bedienden op hun daar toe gedane voorstel d ben gequalificeerd, aldaar te moogen aan houden, weshalven wij uwel Ed:s verzoeken h „ne zoldij rekeningen bij de scheepsboeken te wil doen afsluiten, en ons bij gelengendhijd toe „zonden, neevens de zoldij reekeningen va de Manschappen, die van gemelden bodem te Gale zijn te rug gebleeven, waar van de naamlijx door de Taalse bedienden van Uwel Edelen is bezorgd. 17 1251. Aan als Voorez. wij blijven voor 't overige na vriendelyke groe„ „te /:Onderstond:/ Edele Erntfeste Manhafte wijze voorzienigen zeer Discreeten Heer en vrienden uwel Edelens D: W: Vriend en Diena„ „ren /:was getekend:/ W: J: van de Graaff„, J: P: C: K„ „lius, G: E: Holst, M: P: Raket, J: Reintous 3 B: L: van Zitter /: in Marcgiene, Kolombo den 10 Februarij 1789. Tot 't afbetaalen van een klijne partij rijst die hier is ingekogt, hebben we ons gevonden in de nog „zakelijkhijd om op UwelEd:s te trekken een assig„ naatie groot Twee duijsend negenhondert Tweënveertig, en ses seevende Zegge 2942 /7. sic„ ca ropijen, om aen den Burger Johan Carel Lo„ „dewijk Blume te worden betaald waar voor z Kantoor houglij is gekrediteerd met ƒ 3023. 17. 8. Dewelke we zeer vriendelijk verzoeken met betaaling te vereenen. Wij bieden uwel Ed: hier nevens den rriplicaten van onsen Brieven van den 12=de en 24 xber 1788. en 10=e Febru: en een soldij notitie van den 23: febr: J:o Leden. wij blijven voor 't overige na vriendelyke groeten /: onderstond:/ Als vooren getekend /: W: J: van de Graaff, P: Huiske, M: P: Raket, B: L: van Litter, J: A: Volle„ „hoven/:1. margiene /: Colombo den 24. Maert 1789. Aan Aan als vooren. Met de arrive van de sloep Chinsura op Trinco„ =nomale, hebben we d' eere gehad te ontfangen uwr welEd: J'achte Letteren van den 11 febr: dezes Jaars. Hij bedanken uwelEd:s voor de daarmede ons toe gezon dene zijde stoffen, en Copijen van Uwel wel Ed=ns brieve na 't Vaderland en Batavia, en bieden Uwel Ed bij deesen aen Copijen onser Advijsen aen den Heeren Mees„ ters en hunne Hoog Edelheeden de A:o 1788. neeven 't duplicaat onser laatste van den 24 Maart de ses Jaars. en een factuur van den 24 Junij Jo Leede groot ƒ2733:17:—. waar mede wij verzoeken na de gebruijken te willen doen handelen. D'ontfangene Briefpaquetten voor Mallaba suratta en Palleacatta hebben we behoorlijke addres„ „sen verleend. Wij verzoeken ons te willen bedeelen tot hoe lange, de Vac„ drig Hans Swaane Retz aldaar zijn kostgeld en Emolumenten en de Aassistend Giesler Kost geld genooten hebben. De eerst ondergetekenden Gouverneur bedankt uwelEd: op de welmenendste wijze voor de gedane felicitatie met desselfs promotie tot raad ordina van Nederlands Jndian. Wij blijve voor 't overige na vriendelijke groete /:on„ „derstond /en getekend/ als vooren / in margiene:/ Kolombo den 15 Julij 1789. Aan 1252. Aan als vooren. D'Edele Hooge Indische Regeering heeft ons kennis gegeeven van 't besluijt van de Heeren Mflees„ „ters, om tot 't over en weederbrengen van brieven paquet booten te imploijeeren, met last om aen uwelEd:s te informeeren van den bepaalden vertrek tijt der paquet boot, die bestemd is om van de maand feb: tot de maand November twee togten, Cijlon, na de Caab der Goede hoop te doen, ten einde Uwel Ed:e derselver papieren voor 't vaderland in tijds Cijlon zenden. De voor bestemde paquet boot is, hier nog niet aangekomen, en we kunnen dus niet voor van„ 3 bepaalen, wanneer deselven kan gedepecheerd wor„ „den dog dient intusschen tot uwelEd:s narigt dat zo dit vaartuijg in deese of de aanstaen „den maand hier mogte aankoomen wij als dan 't zelve met 't laatst, van de aanstaen„ de maand de eerste togt na de Caab zullen laaten doen. Jn de onsekerheijd of uwel Ed:s reeds voorzien zijn, van 't plan, noopens 't emploij der pa„ „quet booten, voegen wij daar van een afsch„ rift hierneevens, en so dra wij de vasten sijldagen van Cijlonsche paquet boot voor den aanstaanden zullen hebben gereguleerd zul„ „len wij uwel Ed:s daar van Nader kennis ge„ ven. ƒ Aan als Vooren. Wij blijven voor 't overige na vriendelyke Groete onderstond:/ e Getekend:/ Als Vooren in margiene:/ Colombo den 5 Aug:s 1789./: Lager P: S: Wij voegen nog bij deese onsen dupplicaat let„ „teren van den 15 Julij I:o Leeden Volgens belofte bij onsen brief van den 5 Aug„ I: Leden geeven wij uwel Ed:s tans berigt, dat we vertrek daagen van de paquet boot na de Caes der Goede Hoop voor den aanstaanden hebben„ de bepaald, op Medio Maij en ult:o Augustus Den 31 Aug:s Jz: is 't voor Bengale Gedesti„ neerd baars schip 't Spaaren in de baaij van Gaale aengekoomen hebbende door een uitge „stane allerswaarste onweer, groote sch de aen zijn tuijg geleeden, gelykt blijkt bi 't ingeslooten extract uijt den Taalschen brie van den 1 deeser waar aen wij ons te fereeken. Wij hebben den bediende te Gale ten eersten aen„ bevoolen, om dit schip spoedig in staad te doen stellen, om zijne rijze na Bengale te konnen vervolgen. Wij blijve voor 't overige na groete /:onderstonk en getekend:) Als vooren /:in margiene /: Colom„ den

NL-HaNA_1.04.02_3838_1149 view scan ↗

English

1253. To the same as before. 4 September 1789. The Captain as well as our Master of the Equippage at Gale seemed to have significant reservations whether the ship Het Spaarne, now that the west monsoon is so far spent, could undertake the voyage to Bengal with peace of mind. Consequently, by letters of the 12th of this month, an extract of which is enclosed herewith, we instructed the servants at Gale to ask for written advice in this matter from both the Master of the Equippage Abo, and the Captains of the ships Den Arend and Het Spaarne, as well as the former Bengal Chief Pilot van Veen, who came out with Het Spaarne. These nautical experts have declared in a report, which accompanies this in copy, to be of the opinion that the ship Het Spaarne cannot depart now without exposing itself to danger, and that it consequently ought to remain at Gale until the forthcoming month of December. Our Master of the Equippage Andringa and the Captains of the ships To the same as before. De Zaanstroom and Trinconomale have conformed to that advice, in a report that likewise accompanies this in copy. We have therefore, in our deliberation held on the matter, decided, in accordance with the aforementioned recommendations, to let the ship Het Spaarne remain at Gale until the month of December, in order then to continue the voyage to Bengal, and we have the honor to inform Your Honors thereof by this letter. For the rest, after friendly greetings, we remain signed as before, in the margin Colombo, 27 December 1739. The Honorable High Government of the Indies, by missive of 17 April last, has ordered us to make an arrangement for maintaining a regular correspondence with the other offices to the west of India. We have therefore, in the session of 16 October last, as appears from the enclosed extract of our resolution, decided to dispatch a letter to Your Honors every three months, beginning at the end of next 1254. December, whether there is anything to impart of which it is of any importance that Your Honors be promptly informed or not, as it can sometimes even be useful for the western offices to know mutually of each other that nothing has occurred. These letters of ours will be sent via Tuticorin with the English posts, addressed solely to the Gentlemen Chief Commanders, and sealed with the private seal of the first-undersigned Governor; and the letters for Souratta will be addressed to Cochin with a request to the Gentlemen Ministers there to forward them along the shortest and most suitable route, whether via Bombay or directly to Souratta. We kindly request Your Honors to consider whether Your Honors, in fulfillment of the aforementioned intention of Their High Excellencies, might likewise see fit to have a letter sent to this government every three months in the manner aforesaid. Since we have received with the ship Trinconomale a schedule specifying the departure dates of the packet boats, we offer Your Honors a copy To the same as before. thereof enclosed herewith, with the communication also that we have accordingly decided to dispatch the Ceylon packet boat on 1 May and 1 October. And as it may be useful for those who choose to send their private letters from there via Ceylon to know the arrangements we have made in that regard for this government, we further attach hereto a copy of the project adopted for that purpose by our aforementioned resolution. For the rest, after friendly greetings, we remain signed as before, in the margin Colombo, 3 November 1789. Lower: Postscript: We further present to Your Honors herewith the duplicate of our letter of 27 December last and a letter received for Your Honors from the fatherland with the ship Trinconomale. As the ship Het Spaarne will depart from Gale one of these days to accomplish the voyage to Your Honors' directorship, we send this letter to accompany the same: Regarding the carpentry work, repairs, and supplies that were provided to this vessel at Gale, we refer 1255. to the submitted reports of the express commissioners who surveyed the ship and its rigging and sails, and to the sworn depositions of the ship's officers themselves, which are transmitted in copy among the enclosures, together with the copies of the resolutions passed thereon by the servants at Gale on 12 and 15 December last. Because this ship required a provision of supplies, the officers at Gale accounted for their consumption during the outward voyage. This account was examined, and the report received regarding it was inserted into the Gale resolution of the 8th of this month, which was approved by us, and a copy of which is enclosed herewith. The provisions received in the Netherlands for consumption on the homeward voyage we have allowed to remain on board. We ordered the servants at Gale to send the trumpeter Francois Gabriel Granier, who remained behind there last year from the ship Stralen due to illness, over there with the bearer of this letter, and at the same time to record the supplies provided to him, in case his pay account is not at hand, so that he may be debited for them. We

Dutch transcription

1253. Aan als Vooren. den 4 7ber: 1789. De Capitain stoelte zo wil als onsen Equepagie„ meester te Gale scheenen merkelijke beden„ „kingen te draagen of 't schip 't Spaarne, nu de west magt moisson zo verre verloopen is, my gerusthijd de rijze na Bengale Konde onderneemen, we hebbe mits die bij brie„ ven van den 12. deeser waar van extract hier„ neevens gaat, den Bedienden te Gale gelast Om zo wel van den Equpagimeester Abo als de Capitains van de Scheepen den Azend en 't Spaarne, en van den gew: Bengaalse Opperloots van Veen die met 't Spaarne uijtgekoomen is, daar omtrent hun schrij¬ „telijk advies te vraagen. Deese zeekundige hebben bij een bericht, dat in Copij deesen verzeld verklaard, van advies te zijn dat 't Schip, Het spaarne nu niet kan vertrekken, zonder zig aen gevaaren te exponeeren, en dat 't mits dien te gaale, behoord te blijven leggen tot de aanstaende maand December, onse Equipagiemeester Andringa; en de Capitains van de scheepe„ . Aan als Vooren de Zaanstroom en Trinconomale, hebben zig met dat asvies geconformeerd; bij een berig„ dat meede in Copia deesen verseld. Wij hebben derhalven in onse daar over gehou„ „den deliberatie besloten, om over een kom„ stig met de voormelde advijsen, 't schip Het Spaarne tot de maand december te Gale te laaten vertoeven, om als dan de rij„ „se na Bengale voort te zetten, en wij heb„ ben d'eere Uwel Ed:s daar van bij deesen te in„ „formeeren. Wij blijven voor 't overige na vriendelijke Groete /:onderstond:/ e Getekend:/ Als voo„ „ren /:in margiene:/ Colombo den 27. xber: 1739. De Edele Hooge Jndische regeering heeft bij missive van den 17. april J:o Leeden aangeschreeven om eene schik„ „king te maken ter onderhouding van eene gerogelde Correspondentie met de overige kantooren om de west van: Jndia we hebben daarom ter sessie van den 16: oktober J:o L: blijkens ingeslooten extract onzer resolutie, besloo„ 9 „ten, om alle drie maanden, te beginnen met ult:o xber: 1254. xber: aanstaande, aan uwel Edelens een brief te laten afgaan, het zij dat 'er niets te bedeelen, zij waar van het van eenig belang is, dat uwel Ed:s daar van spoe„ „dig zijn geinformeerd, of niet, wijl het ook zelfs zom„ „tijds zijne nuttigheid voor de westersche kantooren hebben kan, onderling van malkanderen te weeten dat 'er niets voorgevallen is Deeze onse brieven zullen worden afgezonden over Tutucorijn met de Engelsche posten beschreeven alleen aan de Heeren Hoofd gebieders, en verzegeld met 't particulier Cachet van den eerst onderge„ „teekenden gouverneur en zullen de brieven voor souratta worden geaddresseerd na Koetsiem met verzoek aan de Heeren Ministers aldaar om de„ „zelve langs den kortsten en bequaamsten weg voort„ te zenden, 't zij over Bombaij dan wel direct na sou„ „ratta. Wij verzoeken uwel Edelens vriendelijk in bedenking te willen neemen, of uwel Ed:ns ter voldoening aan de voorsz: intentie van hunne Hoog Edelheeden niet insgelijks zouden kunnen goed vinden, invoegen voorsz: alle drie maanden een brief aan dit gouvernement te laten afgaan Vermits we met 't schip TainConomale een aanwijzing hebben ontvangen bepaalende de vertrek daagen aan de paket booten bieden wij uwEEEdelens een afschrift Aan als Vooren. afschrift daar van hier nevens aan, met Communicati teffens dat we overeenkomstig daar meede hebben be„ slooten de ceilonsche paket boot op den 1. Maij en 1. 8ber: te depecheeren. En wijl het den geenen, die hunne particuliere brie„ „ven van daar over Ceilon verkiesen te zenden, van nut kan zijn te weeten de schikkingen die we daar omtrend, voor dit gouvernement hebben ge„ „maakt, voegen wij nog hier bij een afschrift van 't project daar toe bij voorsz: onse resolutie gear„ „resteerd. wij blijven voor het overige na vriendelijke groete /:on derstond en geteekend:/ Als vooren /:in margine:/ kolombo den 3. 9ber: 1789. /:Lager:/ P: S: wij bieder uwel Ed:ns hier nevens nog aan het duplicaat van onsen brief van den 27. xber: j:o Leeden en een brief met het schip Trinkonomale uijt het vaderland voor uwel Ed: ontvangen 'T schip 't spaarne eerst daags van gale zullende ver„ „trekken, om de reize na uwer wel Ed:e directie te volbrengen, zoo rigten we deezen ten geleide van 't zelve: Nopens de vertimmeringen, reparatien, en verstrek kingen, die aan deezen bodem te gale zijn gedaan, refereeren wij 1255. wij ons aan de ingekoomene rapporten; van de expresse gecommitteerdens, die 't schip en dies tuijg en zijlen hebben gevisiteerd en aan de beeedigde verklaringen van de scheeps overheeden zelve, welke in Copia onder de bijlagen overgaan, met de afschriften van de resolutien, door de gaalse bedienden, den 12. en 15. xber: J:o L: daar op genoomen. wijl dit schip eene verstrekking van provisien nodig had, hebben de overheeden te gale verandwoording gedaan, van hunne consumtie op de uijtreize Deeze reekening is geexamineerd, en't daar van ingekoomen berigt is g'insereerd in de gaalsche resolutie van den 8. deezer, die door ons geapprobeerd is, en in Copia hier nevens gaat. De in Nederland ontvangene provisien, tot consumtie op de t' huijs reize, hebben we binnen boord laten blijven. wij hebben den bedienden te gale gelast, om den trompot„ „ter Francois gabriel granier, die mits ziekte van 't schip Straalen voorleeden Jaar aldaar is te rug gebleeven, met brenger deezes na derwaards te zenden, en teffens aantereekenen de verstrek„ „kingen aan hem gedaan, indien zijne zoldij reeke„ „ning niet aan handen is, om daar voor te kunnen worden belast. wij

← previousnext →