VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3864

Japan · 1,440 pages · 285 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3864_0424 view scan ↗

English

would dam up the river to prevent entry, that the people of Oudjier were following that advice and were busy with it. The undersigned, thinking to take advantage of this report and wishing not to waste a single moment uselessly, immediately convened a meeting and decided that very same night to attack with the five Ambonese cruising orembaais the negorijs of Dammen and Vangabel, situated half an hour from each other. This then being resolved, and the Alfoors who were present having offered to accompany the undersigned, they thereupon hoisted the red standard of the pantjalling De Oppas, upon which the Alfoors of Holla, Tenggan, Marierie, and Timortafja likewise displayed their customary war emblems. After the undersigned had now set the necessary orders, provided the orembaais with some soldiers from the pantjallings, and entrusted the command over all the large vessels, which he deemed better to remain behind since they could be of no service, to the sworn scribe Leunissen and the military ensign Clements, I boarded on Friday night at two o'clock the cruising orembaai of the Hila orang kaya Ceijt, being accompanied by the other four orembaais of Wakasieuw, Toelehoe, Booij, and Chamahoe, along with another 16 Alfoor sabieres, the armed boats of the pantjallings De Oppas, De Willem, Jonge Jan, and of the chaloups De Lonthoir and De Draek, commanded by the military ensign Lange, the ensign of the sepoys Abdul Karim, the lieutenant of artillery De Groot, the navy lieutenant Jan Jansen, and the lieutenant of marines Anthonij Boode. Due to the heavy current we did not arrive in sight of the negorij Samme before the morning at sunrise, whereby those people discovered us. Shortly thereafter, I saw three large orembaais of Samma, crammed with people, push off and take flight behind Oudjier. I immediately commanded Ensign Lange, with four cruising orembaais, three armed boats, and ten sabieres, to give chase and pursue them, but owing to their speed they could not overtake them before they had landed on the beach behind Oudjier, where they had erected some huts to store their goods which they were successively bringing over from Samma and Vangabel. Here they made a stand and fired violently at our men from the scrub with rantakas and muskets, but after the throwing of four grenades from the coehorns and the fire of the one-pounder pieces of the armed boats and orembaais, they had to take flight inland into the woods, having, besides some of their Alfoors, according to the report received afterwards, also lost two of their chiefs, namely Jassa and Jaron, both from Samme. On our side, no one was wounded or killed. The goods, consisting of some household furniture and ironwork, were looted or smashed to pieces by the Alfoors. Meanwhile, the undersigned with the cruising orembaai of Ceijt, two armed boats, and six sabieres had anchored before the negorij Samme, and after throwing some grenades into it, the undersigned landed, whereupon, with the sepoys and some volunteers, he searched everything all around the negorij, but found nothing, as the remaining people of Samme had fled into the woods and could not be caught. Thereupon I had the negorij, consisting of 19 large houses, of which 11 had stone foundations, and among them the large raised house of the notorious Bol-Bol, two Moorish temples, being one large and one small, along with some small houses, all laid in ashes, had their erected benting and entrenchments overthrown, and everything ruined. After this was accomplished, I sent a detachment of my men under Navy Lieutenant Janssen and the orang kaya Harmens to the negorij Vangabel, situated half an hour from there, and negorij Lama on Wokkum, where the inhabitants had likewise taken flight. In the first negorij they set fire to eight houses and a temple, besides the small houses, and in the latter to a large house and a temple. Everywhere they found well-constructed bentings, which would have made our landing difficult had they held their ground, for the reason that due to the far-projecting reef, at the slightest fall of the water we could not come close to shore with the cruising orembaais, and everything had to be done with small orembaais and boats. However, it appeared clearly that they had not expected us, and upon the first discovery certainly imagined that we were arriving with our entire force, for in their houses one found the pot on the fire, and their sleeping places only just vacated.

Dutch transcription

in het zelvier toedaammen soude om het in komen te beletten, dat de oudjereese die raad op volgde en daar meede besig waren. De teekenaar met dit berigt denkende voordeelte doen, en geen oogenblik nutteloor willende verspallen belegde direct vergadering en besloot nog deselve nagt met de vijf ambonse kruis orembaijen de negorijen van Dammen en Vangabel een halff uur van den anderen gelegen te attacqueeren dit dan vastgestelt sijnde, en't aanwesende alphoeren, sig aangeboden hebbende, den teekenaar te versellen, heyjsden hier op de roode Standaard van de pantjalling de oppas, waar op de alphoeken van holla, tenggan, marierie, en timortafja mede haar gewone krijgsteekend vertoonden, na dat nu den teekenaar de noodige ordre bepaelt, de orembrijsm eenige militairen van de Pantjallings verstrekt, en het Commando over al de groote vaartuigen die oordeelde beter te sijn van te blijven, dewijl van geen dienst konde sijn, aan dem gesan schriba Leunissen en den vaandrig militair Cle „ments opgedragen te hebben, begaf ik mij op vrijdag nagt om twee uuren aan boord van de kruis orembaaij van den hilas orangkaaij Ceijt, door de andere vier orambaaijs van wakasieuw, toelehoe, booij, en Chamahoe verselt wordende, benevens nog 16: alphoerese Sabieren, de gewapende schuiten van de Pantjallings de oppas de Willem, Ionge Ian en van de Chialoupen d' Lonthoir en de Draek gecommandeert door de vaandrig mil „tair Langi de vaandrig der Sipaijers Abdul karim, den Luitenant der Arthillerij de Groot, den Luitenant ter See Ian Iansen, en den Luitenant der Marijnen Anthonij Boode door de Swaare stroon kanamen niets voor des Smorgens met het op gaen der sonne in het gesigt d negorij Samme, waar door die volkeren ons ontdek ten sage, kort daar op drie groote orembaaijs van Samma op gepropt met volk afsteeken ende vlugt na agter oudjier nemen, Commandeerde direct den vaendrig Lange met vier kruis orembaijen drie gewapende schuiten, en tien Sabieren Jagt op deselve te maeken, en te vervolgen, dog konden door hunne smelheijd deselve niet eerder agterhalen, voor dat sij op het strand, agter oudjier geland=-waren, als „waar Sij eenige hulten op geregt hadde, om hunne goederen die Sij sulcessief van 83 van Sammer en Vangabel overbragten, te bergen, hier hulden sij stund, en vururden uijt het kreupel bosch met rantakken en Geweeren geweldig op den onse, maar moesten na het werpen van vier granaten uit den Cats Coppeij en het vuur den een ponder stukken der gewapende schuiten en orembaaijs de vlugt nemen boswaard in heblende buijten eenige hunner alphoeren volgen het rapport naderhand bekomen, nog twee hunner hoofden verloren als Jassa en Iaron beijde van Sammen, sijnde van onse sijde niemand gequest of gesneuveld wordende de goederen in eenige huijsraad en ijser werken bestaende door de alphoereesen ge„ „rooft of stuk geslaegen, intusschen was den teekenaar met de kruijs orem„ „baaij van Ceijt, twee gewapende schuiten, en ses Tabieren door de negorij Sam„ „me ten anker gegaen en na eenige gianaten in deselve geworpen, lande den teekenaar, waer op met de Sipaijers en Eenige vrij willige romtom de nego„ „rij alles door sogten dog niets gevonden, alsoo de overgebleeven Sammeneesen in het bosch gevlugt en niet te agter halen waren, hier op heb ik de nego„ „rij bestaende in 19: groote huisen waer van 11 met steene voeten, en daar onder het groot verheven huis van den berugten bol=bol, twee moorse tempels sijn, „de een groote en een klijne, nevens eenige klijnen kruisjes alle inde asse gelegt liet, hunne op geregte benting en verschansinge om verre werpen, en alles ruineeren na dit verrigt was, sond ik geen gedeelte van mijn volk onder den lustenant ter Zee Janssen en den orangkaaij Harmens, na de een half uur van daar gelegene ngorij vangabel en negorij lama op wok„ „kum, waer de inwoonders meder op de vlugt getogen waren, staken, op de eer„ „ste negorij agthuisen en een tempel behalven de klijne huisjes, en in de laeste een groote huis en een tempel in de brand, vonden over al wel aangelegde ben„ „tings, die ons de landing moeijlijk soude gemaekt hebben in dien Sij staande waren gebleven, om reden wij door het veruits tekende Ris, bij de minste valling van het water met de kruijs orembaaijs niet na aan de wal konden ko„ „men, en alles met klijne orembaaijen en schuiten moets geschieden, dog het bliek duijdelijk dat sij ons niet verwagt hadden, en bij de eerste ontdekking se „ker sig verbeeld hebben, dat wij met de geheele magt aankwamen, want men vond in hunne huisen de pot te vuur, en hunne slaap plaatsen nog pas verlaten,

NL-HaNA_1.04.02_3864_0426 view scan ↗

English

and everything in confusion, of which the Alfur people availed themselves quite well. After Ensign Lange with the remaining orembaais etc. had rejoined the writer, finding nothing more to accomplish here and very well pleased with this outcome, yet not deeming it advisable to await with a small force the Oudjier people, who had certainly been requested by the Goram people for assistance, the writer departed again for the rest of the fleet behind Wammer, where they arrived that same evening at 6 o'clock without the slightest loss or damage. The writer did not deliberate long, all the more because the weather appeared so favorable and, through this successful raid, notable confusion must now exist among the enemy. Thus, on Sunday the 3rd of March, he notified the officers and commanders of the vessels and ordered everything to be made ready for departure to Oudjier, and that the pantjalling de Willem, upon which the writer would embark, alongside the pantjalling het Gedult, the small chaloup de Jonge Jan, the five Ambonese cruising orembaais, the cruising orembaai Poelo-Ay, and 40 salibers of the native peoples of Wammer, Maykor, Timor, Tassa, Wannabay, Tabelingan, Holla, Maririe, and Langgan, as soon as the current served, should proceed ahead to Dobbo, while the writer, who still had some business to attend to, would follow with a small vessel, having thereupon the ensign of the writer's pantjalling de Oppas transferred to the Jonge Willem. Whereupon, towards 11 o'clock in the forenoon, they drifted down to Dobbo, while the writer left his pantjalling de Oppas, alongside the chaloup Lonthoir and de Draak, behind Wammer under the command of the sworn clerk Leunissen, with orders to proceed also to Dobbo the following day and from there to go to Clappa Daa to keep watch there, and to remain there until my further orders in case I should need them because of Oudjier, and in case they could not hold out there against an upcoming west wind, then to return again to the previous anchorage. This precaution being taken by me so that, in case my design should not succeed and a retreat should become necessary, the cruising orembaais, then having to depart first, could not possibly put to sea like the large vessels, but would seek a hiding place along the shore, and then safely proceed to the vessels still present there and be protected by them, whereas otherwise, being pursued by the Oudjier people, they would have brought the writer into great difficulty if they ever had to put to sea, just as the said precaution proved not to be unfounded in the event. Just after noon, two Christians who had fled from Oudjier, namely Gerrit Barend and Jacob Barends, arrived again, bringing news that no Goram people were at Oudjier yet, but were expected daily. This strengthened the writer all the more in his intention that, if his orders were executed well, a good advantage would be obtained. At five o'clock in the evening came five salibers with the orangkaya of Wattelee and another 200 heads, bringing to the writer three heads severed only two days ago from the people of the negorij of Confanie, who conspire with the Oudjier people. These were ordered by them to be set on stakes after they had been presented with gifts for this, and they offered to the writer to accompany him to Oudjier, as thirty of their vessels were already cruising behind that island for the emerging Oudjier people, the entire hinterland being already known regarding the burning of the negorijs Samme, Pangabel, and Negorij Lamma. After having departed from behind Wammer for Dobbo at six o'clock in the evening with a small vessel, I arrived at Dobbo at nine o'clock, where I transferred to the pantjalling de Willem, and at 1 o'clock at night made the signal to set sail, setting course along the coast of Wokkum towards Oudjier, hoping to arrive there towards daybreak. But due to calms and counter-currents, I did not come to anchor before the river of Oudjier until the following day, the 9th of March, in the afternoon at three o'clock, the other vessels arriving there no earlier than towards sunset. I immediately set out in a boat to row along the shore in order to choose a good landing place, and at the same time had soundings taken along the reef to get as close as possible to the shore.

Dutch transcription

en alles door den anderen, waar van de alphoeren sig vrij wel bediend hebben, na dat nu den Vandrig Lange met de overige orembaaijs &=a weder bij den teekenaar sig vervoegt, hier niets meer te verrigten; en over deese uitslap seer wel te vreeden, dog niet geraden vindende, om den oudgerees door de Hammereesen zeeker om hulp Paodude versogt worden, met een klijne magt afte wagten, vertrok den teekenaar weder na de overige vloot agter wanneer, alwaar dien selijde avond om 6: uuren sonder het min„ „ste verlies off schade aankwamen. Den teekenaar berade sig niet lang te meer door het weer soo gunstig scheen en er nu door dit wel gelukte deesse in notoir een Confissie onder de vijand moest plaets vinden, dus op sondag den 3: Muart de officieren en hoofden der Vaartuijgen te kennen gaf, en orderneerden, on alles ter vertrek na oudjier gereed te makn, en dat de Pantjalling de Willem waar op den teekenaar sig soude begeven nevens de pantjalling het gedult, het Chialoupje de Jonge Ian, de vijf am„ „bonse kruijst orembaags de kruijs orembaeij Poelo-Aij en 40. Sabieren van de lands volkeren, van wammer, Maijkor timor tassa, wannabaij Tabelingan, holla Maririe, en langgan Soodra de Stroom diende sig voor uijt na dobbe soude begeven sullende den teekemnaar die nog eenige saken te ver„ „rigten hadde met een klijn vaartuijg volgen, latende daar op het vaandee van des teekenders pantjalling de oppas na de Jonge Willem over brengen, waar op sij teegens 11. uuren inde voor middag afsakte na dobbe, terwijl de Pantjalling van den teekendar de oppas nevens de Chialoupe, Lonthoir en de draak onder Commando van den Gesw: schrieba Leunissen agter Wammer liet verblijven met ordre om daags daar aan meede na dobbo en van daar sig na Clappa daa te begeven, ome daar brand wagt te houden, En daar te verblyven tot mijne nadere ordre in Cas ik deselve door oudjier mogte benodigt sijn en ingeval bij opko„ „mende weste wind daer niet konde uithouden, als dan weder na de voriger anker plaets begeven, deese precautie door mij genomen wordende om inge„ „valle mijn voornemen niet mogt reusseren, en dat een retraite moest het gevolg worden, de krus, oriembaaijen als dan het eerste moetende vertrek„ „ken 85 „ken onmogelijk gelijk de groote vaartuijgen see konde kiesen, maar langs de wal een schuilplaets soeken, en als dan sig vijlig naar de nog aldaar synde vaartuigen begeven, en van hun beschermt worden, daar sij anders van de oudje„ „reese nagejaagt, den teekenaar ingeval sij Eens moesten see kiesen en groote on„ „gelegentheid soude gebragt hebben, gelijk gemelde voorsorge bij de uitkomst niet ongegrond geweest is even na de middag weder twee van oudjier Ge„ „droste Christinen en naame Gerrit barend, en Jacob Barends aankomende, tij„ „ding brengende dat nog geene Gorammers te oudjeer waren, maar dage„ „lijk verwagt wierden, sterkte sulks dan teekenaar soo veel te meer in sijn voornemen, dat wanneer sijne ordres wel uitgevoerd wierde goed voor deel te behalen soude sijne, om vijf uuren des avonds kwamen vijf salieren met den orangkaaij van Wattelee en nog 200: koppen brengende aen den teekenaar drie eerst over twee daagen afgeslagen Coppen van het negorijs volk van Con„ „fanie, die met de oud jereesen samen pannen, lieten door hun op staken stellen na dat deselve hier voor beschonken waren, en den teekenaar aangebode, om mede na oudsier te versellen, daar reeds dertig van hun vaartuigen, agter dat Eijland kruijsten op de uit komende oudjereesen, alsoo het geheele agterland reeds bekend was, het verbranden der negorijen Samme, pangabel en negorij lamma. Na den om ses uuren des avonds van agter wammer met een klijn vaar „tuig na dobbo te zijn vertrokken, arriveerde om negen uuren te dobbo al„ „waar ik op de pantjalling de willem overstapten en om 1 uuren des nagts seijn van anderseijl te gaen maekten Cours stellende, langs de wal van Wokkum na oudjier hopende tegen den dag daar te sullen aankomen, dog door stillen en tegen„ „stroom kwamt, niet eerder dan des anderen daags den 9: maert snamiddags om drie uuren voor de revier oudgier ten anker komende de andere vaartui„ „gen niet eerder dan tegen sonme ondergang aldaar aan, begaf mij direct in een schuit omlangs de wal te roeijen, ten Eijnde een goede plaets ter landing uit te keusi, en liet tefens langs het rijs looden, om soo val mogelijk nader aan de wal

NL-HaNA_1.04.02_3864_0428 view scan ↗

English

approaching the shore found that the Oudjeraesan had filled the entire river with a double row of stakes loaded with stones, except for a very small opening covered by the bentings and temple, so that passage for our orembaaien was blocked; that a bar lay before the river, which notoriously had to increase because of that damming, whereby the pantjallings, on that side of the river where the village temple lies exposed to view, could not be reached by the large vessels, whereas on the other side of the river, though we were quite close to shore, the village temple is covered by a small wood of casuarina trees. We cast our grapnels close to the river at about two fathoms of water, saw the natives jumping on the beach out of range of our artillery with bow and arrow, fired some shots at them as well as into the scrub, in which we saw continuous movement. We could not discern ten feet of the white beach, as they had certainly allowed everything to become densely overgrown a considerable time beforehand. Indeed, of the entire village one could see nothing but the roofs of some houses, and the banks of the river were fortified from the mouth right and left up to the village temple, behind which the Oudjareesen sat entrenched, sticking out nothing but their heads now and then. As it was now already evening and too late to undertake anything, I issued the necessary orders to land early the following day. We heard the enemy chopping wood all night and making a great shouting, while now and then a shot was fired from the pantjallings toward the side whence the noise came, whereupon it then remained quiet for a while. Tuesday the 10th of March toward six o'clock in the morning everything was put in complete readiness, the command having been assigned to Ensign Lange, the landing being about to take place with the following men: Ensign Lange Extraordinary Lieutenant of Artillery D Groot Ensign Clements 87 Ensign of the Sepoys Abdul Karim 2 Sergeants 4 Corporals Ambonese 70 Privates 1 Sergeant 3 Corporals Sepoys 23 Privates 26 Volunteers, both European and other sailors from the vessels 80 Men of the Ambonese cruising orembaaien, provided with firearms as well as shields and klewangs. Ordered the five Ambonese and the cruising orembaaij Pulo Ai to post themselves right and left on the river, just as the draftsman in the middle before the mouth of the river would cover the landing; further, the armed chaloupes, provided with a 1-pounder gun and some firearms, under command of the Navy Lieutenant Arij Bornikhof Jansz and the quartermasters of the other pantjallings, to set the men ashore, and then remain lying in deep water under cover of the orembaaien; while the pantjallings De Geduld and De Jonge Jan south of the river were brought close under the shore, in order to guard the beach and cover the men should the Oudjareesen make a sally from behind the entrenchments, where one had not the slightest view of the pantjallings because of the densely overgrown scrub. The men having departed from on board and everything being ready to land, on the right side of the river about 80 paces beside the first benting, as one did not dare risk going straight through, for the reason that the enemy had been seen digging and thus one feared pits lined with caltrops. Hereupon the draftsman ordered the march to be beaten and made the signal to attack, upon which a continuous and regular fire from the pantjallings and cruising orembaaien was delivered against the bentings and villages, and the landing took place without any resistance from the enemy. The men having landed and standing formed with their front toward the woods, Ensign Lange divided the men into two parties: half through the trenches with Ensign Clements and Sergeant Wonderling toward the rear of the village, marching with the other half along the beach toward the first benting, being covered by the cannon of the pantjallings that played continuously on that benting and through the mouth of the river onto the village. The enemy still kept quiet, buried in their holes, until our men were abreast of the first benting, when they began to shoot and, after some resistance, abandoned it and retired to the second. Our men, thereby coming into a blind corner somewhat out of range and view of the pantjallings, directly before the large orembaai sheds which were also fortified, were attacked in the most violent manner both from the opposite side of the river and from the second benting, sitting concealed in the scrub, and from which they fired such effective shots without one noticing them before seeing the smoke rise, whereupon they went back again. Lieutenant De Groot was struck first together with a Sepoy and an Ambonese, and shortly thereafter Ensign Lange, first with an iron arrow in the leg and thereafter received a severe shot in the thigh, of which he died a few days later. Hereupon several others were severely wounded and shot dead, and although Ensign Lange, though hardly able to stand any longer, made every effort to have the men hold their ground, it was in vain; nor, though the undersigned, who with the pantjalling was not yet a musket shot from the shore, called out to them and waved the flag, could anything be done. The confusion over the loss of the officers was so great that there was no restraining them; indeed, even the Alfur vessels which, for lack of own men, had been sent ashore, pushed off from land, although some of their own nation [illegible] our men.

Dutch transcription

wale te korten bevonrd dat de oudjeraesan het Geheele Rievier behalven Een Seer klijne opening door de bentings, en tempel beschuit wordende, met een dubbelde reij stokken met steenen op gevult hadden, soo dat de passagie door onse orimbaeijen toe„ „geslorten was, dat er een dif voor het revier lug dat notoir door dien boedaming moest toenemen, waar door de Pantjallings aan die zijde van het rievier waar de negorijen tempel voor het gesigt bloot legt, door de groote vaartuigen niet kon„ „de bereijkt worden, daar aan de andere sijde der rievier, wij wel na aan de wal, dog de negorijen tempel door een klijn bosch van Cosawarie boomen bedeket word, bragten onse dreggen: uijt, digt aan het rievier op Circa twee dadem wa„ „ters sage: de lands volkeren buiten het bereik van ons geschut op het strand met pijl en boog speingen, deden eenige schooten op deselve als ook in het kruipes bos, waar in wij geduurige bewegeng saagen, konden geen 10: voeten vaan het witte strand eek bekennen dewijl Sij seker van een Geruimen tijd bevorens aller digts hadde begroeijen laten, Ia selfs van de geheele negorij konde men niets sien, dan de daken, van Sommige huijse, en de oevers der wievieren waren beschanste van de mond regts en links tot aan de negorijen tempel, waar agter de oud jereesen Sa„ „ten begraven, niet als de koppen nu en dan uit stekende, dewijl het nu reeds avond was, en te laet om iets te onder nemen, gaf ik de nodige ordres uijt omtigen den anderen dag vrolg te landen hoorden daen gantschen magt de vijand hout kappen en een groot geschreeuw maken; wordende nie en den van de Pantjallings een schoot gedaen naar de seijde daar het gerugt van daer kwam; waar op dan sulks voor Een poosstille stond. Dingsdag den 10: Maart Smorgens tegen ses uuden wierd alles in volko„ „men gereed:heijd gebragt, het Commando aan den vaindrig Lange op gedragen hebbende, staande de landing te geschieden, met de volgende manschappen. Den Vaendrig Lange „ Extra ordinais luitenant des Arth: D Groot. „ Vaendrig Clements 87 Den vaendrig der Sipaijers Abdul Karim 2. Sergeants 4 Corporaals i amboneesen 70: Gemeenen, 1 Sergeant, 3: Corporaels „ Sipaijers 23: Gemeene, 26. Vrij willige soo Europeese als andere mattroosen van de vaartuigen 80. maanen van de ambonse kruisorembaaijen soo met geweesen als schild en Clerangs voor sie„ oredineerde de vijf aambonser en de kruis orimbaaij paelo Aij sig regtze links aan het rievier te posteeren gelijk den teekenaar in het midden voor de mond der Rievier de landing soude dekken, voorts de gewapende sluiten der met een 1: ponder stuk, en eenige geweesen voor sien, onder Commando van den luitenant ter See Arij Bornikho:f JIansz, en de quartier meester van de overige pan„ „tjallings, om het volk aan land te setten de voorts onder beschutting der oram„ „baaije op Vloot water te blijven leggen, terwijl de pantjalling de gedult een de Ionge Ian besuiden het rievier digt onder de wal liet korten, om het strand wanneer de ordjereesen van agter de graven mogten uit vallen daar men geen de minste sigt had van de Pantjallings door het digt bewassen kruipel bos, als dan te bewaren en het volk te dekken, het volk van boord vertrokken en aller geraed sijnde om te landen, aen de regtersijde van het revier omtrent 80: schueden besijden de Eerste benting, dewijl men het regt door uijt niet wel dutgde hasordeeren, om reeden men den vijand had sien Graven en dus voors kuilen met voet ongels beset bevreest was, hier op liet den teekenaar de maers slaen, en sien van aan val„ „len doen, waer op eenaan houdent en geregelt vuur uijt de Pantjallings e kuur orembaaij a 1 orembaaijs op de bentings en aiegorijs gedaan wierd, ende landing sondereenige tegen„ „staande van de vijand geschiede, het volk geland, en met het feroort na het Bosch gesangeert staande, verdeelde de Vaindrig Lange het volk en twee partijen als de helft door de graven met de vaendrig Clements, en Seegeant won„ „derling na agter de negorij, marcheerende met de andere helfte langa staand op de eerst benting aan, wordende door het Canon van de pantjal„ „lings dat geduurig op die binting en door de mond van het rievier op de negorij werkte gedekt, de vijand hierd sig vog even stil in sijn holen begraven tot dat ons velk dwaar van de Eerste benting was, waaneer sij begonnen te schieten en na evenige wederstant deselve verlatende; sig na de tweede retireerde oms welk hier door in een kamme bogte eenig sints buiten het bereijk en gesegt van de Pantjallings, Vlak door dare Groote orembaaijs huiden die mede beschanst maren gekomen, zijnde wierden op het allen hevigst soo van de over sijde van het rivier als uit de tmweede benting aangevallen, Sittende in het kreupel bos verborgen, en waar uit Sij sulke isse schoten deden, sonder dat men hun gewaar wierd voor dat men den rook sag opgaen, wanneer sij wedar te rug gingen, wor„ „aande den luitenant de Geoot ten Eersten met een Sipaijer in een ambondes ge„ „troffen en kart daar op den vaandrig Lange, eerst met een ijssere pijl in het bean en daar na een sware schoot en deije ontfing, waer aan hij eenige dagen daar na overladen, hier op nog verscheijde andere Swaer gequest en dood geschooten Sijande, en den vaendrig Lange niet teegenstaande bij na niet meer staende konnende blijven alle moeijt aanwende, om het volk stand te doen houden, was sulk te verges, of den tekenden die met de Pantjalling nog gen sraphaar schoot van de wal hun toe diep met het vaendel Swaeijde, de Confusie over„ het verlues den officieren was sor geoot, dat er geen bedeeren was , Ia selfse den alpehoeken vaet wiend vaartuigen men door gebrek van eijgen, volk aan wal hand: gesche stuken van Land af, schoon van hun Eijge, natie eenige niet ons Volk

NL-HaNA_1.04.02_3864_0431 view scan ↗

English

89 men had gone through the forest behind the settlement, which also caused some to fall into the hands of the Ujir people; the Ujir people, taking advantage of this, jumped out of their hideouts, pursued Ensign Lange into the water, but he was rescued by a boat, after which they cut off the head of the detachment's Lieutenant de Groot, pursuing our men into the water, attempting to seize the boats that were taking in the soldiers who were already swimming, of whom some, already wounded, drowned, and others, helpless, were murdered in the water by the Ujir people; however, two shots having been fired by the pantchiallang De Jonge Jan, which lay above them, without hitting our men who were entangled among the Ujir people, two of their men were struck, whom they dragged into the forest, after which they left the water, and the pantchiallang De Willem provided the opportunity to make them clear the beach; the remaining men under Ensign Clements and Sergeant Wonderling, having now advanced under the coconut trees up to the large wall before the settlement, met with heavy resistance, but could not see ten paces ahead because of the dense brushwood, whereby several were wounded, yet at the same time some of the enemy were seen to fall; Ensign Lange not appearing, and they not being capable of pushing through, they were forced to retreat, bringing their wounded on board with the help of the Alfurs, the Christians of Wammer, Tanggan, Tabelinggan, and Timortasa. After everything was brought to a standstill, the wounded bandaged, and the muster held, the following were found to have fallen: The Extraordinary Lieutenant of Artillery Jacobus Cornelis De Groot of Valjesplaets Hendrik Pieters of Carelskroon, gunner Ian Megjer, common sergeant, volunteer Willem Visser of Hessendorp, corporal Marcus Iacobsz of Ambon, soldier Adolph Pieters of Ambon, soldier Thomas Patimokaaij of Ambon, soldier Pieter Reweling of Menkentor, soldier Ian Beek of Suttphen, soldier Pieter Pauta of Porto, soldier Jsaak Nicolaas of Ambon, soldier Isaak Moses of Brussel, soldier Arnoldus Tahaparij of Akoen, soldier Anthonij Mourit of Ambon, soldier Sig Magumeth, of Surupatnam, sergeant of the sepoys Samma Naik, of Willot, corporal of the sepoys Sig Koesing of Ternawalie, sepoy Anthie of Ternewalie, sepoy Ajapang of Tanjaer, sepoy Kitna of Tanjaer, sepoy Soupen of Nagepatnam, sepoy [illegible] of Nagepatnam, sepoy which twenty-two persons all remained in the hands of the Ujir people and were fatally mistreated by them; only Corporal Willem Visser and Soldier Anthonij Maurits were brought on board from the beach with 65 wounds, and later, it being dark, were cast into the sea; among the severely wounded are Ensign Lange, who died afterwards, Corporal Iohannes Brinkman, three Ambonese, and four sepoys, who all recovered from their wounds. In this unfortunate incident, not only the weapons of the dead and wounded to the number of 36 pieces, but also 11 pieces from some who had to save themselves by swimming, were lost, and in so far as they did not fall into the depths, 91 have certainly fallen into the hands of the Ujir people, amounting together to a total of 47 pieces of small arms. In the afternoon, everything having been put in order again, the missing weapons supplied to the soldiers, and everyone having been strongly exhorted to his duty under the threat that the first person who retreated without orders from the general command would be punished immediately according to the articles of war, in order thereby to prevent all confusion, I held a meeting with the officers and ordered that early tomorrow a new attack should be made in the same manner as my orders had been this morning, without the slightest deviation therefrom, and that the entire force should remain together until such time as a division could be made with good success, since this having been done this morning by Ensign Lange without my orders, though in itself good, can have all too bad consequences if one has no knowledge of the enemy's hiding places, whereas our force being in one place, covered by the large vessels, would cause no confusion; assigning the command to Ensign Clements and Sergeant Wonderling, I intend to observe their actions from close by and give the necessary orders from time to time. That same evening two Christian women of Wammer came over to us, having until now been in servitude among the Ujir people, named Rokamasa and Maria, their husbands' names being Domingos and Noelkalla, who were murdered in the past year when the Ujir people attacked the Company's pantchiallangs behind Wammer; they informed the underwritten that the enemy had very many wounded and several dead, among them two prominent chiefs of Ujir, namely Saleman, and Sabetoe with his son Comteer, brother of the orangkaya Afa, and an abaaij orang tua of Samme, the others being unknown to them, and that there was great confusion in the settlement

Dutch transcription

89 volk door het bosch na agter de negorij gegaen waren, waer door dan ook ee„ „nige in de oudjereesen haarden sijn gevallen, de oudjereesen dit te baat nemen„ „de sprongen uijt hunne holen der volgde den vaendrig lange tot in heet water, maar hij door Een schuit geed wierd, daar na den seltagende lieutenant de Groot hett hoofd afsleende, vervolgende, de ons tot in het water, tragbende sig meester te ma„ „ken van de schurten die de reeds Swemmende militairen in namen, waer van Sommi„ „ge reede sacden gequste verderinken, andere magteloors door de oudjereerdens in het water vermoord wierden, dog door de Pantjalling de Ionge Ian die boven hun lag twee schooten gedaan sijnde, sonder dat hij de onse konde deezen, die onder de oudjereesen verwaerd waren wierden twee der hunne Getroffen, die Sij na het bosch sleepte, waar na sij het water verlieten, en de pantjalling de Willem occagie gaf, om hun het strand te doen ruimen, het overige Volk onder de vaendrig Clements en Sergeant wonderling nu tot onder de Clapper boo„ „men tot door de Groote muur voor de negorij genadert vonden een hevige te„ „ginstant, dog konden door het dig te kruipel, bov geen tien teeden voor uijt sien, waer door verscheijde gequeste kregen, dog teffens eenige van de vijanden Sagen tuijmelen, den vaendrig Lange niet op dagende, en Sij lieden niet bestand om door te dringen, waeren genanrdsaakt te retireeren berengende hunne Gequeste door hulpe der alphoedeesen de Christenen van Wammer, tanggan, Tabelinggan en timortasa aan bood, Na dat aller tot Htilstand gebragt, de gequeste ver bon„ „den en de monsstering gescheed bevond men de volgende gesnreuvelt. De Extra ordinaire Luitenant der Arthillerij Jacobus Cornelis De Groot van valjesplaets „ Carels kroon boschieter Hendrik Pieters Ian Megjer Gem: Sergeant vrijwillige Willem visser van hessendorp Corporaal Marcus Iacobsz „ Ambon Soldaat Adolph Adolph Pieters Van Ambon Soldaat Thomas Patimokaaij „ - _„o _„o Pieter Reweling „ menkentor _„o Ian Beek „ Suttphen _„o Pieter Pauta „ Porto Jsaak Nicolaas „ Ambon _o Isaak Moses „ Brussel _„ Arnoldus Tahaparij „ Akoen _o Anthonij Mourit „ Ambon _o Sig Magumeth, van Surupatnam Sergeant der Sipaijer Samma Naik; - - van willot Corporael der sipaijers Sig Koesing „ Ternawalie Sipaijer Anthie Ajapang - - - - - „ Tanjaer Soupen - - - - - „ Nagepatnam _o „ ternewalie „kitna „ welk twee en twintig persoonen alle in handen der oudjereesen sijn gebleeven ende dordelijke Peer door hun mishandelt, eeniglijk den Corporaal Willem visser en den soldaat Anthonij Maurits. met 65. wonden van het strand aan boord gehaelt, en naderhand donker sijnde in see geworpen, onder de Swaet gegeueste bevind sig den vaerdrig Lange deen naderhand overleeden is, deCopo„ „daal Iohannes Brinkman, drie amboneesen, en vier Sipaijers die aller genesen sijn van hunne quets uuren. bij dit mngelukeig teval sijn miet alleen de wapens den Gesneurvelde an gequeste ten getalle van 36. stuxs, maar nog 11 p„s van eenige die sig doore het Swemmen hebben moeten souveeren verloreng en door Soo verde niet inde diepte, - _o _ _o - - _„o 9t diepte Geraakt sijn seker in handen dier oud jerease, ver vallen bedragende te Samen en getal van 47: p„s Vellen wapens. namiddag alles weeder in ordre gebragt, des ontbreekende wappens aan de militaire. gesupleert en op het sterkte een ieder tot zijn pligt aan gemant hebbende onder bedrijging dat de eerste die sonder Commando van de Generale afmacasch retireerde, op staende voet na de kreijs wetten soude gestraft worden, om hier door alle Confusie voor te komen hier op met de oficieren vergdering beleggende, ontonneerde om morgen vroeg op nieuw een aanwal te doen op deselve wijze als mijne ordres deeser morgen geweest zijn, sonder de minste afwijking van dien en dat de gantsche magt bij den anderen soude blijven tot soo lange als men met goed gevelg en verdee„ „ding konde maken, alsoo sulks sonder mijn ordaer deesen morgen door den vaendrig Lange, geschued was, schoon op sig selfs wel goed, numen van de schuilhoeken van de Vijand Geen kennisse draegt, van al te kwade gevolgen kan zijn, daar onse magt op eene plaets zijnde, door de Georte Vaartuigen besele gedekt, en gen vermar„ „ring baren, dragende het Commando aan den Vaindrig Clements en Sergeant Wonderling op sullende van na bij hun verrigtinge gadeslaan: en van tijd tot tijd de noodige ordies geven, dien selven avond kwamen tow een Christen Vrouwen van wammer tot ons over, tot dus lange bij de oudjereesen dienstbaar ge„ „weest zijnde, in naeme Rokamasa, en Maria sijnde hunne manss„ name Domingos en Noelkalla, in A„o pass=o toen de oudjereesen sComp„s pantijallings agter wammer g'attaqueert hebben vermoord, dewelke de teekenaar berigten dat de Vijand seer Veere gequeste en verscheijde derde hade, daar onder twee voornaeme hoofden van Oudjeer als Saleman en Sabetoe met sijn soon Comteer beorder van den orangkaij Afa en eene abaaij orangtvea van Samme sijnde de andere hun onbekend, dat een Groote Congusie in de negorij 6

NL-HaNA_1.04.02_3864_0434 view scan ↗

English

village had been, their women and children having fallen over the river, that they had even heard that some were drowned, that if our force had been able to stand firm the matter might have turned out better, that the enemy, strengthened by the advantage now obtained through Manosoe under threats of abandoning them, made them promise not to yield to the last man, that besides the constantly inciting peoples of Samme, Vangabel, and Wokkum they were still strong in their Alfoors, numbering 300 heads, that they expected at four o'clock their envoys sent to the coast of Ceram. That all around behind the village and to the side they had covered large holes with loose sand so that if our men should pursue them they would fall into them, that all their vessels lay above the village behind a five-foot stockade so that if they had to flee from the village they could retire thither, where they were safe from heavy artillery. The entire night one heard beating on the tise and gong in the village, and on the horns an Alfoor music, blowing when 24 heads were obtained, and through the forest a great fire was seen shining, whereby we presumed whether they were not burning the European corpses; now and then some shots were fired at the village, wherewith their commotion diminished. Wednesday 11 March at sunrise, everything being in complete readiness to land, the wind south-west with a hazy sky in the north, but very calm, ordered the orembaais to take position to the right and left of the river, and anchored with the pantjalling De Jonge Willem closer to the river between the orembaais in two fathoms of water, in order that as soon as the soldiers partly in front, thereafter the artillery in the middle, and the rest of the soldiers in the rear had landed and taken post, to effect an opening through the Alfoors in the dam of the river, so that the orembaais could fire inland to cover the men marching up that way, further to halt in the middle and by means of the fire-kegs succeed in setting fire to the temple itself. The signal for the attack having been given upon this, and the men already being in the transport vessels, the wind shot from the south-east through the east and north to the north-west, and that with a squall increasing from time to time and a subsequent downpour, being a dead lee shore on the exposed beach, and immediately created a hollow sea; the subscriber, seeing that the landing could have no good outcome, ordered the men to return to their appointed places, which, due to the increasingly rising wind, sea, and fully laden vessels, was accompanied by much difficulty; and since now against all hope and expectation our objective was thwarted, the not yet expired monsoon giving reason to fear that we would again get westerly winds threatening us with the loss of the vessels, he immediately ordered to set sail for Dobbo, to join the other vessels, which was presently done by the pantjallings Het Gedult and De Jonge Jan; but the Ambonese and Pulo-Ay cruising orembaais, lying so close to the shore with the subscriber's pantjalling, had the greatest difficulty, since the shore-ropes lay not a pistol-shot from the beach, to get them into the deep water, which would not yet have succeeded had not the subscriber slipped his shore-ropes, a cable of 9 inches and a warp to which was a grapnel of 300 lb, which lay across the reef, and which it was impossible to heave home both because of the hollow sea and on account of the firing of the enemy, with a heavy buoy upon it, by which the orembaais hauled themselves from the beach until they got clear of the subscriber, whereupon by rowing they finally got under way and made sail; meanwhile the enemy was seen coming in crowds to the beach, with white turbans, leaping with shields and assegais, others again chopping with clemangs on the trees and on the sea water, while one, who was recognized as Manosa, brother of the Tidore rebel Noeko, with a large paddle made all gestures on the sea water, did

Dutch transcription

negerzij was geweest, sijnde huner Vioune en kinderen over het dievier gevel„ dat sij selfs Gehoord hadden, dat eenige verdronken sijn, dat wanneer ons heid kunnen stand houden mogelijk de saek beter soude uet gevallen hebben, da dat de vijand door het voordeel nu behald, door manosoe onder bedrijging van haar ten sullen verlate gesterkt, en doen beloven van tot de Leeste miden nit te zullen wijke, dat Sij buiten den hun steeds meer aan hitsende volkeren d Samme, vangabel, en wokkum in hunne alphooren nog sterk waren tellin 300. koppen, dat sij vien uur tot ulie kun afgesondene met omtsit van Genam „Ceram verwagten — Dat over al agtien de negolije, en ter Sijde Groote Gaten met losand toegedeze hadden, om wanneer ons volk haar mogte vervolgen, daar in te doen val dat alle hunne vaartuigen boven de niegoryj agter Pij Sreede beschanking lagen om wanneer sij uit de negorij moesten vlugten sig aldaar te kunnen retireeren, alwaar sij voor het Groff geschut vijlig varen. den gantsten nagt hoorden men in de negorij op de tise en gong slaen, en op de hoorens een alphoerl: musicq Wanneer 24: Coppen bekomen blasen, en Dagen door het bosch: een groot vuur schijne, waar door wij presumeerden of Sij de Europeese, lijken niet virbrande, delen nue en damn eenige sheten na de negorij waarmele hum gewoel verminderde. woensdag den 11 Maart met som op gan alles ie volkomen Geradheld sijn „de oms te landen, de wond zuid vast met een dijnsigen luigt in het woorden, dog seer stil ordonneerde de orembaaijs regts en links van het rievier te gaan leggen, en ternte met de pantjalling de Jonge Hillem nader aan het rivier, tussen de orembaaijs op twee vaam water schaans, om soodra de militailen gedeeltelijk voor, daar na de arthillerij en het midden, en derest der militairen agter aangeland waren en post gevat, door de alphoeren en opening en 93 de dam van het rievier te beweken, op dat de orembaija na binnen konde schieten om het volk die gaende weg op mariheerde te bedekken, voorts in het midden, halte houden en door midel der brandkergels de tempel sichn in Brand te krijgen. Het teeken van den aanval hier op gedaan, en het volk reeds in de transport Vaar„ „tuijgen sijnde schoot der wind: uijt het Suid ooster door het oosten en noorden na het noord westen en sulkes met Een van tijd tit tijd toenemende parirsen kaeltin en daar op volgende buij, sijnde een Botte lager op het oudjereesen strand, en maakte direct een holle See, de teekenaar siende dat het landen geen goed gevolg konde nemen, or„ „donneerde het volk weder na hun bescheijden plaets te begeven, het geen door de meer en meer toenomende winden see en volgeladene Vaartuijgen met veele moeijte ver„ „seld ging, en wijl nu tegen alle hoop en verwagting ons oogmerk verrijdelt wierd de nog niet verlopene moussen arden van te dugten gaf, dat weder weste winden souden krijgen, die ons met verlies der vaartuijgen drijgden ordineer den direct sijn van onderseijl gaen na dobbo, bij de anderen vaartuijgen het geen op stond door de Pantjallings het Gedult en de Jonge Ian geschiede, dog de ambonise en pold=Aijse kruijs orembaaijs soo na aan de wal met des teekenaars Pantjalling leggende, hadden de grootste moeijte wijl de landtouwen nog geen pistool schoot van strandlage, om hun na het diep te krijgen het geen nog niet gelukt souden hebben, had, den teekenaer sijn landtouwen een Cabeltouw van 9: duim en een paerde lijn, waar aan een dreg van 300. lb: die dwars langs het rislag het geen ommogelijk wasr om te huis te kerigen, soo door de holle see als wegens het schieten van de vijang, met een Iware boeij daar op lieten slippen, en waar op de orambaaijs sig van strand haelden, tot dat vrij van den teekenaar Geraakte Wanneer sij met roeijen Eijndelijk slaags en onder Seijl knamen, intussen sag men de Vijand „in menigte aan strand komen, met witte tubbanden springende met schilden as„ „sagaaij, ander weder met Clemangs op de boomen en op het see water kappenda, wijl eene, die voor manosa, broeder van den tidors rebel Noeko gekent wierd, met een Groote Pagaaij op het see water allen Guiassen maakten, deede

NL-HaNA_1.04.02_3864_0436 view scan ↗

English

upon this fired three grape-shot rounds, whereupon they vanished in an instant and withdrew to a far distance. The undersigned, in the greatest danger, remained lying by for a long time and until all vessels were safe, in order to prevent the Oudjurezen from coming out; yet with great difficulty got under sail and weathered the reef, as the wind was freshening more and veering. Five orembaais fortunately rounded the cape of Toeterfance, and reached the Dobbo roads that very evening. But the undersigned, along with the pantjalling De Gedult, De Jonge Jan, and the cross orembaai of Toelehoe, were drawn by the heavy current into the bay of Oudjeer. The enemy, believing that we would run aground on the reef, ran in crowds to the shore and advanced with five sabieren toward the orembaai of Toelehoe, which had ended up close inshore. However, as it as well as the pantjalling De Jonge Jan made signals, the undersigned bore down before the wind toward them, whereupon they took flight. Meanwhile, by tacking back and forth until approaching the island of Wassier, situated opposite Oudgier, we anchored in 20 fathoms until the current had subsided, when we set sail again. And after two days and nights, on account of calms and south-easterly winds, on 13 March we came to anchor near the fleet behind Wammer, finding that besides the 22 dead, we had sustained another 26 severely as well as lightly wounded. The undersigned, having sufficiently experienced the difficulty of the landing by our men before Oudjier—owing to the heavy bentings, the well-fortified temple, and the entrenching of the Oudjurezen in the woods and along the seashore, the lack of craft to bring artillery ashore, and the little effect that our pantjallings could produce due to the great distance—therefore proposed to construct a kind of raft 32 feet long and 10 feet wide, in order to be able to place some heavy cannon and mortars upon it, and to provide it all around with a benting of planks for the protection of our men. The Amboinese regents, fully agreeing to this, divided this work among themselves at once. The Alfoors who had accompanied us to Oudjier had gone home with their dead and wounded, promising to gather a larger force. We, being thus on our own and unable to obtain the slightest information, ordered everyone to be well on his guard, and had patrols maintained night and day with small proas, as we could learn nothing of the enemy before he was already close at hand. And on account of the cramped space and the discomfort that the wounded suffered on board, we were compelled to bring them under an erected shed on the seashore, protected by a guard, since the Oudjurezen, had they possessed the audacity to land behind Dobbo with craft, could easily have hindered our men who went for water and firewood through the woods. Owing to the falling in action of Lieutenant de Groot and the passing away of Ensign Lange from his wounds, to which was added the illness of Ensign Clements, and it not being suitable to entrust any command of importance to the Ensign of the Sepoys, he being now the only one remaining, the undersigned was thus stripped of officers. As the undersigned had now experienced full proofs of bravery and good conduct in the Amboinese Sergeant Jacob Wonderling and Corporal Jurgen Lappert, the undersigned appointed the former as commanding sergeant and the latter as sergeant over the Sepoys, the Sergeant of the Sepoys having likewise fallen in action, with the recommendation that if they gave further proof of good conduct, they would, upon a safe return to Banda, be proposed to Your Honorable Worships as capable servants, to which recommendation they have fully lived up. For the encouragement of both them and others in similar occurrences, the undersigned requests Your Honorable Worships' favorable consideration with all urgency, as also for the gunner Carel Otto Jacobzoon, who conducted himself very well. Saturday, 28 March, after we had been several days without the least news of one thing or another in great uncertainty as to whether the Alfoors had not deserted us and had perhaps been bribed by the Oudjereeten, the entire fleet of the inland Alfoors, consisting of 116 sabieren and orembaais, arrived

Dutch transcription

deren hier op drie schoten met druiven waar op en een oogen blik verdwentig en sig op ee veere afstand begaven den teekenaar tot dua lange, en tot alder vaartuijgen vijlig waren miet her Grootste gevaer blijvende leggen, om de oudjureese het uitkomen ten belette; geraakt nog ee„ dog met giante moeijte onderseijl, en boven het nijf also de mind meer toenamen sechaaalde wierd, vijf orembraijs kesramen gelukkig de hoek van toeterfance te boven, en dien avond nog ter reede dobbod, dog den teekmadre inoen de Pantjalling de Gedult de Ionge Ian, en kruijs orembaaij van toelehoe, wierden door de Swaare Stroom in de bogt van oudjeer getrokken, de Vijand, meerende dat wij op het rif souden raeken, lhipen in meenigte aan strand, en kwamen met vijf Sabieren na de orembaai van toelehoe, die digt onder de wal Geraakt was, dog deselve als ook de de Pan„ „tjalling de Jonge Ian sein doende, mende den teekenaar voor de wind na hun toe, waar op sij de Vlugt namen, in tussen met over en weder houden tot hel tegen over oudgier, leggende Eijland wassier genadert, gingen op 20: vadem ten anker tit dat de stroom afgeloopen was, wanneer wij weder onder sigl gingen, en na twee etmalen door stille en suid ooste winden op den 13: Maart bij de vloot agters wammer ten anker kwamen bevindende dat buiten de 22: soo „de, nog 26. soo swaer als ligte gequeste bekomen hadden.. Den Teekenaer Genoegsaam ervaren hebbende de moeijsaamheijd der lan„ „ding, door ons Volk voor oudjier, door de Swaere bentings, de wel versterkte tempel en het Beglaven der oudgereesen in de bossen en aan Seestrand, het gebrek aan vaartuijgen om geschut aan wal te brengen, en het weinig effect dat ons pan„ „tjallings konde doen, door de verre afstand, dierhalven perponeerde om Een Sort van vloot te maken lang 32: en breed 10. voeten ten Eijnde eenig Swaa Canon en mot„ „tieren daar op te kunnen plaetsen en rontom met Een benting van planken, tot dek„ „king van ons volk te vorasie, de ambonse regenten hier in volkomen toestemmen de verdeelde dit werk disect onder hun de alphoeren die met ons na oudjier waren geweest met hun dooden en gequeste na huijs gegaen, met belofte om 95 om meerder magt bij een ter soeken; wij dus alleenig en geen de minste narigt kunnende bekomende, ordonneerde een ieder wel op zijn hoede te sijn, en liet nagt en dag paticulleerde met klijver prauwen, alsoo wij van de vijand voor dat reeds digte bij was niets konder verneemen, en men om de weinige ruimte a het onge„ „mak dat de gequeste aan boord leden, genoodsaakt was deselve onder een opgesla„ „ge hiet aan Seestrand met Een wagt gedekt te brengen, alsoo de oudjereesen wanneer sij de hardiesse hadden om met vaartuigen agter dobbo te landen door het bosch gemakkelijk oms Volk die om water en brand hout gingen konde kinderen. door het Sneuvelen van den luitenant de Groot en de aan sijn wonde over„ „leede Vaandrig Lange, hier bij gevoegte de stichte van den vaandrig Clements, en het niet Geneden was om eenig Comando van Gewigt aan den Vaendrig den Sipar„ „ijers, als nog de eenigste sijnde te kunnen toe vertrouwen, dus de leekenaar van ofsiciers ontbloot, daar den teekenaar nu volkomen bewijzen van dapper„ „heijd en goed belijd in den Ambons sergeant Iacob Wonderling en den Cor„ „poraal Jurgen lappert had onder vonden heeft ven tuekenaar den eagten alls Commandeerende Sergeant, en de laeste als Sergeant over de Sipaijers aangestelt, als zijnde Sergeant der Sipaijers mede gesneuvelt, met recom„ „mandatie wanneer sij verde preuve van een goed beleijd gaven, bij behoude terzug komst op barda als bequame dienaren bij uwelEd: Agtb: te sullen voordragen, en aan welke recommandatie sij lieden ten vollen voldaan, den tee„ „kenaar ter aanmoedigeing soo van hun, als andere in diergelijke voorvallen uwelEd: Agtb: gunstige reflegie met alle aandrang is versoekende als ook mede voor de sig seer wel gedragen hebbende Constabel Carel otto Iacob zoon. Saturdag den 28: Maart na dat wij verscheide dagen sonder de min„ „ste tijding van het een of andere in groote onsekerheijd, of de alphoeren ons niet verlaten, en mogelijk door de oudjereeten omgekogt waren, kwam de ge„ „heele vloot der agter landse alphoeren uijt 116 Sabieren en rembaaijs bestaen„ „de

NL-HaNA_1.04.02_3864_0438 view scan ↗

English

to appear, being on average 20 men strong each, as follows: The Cabberoors from 8 settlements, 60 vessels from Warkaij 3 vessels, 22 men wattelee and Coemoel 3 vessels, 18 men timortaja Colla and Radjiena 3 vessels, 10 men Marierie and Coba 3 vessels, 6 men As soon as they began to approach us, the undersigned prepared himself in case of any treacherous attack, and sent the orangkaij of Wokkum out to meet them, in order to inquire about the reason for their coming, who shortly thereafter came on board with several of their chiefs, who, after having paid their respects according to the customs of the country, offered the undersigned their assistance toward the extermination of the oudjereesen, by whom they had now been miserably plagued for nearly three years with the help of the Gorammers and Cerammers, stating that they were in the greatest distress, since the oudgereesen, unable to overtake them, spoiled their gardens and incited one settlement against the other; that they had offered them fair words, but were refused; that those of warkaij, lying as if on an island where they are daily exposed to the wanton violence of the oudgereesen, were indeed forced to comply with the oudjereesen now and then in order to preserve their lives and those of their wives and children, but that they had longed for the arrival of the Hon. Company, and would always remain faithful to the same; that if the undersigned should have the good fortune to drive the oudgereesen out of the settlement, whichever way they might flee, the undersigned could be assured that in whatever corners, rivers, or thickets they might nestle themselves, they would seek them out and deliver them up, since throughout all arou, outside their settlement, they were not safe; yea, not even among their own Alfoors who follow them out of fear, but as soon as they are driven out of their stronghold, they will even deliver them up themselves, since they would gladly come over to the Hon. Company, but the collected Alfoors declared that as they were not provided with any firearms and also had no knowledge of their handling, though ten times stronger than the oudgereesen, they would nonetheless always remain the weaker party, since they could not come within range with their bows and arrows and were always kept back by their guns; but if they were forced to take flight from here and betake themselves to the rivers, where no European power can overtake them, they bound themselves all together to exterminate them to the last man, and that if the undersigned should not succeed in his intention for the present and return to Banda to fetch greater forces, they, the Alfoors, would then continuously hem them in, block the passages to the interior, and wherever they saw a good opportunity, seek to gain an advantage, principally to disturb the Alfoor settlements that follow the oudjereesen, so as to pull them away from them by force, the more so now that the undersigned, according to the customs of the country, has bought all the inland settlements, and they during the oudgereesen disturbances were also obliged, and promised at the first summons to be ready with all their people to assist, just as, for the assurance and confirmation thereof, the oath was taken by their chiefs, consisting of a few drops of blood of the undersigned placed into some drink, and likewise in turn from their people, after which, amid the chanting of some Aruese words and unanimous shouting, that of the undersigned was drunk by their people, and that of theirs was drunk by the orangkaij of wokkum on behalf of the Hon. Company; and after they made known their great distress of not having the least provisions, the undersigned was compelled, as long as they were present, to provide them daily, calculated at 1½ lb of rice per man per day, which already from the beginning of his arrival he had had to do for those departing and arriving daily, while all the native peoples declared that if the Hon. Company did not rescue them from their distress, they, despite living in good hope, having already had to endure the utmost, would finally be forced to submit to the oudjereesen

Dutch transcription

„de op dagen, zijnde door den anderen 20: Coppin sterk als. De Cabberoors uit 8: negorijen 60: vaartuijgen van Warkaij 3: _„o 22:— wattelee en Coemoel. . 3: _„ 18: timortaja Colla en Radjiena 3: _„o 10: Marierie en Coba 3: _„ 6: — soo dia sij ons begonden te naderen, maakten den teekenaar sig gereed in Cas van Eenige verradelijke aanval, en sond den orangkaij van Wokkum hun te gemoet, om de reden van hun komst afte vragen, die kort daar op met eenige hun„ „ner hoofden aan boord kwam dewelke na slands wijse hunne eerbewijsingen gedaan te hebbe, den teekenaar hunne hulpe aanbode ter uijtraeijing van de oudjereesen van mien Sij nu bij na drie Jaren met behulp der Gorammers en Cerammers elendig geplaagt waaren, dat Sij in de Gerotste nood waren, al„ „soo de oudgereesen hun niet kunnende agterhale, hunne doe sous verdieren, en der eene negotij tegen de andere op histe; dat sij hun aangeboden hadden om moot„ „ste woorden, dog afgeslagen, dat die van warkaij als op een Eijland leggende, waar sij dagelijks bloot leggen aan de moed wil der oudgereesen, om hun leven en dat hunner vrouwen en kinderen, te behouden wel genoodsaakt waren de oudjereesen nu en dan te wille sijn, dog dat sij met verlangen na, de komst van dE: Comp: gewagt, en deselve altoos Getrouw soude blijven dat wanneer den teekenaar het geluk mogt hebben om de oudjereesen uijt de negorij te verjagen, al na men sij ook de vlugt den teekenaar ver„ „sekert kan zijn; dat sij deselve in wat hoeken, die vieren of bosshagien sig ook mogte nestelen, soude op soeken en overleveren, alsoo sij op gants arou buiten hun negorij, niet seker waren; Ja selfs niet bij hun eijgen alphoeren die hun uijt drees volgen, dog soo dra sij uit hun sterk te ver„ „jaagt worden selfs sullen overleveren, dewijl gaarn bij dE Comp: soude willen „ - „o 97 willen overkomen, dog beluigden de gesamentlijke alphoeren dat daar sij van geen vuur wapenen voorsien, ook van dies behandeling geen kennisse hebbende, schoon tien„ „maal sterker van de oudgereesen egter altoos de Swakste partij soude blijven„ dewijl sij door dien met hun pijlen en boogen niet onder hun bereijk konde komen door hunne geweeren altois te rug gehoerden worden, dog uit oudhier de vlugt moe„ „tende nemen en sig na de rievieren begevende, waar Geen Europeese magt hun kan agterhalen, verbonden sij sig alle te saamen om, hun tot de laaste maan uit te roeijen, en dat wanneer den teekenaar voor het tegenwoordige in sijn voornen niet mogt reusseeren na Banda te rugkeeren om meerder magt te halen, sy alphoeren hun dan Continueelijk soude in sluiten, de passagien na agterland belette, en waar sij een goede kans sagen, hun voordeel tragten te doen, principaal de alphoereese negorijen die de oudjereesen volgen te ont„ „ruste, om hun met geweld van hun afte trekken, te meer nu door den teekemaar naer slands wrijse alle de agterlandse negorijen gekogt, en sij geduu„ „rende de oudgereesen inlusten ook verpligt, en beloofde bij de eerste ont„ „bieding met alle hunne volkeren ter hulpe gereed te sijn gelijk dien ook lot versekering en bevestiging van dien door hun hoofden de eed werd gedaen, bestaan, „de in eenige drappelen bloed- van den teikenaar in eenige drank gedaan, en dusdanig ook weder van hun lieden, waar na onder opsig ging van Leni„ „ge arouneese woorden en een parig Geschrieuw dat van den teekenaar door hun lieden, en het helme door den orangkaij van wokkum voor d' E: Comp: nErd ingedronken, en na dien sij hunne Groote nood te kunnen gaven van Gean de minste teer kost te hebben was den teekenaar genoodsaakt hun dagelijks soo lang sij aanwesig waren te voorsien de man tegen 1½ lb: Rijst daags gerekent, het geen reeds van den beginnen sijner komst, aan de dagelijks af een aankomende had moeten doen, terwijl al de lands vol„ „keren verklaarden, dat soo wanneer d'E: Comp hun niet uit den nood red„ „de, Sij niet tegenstaande in de Goede hoop levende het uitterste reeds had den moeten door staan eijndelijks genoodsaekt souden sijn om de oud jereesen

NL-HaNA_1.04.02_3864_0440 view scan ↗

English

to follow and to tolerate Ceram traders in their village in order to be provided with the necessary provisions, since they had now suffered a total lack of everything for more than three years due to the halted trade of the Banda burghers, but that, to show they did not do this merely out of defiance, they would still wait this year to keep it going, going here and there to roast in such villages belonging to the Oudjier people. After the agreement with the hinterlanders had now been completely concluded, they requested, as the undersigned could accomplish nothing due to the fierce west wind, permission to make a hunting party, which was granted to them. Thereupon they departed on Sunday evening the 29: March, numbering 110: vessels, to the rear of Oudjier. However, the people of Carangoelie, who observed from the woods and swamps everything that took place in the fleet, gave notice of this first at Samme, and subsequently to Oudjier, whereupon the latter, well knowing that we could not come out with the fleet, came with some sabres to Samme, concealed them in the river Doear, and went overland to Wokkum and hid in the scrub with their guns. The Cabberoors and Waarkaijers, not suspecting this and going ashore almost unarmed to climb for coconuts, were suddenly ambushed, and 5: men of the Cabberook and 4 men of the Waerkaijers were shot dead, and had they not been saved by the Watteleers rushing to their aid, would have lost considerably more men. Whereupon the Oudjier people, seeing the whole force approaching, retreated again and hastily departed with 9 heads to Oudjier, having, according to the report of the Watteleers, sustained several wounded. Hereupon the Alfurs returned head over heels to the undersigned early in the morning on the 1: April, with such shouting and clamor that we presumed the enemy was approaching; whereupon we made everything ready to fight. But coming closer and learning the matter, they were permitted to bury their dead; while we paid for the loss of the heads according to the custom of the land, being now more assured of their loyalty through this incident, as they were very embittered against the Oudjier people because of their loss. The Waarkaijers would also go home for the present in order to return within fourteen days, and that especially because the undersigned received news by a small prahu from the village of Traninge that three large junks of Cerammers from the village of Daaij lay in the river of Kreij, having undoubtedly passed Oudjier due to the heavy west wind and rounded south of Wammer. Being now in the creek, they pretended that they came to the aid of the Honorable Company, in order, if possible, to mislead the Alfurs. But the undersigned assured them of the contrary, and that they must be well on their guard, and in case they wished, according to their promise, to be faithful to the Honorable Company and assured of its assistance, they had to manage to overpower these Cerammers. This they promised, with the outcome showing that had they stayed away longer, the Cerammers would have carried off the wives and children of the Warkaijers, as they had discovered that most of the men were away aiding the undersigned, and had already put their schemes into practice for that purpose. On the 2. April, toward evening, inland people from Radjiena and Tabelengan arrived with some Christians from Wammer, who had had great success to their satisfaction, since the people of Carangoelie were for the most part away from home with the Oudjier people to deliver the captured 9: heads of the Cabberoors and Waskaijers. They had captured 12: persons from them, of whom 5: were men and 7: women and children. The heads of the former were chopped off immediately and, hanging on bamboos behind their vessels, brought to the undersigned, who ordered them to set them on stakes in their village in order to be freed from the stench. However, they wished to keep the women and children to exchange them at an opportunity for those of their village who were captured by the Oudjier people, which was granted to them. Arranged with the people of Wattelee, who arrived with 19 vessels manned by 330 heads, to remain continually with us, and constant patrols

Dutch transcription

te volgen ende Cerammers „ Goraammers in hunne negorije te dulden ten Eijnde van het nodige devesien te worden, daar Sij nu door de gestoemden handel der banderse burgers, ruim drie Jaren van alles Gebrek hadde dog dat sij om te toonen dat sij het selve niet als uijt donring deden, het dit Jaar nog sooden twagten Galende te houden, met hier en daar op de rooste Gaan in soodanige negorijen den oudgereese toebehoorende na dat nu het accoord met de agterlandens Volkom getroffen was, versogten sij wijl den tekenaer door de felle weste wind niets konde uitvoeren, om een Iagt partij te mogen maken het welk hun accordeerden hier op vertrokken sij op Sondag avond den 29: Maart ten getallen den 110: Vaartuijg „gen na agter oudjier, dog het volk van Carangoelie dat uit de bosgagien en moerassen al het geen in de Vloot gescheede observeerde , gaef hier van ten Eersten kennis op Samme, en vervolgens na oudsier, waar op deselve wel wetende dat wij met de vloot niet konde uitkomen, met eenige Sabieren na Samme kwamen, de selve in het revier doear maar verborgen, en overland sig nee Wok„ „kum begaven en in het kreupel bos met hunne geweezeen verschuilde, de Cabbe„ „roorsen Waarkaijers hier niet op verdagt, en sig bij na ongewapend om Clap„ „pus te klimmen aan wal begevende, wierden ijlongs overvallen en 5: man van de Cabberook en 4 man van de waerkaijers dood geschooten, en indien niet door de toe„ „schietende watteleers gered waren, nog vrij meer volk soude verloren hebben waar op de oudgereesen siende de geheele magt aankomen, sig weder retireerde en met 9. Coppen ijlings na oudgier begave, hebbende Sij lieden volgens opgave van de wraetteliers verscheijde gequeste bekomen. Hier op kwamen de alphoeren den 1: april Smorgens vroeg hals overkop bij den teekenaar weder te rug, met Een geschreuw en misbaar, dat wij presu„ „meerden de vijand aan kwam; waar op wij alles gereed maekten om te slaen dog nader komende de saak ervaerde, permitteerde hun derselver dooden tegven begavn; terwijl wij vooren het verlier der keppen na slands wijze betaelde, sijnde door dit geval nu meer versekert van hunne trouwe, als 99 op de oudjereesen door hun verlies: seer verbitert, soude de weerkarjers me„ „de ver eerst nae huir om binnen Veertien dagen weder te konnen, en daat wel voor namentlijk door die den teekenier met een klijne prauw van de negorij Tra„ „ninge tijding, ereangde, dat drie Groot Ionken van Gerams uijt de negorij daaij in het rievier van kreij lagen seker door de swaere weste wind ou„ „dijder voor bij geraekt, en besulden, wammer omgeloopen gevende sij lieden nu in de klein sijnde, voor, dat sij ter hulpe van 'd'E: Comp: kwae„ „men, om ware het mogelijk de alphoeken te misleijden, doij dan teekendar hun van teegendeel versekerende, en dat sy wel op hoede moeste wesen, en in„ „geval sij volgens hunne belofte dE. Comp: trouw en van derselven bij stand wilde versekert sijn, deese Gerammers moesten sien- magtig te worden, het geen sij beloofde hebbende uitkomst hun geleverd, dat wanneer Sij langer waren weg gebleeven, de Gorammers de vrouwen en kinders der warkaijers souden op geligt hebben, alsoo sij ontdekt had ven, dat de meeste mans ter hulpe bij den teekenden weeren, daar toe reeds hun praclijk in het werk stelden. Den 2. april tegens den avond kaamenderlands volkeren van Radjie„ „na en Tabelengan met Eenige Christen van wammer dewelke hun slag seer wel warr genoegen hadden, dewijl het volk van Carangoeie voor het Grootste Gedeelte met de oudgereesen om de bekomen 9: Coppen der Cabberoors en waskaijers over te brengen van huis waren, hebbende 12: persoonen van hun bekomen waar van 5: mans en 7: vrouwen en kinderen welke Eerste bij direct de koppen afgeslagen op bamboessen agter hun vaar„ „tuijgen hangende bij den teekenaar bragten, die ordeneerende deselve in hun negorij op staken te stellen, om van de stank bevrijd te sijn, dog de vrouwen en kinderen wilden sij behouden om bij gelegentheijd weder te verwisselen met die van hunne negorij bij de oudjekeesen op gevat waren het geen hun toe stonden. Maakten met het volk van wattelee die met 19. vaartuijgen bemand met 330 Coppen aandaamen Constinuelijk bij oors te blijven, en geduidige patthroulle

NL-HaNA_1.04.02_3864_0442 view scan ↗

English

to do, an agreement as to how they should conduct themselves now and whenever the undersigning officer, having accomplished his mission, might return, whereupon they proceeded in the evening of 3 April behind Ouagier in order, if possible, to obtain some heads, but were pursued by the Oudjierese to within the distance of one mile from the undersigning officer's anchorage with 11 large vessels. Receiving word of this and not knowing what their intentions were, the alarm was sounded and everything was prepared for a battle in the hope of receiving a visit from the Oudjierese, about whom the rumors went that they had received reinforcements; however, having waited in vain until four o'clock in the afternoon, and judging, now that the east wind was at hand and soon another attack would be ventured, that it was better to change anchorage and proceed to Dobbo, where one had a good lookout and could endure the still blowing west winds; since the Oudjierese now began to come out, one was not entirely safe here, especially during the dark nights, having to deal with an enemy who approaches only treacherously, no spies whatsoever can be obtained, and who boasts so highly of his gained advantage that even the inlanders came to us as if hesitatingly, since there was no lack of threats by the Oudjierese should they gain the upper hand and the Company abandon Arouw. Departed that same afternoon with the raft for Dobbo, where we arrived in the evening after sunset, with the intention of waiting here for the inlanders in order to depart for Oudjier. Formed our vessels again into a double line. Hearing horn blowing at night in the forest of Wokkum, likely the Oudjierese who, having placed their people there on picket duty, recalled them, without any armed force to Clappe Doea, yet could perceive nothing. Remained lying here until 13 April, having to endure daily heavy rains and much discomfort through the cramped quarters of the vessels, and suffering from a lack of everything, since one could not obtain the slightest refreshment for the men, 101 as the wind was now blowing south-east daily, and the present Alfurs, through the sustenance that had to be given to them, caused the provisions to diminish, and the undersigning officer thought it his duty, as the Oudjier affair was involved and he still wished to arrange the necessary matters, the sooner the better to secure himself, called a council and proposed to all the chiefs, since the Alfurs themselves requested it, to continue the journey tomorrow first to Clappa Doea, and from there to Samme, and after a few days' stay to await the Alfurs who were still expected, further to Oudjier. This was approved by everyone, and the undersigning officer having requested the peoples of Timortasa and Jabelingan to bring further the raft, which had already been brought from behind Wammer to here at Dobbo, and they having accepted this, the journey was set for tomorrow early if the current was favorable, meanwhile recommending everyone to take care in contrary winds and current to stay together as much as possible, and if anything happened to make a signal immediately so that we would not become separated from each other. Furthermore, determined and discussed with the consultation of all the natives how the landing should be conducted, everyone, and principally the Amboinese Orang Kayas and Pattis, promising to do their utmost and to support the military as much as possible with their men. And because in crossing over to Oudjeer, through the current around the islands of Wessile and the bay of Wokkum, heavy currents are to be expected, and the raft cannot well be towed along over the reef before the Oudjierese, who will prevent the Alfurs from doing so, and it could thereby happen that the same will have to remain behind, in order not to get into difficulties on that account, the undersigning officer deems it well to risk his cruising orembaaij Poelodij, which is provided with a smooth deck and has reasonably sufficient timbers, to the advancement of our design, the deck having been propped as much as possible, beyond the six one-pounder pieces it already carries, to burden it further with two three-pounders and a 5-inch howitzer and two cat-heads in order there

Dutch transcription

te doen, een accoord hoedanig sij nu en wanneer den teekenaer en verrigten sake Mogten te rug keeren, sig soude hebben te gedragen waar op sij den 3: april savonds sig na agter ouagier begaven, om soo het mogelijk was eenige Coppen te bekomen, dog wierden door de oudjereesen tot op de afstand van een mijl van des teekendar legplaats met 11: Grote Vaartuijgen nageijaagt, hier van tijding bekomende en niet wetende wat Sij inden sin hadden Liet alarmi, en alles tot Een bataille gereedmaken, in hoope van een visite door de oudfereesen te bekomen, daar van de gerugten gunga, dat sij onset bekomen hadden, dog tot nade middag om vier uuren vergeefs Gewagt, en oordeelende nu de oost wind op handen, en eerlang weder Een attacque soude wagen, beter te zijn van leg plaets te veranderen, en sig na dobbo te begeven, al„ „waar men goede uitsig en de nogwweijende weste winden kon verduuren, daar nu der oudjeriesen begonden uit te komen, men hier niet volkomen vijlig was, voor al inde donkere nagten, daar men met een vijand te doen heeft, die niet als verraderlijks aankomt, geene spiennen, hoegenaamd kan bekomen, en die over sijn behaeld voordeel soo hoog op geeft, dat selfs: de ag„ „terlanders daar door als schoor voeten de tot ons kwamen dewijl het aangee„ „ne bedrijgingen door de oudjereesen mangelde, wanneer sij de overhand ende Comp. arouw verlaten soude vertrokken dien selfden na middag met de vlost na dobbo, alwaar wij des avonds na Sonne ondergang aan kwamen, met intentie om de agterlanders hier te blijven afwagten, om na oudjier te vertrekken Rangeer„ „den onse vaartuijgen weder in een dubbelde linie hoorende snagts in het bosch van wokkum op hoorns blasen, denkelijk de oudjereesen die hun volk daar op Brandwagt geplaets hebbende, te rug riepen, sonder Eenig ge„ „wapend volk na Clappe doea, dog konden niets vernemen, bleven hier tot den 13: april leggen, dagelijks sware tegens en veel ongemak door de be„ „krompenheijd der vaartuijgen moetende door staan, en van alles gebrek lij„ „dende, dewijl men geen de minste verversing voor het volk konde be„ „komen 101 „komen, daar nue de wind dagelijks Suid, oost waijende, en de aanwesende alphoe„ „ren door het onderhoud dat hun moest gegeven worden de provisie deed vermin„ „deren en den teekenaar dogt sijn saak te zijnk omslig van oudjeer wilde hij nog het een en ander nodige bestellen hoe eerder hoe beter sig te versekeren, beleijde Vergaderinge en sloeg alde hoofden voor om daar de alphoeren het selfs versogten de reijse op morgen eerst na Clappa doea, en van daar na Samme Voortesitten. „ en na een paar daagen vertoevens om de nog verwagt wordende alphoerend in te wagten, verder na oudjier dit door Een ieder goed gekeurd, en den teekenaar de volkeren: van timortasa en Jabelingan versogt hebbende om het vlot dat rads van agter wammer tot hier te dobbo gevordert was, verder te brengen en sij sulks aangenomen hebbende wierd de reijse op morgen vroeg soo dia de stroom dienelijk was bepaelt, intussen een ieder recommandeerende om te sorgen van bij Contrarie winden stroom soo veel mogelijk bij den anderen te blijven, en indien iets overkwam direct sijn te doen, op dat wij niet van den anderen geraekte verder met overleg van alle de inlanders bepaelt, en beredeneert hoodanig men de landing soude aanleggen belovende een iders, en principaal de ambonse orangkhaaijs en Paties hun uijtterste de voik te stellen aan werden, in de militairen soo veel mogelijk met hun volk te onder„ „steumen en door dien men in het oversteken na oudjeer door de trekking den Eijlanden van Wessile en de bogt van W0: kkuon Sware, twoomen te wagten heeft, en het vlot niet wel langs staand over het rif sal kunnen boeg seeren voor den oud jereesen die sulks de alphoeren sullen beletten, en het daar door kon„ „den gebieden, dat het selve sal moeten agter blijven, om dies niet in verlegent, „heid te komen, vind: aen teekenaar goed, om desselfs kruis orembaaij poe„ „lodij die van een Glad dik voorsihen, en redelijk sufficant van in houten is, tot bevordering van ons voornemen hier aan te wagen, het dek soo veel men kon gestut sijnde, buijten de reeds voerende ses een ponder stukken nog te belasten met twee drie ponders en een houwist van 5. duimen en twee Cats koppers om aaar

NL-HaNA_1.04.02_3864_0444 view scan ↗

English

in order to be mounted in such a manner so close to the mouth of the river, so that the landing would be completely covered, and to ruin the temple of the village if possible, and thereby throw the enemy into confusion. That same evening, the current serving me, I dropped down with the fleet to off Klappesdoed, where the force remained deliberating until the following day. The 14th of April, when I set sail again and came to anchor between the point of Oudjier and Samme, thereby closing the passage so that the people of Oudjier could not go anywhere, nor could anyone come to them without our noticing it. The 15th of April the raft arrived; we placed it on the reef of Samme before a heavy grapnel anchor. We had continuous heavy squalls from the southeast, because of which our vessels almost all drifted helplessly, and due to the abundant rain our men hardly knew how to find shelter. The pantjalling De Oppas and the sloop Lonthoir almost ran aground, but after dropping grapnels they reached deep water again. Here, due to the heavy working of the ship, the pantjalling De Oppas became so leaky that it was necessary to careen her as much as circumstances allowed, whereby two principal leaks were discovered, which were stopped as well as possible. The Ambonese orang kayas complained of the same defect, and requested the undersigned to take the chance with the force that we had further on, which was at first agreed to with them; but the weather settling into squalls all around, the undersigned deemed it best—since we were lying here at a place where in case of need we could find refuge in all winds, whereas this could not be done at Oudjier—to wait and see for the time being and to remain lying here, the more so since the leakage in the undersigned's pantjalling persisted and she had to be careened on the starboard side as well. The 18th of April the people of Traningen arrived with 12 praus, bringing us news that the local peoples of Kreij and Warkaij were luring the Gorammers who were there ashore with all manner of ruses in order to catch them in the net, and that they, whether with a good or bad outcome, were expected to arrive with the undersigned in the next few days; that the peoples of Traningen had come to the undersigned to assist us, and that when the village of Oudjier was overpowered by our people, they would not return home until they had delivered the fleeing Oudjier people into our hands with all the inlanders. The undersigned having rewarded them according to the custom of the country, now being 50 Alfur vessels strong, the wind being southeast, and the weather appearing to calm down, although there were occasional rain squalls which one continuously has here, convened a meeting on Sunday afternoon the 19th of April and ordered to run in towards the opening of Oudjier towards morning, and subsequently directly into the roadstead. But in the evening the wind veered from the northeast through the north to the west, mostly with such violence that we could barely hold with two grapnels due to the heavy swell, the sloop Lonthoir drifting entirely under the shore. The next day, the 20th of April, the undersigned had the chiefs come on board. The Ambonese orang kayas reported that their vessels were so desperately leaky that they had to be hauled onto the beach. As this could not be undertaken here, and the same defect existed with the undersigned, and the wind continuing to blow strongly although the monsoon was already far advanced, and therefore impossible to accomplish anything at Oudjier as it was a dead lee shore, and the drinking water here being very bad and brackish, it was resolved to set sail immediately and make use of this opportunity to run into Dobbe, and to remain there until the new moon, when it was hoped that the east monsoon would be steady, and in the meantime to repair the vessels. This undertaking succeeded, as with a fresh topsail breeze from the northwest we already lay at anchor before Dobbe at one o'clock in the afternoon. Our raft had suffered so much that it was entirely broken apart and could not be used, there being no opportunity here to repair it, at anchor.

Dutch transcription

om duselanig gemonteert soo na dan de mond der ze vier te korten, dat de lans„ „ding volkomen gedekt, en den egorijen tempel soo het mogelijk is te ruineeren en daar door de vijand in Confusie te brengen dien selven avond= de Stroom mij dienende, sakte ik met de vloot af tot voor Clappes doed, alnaar den magt bleef overleggen tot dage daar aan. Den 14: april: wandeer ik weder onder Seijl ging a tussen de hoek 22 oudjier en Samme ten anker ging; sluitende dies de passagie voor de ou „djereesen om sig ergens na toe te begeven, of iemand bij hun tekomden sonden da wij het gewaar konde worden. Den 15. april kwam het vlot aan, leijden het selve op het rif van Sam„ „me voor een Sorare dregten, anker, hadden gelluurige hevige breijen uijt het suid oosten, waar door onse vaartuijgen meest alle dooddreven, en door de meenigvuldige regen bij na ons volk niet wisten te bergen, rakende de Pan„ „tjalling D:' Opas, en de Chialoup Lonthoir bij nae op staand, dog man het uitwerpen van dreggen weder na de diepte geraekte, hier wierd de Pantjalling De oppas door het swaer werken soo lek, dat genoodsaekt was soo veel de gelegentheid toe liet te krengen, waar door twee voornamen lek„ „kagien: ontdekte, sie soo goed men kon gestopt wierde, klagende de ambon „se orembaaijs over het selfde gebrek, en versogten den tiekenaar met het wolk dat wij den varderen hadden de kans te wagen het geen haar eerst axcor„ „deerden maer het weer in het rand: sig bueig settende, van de den teekender goed wijl wij hier op Een plaets lage waar wij des noods met alle winden een wijk „plaets konde nemen daar sulks op oudgier soo niet konde doen, om het voor eerst afte sien en te blijven leggen, te meer daar de lekkagie in der teeken aers pantjalling aan hield en over de regter sijde mede moest krengen Den 18: April kwnaam het volk van traningen met 12: sabieren brengende ons tijding dat de lands volkeren van kreij en warkaij de daar sijnde goram mers 103 „mers met alle listen aan wal lakte, om hun dux in het net: ter krijgen, en dat sij lieden het sij met een goeder of kwade uitslag eerst daags bij den teekender stonden aan te komen, dat sij volkeren van traningen bij den teekenaer aankwa„ „ma, om ons te assisteeren, en dat wanneer de negorij oudjier door ons volk over„ meestert wind ij niet eerder na huir soude keeren, tot soo lang sij met alle de agterlanders de vlugten, de oudjereesen in onse handen overgelevert hadden den teekender hun na slands wijse gekogt hebbende, nu 50: alphoereesen vaartuijgen sterk sijnde, de wind suid oost, en het weer scheijnende te bedaren schoon nu en dan eenige regen buijen die men hier Continueelijk heeft, beleij de op Sondag namiddag den 19: April vergadering en ordonneerden om tegen de morgen, na het gat van oudgier, en vervolgens diract na de rheede binne te loopen, dog 'savonds schoot de wind van het noord oosten door het Noorden na het westen meest soo een hevigheijdt dat wij voor twee dreggen het kwalijk konde houden, door de sware dijning, drij- vinde de Chialoup Lon„ „thoir geheel onder de wal Des anderen den 20. April liet den teekender de hoofden aanboord komen, de ambonse orangkaaijs rapporteerden dat hunne vaartuijgen soo des peraet lek waeren, dat deselve moesten op strand gehaelt worden, dit hier niet te ondernemen zijnde, en het selve gebrek bij den teekenaer plaets hebbende de wind schoon de moussen reeds verre verlopen door staande, en daar me„ „de onmogelijk op oudhier als Een botte lager, iets konden uit voeren, en het drink water hier seer slagt en brak sijnde, de solveerde om direct onder „sijl te gaan, en sig van dese gelegentheijd te bedienen, om dobbe binnen te loopen en tot de nieuwe man wanneer als dan hoopte dat de oost-mousson be„ „stendig soude sijn, aldaar te blijven en terssen de vaartuigen ter voorsien, welk voornemen ons gelukte al soo wij met een frisse marssijls koel te uit den Noord westen smiddags om een uur reeds voor dobbe ten anker lagen, hebbende ons vlot sodanig veel geleden, dat het selve Geheel los, en niet kon ge„ „bruikt wonden, sijnde hier geen occagie om het selve te herstellen, ten an„ „ker

NL-HaNA_1.04.02_3864_0446 view scan ↗

English

...being [ready], the Alfurs requested provisions, declaring that they did not wish to leave us, but would keep watch as long as our vessels were on the beach. On the 21st and 22nd of April we had heavy weather, with hardly a moment of dry weather and the most violent gusts of wind from the north-west and then turning again to the north-east, causing the anchor of the pantjalling De Geduld to break, and it drifted more than a mile from the anchorage; having now only one anchor, they were forced to add a heavy grapnel from the sloop Lonthoir, while, the wind calming down, with the help of the water-canoes, they had it towed back to Dobo. The signatory's pantjalling D'Oppas, its leakage increasing more and more, so that every two hours it had 14 duim of water at the pump, having as yet been in no attack, and it was to be feared that when coming before Oudjier and being heavily strained by firing, it would not only increase further, but run the danger of being lost, especially when it had to endure the strong action of a rough sea. It was resolved hereupon to divide the provisions, ammunition, etc., among the other vessels and to bring the artillery ashore in a crescent, to be guarded by the Sepoys and a part of the Ambonese under the supervision of Ensign Clements, for whom they had a hut erected, while the signatory transferred to the pantjalling De Willem, which was brought as close to the beach as possible in order to cover the artillery in the event of an unexpected surprise attack. The vessel being lightened, it was discovered that the leak was of great importance, though all between wind and water. At high tide they hauled the vessel onto the shore so that it fell completely dry. After having spent three full days caulking, they brought it back into deep water, and with the help of all the rowboats and orembaais re-embarked the ammunition and other goods, after which the Ambonese orembaais hauled themselves onto the beach to repair their vessels with all hands. On the 27th, 28th, and 29th, in the morning and evening, they fired two heavy shots as signals for the Alfurs according to agreement, who lay behind Wammer, Maijrain, and in the rivers, as a sign that we lay ready to depart, whereupon part of them came to us, from whom we received news that those of Kreijen Warkaij had murdered several of the Gorammers, but most had escaped; that the Cabberoors were cruising behind Oudjier and seeking to seize their chance to surprise the negorij Kola, which follows Oudjier; that they had already captured some, but sought to get more; and that the Warkaijers and Kreijenezen were expected to arrive within two days with the heads of the Gorammers. On the 30th of April, everything now being completely ready, the vessels tight again, and having been provided with the necessary water and firewood as far as the storage space allowed, being able to hope for a steady monsoon, the signatory gave orders for departure on the morrow. Accordingly, on the 1st of May, after the beating of the reveille, the signatory fired the signal shots for the Alfurs and at sunrise weighed anchor and got under sail, keeping as close to the reef of Wokkum as possible in order not to be driven out to sea and below the strait of Oudjier by the stiff south-east wind. At eight o'clock they passed the post and negorij Wokkum, and at half past nine the point of Toetoesane and Bobbejen; saw two orembaais and a prahu crossing from the island of Wassier to Oudjier; immediately gave chase and made every effort to overtake them, but because the Ambonese cruising orembaais were too far behind and the wind shifted, they could not get them under our guns, and so they reached the shore, leaving their orembaais on the reef, which were afterwards chopped to pieces by our men. Because we had fallen below Oudjier due to the chase, we had to tack with the head to the south, and at one o'clock in the afternoon came to anchor with the pantjalling De Willem before the river of Oudjier; while the other vessels arrived close towards evening, immediately formed the line, and moved the vessels, the pantjallings, as close to the shore as was at all possible. They had a white flag flown from the gaff to see if any movement was made on shore to wish to speak with us, being at the same time a... behind...

Dutch transcription

„ker zijnde versogten de alphoeven om mondkost, de Clareerende ons niet te willen verlaten maar de wagt te sullen houden soo langen onse vaartuijgen op strand waren den 21. en 22: april hadden wij swaar weere, sijnde bij na geen ooogenblik droog weder en aller felste vlaagen, van wind uit het Noordwest en dan weder woorden tot Noord oost, waar door het anker van de pantjalling de gedult karam te breken, en meer dan een wijl van de anker plaets wegdreef, hebbende nu maar een anker, was men genoodsaekt van de Chialoup Lon„ „thoot een sware dreg bij te setten, terwijl bewind bedarende met behulp der watteleers weder na dobbo lieten boegseeren, des teekenaers pantjalling d'oppas sijn lekkagie meer en meer toenemende soo dat alle twee uuren 14 d=m water bij de pomp hadde, door het selve nu nog in geen attaque geweest, en het te dugten was dat wanneer voor oudsier komende en sterk met pchieten geforceert weerd, niet alleen meer toenemen, maar gevaer van verlisesen lefe, dor al wanneer het sterke werking van een holle zee- moest door staan, eesel veer„ „den hier op de provisien ammunitie d=a op de andere vaartuigen te verdeelen en het geschut in een halve maan aan de wal te brengen, om door de Sipaijers en eenige deel te der amboneesen onder opsigt van den vaandrig Clements te laten bewa„ „ken voor wien hurgus leeten op rigten, terwijl den teenaar op de pantjalling de Willem overging die soo digt mogelijk Aan strand liet halen, om het geschilt bij om verhoopte overvalling te kunnen dekken, het vaartuijg geligt, ent„ „dekten men dat de lekkagie van Groot belang, dog alles tussen winden wa„ „tio was, halden met hoog water het vaartuijg op de wal dat het selve Geheel droog viel, na drie etmalen met Calfaten door gebragt te hebben brog „ten het selve weeder op vert water, en scheepten met behulp van alle de schul„ „ten en orembaaijs de ammunitie en andere goederen weder in, waar na sig de ambonse orembaijs op strand haelden, om met Alle man hunne vaartuigen weder te herstollen den 27: 28:en 29: deden Smorgens e savonds twee swaan schooten tot seijnen voor de alphoereesen volgens afspraake, die soo agter wammer 105 wammer Maijrain, en in de rievieren lagen tot teeken dat wij gereed lagen, om te vertrekken, waar op deele van hun na ons toe kwamen met welke wij tijding erlang„ „de dat die van kreijen warkaij verscheiden van de Gorammers vermoord, maar de mee„ „ste ontveluigt waren dat de Cabberoors agter oudjirs kruisten, en hun kons sogten waar te nemen, om de negorij Kola die ondhier volgt te overrompelen dat sij al eenige geknipt hadden maar nog meer sogte te krijgen, en dat de warkaijers en kreijeneesen binnen twee dagen met de koppen der Goram„ „mers stonden aan te komen, den 30 april alles nu volkomen gereed, de vaar„ „tuigen, weder Digt van het noodige water e: brandhout soo viel de bergplaets toe liet voorsien hebbende, op een vaste moussen kunnende hopen, gaf den tee„ „kenaer ordre tot het verstrek op morgen, gelijk dan den 1: Maij na het slaan, der Revelje den teekenaar de seijn schooten voor de alpehoerens en deede met sons opgang het anker ligten en ondersijl: ging soo dra aan het rig van Wokhum houdende als mogelijk was, om door de straffe Suid oosten wind niet naar See en beneden, het gat van oudjier geset te worden, om agt uuren Passeerde de Post en negorij wokkum, en oms half tien de hoek van toe„ „toesane en bobbejen, sagen twee orimbarijs en een prauw van het Eijland wassier na oudjier oversteken; maakten direct sin van Jage, en deeden alle moeijte om hun te agterhalen, dog door dien de ambonse kruis orambaaijs te veragter uijt, ende wrind Ccharelde, konde deselve niet onder ons geschult krijge, en kregen dus de wal hunne orembaarijs op het eef latende leggen, die na der hand door ons volk stuk gekapt wierden, dewijl wij nu door het Jage, beneden oudjier Geraekte, moeste wen„ „de met de kop om de Suid, en kwamen Smiddags om Een uure met de pantjal„ „ling de Willem voor het dievier van oudgeer ten ankere; teronijl: de andere vaar„ „tuigen uast tegenden avond aan koname, formeerde direct de linie, en vaertuijgen de Pantjallings Sorna aan de wal als maar- eenigsints mogelijk was lieten een witte vlag van de gassel waijen om te sien offer aan de wal ook ee„ „nige beroeging gemaekt weerd, om met ons te willen sprerken, synde tefens een agter

NL-HaNA_1.04.02_3864_0448 view scan ↗

English

a sign for the officer to come on board, but had not the least effect. Meanwhile, the draftsman, rowing with the boat along the shore to carry out the necessary inspection, observed that the entire mouth of the river was so dammed up with posts and stones, leaving only an opening for small vessels at high water, that it would take much effort and time to break it open and could not be done before one was master of the village, on account of the heavy fortifications that protected the river. Besides the previous fortifications, they had thrown up four more large fortifications, which were later seen during the landing, lined on the inside first with heavy beams and planks, then with a stone parapet, and filled against that again with sand to a thickness of more than two fathoms, in order to break the force of the cannonballs thereby; that the entire edge of the river was entrenchment, so that they could run safely from one fortification to the other as far as the temple, in front of which also lay a battery that communicated with the stone wall of the village, so that nothing could be discerned on shore except only the uppermost part of the houses, and when they were standing in the fortifications they now and then stuck out their heads. Upon taking soundings, it was found that one could not come closer because of the bank lying before the river, since upon shortening our shore ropes we had about half a fathom of water under the keel, and that on rocky ground. Coming on board, we hoisted the red standard and had all the pantjallings fire several shots through the scrub onto the village, hearing a terrible cracking and screaming on shore. Towards sunset, the native people of the village of Kreij came with 10 sabres, bringing along a Gorammer named Possao, whom they handed over to the draftsman and who was immediately put in irons, along with four more heads of the Gorammers severed by them, the Warkaijers still being behind with 5 heads. We gave them a present of arrack, rice, and some tobacco, since upon their offer to remain in our service as long as the Oudjeree 107 Oudjereese troubles lasted, following the example of the other Alfoors, we accepted it; on account of the stench, we returned their heads with orders to preserve them well so as to be able to deliver them when the draftsman demanded them, whereupon they, along with the other Alfoors, made the most frightful uproar the entire night, and insulted the Oudjereesen, who answered them now and then with a shot from the scrub, but without effect, as they did not dare to venture in front of the pantjallings. In the evening, two armed boats were sent along the shore through the river with the coehorn mortars to try how far they could be brought, but could not well reach the distance of the village and temple, at least not with any effect, because of the far distance; and to come closer under the fortifications was dangerous due to the overgrown reef before the mouth of the river. Continued the entire night to fire a shot now and then, in order to keep the enemy in constant motion. Saturday the 2nd of May at sunrise: began with the cannon of all the pantjallings to keep up a steady fire on the fortifications lying at the mouth of the river, but could do little effect because of the large sandbanks lying before them, as most cannonballs smothered therein; and as soon as one only kept a short pause, the enemy was seen throwing back out the sand that had fallen inwards, and making several grimaces with shields and assegais. Ordered the Ambon cruising orembaais to shoot closer to the shore, and the orembaai Poelo Aij on the right side close under the first fortification, whereby having the village exposed, it kept up a steady fire from the three-pounders on the village and temple, and from the one-pounders into the scrub, whereby several houses were shot down and the temple was very much damaged, the people running from the village to the temple to extinguish the fire caused by the howitzer grenades falling thereabouts or in the village. Towards evening, seeing that one could achieve little effect through the thickness of the walls, much less on the fortifications where the people kept themselves concealed, a plan Oudjeree

Dutch transcription

een sien voor de osecert om aanboord te komen dog had geen de minste effect, den tee„ „kenaer intussen met de schuit Langs de wal Roende, om de noodige in sppec„ „tie te nemen ontwaerde Dat de Geheele mond de revier soodanig met palen en Hsteene toegedamnt was alleen en opening sijnde voor klijne Vaartuijgen met pijl hoog nater, dat het veel moeijte en tijd soude kosten om het selve op te breken en niet kon gescheden voor dat men meester van de negorij was, om de saare bentinge die het neveen bescherenden dat sij buijten der voorige bentings nog vier Groote ben„ „tings hadden op geroorpen, die men naderhand bij de landing Gesien heeft van bin„ „nen eerst met sware balken en planken daar na met een steene borst wa„ „ning en daar tegen meder met sand ter dik te meer dan twee vaam waren aangevult, om daar door de kragte der kogels te breken dat de geheele Soom van het rievier beschanscht was dus sij van de Eener benting tot de ande „re veijlig konde loopen tot na de tempel waar voor ook en batterij log de met de steene muur van de negorij Communicatie had, dus men niet aan dewwal konde bekennen als eeniglijk 't bevenste gedeelte der huisen en Wo „neer sij lieden in de bentings stonden ned en dan de Coppen uijt steken, bij de ge„ „nomen peijling bevonden, dat men door door de bank die voor het rievier= ligt niet nader konde komen, alsoo wij op onse land touwen kortende, Circa een half vaam water onder de kiel hadden, en dat nog wel op een klip grond, aen bood komende heefen de roode sandaard, en lieten door al de pantjallings eenige scho „ten door het kreupel bos op de negorij doen, hoorende een schrikkelijk gekraek en geschieuw aan de wal, tegens sonne ondergang kwamen de lands volkeren van de negorij kreij met 10: Sabieren mede brengende een Gorammet in name Possao die sij aan den teekenaar overhandigden en aanstonds in de boeijd geset wierd, benevens nog vier Coppen der Gordmmers door hun afgeslagen sijnde de warkaijers nog agter uit met 5 Coppen, gaven hun een present van arak Rijst en wat tabak, dewijl op hunne aanbieding om soo lange de oud jeree 107 oudfereesen onlusten duur de ons ten dienste te slaan, deselve na het voorbeeld der andere alsphoeren kuurten geverde om de stank hun de koppen onder te rug met ordre deselve melt te bewaren om wanneer den teekenaar die op eijste te kunnen leveren, waar op Sij den gantschen nagt met de andere alphoeren den aller ieselijk mis„ „baar maekte, en de oudjereesen uit scholden die hun neu en dan met een schot uit het kaeu„ „pel bos beantwoord; dog sonder esfect, wijl voor de pantjallings sig niet durfde wagen, sa vonds sonden twee gewapende schuiten langs de wel door het rievier met de Cato Capper, om te probeeren hoe verre men de selve brengen, dog konden de distantie van de negorij en tempel met wel berijken ten minste met geen assept door de verre Afstand, en om nader onder den bentings te komen was te den geaeus„ door het aangegeoeijde rijf voor de mond der rievier, Continueerde de gantse nagt met nu en dan een schot te doen, om de vijand in een geduurige be „weginge te houden. Saturdag den 2: Meij met sons opgang: begonden met het Canon van alle de pantjallings En gestadig duur op de bentings die aan de mond van het rie„ „vier lagen te maaken, dog konden door de Groote sand bergen die daar voor„ „lage weinig estec t: doens, alsoo de Meeste kogels, daar in Smoorden en Soo dra men N maer een wijnig tussen poosing hierd de vijand: het na binne gevallen Land weder sag na buiten werpe, en met schilden assegaaij eenige Gidmassen maken, listen de am„ „bons kruijs orembaijs digter aan de malt schieten, en de vremberij poelo aij aan de regter sij de digt onder de eerste benting, waar door deselve de negorij bloot t hadde uijt de drie Ponders een gestadig duik: op de negorij en tempel maekte, en uijt de een ponders in het krupel bos, waar door eenige huisen om vergeschoten en de timpel seer bephadigt werd, loopende het volk uit de negorij na de tem„ „pile om het vreede door de houwet s' Guanaten daar omtrent of in de negorij val„ „lande te blissen tegen den avond siende dat men door a6 dikte de muuren weinig effect konde doen, veel min op de bentings waar het volk sig verscholen hied, e un slag 2 oud je rc

NL-HaNA_1.04.02_3864_0450 view scan ↗

English

battle, taking very keen advantage of every opportunity they had, having placed, besides those along the beach at the edge of the forest covered with leaves, several rests to lay rantakas and snaphaunces upon, and principally opposite the signatory's pantjalling, which, as soon as discovered, fired to knock them down, and as they set nothing up again at that place, the signatory ordered the orembaais to betake themselves between the line again; at night the enemy now and then showed fires in the coconut grove, and one constantly heard the chopping of wood and working, towards which places a three-pound ball was sent now and then when the weather was calm. Sunday the 3: May in the morning from 7 o'clock until towards noon, we let a white flag fly from the top to see if possibly one or another in the negorij would make any signs to come to us, or to speak with us, but on the contrary, they taunted our Alfurs beyond the reach of our artillery with bow and arrow and shot at them with firearms, upon which we hoisted the red standard again, and made them clear the beach; towards noon the people of Warkaaij came with 14 sabres, bringing five severed heads of the Gorammers from the negorij there, who had wished to take advantage of their absence to rob their women and children; we gave them back the heads, of which the flesh had not yet decayed, to preserve, whenever the signatory might come to require them; in the evening I had all the chiefs, both of the Company's and of the native vessels, come on board, and ordered what was necessary for the landing tomorrow morning, since we could wait no longer, for the reason that as we now also had to provide the Alfurs with drinking water, which was with no possibility to be obtained here, we would shortly be in want ourselves, charging the command of the landing to the Sergeant Jacob Wonderling, as due to the indisposition of the Ensign Clemente no one but the Ensign, the Sepoys' [illegible], and the said Wonderling, appointed by me as Commanding Sergeant, had given sufficient proof of courage and conduct; the entire night the enemy did nothing but chop wood and make a great shouting, notwithstanding that from the pantjallings Het Gedult and De Jonge Willem, as on their side, shots were constantly fired at them through the scrub. Monday the 4: May in the morning at daybreak, made the signal to prepare everything, whereupon the officers with the military men came in the boats and orembaais alongside the signatory's pantjalling, and upon inspection found the entire force to consist of: 1 Commanding Sergeant, 1 Sergeant, 2 Corporals, 50 Privates, Ambonese. 1 Officer, 1 Sergeant, 1 Corporal, 14 Sepoys, Sepoys. 26 Volunteers, both European and native sailors from the vessels. 80 men from the Ambonese cruising orembaais, of whom 40 with firearms, the rest with cleavers and shields. The armed boats and orembaais of the pantjallings being manned as much as possible, so that no more than four or five men were kept on board each vessel to handle the artillery; the water being on the rise, the pantjallings hauled as close to the shore as was possible while remaining afloat, and upon the given signal the Ambonese cruising orembaais drew up on the left side of the river and the orembaai Poelaai on the right side against the mouth of the river, bringing a drag a pistol shot from the beach, which those from the shore sought to prevent, but by the fire of the three-pounders were forced to yield; everything now being ready, and the signatory having, both through promises and severe threats, admonished everyone to their duty, and told the Alfurs that they should help us faithfully, first ordered a false attack to be made on the left side of the river, in order thereby to deceive the enemy, and to see if they also made any movement to come towards that side, but they kept themselves inside the bentings, where one saw them now and then with their heads above, and where they were busy with prayer and burning incense, even so long until our people presented themselves before the river to land; the signatory, seeing that this false alarm did not make them change position, had the march beaten around seven o'clock, whereupon under a steady fire from the pantjallings and orembaais the landing took place in good order; barely being a pistol shot from the shore, the [illegible] began to fire with such violence and with such true aim at our men from the right and left sides of the river out of the bentings, that before anyone was ashore, they had already received 16 wounded; yet our people, encouraged by the good command, pressed through with force, the orang-kaya of Eeyth being the first who landed with his people, of whom one had the leg broken, and a termataan, who to the number of 17 were serving as sailors on our vessels and had offered themselves as volunteers, was shot in the arm; yet as they pressed on towards the small benting under the banyan tree, they shot a [illegible] named Iasoera, son of the orang-tua of Vangabel Abdoel, from whom they first chopped off the thumb and thereafter the head, which they immediately brought to the signatory; meanwhile the remaining force landed hereupon, notwithstanding the most violent fire of the enemies, drove them out of the first

Dutch transcription

slag soo dia sij accagie hadden seer wil waar namen, hebbende buit, dier langs strand aan de kant van het bisch met bladeren overdekt, verscheijde mikken gepleest, om rantakke, en Snaphainen, op te laggen, en principaele tegen over dis ter„ „kenaar pantjalling, die soo dra ontdekte om verde liet schieten, en sij niet we„ „den daar ten platse opregte, ordineerde dils de orembaaije weder tussen de linie sig te begeven, snagts vertoonde de vijand nae en dan vuuren in het Clappere bos, en hoogde geduurig hout Cappen en werken, na welke plaetse nu en dan een drie ponden kogel afsonden wanneer het weder stie was Sondag den 3: Meij Smorgens van 7. uuren tot tegende middag lieten Een witte vlag van top waeijen om te sien of mogelijk deese of geene in de ne„ „gorij eenige teekenen soude doen om bij ons te komen, of met ons te spreeken, dog Contrarie van dien, tarden sij onse alphoeren buijten het bereik van ons Ge„ „schut met pijl en boog en schorten op deselve Met geweeren, waar op wij weder de roode standaard op hasa, en hun het strand: deden ruimen tegen den middag kwam het volk van warkaaij met 14. sabieren, brengende vijf afgeslagen Cisp „pen der Gorammers van de negorij daar, die sig van hunne absentie hair den willen bedienen om hunne vrouwen en kinderen te rooven gaven hun de koppen waar van het vlees nog niet verteerd: aaas weder te rug om te bewren, wanneer den teekenaar mogt komen te requireeren, des avonds liet ik al de hoofde Soo van sComp: als in landse vaartuijgen anboord komen, en ordonneerde het nodige tot de landing op maregen vroeg, wijlen wij niet langen konden, wagten om reden daar wij nu de alphoereesen mede van Drink water moesten voor„ „sia, dat hier met gean moogelijk heijd te bekomen was binnen korten selfs gebrek souden hebben, daagende het Commando van de landing aan den Serge „ant Iacob Wonderling op als door de indispositie van den vaendrag clemente niemand als den vaendrig, den Sipaijers verblae, en gemede wor„ „derling 109 „derling door mij als Commandeerende Sergeant benoemd, genoegsame pieuwer van modd en beleijd gegeven had, de gantsche nagt deed den vijand: miet als hout kap„ „pen en een groote geschreeuw maken niet tegenstaende, door de Pantjallings het Gedult en de Ionge Willem als aan hun sijde geschiedende geduurig door het kruipelbos- na hun geschoten wierd. Maandag den 4: Maij 'Smorgens met aanbreken van den dag deden sijn van alles gereed te maken waer op de officieren met de militairen in de schuiten en orembaijs op seijde van des teekenders pantjalling knamen en bij de nassiening bevonden de gantsche magt: te bestaan in. 1. Commandeerende Sergeant, 1: Sergeant - - ^ amboneese. 2: Corporaels 50: Gemeenen - - - 1: officier 1: Zergeant 1 Sipaijers 1: Corporaal. 14. Sipaijers; 26: Vrij williger Soo Europeesen als inlandse Muttroosen van de vaartuijgen 80: man van de ambonse kruis orembaaijs waar van 40: met geweezen de overige met klewangs en schilden. sijnde de genapende schuijten n orembaaijs van de Pantjallangs soo veel mogelijk bemand, dat men aen boord van ider Vaertuig niet meer dan vier of vijf man behield, om het geschut te handteeren, het water aan het wassen sijnde haalden de Pantjallings soo na dan de wal als mogelijk was dat naar wen vlot bleven en op het gegeven seijn rangeerde de amborese kruis orembaaijen sig aan de linker seijde van het rievier en de orembaaij Poele s Poeld aij aan de regter seyde tegen de dom van het rievien beengende een drag uit een pistool schoot van het strand af, het geen die van de wal sogten te beletten, maar door het vuur der drie ponders moesten wijken, alles nu gereed sijnde, en den teekenaar soo daar belofte als sonere bedrijgingen Een ieder tot sijn pligt vermant hebbende, en de alphoereesen te segging gedaen, van ons getrouw te zullen helpen, Liet eerst Een valse aan val op de linker sijde van het reivier doen, om den vijand daar door te de sabeseeren, en te sien of sij ook eenige be„ „neging maekte om na die sijder afte komen, dog sij heeden sig, binnen de ben„ „tings, alwaar men hun nu en dan met de koppen, boven sag, en daar sij besig waren met sombaaije, en reuk werk te branden, da selfs soo lange tot dat ons volk voor het rievier sig vertoonde om te landen, den teekenaer Siende„ dat dit loose alarm hun van geen standt plaets deed veranderen, liet Circa seven uuren de maers slaen, waar op onder Een geregeld, duur van de Pan„ „tjallings en oalombadijs met een goede ordre de landing geschide, pas een pistool schoot van de wal sijnde, begonden de oudjereesen met soo een hevigheijt en met sulke wisse schooten op de onse van de regter zinker sijda, van het rievier uijt de bantings te scheeten, dat er iemand aanland: was reede 16. gequeste bekomen haaden dog ons volk door de goede Commande aangemoedigt, dronge, met fonse door, Sijnde de orangkaaij van Eeyth de eerste die met sijne volk lande waer van, een ditest: het ben stukkent, en een ter mataan die ten getalle dan 17: stuks op onse Vaartuigen als mattroosen dienst doende, en sig als vrijwillige aangeboden de arm in geschoten, dog deselve op de klijne binting onder de waringene boom aandrin„ „gende, schorten een oudgerees in name Iasoera soon van den orangtoea van vangabel Abdoel, die sij eerst de dim en daar na de Cop afhakkende aan„ „stondis bij den teekenaer bragtin, hier op intusschen het overige volk landende, niet tegenstaande het aller hevigst vuude van de vijanden hun uijt de Eerste

NL-HaNA_1.04.02_3864_0453 view scan ↗

English

111 driven out from the first benting, dragged their wounded and dead along by the arms and legs so as not to fall into our hands. The draftsman here urged the Alfoors with all manner of persuasion to break through the forest from the flank, and thus fall upon the negorij from the rear, in order thereby to divide the enemy in two and partly draw them away from us. This could easily be done by them, both with their bow and arrow, through the swamps, and across the swimming of the rivers without much trouble, which was impossible for our people and would afford us much relief. He promised not to abandon them, but to push through with force as soon as any passage could be found. But all the draftsman's arguments had no influence, they remaining in their vessels close to the shore, except for a few who went into the forest at the front, but retreated at the slightest noise and merely watched the affair; saying they were afraid of the artillery and the bentings of the Oudjerezen, against which they could do nothing, and of which they had felt the effects in the previous attack. However, as soon as they retreated into the forest and were on equal footing with them, they would not fear them and would all together fall upon their necks. The draftsman having to accommodate himself to this, and not daring to use harsh measures on account of the consequences that might arise therefrom, because all our vessels were stripped of men in order to press the landing with force, ordered the commanding Sergeant Wonderling, who held a halt in the first benting and kept firing continuously at the second, which was answered without ceasing, to overpower the enemy if possible and drive him out of his stronghold. Arriving before the second benting, he met with heavy resistance because the Oudjerezen lay entrenched. Yet, covered by the boats and the orembaai Poelodij which lay close before the river, but finding it impossible to break in because of the broad and heavy dam, where the men, breaking through, manfully scaled the second and third benting, striking down many of the enemy, though they could capture no one, since the enemy carried away their men as soon as anyone fell. Being here, someone standing at a certain distance under the coconut trees was struck, and with four men continuously escorting him with clewangs and firearms, was carried to the temple, whom they took to be Manoosa. Our men now coming before a small river opposite the large stone benting, before which there had previously been a bridge that was now broken down, and which is the road to the negorij, could by no means cross it because of the multitude of sharp stakes and bamboos, both in the mud and on the bank, and the caltrops with which it was strewn, which they found everywhere. The road through the forest being closed by felled trees, the men could hardly set their feet forward without being wounded. Having now approached the large bentings that lay before the stone wall of the negorij, the fight was renewed with great fury, not only from the large benting across the river, but from the temple and from the flank out of the forest, where they had also thrown up a benting near their graves; two large junks, until then hidden there, appeared from behind the temple. The pantjallings, as the men were now covered by the forest in a bend and thus invisible, could be of little service. The boats, of which one had managed to force its way in with violence, had to go back outside due to the falling tide; and the orembaai Poelo-aij, seeing that the Oudjerezen who lay hidden in the graves threw themselves back into the second benting, and thus attempted to encircle our men from behind and enclose them between three fires, approached too close to the shore and thereby ran aground. Yet, through the vigilance of the draftsman's slaves and some Tenemberezen, they were refloated, and the dike which lay almost on the beach was cleared by the boats of the oppas and the Jonge Willem to drive them back again, which also succeeded, whereby our men gained a clear passage; without which

Dutch transcription

111 Eerste benting verjaagde sleperde hunne gequeste en doode bij de armen en bienen mede om niet in onse handen te vervallen, den teekenaar hier op de alphoeren niet alle goede woorden aansettende om van ter sijde door het bos heen te breeken, en soo van agteren in de negorij te vallen, om daar door de vijand in twree te doen verdeelen en gedeeltelijk van ons afte trekken dat door hun gemakkelijk als met hun zijl en boog, soo door de moekas, als in het over Soremme, der rievieren. sonder veel kinder konde geschiede, en root ons volk on mogelijk was en wij hier door veel soulaer soude hebben; belovende hun niet te zullen verlaten;, maar met kragt door te zullen dringen soo dra men maar eenigsints door togt konde vinden, dog alle de redenen van den teekenaar hadden gen, influintie blijvende sij in hunne Vaartuigen digt aan de strand legge, buiten eenige weinige die voor aan in het bosch sig begaven, dog op het minste Gerugt weder retieerde en het spul aan Sagen; seggende door het geschut en de bentings der oudjereesen waar tegen sij niets konden doen bevreest te sijn, en waar van sij in de voeige attacque gevoel hadden gehad, dog zoo dra sij na het bosch retireerden, en met hun egudeel op gelijke Grond waren, sij hun niet vreesden en alle te samen hun op den hals soude komen, den teekenaar sig hier en moctende schikken, en geen harde middelen om de gevolgen die daar van soude kunnen komen durvende gebruiken, alsoo onse vaartuigen alle van volk ontblot waeren om de landing met kragt door te setten gaaf den Commandeerende Sergeant Wonderling die in d' eerste Penting halte hielt, en geduurig op de tweede vuurele, ant sonder op houden beantwroord wierd, ordre om soo het mogelijk was de vijand te overmeesteren en uit Sijne sterkte te verjagen, voor de tweede binting komende vanden een sware te„ „genstant alsoo de oudjereesen begraven laagen, dog door de Schueten ende orem„ „baaij poelodij gedikt die digt voor het rie vier lag, maar onmogelijk kons inbreeken door de breede en sware dam, waar op het volk met gemeld in boekend in„ van beekende, beklomt de tmeede en derde benting manmordig veele der vijanden ter nee„ „der weepende dog kender niemand magtig worden alsoo de dijand: Soor daar iemaend van hun Vel deselve ten Eersten weeg schapten hier sijnde wierd op Ee: seekere afstand onder den Clappus boomen staende, iemand Getroffen en met vier man die geduurig met Clewangs en Geweeren, hem verselde na den tempel gedragen die men voor ma„ „noosa hield, ins volk nu voor E: klijn, rie viertje komende tegen over de groote: steene benting, waar voor deese een brrig, maar nu afgebroken was en het geen de weg na den negorij is kon met geen mogelijkheijd daar overkomen, door de menigte scherpe palen en bamboesen, die soo in de modder, als op dier oever een de besaaijde Vortangels die sij ver al vonden legge, sijnde de weg door het bosch door omgekapte boomen toegesloten kunnen de het volk bijna de voeten niet voort setten af wierden gequast, de groote bentings die voor de Steene muur der negorij legt nu genadert sijnde; wierd het gevegt aller herrijst, niet alleen van de Groote benting over het rieviertje, maar van de tempel en ter seijde uijt het bos, alwaar sij bij hunne graven ook een benting op ge„ „worpen hadden, komende van agter de timpel twee Groote Jonken te voorschijn tot dus lange daar verborgen, de pantjallings alsoo het volk nu in een bogt door het bosch gedekt, en dis onsigt baar waren, van weijnig dienst kunnende sijn de schuiten waar van een sig met geweld had weten, in te dringen, door het vallend water weder naar buiten moeste, ende orembaaij Poelo-aij- die siende, dat de oudgereesen die in de graven verborgen Laten sig weder in de tweede binting werpen, en ons volk dus van agteren tragten te omsingelen en tussen drie vuuren in te sluiten sig te na aan de wal begaf en hier door vast raakte, dog door den vigilantie van des teekenaars slaven en Eenige tenembereesen miteerden weder vlot raekten en de dicg die bij na op het strand lag door de schuiten van de oppes en de Jonge Willem geligt merde, om hun weder te rug te„ drijve, dat oik gelukte waer door ons volk een dig: passagie kraeg; sonder welke

NL-HaNA_1.04.02_3864_0455 view scan ↗

English

113 which possibly no one of theirs had come on board, as the men were tired and exhausted, and so injured in their feet by the multitude of caltrops that they could barely stand any longer, and their numbers were greatly reduced by nearly 60 both slightly and severely wounded, after our men had now endured over four hours of all kinds of the fiercest resistance, in which one had clear indications that the enemy had suffered quite as many dead and wounded as, or even more than us, there being sufficient bloody signs of this to be seen in all the bentings and along the road. In addition, a heavy rainstorm coming up, and the undersigned being unable to expose the men to any further danger, since due to the great superior strength of the enemy it was impossible to hold out with the few men we still had left, he therefore had the retreat sounded at half past twelve in the afternoon, whereupon the men, being led in good order by the Commanding Sergeant Wonderling, the Sergeants Gerenbaek, and Lapper, under continuous charging and a steady fire from the orembaaij Poelo-aij, retreated to the boats, which due to the fallen tide already lay far from the shore in order to remain afloat, and they came safely on board without a single man falling into the enemy's hands. At the muster, no one was absent, yet they had 63 wounded, both those who were shot and by bow and arrow, and among these 27 who were severely wounded, of whom five have already died. Fourteen of the most critical were immediately transferred to the pantjalling Het Gedult, after the orembaaijs were brought back into the line and the pantjallings were anchored at a proper distance from the shore, yet still within the reach of a musket shot from the beach. Toward evening, the undersigned called all the chiefs on board and proposed to resume the landing early tomorrow morning and to risk the uttermost here once more, even if the undersigned had to expose to this his own orembaaij Poelo-aij and the sloop De Draak chartered by him for his own account, if one suffered a shortage due to the loss of men. But everyone testified that they were fully fully prepared to follow the orders of the undersigned whenever he thought fit, but that our best men were wounded, that the enemy, although having suffered very heavily, was still very strong and kept his strength hidden from us; that if we were to undertake another landing with the men we had left, we might not get back on board so easily and might perhaps lose everything; that the approaches to the negorij had been leveled or studded with caltrops and that they had attempted to surround the men; that one did not have a single guide to show a way through the forest free from the swamps, and one could also obtain no intelligence as to who was with the enemy and how matters stood there, or what vessels—unless it was those that came forth from behind the temple—intended to enclose our men; that the bentings, due to their thickness, suffered little damage from the pantjallings, or the enemy repaired them; that the houses indeed were greatly battered, yet the enemy nevertheless considered themselves safe behind the bentings and in the entrenchment at the orembaaij houses; that it was not improbable that among the Alfoors there were some who secretly colluded with the enemy and, in the event of a further unexpected loss, instigated by the enemy, could bring about more disadvantageous disasters upon us; that our ammunition had suffered a great drain, and through the frequent shooting the firearms of the military were for the most part defective; yet if the Alfoors had been willing to attack with us, and we could still rely upon them, one might well dare or be able to undertake something because of their multitude, but experience had shown us the opposite. Nevertheless, everyone testified that they would observe the orders of the undersigned. That which was proposed by the undersigned to the chiefs for consideration having been answered by them in such a manner, he—out of his own conviction, yet with the greatest heartache to see himself frustrated in his intention—had to be content with this as being the actual truth. The undersigned postponed his decision for one thing or another until early tomorrow, ordering, in order not to give the enemy any idea that we in any way

Dutch transcription

113 welke mogelijk niemand hunne aanbord was gekomen dewijl het volk moede en af sijnde, door de meenigte voet angels soodanig aan de voeten ge„ „quest dat kwalijk: meer staen konden, en hun getal door bij na 60 ser ligte als sware gequest seer vermindert was, na dat nu ons volk ruim vier„ uuren en aller handrik keigste tegen staand geleden, waar bij men duijdelijke lijken had, dat de vijand ruim soo veel boeden en gequesten als vrij moner hadden beko„ „men sijnde in alle de bintings en langs de weg genoegsame bloedige teekens daar van te sien hier bij een swaere regen, buij opkomende, en den teekenaar het velk aen geen verder gevaar kunnende Exponeeren, de wijl men door de Groote over magt des vijands met het weijnige volk dat wij nog hadden onmogelijk stand koonde handen liet dierhal ven smidags over half twralff af trop slaan waar op het volk in een goede ordre door den Commandeerende Sergeant Wonder„ „ling, de Sergeanten Gerenbaek, en Lapper geleijd wordende, onder gedeurige Char„ „geering, en een gestadig vuur van de orembaaij Poelo-aij naar de schuiten ueti„ „reerde, die door het gevallen weter reeds verre van de wal- lagen om Vlit te blyven e knndmen sonder dat een man in vijands handen geraakt gelukig aen boord, Zijen„ „de bij de monstering nieemand absent, dogj hadden 63: gequeste soo die geschoten waren, als met pijl en bogen, en hier onder 27. die swaar gewond zijnde waar van reeds vijf overleden, lieten viertien van de gevaarlijkste direct op de pantjal„ „ling het gedult over brengen, na dat de orembaijs weder in de linie, ende Pantjallings op een behoorlijke distantie van de wal gehaact waar, dog egter binnen het bereijk van een snaphan schort van het strand, seijnde den teeke„ „naar tegen den avond: alle de hoofden aan boord, en proponeerde om op morgen vroeg de landing te hervatten, en het uitterste hier nog eens van te wagen, al„ „moest den teekenaar desselfse orembaaij poelo=aij, en de der hem voor eijge reekening in gehuurde Chialoup de Draak, in dien men door verliest 11 van volk gebeek krecg, daar aan dxpormeren, maar op een eder beteuigden dat S9 Volkomen volkomen bereyjd waeren de ordres van den teekenaar op te volgen, wanneer sulks kwam goed te vinde, dog dat ons beste volk gebesed, den dijand khoons seer veel geleden nag seer sterk en sijn magt vanr ons verborgen wilt, dat soo wij met het volk dat wij nog overig hadden weder ien landing onder namen mogelijk soo gemakkelijk niet weder aanboord soude komen, en somtijds alles ver„ „leesen, dat men de toegangen tot de negorij geslegten, of met voet angels beset her en getragt het volk te om Cingelen, dat meen miet een neg wijser had om een weg door het bosch vrij van de moerassen aan te wijzen en men ook geen narigt konde beko„ „men nie al bij de vijand en hoedanighil daar geleegen legt, ie wat vaartuijgen ten sij dagte ons Volk in te sluijten het sijn geweest, die van agter de tempel te voor schipn knamen, dat de bantings door haare dikte wijnig schade van de pantjallings gele„ „den, of de vijand hirsteleden sulks woeden, dat de bruisen wide Ggrootelijks ontrampo„ „neert waren, dog de vijand sig egter agtern de bentings en in de verschans te orem „baaij huisen vijlig agte, dat het niet inwaar schijnelijk was dat onder de alphoe„ „deesen eenige waren die in het Ggheijm met den vijand huulden, en bij een verder on„ „verhoopt verlies door den vijand gestiakt, ons nadeliger onheijlen kende te weegen brengen, dat onse ammunitie een groote slag had ondergaan, en door het meenig vul„ „dig schiuten de geweeren der militaire door het Geolste gedeete deficte waren, dog indit de alphoeren met ons hadde willen aan vallen, en wij ons als nog op hun konde vertrouwen door hun meenigte nog wel iets soude durven of kunnen beginne, dog dat de ondervinding ons het tegendel had doen sie, egter betuigde een ider aan de ordres van den teekenaar te sullen observeeren het door den teekenaar aen de hoofden ter overneging voorgestelt, sodanig, door hun beantwoord dat hij uijt eige bewrust heijd egter met het Grootste hart seer van sig in sijn voornemen, Gefrustreert te sien sig hier mede moeste vergenoegen, als de reele waarheijd sijnde, stelde den teekenaar sijn besluijt tot het een of ander tot morgen vroolg uet ordineerende om de vijand in geen gedagten te brengen dat wij anig„ „sints

NL-HaNA_1.04.02_3864_0457 view scan ↗

English

115 117 since then slackened throughout the entire night, firing by turns not at the benting but through the brushwood toward the negorij and temple, in order thus to keep them in fear, while the boats of the Jonge Willem and the watchmen placed in the Cato Coppen had some grenades thrown here and there into the brushwood and toward the negorij; after the setting of the moon our grapnels, which lay close under the shore, were weighed and hauled upon our grapnels lying above the reef, thus now nearly a swivel-gun shot from the shore in 4 fathoms of water; heard not the least movement on shore since the afternoon, when they had called their people together by beating on the tifa; also saw no people on the beach, nor the least fire. Tuesday the 5: May, the signal having been made for the chiefs to come on board, they reported that the drinking water began to diminish greatly, that the same was not to be obtained here, and even if one were to seek it among [illegible] of fresh water, one could not be assured whether the enemy had not poisoned the same; that if, through some inconvenience, being unable to touch at Keij, we could hope for no water before we arrived at Banda. The undersigned, who upon his departure from Banda was through the care of Your Right Honorable provided with everything as much as possible, yes even so that without their own exposure on account of the weak garrison no more could be added, as the posts were poorly manned; had hoped that the force would thus have been sufficient, as was the general opinion, to conquer Oudgier. But the undersigned, who never imagined the same to be easy, had however never thought that such a powerful resistance would have been met; no possibility to request any relief; and the burgher Hendrik Jacobsz, whom the undersigned hoped would have undertaken the voyage to Banda in the latter part of the month of March, but who by some accident according to reports still remains at Keij, this then also being a disappointment, and Your Right Honorable having thereby remained uninformed of the state of affairs contrary to my expectation 1 thereof, I have let no opportunity slip by, and neglected not a single moment whenever I thought I could gain some advantage, with a force which at first was considerable, but through desertion has melted away very much; thus taking into mature consideration that in the present situation, where all the chiefs represent such to me as impossible, I could undertake nothing further so as not to risk everything by an uncertain and doubtful outcome, therefore it being best to turn the prow toward Banda the sooner the better, without touching at Goram, which was now impossible as we were not capable of offering resistance to an enemy holding themselves ready there, especially now that the cruising orembaais had suffered too much; whereas I otherwise, for the execution of this desired intention, whereby I hoped to be allowed to carry away the complete trust and approval of my superiors, have not hesitated to sacrifice my own interests, and in this whole affair have pursued nothing for my own advantage, of which I have spent my own to persuade the natives over to the Hon. Company and thereby to weaken the Oudjier people: if the general wish, if my efforts and the great expenses spent for the well-being of Banda's inhabitants have not turned out according to expectation, I hope nevertheless that my actions, which have continually worked and not been entirely fruitless to do the enemy all possible damage, and being able to endure a free test of scrutiny, may carry away the approval of Your Right Honorable; flattering myself that, in the undertaking to be carried out further, which is in the highest degree necessary on account of the importance of the place, which otherwise will be a hiding-place for all rebellious nations, principally of the eastern islanders, it will be of better effect; since further tidings will confirm, when the own orembaai left behind by me, with which the Christians of Wammer in the month of August, after they with the help of the Alfoors shall have gained some advantage over the Oudjier people and their small negorijen, are also to come over, that

Dutch transcription

115 117 „sints verslauwrde de gantsche nagt door, beurts gewijse niet naar de bentinga maar dor het keeupel Oos na de negorij en tempel te schuten, om dus in benieging te houden ter wijl door de Schuiten van de Ionge Willem en de oppas in de Cato Copp„n plaeste, ginds en herwaards in het kreupel bis, en naar de negorij eenige granaten lieten werpen, na het ondergaan der maan ligten onse dregen, die digt onder de wal lagen, en haeden op onse dreggen boven het riff lagen dus nu bij na een draaij baas schoot van de wal op 4 vaedem water; hoorden aan de wal geen de„ minste beweging sedert nademiddag dat sij door het kloppen op de tefa hun volk hadden bg een Geroepen; Sagen ook geen volk aan strand- nog het min min„ „ste Vuur. Dingsdag den 5: Maij, het seijn door de hoofden om aanbord te ko„ „meij gedaen sijnde, rapporteerde deselve dat het drink water seer begon te miiederen, dat het selve hier niet te bekomen en soo men het al onder naandmn tof wassier te soeke, men niet versekert kan sijn of de vijand het selve niet ver„ „giftigt hadelen, dat wanneer door eenige in Conveniente, keij niet kunnende aan doen op geen water voor dat wij op banda kwamen konde hoopen. De teekenaer die bij sijn vertrek van Banda, door de Sorge van u wel Ed: agtb: soo veel mogelijk den aller vovirsien is, ja selfs dat sonder Eijge ont„ „blooting weegens het swakke guarnisoon niet meer konde toevoegen, als sijnde de postijn kwalijk- besel; had gehoopt dat dus de magt gelijk het algemeen gevoelen was, toerijkende soude geweeste sijn om oudgier te verro„ „vere, Da den teekenaar die sig het selve nooit ligt voorgestelt, heeft, had eg„ „ter nooit gedagt dat sulk E„n magtige tegenstand: soudde gevinden, hebben; geene mogelijkheijd om eenig secours te vragen; en den burger Hendrik Iacobsz die de teekenaar hoopte dat in het Laeste der maand Maart de reijse na Banda soude ondernomen hebben, dog door wat toe val sig nog op keij volgens rapporten op houd, dit dan meede teegen gevallen, en uwel Ed: Agtb: hier derre van de toedragte der saken tegen wijn vervragting, on bewust geblee„ „ven 1 „van, heb ik mij geene gelegentheijd laten ontslippen, en gen ogen blik versuimt wanneer ik dagt eenig voordeel te kunnen doen, met een magt die in het Eerst aansienelijk, dog door des altert seer gesmoten is, dus in tijpe overweging nemende, dat ik inde tegen woordige situatie daar al de hoofde mij sulks als onmogelijk voor stellen, niets verder konde beginnen om door een onsekere en twijffel aigtige uijt sleeg niet alles te reficeeren, dierhalven het beste te sijn de Steven hoe eerder hoe liever na Banda te wenden sonder Gordimn aen te doen, het geen nu enmogelijk was alsoo wij niet bestaant waren om een sig daar gereed houdende vijen: het hoofd te bieden, voor al nu de kruis orembraijs te veel geleden hadden, daar ik anders ter volvoering van dit gewenst voor nemen, waer door ik hoopte en verkomen vertrouwe en goed keuring mijner, opper gebeedens te Sullen mo„ „gen weg dragen, niet geschroomt heb om mijn Eijgen belangen aan op 't offeren, en in deese gantsche affairen, niets tot Eijge voor deel bejaagt, waar van het mijne om den landaerd tot de dE Comp: over te halen en daar door den oudjerees te verswrakken besteed heb: Is de algemeene wensch, sijn mijne pogingen en de „groote kosten besteed tot het wel sin van Bandas ingesetenen niet na de verwagting uijt gevallen, ik hoop egter dat mijne verrigtingen die steeds ge„ „werkt, en met geheel verugteloos geweest sijnde, om den vijand alle mogelijke af breuk te doen; en een vrije toets van ondersoek kunnende veele de goedkeurin„ „ge van uwelEd: Agtb: sullen mogen weg dragen, duasiende ik mij vlije, dat bij den „ne nader te doene onderneminge, die ten hoogste nordsakelijk is om de aan„ „gelegentheijd van de plaets, die aanders een pchuilmest vor alle rebellerende na„ „tien sal sijn principael der oosterse eijlanders, van beter effect sal wezen, dewijl nadere tijdingen sullen bevestigen, wanneer de door mij agter gelaten eijgen orembaaij waer meede de Christenen van wammer in de maand augu„ „stus, na dat Sij met behulp der alphoeren eenig voordeel op de oudjereisen an hunne klijne negorijen sullen gesegt hebben, mede staen over te komen, dat

NL-HaNA_1.04.02_3864_0459 view scan ↗

English

the Oudjirese having lost their foremost chiefs, and provided they are not given a long time to gain new followers, will not be able to offer sustained resistance. Having assured the Alfurs that the Honorable Company will not abandon them, so that they, being now provided with various necessities at least for the coming year, can hold their own, will not defect to the Oudjirese, and on the contrary will cause them all manner of damage, I thereupon gave direct orders to prepare to set sail. Having already previously supposed that we must eventually depart, and having settled everything with the Alfurs so that there was nothing more to transact with them, I nevertheless, in order to conceal my intention, gave those who came aboard to understand that due to a lack of water I would attempt to sail to Wokkum or Dobbo, and that they, being roughly 80 vessels strong and expecting to be reinforced at any moment by 60 from the Cabberoors who were already behind Oudjier, should sail ahead and await us off Wokkum. This they did, whereupon our fleet also set sail, the draftsman remaining at anchor before the river with the penjaling De Oppas and the Jonge Willem until all the small vessels were at a certain distance from the shore and could not be overtaken by the Oudjirese if they should attempt to come out. After which they weighed anchor and sailed close to the wind along the shore until beyond the point of Oudjier, the wind being so southerly that we could not reach the shore of Wokkum, much less Dobbo. In the afternoon at 12 o'clock, the draftsman gave the signal to brace around and continue the course toward Keij. Upon sailing out of the passage, the draftsman thought he observed that one of our Alfur vessels, seemingly punting along the shore, was holding conversation with some people seen on the beach, likely people from Coemnoel who, upon our arrival at Arouw according to authentic reports, were still with the Oudjirese and later came over to us. In order not to frighten the other Alfurs, the draftsman had to let this pass unnoticed for the time being, though once affairs had turned out satisfactorily, he would have taken his measures regarding it. Having already learned this upon the draftsman's first arrival, and all the settlements on the promontory belonging under the orang kaya of Wokkum adhering to the Oudjirese, it was not advisable to establish a post either at Wokkum, much less at Dobbo, since the garrison to be left there would not enjoy a moment's rest as long as Oudjier is not conquered and its adherents are not removed from them. Furthermore, the draftsman maintains that there is no better, more suitable, and more advantageous place to establish the Company's post than on Oudjier, and that with little effort, as everything required for it is at hand, and being of itself sufficiently secure to withstand a sizable enemy force and without fear of being surprised. Toward evening the land of Arouw was already out of sight, when we encountered heavy weather from the northeast, which shortly produced a very high and raging sea, causing the penjalings to take water over the gunwales and seeming ready to capsize. Owing to the heavy cross-seas, the vessels could not be steered. After midnight, the orembai broke loose from the tow-rope, and a Tenimberese named Saaijd, wishing to bail the water out of the boat and not daring to haul it close aboard because of the hollow seas, slid down along the tow-line and had a piece the size of a musket ball bitten out of his shinbone by a shark, but was fortunately rescued immediately. Wednesday the 6th of May, passed the west point of Keij at sunrise. Apart from the large vessels, could catch sight of none of the orembais except Poelo Aij. Saw that the Jonge Willem, the Gedult, and Lonthoir had lost their boats, the wind and sea still being just as violent, so that water was constantly coming inboard and the vessels rolled wretchedly. Were greatly concerned for the Ambon orembais, as we did not see them until evening. At sunset saw the islands of Kouwer, Booij Calmeer, and Tieuwer; set the course between Tieuwer and Booij Calmeer. During the night had heavy squalls with a high running sea, first from the south, and thereafter from

Dutch transcription

117 de oudjereesen hunne voornaeme te hoofden verlooren, en in dien hun geen lange tijd= word gelaten, om nieuwe aanhang te krijgen, geen aanhoudende wederstand kunnen bieden in de alphoereesen versekert hebbende dat d'E: Comp: hun niet verlaten sal, dus sij ten minste voor het aanstaande Jaer als nu van het een en ander voor sien sijnde, het kunnen gaende houde, den oudgereers niet toe vallen, en tegendeel hem alle af„ „breek doen sullen hier op gaf ik directe ordre sig gereed te houden, om onderseijl te gaan, reeds te voren, onderstellen der wijse eens moest vertrekken, met de alphoeren alles verhadelt, due niets meer met hun te bestellen, gaaf ik egter om mijn voor„ „nemen te bedekken, aan de aanboord komende, te verstaan, dat ik door gebrek aan water wokkum of dobbe soude tragten te beseijlen, en dat sij lieden rum 80: Vaartuigen sterk en alle oogenblik met 60: van de Cabberoors die reeds agter oudhier waren stonden vermeerdert te worden voor uit seijlen en ons voor wokkum soude inwagten het welk sij deden, waar op onse vloot mede onder seijl ging, blijvende den teekenaar met de pantjalling de oppas en de Ionge Willem soo lang voor het rievier ten anker leggen tot al de klijne vaartuigen, op een seekere distantie van de wal, en door de oudjereesen wanneer sij wilde ondernemen om bui„ „ten te komnen niet konden agterhoelt worde; waar, na anker ligten en bij de wind langs de wal hun seijlde tot buiten de hoek van oudjier, sijnde de wind soo suidelijk dat wij de wal van wokkum veel min dobbe konde beseijlen Smiddags om 12: uuren deed den teekenaar seijn van afbrassen en Coers vervol„ „gen niae keij, bij het uit seijlen van het gat, meen deden teekenaar te bespeu„ „den, dat een onser alphoerenese vaartuigen langs de wal quasie met stak„ „ken settenden met eenig volk dat op strand gesien wierd gesprek hield denkelijk volk van Coemnoel die bij onse komst te arouw volgens eg„ „ter rapporte nog bij de oudgereesen geweest, en naderhand bij ons gekomen sij, en het geen den teekendar om de andere alphoeren niet afte schrikken, voor eerst als ongemerkt heeft moeten laten passeeren, dog wanneer de saeken nagenoegen. Is nagenoegen waen afgeloopen sijne maet regulen daer omtrent genomen soude hebbe dit bij de eerste komst van den teekenaar reeds er varende, en alde negorijen aan het voorland die onder den orangkaaij van Wokkum gehooren, de oudjereesen aanhand „gende, is het niet raadsaem geweest om een post nogte wokkum, veel min tot dobbe op te weepe, dewijl de daar te latene besetting, soo lang oudjier niet verrovert, en dies aanhang van hun verwijdert in, geen oogenblik rust soude Ge„ „nieten, beit, dat den teekenaar sustineert dat en geen beten en geschik ten plaets en voor „deliger is om den Comp:s post aan te leggen den op oudjier, en dat met wreinig moeijten als het geen daar toe benoodigt allers bij de hand, en van sig selfs Genoegsuem versekert om een goede vijandelijke magt te kunnen weder stae, en voor geen over rompelinge te vreesen tegen, den avond was het land van Arouw reeds uit het gesigt wanneer wij een swaer weer uit de noord oosten krege, waar door binnen korten een seer hoog en verbolgen see instond waer door de Pantjallings met het boor aan siel water kwamen, en scheenen ten onderste boven te sullen keeren, zijnde dir de swaere dwarsseen, de vaartuigen niet te regeeren na middel nagt sloeg de orembaaij van het sleep touw weg, en een tenembereer Saaijd genaamt het water uit de schuit willende hoose; en voor de holle sie niet durvende digt aanboord hale, liet sig langs de sleeper gleijn, en wierd door een haaij een stuk ter grote van een baskogel uit het scheen been genepen dog wierd ten Eerste gelukkig gered. Woensdag den 6 Maij passeerde de west hoek van keij, met sons opgang„ konden buiten de groote vaartuijgen geene der orembaaijs als poelo aij te sil„ krijgen Jagen dat de Ionge Willem, het gedult, en lonthoir Sijn schuiten verlooren had, sijnde de wind en see nog even geweldig soo dat het water geduur„ „rig binnen bord, en de vaartuigen, elendig slingerde, waren grootelijks door de ambonse orembaeijs bedugt, dewijl deselve tot savonds toe niet en Sagen met sons ondergang sagen de Eijlande van kouwer, booij Calmeer en Tieuwer, stelden de koers tussen teuwer, en booij Calmeer, hadde snagts hevige buijten met een hoog gaande See, Eerst uit het Suida, en daar na uit

NL-HaNA_1.04.02_3864_0461 view scan ↗

English

119 from the south-east, which caused the vessels to pitch frightfully and take on a great deal of sea water, being almost unmanageable because of the Soraere current that ran against the wind. Thursday the 7th of May, at sunrise, we had the island of Teeuwer about three miles off, astern of us the pantjalling the Jonge Willem ahead, which was pitching miserably, and three vessels behind us, though we could not make out who they were; in the forenoon we saw to leeward of us three orembaais, one of which approached us a little, bailing water with all hands, having lost their small orembaais; towards noon we resolved to run ahead under small sail, as at sunset we could not get Banda in sight, and because of the high sea, if we had to heave to, it would be almost impossible, since due to the heavy pounding the sea water constantly came on board, and we expected that everything from above would come down; in the evening at eight o'clock we made full sail as the weather had calmed down completely; at one o'clock at night we saw the land of Banda, recognized the same as Rosengaijn, fired some signal shots for the other vessels, and passed Friday the 8th of May in the morning at daybreak the same, setting our course towards the gat of Celamma, and subsequently towards the Banda roads, where at circa 10 hours in the forenoon I came to anchor with all the vessels, except the orembaai of Ihamahoe, which having certainly gotten beside the high land, continued its course to Amboina; saluting the roads with 11 cannon shots, which was thanked with 9 shots by the Castle Belgica; going ashore and being received at the pier by the gentlemen members of the Political Council, and conducted to the Government house, I had the fortune to receive, not without great emotion, a most cordial reception from your Right Honourable, who I hope will place the trust in me that I have done my duty to the best of my ability. The account of my actions being herewith ended, I have the honour the honour to call myself, with all feelings of high esteem and respect. Below stood: Right Honourable and Esteemed Gentlemen; lower: your Right Honourable's humble and obedient servant; was signed: N: A: 'S Gravezande; in the margin: Banda, at Castle Nassau, the 20th of May Anno 1789. Agrees. P: D: M: Van der Aa Secretary 1 121 Citation therefrom of the outcome of that expedition. It being merely deemed fit to note from this report or account that, although the outcome of this large expedition did not meet the desired fate, all the less so as some of ours have fallen and been wounded, on the other hand it must have given some satisfaction that ours conducted themselves bravely, that the deeds were not at all fruitless, and that the balance stood just as strongly on the side of having overcome everything as of being content with that which has now been done; that the hostile negorijs Samma, Vangabel, and Lama have been captured and destroyed, and have lost two prominent chiefs, Jasta and Jaron; that the enemies have suffered several dead and wounded, and that among the fallen are two prominent chiefs of Oedjier, Saleman and Sabetoe, with his son Compteer, and an elder of Samma, Marij, and the vedjerras Jasoera, son of the orang-kaij of Vangabel, Abdul; the 26th of May 1789. That To inform Their High Excellencies thereof, sending over the report. That the Alfur and inland people have come out in crowds, have defected to us, and have allied themselves to the Company, who have brought out hidden Christians whom they had protected against the enemy or retrieved from among them, and have rendered further good services by attacking the enemies in their manner, who brought out several heads of Oedjierese and Gorammers massacred by them, and, contributing to their reduction, also intercepted the named Malcassa, leader and chief in the surprise attack on the post at Aroe, whose head they handed over, along with the priest Pagugien of Vangabel, a prominent accomplice and instigator in the murder of the post personnel, whom the Alfurs had captured alive and, in the sight of ours, having reproached him for this, cut off his head, and also delivered from the enemies the Gorammer Cossa, who has been brought up. Meanwhile it has been resolved, at the earliest opportunity, to present Their High Excellencies with the aforesaid report of the expedition separately, with a letter that makes the required short 123 the 26th of May 1789. and to request assistance and permission to resume the enterprise on Aroe. native auxiliary troops, after completion of affairs, with the subsequent citation thereof; and furthermore, as it is judged that in the month of February or March next the enterprise on Aroe ought to be resumed, because both the interests and the Company's authority demand this in the highest degree, and the Oedjierese, being now left no time to recover and seek a following, will perhaps be able to offer less prolonged resistance, and as this requires a rather considerable assistance, because it is necessary for the internal condition itself of a province like this one, which, being isolated and finding little reinforcement within its own bosom, can therefore all the less spare, in special circumstances, three hundred soldiers well beyond the establishment for ordinary times! Being most strongly persuaded thereof, to pray Their High Excellencies for a reinforcement of 200 soldiers for the garrison and employment therefrom abroad, and another two hundred capable native auxiliary troops, especially for the expedition, all fully armed, in addition to two suitable artillery officers and six non-commissioned officers, which latter auxiliary troops, after completion of affairs, with the next ship

Dutch transcription

119 uit het Suid oosten waar door de vaartuigen schrikkelijk slingerde en veel see water overnemende, sijnde door de Soraere Stroom die tegen de wind in liep bij na niet te regeeren. Donderdag den 7 Maij met sons opgang hadden het Eijland Teeuwer Circoe drie meijle, agter uit de pantjalling de Ionge Willem dinars voor uit, die elendig Slingerde, en drie vaartuigen, agter ons dog konde niet beken„ „nen wie sij waeren in de voor middag sagen aan lij van ons drie orembaaij waar van een die ons een weinig nader de, met alle man water hoofde, hebben„ „de hunne klijne orembaalijs verloren, tegen de middag desolveerden, om het met klijn Teijl voor te laten loopen, de wijl met sons ondergang Banda niet en 't gesigt konde krijgen, en door de hooge see wanneer wij moeste bij daa„ „ijen, bij na onmogelijk soude sijn, alsoo door het sterk stampe, het seewa„ „ter continueerlijk binnen boord, en verwagte dat alles van boven neder soude komen, sarvonds om agt uuren maekte kragt van seijlen alsoo: het weer geheel bedaard was, 'snagts om Een uur sagen het land van banda erkende het sel„ „ve voor Rosengaijn deeden Eenige seijn schooten voor de andere vaartuigen en passeerde op Vrijdag den 8: Maij 's morgens met het aanbreken van den dag het selve, Coer stellende na het gat van Celamma, en vervolgens na de ban„ „dase Rheede, alwaar Circa 10: uuren in de voormiddag met alle de vaartui„ „gen, behalven de arembaij van Ihama hoe die seeker beseiden het hooge land geraekt; sijn Coer na Amboina heeft door geset ten anker knam Salueerende de Rheede met 11: Canon schooten door het Casteel Belgica hier op 9: schooten bedankt wierd, mij aan land begevende, en door de heeren leeden van Politie aan het see hoogd gerecipieerd, en na het Gouvernement ge„ „leid, had ik het geluk om niet dan met Groote aandoeninge een aller„ minsaems te receptie van uwel Ed: Agtb: te mogen, ontfangen, die ik hoop het vertrouwen in mij te sullen stellen dat ik na mijn vermogen mijn pligt heb voldaen. Het verhaal mijner verrigtingen, hier mede ten Eijnde sijnde Ifeb ik de eere eere met alle gevoelens van hoog agting en Eerbied mij te noemen. /:onderstond:/ wel Edelen Agtbaeren Heere en E E Heeren /lagero/ uwel Edele Agtbare onderdanige en Gehoorsame Dienaar /:was geteekend:/ N: A=s 'S Gravezande :/ ter zeijde / Banda Ten Casteel Nassauwde den 20: Meij A„o 1789: — Accordeert. P: D: M: Van der Aa Secretaris 1 121 Aanhaling daar uijt van den uijtslag dier Expeditie. Worden de alleen goed gevonden uijt dit Berigt of ver„ „slag aan tetekken dat of Schaens den uitslag, dezen Hroese Expiditie het gewenscte lot niet getroffen heeft, te minder daar eenige van de enze zijn Gevallen en gegeest, het aan de andere zijde weeder eenige voldoening heeft moeten geven dat de on„ „ze zig dapper gedragen hebben, dat de verrigten gantsch: niet vrugtelors zijn geweest, en het even zo sterk gestaan heeft na de zijde om alles te overwinnen als om zig te vergenoe„ „gen met het geene nie gedaan is, dat de vijandige Negorijen Samma, vangabel en La„ „ma, ingenomen en verneeld zijn, en twee voornaame Hoof„ „den Jasta en Jaron verloren hebben; dat de vijanden verscheide dode en gequesten bekomen heb„ „ban, en onder de gesneurvelden zig bevinden twee voor name Hoofden: van oedjier, Saleman en Sabetoe, met zijn zoon Compteer, en een oudste van Samma Marij, en den vedjer„ „ras Ja soera zoom van den orang kaij van Vangabel Abdul; den 26. Maij 1789. dat Hun Hoog Edelens hier van kennisse te geven onder over „zending val het verslag„ dat de Alphoeren en Agterlanders in menigte uitgekomen, ons toe„ „gevallen en aan de Comp: verbonden zijn, die versteden Charisten deese tegens den vijand bewaerd of van onder hun gemeld gee„ „haald haden, uitgebragt, en verdere goede diensten gedaan hebbe„ met de vijanden te bespringen na hunne wijze, die verscheide koppen van dver hun gemassacreerde oedijereesen en Goroim„ „mers uijtgebragt - en tot vermandering beverend ook agter „haald hebben den genamanen Malcassa aan voerder en hoofd in de overtompeling van de Cost t Aroe, mens kop zij aan de overleverden, met den Priestar Pagugien van van gabel en voorname mede pligtige en aandringer op het vermov „den der Postelingen, die de Alphoeren levendig in handen verkregen hadden en in het gezigt van de onze, hem det ver„ „weten hebbende, het Hoofd afgesloegen en ook uit le verden van de vijanden den Gorammer Cossa die opgebragt is. Jntusschen is besloten, bij eerst komende gelegendheid Hun Hoog Edelens het voorschreven verslag van de Expiditie af zonder, „lijk aan te bieden, met een Missive, bij die des wegen de vereischt korte 123 den 26 Maij 1789: en te verzoeken om adsistentie en permissie tot het hervatten der onderneming op Nroe„ als in den teyz Jnlandse zulptroepen ^ na verrigting van zaken, met het na„ korte aanhaling doet, En, wijders daar men oordeeld dat in de Mlaand Februarij of Maart aanstaande de onder„ „neming op Aroe hervat dient te worden, want beide het Belangen ssComp: Gezag dit ten hoogsten vorders, en de 6 oedjereesen nu geen tijd gelaten, wordende om zig te herstellen en nu aanhang te zoeken, somtijds minder aanhoudende we„ „derstand zullen kunnen bieden, en nu dit een te aanmerkelij „ker onderstand vereischt;, om dat die nodzakelijk is tot de in wendige toestand zelve, van een Provintie als deze die afgezondert en in den eigen Boezem weinig versterking vinden, dus te minder in bij zondere gelegendheeden Bree Hondert Militairen rulijm aan de bepaling voor ordinaire tijden ontbeeren kan ! als daar toe op het sterkste geparsu„ „adeert, Hun Hoog Edelens te bidden van versterking met 200: Militairen voor het Guarnizoen en het em„ „ploij daar uit na buiten, en nog Twee Hondert bequame ^ bijzonder voor de Expeditie, alle onder hunne volle wapenen, beneevens twee ge„ „schikte Arthillerij officieren en ses onder officieren, welke laatste Hulp troepen Schip toe toe„

NL-HaNA_1.04.02_3864_0466 view scan ↗

English

the ship could be sent back cruising again; and that it may be permitted to lay up the ship here, which was to remain until the autumn; and omitting nothing, to be allowed to let it drop down with the small vessels on an expedition to Aroe to serve as a suitable storage and retreat place for the crew and necessities for a long voyage and in a dry place, where even water must be brought, and also the multitude of Alfoors coming to our aid must be provided with food by us for that time, which keel, subsequently placed in front of the negorij Oedjier with its heavy artillery, and all the sooner as three or four twelve-pounders would principally command the same, can effectively cover the landing, as this has been observed and is judged by experts that this can be done without exposing the ship to any particular dangers, while also, in humanly possible care for the vessel, it can be provided with knowledgeable and capable seamen for that purpose, with which unbroken assistance one can also make the necessary arrangements with less embarrassment, in time 125 and calmness, which, according to the thoughts of this Government, seem to require that it be done from the Government itself under a capable head, because with the local knowledge of the native and principally the Alfoor in Aroe one will act in his distinct ways, and thereby seek the best not only for the present but also for the future, just as that Alfoor who has now been enticed and bought in the inland manner to act against the Oedjierese, and again longs for the speedy arrival of our people, must be kept and bound with the greatest patience and gifts of cloth and the like, but through not the slightest mistreatment in his wild nature may any mistrust of the Company be aroused, because they would then hide there and grant hiding places to the Oedjierese and betray us, from which no European power can easily extract them, and the capture of the negorij Oedjier would then be of little use, but it would possibly remain so for many years before it the 26th of May 1789 Demonstration of the necessity to visit the surrounding islands. Conference held with the Kei islanders on their land and a contract concluded. would be a work of substantial effect, since they have now undertaken and promised, upon the capture of Oedjier, to bring out and hand over the fleeing Oedjierese from the forests, and in that manner one must work best with them, while it has also already been found a requirement for many years to pay a visit with a force for safety to the surrounding islands in that region, in order to remove from the minds of the inhabitants the prejudices which the mistreatments in the name of the Company, and particularly the deceitful Gorammers and Cerammers acting their part everywhere, have aroused, since these have constantly set the islanders against the Company and made them fearful, in order to make their fame and profit from their staying away from Banda, just as in the latest expedition fruitful work has already been done in this regard, and it is expected that those of Klein Keij will come down again, at least there are signs of this in those of Groot Keij or so-called Bandanese Keij islanders, of which the separate Resolutions dated 24 December 127 the 26th of May 1789. Which contract, with the minutes of the conference, is offered to their High Excellencies. To send the captured Gorammer Sossa under secure guard to Batavia. To write off the wages of the deceased crew members. last past make mention, which, as a sign of their good professions, voluntarily and willingly concluded a contract on their own land with our people on the 18th of February of this year: Just as it has been agreed to note that this contract, accompanied by the minutes of the conference held with this native people on that day, was presented today by the fleet commander, the Secunde Mr. SGravezande, alongside the aforementioned report, and reading was taken thereof, to be likewise offered to their High Excellencies. Furthermore, it has been approved to send the aforesaid Gorammer Cassa, captured from the enemy and brought in, under secure guard to Batavia, with a request to the Honorable High Indian Government to send him elsewhere or to deprive him of the opportunity ever to return hither or to his land. It was also resolved to have the wages written off of our crew members who perished in the expedition, as is required. And to dispose further concerning what was lost and consumed on the yacht. To give notice to Amboina and send back the vessels and crew. And instead of... to retain only 16 soldiers... And with respect to the consumed goods and what was lost on that voyage, it was understood to await the statements and proof thereof from the Secunde and Fleet Commander Mr. 'SGravezande, and to support everything with his Honor's testimony, in order then to dispose thereof as required. Regarding Amboina, it was subsequently approved upon the proposal of the Governor that his Honor give the necessary notice concerning these matters to the Governor of Ambon, Schilling, and therewith, with thanks for the offered assistance, send home the vessels and crew from there; while the soldiers who were necessarily retained here last year from the detachment then sent thither, and whose weapons were also charged to this Government, having been reunited with the latest auxiliary troops for the expedition and some of the same having deceased, it was resolved, in order not to be too burdensome,

Dutch transcription

schip weder kruwnlen morden terug gezndeni; en dat het gepermit„ „teerd mag noeden, om het schip dat hier tot te najaane moest blijven overleggen; en niets verzuimt, met de kleine Vaar„ „tuigen in Expiditie na Sroo te mogen laten af zacken tot een geschikte Berg en retraite plaats voor de Manschap en behoeftens tot aen lange togte en op een drake plaatse, waar zelfs het weeter gebragt, en ook de te hulpe komende menigte Alphoeren hier mee„ „de, voor die tijd, en met kost door ons voorzien moeten worden, welke kiel vervolgens voor den Negorij Oedgjier geplaatst met zijn swaar gepchut / en te eerder als dezelve daie of vier Tmaalfs Ponders voorl:k dezelve bestrijken dwingen, en de Lading met offecte decken kan, zo als dit g' observeert is en bij des kundigen g' C oordeelt word dat geschieden kan, zonder het schip aan eenige bij zondere gevaren te exponeeren, ter wijl men ook in de mensch„ „mogelijke zorge voor den Bodem, dezelve met om dien vord kundige en bequame zee lieden kan voorzien met wel„ „ko min gebroken onderstand men ook min gegeneert met tijd 125 „tijd en bedaarlheijd den nodige bestelling en doen kan, die na de gedagten van deeze Regeering, scheinen, te vereisschen, dat uit het Gouvernement zelve, onder den bequdam Hoofd gedaan werden, want men met de plaatselijke kennissen den Jnlander en prim„ „Cipaal: den Alphoer te Aroe in zijn ondersheden huid handellen Ial„ en daar meede niet slegte voor de preseante maan ook voor de toekomende tijd het beste zaeken, Gelijk dien alphoer die nu„ gelokt en na Shande wijze gekgt is om tegens: de ordgereesen te ageeren, en weder verlangd na spoedigen komst van de onze, met de grotste patientie en giften van Wijze &=r mata gehouden en verbonden, dog door geen de minste verkeerde beham„ „deling in zijn woensten aard eenig mistrouwen op de Comp: verwoekt mag worden, want zig, daan verbergen en de oedje„ „reesen de Schuilplaatsen vergunnen an bezragen Zouiden, waar uit geen Europeese magt dezelve met gemake hallen kann en het inneemen van de Negorij bedjeer als dan wiinig ba„ „te maer het mogelijk nog lange Jaren heiden zouden eer het den 26. Maij 1789 een betoog van de noodzakelijkheit om de omleggende Eijlanden aan met de Keijeneesen op hun Land Conferentie gehouden en een Contraft gesloten. een werk van wezsentlijk effect meerde, daaase nue aangeno„ „men en beloofd hebben bij het ianeemen van bedjer, de vlugtenin „de ordijineesen uit de Bosschen te zullen dit halen en overleve„ „ren, en men indier voegen met hun het beste werken moets ter„ dier oord dok een viste te geven „ wijl het ook reeds sidert lange Jaren een vereijschte is gewon„ „den om de om leggende Ellanden aan dien oord: met een magt tot veijligheid een vesite te geaven, ten einde uit de gemoedenen van de bewoonders der voor oordeelen wegte ruimen die de mishan„ „delingen op de naam van de Comp: en bij zonder de arglistige Gorammers en Crammers /:over al hun rol specende:/ verwekt hebben, daar deeze, den Eilanders steeds tegen de Comp: hebben opgeset en bevreest gemaakt, om met het wig blijven derselve van Banda, hun gewoem en voredeel te doon Gelijk in de Jongste Expiditie in dezen reeds miet vrugts is gewerkt, en men verwagt dat die van klein keij eens weeder afkomen zullen, ten minsten zijn daar van de blijken in die van Groot keij of zo genaamde Bandasa keijneesen, waar van de Apparte Resolutien in dato 24 De„ 28 „cember 127. den 26„ May 1789. welk Contract met de ponsedentie Notuil teen keoug Ed: word aangeboden den gevange Goram merg Sossa, in verzekering na Ba„ „taver te zenden. de gagie vande ongekomen dse Manschappen afte schrijven „cember Ad:o p:s melding doen weden tot een blijk van hunnen goede betuigingen, op hun eigen Land, met de onze gewallig en belijde op den 18 Februarij deeses Jaers een Contract gesloten hebben: Gelijk verstaan is ten noteeren dat dit centract, verzeld van E de Notul van Conferentie met deesen Landaard ten dien dage gehouden, door het Vloot Hoofd den secunde DE: SGra„ „vezande nevens het voorschreeven verslog heden over„ „leid en daar van lectiden genomen is, om almede Hun Hoog Edelens aangeboden te worden. voorts is goad gevonden de voorsz: van de vijand gevan„ „gen en opgebragte Gorammer Cassa, in verzekering na Batavia te zenden, met verzoek aan de Edele Ho„ „ge Indiasche Regeering om hun na alders te zenden of de ge„ „legendheid te benemen, dat nimmer herwaards of op zijn Land te rug komen kan. Ook is besleten de Gargie van onze Manschappen die in de Expi„ „ditie omgekomen zijn, te laten afschrijven zo als het vereischt word „ de wig — en over het vermiste en verbruijkte op de Iagt nae„ „der te disponeeren „ge kennisse te geven en de vaartuijgen en manschappen te rug the zenden. en instede van zo als nee maar 16. soldaten aan te hou„ En ten opzigte van de verbruikte goederen en het vermiste op die Togt, wierd verstaan daar van de opgaven en aan„ „toning in te wagten van dan secunde en Vloot Hoofd DE: 'SCravezanden, en alles te baten sterken devor zijn E: getuijgen is„ „se, om dan deswegen ten dispineeren na vereisch na Amboina van het nijde, vervolgens is op de propositie van den Heer Gouverneur goed gevonden, dorde zijn Ed: den Ambons Heer Gouverneur Schilling, bitraffende dezer zaken den nodige kennisse te geven, en daar meede, met dantebetuijging voor geboden adsistentie, thuis te zenden de vaartuigen en Manschappen van daar: terwijl de Militairen die in het voorleeden Jaar van het toen thias gezonden Commande alhier hebben worden moeten aangehouden en welkers wapenen dit Gouvernement ook zijn aangereekent, weeder met de laatsten hulp troup„ „pen voor de Expiditie vereenigd en met eenige van dezelve overleeden zijnde wierd om met al te lastig te wezen, beslo„ „ten grond. „ da

NL-HaNA_1.04.02_3864_0471 view scan ↗

English

129 May 26, 1789. To excuse the Ambonese natives from the return of one month of board money. From the total, to retain only sixteen soldiers instead of the former twenty. For the Ambonese regents of the negorijs and orembaais of Bari, Wakasihu, Certhijen, Poielehoe, having been granted by request that they, as well as the still missing orembaais of Sila and Ihamahu, upon their departure on the expedition to Aru in the month of February last, having received to their satisfaction for themselves and their subordinates five months, or until the end of June, board money as the ordinances dictate, and rations of rice and salt until the end of this month, except the orembaai of Sila which did indeed receive the full board money, but no rations beyond the end of February, as nothing has since been heard of the same; thus the petitioners, having arrived back earlier than this fixed time, would notoriously have to return one month of board money, but they took the liberty respectfully to bring to attention that they, the petitioners, had not the least knowledge of the expedition for which they were employed before and until they, already returning with the Hongi expedition to Amboina and coming to the latitude of Manipa, were dispatched hither by the Right Honorable Lord Johan Adam Schilling, Governor and Director at Amboina; thus having found themselves unable to provide themselves with the necessities for such a long-lasting journey attended by many hardships, and without the extended support from here would have found themselves in the greatest inconvenience, since they, in a place where one could scarcely obtain any subsistence even at the highest price, had to employ this money to provide their subordinates with the absolute necessities, while by the heavy sea which struck the entire fleet between Aru and here, and wherein they thought they would lose their vessels, they were forced even to throw the greatest part of their provisions overboard, as by the seawater rushing in everything was spoiled, for which reason they hoped that they might remain excused from a repayment of one month of board money which they have already received, and that an absence of nearly six months from their negorijs, whereby everything of theirs is exhausted and the vessels in the service of the Honorable Company are entirely battered, might be taken into favorable consideration, flattering themselves to have complied as much as possible with the orders of the head of the fleet and to have contributed their part to make the planned expedition succeed, although through many extremities and an unexpected power of the enemy it did not succeed according to wish; so this having been discussed, and the required, among which their loyalty, having been taken into consideration, it was approved and understood to grant the petitioners' request and to excuse them from repaying the aforesaid one month of board money, for which they are also entirely destitute. 131 May 26, 1789. To readmit into service the native schoolmaster Abel Haulmauw, who went missing at Aru and has now returned. And to write back the pay of the absent postholders by some days. Approval of the separate resolutions of September 4. Having returned with the expedition fleet from Aru, the native schoolmaster Abel Haulmauw of Amboina, who went missing there during the surprise attack on the post and until today had remained among the Alfurs; so it was approved and understood, upon his request, to readmit him anew as schoolmaster in the Honorable Company's service with a salary of ten heavy guilders per month as he had earned, commencing on the first of June next. It was also made known by the pay bookkeeper that the absent postholders of Aru were written off some days too late, with a request for authorization for the writing back as is proper, so it was approved to authorize the said official thereto and to let the writing-off take place under April 13, 1789, as this latter date is cited by separate resolution of December 24. Finally, after resumption, the separate resolutions of February 4 last were approved. Thus done and resolved in Banda at Castle Nassau on the date aforesaid. Was signed: L. J. Haga, A. A. 's-Gravezande, J. F. Steinhart, J. A. Bangeman, B. van de Walle, P. D. M. van der Aa, and C. A. van Eyk. Monday, June 6, 1789. In the forenoon at eleven o'clock. Meeting of the Council of Policy. Present: The Right Honorable Lord Lambertus Janszoon Haga, Governor and Director of this Province. The Lords: Adrianus Anthonij 's-Gravezande, Senior Merchant and Second. Johan Fredrik Steinhart, Captain and Head of the Military. Johannes Hageman, Merchant and Head of Pulau Ai and Run. Johan Andries Bangeman, Merchant and Fiscal. Bartholomeus van de Walle, Junior Merchant and Resident of Waier. Petrus Dorotheus Maria van der Aa, Junior Merchant and Secretary of Policy. Cornelis Adriaan van Eijk, Junior Merchant and Pay Bookkeeper. Resumption, confirmation, and signing of the separate letter to Their High Mightinesses regarding the outcome of the Aru expedition. The Lord Governor having convened the meeting solely for the resumption of the prepared separate dispatch to the Honorable High Indian Government, which is dated the 4th of this month, dealing with the Aru affairs and the outcome of the latest expedition to those islands, the said dispatch was read, and thereafter the contents thereof were fully confirmed. And it is resolved to send the same in duplicate with the private vessels lying ready for their departure under the Chinese Tjio Djesoei and Lim Kintjiang. Finally, the separate resolutions of the 26th of the recently elapsed month of May were resumed and approved.

Dutch transcription

129 den 26. Maij 1789: de Ambonse Jnlanders te excuseren van de te rugga„ „ve van Een maand koptgeld „ten uit het geheel maar aantehouden Sestien Soldaten, in„ „stede van de Twintig eerste Voor de lmbonele Regenten van den Negorijen en Ooteven barijens van Barij Wackasieuwe, Certhijen Poielehoe, bij den Request ver „leand worden den tot zij zo wel alse de nog vermisten nrem„ „baijlen van Sela en Jhamahoer bij huem vertrek in rxpiditie na Arouw in de maand februarij laatstleeden, ten genoegen ontfangen hebbende voor hun en onderhorige vijf maanden of tot ult„o Junij kost geld zodanig als den ordirnnantien dicteeren en Randsoenen van Rijst en zoud tot ult„o dezer, behalven 2 de orembaij van Sila die wel met het volle kostgeld maer niet verder als tot ult„o Februarij Radtecaems heeft ge„ „noten, alzo sedert niets van dezelve varnamen wj dus de sup=t vroegen als dezer bestande tijd te wuig gekomen werzende notoir een maand kostgeld zouden moeten uitkeerlen, dog dat de vrijheid naemen eerbiedig onder het oog te brengen, dat zij Sup=te van de Expiditie waar toe zig g'emplojeerde zijn geen de minste kennissen gedragen hebben, voor en al eere zij reeds 208 reeds met de Honge Togt naar Amboina terug kea„ ende op de Hoogte van Maija kemende dan den wedelen agt „baren Heer Johan Adam Schilling Gouverneur en Diricteile te Amboina herwaards gedepecheert mier„ „den dus zig buiten staet gevonden, om zig voor een zo lang„ 1 „durige en an veel ongemacken g'acares, derde Togjt van het nordwendige te voorzien, en zodanig bietiten de toegereekte oonderstand, van hier, sig in de grootste ongelegendheid zoude gevonden hebben, daar sij op een plaets maer men tot de hoogste Prijs kwalijk eenig onderhoud kon bekomen, deze Pennin„ „gen, om hun onderhorige van het allen nordwendigste te voor„ „zien, hebben moeten emplojeeren, terwijl zij dor swaarn meer het welk de gantschie Vloot tusschen Arouw en hier getroffen 1 heeft, en waar in zij meenden hun vaartuigen te zullen verlie„ „sen genoodzaakt Sin geweest, om zelfs het grootste gedeelte van hun mondkost overboord te werpen, alzo door den praar 1809. 131 den 26 Maij 1789 den te Aroe vermiste en als nu te rug gekomen Jnl: swaar Leeren Nruwmann weder in dienst te nemen. inslaande, zee alles bedorven is, waer om verkroop teme daat van een weder uitkering, van een maand kost geld, het geen zij reeds ontfangen hebben, mogten gf'excuserde blijven en dat een af zijn van bij na ses maanden uit hunne Negorijen, waar door al het hunnen ten enden, en de vaartuigen indienst van de E: Comp: geheel ontramponeert zijn in quanstige Consideratie mogte komen, zig vlijende om aan de ordres van het vloot Hoofd zo veel mogelijk te hebben voldaan, en het haare toe„ . „gebragt om de voorgenome Expiditie te doen gelucken schoon door veele Extremiteiten in een on vermagt des vijands: niet naar wensch ware gereusseert; zo is hier over gesproken en het verensite, daar onder hunne trouwen in aanmerking en Cinsi„ „deratie genomen zijnde goedgevonden en verstaan der supp=ten verzoek te hooren, en derzelve te excuseeren van het weder uitkeeren van de voorsz: Een maand kostgeld waar toe zij ook volstrekt onvermogende zijn. Met de Expiditie vsloot van Aroe te rug gekomen zijn„ „de Agt„ mer„ trg erlie„ ti En de gagie van de absente Bostelingen einige dagen te rug te schrijven „solutie van den 4 7ber: „de, den aldaar bij overrompeling der Post vermisten en tot heden bij de Alphoeren verbleven inlands Leer meestere Abel Haulmauw van Amboina; zo weerd goed gevonden en verstaan, den zelven na zijn verzoek, op nieuw als seer„ „meester in sComp: dienst aanteneemen met een bezolding van Tiean sware Guldens ter maand zaals hij gewon„ mo. „nen heeft, ingaande met P=mo Junij aanstaande. Ook is door den soldij Boekhouder te kennen gegeven dat de absent gebleven Postelingen van Aroe eenige da„ „gen te laat zijn afgesoekt, met verzoek om qualificatie, tot de terrug schrijving zo als het behoord, zo is goed gevon„ „den gedagte Bediende daar toe te qualificeeren en de afboe„ „king te laten geschieden onder den 13: April 1717: Gelijk dit zodanig laatste rs aangehaald, bij apparte Resolutie van den 24: December. approbatie der Aparte Re„ Eindelijk zijn na genomen resumptie G'approbeert de apparten Resolutien van den 4. Febrular ij Laatstleeden. — /onderstond/ 14 /onderestend/ Aldus Gedaan en Geresolveert te Banda aan het Casteel Nassauw dato voorschreeven /was geteekend:/ L:s I=n Haga, A=s A: SGra„ „vezande, I=n F=s Steinhort, J=n M: Bange„ „man, B:s van de walle, P=r D=e M= van der Aa: en J=rn A„n van Eyk Maandag den 6: Iunij 1789: Des voordemiddags ten Elff uuren vergadering van Politie. Present Den welEd: Agtb: Heer Lambertus Janszoon Haga Gouverneur en Directeur deser Provintie. D' Heeren Adrianus Anthonij 'SGravezands Opperkoopman en secunde. Johan Fredrik Steinhert: Capitainen Hoofd der Militie Johannes Hageman koopman en Hoofd van P=lo Rij en Rhun. Johan Andries Bangeman Koopman en Fiscaal. den 26. Mai 1789. Bartholein dit Resumtie Confermatie en tekening van de Asparte Bricef aan Hun Hoog Ed=s over „tul: Bartholomeus van de Walle Onderkoopman en Resident van Waijer Pitrus Dorotheus Maria van der Ha onder Coopman en secretaris van Politie Cornelis Adriaan van Eijk ondercoopman en Zoldij Boekhouder. Den Heer Gouverneur de Vergadering alleen belagd hebben„ den uijtslan der Aproese Eqredeinde, ter Resumtie van de in gereedheit gebragte apparte Missi„ „ve aan de Edele Hoge, Indiasche Regeering, welke ged=t is op den 4: dezer, handelende over de Aroese zaken, en den uitslag der laatste Expditie op die Eijlanden, zo wierde gemelden Missive, gelezen, en daar na den Jnhoud van dien ten vollen geconfirmeerte En is besloten de zelve dubbelvoudig af te zonden met de op hun vertrek leggende particulier vaartuijgen, onder de Chi„ „neesen Tjio Djesoei en Lim Kintjiang. Eindelijk zijn geresumeert en g'approbeert de ap„ „parte Resolutien van den 26: der Jongst verweeken maand Maij. onderstond

← previousnext →