Inventory 3876
Coromandel · 984 pages · 135 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
The 14th of January 1791. to please leave the meeting and to give the freedom regarding that which his Right Honourable had to make known concerning him, which, having then been heard and complied with by van Halm, not without emotion, the Lord Governor read the following document to the members. Whereas the Noble Supreme Government of the Indies, by esteemed separate letter of the 17th of August last, qualifies me to suspend the merchant van Halm from the Company's service, should I find him guilty of the malversations that have been charged against him, I deem it necessary to give notice to the meeting of what appears to me in that regard at present, both from the documents 313. The 14th of January 1791. as well as the combined interrogation of the parties with and in each other's presence, in a hearing expressly convened for that purpose on the 8th of this month. I have deemed this hearing necessary, partly because the documents gathered at Jaggernaikpoeram shed only partial light, partly because that commission is suspected by the side of the accuser and it is asserted that all the attestations given therein were extorted and coerced, and thirdly because, when someone is accused, the closest and most convincing proof is both the standing by the complaints by the accuser and the refutation or admission thereof by the accused. From the answered articles lying here before me, it is apparent how The 14th of January 1791. Mr. van Halm and the party answered the questions posed in his presence, namely: 1. That, see the answer to No. 4, the books and papers of the last day of August 1789 were not yet in order, much less closed, in the late part of January 1790, and thus the three following months were also lacking in order to be able to make a liquidated and proper transfer. 2. That, see Article 5 and 8, the flight of the Masulipatnam merchants also constituted a reason why the office was not handed over to van Bijland, and that the Jaggernaikpoeram merchants were arrested in order to make them sign their settlement of accounts, which they, see the answer to Article 9 and 8, had refused because the chiefs did not pay them 314. The 14th of January 1791. their particular claims, and that during the period of four years commingling of accounts took place, as van Halm testifies, see Article 11, to have paid Pagodas 548 for their account into the Company's treasury for that period of four years, admitting fully in the answer to Article 12 that his private account was mixed with that of the Company with the merchants, just as the merchants stated in a Gentoo letter of complaint, both to the mentioned van Bijland in particular as well as one of virtually identical content dedicated to Mr. Tadama and the Council dated 5 February 1790, among others that van Halm owed them Pagodas 1304. 5. 1/4, besides The 14th of January 1791. other complicated matters concerning his former seconds De Ravallet and van Someren. 3. That van Halm, although he denies this, see Article 13, is nevertheless the cause of the discord that arose concerning the handover and accounting of the office, needing no other proof than the aforementioned commingling of the accounts, while the appeal to the answered questionnaires by the merchants, see Article 15, signifies nothing. The commingling of the accounts among each other is proven. That this gave rise to dispute during the settlement of accounts appears from the aforementioned letter of complaint of 5 February 1790, and that the embroilments arose through the delay in the settlement itself and that which was declared regarding it to Mr. van 315. The 14th of January 1791. Bijland, anyone can easily understand. No reliance can be placed on the questionnaires answered at Jaggernaikpoeram more than two months after the date. That which the appearers deny there, they state much earlier as points of complaint, such as the arresting in order to liquidate their accounts, while they even there, or in the questionnaires answered over there, state that the goods for which they had delivered linens, such as corals etcetera from Mr. van Halm, amount to about 1000 pagodas. They say they gave no costumados, and Mr. van Halm himself admits to having enjoyed them according to an old custom. 4. That The 14th of January 1791. 4. That, as the answer to No. 17 shows, all this caused van Bijland to raise difficulties about taking over the office on that footing, and especially regarding the enormous debts of the merchants up to 24000 pagodas, with which private accounts had crept in, among others of 23 bahar of copper in the year 1788/9 and 80 bahar in the following book year taken from the warehouses and made known as sold on one year credit, which latter Mr. van Halm, see Article 19, agrees was done without qualification from the meeting and on account of a request granted to him in private by Mr. Tadama, having been paid under the last of August last without interest, according to No. 20, 316. The 14th of January 1791. on the cost amounting to Pagodas 7185. 10. -, guilders 32334. 7. 8, which, at 1 percent per month, makes for one year Pagodas 8762. 6. -, guilders 3880. 2. 8, and must be reimbursed to the Company, passing over that regarding the first-mentioned 23 bahar, which, van Bijland says on Article 18, can be further demonstrated by Polloe Rammaija. 5. That in the very same sense, virtually as in question No. 22, he, van Halm, kept his successor van Bijland in the dark, at least did not give that disclosure of affairs as ought to be done to an incoming chief, without whom, for the balancing and accounting of the office, one must do or execute nothing, whereas van Halm neither consulted nor invited him, van Bijland
Dutch transcription
Den 14. Januarij 1791. gadering te willen verlaeten en vrijheijt te geeven van het geene van het gean zijn E: E: Agtb: ten sujette, dezelve bekend moeste moe„ ken, dat dan, niet zonder aendoe„ ning, door van Halm zijnde aenge„ hoort en opgevolgt, las de Heer Ge„ sachhebber de Leeden voor het onder„ volgende geschrift. Nadien de Edele hooge Indische regeering bij geeerde aparte lette„ en van den 17. aug:s aug:s Jongs„ leeden mij qualificeert om den koopman van halm de Suspendee„ ven in sComp:s dienst, zoo ik hem schuldig mocht bevinden aan de malversatien, die hem ten las„ ten zijn gelegt, oordeele ik nodig aan de vergadering kennisse te geeven, wat mij dien aangaande thans voor komt zoo uijt de stuk„ ken 313. Den 14. Januarij 1791. „ken, als het gecombineert verhoor van de partheijen met en in presentie van elkanderen, in eene op den 8 deezer daar toe, expres belegde com„ paritie Ik heb deeze comparatie nodig ge„ oordeelt, eens deels om dat te Jagger„ naikpoerams ingewonnen stukken maar ten halven licht geeven, ten anderen, om dat die commissie van den kant des beschuldigers gesuspecteerd en beweert word dat alle de daar in gegeeven attesten afgeperst en afgedwongen zijn, en ten derde om dat, wanneer iemant aangeklaagd word, het naaste en overtuigendste bewijs is, zoo het staan„ de houden der klachten door de aan„ klager als het wederleggen ofte be„ lijden van dien door den bekaagden. uit de hier voor mij leggende be„ antwoorde articulen consteert hoe„ daenig 1 de Den 14. Januarij 1791. daenig de heer van Halm en par„ tij, in zijn presentie op de gedaane vraagen hebben geantwoord, als 1/ Dat vide antwoord op No 4, de Boeken en papieren van ult:o Aug:s 1789, in het laast van Januarij 1790 nocg niet in order, veel min geslooten waren, en dus de drie volgende maanden ook ontbra„ ken om liquide en behoorlijk Transport te konnen doen. 2 Dat vide A:o 5 en 8. , het vluchten der Mazulipatnamsche kooplie„ den ook een reeden uijtmaakte waarom het kantoor aan van Bijland niet is overgegeeven, en dat de Iaggernaikpoeramsche kooplieden gearresteerd zijn ge„ worden om hen haare afreekening te doen tekenen, dat deeze vide antwoord op A: 9en 8. geweigert hadden om dat de opperhoofden haar 314 Den 14. Januarij 1791. „haar niet betaalden hunne bij„ „zondere pretensien, en dat wel „geduurende den tijd van vier Jae„ „ven dat er vermenging van ree„ kening heeft plaats gehad, als betui„ gende van halm vide A:o 11. voor die tijd van vier Iaaren Pag 548. voor haare reekening in sComp:s Cassa betaald te hebben, erkennende bij antwoord op art 12: volmondig dat zijne particuliere Reekening bij die van de Comp:e met de koop„ 6 lieden gemelleert is geweest, ge„ lijk de kooplieden bij een Jentief„ sch klachtschrift, zoo aan gem van Bijland in het bij zonder als een, van genoegzaam gelijken inhoud, gedediceert aanden heer Tadama en de Raad, de dato 5 februarij 1790 hebben opgegeeven onder anderen dat hen van Halm competeerde pag 1304. 5. /¼. , behal„ ven Den 14. Januarij 1791. „ven andere ingewikkelde zaaken, „raakende zijne geweeze secunde De Ravallet en van Someren 3:/ Dat van halm, schoon hij dat ontkent vide A„o 13. egter oorzalk is van de ontstane onEenigheijd om de overgave en verantwoor„ ding van het kantoor, behoevende geen ander bewijs, dan de voorsz: vermenging der reekeningen, terwijl het beroep op de beantwoor„ de vraag pointen door de koop„ lieden vide art: 15: niets beduit, Het vermengen der reekenin„ gen onder elk anderen is beweezen Dat dit bij de afreekening disput gaff blijkt uijt het voorsz klagt schrift van 5 februarij 1790 en dat de brauillerein, door het traineeren met de afnee„ kening zelve, en het derwee„ gen gedeclareerde aan de heer van 315 Den 14. Januarij 1791. van Bijland, ontslaan zijn, kan ieder een ligt begrijpen op de te Iaggernaik poeram ruijm twee maanden na dato beantwoorde vraagpointen is geen staat te maa„ ken. het geen de comperanten daar ontkennen, geeven zij veel vroeger op, als pointen van kladten gelijk het arresteeren om het li„ quideeren van haare reekeningen terwijl zij zelfs daar, of bij de ginter beantwoorde vraag pointen opgeeven, dat de goederen, waar voor zij lijwaaten gelevert had„ den, gelijk koraalen ensz van de heer van halm, omtrend 1000. pa„ goden bedragen zij zeggen geen cos Humados te hebben gegeeven, ende heer van Halm erkent Zelve, die, na een oude usantie te heb„ ben genooten — 4. Dat Den 14. Januarij 1791. 1) Dat, zoo als het antwoord op N=o 17. aantoond, dit alles van Bijland zwaarigheijd heeft doen maaken om het kantoor op dien voet, en wel inzonderheijd om de en ormi schulden der kooplieden tot 24000 pagooden, waar bij de particulier reekeningen waren ingesloopen onder anderen van 23. baer koper in anno 178 8/9 en 80 Bhaer in het volgende boekjaar uijt de pakhuijzen geno¬ men en bekend gesteld, als verkocht op een Iaar Crediet, welk laaste de heer van halm, vide a:o: 19. toe¬ stemt, geschiet te zijn zonder qualificatie van de vergadering en uijt hoofde van een in het particulier hem geaccordeert verzoek door den heer Tadama zijnde volgens N:o 20. onder ult:o aug:s Iongstleeden betaalt zonder intrest 316. Den 14. Januarij 1791. intrest op het kostende ten bedra„ gen van Pag: 7185: 10. –. ƒ32334:7. 8. dat, â 1 pr C:o: smaands, voor Een Iaar uijtmaakt pa/o 8762. 6. - ƒ 3880. 2. 8. , en aan de Compag„ „nie moet vergoet worden, negeeren„ dat aangaande de eerst gem: 23. Bhaer het welk, zegt van Bijland op art: 18. , nader kan aangetoond worden door Polloe Rammaija. — 5 Dat in dien zelven zin genoeg„ zaam als bij de vraag N:o 22. hij van halm zijn opvolger van Bijland blint gehouden, immers die ope„ ning van zaaken niet gegeven heeft, als aan een Aankomend opperhoofd behoort te geschieden zonder wien, men ter vereevening en verantwoording van het man„ toor, niets moet doen of verrich„ ten daar van halm, hem van Bijland niet geroeken of genodigt heeft
English
The 14th of January 1791. he had, during the packhouse session held for the acceptance of the linens from the merchants in reduction of the debts which van Bijland calls rags, and on that ground had raised difficulties about accepting them or taking them over at the transfer, and van Halm, on the contrary, seeks to maintain that they did not concern him as falling under his own accountability; That, see No. 23, certain costumados have always been taken from the merchants as van Halm specifies in his answer to No. 23, among others ordonnantie moneys upon delivery from the warehouses at 2 per cento for the chief and 1 per cento for the second, besides the 14th of January 1791. besides that which is given by the merchants to the servants, and further explained under No. 24, with the addition that van Bijland was supposedly aware of this; 7. That the copy of a certain paper on which those custimados are stated corresponds verbatim with the original or holograph writing of van Halm shown by van Bijland at the appearance, see No. 25; or that the same original paper shown to him, van Halm, is acknowledged to have been written in his own hand and sent to van Bijland in order to collect the still unpaid costumado moneys stated therein The 14th of January 1791. moneys from the merchants, and to enjoy his share thereof, with the addition that van Bijland is also said to have accepted this and promised to account for his due portion to him, van Halm, by bill of exchange, which costumados Mr. van Halm says have already been in use since the year 1737, see the answer to No. 26. But how is this now to be reconciled with His Honour's answer to article 2 of the Jaggernaickpoeram interrogatories, where Mr. van Halm refers the questions to what the merchants themselves would declare; and according to the answer of these, namely the Mazulipatnam The 14th of January 1791. Mazulipatnam merchants, see their answers to No. 4 of the interrogatory, Mr. van Halm never extorted any money from them, and the Jaggernaikpoeram ones, as appears from their answer to question No. 4, that Mr. van Halm likewise extorted no moneys from them under the name of costumados, nor debited their accounts therewith. Since the memorandum and the benefit acknowledged by Mr. van Halm show the contrary, does this not make the interrogation before this committee suspect? Can the exception that van Bijland is said to have made the aforesaid promise be regarded as anything other than The 14th of January 1791. than a snare that van Bijland set for him in order to catch him in that manner? If the costumado moneys could also be regarded as voluntary gifts, then they would certainly have been paid out directly, and how then was the commission to van Bijland to seek to collect the arrears appropriate? 9. That he, van Halm, traded in salt privately, as appears from his answer to No. 27, acknowledging the erection of salt pans for his own account, and that the Company was supposedly benefited annually thereby with 130 pagodas, that before his time no leasing The 14th of January 1791. leasing of that article had taken place, and that he would account for this further. Meanwhile, if, as shown by van Bijland at Nos. 28, 29, and 30, no real or free leasing takes place, and that the monopoly was conducted so grossly that during the war the Jaggernaikpoeram inhabitants could buy more salt for one dubbel, where now for six, what then will the further defense effect? All that can be gathered from this salt trade is, taken in the mildest sense, an excessive greed for gain to the detriment of the inhabitants; The 14th of January 1791. 10. That Mr. van Halm, see answer to No. 39, cannot positively deny that which van Bijland maintains to his face, namely that van Halm was supposedly the first to tell or reveal to him that Mr. Tadama shared in the illicit costumados to an amount of three thousand pagodas; for to answer "such a revelation does not occur to me" is too dubious in a formal appearance, and the informations cited and already given in that regard are also too strong to give no credence to the disclosure or revelation; 11. That that of which the chiefs The 14th of January 1791. chiefs etc. had the benefit, see answer to No. 44, consists of cash funds and the debts of the Mazulipatnam merchants, and that, as appears from No. 5, attempts were made to persuade van Bijland for 1500 pagodas to leave everything on the old footing and simply take over the office as it was; item that, as appears from the answer to No. 46, the departure or retreat of the Mazulipatnam merchants took place by arrangement of Mr. van Halm, to prevent them from uniting with the Jaggernaikpoeram ones; while all declarations to the contrary, and all attestations to demonstrate the contrary The 14th of January 1791. to demonstrate by van Bijland, see No. 47, shall be held to be fictitious, and see No. 48, it will be proven that the declarations were given through distress and coercion and are thus false; 12. That, see answer to art. 51, the endeavor to effect the aforesaid union of the two teams of merchants had already been a point of recommendation by the late Mr. Blaauwkamer, and consequently is no novelty; 13. That van Halm's objections against it, see No. 52, signify little or nothing; impossibility in a general sense signifies nothing, demonstration of the reasons of impossibility was necessary; 14. That
Dutch transcription
Den 14. Januarij 1791. heeft bij de gehoudene Pakzaal tot acceptatie der lijwaaten van de kooplieden in mindering van de schulden die van Bijland vodden noemt, en uijt dien hoofde Zwaa„ righeijd gemaakt had aantenee„ men, of bij het Transport te accepteeren, en van halm daar en teegen tracht te beweeren dat hem niet aangingen als loopende ter zijner verantwoor„ dinge Dat er vide N:o 23: altoos Zee„ kere costumadas vande koop„ lieden zijn genoomen zoodanig als van halm die opgeeft bij antwoord op a:o 23: onder andere ordonnancie gelden bij aflevering uijt de pakhuij„ sen â2 p:r Cento voor het opper„ hoofd en 1 prC=to prC:to voor de secunde buijten 6 317 Den 14. Januarij 1791. buijten het geen door de kooplie„ den aan de bedienden word afge„ geeven, en nog nader uijtgelegt sub N:o 24. , onder bij voeging dat van Bijland dit bekend zou zijn. 7 Dat de Copij van zeeker papier waar op die custimados bekent staan, woordelijk over eenkomt met het door van Bijland in de Comparitie vertoonde ori„ gineel of eijgenhandig geschrift van, van halm vide N:o 25 of Dat het zelve, aan hem van halm vertoonde origineel Papier, erkend word door hem eijgenhandig geschree„ ven, en aan van Bijland ge„ zonden te zijn, om de daar bij bekend gestelde, noch onbetaalde costu mado penningen voor„ 1 Den 14. Januarij 1791. „penningen van de kooplieden in te vorderen, en daar voor zijn aa deel te genieten, onder bijvoeging dat van Bijland dat ook aan„ genoomen, en beloofd zou heb„ ben, per wissel, aan hem van Halm zijn competente portie te zullen verantwoorden, wel¬ ke Costumados zegt de heer van halm al in het gebruik geweest zijn zeedert den Jaare 1737. vide het antwoord op N=o 26. Maar hoe is dit nu over een te brengen met zijn E: antwoord op articul 2. van de Jaggernai poeramsche vraag poincten, alwaar de heer van halm de vraegens renvoyeert aan het geen de kooplieden zelve Zau„ den verklaaren, en volgens ant„ woord van deeze te weeten: de Ma„ Zulipatname 318 Den 14. Januarij 1791. „zulipatnamsche kooplieden, vide haar antwoorden op N:o 4. van de vraagpoint heeft de heer van Halm hen nimmer eenige gel„ den afgeperst, En de Jagger„ naikpoeramsche, uijtwijzens haer antwoord op de vraag N:o 4. dat de hier van halm hen ook geen gelden onder de naam van costumados af geperst, noch haare reekeningen daar meede belast heeft. Daar de memorie en het door den heer van Halm erkende genot het tegendeel uijtwijst maakt dit de onder„ vraaging bij deeze commissie niet suspect. kan de exceptie dat van Bijland de voorsz belofte gedaan zou hebben wel anders aangemerke worden 1ane Den 14. Januarij 1791. „worden als een strik die van „Bijland hem gespannen heeft om hem op die wijze te vangen konde men de costumado pen„ ningen ook als goedwillige giften aanmerken, dan waaren ze zeeker direct uijtgekeert, en hoe quam dan te pas de commis„ sie aan van Bijland om het ag„ terstallige in te willen vorde„ ren 9. ' Dat hij van halm in het par„ ticulier zout handel heeft ge„ dreeven, uijtwijzen zijn ant„ woord op N:o 27. erkinnende de oprechting van zauthan„ nen voor eijge reekening, en dat de Compagnie Iaarlijks daar voor zoude bevoordeelt zijn met 130 pagooden dat er voor zijn tijd geene ver„ pachting 319 Den 14 Januarij 1791. pachting van dat articul plaats gehad heeft, en dat hij zich hier op nader zoude verantwoor„ den. Intusschen zoo er, gelijk de aantooningen door van Bijland op A:o 28. 29. en 30. geen reele of vrije verpachting plaats heeft, en dat het monopoluim zoo grof is toegegaan dat in den oorlog, de Iaggernaik„ poeramsche ingezeten en voor een duboe meer zout konden koopen, daar nu voor zes, wat zal dan de nadere verantwoor„ ding veel uijtwerken. Al wat men uijt deeze zout handel kan opmaken is een te verregaande winzucht tot laste van de Ingezetenen in den zachtsten zin genomen 13: D Den 14. Januarij 1791. 10:/ Dat de Heer van Halm vide antwoord op A:o 39. niet posi„ tief kan ontkennen het geen van Bijland in zijn face staan„ de hand, namelijk dat van Halm hem het eerst zoude ge„ zegd of geopenbaart hebben dat de heer Tadama inde onge„ oorloofde Costumados deelde tot een bedragen van drie duij¬ send pagoden, - want te ant„ woorden zodanig een openbaa„ ring staat mij niet voor is te twijffelachtig in een plechtige comparitie ook zijn de derue„ gen geciteerde en reets gege„ vene informatien te 'tsterk ^ om aan de ontdekking of open„ baring geen geloof te geevene 11.) Dat het geen, waar van de op„ perhoofden 320 Den 14. Januarij 1791. perhoofden C: s: het genot gehad heb„ ben vide antwoord op N:o 44. bestaan in cassa gelden, en de schulden der Mazulipatnamsche koop„ lieden, en dat, uijtwijzens N„o 5. men van Bijland voor 1500. pa„ goden heeft trachten te persu„ adeeren om alles op den au„ den voet te laaten, en het kan„ toor maar overteneemen zoo als het was, item dat, uijtwij zens antwoord op A:o 46 de uijtwijking of retraite der mazulipatnamsche kooplie„ den geschiet is door bestelling van de heer van halm, om te beletten dat zij zich met de Iaggernaijk poeramsche zouden vereenigen: terwijl alle betui„ tuigingen ter contrarie, en alle attesten om het tegendeel aan te Den 14. Januarij 1791. te toonen door van Bijland, vide N:o 47. voor verdicht zals gehou„ den, en vide N:o 48. beweezen zal worden, dat de verklaaringen door nood, en dwang verleend dus valsch zijn — 12) Dat vide antwoord op art: 51. de trachting om voorsz. ver eeniging der twee ploegen kooplieden uijt te werken bereets een point van recommandatie door wijlen den heer Blaauwkamer geweest, en gevolgelijk geen nieuwig„ heijd is 13) Dat van halms bedenkin„ gen daar teegen vide N:o 52. weijnig of niets beduijden on„ mogelijkheijt in een generaale zin beteekend niets aantooning der reeden van onmogelijkheijd Was noodzakelijk. — 14 dat
English
321 The 14th of January 1791 14 That the answer to Article 53 implies ignorance or unwillingness on the part of van Halm: indeed, nothing was more natural than the convening of meetings to consult with one another about that union, and for van Halm, as president, to show in a legally accountable manner that it did not conform with the orders of the Company, nor with his authority as departing chief, for others to confer and deliberate about this matter, or hold separate gatherings, outside his presence. 15. That the neglect thereof, or of holding a proper meeting on account of the difficulty that was foreseen according to the answer to Number 54, The 14th of January 1791. signifies the very same as if one preferred to endure and submit to confusion and division rather than seek the path to good understanding and unity, and as if separate representations were effective enough to thwart and bring to naught the separate counter-notion. 16) That in the meantime other measures, such as enforcing opinions by force of arms or with armed people, as one accuses the other, see Articles 20 to 83, the arresting of merchants, and other improper means, produced nothing 322 The 14th of January 1791. other than fear and dread among the communities, so that the Company's service and interest have been brought into the utmost hazard and danger. 17) That finally, therefrom and through the misguided notions and orders from here, those entirely dubious consequences have resulted, which are described and answered from Article 84 to 95, among others to forbid the elected chief, as accuser or informer of the disorders, abuses, and malversations, until further written notice, from interfering any further with the affairs of Iaggernaijkpoeram, and thereafter, when the smouldering fire had burst into full flame, when the meeting The 14th of January 1791 was insulted by insults and other extreme steps, to place van Bijland into actual criminal arrest, to have his goods seized, and likewise to have his people arrested, which currently causes the greatest commotion without the power of, or rather prospect for, redress until after a report of matters to, and obtaining a disposition from, the Honourable High Indian Government. 18) That in addition to all that is charged above against Mr. van Halm, there is also the debasement of the dabboes, dealt with in the Articles and answered from Number 57 to 74. Van Halm fully admits the alteration made 323 The 14th of January 1791. at Article 58; gives the reasons for it at Article 59, which nevertheless rests on arbitrariness; demonstrates himself at Number 61 that because more light dabboes than before were formed out of one bhaar of copper, the difference amounted to as much as 12 percent; does not answer directly to the main question, namely whether it is not unjustifiable to make alterations on one's own authority in the exchange rate of a coin specie, whose loss, besides this, is so severe and oppressive for the Company's servants, as he himself was forced to represent to the Council of Policy, declaring The 14th of January 1791. to have done this as an experiment, and for the reason that he did not want to propose a matter without first investigating whether it could succeed, without any proposal or demonstration of the alteration being found after the experiment, until after the mischief itself had leaked out or was reported, for according to Article 75 this tampering was never known to the honourable Mr. Tadama, notwithstanding that, according to a report made to me, it lasted three months in the year 1787/8 and 15 months in the following book year; what is more, according to van Bijland's statement at Article 63 of the articles, it was found in the month of February 1790 324 The 14th of January 1791 that this specie was even worse, and that upon reweighing 50 and 100 pieces at a time it showed a difference of 14 percent. Van Halm admits the difference recorded at Number 66, and that the weight of those reweighed in his presence was considerable; this difference had its influence on the weights, for, see Article 70 of the articles, the dabboes constitute the daily weight in the North, without him, van Halm, introducing anything on this subject that can serve to excuse his imprudent conduct. And The 14th of January 1791. And since the actual secret of the dabboes struck too light consists in this, that upon delivering the copper for it to the minters, the quantity of copper required for a bhaar of dabboes was not provided, or in specie, more dabboes were demanded than a bhaar of copper amounts to, I have had it calculated to what extent one has profited oneself hereby and disadvantaged the Company, in proportion to the copper that was provided for the minting of dabboes in the book years 1787/8 and 1788/9, and entered in the books, which, according to a written report made to me for the period of 15 months, namely three from the first book year and 325 The 14th of January 1791. twelve months from the last that it is known to have lasted, is calculated at 16 5/8 bhaar of copper, costing according to the usual Iaggernaikpoeram purchase price. . . . pagodas 1470:18:30: f 6618:9: —: added to this what the Company profits from the minting for this lesser amount of copper provided at 5. 12: 7: per bhaar, or for 16 3/8 bhaar 90. 2. 70. 405:10: 8: Thus the Company loses through the minting or lesser value of the dabboes of 6 to 14 percent - - - - - - - - - pagodas 1560: 2: 20: f 7024: 17: not counting what must still be added from the following book year, of which the books are not yet here, because the
Dutch transcription
321 Den 14. Januarij 1791 14 Dat het antwoord op A:o 53. on„ kunde of onwilligheijd van van„ Halm insluijt: immers was niets natuurlijker, dan de belegging van bij eenkomsten om met elkan„ der over die vereeniging te raad„ pleegen, en voor van Zalm, als voorzitten op een legale verant„ woordelijk wijs te toonen dat het met de orders van de Com„ pagnie, en zijn gezach als af„ gaande opperhoofd, niet voegde dat anderen buijten hem over deeze zaak confereerden, en delibereerden, ofte afzonder„ lijke samen komsten hielden 15. / Dat de nalaating van dien, ofte het houden van behoorlijke vergadering uijt hoofde van de moeijelijkheijd, die volgens antwoord op N:o 54. werd voor„ zien. Den 14. Januarij 1791. zien, even het zelfde beteekend als of men zich de verwarring en verdeeltheijd liever wilde ge„ troosten, en laaten welgevallen dan de weg tot goed verstaand en eenigheijd te zoeken en als ware afzonderlijke voordrag„ ten kragtig genoeg, om het gesepareert Contra begrip te verijdelen, en op niet te doen uijtloopen. — 16) Dat ondertusschen andere maatregelen, gelijk die om gewapenderhand of met ge„ wapent volk de gevoelens door te drijven gelijk de een den ander beschuldigd vide Art: 20. tot 83. , het arrestee„ ven der kooplieden, en andere ongeschikte middelen niet anders 322 Den 14. Januarij 1791. anders uijtwerkten dan vrees en schrik onder de gemeenten, zoo dat 's Comp:s dienst en belang in het uijtterste hazard en gevaar is ge„ bragt geworden. — (7) Dat eindelijk daar uijt en door de verkleerde begrippen en ordres van hier, zijn geresul„ leert die alzints bedenkelijke gevolgen, welke beschreeven staan en beantwoord zijn van a:o 84. tot 95, onder anderen om het geë„ ligeert opperhoofd, als aankla„ ger of aangeever der disordres mesuses, en malversatien te verbieden van zich, tot nader aanschrijven toe, niet verder met de zaaken van Iaggernaijkpoe„ ram te bemoeijen, daer na aftoen het smeulent vuur in volle vlam was geraakt, toen de ver„ gadering Den 14. Januarij 1791 „gadering geinsulteert wierd door injurie; en andere verre¬ gaande demarches, om van Bijland te stellen in een wer„ kelijk crimeneel arrest, zijn goederen te doen saisceeren, en zijn volk insgelijks te laaten arresteeren, het welk thans de meeste beweeging markt zonder vermogen of eerder uijt„ „p tot zicht „ redres dan na verslag van zaaken aen, en erlanging van dispositie door de Edele hooge Indische regeering 18) Dat bij al het geen voorsz staal tot last van de heer van halm noch komt de vervalsching der dabboes verhandelt in de Articuls en beantwoord van N:o 57. tot 74. van halm erkent de gemaakte verandering 323 Den 14. Januarij 1791. „verandering volmondig bij a:o 58: geeft de reeden daar van op bij A:o 59. die nogtans steunt op eijgendunkelijkheijd, toont op N:o 61. zelf aan, dat door dien meer ligte dabboesin als te vooren uijt een bhaar koper geformeert zijn het verschil wel op 12: prC:o beliep antwoord niet recht streeks op de bi vraeg, namelijk of het niet onverantwoorde „lijk is op eige gezag veran„ „dering te maaken in de „ cours van een gelt specie, „ welkers verlies, buijten, des „ zoo hart en drukkent is „ voor 'sComp:s dienaeren, als „ hij zelfs genoodzaakt geweest „ is aan Raade van Politie „ vooor te dragen als be„ tuigen Den 14. Januarij 1791. betuigende dit gedaan te hebben tot een proefneeming, en omree„ den dat hij een zaak niet wilde Proponeeren zonder eerst te on„ der zoeken of die zou kunnen door gaan, zonder dat, nadr Proefneeming eenige voordracht of vertooning van de verande„ ring is te vinden, dan nadat het quaat zelfs was uijt ge„ likt of aangegeeven want vol„ gens a:o 75. is dee morsserij den agtbaren heer Tadama nooijt bekent geweest, niet tegenstaan„ de ze, uijtwijzens een aan mij ge„ daan bericht, in het Iaar 178. 7/8 drie en in het volgende boekJaar 15. maanden geduurt heeft, wat meer is, na van Bijland= opgave op a:o 63. van de articu„ len, heeft in de maand februar„ O 1790 324 Den 14. Januarij 1791 17. 90. bevonden dat die specie nog slegter was, en dat bij nowee„ ging van 50. en 100 stux te gelyk het een verschil gaf van 14. per Cents. — Van Halm erkent, het bij N:o 66: opgeteekende different, en het gewigt van de nagewogene in zijn presentie aanmerkelijk te zijn dit different heeft zijn in„ fluentie gehad op het gewichte want, vide A:o 70: van de arti„ culen, maaken de dabboes het dagelijksche gewicht uijt om de Noort, zonder dat hij van halm ten deezen sujette iets inbrengt, dat tot verschooning van zijn onvoorzigtig gedrag kan dienen. — En Den 14. Januarij 1791. En nadien het eijgenlijk geheim van de te ligt geslagen Dabboes hier in bestaat, daat bij afgave van het koper daar toe aan de vermunters de tot een Baerdas„ boes vereijschte quantiteijt koper. niet verstrekt is, of in specie, meer dabboes gevordert zijn dan een Baer koper komen uijt„ „ te maken, zoo hebbe ik laaten nagaan hoe verre men zich zel„ ve hier door gebeneficeert en de comp:e benadeelt heeft, na rato van het koper dat in de boekjaer 1787/8. en 178 8/9 tot vermunting van dabboes verstrekt, en opgebragt is bij de boeken, het welk, volgens een aan mij gedaan schriftelijk Rapport voor den tijd van 2/m: te weeten van het eerste boekJaar drie en 325 Den 14 Januarij 1791. en van het laaste twaalf maan„ den dat men weet dat dit geduurt heeft, bereekend word op 16 5/8. bhaar kooper, kostende na de Iaggernaik„ poeramsche gewoone uijtkoops prijs. . . . - - - pa/o 1470:18:30: ƒ6618:9: —: hier bij gevoegt het geen de Compe: voor dit min der verstrekte koper bij de vermunting profiteerd â 5. 12: 7: per bhaar ofte voor 16. 3/8 bhaar „ 90. 2. 70. „105:10: 8: Zoo verliest de comparg„ nie door de vermun„ ting afte minder waarde der dabboes van 6: tot 14 per Cento - - - - - - - - - pa/o 1560: 2: 20: ƒ502: 17: ongereekent het geen in het vol„ gende boekjaar, waar van de boe„ ken nog niet hier zijn, daar nog bij gevoegd moet worden want de
English
The 14th of January 1791: for the embezzlement apparently still continues, and the dabboes, which have been struck too light, meanwhile also cause very much damage among the community during weighing in and out, for every servant of the Company must, in addition to the 160 that are furnished to him, supply or count out a further 105 pieces to make up the value of one pagoda, above the loss caused by the pay-money. And whereas this matter of the dabboes and that of the illicit costumados, likewise the mixing of private or personal accounts, are admitted or indeed clearly enough proven, and the latter is entirely contrary to the instructions drafted under date of 12 February 1766 for the northern residencies, from which, and from the resolution of that date, I annex extracts hereto; while the appropriation of the Japan bar copper without payment until after the lapse of one year must also be regarded as illicit, apart from the suspicion that the Company was also the suffering party in this and that persons have benefited themselves; I therefore can no longer delay the desire of Their High Excellencies, but consider myself obliged to declare that the Head Administrator van Halm, from today onwards and until the further esteemed pleasure of Their High Excellencies, is suspended from office, rank, and salary, as is also his former second van Someren, their salaries ceasing as of the middle of this month; before which, with respect to the former second De Rvallet, instructions will be written to Paggernaijkpoeram that he must remain there until after receipt of an answer to the representation of matters to be made to Their High Excellencies, and especially in order, if necessary, to be able to answer for himself against the perfidies reported by way of a new accusation by the merchant van Bijland, which were allegedly committed against the Honourable Company during that tragic flood of 1787; the investigation of which, and the also reported unfaithful masonry of the new warehouse and dwelling house of the resident at Jaggernaikpoeram by the second van Someren, alongside all further grave threats against the commissioners Heshusius and Schliephaken, I seriously recommended on the 27th of the past month to the chosen resident Casparus Leonardus Eilbracht, whom I hope may already be there, with detailed and clear instructions for the execution thereof; and subsequently I have also sent the points upon which the aforementioned van Bijland requested me that certain persons named by him might be heard and interrogated, as was communicated by me to the meeting of 31 December last and recorded by a separate resolution of that date, with an alteration of the advertisement that was dispatched under date of 27 November for the notification of all the inhabitants of Jaggernaikpoeram to bear witness to the truth. It being impossible for me at present to devise or execute anything else or further, given that the report of affairs, which is of no small extent, can suffer no longer delay, but must be taken in hand. Palleakatta, the 14th of January 1791. Signed: Jacob Eilbracht. This having been heard, and regard also having been paid to what was further proposed in this respect to be recorded by the general resolution of today, it was understood to maintain this entry on all these matters. Thus done and decided in Castle Geldria at Palliacatta, date as above. Signed as before. Friday, the 21st of January 1791. In the morning, all present, the chairs of the Head Administrator and the Fiscal being open. Whereas, pursuant to certain standing orders of the Lords and Masters, the correspondence with foreign nations in both languages must be inserted in separate resolutions, it was understood to place here the letter which, in accordance with the latest resolution, was dispatched to the English Government concerning the excused surrender of two deserters, reading as follows: Reading as follows: To the Honourable Sir Charles Oakeley, Governor, and the Gentlemen Members of the Council of Fort St. George at Madras. Honourable Sir and Gentlemen. We have considered in our meeting the letter which the Honourable Sir Charles Oakeley did our President the honour of writing under date of the 5th of this month, and seriously weighed the objections presented to us against the surrender of the deserters Casper Brown and Hendrik Mannkofs, who were reclaimed therein and have fled hither, who in November last, upon the terms of the cartel and a further special request for exemption from punishment, were already once handed over. We can very well refrain from making observations about the obligation in fulfilling the terms of the cartel, and even more so what the consequences are when actions are taken contrary to it. We request permission to bring to Your Honours' attention the protection claimed from us by the aforesaid men, because the cartel, in their persons, was violated by the severe punishment they had to undergo upon their return, when they rejoined their regiment, and the complaints which they add to this, of not having enjoyed that pay which is due to the soldier.
Dutch transcription
Den 14 Januarij 1791: want de morsserij houd apparant noch aan en de te ligt geslagene dabboesmaaken onderwijl onder de gemeente bij in en uijtweeging ook zeer veel schade uijt, want ieder comp:e dienaar moet bij de 160, wee„ ke hem verstrekt worden noch 105 stuks fourneeren of toetellen om de waarde van een pagoot goet te maaken boven het verlies door het soldij gelt En vermits dit point der Dabboes en dat der ongeoorloofde Costuma„ dos item het vermengen van eij„ ge of particuliere reekeningen in Confesso immers klaar genoeg beweezen, en het laaste ten eenen maal strijdig is met de sub12. februarij 1766. voor de opperhoof„ dijen om de Noord beraamde Jn„ stuctie E 326 Den 14 Januarij 1791. structie, waar uijt, en uijt de reso„ lutie van dien datum Extracten hier nevens voege, terwijl de aantas„ ting van het Iapans Staafkoper zonder betaaling dan na verloop van een Iaar, ook onder het ongeoor loofde moet worden gehouden, behal„ ven de suspecie dat de comp:e hier bij meede de leijdende Partij zij en dat men zich zelve heeft ge„ beneficeert zoo kan ik de begeerte van hun Hoog Edelheeden niet langer uijtstellen, maar agte mij verplicht te verklaaren dat de hoofd administrateur van Halm van heeden af, en tot hun Hoog Edelheeden geerd nader goedvin„ den word gesuspendeert van ampt qualiteit en gasie, als meede zijn geweeze secunde van Sameren Cesseeren Den 14. Januarij 1791. cesseerende hunne bezoldingen met media deezer, voor dat ten opzichte van den geweezen secun„ de De Rvallet naar Pagger„ naijkpoeram zal worden aan„ geschreeven om aldaar te moe„ ten verblijven tot na ontvangst van antwoord op te doene voor„ dracht van zaaken aan hun hoog Edelheeden, en inzonder„ heijd om, is het nodig, zich te kunnen verantwoorden op de bij weege van nieuwe accu¬ satie, door den koopman van Bijland te kennen gegeeven trou„ loosheeden die aan de E: Comp:e gepleegt zouden zijn bij die droevige wartervloed van 1787, welkers navorsching, en het meede opgegeeven trouwloos met 327 metzelwerk van het nieúwe pakhuijs, en woonhuijs van het opper„ Pm hoofd te Iaggernaikp, door den secunde van So„ meren nevens alle ver¬ dere grave minas tegen de gecommitteerden Hes„ husius en schliephaken ik den 27. der Gepas„ seerde maand, het gee„ Eligeert opperhoofd Casparus Leonardus Eilbracht welke ik hoope dat bereets daar mag zijn met omstan„ dige en duijdelijke on„ derrechting ten susitte serieus aanbevoolen., en vervolgens ook gezon„ Den 14. Januarij 1791. den Den 14. Januarij 1791 „den hebbe de pointen, waer op voormelde van Bijland mij heeft ver„ zocht dat eenige door hem opgegeeven per„ soonen gehoort en ander vraagt mochten worden zoo als dat ter vergalle„ ring van 31. ' December J:o Leeden door mij is gecom¬ municeert, en bij aparte Resolutie van dien datum genoteert, met verandering van het advertissement dat sub 27. November tot inthimatie van alle de inwoonders van Jaggernaik poeram, om getuigenis 328 Den 14: Januarij 1791 getuigenis der waarheijd te geeven was afge„ zonden. zijnde het mij niet mogelijk iets anders of meerder voor tegenwoor dig uijt te denken en te verrigten, aange„ zien het verslag van zaa ken, dat van geen kleene omslag is, geen langer uitstel kan lijden, maar terhand moet genomen worden; Palleakatta Den 14. ' Ja„ nuarij 1791. /:was geteek:d/ Iacob Eilbracht Zoo. waer te Den 14. Januarij 1791. Zoo is dit gehoort en tevens gelet zijnde op het ten deezen opzich„ ten verder gepropo„ neerde, te noteeren bij gemeene Resolu¬ tie van heeden, ver„ staen van dit een en ander te houden deeze annotatie. Aldus Gedaen en Gearristeert Jn't Casteel Geldria te Pallia„ catta dato voorsz: /:was getee„ kind Als vroren. Vrijdag „ 329 Vrijdag Den 21:' Januarij 1791. Smorgens, alle Present zijnde de stoelen van den Hoofd Administrateur en den Fis„ cael open.- Vermits navolgens zeekere per„ manente ordre der Heeren en Meester de Correspondentie met de vreemde Natien in beide de taelen bij aparte Re¬ solutien moeten worden geinsereert, zoo is verstaen alhier te plaetzen de brief, welke ingevolge de Jongste Re„ „solutie aen het Engelsche Gou„ vernement wegens de ge„ excuseerde overgave van twee overloopers is afgezonden Luijdende Den 21: Januarij 1741. — Luidende als volgt Aan den wel Gebooren Heer Sir Charles Oakelij Gouverneur en de Heeren Leeven van de Raed van het fort St. George te Madras Edel welgebooren Heer en Heeren. wij hebben in onze vergadering overwogen de brief die de Edel wel„ gebooren Heer Sir Charles Oakelij onzen President de eere gedaen heeft onder den 5: deezer te schrijven en serieus geldt op de ons voor gestelde bedenkingen tegen de overgave der daer bij gereclameerde en her¬ waerds gevluchtte deserteurs Cas„ per Brown en Hendrik Mann„ koes 330 Den 21. Januarij 1791:— Kofs, welke in November laestleeden, op de termen van het Cartel en nader straf speciael gedaen verzoek van vrijheit, bereets eens zijn overgelevert gevonden. Wij kunnen zeer wel menageeren aenmerkingen te maeken over de plichtigheit in de nakoming der termen van het Cartel en noch meer wat de gevolgen zijn wanneer daer tegen word gehandelt. Wij verzoeken verlof uEdelens onder het oog te brengen de door voorschree„ — ve menschen van ons gereclameerde protectie om dat het Cartel, in haer persoon, is geschouden door de ^na hunne te rugkomst hebben moeten zwaere straef die zij ^ ondergaen, toen ze weder bij haer Regiment zijn ge¬ komen en de klachten die zij daer bij voegen, van die betaeling niet te hebben genieten welke den soldaet toe
English
The 21st of January 1791. is due, taking the field; we very gladly believe that this mistreatment, or the violation of the Cartel, cannot have occurred on the orders of the Noble Lord Governor, especially since his Honour was specifically requested that those surrendered might be free from punishment: but we find ourselves hesitant to return those sufferers, as they, having been thus mistreated, have the right according to all laws of war to seek a safe refuge. To convince you of the truth of that about which we complain, we take the liberty to enclose herewith an affidavit from our chief surgeon concerning the examination and condition of the patients, one from our sub-major 331 The 21st of January 1791. major to whom they surrendered themselves in custody and made their complaint about the unlawful punishment, and one from themselves in which they declare to have been placed and kept in custody for ten days, and also to have been punished, on the 20th of November last each with four hundred, and on the 21st of that month each with three hundred knout lashes, the pain and suffering of which they feel to this day and of which they have shown the marks by baring their backs. It is on this account that we find ourselves obliged to request Your Honours to excuse us from the surrender of these two deserters, judging this to be the least consequence of the violation of the Cartel, The 21st of January 1791. tel, which we shall leave intact pending the further esteemed pleasure of our superiors in Batavia, and from whom we shall also request a decision regarding the protection desired by the aforementioned two fugitives, which we, for our part, believe we cannot or may not refuse according to law and equity. We, on the other hand, most obediently thank Your Honours for the assistance shown and the return of Eight of our Malay deserters, two of whom managed to slip their handcuffs and escape the escort, as appears from an affidavit of the sergeant who fetched them and brought them hither with the Sepoys. We have taken them into custody and charged our Fiscal 332 The 21st of January 1791. Fiscal to conduct an inquiry into the cause of the desertion of so many of those people, thus not to punish them, but to discover whether they, in our service, were also mistreated, or driven to desertion; and, in order to prevent them from running away again, we shall send them back to Ceylon, where they belong, by the first available opportunity. We have the honour to be with the highest regard, underwritten, Right Honourable Lord and Gentlemen, Your Right Honourable and Honourable very humble and very obedient servants, was signed: I: Eilbracht, I: S: De Raeff, I: I: Winkelmans, I: W: Bloeme, and I: J: Hasz. in margin: Palliacatta The 21st of January 1791. catte in Fort Geldria, 14 January 1791. Having thereafter entered into deliberation concerning the contents of four separate letters received one after the other from the Sadraspatnam Chief, the Merchant Joan Daniel Simons, dated the 31st of the past month, as well as the 13th, 14th, and 15th of this month; in the first of which, with reference to the copy of the letter to Pondicherry sent to him, it was set forth that, according to general rumours, the troops of Tipu Sultan would soon have to evacuate these lands, namely as soon as the great army of General Meadows shall have marched into the centre of the Carnatic, 333 The 21st of January 1791. ched, for which His Excellency Lord Cornwallis was already said to have given orders; that if, on the other hand, one considered the reports from Pondicherry, nothing else seemed to be feared than the destruction of the Black Town or suburb of Madras, and thereafter our possessions, all of which ran the risk of being robbed, plundered, and burned; that he, the Chief, had meanwhile used the precaution of having small flags erected everywhere the territory of the Company extended, though he doubted very much whether these would be respected; stating nevertheless that he would attempt to maintain himself as long as he could against the roaming robbers; The 21st of January 1791. robbers, but that upon the approach of a greater number than he could resist with his people, or upon the descent of the enemy army toward the side of Sadras, he would indeed be forced to seek a safe refuge and make use of the order of this Government given by letter of the 27th of December of the past year, namely to betake himself to safety elsewhere; but since in such a case there would be no possibility of escaping overland, he, the Chief, found himself obliged to request that he might be permitted to hire a double sleng, to be brought into account from the first of this month at 30 pagodas per month, to remain lying in the roads, 334 The 21st of January 1791. lying, in order to make use of it in case of need with the remaining servants of the Company; it is, considering that no reliance can be placed on the varying reports, as indeed appears from the subsequent letters, according to which the heaviest alarm was of no consequence, yet when one was least on guard something might occur that could be of infinitely more sensible consequence, after deliberation approved and agreed that the aforementioned expenses of 30 pagodas a month be validated for the retention in service of a double sleng, if it, as will be urged, cannot be contracted for less, besides still the hope that is
Dutch transcription
Den 21:' Januarij 1791. — toekomt, te veldetrekkende; wij geloo„ ven zeer gaerne, dat deeze mislan¬ deling, ofte de overtreeding van het Cartel, niet kan geschiet zijn, op or„ dre van den Edelen Heer Gouverneur te meer zijn Edele spesiaele is verzocht dat de overgeleverden mochten vrij zijn van straf: maer we bevinden ons bezwaert die lijders te rug te te geeve wijl zij, dus mishandelt, na alle krijgs wetten, het recht heb„ hen een goet heen komen te zoeken. Ter overtuiging van de waerheit van het geen waer over we doles¬ ren, bevrijmoedigen wions hier in te sluiten, een verklaering van onzen oppercherurgijn we„ gens de visitatie en bevinding der patienten, een van onzen onder Majoor 331 Den 21. Januarij 1791. — Majoor aen wien zij zich, in arrest overgegeeven en haer beklag over de ongeoorloofde straef gedaen hebben, en een van hun zelfs waer bij zij declareeren, tien dagen in arrest gezet en gehouden, mits„ gaders gestraft te zijn, op den 20. ' November L: Lieder met vierhondert, en den 21. dier maend, ieder met drie hondert knoetslagen, waer van zij, tot nu toe, de pijn en smart gevoelen en de teekens met ontblooting der rugge getoond hebben. Het is uit dien hoofde, dat we ons Verplicht vinden, uw Edelens te ver„ zoeken om ons van de overgave deezer twee deserteurs te excuseeren, oor„ deelende dit het minste gevolg te zijn der scheuding van het Car„ tel Den 21: Januarij 1791. tel, dat wij, tot nader geeerd goedvinden van onze superieoren te Batavia wel in weezen laeten, en van wien wij ook decisie verzoeken zullen omtrent de voorgem: twee vluchtelingen verlangde protezie, welke wij hen, wat ons aengaet, na Recht en bellijkheit vermeenen niet te kunnen of mogen weigeren. Wij bedanken uEdelent daar en tegen aller gehoorzaemst voor de be¬ weezene assistentie en te rug zen„ ding van Agt onzer maleidsche desserteurs, waer van er twee zich de hand boeijen hebben weeten te ontwringen en het Escorte te ontvluchten, gelijk Com„ steert uit een verklaering van den sergeant dieze afgehaelten met de Si„ paijs herwaerds gebracht heeft. wij hebben ze in arrest genomen en onzen Fis 332 Den 21. Januarij 1791. — Fiscael gelaest, om onderzoek te doen na de oorzaek der desertie van zoo veelen van dat volk, dus niet om ze te straffen, maer om te ont„ waeren, of zij, in onzen dienst, ook mishandelt, of tot desertie zijn geworden; en, om te beletten dat zij niet andermael wij loopen, zul„ len weze, met de eerst voorkomende geleegenheit, naer Ceilon, alwaar ze thuis hooren, te rug zenden. — Wij hebben de eere met de meeste hoogachting te zijn /:onderstond:/ Edelwel gebooren Heer en Heeren, uw Edel welgebooren en Ed:e zeer nederige en zeer gehoorzaeme Dienaeren /was geteekend:/ I: Eil„ bracht, I: S: De Raeff, I: I: Win„ kelmans, I: W: Bloeme, en I: J: Hasz: /:in margine/ Pallia cutta Den 21. Januarij 1791. — catte in het Fort Geldria 14. Janu„ ari 1791. Hier na in besoigne zijnde getreeden over den inhoud van vier na den anderen ontvangene aparte brieven van het Sadraspatnamsch opper„ hoofd den koopman Ioan Daniel Simons, de datis 31: der gepasseerde„ item 13. 14. en 15. deezer maend, bij welke eerste in aenmerking van het zijn E toegezonden afschrift van de brief naer Pondicherij werd ter neder gestelt gevonden, hoe, volgens algemeene geruchten de Troepes van Tipoe Sultan eerlang deeze landen zouden moeten ruimen te weeten zoo dra de groote armee van Generael Meadous in het ben„ trum van Carnatica zal zijn gemar„ cheerd 333 Den 21. Januarij 1791. — cheerd, waer toe zijn Excellentie Lond Cornwallis bereets ordre zoude gegeeven hebben, dat zo men daer en tegen de berichten van Pondicherij betracht. er niet anders scheen te duchten te zijn dan de vernieling der swarte of voor stad van Madras, en daer na onze bezittingen alle welke gevaer liepen van gerooft, geplundert en verbrand te worden dat hij opper¬ hooft intusschen de omzichtigheit had gebruikt van over al waer het gebied van de Comp:e zich uitstrekte vlaggetjes te laeten op rechten, doch zeer sterk twijffelde of die wel geves„ pecteerd zouden worden, onder be„ tuiging echter dat hij zoo lange als konde, zich zoude trachten te ma„ intineeren tegen de swervende Roovers nu„ Den 21:' Januarij 1791. — Roovers, doch dat hij aennadering van een grooter aental als met zijn volk wederstaen konde, of bij het afzaekken kant van de vijandelijke Armee nade k van Sadras, hij wel genoodzaekt zoude zijn, om een goed heen komen te zoeken, en zich te bedienen van de ordre deezer Regeering bij brieve van den 27. december ao ps gegeeven, om namelijk zich alders in veiligheit te begeeven; dan dewijl in zoo een geval 'er geen mogelykheit waere om overland te ecappeeren, hij opperhoofd zich verplicht vond te verzoeken dat hem mocht worden gepermit„ teert om een dubbelde sleng in huur te neemen om primo dee„ zer in reekening te brengen met p 30. per maend, om op de rheede te blijven 334 Den 21. Januarij 1791:— blijven leggen, ten einde zich in Cas van nood met de verdere Comp:s Dienaeren daer van te bedienen zoo is, uit aen„ merking dat men op de varieerende berichten geen peil kan trekken, selfs: gelijk „ uit de nadere brieven Cons„ steert, volgens welke het zwaerste alarm wel van geen gevolg is geweest, ter echter wanneer men het minste op hoede was iets zoude kunnen voor„ vallen dat van oneindig gevoeliger gevolg zoukonnen zijn dat de gedachte ongelden van 30. pag: smaends, na over weeging goedgevonden en verstaen die voor de in dienst houding van een dubbelde sleng te valideeren in„ dien het, gelijk men urgeeren zal, niet minder mochte te bedingen weezen, behalven noch de hoop die men
English
The 21st of January 1791. one must constantly maintain the hope that an end will soon come to this unfortunate war, which is also costly for the Company, especially because it appears from the conclusion of the letter from the aforementioned Simons that Tipu's affairs are beginning to go against him everywhere, having recently received a rather sensitive blow on the Malabar coast, both through the capture of three richly laden ships at Calicut and thereabouts, as well as the likelihood that Cannanore will soon also have to bow before the power of the English; that fortress being besieged by General Abercromby, and a considerable reinforcement of troops with the necessary supplies having already arrived at Madras from Bengal, making it appear 135 The 21st of January 1791. likely that soon something of importance, if not decisive, may occur and cause the hostilities to cease. From the further Sadras letter of the 13th of this month, stating that although since the aforementioned event he had suffered no harassment from the roving robbers who appeared everywhere in the vicinity of Sadras, he, the Chief, was nevertheless obliged for that reason to remain constantly under arms and on guard so as not to be taken by surprise; and that the day before sending this letter, after having made inquiries following the incursion of horsemen into the village, it being reported upon the return of those sent out that they were staying in the Sannasies The 21st of January 1791. Choultry, he had dispatched the two Brahmin harkaras to those horsemen to demonstrate our neutrality in the disputes between Tipu and the English, thus without giving any lawful reasons of displeasure to the prince to be discontented with the Company or to allow its possessions to be disturbed, which the aforementioned harkaras had undertaken to do, having merely No. 16 requested a small flag with an ordinary peon's breast badge as a sign that they were indeed emissaries on behalf of the Dutch Company, without which they had shown fear of some accident or other; after these tokens were handed over, they departed, but up to now, The 21st of January 1791. not The 21st of January 1791. having returned, which caused him, the Chief, some anxiety; yet, since the fear of some trouble or other has noticeably ceased, it is considered that if the emissaries had suffered any mistreatment, which is to be hoped otherwise, the horsemen themselves would have proceeded to further acts of violence; it is resolved to 337 The 21st of January 1791. approve the actions of the aforementioned Chief in this matter and to await the best outcome thereof, the more so as one finds from what is mentioned by the Chief in his letter of the 15th of this month that the roving robbers had appeared in the morning on the south side up to the river, which is the boundary line of Sadras, and on the north side in the Company's villages The 21st of January 1791. of Kalpakkam and Edaiyur, also up to the territory of Sadras, without committing any acts of violence, at least as far as could be learned from depopulated places, which also conveyed that this rabble had also appeared at Ariyakuppam, but had done nothing other than wander about somewhat and, as it seemed, frighten everyone; from which one may then conclude 338 The 21st of January 1791. that they are either afraid or still too weak to venture an attack on the Company's territory itself, or else that they effectively have orders to spare it, and is sooner to be expected of Sadras than of Pulicat, as they constitute two different territories. Lastly, it is resolved to take all the further particulars imparted in the aforementioned letters regarding the position and movement of Tipu's army and the estimated strength thereof, according to the reports received thereof, as information, and on the other hand to inform the Chief Simons of what is learned here concerning the grand English army under General Medows and the preparations being made, with the relief already received and further expected from Bengal, by order of Lord Cornwallis, to attack Tipu with full force and conquer his country. Done at Pulicat In Fort Geldria, date as above. (was signed) As before. Saturday 339 Saturday the 12th of February 1791. In the morning. All present. After opening the meeting, there was read a separate letter written by the Chief of Sadras, the merchant Joan Daniel Simons, under the date of the 31st of January, and received here yesterday, wherein he communicates that the evening before there had passed by there a harkara from Pondicherry, accompanied by a flag-bearer of Tipu Sultan, who was going to Madras, who is said to have related that a prominent sardar with 20 standard-bearers or flag-bearers had arrived in Pondicherry from the army; and that as soon as the Governor had conferred with that minister, His Honour had dispatched him, the harkara, with letters to the government of Madras, as he thought, containing proposals. The 12th of February 1791. All of which having been noted and considered with the Honourable Governor how up to now it has been hoped in vain that matters between the prince Tipu Sultan and the English would be settled, because on the contrary, although proposals for peace seem to have been made from the side of the first-named, and the aforementioned separate Sadras letter also suggests this, on the other side military operations are being pursued all the more vigorously with entirely different intentions, so that the flames of war now seem about to burst forth with full force, and it remains to be seen whether in the Carnatic, while the English go to lay waste to Mysore, everything will not be sacrificed to the vengeance of Tipu, and consequently such defenseless places as Sadras and Porto Novo not
Dutch transcription
Den 21. Januarij 1791.— men steeds moet behouden dat er haest een einde zal komen aen deeze onge„ lukkige, voor de Comp:e meede kostbaere oorlog, inzonderheit wijl uit het slat der brief van gem: Simons komt te blijken dat Tipoes zaeken over al beginnen te„ gen te loopen hebbende onlangs een vrij gevoelige neep gekreegen op de kust Mallebaer, zoo door het neemen van drie rijk gelaedene schee„ pente Calicuten daer omstreeks, als de apparentie dat Kannanoor eerlang ook voor de macht van de Engelschen zal moeten buigen; zijnde die versting belegert door generael Albercombe, en uit Bengale be„ reets een aenzienlijk Renfort van Troupen met het nodige te Ma„ dras aengekomen, waar door het Zich 135 Den 21:' Januarij 1791. zich laet aenzien dat 'er eerlange wel het een of ander van belang zo niet de„ ei sif kan voorvallen en de beweegingen doen op houden. — Bij de nadere Sadrassche brief van den 13. deezer Consteerende dat schoon zedert het voormelde geen over„ laest had gehad van de Zwervende roovers die zich over al om streeks sadras vertoonden hij opperhooft echter om die reeden verplicht was gestaedig onder de wapenen te blijven en op hoede te zijn, om niet over„ vallen te worden en dat daegs voor het afzenden van deeze brief na den in val van Ruiters in het dorp hebben„ de laeten verneemen, bij te rugkomst van de uitgezondenen gerapporteert zijnde dat zij in de Sannassies Tjan Den 21. Januarij 1791. — Sjanderij zich op hielden de twee bramineesche Harkars aen die Ruiters had afgezon„ den ter vertooning van onze onzeidigheit in de verschillen van Tipoe met de Engelschen dus zonder het geeven van eenige wettige reedenen van mesnoegen aen den vorst om op de Comp=e misnoegt te konnen zijn of Haere Bezittingen te laeten ontrusten, het welk de gem: Harkarras op zich hadden genomen enkel No.16 enkel verzoek hebbende ge„ daen om een kleen vlag„ getje met een ordinaar pions borstwapen tot een teeken dat zij in der daed waren afgezondenen van wegen de Hollandsch Comp:e zonder het welke zij zich, voor het een of ander ongeval beveelt hadden getoont, na het ter hand stellen van van deeze teekenen ver¬ trokken doch tot nu toe Den 21:' Januarij 1791. — niet Den 21:' Januarij 1791:— niet te ruch gekomen zijnde het welk hem opperhooft eenige ongerustheit veroor„ zaekte zoo is aengezien de vrees voor de eene of andere zwaerigheit merkelijk Ces„ seert, geconsidereert dat bij aldien de afgezondenen eenige mishandeling had„ den ondergaen, het welk anders is te hoopen, de Ruiters zelve tot verdere„ geweldenarij zouden zijn overgeslagen, verstaen de ver 337 Den 21. ' Januarij 1741. — verrichting van het voormelt opperhooft in deeze goet te keuren en het beste gevolg daer van afte wachten, te meer men uit het geen door het opperhooft bij brieve van 15: deezer word vermeld gevon„ den dat de Zwervende Roo„ vers in de morgenstont zich hadden vertoont aen de Zuid„ kant tot aen de Revier alwaer de limiet Schei„ ding is van Sadras, en aen de Noordkant in sComp=s Dorpen Den 21: Januarij 1791. — Dorpen Kalpakum en Ed„ deoer meede tot aen het Territoir van Sadras, Zon„ der eenige laldadigheeden te pleegen, ten minsten voor zo verre men van ont volkte plaetzen had kome te weeten krijgen, welke ook in hielden dat dit ge„ Spuis Zich te Arriaecherij ook vertoont doch niet anders gedaen hadde dan zoo wat ront te Zwerven en ieder een zoo het scheen schrik aen te Ja gen, waer uit men dan mag be¬ sluiten 338 Den 21. Januarij 1791. — sluiten dat ze, of bevreest of noch te zwak zijn om een aenval op 'sComp:s gebiet zelfs te wagen dan wel dat ze effectif or„ dres hebben om dat te mena„ geeren, en van Sadras eer te verwachten is dan van Pallia„ Katta els tweederly grontgebied uitmaekende Laestelijk is verstaen al het verder bedeelde in voorsz: brieven ten aenzien der staend en beweeging van Tipoes Ar„ me ende begroote macht van dien na de daer van ^voor„ ont slagen. Den 21:' Januarij 1791. — ontvangene Rapporten, voor Com„ municatie aen te neemen en het opperhooft Simons daer en te„ gen te melden wat men alhier verneemt van de groote Engelsche Armee onder Generael Meadows en de toebereidzelen welke er met het reets ontvangen en verder ver„ wacht wordende ontzet uit Bengale, ter ordre van Lord Cornwalles wor¬ den gemaekt om met de gan„ sche macht Tipoe op het lijf te vallen, en zijn land te veroveren. Actum Palliacatta In het Fort Geldria dato voorsz /:was geteekend:/ Als vooren. — Saturdag 339 Saturdag Den 12. ' februarij 1791. Smorgens Alle Present, Na het openen der vergadering wierd geleezen een aparte brief door het opperhoofd van Sadras den Koopman Ioan Daniel Simons onder dato 31. Januarij geschreeven, en gisteren al„ hier ontvangen, waar bij Communi„ ceerd dat 's avonds te vooren aldaar was gepasseert een harkarra van Pon„ dicherij, verzeld van een vlaggedrager van Sipoe sulthan die naer Madras ging, wien verhaeld zoude hebben dat uit het leger te Pondicherij was aenge„ komen een voornaemer Pardhar met 20. banadhars of vlaggedragers; en dat zoo dra de heer gouverneur met die Minister hadde geconfereert, zijn Edele hem harkarra gedepecheerd had met brieven aen de Regeering= van Madras zoo hij meende met voor„ „slagen. Den 12 Februarij 1791. Op alle het welke gelet en met den E: E: Agtb: heer Gesachhebber ge considereerd zijnde hoe men tot nu toe te vergeefs heeft gehoopt. dat de zaeken met de vorst Tipoe Sulthan en de Engelschen zich zou„ den schikken, wijl integendeel, on„ aangezien er van de zijde des eerst gemelden voorslagen schijnen ge„ daen te zijn tot vreeden, en voorsz: aparte Sadrasse brief dit ook dich teert, aen de andere kant de krijgs operatien des te sterken worden voort gezet met geheel andere in zichten, zulks het oorlogs vuur nu eerst met nadrukschijnt te zullen uit barsten, en het te bezien zal zijn of in Car„ natica terwijl de Engelschen Mai„ soer gaen verwoesten niet alles aen„ de wrack van Tipoe zal worden of geoffert en gevolgelijk zulker weer„ loose plaetsen als Sadras en Portonovo geen
English
The 12th of February 1791. not run any danger of falling victim in that fury to the rage of his Lutjaks or irregular troops, while in those turbulent circumstances of the time nothing can be accomplished at the offices there to the benefit of the Honorable Company, and it is difficult to arrange any contract for 1791 or sales of merchandise, while on the contrary the monthly expenses serve as a burdensome and unnecessary charge to the Company: so it is, after consideration of all the aforementioned, on the proposal of His Honorable Worship, approved and understood to order the Chief of Sadras, the merchant Simons, and the Resident of Portonovo, the bookkeeper Topander, to come hither immediately, together with the Company's goods, books, letters, and papers, item cash if there is any, to remain here enjoying the usual emoluments until one shall see what will be the result of all the uncertainties in which one presently finds oneself, and consequently to let the expenses of those Residencies cease by the middle of this month, with authorization, however, to arrange those costs that will be incurred for transport hither in the most economical manner, and to give proper account thereof to this assembly, whereupon it shall then be disposed of; and finally, as proof of the Company's possession there, to let the flagman remain there with two peons alongside the Company's interpreter or Brahmin, and to pay the salary of these here from the treasury, since those people in time of need can better seek a safe refuge than a larger establishment of persons. Thereafter was heard what the gentleman Governor communicated to the assembly with regard to his separate commission, namely how the merchant Van Bijland, notwithstanding that all his other writings had been directed solely to His Honorable Worship, had addressed to the assembly his defense against the report of the fiscal Broerius Brouwer, presented at the session of 10 December last; His Honorable Worship produced the same for reading and for insertion into the Resolution, reading verbatim as follows: To the Right Honorable Worshipful Jacob Eilbracht, Senior Merchant and Governor of the Coromandel Government with the Resort thereof, etc., etc., alongside the Council. Right Honorable Worshipful Sir and Gentlemen! Pursuant to, and in fulfillment of, Your Right Honorable Worships' highly respected order to defend myself against all the accusations brought against me both by the Political Council and also by the fiscal, I have the honor hereby to comply with what was required. But how I shall entitle or name the document of the gentleman fiscal I do not know, seeing that he was ordered by the Political Council on the date of 12 March 1790 to proceed against Van Bijland and his servant according to the laws and the articles of war, etc., etc., which he neglected not only until 29 October, but he did not even seek me out since my arrival here, knowing well that it was a trumped-up, unfounded action that was utterly illegal from the beginning to the end; when he was ordered once again on 29 October 1790 by the Honorable Council to serve report on how the state of affairs stood, to which he, the fiscal, only answered on 7 December 1790, and that indeed with a very voluminous document without head or tail, without conclusion or ending, yea let me say in one word, without a soul, drawn up by Broerius Brouwer, a fiscal without honor, name, or reputation. This, I confess, is slanderous until the moment that it is proven, when it changes into a genuine truth, and from that moment such an object must be loathed, banished from society as dangerous through the influence and credit that such a one has by occupying so respectable a post as that of fiscal, with which life also is involved and depends upon; and why I consider it necessary hereby to share with Your Right Honorable Worships my sentiments on what requisites are required for a virtuous fiscal: First, he must be known to be of good name and fame, a strictly honest man, knowledgeable, experienced, philanthropic, so that he must show in his prosecution to care only for the duty of office and oath, without respect of persons or for filthy lucre, and must chastise like a father, and first put his hand into his bosom to see whether it comes out clean and pure to be able to prosecute others, also according to Holy Scripture, and be not righteous over much. That post is in itself too honorable to have to seek one's livelihood from it.
Dutch transcription
341 Den 12. Februarij 1791. geen gevaer komen te loopen van in die furie het slacht offer te worden der woede van zijne Lut„ Jaks of irreguliere troupen, ten„ wijl in die onrustige omstanden des tijds, daer ten kantooren ten voordeele van d' E: Maatschappij ook niets is uitterechten en bezwaer„ lijk eenige Aanbesteeding voor 1791. of vertier van Koopmanschap pen: te doen, wijl in teegendeel de maendelyksche ongelden de Comp: tot een drukkende en nooddelooze last strekken: zoo is na overweeging van al het voorm: op propositie van zijn E: E: agtb: goed„ gevonden en verstaen het opperhoofd. van Sadras den koopman Simons, en Resident van Portonovo den Boekhouder Topander te ge„ lasten om gezamenlijk met 's Comp:s goederen, boeken brieven en papieren papieren, item kontanten zoo z er zijn, onmiddelijk herwaerds te komen om met genot der gewoone Emolumenten alhier te verblijven, tot dat min zal zien wat het gevolg zal zijn van alle de onzee¬ kerheeden waar in men zich tans bevind, en mits dien der ongelden van die Re„ sidentien te laeten stil staen met medio deezer maend met qualificatie echter om die, welke ter transporteering herwaerts Den 12. Februarij 1791. komen 342 Den 12. Februarij 1791. komen te vallen op de me„ nagieuste wijzet te overleggen, en daer van behoorlijk reeken„ schap te doen aen deeze ver„ gadering, waar op als dan zal worden gedisponeert, in eins„ delijk om ten blijke van 'sComp: passessie ginters den vlag„ geman met twee pions nevens sCompagnies tholk of bramine aldaer te laeten verblijven, en de besolding van deezer alhier uit Cassa te betaalen, kunnen„ de die lieden in tijd van nood beter, als een meerdere omslag van Den 12. Februarij 1791. van persoonen, een goet heen komen zoeken. Hier na werd gehoort het geen de heer gezachhebber de vergadering met betrekking tot deszelfs aparte Commissie Communiceerde, hoe na„ melijk de koopman Van Bijland niet tegenstaende alle zijne overige geschriften maar enkel hadde ge„ richt aen zijn E: E: Agtb:, deszelfs verantwoording op het ter sessie van 10. xber laestleeden overge„ legt bericht van den fiscael Broerius Brouwer, hadde ge„ addresseert aan de vergadering, produ„ ceerde zijn E: E: Agtb: het zelve ter lectuure en tot insertier bij Resa„ lutie, luidende woordelijk aldus Aan 343 Aan den WelEdelen Agtbaren Heer Jacob Eilbracht Opperkoopman, en gezaghebber van het Cormandelsch gouvernement met den Resorte van dien &a & a Nevens Den Raad Wel Edele Agtbare Heer, en Heeren! In gevolge, en ter voldoening van uwelEde Agtbare zeer gerespecteerde ordre van mij te verdedigen tegens alle de beschuldiging tegens mij ingebragt zoo door den politicquen Raad, als ook door den fiscaal, zoo hebbe de eere aan het gere„ quireerde te voldoen bij deezen. maar toe dat ik het document van den heer fiscaal titree„ ren of noemen zal weet ik niet, aangezien hij door den politicquen Raad geordonneert is, in dato den 12. Maart 1790. om tegens van Bijland en zijn dienaar ingevolge de wetten en den articul brief te proce„ deeren &=a &:a, 't welk hij versuijmt heeft niet alleen tot den 29. October, maar heeft mij selve niet opgesogt zeedert mijn komst hier, wel weetende dat het een opgeraafte ongefundeerde actie was, die ele gaal en onwettig van den beginne tot den eijnde toe was, wan„ neer neer hij andermael op den 29. October 1790. door den agt„ baeren Raad geordonneert wierd van bericht te dienen, hoedanig het met den staat der zaeken geleegen is, waer op hij fiscaal eerst op den 7. december 1790. geantwoord heeft, en wel voorwaar met een zeer volumineus Do„ cument sonder hoofd of staart sonder slot, of Con„ clusie, Ialaat ik met een woord leggen sonder ziel Opgemaakt door Broerius Brouwer een fis„ caal sonder Eer naam of reputatie, dit beken ik is Laesif tot op 't oogenblik dat het beweesen is, wanneer het in eene waaragtige waarheijd verandert, en van dat moment moet zoo een voorwerp verfoeijt worden, gebannen uijt de sosciteijd als gevaarlijk door den invloed en Credit, die zoo eenen heeft met het bekleeden van zoo eene respectable post, als die van fiscaal, daar door en leeven meede gemoeijt is, en van afhangt, en waarom ik nood zaekelijk agt bij deezen uwel Edele Achtbare mijn gevoelens te bedeelen, welke requisiten ver Eijscht worden tot een deugdzaam fiscaal; Eerst moet hij ter goeder naam en faam bekend staan, een strikt eer„ lijk man, kundig, ervaarend, menschlievend, zoo dat hij toonen moet in zijn vervolging, alleen amp„ en Eedts pligt te behartigen, sonder aanzien van persoon of voor vuijlgewin, en moet Castijden als een vader, en steeken eerst zijn hand in zijnen boesem of die daar reijn of zuijver uijtkomst om andere te konnen vervolgen ook volgens de H: Schrift, en weest niet al te rechtvaardig. die post is op sig selfs al te honorabel om daer zijn bestaan uijt te moeten zoeken
English
seek, which cannot easily be worked out except with the blood of the inhabitants, that is, with fines and unfounded actions; he must also be a God-fearing man who must daily keep before his eyes that just as he judges, he too shall be judged, and by no means a hypocrite seeking thereby to draw ecclesiastical offices to himself to achieve other ends. Who among us recognizes Mr. Broerius Brouwer from the above? None of these virtues are applicable to him; he deceives, if I may say so in a word, God and the world, and is a most abominable object of solicitude, who can escape neither the future nor the earthly judge. Nevertheless, I must defend myself against such a man, in view of his post as fiscal; but had he not relied on his credit, or held a lesser office, would he not at this moment be a fugitive, fearing the righteous verdict or sentence against him? Nonetheless, I will defend my case and consider the necessity of a clarification against all these calumnious, injurious, false accusations, both to clear myself and to demonstrate what sort of people are chosen to maintain law and justice in these regions. Firstly, he, the fiscal, has already been suspended for having defrauded the orphan chamber of more than ten thousand pagodas, and several thousand more from the deaconry fund; but this is too generally spoken, however well known to everyone, and so it deserves clarification. As secretary of the orphan chamber, he not only squandered, consumed, or sent those funds to Europe, but is also the true cause of the ruin of the orphan chamber, having had the management of the funds under his charge, lending them out so loosely and with such partiality by accepting insolvent guarantors, and accepting those same people as guarantors for five or six different individuals, letting the interest run from one year into the next, so that some are found whose interest has risen as high as the capital itself, whereby thousands will be lost, and in case of death or otherwise not having new guarantors provided, so that he, Brouwer, is the principal cause of all these losses through poor administration. He solicited to become an elder after all this was discovered at the orphan chamber, yet he still remained the director there, and to such an extent that today the deaconry children go about almost barefoot, having received no clothing provision of any significance in two years. O abominable deed, to steal from orphans, widows, minors, and the deaconry! What punishments ought such a person to endure? This took place as secretary of the orphan chamber; now it will appear that he was no less grasping in his post as fiscal, and unfaithful and dishonorable in his capacity as purveyor. I shall touch upon only one matter from each office, but a sufficient one. A certain gunner Corner, presently in this garrison: a slave girl came from his neighbor's house and remained hidden there for the night; he settled this matter to mutual satisfaction and bought the girl, who was not inclined to remain any longer with her previous master. The fiscal forces Mr. Corner in private to sign an acknowledgment of debt for 100 pagodas, saying that he had abducted the slave girl; being frightened and bewildered, having already had unpleasant encounters with Mr. Iadama, this poor man signed, and took the matter so to heart that it went to his head, as it were, for several months, and he was obliged to sell the girl again out of poverty. Your Honors may question and investigate this yourself; he still owes over 20 pagodas of it to Brouwer today. Are these punishments for an officer, who should undergo nothing other than provost arrest, dismissal, or cashiering, which is in accordance with the pride of such a noble corps? And as purveyor, I have already informed Your Honors orally that Mr. Brouwer distributed the oil to the Company's servants with two tin mugs, about one pound less than the standard measure of the Company; the second holds four pounds and was kept at hand in case of alarm. The entire garrison will testify to this. I thought that a fiscal ought to be vigilant against such matters, but far from it, he says he took it over thus from the previous purveyor. Those mugs are still in the dispensary and can await investigation, all the more so because the young Mr. Bloeme refused to take over the oil with that measure, and investigated the difference very accurately and found it as mentioned above; these citations are sufficient to make what follows clear and distinct. I proceed to the matter itself: how must one consider these illegal proceedings? According to the resolution of the 12th of March, I am directly taken into criminal custody without a hearing, without an investigation, much less a sentence; and who had that power and that authority? They seemed to consider it in the political council as a criminal matter; ought not the fiscal, supposing he were competent, experienced, uncorrupted, and honest, to have stepped forward so as not to mix judicial matters with civil ones? There also sits
Dutch transcription
344 zoeken, dat niet ligt kan uijtgewerkt worden, als met het bloed der ingesetenen dat is, met boetens en onge„ fundeerde actien, hij moet ook een god vrugtig man zijn die dagelijks voor oogen moet hebben dat zoo als hij oordeelt, hij ook veroordeelt zal worden, en geen zints scheyn heijlig om daar door ook kerkelijke bedieningen aen sig te trekken om andere oog„ merken te bereijken. wie is 'er onder ons, die uijt dit boove gemelde de heer Broerius Brouwer er„ kend. geene van deeze deugden zijn toe passelijk op hem, hij bedriegt mag ik met een woord zeggen Godt en de werelt, en is een aller vervoeijelijkst voorwerp der solcitijd, die nog den toekomende, nog den wereldsen rechter ontvlieden kan. — Even wel moet ik mij verdeedigen tegens zoo een man, aangezien zijn post als fiscaal, maar had hij niet gesteunt op zijn Credit, of een minder dienst bekleed, soude hij dan op dit oogen blik niet vlugtende zijn, vreesende voor de regtvaardige uijtspraak of vonnis tegens hem, des niet te min wil ik mijn zaak verdedigen, en Conside„ reeren de noodsakelijkheijd van een opheldering tegens alle die Calomnieuse in Jurieuse valsche beschuldiging zoo tot mijne afwassing, als om aanteloonen welke lieden verkoosen worden om recht en gerechtigheijd te hand havenen in deeze gewesten. Eerstelijk is hij fiscaal reeds gesuspendeerd om de wille van de weeskamer te kort gedaan te hebben voor voor ruijm thien-duijsend pagoden, en nog eenige duij¬ 33„ sende van de diaconij Cas, maar dit is te generaal gesprooken, hoe bekend ook, bij een iegelijk, zoo verdient het opheldering; als secretaris van de weeskamer heeft hij niet alleen die gelderen verbrast, verteert, of versonden na Europa, maar is nog de waarag„ tige oorzaek van de ruine der weeskamer, als hebbende de beheering der gelderen onder hem gehad, dezelve zoo los, en zo partiaal uijt geset met insolvente borge te neemen, en die selve lieden nog als borg aangenoomen voor vijf ses diffe„ rente persoonen, de intressen laaten loopen van een Iaar in 't andere, dat er zulke gevonden wor„ den, wiens intressen zoo hoog gesteegen zijn, als het Capitaal selve, waar door duijsende verloo„ ren sullen gaan, en bij sterfgeval als andersints geen nieuwe borgen laaten stellen dat hij Brou¬ over de veële oorzaak is, van alle die verliesen door slegte administratie; hij soliciteerd om ou„ derling te worden, na dat dit alles ontdekt was bij de weeskamer, zoo bleef hij egter daar ook nog den directeur en wel zoo, dat heeden de diaconij kinderen omtrend barevoets loopen, hebbende in twee Iaaren geene verstrekking van kle„ deren gekreegen van eenig aanbelang. — O verfoeijelijke daat, weese weduwe on„ mondige 345 mondige, en de diaconij te besteelen, wat straffen dient zoo een te ondergaan. dit is gepasseert als secretaris van de weeskamer, nu sal blijken dat hij niet minder in„ haalig geweest is in zijn post als fiscaal, en ontrou„ we en eerloos in de qualiteijtals dispencier. Ik sal slegts van ieder bediening maar een saak aanroeren, maar voldoende. Een zeekeren vuurwerker Corner tans present in dit guaarnisoen, een slaave meijsje kwam van zijn buurmans huijs, en bleef des snagts daar ver„ hoolen, hij maakte deeze zaak af tot wederzijds ge„ noegen, en kogt die meijd, die niet genegen was om langer bij den voorigen heer te blijven. de fis„ caal dwingt dien heer Corner binnens kamers om een schuld bekentenis van 100. pagoden te te„ kenen, seggende dat hij die slaave meijd geschaakt had, bewesd en ontsteld zijnde hebbende reets onaan„ genaame ontmoetinge gehad met de heer Iadama teekende dien armen man, en heeft sig die zaak soo aangetrokken, dat het hem als in 't hoofd geslaagen is, voor verscheijde maanden, en was verpligt die meijd uijt armoede wederom te verkoopen. uwelEdele agtb: komen dit selfs ondervraagen en ondersoeken, hij blijft heeden nog over de 20. pagoden daar op schuldig aan Brouwer, zijn dit straffe voor een officier, die niet anders moet ondergaan als arrest pro„ voost, gedemitteerd of gecasseerd, dat is Conform de ambitie van zoo een Woble Corps. o En i En als dispencier, heb ik uwel Edele Actbare reets mondeling bedeelt dat de heer Brouwer de olij aan Comp:s dienaaren verstrekte met twee blicke beekers omtrend Een lb: minder als de gelijkte maat van de Comp:e, de tweede houd vier l: wierd bij der hand gehouden in geval van onraad. het geheel guarnisoen sal dit getuijgen. — Ik dagt dat een fiscaal tegens sulke zaaken moet waakzaam zijn, maar wel verre hij zegt het zoo overgeno„ men te hebben van den voorigen dispencier; die beekers leggen nog in de dispens, en kan onderzoek bijden, te meer dat de Jonge heer Bloeme weijgerde om den Olij met die maat overleneemen, en onderzogt zeer naaukeurig het verschil, en bevond het als boven gemeld deeze aan haaling zijn voldoende om het ver„ volg klaar en duijdelijk te maaken. — Ik ga ter zaake selve over, hoe moet men deeze ilegale proceduuren Considereeren vol„ gens het beslotene van den 12. Maart, word ik direct Crimineel gevangen genoomen sonder verhoor, zonder ondersoek, veel minder sententie, en wie had die magt, en die authoriteijd; zij schee„ nen het in den politicquen raad te Concidereeren als eene Crimineele saak, hadt dan den fiscaal gesuponeert, kundig ervaarent ongecorum„ peerd, en eerlijk niet moeten opkomen om het Iusti„ tieele met het Civile niet te vermengen, daar sit ook
English
also a president of Justice who should also have attended to his duty there, but no, they all conspire together to defend themselves against my accusation, not by seeking to excuse themselves, but by drumming up actions and lies to surprise me with a heavy accusation, detailed at large in my memorial to Your Honorable Worships, but they can or may no longer see the light of day with that; that remains a secret until the arrival of Your Honorable Worships, when the Extract of the 12th of March was first handed to me, because they had flattered themselves with deporting me in the meantime in an unheard-of cruel manner on the Batavian ship, with all their false attestations, and with the withholding of all my papers and defenses. This was foiled both by Your Honorable Worships' sudden arrival, as well as the arrival of the gentlemen Commissioners, when they no longer dared to keep the false, coerced witnesses imprisoned, which shall become evident. How far could I expatiate on the criminal imprisonment, but trusting in my judges who will not let the illegality contained therein slip by, in order to procure for me the necessary justice and satisfaction, and in the future will take such precautions that such unheard-of tyrannical conduct can no longer be practiced, resembling more the times of Spanish tyranny than a free form of government; moreover, where is the court that finds itself offended, which may be its own judge? In order to make this defense of mine as short and clear as ever possible, I shall specifically limit myself to the Extract of the 12th of March, and the further sought-out accusations in the document of the fiscal dated the 7th of December; I shall answer those unqualified points and accusations according to their merits. I say unqualified, because it appears that he proceeded from a principle of malice and allowed himself to be misled by passion and fury, so far that he did not shrink from rounding up false witnesses, but even obtained witnesses with cane beatings, so that I consider, without exception, all the witnesses to be illegal and suspect, and request that the same may be heard further, and that under oath. One of the witnesses is my private clerk named Dirksz, who found no livelihood when I, being out of service, could not pay him; out of poverty he allowed himself to be corrupted for money and promises that he would be taken into Company service, which has also been fulfilled. The second is a brave old experienced servant, who has served the Company warehouses for 50 years at Nagapatnam, without ever the slightest reproach. This man, Waijtenada, is persecuted in order to advance the second, who was a creature of Mr. Tadama at the time that he was stationed here as chief; his name is Anda Chittij, and he has by no means the competence of the first, and therefore not in toll. The third, named Poopermanie Chittij, receives his pay, but like a thief has no access to the warehouse, but is thus handed over from one warehouse master to another, not being able to be dismissed because of the influence he has among the warehouse Chittijs, where he has already incited trouble several times in order to embarrass the warehouse master in busy times. The fourth is the cannecapel Satche Poete; he fled from his house, intending not to give any false testimonies, but was picked up at night by the Company interpreter, who locked him up for several days in the interpreter's house in order to persuade him and to sign, saying to them all, "Of Van Bijland you will never hear speak again, just sign." And the brave old man Waijtinada was beaten by eight peons until blood followed, and he stood firm, only to undergo such treatment again the second day, when he signed what they wished. Mr. Tadama then had him come to him and wanted to give him a letter to Sadras to his brother-in-law Simons, who would pay him two pagodas a month. I refer further to his report, as well as to that of my head servant. All the remaining are attestations of coolies, of which a commander can have as many as he desires for a small payment, the more so as no oath is spoken of; with this, all the attestations are answered in full. But it is singular that in a case of such consequence, that if the gentleman fiscal had proven just one of his accusations against me, a heavy, ignominious demand would have been the consequence against me, and these witnesses are not even sworn; also, one of them who was not so easily corrupted, named Waijtenada, but who was forced thereto with eight peons, pulled one of those false witnesses by his garment, saying, "Come with me to the temple to take our oath if you dare." "No," said the fiscal, "he does not have to take an oath." I appeal
Dutch transcription
346 ook nog een president van de Iustitie die daar ook zijn pligt had dienen te behartigen, maar neen zij spannen alle te zaamen om zig te verdeedigen tegens mijne beschuldiging, niet met te soeken van hun„ lieder te verschoonen maar met actien en leugens opteraapen om mij met eene swaare beschuldiging te overvallen in 't breede gedetailleert in mijne memo„ rie aan uwelEdele Achtb:, maar daar mogen of konnen zij niet meer der door den dag komen, dat blijft een geheim tot de komst van uwelEdele Agtb: wanneer mij eerst het Extract van den 12. Maart ter hand gesteld is, om dat zij zig geflat„ teert hadden van mij intusschen op eene onge„ hoorde Cruelle manier over te scheepen op het Ba„ taviase schip, met alle hunne valsche attesten, en met agterhouding van alle mijne papieren en defencien. dit wierd vereijdelt zoo door uwel Edele Agtb: schielijke overkomst, als ook het arrive van de heeren Commissarissen, wanneer zij de valsche afgedwongene getuijgen niet langer ge„ vangen dorsten te houden, 't welk blijken zal. — Hoe verre soude ik mij konnen uitbreijden over de Crimineele gevangenschap, maar vertrouwende op mijne rechters die het ilegale niet ontglippen sul„ len daar in vervat om mij het nodige rechten sa„ tisfactie te bezorgen, en in 't toekomende zulke voorsorgen zullen neemen dat diergelijke ongehoorde teranicque han„ delwijse al van delwijse niet meerder gepleegt konnen worden, als swee„ vende meer na de tijden der spaanse tiranij, als na eene vrije regeerings form, daar en boven, waar is de rechtbanc„ die sig beleedigt vind, die zijn eijgen rechter mag zijn om deeze mijne defencie zoo kort en klaar te maaken, als immer mogelyk sal ik mij particulier bepaalen tot het Extract van den 12. Maart, en de verdere op„ gesogte beschuldiging in 't document van den fis„ caal in dato den 7. december, sal ik die ongequali„ ficeerde pointen en beschuldiging beantwoorden naar merites. Ik seg ongequalificeerd, om dat het blijkt dat hij uijt een principe van quaad- aardigheijd te werk is gegaan en sig door drift en pascie heeft laaten verleijden, zoo verre dat hij sig niet ontsien heeft, van valsche getuij„ gen op te doen rotten, maar selfs met rotting slaagen getuijgens ingewonnen heeft, zoo dat ik niet een woord alle de getuijgens voor ilegaal, en suspoct houw, en versoek dat deselve nader gehoord mogen worden, en dat wel op den Eed een der getuijgens is mij„ ne particuliere schrijver met name Dirksz: die geen bestaan vond toen ik buijten dienst hem niet betaalen kon, uijt armoede lied hij sig Corrumpeeren voor geld, en beloften van in Comp. s dienst te sullen aangenoomen worden 't welk ook nagekomen is. Den tweede is een braaf oud er vaaren 347 erwaaren dienaar, die 50. Iaaren Compagnies pakhuijssen bedient heeft op Nagapatnam, sonder immer de gering„ ste repoosche Deese man waijtenada werd vervolgd om den tweede mogen te doen op klimmen, die een Erdatuur van de heer Tadama was ten teijde dat hij hier als opperhoofd lag zijn, naam is An„ da Chittij en heeft geinsints de bekwaamheijd van den eerste en daar om niet in tol: Den derde met naamd Poopermanie Chittij ontfangt Zijne besol„ ding maar als een dief heeft geen toegang in 't pak huijs maar word van den eenen pakhuijmeester Zoo oaergegeeven, niet konnende verstooten worden om de influencie die hij heeft onder de pakhuijs Editijs daar hij verscheijden maalen reets onderge„ stookt heeft om bij drukke tijden de pakhuijmoed ter in verlegendheijd te brengen Den werden is de Canmecappel Satche Poete is uijt zijn huijs gevlugt gemunt om geene valsche kordsschappen te geeven: maar des snagts door Compagnies Tolk gelicht en heeft hem verscheijde dagen opgeslooten in den Tolk zijn huijs om hem te persuadoeren en te tekenen seggende aan haarlieden alle van van Bijland sult gijlieden immer meer hooren spreeken teekend maar en den „braauen braauen ouden man Waijtinada is door agt pions geslagen dat 'er het bloed op volgde en hij stond ze schrap om den tweeden dag weder 3oo eene be„ handeling te ondergaan wanneer hij teekende wat men sulden de heer Iadama lied hem toen bij hem komen uidde hem een brief geeven na Sa„ dras aan sijn swager Simons die hem twee pagoden smands soude betaalen Ik refereer mij verder aan Sijn bericht, als ook aan dat van ve: mijn hoofd diewaar alle de oorige Sijn attesten van Coelijs die een gebieder voor eene kleijne behol ding hebben kan, zoo veel als hij begeert te meer als en van geen eed gesprooken word; met dit zijn in ven alle de attesten beantwoord Maar Jengulier is het dat in een saak van Hoe eingeurng dat als do hoer fiscaal maar slegs een aan zijne beschulde ging tegens mij berwessen hadt dat er als dan een swaar ig nommeuse eijsch het gevolg soude geweest zijn tegens mij en die getuijgens worden niet eens beeedigt, ook een hun nen die zoo ligt niet te Conrumpeeren was met naam waijtenade maar die met agt pions daar toe goedwongen wierd rukte een dier valsche getuijgen bij zijn kleed Segge de komt met mij in den tempel onsen Eed doen als gij durft noor Beijde den fiscaal hij heeft geen Eed te doen Ik beroep
English
I appeal to all the same witnesses cited by the fiscal, and I desire nothing other than that they be interrogated according to law and fairness without torture or bonds. Furthermore, I refer to the report submitted by Wingerassam and Waijtenada; consequently, I find it unnecessary to refute those false testimonies or to demonstrate how the one says to have heard and how the fiscal makes false assumptions. As soon as an officer is legally proven to have committed forgeries in purchases and in judicial proceedings, he is no longer acceptable, but even punishable in the highest degree, as is known to everyone without the need to dwell upon it. And proceeding to the first accusation, concerning my hot-tempered nature and the so-called rebellious letters, all of this has already been explained in detail to Your Right Honourable Worships. I believe that had those gentlemen produced even a single proof of passionate temper, it would have been more satisfactory than uttering all those abusive invectives. The letter of 26 February certainly serves its purpose, written with that resoluteness befitting a well-intentioned, faithful servant of the Company, who took an oath only to serve his Lords and Masters faithfully. He saw before his eyes the unfaithful, careless malversations of your people increase, with the most dangerous consequences for the Company's interests, and even that Mr. Tadama, convicted in his conscience, was already shipping his most valuable goods off to Tranquebar by night and at unseasonable hours, without being prevented from doing so by a faithful, well-intentioned servant of the Company. And that at a time when I was convinced that he must pay back more than 40,000 Pagodas into the treasury if everything is properly audited. I was not asked or consulted, although I am the one who brought these profits to the Honourable Company with their discovery, and even the method and manner by which it could be uncovered in the most suitable way. But who would direct water away from his own mill, and should I once again venture into such dangers in which my life has been put at risk, and from the consequences of which I am still languishing? No, until the Lords Superiors provide for it, I shall not enter into the field again. For India is like a heavy instrument, all tied to one cord, and he who touches that small cord moves all at once the strings that are strung toward the Company's ruin, seeking only to foster and pursue self-interest, and to persecute whoever uncovers it. How many examples could I cite, and what sharp letters could I not produce which indirectly had to convince me of the displeasure felt regarding my resoluteness and the discovery contained in my memorandum submitted to the Council of Coromandel. The letter of 2 March, written as a private individual since I was dismissed from service, has no further connection with the Company's affairs. Directly following this is the 10,000 Rupees promised by Triwengalam to Mr. Tadama to have me recalled and to allow the former chief to continue. All testimonies regarding this matter have been extorted. If it were an honest matter, one should have asked during the interrogation whether those people had never heard talk of it; but against force, what could those people answer other than what was put to them? Then follow the armed men, who consisted of 10 Moorish peons from Dacharam, to guard me and my house, in order to return those peons to Van Halm who had been placed with me as peons and were creatures of Triwengelam, my enemy and persecutor, with whom my life was not safe. Those 10 natives were no more heavily armed than ordinary peons, except for a shield. But how ridiculous is that assertion: at that time it was evident that my request was to be recalled. By committing such violence, my cause would have become bad and that of the unfaithful chiefs good; during such an upheaval they would soon have destroyed the Company's books and papers and left everything to my accountability. I repeat that the least of the Company's merchants have peons from Datcheram in their service, and it is a Dutch Company post. Regarding the desertion, this has already been discussed in detail and sufficiently proven that those people were incited to it by the chiefs and Triwengalom. The charge of not having complied with the order of 17 February, which was only delivered to me on 25 February, is a false and mendacious accusation. I complied strictly with that order; also, all the merchants of Jaggernaikpoeram were immediately placed under criminal arrest on 25 February to force them to sign for more than 3,000 Pagodas, while they owed only 800 Pagodas. It is true that in my capacity as a Company servant and as a Council member of Palliakatta, I wrote a letter to the chiefs, if possible to soften the passions and cruelties committed against those merchants and Brahmins. Here
Dutch transcription
348 beroep mij op alle deselde getuijgen door de heer fiscaal aan gehaalt en begeer niet ander als dat hij na recht en bil„ rijkheid sonder pijn of banden ondervraagt worden en Ovverigens refereer ik mij aan 't bericht dat wingeras„ sam en waijtenada indienen derhalven vind ik niet nood Zakelijk om die walsche attesken te wederleggen niet aan tetoonen hoe den eenen segt gehoord te hebben en hoe den fis„ caat verkeerde onderstellinge maakt zoo dra een offecier in rechten beweezen is van valsiteyjten begaan te hebben inkou„ schappen in rechts oeffeningen zoo is hij niet meer accoptable maar selfs ten hoogsten strafbaar alte heer bekend bij een iegelijk om daar bij stil te blijven staan En gaande ouar tot de eerste beschuldinging, betroffen de mijne druftigen aart, en de zoo genaamde opreerige bri„ ven, dit is alles reets in 't breede bedoekt aan Uwel Edele Agtb: en ik vermeen dat hadden die heeren Rlegs een berweijs van drift bij gebragt het voldoender soude geweest zijn als alle die injurieuse inuectives uijttebraaken zeekerlijk is de brief van den 26. februarij strekt maar gepast en met die Cor„ daatheijd, die betaamd aan een wvelmeenent trouw Comp:s die„ naar die maar eenen Eedgedaan heeft aan zijne Heeren en Meesters trouw te dienen, en hij sag voor sijne, ooge „ tot uwe de ontrouwe Sorgeloose malversatien van uwe, toeneemen met de allergevaarlijkste gevolge voor Compagnies belange Ia selfs dat de heer Tadama door overtuijging in Sijn gemoed. 9 33 gemoed reets zijne kostbaarste goederen bij nagt en ontij „den afscheipten naar Tranquebaar Sonder dat hem dat door een trouw welmeenent dienaar van de Comp:s belet wierd en dat op een tijd dat ik overtuygd was dat hij meerder als 40. duijsend Pag: in Cassa moet te rug tellen als alles nagegaan word hoe, als het be„ hoord ik ben niet gewraagt of geconsutteerd hoe wil den geen die deeze profijten aan de Edele Compagnie toegebragt heb, met de ondekking derselven Ia selfs de moise en manier hoe het op de geschikste wuijse te ontdekken zoude zijn; maar uie Dal water van de moolen dueisen en sou ik mij andermaal in sulke gevaaren begieven daar mijn leeven meede gemengt is geweest en nog kwijnende ben van dies gevolgen neen voor dat Heeren Majoris daar in sulten voor Dien heb„ ben sal ik mij niet weder op de wekte begeeven, want India is als een Swaaren spel Alle aan een koort vast gehegt en die dat boortje aankoort die be„ weegt in eens alle de snaaren die gespannen zijn tot Compagnies ondergang om niet als eijgen belang te fooken en te behartigen en die te vervolgen die daar ondekking van doet hoeveel exempels soude de ik konnen aanhaalen en welke nor je in scherpe brieven soude ik niet konnen voorbrengen die my 349 mij op eene indirectie weise overtuijgen moesten van 't ongenoegen dat min gevoelde over mijne cordaatheid en ontdekking vervat bij mijne aanteekening in raade van Cormandel in gedient De brief van den 2. maart als particulier, en ik buijten dienst gesteld zynde, heeft geen con„ nezie meer met Compagnies zaaken hier volgt direct op de beloofde 10'000. rop„s door Tri„ wengalam aan de heer Tadama om mij op te roepen, en het oude opperhoofd te doen continueeren, alle attesten daar omtrent zijn afgeperst maar was het een suijvere zaak, zoo had men bij de interogatorie moeten vraagen, of die lieden daar nimmer van hadden hooren spreeken, maar tegens gewelt wat zoude die lieden antwoorden anders als wat hun voorgehouden wierd — Dan volgt de gewapende koppen, die be„ staan hebben in 10. Dacharamse moorse pions; tot oppassing van mij en mijn huys, om die pions aan van Halm weerom te geeven, die als prons bij mij geplaats waaren, en Crectuuren waaren van Triwengelam mijn vijand en vervolgen daar myn leeven niet zeeker bij was, en die 10. inhooren zyn niet meerder gewapent als de ordinaire pions, uytgenomen een schild, maar hoe redicuul is die stelling op die tijd blykt immers dat myn verzoek was om opgeroepen te worden met zoo een ƒ geweld geweld te pleegen, was myn saak kwaad geworden, en die der ontrouwe opperhoofden goet, zij zouden bij zoo eene revolutie wel haast Compagnies boeken en papieren vernielt hebben, en alles tot mijn verant„ woording gelaaten, herzegge dat de min„ ste van Compagnies kooplieden pions van Datcheram in hunne dienst hebben en een Hollandsche Compagnies plaats is. — Over de uitweijking is reets in 't breide verhandelt en genoegzaam beweezen dat die lieden daar toe door de opper„ hoofden en Triwengalom opgeroet zyn. Van mij niet gestoord te hebben aande ordre van den 17: februarij, die mij eerst op den 25. februarij ter hand gesteld is, is een valsche en leugenagtige beschuldiging, ik heb die ordre strik nagekoomen, ook waaren alle de kooplieden van Jagger„ naikpoeram in mediaat op den 25. febru„ arij Crimineel gearresteerd om hun te dwingen van voor over de 3000. pagoo„ den te teekenen; terwijl zij maar Ja 800. pag: schuldig waaren, wel is waar dat ik in qualiteijd als Comp„s dienaaren als Raad lid van Palliakatta een brief aan de opperhoofden geschreeven heb, om was het mogelijk de driften en Cruanteiten aan die koopluden en bramine begaan te versogten- Hier
English
Following this was the illegal criminal arrest, which, according to the circumstances and arbitrary discretion of Mr. Tadama, outside of the council, was aggravated from day to day, as can be seen in the letter of 14 April, and all this on account of the private letter of 2 March, to be seen and found with the letter of the commissioners dated 8 April. Concerning finally and lastly that which is contained in that extract, the arrest and sending up of my head servants, the cruelties inflicted on that man are indescribable to me, and I leave it to him to obtain redress and satisfaction from Your Right Honourables, reserving for myself the right to seek justice and satisfaction where I shall deem proper concerning the injury done to me by mistreating my servant nearly to death. And what is a servant; he can do nothing other than obey his master, so that this insult was done to me, and the pain, suffering, and damages sustained by that head servant must be compensated by Mr. Tadama. Thus far the extract has run, and it was approved and agreed to order the fiscal to proceed against Van Bijland and his servant in accordance with the laws and the articles of war, so that all the rest that follows are concocted actions to please Mr. Tadama and the chiefs, with the foolish assumption that my dirt can wash them clean. Concerning the Havildar, it is a very simple matter, and I cannot comprehend that this matter may be brought so vilely and partially before the eyes of Your Right Honourables. The dispute between me and Mr. Tadama has already been mentioned regarding the customs bookkeepership that was attached to my post as warehouse master, and which was not willingly relinquished by Mr. Tadama, who did not find his account in it, but immediately had money that came from the customs counted into the cash box; a good and clean transfer would shed much light on this, but that was not given by Mr. Tadama. As customs bookkeeper I had to work with four subordinate cannekapels assigned to me as customs bookkeeper and standing directly under me; these people sit with the Havildar's people on the pial where the customs are paid, and make notes and detailed records, and come to report to me daily. That is the correspondence that is presented so darkly to Your Right Honourables. But here is actually where the secret lies: the private parcels and goods for Batavia are carried out of those gentlemen's houses inside the fort, and then shipped out in a smuggling manner as if they were Company parcels and goods. This has always been the real cause of the discord and disputes with the Havildar. Is that not proven and known to Their High Nobilities concerning the seized parcels of the Armenians, on account of which no customs account was rendered for several years by the Havildar? Also, those goods of a certain Mr. Pietersz were detained, even on the glacis of our fort; I was not there either at that time, and nevertheless the arrest and detention of the goods took place in the year in question, as if I were to blame for it. Then Luijken transshipped all the Nagapatnam goods directly onto the ship Horssen without customs. That same year Mr. Tadama shipped in the name of the Company, in order to smuggle the customs, 12,189 lb of sugar to the north with our sloops, of which I have already made mention, and inserting this provides further clarification: Mr. Martinus Stoffenberg, head administrator and outgoing warehouse master, supplies from the Company's trade warehouse to the native Porwea Poele the 12,189 lb of powdered sugar, or 25 1/480 bahar, sold to him on three months' credit, and records the same as a memorandum, Paliacatta in Castle Geldria, 15 December 1788. Note: that is the servant of Mr. Tadama, and done to disadvantage me, as I was then about to arrive from Sadras, and no price of the sugar was mentioned, in order to await the lowest bazaar price. Captain Gas, who lived next door to me, had trade goods transferred into his house in small batches, and had them packed into a five-foot chest and carried daily to the beach by Chinese and Malays, which caused a great uproar among the coolies, and it is they who reported it to the Havildar, whereupon the chest was seized, and not released until after a considerable present was paid by Mr. Tadama. I had specified to my customs cannekapels how many Company parcels were to be shipped that year, that the rest were private, and that they also had to pay. Meanwhile, the private parcels were shipped first to form the lower stowage in the ship, in order to favour the smuggling trade everywhere; when the full quantity of parcels was reached, the Havildar had all the rest detained: Company or private is all the same to me, the Company only has so many parcels, and there are already so many in the ship, the rest must pay customs. Is this case now different from the first two cited examples, namely the parcels of the Armenians and those of Mr. Pietersz? When the Havildar is wronged, he seizes wherever he finds it, and our privileges do not rest on smuggling or deceiving the Havildar, but on right and equity, which one must assume will be maintained and protected by the ruler Tadama.
Dutch transcription
350 Hier volgd dat ibegaale Crimineele ar„ rest op, dat na omstandigheeden en wille„ keurig goedvinden van de heer Tadama buy¬ ten den raad van dag tot dag verswaart wierd, als te zien is de brief van den 14. april en dat alles om de wille van de particuliere brief van den 2. Maart te zien, en te vinden bij de brief van der gecommitteerdens dato „ den 8 april. Be„ treffende eyndelijk en ten laasten in dat Ex„ tract vervat het arresteeren en opsenden van myn hoofd dienaaren de cruanteiten die men die man aangedaan heeft is voor mij onbe„ schryvelijk, en laat het aan hem selve over, om redres en satisfactie van uwelEdele agt„ bare te erlangen en reserveeren mij om recht en satisfactie te soeken daar ik sal meeken te behooren over die in Jurie mij aangedaan. Met mijn dienaar tot bij na de dood te hebben mis handelt, en wat is een dienaar, die kan niet anders doen als zyn meester te gehoor„ „zamen, soo dat dien in sulte mij aangedaan is, en dapijn, smerte, en geleide schaade aan die hoofd dienaar moet vergoed worden door de heer Tadama, tot dus verre is het Extract afgeloopen; en goedgevonden en verstaan om de fiscaal te gelasten om ingevolge de wetten„ en den articul brief tegens van Bijland en zyn dienaar te procedeeren, zoo dat alle het over„ rige dat volgt opgeraapte actien zyn om de heer Tadama en de opperhoofden te believen, met een dwaase veronderstelling als of myn vuijl haar lieder schoon kan wassen- Omtrend en Omtrend den Haweldhaar, is eene zeer een voudige zaak, en kan niet begrijpen dat die zaak zoo vuijlaardig als partiaal onder het oog van uwelEd: agtb: mag gebracht worden. Het disput tusschen mij, en de heer Tadama is reets aangehaald omtrend het tot boekhouderschap dat aan mijn dienst was als pakhuysmeester ver„ knogt is, en niet greetig door de heer Tadama is afgestaan, die daar zyn reekening niet bij Vond„ maar illico geld in Cassa liet tellen dat van de thollen gekomen was een goet suyver transport zoude in deezen veel licht bij zetten, maar dat is niet gegeeven door de heer Tadama; als Thol beekhouder heb ik te werk moeten gaan met vier onderhoorige cannekapels die mij als tholboekhouder toegevoegt zijn, en direct onder mij staan, die lieden sitten met den Ha„ weldhaar zyn volk op de piaal, daar de Thollen betaald worden en schrijven over en na„ der op, en komen mij dagelijks rapport doen, dat is de Correspondentie die zoo swart opge¬ dist word aan uwelEdele Agtbaare. Maar hier bestaat eygentlyk het geheim in, de particuliere hunne pakken en goederen voor Batavia worden uijt die heeren harre huijsen binnen het fort gedraagen, en dan afgescheeptsmok„ kelder weijs als of het compagnies pakken en goederen waaren, dit is de rieele oorsaak alteyd geweest der on Eenigheyd en desputen met den Haweldhaar, is dat niet beweesen en bekend bij Haar e 351 Haar Hoog Edelheedens omtrend de gearres„ teerde packen van dew armenien, waar door verscheijde Iaaren geene thol reeckening ge„ daan is, door den Haweldhaar ook zijn die goederen aangehouden van eenen heer Pietersz: nda selfs op de glascie van ons fort toen was ik ook niet daar, en eevenwel had het arrest, en aan houden der goederen plaats het Iaar in kwestie, als of ik daar aan schuld had, toen heeft Luijken alle de Naga„ patnamse goederen direct overgescheept op het schip Horssen sonder thol dat selfde Iaar heeft de heer Padama afgescheept op de naam van de Compagnie om de thol te smakkelen 12189. lb: zuijker na de noord met onse sloepen, en waar van ik reets gewag gemaakt heb, en door dit te insereeren geeft meerder opheldering: Den Heer Martinus Stoffenberg hoofd ad„ ministrateur en afgaande Pakhuijsmees„ 'sComp„s negotie Pakhuijsm=r ter verstrekt uijt ƒ aan den Inlander Porwea Poele de door hem op drie maanden Credit verkogt 12189. lb: poeder zuijker of 25. 1/480. bhaar, en houd dezelve per memorie Palliacatta In't Casteel Geldria den 15. december 1788. NB: dat is de dienaar van de heer Padama, en gedaen om mij te benadeelen, als staande toen overtekomen van sadras, en geen prijs der zuijker ver„ meld, om de laagste bazaars prijs afte„ wagten. Den Capitain Gas die naast mijn duur woonde lied bij kleijne parthijen de negotie goederen M 16 66 in zijn huijs overdragen, en lied het in een vijff voet kist packen, en door Chineese, en maleijers dagelijks na strand. dragen, 't welk groot oproer onder de Coelijs maakten, in die zijn het dewelke het bij den Hawaldhaar aan gedient hebben, en waar op de kist gearrestreerd is, en met ontslagen als na een aansienlijke present betaalt te heb„ ben door de heer Padama, mijne Canne„ cappels van den thol had ik opgegeeven. hoe veel Compagnies packen en dat Jaar soude afgescheept worden dat het overige parti„ culier was, en ook moesten betaalen, intus„ schen wierden de particuliere packen eerst afgescheept om de onderlaag in 't schip te formeeren, om over al, den smokkel handel te begunstigen, toen de kwantiteijd der packen daar waaren lied den Hawal dhaar alle de overige aanhouden, Comp„ of particulier is mij om 't eeven, de Comp„e ^ zijn 'er heeft maar zoo veele packen, en 'er ^ reeds zoo veel in't schip, de Overige moeten tot betaalen. is dit geval nu different van de twee eerste aangehaalde Exempels na„ mentlijk de packen van de armenien, en die van de heer Pietersz: zoo als hij haweld had te kort gedaan word arresteerd hij waar hij het vin en onse priviligien die steunen. niet op smokhe of om den hawaldhaar te bedraegen, maar op regt en iquiteit, die men veronderstellen moet, door den gebieder Padama te sullen worden gemaintineerd en geprotezeer 1 25
English
protected, but not by being the first to violate those privileges. That man was so accommodating in the beginning that he released it on the word of Mr. Padama, until those proofs of the sugar and his private trade were discovered by the haveldar as toll bookkeeper. I say once again, I have kept watch for the Company, observed my entrusted duty, and sought to counter that illicit trade from gaining further ground to the detriment of the Company and causing great disputes with the haveldar. Why did Mr. Tadama make his displeasure known when I demanded the transfer of the toll books, except because he could no longer favor himself and his favorites? As for the present given by me to the haveldar, I deny it to have been of that value, but rather a few handfuls of each kind of spice, as well as a piece of red cloth, and not given at that time, but when he, the haveldar, first arrived at the post in that office. And it was for the sake of friendship and good understanding that I allowed the haveldar's people to enter my house before I closed my trunks and chests, which is nothing but convincing proof of good faith, and because I did not like having my goods locked open on the beach. Furthermore, I have always paid strictly for my trade; the witnesses will say more of this than I, namely the weighers. What reason can one suppose that I would wish to detain the ship Horssen? On that date, all was in the best outward harmony; my notes in the council made neither an impression nor an impact on those indifferent, unfaithful servants, who had forged a plot among themselves to bring about my removal from the Coromandel Coast. And on that occasion, one brother-in-law betrayed the other, and Mr. Padama paid the reckoning by receiving that dismissal which he was by no means expecting. The fiscal believes he has fully proven that I am the cause of the discord that arose with the haveldar or divan, but far from it: that discord arose through the continuous smuggling trade of Mr. Padama and his favorites; all the more so because such displeasure of the haveldar, as well as the arresting and detaining of goods, occurred almost every year. At that time I was at Sadras; who was the cause then? Foul and malicious are the fabrications of that unfaithful fiscal, and this will become as clear as daylight with every article or accusation. Thus I proceed to the copper. This article is all too voluminous for me to dwell on every remark and supposition. It is certain and true that 800 chests were transshipped directly from the ship Horssen into the sloop bound for the north. That again demonstrates my disinterestedness and my effort to get the ship Horssen discharged quickly. But notwithstanding the captain, my counterpart, and that of the commander of the sloop, there was a very great shortage; yet, to the credit of the chiefs of Jaggernaikpoeram, they bore that loss, precisely because it came directly from the ship. Had it been sent in this manner by the warehouse master, it would not have ended so easily, and rightly so. Furthermore, it appears that I did not take over that copper, nor deliver it at my transfer, nor store it. Now the fiscal shows that in the transfer of Mr. Stoffenberg there was a shortage of copper, and that is also true; but your Honorable Worships know very well that the new warehouse master is the rising sun for the weighers, and they will ensure that the new warehouse master does not come up short. Moreover, Mr. Stoffenberg said to the weighers, we are good friends, I will not quarrel with Van Bijland over a little turn of the scale during weighing. But if one gives those people an inch, they take a mile. Therefore, I was not short of any copper, as appears from the transfer of Mr. Stoffenberg: received 51994 lb. and supplied, sent, and sold 52009 3/4 lb., thus a credit of 15 3/4 lb. And in the transfer to Mr. De Raeff, an excess of 891 7/8 lb. appears. Because of that excess, it is supposed that I stole copper, without them taking into account my allowance of 1/8 per cent, and that it is never weighed as strictly when weighing out as when weighing in, since the merchants always resell it with English pounds. It also appears in that deceitful paper as if I had sold only two bahar, whereas it has just been proven by the books that I sold 52009 3/4 lb. Furthermore, that I allegedly stole either 12 chests or 24 chests, precisely for the reason that Mr. De Raeff, upon reweighing the lot of copper taken over from the ship Horssen by Mr. Padama, found a shortage of 1600 lb. I leave Mr. De Raeff in his full character and acknowledge him as an honest man, but as a warehouse master in his honest trade and occupation, he will not maintain that he is better than previous warehouse masters; besides, even if he were ever so well-intentioned, the weighers take good care that no harm comes to their masters. But that is how it went, for when they began with it, I had not yet departed. Beekman, the clerk of Mr. De Raeff, said that it was weighed only out of curiosity, and that they, the weighers, did not need to look at one or two bars per chest. Now, a bar taken on average weighs 3/4, 7/8, 1, up to 1 1/8 lb. If one generously sets this at 3/4 lb. per bar, that makes 2400 bars at 3/4 lb., which already results in a shortage of 1800 lb. Was
Dutch transcription
352 geprotegeert, maar niet met selfs den eersten te zijn in 't overtreeden dier previlegien, die man was, zoo geschikt in den beginne dat hij het op 't woord van de heer Padama largeerde tot dat die beweijsen van de Suijker, en zijne particuliere negotie ontdekt is bij den Ha„ weldhaar als Thol boekhouder, herzegge nog nd eens heb ik voor de Compagnie gevigileert, in mijne toevertrouwe dienst betragt, en soeke tegens te gaan, dat die sluijk han„ del niet verder de over hand sou noemen tot nadeel van de Compagnie, en groote disputen met den Haweldhaar, waar om gaff de heer Tadama zijn ongenoegen te konnen, toen ik het transport opeischde der tholboeken om dat hij sig selven, en zijne livelingen niet meerder kom beguns„ tigen, het present door mij aan den Ha„ waldhaar dat ontken ik, aan die waar„ de te zijn geweest, maar wel een paar volle handen van ijder soort specerijen, als ook een lap roodlaken, en niet op die tijd gegeeven, maar toen hij hawald haar eerst op de plaats kwam in die post, in wel om vriendschap en goede verstand houding dat ik de hawaldhaars volk bij mij in huijs liet komen voor dat ik mijne koffers en kiste stoot, is niet als een Overtuijgent beweis van goede trouw, en om dat ik niet graag mijne goederen open liet sluijten aan strand; Overigens heb ik altijd strikt voor mijn negotie betaalde de getuijgens sullen hier van meerder zeggen als ik namentlijk de weegers wat reeden kan men veronderstellen dat ik het schip horssen soude 5 ƒ soude willen aanhouden op die datum was alle in de beste uijterlijke harmonie mijne aanteekeningen in vergadering hadden nog indruk nog im„ prescie op die onverschillige omtrouwe dienaren die bij haar selve een Complot gesmeed hadden om te bewerken dat ik van de Cust Cormandel sou„ de gelicht worden, en bij die gelegendheijd heeft den eene swager den anderen btege be¬ droogen, en de heer Padama het gelag be„ taald, met dat ontslag te erlangen, dat hij geensints verwagtende was. De heer fiscaal vermeent ten vollen beweesen te hebben dat ik oozzaak ben van de oneenigheijd ontstaan met den Hawel„ dhaar of Dijven, maar het zij verre die oneenigheijd is ontslaan door den drijvende smakkel handel van de heer Padama, en zijne lievetingen; te meer dat het om„ trend alle Jaare voorgevallen is dier ge„ lijke misnoeging van den hawaldhaar, als ook het arresteeren en aanhouden der goede„ ren, toen was ik, op sadras, wie was dan toen de oorzaak; Vuijl kwaataardig zijn de verdigsels van dien omtrouwen fiscaal, en welke bij ieder artikel of beschuldiging sonne klaar blijken, zal. zoo gaan ik over tot het kooper. Dit articul is al te volu„ miners, om mij bij ieder aanmerking en verouder„ stelling op te houden, zeeker is waar dat 'er 800. kistjes direcht uijt het schip horssin in de sloep zijn overge„ scheept na de noord, dat toont alwederom mijne onge„ interesseerdheijd aan, en om het schip horssen schielijk los te 353 te kryjgen, maar niet teegen staande de Cap:n, en mijne p=r Co: en die van den gezaghebber der sloep is 'er zeer veel te kort gekoomen, maar tot roem der Jaggernaikpoerams opper„ hoofden, hebben zij die schaade gedraagen, en wel omdat het direct uijt het schip kwam, als het zoo door den pak„ huijsmeester versonden was, zoude het zoo gemakkelijk niet afgeloopen hebben, en met recht. Vervolgens blijkt dat ik dat kooper niet overgenoomen en bij mijn transport niet overgegeeven heb, ook niet ge„ borgen heb. nu toont den fiskaal dat 'er bij het transport van de Heer Stoffenberg kooper te kort gekoomen is, en dat is ook waar; maar uwel Ed: agtb: weet zeer wel, dat den nieu„ wen pakhuijs meester de opgaande son is voor de weegers en sorgen zullen dat den nieuwen pakhuijs meester niet te kort komt. daar en boven seijde de Heer Stoffenberg aan de wee„ gers wij zijn goede vrienden, ik zal mij om een weijnigje door slag bij't weegen niet brouilleeren met van Bijland maar geef men die lieden de vinger, zoo neemen zij de handen, dier„ halven ben ik geen kooper te kort gekoomen als blijkt bij het transport van de Heer Stoffenberg ontfangen 51994 8: en verstrekt versonden en verkogt 52009:/¾:, dus Credit lb: 15. ¾. en bij het trans„ port blijkt aan de Heer De Raeff eene meerderheid van 8 91 7/6. om de wille van die meerderheid word gesuponeerd dat ik kooper gestoolen heb sonder dat zij in aanming neemen mijne validatie van 1/8. pr Cento in en dat nimmer zoostrikt gewoogen word bij het uijtweegen als bij het inweegen, vermits de kooplieden het altoos weer ver„ koopen met Engelsch lb: ook komt in dat leugenagtig papier als of ik maar twee bhaar verkogt had, terwijl zoo eeven beweesen word door de boeken dat ik 52009.¾. verkogt heb al„ verder dat ik of 12. kistjes of 24. kisjes gestoolen heb, en wel om reeden dat de Heer De Raeff bij het naweegen van de over„ genoomene parthij kooper van het schip Hlorssen, door de heer Padama eene minderheid bevonden heeft van 1600. lb. Jk laat de heer De Raeff in zijn volle carracter, en erken hem voor een eerlijk man, maar als pakhuijsmeester in zyn eerlike neering en handteering sal hij niet sustinue„ ren beeter te zijn als voorige pakhuijsmeesters behalven dat al was hij nog zoo wel geintentioneerd de weegens pas„ sen wel op dat 'er geen schaade komt voor hunne heeren, maar zoo is het in zijn werk gegaan, want toen daar meede begonnen wierd, was ik nog niet vertrokken. Beekman schrijver van de heer De Raeff zeijde, dat het alleen gewoogen wierd uijt nieuws geerigheid, en dat zij weegers op een â twee slaaven per kistje niet hoef„ de te zien, nu een staeff door elkanderen gereekend weegt ¾. 7/8. 1. tot 1. 1/85. lb. als men dit na genereus steld op ¾ lb: per staaf, zoo zijn het 2400. staaven â /4. lb. komt reeds eene minderheid van 1800. lb. was
English
Would it not have been much simpler to have had that copper weighed out to Mr. De Raeff as strictly as it was weighed by the judicial committee, in order to be able to determine precisely whether Mr. De Raeff is the thief or I? For to suppose that 3000 lb., even with a deduction of 44 13/16 per 100 boxes leaving 2909 ½, had been carried over in small parcels by my two boys is not believable. How many trips would those boys not have had to make? The one is old, the other cannot carry 50 and is a child, and that past the door of the fiscal in gunny sacks. Would that not have caught the eye, since those boys are dressed properly and neatly as pageboys and only carry the tea back and forth? But in the end the corpus delicti was tracked down until it was shipped, and now it has been seized at Jaggernaikpoeram. Behold, your Right Honorable, if more than two small bars are to be fetched from it, which I am accustomed to place upon my papers, I forfeit all my seized goods. Also another matter: how could one mix wet and green copper with dry copper that had lain in the warehouse for over a year? Would Mr. De Raeff and the commissioners have made no remarks about that? From all this, is it not much rather to be supposed that the clerk Beekman and the weighers took advantage of the sloppy negligence or the good faith of Mr. Padama? Here I request once again that those same witnesses cited by the gentleman fiscal be examined. I respectfully take the liberty of offering to your Right Honorable, under Letter A, a report of what great profits I achieved at Sadras on the Japanese copper, as convincing and indisputable proof that I attended to the Company's interests as my own. In 1785 and 1786, Palleacatta achieved 224 /16 and Sadras 236 1/16; in the year 1787 Palleacatta achieved 224 1/16, Sadras only 105 ½ percent, caused by the fact that I was no favorite and therefore the copper of the chiefs of Japan was sent to me, which was charged very high. Nevertheless, I still triumph in the high price over Bimile, which made only 99 3/8 percent of that copper, as can be seen more clearly in the accompanying report; as also that I never occupied myself with that mess or concoction of sending dirt and dust and crumbed nutmegs, but sold everything to the advantage of the Company, as can be seen from the Sadras books and which this clearly demonstrates, Letter A. One cannot be everywhere, so that something might well have been done among the lower servants and clerks—although I do not believe it—without my knowledge, by mixing this or that with the dirt; but the commissioners ought to be examined on that, although it were to be wished that the Company's servants committed no worse offenses than in that minor item. Who would have prevented me from doing that at Sadras, where I was chief, secunde, and warehouse-master, if those were my sentiments? And now I would supposedly do it under the eyes of my commander, who was my sworn enemy. Once again trumped-up lies, made to seem as probable as possible through forced affidavits, although the contradictions repeatedly provide sufficient proof that this is a baseless action without foundation. Then that malicious fiscal turns to the dispatch of the spices to Madras, but entirely without a date, which is the only lawyer's trick that appears in that entire document. And precisely for this reason: at the transfer by Mr. Stoffenberg there were few remnants, and no mace except in the consumption box; by not providing a date now, he has free rein to mix the old parcel with the new parcel from the ship Horssen at his pleasure. Yet they do not even agree among themselves: the one says so many boxes, the other says so many carts, another says to estimate everything at 1200 lb., another again thinks that I sent for 2000 pagodas. But the pepper sent is not spoken of, which alone amounts to over 1725 pagodas with the vessel of the ferry. In a word, Mr. Fiscal, be pleased to state to me how that deficit came to be in the warehouses, and I will state to you how the same was carried out again, in a very natural manner. For no one can or may believe that it comes from the Company's parcel. First, you as fiscal were present at the opening of the boxes; secondly, would the new warehouse-master have allowed himself to be so blindfolded? At the transfer there was not only nothing missing, but an important surplus, which is not relevant here to prove that large quantity; it is impossible that it could be supplemented by that small quantity, so that nothing else must be hidden behind it. Did you also allow yourself to be paid to let forbidden spices be unloaded in a smuggling manner, or
Dutch transcription
354 was het niet veel een voudiger geweest om dat kooper aan de heer De Raeff te laaten toeweegen, zoo scherp als het door de Justitieele commissie gewoogen is, om Juijst te konnen bepaalen of de Heer de Raeff den dief is, of ik want om te veronderstellen dat 3000. lb. Ja met eene mindering van 44. 13/16. per 100. kistjes, rest nog 2909:½. dat die door mijne twee Jongens in kleine parthijen soude overgedrae„ gen zijn is niet geloofbaar, hoe veele gange soude die Jongens niet moeten doen den eenen is ouden denan„ dere kan geen 50. draagen, en is een kint, en dat voor bij de deur van de fiskaal in goenij zakken, sou dat niet in 't oog gestooken hebben daar die Jongens proper en net als lyf Jongens gekleed zijn, en alleen de Thee over en weer draagen, maar en fin het corpus dilictij is na gespeurt tot dat het ingescheept is, en nu is het gearresteerd op Jaggernaik poeram. Zie daar uwel Edele Agtb: als 'er meerder als twee staafjes uyt te haalen zijn die ik gewoon ben op mijne papieren te leggen, verbeur ik al min gearresteerde goederen ook nog een saak hoe soude men nat en groen ko„ per konnen vermengen met droog kooper dat over 't Jaar in 't pakhuijs geleegen heeft, soude de heer De Raeff en de Gecommitteerdens daar geene Remar„ ques opgemaakt hebben, is door dit alles niet veel eerder ge ken eerder te veronderstellen dat den schrijver Beekman en de weegers van de slorsig onagtzaamheid of de goede trouw van de Heer Padama geabuseert hebben, hier versoek ik al wederom die selfde getuijgen, die de heer fiscaal aanhaalt om op gehoord te worden Jk neem eerbiedig de vrijheid van aan tebieden aan uwel Edele Agtb: onder L=r A: een berecht welke groote winste ik op sadras behaalt „ op het Japans kooper tot een overtuijgend, en onteegenspreekelijk beweis dat ik Comp=s belangens behartigd heb als mijn eigen in 1785. en 1786. , heeft Palleacatta behaalt 224. /16. en Sadras 236. 1/16. in het Jaar 1787. Palleacatta 224. 1/16. Sadras maar Prr 105½. veroorsaakt dat ik geene gunsteling was, en daa„ rom wierd mij toegesonden, het kooper van de opperhoof„ den van Japon, dat zeer hoog aangereekent was, egter blijf ik nog triumpheeren in de hooge prijs boven Bi„ milie die maar 99. 3/8. pC. o van dat Kooper maakte nader een klaarder te zien bij de neevens gaan„ de bericht, als ook dat ik mij nim mer met dat gemors of gebrouw opgehouden heb, met Gruijs en stoff en vermulwde nooten op te senden, maar alle ten voordeele van de Compagnie verkogt gelijk te zien is bij de sadrase boeken en dit rempel klaas „ aantoond 1. 355 aantoond Lra A: men kan niet over al bij zijn, zoo. dat 'er wel iets onder de mindere dienaaren en schrijvers kan gepleegd worden /:hoewel ik het niet en geloof:/ buijten mijne kennis met vermenging van 't een of ander bij het gruijs, maar daar diende de gecommitteerdens opgehoord te werden, hoe wel het te wenschen was, dat sig comp:s Dienaaren bij niets anders vergreepen, als bij dat gering articul, wie soude mij dat belet hebben op sadras daar ik op„ perhoofd, secunde, en pakhuijsmeester was, als dat mijne sentimenten waaren, en nu sou ik het doen onder het oog van mijnen gebieder die mijn geslaagen vijant was; alwederom opgeraapte leu„ gens, door afgedwonge attesten zoo waar schijn„ lijk gemaakt als maar moogelijk, hoe wel de conter„ dictie telkens genoegsaam beweezen op leeveren, dat het geene opgeraapte actie is zonder fundament, dan gaat die kwaat denkende fiskaal over tot het ver„ senden der specerijen na Madras, maar alles sonder datum dat de eenigste advocaatse streek is, die in dat geheele document voorkomt, en wel uijt deese reeden bij het transport van de heer stoffenberg waaren weinig restanten, en geen foelij, als in de consumptie kist, met nu geen datum op te geeven heeft 255 heeft hij vrije hof, om de oude parthij met de nieu„ we parthij van het Schip Horssen na welgevallen te vermengen, egter zijn zij niet eens onderelkanoe„ ren, den eene segt zoo veele kisten, den anderen Segt zoo „veele karren, en andere segt alles op 1200. lb. te begrooten een ander weeder vermeent dat ik voor 2000. pagoo den versonden heb; maar de versonde peeper word niet van gesprooken dat alleen over de 1725. pagooden bedraagt met het vaartuijg van de veer, maar met een woord heer fiskaal gelieft mij op te geeven hoe die minderheid in de pakhuijsen gekoomen zijn zoo zal ik uw opgeeven, hoe dezelve daar weer uijt zijn gedraagen, op eene zeer natuurlijke weize want niemand kan of mag gelooven dat het van Comp:e parthij is, eerst is uw als fiskaal bij het openen der kisten geweest, tweedens souden nieuwe pak„ huijsmeester sig soo blind hebben laaten doeken daar is niet alleen bij het transport niets te min„ maar important over dat hier niet te pas komt, om te beweisen die groote quantiteit, die kan onmo„ gelijk gelijk met die geringe kwantiteit gesuppleert wor„ den, zoo dat daar moet niets anders agter schuijlen Heeft uw zig ook laaten betaalen om verboode specerijen sluijken der wijze te laaten ontscheepen af
English
or are you ignorant of it, then you do not attend to your service, but could I not have done as Mr. Jadama, and used foreign names on and by the orders, while it could be for my own trade, or does Mr. Brouwer think that I also cannot and may not accept those spices in payment, for all this a complainant ought to have been produced, who is my adversary. Is the Company falling short, indeed not; does the warehouse master complain, indeed not; where then is Justice where there is no complaint. Had all those chests that were so erroneously reported separately been inspected, the lord fiscal would have come off badly, especially if he had found chests with paper; from me and Stoffenberg, his per company. What shall I longer refute and dispute against false compelled witnesses. For example the sugar, how many bhaar have I not bought and paid for from the Captain; is there any proof from Mr. De Raeff of a complaint after the handover that I wronged him in the sugar. The presents of an outgoing warehouse master to the weighers is an old custom, and with giving it or not it is entirely all the same, they take good care that they can give satisfaction and profit to the new warehouse master. I repeat once again, there has been neither a word nor a retort of difference occurred at the handover with Mr. Raeff and me, the handover was found clean and correct, and I have enjoyed my percentages and that in such a way that if necessary I could prove with more discretion than any warehouse master has ever done. Regarding the extortion of 10 pagodas per 100 bhaar of calliatour wood, the merchant Meddhawardarasoe Chittij can be asked whether he did not request me, for the sake of brevity, to just weigh it directly over to the captain. I said yes, provided my percentage was paid on it, and it was settled by Dirksz, my writer, at once for 12 pagodas. One could clearly hear that the fiscal did not squander his orphan chamber money in calliatour wood; if he knew the price of it he would not reason so foolishly. If he paid 20 pagodas, then my writer embezzled 8 pagodas from me; had I received 20 pagodas I would likewise confess it. The merchant was free to acquiesce in it or else to complain of me to the authority. Then the lord fiscal falls back on a private matter, which does not concern him nor the Company itself, of having negotiated 1500 pagodas in order to prevent the tyranny of Mr. Jadama and his prosecution in the payment of the Company's pepper to the amount of 1725, while he refused to accept a bottomry bond as collateral, which was due to be paid in February, and by that negotiation that money only came in in May or June. Regarding the disputes at Jaggernaijkpoeram, this has already been dealt with at length. Secondly, the remarks and assumption of the fiscal are too foolish and too ridiculous to be refuted. According to his opinion, I ought first to have taken over all the debts and the dangers contained therein, and then protested, a fine reasoning. No offense, Mr. Brouwer, I shall neither choose you as my adviser, and much less as my cashier. But had the fiscal proceeded purely and impartially, and used his judgment and reason, then that would have been the place to show his vigilance. He attacks me over uniting the two teams of merchants, that was no fiscal action, that is a matter of good order. Had he, on the contrary, investigated the corruption moneys, both to the Governor and the chiefs, or the false coining of the daboeses, or had he been vigilant that those goods of the Company were not lost through the water, but sold and bartered away by Mr. van Halm and De Ravallet. Not a child on the street but speaks of that important event. That was an action, when the chiefs presume to tear off the heads of the Company's guinees, although sanctified with the stamp of the Honorable Company, and subsequently have had other private stamps put on them again by the Company's stamper, so as to transport them to Europe by Captain Godefroy. Now the fiscal jumps to another branch again, that at table at French Yanaon I was said to have stated that I had won 16000 pagodas from the Company. How ridiculous is this, that word spoken or told by van Halm and De Ravallet, who, in passing, bark the French language, but do not understand it. I wished and would count myself fortunate if, in those 15 years that I served the Company, I had won merely a third of that; and had it not been through my own industry and trade, I would have had no livelihood, which my books and journals can show. Was I not totally ruined at Sadras by the great influx of the English and foreigners, and please, and please where Letter A to inspect once again what small supplies were made to me in three years
Dutch transcription
356 of is uw ignorant daar van dan past uw niet op uw dienst, maar sou ik niet hebben konnen doen, als de Heer Jadama, en gebruijke vreemde naamen op en bij de ordonnantien, ter wijl het voor mijn eijge negotie soude konnen zijn, of meent de Heer Brou„ wer dat ik die specerijen ook niet in betaaling kan en mag aanneemen, tot dit alles had een klager diende opgerot te worden, wie is mijn parthij. komt de kompagnie te kort immers neen, klaagt den pak„ huijsmeester immers neen; waar is dan de Justitie daar geene klagte is hadden alle die kisten die zoo abusivelijk onderscheide opgegeeven gevisenteerd geworden had de heer fiskaal beschramt daar afgekoomen, voor al als hij kisten met papier gevonden had; van mijn en Stoffenberg zijne pr C„o wat zal ik langer weeder leggen en disputeeren teegens valsche gedronge getuijgens, per Exempel de zuijker hoe veele bhaar heb ik niet van de Capitain gekogt en betaald; is er een bewijs van de heer De Raeff van klagte na den overneem dat ik hem bij de zuijker te kort gedaan heb de presenten van een afgaande pakhuijsmeester aan de weegers is een oud gebruijk, en met het te geeven of niet is zeerom het even zij zij passen wel op dat zij den nieuwen pakhuijs„ meester genoegen en winst konnen geeven, her zeg¬ ge nog eens, daar is nog woord nog weer woord van verschil bij het transport met de Heer Raeff en mij voorgevallen, het transport is suijver, en wel be„ vonden en mijne percentos heb ik genooten en zoo dat ik des noods zoude konnen beweijsen met meerder dis„ cretie als immers een pakhuijsmeester gedaan heeft over het afpersen van 10. pagooden per 100 bhaar van 't calliathour hout den koopman Meddha wardarasoe Chittij die kan gevraagd worden, of hij mij niet versogt heeft om het direct aan de capitain uijt kortheids halve, maar over te weegen, ik zeijde Ja mits mijne percento daar op is het door Dirksz: mijn schrijver- afgemaakt, in eens voor 12. pag: men kon wel hooren dat de fiskaal zijn weeska„ mers geld niet vermorst, heeft: in calliatourhout, als hij de prijs daar van wist zou hij zoo onozel niet raissonnee„ ren zoo hij 20. pag: betaald heeft, zoo heeft mijn schrij„ ver 8. pag: van mij ontvreemd, had ik 20: pag ontfangen zoude ik het insgelijks bekennen, den koopmanstond het vrij om daar in te aquis„ seeren dan wel mij te verklaagen bij den gezaghebber. Dan valt de heer fiskaal weer op eene particuliere saak die hem en de Comp:s selff niet aan en gaat van 1500. pag: 8. 357 ppag: genagotieerd te hebben om de dwinglandij van de heer Iadama en zijne vervolging voortekomen in de betaling van 's Comp„s peeper tot den bedragen van 1725. , terwijl hij refuseerde een bodemarij brief tot onderpand te ac„ cepteeren, die in feb: stand betaald te worden, en bij doe„ Ze negoticatie is dat gelt eerst in Moij of Iunij in„ gekomen Over de oneenigheede op Jaggernaijk poe„ ram is in 't breede reets afgehandelt, ten ande„ re de remarques, en veronderstelling van den fis„ caal zijn al te onnozel, en te redicul om weder„ legt te worden volgens zijn gevoelen had ik eerste alle de schulden, en de gevaaren daar in vervat moeten overneemen, en dan protesteeren, een schoon raissonnement, neem niet kwalijk heer brouwer; ik sal uw nog tot mijn raad geever, en veel minder tot mijn Cassier verkiesen, maar had de fiscaal suijver en onpartijdig te werk gegaan, en zijn oordeel en verstand ge„ bruijkt, dan was daar de plaats geweest om zijn vigilantie te toonen, hij ataqueert mij over 't overeenigen der twee ploegen kooplieden, dat „was geen fiscaals actie, dat is een saak van goede ordre had hij daar en teegen ondersoek gedaan omtrend de corruxtie gelderen, zoo aan den gou„ verneur als de opperhoofden dan wel het val„ sche munter der daboesen, of had hij gevigi„ leerd ,dat die goederen van de Comp. e niet door door 't water verlooren zijn gegaan, maar ver„ kogt en verkwanselt door de heer van Halm, en De Ravallet, Geen kint op straat of die spreekt van die importante gebeurtenisse, dat was een actie, als sig de opperhoofden onderstaan, om de hoofden van Comp:s guineesen aftescheuren, hoe wel geheijligd met de chup der Edele Compte. , en vervolgens daar we¬ der andere particuliere sjappen door Comp„s sjapper op hebben laaten setten om zoo naar Eurepa overte„ voeren door Cap. n. Gode, froi- Nu springt den fiscaal weer op een ander tak dat ik over tafel op 't frans ijanaon soude gesegt hebben 16000. pagoden van de compe. gewoo nen te hebben, hoe redicuul is dit dat woord ge„ segt of verteld door van Halm en De Ravallet, die in passant gesegt de franse taal blaffen, maar niet en verstaan, ik wenste en soude mij geluckig reekenen als ik in die 15. Jaaren dat ik de Comp=e dien„ slegs een derde van dat gewonnen had, en was het uijt door eijge industrie en negetie zoo zouw ik geen bestaan gehad hebben, 't welke mijne boeken en Jour„ naalen uijtwijsen konnen, ben ik niet totaal gerui„ neerd gewerden op Sadras door den grooten aen loop der Engelsche en vreemde, en gelieft, en ge„ lieft waar L„a A: nog eens intezien welke geringe verstrekking mij gedaan zijn en drie Jaaren
English
Only two years, and no contract whatsoever; what I gained at the warehouse has been largely consumed by travel expenses and moving, and now, for having looked after the precious interests of the Company, I have already been out of service for 15 months. How can the fiscal write so shamelessly? As such, I fled from the fort of Nagapatnam to my house to quickly raise money to pay the Company's suppliers, in order not to be arrested by the English; those moneylenders pressed me so hard in the year 1784 for principal and interest at Tranquebar. The late Governor Falck resolved in the Council of Policy to remit 4000 rijxdaalders to me by bill of exchange, but in the meantime I had departed for Bengal to collect some outstanding funds; this aforementioned resolution was even communicated to me in Bengal by Mr. Brouwer, and far from having any profit, that money has been outstanding since 1781 and always paid at one percent per month until settlement, while my humble request—supported by the Council of Palleacatta, to whom all the circumstances concerning this matter are known—is merely that I be credited a half percent through the favor of Their High Mightinesses, to which to this day no answer has come, although foreigners and Armenians have enjoyed interest. But where do these gentlemen not go searching and digging? One searches for me at Nagapatnam, the other at Sadras, the third at Palleakatta, the fourth and fifth at Iaggernaijkpoeram and Ijanaon, and among them all they cannot yet demonstrate, much less prove, a single legally valid cause of action. Would the fiscal, not to mention the other gentlemen, not have done better to investigate and defend their own affairs? Concerning the Gentile note regarding the 10000 rupees, that has already been dealt with, as well as the entire correspondence, which is confirmed more and more from day to day: that everything was directed in this manner with the connivance of Mr. Tadama, and probably on the advice of Mr. Broerius Brouwer as the oracle of Mr. Tadama. Here the fiscal goes astray again. A good government, he says within the system of a form of government, yes, must exist to provide everyone with right and justice, but not for unfaithful servants to conspire together to ruin one person because he looks after the Company's interests; therein the entire council erred, in considering that matter a private affair, whereas it was strictly a Company affair, tending to the benefit of our lords and masters, and to the prosecution of those who acted contrary to their oath, duty, and better knowledge. Everyone is obliged to answer for the oath he has taken, and no court of law can oblige me to act directly against that oath; then all obedience and subordination cease. It had to be investigated, decided, and judged by a higher or impartial court of justice, as is happening now. Regarding the word "I can withdraw," doing and being able to do are as far apart as heaven and earth, as has already been treated in the letter of 2 March. The commander did not like to see me at the main settlement; I believe that too, for he must feel shame, sorrow, and remorse in his conscience when he sees me and recalls his infamous treatment of me and mine. Indeed, he cannot bear the glance of an honest man like me; he even flees from before his door inside his house whenever he sees me approaching from afar. Now the fiscal alleges that he did not pursue his case against me because it was seen that I had refused to answer the interrogatories of the commissioners; is this once again a reason? The prosecution by the fiscal completely changed the nature of the case, and it was thus referred to the Council of Justice. Why should I not have answered then, as it was a different body? But even more directly: why did you not address me since my arrival here on 1 November, while the fiscal received a new order on 29 October? Why were those witnesses not heard and confronted in my presence then? But there too he would have been put to shame with his false witnesses. Regarding my heated expressions on the occasion when violence was committed in my house during my absence, and upon my arrival an arrest was placed on my person, etc. etc., I submit to anyone and everyone for consideration the manner and method of proceeding, and that without showing any authorization or credentials, much less a judgment. I believe I bore myself quite calmly here by not respecting it, it being unlawful and illegal, as has been treated at length. What title those gentlemen merit becomes apparent by and by from their works and investigation, since one after the other is dismissed from the service or awaits their sentence and punishment. I do not intend to prove more here by writing three sheets of paper. Yet notwithstanding all the points of accusation
Dutch transcription
358 Iaaren slegs twee, 'er geene aanbesteeding hoe ge„ naamt, dat ik bij het pakhuijs heer gewonnen heb, is met de reijs kosten er verhuijsen ruijm verteerd, en nu om de wille van Comp dierbadre belangens be„ hertigd te hebben reets 15. maanden buijten dienst. Hoe kan de fiscaal zoo onbeschaamt schrijven ter sulk ben ik uijt het fort Nagapatnam ge„ vlugt naar mijn huijs om schielijk geld te negotieeren om 's Compagnies leveranciers afte betaalen, om niet gearresteerd te worden door de Engelsche, die gelt schieters zijn mij in A„o 1784. zoo hart gevallen voor Capitaal en Intressen op Tranquebar. Dat de heer Gouverneur falck zaliger in Raad van politie resolveerde van mij per wissel over¬ te maaken 4000. rijxdaalders, maar intusschen was ik na bengale vertrekken om eenige uijtstaande gelderen in te palmen, dit boven gemelde besluijt wierd mij doen de heer brouwer selfs na bengale bedeelt, en wel verre van eenige winste te hebben, zoo staat dat geld uijt ze„ dert 1781. en altijd en p:r C=to 'smaands betaald tot de afbetaaling, terwijl mijn nedrig versoek is, en door den palleacatsen Raad ondersteund is geworden, en die alle om, standigheeden dien aangaande bekent zijn, om mij slegs een half percent goet te doen door gunst van Hun Hoog Edelheeden, waar op tot heeden heeden geen antwoord gekomen is hoe wel vreemde, en armeniers interessen genooten hebben Maar waar gaan, die heeren niet al soeken en vroeten, den eenen soekt mij op Nagapatnam, den anderen op sadras, den derde op palleakatta, den vierde en vijfde op Iaggernaijkpoeram en ijanaon en onder hun allen konnen zij nog geen eene in rechte deugdelijke ac„ tie aantoonen, veel minder beweisen; had de heer fiscaal, om de andere Heeren niet beeter gedaan van hun eijge saak te ondersoeken en te verdeedigen. Omtrend het Ientiefse briefje wegens de 10000 rop„s is reets verhandelt als ook de geheele correspon„ dentie, en welke van dag tot dag meerder bewaarheijd word, dat het met conivenstie van de heer Tadama alles zoo gedirigeert is, en waarscheijnlijk op aan, raading van den heer Broerius Brouwer als het orakel van de heer Fadama. Hier raakt de heer fiscaal weer aan het dwaalen, een goede regeering segt hij in het seistema van eene regeerings form, Ia moet zijn om een ieder regt en geregtigheijd te ver„ schaeffen, maar niet als ontrouwe Dienaaren te za„ men te spannen om een te verderven; om dat hij Comp„s belangens behartigt, daar dwaalden den ge„ heele raad in van die zaak als eene particuliere saak 359 saak te Considereeren, terwijl het volstrekt een Comp„s zaak was, strekkende tot voordeel van onse Heeren en mees„ ters, en tot vervolging van die dewelke te werk gonge tegens hun Eed, pligt, en beeter weeten aan, elk is verpligt sig te verantwoorden voor zijnen gedaanen Eed, en geen regts hof kan mij verpligten om direkt tegens dien Eed te werk te gaan, dan houd alle gehoorsaamheijd en su„ berdinatie op er moest door een hooger of onpartijdig gerechts hoff ondersogt beslist en beoordeelt worden, zoo als tans geschied Omtrend het woordje ik kan mij onttrekken doen en konnen doen is Hemels breete van el„ kander in de brief van den 2. Maart reets verhan„ delf. Den heer gezaghebber sag mij niet graag op de hoofd-plaats, dat geloove ik ook, want hij moet sig schaame, treuven en vroeging in zijn geweeten voelen, als hij mij siet, en herdenkt zijn infaame be„ handeling omtrend mij, en de mijnen, Ia hij kan het op slag van het oog van een eerlijk man als ik niet verdragen, hij vlied selfs van voor de deur na binnen zijn huijs, ware wanneer hij mij, maar van verre siert aankomen Nu heeft den fiscaal voor dat hij zij zaek niet vervolgt heeft tegens mij om dat men sag dat ik aan de gecommitteerdens op ^ vraag ponncten niet had willen antwoorden, is dit alwederom een reeden, de vervolging van de fiscaal verandere de zaak in 't geheel van natuur, en en wierd alsoo gerenvoijeerd aan den raad van Iustitie waarom soude ik als dan niet geantwoord hebben, als een diffe„ rent Collegie, maar nog korter waarom heeft uw mij niet aangesprooken zeedert mijn komst hier op den 1. 9ber: ter„ wijl hij fiscaal op nieuw order ontfing op den 29. octo„ ber, waarom toen die getuijgens niet ten mijnen overstaan gehoord en geconfronteerd, maar daar sou hij ook bedes schaamt of zijn gekomen met zijne welsche getuijgens. Over mijne driffige uijtlaating ter gelegendheijd, dat men in mijne absentie geweld in mijn huijs gepleed had en bij mijn arrive arrest op mijn persoen lag &=a &=a ik geef dit aan elk, en een iegelijk in bedenking der manier en handelweijze, en dat sonder een qualifie tie te toenen, of credentiaalen veel minder een vor nis, ik vermeen selfs mij heer bedaart gedragen te hebben aan het te respecteeren, als zijnde onwettig en ilegaal dat is als breede verhandelt, en welke tijttel die heeren meriteeren blijkt zoo langzaamen hand en hunne werken, en onderzoek, vermits den eenen voor, en den anderen na, uijt den dienst geset word, of haare sententie en straffe wagten, Ik vermoen hier meerder meede te bewweisen met drie vellen papier te beschrijven Maar niet tegenstaande alle poincten van be Schuldiging
English
accusation contained and refuted in the report of the 29th of October, so I cannot yet break off with Mr. Broerius Brouwer and address him thus. O abominable object before God and the world! Dare you deny that Mr. Tadama was your protector, your benefactor? Who has treated you as nobly and generously as he? Did Mr. Tadama not even tell me that if Brouwer could be helped at the orphan chamber with 2000 pagodas, I will give it directly? Ah, ungrateful object, who abandons everything to wreak private revenge, and uses his benefactor and friend for that purpose! Where would you sit now without those enjoyed benefits and protection? Was it not your duty, as a runaway half-lawyer who must at least have learned enough law, to oppose the resolution of the 12th of March, by which my life and health were so severely affected that to this day I cannot recover, and even greatly doubt my former health, which anyone and everyone here cannot and will not deny, yes, that during sickness even the doctor was refused to me, everything flowing from that resolution, and thus put into execution, so that for seven months long I have had or been allowed nothing to consume that was not first tasted by my dog to see if there was any poison in it, for for the design seemed intended to shorten my days. Can an example be cited here in India of anyone who has been so cruelly mistreated, and not only I, but the chief servant and subordinates, yes, even my slaves, bondmen, and freedmen? O my God, what insults and affronts have not been done to me! The foreign nations speak shame of it, and the blacks, trembling and wanting to ask, say, are those the laws of the whites? Into what predicament does he not thereby bring his friend and benefactor, as well as the Council, and that out of sheer envy, hatred, and persecution! No one among us will be able to say that Mr. Tadama is of a violent character, as he has shown in my case; therefore he has been his advisor, which is also known to everyone. Was it not his business to suppress that chain of events, and if possible to settle it, or to bring minds to reason in order to examine each person's case for and against, instead of using violence with the closure of conscience without understanding or judgment, given his strong influence on the spirit and mind of Mr. Tadama? Was the letter of the 17th of February not oil on the fire, and that without reason or wit, except to carry out the plan of persecution against me? What kind of character is he? I consider him as Secretary of of the orphan chamber, also as secretary of police, where he got the gout whenever he heard mention of resoluteness; who made mountains out of molehills, as fiscal, as dispenser, as elder; and considering him now as a father, I say that he is to blame for their total ruin; and as a friend and advisor he plunges several people into misfortune along with their wives and children. That is not the character of an impetuous, hot-headed man such as I am portrayed to be, but that of a hypocrite, like him who has no other aim in mind than merely to achieve his goal. What expressions has he not used against me? Damnable is the least of them; but what is more damnable than bribing false witnesses, or compelling them through pain, suffering, and imprisonment? What dangers and unfortunate administrations of justice cannot flow from that, and that in the person of a fiscal! The name alone is enough to make the common man tremble and quake. But for good reason I must dwell a moment longer on that capacity of fiscal. With me he has merely chased the shadow; why did he not, if he was such a zealot in the years 1785 and 1786, make a better investigation with the Council into the debts and advances of the Nagapatnam merchants? But on the contrary, he helped conceal them so that all those proofs are presently almost unobtainable, because Mr. Stoffenberg, in whose possession they ultimately rested, requested his wife at his death not to hand over those books, papers, and notes to anyone except to Mr. Tadama, which which however has not yet been complied with, and they are still kept in the same place. Did those debtors also pay for that? For what fraud has remained uninvestigated by the government here since 1785 against the precious interests of the Honourable Company? Also, he is either corrupted, or he does not attend to his duty; the former is more likely, for why did he not, shortly before the change of government or the arrival of Your Right Honourable, intercept two half-leagers cleverly fitted out and prepared, all the cracks very carefully smeared with tar, the bung-hole also cleverly plugged and covered with a rag soaked in red wine, and each team of carrying coolies given a bottle of red wine in hand to break over the bung-hole upon entering Madras and so directly to the house of Beggle? In those barrels there were, well-garbled or let me say cleaned, 2400 lb of cloves. That was something quite different for a fiscal than corrupting false witnesses against me! This was carried past his door. This trick or new invention certainly puts all the warehouse masters to shame; it is also an invention of a supercargo on
Dutch transcription
360 „schuldiging vervat en wederlegt bij het rasoport van den 29. 8ber:, zoo kan ik nog niet afbreeken met den heer Broerius Brauwer en spreeken hem, aldus aan. O verfoeijelijk voorwerp voor Lodt, en de wereld! durft uw ontkennen dat de heer Tadama uw protecteur uw weldoender was; wie heeft uw zoo nobel en genereus behandelt als hij, heeft de heer Tadama mij niet selfs gesegt als Brouwer te helpen was bij de weeskamer met 2000. pagoden, ik geefte direct. â' ondankbaar voor werp die alles laat vaaren om particulieren wraak te wreeken, en daar toe gebruijkt hij zijnen weldoender en vriend, waar sougij sitten tans, sonder die genotene weldaaden en protexie, was het dan niet van uw pligt geweest als een verloopene halve advocaat, die ten minsten zoo veel van de rechten moet geleert heb„ ben om het besluijt tegens te gaan van den 12. maat, daar mijn leeven en gezendheijd zoo verre meede ge¬ moeijt is, dat ik tot op heeden tot geen herhaal kan koomen, en zelf seer twijffel aan mijne voorige gezond„ heijd, dat elk en een iegelijk hier niet ontkennen kan,, of sal, Ia dat mij selfs in siekte den doctor geweigert is, alles vloeijende uijt dat geresolveerde, en zoo ter executie gelegt, dat ik Leeven maanden lang, niets heb of mogen nuttigen, dat niet eerst door mijn houden geproeft is, om te zien of er geen overgift in was, want be wwant den toeleg scheen ingerucht em mijne dagen te korten, is 'er wel een Exempel aantehaalen hier in Jndia van imand die zoo cruel mishandelt is, en niet alleen ik, maar de hoofd-dienaar en mindere Ia selfs mijne slaaven lijf eijgen en wrijgegevene, O mijn Godt wat in sul„ tens en affrenten zijn mijn niet aangedaan, de vreem„ de natien spreeken erschande van, en de swarte, beevende en willende vraagen en seggen, zijn dat de wetten van de blankken in welke predicament brengt hij daar doer niet zijn vriend en weldoender, en benevens den Raad, en dat uijt eijgen neijd, haat, en vervolging, niemand onder ons sal konnen seggen dat de heer Iadama van een violont Carracter is, zoo als hij in mijn zaak getoont heeft dierhalven is hij zijn raadsman gew weest dat ook bij een iegelijk bekend is, was het zijn zaak niet om die aanschakeling van gebeurtenisse te assouppieeren, en was het mogelijk bij te leggen, of de ge„ moederen tot beklaaren te brengen om ieder zij zaak voor en tegen, te onderzoeken in plaats van geweld, met toeschroeing van geweesten sonder verstand of oordeel te gebruijken aangezien zijn sterken invloed op den geeft en verstand van de heer Tadame was den brief van den 17. febr: niet vleij in 't vuur, overvoo en dat sonder reeden of vernust, als om het plan van vervolging tegens mij ter uijtvoer te brengen, wat is hij voor een Caracter ik hem beschouwd als Secreteirs van 361 van de weeskamer ook als secretaris van politie, daar hij het podegra kreeg, wanneer hij van resoluteit hoorde spreeken, die maakte stoffen bergop, als fiscaal, als dispencier, als ouderling, en hem nu beschouwende als vader, soo seg ik dat hij schuld is van harer totaale ruine, en als vriend en raadgeever dompeld hij verscheijde lieden in 't ongeluk met hunne vrouwen en kinderen, dat is het Caracter niet van een drijftig opvligent man soo als men mij na geest, maar dat van een scheinheijligen, als hij die geen ander oogmerk opsoeken heeft als sijn doelwit maar te bereij„ kanr, welke uijtdrukking heeft hij niet teegens mij, doe„ menswaardig is het minste, maar wat iser doemens„ waardiger als valkhe getuijgen omtekoopen, of door pijn smerte en gevangenis te dwingen welke gevaaren en ongelukkige rechts oeffeningen konnen daar niet uijt: voortvloeijen, en dat in de persoon van een fiscaal, de naam is genoeg onder den gemeenen man om te tril„ len en te beeven, maar ik moet om reeden nog bij die kwaliteijd van fiscaal een oogenblik stee staan, met mij heeft hij de schaduwe slegs vervolgt, waarom heeft hij niet als hij soo een ijveraar was in den Jaare 1785. en 1786. met den raad beeter ondersoek gedaan na „da schulde en verstrekking der Nagapatnamse Koop„ „deselve lieden maar daar en teegen heeft helpen verdonke„ ven soo dat alle die bewijsen trans omtrend niet te beko„ men sijn, door den de heer Stoffenberg onder wien sig op het laatst berustende waaren bij sijn dood versogt aan sijn vrouw die boeken papieren en aantekeningen aan niemant aftegeeven, als aan de heer Sadama 't welke 7 welke egter nog niet nagekomen is, en nog op deselve plaats bewaart sijn. O Hebben die Schuldenaars daar ook voor betaald want wat bedrog is onbesogt gebleeven bij de regeering hier sedert 1785. tegens de dierbaare belangens van de Bdele Maatschappij Ook is hij of gecorrumpeerd, of hij past niet op sijn dienst, het eerste is waarschijnlijker, want waarom heeft hij kort voor de verandering der regeering; of de komst van uwel Ed: agtb: niet aangehouden twee halve leggers kunstig voorsien en besorgt. alle de reeten seer sorgvuldig met teer besmeert, het spons gat ook kunstig gestopt, en met een lap van een roode wijns wat toe„ geslagen, en ider ploeg der dragende koelijs, een bottel roode wijn in de hand gegeeven om te breeken op het spons gat, bij het inkoomen van madras en soo direct na de huijs van Beggle, daar waaren in die vaaten wel gegarbuleerd of taat nu ik hier seg„ gen schoongemaakt 2400. lb: nagulen, dat was wat anders voor een fiscaal, als tegens mij valsche ge„ tuijgen te Corrumpeeren, dit is sijn deur voor bij gedraagen. deese kunst greep of nieuwe inventer verakt seekerlijk alle de pakhuijsmeester beschaamt ook is dat een uijtvinding van een Supdercarga op c
English
362 previously sailed to the West Indian possessions; if the shoe fits, let him wear it, but that is at least better thought out and more credible than packing 2989. ½ lb of Japanese bar copper into two clothes chests. Also, with or without the knowledge of the fiscal, four bhaar of Japanese bar copper from the ship Horssen were sold to the Merchant Meddha wardarasoe by Captain Gas. Such migratory birds he lets fly in order to chase shadows. These two proofs or stories demonstrate that one can indeed conduct trade here without it having been stolen from the Company. I have even experienced that, in times of difficulty, cloves were given in payment at 14. and 15. star pag: per maund, both at Madras and Pondicherry; is not anyone and everyone at liberty to make their profit thereby? My proxy buys it and sells it without it even leaving Madras. How long did I sit at Sadras without nutmegs, and those that I needed for my household use I had sent from Madras; there I can obtain for my money whatever I desire, without being obliged to accept other spices that I do not need. Finally. Finally and lastly I must also cite this: should the inhabitants and black servants not enjoy the Netherlands' gentle laws and government? What reason does the fiscal and Mr. Tadama have to arbitrarily seize those people and throw them into the prison, having them guarded by Europeans, which according to their caste is a much greater and heavier punishment than having them watched by peons or sepoys? Those poor people are simply seized, and released again, as if it were nothing at all, and that for twenty days and longer. What reason did the fiscal and Mr. Tadama have to thus arrest the servant of the Reverend Meijkamp, and the servant of the bookkeeper Prins? Those people are poor, and afraid to demand a fair satisfaction, but the case as a case is no less oppressive, and gives nothing but a very vulgar idea of our rulers, thereby violating all the orders and laws to which the commanders must conform. Is that not bound to cause terror among the nations of these lands, that they, without guilt or crime, can simply be seized in such a manner and released again, without sentence or hearing, solely because they were good friends with my head servant, and also to affront Reverend Meijkamp because he was my proxy, which was forbidden to him, and thereby to deter others, 363 to deter others from attending to my affairs; is there indeed a single point or article in which Mr. Tadama conducted himself as a commander, or Brouwer as a fiscal? No, truly, one proceeded here not only as if no accountability had to be rendered, but even as if there were no laws, regulations, orders, or instructions. It was more than time that this was uncovered through my candor and came to the ears of our Lords Majors, who devise every means for redress, and whom people seek to keep blind in the most essential matters that contribute to that general redress. How unforgivable, how unjustifiable is such conduct! What indignation must our Lords Majors not feel upon receipt and discovery of all these malversations, and what light will it not shed for further discovery, especially if the well-meaning, faithful servants are encouraged to be allowed to speak, and action is taken according to the findings of affairs without dreading that persecution which I have undergone so bitterly, to the injury not only of my health and constitution, but even depriving me of my honor, name, and reputation, and finally to my total ruin. Who, then, must not shudder and tremble under such a government? Did not the entire family of the former Kotwal of Jaggernaikpoerom wish to set his house on fire, and out of desperation over the affronts done to them and their wives by the commissioners, by the commissioners, did they not all wish to poison themselves? Are those reports not clearly and distinctly proven in the third main part of my memorial already handed over to your Right Honorable Worships? Can one fathom or understand such atrocities under a Christian government? Ought we not to feel ashamed before the heathen peoples, while we may call ourselves Christians? Oh, that all these atrocities might once be curbed in a truly exemplary manner, so that the Dutch nation might regain that reputation which they so justly had and deserved in earlier days, when the Noble Company was held in such high esteem by the native that they even submitted their affairs to the decision of the Dutch. What must they think now, when they observe what injustices they commit even against their own nation and me? What then do they not have to fear? Could such a country prosper? Herewith I believe I have also answered that voluminous work as briefly as it is concisely, according to the orders, and as I hope according to the intention of your Right Honorable Worships. In that expectation, I have the honor to call myself, with deep respect, /:was written underneath:/ Right Honorable Worshipful Sirs; your Right Honorable Worships' humble and obedient servant /:was signed:/ W: H: P: van Bijland /:in the margin:/ In Fort Geldria, the 29th of January 1791. -. Observed
Dutch transcription
362 op de west indische besittingen voor heen gevaaren; die deese schoene past trekt deselve aan, maar dat is altans beeter uijtgedagt en geloofbaarder als van 2989. ½ lb Japans staafkoper in twee kleer koffer te pakken . Ook is 'er met kennis of sonder kennis van den fiscaal vier bhaar Iapans staaf koper ver„ kogt van het schip Horssen aan den Koopman Med„ dha wardarasoe van de Capitein Gas. sulke trek vogels taat hij vliegen om de schaduwe na te Iagen. deeze twee beweisen of verhaalen toonen aan, dat men hier wel negotie drijven kan, sonder dat het hooft gestoolen sijn van de Compagnie. —. Ik heb selfs beleeft dat, in verlegendheden nagulan in betaaling sijn gegeeven tegens 14. en 15. ster pag: de maon, zoo wel op Madras als ponde Cherij, staat dat niet vrij aan elk en een iegelijk om daar meede sijn profijt te maaken, mijn volmagt koopt het, en verkoopl het sonder dat het selfs uijt Madras gaat, hoe lang heb ik op sadras sonder nooten geseeten, en die ik voor mijn huijs gebruijk benoodigt was liet ik van Madras komen, daar kan ik voor mijn geld bekomen wat ik begeer, sonder verpligt te sijn van andere Specerijen te accepteeren, die ik niet benoodigt ben Eijndelijk. Eijndelijk en ten laasten moet ik nog dit aanhaalen de ingezetenen en swarte Dienaanen moeten die met Iou„ isseren van Neerlands sagt watten en regeering wat reeden heeft hij fiscaal en de heer Tadama, om die lieden willekeurig optevatten in 't gevangen huijs te werpen, door Europeesen te laaten bewaaren dat volgens hunne Caste veel grooter en swaarder straffen is, als hun met pions of: sipaijs te laaten bewaaken, die armee lieden worden maar opgevat, enweer las gelaaten, als of het niemendaal en was en dat voor twintig dagen en langer was. wat reeden had den fiscaal en den heer Tadama om den dienaar van den Do„ menie Meijkamp, en den dienaar van den boekhouder Prins aldus te arresteeren, die lieden sijn arm, en bevreest om eenen billijke satisfactie te Eijsschen, maar het geval als geval is niet minder drukkend, en geeft niet dan een heer gemeen denkbeeld van onse regeerders en violeeren, daar door alle de ordresen wetten, waar sig de gebieders na, moeten gedragen, is dat niet om schrik onder de natien deeser landen te verwekken, dat sij son„ der schuld of misdaat, maar soo opgevat konnen wor„ den, en waer losgelaaten worden, sonder sententie of verhoor, alleenlijk om dat sij goede vrienden, waaren met mijn hoofd-dienaar, en ook om domine Meijkanip een affrond aante doen, om dat mijn volmacht was, 't welk hem verbooden wird en om daar door anderen afteschrikken, 363 afteschrikken van mijne Zaaken waar teneemen; is er wel een poinct een articul daar sig de heer Tadams in ge„ draagen heeft als een gebieder, of hij Brouwer als een fiscnal neen voorwaar men gong hier te werk als of er geene verant„ woording te doen was niet alleen, maar selfs of er geene wetten reglementen ordres of instructen waaren, het was meer als tijd, dat dit selve door mijne Condaatheijd, ontdekt werd en ter ooren kwam van onse Heeren Maijores, die alle middelen uijtdenken tot redres, en dewelken men soekt blind te houden in de essentieelste zaaken die tot dat ge„ neraal redres komen Contribueeren, hoe onvergeeflijk hoe onverantwoordelijk is zoo een gedrag welke indignatie moeten onse heeren Majores niet gevoelen op ontvangst en ontdekking van alle deeze malversatien, en wat een licht sal het niet geeven tot verdere ontdekking vooral als de wermeenende. trouwe Dienaaren aangemoedigd worden om te mogen spreeken, en te werk gegaan naar bevinding van zaaken sonder te schroomen voor die vervolging die ik soo bitter ondergaan het tot krenking niet alleen van mijne gesondheijd, en Constutitie maar selfs met berooving van mijn eer naam en reputatie en eijndelijk tot mijne totaale ruine, wie moet dan niet schrikken en beeven onder zoo eene regeering, heeft de geheele familie van den gewesene Coterwal van Jaggernaikpoerom niet zijn huijs in den brand wille steeken, en uijt disperatie voor de afftronten aan hun lieden en hunne vrouwen aangedaan door de gecommit„ teerdens. teerdens hun alle niet vergift willen vergeeven, zijn die kondschappen niet klaar en duijdelijk beweesen bij het der hoofddeel van mijne memorie aan uwel Edele Agtb: reets overhandigt, kan, men sulke gruwelen beseppen of begrijpen onder een Christelijke regeering moeten wij ons niet schaamen bij de Heidensche volkeren, terwijl wij ons Christenen mogen noemen, og of alle deeze gruweelen eens op een rechte exemplaire weise mogte beteugeld wo„ den, op dat neerlands volk weer die recutatie erlan¬ de die sij soo billijk gehad, en verdient hebben in vroegere dagen, dat de Edele Compagnie in soo eene hoog agting was bij den inlander, dat sij hunne saake selfs ter beslissing overgaaven aan de hollan„ ders, wat moeten sij nu denken, als sij nagaan wel ke onregtvaardigheeden sij niet zelfs pleegen teegens hunne eijgenatie en mij wat hebben sij dan niet te bedigten kon het soo een land welgaan. —. Hier meede meene ik dat volumineus werk soo kort als bondig meede beantwoord te hebben na de ordres, en soo ik hoop na de intentie van uwel Edel Agtb: in die verwagting, heb ik de eere mij met diep respect te noemen /:onderstond:/ wel Edele Agtbaare Heeren Heeren; uwel Edele Agtb: onderdanige en gehoorsaame Dienaar /:was getee„ kend:/ W: H: P: van Bijland /:in margine :/ In 't fort geldria den 29=te Januarij 1791. -. Remarqueerden
English
364 The 12th of February 1791. The Lord Governor, observing after the reading thereof, how the aforesaid address comes to contain more a repetition and concatenation of acts of treachery, fraud, and malversations by others, than a specific refutation of those points which the office of the Fiscal in its report states to have drawn as facts from the depositions of the various witnesses; that meanwhile van Bijland, after, on the first sheet of his address from page 1 to 3, having presented the aforementioned Brouwer in a most odious point of view, accusing him in his various offices of Fiscal, as former Secretary of the The 12th of February 1791. the Orphan Chamber, and administrator of the diaconate, of matters which, since they have already been investigated and have also been provisionally corrected in Brouwer's case with respect to the Orphan Chamber, would have been better not committed to paper with so much passion, as appears to be the case, but left to the Noble High Government of the Indies for further disposition; that the accusation against Brouwer of namely having extorted 100 pagodas from the fireworks master Corner, was confirmed by an attestation granted by the latter; that with regard to what was imputed to him 365 The 12th of February 1791. concerning his having measured with a false measure during his administration of the dispensary, while he was simultaneously Fiscal, he, the Lord Governor, had also ordered an investigation into that and had already communicated the outcome thereof to the meeting, as evidenced by a note in today's common Resolution; that the remarks made against the resolution of the 12th of March 1790 to have him arrested will best be judged by the Noble High Government of the Indies as to how far they may be valid; that the further complaints, namely that the accusations drawn up by the Fiscal were written and The 12th of February 1791. founded upon false and extorted testimonies, all of which he, van Byland, held to be suspect, with a request to hear them further under oath, namely: 1. Dirksz, his former clerk, whom he considers corrupted; 2. Waijtinada, one of the weighers from the warehouses, whom he alleges to have been persecuted by the Lord former Governor Sadama in order to advance a second weigher by the name of Anda Chittij; 3. Soeperemania Sjettij, who received his reward as a thief; and 4. the kanakapulle 366 The 12th of February 1791. Patchea Poele, who, to avoid giving testimony, had fled and was apprehended by the Company's Interpreter and allegedly forced to testify against him, van Bijland, that Waijtinada's testimony had allegedly been extorted by beatings, and that with regard to all of this he referred to the own written complaint of that weigher as well as of his Head Servant Wengadassalam Poele, regarding all the other written testimonies as being from coolies, of whom one could obtain for money as many as one wanted; all this appeared to him, the Lord Governor, to be of such a nature The 12th of February 1791. that these complaints, according to the instance, required a further investigation, as had also been ordered by His Honorable with such persons as were present, of the outcome of which Commission a report having been made to His Honorable, with the addition of all acts received in that regard, including the sworn addresses of Waitinada and the one still to be expected from Wengadassalam Poele, to be presented to the Noble High Government of the Indies by the separate Commission, together with what warehouse master De Raeff, as temporary presiding Member of Justice, requested to be permitted to add regarding what had been stated to him in that regard by the weighers, 367 The 12th of February 1791. and what means had been employed to make them retract their testimonies, after information had been gathered; that His Honorable intended to act in the same manner with the writ or summons already served yesterday on van Bijland by his order for the clarification of what he alleges on the 3rd sheet, pages 1 and 2 of his address, namely that his so-called inflammatory letters contained nothing other than what every honest servant of the Company was obliged to say, revealing such matters as he had brought to light, and what is more, that were he not afraid of fierce The 12th of February 1791. persecutions, he would be able to prove that the aforementioned Lord Padama had sent his best assets to Tranquebar, and that at a time when everything was properly investigated, the same would have to pay back nearly forty thousand pagodas; as well as his, van Bijland's, further remark that he had never been asked or consulted, although being the one who had brought this profit to the Honorable Company; that the refutation made on the 3rd sheet, page 3, of the conclusion drawn from his letter to the Lord Padama, that it was a private and not a Company letter, likewise the continuation thereof on page 4, and how he allegedly had not disregarded the order of the 17th of February 1790, whereas the 368 The 12th of February 1791. contrary appeared most clearly, were reflections that added to or detracted nothing from the matter, since the documents would primarily have to decide, although His Honorable, for his part, judged that the investigation instituted against van Bijland, both on account of his conduct as warehouse master and that concerning the incident with the havildar, will always meet with the reproach that it was far-fetched and conceived and begun in the highest degree untimely, the more so as the matter on which it all depended, namely the disputes that arose with the council over Jaggernaikpuram, has been abandoned and completely lost sight of, and why van Bijland, not without some ground, remarks on the 4th sheet, page 1, that
Dutch transcription
364 Den 12 Februarij 1791. Remarqueerende hij Heer Gezag¬ hebber na lecture van dien, hoe het voorsz: Addres meer komt in te houden eene herhaeling en aen een schakeling van trouloos heeden, bedrag en mal„ versatien door anderen, als eene speciale wederlegging van die pointen welke het officie Fis„ cael bij zijn bericht zegt te heb„ ben aengetrokken als factums uit de depositie der onderschei„ dene getuigen; dat intusschen van Bijland, na, bij het eerste vel van zijn addres van pag: 1. tot 3. , voormelde Brouwer in een aller haetelijst gezichts punt voor„ gestelt hem, in zijne onderscheidene ampten van Fiscael, als geweeze Secretaris van de Den 12 Februarij 1791. De weeskamer, bestierder der dia coni betichtende van zaeken die, wijl ze reets zijn onderzoek en bij Brouwer ook derwe¬ gen, gelijk met op zicht tot de weeskamer bij provisie was gecorrigeert, beter waren dat met zoo veel passie, als blijkt, niet ten papiere gebracht maer aen de Edele Hooge Indi„ sche Regeering ter verdere dis positie gelaeten waren; dat de beschuldiging tegen Brou„ wer van namelijk den vuur„ werker Corner 100. pagooden te hebben afgeknevelt, bevestigt. wierd bij eene door deeze verleende Attestatie; dat wat betreft het hem nage 365 Den 12 Februarij 1791. nagegeeven van geduurende zijn administracie van de dispens, terwijl hij tevens Fiscael was, met valsche moet te hebben ge„ meeten, hij Heere Gezachhebber ook daer na Onderzoek laeten doen en den uitslag van dien be„ reets meede gedeelt had aen de ver„ gadering uit wijzens aenteekening ter gemeene Resolutie van heeden; dat de gemaekte aen merkin„ gen tegen het besluit van 12. Maert 1790. om hem te laeten arresteeren best door de Edele Hooge Indische Regeering zullen worden beoordeelt in hoe verre die mogen gelden; dat de verdere klachten als waren de door den Fiscael ter neder gestelde beschul en e hem Den 12 Februarij 1791. beschuldigingen beschreeven en gefundeert op valsche afgeperste getuigenissen die hij van Byland alle suspect hield, met verzoek om ze nader onder Eede te koo„ ren als 1. / Dirksz: zijn ge„ weeze schrijver, houdende hem voor gecorrumpeert 2. / Waijtinada, eene der weegers uit de Pakhuisen die hij voorgeeft door den Heer gewee„ zen Gezachhebber Sadama ver„ volgt te zijn om een tweede wegen in naeme Anda Chittij te doen opklimmen. 3. ) Soeperemania Sjettij welke als een Dief zijn beloo„ ning ontving en 4. ) de kanne Kappel 366 Den 12 Februarij 1791. kappel Patchea Poele die, ter ontwij„ king van getuigenis te geeven ge¬ vlucht en door 'sComp:s Tolk geligt en genoodzaekt zou zijn om tegen hem van Bijland te verklae¬ ren dat Waijtinada zijn getuigenis door slagen zou afgeperst zijn, en dat hij zich wegens dit een en ander refereerde aen het eige klachtschrift van dien weeger zoo wel als zijn Hoofd Dienaer Wen¬ gadassalam Poele, alle de overige getuig schriften beschouwende als van Koelies hoedaenige men voor gelt zoo veele kan krijgen als men hebben wilde, hem Heere Gezachhebber dit alles was voorgekomen van dien aert te zijn Den 12. Februarij 1791. zijn dat die klachten, volgens de in„ stantie, een nader onderzoek vereischte gelyk ook met zulken als aen„ weezig waren, door zijn E. E: Achtb was geordonneert van den uit„ slag van welke Commissie aen zijn E. E. Achtb: zijnde Rapport gedaen met bijvoeging van alle derwegen ingekomen Actas dus ook de beeedigde Addressen van Wai„ tinada en het noch te verwach„ tene van Wengadassalam Poele„ de Edele Hooge Indische Regeering, bij de aparte Commissie zoude voor„ draegen met het geen de pakhuis meester De Raeff, als temporeel voor„ zettend Lid van Iusticie, op het hem derwegen door de weegers was aen¬ gegeeven 367 Den 12 Februarij 1791. gegeeven, en welke wegen 'er in het werk gestelt waren om hen hunne getuygenissen te doen herroepen, na te neemene informatie, verzochte te mogen bijvoegen; dat zijn E. E. Achtbaere inzelvervoege dacht te handelen met het gistenen ter zij„ ner ordre aen van Bijland bereets gedaen exploict ofte sommatie tot op heldering van het geen hij allegeert op het 3. vel pag. 1. en 2. van zijn adres, namelijk dat zijne zoo genaemde opvoerige Brie„ ven niet anders inhielden dan het geen ieder eerlijk sComp:s die„ naer verplicht was te zeggen, ont„ dekkende zulke zaeken als hij aen den dag had gebracht, wat meer is, dat vreesde hij niet voor hefti„ ge Den 12. Februarij 1791. ge vervolgingen, hij zou konnen goed maeken dat voorm: Heer Padama zijne beste Effecten naer Frankebaer had verzonden, en dat in een tijd als alles wel onderzocht wierd, dezelve bij de veertig duizend pagooden zoude moeten te rug tellen; als meede van zijne van Bijlands verdere aen„ merking dat hij nooit gevraegt of geconsulteert was, hoewel de geene die de E. Comp:e dit profijt toegebracht had; dat de op het 3. vel pag. 3. ge„ maekte wederlegging van het getrok„ ken gevolg uit zijn brief aen den Heer Padama, dat een particuliere en geen Comp:s brief geweest is, item het vervolg van dien op pag. 4. , en hoe hij zich aen de ordre van 17. Febr: 1790. niet zou gestoord hebben, daer het 368 Den 12 Februarij 1791. het tegendeel ten klaersten bleek, re„ vlezien waren ter materie niets toe of afdoende, wijl de stukken voor nae„ melijk zouden moeten decideeren, schoon zijn E. E. Achtbaere, voor zijn aen deel oordeelde dat de aengelegde enqueste tegen van Bijland, zoo wegens zijn gedrag als Pakhuis mees„ ter, en die van het geval met den Haweldaer altoos te gemoet zullen loopen het verwijt dat ze verge„ zocht en ten hoogsten ontijdig be„ dacht en begonnen is, te meer men de zaek daer het op aen quam de ontstaene verschillen met de vergadering over Iaggernaik p=m heeft laeten vaeren en geheel uit het oog verlooren, en waerom van Bijland, niet zonder eenige grond, op het 4. vel pag: 1. aenmerkt dat
English
12 February 1791. that all the recriminations are nothing other than fabricated inventions to have a pretext to defame him and others, followed by an account of how the shipment of private goods and the smuggling thereof / see the 4th sheet, page 2 / constitutes the secret of the dispute with the Havildar, including among these even the private packages sent on recognizance to Batavia which, to defraud the country's dues, were first stored in the warehouses under the Company's packages and then sent on board with the Company's packages, concerning which, by the Resolution of the ultimate of December 369 12 February 1791. December, note has already been taken and it was resolved to request a determination from the Honorable High Indian Government for the future, while what he newly alleges there against Mr. Tadama are reasonings without any other proof than probability, yet it is not improbable that the hatred and factionalism owe their origin to discoveries made by the Havildar regarding certain sugar smuggling by the said Mr. Tadama and others; that, according to the value of these remarks and those of the evidence gathered by the Fiscal Office, the Honorable High Indian Government will well know how to judge to what extent reflection is warranted on Bijland's denial regarding the gift to the Havildar, and whether he was entitled, as he affirms, to make friendship upon his arrival at Palliakatta by giving him two handfuls of each kind of 12 February 1791. spices and a piece of red cloth, item what one may accept of his remark that, far from being able to suppose that he had sought to hinder the ship Horssen from continuing its voyage, everything on that date had outwardly been in good harmony, etc., as well as whether the evidence gathered against him as former Storekeeper is more compelling than his / see the 5th sheet / demonstration of what occurred in the warehouses with the receipt and accounting of the Japanese bar copper, considering that to be a false accusation, the contrary of which, as he believes, is proven even by the witnesses, demonstrating on the 6th sheet, page 3, with plausible reasons, that this affair was contrived to accuse him of matters that, in their 370 12 February 1791. time, never constituted a point of complaint against him, and with which he continues to argue in terms that the Honorable Commander declared to be mysteries to him as to what the defender wishes one to accept, confusing the cases with one another and presenting them in such confusion, sometimes very abstract, that they can be understood or comprehended by no one other than the person who knows them; that, regarding the remark on the 8th sheet, the 3rd page, that there were various papers of the former Government in the possession of the widow Stoffenberg to be surrendered to no one other than Mr. Tadama, according to the request of her late husband, he, the Honorable Commander, had spoken to her about this, and upon her answer 12 February 1791. that she had delivered them against a receipt to Secretary Hasz, he had requested an authentic copy of the receipt from her, to which she consented, and His Honorable Worship had already designated it as an annex for the separate commission, presenting that copy of the receipt to the meeting and considering that all the further allegations are irrelevant to the matter, the more so because everything that is adduced as wrongs committed against others should be supported by other evidence, or should be brought forward by the interested parties themselves who believe they have been mistreated, and justice requested in that regard; that His Honorable Worship in the meantime had been obliged to have all the 371 12 February 1791. witnesses in the case of the Fiscal Office Brouwer versus the Merchant van Bijland heard and examined by a Judicial Commission regarding the objection appearing in the address, as if the answers of those witnesses to the interrogatories had been extorted from them and they were forced to testify in the manner noted alongside it, particularly the weigher Waitinada, who had even submitted a written complaint with a request to revoke his statements under oath, as would also be done by Bijland's servant Wengadas Salam Poele, with notification of all particulars relative thereto, and that the oath which they offered anew to take had been ordered to take place in the pagoda in the Gentoo manner, which comes to cost 3 pagodas for Waitinada, and 12 February 1791. 3 pagodas; and, since there are three more witnesses, another nine, thus amounting to 12 pagodas in total, which His Honorable Worship had permitted the interim Fiscal to submit by warrant for payment from the treasury to the account of the Jagannathpur Commission: it is thus understood to conform therewith, to note this and that in the manner aforesaid, and, following His Honorable Worship's proposal, to attach an extract of this Resolution to the separate commission. Done at Palleakatta in Fort Geldria, on the date aforesaid. /:Signed:/ As before. Monday
Dutch transcription
Den 12. Februarij 1791. dat alle de Recriminatien niet anders zijn dan bedrachte uitvendingen om een voor wendzel te hebben van hem zwart en andere shit te mae„ ken, laetende daer op volgen een verhael hoe den afscheep van parti„ culiere goederen en het smokkelen met dezelve /vide het 4. vel pag. 2. / het geheim van het verschil met den Haweldaer komt uittemae„ ken, reekenende daer onder zelfs de particuliere pakken welke op recognitie naer Batavia verzon„ den, ter defraudeering van 's Lands gerechtigheit, onder de pakken van de Comp:e eerst in de Pakhuizen op„ geslagen en dan met 'sComp. s pakken naer boord verzonden wierden, alwaer omtrent, ter Resolutie van Ultimo De„ cember 369 Den 12 Februarij 1791. cember bereets aen merking gemaekt en beslooten is, voor het vervolg eene bepae„ ling van de Edele Hooge Indische Regeering te verzoeken, terwijl het geen hij aldaer ten Iujette de novo tot laste van den Heer Padama allegeert, raisonementen zijn zonder ander bewijs als de waerschijne¬ lykheit egter niet buiten het aenneemelijke dat de haet en partijschap haere ge„ boorte verschuldigt is uit ontdekkingen door den Haweldaer wegens zeekere smakkelarij van suiker door gem: Heer Padama en van anderen; dat, na maete van de waerdij deezer aenmerkingen en die der door het Officu Fiscael ingewon„ nene bewijzen, de Edele Hooge Indische Regee, ring wel zal weeten te beoordeelen in hoe verre reflexie verdient van Bijlands negative aengaende het present aen den Haweldaer, en of hij gerechtigt geweest is om hem, zoo als hij affirmeert, tot het maeken van vriendschap, bij zijn aen„ komst te Palliakatta van ieder soort van Den 12 Februarij 1791. van specerijen twee handen vol en een lap rood zaken te geeven, item wat men mag aenneemen van zijne aenmerking dat verre van te konnen supponeeren dat hij getracht zou hebben, het schip Horssen in de voortzetting der Reis te verhin„ deren, op dien datum alles uiterlijk in goede harmonie was geweest Etc:, als meede of de bewijzen die tegen hem als geweeze Pakhuis„ meester zijn ingewonnen krachtiger zijn dan zijne /:vide het 5. vel /gedaene, demon„ stratie hoedanig het zich in de Pakhui„ zen heeft toegedraegen met de ontvangst en verantwoording van het Iapans staef koper, houdende dat voor eene val„ sche accusatie waer van het tegendeel zoo hij meent door de getuigen zelfs word beweezen, toonende op het 6. vel pag.3 met waerschijnelijk reedenen aen, dat deeze affaire gezocht is om hem te be„ tichten van zaeken, die, op haer tijd 370 Den 12. Februarij 1791:— tijd, nooit een point van klachten tegen hem hebben uitgemaekt, en waer meede hij voortgaet te redeneeren in ter„ men welke de Heer Gezaghebber betuigde voor hem verborgen heeden te zijn wat de verdeediger begeert dat men zal aennee„ men de gevallen met elkanderen ver„ warvende en in zulk een confusie, somwijl zeer afgetrokken, voorstel„ lende dat ze voor niemant dan die ze weet, zijn te verstaen of te be„ grijpen; dat, op de aenmerking bij ƒ het 8. velde 3. pag. , hoe er diverse papieren van het voorig Gouverne„ ment waren onder de weduwe Stoffenberg om ze, volgens verzoek van wijle haer man aen niemant aftegeeven dan de Heer Tadama, hij Heere Gezach hebber haer daer over aengesprooken en op haer ant„ woort Den 12 Februarij 1791. woort van die, op een quitancie aen den Secretaris Hasz: afgegeeven te hebben, haer hadde verzocht een Copia autenticq van de quitancie, in het welke zij geconsenteert en zijn E. E. Achtb: bereets gedestineert hadde tot een Bijlage voor de aparte commis„ sie, de vergadering die Copij quitan„ cie vertoonende en vermeenende dat alle de verdere allegatien ter mate„ rie niet behooren, te meer er van alles wat als verongelijkingen van anderen word bij gebracht door an„ dere bewijzen gestreft, of door de belang hebbende zelve, vermeenende mishandelt te zijn, diende voor„ gedraegen en recht derwegen ver„ zocht te worden; dat zijn E. E. Achtb: intusschen verplicht was geweest alle de 371 Den 12. Februarij 1741. de getuigen in de zaeke van het officie Fiscael Brouwer contra den Koopman van Bijland, door een Iustitieele Com„ missie te laeten hooren en onder vrae„ gen op de Reproche voor komende bij het Adres, als waren die getuigen hun„ ne antwoorden op de vraegpointen af„ geperst en zij gedrongen zodanig te ver„ klaaren szen als ter zijde van dien is aengeteekent, inzonderheit de weeger wartinada die zelfs een klacht schrift had overgele„ vert, met verzoek om zijn op gaeven te herroepen onder Eede, gelijk ook ge„ schieden zoude door zijn van Bijlands Dienaer Wengadas„ Salam Poele, met notificatie van alle daer toe relative bijzonderheeden, dat den Eed die zij op nieuw aenbo„ den te doen, gelast was te moeten geschieden in de Pagoot op de Ien„ tiefsche wijze, het welk voor waitinada 3. pag Den 12. Februarij 1791. 3. pagooden komt te kosten en; wijl 'er noch drie getuigen zijn, noch negen, dus in het geheel pag: 12. zou komen te bedraegen, het welk zijn E. E. Achtbaere den interim„ Fiscael gepermitteerd had op te brengen bij ordonnancie ter betaeling uit Cassa tot lasten van de Iaggernaiks=msche Commissie: zoo is verstaen zich daer meede te Conformeeren, dit een en ander invoege voorsz: te noteeren, en navolgens zijn E. E. Achtbaeres voorstel Ex„ tract deezer Resolutie bij de aparte commissie te volgen. — Actum Palleakatta Jn Het Fort Geldria dato voorsz: /:Geteekend:/ Als vooren. — Maandag
English
372 In the morning, all present. Monday, ult:o February 1791. The ordinary matters mentioned in today's common Resolution having been dealt with, the Honorable Acting Governor presented a report from the Commandant of this Garrison, Jan Jochem Winkelmans, and the Lieutenant Commandant of the Jaffanapatnam Detachment, David Kahle, demonstrating their differences of opinion with the Memoir of the Engineer Pierre Brossette, concerning the demonstration of how, in his opinion, the posts and redoubts ought to be occupied and defended for protection against an attack by the horsemen of Tipoo Sulthan. Therefore, considering that dissensions of that nature could Ultimo February 1791. have detrimental consequences, and that the perimeter is even too small and of too little importance to differ with one another on that account, which also mainly consists of the opinion that, if necessary, one could prevent the rovers from approaching from and upon the houses, on which point the military Commandants do not agree with the Engineer, and concerning which point, if the matter is to be carried out well, they ought to understand one another thoroughly, since it otherwise appears best to leave it aside; after deliberation, it was approved and agreed to place these papers in the hands of the members of this Council, De Raeff and Hasz:, with the order to hear said officers, the Engineer, and them on these differences at a joint meeting of 373 Ultimo February 1791. said officers, to bring their views into harmony, to draft a suitable regulation to serve if necessary in case of an alarm, and to submit the same to this assembly for approval. Hereafter, the well-mentioned Honorable Acting Governor made known to the assembly that on the 22nd of this month, during the passage of some soldiers who had come from the English Army or from the North, four of the same, being unable to continue their journey on account of illness, had by his Honor's order provisionally been given shelter in the hospital, as appears in more detail from a report of the head surgeon Pancratius Haringa Ultimo February 1791. Meppen and the ailments from which these patients suffer. To the Right Honorable Jacob Eilbracht, Senior Merchant and Acting Governor of the Coromandel Government of the Dutch East India Company, etc. Right Honorable and commanding Sir, In fulfillment of your Right Honorable's esteemed order, the undersigned head surgeon has to demonstrate that yesterday, the 22nd of this month, four persons by the names of George Kerns, Jan Heijns, Joseph Rottger, soldier, Jan Toller, belonging 374 ultimo February 1791 belonging to the English Army, being part of a larger number of a detachment coming from the North and having to go to Madras, found themselves compelled to seek assistance here on account of illnesses. And after they were housed in the Hospital by order of your Right Honorable, and the undersigned examined their illnesses, he has the honor further to demonstrate that three of them suffer from an incipient dysentery, and the fourth from a fever and swollen feet, for which reasons these patients must remain here for a few days before they can continue the journey on foot to Madras. For the rest, he has the honor to call himself with due respect, below was written: Right Honorable and commanding Sir, your Right Honorable's humble and obedient servant, signed: P: H: Meppen. In the margin: Palliacatta, the 23rd of February 1791. Thus it was agreed to note this, as well as that the Acting Governor has already given notice of this incident to the English Governor at Madras on the 23rd of this month by the following letter. To the Right Honorable Sir Charles Oakelij, Governor of Fort S: George at Madras. Right Honorable Sir, I have the honor hereby to inform your Honor that yesterday, during the passage of some soldiers who had come from the Army or from the North, 375 Ultimo February 1791. four of the same, being unable to continue their journey on account of illness, were by my order provisionally given shelter in our hospital. The enclosed report from our head surgeon demonstrates the truth of the complaints of these men, and it is at their request, and in order that after they have somewhat recovered you may dispose of them, that I take the liberty of informing your Honor of the place where they are, and not to expect any compliments on that account, since partly humanity and partly the relations of one nation to the other caused me to regard it as a duty, and to show, even by the least token thereof, how very much I am with all high esteem, below was written: Right Honorable Sir, your Honor's very obedient and very humble servant, signed: Jacob Eilbracht. In the margin: Fort Geldria at Palliacatta, the 23rd of February 1791. Lastly, the communication of the Acting Governor was heard regarding how his Honor, in compliance with the resolution of this board of the ultimo of December last, in the past month had sent the Company's Interpreter Mandalam Wengadassalam Naiker to Madras for the sale of five bars of gold, and among other matters had also given him the commission to confer with the Armenian merchant Samier Sultan concerning the dispute with the
Dutch transcription
372 Smorgens alle Present Maendag ult:o Febr: 1791:— De ordinaire zaeken ter gemeene Resolutie van heeden vermeld, afgehan„ delt zijnde, lag de EE. Achtbaere Heer Gezaghebber over, een bericht van den Commandant deezes Guarnisoen Ian Jochem Winkelmans en den Luitenant Commandant van het Iaffa„ napatnamsch Detachement David Kahle, aentoonende haere verschillen„ de gevoelens met de Memorie van den Jngenieur Pierre Brossette, ter aen„ wijzing hoedanig na zijn opinie de posten en Redouten ter defentie bij een aenval van Ruiters van Tipoe Sul¬ than behooren bezet en verdeedigt te worden Zoo is aengezien oneenigheeden van die natuur nadeelige gevolgen zouden Ultimo Februarij 1791. zouden kunnen hebben en de omtrek zelfs te gering en van te weinig be„ lang is om derwegen met elkander te ver„ schillen, het gunt ook maer voornaeme¬ lijk bestadt uit het gevoelen dat men des noods, van - en op de huizen de Zwer„ vers het naderen zou konnen belet„ ten, het welk de Commandanten mi„ litair met den Ingenieur niet eens zijn en waeromtrent men en de zaek zal ze wel worden uitgevoert, elkan den wel dient te begrijpen, wijl ze anders voor komt best te zijn van agterweegen te worden gelaeten, na deliberatie goed gevonden en ver„ staen die papieren te stellen in ho den van de leeden deezes Raeds De Raeff en Hasz:, met last om bij een te zaemen gevoegde Comparitie van 373 Ultimo Februarij 1791: van gemelde officieren, den Ingenieur en hen op die differenten te hooren: de gevoelens tot eenpaerigheit te bren„ gen en te ontwerpen een geschikt Re„ glement, om des noods in cas van Alarm te kunnen strekken, en het zelve ter approbatie aen deeze ver„ gadering in te dienen. — Hier na maekte welm: EE: Achtb. Heer Gezachhebber de vergadering be„ kend, dat op den 22. deezer bij het passeeren van eenige uit de Engel„ sche Armee, of van de Noort af„ gekomen soldaeten vier van de„ zelve, uit hoofde van, ziekte haeren weg niet hebbende konnen vervolgen, op zijn E. E: Achtb: ordre in het hospi„ tael voor eerst lyfberging waren ge„ geeven, gelijk bij een bericht van den opperchirurgijn Pancratius Han Ultimo Februarij 1791.— Haringa Meppen en de quaelen waer aen deeze patienten laboreeren, omstandiger komt te blijven Aan den welEdele Agtbaren Heer Jacob Eilbracht opperkoopman en Gezaghebber van 't Chormandelsche Gouver„ nement der Neederlandsche Oost Indische Compnie Etc: Wel Edele Agtbare en gebiedende Heer Ter voldoening van uwel Edele Agtbarens geëerde ordre heeft de ondergeteekende opperchirurgijn te vertoonen dat op gis„ teren den 22. deeser vier persoonen in naamen George Kerns. Jan Heijns. soldaat Ioseph Rottger. Jan Toller.. Toebe 374 ultimo Februarij 1791 Toebehoorende tot de Engelsche Armee uit een meerder getall van een Detachement van de Noord komen, en na Madras moeten sig ge noodsaakt vonden, om weegens siektens Hulpe alhier te soeken. En na dien zij op ordre van uwelEd: Agtbaren in het Hospitaal gehuijs vest zijn, en de ondergeteekende des hare siek„ tens heeft ondersogt soo heeft hij de Eere verder te vertoonen, dat drie daar van laboreeren aan eene beginnende Dijsenteria, en de vierde aan eene veritteerende koorts en opgeswol„ lene voeten, om welke Reeden die patienten hier voor eenige da„ gen dienen te vertoefen, eer zij de Reise te voet na Madras kunnen voortsetten. — Hij Heeft overigens de Eere sig met verschuldigde Eerbied te noemen — /:onderstond:/ WelEdele Agtbare en gebie Ultimo Februarij 1791. — gebiedende Heer, uwel Edelen Agtbaren onderdanige en gehoorzame Dienaar /:was geteekend:/ P: H: Meppen /:In margine :/ Palliacatta Den 23'. Februarij 1791. zoo is verstaen dit te noteeren, als meede dat de Heer Gezachhebber van dit toeval aen den Heer Engelsch Gouverneur te Madras op den 23. deezer bereets ken„ nis heeft gegeeven bij de ondervolgende brief. — Aan den Edele Welgebooren Heer Sir Charles Oakelij Gouverneur van het Fort S: George te Madras. Edel welgebooren Heer Ik heb de eer uEdel welgebooren mits deeze kennis te geeven hoe gisteren bij het passeeren van eenige uit de Arme of van de Noord afgekomen Sol¬ daaten 375 Ultimo Februarij 1791:— daaten, vier van de zelve, uit hoofde van ziekte, haren weg niet hebbende kunnen vervolgen, op mijn ordre, zoo in ons Hos„ pitael voor eerst Lijf berging zijn gegeeven. Het hier in geslooten bericht van onze opperchirurgijn toont de waer„ heit aen van de Klachten deezer Man„ schap en het is op verzoek van haaar en om, na ons zij wat herstell zul„ len zijn over de zelve te kennen dis„ poneeren dat ik mij bevrijmoedige uEdel welgebooren te informeeren van de plaets waer zij zich bevon„ den en niet om eenig Complement derwegen te verwagten, dewijl eens deels de menschelijkheit en ten ande„ ren de betrekken van de eene Natie tot de andere, wij als een plecht heeft doen aenmerken, en om zelfs door de minste blijk van den, te toonen hoe zeer ik met alle hoogach„ ting ren Ultimo Februarij 1791. ting ben /:onderstond:/ Edel welgebooren Heer, uw Edel welgebooren zeer ge„ hoorzaeme en zeer nedrigen dienaer /:was geteekend:/ Iacob Eilbracht /:Inmargine/ Fort Geldria te Pallia catta Den 23. Februarij 1791. — Laestelijk werd noch gehoord de Com„ municatie van den Heer Gezachheb„ ber hoe zijn E: E: Achtb: in voldoening aen het besluit deezer tafel van ult=o Dec: laest leeden, in de gepasseerde maend 'sComp:s Tolk Mandalam wengadassalam Naiker ter ver„ koop van vijf staeven goud naer Madras gezonden onder meer andere zaeken, ook de Commissie gegeeven had om den Armeenisch koopman Samier Sultan te onderhouden over het verschil met den