VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3878

Coromandel · 1,448 pages · 270 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3878_1194 view scan ↗

English

The 18th November 1790. Government, under the accountability of the then Sequester Iohannes Abraham Bronsveld, we have the honor to report: That we searched and caused to be searched at the secretariat and trade office for an inventory of the sequestration monies of 1780 or February 1781, in order to have a reliable guide for examining this account, but that we were unable to obtain any later than from the Trade Office of the 16th March 1778, on which no calculation can be made at all, as the sequestration since that time until February 1780, according to Bronsveld's own statement, has changed much and become considerably more important. Bronsveld, under date 23rd March 1785 at Kolombo, by an ample petition requesting to be reinstated in his post upon the restoration of the coast, made an extensive presentation of his past administration as sequester, in which he finally showed that there remained under his accountability as sequester pa/o: 2023: 5/8. This petition and annexes were sent here by the Ceylon Government, and the original rests at the secretariat here. After the restoration of the coast, Bronsvelt arrived here, and by the late Governor Blaaukamer, under the last of August 1786, an order was issued to the bookkeepers Duijnevelt and Vreijmoet to oversee the transfer by him, Bronsvelt, to the 959. The 18th November 1790, first undersigned, both of the secretariat and the sequestration monies. However, this handover had no result, as Bronsveld, by an ample writing to the late aforementioned Governor dated 15th September 1786, demonstrated the impossibility on his part to comply with this regarding both the one and the other, alleging that the bundles had been despoiled by the conquerors, and that the sequestration funds, which he shows he would have to account for, were not held by him, but were all outstanding on accounts, bonds, and, as vendue monies due. Besides the detailed demonstration he provides in that writing regarding this matter, he produces a distinct account of the 15 items of remaining balance sequestration accounts that were still running under him under the last of February 1781. As no other light can yet be obtained regarding whatever was in sequestration under him, Bronsveld, and remained at the surrender of Nagapatnam in November 1781, due to the lack of inventories here from the recent years, we are obliged to take as the basis of our report in this matter the aforementioned statements made thereof by Bronsveld himself, both at Kolombo and here. His statement submitted at Kolombo sets the principal sum of 15 items or accounts that ran in sequestration. Which carries over to Parg: 10678: 7/8 And The 18. November 1790 Carried over Pag 10878 7/8. And by demonstration produced here, dated 15th September 1786, at 10878 3/16. Thus there is here a slight shortfall of Sij —: 1/8. which arises from the last statement under item No. 14, where less was stated Pag: —: 1/8. Now, in order to show what he must still account for from these 15 items that ran under him, whether in money or in valid proof, we annex hereto under No. A: a distinct demonstration of the 15 various items which conform to those that finally ran in sequestration under him; and under B: a brief indication of that which he says he has accounted for from those items, and what is still outstanding. Letter A, First Column, he states that the 15 items running in sequestration under him, under the last of February 1780, amounted to Pag 10878. 3/16. Letter B, First item, he sets this sum as such outside accountability. A, Third Column, he says he paid off from March 1780 to November 1781, though Letter B, 4th item, up to the last of February 1781, p r/o 1776. 1/8. Under Letter A he does show from which items these payoffs were made, but does not state in what manner and upon what proofs, nor does he state whether he as such at that time Which carries over ƒ 503 10878 7/16 paid off 961. The 18th November 1790. Carried over p/o 1776. 1/8 10878. 3/16 paid off under Letter B, 5th Column, Letter B, 5th item, for an omitted receipt No. 72 from the item of the Estate of Christoffel Iurgen Ondaatje, but not to whom, in what manner, and under what authorization, which the receipt named by him will then have to show 344. 1/8. The amount paid off thus up to November 1781, when Nagapatnam passed to the English, amounts to 2120: 2/8. so that, according to his own statement, at the loss of Nagapatnam in November 1781, he had to account for sequestration monies of 15 items p/o: 8749: 1/16. This sum of pag: 8749: 1/16. he reduces in the following manner; namely: No. 2 Column and B 2nd item with 4 percent for the collection, sequestration, accounting, etc., which he says had been omitted to deduct namely in November 1781 after the loss of Nagapatnam, when he rendered account to the late Mr. Mossel as Chief Administrator, and which he had only discovered prior to his departure for Batavia at Madras upon examining the first sheet of the general statement of the sequestration monies, as he explains in his writing of the 15 September 1786 Ro/o 435. 7/8. Which carries over to:

Dutch transcription

Den 18:e November 1790. Gouvernement, onder verantwoording van des tijds geweezene Sequester Iohannes Abra„ ham Bronsveld, hebben wij de eere te dienen van bericht: Dat wij op 't secretarij en nagocie Cantoor hebben gezogt en laaten zoeken na een opneem der se„ questratie penningen van 1780. of februarij 1781. om eene zeekere handleijding te hebben tot het nagaan deezer Reekening, dog dat wij geen laater hebben konnen bekoomen dan van Negotie kantoor van den 16:e maart 1778. waar op in 't geheel niet te Cijfferen, is als zijnde de se„ questratie 't zeedert die tijd tot februarij 1780. volgens Bronsvelds eijgen opgave veel verander„ den vrij importanter geworden. —. Bronsveld heeft onder dato 23:e maart 1785. te kolombo bij ampelt Request ten versoeke om bij restabilatie van de kust weeder in zijn dienst kir„ steld te werden, omslagtige aantooning gedaan, van zijn gehad hebbende administratie als se„ „quester, waar bij eijndig aantoond, dat ter zeijveer verantwoording als sequester voortliep pa/o: 2023: 5/8 dit requestende bijlaagen is door de Ceijlonse Re„ geeving dit hein gezonden, en berust in orgineel ter secretarije alhier. — Na herstel der kust is Bronsvelt alhier overgekoomen, en is door wijlen den Heer Ge„ zaghebber Blaaukamer onder ultimo au„ gustus 1786 ordonnantie verleend op de Boek„ houders Duijnevelt en Vreijmoet tot het zien doen van transport door hem Bronsvelt aen den 959. Den 18:e November 1790, den eerst needrigen teekenaar, zoo van 't secreta„ riaat, als de sequestratie penningen- Dan deeze overgave had geen gevolg, als Bron„ Geld bij ampel geschrift aan wijlen gem: Heer Gezaghebber in dato 15:e September 1786. vertoonde, de onmogelijkheijd aan zijne zeijde om zulx zoo van het een als ander te kun„ „nen voldoen voorgeevende de Bondels gespol„ leerd te weesen door de veroveraars, en dat de se questratie gelden, die hij aantoond dat zoude moeten verantwoorden, niet onder hem, maar alle op reekeningen, obligatien, en als omi gepalen„ de, vendupenningen uitstaande waaren. Buijten de breedvoerige aantooning die hij bij dat geschrift desweegen doet, produceerd hij dis„ tincte Reekening van de 15 posten per restant verblee„ vene sequestratie Reekeningen, die onder ult:o febru„ „arij 1781. nog onder hem voortliepen— Geen anderligt, wat al bij hem Bronsveld in se questratie geweest, en bij overgave van Nagapatnam in November 1781. verbleeven is als nog te bekoomen weezende, door het ver„ missen der opneemen hier van de Laaste Jaaren zijn wij verplicht tot bazes van ons berich in deezen te neemen, de voormelde opgaves door hem Bronsveld zelve, zoo op kolombo, als hier daar van gedaan. — zijn aantooning op kolombo overgegeeven steld de Hoofdsom van 15 posten of reeke„ ningen die in Sequestratie liepen. Die Transporteere - . . . . . . . . op - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - Parg: 10678: 7/8 En Den 18. November 1790 P=r Transport Pag 10870 7/6. En bij demonstratie hier Geprodu. ceerd, in dato 15 e 7ber: 1786. op - - - - - - - - - „ 108 78 /16. des is hier in een geringe minderheyd van - - - - - - - - - - - - – - – – – – – – – – – – . Sij —: /8. die voortkomt uijt in laaste opgave bij de post N:o 14. min der gestelde Pag: —: ƒ/8. —. om nu aantooning te doen wat gij van deeze onder hem geloopene 15. Posten. nog diend te verantwoorden het zij in gel„ den, het zij in bestaanbaare bewijsen, zoo an„ nezeeren wij deezen onder Na Adistincte de monstracie van de 15.e diverse posten, die laasteijk Conform, dien, onder hem in sequestratie geloopen hebben; en onder B: korte aanwijsing van het geene hij zegt uijt die posten verantwoord te hebben, en wat nog voortloopen„ Lr. H. Eerste Colom Legt hij, dat de bij hem in sequestra„ tie geloopene 15. posten, onder ultimo februarij 1780. bedroegen- - - - - - - - - - - - - - - - - - - Pag 10878. 3/16. L.:ra B. Eerste post steld hij die som soodanig ter verantwoording buijten waards A. C:so Colom, zegt hij van maart 1780 tot November 1781. dog L:ra B. 4 post tot ult:o febr: 1741. af betaalt te hebben p r/o 173 /. bij L=ra Atoond hij wel aanuijt„ welke posten die afbetaalend ge„ schied is, dog zegt niet hoedanig en op welke bewijsen, nog steld heij als zodanig in die tijd Die Transportere ƒ 503 10 878 7/16 de was. afbetaalt 961. Den 18e November 1790. Transport - - - - - p /o 1703. / 10 0. 16 afbetaalt bij L:r 8. P:t Colome Lra B. 5. post voor een versuim„ de quitantie n:o 72. uijt de postwE. Boedel van Christoffel Iurgen ondaatje, inaer niet aan wie„ hoedaanig en op welke qualifica„ tie, dat dan de bij hem genoemde quiantie zal moeten aantoonen „ 344. 1/8„ Het afbetaalde dus tot 9ber 1781. dat dat Nagapatnam aan de Engel„ se is overgegaan, bedraagd - - - - - „ - - - - - - - „ 2120: 5/18. —. zoo dat hy volgens zijn eijgen opgave bij het verlies van Nagapatnam in 9ber: 1781 aen sequestratie pennin„ 15 gen verantwoorden moest - - - - - - - - - - p70: 8749: ƒ16. —: Deese som van - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - pag: 8749: 1 17/16-. dimunieerd hij in volgenden voegen; als N2. Colomen en B 2. d post met 4 p:r C. o voor de invordering, sequestratie, verantwoording Etc„a welke hij Jegt dat versuijmd waren aftrekken tben te weeten in 9ber: 1781. na het ver lies van Nagapatnam reeken„ schap heeft gedaan aanwijlen de Heer Mossel als Hoofdadmi„ nistrateer en welke hij eerst voor zijn vertrek na Batavia op ma„ aras ontdekt had bij het nagaan van het eerste blad der generaale staat van de sequestratie penningen zoo als hij zig er„ pliceerd in zijn geschrift van den 15 7ber 1786 - - - - - - - - Ro/o 435. 7/8. Die Transporteere. „ de op:

NL-HaNA_1.04.02_3878_1198 view scan ↗

English

The 18 November 1790 Carried forward P/o 435. 7/8. On this item under deduction we reflect that he certainly did make the collection and held sequestration, but that the accounting is lacking to make this remittance, and deducts: Letter A, 4th column, item B35, he proposes for deduction for vendue salary and trial expenses - - - - - - 548. 7/8. But concerning this, he makes no demonstration either in his accounting or in his statement of accounts on which vendue rolls and salary accounts this is due to him; he merely indicates under Letter A on which items he claims this, so that there is no certainty regarding this before and until it has been confronted and reconciled with the vendue rolls and with the salary accounts. Ditto A, 7th column and ditto item proposes for deduction for his private transactions after the loss of Nagapatnam, when he was out of office and beyond reach of qualification, the three following items, to wit: The item No. 2. Estate of Jasper Theodorus Pfeijffer - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 3162: —: : For which, being called to account on Batavia by the secretary of the Orphan Chamber in April 1784, he says in his aforesaid accounting that he provided security; this security consisted in delivering to that board 21 pieces of accounts charged to various persons at Nagapatnam, which were sent over by the Orphan Chamber of Batavia to that of this place, together with the bond. Carried forward r:o 3162 : 9084 r:s 4 /16 1. July. - 1 963. The 18 November 1790: Carried forward - o/o. 3162: / 9084 4 /16 Bond document concerning this granted thereof by him, Bronsvelt, on the date 15 May 1784, by the commissioner Orphan Masters and their secretary, of which we annex the copy of this under Letter E. He indeed withdraws this money from the sequestration administration, but it does not appear that either the Orphan Masters at Batavia, or those from here, indemnify the same administration for it, without which the administration, which is under suretyship, remains encumbered for it; it can merely be stated that the Orphan Masters at Batavia have taken over these accounts as a provisional security by the Orphan Masters here, because otherwise nothing was to be had anyway, and matters on the coast were then beyond order and the Company's reach. Besides this, according to our humble opinion, it should be noted here that the Orphan Chamber, matters having now returned to order, cannot assign that security to itself alone, but that, as long as Bronsveld has not rendered a proper accounting of his administration, it, as well as all other persons having relation thereto, must remain exposed to whatever he, Bronsveld, in the salvaging of his affairs, whether himself or considered as insolvent, might unexpectedly be found short by the sequester with the suretyship for his administration, as all claimants have equal right herein to the public authority from which Bronsvelt acted and administered the sequestration; it can even be said that the right of the Orphan Chamber to this claim among the competition of the general interested parties, who were not yet entitled to lift their funds, has diminished in proportion as Their Reverences have delayed lifting this as soon as they were qualified thereto by resolution of the Honorable Council of Justice; thus, to maintain the right and trust in the sequestration administration, this item should absolutely revert to the sequestration of Bronsveld's administration, in order, being settled, to be lawfully accounted for. 2. From the sequestered property by the current interpreter here, Mandalamwengassalam Naiker, being item No. 4. - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 1925. 1/4. This matter was finalized by him just as unqualifiedly as the first, as there is also no evidence that Nagamaloe Wengata Sobrauw Naiker acquits the sequestration for this; before, therefore, it can be validated, it is necessary Carried forward - - - - - - - - - 5087: 3/4 pra/o 9084: 1/4 p / 749 1/16 to do so The 18 November 1790 965. The 18 November 1790. Carried forward - - / 5087: 3/4 / 9084 1/4 p/ 749 1/16 to do so, or to be called thereto by the one now authorized in this matter, and in case of unwillingness therein, to be condemned by the Honorable Council of Justice, insofar as he has conducted this transaction privately, without security, having, by the acceptance of further bonds, placed himself as a private creditor of Bronsveld; then, and not before, it seems to us, under correction, this sum can be deducted from Bronsveld's administration accounting. 3. From the item No. 10. Account of Andreas Theodorus van der Haagen. - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 117: 1/8. On account of what was paid or settled, likewise being out of office and qualification, to the bookkeepers Bont and van der Waard, which payment, besides that it remains to be determined whether it could properly be made by him in the condition he was in during the war to the detriment of the common interested parties, is as unlawful for the sequestration as the former, as likewise not being indemnified concerning it. The aforesaid three items privately transacted and deducted by him after the loss of Nagapatnam, out of office and qualification, amount to - - - - - - - - - - - - Pag: 5205. 1/8. And his reduction on his own authority, and as yet unproven - - - - - - - po: 6189. 7/8. On which foundation he states under Letter [illegible] last columns, Letter B, 8th item, that he still must account for as sequester only - - - - - - - - - p:o 2560. 1/16 Besides

Dutch transcription

Den 18 November 1790 Per Transpoort P/o 435. 7/8. op deeze post in aftreck reflecteeren wij dat hij zeeker wel de invordering ge„ daan en sequestratie gehad heeft, dog dat de verantwoording manqueert om deeze opbreng te doen, en aftrekken ra Lr. A: 4 de Colomen B35. Post steld hij ter detratie voor ven du salaris en Proces ongelden - - - - - - „ 548. 7/8. maar hij doet hier omtrend nog in zijn verantwoording nog in zijn reekening geen aantooning op welke vendurollen en sala„ risreekeningen hem dit Competeerd, enkelde toond hij bij L=ra A: maar aan op welke posten hij dit pretendeerd, zoo dat hier omtrend geen zeekerheijd, is voor en al eer met de vendurollen en met de salaris reekeningen, niet geconfronteerd en geaccordeerd is —. D: A: 7d:e Colom en b: Ed:o post steld ter decorteering voor zijn par„ ticuliere verhandelingen na Nagapatnams verlies, wanneer buijten functie en bereik van qualificatie was, de drie volgende posten, te weeten. de post N: 2. Boedel van Jasper Theodorus Pfeijffer - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ 3162: —: : waar voor hij op Batavia, door den sec:s van de weeskamer in april 1784. daar„ om aangesprooken weesende, in zijn voorsz: verantwoording zegt zeekerheijd gegee„ ven te hebben; deeze zeekerheijd heeft bestaan in het afgeeven aan dat Col„ „legie van 21. stuks reekeningen ten laste van diverse persoonen op Naga„ patnam welke door de weeskamer van Batavia aan dat van hier„ overgezonden, zijn, neevens het. verband Transporteer r:o 316:2 : 9 4 r:s 4 /16 1. Juijl. - 1 963. en 18. November 1790: Per Transport - o/o. 3162: / 9 04 4 /1 verbandschrift desweegen door hem Bronsvelt daar van verleend op dato 15. e Meij 1784. door gecommitteer„ de weesmeesteren en derselver secretaris, waar van wij de Copij deesen Siasseeren onder L:ra E: dit geld trekt hij wel uijt de sequestra„ tie administratie, dog blijk net dat nog heeren weesmeesteren te Batavia, nog die van hier deselve administratie daar voor indem„ neerd, zonder welk de administra„ tie die onder borgschap is, daar voor belast blijft, enkel kan ge„ steld werden dat heeren wees„ meesteren te Batavia deeze Reekeningen overgenoomen heb„ „ben als een provisioneele zeeker„ heijd door Heeren weesmeesteren, hier om dat tog anders niets te krijgen was, en de zaaken op de kust toen buijten order en sComp:s bereijkwaaren. Buijten dit diend na ons gerin„ ge gevoelen hier aangemerkt te werden, dat de weeskamer, de zaeken, nu weeder in order gekoo„ „men zijnde zig die zeekerheid alleen niet kan toewettigen, maar dat, zoo lange Bronsveld! geen rigtige verantwoording van zijn administratie gedaan heeft, zij zoo wel als alle andere daartoe rela„ tie hebbende perzoonen, moet geexponeerd blijven aan het geene hij Bronsveld bij redding Transportere p„o 316 2 po/o 9 / 6 Per Transport - - - - - - 5 7/8: 3162. - p 7/6984. 1/4 prso 749 1/16. redding van zijn zaaken, het zij zelver of als insolvent geconside„ reerd, door den sequester, met de borgschap voor zijn adminis„ tratie onverhoopt mogte werden te kort bevonden, als alle predenten hier in gelijk regt, hebbende op de publicque authoriteijt waaruijt „Bronsvelt ageerde en de sequestra tie admienistreerde, zelfs kan gezegd worden het regt van de weeskamer tot deese pretentie bij Concurentie der generaale belang hebbers, die nog niet gewettigd waarin haare Gelden te ligten, vermindert te zijn, namate hun Eerwaarders gedelaieerd hebben dit te ligten zoo dra hier toe bij besluit van den Agtbaaren Raad van Iustitie gequalificeerd waaren des, om het regt en vertrou„ wen op de sequestratie, administratie te maintineeren, deese post absolut weeder zoude dienen over te gaan op de Sequestratie van Bronsveld:s: administratie, om beslegt werdende wettig verantwoord te werden 2:': Uijt het gesequestreede door den teegenwoor„ „digen tholk alhier Mandalamwen„ gassalam Naiker zijnde post deeze zaak is even ongequalificeerd als de eerste door hem afgemaakt, als meede geen blijk weesende dat Nagamaloe wengata Sobrauw Naiker de Sequestratie hier voor quiteerd, eer derhalven die gevali„ deerd kan werden, dient deeze N:o 4. - - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ 1925. ¼. Transporteere - - - - - - - - - ƒƒ6. 5087: 34 pra/o 9084: ¼ p / 74 1/16 zulx Den 18. November 1790 965. Den 18 November 1790. Per Transport - - / 5087: / 9 4 4 p/ 9 1 zulx te doen of daar toe door den nu gewettigden in dee„ zen daartoe geroepen en bij on„ willigheijd daar in bij den Agt„ baaren Raad van Iustitie ge„ condemneerd te werden, voor zoo verre hij deese onderhan„ deling particulier gedaan heeft, zonder zeekerheijd, als zig met de acceptatie van ver verbanden, zelve tot par„ ticuliere Crediteur van Brons, veld gesteld hebbende, dan, en eerder niet dunkt onsonder correctie kan deeze somuijt Bronsvelds administratie verantwoording getrokken werden. — 3. uijt de post N:o 10. reekening van Andreas Theodorus van der haa„ gen. - - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ 117: /8: weegens het betaalde of verreeken„ de almeede buijten functie en qua„ „lificatie zijnde, aan de Boekhouders Bonten van der waard welke betaaling buijten, dat het nog te beslufsen staat of door hem in de staat, waar in onder den oorlog was, tot nadeel van de gemeene belanghebbers wel ge„ daan konde werden, wen, on„ wettig voor 't sequesterschap is als de voorige als desweegen meede met, geindemneerd weesende de voorsz: drie posten door hem particu„ lier na Nagapatnam verlies buijten functie en qualificatie verhandelden aftrokken bedraagen - - - - - - - - - - - - Pag: 5205. 1/8. En zijn diminitie op eijge antoriteijd, en als nog onbeweesen- - - - .- op welk fundament hij steld bij L=re laaste Colomen L:r B8:se post dat noog maer„ als sequester moet verantwoorden - - - - - - - - - p:o 2560. 1/16 po: 6189 /8. /16 ƒ Buijten

NL-HaNA_1.04.02_3878_1202 view scan ↗

English

The 18th November 1790 Besides the previously mentioned sequestration moneys, of which he still must render proof, account, and reliqua since the surrender of Nagapatnam to the English in November 1781 to the sum of there is still charged to his debit on account of received Lord's rights of 5 percent for the Honourable Company since September 1780 until the end of August 1781 - - - - - - - - - - - - 750:— He states, in the extract of justification of 15 November 1786 annexed below under Letter D, that this had partly remained uncollected due to the troubles, it naturally following that it must also have been partly received by him, and he therefore remains accountable for the entire sum as long as he has not accounted for what was received, and has not been discharged of what was not received upon demonstrating the reasons thereof and petitioning for the same. Therefore, officially and entirely on his This aforesaid justification of Bronsveld served here at the assembly of 26 September 1786, and was placed as a voluminous paper under nominal charge into the hands of the present Bimilipatnam Chief Heshusius and Secretary of the Orphan Chamber Duijnevelt; these provided a report thereof on the 16th December following, as is inserted in the Resolution of that day, boiling down essentially to this: That, due to the lack of proofs cited by Bronsveld, which he said had remained on Ceylon, they were not capable of fulfilling the requested examination. as stated hereinbefore - - - - - - - - - - - - - - - - - - P/: 8749 1/16. justification amounts to - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 9499: 1/16. whereupon 967. The 18th November 1790. whereupon it was resolved to request those proofs from Ceylon. From the outgoing letters it does not appear that this was done, nor from the incoming letters from Colombo that this was written about, but indeed that the orphan masters from here had correspondence with those of Colombo shortly thereafter, from which it is to be presumed that this matter was handled between those boards, for the reason that Bronsveld had mortgaged his credits in Batavia in favor of the Orphan Chamber. Thereafter it does not appear that Bronsveld was troubled further about this. However, on 28 August 1788, he requested the Government by petition for a brief trip to Colombo to salvage his private affairs, and this was granted to him by resolution of the 29th or the following day, without any opposition or remark from anyone regarding the accountability incumbent upon him, and he departed thither thereupon. By Ceylon dispatch of 9 April 1789, a petition was forwarded by Bronsveld, thereby requesting permission to remain there on account of his sickly condition, but this was rejected here, and the Ceylon ministers were requested by letter of 8 August following to send him over here in one secure manner or another, if he did not furnish sufficient sureties for that which he must account for. No answer having been received to this, a more earnest letter was written about it on the 18th of July last, precisely as the extract of that letter, which accompanies this under Letter [illegible], demonstrates; however, no reply has been made thereto to this date. Declaring that we have not been able to obtain further light and certainty in this matter, and hoping therefore that your Right Worships and Honours will be pleased to be satisfied with this our brief demonstration, we claim the particular honour, with deep respect, to subscribe ourselves. Underneath stood: Right Honourable Worshipful Sir and Sirs, your Right Worships' and Honours' humble and obedient servants. Was signed: I: I: Hasz: and I:n Obdam. In the margin: Palleacatta the 16th November 1790. Dissinckel Distinct demonstration of the following 15 various remaining sequestration accounts, which were still outstanding up to 1781; as: 1. Sequestration No. 1. Monies of Ian Hansz: and Ian Muller. 2. Ditto No. 11. Ditto of Iasper Theodorus Pfeiffer 4. Ditto No. 16. Ditto of Mandalam wengadasala Naiker 6. Ditto No. 38. Ditto of Christoffel Iurgen ondaatje 10. Ditto No. 54. Ditto of Andreas Theodorus Hagen 11. Ditto No. 58. Ditto of Appoe Candoe soepermanie Moddeliaar 13. Ditto No. 66: Ditto of Namaziwaija Moetapalenie 14. Ditto No. 67. Ditto of Regenada and walli Amme 8. Ditto No. 47. Ditto of Ian steens, Ian onstee 9. Ditto No. 50. Ditto of Fredrik Terloenen 12. Ditto No. 64. Ditto of wierappa Conaan 3. Ditto No. 13: Ditto of Pieter Goedhart 5. Ditto No. 33 Ditto of Topala kiestna Chittij 7. Ditto No. 10 Ditto of Aatje dema 15. Ditto No. 69 Ditto of Tjinappa poelle The 18th November 1790. Letter A: All counting together.... The two items paid off since March 1780 until February 1781, and one paid off at Madras Then the paid sum that became private And make, with the paid but undeducted [illegible] which being discounted from the true remainder under the last [illegible], for surrender to the At Palliacatta in the Castle Was signed: I. A. Bronsveld:, 1

Dutch transcription

Den 18e: November 1790 Buiten de hie vooren vermelde sequestra„ „tie penningen, waar van hij 't zeedert de overgave van Nagapatnam aen de En„ gelse in 9ber: 17611. nog moet doen bewijs„ reekening, en reliqua ter somma van Loopt nog ten zijne lasten weegens ontfangene 's Heere geregtigheijd van 5 prC:to voor de E comp: 't zeeder schtem„ ber 1780. tot ultimo Augustus 1781 . - - - - - - - - - - - - „ 750:— dit zegt hij, bij hier onder L=r D: bij gevoegd extract verantwoording van den 15. 9ber: 1786 dat door de troubles gedeel„ „telijk om in gepalmd gebleeven was, volgende dus van zelver, dat het ook gedeeltelijk bij hem ontfangen moet zijn, en hij dus voor de geheele som aanspreekelijk blijft, zoo lange het ont„ fangene niet verantwoord heeft, en van het niet ontfangene is ontheft gewor„ den op zijn aanthooning van de reeden daar van en supplicatie daar toe.— Overzulx amptshalven geheel voor zijn deeze voorsz: verantwoording van Brons„ veld heeft hier ter vergadering gediend der 26:e September 1786. , en is als een voluminens papier ter Name gesteld in handen van het teegenswoordige Bimilipatnams opper„ hoofd Heshusius en secretaris van de wees„ kamer Duijnevelt; Deeze hebben, den 16:e de„ cember daar aen volgende van bericht gediend, zoo als zulkx ter Resolutie van dien dag geinsereerde staat komende Hoofdzaakelijk hier op uijt. Dat mits gebrek aan de door Bronsveld geciteerde bewijzen, die hij zeijde dat op Ceijlon gebleeven waaren niet vermogens waaren aan de hun gedemandeerde Examen te vordoen. als hier vooren gezegt - - - - - - - - - - - - - - - - - - P/: 8749 1/16. verantwoording loopt - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ 9499: 1/16. waarop 967. Den 18:e November 1790. waar op dan beslooten is die bewijzen van Ceijlon te verzoeken. — Bij de afgaande brieven blijkt, niet dat dit ge„ daan, nog bij de Colombosche aankoomende dat daar over geschreeven is, maar wel dat wesmees„ teren van hier met die van kolombo kort daar na Correspondentie gehad hebben, waar uit te veronstellen is, dat deeze zaak tusschen die Collegien verhandeld is geworden, om reeden, dat Bronsveld zijne Crediten op Batavia in faveur der weeskamer verbonden had. e Daarna blijkt niet dat Bronsveld hier over meerder gemoeid is. —. Maar den 28. ' augustus 1788 heeft hij bij request de Regeering versogt om een springtogje na Colom„ bo ter redding van zijn particuliere affaires, en dit is hem, zonder eenige oppositie of aanmerking van iemand omtrend de hem incumbeerende verant„ woording, bij besluijt van den 29 s=te of sdaags daar aan toegestaan, en is daar op derwaarts vertrokken Bij Ceijlonsche missive van den 9=e april 1789. is door Bronsveld request overgesonden, versoekende daarbij om weegens ziekelijke toestand daar te moogen ver„ blijven, dog dit is hier van de hand geweesen, en de Ceijlonsche ministers bij brief van den 8:e augustus daar aan versogt, om indien hij voor het geene ver„ antwoorden moet geen voldoende Borgen stelde, hem, op een of andere verzeekerde wijze dit heer overtezindn Dat hier op geen antwoord ontfangen weezende, is op den 18 Iulij Jongstleeden daar over ernstiger geschree„ ven, en wel zoodanig als het Extract dierbrief dat deeser onder L=ra verseld, aantoond, dog is daar op tot hee„ den nog geen rescriptie gedaan. Onder betuijging dat wij geen verder ligt, en zeekerheid in deesen hebben kunnen bekoomen en hoope oversulx dat uwel Ed:e Agtb: en Edelens in deeze onze korte aantoo„ „ning zullen gelieven genoegen te neemen, maaligen wij ons de bijsondere eere aan, met, diep ontzag te onderschrijven. /:onderstond:/ wel Edelen Agtbaaren Heer en Heer uwel Edelen Agtb: en Edelens onder„ danige en Gehoorzaame Dienaaren :/ was geteekend:/ I: I: Hasz: en I:n Obdam, /:in margine:/ Palleacatta den 16e November 1790 Dissinckel Distincte Demonstratie van de ondervolgende 15. diverse to verbleevene Sequestratie Reekeningen, dewelke onder rij 1781. nog voortloopende zijn geweest; als: 1. Segreet: N:o 1. Geld:e Van Ian Hansz: en Ian Muller. . . . . . . . . . . . . . . 2. „ „ „ 11. d:o „ Iasper Theodorus Pfeiffer - - - - - - - - - - - - - - - 4. „ „ „ 16. „ „ Mandalam wengadasala Naiker - - - - - - - - - - - 6. „ „ „ 38. „ „ Christoffel Iurgen ondaatje - 10 „ „ „ 54. „ „ Andreas Theodorus Hagen 11. „ „ „ 58. „ „ Appoe Candoe soepermanie Moddeliaar 13 „ „ „ 66: „ „ Namaziwaija Moetapalenie 14. „ „ „ 67. „ „ Regenada en walli Amme 8. „ „ „ 47. „ „ Ian steens, Ian onstee 9. „ „ „ 50. „ „ Fredrik Terloenen 12. „ „ „ 64. „ „ wierappa Conaan 3. „ „ „ 13: „ „ Pieter Goedhart - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 5 „ „ „ 33 „ „ Topala kiestna Chittij - - - - - - - - - - - - - - - - - -- 7 „ „ „ 10 „ „ Aatje dema 15 „ „ „ 69 „ „ Tjinappa poelle Den 18 e November 1790. La A: Alle te zaamen Tellende.... De 't Zeedert Maart 1780 tot februarij 1781. afbe Geworden twee Posten en Een Te Madras afbe Dan komende afbetaalde in particulier Geworde som„ En maaken, met de betaalde dog onafgetrokken ge welke van het waare restant onder ultimo be Gedecourteerd weezende, ter overgaave aan den Te Palliacatta In 't Casteel /:Was Geteekend:/ I. A. Bronsveld:, -- - – – – – – – 1

NL-HaNA_1.04.02_3878_1205 view scan ↗

English

969 Per rest. The original principal sums of this sequestration, from which the amounts to be deducted were omitted. The 4 percent for the collection and for the administration accounted for, which should have been deducted. The surplus after deduction of these 4 percent, and so on. The vendue salaries, trial expenses, etc. The sum accounted for after deduction of these expenses. The amounts paid off since the end of February 1780 until the end of February 1781, and also running. And particularly the paid receipt No. 72, which remained omitted from deduction through neglect. The outstanding sums accounted for in Madras in March 1780 to the present sequestrator Hasz. The paid sums, as well as those deducted, accounted for to date. Remainder on current account to the sequestrator. Pagodas 770 3/4, Pagodas 30 1/2, Pagodas 740 1/4, Pagodas 7 1/2, Pagodas 732 3/4, Pagodas 72 3/4, Pagodas —, Pagodas —, Pagodas —, Pagodas 11 7/8. Pagodas 4885 —, Pagodas 192 2/5, Pagodas 1612 1/5, Pagodas 121 3/4, Pagodas 4490 7/20, Pagodas 694 —, Pagodas 3162 —, Pagodas —, Pagodas 634 1/20. Pagodas 21 7/8, Pagodas — 2/5, Pagodas 21 3/40, Pagodas — —, Pagodas 21 3/40, Pagodas — —, Pagodas — —, Pagodas — —, Pagodas 21 3/40. Pagodas 2006 —, Pagodas 80 3/4, Pagodas 1925 3/4, Pagodas — —, Pagodas 1925 3/4, Pagodas — —, Pagodas 1925 3/4, Pagodas — —, Pagodas — —. Pagodas 710 —, Pagodas 28 1/5, Pagodas 681 2/5, Pagodas 65 1/3, Pagodas 616 2/15, Pagodas — —, Pagodas — —, Pagodas 616 2/5. Pagodas 824 1/2, Pagodas 33 7/8, Pagodas 790 35/8, Pagodas 66 1/4, Pagodas 724 3/8, Pagodas 368 —, Pagodas — —, Pagodas 344 1/8, Pagodas 12 3/8. Pagodas 59 1/2, Pagodas 2 75/100, Pagodas 57 1/10, Pagodas 17 3/10, Pagodas 40 —, Pagodas — —, Pagodas — —, Pagodas — —, Pagodas 40 —. Pagodas 111 —, Pagodas 4 2/5, Pagodas 106 2/5, Pagodas 11 —, Pagodas 95 2/5, Pagodas — —, Pagodas — —, Pagodas — —, Pagodas 95 2/5. Pagodas 160 1/2, Pagodas 6 2/5, Pagodas 154 1/10, Pagodas 13 3/10, Pagodas 140 1/5, Pagodas — —, Pagodas — —, Pagodas — —, Pagodas 140 1/5. Pagodas 136 —, Pagodas 5 7/16, Pagodas 130 3/16, Pagodas 13 3/16, Pagodas 117 3/8, Pagodas — —, Pagodas 117 3/8, Pagodas — —, Pagodas — —. Pagodas 459 1/4, Pagodas 18 2/5, Pagodas 440 1/20, Pagodas 100 1/2, Pagodas 340 7/20, Pagodas — —, Pagodas — —, Pagodas — —, Pagodas 340 1/20. Pagodas 42 —, Pagodas 1 3/5, Pagodas 40 2/5, Pagodas 13 1/20, Pagodas 27 1/4, Pagodas — —, Pagodas — —, Pagodas — —, Pagodas 27 1/4. Pagodas 80 —, Pagodas 3 1/5, Pagodas 76 2/5, Pagodas 17 1/2, Pagodas 50 3/10, Pagodas — —, Pagodas — —, Pagodas — —, Pagodas 58 3/40. Pagodas 73 5/16, Pagodas 3 —, Pagodas 70 1/16, Pagodas 19 1/4, Pagodas 50 3/16, Pagodas — —, Pagodas — —, Pagodas — —, Pagodas 50 3/16. Pagodas 619 —, Pagodas 24 2/5, Pagodas 594 1/5, Pagodas 82 1/5, Pagodas 512 —, Pagodas — —, Pagodas — —, Pagodas — —, Pagodas 512 —. [illegible] paid three items, added to the item paid in Madras with: Pagodas 1783 3/4. the sums together amounting to: Pagodas 6988 1/8. the receipt No. 72 that remained omitted together amounting to: Pagodas 7333 3/4. February 1780, being: [illegible] present sequestrator Hasz, there remains outstanding: Pagodas 2560 3/16 as above. the: Pagodas 9844 5/16. Anno 1786. Geldria, the 15th of September. Lower: Agreed. Signed: Jan Obdam, First Sworn Clerk. The 18th of November 1790. Short The 18th of November 1790. Short statement of what has been accounted for out of the sequestration funds mentioned on the side, and of what is still ongoing. As of the end of February 1780, the principal sums amounted to: Pagodas 10870 1/16. the 4 percent for the sequestrator: Pagodas 435 7/8. the vendue salaries and trial expenses: Pagodas 548 3/8. paid off since, or up to the end of February 1781: Pagodas 1783 3/4. The receipt No. 72, which was also paid off during that time, but omitted from deduction: Pagodas 344 1/8. Paid off since November 1781, and also become privately outstanding: Pagodas 5205 1/8. Which, deducted from the aforementioned general principal sum of: Pagodas 8318 4/16. it appears that the undersigned must account to the present First Sworn Clerk of Policy and Secretary of Justice, in the capacity of sequestrator, for: Pagodas 2560 5/16. And whereas his statement made regarding this at Colombo counted: Pagodas 2823 5/8. Thus it appears that the entering of the sums as well as the deductions having been made improperly therein, as a result, he also erroneously listed too much as a remainder in that statement by: Pagodas 263 7/16. At Palliacatta in Castle Geldria, the 15th of September 1786. Was signed: J: A: Bronsveld. Underneath stood: Agreed. Signed: Jan Obdam, First Sworn Clerk. I, the undersigned, Johannes Abraham Bronsveld, Secretary of Justice and Sequestrator of the Insolvent Estates at Nagapatnam, acknowledge hereby, upon my request made for that purpose and the Orphan Masters' Resolution of the 5th of May 1784, to have obligated to their Honors the debt claims to be mentioned below, belonging to me according to the submitted proof of various claims, and this for and as security of my debit to the Orphan Chamber at Nagapatnam, amounting to Pagodas 3000, originating from a judgment of the Council of Justice of the Coromandel Government concerning the insolvent estate: La B. Estate La C.

Dutch transcription

969 Per rres„ De eerst Hoofd De 4 p:r Co Het over De vendu Het daar De 't zee„ En particulier De af den Restant op sommen vols voor de invor„ schot na salarisen na per zes„ dert afbe„ uijtstaande taalde heeden ter van dit voldering sequels aftrek proses tant voor't taalde som „ geraakte zoo dog on„ verant„ ongelden, geloopene men van wel als te, afgetrok woording len &:a tratie verant „ dier woording Etc:a 4. perCen die meede onder ul„ Maart Madras bevonken geblee aan den se„ welke verzuijm to. —. afgetrok„ timo febru„ 1780 tot rens betaal ve qui„ quester waaren afle„ 9ber: de som„ tantie Hasz: voort ken moeten arij trekken. - werden 1780. —. 1781. en men— N: 72. loopende. ttimo februa„ P/o. 770 ¾ pa„o 30. ½ pa/o 740. ¼. pa/o 7. ½. p a/o 732. ¾ /o 72. ¾. pa/o —. —. pa/o 11: pa/o 7 „ . . . . - - - -. - . . „ 4885. —. „ 192. 2/5. „ 1612. 1/5 „ 121. ¾„ 4490. 7/20 „694. -. „ 3162. —. —. „ 634. 1/20. — -.„ . - - - - - - - - „ 21. 7/8. —. 2/5. „ 21. 3/40 „ —. —. „ 21. 3/40 „ —. –. „ —. —. „ —. — „ 21. 3/40. —. - - - - - - - - - . „ 2006. —. „ 80. ¾. „ 1925. ¾. „ —. —. „ 1925. ¾. „ —. —. „ 1925. ¾. „ —. —. „ —. —. — - - - - - - - - - - - - - - „ 710. — „ 28. 1/5„ 681. 2/5„ 65. 1/3. „ 616. 2/15„ —. -. „ —. . - „ 616. 2/5. —. -. „ - - - - - - - - - - - - - - - -„ 824. ½. „ 33. 7/8 „ 790. 35/8 „ 66. ¼. „ 724. 3/8 „ 368. –. „ —. —. „ 344. 1/8„ 12. 3/8. - - - - - - - - - „ 59. ½. „ 2. 75. „ 57. 1/10 „ 17. 3/10 „ 40. –. „ —. – . „ —. —. „. —. –. „ 40. —. — . - - - - - - - „ 111. -. „ 4. 2/5„ 106. 2/5 „ 11. -. „ 95 2/5„ — —„. —. —„ —. —. „ 95. 2/5. — - - - - - - - - - - - „ 160. ½„ 6. 2/5„ 154. /10 „ 13. 3/10 „ 140. 1/5. „. —. –. „. —. –. „ —. —. „ 140. 1/5. — - - - - - - - - - - - - - „ 136. —. „ 5. 7/16 „ 130. 3/16 „ 13. 3/16 „ 117. 3/8 „. —. –. „ 117. 3/8„ —. –. „ —. —. — - - - - - - - - - - - „ 459. ¼. „ 18. 2/5. „ 440. 1/20 „ 100. ½. „ 340. 7/20 „. –. –. „ —. –. „ —. –. „ 340. 120. —. - - - - - - - - - - - - „ 42. –. „ 1. 3/5„ 40. /5 „ 13. 1/20 „ 27. ¼„. —. –. „ —. —. „ —. —. „ 27. ¼. . . . -. . . . - . - - - „ 80. —. „ 3. 1/5„ 76. 2/5 „ 17. ½ „ 50. 3/10. „. —. –. „ —. —. „ —. —„ 58. 3/40. — 3. —. „ 70 1/16. „ 19. ¼. „ 50. 3/16 „. —. –. „ —. —. „ —. —„ 50. 3/16. —. - - - - - - - - - - - - „ 73. 5/16. „ 24. 2/5. „ 594. 1/5. „ 82. 1/5. „ 512. –. „. —. . –. „ —. . .. „ —. — „ 512. —. —. - - - - - - - - - - - - „ 619. . -„ - - - - - - - 6: 1080 /16 pa/o 435 1/. p/s 14 7/6 p / 5 /. / 94 16 /„s 3 /4 / 205. / / 4 / / 6 /16 1 betaalde Drie Posten, Gevoegd bij de Particulier dras afbetaalde post met - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ 1783. ¾. de sommen te zaamen te bedragen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - „6988. 1/8. gebleeve quitantie N:o 72. te zaamen uijt - - - - - - - - - - - - - - - - pa/o 7333: ¾. februarij 1780. , zijnde - — presenten sequester Hasz:, blijven resteeren - - - - - - - - - - - - - Pa/o 2560 3/16 als boven den - - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ 9844 5/16. Anno 1786. Geldria Den 15:e September /: Lager:/ Accordeerd /: Geteekend:/ J:n obdam E: G: Clercq Den 18 e November 1790. Korte ƒ Den 18:e November 1790. korte Aanwijzing van het Geene uijt de ter Zijder vermeld staande Sequestratie Gelden, ver„ antwoord, en van het geene nog voortloopende is; Onder ult:o februarij 1780. hebben de hoofd sommen koo„ men te bedraagen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - pa/o 10870: 1/16. -. de 4. p:r C:o, voor den sequester - - - - - - - - - - - - - - - p a/o 435: 7/8. de vendu-salaris- en proces ondelden - . - - - - - - - - - „ 548. 3/8. 't zeedert, of tot ultimo febr: 1781. afbetaald - - - - - - „ 1783. ¾. De in die tijd ook afbetaalde dog versumde aftrek van de quitantie N:o 72. _ _ _ _ _ - - - - - - - - - - . . „ 344. 1/8. 't Zeedert November 1781. afbetaald, en ook parti„ culier uitstaande geworden - - - - - - - - - - - - - - - - „ 5205: 1/8. Welke afgetrokken van de gemelde Generaale Hoofdsom met - . - . „ 8318. 4. -. komt te blijken dat den ondergeteekende aan den pre„ senten Eerste Gezwoore Clercq van Politie en secretaris van Iustitie, in qualiteijt als sequester moet verantwoorden - . „ 2560: 5/16—. En wijl sijne te Colombo, hier van gedaane opgaaff- - Teld: . -. . „ 2823: 5/8. -. Zoo blijkt dat de invulling der sommas zoo wel als de„ tractien daar bij kwamlijk gedaan weezende, daar door bij die opgaav meede door hem abusief te veel als restantis opgere p/o 263: 7/16. —. Te Palliacatta in 't Casteel Geldria den 15:e September 1786. /:was geteekend:/ I: A: Bronsveld, /:onderstond:/ Accor„ deerd :/: geteekend:/ I:n obdam, E: G: Clerq: Ik ondergeteekende Iohannes Abraham Bronsveld; Secreta„ „ris van Iustitie en sequester der Insolvente Boedels te Nagapatnam bekenne bij deezen op mijn daar toe gedaan verzoeken Heeren wees meesteren Resolutie van den 5 Meij 1784. onder Haar Eerwaardens ver„ bonden te hebben de onder temeldene schuldposten, mij volgens overgelegde bewijs van diverse Competeende, en sulks voor- en in securteijt van mijn debet aan de weeskamer te Nagapatnam Groot Pag: 3000: herkomstig uijt een vonnis van den Raad van Justitie des Cormandelschen Gouvernements op den insolventen La B. Boedel La C:

NL-HaNA_1.04.02_3878_1207 view scan ↗

English

971 The 18th of November 1790. Estate of the deceased Junior Merchant and Chief of Bimilipatnam, J. T. Pfeijffer, dated the 19th of December 1780, consisting of the following: 5. Pieter Willem Tecke - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 246: 6: —. 6. The Company's interpreter Mandalam Wongadasalam Naijker - - - - 3375: 2: 50. 7. The Honorable Broerens Brouwer - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 234: 15: —. 8. The heirs of the deceased Chief Administrator, the Gentleman Philippus Jacobus Dormieux – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – 647: 18: 70. 9. The heirs of Lieutenant J. S. Koks – – – – – – – – – – – – – – – – – – 157: 8: 50. 10. The Honorable Johan Leonhard Beggle - – – – – – – – – – – – – – – 94: 6: 70. 12. The Court Messenger Arnoldus Revolus - - - - - - - - - - - - - - - - - 1445: 2: 16. 13. The Honorable Jacobus Wilhelmus Swart, both for himself and in the capacity of co-executor of the estate of the deceased Lieutenant-Engineer Samuel Gerard de Vrije - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 156: —: 50. 14. The Gentleman Martinus Poffenberg - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 109: 14: 10. 15. The Honorable Willem Hendrik Nuwer – – – – – – – – – – – – – – – 39: 7: 50. 16. The Gentleman Joan Daniel Simons - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 95: 18: —. 17. The Gentleman Paul Engelbert van Halm - - - - - - - - - - - - - - - - 335: —: 50. 18. The Armenian merchant Demetrius Stephanes, or the Moor Seyd Hebe Mira - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 70: 16: 40. 19. The Armenian merchant present here, Arreton Caraphet, or the Moor Mahamadoe Isoep – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – 63: 8: 20. 20. The Moor or native Seappa Poele - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 108: 20: 40. 21. The native Rengappa Poele - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 67: 3: 60. 3. The native Aija Tambie Moddelij - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 342: 7: 70. 11. Pieter Kouwen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 102: —: —. Account No. 1. The Honorable Johannes Schunneman - - - - - - - - - Rds. 165: 1: 66. 2. Jan Willem Luijken - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 280: 4: 70. 4. The Honorable Fredrik Luther - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 36: 17: 50. Total - - Rds. 8174: 14: 32. The validity of the statement of these debt items remains for my account, without the Gentlemen Orphan Masters being able to be held to any accountability in that regard, binding furthermore generally my person and property under obligation, as according to law. In testimony of the truth, I have, in the presence of the Gentlemen Commissioned Orphan Masters Johan Samuel Fredrik Schiffel and Johannes Herboine Delicot, as well as Their Reverences' Secretary, ratified this under the seal of this chamber with my customary signature. Batavia in the Orphan Chamber, the 15th of May, Anno 1784. Was signed: J. H. Bronsveld. In the margin stood: In our presence as Commissioned Orphan Masters, signed: J. S. F. Schiffel and J. H. de Licot. Lower: Agrees, signed: J. A. Bronsveld. Below stood: Agrees, signed: Jn. Obdam, First Sworn Clerk. Extract The 18th of November 1790. Letter D. Extract from an account of the former Negapatnam First Sworn Clerk of Police, Secretary of Justice, and Sequestrator Johannes Abraham Bronsveld concerning his past administration, addressed to the late Honorable Ruler Willem Blauskamer, dated the 15th of September 1786. That he also at that time personally handed over to His Honorable a separate statement of what he had outstanding under the date of the last of August 1781 regarding the lords' dues or 5 percent for the Honorable Company to the sum of pagodas 750, which originated from the drawn-up ship manifests, etc., since September 1780; of which papers, however, almost all remained unrequested, uncopied, and uncollected, so that said 5 percent had remained partly uncollected thereby and partly due to the troubles of the descent of Haidar Ali Khan Bahadur and the war that followed thereupon. While other ship manifests, etc., which had already been copied and signed by the Commissioned Members, as well as ratified with the seal of Justice and his, the undersigned's, signature, lay ready in the Council Chamber in his small chest of papers of that nature prepared daily, as well as sentences, appointments, copies, litigation papers, and the like, have been lost due to the occurrence related herein before at the beginning of this, concerning the breaking open and forcing of the Council Chamber, and the scattering and going missing of those papers. Below stood: Agrees, was signed: Jn. Obdam, First Sworn Clerk. And Letter C. Extract from a letter written by the Coromandel Government to that of Ceylon, dated the 18th of July 1786. We request Your Right Honorable to order Bookkeeper Bronsveld to come hither at the earliest opportunity in order to settle the affairs here, without the settlement of which we cannot permit him to quit the service of the Honorable Company nor to leave his appointed post, unless Your Right Honorable should see fit to answer for the debts of the said Bronsveld, both to the Orphan Chamber and the Diaconate, as well as for the sequestration funds that were under his administration, as the same would otherwise in the future become our responsibility. Below stood: Agrees, was signed: Jn. Obdam, First Sworn Clerk.

Dutch transcription

971 Den 18 November 1790. Boedel van den overleedene onderkoopman en Bimilipatnams op„ perhoofd I: T. Pfeijffer de dato 19=e december 1780. , bestaande in de volgende: 5. „ Pieter Willem Tecke - - - - -- „ 6. 'sComp:s tholk Mandalam wongadasalam Naijker - - - - „ 3375: 2: 50. „ 7. dE Broerens Brouwer - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ „ 8. de Erfgenaamen van den overleeden Hoofdadministrateur De heer Philippus Iacobus Dormieux – – – – – – – – - - - - „- 647: 18: 70. 9. De Erfgenaamen van den Lieutenant I: S: koks – – – – – – – – –. - „ 157: 8: 50. „ „ 10. d' E. Iohan Leonhard Beggle - – – – – – - - – - - - . . - „ 94: 6: 70. „ „ 12. den Geregtsboode Arnoldus Revolus - - - - - - - - -. . „ 1445: 2: 16. „ „ 13. dE Iacobus welhelmus swart soo voor sig selven als in qualiteijt van meede Executeur des boe„ dels van den overleeden Lieutenant Ingenieur „ 14. de Heer Martinus Poffenberg - - - - - - - - - - - - - - - - - . „ 109: 14: 10. 39: 7: 50. „ „ 16 De heer Ioan Daniel Simons - - - - - - - - - - - - - - - - - „ 95: 18: —. „ „ 1. 7. „ „ Paul Engelbert van Halm - - - - - - - - - - - - - 335: —. 50. ƒ Mira „ „ 18 den armeenisch koopman Demetrius Stephanes of den Moor seijde hebe „ 70. 16: 40. „ 19. den alhier present zijnde meede armeenisch koopman Arreton Caraphet, of den Alhoor Mahamadoe Isoep – – – – – – – - - - „ 63:: 8: 20: Samuel Gerard de vrije - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ 156: —: 50: „ „ 15. dE. willem Hendrik Nuwer - – – - - - - - - - - - - - - „ „ „ 20 den Mhoor of inlander seappa Poele - - - - - - - - - - - - - - „ 108: 20: 40. „ 3. den Inlander Aija Tambie Moddelij - - - - - - - - - - - „ 342: 7: 70: „ „ 11. „ Pieter Kouwen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ 102: —. — Reek: N: 1. DE Iohannes Schunneman - - - - - - - - - - - - - . . . R/: 165: 1: 66. — „ 2. „ Ian Willem Luijken - - - - - - - - - - - - - - - - - „ 280: 4. 70. -. „ 4. d'E. Fredrik Luther - - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ 36: 17: 50. _„o Rengappa poele - - - - - - - - - - 67: 3: 60. Zaamen - - Ro:s 8174: 14: 32. Blijvende deegtheid der opgave dier schuldposten voor mijn reekening, zonder dat heeren weesmeesteren daar omtrend in eenige verantwoording kunnen geraaken, verbindende voorts Generalijk mijn persoon en goederen onder verband, als na regten. —. In oirkonde der waarheijd heb is deeze ten overstaan van de heeren Gecommitteerde weesmeesteren Iohan Sa„ „muel Fredrik Schiffel en Iohannes Herboine Delicot, item Haar Eerwaardens secretaris onder het Zegul deeser kamer, met mijn gewoone handteekening bekragtigd. —. Batavia in de weeskamer den 15:e' Meij Anno 1784. /: Was Geteekend:/ I: H: Bronsveld, /: ter zeijde stond:/ Ten onsen overstaan als gecommitteerde wees„ meesteren /:geteekend:/ I. I. F: Schiffel, en I. H. de Licot, /: Lager:/ Accordeert, /: geteekend:/ I: A: Bronsveld, /:onderstond:/ accordeerd /:geteekend:/ I:n obdam E: Getrogk„ 234: 15: —. . - - - - „ 246: 6: —. Extract „ „ „ „ „ „ 21. „ Te „ Den 18 November 1790. La D. Extract uij een verantwoording van den geweezen Nagap:ms Eerste Geswoore Clercq van Politie secretaris van Iustitie en sequester Iohannes Abraham Brons„ veld nopens zijn gehad hebbende adminis„ tatie gericht aan wijlen den Agtb, heer Gezaghebber willem Blauskamer de dato 15:e 7ber: 1786— Dat hij teffens ook als toen selfs een aparte opgaaf van het geen hij onder ult:o aug:s 1781. aan 't heeren geregtigheijd of 5. percento voor DE. Comp:e ter somma van pa/o 750. voort loopende had, en uit de opgemaakte scheepen kennissen etc: 't zeedert Zeptember 1780; oor:s „sponkelijk, waaren /: van welke papieren egter meester alle ongevraagd onafgecopi„ eerd en onafgehaald leggen gebleeven zijnde, dies 5. percento, daar door gedeel„ telijk en door de trublen van Haider Alichan Bahdurs afkomst en de daar op gevolgden oorlog gedeeltelijk oningepalmd gebleeven waaren:/ aan Zijn E. Agtb: ter hand gesteld heeft. — Terwijl andere scheepen kennissen etc=a welke reeds gecopieerd en door de Gecommitteerde Leeden geteekend mitsgaders met het Cachet van de Jus„ tutie en sijn ondergeteekendes handteekening bekragtigd, ter Raadkamer in sijn kistje der dagelyks gereed raakende papieren van dien aard zoo wel als van vonnissen appoinctementen Copias proces papieren en wat dies meer zij klaar laagen, door het geval hier vooren in den aanvang deezes verhaald, /:weeg:s het op en forceeren van de Raadkamer, en het verstrooijd en vermits raaken dier papieren:/ te zoek geraakt zijn. /:onder„ stond:/ Accordeerd /:was geteekend:/ I:n obdam, E. F: Clercq. en Extract uijt Een brief door de Cor„ mandelsche Regeering aan die van Ceijlon geschreeven, in dato 18:e Julij 1796 Wij verzoeken uwel Ed: Swaot Agtb: den Boekhouder Bronsveld te gelasten om ten eersten herwaads overte koomen, ten eijnde „ affaires alhier afte doen, zonder welkers afdoening wij hem niet kunnen permitteeren den dienst der E. Maatschappije te quiteeren nog zijn bescheijdene plaats te verlaaten, ten waare uw ElEde Groot Agtb: gelieven goet te vinden, te repondeeren voor de schulden van hem Brons„ veld, zoo aan de weeskamer als Diaconie mitsgaders, voor de onder zijn administratee geweest zijnde sequestratie penningen, alzoo de zelve anderzints in vervolg voor onze verantwoording zoude koomen, /:on„ „derstond:/ accordeerd, /: was geteekend:/ I:n obdam, E: G: Clercq Zoo L. a C.

NL-HaNA_1.04.02_3878_1209 view scan ↗

English

973. The 18th of November 1790 Thus, after deliberation concerning what is found therein, namely that the matter was no secret to the assembly, but that on the 15th of September 1786, during the tenure of Mr. Blaaukamer, it was already demonstrated how matters stood with this administration of Bronsvelt, without security having been taken from him at that time, since the case, serving again on the 26th of September, was placed in the hands of commissioners who excused themselves from it on the 16th of December; and that Bronsvelt subsequently, on the 28th of August 1788, pursuant to the resolution of that date, was permitted to make a short trip to Ceylon, where he still remains without having accounted for anything in all that time until now. The 18th of November 1790. In conformity with the proposition of the Honorable Ruler, it is understood to record His Honor's declaration that the accountability for the missing sequestration funds to the sum of Pardoes 10878. 7/8 remains for the account of all those who at the time took no adequate security from Brontvelt and voted to let him depart for Ceylon, which must therefore be reimbursed by the ministry from the time of Messrs. Blaaukamer and Tadama, or such persons as constituted the meetings of the 26th of September and the 16th of December 1786, as well as that of the 28th of August 1788; unless, within a certain peremptory time, 975. The 18th of November 1790. payment or accounting be rendered by Brontvelt and his sureties. For which reason it is likewise approved to give notice today of this disposition to the ministers in Ceylon, and, on behalf of those who are held responsible, to request security upon his person and property, without prejudice to the right to challenge and take action regarding this defalcation; and to that end, to send a copy of the report with the attachments to Ceylon. An advice from the Diaconate concerning the reduction of its funds and objections against the disbursement of the monies monies which they must pay out to the needy, reading as follows: To the Honorable, Worshipful, Commanding Sir, Jacob Eilbracht, Senior Merchant and Ruler of this Coast of Coromandel and its dependencies, together with the Council. Honorable, Worshipful, and Commanding Sir and Sirs. With due respect, the Church Council of Coromandel makes known that due to the ever-increasing number of dependents and orphans, the Deacon Cashier is constantly placed in the most unpleasant circumstances through a lack of cash to make the necessary payments. That the Diaconate here, for lack of a sufficient fund, must absolutely fall into arrears, as the interest on the outstanding capital amounts to no more than Pagodas 386. 14. 4, and is thus insufficient to cover the expenses required for the necessary maintenance of the dependents and the orphanage. 977. The 18th of November 1790. That there is furthermore no revenue for the Diaconate other than the small amount collected during religious worship, which in a year comes to no more than a sum of Pagodas 130. 3. 52; the little that the Diaconate enjoys from the rental of cloaks and mourning lamps is likewise not worth mentioning, having yielded from the 1st of September 1789 to the ultimate of August 1790 a small sum of Pagodas 22. 11. 34. It also enjoys per month, for the distilling of indigenous spirits at Coupang, Pagodas 3. 1/4, or in a year Pagodas 45. 0. 0. Thus, these revenues, totaled under the ultimate of August 1790, have amounted to Pagodas 584. 5. 10. The expenditures, on the other hand, amount to Pagodas 618. 9. 71, which must necessarily increase, even if the interest on the invested capital were received on time. The embarrassment of the Church Council is further increased by the strong solicitations of the flag-watcher's mate, Domingo de Silva, who went blind at the flagpole, the precentor here, Fredrik Meijkamp, and others, to whom the Government, by its highly esteemed resolution of the 23rd of June 1788, was pleased to grant: to the second, namely Pagodas 1. 14. 32 per month for performing the office of precentor at Nagapatnam for 5 1/2 years, from the 1st of November 1782 to the 1st of April 1788, amounting to Pagodas 105. 14. 32, as the precentor Hendrik lenseling was incapacitated. To the first, or Domingo de Silva, the said Government saw fit, upon his lamentable request, to grant 30 Nagapatnam fanams or Pagodas 1. 1/4 and one parra of rice per month, to be paid out of the charitable donations collected at Batavia and Java and allocated to this Coast.

Dutch transcription

973. Den 18. November 1790 Zoo is nae deliberatie over het geen daar bij gen, wat daar bijblijft — word gevonden namelijk dat de zaak voorde vergadering geen verborgenhied heeft uitgemaakt maar dat daer van op den 15. Sep„ ie tember 1786. ten tijde van de Heer Blaaukamer beneets is vertoond hoe het geleegen was met ƒ „ ƒ deeze Bronsvelts administratie, zonder dat men toen zeekerheit van hem heeft genomen nasemael de zaek op den 26. 7ber: andermael diensende, is gesteld in handen van Gecommitteerden die zich daer van den 16. 7ber: daar aan g'excuseert hebben, en dat Brons„ velt vervolgens den 28. Augustus 1788 vol„ gens besluijt van dien datum gepermitteert is geworden een springtogtje na Ceilon te doen alwaar hij noch is zonder in al die tijd tot nu vlingelandt Den 18. November 1790. queerende voor zeek van de voorge degerentg gelaaten geschiedij de verantwrding van t man, nu iets te hebben verantwoord, Conform te propositie ^Gezaghebber van den E: E: Agtb: Heer„ verstaen aanbeteeke„ nen zijn Agtb:s verklaering dat de verant„ woording der ontbreekende sequestracie pen„ ningen ter somme van Pr/o 10878. 7/8. blijft voor reekening van allen den geenen die van Brontvelt op zijn tijd, geen toeweikende zee„ kerheit genomen en gestemt hebben om hem na Ceilon te laeten vertrekken het welk dus ver„ goed moet worden door het Ministerium ten tijden van de Heeren Blaaukamer en Ta„ dame ofte zodanige als de vergaderingen van 26. september en 16. December 1786. item die van 28: Augustus 1788 hebben uitge„ soo gentijdge verantwooring maekt, ten waere, binnen zeekere peremptoire tijd 975. Den 18. November 1790. te schrijvenege „raad weeg=s de ciaconij fondsen„ tijdt betaeling of verantwoording geschieden door Brontvelt en zijne borgen alwaerom tevens is goedgevonden om heeden van deeze wat den weegen na kolombe dispositie kennis te geeven aan de Mi„ nisters te ceilon, en ten behoeve van den geen welke respontabel worden gehouden te verzoeken zeekerheit van zijn persoon en goederen, onvermindert het recht van wegens deeze de fraucatie Calengeabel en actionabel te zijn, en ten dien fine Copia van het bericht met de bijlaegen, naer Ceilon te zenden Deen Adves van de Diaconij orantor, diends Aattres vande kenken„ nende de vermindering van haare Fond„ - sen en bezaar tegen het goedmaken der penningen ine penningen die zij moeten uitkeeren aan be„ hoeftigen luidende als volgt. Aan den wel Edele Agtb: Gebiedende heer Jacob Eilbracht opperkoopman en Gezaghebber deezer Custe Cormandel met den resorte van dien Neevens Den Raad. — Wel Edele Agtbaare en Gebiedende Heer en Heeren. heeft met gepaste Eerbied te kennen den Chor„ mandels en kerkenraad, dat door het steeds toe„ neemend getal der gealimenteerdens en der wees kinderen den Diacon Castier geduurig in de aller onaangenaamste omstandigheeden gesteld. word door gebrek aan Contanten om de noodzakelijke uitkeeringen te doen. — Dat de Diaconij alhier door gebrek aan een toerijkend fonds absolut moet te agter uitgaan alzoo de intres„ sen van het uitstaande Capitaal niet meer bedra„ gen dan Pag: 386. 14. 4. en dus niet toerijkende tot het goedmaaken der ongelden, die men tot het noodig onderhoud der gealimenteerdens en het weeshuijs benodigt is.— Den Insentie. — 977. November 179 Den 18. Dal er verders geen touxe voor de Diaconie is den het gewinge dat onder de Gods dienst gecollecteerd word dat in eene Jaar niet meer komt te be„ draegen dan een somma van Pag: 130: 3. 52. het weijnige dat de Diaconij weegens het verhuuren van Mantels, en lamphurs W=m geniet is meede niet noemens waardig het heeft van 1. 7ber: 1789. tot ult:o augustus 1790, gerendeerd een sommetje van Popo 22. 11. 34.— Nog geniet ze 'smaands voor het stooken van inlandse dranken op de Coupang pa/o 3. ¼. of in't Jaar pa/o 45. —. —. Dus deese inkomsten alle te zamen getrekken on„ der ultimo Aug=s 1790. bedraagen hebben pr/o. 584. 5. 10. De uijtgaaven daar en teegen monteeren buijten de nelij p7o618. 9. 71. was de noodwendig moet veragte„ nen al was het, dat de intressen van de uijtgezette Capitaal en op zijn tijd inkwaamen. De verleegentheijd der kerkenraad word nog ver„ meerder door de sterke sollicidatien van den op de vlaggestok blind geworden vlaggewagters maat Domingo de Silva den voorlezer alhier Fredrik Meijkamp en andere aan welke het de Regeering bij hoogst desselvs g'eerd besluijt van den 23. Iuni 1788. behaagd heeft toe te leggen aan den tweeden namelijk p/o1. 14. 32. Smaands in Iegens het waarneemen van het voorleezers ampt te Nagapatnam geduu„ rende 5½ Jaaren van primo 9ber: 1782. tot p=mo April 1788. p 7o. 105. 14. 32. alzoo den voorleezen Hendrik len„ seling innocent was Den eersten of Domingo de Silva vond gem: Regee„ ving goed op zijn lamentabel verzoek toe te leggen 30. Naegap=le Jan:s off p7o1. ¼. en een parra Rijst des maands te voldoen uit de op Batavia en Iava ge„ collecteerde en deeze kust toegedeelde liefde giften Dan „

NL-HaNA_1.04.02_3878_1214 view scan ↗

English

The 18th. November 1790. However, since these funds have not yet been received from Ceylon and the Diaconate here is itself in such straitened circumstances, it has been forced to postpone this distribution until such time as it might be enabled to do so through the receipt of those funds. The church council, seeing itself placed in the most pressing circumstances due to the increasing number of widows and orphans, as well as the low income, turns with all submission to Your Honorable Worships with a humble petition that it may please Your Honorable Worships to request the esteemed Ceylon Government to send hither the remainder of the charitable gifts collected at Batavia and Java and allocated to this coast, in order that the church council may be enabled to comply with the aforementioned resolution. As well as that there may be paid out to the diaconate the sixth part of the gratification still outstanding with the Honorable Company belonging to it according to the testament of the senior merchant Dirk Vrijmoet, who passed away at Bimilipatnam in the year 1787, or else that an obligation may be granted to it at the expense of the Honorable Company, at the usual interest of ¾ percent per month. Furthermore, the church council most respectfully insists that, just as the right to distill and sell indigenous drinks at the Coupang was granted to the Diaconate a very long time ago, it may also be benefited with the exclusive right to sell drinks here in so far as this is compatible with the Company's privileges, in order to be relieved to some extent in the heavy expenditures which it is obliged to make for the maintenance of the poor. The church council finds itself obliged, for elucidation in this matter, respectfully to note that this privilege has been granted to the burgher David Theodorus and his deceased father for 50 years, and that no difficulties have occurred with the Dewan in that regard. However, the Nabob, in a letter to the former governor, the Honorable Mr. Sadama, complained about the sale of drinks, stating that drinks were sold in several places contrary to custom to the detriment of the farmer of the Sarkar; the Havildar has also complained about this, whereupon, after investigation, the sale was prohibited to various residents subject to the Company, with the exception of the aforementioned David Theodorus, who was always permitted this by the Dewan provided that he sells to no other people than those who wear hats. However, since others besides him still engage in the sale of drinks and he therefore does not enjoy this alone, he has addressed the church council with the request that, just as the distillers and sellers of indigenous drinks at the Coupang pay a certain monthly sum to the Diaconate, he would also gladly pay something, provided he also has the exclusive right, and that proper proof thereof might be granted to him. And as this is an affair entirely beyond the scope of the church council, it turns to Your Honorable Worships with a humble prayer that it may please Your Honorable Worships to take such a favorable decision regarding this last matter and the previous petitions as shall be found to be proper for the benefit and advantage of the Diaconate here. Was signed below: Honorable Worshipful Commanding Lord and Gentlemen, Your Honorable Worships' humble servants. Was signed: B. Brouwer, J. S. Cantervisscher, J. W. Luijkens, C. J. Bloem. In the margin: Pulicat, the 15th of November 1790. After consideration, it is resolved to suspend the decision on the main matter until a decision can simultaneously be made on an already received but not yet presented report on the state of the Diaconate in general, as having a connection to matters concerning the orphanage chamber, in order to be dealt with after the presentation of the report to be expected in that regard; but meanwhile to address the Ministry at Ceylon further for the remittance of the funds collected at Batavia and elsewhere in the east of the Indies for the needy, or rather those who fell into poverty after the war that arose in 1780, and that in kind according to the order in place for that purpose from the Supreme Government of the Indies, to whom at that time an earnest request will also be made for an effective maintenance thereof, and a further sufficient order for the settlement of affairs and accounting of the funds still belonging to this Government, if Their High Mightinesses deem it equitable, with the interest thereon, in order to prevent the Diaconate fund and the respective claimants from suffering any damage. There were also read three reports produced by the Governor concerning the clerks who are stationed at the respective writing offices, their competence and necessity, all in compliance with what was required at the resolutory session of 28 September last concerning the esteemed orders of the Supreme Government of the Indies regarding the greatest possible reduction of expenses here on the coast, following here below word for word. To the Honorable Worshipful Mr. Nicolaas Sadama, Senior Merchant and Outgoing, and Jacob Eilbracht, Senior Merchant and Incoming Governor of this Coast of Coromandel, with the Dependency thereof, together with The Council. Honorable Worshipful Gentlemen and Sirs! Pursuant to Your Honorable Worships' esteemed order

Dutch transcription

Den 18. November 1790. Dan daar deeze penningen tot nog toe van Ceijlon niet zijn ontvangen ende Diaconij alhier zelv in zulke bekrompene omstandigheeden, verseerd is te verpligt geweest deeze uitdeeling te postponeeren tot tijd en wijle zij daar toe in staat mogt werden gesteld door den ont„ vang van die penningen. — De kerkenraad door het toeneemd getal der weduwen en weeskinderen, mitsgaders de geringe inkomsten dus zig in de dringenste omstandigheeden geplaats ziende, wend zig met alle onderdanigheijd tot uwel Edele Agtb: met needrige instantie dat het uwelEd: Agtb: mogt behaagen de g'eerde Ceijlonse Re„ geeving te verzoeken de resteerende der op Batavia en Java gecollecteerde en deeze kust toegedeelde liefde giften herwaarts over te schikken ten eijnde de kerkenraad in staat mag werden gesteld om „meld aan het besluit voor en te kunnen voldoen. — Mitsgaders dat aan de diaconie mag werden uit„ gekeerd het sesde gedeelte van het bijde E: Comp=e nog te voorenstaande Douceur van het op Bimilip: in den Jaare 1787. overleeden opperhoofd Dirk vrij„ moet haar volgens Testament competeerende dan wel dat aan haar mag werden verleend een obligatie ten laste van D' E Comp: teegen, den gewoonen intrest van ¾. p:r C:o maandt Wijders insteend den kerkenraad op het eerbiedigst dat gelijk aan de Diaconij het regt tot branden en verkooper der inlandse dranken op de Coupang zeedert zeer lange tijden is afgestaan dezelve meede mag werden gebeneficeerd met het uitsluijtend regt om dranken alhier te verkoopen in zoo verre dit met sComp:s Privelegien bestaanbaar is om eenig zinste worden gesoislageerd in de swaare uitgaaven welke zij tot onderhoudder Armen verpligt is te doen. — Den kerkenraad vind zig verpligt tot elucidatie in deezen revorentelijk te noteeren, dat aan den burger David Theodo„ rus, en zijn overleeden vader zeedert 50. Jaaren dit voor regt is toegestaan, en daaromtrent geene moeijlijkheeden met de daan zijn voorgevallen, engter heeft den Nabab zig bij een brief aan den gewesen gezaghebber de wel Ed: Agtb: / Heer Iadama over het verkoopen der dranken beklaagd dat en teegen de gewoon„ tens op verscheijdene plaatsen drank verkogt wierd tot schaade van den Pagter der Serkar: ook heeft den Nawildhaar hier overmeede gedoleerd, waarop na onder zoek aan diverse onder 979. November 1790. Den 18. de Maatschappij sorteerende inwoonders den verkoop is geinter„ diceerd, met uitzondering van den voorwaarts gem: David Theodorus die dit altoos is toegestaan van den Duan mits hij aan geen andere menschen verhoopt, dan die hoeden dragen, Dan dewijl er zig buiten hem nog anderen met den verkoop der dranken ophouden en hij dus alleen daar van niet Jouis„ seerd zoo heeft hij zig bij den kerkenraad geaddresseerd, met ver„ zoe, dat gelijk de sookers, en verkoopers van inlandse Dranken op de Coupang Smaandelijks eene zeekere somma aan de Dirco„ nie betaalen, hij gaarne ook iets wilde betaalen, mits meede „het uitsluitend regt hebbende, mitsgaders dat hem daar van een behoorlijk bewijs mogte werden verleend. — En alzoo dit een affaire is gansch buiten bereijk van den ker„ kenraad, zoo wend zij zig tot uwel Edele Agtb: met ootmoedige beede dat uwel Ed: Agtaare mag behaagen omtrend dit laatste en de voorige instantien zulk een favorabel besluit te neemen als ten wutte en voordeele van de Diaconie alhier bevinden zullen te behooren /:onderstond:/ wel Edele Agtbaare Gebiedende Heer en Heeren uwel Ed: Agtbaare onderdanige Dienaar„ /:was geteekend:/ B: Brouwer J: S: Cantervisscher J: W: luij„ kene C: I: Bloeme /:in margine:/ Palliacatta den 15:' No„ vember 1790. — Is na overweeging verstaen de dispositie ten princi, despositie en of uijtgesteld in paalen gesurcheert te laeten, tot dat tevens kan worden gedisponeert over een reets ingekomen „ doch noch niet overgelegt bericht van den staat den ƒ Diaconij in het algemeen, als connexie hebbende tot zaeken raekende de weeskamer, om na het exhibeeren van het derwegen te verwachten bericht, adregas te worden afgehandelt; edoch tane vorde gistgesodene colteele in t de en hoedanig Den 18 intusschen zich nader te addresseeren aan het Ministeruim te Ceilon om nemisie van op de op Batavia en elders om de oost van Indie ge„ collecteerde penningen voor behoeftigen, of zul„ ken eigenlijk als na de ontstaene oorlog in 17011, in armoede zijn vervallen, en dat in na„ tura na de daer toe leggende ordre van de Edele Maron an :Eests huijn Hooge Indtische Regeering, aan wien in den tijd tevens eerbiedig verzoek zal worden gedaen om eene Krachtdadige maintenu van dien, en een nader toe reikend bevel ter doening van zaeken en verantwoording der dit Gouver„ nement noch Competeerende penningen zoo Hun Hoog Edelheeden het billijk oor„ deelen met de intressen van dien ten einde de November 1790. — Diaconij 981. Nocember 1790. e Den 18 Diaconij Bassa en de Competenten respective geen schade te doen lijden- Noch zijnde geloek en drie door den Heer Geroenomen ben Hernekens zachhebber geproduceerde berichten van de pennisten welke op de respective schrijf kan„ looven zijn bescheiden de kundigheid en beno„ digtheit van dezelve, alles in voldoening aan het gerequireerde bij de resolutoire besoigne van den 28: 7ber: J:l: over de geeerde ordres van de Edele ^ noopens een zoo veel Hooge Indische Regeering mogelijke verminde„ ving van omslag hier ter kuste van woord totwoord hier onder volgende. — Aan de wel Edele Agtbaare Heer Nicolaas Sadama opperkoopman en Afgaande en Jacob Bilbracht opperkoopman en Aankoomende Gezag„ hebben deezen custe cormandel, met den Resorte van dien Neevens Den Raad Wel Edele Agtbaare Heeren en Meeren! Ingevolge uwel Ed: Agtb: en Edelens G'eerde Insentie last

NL-HaNA_1.04.02_3878_1218 view scan ↗

English

The 18th. November 1790. Honored order contained in the Extract of the Coromandel Resolution dated 28 September last having, the undersigned, the Secretary of Police and first sworn Clerk at the Secretariat here, have the honor to submit a report concerning the number of clerks serving at their Office, the necessity, competence and skill of the same, as well as the work that must be performed with them, and in what manner such differs between former and present times. Sworn Clerks Sworn Clerks on duty - - - - - - - of these 1. Abraham Dormieux of Nagapatnam bookkeeper 30 this one is also translator and must perform the secretarial secret work for the Honorable Lord Governor With Hendrik Richard of Nagapatnam bookkeeper ƒ 30. 2. as above, most urgently needed. — The Number of clerks on duty Namely. 1. Hendrik Prins - - - - of Sadraspatnam assistant - - - ƒ 24: 1. Jan Jacob van Oudersterp of Nagapatnam do - - 24. 1. Jan Rousseau - - - - - - - of Bimilipatnam do - -. . 24. 1. Jans Carel Warner - - - - of Nagapatnam do - - - 24: 1. Willem Pietersz of do do — - - 24. 1. Paulus Godefriedus Hart of do do . . 20. 1. Arnoldus Hendrik Gregoor of do do — - 16. 1. Daniel Hendrik Cantervisscher of Bengal do - - 16. 8 clerks as above 8 clerks on duty - - - - - - - - - - - 8. —:— These are most urgently needed for the performance of the following work, which must strictly always be done, and of which now one, then the other is interrupted by illness so that his pending set remains lying unfinished, as is now the case with the assistant Van Oudersterp, who since March has been unable to perform anything and is still so ill. — 10. clerks - - Necessity of the same - - - - - - - 8. 2. —. 1786. of the of the either of more less Honorable with Competent 2. - 2. —. —. Gentlemen Gentlemen ld ƒ -: - - 983. The 18th November 1790. 8 clerks currently on duty, of which 3. Good, and one can say nimble scribes, who can be entrusted with the copying of original letters and important papers, of original letters and important papers, also copies of Resolutions for the Gentlemen Majors and their High Mightinesses. — 4. Who are willing, but do not possess that neatness and fluency in their handwriting which is required for the above-mentioned duties. — 1. Being an elderly man, very slow with the pen and in addition visually impaired, so that he cannot accomplish much, nor can much be demanded of him. And to speak of competence, we are obliged to our sorrow to say regarding all in general that none of them is qualified to such an extent as to be able to put anything on paper on their own, or regarding more than what is to be expected of a single youth. — 8 clerks as above. — Competence and skill of the present ones The work that must be performed with the above-mentioned clerks consists of the following, namely: 6 sets of Resolutions; Namely 4 for Europe 1 do Batavia and 1 original 11 sets of European and Batavian letters; of which 2 do original and Duplicate 4 do copies of Batavian letters for Europe 4 do do for the Outer quarters, and 1 do for registers at the secretariat Furthermore, original letters to the 5 Factories, copies of the same, and of those incoming, also of those from the outer quarters, and the deed book to Batavia. For all the foregoing, the first undersigned has with him, for drafting, specifically one of the said eight clerks, besides which, in cases of uncommon haste, yet another is pressed into service for this. Consequently, this drafter can perform nothing else at the secretariat than merely the preparation of one set of original resolutions: Furthermore, there must also be prepared copies of various papers served in the assembly, both for more of the less The 18th November 1790. for Batavia, as well as if needed here and for the outer Offices, also Extracts from the Resolutions and letters for Administrators as otherwise, all duties only too well known to your Honorable Worships and Honors that must be dispatched at the secretariat, for us to make any extension regarding them. — Difference of the work now compared to former times In former times and also at the beginning of the Relocation of the places, when it pleased Your Honors to make the aforementioned determination of 8 clerks, one only had to prepare: — Resolutions for Europe - - -- sets 2. —. Presently - - do 4. —. Thus more sets are 2. Copies of Batavian letters for Europe sets - - . 2. —. Presently - - - - - - - do 4. —. Already more sets 2. To say nothing of European original letters, since those ordinary days are not voluminous. — What increase in business the additional writing of 2 sets of Resolutions and 2 sets of Batavian letters creates is too easily understood by Your Honorable Worships and Honors, who are all too aware of the volume of this work, for the humble signers to make any elaboration thereupon. — Hoping herewith to have fulfilled Your Honorable Worships' and Honors' esteemed mandate, we take the liberty, with deep veneration, to call ourselves beneath was written: Right Honorable Worshipful Gentlemen and Gentlemen, your Honorable Worships' humble and obedient Servants. was signed: I: I: Hasz: and Jan Obdam. in the margin: Palliacatta The 6th October 1790. — To The Right Honorable Worshipful Gentlemen, Nicolaas Jacob Eilbracht, Elected Ruling Governor of the Coromandel Government with the Jurisdiction thereof, together with the Worshipful Council. — Worshipful Gentlemen and Honorable Gentlemen. to Your Honorable Worships' Highly Respected Conclusion

Dutch transcription

Den 18. November 1790. G'eerde last vervat bij Extract Cormandelse Resolutie de dato 28. September Jongstleeden hebbende ondergeteekenden den secretaris van Politie en eerste geswooren Clerk ter secreta„ rije alhier de eere te dienen van berigt nopens het getal der op hun Comptoir dienst doende kribenten, de benodigdheijd Bequaamheijd en kundigheijd van dezelve mitsgaders van't werk dat met dezelve moet verrigt werden en waarin dat zulk al verschild, met vroegere en de tee„ genwoordige tijden. Geswooren Clercquen Geswooren Clercquen dienst doende - - - - - - - van deese 1. Abraham Dormieur van Nagap=m boekhouder 30 deeze is teffens translateur en moet verrigten het geheijme schrijfwerk bij den agtb: Heer Gezaghebber Bij Hendrik Richard van Nagap=m boekh:r ƒ 30. 2. als vooren, ten hoogsten benoodigt. — Het Getal der dienst doende scribenten Namentlijk. 1. Hendrik Prins - - - - van Sadrasp:m adsistend - - - ƒ 24: 1. Jan Jacob van oudersterp „ Nagap=m _:o - - „ 24. 1. Jan Rousseau - - - - - - - „ Bimilip=n _:o - -. . „ 24. 1. Jans Carel warner - - - - „ Nagap=m _:o - - - „ 24: 7. willem Pietersz „ _:o _:o — - - „ 24. _:o . . „ 20. 1. Paulus Godefriedus hart „ — _:o _:o _:o — - „16. 1. Arnoldus Hendrik gregoor„ 1. Daniel Hendrik Cantervisscher„ Bengalen _:o - - „16. ni 8 scribenten als boven 8. Icribenten dienst doende - - - - - - - - - - - 8. —:— Benoodige deeze ten hoogsten tot verrigting van het ondervolgende werk dat bepaald saltoos gedaan moet werden, en waar van nu den een dam den ander door ziekte afbreekt zoo dat zijn onderhand hebbende stel leggen blijft, als nu het geval is, met den adsistent van oudersterp die 't zedert Maart niets heeft kunnen ver„ rigten en nog zodanig begt. — 10. scribenten - - Benodigdheijd der zelve - - - - - - - _ _ _ . 8. 2. —. 1786. der der sive van meer„ min„ Ed: mit„ Bequaem 2. - 2. —. —. H: H: ld ƒ -: - - 983. Den 18. November 1790. 8. scribenten thans dienst doende daar van 3. Goede en kan men zilver zegge flugge schrijvers die aanbe„ trouwd kunnen worden het Copieeren van origineele brie„ ven en aangeleegene papieren van origineele brieven en aangeleegene papieren Jtem Copia Resolutien voor de heeren Maijoret en hun Hoog Edelens. — 4. Die welgewillig zijn maar niet die net en vaardig heijd in hun schrift hebben, welk tot bovenstaande verrigting vereijscht werd. — 1. zijnde Een bejaard man zeer langzaam ter pen en daar bij gebrekkig van gezegt zoo dat hij al niet veel Man verrichten nog van hem kan gevorderd worden En om van kundigheijd te spreeken zijn wij tot ons tee weesen verpligt omtrend alle in 't Generaal te zeggen dat niemand van hun die in zoo verre bezet om iets op hun zelve te kunnen ten papiere bren„ gen of omtrend meer, als een enkelde Jongeling zulx„ verwagten is. — 8. cribenten als vooren. — Bequaem en kundigheijd van de presente Het werk dat met bovenstaende scribenten moet moet verricht werden bestaat hier in, als. 6. stellen Resolutien; Namentlijk 4. voor Europa 1. d:o Batavia en origineele 11. Htelden Europase en Bataviase brieven; waar van 2. d:o origineel en Duplicaat 4. d:o Copia Bataviase voor Europa 4. d:o _:o voor de Buijten quartieren, en 1. d:o voor slapers ten secretarije Voorts origineele brieven nade 5' Factorijen copias derzelve, en van de aankoomende, Jtem van die vande buijtenquartieren, en 't acte boek na Batavia Tot al het voorenstaande, heeft den eerst ondergetee„ kende bij zig, ter minuteering, van gemelde agt scri„ benten bepaaldelijk een buijten dat bij ongemeene haast nog een andere daar toe geprest werd. kunnende deeze minuteerder derhalven niet anders verrichten op 't be„ cretarije dan enkel het vervairdigen van een stel ori„ gineele resolutien: Wijders moet ook vervaardigt werden, Copia van verscheijdene in vergadering gediende papieren zoo voor meer der min„ Den 18. November 1790. voor Batavia, als des benodigd werdende hier en voor de buijten Comptoiren Jtem Extracten uijt de Resolutien en brieven voor Administrateurs als anderzints alle verrich„ lingen uwel Edel Agtb: en Edelens te overbekend, dat die op secretarije moeten afgedaan werden, dat wij des weegens eenige Ertentie zoude doen. — Verschil van het werk nu bij vroegere teijden In vroegere teijden en ook in't begin vande Verstelling der plaatzen toen het U: U: Ed: behaagde voorschreeven bepaaling van 8. scribenten te maaken had men maar te vervairdigen. — Resolutien voor Europa- Thans - - - -- stellen 2. —. d:o 4. —. Dus meerder stellen zin Copia Bataviase brieven voor Europa stellen - - . 2. —. - -„ 4. —. Alvreede meerder stellen 2. Europase origineele brieven van gesweegen, wijl die dag ordinair niet omslagtig zijn. — Welke meerdering van beezigheijd, het meerder schrijven van 2. stellen Resolutien, en 2: stellen bataviase brieven geeft, is te ligt bij uwel Ed: agtb: en Edelens die de omslag„ tigheijd van dit werk maar al te zeer bewust zijn, te Comprehendeeren, dat den nedrige teekenaars des weegens dan eene uijtweijding zoude doen. — Verhoopende hier meede aan uwel Ed: Agtb: Edelens g'eerde mandaat voldaan te hebben, neeme wijde vrij„ heijd, met diepe veneratie ons te noemen /:onderstond:/ wel Edele Agtb: Heeren en Heeren uwel Ed: Agtb: onderdanige en gehoorzame Dienaaren. /:was ge„ teekend:/ I: I: Hasz: en J:n Obdam. /:in margine:/ Palliacatta Den 6. october 1790. — Thans - - - - - - - Aan Den wel Edele Agtb: Heeren Sadama Regeerend, Nicolaas en Jacob Eilbracht G Eligeerd Gezaghebber van het Cormandels Gouvernement met den Resorte van dien; nevens, Agtbaaren Raad. — Heeren en welEde„ WelEdele Agtbaare le Heeren. m aan uwel Edele Agtb: Hoog Gerespecteerde Besluijt — - ende

NL-HaNA_1.04.02_3878_1221 view scan ↗

English

985. November 1790. The 18th. to comply with the resolution of 28 September last, I have the honor hereby to serve with respectful report: That at the Trade Office here, according to the regulation made and the subsequent approval of Their High Nobilities the Noble High Indies Government at Batavia by esteemed missive of 28 April 1786, ten clerks are appointed, among whom one as recalculator, who at present, contrary to the memorandum of retrenchment, is equal to me in all respects. As far as the necessity of the same is concerned, not one of them can be spared, because most are as yet only learners who do not yet have speed or dexterity with the pen to finish the work with the required dispatch, and regarding their competence and knowledge, I can thus also say no other than that they are trainees who do not yet have experience and understanding of the trade business. The aforementioned 10 clerks properly consist of the following: Christiaan Theodorus Bloeme from Nagapatnam, bookkeeper Anthonij Jean van Veen from Nagapatnam, bookkeeper Willem Robbertus Prins from Sadraspatnam, bookkeeper Jan Campie from Nagapatnam, assistant Dirk Collet from Paliacatta, assistant Gerrit Willem Cantervisscher from Nagapatnam, assistant Willem Andreas Saalfelt from Nagapatnam, assistant Johannes van Holt from Jaggernaatpatnam, assistant Simon Christiaan Saalfelt from Negapatnam, assistant Jan George Dossijn from Paliacatta, assistant Comparing the work in former times with the present, it differs very much, because now that commerce is again making progress, the work will naturally increase, for which several reasons I cannot possibly spare one of the aforementioned ten clerks currently serving, without exposing the work to delay. In the confidence of having herewith complied with the esteemed intention of Your Honorable Worships, I have the honor to be with all veneration, at the bottom stood: Honorable Worshipful Gentlemen and Honorable Gentlemen, Your Honorable Worships' humble and obedient servants, was signed: W: Pietersz: trade transferrer, in the margin: Paliacatta, 6 October 1790. To the Honorable Worshipful Gentlemen Sadama Ruling Nicolaas Jacob Eilbracht, appointed Governor of the Coromandel Government with the resort thereof, together with the Council. Honorable Worshipful Commanding Gentlemen, Honorable Gentlemen. Pursuant to Your Honorable Worships' minuted resolution of 28 September containing the order to serve with a report regarding the number of clerks serving at the Pay Office, the necessity, competence, knowledge, and what work is performed by them, together with wherein the work differs from earlier and present times; the humble undersigned has the honor to report that the number of scribes at the Pay Office was set by the Honorable Grand Worshipful Gentleman Falck and Van de Graaf in their venerated missive to Their 987. November 1790. The 18th. High Nobilities dated 19 March 1784 at the following number: 1 transferrer 2 clerks with the money for 2 trainees 2 ordinary commissioners and packers 1 writer in the warehouse And by Coromandel Council resolution of 11 October 1785, the arrangement of this Office was thus determined, namely: 1 transferrer 4 permanent clerks, together with another 2 clerks for attending to various daily commissions, because those who are permanently stationed at the offices always find enough work there, and the commissions generally occur in the busiest or shipping time. Which Their High Nobilities were pleased to approve, as appears from their missive of 28 April 1786. Thus the number of clerks should consist of 6 persons and 1 transferrer, of whom only 5 are present, namely: 1. Simon Jacob Weijman from Jaggernaatpatnam, bookkeeper of f 30. 1. Johannes de Jong from Jaffnapatnam, bookkeeper of f 30. 1. Pieter Hart from Nagapatnam, assistant of f 24. 1. Jacobus Josephsz: from Nagapatnam, assistant of f 24. Since the transferrer departed for Colombo over two years ago now, this duty is performed by an assistant, Jacobus Josephsz: One of the clerks, being Theodorus Reijnier Cantervisscher, is at Nagapatnam. Of the two clerks who were to be stationed here for attending to commissions, only one is present, being Abraham Swart from Jaffanapatnam, bookkeeper of f 30, and whom the undersigned is obliged from time to time to surrender along with one of the scribes to attend to the commissions; thus at that office, according to the plan, there would be lacking: 1 transferrer, and 1 assistant. The necessity of the same will appear to Your Honorable Worships from the work that must be performed by these four, since the one projected for the commissions completes little work. Wages

Dutch transcription

985. November 1790. Den 18. „besluijt van den 28. September Jongstleeden te vordoen, heb ik de Eere bij deesen van eerbiedig be„ rigt te dienen. Dat op het Negotie Comptoir alhier, volgens de gemaakte bepaaling, en de daar op gevolgde ap„ probatie van Haar Hoog Edelheedens de Edele Hooge Jndiasche Regeering te Batavia bij g'eerde hwissive van den 28. April 1786. Thien pennisten bescheijden zijn, waar onder een als Nareekenaar die thans tegen de memorie van menagie in alles met mijgelijkstandig is. — wat de benoedigdheijd der selve aanbelangd, kan „geene van die gemist werden, voor de om dat de meeste nog maar leerlingen zijn, die nog geen vlug, nog vaardigheijd in depen hebben, om het werk met vereijschte spoed aftemaaken, en om„ trend hun bequaam en kundigheijd, kan ik dus ook niet anders zeggen, als dat zij aanque„ kelingen zijn die nog geen ondervinding en be„ grip van 't Negotie werk hebben. — De voorschreeve 10. pennisten bestaan eij„ genlijk in de volgende. — Christiaan Theodorus Bloeme v=n Nagap: boekhouder Anthonij Jean van veen - - - „ _:o _:o willem Robbertus Prins - - - „ Sadrasp: _:o Jan Campie - - - - - - - „ Nagap: Adsistent Dirk Collet - - - - - - „ Pall: _:o Gerrit willem Cantervisscher - „ Nag: _:o willem Andreas Saalfelt - - - „ _:o _:o „ Iagg: _:o Iohannes van Holt - Simon Christiaan Saalfelt - - - - - „ Neiq: _:o Jan George Dossijn - - - - - „ Pall: _:o Het werk in vroegere teijden met de tegen„ woordige vergeleijkende, scheeld zeer veel doordien thans de Commercie weeder voort gang neemende het werk natuurlijk ver„ meerderd ovember 1790. Den 18. E meerderen zal, om welke een en andere reedenen ik van de voorschreeven thans dienst doende thien pennisten, zonder het werk aan verkraaging te Er„ poneeren, onmogelijk een misschen kan. Jn vertrouwen dat hier meede aan de g'eerde Jn„ tentie van uwelEd: Agtb: te hebben voldaan, geeve ik mij de eene met alle veneratie te zijn. zonder„ stond:/ wel Edele Agtbaare Heeren en wel Ed: Heeren uwel Ed: Agtb: onderdanige en gehoorsaame dienaaren /:was geteekend:/ w: Pietersz: neg: overdr: /:in margine:/ Palliacatta Den 6. october 1790. — Aan de Wel Edele Agtbaare heeren Sadama Regeerend Nicolaas Jacob Eilbracht Geiligeerd Gesaghebber van het chorman„ Edels Gouvernement met den Resorte van dien Neevens Raadt. Den DelEdele Agtbaare Gebiedende Heeren Wel Edele Heeren. Jngevolge uwel Edele Agtbaarens notulair be„ sluijt van den 28. September behelzende ordre om te die nen van berigt nopens het getal der op het soldij Comp„ doir dienst doende pennistende benodigdheijd, bekwaam„ heijd kundigheijd en wat werk door hun verrigt word, mitsgaders waar in dat het werk verschild met vroe„ ger en teegenwoordige tijden; heeft den needrigen teeke„ naar de eer te berigten dat het getal, scribenten op het soldij Comptoir door de wel Ed: Groot Agtb: Heer Falck, en van de Graaf bij wilder zelver gevenereerde missive aan Hun. 987. November 1790. — en 18. Hun Hoog Edelheedens in dato 19. Maart 1784. is ge„ steld op het volgende getal. — 1. overdrager 2. Pennisten met het geld voor 2. aankweekelingen 2. ordinaire gecommitteerdens en afpakkers 1. schrijver in het pakhuijs En bij Chormandels Raadsbesluit van den 11. oc„ tober 1785. is de schikking van dit Comptoir aldus bepaald namentlijk/ 1. overdrager 4. Permanente Pennisten, neevens nog. 2. Pennisten tot het waarneemen van diverse dage„ lijkse Commissien, om dat die, welke vast op de Comp„ toiren bescheijden zijn daar altoos arbeijdgenoeg vinden in de Commissien doorgaans in de drukste off scheepetijd voor vallen. welk aan Hun Hoog Edelheeden hebben gelieven te ap„ probeeren blijkens hoogst derzelver missive van den 28: April 1786. — Dus het getal der pennisten zoude moeten bestaan in 6. perzoonen, en 1. overdrager waar van maar 5. aanweezing zijn, namelijk. — 1. Simon Jacob Weijman van Jagg: Boekhouder v:n ƒ 30. _:o „ „ 30. 1. Iohannes de Iong - - - „ Iiff=m 1. Pieter Hart - - - - - „ Nagap=m Adsistenrd „ „ 24. 1. Iacobus Iosephsz: - - - „ _:o _:o „ „ 24. Dewijl den overdrager nu over twee Jaaren na Colombo verstrokken is zoo word deeze dienst verrigt door een adtis„ tent Iacobus Iosephsz: Een der pennisten zijnde Theodorus Reijnier Canter„ visscher is op Nagapatnam Van de twee pennisten welke alhier moesten bescheijden zijn tot het waarneemen van commissien is maar een aan„ weezig zijnde Abraham Swart van Jaffanap=m boekhouder, van ƒ 30. / en welke den teekenaar verpligt is met een den cri„ benten nu een dan aftestaan tot het waarneemen der Commis„ sien dus opdat Comptoir volgens het plan zouden manqueeren 1. overdrager, en 1. Adtietend De benoodigtheijd der zelver zal uwel Ed: Agtbaarens consteeren uit het werk dat door deeze vier moet werden verrigt alszoo de geprojecteerde tot de Commissien weijnig werk aflegd. — Loon

NL-HaNA_1.04.02_3878_1224 view scan ↗

English

November 1790. 18th. Decision on the annotation hereof Before Their High Excellencies, by highly respected minute decision of 15 January 1788, were pleased to order that of all papers and books which were annually sent to the chambers of Amsterdam and Zeeland, one set should also be addressed to the chambers of Delft and Hoorn, they had to write: 3 sets of Journals and Ledgers 3 ditto Ledgers of Zeeland 3 ditto Delft 3 ditto Rotterdam 3 ditto Hoorn 3 ditto Enkhuizen. Which books, along with their annexes, are now according to the cited decision increased to 5 sets each. To this must still be added the monthly pay, board money, and receipt rolls, as well as the extracting of the annual pay accounts and the drafting of the registers and other annually and daily occurring work, from which Your Honours will be pleased to judge its necessity, and whether the present number of five persons is sufficient to keep the pay-accounting work of the whole of Coromandel on an even footing, and at the same time to attend to the occurring commissions; and although these cannot in the strict sense be said to be qualified, they nevertheless each strive according to their ability to acquire the required knowledge. Hoping that herewith the order of Your Honours has been complied with, the undersigned has the honour to call himself with respect, Right Honourable Commanding Sirs and Honourable Sirs, Your Honours' humble servant, was signed B: Brouwer. In margin: Palliacatta, 8 October 1790. Thus, after consideration of the necessity of the stated and serving number of bookkeepers and assistants on the one hand, and the desire of Their High Excellencies for a firm determination on the other hand, it was resolved, in accordance with the proposition of the Governor, to keep a record of these requisites and to require the pay-bookkeeper to prepare and submit a nominal list of all bookkeepers and assistants stationed here on the coast, indicating where they are employed or where they are stationed, in order that, if there are more than the regulations since the year 1785 prescribe, which he must therefore also indicate, such an arrangement may be made as shall be in accordance therewith and at the same time be found sufficient to keep the ordinary and extraordinary clerical work in order, and to satisfy the wishes of the Right Honourable Lords Majors as well as Their High Excellencies the Honourable High Indian Government. Further, having heard the grievance of David Kahle, commanding lieutenant of the Jaffanapatnam auxiliary detachment presently stationed here, namely of being unable to subsist here on his ordinary emoluments and the allowance of four pagodas for house rent in addition, with a request for some further relief and improvement thereof; it was, considering that in the year 1773/4, when a much larger corps came over from Ceylon to Nagapatnam for assistance, an extraordinary allowance to the officers took place as shown by the specification book of that financial year, resolved, in imitation thereof and in accordance with His Honour's proposition, to grant to the said Kahle, above what he enjoys, just as occurred at that time to a lieutenant, a further 5 pagodas or 120 fanams per month, commencing on the first of September last; and likewise to have supplied to him, as well as to the Eastern officers of the detachment, 152 cans of arrack for the following, namely: 32 cans to the said Commanding Lieutenant Kahle 120 cans to the Easterners to be mentioned, namely: 56 cans to Captain Mahmet Sangeyang 32 cans to Ensign Mahomed, making together 152 cans, instead of wine for rations for four months from the first of July to the last of October, and subsequently pro rata each month in the future; to charge the ordinary, or pay, board money, etc., to Jaffanapatnam, and to have all the remainder written off here to extraordinary expenses. Furthermore, it was resolved to insert below two letters produced by the Governor to the Jaggennaikpoeram and Bimlipatnam merchants, each in particular, both in reply

Dutch transcription

November 1790. en 18. besluijt tot annotie hier van ƒ Voor dat Hun Hoog Edelheeden bij zeer gerespecteerd no„ tulain besluijt van den 15. Januarij 11788. hebben gelieven te„ gelasten omk van alle papieren en boeken welke sjaarlijks aan de kamers Amsterdam en Zeeland wierden afge„ zouden ook een stel te addresseeren aan de kameren de lft: en Hoorn, hebben zij moeten schrijven; — 3. stellen Journaalen en Grootboeken 3. _:o Grootboeken van Zeeland. _:o „ Delft 3. _:o _:o „ Rotterdam 3. _:o _:o „ Hoorn 3. _:o _:o „ Enkhuijsen. — Welke boeken neevens dies bijlagen nu volgens geci„ teerd besluijt tot 5. stellen ieder zijn vermeerderd hier moet nog werden bijgevoegd de maandelijkse gagie Kostgeld en quitantie Rollen gelijk, meede het uittrekken der Jaarlijkse soldij reekeningen en het opmaaken der Registers en ander Jaarlijks en dagelijks voor vallend werk waar uit uwel Ed: Agtb:/ zullen gelieven te oordeelen over dies beno„ digtheijd in of het aanweezend getal van vijff pen„ zoonen toerijkend is om het soldij werk van gansch Chormandel, op een effen voet te houden en teffens de voorvallende Commissien waarteneemen en schoon deeze in de stricte zin niet kunnen ge„ zegd worden bekwaam te zijn beieveren zij zig egter een ieder na zijn vermogen om de vereijschte kundigheijd te krijgen Ik hoope dat hier meede aan de ordre van uwel Ed: Agtb: zal hebben voldaan, heeft den Teekenaar de een zig met eerbied te noemen /:onderstond:/ wel„ Edele Agtb: Gebiedende Heeren en welEdele Heeren uwel Ed: Agtb: onderdanige Dienaar /:was ge„ teekend:/ B: Brouwer /:Jn margine:/ Palliacat„ ta Den 8. october 1796. 3. _:o Soo is na overweeging van de noodzaa„ kelijkheit van het opgegeeven en dienst doende getal ƒ 989: November 1790. 18. boek houdend en adsistenten getal aan de eene en de begeerte van Hun Hoog Edelheeden tot een stellige bepaeling aan de 7 andere zijde, conform de propositie van den Heere Geszackhebber verstaan van het gevolg deezen requisiten aanteekening te houten en den „soldij boekhouder te demandeeren het op macke oopwoden ij stoen an aan ebeie en inleverin van een Naem lijst van alle hier ter kuste bescheidene boekhouders en Assis„ senten, aanwijzende waer te worden geen, wat moet aanwijkenen ploijeert, of waar te bescheiden zijn, om indien er meer zijn als de bepaelingen ze„ dert A:o 1785. dicteeren en hij dus meede moet aanwijzen daer op zodanig eene schik„ king te maeken als daar meede over een komstigen tevens toereikend zal worden bevonden verkodd. November 1790. Den 18. bevonden, om het ordinair en extra ordinaire schrijfwerk in ordre te houden en te beant„ woorden aan de begeerte van de wel Edele Hoog Achtbaare Heeren Majores zoo wel als hun Hoog Edelens de Edele Hooge In„ dische Regeering bterten een elenen i voet zijende gehoorde te zeentrecht, soon een Haar Gezaghebber van de bezwaarnis van David Kahle commandeerende luitenant van het thans alhier aanweekige Jaffanco„ patnamsche hulp detachement namelijk van alhier niet te kunnen bestaen met zijn ordinaire emolumenten, en de toelage van vier pagooden aan huijshuur daar en boven met verzoek om eenige meerdere te gemoet Koming 991: November 1790 van dit detacement verbetering van dien: zoo is aan„ 177¾. wanneer te Na„ gekien in den Jaare gapatnam een veel grooter corps tot assis„ tentie van Ceijlon is overgekomen uijt wijzens specificatie boek van dat boek„ Jaar, eene extraordinaire toelage aan de officie„ ven plaats gehad heeft, in navolging van dien Conform zijn E: E: Achtbaares pro„ positie verstaan aan gem: Kahle, boven het geene hij geniet even als die tijd aan een luite„ „nant geschiet is noch 5. pagooden of 120. ps 's maends toe te voegen aanvang neemende met primo september J:o leeden, mitsga„s Jtem aande ostensche officieren ders aan denzelven item de oosten„ linge officieren van het detachement ook en „ heer gebagte: aan de Jag: en Bimlis Coopl en waar over ele handelen November 1790. Den 18 ook te laaten verstrekken 152. kann: Arak voor de volgende, als 32. kann: aan gem: Commandeerend luitenant Batale 120. „ aan de te meldene oosterlingen; te weeten 56. kan: aan den kapitein mahmet sangevang „ vendrig Mahomed ofte te zaamen 32 — 152. kannen, in steede van wijn tot rand„ soenen voor vier maenden zedert primo Julij tot ult„o october en vervolgens zo na rato ieder maend in het toekomende het ordinaire ofte gasie kostgeld enz: Iaffanapatnam aente„ reekenen, en al het overig alhier op onkos„ ten extra ordinair te laeten afschrijven. 1 te Jonsereren & brieven en den Voorts is verstaan hier onder te inseneeren twee door den Heer Gezachebber geprocu„ ceerde brieven aen de Jaggennaikpoeram„ sche en Bimilippatnamsche Kooplie„ den ieder in het bijzonder, zoo tot ant„ woord e

NL-HaNA_1.04.02_3878_1229 view scan ↗

English

993. November 1790. Number 18. reply to theirs, serving at the same time as an admonition to settle their debts, whether to the Company or on behalf of those who in their favor have been charged with the restitution thereof; the said letters reading as follows: To the Merchants of the Company at Iaggennaikpoeram. I have received the letters written to me by you all collectively and by some in particular. Insofar as these are intended to compliment me on my promotion as Governor and on my arrival here, this serves to thank you all and to wish you all the best. While such matters as deal with one or another grievance, like the Renters at Golapaluam, have been sent by the Council to the commissioners to serve for report, which shall also happen in due course by the chief who is expected from Bengal. Meanwhile, I cannot but be astonished to learn that such adverse accounts stand to your debit and to the detriment of the Company, for which reason they have been compelled here to impose the restitution thereof upon the Gentlemen van Halm, Ravallet, and van Someren. But if you are sensitive on the point of honor and do not wish to see that another suffers on your account, then I do not doubt that you have already satisfied that which the commissioners recently required from you for security. I repeat this by these presents, expecting that you shall bind yourselves in writing to make up and pay into the Company's treasury, within a certain stipulated time, the arrears which the aforementioned Gentlemen must reimburse, so that The 18th. November 1792 after report thereof has been obtained, it may be refunded to those Gentlemen and your good name restored. The claim that these arrears owe their origin to losses that you suffer on goods which were supplied to you instead of money for the delivery of linen is unacceptable, for you have after all bought by your own free will, without coercion or persuasion; thus what concern are your losses to the Company? On the other hand, did you not bind yourselves to deliver linens to the Company for the amount of those goods and the money received in cash, according to a contract made annually for that purpose? If so, what then is the reason that you have not fulfilled it and that you have fallen so heavily in arrears? Answer this adequately and show that you are in earnest to clear your debts, for be assured that matters will no longer proceed as has taken place until now. First the accounts must be settled and the balance discharged; otherwise no further share in any new deliveries. For the rest, live well and fulfill your duty. In the margin: Palliacatta, the 17th of November 1790. Was signed: J. Eilbracht. To the merchants at Bimilipatnam. I have received your letter of congratulations upon my promotion to the administration of Coromandel and my arrival here. I thank you all for it, and likewise wish you well in generous measure. But what strikes me as rather impudent is the request you make for the provision of money, nutmeg, and mace in order to enter anew into a contract for providing the necessaries for the upcoming year 1791. Such entreaties are unseemly; pay your debts first and then think of such proposals. Do not believe that I am a simpleton or an ignoramus, and that it is unknown to me how dangerous your schemes and representations are. I know only too well 995. the nature of the native, and I know that it is a constant design with them to mislead Europeans, for by a strong name, if not by that of fraud, I would have to call such conduct as that of the Company's suppliers to the North, who manage to make those with whom they deal believe anything, and especially an unbearable loss; managing, what is more, to induce them to make new contracts, to make provisions of goods and money, without the former having yet been settled. You yourselves are in debit and nevertheless nothing new has been provided to you; but I shall disapprove of this and care for the Company, the complaints of losses on received merchandise being worth nothing to the Company. If these did not please you, why then take them? If on the contrary you accepted them without coercion or persuasion, then naturally all damage which you say you suffer thereon is outside the Company. Your contract should be ready, and it is not without the highest disapproval that you attribute that to unreceived value or losses suffered on merchandise provided to you instead of money in fulfillment of your engagements. More I need not say; live in health and contentment, and let the fulfillment of your duty be as dear and precious to you as your honor and good name. In the margin: Palliacatta, the 17th of November 1790. Was signed: Jacob Eilbracht. The 18th of November It was also understood to record the delivery in the meeting of the latest circular letters to the respective factories to the Porto Novo Resident Lebrecht Cornelis Tepeender, who is still present here, with the notification that, since the difficulties on account of which he came hither have for the most part ceased, he betake himself to his post by the end of this month, and employ his efforts and use all diligence for the trade for 1791 at the old unraised prices according to the order, as accepted by him, whereupon his dismissal was granted to him. Lastly

Dutch transcription

993. November 1790. n 18. woord op de hunne als tevens dienende tot adhortatie ten voldoening van haare schulden het zij aen de Comp: ofte ten be„ hoeve van de geene welke daer meede in haer faveur met de vergoeding belast zijn luijdende die brieven aldus. Aan de Kooplieden van de Comp: te Iaggennaikpoeram Ik heb ontvangen van ulieden te saemen en van som„ migen in het bij zonder de aan mij geschreevene brieven voor zoo verre die gericht zijn om mij te Complimentee„ ven met mijne promotie als gezeghebber en met mijn arriverment alhier diend deezze om ugezaementlijk te bedanken, en alles goeds toe te wenschen, ten wijl zul„ ken als handelen over het een of ander ongenoegen, gelijk de Pagters te Golapaluam en 't door de Raed zijn gezonden aan de gecommitteerden om van bericht te dienen dat ook in der tijd geschieden zal van het opperhoofd dat men uijt Bengale heeft te verwachten ondertusschen kan ik niet dan verbaest zijn te verneemen, dat en zulke nadeelige Reekeningen zijn tot ulieden laste en tot schaede van de Compagnie waerom men hier is genoodzzakt geworden, de vergoeding daar van de Heeren van Halm Ravallet en van someren op te leggen:— Maar zijn ulieden gevoelig en het point van een en begeert gij niet te zien dat een ander tijd om uwerthalven zoo twijffel ik niet of ulieden hebben nat voldaen aan het uE: Lieden geen kle heenen gecommitteerden van te leeden tot zeeker„ „heit hebben gevordert, Ik herhael zulks aan deeze verwachten„ de dat uE: zich schriftelijk zullen verbinden om de agterstal„ len welke de voorm: Heeren moeten vergoeden, binnen een Zee„ ker bepaalde tijd op te brengen en te voldoen in 'sComp:s Cassaom Iutertie na Den 18. November 1792 na dat daar van bericht, er langt zal zijn, aan die Heeren gerestitueert en uwe goede naem herstelt, te worden. Het zeggen dat die Agterstallen haar vorsprong verschul„ digt zijn uit verlies dat uE: lijden op goederen die uE: in steede van geld op leverancie van lijwaat verstrekt zijn is onaanneemelijk want uE: hebben immers ge„ kocht met urije vrije wil, zonder dwang of persuasie dus wat gaat de Comp: dan uwe verliezen aen Daer en tegen hebbe uE: zich niet verbonden, om voor het be„ dragen van die goederen en de Kontant genootene gel„ den lijnwaeten aen de Compagnie te leeveren na een daar voor Jaarlijks gemaekt Contract! zoo Ia wat is dan de reeden dat uE: daer aan niet hebben voldaen en dat uE: zoo machtig ten agteren zijn gebleeven. Antwoord hier op voldoende en toond dat het rernst is om uwe schulden af te doen. want weest verzeekert gaan dat het zoo niet meer toe zal ge als tot nu toe plaats gehad heeft. Eerst zullen de Reekeningen moeten ver„ eevend en de saldo betrakt worden, anders geen deel meer aan eenige nieuwe leverancie. — wat meer leeft wel; en voldoet aan uwe pligt /:in mar„ gine:/ Palliacatta den 17. November 1790. /:was getee„ kind:/ I=s Eilbracht. — Aan de kooplieden te Bimilipatnam Ik heb ontvangen ulieden brief van gelukwen„ sching met mijne promotie tot het bestiw van kor„ mandel en mijn aenkomst hier ter plaetze, Ik bedank uE: gezamentijk daar voor, en wenschens insgelijk in een ruijme maat, het goede — mij Maar het geen „ nog wat onbeschaemt voorkomt is de vrag die uE: wrij doen om verstrekking van gelt, Nooten een foelij om op nieuw te treeden in een contract ter bezorging van het nodige voor het aanstaende Iaar 1791. zulke /:instaan„ cien betaemen niet, betael eerst uwe schulden en denk dan aan zulke voorstellen- Geloof niet dat ik een Domkop of weet niet, ben, en dat mij onbekend is hoe gevaerlijk ulieden concepten en vertooningen zijn, Ik kenal te wel den 995. 0. denaert der inlander, en ik weet dat het een ge„ stadige toeleg bij kunns om Europeesen te misleiden, want met sterken naem, zoo niet met die van bedroeg zou ik moeten noemen een gedoente als dat van 'sComp=s leveranciers om de Noord, die den geen met wien zijn handelen alles weeten wijs te moeten, en inzonderheijt een ondragelijk verlies; hen, wat meer is, daar toe weetende te brengen, om op nieuw contracten te maeken, verstrekkingen van goed, en geld te doen, zonder dat de voorige, noch zijn vereevent: UE: zellf staan te quaet en bven„ wel heeft men u neets weder op nieuw verstrekt: maer ik zal dit afkeuren en voor de Com„ pagnie zorgen zijnde de klachten van ver„ „bij liezen op genotene koopmanschappen en „ de Comp:s niets waerdig - Hebben deze u niet aange„ staen, waarom te dan genomen! Hebben inte„ gendeel us lieden die zonder dwang of persua„ tie geaccepteerd dan is natuurlijk buijten UE: de Comp: alle schaede die an daarp zeggen te lijden, u Contract moest breijdig zijn, en het is niet dan met de hoogste afkeuring dat ulieden dat toeschrijven aan niet genotene waerde of geleden verlies op koopmanschappen in steede van geld, u lieden verstrekt ter voldoening van uwe verbintenissen. 7 zeggen Meer behoef ik niet te, heeft in gezondheijd„ heit en vergenoegen, en laat de volbrenging van uwe plicht ulven dierbaar en waerd zijn als uwe een en goede naemt /:Jn margine:/ Palliacatta den 87 November 1790. /:was geteekend:/ Iacob Eilbracht — D„Noch en 18 November den ede boan bertondvose redent afgegeven tegeven zaam te doen. vanden /1 ock is verstaen aente teekenen de overgave in verr„ gadering van de Jongste circulaire brieven naer de respective factorijen aen den noch alhier aenwee„ zigen Portrnovoschen Resident lebrecht Corne„ zij voertont ne bertonoreange lis Tepeender, met aenzegging om vermits de zwaerigheeden waerom hij herwaerts is gekomen, meenendeels cesseeren, met het einde van deeze maend zich naer zijn ennstenesen de aantimenin aeschieten post te begeeven, en tot den han„ del voor 1791. tegen de oude onverhoogde prijzen na de ordre het zijne de adhibeeren en alle devoir aente wenden gelijk door heen aengenomen, en daer op aen denzelven zijn afscheit gegeeven is. Laestelijk

NL-HaNA_1.04.02_3878_1233 view scan ↗

English

997. 1 November 1790. Lastly, there was heard the communication from the Lord Administrator, how it had recently come to His Honorable worship's attention that the former Lord Administrator Nicolaas Tadama, even after the receipt of the notification from the Honorable High Indian Government dated 27 April of this year, was said to have transported his goods or a part thereof to a foreign territory, namely to Tranquebar, which had also been brought to His Honorable worship by the merchant van Bijland by way of complaint and on account of an alleged claim upon the same; whereupon, having inquired into this matter, he first instructed the Master of the Equippage Adrianus van Odijk to provide a statement prepared according to the truth and offered under oath concerning whatever might be known to him about this; and that, this having been carried out, he, the Lord Administrator, had discovered to his astonishment and dismay that on various dates in the month of September, a few days before his arrival here, goods were offloaded in eighteen slings, and shipped together with one male slave and three female slaves besides their children 999. 18 November 1790. in a thonij, sent from the roads here on the evening of 11 September via Sadras to Tranquebar, as appears more broadly from the Attestation itself, following hereafter: — Today, 17 Nov: 1790. Appeared before me, Jan Obdam, bookkeeper and first sworn Clerk at the secretariat of the Coromandel Government, in the presence of the witnesses to be mentioned below, the Equippage overseer here, Adrianus van Odijk, who, at the requisition of the Right Honorable Worshipful Lord Jacob Eilbracht, Senior Merchant and Administrator of this Coast of Coromandel with the dependencies thereof Etc: Etc:, declared it to be the absolute truth That in September last, he loaded into a thonij for the Worshipful Lord Nicolaas Tadama for Tranquebar the following goods, to wit: on the 2nd In four slings eight cases of wine and Beer on the 3rd In three ditto six ditto ditto ditto In six ditto a further sixteen various cellarets, small boxes and chests on the 7th In two ditto 8 Madeira casks shifted, 1 arrack leaguer, 9 beer casks, 238 various hoops of the same on the 10th One sling, Ten bags of rice, two small boxes with native spices and two flat chests on the 11th One sling drinking water and firewood, and further in One sling three maidservants and their children, item One boy and their baggage. That on the 10th he had further shipped in the same thonij in two slings for Mr. Simons some small boxes, chests, tables, bedding and so forth. That the said thonij had thereupon departed from the roads on the evening of the aforesaid 11th via Sadraspatnam to Tranquebar. Concluding herewith, the deponent declared this testimony of his to contain the pure truth, giving as reason for knowledge as stated in the text, remaining ready to confirm the same if required with a solemn Oath. Thus done and declared in Castle Geldria at Palliacatta on the date aforesaid, in the presence of Jan Rosseau and Daniel Hendrik Cantervisscher, Clerks at the secretariat here, as witnesses. The minute hereof is duly signed. Below was written: Which I attest. Was signed: Jan Obdam, First sworn Clerk. 1001. 18 November 1790. The Lord Administrator expressing his highest astonishment that all this had remained hidden from him until now and had not been made known by the fiscal office, from whom His Honorable worship presumes that, with any oversight and vigilance, it could not have remained concealed; certainly that, on the day that Mr. Tadama declared himself in the assembly, after prior reservation and complaint about an alleged insult regarding the required bond, and passed a written Act, the members present on that day ought to have made known whatever might have been known to them in that regard, and concerning which he, the Lord Administrator, now requested that they should explain themselves, because such conduct casts very great discredit upon the solemn promise made by Mr. Tadama on 30 September last, to which His Honor was bound from the very moment that the order of the Honorable High Indian Government in that regard was revealed to the assembly. And since the members collectively testify to having no other knowledge thereof except insofar as concerns private conjectures and conversations in that regard, 1003. 18 November 1790. although they did not doubt that this had been done by Mr. Tadama without considering the consequences, and without paying regard to the objection repeatedly made to His Honorable worship by one as well as the other, that he was obligated to remain here in person and with his property until after the arrival of his successor this should be disposed of and the orders and requisites of Their High Excellencies satisfied; for he, Mr. Tadama, had continually pretended, on account of his obtained resignation, to be able to go wherever he wished here on the coast without, as he occasionally added, even being obligated to wait for a successor, as he thought that in the event of remaining behind

Dutch transcription

997. 1 Novem ber 1790. weesen gesagh: Tadarna van goe„ „laren ma oranques uijt wat hoofdad aa Laestelijk werd noch gehoort de Commas, ontarkt vog en oordengen nicatie van den Heer Gezackhebber, hoe zijn E: E: Achtbaere nu onlangs zijnde ter vooren gekomen dat de heer geweeze Ge„ zachhebber Nicolaas Tadama, zelf na de ontvangene aenschrijving van de Ede„ le Hooge Indische Regeering de dato 27. apvil deezes Jaers, zijne goederen ofte een gedeelte van dezelve zou hebben ge„ transporteert naer een vreemd ter vi„ toir en wel naer tranqueban, het welk doon van bijlandaangeklaagt en de koopman van Bijland zijn E: E: agtb: ƒ bij wege van beklag en uijt hoofde van ge„ sustineerde actie op dezelve, ook was komen aan Den 18' Nevember 179 Eequiptge opdige denstef bigatstatie dooren aen dienen, na dat gedoente zich geinffor„ meert en in de eerste plaets den Equi„ pagemeester Adrianus van odijk ge„ last had, om van het geen hem hier van bekend mocht zijn, te verleenen eene na waerheit en onder presentatie van Eede ingerichte verklaering, en dat dit gevolg genomen hebbende, hij heer gezackhebben, tot venwondering en ontstechting ontwaert hadde dat op onderscheidene datums in de maand September, eenige dagen voor deszelfs aenkomst alhier, in agtien slegen met goederen waren afgeladen en met een slaef en drie slavinnen nevens haere Kinderen over ge 999. docember 1790. 12. 18. gescheept in een Thonij, op den 11. September 'savonds, hier van de rheede over sadras naer Tranquebaar gezonden wanen gelijk dit uit de Attestatie zelve, hier onder vol„ gende breeden komt te blijken. — O Huijden Den 17. Nov: 1790. Compareerde voor mij Jan obdam boek„ houder en eerste geswoore Clercq ten secre„ terije van het Cormandels Gouvernements present de natemeldene getuijgens den Equi„ pagie op zigter alhier Adrianus van odijk dewelke ter requisitie van den wel Edelen agtbaaren Heer Iacob Eilbracht, opper„ koopman en Gezaghebber deezer Custe Cor„ mandel met den Retorte van dien Etc: Elc: verklaarde de waaragtige waarheijd te weesen Dat hij in september Iongstleeden in Een Thonij voor den Agtbaeren Heer Nico„ laas Iadama voor Tranquebaar heeft O No 41. Iersortie attestatie afgelaaden afgelaaden de volgende goederen te weeten op den 2. In vierslengen agt kisten wijn en Bier 3. „ drie _:o ses _:o d:o „ _:o „ ses _:o nog sesthien diverse kelders kistjes en kasjes 7: „ twee _:o â 8. madera vatten geschooven „ 1. arrak legger. _. - 9. bier vatten 238. diverse hoepels van de zelve „ „ 10. „ Een sleng, Thien zakken vijst twee kistjes. met inlandsche specerijen en twee platte kasjes 11. „ Een sleng drink waaten en branthout en nog in Een sleng drie meijdens en haare kinderen Item Een Jongen en haare Bagagie Dat op den 10. nog voor de heer Simons in dezelve thonij hadde afgescheept in twee slengen Eenige kijstjes kasjes, tafelt, Kooijgoed en sz: Dat gemelde thonij daar op den 11. voormeld 'savonds van de rheede over Ladnaspatnam na Tranquebaar vertrokken was. Eijndigende hier meede verklaarde den attes„ tant deeze zijne getuijgenis de zuijvere waar„ heijd te behelsen voor reeden van weetenschap gevende als in den text beneijd blijvende het zelve des vereijscht werdende met solemneele Eede te bevestigen Aldus Gedaan en verklaard in't Casteel Geldria te Palliacatta op dato voorsz: ten Pretentie van Jan Rosseau en Daniel hendrik Cantervisscher Clercquen ter secre„ tarije alhier als getuijgens De minute deeses is behoorlijk geteekend /:onderstond:/ 'T welk getuijgd: /:was geteekend:/ Jan obdam, E: g: Clercq Novemb betuijgende „ „ 1001. 18 Notari tertuijging van den heer gesagt: de yfvregen. betuijgende hij Heere Gezaghebber zijne hoogste verwondering over dat dit alles tot nu toe voor hem is bedekt gebleeven en niet be„ kend gemaekt door het officie fiscaal, voor wien zijn E: E: Achtbaere veronderstelt dat het bij eenige toezicht en waekhaem„ heit, niet kan verborgen gebleeven zijn; immers dat, ten dage dat de heer Tadama in vergadering, na voorafgaende ne„ serve en beklag over gesustineerde ver ergelijking omtrent het gevondende verband, zich declareerde en eene schrif„ telijke Acte passeerde, de leeden ten dien dage present hadden behooren kennis te geeven van het geen hen dien aangaande be„ kend - - 79 1 1 1 November 1798 changen kand mocht geweest zijn, en waaromtrent hij Heere Gezachebber als nu begeerde dat de„ zelve zich verklaeren zouden, want dat een dergelijk gedoente zeer veel discredict geff aen de door den Heer Tadama op den 30: september J:o leeden, solemneel gedoene be„ lofte, waer aen zijn E: was verbonden van het zelve oogenblik af dat de vergadering is gebleeken, het bevel van de Edele hooge Jndische Regeering dien aengaende sten vandelesente kunen de En nadien de leeden gezamenlijk betuij„ gen daer omtrent geen andere kennis te hebben dan voor zo verre aengaet particuliere gissingen en discoursen der„ Den 18. wegen 1003. Nadem ber 1730 wegen schoon ze in geen twyffel trokken, of dat was ge„ schied door den Heer Tadtama zonder nageteckten op de gevolgen, en zonder regard te slaen op de door den een zoo wel als den ander zijn E: E: achtb:, meermaels gemaekte tegenwerping dat verplicht was met persoon en goed hier te blijven tot dat daer op na aenkomst van deszelfs vervanger gecisponeert en voldaen vervolgn zou zijn aen de ordres en requisiten van Hun Hoog Edelheeden, want dat hij Heer Tadama geduurig had voorgewend mits zijn geobtineert ontslag, te konnen gaen hier op de kust waer Hij wilde zonder zelf gelijk daer wel eens bij voegde, verplicht te zijn te wachten na een 1 vervanger, als denkende bij het agter wege blij„ ven.

NL-HaNA_1.04.02_3878_1240 view scan ↗

English

November 1790 to render an account of the same and transfer his administration to the Council, and taking note of the Fiscal, besides which, as the Fiscal Brouwer remarked, it would have been difficult for him to oppose Mr. Tadama, who possessed the authority, in undertakings that he maintained he would not have been able to stop, even if he had had actual knowledge thereof, which he declared to ignore; it was, after consideration of both matters, and especially the suspicion under which Mr. Tadama brings himself through the aforesaid unlawful conduct, namely of feeling afraid on one point or another of the consequence of the aforesaid order, and therefore of not being as innocent as one, on account of His Honour's solemn assurances and by virtue of the public character with which he is clothed, was obliged to assume and believe, in accordance with the proposal of the Honourable and Respected Lord Commander, approved and resolved to demand from Mr. Tadama, by delivering a copy of the aforesaid declaration inserted into this extract, a satisfactory written accounting, and at the same time to enjoin His Honour to submit a statement and inventory of all his possessions under the offer of an oath, whereby consequently the value of the removed goods shall clearly appear, in order that, whether they are returned or not, they be included under the lien and held liable for it; which statement and inventory, duly signed, after being presented to the assembly, shall be kept secret, sealed, and deposited and preserved in the secret chest together with the deed of obligation against the non-alienation of his possessions in general, until the said High Mightinesses shall have ruled on the reports to be sent from here concerning the various demanded securities and guarantees for everything in which His Honour might be found involved and accountable; this extract shall be communicated tomorrow to His Honour by the secretary of this assembly, and he shall be requested on behalf of the same to comply with what is required herein, a week from today, and certainly not later than the last day of this month. Thus done and decreed in Castle Geldria at Paliacatte, date as above; signed: as before. Friday, 19 November 1790. In the morning, all present. The assembly, having adjourned yesterday, met again today, and having ruled on some matters mentioned in the separate resolution of today, there was subsequently read the written report of the officers David Kahle and Willem Hendrik Nuwer, commissioned pursuant to the resolution dated 2 October last, in the presence and oversight of the Engineer Pierre Brossette, having inspected and surveyed the state of Fort Geldria and its buildings, as everything currently presents itself, and in which report that which was decided is found described in detail to be inserted below, reading as follows: 19 November 1790 To the Right Honourable and Commanding Lord, Jacob Eilbracht, Senior Merchant and Commander of this Coromandel Government and its jurisdiction, etc., etc. Right Honourable, Commanding Lord, Pursuant to the honoured mandate and written order of Your Right Honourable and the business and resolutions adopted in the Council of Policy on 2 October, anno 1790, the undersigned, as specially appointed commissioners, have accurately and in the presence of Engineer Brossette surveyed the state of Fort Geldria, with all the buildings standing therein and its dependencies, according to the contents of the aforementioned received order, of which findings we provide below a demonstrable description, as it presented itself convincingly to us upon inspection, to wit: The present state of the Paliacatte Fort Geldria, with all the buildings standing therein. This place is an irregular square, flanked by four bastions of very limited capacity; the faces have no more than two embrasures and can hold no more; the flanks also have only two embrasures.

Dutch transcription

Novembar 1798 ven van dezelve verantwoording en Transport van zijn bewind aen de Raad te kunnen doen, en aanmarking van de fibtaal behalven dat, gelijk de fiscael Brouwer aan„ merkte het hem bezwaerlijk zou zijn gevallen om den Heer Tadama, het gezach hebbende tegen te gaen in onderneemingen die hij sustineerde niet te zullen hebben kunnen sluiten, alware het ook dat hij daer van effectif kennis had ge„ had, welke hij verklaerde te ignoneeren: a zoo is na overweeging van het een en ander en inzonderheit de verdenking waer onder de heer Tadama door het voorsz: onwettig gedoente, zich zelve brengt van wamelijk in een of ander point zich bevreest te voelen voor het gevolg der voorsz: ordre en overzulks zoo on„ schuldig niet te zijn als men, uit hoofde van zijn Edele plechtige betuijgingen en ter zaeke van Den 18 des 1005 No ven bem 190 187. ventaris geinjungeerd, en hoeda„ des zelfs bekleed publick Caracter, verplicht was aenteneemen en te gelooven Conform de proposi„ tie van den E: E: Achtb: Heer Gezackhebber goedgevonden en verstaen, den heer Tadama door afgave van Copia van voorsz: verklaering geinsereert bij Extract deezes afte vordenen eene satisfactoire schriftelijke verantwoording en zijn Edele tevens te insungeeren het leveren en het leveren van staaten Jn„ van staet en Jnventaris van alle zijne Bezittin„ gen onder presentatie van Eede waer bij derhalve de waerde der vervoerde goederen duijdelijk kome te blij„ ken om het zij ze worden te ruggebracht of niet, on„ der het verband begreepen en daer voor aenspreeke„ lijk gehouden te worden; welke staet en Jnventaris behoorlijk geteekent, na exhibitie ter vergaden, die inde secrete Caste keu„ reenen.. ving, gesecreteert en verzegelt zal worden weege„ rig legt. November 1790 en tot wanneer zijn Eedt: afte vorderen. en 18. legt en bewaert bij de acte van verbintenis tegen het niet veralieneenen van zijne Bezittingen in het generael, tot dat door welmelde Hun Hoog Edelheeden zal zijn gedisponeert op de van hier afte gaene berichten over de onderscheidene gevorderde zeekerheeden en cautien voor alles waer in zijn E: mocht betrokken en verantwoordelijks dalt bij bitwaet soorde secreteris bevonden worden; zullende dit Extract door den secretaris van deeze vergadering morgen aen zijn Edele gecommuniceert, en uijt naem van dezelve op het gerequireerde in deeze voldoening verzocht worden, heeden overagt dagen, immers niet laeten als uiterlijk ultimo van deeze maend. Aldus Gedaan en Gearresteerd in 't Cate Gplima te batiacate dato vorsz: : ge„ teekend:/ als vooren Vrijdag 65 1007 Vijdag Den 19. November 1790. 'S Morgens, alle Present. De vergadering op reces van gisteren heeden weeder bij een gekoomen en gedis„ poneert zijnde op eenige zaaken vermelt staande ter aparte Resolutie van heeden„ werd vervolgens geleeszen het schrifte geosteream es tatnt lijk rapport van de volgens besluijt de dato 2: october Jongstleeden Gecommit„ teerde officieren David Kahle, en Wil„ lem Hendrik Nuwer ten bijzen en over„ staan van den Jngenieur Pierre Bros„ sette, hebbende nagegaan en opzegaen ve opgenomen den staat van het Fort Geldria en dier gebouwen, zoo als het een en ander zich tans op doet en bij dat Rapport het geen verstaan is, hier onder 65 te Insertie te insereeren, omstandig word beschree„ ven gevonden, luijdende aldus. Den 19. November 1796 Aan den welEdelen Achtbaaren en gebiedende Heer. Jacob Eilbracht opperkoopman en gezachhebber dies cormandelsen gouvernements met den resorte van dien Etc: Etc: Wel Edele Achtbaaren Gebiedende Heer. Volgens g'eerde last en schriftelijke ordonnan„ tie van uwelEd: agtb: en het gebesoigneerde en geresol„ veerde in den Raade van Holicij, op den 2=e den October A„o 1790. hebben de ondergeteekendens als expresse gecommitteerdens „nauwkeurig en ten bij zijn van den Jngenieur Brossette opgenoomen den staat van het Fort Geldria met alle de daarin staande gebouwen en dies dependenties, volgens den inhoud der gem: ontvangen ordonnantie, van wel„ kers bevinding we hier laaten volgen een beschrij„ ving demonstrable, zoo als bij bezigtiging zig over tuijgend aan ons heeft opgedaan, te weeten. — Den tegenswoordige staat van het Palliacatse Fort Geldria, met alle de daar in staande gebouwen. - Deese plaats is een onegaal vierkant, geflan„ queert met vier Bolwerken van zeer geringe be„ „quamheijd de voorzijden hebben niet meer dan twee schietgaaten en kunnen ook niet meer be„ vatten: De flanquen hebben ook maar twee schiet„ „gaaten: 6

NL-HaNA_1.04.02_3878_1245 view scan ↗

English

1009. 19 November 1790. The curtains are much too extended. This fort also has a moat and a berm path; it is situated on the bank of a river to the east, to the north adjoining a small village called de koepang, about four hundred half roeden away from the counterscarp. To the west lies a large, extended square, and to the south this fort is masked with houses, of which the closest or nearest standing is no further from the counterscarp than merely seven to eight half roeden. The war that arose between Tipoe Sultan and the English compelled us in the current year, in the month of January, to have some repairs carried out on this fort: the south-east bastion named Graaff Ernst, having been the weakest and situated closest to the houses, has been repaired and reinforced, and currently it is in such a condition that it can pass and be considered as the strongest. On this bastion also stands the flagpole, which is still very well conditioned and in good state. Close by are also three small rooms; these serve various uses and services for the flagman and to store ammunition, etc., which need nothing other than some plastering. Concerning the other bastions: the south-west bastion named Graaff Maurits was repaired in the year 1788 and is in a reasonably good condition, yet nevertheless without much strength. The parapets have no other thickness than solely the rampart wall, which at the top consists of only five feet. The north-west bastion named Graaff Hendrik is in such a dilapidated condition that one cannot make use of it. The revetment or rampart wall is open in several places; the parapet has a thickness of only three feet and is no higher from the level ground than four feet. It is without a banquette; the embrasures are defective and impossible to use, unless one were first to lower the level ground by two and a half feet and alter the embrasures. 1 19 November 1798 The north-east bastion named Graaff Willem is in the same condition as the one just mentioned; whatever must be done to the one will also have to happen to the other. The only difference between these two bastions is that the rampart wall of this one is not in as bad a condition as the other previously mentioned one of Graaf Hendrik. Concerning the Curtains. The parapet of the northern curtain is no higher from the level ground than merely three feet; a few concealed soldiers of the enemy will be enough to prevent the garrison troops from showing themselves on the rampart. The parapets of the western, southern, and eastern curtains are almost in the same case as the one just mentioned. Their heights from the level ground are in some places only three to three and a half, and in other places from four to four and a half feet. The rampart walls of these curtains are still reasonably good, only the one on the west side is very much in decay. Their parapets have no more thickness than the top of the rampart walls, which is only two feet, and instead of buttresses or counterforts, they have an internal set-back of six to seven inches level with the ground. Concerning the Berm Path. The revetment walls of the berm path are open and subsided everywhere along its extent, but the part that encircles the south-eastern and south-western bastions has been repaired, and north-west especially. All around, on the berm path on the south-western side being encircled by the bastions to the south-west of Graaf Maurits and to the north-west of Graaf Hendrik, there lay earth, three and a half feet high, sloping or like a glacis, from the top down to the foot of the rampart wall; as this would have greatly facilitated the enemy in storming, it was deemed serviceable to clear away the aforementioned earth and move it aside. Of the Counterscarp. The rampart wall of the counterscarp on the south side has collapsed entirely, as has half of the west side, but on the north and east the wall is still standing, but also in such decay and subsided that very soon these two last-mentioned will undergo the same fate as the two first-mentioned. Concerning the Moat. As this moat usually dries up eight months in the year, it was found proper and deemed serviceable to clean it and also to deepen it. This moat has, according to the seasons of the year, varying greater and lesser amounts of water, for in the rainy season the water in the middle rises to seven to eight feet, but on the other hand in the dry season there is no more than three or three and a half feet of water in the middle. The earth taken out from it has been used and placed about three to four half roeden away from the counterscarp and now forms a sort of covered way and an imperfect glacis. Regarding The Bridge. The same consists of three parts, of which the first part or beginning is fixed to the foot of the berm path to the south, standing with two masonry arches each ten feet apart from one another. The second part is the drawbridge, and the last or third and longest part rests on four masonry pillars, with the end thereof on the foot of the counterscarp, on top

Dutch transcription

1009. Den 19 November 1790. gaalen: De gordijnen zijn veel te veruijtgestrekt dit fort heeft ook een gragt en een Berimpold, is geleegen aan den oever van een revier oost, ten noorden aan „ren kleen dorp genaamd de koepang, omtrent vier hondert halve Roeden ver van de Kontre Scherf„ Ten westen ligt een vergroot uijt gestrekt pleijn en ten zuijden is dit fort gemaskeerd met huijsen, waar van het digtst of naast staande niet verder van de contre scherp is, als maar zeeven â agt halve roeden. De ontstaane oorlog tusschen Tipoe sultan en de En„ gelsen, hebben ons in dit loopende Jaar in de maand Ja„ nuarij verpligt, eenige reparaties aan dit fort te laa„ ten doen: het bolwerk zuijd oost genaamd graaff Ernst, als het zwakste geweest zijnde, en het naaste aan de huij„ versteckt sen geleegen is gerepareerd en verstrekt & geworden, thans bevind zig het zelve in een zodanigen staat, dat het als het sterkste kan door gaan en aangemerkt worden, ook staat op dit bolwerk de vlagge stok, die nog zeer wel geconditioneerd en in een goeden staat zig bevind bij op naisten aan, zijn ook nog drie kleene kamertjes, dezelve verstrekken tot differenten gebruijk en dienst voor den vlag man, en om ammonitie te bergen &=a die niet anders als eeni„ ge bepleisteringe benoodigt zijn. Aangaande de aandere bolwerken het bolwerk zuijd west genaamd graaff Maurits, is in den Jaare 1788. ge„ repareerd geworden en bevind zig in een reedelijken goeden staat, dog egter zonder veele sterkte: De borstweerings heb„ ben geen andere dikte als alleene de walmuur diet aan de top maar vijff voeten bestaat. — Het bolwerk Noord west genaamt Graaff hendrik, is in zoodanig een vervallen staat dat men er geen gebruijk van maaken kan de schoeijing of walmuur is op verscheide plaatsen open: de borstweering heeft maar de dikte van drie voeten, en is niet hooger van den effen grond, dan vier voeten het is zonder ban„ „het 1 Den 19. November 1798 het de schiet gaaten zijn gebrekkelijk en niet moo„ gelijk om te gebruijken, ten waare men eerst de effen grond, twee in Een halve voeten verlaagde en de schiet gaaten veranderde. — Het bolwerk Noord oost genaamt Graaff Willem, is in die zelfde staat als het eeven gemeld, wat aan het eene gedaan moet worden zal aan het andere ook dienen te geschieden, het eenigste onderscheijd tusschen deese twee bolwerken is, dat de walmuur van deeze in zoo een slegten staat niet is als het andere even voor af„ gemelde van Graaf hendrik. Betreffende de Gordijnen. De borstweering van de Noordelijke gordijn is niet hoo„ ger van den effen grond als. maar drie voeten, eenige verborgen zoldaaten van den veiand, zullen genoeg weesen, het guarnizoens volk te beletten, om zig op den wal te vertoonen. — De borst weeringen van de westelijke, zuijdelijke en oostelijke gordijnen zijn bij na in het zelfde geval als de even voor afgemelde, hunne hoogtens van den effen „grond zijn op zommige plaatsen maar drie tot drie en Een halve en op andere plaatsen van vier â vier en Een halve voeten de walmuuren deezer gordijnen zijn nog redelijk goed, eenelijk die aan de west zijde is zeer aan het verval hunne borst weeringen hebben geen meer dikte, dan de top van de walmuuren, dat maar twee voeten is, en hebben in steede van schoor pilaa„ ren of contre fort, een inwendige retraide van ses à seven duijmer gelijk met den grond. Belangende het Berm Pad. De beschoeijings muuren van het Bermpad is open en gezakt overal in zijn uijtgestrektheijd, dog het gedeelte welke de zuijd oost en zuijd westelijke bolwerken bezingelin, is gerepareerd, do en Noord west vooral of romdom, op het barmpad zuijd wesktelijke zijde omzingeld wordende, door de bolwerken ten zuijd weten van E 1011. November 1790. 19. van Graaf Maurits en ten noord westen van Graaf hendrik, heeft aarde grond geleegen, hoog drie en een hal„ ve voeten schuijns of als een glassie, van boven tot aan de voet van de wal muur, terwijl zulks grootelijks den vijant in het bestormen zoude gefaciliteerd hebben, zoo heeft men dienstig geagt evengem: aarde grond weg te ruijmen in aan een kant te brengen. — Van de contre Schip. De wal muur van de contre scherp aan de zuijd kant. is ten eene maale ingestort, gelijk ook de helfte aan de west kant, dog aan de noord en oost is de muur nog in weezen, maar ook zodaning in verval, en gezakt dat wel haast deese twee laatst gem: het zelfde Lot van de twee eerstgem ondergaan zullen. — Aangaande de Gragt. Dewijl deeze gragt gemeenlijk in 't Jaar agt maanden op droogt heeft men goed gevonden en gedienstig geagt deselve schoon te maaken en ook uijt te diepen, deese gragt heeft naar de tijden van de Jaaren differente veelheijd en minderheijd van waeter want in de reegen Saisoen stijgerd het waeter in het midden tot seeven â agt voeten, maar daar en teegen in de drooge tijdt is niet meer als drie of drie en Een halve voeten waater in het midden, en de daar uijt genoomene aarde is gebeesigt en gelegt worden omtrent drie â vier halve roeden af van de contre scherp en formeerd nu „ on thans een zoort van een bedekte weg en een „ volmaakte glassie. Weegens De Brug. Dezelve bestaat in drie deelen, waar van het eerste gedeelte of begin vast gelegt is aan de voet van het Bermpad ten zuijden, met twee gemetselde Boogen ieder thien voeten van malkanderen, staande, het tweede gedeelte is de valbrug, en het laatste of derde en langst- gedeelte rust op vier gemetselde pilaaren, met het eijnde daar van op de voet van de contrescherp, booven op

NL-HaNA_1.04.02_3878_1248 view scan ↗

English

November 1790. The 19th: upon it stands a wooden barrier or gate made of palisades, with a double gate, being closed when the drawbridge is raised, and opened again when lowered; there is also a wooden railing on this last part of the bridge; everything is still in existence and can also still endure somewhat for a certain time. Only the drawbridge is supported with pillars serving as abutments of the said two arches, which will not be able to last long, since the pillars are only three feet thick, and thus are not able to withstand the heavy pressure of the arches, which are supported solely by pillars; in the middle there is also already a crack or opening: for the jarring and movement of the drawbridge with the daily raising and lowering will undoubtedly cause its ruin. Concerning the canals. The canal that leads the water out of the river into the moat is four feet wide and five feet high, made of masonry and vaulted; at the mouth or outlet is a pond, from where another canal made of earth originates which goes to the place where the river is at its lowest, and leads the water into a pond made with the intention of collecting water, in order to raise the water in the moat in case of necessity. The Archimedean screw, as the simplest and least expensive apparatus, serves for that reason to be used; the other end of the first-mentioned canal is separated by about 5 to 6 feet from the wall and foot or revetment of the counterscarp; this developed separation was caused by the pressure of the earth; at this just-mentioned end of the canal, a sluice and the just-mentioned Archimedean screw must be made, the same having already been started, but not yet completed, because the river has continually been high in this current year, which in other years usually does not always happen. Although 1013. November 1790. The 19th. Even though the aforementioned repair and the work on this Fort are done, it is far from thinking that if Tipu Sultan arrived with a large force, one would be able to offer resistance for long; but if only some detachments of an army arrived, one would still indeed be able to offer them resistance. Regarding the buildings in the Fort. The main body of the buildings lies to the east, and contains on the first floor the government house, consisting of four parts on the ground floor and also a gallery on the rampart, also a bedroom upstairs with some additional rooms on the south and north side. On the ground or floor below the government house there are two pantries, an armory, a provision room and another room for furniture, where the Malabar merchants in the service of the Honorable Company also usually stay. The walls of this large building are weak in some places and in others still very solid, but only the side wall on the south side is in the very worst condition, and would certainly have collapsed already, had care not been taken for it about a year ago and the same shored up. The wooden floors threaten to collapse and are shored up from below almost everywhere. The great hall on the first floor, which was formerly used as a meeting place, is also shored up everywhere; only the ceiling and the wooden floor of a large room in the middle, and also the pantry beneath it, alongside a small room serving as a passage to this just-mentioned last one, are still somewhat passable or reasonably good. The 19th of November 1790. last one. Concerning the gallery, as already mentioned, on the rampart, it has only a roof of palm leaves and is covered with tiles. One must expect at one time or another that the mentioned ceilings, which are in a bad state and have aged and sagged over a long time, will collapse, and then the upper ones will drag the lower ones down with them in their fall and thus ruin everything. The dependencies of the government house southward on the ground floor consist of some courtyards, kitchen and slave quarters; all these buildings are in a bad state. There are also some rooms on the rampart around the south, serving for various duties, and consisting of small pantries and slave quarters, etc.; since these are always maintained, they are also still in a good and reasonably fair condition. To the north on the solid ground stands a large building containing first the spice warehouse; the second adjacent to the west is the warehouse for copper, iron, and lead, as well as etc.; adjacent again on the same line stand high walls in very great decay without ceilings, though previously there were always ceilings and a second story; on the east side of the just-mentioned spice warehouse was formerly the mint hotel, but at present it is not in use, since the walls are weakened and deteriorated, and it can no longer be employed for this service. Now speaking of the first floor above the just-mentioned warehouses, there stands the church; adjacent to the west is a room for the service of storing the Company's bales; subsequently adjacent again to the west were two rooms that have always been in use.

Dutch transcription

November 1790. Den 19: op staat een houte met stakketten gemaakte barierre of hek, met een dubbelde poort, wordende geslooten als de valbrug op getrokken, en needer gelaaten, wordende wederom g'opend, ook is 'er eene houte leening op dit laatste deel der„ brug alles is nog in weezen en kan eenigsints ook nog voor een zeekere tijd bestaan: Eenelijk de ophaal- bragis on„ dersteunt met pilaaren dienende tot culees der gem: twee boogens, die niet lang zullen kunnen duuren, terwijl de pilaaren maar drie voeten dik zijn, en dus niet bestaanbaar zijn teegens de zwaare drukking der boogen, welke eenelijk van pilaaren onderstut worden in het midden is er ook reeds eene scheuring of opening: want de schulding en beweeging van de wal brug met het daegelijkse op en needer haalen, zal ontwijffelbaar de ruijn en zal veroorzaaken. Betreffende De Cannaalen. Het canaal die het water uijt de revier in de gragt ge„ leijd, is breed vier, en hoog vijf voeten, gemetseld en verweeft, aan de mond of uijt gang is een vijver, van waar nog eer van aarde gemaakte canaal spruijt die tot de plaats daar het revier ten laagsten is gaat, en gelijd het wa„ ter in een vijver, die met inzigt gemaakt is tot opga„ dering van waater, om in cas van nood zaakelijk„ heijd, het wagter in de gragt te doen reijsen Lavis de Archimeede /:snekmoole:/ als het een voudigste en minkostbaarste werktuijg diend om die reeden te werden gebruijkt, het ander eijnd van eerst gem: Cannaal is omtrend 5. â 6. voeten afgescheijden van de muur en voet of schoeijing van de contre scherp: deese ontstaa„ ne scheijding is door de drukking van de aarde veroorzaekt, aan dit evengemelde eijnde van het can„ naal, moet een sluijs en evengem: Lavis de Archimeda snekmoole gemaakt worden, zijnde deselve reets be„ gonnen, maar nog niet voltooijt, om reeden het re„ vier in dit loopend Jaar geduurig hoog geweest is, het welk in de andere Jaaren gemeenlijk niet altoos ge„ beurt. — Alschoorn 1013. November 1790. Perl 19. Alschoon dan ook de voor afgemelde repatie en het werk gedaan worden is aan dit Fort, zoo is het ver van om te denken dat wanneer Tipoe Sulthan met een groote magt aankwaam men niet lange zoude kunnen teegenstand bieden, dog zoo er maar eenige detachementen en van een leeger aan kwaamen zoude men hen ook nog wel kunnen teegenstand aanbieden. Belangende de gebouwen Jn't Fort. Het voornaamste lichaam der gebouwen legt. oostelijk, en bevat op de eerste verdieping het gou„ vernement, bestaande in vier deelen gelijks vloer en nog van eene galderij op de wal, ook een slaapka„ mer om hoog met nog eenige vertrekken aan de zuijd en noordkant. — op de grond of vloer beneeden het gouvernement bevinden zig twee disponsen, Een wapenkamer, Een provisie vertrek en nog een ander vertrek tot meube„ len, alwaar zig ook gemeenlijk de Mallabaarse koop„ lieden in dienst van de E: Comp: op houden de muuren van dit groote gebouw zijn op eenige plaatsen zwak en op andere nog zeer solide, maar eenelijk de zijd muur aan de zuijdkant, is in den alderslegtsten staat, en zoude reets zeekerlijk ingestort zijn, hadde men niet nu omtrend een Jaar geleeden daar voor zorge gedraa„ gen en deselve onderschraagt. De houte vloeren dreij„ gen den ondergang en zijn van beneeden bij na= overal onderstut de groote zaal op de eerste staijie, die eertijds tot vergaderings plaats gebruijkt wierd, is meede over al onderschraagt, alleenlijk is nog eenigsints passabel of reedelijk goed, de zolder en de houte vloer van een groot vertrek in het mid„ den en ook de dispens daar onder, neffens een kleen vertrekt dienende tot passagie van deese evengem: laeste. Den 19. ' November 1790. laatste. Betreffende de galderij als reets gemeld op den wal, heeft maar een dak van palmeeren en is met pannen gedekt men moet de eene of andere tijd ver„ wagten, dat de gemelde in een slegten staat, zig bevin„ dende zolders die door langen tijd veroudert en inge„ zakt zijn, instorten zullen en als dan de bovenste door hunnen val de beneedenste meede sleepen en dus alles ruijneeren zullen. De dependenties van het gouvernement Zuijderwaards op het platte vloer bestaat in Eenige voorplaatsen kombuijs en slaave vertrekken, alle deeze gebouwen zijn in een slegten staat. Nog zijn ook op de wal om de zuijd eenige vertrekken, ^tot deserente diensten, en bestaande, verstrekkende, in kleene dispensen en slaaven vertrek„ ken &=a terwijl dan deese altoos onderhouden worden zijn bevinden zig dezelven ook nog wel en in een reedelijken staat. Ten noorden op de vaste grond staat een groot gebouw bevattende eerst het specerij pakhuijs, het tweede naast aan ten westen is het pakhuijs van koo„ per ijser en Loot als ook &=a wederom naast aan op de zelfde Linie staan hooge muuren in zeer grooten verval zonder zolders, legter zijn te vooren altoos zol„ ders en met eene verdieping geweest, aande oost zijde van het even gem: spicerij Pakhuijs was eertijds de munt hottel dog thans in geen gebruijk, terwijl de muuren verzwakt en vergaan zijn, en tot deesen dienst niet meer kan geemploijeerd worden. — Thans spreekende van de eerste verdieping boven„ even gem: pakhuijsen staet de kerk, naast aan ten westen is een vertrek ten dienst van 's Comp=s Pakken te bergen vervolgens wederom naast- aan ten westen bevonden zig twee kaamers die altoos in gebruijk ge„ weest.

NL-HaNA_1.04.02_3878_1251 view scan ↗

English

1015. November 1798. used to sort the Company's linens, but at present they are inhabited by sergeants and soldiers of the Jaffanapatnam Detachment; regarding the walls of this building, they are dilapidated on the outside in some places, while on the other hand still very solid in others; regarding the wooden floors and ceilings of the first storey of this building, with the exception of the planks of the aforementioned adjacent rooms where the Company's linens were sorted as already mentioned, it is sad to say that their ruin is near, and that event must be expected daily, as the beams are only there in appearance, for the interior is eaten through and reduced to dust by worms. Both the spice warehouse and the adjacent one already mentioned are propped up below everywhere with supports for that purpose, merely to delay the collapse from above, which will not be able to last or hold out for a long time before the upper floors come crashing down, which will then drag everything down with them; that time is not very far off and great danger of damage and loss is to be expected. The actual main body in the middle of this fort consists of four adjoining dwelling houses, of which the first to the south is the residence of the military commander; the second next to it is the dwelling house of the secunde or chief administrator, which is now used with all its dependencies as a warehouse for the Company's 19 November 1790. Company's goods. The third, also adjacent, has always been the dwelling house of the Warehouse Keeper, but is now employed in the service of the Trade Office; the fourth likewise adjacent, formerly having been the residence of the chief surgeon, is now inhabited by various qualified Company servants; these four houses have one storey; the main walls, although not very thick, are nevertheless very solid; the plank floors, although also very old, still appear to be in a reasonable condition, but the outbuildings and rear rooms of these houses, except the third aforementioned Warehouse Keeper's residence, are all in decay. To the south below on the ground stands also a large building, having had one storey, previously containing a military barracks, a hospital, a pharmacy, with some other rooms as well, but at present this building is totally in decay, and only the bare walls remain standing. It is now already a year ago that a palm roof covered with cadjans was constructed upon it, as shelter for the sailors who were expected to be lodged there, but who have nevertheless not yet arrived; to the east of the aforementioned military barracks on the first storey is the Company's secretarial office, a weak, cramped and old building; beneath it or below on the ground is a sergeant's quarters in very bad condition, but it serves at present as 1017. the 19 November 1790. a criminal prison. To the west of the already frequently mentioned barracks is a small triangular space before the powder magazine, which is still in a very reasonable and good condition. To the west upon the rampart is a long, large, extended building of little breadth and not deep; for lack of a military barracks, it is used to house the soldiers of the garrison, and also in the service of the artillery to store ammunition goods; this building is weak, but nevertheless in good condition and little decayed. To the west below on the ground on the north side is the smith's and carpenters' shop, in reasonably good order, although the pillars are somewhat aged. To the south adjacent to the aforementioned shop on the very same line is the mint, which was newly built about three years ago, and lacks only the plastering work. The principal part of this building is used for the service of the Company's pay office; some rooms are used for the Assayer, and still other rooms are employed as warehouses; on the open square of this mint complex towards the south is a corridor leading to a vaulted warehouse, which is used for the Company's bales. To the south adjacent to this mint complex on the same line is a warehouse in use by the Master 19 November 1790. Attendant; its walls outward or from the outside are somewhat in decay, but the ceiling is still reasonably good and can also last for some time. The Gate of the fort, being the only one standing to the south, is still in a reasonable state; on top of it stand two masonry pillars with an arch, with a bell in good condition hanging in the middle; below on the ground entering the gate, there are two open rooms on either side, which are used for various civil prisoners; somewhat further or adjacent on either side, two guardhouses are in use for the soldiers keeping watch; the walls of these rooms and their ceilings are still good and tolerably passable. Between the aforementioned guardhouses and the secretariat on the east side is a corridor leading to a small open space, to a room previously serving for the bookbinder, but at present coals are stored therein; the walls of this room are old and dilapidated. Below on the ground in front of the frequently mentioned spice warehouse is a cistern which previously received water from the church roof, but because this roof has sagged, and the channels or water pipes have become clogged and decayed, this cistern can no longer receive water, and besides this it also does not hold water, for it was about half a year ago that they once

Dutch transcription

1015. November 1798. weest zijn tot het zorteeren van 'sComp=s lijwaten maar thans worden deselve bewoond van zergian„ ten en zoldaaten van het Jaffanapatnamse De„ tachement, aangaande de muuren van dit ge„ bouw zijn van buijten bouwvallig op eenige plaat„ sen, daar en teegen, ook weeder om op andere nog zeer solide betreffende de houte vloeren en zolders van de eerste verdieping van dit gebouw, /: uijt ge„ zondert de planken der evengem: naest malkan„ deren staande kaamers daar de 'sComp:s lijwaaten uijtgeschooten werden als reeds gemeld :/ is het droevig te zeggen dat hunne ruine nabij is, en dat evenement moet men daegelijks verwag„ ten, terwijl de balken maar in schijn zijn, want het binnenste is van wormen doorvreeten en ver„ moland. zoo wel het specerij pakhuijs als ook het naasstaande bij de reets gemeld en beneeden zijn overal ten dien eijnde met stutten onder„ schraagt, om den val van booven maar te over„ traagen, het welk geen langen tijd zal kunnen duuren of bestand houden, tot dat de boovenste zolders koomen in te storten die als dan alles zul„ len meede sleepen, de tijd daar van is niet heel ver af en groote gevaar van schaaden en nadeel te verwagten staat. Het eijgentlijke regte lichaam in het midden „naast van dit fort, bestaat in vier „ aan malkanderen gevoegde woonhuijsen, waar van het eerste ten zuijden, de woo„ ninge is van den commandant militair het Tweede naast aanstaande is het woonhuijs van den secun„ de of hoofd administrateur, dat thans gebruijkt. word met alle dependenties als een pakhuijs van scomp=s November 1790. 19 Den scomp:s goederen: Het derde ook naast aanstaande is het woonhuijs altoos geweest van den Pakhuijsmeester„ dog word thans geemploijeerd ten dienste van het negotie Comptoir het vierde van 's gelijken naastaande eertijds geweest zijnde de wooninge van den oppermeester maar werd thans van de fferen„ te gequalificeerde 'sComp:s dienaars bewoond, deese vier huijsen hebben eene verdieping, de hoofd muuren alschoon niet heel dik zijn, nogthans zeer egt: de planke vloeren alschoon ook zeer oud, schijnen egter nog in een redelijken staat zig te bevinden, maar de bij werken van agter vertrek„ ken desert huijsen /:excepto het derde gem: pakhuijs„ meesters bewooninge:/ zijn alle maal in het verval„ Ten zuijden beneeden op de vaste grond staat ook een groot gebouw zijnde met een verdieping geweest, te vooren bevat hebbende een militairen casserne. Een hospitaal Een apotheek met nog eenige andere kamers dog thans is dit gebouw ten eenenmaale in verval, en staan enkeld nog de bloote muuren. het is nu al een Jaar geleeden, zoo heeft men een palmeeren dak met vlassen gedekt daarop gemaakt, tot berginge voor de mattroosen die min verwagt heeft tedoen logieeren maar die egter nog niet aangekoomen zijn, ten oosten van eeven gem: militairen caserne op de eerste ver„ dieping, is 's Comp=s secretarij comptoir, een zwak beknopt en oud gebouw, onder deselve of beneeden op de vaste grond is een zergiants wooninge in een zeer slegten staat, maar verstrekt thans tot 1017. den 19. November 1790. tot een arimineel gevangen huijs. — Ten westen van reets meergem: casserne is een kleen drie hoekige plaats voorden kruijt kelder, die & zi zig nog in een zeer reedelijken en goeden staat bevind. - Aan het westen op de wal, is een lang groot. uijtgestrekt van wijnig breete en niet diep te gebouw, bij gebrek van Militaire casserne, word het gebruijkt om de soldaaten van het quar„ niszoen te logieeren, en ook ten dienste der ar„ thillerij om de ammonitie goederen tot bereginge te gebruijken, dit gebouw is zwak maar nogthans in een goeden staat en weijnig in verval. Ten westen beneeden op de vaste grond aan de Noord kant is de smiths en timmerliedens winkel, in een reedelijke goede ordre, als choon ook de pilaaren een weijnig verouderits zijn. Ten zuijden naast aan even gem: winkel op de eijgenste linie, is de munt, die omtrend, drie Jaaren geleeden nieuw gebouwt is, en man„ gueerd enkeld nog het pleijster werk daar aan. het voornaamste deel van dit gebouw word gebeesigt ten dienste van 'sComp:s het soldij comptoir: eenige kamers worden gebruijkt voor den Essaijeur, en nog andere vertrekken worden geemploijeerd als pakhuijsen op de open plaets van dit munt hottel Zuijdwaarts, is een gang die na een verwultts pakhuijs geleijd, het welk gebruijkt word voor 'sComp:s pakkens. — Ten zuijden naast aan dit munt hottel op de zelfde Linie, is een pakhuijs in gebruijk bij den Equipagie ƒ Den 19: November 1790. „Equipagie meester de muuren van het zelve uijtwaards of van buijten, zijn een weinig in verval, dog de zol„ der is nog reedelijk goed en kan ook nog eenige tijd duuren: De Poort van het fort als maar de eenigste staande ten zuijden, is nog in een redelijke slaat„ booven op de zelve staan twee gemetzelde pielaa„ ren met een boog, hangende in het midden een klok wel geconditioneerd, beneeden op de vaste grond de poort in koomende, bevinden zig op weers zijden twee opene vertrekken, die gebruijkt worden voor differente civille arrestanten, iets ver„ der of naast aan op weers zijden, zijn twee corps de gardes voor de wagts houdende militairen in gebruijk de muuren deeser vertrekken en de„ zolders derzelven, zijn nog goed en tamelijk pas„ sabel. — Tusschen de Evengem: corps de gardes en de se„ cretarij aan de oostkant, is een gang gelijdende op een kleene open plaats, naar een kamer te vooren en ten dienst verstrekt voor den boekebinder, maar thans worden en koolen in geborgen, de muuren van dit vertrek zijn oud en bouwvallig: Beneeden op de vaste grond voor het veelmaals gem: specerij pakhuijs is een reegenbak die te vooren het water van de kerk zolder bekoomen heeft dog de wijl dit dak gesackt is, de cannaalen of water leijdingen verslopt en vergaan zijn, kan deese bak geen waeter meer ontfangen en buij„ ten dit houd deselve ook het waeter niet want het is omtrend een half Jaar geleeden, dat men eens

NL-HaNA_1.04.02_3878_1255 view scan ↗

English

1019. November 1790. filled this cistern once, but four days after the filling, no more water was to be seen in it. To the east, at a distance of three to four half rods, there is another or second, though smaller, rainwater cistern in the same unusable condition as the first mentioned, and it also does not hold water; it must receive the same through water conduits from the lofts of the government house. Ending herewith the work of this executed commission, and hoping to have given satisfaction and complied with your Honorable and Worshipful esteemed order, we take the liberty and honor to subscribe ourselves herewith. It was underwritten: Right Honorable and Worshipful, and Commanding Sir, your Right Honorable and Worshipful's duty-bound and obediently willing servants. It was signed: David Kakle and W: H: Nuwer. In the margin: Palliacatta in Castle Geldria, the 19th of November 1790. Lower: In my presence and before me, signed: P: Brossette. Whereupon deliberation and remark were made concerning the obligation under which one lies not to incur any extraordinary expenses on anything without absolute necessity, however much otherwise, or if one 19. must remain here, that would be unavoidable, considering that besides this, nothing good can be made of the defects, and small repairs only serve to accumulate costs, which one runs the danger of seeing occur continuously more and more. Thus, after deliberation, it has been resolved and understood to order the aforementioned Ensign Engineer that, since the description and the plan of the Fort made and drawn up in February 1786 have remained here without submission and presentation to the Honorable High Indian Government, and the plan itself was recently The 19th of November 1790. handed 1021. The 19th of November 1790. over to the gentlemen commissioners on behalf of the state for the inspection of the fortification works and the state of the defense system in the Indies, he form a further plan and explanation of Fort Geldria, also a calculation of what the necessary improvement and repair of the same and of the buildings should cost, the plan in duplicate so that one is kept here and the copy, with the description of 1786, also the thought calculation, be presented at the earliest to the well-mentioned High Indian Government, and at the same time the necessary be demonstrated with regard to the now incoming report. Next, there is taken in hand the marginal answer submitted a few days ago by the Pay Bookkeeper Broerius Brouwer to the gentleman Governor, regarding the report from the head of the General Pay Office, the Honorable Cornelis Sinckelaar, received alongside the formal rescript from the Honorable High Indian Government dated 27 April of this year, and with an extract from the just-mentioned missive in copy of the list attached thereto, handed to him, Brouwer, upon receipt thereof, and, in the deliberation about it on the 2nd of October last, it having been demanded in the margin The 19th of November 1790. thereof 1023. November 1790. The 19th. to elucidate and inform the assembly, in order to present and resolve upon the necessary regarding it, reading as follows. To the Right Honorable and Worshipful gentlemen Nicolaas Tadama, outgoing, and Jacob Eilbracht, incoming Governor of this Coromandel government with its jurisdiction, together with the Council, Right Honorable and Worshipful gentlemen and Right Honorable Gentlemen. In dutiful observance of your Right Honorable and Worshipful resolution dated 2 October of this year, namely to answer in the margin the remarks of the Senior Merchant and Head of the Batavia Pay Office C: Sinkelaar, the submissive subscriber has the honor to note that. The undersigned, having finally received such charters as he needed in order to make the required remarks upon the examination of the Coromandel pay books of 1785 and 1785/6, has the honor, in dutiful fulfillment of your High Honors' highly venerated resolution dated 11 July of the previous year, respectfully to report. To His Honor The High Honorable and Grand Worshipful Lord Master Willem Arnold Alting, Governor General, Together with The Right Honorable and Strict Gentlemen, Councillors of the Netherlands Indies. High Honorable and Grand Worshipful Lord and Right Honorable and Strict Gentlemen. Insertion. That

Dutch transcription

1019. November 1790. „ heeft eens deezen bak gevult„ maar vier dagen na de vul„ linge was er geen waeter meer daar in te zien. — Ten oosten is den afstand van drie â vier halve roeden, is er nog een ander of tweede edog kleender reegenbak in eenen denzelven onbequaamen staat als eerst gem: en houd het waater ook niet, moet het zelve door water leijdingen ontvangen van „de zolders van het gouvernement. Eijndigende hier meede het werk deeser ge„ daane commissie, en verhoopende uwelEd: agtb: g'eerde ordre genoegen gegeeven en voldaan te heb„ ben aanmaatigen ons de eere bij deesen te onder„ schrijven. /:onderstond:/ welEdele achtbaare &n Ge„ biedende heer uwel Edele Achtbaarens Dienst. schuldig, en obedient willige dienaaren. /:was geteekend:/ David Kakle en W: H: Nuwer /: Jn„ margine:/ Palliacatta Jn't Casteel Geldria den 19. November 1790. /:Lager:/ Jn mijn presentie en ten mijnen overstaan /:geteekend:/ P: Brossette. — Waar op gedelibereerd en geremar„ aliberatie daar dver queert zijnde op de verplichting waar onder men legt van geen extra ordi„ naire ongelden; zonder volstrekte nood„ zaekelijkheijd, aan het een of ander te mogen doen, hoe zeer ook anders of in dien men 19. de pficate van ot ngatren e orma men alhier verblijven moet, dat onver mijdelijk zoude zijn, aangezien buijten dat, er niets goeds van de gebreeken is te maaken, en kleijne reparatien, maar dienen tot eene op een stapeling van kosten, die men gevaar loopt van ge„ duurig meer en meer te zien voorkoomen. zoo is na overweiging, goed gevonden en verstaan den vendrig Jngenieur voormelt te gelasten om, vermits de beschrijving en het plan dat van het Fort inst: in Februarij 1786. gemaakt en geformeert is geworden, zonder voor„ dracht en vertooning aan de Edele hooge Jndische regeering alhier blijven leg„ gen, en het plan zelve, nu Jongst afge„ Den 19 November 1790. „geeven. 1021. Den 19. November 1790. „verbeekering geeven is aan heeren commissarissen van wegen den staat tot den opneem der Fortificatie werken en staat van het defensie weezen in Jndie, van het Fort Geldria te formeeren een na„ der Plan en explicatie, jtem een cal,„ tem Caleutatie van't nodige tot culatie van het geen de noodige ver„ „beetering en reparatie aan het zelve en de gebouwen zoude dienen te kosten het plan dubbelt om eens alhier bewaart. om 2. 2. ds aantsbieden en de kopij, met de beschrijving van 1 ƒ 1786., item de gedagte calculatie ten naasten welmelde hooge Jndische Re„ geering aangebooden, en tevens het no„, en onderwataantooning dig vertoond te worden, met op zicht van het nu ingekoomen rapport. — vervolgens 2e ug: er ge anten op he baa Vervolgens word ter hand genoomen, het voor eenige dagen geleeden door den soldij Boekhouder Broerius Brouwer aan den heer gezachhebber overge„ „geevene marginaal Antwoord op het bericht van het opperhoofd van het gine„ raale soldij kantoor de E: Cornelis Sinc„ kelaar, ontvangen neven de Formeele rescriptie van de Edele hooge Jndische regeering de dato 27. April deeses Jaars, en met Extract uijt evengemelde missi„ ve in copia van de daar aan gehegte Lijst, hem Brouwer, op ontvangst van dien, ter hand gestelt en bij de besoig„ ne daar over op den 2. october Jongstlee„ den, gedemandeert zijnde in margine Den 19 November 1790. van 1023. November 1790. Den i 1 van dien, de vergadering te elucideeren en te informeeren, ten einde het nodige daar op te vertoonen, en te besluijten luijdende aldus. Aan de WelEdele achtb: heeren Nicolaas Tadama afgaande en Jacob Eilbracht Aankomend gezaghebber deeses cormandelsen gou„ vernements met den re„ sorte van dien Nevens den Raad Wel Edele agtbaare heeren en Wel Edele Heeren De ondergeteekende eindelijk ontfangen Jn schuldig observan„ hebbende zulke charteres als hij benodigt was, tie aan uwel Edele acht„„ baare besluijt in dato 2. oc„ tober deses Jaars omname om bij visitatie der Cormandelsche soldij boe„ lijk in margine te beant„ ken van 1785. en 178 5/6. de vereischte remarques woorden de remarques van den opperkoopman in hoofde kunnen maaken, zoo heeft hij zig de Eer van het Batavia soldij tans, in schuldige voldoening aan uwe hoog comptoir C: sinkelaar, heeft Edelens zeer gevenereerde besluijt de dato 11. den submissen teekenaar Julij a=o p=o eerbiedig te berichten. — de eer te nooteeren, dat. Aan zijn Edelheijd Den hoog Edelen groot Achtbaaren Heer M=r Willem Arnold Alting Gouverneur Generaal Beneevens. De welEdele gestrenge heeren raa„ den van Nedderlands Jndie. Hoog Edel groot Agtb: Heer en WelEdele Gestrenge Heeren Insertie Dat

NL-HaNA_1.04.02_3878_1260 view scan ↗

English

The 19 November 1790. This granting of wages, board money and emoluments took place upon instructions... That he, from Your High Excellencies' letter dated 19 April 1784, § 57 and 71, and secret ditto of 10 September following, § 23 and 24, both addressed to the Ceylon ministry, from which extracts have been received, has not learned that which the Coromandel ministers have claimed in their resolutions of 11 October and 3 September, namely: That Your High Excellencies had granted to all the servants still remaining on that coast the wages, board monies and further emoluments from the day that they no longer enjoyed maintenance, and that Your High Excellencies also, by secret letter to Ceylon of 10 February 1784, intending beyond all doubt that of 10 September of the same year just cited, were said to have agreed to allow the accounts of the commander Blaaukamer and junior merchant De Ravallet to resume their course from the day that they had last enjoyed their pay, and furthermore to have them reimbursed at the same time for all their previously enjoyed emoluments since they had to miss them; according to which position, the pay bookkeeper Duijnevelt was ordered by the Ceylon ministry on 26 July 1785, § 68, to allow each of the Company's servants to enjoy the favorable concession of Your High Excellencies, namely to enjoy wages, board money, and emoluments from the day that the English ceased providing maintenance; in compliance with which decisions said bookkeeper then also, as shown by the books of 1785, validated wages for everyone who had not enjoyed relief money from the English, from the day that they were cut off as prisoners of war, and for those who had received subsistence, from the day that the same had ceased. This granting took place by their letter of 30 June 1785 to Mr Blaaukamer as head of the Dutch Nation and appointed commander on this coast, alongside the members of the former Nagappatnam Council, who founded their resolution of 11 October 1785 upon it, as is also noted in the outgoing letter from this government to Your High Excellencies, to which Your High Excellencies were pleased to reply in your highly revered letter of 28 April 1786 as follows: "That Your Honour would have the wages of such servants who might not be inclined to come over to Palliacatta written off as of the last of October 1785, and that they would be considered as discharged from the service, we hold to be well done, and we approve the further arrangements made by Your Honour in that regard." It should also be noted that when this order was dispatched to Mr Blaaukamer and the members of the former Nagapatnam council, this coast was still under the jurisdiction of the government of Ceylon; several prisoners of war among the servants of this coast also crossed over to Ceylon, to whom wages and board money were provided there and entered into an account with the pay books, which was passed by Your High Excellencies in a highly respected letter to the highly esteemed Ceylon government. If the contents of Your High Excellencies' aforementioned honored instructions are then compared with that, these contradictions reveal themselves: that Your High Excellencies, referring to the tenor of the general article brief to 5. § 61, granted unhindered continuation of wages and board monies to no one other than the ecclesiastical servants, but on the other hand granted authority to make an allowance according to reasonableness to those who had not enjoyed relief money from the English, such as to the former chiefs at Jaggernaikpoeram, Blaaukamer and De Ravallet, as well as to all others who stand in a similar position to them. The 19 November 1790. It is true, Your High Excellencies were pleased to declare that you hold it to be well done that the accounts of Commander Blaaukamer and Junior Merchant De Ravallet were allowed to take their course from the day that they last enjoyed their pay, and that presumably on the basis of their separately made petition for a more sufficient sum than their wages and emoluments amounted to, in compensation for the heavy expenses they incurred; however, this occurred by a further letter to the Coromandel ministry dated 28 April 1786, and that concession was not made applicable to all the remaining servants without distinction, as was understood and put into effect over there. If the compensation generally made in Coromandel for wages unearned on account of imprisonment of war is contrary to the article brief and to the further orders and authorizations given by Your High Excellencies, it is no less contradictory to the arrangements and treatments that took place with regard to the servants stationed in Bengal, Souratta, Trinconomale, and Padang, as well as on various captured ships, all of which

Dutch transcription

Den 19. November 1790. Deese toelegging van gagie, kostgeld en emolumenten„ is geschied op aanschrijvens Dat hij uijt uwe hoog Edelen missive ged=t 19. april 1784. § 57. en 71. en secreete dito van den 10. september daar aan § 23. en 24. beide gericht. aan het ceilonse ministeerie /: waar van extrac„ ten ontvangen zijn:/ niet heeft vernoomen, het geene de chormandelsche ministers in der zel„ ver resolutien van den 11. 8ber: en 3. 7ber: hebben voorgegeeven. Teweeten: Dat uwe hoog Edelheedens, aan alle de ter dier kuste nog over gebleevene dienaaren toege„ legd hadden, de gagien kostgelden en verdere ring bij wel, derzelver brief van den 39. Junij 1785. aande heer Blaauka„ Emolumenten, van den dag af dat zijn geen mer als hoofd der hollands Natie en benoemd gesachhebber ter de„ onderhoud meer genooten hebben, en dat hoogst „ser custe, neevens de leeden van der geweesen Nagappatnamsen dezelven ook, bij secreete missive na ceilon van Raad, welke daar op kunne Re„ solutie van den 11. october 1785. den 10. febr: 1784. /:bedeelende buijten allen twijf gefundeerd hebben, gelijk dit bel die van den 10. September desselven Iaare„ meede bij den afgaanden brief van dit gouvernement aan zoo even geciteerd:/ zouden hebben geaccordeert hun hoog Edelheeden genoteerd staat waarop hoog deselve bij om de reekeningen van den gezaghebber Blaau„ zeer gevenereerde missive van den 28. april 1786. het volgende kamer en onderkoopman De Ravallet, weder hebben gelieven te antwoorden, „Dat uE: de gagien van zoda„ te laaten Cours neemen van den dag of dat „nige dienaaren, die niet ge„ zij hunne bezolding laatste genooten had„ „neegen mogten zijn na Pallia„ „catta over te koomen zouden den, voorts aan hun tevens te laaten vergoeden „laten afschrijven onder ul„ „timo october 1785. en deselve alle hunne bevoorens genootene Emolumen„ „geconsidereerd zouden worden „als uijt den dienst ontslagen, ten zedert dat zij dit hadden moeten mis„ „houden wij voor welgedaan, sen volgens welke sustenue, den soldij Boek„ en approbeeren de verdere schik„ van de zeer g'eerde Ceijlonse regee„ „kingen. „houder 1025. November 1790. Den 19 het ceijlons ministerie in dato 26. Julij 1785. §68. ge„ kingen door uE dien aangaande houder Duijnevelt gelast is geworden ont een gemaakt. ieder van 's Comp=s dienaaren te doen Jousseeren, Nog staat aantemerken dat toen deese ordre aan de van de gunstige concessie van uwe hoog Edelens, heer Blaaukamer en de Leeden om namelijk gagie kostgeld, en Emolumenten van den geweesen Nagapat„ namsen raad is afgevaardigt. te genieten van den dag dat de Engelschen deese kust nog onder het gou„ vernement van ceijlon sor„ met het verstrekken van onderhoud hebben teerde: ook zijn er verscheij„ gecesseerd in voldoening van welke besluijten dene krijgs gevangene die„ naaren van deese kust na ged: boekhouder dan ook uijtwijzens de boeken ceijlon overgegaan, aan van 1785. een ieder, die geen onderstands gelden van de welke gagie en kostgeld al„ daar verstrekt, in een reeke„ Engelschen genooten hadde, gagie heeft gevalideerd, ning bij de soldijboeken ge„ van den dag, af dat als krijgs gevangen afgeslooten geven is het welk door hun hoog Edelheeden bij zeer ge„ zijn geworden, en de geene die subsestentie gekreegen respecteerde missive aan hadden van den dag af, dat dezelve opgehouden was, Word daar naar geconfronteerd der inhoud van op gem: uwe hoog Edelens geeerd aanschrijvens dan openbaaren zig deezen contradicten dat hoogst deselven, zig refereerende aan den teneur van den generaalen articul brief tot 5. §61. aan niemand onverhinderen Cours houding van gage en kost„ gelden geaccordeerd hebben, dan aan de kerkelijke bedienden, maar daar en tegen qualificatie hebben verleend, om na redelijkheijd en toelage te doen aan de zulken, die van de Engelschen geen onderstands gelden genooten hadden, gelijk aan de geweesen ap„ perhoofden te Jaggernaik stoeram Blaaukamer; in de Ravallet; mitsgaders aan alle anderen, die met hen in een gelijk betrekking staan. — passeerd is. Wel . 1 E E Den 19. November 1790. wel is waar uwe hoog Edelens hebben zig gelieven te declareeren, dat voor wel gedaan houden, dat men de reekeningen van den gezachhebber Blaau„ kamer, en den onderkoopman De Ravallet heeft. laten Coers neemen van den dag af dat zij hunne besolding laast genooten hebben, en zulks presum„ tie, op fundament van hun afzonderlijk gesaane instantie, om een meer toereekend tantum, dan hunne gages en Emolumenten bedraagen, ter te gemoed koming in hunne gedaane zwaare ongelden, Edog dit is geschied bij nadere missive aan het chormandelsche ministeerie gedateerd 28. april 1786. en die concessie niet applicable gemaakt op alle de overige dienaaren zonder onderscheijd, gelijk men ginter begreepen en werkstelling gemaakt heeft.-. Js de te cor„ mandel in het algemeen gedaane goeddoe„ ning van weegens krijgs gevangenschap on„ verdiende gagie, strijdig met den articul brief en met de door uwe hoog Edelens nader gegeevene ordres en qualificatien niet minder contra dic„ toir is deselve met de schikkingen en behan„ delingen, welke plaats gevonden hebben ten aanzien van de bedienden, bescheiden geweest te Bengalen; Souratta, Trinconomale, en Padang, mitsgaders op diverse ver ovorde scheepen, alle welke

NL-HaNA_1.04.02_3878_1263 view scan ↗

English

1027. November 1790. The 19th. who, despite having been in the same fatal circumstances virtually at the same time, far from being permitted to share in such a singularly great privilege, were forced to forfeit their salaries during the period of their captivity as prisoners of war or for as long as they remained out of employment; what is more, those who, upon the loss of Nagapatnam, were also present there, but shortly thereafter were transported hither via Madras on the cartel ship De Concordia—persons known by name in the recorded resolution of your High Noblenesses dated 13 December 1782—were likewise deprived of their wages until they again rendered service in their previously held capacities. The humble undersigned, not considering himself obliged for the present to provide a specific statement of the considerable amount of damage caused to the Honorable Company by the aforementioned error, moves to declare with reference that, contrary to style and practice, accounts of a great multitude of people (too numerous to record here) were included from the books of 178 1/2 and those of 1785, without carrying them forward into those of 178 5/6; in some, wages were credited and noted as continuing upon the closing of the books, while others were left open without making anything known therein. Undoubtedly, the second carry-forward was premeditatedly omitted because it was discovered that those people did not re-enter the Company's service upon the re-establishment of the offices (at least not yonder). Yet the bookkeeper could in this instance never have acted with greater ignorance and simplicity, and he thereby also demonstrated that little attention and accuracy were employed during the compilation of the books of 1785. The pay bookkeeper Simon Duijnevelst having on 24 November 1785 progressed so far with the pay books of this government for 178 1/2 that the same could be closed, submitted a report on that date, which was presented on 3 December 1785 in the Council of Policy at Palliacatta, briefly stating that because there were many difficulties and various papers from the outer offices were missing, he might be permitted to close the same just as they were, and to issue an account closed as of 12 November 1781 to those persons who had left their wages standing, as well as to include those who had a debit or credit balance in the books newly to be formed under date of 26 July of the said year, when the Company's flag was planted at this main settlement, by means of a carry-forward; thus the same was authorized by the aforementioned resolution of the Coromandel Council of 3 December 1785 to act accordingly. Subsequently, the said pay keeper presented a petition on 9 September 1786, whereby he requested: to close all accounts that had been included and carried forward into the new books of 26 July 1785, and to balance those of the missing persons against the Company. Secondly, that under each account of the absent servants a note might make it known that if anyone should happen to appear, the same could then be taken up again. Thirdly, to close all accounts of the topasses and mestizos, as well as Malays, and to leave them out of the books. Fourthly, if any of the mestizos or topasses should appear to claim their earned wages, the same might then be written off in the trade books against previous years' earned pay. Upon this, it was resolved to grant the first three points, and regarding the fourth, he was ordered to close the accounts of the topasses finally and to leave them out of the new books. The pay bookkeeper has thus in this matter complied with orders given to him by his superiors, without intending anything other by this procedure than to make the books more concise, as otherwise a multitude of names would have run through the books, in view of the pay books of 178 5/6, in which it is marked that they were continuing; the reason for this being that the pay keeper, well aware that those persons were alive, yet unaware whether they would re-engage in the service of the Honorable Company, which was nevertheless rectified as far as possible in the books of 178 6/7, as most servants had returned from the places of their dispersal. The merchant Ceracules Moosep In evasion of the circular order renewed in the home country memorandum of remarks made on the pay books, dated Amsterdam, 4 December 1780 (of which an extract was sent to Coromandel in due course), several death accounts were closed without the required notes, so that it is not apparent from them whether the deceased left any testaments or not, and who, as heirs or executors, assumed the estates; it is merely noted that they left a wife and children, as, among others, in the death accounts of Ceraculus Mosses of Enkhuijsen, merchant, and Gijsbertus Zegeelaar of The Hague, captain.

Dutch transcription

1027. November 1790. Den 19. welke niet teegenstaande zij genoeg zaam te gelijker tijd in dezelfde fataale omstan„ digheijd geweest zijn wel verre van in zo een sinculier groot voorrecht te hebben mogen par„ ticipeeren hunne besoldingen hebben moeten missen geduurende den tijd hunner krijgs ge„ vangenschap of zoo lang buijten emploij ge„ weest zijn, wat meer is, de bij gemis van Naga„ patnam aldaar: ook present geweest zijn der dog kort daar op over madras met het cartel schip De Concordia herwaards overgevoerde perzoonen, nominatim bekend staande in het notulair besluijt uwer hoog Edelens, van den 13. December 1782. zijn almeede van hunne gagie verstooken gebleeven, tot dat ze in hun„ ne voorige bekleeden qualiteiten weder dienst gedaan hebben. — Den humblen tekenaar, zig voor als nog Den soldij boekhouder Simon niet gehouden achtende een specificque op Duijnevelst den 24. November 1785. zoo verre met de soldijboeken deeses gave te doen, van het notable bedragen der soor gouvernements van 178½. gevor„ dert zijnde dat dezelve konden voor zeide misvatting aan d'E: Comp=e toege„ geslooten worden, diende op da„ brachte schaade advanceerd referentelijk to van berigt het welk den 3. december 1785. in raade van Po„ te declareeren dat tegen stijl en prattijcq uijt litie te Palliacatta overgelegd de boeken van 178½. en die van 1785. in genoomen is, kortelijk inhoudende, dat dewijl er veele swaarigheeden zijn reekeningen van een groote meenig te waaren en diverse papieren van de buijten Comptoiren man„ van menschen /: te veel om alhier te noteeren:/ queerden, hem mogt worden ge„ zonder deselve nader voortte dragen in die van 518½ permitteerd deselve, zodanig als. zijnde „ „ Den 19. November 1790. als ze waaren aftesluijten zijnde in zommige crediteering van gagie ge„ „en die perzoonen welke hun„ ne gage hadden laten staan„ daan en aangeteekend dat bij het sluijten der een reekening onder 12. 9ber: boeken continueerden, en de anderen open ge„ 1781. geslooten aftegeeven mitsgaders die geene, welke laaten zonder iets er in bekend te stellen onge„ te kwaad ofte goed stonden bij de nieuw te formeerene twijffeld is de tweede voordraagt gepremediteerd boeken onder dato 26. Julij geomitteerd dewijl ontdekt is geworden dat die des gem Jaars dat 't sComp: lieden bij retablissement der comptoiren niet vlagte deser hoofdplaatse geplant is, per voordragt. weeder in 'sComp: dienst getreeden zijn, /:altans in te neemen, zoo is den ginter niet:/ dan den Boekhouder kon in dit ge„ zelven bij vooren geciteerde val nooit onkundiger en eenvoudiger handelen, besluijt des Cormandelsen raad van den 3. December en hij heeft daar door tevens getoond, dat bij het 1785. gequalificeerd om dus formeeren der boeken van 1785. wijning attentie danig te handelen. Vervolgens presenteer„ en accuratesse gebruijkt zijn. — de gem: soldijhouder op Met illudeering van de bij Patriasche den 9. Sep: 1786: een adres waarbij hij verzocht om alle reek:, die in d' nieuwe boeken memorie van op de soldij boeken gemaakte vanden 6. Iulij 1785. waren ingenomen en over„ „gedragen aftesluijten en die der manqueeren„ remarques gedateerd amsterdam 4:e December de persoonen ope d' Comp:e te vereevenen. — Ten tweeden dat onder ieder reek: der ab„ sent zijnde dienaaren met een nota mogt werden bekent gesteld, dat zoo iemand mogte 1780. gerenoveerde circulaire ordre /:waar van ter koomen operdagen, dezelve alsdan weder soude behoorlijker tijd Extract naar chormandel, ge„ kunnen ingenomen worden. Tenderden om alle reek: der toepassen en mis„ tiesen, item maleijers aftesluiten en uijt de boe„ zonden is:/ zijn verscheide doodreekeningen zon„ kon te laaten. — Ten vierden, zoo iemand der mixtiesen of toepassen mogten opkomen ter erlanging van hun verdiende gagie dezelve alsdan bij de negotie der de gevorderde aanteekeningen afgeslooten, boeken op voorjaarige verdiende soldijen mogt worden afgeschreeven. dshierop is beslooten d' drie eerste pointen kerc„ zoo dat uijt deselve niet blijkt, of de overleedenen cordeeren en omtrent het vierde is hem gelast al, dan wel geen Testamenten agtergelaaten, en de reek: der toepassen, finaal aftesluiten en uijt d'nieuwe boeken uyttelaaten:— De soldij boekhouder heeft zig in deeze dus ge„ wie als Erfgenaame of Executeeren de boedels dragen na ordres hem door zijne superieuren gegeeven zonder met dieze behandeling iets anders te bedoelen dan om de boeken compen„ denser temaken, alsooer anders bij de boeken aangevaard hebben simpel is er maar genoteerd, een menigte naemen zouden hebben geloo„ on aan sien der soldij doeken van 170/ b: waarin, dat vrouw en kinderen nagelaaten hebben ge„ teekenen dat zij continueerden de reeden hier van is dat den soldijhouder wel bewust zijnde, lijk onder anderen in de doodreekeningen van. dat die persoonen in weesen waren, egter on„ kundig of zij zig weder in dienst vand' EComp:e Ceraculus Mosses van Enkhuijsen koop„ zouden engageeren, hetgeen egter bij de boeken van 178 8/7. zoo ver zulks mogelijk is geweest, gereddesseertis alsoo oven de messe dienanen man, en Gijsbertus Zegeelaar van 's hage capi„ van de plaatsen hunner verstroijing waren terug gekomen. — Den koopman Ceracules Moosep. „tain ten

NL-HaNA_1.04.02_3878_1265 view scan ↗

English

The 19th of November 1790. present bundles, this has been omitted, and the captain-at-arms in Nagapatnam and the captain-military seal keeper on Tranquebar having died, which persons presumably will have made wills; although from that, and from the failure to send copies of wills, such does not appear, yet it has repeatedly occurred that such copies were withheld, for of the will of the senior merchant Philippus Jacobus Dormieux, who died in the year 1781, no copy has arrived to date. The other errors of lesser importance discovered in the aforesaid books being passed over without remark out of regard for brevity, the humble undersigned seizes this occasion to respectfully remark what is necessary regarding your High Excellencies' further resolution taken on the 12th of March of this year, by which he was instructed to debit the seafarers of the sloop De Zeerob who remained on Coromandel and were sent back, for two months' wages advanced to them there, and henceforth to ensure that the seafarers projected for Coromandel are sent with closed accounts, so that he was furthermore charged with sending thither the duplicates of the pay books of 1779/80, and to report in what manner the books of 1780 were found and whether the pay clerks are currently capable of continuing the pay work pursuant to orders, for which purpose there were delivered to him two extracts of the Coromandel letter of the 20th of October 1788, § 25 to 27 and 198 to 200. Should the debiting ordered at the request of the Coromandel clerks take place formally, there was required for this, High Noble Sirs, a specific statement of the names of the persons and for how much each must be debited, for pursuant to the devised, established, and everywhere implemented method, there ought to have been forwarded hither in such cases a receipt roll of the payment made; and this not having been observed due to the lack of formal debt accounts drawn up over there, one was therefore unable to comply directly with the request in the order founded thereon, but only long thereafter, namely when on the 15th of June last past an extract memorandum of accounting was received from the Trade Office dated Palliacatta the 16th of October 1788, on which occasion it was discovered that one of the twelve persons who were to be debited had already repatriated, namely Carel Labodrie of Amsterdam, cabin boy, so that his debt of f 10.-.-, which remained undebited, ought to be reimbursed in order to keep the Honorable Company free of loss. Repeatedly, complaints have reached your High Excellencies from the outer offices about... The 19th of November 1790. On the 25th of September 1780, the Governor communicated in the Council of Coromandel that the equipage supervisor Van Odijk, in the name of the crew of the sloop De Zeerob, had petitioned His Honor that they might be provided with advance months of pay, but it being remarked that the crew had come over without accounts, and even without a statement of their earned wages, and it was thus impossible to know whether they were in debt on their accounts nor how much wage each was earning, unless one wished to accept the statement of the commander of that small vessel as valid; furthermore, taking note of the necessity of those people and that they had earned nearly 3 months, it was resolved to let them be advanced 2 months, provided that Lieutenant Cornelis van Aart, as former commander of that small vessel, held himself responsible both for the disbursement and the statement as he had offered, since he was returning to Batavia with the ship Den Arend along with 14 hands; pursuant to this extract, this advance was made by the pay bookkeeper, the merchant Joan Daniel Simons, of which a memorandum dated the 16th of October for the end of August 1788 was sent to Batavia with the ship Den Arend, as appears from the register of papers presented to their High Excellencies under date of the 20th of October 1788 under No. 59. never having produced their wills in the Court of Justice, nor delivered them to the paymaster so as to be able to act in accordance with orders, also many bundles of wills at the secretariat were lost in the war, whereby the paymaster has hitherto been rendered unable to comply with this order. The will of the deceased senior merchant Philippus Jacobus Dormieux, who died in September 1781 when the English fleet lay before Nagapatnam, was likewise neglected at that time to be submitted to the Court of Justice, nor was the same ever shown to the paymaster, and the will cannot be found.

Dutch transcription

1029. Den 19: November 1790. present zijnde bondels is dit te Nagapatnam en den capitain toen Militair, welke per zoonen vermoede„ zegelaar op Tranquebaar over„ lijk wel zullen hebben getesteerd; schoon daar leeden zijnde hebben hunne Erfge„ naamen derzelver Testamenten uijt, en uijt het niet overzenden van copia nooijt in de raad van Justitie ge„ „profuceerd, nog aan den soldijhouder af„ Testamenten zulks niet consteerd, Edog het is gegeeven om daar meede na de ordre te kunnen handelen, ook zijn er veele testa„ ment bondels ter secretarie in den meermaalen geexteerd dat zulke afschriften oorlog verlooren gegaan waar door den soldij houder tot nog toe terug gehouden zijn want van het Testament buijten staat gesteld is aan deeze ordre te voldoen. — van den in a:o 1781. overleeden opperkoopman Thi„ Het Testament van den over„ leeden opperkoopman Philippus lippus Iacobus Dormieux is tot nog toe geen Iacobus Dormieux die in sep„ tember 1781. overleeden is wan„ copia overgekoomen. — neer de Engelsche vloot voor Nagapatnam lag is meede des„ De andere in voorsz: boeken ontdikte erreu„ tijds versuijmt om in de raad ren van mindere aangeleegenheijd, ter betrag„ van Justitie over te leggen, ook is het zelve nooijt aan den ting van de kostheijd, ongeremarqueert ge„ soldijhouden vertoond en in passeert werdende capteerd den submissen tee„ kenaar deeze occage, om te gelijk met eerbied het nodige te remarqueeren ten aanzien van uw hoog Edelens nader genoomen besluijt op den 12. maart deeses Jaars, bij 't welk hij gerecom„ mandeerd is geworden. om de op Chormandel „verbleevenen te rug gezondene zeevaarende van „de chialoup De Zeerob, te belasten voor twee maan„ „den gagie aldaar aan hun verstrekt, en voortaan „te zorgen dat de voor chormandel geprojecteerde „zeevaarende met afgeslooten reekeningen ge„ „zonden worden invoege hem daar bij wijders ook „opgedragen is de verzending derwaards, van „de slaapers der soldij boeken van 17 7/80. en te be„ „richten hoedanig de boeken van 178%. gevonden „geworden en of de soldij bediendens thans in staat „zijn het soldij werk ingevolge de ordre te ver„ „volgen, ten welken eijnde hem ter hand gesteld zijn, Testament niet te vinden. — twee ƒ Den 19. November 1790. Den 25: 7ber: 1780. wierd door den heer gezachhebber, in raade van chorman„ del gecommuniceerd dat de Equi„ pagie op ziender van odijk uijt naam van de Equipagie van de chialoup de zeer ob bij zijn Ed: had verzoek gedaan, dat aan hun goede maanden mogte werden verstrekt, dog gereemarqueerd zijnde dat de Equipage zonder reekening, en zelv zonder op„ gaav van hunne winnende ga„ gie waaren overgekoomen, het. dus onmogelijk was om te weeten of zij op schuldreekening lie„ pen nog hoe veel gagie ieder was winnende, ten zij men de opgave van den gezachheb„ ber van dat kieltje voor valable wilde accepteeren; voorts aangemerkt zijnde de benoodigdheijd van die menschen en dat zij bij na 3. maanden verdiend hadden, zoo wierd beslooten hun 2. maanden te laaten verstrekken mits den lieutenant cornelis van Aart als geweesen gesaghebber van dat kieltje „ verandwoordelijk stelde zoo voor de verstrekking als de opgave gelijk hij aangeboo„ den had, alzoo hij nevens 14. koppen weeder met het schip den Arend na Batavia retour„ neerde, ingevolge dit Extract is door den soldij boekhouder den koopman Ioan Daniel Simons deese verstrekking geschied waar van een me„ morie gedateerd, 16. october voor ultimo augustus 1788. met het schip den Arend na Ba„ tavia is verzonden, blijkens het register der papieren hun hoog Edelheeden onder dato 20. october 1788. onder N:o 59. aangeboo„ twee Extracten chormandelsche brief van den 20. october 1788. § 25. tot 27. en 198. tot 100. —. Moest de ter verzoeke van chormandelsche bediendens geordonneerde belasting vormlijk geschieden hier toe hoog Edel heeren wierd ver„ eischt een specificque opgave, van de naamen der Persoonen en voor hoe veel elk belast, dient te worden want conform de geinventeerde gear„ repieerde en overal in train gebragte met hoede, hadden in zulks gevallen herwaards be„ hooren toegeschikt te zijn geworden, Een quitan„ tie rolle van de gedaane afbetaaling en de mits onstentenisse der formeele ginter geformeerde schuld reekeningen, dit niet geobserveerd zijnde, zoo heeft men dan ook niet direct kunnen vol„ doen, aan 't verzoek in de daar op gegronde ordre, maar wel lang daar na, of toen men op den 15. Junij Jongstleeden van 't Negotie comptoir bekwaam een Extract memorie van aanreeke„ ning gedateerd Palliacatta den 16: october 1788. bij welke geleegenheijd ontdekt wierde, dat een van de twaalff perzoonen welke ge„ debiteerd moesten worden, reeds gerepatrieerd was, ter weeten Carel Labodrie van Amsterdam Jonge dus deszelfs onbelast gebleevene schuld van ƒ 10. –. –. om de E: Comp: buijten schade te stellen vergoed behoord te werden. — Meermaalen zijn bij uwe hoog Edelens in„ gekoomen klachten van de buijten Comptoiren, over. den.

← previousnext →