Inventory 3880
Ceylon · 904 pages · 196 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
288 §37. 538. but if their planted cinnamon stood not next to their gardens, then this article would be too difficult and unfeasible for the planters. That the planting is done in the best manner and with all care is demonstrated in this document, and appears further from the size and multitude of the plantations, and from the good cinnamon to be found in them. The choice of Mr. Sluijsken agrees with everything that was chosen long before by all those who have directed the work; in particular, the Maradana grounds have been taken everywhere by preference, and indeed very long before His Honor declared and submitted this choice of his. (At my first proposition, etc.) This calculation was made by the Ceylon Government itself, as was pointed out by Mr. Sluisken himself at 5. O. (At my second proposition, etc.) Their High Excellencies... on 17 April last... to the honored orders... in the Council of Ceylon... an even greater... concerning culture... respectfully to... garden cinnamon still... seems one imagines... is that without other... human hands... produced... just as Her... is set apart... of such forest... To the Right Honorable, Highly Respected Sir Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies. Respected Sir, 689: 137. 138. L. V. Linden That one has begun close to the fortifications to clear and plant the cinnamon forests appears not far outside the Rotterdam Gate on this island; but to find 8,800 morgen of good cinnamon ground close to the fortifications is an impossibility and a known matter. (At my third proposition, etc.) In the Ceylon Resolution of 14 February 1788 next to §34, this is answered in detail, to which I think I can refer, and that the bordering of cinnamon plantations on coconut gardens causes no damage, I have also already indicated at §34 of this report. (At my fourth proposition, etc.) 73. 90 Concerning the delivery of cinnamon fruits by cinnamon peelers, I have said what is necessary at 136; and if the cinnamon peelers were also to deliver young plants (At my fifth proposition, etc.) Checked. §40. 539. 339. 340. 541. 341. 1787. As. 9 289 to the planters, then the number of peelers would have to be very large, and thus an utmost damage would thereby be done to the Company in the delivery of cinnamon, and then the planting would also still be greatly delayed thereby, because then no plant could be put into the ground that was not procured or approved by a cinnamon peeler. This proves sufficiently that no cinnamon peelers should be taken; thus I will not speak of many other inconveniences. The old Ekerobekareas would be the least harmful to the cinnamon delivery, because they stand at the lowest obligation of only one pingo of 65 lb of cinnamon, which they must deliver annually; but they would be able to procure few fruits because it is inconvenient to pick them, as they grow in single twigs, and most of them also cannot be picked without Their High Excellencies... on 17 April last... to the honored orders... in the Council of Ceylon... an even greater... concerning culture... respectfully to... garden cinnamon still... seems one imagines... is that without other... human hands... produced... just as Her... is set apart... of such forest... To the Right Honorable, Highly Respected Sir Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies. Respected Sir, L. V. Linden climbing the tree, which would be somewhat difficult for the old and infirm Ekerobakareas; as well as to run around the plantations in the morning with all speed in a short time so that they might reach the ripe fruits sooner than the birds. And since Mr. Sluisken himself is pleased to say that those provisions are needed no longer than until the planting shall be completed and the planter can find the necessary fruits in his own cinnamon lot for the maintenance thereof, it is obvious that it is not worth the trouble to make any change in the practice that is in use, since fruit-bearing cinnamon trees are to be found in virtually all the plantations, because orders were long ago issued to leave a number of fruit trees standing in the garden, which the cinnamon peelers nevertheless sometimes steal and peel when the garden owners refuse to give permission for that. Checked. §42.
Dutch transcription
288 §37. 538. dog indien hun aangeploente kanneel stond niet naast hunne kuinen „ zo zoude dit artikul te moeijelijk en onuit voerlijk voor de plantens zijn. Dat de aanplanting op de beste weise en met alle oplettendheid geschied, is in dezen aangetoond, en blijkt nader bij de grootheid en meenigte der plantagies, en bij de daar in te vin„ dene goede Kanneel „beke verkiesing van den heer sluijs„ Bij mijn eerste stelling etc:ma ken komt over een met alle het geene lange te vooren door alle de geene die het werk hebben bestierd verkosen is, in„ sonderheid zijn de Marendaan gronden over al bij preferentie genomen, en wel sier lange voor dat zijn achtb: dese zijne verwiesing heeft verklaard, en overgelegt. Deze reekening is door de ceilonse Bij mijne tweede stelling etd=m reegering selve gemaakt, zoals zulks door den heer Sluisken selve is aan„ geweesen bij 5. O. Huw Hoog Edelheeden zoo den 17. april laastleeden aan de g'eerde beveelen bi rade in Raade van Cech eene nog meerdere op lture betrekkelijk, D aan in eerbied aan ter rad Thuijnkaneel nog n sheijnt noe zig voorsta l is die zonder an er menschen handen in ortgebragt. glyk zoo als Haar He „ ze apaat word afgepa van zoodanige boschhe Heer Achtbaare Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indisse Gouveaneua en Direkteur van het E„ brand Ceilon, met dies onderhoorigheedse 689: 137. 138. LV: Linde n gonnen heeft, om de kanneel boschen Dat men digt aan de fortificaties be„ Bij mijn derde stelling etc=a te suijveren en aante planten blijkt niet verre buiten de rotterdammer Het d vettingen 8800. morgen goede Ran„ neel grond tevinden, is eene onmo„ vierde Bij Ciilonse resolutie van den 14.:' febr: Bij mijneW stelling etc:a 1788: naast §34: is dit omstandig beant„ e woord, waar aan ik denke mij te 73. 90 derd dog be Inst emorie. bevin Nopens de leverantie van Kanneel Bij mijne vijfde stelling etc=a vruchten door Kanneel Schillers heb eene te do ik het nodige gezegt bij 136. , en wan„ neer de kanneel schillers ook plantjes zouden moeten leveren van tuinen geen nadeel doed heb ik ook van Hanneel plantagies aan koker kunnen gedragen en dat het grensen reeds aangeweezen bij §34: van deze poort, op hiet Eiland, dog om digt bij de Nagezien Vort 2 gelijke, en bekende zaak §40. 539. 339. 340. 541. e aan 341. 1787. As. 9 289 aan de planters zo zoude het getal schillers ken groot moeten zijn, en zoude dus, daar door in de Kanneel leverantie een aller grootst nadeel aan de Comp: worden toegebragt, en dan zoude nog de aanplanting grotelijks daar door ver„ agteren, weil dan geen plant zoude konnen in de grond gezet worden die niet door een kanneel schiller bezorgt; of goedgekeurt was dit beweest genoeg. dat 'er geen kanneel schillers, dienen genomen te worden, dus zal ik van veele andere inconvenienten, niet spreeken De oude Ekerobekareas zouden voor de kanneel leverantie het minst nadeelig zijn, weel zij op de laagste verpligting van maar Een „pingo van 65. lb: kanneel staan, die zij 's Jaars dienen te leveren, dog zij zolden weenig vruchten konnen besorgen weil het ongemakelijk is om de„ selve te plukken, door dien zij bij en„ kelde rijs worden, en de meeste ook niet konnen geplukt worden sonder Hun Hoog Edelheeden zoo den 17. april laastleeden aan de g'eerde beveelen bi rade in Raade van Cech eene nog meerdere o lture betrekkelijk, D aan in eerbied aan te„ oad Thuijnkaneel nog i cheijnt men zig voorsta l is die zonder an er menschen, handen un ortgebragt. lyk zoo als Haar He „ ze apart word afgepa van zoodanige boschhe Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indissie Gouverneua en Direkteur van het E band Ceilon, met dies onderhoorigheidse op Achtbaare Heer LV: L Linde op de boom te klimmen, dat de oude en ge„ bresige EMerobakareas wat moeijelijk ion zoude vallen; gelijk ook om in een korten tijd Vor gauwer bij de rijpe vruchten mogen Het zijn, dan de vogels, en weil de Heer sluisken selfs gelieft te zeggen, dat ten die voorborgen niet langer van wodlen zijn dan tot de aanplanting zal zijn en volbragt, en de aanplanter in zijn eigen Kanneel bestik de noodige vruchten 2 tot onderhoud van dien kan vinden, zo is het blijkbaar dat het niet de moeite Inst waard is om eenige verandering in de 3. 90 handeleveise, die in gebruik is temaken, na d aangesien in genoeghaam alle de derd plantagies vrucht gevende kanneel dog bi 99 boomen te vinden zijn weil al lange 1787: berich ordres gesteld zijn om in der tuin een partij vruchtboomen te laaten staan, te doen die de Kanneel schillers echter wel Am„ nam wijlen steelen der weise thillen, wan„ is. ge neer de tuins eigenaars daar toe geen mer de plantagies rond te lopen, op dat zij verlof willen geeven. van den morgenstond met allen apoedin Nagezien §42.
English
290 To the Right Honorable, Highly Respected Sir, Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. Honorable Sir, On my sixth proposition, etc. Mr. Sluysken does not demonstrate where experience has shown that, among such a class of people of whom mention is made here, enthusiasts are found willing to plant a piece of land separately with cinnamon in order to obtain elsewhere a piece of land twice as large as the one planted with cinnamon. For my part, I have not discovered such enthusiasts among the common people, and even if they were inclined to do so, they would lack the means. Experience only shows that the landholder gladly wishes to plant one-third with cinnamon on a piece of land that is most conveniently situated for him due to the proximity of his coconut garden. And regarding the citation that it is well worth the trouble for the landholder to clear remote scrubland which brings him only very meager benefits, I say to that, that the benefit is not so small, since those scrublands generally yield a larger and better crop than the sow fields, and only five to six months of time are required from the beginning of cultivation until the grain is harvested, while the most difficult part of it is performed in one-half to one-eighth of the time, and in the remaining time only very little guarding is needed so that the cattle do not cause damage to the crop; whereas on the contrary, establishing a cinnamon plantation requires considerably more time and continuous guarding. Regarding the rest mentioned here adjacent concerning the requests of the most prominent natives, daily benefit is drawn from that, and one engages them to clear and plant with cinnamon the best lands, even though not situated near their dwellings. The benefit that was promised to the landholders by the mandate of 22 March 1776 cannot, to my knowledge, be withheld; 291 for the cinnamon peeled in his garden, one rixdollar is paid to him for every 30 lb. But it is true that according to article 10, the recipients of high grounds could suffice with planting one hundred and fifty cinnamon trees for every hundred roods, instead of yielding one-third for the Company, and that they must now plant one-third of the land with cinnamon, which is more advantageous for the Company. On my seventh proposition, etc. As far as concerns the plantations that are established on one-third of the requested land, the upkeep thereof is recommended to the planters; however, this cannot be stipulated and obtained from people who establish substantial plantations for favors or offices, to which latter sometimes not the least benefit is attached, so that the work is performed solely for the honor. From these persons, the plantations, after they have been brought into a reasonably good state, are maintained at the Company's expense; and this ought to happen if one wishes to attain the desired objective with all possible speed. That the native no longer regards the cinnamon as a hated enemy, I have already shown at section 34; and because there are few coconut gardens in which, or in the vicinity of which, no cinnamon grows, that which is mentioned here adjacent concerning the bordering of cinnamon gardens on coconut gardens lapses; while also the fear of the Cooly peoples toward the Chalias is now no longer nearly so great, and the latter are also no longer so abusive as formerly, although the hatred
Dutch transcription
290 De Heer Sluikken toond niet aan waar Bij mijne sesde stelling etc:a de ondervinding beweesen heeft, dat zig, onder zulk slag van luiden, waar van hier gesproken word, liefhebbers geweg vinden om een stuk grond afsonderlijk met kanneel te beplanten, om daar voor elders een stuk grond, eens zo groot als het met kanneel beplante, te ver„ krijgen. ik voor mij heb zulke liefhab„ bert niet ontdekt onder den gemeenen Man, en zo zij ook aldaar toe in kli„ neerden zoude hun het vermogen daar toe ontbreeken De ondervin„ ding beweilt alleen, dat den ingelan„ den gaarne 1/3 met Kanneel wil be„ planten op een stuk grond dat hem om de nabijheid van zijn koker tuin al ondersenste gelegen en en mat de aanhaling betreft dat het den in„ gelanden wel de modite waard is om afgelegesgenassen te kappen dat hem maar seer geringe voordeelen beesorgt, daar op zegge, dat het voordeel zo ge„ Hun Hoog Edelheeden zoo den 17. april laastleeden aan de g'eerde beveelen bi rade in Raade van Cech eene nog meerdere o lture betrekkelijk, D aan in eerbied aan ter oad Thuijnkaneel nog n sheijnt men zig voor Cla l is die zonder an e menschen, handen in ontgebragt. lyk zoo als Haar He „ ze apart word afgep van zoodanige boschhe Achtbaare Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indissi Gouveaneuja en Direkteur van het E„ land Ceilon, met dies onderhoorigheed 6 542. 142. Heer GV: Linde werd. ring niet is, wel des genassen door Zione gaans meerder en beeter gewas op„ leveren dan de saaivelden, en van den beginne der bewerking tot dat het graan ingeoeght is maar 5. â 6: maan„ Het 5 den tijd nodig zijn, terweil het moeije„ mar lijkeste daarvan in ½ off/8. van de tijd en Aanverrigt worden, en in de overige tijd maar wat weinig oppassens nodig is, op dat het vee geen nadeel aan het gelaaij toebrengt, daar in tegendeel 2 tot het aanleggen van een kanneel plantagie vrij wat meerder tijd en een Inst aanhoudende oppassing vereischt word 3. 90 Nopens het verdere hier nevens ver„ ald melde omtrend de verzoeken der aan„ der zien lykste inlanders, daar van pro„ dog bi fiteerd men dagelijks, en men en ga„ 1787. geert hun om de beste gronden, schoon niet bij hunne wooningen gelegen, te eene suiveren en beplanten met kanneel te do het voordeel dat bij mandaat van den nam d 22. Maart 1776. aan den ingelanden is. belooft word kan, mijnes weetens, is 9 niet; Nagezien omm 291 niet onthouden, want voor de in zijn tuin geschilde kanneel word hem Een reixdaalder voor de 30. lb be„ „taald maar dit is waar dat vol„ gent art. l 10. de verkrijgers van hooge gronden konnen volstaan met de aanplanting van Een hon„ dert en vijftig Kaneel boomen voor elke honderd te roeden, in plaats van een derde voor de Komp: opte„ brengen, en dat zij nu 1/3. van de grond met kanneel moeten beplanten, het geen voordeeliger voor de kom„ pence is. - voor zo verre betreft de plantagies Bij mijne zevende stelling etc:ma die op een derde van de verzogte grond aangelegt zijn, word den aan„ planters dies onderhouding aanbe„ voolen, dog dit kan men niet bedingen en verkrijgen van menschen die aan„ zienlijke plantagies aanleggen voor gunsten of bedieningen, aan welke „laaste somwijlen geen het mins te Hun Hoog Edelheeden zoo den 17. april laastleeden aan de g'eerde beveelen bi eade in Raade van Cech en eene nog meerdere op sture betrekkelijk, D aan in eerbied aan ter oad Thuijnkaneel nogn zeijnt men zig voorsta l is die zonder an ee menschen, handen un ontgebragt. elyk zoo als Haar „ ze apaat word afgepa van zoodanige boschh Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indissi Gouverneuja en Direkteur van het E„ baand Ceilon, met dies onderhoorigheeden voordeel Achtbaare Heer §43. §43. Lk stLinde voordeel annex is, dus het werk alleen n voor de eer verritcht word. van deze worden de plantagies, na dat zij in een redelijken goeden staat ge„ bragt zijn voor Komp: reekening on„ derhouden, en dit behoort te gee„ schieden, wil men het gewenschte oog merk met alle mogelijke spoed bereiken. Dat den inlander de Kanneel niet Den inlander Ao m meer als een gehaaten vijand aan„ merkt, heb ik bij §34: reeds aange„ ota toond, en weil er weinig koker tuinen 90 zijn waar in, of in welkers na bij„ heid, geen kanneel staat, zo vervalt het hier nevens vermelde nopens be het grenten van Kanneel tuinen 1787. aan koker teunen; terweil ook de vrees der Rools volkeren nu inlange zo groot niet meer is tegen de Sgaliassen, en de laaste ook zo beldadig niet meer zijn dan wel bevoorens, egter is de te doe bevist 544. haat Nagezien 6 ar 344. eene nam is ge
English
292 hatred of the Castes against the cinnamon peelers has not yet subsided. I also very readily believe that an arbitrary and violent planting of cinnamon in the gardens planted by the inhabitants without consent could revive the old hatred against cinnamon; and what nation in the world could look upon it with favor if any product were violently planted in their gardens, which they regard as their own property, from which the owners derive so little or no profit! Meanwhile, one sees that many inhabitants in their gardens, which they possess entirely lawfully and can sell and alienate at will, willingly cultivate and propagate cinnamon, as I have already stated in section 34. According to old papers, the Chalias are a special kind of people, the first of these Chalias, as many as 7 in number, having been brought to Ceylon in the year 1410 and presented to King Wattimi Raja, and in the year 1406, 20 were condemned to peel cinnamon by the King of Kotta; and although they are of low descent and are still considered as such in the King's country, their esteem has nevertheless increased from time to time in the Company's lands such that one ought to place them right next to the Wellalas, being the first caste in the Company's territory. To the Right Honorable, Highly Esteemed Sir, Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. Honorable Sir, I have already demonstrated here before that the cinnamon is planted with all care in the best manner, and this takes place in the rainy season between April and December, with the exception of the brief dry spell that falls between them, while for a number of years now all possible care has also been taken not to plant the cinnamon too closely together. 293 346. Regarding all the demonstrations mentioned here, I have noted what is necessary in each place here before, and no one has yet contradicted that the good cinnamon grounds ought not to be preserved; nor can it be denied that the plantations could be ruined by any accidents, but to allow oneself to be deterred from useful and necessary undertakings because accidental causes might in time be detrimental thereto would be an excessively far-reaching worry regarding outcomes that are as yet only possible. One still has such a multitude of mountains and forests where cinnamon grows, which will also be increased there in due time, just as I shall further demonstrate that it would be irresponsible, under the pretext of having to preserve everything, not to employ a small portion for other valuable products; namely, firstly, for the paddy culture, which grows most and best on low and muddy grounds that are unfit for cinnamon, and is of the very greatest importance for Ceylon; secondly, for the planting of pepper, coffee, and areca, being products that can yield great riches to the inhabitants and the Company; whilst thirdly, the planting of sapanwood, teak trees, and cotton is also useful, and those three articles can be planted in one and the same plantation: namely, the sapanwood along and for the securing of the fences, and the cotton under and between the teak trees; however, indigo has not yet been planted in the cinnamon-rich lands. 294 It is furthermore a certain truth that in the remaining lands of Ceylon, outside the cinnamon-bearing district, all kinds of products can also be planted; and towards which efforts are also being made, just as I myself have supplied teak and coffee fruits for that purpose; but to populate unpopulated regions is a rather greater difficulty on Ceylon than in Europe, because these people cannot be persuaded to move even under the most favorable conditions, and I would not dare advise moving them by force. Furthermore, the recruitment of weavers on the Coast has also ended fruitlessly, and I think for no other than the aforementioned reasons, that no one willingly moves from the region of their birth to a foreign one. To the Right Honorable, Highly Esteemed Sir, Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. Honorable Sir, Section 47.
Dutch transcription
292 haat der Rools volkeren tegens de Kanneel schillers nog niet vervallen Jk geloof voorts ook seer gaarne dat eene wille keurige en gewaldadige aanplanting van kanneel, in de sonder Consent aangeplante teunen der inwoonders, den ouden haat tegen de kanneel zoude Ronnen doen herleven; en welke natie in de wereld zoude met goede oogen kon„ nen aanzien, dat 'er eenig product in hunne tuinen die zij als eigen dommen aanmerken; geweldadig geplant wierd, waar aan de eigenaars zo weinig of geen voordeel hebben! Intuschen ziet men dat veele in„ woonders in hunne tuinen die zij volkoomen wettig bezitten, en na wille keur konnen verkoopen en ver„ alineeren, de Kanneel vrijwillig aankweeken en vermeerderen, ge„ lijk ik zulks bij 534. reeds heb gezegt volgens oude papieren zijn de x sjaliassen een besonder soort eerste deser sjaliassen en van volk Ao:m Hun Hoog Edelheeden zoo den 17. ' april laastleeden aan de g'eerde beveelen bi eade in Raade van Cect eene nog meerdere o lture betrekkelijk, D aan in eerbied aan ter ord Thuijnkaneel nog n sheijnt men zig voorsta ll is die zonder an na meerschen handen in ortgebragt. gelyk zoo als Haar e „ ze apart word afgepa van zoodanige boschhe Heer Achtbaare Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indijsi Gouverneuja en Direkteur van het E„ land Ceilon, met dies onderhoorigheedsen wel Lv: tLinde wel 7. ingetal A:o 1410. op Ceilon aan„ gebragte, en aan den Koning vat„ timij Ragia vereert, en A:o 1406. zijn 2o tot het kanneel schillen door den Koning van Rotta ge„ doemt en of schoon zij van ge„ ringe afkomst zijn, en sodanig nog in 's Koningsland geconside„ veert worden, zo is hun aan zien egter van tijd tot tijd en 's komp:s landen zodanig toegenomen dat men hem wel naast de wel la„ leb, zijnde de eerste Rasta in 'skomps: gebied dient te plaatsen /3. 90 na te Ik heb reets hier vooren aangeween Bij mijne agtste stelling etc:a derd sen dat de Hanneel met alle sorg op dog bij de beste weise word aangeplant, en 17887. dit geschied in de regenteid tussen beristt april en December, met uitsonde„ ring van de weinige droge heid die te doen tussen beiden invalt verweil men ook reeds zedert een partij Jaaren alle mogelijke sorg draagt om de eene nam Hanneel Nagezien ol 545. 545. 2 1 90 293 Kanneel niet te digt te doen planten 346. Op alle de aanweisingen waar Jk hoop in het hier vooren ge„ van hier nevens gesprooken word stelde etc:a heb ik hier vooren het nodige op elke plaats aangemerkt en nie„ mand heeft tot nog weeder sproo„ ken, dat de goede kanneel gronden niet zouden moeten geconterneert worden liet is ook niet te weeder„ spreeken dat de plantagies niet door eenige toevallen zouden kunnen geruineert worden, dog om zig van nuttige en noodzakelijke onder„ neemingen te laten afschrikken, om dat toevallige oorsaeken daar aan in der tijd zouden kunnen schadelijk zijn, zoude eene al te verre uitgestrekte sorge weesen nopens uitkomsten die nog maar alleen mogelijk zijn. Man heeft nog zo een meenigte van bergen en boschen waar en Ronneel groeit, die daar in ook op zijn tijd zal Hun Hoog Edelheeden zoo den 17. april laastleeden aan de g'eerde beveelen bi erde in Raade van Ceit eene nog meerdere op sture betrekkelijk, D aan in eerbied aante„ ord Thuijnkaneel nog n zeijnl men zig voorsta ll is die zonder an na meeschen, handen ua rortgebragt. elyk zoo als Haar He „ze apaat word afgepa van zoodanige boschte Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indissi Gouveaneua en Direkteur van het E band Ceilon, met dies onderhoorigheedsen vermeerdert § 46. „ Achtbaare Heer LV: tLinde erd. vermeerdert worden, gelijk ik nader tient aan toonen zal dat het onverant„ woordelijk zoude zijn, om onder, de naam van alles te moeten conter„ veeren, niet een klijn gedeelte tiem„ ploijeeren tot andere Rostbaare pro„ ducten, namentlijk, Eerstens, tot de nelij Rulture, die oplage en mod„ og der gronden / die niet deugen voor de kanneel / meest en best groeit, dae en van een aller groots belang voor gekoo Ceilon is. tweedens, tot het plan„ ten van peper, koffij, en aweek; Insta zijnde producten die groote /3. 900 rijk dommen aan de inwoonders na te en de Rompenie konnen ople„ 2 veren terweil derdens het aan„ bij planten van Sappoenhout, Kiate boomen, en kattoen, ook nuttig is, en die drie artikuls in een en dezelfde plantagie kunnen aan geplant worden. teweeten, het sappanhout langs, en ter bevestiging van de paggers, en het Nagezien tbe t 9 doe 9e 294 het kattoen onder en tussen de Kiate boomen dog indigo is in de Kanneelrijke landen nog niet aangeplant: Het is voorts eene sekere waarheid dat er in de overige landen van Ceilon, buiten het kanneel geevende bestek, meede allerhande producten kon„ nen worden aangeplant; en waar toe de poogingen ook worden te werk gesteld, gelijk ik selfs Kiate en koffij vruchten daar toe gelevert, heb maar om onbevolkte landstreeken te bevolken is op Ceilon een vrij grooter swaarigheid als in Europee weil dee menschen tot geene verhuijzing op de voordeeligste Condities te par„ suadeeren zijn, en omm hun met ge„ weld te doen verhuisen zoude ik niet dirven aanraaden. Voorts is de werving van weevens op de Rust ook vruchteloos afgeloopen, en en /:ik meer:/ om geene andere, dan de evengemelde redenen, dat niemand gaanne verhuist uit zijn geboorte langtstreek, in een vreemde. Hun Hoog Edelheeden zoo den 17. ' april laastleeden aan de g'eerde beveelen bi rade in Raade van Cest eene nog meerdere op sture betrekkelijk, D aan in eerbied aan ter ord Thuijnkaneel nog n seijnt men zig voorsta l is die zonder an ra meerschen, handen un ortgebragt. elyk zoo als Haar He ze apaat word afgep van zoodanige boschhe Achtbaare Heer Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indisi Gouverneuja en Direkteur van het Eij land Ceilon, met dies onderhoorigheiden 547.
English
And if the court of Kandy, on account of the cinnamon cultivation, considered it to be of importance to oppose us in the peeling of cinnamon in the King's territory, then it would not be very diplomatic to allow the Company to peel cinnamon in the King's territory during these activities, with the intention of only resisting that, or making it difficult, after those operations have reached a further state of completion, so that the Company, proportionally, needs the King's lands less. This reflection would be more well-founded if anyone had advocated the opinion that Mr. Sluisken opposes in this regard. Furthermore, it has already been noted here above that until now no one has maintained that one should not conserve the cinnamon lands. Checked Mr. Sluisken agrees with all others regarding this maxim, because I have not heard that it has been denied by anyone. Because it has already been said that the best lands are kept for the cinnamon, this article is thereby answered. As are these The matter mentioned here adjacent is not only so, but regarding the proper action concerning the clearing of chenas, yet more orders are in place, which are all maintained to the best of one's ability. But in what department is it possible Honorable Sir Their High Nobilities, on the 17th of April last, to the honored orders in the Council of Ceylon, concerning a still further cultivation, to respectfully submit, garden cinnamon not yet, it seems one imagines that it is without human hands brought forth. Just as Their Nobilities separate it from such forests. To The Right Honorable Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. to prevent all abuses; upon discovery of the same, one can do nothing other than punish the guilty party, and this is done. The sowing or planting of the chenas for the second time does indeed take place here and there, though not as much as is reported of it, much less does such happen repeatedly, and whenever the sowing or planting for the second time is discovered and reported to the land regent, the guilty party receives his punishment, and that which has been sown or planted is given for the benefit of the cattle. As for the amoelaat, that has no greater effect on the cinnamon than on other plants, but the same is an obstacle to the growth of all scrubland. It may just as well be that on the 6321 chenas mentioned here adjacent, fewer than 43,554 cinnamon trees have stood, rather than more, because those old messengers are not in a position to properly traverse those forests and mountains, let alone that they sometimes cannot enter the forest at all because it is so thickly overgrown, and then they only state an estimated number of cinnamon trees in their report. It also does not depend precisely on a few more or fewer cinnamon trees, provided that it is simply not a cinnamon-rich forest, and has the required age. Because, as Mr. Sluisken has correctly noted at §52, the clearing of chenas in old, thickly grown forests is advantageous for the cinnamon, when the cinnamon that has stood stifled and suppressed, which has been violently cleared and burned, shoots out and grows up again; but the false Checked Honorable Sir Their High Nobilities, on the 17th of April last, to the honored orders in the Council of Ceylon, concerning a still further cultivation, to respectfully submit, garden cinnamon not yet, it seems one imagines that it is without human hands brought forth. Just as Their Nobilities separate it from such forests. To The Right Honorable Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. Checked reporting of young forest as old, and its cutting, is very detrimental, and upon that discovery those who have made themselves guilty of that offense are punished, and more one cannot do once again. It would certainly be a fortunate thing for the cinnamon enterprise if the clearing of chenas outside the actual old forests, called Moerelands, could be prevented, but this is not feasible without causing great dissatisfaction to the native; however, that clearing can be reduced in time in proportion as the paddy fields are improved and increased, on which work is being very actively carried out. From the Ceylon resolution of the 19th of December 1786, it appears that the government was already intent at that time on seeing what benefit on the here adjacent
Dutch transcription
Av: tsinde a zo het hof van Randia, uit hoofde Het hoff van Randia etc. m „ van de kannoel aan planting, het „van belang reekende om ons tegen te„ „zijn in het schillen van Kanneel in p 's Koningsland, zo zoude het niet al te „staadkundig zijn, om de Komp: ge„ „duurende deze verrigten kanneel in „ 's Koningsland te laten schillen, met het voorneemen om dat eerst tegen tegaan, of moeijelijk te maken, na dat die verrigtingen al meer tot „stant sullen gekoomen zijn, em de Kompenie, na mate van dien, 't Konings„ 909 landen minder nodig heeft. Deze roflectie zoude meer gegrond, onse zaak is dus etcr zijn indien Jmand het gevoelen had, voorgestaan dat den heer sluisken ten dezen bestrijd. het is voorts hier vooren reeds aan„ gemerkt dat tot nog toe niemand beeveerd heeft, dat men de Kanneel gronden niet zoude moeten Conserveeren 149: Nagezien 147. 6e 24 dae 29 en 2 is ge„ 148. 848. 147. 295 De Heer Sluikken is het nopens Tot een stel regel Atc. a deze stel regel eens met alle an„ dere, wail ik niet vernomen hebbe dat dezelve door imand ontkent is. 550. weil reeds gezegd is dat de beste, Aan de aanplantens etc:a gronden voor de Kanneel gehouden worden zo is dit artikul daar meede beantwoord. Gelijk ook dese s §51. §52. §53. §54. §55. § 52. Het hier nevens vermelde is niet Den ingeland vind ato alleen zo, maar nopens het be„ 153. hoorlijk handelen omtrend de Dat de chenas etcra sjenas Rappirei hebben nog meer„ dere ordres plaats, die alle na Dat zodra het gewas etcra best vermogen gehandhaaft worden. maar in welk vak is het mogelijk §54. Buijten dese aantewijsene gron„ den etc:r 851. §50. Achtbaare Heer Hun Hoog Edelheeden, zoo den 17. ' april laastleeden aan de g'eerde beveelen bi rade in Raade van Cest eene nog meerdere op sture betrekkelijk, D aan in eerbied aan te„ ord Thuijnkaneel nog n sheijnl men zig voorsta l is die zonder an na menschen, handen un oortgebragt. lyk zoo als Haar He ze apaat word afgepa van zoodanige boschhe Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indisi Gouveaneuja en Direkteur van het E band Ceilon, met dies onderhoorigheeden alle 849. §49. G: Linde „ alle misbruiken teweeren, men kan „bij ontdeking derselve niet anders Dat hier voor de land„ „doen de schuldige te straffen, en dit regenten etc=a geschied. De behraijing of beplanting der zelden vergenoegt zig den in„ sgenassen voor de tweede maal, lander etca heeft wel hier en daar plaats, dog niet zo veel als daar van wel opge„ geven word, veel minder geschied zulks nog meermaalen, en wanneer de behaaiing of beplanting voor de tweede maal ontstekt, en bij den land„ rogent aangebragt word, zo krijgt de schuldige zijne straf, en het gehaeide of geplante word ten provi der bees„ ten gegeven. wat aangaat het amoe„ laat, dat heeft geen meerder ver„ mogen op de kanneel dan op an„ dere keesters, maar het selve is de groeij van alle boschagie. hinderlijk Hot kan even zo wel zijn dat op Het getal der sjenassen die §56. §56. § 55. Jaarlijkl Nagezien be „ da 909 ti 2 e §57. de 457. - 296 nassen minder dan 43554. kanneel boomen gestaan hebben, dan meerder, weil die oude bieden niet in staat zijn om die boschen en bergen nabe„ hooren te door kruisen, gesweige dat zij somwijlen in het geheel niet in het bosch konnen koomen, door dat het zo digt begroeit is, en dan maar een getal kanneel boomen na gis„ sing bij hun rapport bekent stellen. het komt ook suist zo zeer niet aan op eenige meerdere of mindere kan„ neel boomen, in dien het maar geen Kanneel rijkbosch is, en de ver„ eischte ouderdom heeft. weil gelijk de heer stuikken bij 352. ten regten aangemerkt heeft, dat het Tjenas Rappen van oude digt bewasse boschen voordeelig voor de Kanneel is, alhs dan de bedompe en verdrukt gestaan hebbende kanneel, die ge„ „ weeldag Rapt, en verbrand is, weeder, uit„ staat en opgroeid dog de valsche op de hier nevens vermelde 6321: sje„ Jaarlijks gekapt worden etc.: a Achtbaare Heer Hun Hoog Edelheeden zoo den 17. ' april laastleeden aan de g'eerde beveelen bi rade in Raade van Cest eene nog meerdere op lture betrekkelijk, D aan in eerbied aan ter ord Thuijnkaneel nog n szeijnt men zig voorsta l is die zonder an de meerschen, handen un ortgebragt. lyk zoo als Haar He ze apart word afgep van zoodanige boschte Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graa Raad ordinair van Nederlandsch Prodisfi Gouverneuja en Direkteur van het Eij land Ceilon, met dies onderhoorigheedsen opgave 121 Nagezien Lk: S Linde op gave van Jongbosch voor oud, en dies 2 e „kapping is soer nadeelig en bij died ont„ „ dekking worden de geene die hun schul„ dig gemaakt hebben aan dat mis drijf gestraft, en meer kan, men alweeder niet doen. Het zoude zeekerlijk een gelukkige zaak zijn voor het kaneel bestek wanneer liet thenas kappen buiten de werkelijke oude bothalies, Moe„ Relands genaamt, konde tegen ge„ gaan worden, maar dit is niet doenlijk, sonder groot mis noegen aan den inlander te geeven, eoliter zal die kapperee in der tijd vermin„ dert kunnen worden na maate do nelij velden verbeterd, en ver„ meerdtert worden, waar aan men seer sterk beezig is ge. 2 §58. Bij de Ceilonse resolutie van den 19. waaren dese chenassen etca december 1786. blijkt. Dat de regeering reeds ter dier tijd is verdagt geweest om te zien wat voordeel op de hier nevens da c6 909 t 29 358 „
English
121. 397 besides mentioned or similar manner could be drawn from the chenas, without one having been able to make any progress therewith thus far, because of the obstacles encountered. Furthermore, I am of the opinion that one would not make all too useful an application of the cinnamon seeds by sowing them, as Mr. Sluisken proposes, on the chenas, and subsequently leaving them to themselves, at a time when one could have employed those seeds much more profitably; it is moreover known to everyone who has seen the plantations, and a proven fact, how the cinnamon saplings grown from planted fruits must be kept alive with very great care by watering once to twice a day, and on top of that must still be covered for a considerable time against the strong heat of the sun; as regards the cinnamon that [illegible] in forests Their High Excellencies as of 17. April last, regarding the honored orders in Council of Ceylon and a still further [illegible] relative, [illegible] respectfully [illegible] garden cinnamon still [illegible] one imagines [illegible] which without other human hands [illegible] brought forth. Exactly as Her [illegible] separated from such forest [illegible] Honorable Sir To The Right Honorable Highly Esteemed Sir Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. G: Linde which are granted for the clearing of chenas, much of it burns down to the root during the setting fire to the forests, which can be experienced from the little cinnamon that one discovers on most of such chenas, which after cultivation have lain fallow for one to two years. As regards the doubling of shoots, of which is spoken in the letter of 6. April 1784: this refers to the trees in the plantations, for that they do not multiply so strongly in the forest is a known and proven fact. Everything that is possible can therefore not be carried out, and this is the case here as well, as will become clearer below. In the time that the native in harvest etc. It is not unknown to Mr. Sluisken that as soon as the aforementioned resolution of 19 December 1786 was made known to the inhabitants, those of the Pasdun Korale declared, according to the Pasdun letter of 26. February 1787, that they would rather have no chenas at all than on the condition of planting some small amount of cinnamon on them; this likewise took place in the Dissavony of Matara; and in the Dissavony of Colombo that order was also not complied with, notwithstanding that one sought to make that work agreeable to the inhabitants, wherefore one was compelled, in view of the obvious displeasure with which the inhabitants made the declaration, to decide, just as before, to grant chenas without the condition of planting cinnamon in return for it. 909 559. Revised 6th 559. No. 1. 160. 160. By virtue of what I have stated hereinbefore, nothing further remains for me to answer to this post. As already indicated hereinbefore etc. Their High Excellencies as of 17. April last, regarding the honored orders in Council of Ceylon and a still further [illegible] relative, [illegible] respectfully [illegible] garden cinnamon still [illegible] one imagines [illegible] which without other human hands [illegible] brought forth. Exactly as Her [illegible] separated from such forest [illegible] Honorable Sir To The Right Honorable Highly Esteemed Sir Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. 861 161. At §59 it has already been indicated that the natives did not want to plant cinnamon on chenas, and rather abandoned the same. The native etc. 162. If Mr. Sluisken understands the above from what has been said regarding the sowing of the chenas with cinnamon fruits, I, for my part, would not dare to advise relying upon it; however, one might test it by having a chena here and there, which appears most suitable for it, sown with cinnamon, because one then obtains more cinnamon-yielding trees, and can thus easily risk a little on it. I am further of the opinion that if one continues to work as has occurred until now, one can then reasonably promise oneself All the foregoing etc. 861. Revised 162. 900 861. 299 163: to be able to have so much cinnamon in the Company's lands in a few years that the demands for the fatherland and Batavia can be met. 563. I also testify, as an honorable servant of the Company, to have recorded the foregoing to the best of my knowledge and 20 years of experience, as well as according to information, in fulfillment of the duty enjoined upon me. This is all that I etc. On this, nothing remains for me to say. Now I proceed to obey etc. 865. 165. Although I readily concede that many use all industry and diligence to obtain wealth and status, when they find opportunity thereto, and I respectfully observe in this regard etc. §64. 164 Their High Excellencies as of 17. April last, regarding the honored orders in Council of Ceylon and a still further [illegible] relative, [illegible] respectfully [illegible] garden cinnamon still [illegible] one imagines [illegible] which without other human hands [illegible] brought forth. Exactly as Her [illegible] separated from such forest [illegible] Honorable Sir To The Right Honorable Highly Esteemed Sir Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. that
Dutch transcription
121. 397 nevens vermelde of diergelijken weise van de chenassen zoude kunnen trek„ ken, sonder dat men daar meede tot nog toe heefd kunnen vorderen, wegens de ontmoete kinderpalen. Ik vermeine voorts dat men geen al te nuttig gebruik van de kan„ neel pitten zoude maken door deselve, zo als de Heer sluisken dit voorsteld, op de chienassen te zaaijen, en dezelve vervolgens aan zig selve overtelaten, in een tijd dat men die pitten veel voordeeliger heeft konnen emploij„ eeren; het is wijders een ijder bekent, die de plantagiers heeft gezien, en eene beweese zaak, hoe, dat de kanneel plantzoenen uit geplante vruchten gegroeit, met seer veel sorgvuldig„ heid door het begieten van eens a twee maal 'sdaagt in het leven moeten ge„ houden, en daar en boven nog voor de sterke hitte der sonme, een geruimen tijt moeten gedekt worden wat aangaat de kaneel die in boschen Hun Hoog Edelheeden zoo den 17. april laastlieden aan de g'eerde beveelen bi eade in Raade van Cect en eene nog meerdere o sture betrekkelijk, D laan in eerbied aan ter ord Thuijnkaneel nogn sheijnl men zig voorsta l is die zonder an de menschen handen un oortgebragt. lyk zoo als Haar ze apart word afgepa van zoodanige boschhe Achtbaare Heer Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indissie Gouverneuja en Direkteur van het Eij land Ceilon, met dies onderhoorigheedsen staat G: Linde en staat welke tot het kappen van sgenassen afgegeven worden, daar van verbrand „ bij het in brand steeken van de boschen al veel tot de wortel toe, het welk te ervaaren is aan de weinige Kanneel die men ontdekt op de meeste van zo„ danige chenassen, die na de kulti„ veering een â twee Jaar stil geleegen hebben. wat aangaat de verdubbeling van looten, waar van bij brieve van den 6. April 1784: van gesprooken word, doelt op de boomen in de plantagies want dat zij in het bosch zo sterk niet vermeerderen is eene bekende en be„ te weese zaak. Alles wat mogelijk is kan daarom Jn den tijd dat den inlander niet uitgevoert worden, en dit is het in oegst etc:a geval ook in dezen, gelijk nader zal blijken. Het is den Heer Hluisken niet onbe„ kent, Dat zodra den ingezetenen is bekent gemaakt de hier vooren ge„ 909 559. „melde Nagezien 6e d ge 559. No. 1. 160. melde resolutie van den 19:' xber: 1786. die van de Pale Korl hebben verklaart, blijkens Paalsen brief van den 26. febr: 1787. Dat zij liever geene Chonassen wilden hebben, dan op de Conditie om daar op eenige weinige kanneel aan„ te planten, dit heeft int gelijks in de dassavonig van Mature plaats gehad; en in de dessavonij van Kolombo is. aan die ordre ook niet voldaan niet tegenstaande men de ingesetenen dat werk smakelijk heeft soeken te maken al warom men het genood„ zaakt is geweest, aangesien het blijk„ baare ongenoegen waarmeede de in„ gezeetenen de verklaring hebben gedaan, te besluiten om, even als bevoorens henassen aftegeven son„ der de voorwaarde om daar voor kanneel aan te planten 160. uit hoofde van het geene ik hiervooren Zo als hier vooren reeds aan„ gezegt hebbe valt mij niets verder te geweesen etc=ra antwoorden op dese post Hun Hoog Edelheeden zoo den 17. april laastleeden aan de g'eerde beveelen bi reade in Raade van Ceit en eene nog meerdere o sture betrekkelijk, laan in eerbied aan te ord Thuijnkaneel nog n scheijnt noen zig voorsta il is die zonder an ge meeschen, handen un ortgebragt. gelyjk zoo als Haar ze apaat word afgepr van zoodanige bosch he Achtbaare Heer Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indissi Gouveaneua en Direkteur van het Ei land Ceilon, met dies onderhoorigheeden 861 Lkelsinde „ Rij §59 is reeds aangeweesen dat Den inlander etc:a de inlanden geen Kanneel hebben willen planten op chenassen, en liever van dezelve hebben afgezien 162. Zoo den heer sluitken dit voo„ Al het voorenstaande Ac.: venstaande verstaat van het geene nopens de betaaijing der die„ „nassen met kanneel vruchten ge„ zegt is, zoude ik voor mijn aandeel niet durven aanraaden om het daar op te laten aankomen echter zoude men het kunnen probeeren om hier en daar een clieua, die daar toe het beste geschiket schijnt, met Kanneel te laaten bezaaijen, weil men tant meerdere kanneel Laat gevende boomen krijgt, en dus ligtelijk wat haat daar aan kan waagen. Ik vermeene voorts, dat wanneer men zo voortwerkt, gelijk tot nog toe is geschied, men zig dan met gronds kan belove 861. omr Nagezien 162. die 900 /3 te en 2 861. 299 163: om in weinige Jaaren zo veel Ran„ neel in 'skomp:s landen te zullen kunnen hebben, dat de Eischen voor het vaderland, en Batavia, zullen kunnen voldaan worden 563. Ik betuige meede all een eerlie„ Dit is al het geen ik Ao m rend dienaar van de Komp:, na mijn beste kennis en 20. Jaarige ondervinding, mitsgaders volgens informatien, het voorenstaande, in voldoening van den mij aan„ bevolen last, te hebben ter ne„ dergestelt Hier op valt voor mij niets te Tans ga ik over om te gehoor„ zeggen. saamen etc ma 865. 165. „schoon ik wel wil toestemmen Jk merke hier omtrend Eerbie„ dat 'er veele alle industrie digst aan etc. m en arbeidsaamheid gebruike om vermogen en aanzien te erlangen, wanneer zij gele„ gentheid daar toe vinden, en §64. 164 Hun Hoog Edelheeden zoo den 17. ' april laastleeden aan de g'eerde beveelen bi rade in Raade van Cest en eene nog meerdere o„ sture betrekkelijk, D aan in eerbied aan ter ord Thuijnkaneel nog n sheijnt men zig voorsta ll is die zonder an de menschen, handen in ortgebragt. lyk zoo als Haar ze apart word afgep van zoodanige boschte Achtbaare Heer Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indisi Gouverneuja en Direkteur van het Eij band Ceilon, met dies onderhoorigheids dat
English
A: Linde that also cinnamon-producing lands, or those which at least are suitable for it, have been purloined by the chiefs as well as others; yet I consider, and on good grounds, that the Sinhalese nation cannot be deemed industrious. 366. My opinion is also by no means etcetera. I have always, as Captain of the Galle Korale, Captain of the Cinnamon, Dessave of Matara, and Dessave of the Colombo environs, taken all possible care not to let the cinnamon-rich lands go to waste. 867. I have in that writing etcetera. It is by no means surprising that Mr. Sluijsken excuses himself from dealing with such extensive and detailed matters as the administration of Ceylon presents; for this would yield a very voluminous work if one wished to treat everything precisely. 866. Checked. 867. 300. dealing, since this country's administration contains so much material that one can safely say that one is never done learning about it, which I, who have already observed that administration for 20 years, if not more, with all attentiveness and diligence, experience; still having to learn daily. Meanwhile, it is improved from time to time, and thus one should indeed proceed; because everything cannot be brought to perfection all at once, and especially not in this administration of Ceylon, wherein one must exercise all prudence when introducing or altering one thing or another, even though it truly serves the common good. Following the Memoir of the Commander Sluijsken, I have sought, in the best manner possible for me, to comply with the highly respected orders of their High Excellencies the High Indian Government, and your Right Honourable, and if my slight remarks might not be found very interesting, as I myself do not even dare to consider them such, or if they might be found to contain nothing that is not already quite generally known, I hope that what has formerly been remarked thereupon may serve me in this as a reasonable excuse. I further have the honour to call myself, with all loyalty and respect, underneath was written: Right Honourable, Stern, Highly Respected, High Ruling Sir, your Right Honourable Stern High Respected obedient servant, was signed: D. F. Fretsz. In margin: Wolvendaal, the 31 January 1790. Agreed, Eijbrands, Clerk. Checked. 924. To the Right Honourable, Stern Sir, Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. Your High Excellencies on the 17 April last past to the honoured orders in the Council of Ceylon, and a still greater instruction regarding, in respect thereof garden cinnamon is still [illegible] it seems one imagines that is without other human hands produced, just as their Excellencies it is separately parsed from such forests. Honourable Sir, No. 1. L. V. D. Linde. Checked. Checked. L. V. te Linde. 301. No. 43. To the Right Honourable, Stern Sir, Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. Right Honourable, Stern, High Ruling Sir, First of all, the undersigned humbly beg your Right Honourable's pardon that they have until now remained behindhand with their report concerning the commission which was assigned to them by your Right Honourable by Instruction of the 25 October 1789, pursuant to the resolution taken for that purpose the day before in the Council of Ceylon. The second undersigned has for a time been so occupied with trade business and other official duties that could brook no delay, that he, so to speak, has [illegible] with nothing else.
Dutch transcription
A: tsinde dat ook Kanneel gevende gronden, of die ten minsten daar toe geschikt zijn, door den hoofden, zo wel als an„ dere, ontfutseld zijn; zo vermeen ik echter, en op goede gronden, dat de singaleede natie niet voor arbeid„ zaam te houden is. 366. Ik heb altijd als kapitein van de Mijne meenig is ook geen sints et:m Gale korl, kasitein van de Rameel, dessave van Mature, en dessave van de Rolombose ommelanden, alle mogelijke zorg gedragen om de Ran„ neelrijke gronden niet te laten ver„ g0e looven gaan. t Het is geensints te verwonderen Jk heb in dat geschrift etca dat de heer sluicken zig verschoont om sulke uit gebreide en wijdlo„ pige zaaken als het landsbestier van Ceilon opleverd, te verhandelen; want dit zoude een seer volumi„ neuswerk uitleveren, indien men over alles nauwkeurig wilde han„ ged 867: 866. „delen Nagezien 6e4 867. 300 delen aangezien dit landsbestier zo veel stof vanvat, dat men gerust kan zeggen, dat men in het selve nooit uitgeleerd raakt, het welk ik, die reeds 20: Jaaren dat bestier /:zo ik meer:/ met alle oplettend„ heid en ijver hebbe goede geslagen, ondervende; als nog dagelijks moe„ tende leeren Jntusschen word het van tijd tot tijd verbetard, en zo dients wel voortgevaaren te worden; weil zig niet alles eensklaps tot per„ fectie laatbrengen: en wel in son„ derheid niet en dit Ceilonte lands„ bestier, waar in men alle voorzig„ tigheid bij het invoeren oof veran„ deren van het een en ander, schoon werkelijk tot voordeel van het algemeen strekkende, gebruiken moet. Ik hebbe, de Memorie van den Heer Kommandeur sluisken volgende, op de mij best mogelijke weise„ soeken te voldoen aan de hoog gerespecteerde be„ veelen van hunne Hoog Edelheeden de Hooge Huw Hoog Edelheeden zoo den 17. april laastleeden aan de g'eerde beveelen bi rade in Raade van Cest en eene nog meerdere o sture betrekkelijk, D aan in eerbied aan ter ord Thuijnkaneel nog n sheijnt noen zig voorsta l is die zonder an de menschen handen in oatgebragt. gelyk zoo als Haar He ze apaat word afgep van zoodanige boschhe Achtbaare Heer Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indissi Gouverneua en Direkteur van het Eij hand Ceilon, met dies onderhoorigheeds Jndiasche Jk: Linde Jndiasche Regeering, en uwelEd: groot Achtbaare, en zo mijne geringe aanmer„ kingen niet seer Jnteressant mogte bevonden worden /:zo als ik se selfs daar voor niet durfhouden) dan wel dat deselve niets mog„ ten bevonden worden te bevatten dat niet reeds vrij algemeen bekent is, hoop ik dat het reeds eertijds daar over aangemerkte mij in desen zal mogen strekken tot eene ballijke verschooning Jk hebbe voorts de eere van mij met alle trouwe en Eerbied tenoemen /:onderstond:/ wel Edele, Gestrenge Groot Achtbaare Hoog Gebie„ den de Heer uwelEd: Gestr: Groot Achtb: Gehoorkamen Dienaar /:was getekent:/ D: F: Freth: /:in margine:/ Wer Edetl-dorp den 31: Jann: 1790. Atordeert Eijbrands Wlijklerk Nagezien 6et 0 924 Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indissi Gouverneuja en Direkteur van het Eij brand Ceilon, met dies onderhoorigheiden Hun Hoog Edelheeden zoo den 17. ' april laastleeden aan de g'eerde beveelen bi eade in Raade van Ceit en eene nog meerdere o sture betrekkelijk, D aan in eerbied aan te ord Thuijnkaneel nogn cheijnt men zig voorsta l is die zonder an de menschen, handen un ortgebragt. gelyk zoo als Haar Ha „ ze apart word afgepa No1. Achtbaare Heer van zoodanige boschhe LV D Linde Nagezien Nagezien L V: te Linde 301 No. 43 Aan den welEdelen Grot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graag Raad ordinair van Nederland Cot India, Gouverneur en Directeur van het Eiland Ceilon, met dus onderhoorigheeden WelEdele Groot Achtbaare Hoog Gebiedende Heer Voor aff verzoeken, de ondergetekenden uw wel„ Huw Hoog Edelheeden zoo den 17. ' april laastleeden Edele Groot Achtb: nedrig om verschooning, aan de g'eerde beveelen bi dat zij tot hier toe zijn agter uijtgebloeven rade in Raade van Cest met hun rapport nopens de kommissie eene nog meerdere op die souw door uw wel Edele Groot Achtb: bij sture betrekkelijk, Jnstruktie van den 25. october 1789. uijt aan in eerbied aan te„ hoofde van het besluijt daer toe 'sdaags te ord Thuijnkaneel nog n steijnt noe zig voorst voeren in rade van Ceilon genomen, is op„ ll is die zonder an gedragen. Den tweede getekende is met het de meerschen, handen in negotie werk en andere ampts verrigtingen ontgebragt. die geen uijtstel veelen konden, een tijd lang gelyk zoo als Haar a zodanig geokkupeerd geweest, dat hij zig „ ze apaat word afgep om zoo te spreeken, met niets anders van zoodanige boschhe Achtbaare Heer. Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indisc Gouverneua en Direkteur van het land Ceilon, met dies onderhoorigheedsen heeft
English
G: Linde Article 1. has been able to keep busy. Subsequently, in the month of April of the past year, he departed on a commission to Mature, from where he has only recently returned. The undersigned hope that this very long delay on that account may be favorably accommodated by Your Right Honorable, and proceeding to report their activities to Your Right Honorable, they request, for greater clarity, permission to insert the Instructions given to them below, in order to note alongside each article what has been done by them in the execution thereof. Your Honors must carry out this your commission, in the presence of the Commander of Galle, Pieter Sluijsken, and in the presence and oversight of the Senior Merchant and Dessave of Colombo, Diederig Thomas Fretz, to whom a copy of these Instructions has been handed, and who has further been ordered by a separate ordinance to attend this commission. The first undersigned had Commander Sluijsken asked, on the very day that the undersigned received the aforesaid Instructions, when it would be convenient for His Honor to be present at the commission entrusted to them thereby. Having received in response thereto Checked 1 2 1 2 302 To The Right Honorable Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies that for that purpose he would go out through the Galle Gate on the 26th or the day thereafter, just as His Honor actually went outside on the morning of the 26th, the undersigned immediately followed him, and likewise went out through the Galle Gate. Having arrived at the well-known Tamarind Tree, about three quarters of an hour from Colombo, they found Commander Sluijsken and Dessave Fretz there, who had gone thither by another road. Here Commander Sluijsken requested disclosure of the undersigned's instructions, which the second undersigned, who had them with him, handed over to him, Commander Sluijsken, for perusal. Subsequently, Commander Sluijsken requested to take the road that goes from there through the Maradana to Colombo, Their High Mightinesses thus on the 17th of April last to the honored orders in Council of Ceylon and a still further relative to the cultivation, with respect to the word garden cinnamon nor does it appear one imagines [illegible] is that without [illegible] hands of men brought forth. Just as Their Honors it is marked off separately from such forest Honorable Lord where Checked Lv: Linde with which the undersigned complied. They followed His Honor to the so-called Chalia rest house that stands in the Maradana, situated about as far from the aforesaid Tamarind Tree as the latter is from the Galle Gate, and not even half an hour from the Rotterdam Gate, not far from the road that goes from the Small Pass to Cotta. Up to this point nothing has been performed, except that Commander Sluijsken sent a slave of his to the undersigned on the road, with the request that they would take note of a few young coconut trees, which the second undersigned, with the prior knowledge of Your Right Honorable in the year 1787, when he was Captain of the Cinnamon, on the occasion that a party of Chalias worked there 303 worked to clear the forests, had planted for the Company close to the road in a single row, both to test with these few trees, standing over a fairly large extent and which probably do not amount to a hundred pieces together, whether here at this place, since the cinnamon stands entirely exposed there, the light shade of these trees may be beneficial to the same, as well as so that the fruits thereof may in time serve as a small sustenance for the people who are hereafter used to keep these lands clean. Having arrived at the aforesaid rest house, Commander Sluijsken presented to the undersigned a writing of the following tenor: Gentlemen, However sensitive this commission makes us, I am assured that each of Their High Mightinesses thus on the 17th of April last to the honored orders in Council of Ceylon and a still further relative to the cultivation, with respect to the word garden cinnamon nor does it appear one imagines [illegible] is that without [illegible] hands of men brought forth. Just as Their Honors it is marked off separately from such forest Honorable Lord To The Right Honorable Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies Your Honors will perceive within yourselves. I am certainly pleased that this commission has been entrusted to people who, each even before the demonstration that I shall make, feel within themselves the certain truth of my propositions. Nevertheless, I would be in the utmost embarrassment if I did not think I could show and confirm what I maintain. The interests of the Company lie enclosed in the matter, and thus I hope that Your Honors will have the patience to let all my proofs be noted down and accepted, which I shall try to demonstrate, and bring to light as best as will ever be possible at this moment. I had hoped that the report presented on the 23rd of this month to the Governor would be deemed sufficient to demonstrate what Their High Mightinesses at Batavia demanded of me by missive dated the 17th of April 1789, and to which I was ordered by a further resolution in the Council of Ceylon. I hoped this all the more, because I with this report Checked
Dutch transcription
G: Linde Art:o 1. heeft kunnen beezig houden. vervolgens is hij in de maand april J:o Leeden en Kommissie vertrokken naar Mature, van waer hij eerst onlangs is te rug gekoomen. De onder„ getekendens hoopen dat dit zeer lang uijt stel uijt hoofde van dien door uw wel Edele Groot Achtb: gunstig mag worden ingeschikt en tane treedende om aan uwelEdele Groot Achtb: te doen rapport van hunner verrig„ tingen, verzoeken ze tot meerdere duijdelijkheijd verlof om de aan hun gegeevene Jnstruktie hier onder te mogen insereeren, ten einde aan de kant van elk artikel, aanteteeken wat door hun in uijtvoering daar van is gedaen UE:s mooten deeze uw kom„ De eerstgelekende heeft den missie verrigten en pretentie Heer Kommandeur Sluijsken van den Heer Gaals komman„ op den zelfden drig dat de deur Pieter Sluijsken, ten bijweezen en ten overstaan ondergetekende de voorsch: Jn„ van den opperkoopman en des „ struktie ontvingen, doen save van Kolombo DE #vragen, wanneer het zijn Diederig Thomas Fretz: E. zoude geleegen koomen, aan wien, een kopij van dee„ ze Jnstruktie is ter hand om prezent te weezen bij de gesteld en die voorts bij een kommissie aan hun daer bij apparte ordonnantie het bij„ opgedraagen Daar op tot ant„ woonen deezer kommissie is aan bevoolen. woord ontvangen hebbende, Vat Nagezien 1 2 1 2 302 Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indisi Gouverneuja en Direkteur van het Eij band Ceilon, met dies onderhoorigheedsen dat hij ten dien eijnde den 26: of sdaags daer aen, de Gaalse„ poort zoude uijtgaan, zoo als zijn E: ook werkelijk den 26. smorgens na buijten is gegaen, zijn de ondergetekendens hem daedelijk gevolgd, en insgelijks de Gaelse poort uijtgegaan. Geko„ men zijnde bij de bekende Jambe„ rijn boom, ongevaal drie kwaat uur van kolombo, hebben ze daar gevonden den Heer Kommandeur sluijsken en den Heer dessave Fretz, die langs eenen anderen weg na derwaards gegaen was. Hier verzogte de Heer sluijs„ ken opening van des onder„ geteekendens instruktie, die den tweede getekende, welke die bij zig had, aan hem Heer sluijsken ter lekterra heeft overgegeeven. Vervolgens ver¬ zogte de Heer Sluijsken om inteslaan de weg die van daar door de maaren„ daan naar Kolombo gaat, Hun Hoog Edelheeden zoo den 17. april laastleeden aan de g'eerde beveelen bi eade in Raade van Cest en eene nog meerdere o ilture betrekkelijk,D aan in eerbied aan ter ord Thuijnkaneel nogn scheijnt noe zig voorsl el is die zonder an da meeschen handen un voatgebragt. elyk zoo als Haar „ ze apaat word afgep van zoodanige boschte Achtbaare Heer waer Nagezien Lv: Linde waar aan de ondergeteeken„ dens hebben voldaan ze zijn zijn E: gevolgd tot aan het zoogenaamd Sjaleasse rust„ huijs, dat in de Muarendaen staet, leggende ongevaar zoo verre van de voorschreeve tamberijn boom, als deeze van de Gaalsche poort, en nog geen half uur van de Rotter„ damse poort, niet verre van de weg die van het klijn pas na Kotta gaat. jol hier toe is niets verrigt van dat de Heer sluijsken aan de ondergeteekendens op den weg „gezonden heeft een lijfeigen van hem, met verzoek, dat ze wilde letten op eeni„ ge wijnige Jonge Kokus boo„ men, die den tweede getee„ „kende, met voorkennis van uu wel Edele Groot Achtb: in het Jaar 1787. , toen hij kaptein van de Kanneel was, ter gelegentheijd sal een partij ssaliassen daar werkte e 303 werkte om de bossen te zuijveren, kort aan de weg in een enkelde reij voor de komp:e heeft doen planten, zo om met deeze wijnige boomen, staande op een vrij groote uitgestrektheid en die waarschijnlijk geen honderd stux te zae„ men uijtmaken te beproeven; of niet hier ter plaatze, door dien de kanneel daar ten eene„ maal bloot staat, de lugtige schaduwe dee„ ser boomen, aan dezelve kan vorderlijk zijn, als op dat de vrugten daer van en der tijd, voor het volk dat na deezen tot het schoonhouden deezer gron„ den word gebruijkt, tot eene klijne voll„ vervoog vrstrekken kan. Aan het voorschreeve rusthuijs gekoo„ man zijnde, van den Heer Komman„ deur sluijsken aan de ondergetee„ keerdens voor, en geschrift van de volgende vishoord Wijne. Heeren. Hoe gevoelig wij deeze Commissie maakkben ik verzekerd dat ider van Hun Hoog Edelheeden zoo den 17. ' april laastleeden aan de g'eerde beveelen bi eade in Raade van Cest„ en eene nog meerdere op lture betrekkelijk, D aan in eerbied aan te„ ord Thuijnkaneel nog n scheijnt men zig voorsta al is die zonder an er menschen, handen in ortgebragt. lyk zoo als Haar He „ ze apart word afgepa van zoodanige boschh Achtbaare Heer Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graa Raad ordinair van Nederlandsch Indisce Gouveaneuja en Direkteur van het Eij land Ceilon, met dier onderhoorigheedsen uw welEd: 1 G: Linde uw welEd: bij zig zelve zal penctreeren verheugd ben ik zeker dat deeze Com„ missie is opgedraagen aan lieden, die elk reeds voor de aanwijzing die ik doen zul bij haar zelve gevoelen de zekere waarheid van mijne stellinge, niet te min zoude ik in de uijtterste verlegenheijd zijn, als ik niet meende te kunnen aantoonen en bevestig gen wat ik maaintineede De belangens van de Maatschappije legd in de zaak opgeslooten, en dus hope ik dat uw welEd:s het geduld zult hebben, van alle mijne bewijzen te laaten aantekenen en aanneemen, die ik zal probeeren, en zoo goed aan het dag ligt zal stellen, als maar immers op dit moment mogelijk zal weezen. Ik hadde gehoopt, dat het overgelegde be„ rigt den 23. deezer aan den Heere Gou„ verneur gepresenteerd, voldoende zoude gerigt worden, ter aanwijzinge van het geene Hun Hoog Edelheeden op Batavia bij missive in dato den 17. April 1789. van mij begeard hebben, en waer„ toe ik door een nadere besluijt in rade van Ceilon ben geordonneerd geworden Jk hoopte zulx te meer, wijl ik bij dit bericht Nagezien
English
304 report I have submitted that sort of cinnamon and its leaves, which would serve to confirm my proposition; and which cinnamon I have found around here. I say again, I had hoped that I would thereby have fulfilled the intention, but since your Honours have been further appointed to take ocular inspection of what I shall point out, in compliance with that order, and as the pointing out thereof is now commanded to me even more strictly, I bring your Honours here to the site, where I first point out to your Honours When on 1 August 1786 deliberations were held concerning certain reports of Mr. Sluijsken, mentioned in the resolution of that day, His Honour, as appears from the note recorded with this resolution, an extract of which lies here annexed to prevent any misunderstanding, answered to the express question whether he, Mr. Sluysken, over and above the arrangements according to which the clearing and planting of the cinnamon lands was already then directed, knew anything to point out for the further improvement and better progress of this work, that he had nothing to remark thereon and that he did not think that this work could be directed better and on another footing than that which was already maintained therein. The undersigned have presented this article to Mr. Sluijsken, in order to learn from His Honour whether, notwithstanding the recorded note of 1 August 1786 mentioned here alongside, stating that His Honour had nothing to remark over and above the arrangements according to which the clearing and planting of the cinnamon lands was already then directed, and that His Honour did not think that this work could be directed better and on another footing than that which was already maintained therein, he might have anything to point out for the improvement of the cinnamon work, without His Honour having on this occasion remarked or pointed out anything from which one might in any respect conclude what was done wrongly, and what improvements could now yet be introduced into the administration of this work. In a writing, however, of which the undersigned shall speak further below, His Honour says: This article has already been answered by what is stated here above. I also, at that moment when Their High Honours on 17 April last to the honored orders in Council of Ceylon [illegible] culture relative, in respect to [illegible] Garden cinnamon [illegible] appears [illegible] imagine without other human hands produced. just as Their High Noble Lord To The Right Honorable Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. 2. 2. Lk:st Linde Checked e 305 To The Right Honorable Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. when it was asked of me, said at once that I refer to my reports of 3 and 18 July 1786, and that I requested that these might be sent to Batavia, also that I could not vote in favor of granting so many requested lands, that I was well pleased with the clearing of the forests and the planting of cinnamon, but that I did not approve of the manner in which this was done. One sees already that in those reports I already had in view the granting of much land to be planted with one-third cinnamon, and that I did not want to vote in favor of that, because of the bad consequences that I believed would result therefrom, and this I have in the sequel, as well as in those reports, in my opinion already pointed out. Their High Honours on 17 April last to the honored orders in Council of Ceylon [illegible] culture relative, in respect to [illegible] Garden cinnamon [illegible] appears [illegible] imagine without other human hands produced. just as Their High Noble Lord GV: Linde To which part of this writing of Mr. Sluijsken, which precedes the words quoted above from the same, His Honour's saying: This article has already been answered by the foregoing, must be considered specifically applicable, has not appeared clear enough to the undersigned to dare permit themselves any reflections thereon. They take therefore the greater liberty to remark here that it is not known to them that even before the year 1785 other material mistakes were made in the planting of the cinnamon, than that it was done too densely. Thus, for example, the garden at Bejegamme in the Hina Korle, laid out by the Mudaliyar Bandaranayake already in the earliest times, was planted far too densely. The same defects are found, among others, in two gardens here in the vicinity of Colombo, one planted by the late Maha Mudaliyar de Saram and the second by the Muhandiram de Saram of the Atapattu. This mistake, which was only noticed after the cinnamon trees had already grown up somewhat, was subsequently remedied, and ordered Checked that
Dutch transcription
304 berigt hebbe overgelegd die zoor te kaneel en desselfs blaaden, welke tot bevestiging van mijne stelling zoude strekken; en welke kaneel ik hier om„ streeks gevonden, hebbe Ik her zegge, ik hadde gehoopt, dat ik hiermeede aan de intentie zoude vol„ daan hebben, din dewijl uwel Ed:s nog nader benoemd zijn, om Mulaire in„ spektie te neemen van het geene ik zal aanwijzen, ter voldoening aan die ordre en mij de aanwijzing daer van nu nog nader zoo strikt is aan bevoo„ len, zoo brenge ik uw wel Ed:s hier ter plaetse, waar ik uw wel Edelens eer„ stelijk aanwijze Coen den 1. Aug.:s 1786. gedelibe„ De ondergetekendens hebben reerd is, over zekere berigten den Heer sluijsken dit aati„ van de Heer sluijsken, bij de re„ kel voorgehouden, ten eijnde zolutie van dien dug vermeld, van zijn E: te verneemen, of heeft zijn Ed: blijkens het aan„ denzelven niet tegenstaande getekende bij deeze rezolutie waar van een extrakt hier de gehoudene aanteekening neevens legd, om t ontret van den 1. aug:s 1786. hier be„ ws zijn, op de expresse zijden vermeld, dat zijn E: vraage, of hy Heer sluysken boven en behalven de schik„ boven en behalven de schikkingen kingen waer na het Zuyveren waar na het zuiveren en beplanten Hun Hoog Edelheeden zoo den 17. ' april laastlieden aan de g'eerde beveelen by reade in Raade van Cest„ neene nog meerdere op ulture betrekkelijk, aan in eerbied aan ter ord Thuijnkaneel nog n scheijnt noen zig voorst el is die zonder an oa menschen, handen in voatgebragt. elyk zoo als Haar ze apaat word afgep van zoodanige boschte Achtbaare Heer Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Prodijci Gouverneua en Direkteur van het Eij band Ceilon, met dies onderhoorigheeden der 2. 2. Lk:st Linde der kanneel landen reeds toen en beplanten der kanneel ^aeeds toen wiefad obestiead wierd bestierd, nog iets ter meer „ landen ^ niets hadde aantemer„ dere verbetering, en beteren voort„ ken, en dat zijn E: niet dagte gang van dit werk wist aan„ te wijzen, geantwoord, dat hij daer dat dit werk beteren op eenen bij niets had aantemerken en anderen voet dan die toen dat dezelve niet dagte, dat reeds daar in gehouden wierd, dit werk beter en op eenen an„ konden worden bestierd, iets deren voet, dan die toen reeds daar in gehouden wierd, kon„ mogte hebben aante wijzen de worden bestierd. ter verbetering van het kan„ neel werk, zonder dat zij E: ter deezer gelegendheijd daer op iets heeft aangemaakt nog aangeweezen, waer uit men in eenig opzigt zoude mogen opmaken wat 'er kwalijk is gedaan, en welke verbete„ ringen 'er nu nog in de be„ verliering van dit werk zoude kunnen worden gebragt. Bij een geschrift nogtans, waer van de ondergeteekendens hier onder nader spreeken zullen, zegt zijn E: Dit arti„ kel is door het hier vooren gestelde reeds beonstwoord. Jk hebbe ook op dat moment wan„ neer Nagezien e 305 Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Irodiffe Gouverneuja en Direkteur van het Eij land Ceilon, met dies onderhoorigheedsen neer mij gevraagd wierde met eene gezegd, dat ik mij referee¬ re aan mijne berigten van den 3. en 18. Julij 1786. en dat ik verzogte dat deeze na Bata„ via mogte gezonden worden, ook dat ik niet konde mede stemmen in 't afgeven van zoo veele verzogte Landerijen, dat wel behagen had in het schoonmaken der bosschen en de aanplanting van Kan„ neel, maar dat ik de manier hoe dit geschiede niet approbeerde Huw Hoog Edelheeden zoo men ziet reeds dat ik bij die den 17. april laastleeden berigten al in het oog hadden aan de g'eerde beveelen by het veel afgeeven van Landerijen reade in Raade van Ceit„ op een derde met kaneel aen„ en eene nog meerdere op te planten, en dat ik daar in ulture betrekkelijk, D niet wilde stemmen, om de aan in eerbied aan ter ord Thuijnkaneel nog n kwaade gevolgen die ik moen„ scheijnt noe zig voorst de daar uijt te zullen resul„ el is die zonder and teeren, en dit heb ik in 't ver„ de meeschen, handen in volg zoo wel als bij die be„ oatgebragt. rigten na mijne gedagten reeds gelyk zoo als Haar He aangeweezen zo apaat word afgep van zoodanige boschte chtbaare Heer GV: Linde Op welk gedeelte van dit geschrift van den Hoed sluijsken, dat voor gaat, aan de woorden hier booven uijt het zelve aangehaald, moet wor„ den g'agt bepaaldelijk toepasselijk te zijn, zijn E: gezegde Dit artikel is door het vooren staande reeds beantwoord, is de ondergeteeken„ dens niet duijdelijk genoeg gebleeken, om zig daar over eenige reflexien te durven permit„ teeren te neemen daar om te meerdere vrij„ heijd hier aantemerken, dat hun niet bekend is, dat zelfs voor het Jaar 1785. andere meakelijke vergissingen in de aanplanting van de kanneel zoude zijn begaan, dan dat ze te Pigt gedaan is zoo is bij voorbeeld, de tuin te Bejegamme in de Hina Korle door den Modliaaa Bandara„ naijke reeds in de vroegste tijden aangelegd, „veels te digt beplant. Dezelfde depekten vind men onder anderen in twee tuijnen hier in de na„ bijheijd van kolombo, de eene aangeplant door de overleedene Mahamotiaaa de Saram en de tweede door de Mohandiram de Sar„ aam van de Altepattoe In deeze vergissing, die eerst opgemaakt is na dat de kanneel boomen reeds wat opgeschooten waaren, is vervolgens voorzien, en bevoolen Nagezien dat
English
306 that all plantations should take place at a distance of 5. to 6. feet. This has particularly been observed in all plantations that have been made for the account of the Company since the year 1785. The inhabitants have also everywhere been instructed that they must plant the cinnamon, which they would henceforth plant on their properties, at just such a distance from each other. One might perhaps further observe here that in the beginning, especially on such lands where large plantations were to be made, somewhat too much of the large trees standing thereon were cleared away. These are the kind of mistakes into which one could easily fall in undertakings such as these, which were new to everyone; yet this has also since been provided for, according as it was seen that the young cinnamon trees required an airy shade. That also in the beginning of the planting, when due to a lack of sufficient seed-bearing cinnamon trees, one had to go and gather the cinnamon seed from everywhere, even in the King's land, and that some mistakes may have crept into this matter, is not only very possible, but one may even wonder that one has still succeeded so well therein. The undersigned have presented all these articles to Mr. Sluijsken. Verbally, His Honour answered nothing thereto that could in any way serve the matter; but in the writing mentioned above, he noted at article 8: These requested directions have taken place in such manner as is set down here above. To which part of the writing of Mr. Sluijsken that precedes the words just quoted from the same, these words quoted therefrom: These requested directions have taken place in such manner as is set down here above, should specifically be applied, the undersigned likewise do not understand clearly enough to dare to allow themselves any remarks thereon. Whether Mr. Sluijsken continued to keep this in view in his subsequent reports, and whether these must consequently be considered to have in view only that which was done before that time, does not appear too clearly. To Their High Nobilities themselves that appeared doubtful, and they therefore, as it seems, asked by letter of the 31st July 1787 for the reasons for his declaration recorded in the resolution of the 1st August 1786, of which mention was made at § 1, because Mr. Sluijsken in his second advice had positively said: Examined 3. 3. To the Honourable, Highly Esteemed Sir, Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. Honourable Sir, Their High Nobilities on the 17th April last ordered the esteemed Council of Ceylon to give even more attention relative to the cultivation of garden cinnamon, which it seems is still being produced without other human hands. Just as Their High Nobilities are separate from such forests, 307 said, that he was well pleased with the clearing of the forests and the planting of Cinnamon, but that he did not approve of the manner in which this was done, which I do not remember has since been remedied. Upon the recommendation of Their High Nobilities in the aforementioned letter of the 31st July 1787 § 196, which is annexed hereto in extract, the resolution of the 23rd October 1787 was taken in the Council of Ceylon, which also lies annexed hereto in extract, and thereupon a further report of the 26th December of the same year was submitted by Mr. Sluijsken. Upon this report, which is inserted into the Ceylon resolution of the 14th February 1788 annexed hereto, such decisions were taken as are recorded in the margin thereof. This resolution was sent to Their High Nobilities by letter of the 8th October 1788, which lies annexed hereto in extract, and they answered thereto by letter of the 26th August 1789 in such manner as will appear to Your Honour from the extracts drawn therefrom, which lie annexed hereto. Upon the highly esteemed orders given thereby, the Ceylon resolution of the 24th of this month was taken, which also lies annexed hereto in extract. Pursuant to and in fulfillment of the aforementioned highly esteemed order of Their High Nobilities, and the last-mentioned Ceylon resolution, the Examined 6. 7. 8.
Dutch transcription
306 dat alle aanplantingen zoude geschieden op een distantie van 5. tot 6. voeten. Jnzonderheid is dit in acht genoomen in alle aanplantingen die zedert het Jaar 1785. voor rekening van de komp:e zijn gedaen. ook zijn de ingezeeten over al onderrigt, dat ze de kanneel die zo op hunne erven voortaen zoude aanplanten, op even zulken distantie van malkanderen planten moesten Nog zoude men hier bij misschien kunnen aen„ merken, dat in den beginne, in zonder„ heijd zulke groooden, waer op groote aanplantingen moesten worden gedaan, wat al te veel van de daer op staande groote boomen, gezuijverd zijn. Dit zijn van die vergissingen waar in men in verrigtinge als deeze, die voor een elk nieuw waeren ligtelijk vervallen kon„ dog daer en is ook zeedert na mate men gezien heeft, dat de Jonge kan„ neel boomen een lugtige schaduwe behoefde voorzien Dat 'er ook in den beginne van de aanpla„ ting, wanneer men uijt gebrek van genoegzaeme zaat geevende kanneel boomen, het kanneel zaet over al heeft moeten Hun Hoog Edelheeden zoo den 17. april laastlieden aan de g'eerde beveelen by reade in Raade van Ceit„ eene nog meerdere op ulture betrekkelijk, D aan in eerbied aan te ord Thuijnkaneel nog n scheijnt men zig voorsta al is die zonder and de meerschen handen in ortgebragt. elyk zoo als Haar H ze apaat word afgep van zoodanige boschte Achtbaare Heer Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Prodii Gouverneua en Direkteur van het Eij brand Ceilon, met dies onderhoorigheeden gaen te Lv: tLinde gaan te zaamen soeken, tot zelfs in skonings land, en dit stuk eenige ver„ gissingen kunnen zijn ingesloopen, is niet alleen zeer mogelijk, maar mag men zig zelfs verwonderen, dat men daer in nog zoo wel is geslaegd. De ondergetekendens hebben of de Heer sluijsken in zijne alle deeze artikalen den volgende berigten dit is blij„ ven in het oog houden, en of Heer sluijsken voorgehouden die mits dien moeten geagt Mondeling heeft zijn E: Paer worden alleen op het oog te op niets g'antwoord, dat eenig„ hebben, het geen voor dien zints ter zake dienen konde tijd is gedaan, blijkt niet al te duijdelijk. Hunne Hoogdog bij het geschrift hier boo„ Edelheeden zelve is dat twijf „ van vermeld, heeft hij bij telagtig voorgekoomen, en art:l 8. genoteerd. hebben hoogst dezelve, zoo Deeze gevraagde aanwijzin„ het scheind, daarom bij brief gen zijn zoodanig ge„ van den 31. ' Julij 1787. ge„ schied als hier booven, vraagd na de redenen van zijne ter resolutie van den is ter neder gesteld 1. aug:s 1786. aangetekende op welk gedeelte van het ge„ verklaaring, waer van schrift van den Heer sluis„ bij §1. gesprooken is, wijl ken dat voorgaat aan de den Heer sluijcken bij zij woorden zoo even uijt het tweede advies stellig hadde zelve aangehaald, bepaalde„ gezegt. lijk Nagezien 3. 3. 307 gezegt, dat wel behaagen lijk moeten worden toege„ had in het schoonmaaken past, deeze daar uijt aange„ ded bosschen, en de aanplan„ haalde woorden: Deeze gevraeg„ ting van Kanneel, maar de aanwijzing zijn zoodanig dat hij de manier, hoe dit geschied als hier booven is ter geschiede niet approbeerde, waer neder gesteld, begrijpen de onder„ dan ik mij niet herinneoe getekendens dinsgelijx met dui„ dat zeedert is voldaen. delijk genoeg, om zig daed over eenige aanmed kingen te duaven veroorlooven. Op de rekommandabie van Hunne Hoog Edelheeden bij evengem: brief van den 31. ' Julij 1787. § 196. die in exbrakt hierne„ vens gaat, is in rade van Ceilon genoomen de rezolutie van den 23. october 1787. die nog in extrakt hiernevens leyd, en is daar op door den Heer sluijsken ingediend een nader berigt van den 26. ' December deszelven Jaars. Op dit berigt dat bij de Cer„ onsche rezolutie van den 14.' februarij 1788. hiernevens leggende is g'insereerd; zijn genoomen zodanige besluij„ Hun Hoog Edelheeden zoo den 17. april laastleeden aan de g'eerde beveelen by rade in Raade van Cest„ eene nog meerdere o ilture betrekkelijk,D aan in eerbied aante ord Thuijnkaneel nog n scheijnt noe zig voorst il is die zonder and de meerschen, handen in oatgebragt. lyk zoo als Haar H ze apaat word afgeph van zoodanige boschhe Achtbaare Heer Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indissie Gouverneuja en Direkteur van het Eij land Ceilon, met dies onderhoorigheeden 5. te en Lk: Linde Deeze rezolutie is bij brief van den 8. ' october 1788. die in extrakt hierneevens legt, aen Hunne Hoog Edelheeden ge„ zouden, en hebben hoogst de„ zelve bij brief van den 26. ' au„ gustus 1789. daer op zoda„ nig g'antwoord als uE: zal koomen te blijken bij de extrakten, uijt dezelve getrokken, die hiernevens leg„ Op de zeer geeade ordres dotcr bij gegeeven is genoomen de Ceilonsche adzolutie van den 24. deezer die ook in axtrakt hiernevens ligd. Ingevolge en ter voldoening van voorsz: zeer g'eerde ordre van Hunne Hoog Edelheeden, en de laatstgem: Ceilonsche rezolutie heeft. ten als in margine Iaar van zijn aangetekend. de Nagezien 6. gen. 7. 8. l
English
308 submitted by Mr. Sluijsken, the report that lies original herewith, and on which was taken the aforesaid resolution of the 24th of this month to commission two members from the Ceylon government, in order, in the presence of the Honorable Colombo Dessave, assisted by a sworn clerk, to take cognizance of the indications that were therein requested of Mr. Sluijsken. Regarding the assertion of Mr. Sluijsken at § 17 to 20 inclusive, in his report of 26 December 1787, namely that the planted cinnamon, while growing up in a short time through watering and yielding much foliage, yet produces insufficient oil to give the bark a sufficient taste and strength: The undersigned have requested Mr. Sluijsken to give the necessary indications from which it can appear that the planted cinnamon, while growing up in a short time through watering and yielding much foliage, yet produces insufficient oil to provide the bark with a sufficient taste and strength; and His Honor has answered thereto that he had made that assumption through the experience His Honor obtained from the bad cinnamon; that His Honor left the remainder of this to those who had knowledge of chemistry and botany, and if this required a better elucidation, His Honor, desiring it, being in Galle, such can be done. In the above-mentioned writing of the Lord Commander Sluijsken the following appears regarding this: Your Honors, as on the 17th of April last, to the honored orders by already in Council of Ceylon, and a still further cultivation, concerning culture, respectfully to Garden cinnamon not yet one seems to imagine that it is without other human hands produced. just as Their Honors is peeled separately from such bushes Honorable Sir To The Right Honorable, Highly Respected Lord Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. GV: Linde You must request Mr. Sluijsken to point out where His Honor found it to be such, namely that the cinnamon that has been planted would be of less virtue than the remaining cinnamon that grew with this planted cinnamon on the same ground and under the same circumstances, and whether the watering of the young plants, as is done according to the recorded resolution of 14 February 1788, has any influence on the lesser or greater virtue of this planted cinnamon when it has grown to the necessary size to be peeled. Checked 309 On the spot itself, as is demanded of me in this matter, I cannot well point out what one actually pretends to wish to have, namely whether the cinnamon that is planted is less virtuous than the other cinnamon grown on the same ground and under the same circumstances. I repeat, this pointing out is not well possible, because all trees must have a certain age before one can judge the taste of their bark, and even then one errs; this appears from such reports as we have successively received from Europe about it; and because the different kinds grow up alike in these gardens, as has been more fully shown in my previous reports, it is not well possible to distinguish on the tree itself, when it reaches certain years, to which kind of these three classes it belongs; naturally it is, however, that greater care, such as among other things watering, causes the tree to grow up more quickly. This at least has appeared to me on all occasions, and furthermore the reasoning in this rests on chemical and botanical concepts, which I have adopted, as I have already stated in previous reports, from a certain botanist named Thunberg, who is now professor of botany in Uppsala, and who roamed about the country here with me in the beginning of the planting. I also further request that this article may be assigned for investigation to persons more knowledgeable in chemistry than I. Mr. Sluijsken has not seen fit to explain how His Honor's obtained experience of bad cinnamon served as a foundation for the aforesaid assumption. The undersigned do not even comprehend the possibility how any other findings than those resting on tests made on the trees themselves at the place where they grow could decide this matter, or even make it in any way probable. The cinnamon peelers cut the planted and unplanted cinnamon promiscuously. The sticks are peeled together, and the quills of peeled cinnamon are subsequently dried together, and packed in bundles, and thus delivered together. From this one easily sees that afterwards it is not possible to distinguish the cinnamon peeled from the planted trees from the cinnamon that has been peeled from the trees that sprang up naturally. After the cinnamon has been peeled in this manner, and subsequently Checked
Dutch transcription
308 de Heer sluijsken ingediend het berigt dat in orisineel hiernevens legd, en waer op genoomen is het voorsch: be„ sluijt van den 24:' deezer om twee Leeden uijt de Ceilonse regeering te Committeeren, ten einde ten overstaen van den E: kolombosche Dessave, geassisteerd van een gezw: kleak kennis te neemen van de aanwijzingen die daer bij van de heer sluijsker zijn gevraagd. Betrekkelijk tot de sustenu De ondergetekendens hebben van de Heer sluijsken bij den Heer sluijsken verzogt § 17. tot 20. inklusieve, bij de noodige aanwijzingen te zijn berigt van den 26. de„ doen, waer uijt kan blijken, cember 1787. dat nament„ dat de aangeplante kaneel lijk de aangeplante kaneel wel door het bewateren in wel door het bewateren in korten heid opgroeijd en korten tijd opgroeid en veel veel loof geeft, maer daer loof geeft, maar daer in geen olie genoeg word voort in geen olij genoeg word gebragt om aan de bast een voortgebragt, om aan de voldoende smaak en kragt Hun Hoog Edelheeden zoo den 17. ' april laastlieden aan de g'eerde beveelen by eade in Raade van Cect eene nog meerdere o ilture betrekkelijk, D aan in eerbied aan ter ord Thuijnkaneel nog n scheijnt men zig voorst il is die zonder and ge meerschen handen un oatgebragt. lyk zoo als Haar Ho ze apaat word afgep van zoodanige boschte Achtbaare Heer Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Prodisie Gouverneuja en Direkteur van het Eij band Ceilon, met dies onderhoorigheedsen bast t 9 te GV: Linde bast een voldoende smaek te bezorgen, moeten uwE: den Heer sluijsken verzoeken en kragt te bezorgen, en heeft aantewijzen, waer zijn Edele zijn E: daer op g'antwoord, dat zodanig bevonden heeft, dat hij die veronderstelling dat naementlijk de kanneel die aangeplast is, minder gedaan had, door de onder„ deugdzaam zoude zijn vinding, die zijn Ed: ver„ dan de overige kanneel, kreegen heeft van de slegte die met deeze aange„ Kanneel; dat zijn Edele plante kaneel op de zelfde dit voor het verdere over„ grond, en onder dezelfde „liet aan de geenen die omstandigheeden is opge„ kennisse van de Cheineé groeid, en drit het bewae„ teren der Jonge plunten en de botanik hadden, zoo als dat gedaan word, en dit een betere ophelde„ „volgens het aangeteekende ring vereisscheerde, zijn ter rezolutie van den 14. Ed: des begeerende op Gale bruarij 1788. in eenig op„ sigt van invloed is, op de zijnde, zulks geschieden kan minder off meerdere we Bij het hier vooren gem: deugd van deeze aange„ geschrift van den Heer plante kaneel, wanneer ze tot de noodige gaote is kommandeur sluijsken opgegaoeid om te worden komt daer omtrend nog geschild. het volgende voor 7 Nagezien 309 Op de plaats zelve zoo als in deeze van mij gevordert word, kan ik niet wel aanwijzen, het geen men eijgentlijk prand te willen, veb„ ben namentlijk off de kaneel die arnogeplant is minder deugdzaam is als de oeerige kanneel op dezelfde grond, en onder dezelve omstan„ „digheeden is opgegroeid. Ik herzegge deeze aanwijzing is niet wel doen„ lijk, wijl alle boomen zeker ouderdom moeten hebben voor dat men over de smaak van hunne vast kan oardeelen, en dan nog zelve mis„ gis men zig dit blijkt uijt zodanige narig ten die wij dane omr successive uijt Eucopa hebben ontvangen, en wijl de orderleij zoorten in dee„ Hun Hoog Edelheeden zoo ze tuijnen gelijk opgroeijen, zo als zulx bij den 17. april laastleeden mijne voorige berigten breeder is aangetoond aan de g'eerde beveelen by reade in Raade van Cest„ is niet wel te onderscheijden aan de boom en eene nog meerdere op zelve wanneer hij tot zakere Janren komt, on„ ulture betrekkelijk, D der wat zoort van deeze drie Classen hij ge„ aan in eerbied aan ter hoord, natuurlijk in het egter, dat meerdere ord Thuijnkaneel nog n zorge, zo als onder anderen het bewateren den scheijnt noe zig voorst boom spoediger doen optkoomen. Dit is mij ten min„ al is die zonder and ste in alle gelegenheeden voorgekoomen, en voaats de meerschen, handen un vortgebragt. steand het resonnement in deeze op Genrie en elyk zoo als Haar H Botanike kundige begrippen, die ukE hebbe overge„ ze apaat word afgep noomen, zoo als ik reeds bij voorige berigten ge„ van zoodanige boschte zegd hebbe, van zeker Botanikus g Lumburg, die Achtbaare Heer Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Prodijci Gouveaneuja en Direkteur van het Eij land Ceilon, met dier onderhoorigheedden tans C Lke t Linde tans professor Bostanik en up zal is, en met mij hier in het land heeft rondgesworven, in den beginne„ der aanplanting. Jk verzoeke ook voorts, dat dit artikel ter onderzoek aan gemnikundiger dan ik moge waade opgedraagen. De Heer sluijsken heeft niet goedgevonden te verklare„ ren hoe zijn E: verkoegene bevinding van slegte kan„ neel, gestrekt heeft tot een grondslag van de voorsz: veronderstelling De ondergeteekendens begrijpen zelfs de mogelijkheid niet hoe eenige andere bevindingen dan zulken die rusten op proeven gedaan op de boomen zelve op de plaats daar ze groeijen, dit stuk zoude kunnen bevlissen, of zelfs maar eenigzints waer„ schijnelijk maken De kanneel schillers kappen de aangeplante en on„ aengeplante kameel door malkanderen De stok„ ken worden door malkanderen geschild, en de Iaer van geschilde kaneel, word vervolgens onder malkanderen gedroogd, en bondels gepakt en zoda„ nig onder malkanderen geleverd. Hier uit ziet men ligt dat het naderhand niet mogelijk is om de kaneel geschild van de aan„ geplante boomen, te onderscherden van de kaneel die geschild is van de boomen die natuurlijk opgeslaagen zijn. Na dat de kanneel op deeze wijze is geschilden ver„ volgens Nagezien
English
310 therefore dried, there can, in the opinion of the undersigned, be no findings or tests carried out that could serve as any guidance in this matter. That not all cinnamon is equally flavorful, and that bad cinnamon is found here and there, is only too well known. This was found to be the case just as much before anyone ever thought of cinnamon plantations, and to conclude now, when these plantations are taking place, solely from this difference in the quality of the cinnamon, that the less flavorful cinnamon was peeled from planted trees, would certainly be far too hazardous. Arguments resting solely on chemical and botanical concepts which Mr. Sluijsken sought to have adopted from a certain botanist Thunberg, cannot carry equal weight against the unanimous and general testimony of the heads of the cinnamon peelers, and the cinnamon peelers themselves, who have handled this work from their childhood and readily testify that between the cinnamon peeled from planted trees and the cinnamon peeled from unplanted trees [illegible] grown on the same soil and under the same circumstances, there is no difference. Honorable Sir To The Right Honorable, Highly Esteemed Sir Willem Jacob van de Graaf Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies JV: t Linde The second undersigned, as captain of the cinnamon, on the express orders of Your Right Honorable, Highly Esteemed Sir, has repeatedly questioned the cinnamon peelers and their heads on that matter; and from their answers nothing has ever occurred to him that could even raise any doubts that the cinnamon peeled from planted trees would not be as good in quality as the cinnamon peeled from trees that have sprouted naturally on the same soil and under the same circumstances. To conduct the tests on the spot itself, which alone can decide this, there was abundant opportunity. One can generally distinguish very visibly the cinnamon trees that have been planted, of which a great many have been peeled for many years and are still peeled daily, from the trees that have sprouted on their own, because the former stand in a certain order, and the others have grown up mixed together, as is very natural. If Mr. Sluijsken had therefore thought to be able to prove his opinion by tests carried out on the spot itself, and had seen fit to indicate where and on which trees he desired that these tests should be taken, that could have been done immediately. One had only to call some cinnamon peelers who were working here nearby. Checked 311 Regarding that which one finds in the report of Mr. Sluijsken of 26 December 1787, section 31, it having been remarked in the Ceylon correspondence that the indication made therein ought to be investigated and that this would take place before a commission as soon as Mr. Sluijsken should have declared whether he could point out where and by whom bad cinnamon was planted, Their High Mightinesses have thereupon, in the aforementioned most honored missive, section 52, ordered to have this positive assertion proved, since the matters which form the subject thereof are of so much weight that one cannot investigate them enough. This must therefore also on this occasion be investigated on the spot itself. The undersigned have requested Mr. Sluijsken to be so good as to comply now with the intention of Their High Mightinesses' most honored missive of 17 April 1789, section 52, mentioned alongside here, and to point out where and by whom bad cinnamon was planted, and where his honor noticed the disadvantages mentioned in his reports regarding the planting of young cinnamon trees. Above, the undersigned have already noted that they were now in the rest house of the Chalias, standing on fairly high and dry ground. Some distance from there on the west side, there is a sloping plain that ends at the lake. To this place the undersigned went with Mr. Sluijsken at his request, and having arrived at that part of this sloping ground which, according to the level of the lake, stands quite deep under water every year. To The Right Honorable, Highly Esteemed Sir Willem Jacob van de Graaf Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies Sir
Dutch transcription
310 volgens gedrooyd, kunnen er dus na de sonder getee„ kendens inzien, geene bevindingen zijn of proe„ ven genoomen worden, die in deeze tot eenig leidinge zoude kunnen dienen. Dat alle kaneel niet even smakelijk is, en dat er hier en daar slegte kaneel gevonden word, is te over bekend. Dit is eeven soo bevonden voor dat men ooijt om aanplantingen van kaneel ge„ dagt heeft, en om tans dat deze aanplantinge geschied, alleen uit dit verschil van de derugd der kommel, te besluijten dat de min smakelijke kan„ neel geschild is van aangeplante boomen, zoude zekerlijk al te gehazardeerd weezen. Raisonnementen alleen steunende op Chimise en Bo„ Hun Hoog Edelheeden zoo tanik kundige begrippen die de Heer sluijsken den 17. ' april laastleeden zogt te hebben overgenoomen van zeker Bota„ aan de g'eerde beveelen by eade in Raade van Cest„ nikus Tumburg, kunnen in gewigt niet haelen eene nog meerdere op bij het eenstemmig en algemeen getuijgenis van ilture betrekkelijk, D de Hoofden der kameelschillers, en de kaneel schil„ aan in eerbied aan te lede zelven, die van kindsgebeante af dit werk ord Thuijnkaneel nog n behandeld hebben en eerspoedig betuijgen, dat tus„ scheijnt men zig voorsta schen de kanneel- geschild van aangeplante il is die zonder an boomen en de kaneel geschild van onaengeplan„ ge menschen, handen ui te boomen en de Haa ges van anvenggestn oatgebragt. lyk zoo als Haar Ha voomm, op denzelfden grond en onder dezelfde ze apaat word afgepa omstandigheid opgegroeid, geen onderscheid is. van zoodanige boschte Achtbaare Heer Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Irodisf Gouveaneuja en Direkteur van het Eij band Ceilon, met dies onderhoorighoedsen De JV: t Linde De tweede getekende heeft als koptein van de kaneel op expresse last van uw wel Edele Groot Achtb: te meermaalen de kanneelschillers en hunne hoofden op dat stuk ondervraagd; en is hem uijt hunne antwoorden niminer iets voorgekoomen, dat zelfs maar eenige twijffelingen zoude kunnen verspaerden dat de kaneel geschild van aangaplante boomen, in deugd niet zoo goed zoude zijn dan de kaneel geschild van boomen die op dezelfde grond en onder de„ zelfde omstandigheeden natuualijk opgeslagen zijn om de proeven op de plaats zelve te doen, die dit alleen kunnen beslissen, was 'er overvloedige ge„ legenheid Men kan de kaneel boomen die aangeplant zijn, van dewelke er zedert veele Jaeren een minig„ te geschild zijn en nog dagelijks geschild worden voor„ gaans zeer zigtbaer onderscheiden, van de boo„ men die uijt zig zelfs opgeslagen zijn, door dien de eerste staan in een zekere ordre, en de andere door malkanderen, zoo als dat zeer natuur„ lijk is, zijn opgegroeijd. Jndien dus de Heer sluijsken gemeend had zijn gevoelen door proeven op de plaats sel„ ven genoomen te kunnen bewijzen, en goed„ gevonden had aanwijsing te doen, waer en op welke boomen hij verlangde dat deeze proc„ ven zoude werden genoomen, waare dat ogenblik„ kelijk te doen geweest. Men had daer toe alleen te roepen eenige kaneelschillers die hier 10 Nagezien in de nabijheid werkte. B 311 Nopens het geen mend vind bij De ondergeteekendens hebben den het berigt van den Heer sluijs„ Heer sluijsken verzogt, om als ken van den 26:' December nu te willen voldoen aan de in„ 1787. 531. bij de Ceilonsche aen tentie van Huune Hoog Edelheeden, gevaang geremaakeerd zijnde, zeer g'eerde missive van den 17 dat de aanwijzing daar bij April 1789. § 52. hier bezijden ver„ gedaan, behoorde te worden meld, en aanwijzing te doen, waer onderzogt en dat dit zoude en door wie slegte kaneel is aange„ geschieden ten overstaen van plant en, waer zijn E: de bij zijne een kommissie, zoo dra de berigten vermelde nadeelen in het aen„ Heer sluijcken zoude hebben planten van de Jonge Kaneel bomen verklaard, of hij konde ain„ heeft opgemerkt wijzen waar en door wien Hier boven hebben de ondergeteekendens slegte kaneel is aangeplant, reeds aengemaakt dat ze nu wae„ is door Hunne Hoog Edelh: #uw Hoog Edelheeden zoo ren in het Rusthuijs van de sjali„ den 17. april laastleeden daer op bij voorsz: zeer g'eerde assen, staende op een vrij hooge aan de g'eerde beveelen by missive 552. gelast, om deese eade in Raade van Cest„ positive assertie te doen bewij en drooge grond. Een indweegs e eene nog meerdere op zen, wijl de zaaken die daer van daar aan de west kant, lture betrekkelijk, Da van het onderweap maaken van heeft men een afhellende vlak„ aan in eerbied aan ter zoo veel gewigt zijn, dat men te die aan het Lak aindigt. ord Thuijnkaneel nog n die niet genoeg onderzoeken Na deeze plaats zijn de onderge„ scheijnt noen zig voorsta kan Dat moet mids dien tekendens met den Heer sluijsken il is die zonder and ook her deezer geleegentheid op zijn verzoek gegaen, en gekoo„ ge meerschen, handen in op de plaets zelfs worden ontgebragt. men zijnde op dat gedeelte van onderzogt lyk zoo als Haar H deeze afhellende grond, het welk ze apaat word afgese na moete het Lak hoog staet, van zoodanige bosch te alle Jaaren vrij diep onder Achtbaare Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indisce Gouverneua en Direkteur van het Eij band Ceilon, met dies onderhoorigheedsen waster 10. 10. C Heer
English
GV: Linde water flows, of which the muddy ground, although the ditch was quite low, was still soaked with water all over, Mr. Sluijsken pointed out five cinnamon trees, which he requested the undersigned to have cut down, as was done. What Mr. Sluijsken intended by this, His Honour did not explain at that occasion. Furthermore, at the request of Mr. Dessave Faetz, very near the place where the first five trees had been cut down, but on slightly higher ground, the undersigned had five other cinnamon sticks cut. Both the first and the latter five sticks were subsequently peeled, and the cinnamon obtained therefrom was handed over to Mr. Dessave Faetz, who will give a separate report thereof. While the cinnamon was being peeled, Mr. Sluijsken asked an Aratchi of the cinnamon peelers whether this tract of ground, we mean the low side just mentioned, extended to the public road to Kotta, to which this man answered yes. The undersigned, regarding this conversation as insignificant, and especially not understanding what it aimed at or what Mr. Sluijsken intended by it, did not meddle with it, nor paid any further attention to it at that time. They would also make no mention of it here if Mr. Sluijsken, in his aforementioned writing, did not speak of it in a manner that makes this necessary, as will appear more clearly below. Probably this Aratchi of the cinnamon peelers did not understand the question well. If he had understood it, and had meant to say that the ground from the aforesaid Chalia resthouse where this conversation occurred, all the way to the road to Kotta, was everywhere just as swampy and watery as the swampy ground at the end of the sloping plain, where the five cinnamon sticks were cut down at the request of Mr. Sluijsken, he would have said an impertinence, of which he could have been convinced on the spot. Between the Chalia resthouse, which itself stands on good dry ground, and the road to Kotta, the ground is high and dry, so much so that the end thereof that borders the road to Kotta is so high and dry that precisely for that reason the plantation, of which mention will presently be made, was very difficult. To The Right Honourable, Highly Esteemed Mr. Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Member of the Council of Dutch India, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. Besides the fact that the Marandhan, which His Honour had to traverse frequently as Captain of the Cinnamon, is very well known to Mr. Sluijsken as well as to the undersigned, one cannot suppose that the object of Mr. Sluijsken in asking this question was to seek information from this Aratchi of the cinnamon peelers about the soil condition of the aforesaid terrain. From the Chalia resthouse an avenue runs, in a straight line, to the road of Kotta, which is situated not three hundred rods from the aforesaid resthouse, and at the end of which the aforesaid plantation was made. If Mr. Sluijsken had therefore understood the aforesaid Aratchi of the cinnamon peelers to mean that he wished to make him believe that this ground was just as muddy as the place where the five aforesaid trees were cut down, His Honour would certainly have had to consider him a fool, or a man who dared to speak an impertinence to His Honour, contradicting what His Honour and all the bystanders saw with their own eyes. The overseer of the plantations Spittel, called at the request of Mr. Sluijsken, arrived meanwhile, while Mr. Sluijsken was still with the undersigned in the Chalia resthouse. Of this resthouse it has already been remarked above that it stands on high and dry ground, some distance from the place where the aforesaid five cinnamon sticks had been cut at the request of Mr. Sluijsken. Mr. Sluijsken asked him whether the cinnamon planted around here comes up well. From his answer, as it is even recounted in the writing of Mr. Sluijsken, namely that some trees were indeed standing, but that this place between the resthouse and the road of Kotta, about which His Honour properly inquired, had been planted as many as four and five times, but that the trees had repeatedly died off, until now finally a large number remained standing, it is already clear that the plantation spoken of here was made between the aforementioned Chalia resthouse and the road to Kotta. Nevertheless, the undersigned will elucidate this conversation somewhat further here. They think they can be of even more service in doing so. To The Right Honourable, Highly Esteemed Mr. Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Member of the Council of Dutch India, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies.
Dutch transcription
GV: Linde waeter loopt, ef waer van de modderagtige grond„ nu schoon het lrk vrij laag was, nog over al met waeter was ser doortrokken wees den Heer sluijsken vijf koneel boomen aen, die hij de ondergeteekendens verzogte te willen laaten kooppen, zoo als is geschied. wat oogmerk den Heer sluijsken Iaer bij hadde, heeft zijn E: ter Vier geleegenetheijd niet verklaerd Nog hebben de ondergetekendens op het verzoek van den Heer Dessave Fratz:, zeer in de na„ bijheijd van de plaets waer op de eerste vijf bock men gekapt waeren, dog op een wijnig Hoogeren grond, doen kappen vijf andere kaneel stokken zoo wel de eerste als de laatste vijf stokko„ zijn vervolgens geschild en is de daar van geko„ mene Kaneel aan den Heer Dessave Faetz: overgegeeven die daca van appart berigt zal doen Middelerwijl dat de kanmeel geschild wierd, vroeg den Heer sluijsken aan een Haatje van de komee„ schillers, of dit teraein van grond, wij zenden de laege kant daer dadelijk van gesproken is, zig uijtstrekte tot de algemeene weg na Kotta, het geen door deeze man met ja is be„ antwoord. De ondergetekenden „ dit gesprek, voor niets beduijdende aanzaegen, en inzonderheid niet begrijpende waer toe het strikte of wat den Heer sluijsken daermeede voor had, hebben zig daermeede Nagezien 312 daermeede mits dien niet gemoeid, nog daer op ter dier heid verder eenig agt gegeeven. te zouden ook daer van hier geen melding maeken, zoo den Heer sluijsken bij zijn meermeld geschrift daer van niet sprak op eene wijze, die dit noodig maakt, zo als dat hier onder nader blijken zal. waerschijnelijk heeft dese arratje van de ka„ neel schillers de vrarge niet wel verstaen meent zoo hij ze hadde verstaan, en gemaat had te zeggen dat de grond van het voorsz: Cjali„ ase kusthuijs daar dit gesprek voorviel, tot aan de weg na kotti over al even zoo Compig en watteragtig was, als de Compige Hun Hoog Edelheeden zoo grond aan het eid van de afhellende vlok„ den 17. ' april laastlieden te, daer de vijf kameel stokken ten verzoeke aan de g'eerde beveelen by eade in Raade van Cest„ van den Heer Cluijsken gekoopt zijn, zoude eene nog meerdere op hij een inpertinente gesegt hebben, waer van lture betrekkelijk, D hij op het ogenblik was te overtuigen Pus„ aan in eerbied aanter schen het sjaliase rusthuijs dat zelfs op een ord Thuijnkaneel nog n goede drooge grond staat, en de weg na kot„ scheijnt men zig voorst ta is de grond hoog en droog, zo zeer dat ll is die zonder and het end daer van dat aan de weg na kot„ de menschen, handen in ontgebragt. ta gienst, zoo hoog en droog is, dat even lyk zoo als Haar Ha daerom de aanplanting waer van zoo da„ ze apart word afgesh delijk zal gesprooken worden, zeer moeijelijk van zoodanige boschte geweest is. Achtbaare Heer Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indisce Gouverneua en Direkteur van het Eij land Ceilon, met dies onderhoorigheeden Behalven Lke tLinde 308: Behalven dat aan den Heer sluijsken de Maren„ daen, die zijn Ed: als kapitein van de kaneel menigmaelen moest doorkruijsen, zo wel als aan de ondergetekenden zeer bekent is, zoo kan men ook niet vermoeden, dat het oogwerk van den Heer sluijsken in het doen deser vraege zoude geweest zijn, om van deeze arattje van de Kaneel schillers onderrigting te vraagen over de gronds gesteldheid van het voorsz: terrijn. van het fjalisse rusthuijs gaat een Laan, in een aerte lyn, na de weg van kotta die geen driehondert roeden van het voorsz: rusthuijs geleegen is, en aan het einde van de welke, de voorsz: aanplanting is gedaan. zoo dus de Heer sluijsken de voorsz: aaatje van de kaneel schillers, dus had verstoen, dat hij hem wilde wijsmaeken, dat deese grond even zoo modderagtig was als de plaats daer de vijf voorsz: boomen ge„ kapt waeren, zoude zijn Ed: hem zeeker lijk hebben moeten houden voor een zot, of voor een man die zijn Ed: een inperti„ nentie dorste zeggen, strijdende tegens het geen zijn Ed: en alle de omstanders met eijge oogen zaegen Den Nagezien 313 Den opsigter van de plantagien spittel, op ver„ zoek van den Heer sluijsken geroepen, was middelerwijl en terwijl de Heer sluijsken met de ondergetekendens roog in het fjaliase rusthuijs waeren, gekoomen van dit rust„ huijs is hier boven reeds aangemerkt dat het staet op een hooge en droge grond, een end weegs van de plaets, daar de voorschreevene vijf kan„ neel stokken op verzoek van den Heer Cluijs„ ken gekapt waeren. Aan hem vroeg den Heer sluisken, of de kaneel die hier omstreeks ge„ plaat word wel opkomt. uit deze zijn antwoord, zoo als het zelfs bij het geschrift van den Heer sluijsken word verhaal, #uw Hoog Edelheeden zoo dat namentlijk na zommige boomen wel ston„ den 17. ' april laastleeden aan de g'eerde beveelen by den, maer dat dese plaets tusschen het rusthuijs rade in Raade van Ceil„ en de weg van kotta, waar na zijn E: zig na' eene nog meerdere op eijgentlijk informeerde, wel vier en vijff mar„ lture betrekkelijk, D len aangeplant was, dog dat de boomen telkens aan in eerbied aanter waeren uijtgestorven, tot 'er nu eindelijk een ord Thuijnkaneel nog n groote partij bleeven staen, blijkt wel reeds scheijnt noe zig voorsc dat de aanplanting waer van hier gespro„ al is die zonder an ge meeschen, handen in ken word, is gedaan tusschen het meermelde ontgebragt. sjaliasse austhuijs en de weeg na kotta, niet lyk zoo als Haar H te min zullen de ondergetekenden dit gesprek„ ze apaat word afgesch hier wat naderen ophelderen. van zoodanige boschhe zo denken dit te meer van dienst te kunnen Achtbaare Heer Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indissie Gouverneua en Direkteur van het Eij band Ceilon, met dies onderhoorigheedsen zijn te
English
be, because the account of this conversation in the writing of Mr. Sluijsken immediately follows the account of his aforementioned conversation with the arratje of the cinnamon peeler Joean, and that this conversation with Spittel is recounted on the occasion that Mr. Sluijsken speaks of the marshy lands on which the five cinnamon sticks, repeatedly mentioned, were cut at his request. One might sometimes suspect that these things could have some connection with each other. The answer of Spittel, that on the place between the rest house and the road to Kotta, the plantings had to be repeated four and five times, does not refer, nor can it in any respect be considered to refer, to the marshy and muddy soil situated at the end of the aforementioned sloping plain; but to the piece of land, of which it has already been said above, that it is such a high and dry ground that precisely for that reason the planting there has been very difficult, situated close to the road to Kotta, on both sides of the avenue that goes from the Chalia rest house to this road. This piece of high sandy ground was formerly an empty spot. On such high and dry grounds, especially when they are not shaded, like Examined 314 To the Honorable, Greatly Respected Mr. Willem Jacob van de Graaf Ordinary Councillor of the Dutch Indies Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies Respected Sir like this spot, planting is very difficult, but one has taken this trouble here, because it is known that such grounds yield the best cinnamon. Whether it was necessary to plant precisely four or five times on this empty spot, the undersigned cannot say, and is not even probable, but that it cost much effort to bring this planting about is certain; yet this effort has been amply rewarded by success. The young trees that stand there now are between two and three years old and look quite flourishing. From the Chalia rest house, the undersigned, at the request of Mr. Sluijsken, went with him to the garden that formerly belonged to the repatriated Mr. Dessave De Cock, and now belongs to the Honorable Company. In passing through the avenue from this Chalia rest house to the road to Kotta, Mr. Sluijsken again sent his servant to the undersigned to make them notice that some young coconut trees were planted, which was done by a Moor on his own ground in his garden, which he has possessed for a long series of years, as appears GV: Linde as appears from a judicial bill of sale granted in the year 1755, whereby it appears that this ground was purchased at that time by the Moor Sinne Mamoe Neina from a Chetty Paskoeal, who had possessed the same since the year 1732, when it was likewise transferred to this Moor by a lawful deed of conveyance. On both sides along the road to Kotta, there have been from of old some coconut gardens, which the owners or their ancestors have possessed for a long series of years. Passing this road to go to the aforementioned cinnamon garden, formerly belonging to Mr. De Cock, Mr. Sluijsken for the third time sent the same servant of his to the undersigned, to request them to still observe some young coconut trees that were planted by these owners in their gardens. What the intention of Mr. Sluijsken was in having these messages delivered to the undersigned, they did not understand at that time. Having arrived in the aforementioned garden that formerly belonged to Mr. Dessave De Cock, Mr. Sluijsken only requested them to keep a record thereof. In Examined 315 Being in this garden, Mr. Sluijsken also read to the undersigned a document of the following content: Gentlemen, I will gladly admit that it would cost me very much effort to point out to your Honors here any wild cinnamon trees, the more so as I have never been able to make myself knowledgeable enough, or had sufficient ability, to be able to distinguish the wild cinnamon or bad sorts at the first moment; but I have deliberately prepared myself to be able to do so at this moment. After that declaration of Mr. Sluijsken, that he had never been able to make himself knowledgeable enough, nor had sufficient ability, to be able to distinguish the wild cinnamon or bad sorts at the first moment, his Honor continued that he had deliberately prepared himself to be able to do so at this moment. His Honor then pointed out to the undersigned a cinnamon tree, which, by some cinnamon peelers called over for that purpose, was declared to be Sewel or bad. Respected Sir, To the Honorable, Greatly Respected Mr. Willem Jacob van de Graaf Ordinary Councillor of the Dutch Indies Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies
Dutch transcription
LetLinde zijn, om dat het verzaal van dit gesprek bij het geschrift van den Heer sluijsken onmiddelijk volgt op het verhaal van voorschreeven zijn gesprek met de arratje van de kaneelschiller Joean en dat dit gesprok met spittel word verhaeld ter gelegentheijd dat den Heer sluijsken spreekt van de Conpige gronden, waer op de vijf kom„ neel stokken te meermaelen vermeld, op zijn E: verzoek zijn gekapt. Men zoude zomtijds kun„ nen vermoeden, dat deze dingen eenig verband met malkanderen konde hebben. Het andwoord van spittel, dat op de plaets tus¬ schen het austhuijs en de weg na Kotta, de aan„ plantingen vier en vijfmaalen hadden moeten wor„ den herhaald, ziet niet, nog kan in enig op„ zigt geagt worden te zien op de aan het einde van de voorsz: afhellende vlakte, gelegene sompige en moddedagtige grond; maer op het stuk grond, waer van hier boven reeds is gezegt, dat het een zoo hooge en drooge grond is, dat even daerom de aanplanting aldaer zeer moeij„ elijk geweest is, gelegen kort aan de weg na kotta, aan weerskanten van de laan, die van het sjaliasse rusthuijs gaat na deze weg Dit stuk hooge sanderige grond, was eertijds een ledige plek op zulke hooge en drooge gronden inzonderheijd wanneer ze niet beschaduwd zijn, gelijk Nagezien 314 Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Provijie Gouverneuja en Direkteur van het Eij hand Ceilon, met dies onderhoorigheedsn Achtbaare Heer gelijk deeze plek, is de aanplanting zier moeijelijk, dog men heeft zig deeze moeijte hier getroost, wijl het bekend is dat diergelijke gron„ den de beste kaneel geven off op deeze ledige plek juijst vier of vijf maelen heeft moeten worden geplant, kunnen de ondergetekenden niet zeggen, en is zelfs niet waarschijnlijk, dog dat het veel moeijte gekost heeft om deeze aanplan„ ting tot stand te doen koomen, is zeeker, dan deeze moeijte is ruijm beloond, door het succes. De boomtjes die daer tans staen zijn tusschen de twee en drie Jaaren oud en staen vrij fleurig. van het sjaliasse rusthuijs zijn de ondergetee„ Huw Hoog Edelheeden zoo kendens ten verzoeke van den Heer sluijsken den 17. april laastleden met hem gegaen naar de tuijn die eertijds aan de g'eerde beveelen by eade in Raade van Ceil„ heeft behoord aan den gerepatrieerden Heer eene nog meerdere op Dessave De Cock, en tans behoord aan d'E: „sture betrekkelijk, D Kompe: aan in eerbied aan ter In het passeeren van de laan van dit sjalias„ ord Thuijnkaneel nog n se rusthuijs na de weg van kotta, zond den scheijnt noe zig voorsl Heer sluijsken aan den ondergeteekendens ander„ ll is die zonder and mael zijn lijfeigenen, om hun te doen op„ de meenschen, handen in ortgebragt. merken, dat er eenige Jonge kokus boomen lyk zoo als Haar aangeplant waeren, het geen gedaan is door ze apart word afges een moor op zijn eige grond in zijn tuijn, die van zoodanige boschte hij zeedert een groote reeks van Jaaren bezit„ blijkens eld t kann kun„ wor„ e GV: Linde blijkens een Justitieele koop brief in het Jaer waer bij blijkt dat deeze 1755. verleend, grond te dier tijd is gekogt door den Moor sinne Mamoe Neina van een Chittij Pas„ koeal, die dezelve heeft bezoeten zedert het Jaer 1732. wanneer zes insgelijks bij een wettige transport brief aan deezen moor is opgedraagen Aan weerskanten langs de weg na Kotta, leg„ gen van ouds eenige klapper tuijnen, die de rijgenaars of hunne voorzaeten zedert een groote reeks van Jaeren bezitten. Deeze weg passee„ rende om te gaan na de voorsz: kaneel tuijn„ eertijds aan den Heer De Cock hebbende behoord, zond den Heer sluijsken ten derden malen den zelfden lijfeigen van hem aan de onderge„ tekendens, om hun te verzoeken, dat zo nog wilde opmeaken eenige Jonge kokus boomen, die door dese eigenaaren in hunne tuijnen zijn aangeplant wat het oogmerk van den Heer sluisken was, om deeze bootschappen aan de onderge„ teekendens te laeten doen, begreepen ze ter dier tijd niet Gekoomen zijnde en de voorsz: tuijn die eertijds aan de Heer Dessave De Cock heeft behoord, verzogte den Heer sluijs„ ken hun alleen daar van aanteekening te houden In Nagezien 315 In deeze tuijn zijnde las den Heer sluijsken de ondergetekenden nog voor een geschrift van den volgenden inhoud. Mijne Heeren Ik wil gaaane bekennen, dat het mij zeer veel moeijte zouw kosten, om uw Ed:e hier enige wilde kaneel boomen aan„ tewijzen, te meer ik mij nooid kun„ sig genoeg heb kunnen maaken of vermogens genoeg gehad hebben, om de wilde kaneel of slegte zoorten op het eerste moment te kunnen onder„ scheiden, dan ik heb voorbedagt mij in staet gesteld om zulx op dit mo„ ment te kunnen doen. Na die verklaring van de Heer sluijsken, dat hij zig nooijt kundig genoeg had kunnen maeken, nog vermoogens genoeg gehad heeft, om de wilde kaneel of slegte zoorten op het eerste moment te kunnen de onder„ scheijden, vervolgde zijn E:, dat hij zig voorbedagt had in staet gesteld om zulx op dit moment te kunnen doen. zijn E: wels vervolgens de ondergetekendens een kaneel boom aen, die door eenige komeel schillers daer over geroepen voor sewel of ff uw Hoog Edelheeden zoo den 17. ' april laastleden aan de g'eerde beveelen by rade in Raade van Cest„ en eene nog meerdere op lture betrekkelijk, D aan in eerbied aan ter ord Thuijnkaneel nog n scheijnt noe zig voorst al is die zonder and ge meerschen, handen in oatgebragt. lyk zoo als Haar Ha ze apaat word afgesh van zoodanige boschte Achtbaare Heer Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indisci Gouveaneua en Direkteur van het Eij land Ceilon, met dies onderhoorigheiden slegte P 8 „
English
was recognized as bad cinnamon. Then Mr. Sluijsken pointed out another cinnamon tree, which His Honour stated to be of a bad kind, but was recognized by the cinnamon peelers as a good kind. Finally, Mr. Sluijsken pointed out a third cinnamon tree, which was likewise recognized by the aforesaid cinnamon peelers as a bad kind of cinnamon, which is called by the cinnamon peelers Madoen Sewel-Koeroendoe. All these three trees appeared to be old bushes, of which no circumstances showed that they had been planted, and even if they might have been planted, it was visible that these plantings must have been done many years ago already. Having done this, Mr. Sluijsken said that he did not intend to make any further indications or clarifications, and that His Honour now considered this commission concluded. The Dessave Mr. Fretz thereupon pointed out to Mr. Sluijsken, as has also been noted in the instructions of Your Right Honourable at article 14: That Examined 316 That nothing can be concluded from such isolated findings. That what matters is whether one should draw an unfavourable conclusion from what is generally found here with regard to the country regents who direct this work and under whose eye this happens, as well as to the detriment of such private individuals who have planted cinnamon on their lands for their private account or also on lands granted to them for that purpose on behalf of the Company, as well as in particular whether one can employ more supervision and better remedies against these inconveniences than is currently being done. And that it was therefore necessary to walk through the lands overgrown with cinnamon hereabouts for a bit, to experience whether, in proportion to the large quantity of good cinnamon trees, so much bad cinnamon is found that it can be considered in any way remarkable or of importance, but Mr. Sluijsken declined this and then, without anything Their High Honours as the 17. April last to the honoured orders by in the Council of Ceylon a still greater cultivation relative, to in respect to garden cinnamon not one seems to even if without men, hands in produced. just as Her it is separated of such jungle Honourable To The Right Honourable Lord Willem Jacob van de Graaf Ordinary Councillor of the Netherlands Indies Governor and Director of the Island Ceylon, with its dependencies further Lord further being accomplished, returned home. On this occasion, Mr. Fretz also told the Commander Mr. Sluijsken that if His Honour would take the trouble to go and see a piece of land that was being cleared, not far from the aforesaid garden formerly belonging to the Dessave Mr. de Cock, where His Honour now was with the undersigned, His Honour could see with his own eyes what a great quantity of false cinnamon had been found there and was still being found. If Mr. Sluijsken, who likewise did not see fit to do this, had done so, this would have convinced him, among other things, of the frivolous and unacceptable report of the cinnamon peelers' Aratchy Joean, of which His Honour speaks in his repeatedly mentioned writing, namely that no sewel koeroendoe grows in the Salpitti Corle. His Honour would have seen that in the forests of the Salpitti Corle, just as well as elsewhere, not only false but even very much false cinnamon, which has grown spontaneously, is found in the forests that have not yet been cleared. The aforesaid statement of Mr. Sluijsken Examined 317 Sluijsken, that he had never been able to make himself knowledgeable enough nor had the capacity to distinguish wild cinnamon or bad kinds at the first moment, notwithstanding the great and very special opportunities that His Honour has had in the country services successively held by him, especially in the service of Captain of the Cinnamon, and for which His Honour has certainly been trained all the more since the occasion of the very extensive descriptions of the special kinds of cinnamon trees that are found here and there in His Honour's writings, is very clear proof that, notwithstanding the very meticulous supervision that has been maintained over this work, it has not been quite possible to prevent entirely that here and there on the cleared lands a single bad cinnamon tree would have remained standing. Mr. Sluijsken, who said that he was now able to do so at this moment, Their High Honours as the 17. April last in the Council of Ceylon and a still greater cultivation relative, to in respect to garden cinnamon not one seems to propose even if without men, hands in produced. just as Her it is separated of such jungle Honourable To The Right Honourable Lord Willem Jacob van de Graaf Ordinary Councillor of the Netherlands Indies Governor and Director of the Island Ceylon, with its dependencies do Lord
Dutch transcription
LketLinde slegte kaneel is erkend. Vervolgens wees den Heer sluijsken nog een kom„ neel boom aan, die door zijn E: voor slogte zoort wierd opgegeeven, dog door de kameel„ schillers voor goede zoort is erkend: Eindelijk heeft den Heer sluijsken nog een deade kaneel boom aangeweezen, die insgelijks door voorsz: kaneelschillers is erkend voor een slegte zoort van kaneel, die bij de komeel„ schillers genoemd word Madoen Servel- Koe„ roendoe. Alle dese drie boomen scheenen oude struijken, waer van het uijt gene omstandigheeden bleek, dat ze waeren aangeplant, en zoo ze ook mogten zijn aangeplant, was het zigtbaar, dat dese aanplantingen moet zijn gedaan nu reeds zeer veele Jaaren geleeden. Na dit te hebben gedaan, zeijde de Heer sluijs„ ken, dat hij geen verdere aanwijzingen, of ophelderingen meende te doen, en dat zijn E: deeze kommissie hier meede nieuw voor g'eindigt. Den Heer Dessave Fretz: deed daer op den Heer Sluijsken opmea¬ ken, zo als dat ook bij de instruktie van uwel Edele Groot Achtb: bij artikul 14. is aangemeakt: Dat Nagezien 316 Dat men uijt zo enkelde bevindingen niets kan besluijten. Dat het geen waer op het aankomst is, of men uijt het geene hier van over het algemeen gevon„ den word, een nadeelig besluijt zoude moe„ ten opmaken ten aanzien van de land„ regenten die dit werk bestieren, en onder wiens oog dit geschied, als meede ten na„ deele van zulke partikulieren die op hunne gronden voor hunne besondere ree¬ kening of ook op gronden die hun ten dien einde gegeeven zijn, ten behoeve van de komp:s kameel hebben aangeplant, gelijk ook inzonderheid, of men meer toesigt en betere hulpmiddelen kan te werk stellen d'e teegens deeze ongemakken, dan tans ge„ schied. En dat het midsdien noodig was de hier omstreeks met kaneel bewassene gron„ den wat te doorwandelen, ter ervaering of men in proportie van de groote me„ nigte goede kaneel boomen, zoo veel kwaade kaneel word, dat 't eenigzints kan geagt worden opmerkelijk, of van belang te zijn, dog de Heer sluijsken heeft dit gede„ klineerd en is vervolgens zonder dat 'er iets Huwn Hoog Edelheeden zoo den 17. april laastleeden aan de g'eerde beveelen by rerde in Raade van Cest„ eene nog meerdere op ilture betrekkelijk, D aan in eerbied aan ter ord Thuijnkaneel nog n scheijnt men zig voorsc al is die zonder and de meerschen, handen in voatgebragt. lyk zoo als Haar Ha „ ze apaat word afgesh van zoodanige boschke Achtbaare Aan Den welEdelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indisi Gouverneuja en Direkteur van het Eij brand Ceilon, met dies onderhoorigheedsen verders Heer E Lk: Linde verders verrigt is, na huijs gekeerd. per deezer gelegentheid zeide de Heer Fretz: nog aan den Heer Kommandeur sluijsken, dat zo zijn E: de moeijte wilde neemen, om niet verre van de voorsz: tuijn eer„ teids aan den Heer Dessave de Cock toebehoo„ rende, daar zijn E: met de ondergeteekendens nu was, te gaan zien een stuk grond dat on„ der handen was om te worden schoongemaakt, zijn E: met eige oogen zoude kunnen zien, wat een groote menigte valsche kaneel daer ge„ vonden was en nog gevonden wierd. zoo den Heer sluijsken die dat insgelijks niet goed vond te doen, dit hadde gedaen, zoude hem dit onder anderen hebben overtuigd, van het ligtvaardig en onaannemelijk berigt van den aaratje der kaneelschillers Joean, waer in zijn van zijn E: meermeld geschrift spreekt, dat 'er namentlijk in de Calpittikoale geen servel koeroendoe groeijd. zijn E: zoude hebben ge„ zien, dat 'er in de bosschen van de salpittikor„ „le even zoo wel als elders niet alleen valsche maer zelfs zeer veel valsche kanael, die van zelfs opgeslagen is, word gevonden, in de nog niet schoongemaakte bossen. De voorschreevene verklaering van den Heer Sluijsken Nagezien 317 sluijsken, dat hij zig nooijt kundig genoeg had kunnen maeken nog vermogens genoeg gehad heeft, om de wilde kaneel of slegte zoorten op het eerste moment te kunnen onderscheiden, niet teegenstaende de groote en zeer bizondere gelegentheeden die zijn E: daer toe gehad heeft in de landdiensten, door hem successive bekleed, voornamentlijk in de dienst van kapitein van de Kaneel, en waar toe zijn E: zeekerlijk zeedert te meer is opgeleid ter geleegendheijd van de zeer uitgebreijde beschrijvingen der be„ sondere zoorten van kaneel boomen, die hier en daar in zijn E: schriften gevonden worden, is een zeer klaer bewijs, dat niet dto aan de g'eerde beveelen by teegenstaende het zeer nauwgezette toesigt „ dat over dit werk gehouden is, het niet al te mogelijk is geweest, om ten eene„ mael te voorkoomen, dat niet hier en daar op de schoongemaekte gronden, nog een enkelde kwaede kaneel boom zoude zijn blijven staen. De Heer sluijsken die zijde, zig nu in staat te hebben gesteld, om op dit moment te kunnen „ 2 Hun Hoog Edelheeden zoo den 17. april laastleeden eerde in Raade van Ceit„ en eene nog meerdere op ilture betrekkelijk, Da aan in eerbied aan ter ord Thuijnkaneel nog n scheijnt men zig voorsla el is die zonder and oa menschen, handen in vortgebragt. elyk zoo als Haar He ze apart word afgesh van zoodanige boschte Achtbaare Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indissi Gouverneua en Direkteur van het Eij band Ceilon, met dies onderhoorigheedse doen Heer
English
to do, point out the wild cinnamon or bad sorts, and who had now thereby been prepared for this, nevertheless erred therein. Among the three trees stated by his Honour to be bad cinnamon, the second pointed out by him was found, as has already been noted here above, to be a good cinnamon tree. The Company may therefore consider itself fortunate that, notwithstanding the aforesaid knowledge, as appears from the example of Mr. Sluijsken himself, is obtained only with great difficulty, and that servants who have had so much opportunity to make themselves knowledgeable therein can nevertheless still err so greatly therein, one has notwithstanding this succeeded so fortunately in this work, that among many thousands of cinnamon trees one finds not but an occasional bad tree here and there. How or by what means Mr. Sluijsken enabled himself to make the prescribed identifications at the very first moment is not known to the undersigned 318 they therefore do not know whether Mr. Sluijsken now believed he had obtained the necessary knowledge to be able to distinguish the wild cinnamon or bad sorts himself, or whether Mr. Sluijsken used others to seek out the aforesaid three trees. The undersigned, going with Mr. Sluijsken from the tamarind tree to the Chalia resthouse, had passed a good part of the Maradana, where on the plains on both sides of the road many thousands of cinnamon trees stand, and where also in various places where it was necessary many plantings have been made, without Mr. Sluijsken making the least investigation here regarding the sorts of cinnamon trees that stand there, as his Honour presumably would have done had he not been informed that nothing but good cinnamon stands here. In the Chalia resthouse Mr. Sluijsken stayed with the undersigned for a long time. Around this resthouse, even very near to it, it stands To the Right Honourable, Highly Esteemed Sir, Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. Honourable Sir. full of cinnamon; there is also a multitude of cinnamon on both sides of the lane which goes from this resthouse to the road of Kotte, and not only on this road but also on both sides of the same, it is full of cinnamon everywhere, among which is very much that has been planted, but in none of all these places did Mr. Sluijsken make the least investigation for bad cinnamon, much less any identification thereof. Mr. Sluijsken went from the Chalia resthouse with the palanquin directly and without stopping anywhere to the repeatedly mentioned garden which formerly belonged to the Dissava De Cock, and into this garden itself, to not far from the place where he made the identification of the three trees mentioned herein above, which were found immediately without much searching. The day after these proceedings the undersigned had the honour to report verbally on this proceeding to Your Right Honourable and Esteemed Sir, and they were then further instructed by Your Right Honourable and Esteemed Sir 319 To the Right Honourable, Highly Esteemed Sir, Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. Honourable Sir. instructed to go to Mr. Sluijsken and to point out to his Honour that in this manner it could not be considered that the purpose of this commission, expressly ordered by Their High Excellencies, had been fulfilled. Accordingly, they were together with the Lord Dissava Fretz with Mr. Sluijsken, to represent this further to him, but his Honour answered that he had made the necessary identification the day before, and that for the sake of this commission he would not go another step out of his Honour's house; adding that all further necessary elucidations regarding this commission could be assigned to a native commission. On the 30th of October following, the undersigned received from Mr. Sluijsken the writing of which they have spoken several times above, and from which, alongside the following articles of the
Dutch transcription
Jk: t Linde doen, aanwijzing van de wilde kaneel of slegte zoorten, en die nu midsdien daar toe geprepareerd was, vergisten zig nogtans daer in. Onder de drie boomen door zijn Ed: opgegeeven voor slogt kaneel, is zoo als dat hier boven reeds is aen gemerkt, de tweede door hem aangewerzen, bevonden te zijn een goede kaneel boom. De Komp:e mag dus zig gelukkig agten, dat niet tegenstaende voorsz: kundigheeden, zoo als dat uijt het exempel van den Heer sluijsken zelve blijkt, niet dan zier moeijelijk worden verkreegen, en dat dienae„ ren die zoo veel gelegentheid gehad hebben, om zig daar in kundig te maeken, zig noch„ bans daer in nog zo zaer kunnen ver„ „gissen, men des niet tegenstaende zoo geluk„ kig in dit werk is geslaagt, dat men onder veele duijzenden kaneel boomen niet van hier en daar een enkelde kwaede boom vind. Hoe of waar door den Heer sluijsken zig heeft in staet gesteld om de voorschreeven aan„ wijzingen op het eerste moment te kunnen doen, is aan de ondergeteekendens niet bekent te Nagezien 318 ze weeten dus niet of den Heer sluijsken zig nu meende te hebben verkreegen de nodige kun„ digheeden om de wilde kaneel of slegte zoorten zelfs te kunnen onderscheiden, dan wel of de Con Heer sluijsken anderen heeft gebruijkt om de voorsz: drie boomen opte zoeken De ondergetekendens waaren met den Heer sluijsken van de tamberijn boom naar het sjaliasse rusthuijs gaande, een goed gedeelte van de Marendaan gepasseert, daer op de vlaktens aan weerskanten van de weg, veele duijsenden kaneel boomen staen, en alwaar ook op verschoide plaatzen daer het nodig geweest is, veele aanplantingen zijn gedaan, zonder dat den Heer sluijsken hier op nopens de zoorten van de kaneel boomen die daer staen de minste naspeuring deed, zo als zijn Ed:e vermoedelijk zoude hebben gedaan indien hij 't niet waere onderrigt geweest, dat hier niet dan goede kaneel staat. In 't Tjaliasse rusthuijs heeft zig den Heer sluijcken met de ondergeteekendens een tijd lang opgehouden. Rondom dit rusthuijs tot zelfs zeer in de nabijheijd daar van staet 8/¾ Huw Hoog Edelheeden zoo den 17. april laastleeden aan de g'eerde beveelen bi reade in Raade van Cest en eene nog meerdere op ilture betrekkelijk, D aan in eerbied aanter ord Thuijnkaneel nog n scheijnt noe zig voorsla al is die zonder an de menschen, handen in oatgebragt. lyk zoo als Haar Ho ze apaat word afgep van zoodanige boschhe Achtbaare Aan Den welEdelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indisci Gouveaneuja en Direkteur van het Eij hand Ceilon, met dier onderhoorigheeden het Heer Lk t sinde het vol kaneel ook staet ter een menigte van kaneel aan weedskanten van de laan„ die van dit rusthuijs na de weg van Kotta gaet, en niet alleen op deeze weg maar ook aan weeaskanten van dezelve, staet het over al vol kaneel, waar onder heel veel die aangeplant is, dan ook op geene van alle dese plaetsen heeft den Heer sluijsken gee„ ne de minste naspeuringe na slegte kaneel, veel minder eenige aanwijzinge, daer van gedaen De Heer sluijsken is van het sjaliasse rusthuijs met de palenkijn regel rigt en zonder zig ergens op tehouden gegaan na de meermelt tuijn die eertijds aan den Dessave De Cock heeft toebehoord en in deeze tuijn zelve, tot niet verre van de plaets, daer hij de aan„ wijzing heeft gedaan, van de drie hier boven gemelde boomen, die zonder veel zoekens aanstonds gevonden zijn. 'sdaags na deeze verrigtingen hebben de on„ dergetekendens de Eere gehad mondeling van deeze verrigting aan uw wel Edele Groot Achtb: rapport te doen, en zijn ze toen door uwel Edele Groot Achtb: nader gelast Nagezien 319 Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Inedifie Gouverneuja en Direkteur van het Eij hand Ceilon, met dies onderhoorigheeden Achtbaare Heer. Huw Hoog Edelheeden zoo den 17. april laastleeden aan de g'eerde beveelen by „gerde in Raade van Cest en eene nog meerdere op ilture betrekkelijk, aan in eerbied aanter ord Thuijnkaneel nog n scheijnt noe zig voorsc al is die zonder and da menschen, handen ui oatgebragt. lyk zoo als Haar ze apaat word afgeph van zoodanige boschhe gelast bij den Heer Cluijsken te gaan, en zijn E: te vertoonen, dat op deeze wijze niet kon„ gragt worden te zijn voldaan aan het oog„ merk van deeze kommissie door Hunne Hoog Edelheeden expres geordonneerd. zo zijn ingevolge van dien te zaamen met den Heer Dessave Fretz: bij den Heer sluijsken geweest, om dit hem nader voortehouden, dog heeft zijn E: g'antwoord, dat hij 's daags te vooren de nodige aan„ wijzinge gedaen had, en dat hij om de willeh van dese kommissie, verser geen stap uijte zijn E:s huijs gaan zoude; met bijvoe„ ging, dat alle de verdere nodige elucidaat,„ d'e sien aangaande deeze kommissie, aan een inlandsche kommissie konde opgedraa„ „ gen worden. Den 30. ' oktober daar aan ontvingen de ondergetekendens van den Heer sluijs„ ken het geschrift, waer van ze hier boven te meermaalen gesprooken hebben, en waar uijt ter zijde van de nog volgende artikelen van de e /
English
J. V. 't Linde the instruction, it likewise remains to be noted what has been added to it by Mr. Sluijsken in answer to it. To note here finally regarding this entry only, that they have since gone to inspect, together with the Honorable Dessave Faetz, the above-mentioned piece of land situated in the Calpittikoale beside the Marendaan, which was currently in hand to be cleared, and that they found that on this piece of land of the size of one hundred amonams there stood a great multitude of fruit-bearing, large, and young cinnamon trees, which the Honorable Dessave had caused to be marked with white olas, and all of which the cinnamon peelers, sent to examine them, declared to be false cinnamon. Furthermore, there lay many piles of felled cinnamon trees, both large and small, which the undersigned likewise had examined by these cinnamon peelers and were also declared by them to be false cinnamon trees. 11 Examined 320 That one here and there finds a single tree of bad cinnamon is very possible. The seeds thereof can even be dispersed by birds. One finds just such bad cinnamon in the jungles that are cleared along the way, and that, as well as the bad cinnamon of which furthermore a tree is found here and there, one has uprooted. What this comes down to is whether from what is generally found of this, one ought to draw a disadvantageous conclusion with regard to the Land Regents who direct this work and under whose eye this occurs, as well as to the detriment of such private individuals who, on their lands for their own account, or also on lands granted to them for that purpose, have planted cinnamon for the benefit of the Company, as also especially whether one can employ more supervision and better remedies against these inconveniences than is currently done. Above it has already been noted that this was put to Mr. Sluijsken. The undersigned will therefore only let follow here what Mr. Sluijsken noted in his repeatedly mentioned writing on this article: If poor sorts of cinnamon are found in the cinnamon gardens, I accuse no one of that as a malicious planter. This I have already sufficiently detailed in my reports. I also accuse no Land Regents. This appears from my last submitted report of the 23rd of this month, wherein I call all Land Regents to witness how by investigation the same will show that in the beginning of the planting poor sorts were planted among the good fruits. I have already pointed out here before how in this regard people acted wrongly through ignorance with good intentions, and have therefore already pointed out in my submitted address how I thought that in the future one ought to be cautious regarding the planting. Your High Noblenesses on the 17th of April last to the honored orders in Council of Ceylon regarding an even greater culture respectfully to note garden cinnamon still appears to imagine that it is without other human hands brought forth just as it is separately cut from such jungle... Honorable To the Right Honorable, Highly Esteemed Sir, Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. Examined J. V. 't Linde 12 and 13 On what was posed by Mr. Sluijsken in paragraph 28 to paragraph 33 of his aforesaid report of 26 December 1787, that the natural planting suffers greatly through the granting of lands for the planting of one third with cinnamon while the two best parts are planted with coconut trees, etc., Your High Noblenesses, in paragraph 53 of the aforesaid very honored dispatch, ordered this to be further investigated. From of old, according to the standing orders, the high lands of the Company, when they are found to be alienable to petitioners in order to plant them with coconut trees, are granted on condition that one third of the plantation shall be for the Company. It must therefore be investigated whether the condition to have such lands planted for one third with cinnamon is in any respect more disadvantageous than to have them instead of that entirely with... On both these articles Mr. Sluijsken has noted nor indicated anything, beyond what His Honor noted in his repeatedly mentioned writing in the margin of each of these articles, namely: That the natural planting comes to suffer greatly, I believe to have already indicated to this Commission at the moment that we were on Company and watery lands. One sees here before how by the cinnamon peelers themselves the lesser, indeed even poorer quality of this ground was acknowledged. On this, according to the reports which we received, several plantings were done, of which the trees repeatedly died off, and thus repeatedly new ones were planted. The dead ones are judged whether they were not in their mother earth...
Dutch transcription
Jv: t sinde de instruktie, insgelijks staet te worden aangeteekend, het geen door den Heer sluijs„ ken daer bij geset is, in beantwoording daer van. te merken hier tot slot van deeze post nog alleen aan, dat ze zidert met den E: desselve Faetz: het hier boven gemelte stuk grond geleegen in de Calpittikoale bezijden de Marendaan, dat nu onderhanden was om te worden schoon ge„ maakt, zijn, gaan zien, en dat ze hebben bevonden dat op dit stuk grond ter groote van Eenhondert ammonams stonden een gaote menigte van vrugtdragende, groote en Jonge kaneel boomen, die den E: Dessave met witte olassen hadde lae„ ten teekenen, en alle welke de kaneel schillers, gezonden om die te examineeren, hebben opgegeeven te weezen valse kaneel Boven dien lagen 'er veele stapels van ge„ kapte kaneel boomen, zoo groote als klijne, die de ondergeteekendens door deeze kaneel schillers insgelijks hebben doen examineeren en door hun ook verklaard zijn, valse kaneel boomen te weezen. 11 Nagezien 320 Dat men hier en daar een en „ Hier boven is reeds aangemerkt keldeboom kwade kaneel vind dat dit den Heer sluijsken is is zeer mogelijk De Laaden voorgehouden. e daar van kunnen zelfs door De ondergetekendens zullen dus de vogelen worden versprijd. hier alleen laeten volgen, het Men vind even zulke kwaade geen den Heer Sluijsken bij meer¬ kaneel in de bosschen die gaan„ de weg worden schoongemaekt, melte sijn geschrift op dit artikel en die doet men, zoo wel als heeft aangemerkt. zo ir in de kaneel tuijnen slegte de quaade kaneel waer van zoorten kaneel worden bevonden, voorts hier en daer een boom beschuldige ik niemand daer gevonden word uijtroeijen. van als een kwaadwillige aen„ Het geen waer op het hier aan„ planter Dit heb ik reeds komt is, of men uijt het geen hier van over het al„ bij mijne berichten genoeg„ gemeen gevonden word, een saam gedetailgeerd, Ik beschul¬ nadeelig besluijt zoude moe„ dige ook geene landregenten. ten opmaeken ten aanzien van dit blijkt bij mijn laast de Landregenten die dit werk overgelegt bericht van den bestieren, en onder wiens oog dit geschied, als mede ten nadeele 23. deser, waer bij ik alle van zulke partikulieren, Landregenten tot getuijge die op hunne gronden voor hun„ roepe, hoe dezelve bij onder„ ne besondere rekening, of ook zoek zal blijken, dat in den op gronden die hun ten dien beginne der aanplanting sleg„ eijnde gegeeven zijn, ten behoe„ te zoorten onder de goede vruch„ ve van de komp:e kaneel heb„ ten zijn aangeplant. ben aangeplant, gelijk ook Jk hebbe hier vooren reeds inzonderheijd, of men meer aangeweezen, hoe hier om„ toesigt en betere hulpmid„ trend door onkunde met goe„ delen kan te werk stellen de gedagten kwalijk is ge„ teegens deeze ongemakken, dan handelt geworden en heb„ tans geschied. be daarom alreeds bij mij„ ne overgelegde adressel aangeweezen, hoe ik meende Huw Hoog Edelheeden zoo den 17. april laastlieden aan de g'eerde beveelen by eade in Raade van Cesl eene nog meerdere op lture betrekkelijk, D aan in eerbied aanter ord Thuijnkaneel nogn sheijnt ne zig voorst el is die zonder and de menschen, handen in oatgebragt. lyk zoo als Haar ze apaat word afgesh van zoodanige boschke Achtbaare Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Irdisfi Gouverneuja en Direkteur van het Eij land Ceilon, met dies onderhoorigheeden dat I1. 11. Heer Nagezien LV tLinde dat men in den vervolge voor„ sigtig omtrent de aangelan„ ting moeste weezen. 13. en 13. Op het geposerde door den Op bijde deeze artikelen heeft Heer fluijsken bij 528. tot den Heer Sluijsken niets aen„ §33 van voorm: zijn be„ gemerkt nog aangeweezen, rigt van den 26. ' december 1787. buijten het geen. dat de natuurlijke aanplanting zijn E: bij meerm: zijn geschrift veel tijd door de afgaave van in margine van een elk deser landen ter beplanting van een artikelen heeft aangeteekend derde met kaneel wijl de te weeten: twee beste deelen worden beplant Dat de natuurlijk aan„ met kookers boomen afc: planting veel komt te hebben Hunne Hoog Edelheeden leiden, meene ik aen dese bij §. 53. van voorm:e zeer ge„ Commissie reeds te hebben reade missive gelast dit nader aangeweezen, op het mo„ te laeten onderzoeken. ment dat wij op Compige en waeteragtige gronden van ouds volgens de leggende ons bevonden, men ziet orders, worrden de hooge lan„ den van de komp:e wanneer hier vooren hoe door de ze afgeeflijk bevonden worden kaneelschillers zelve de aan de verzoekers, om die met mindere Ja zelfs slegte„ kokus boomen te beplanten, „re deugd van deeze grond e afgegeeven op konditie dat een erkend wierd. Hier op wae¬ derde van de aanplanting, zal ren volgens de berichten, zijn voor de Komp:e Het moet die wij Para kreegen ver¬ dus worden onderzogt of de scheide aanplantingen gedaan waar van de boomen tel„ konditie om zulke landen kens waaren uijtgestorven, voor een deade met kaneel te en dus ook telkens weder nieu¬ doen beplanten, in eenig op„ we waeren aangeplant. De sigt nadeeliger zij, dan om verstorvene beoordeelt men of die insteede van dien geheel dezelve niet in haare moeder met aarde 12. £
English
321 earth, could possibly be planted with coconut trees, on the condition that subsequently one-third of it shall be for the Company, and where precisely the supposed disadvantage exists. For the rest, as far as the one-third part is concerned that must be planted with cinnamon and the remaining 2/3 with coconut trees, this can easily be investigated; meanwhile, this also appears from the answer of the cinnamon-weigher Spittel, showing that I was of the same opinion with him on that matter; I in particular because it lies enclosed in the nature of the thing itself, and his answer in this matter is supported and based on experience; what I have moreover pointed out regarding this appears here above from the indication that so many young coconut trees have been planted in the territory of the blessed cinnamon region called De Maaendaen; I have already expressed my thoughts on that matter in previous reports and also at this moment during this commission. Honorable Sir To the Right Honorable and Highly Esteemed Sir, Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. When one assumes that lands could be ceded as amply as Mr. Billing has requested in his successive reports, on one-third for the cultivation of cinnamon and two-thirds coconut trees, it is certainly better to accept the one-third for planting with cinnamon than with coconut trees; but my fear of reducing the cinnamon stock and the practices that will take place in connection with it have made me say in this case that, if lands had to be ceded on that condition, at least the one-third on which cinnamon would be planted might be separated from the other two-thirds that will serve for planting coconut trees; and this proposition is once again based on what I have repeatedly said in my previous reports, in order to preserve the cinnamon stock, because I fear that over the course of time, the one-third of planted cinnamon will be absorbed into the coconut gardens. Inspected 322 To the Right Honorable and Highly Esteemed Sir, Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. Whether and to what extent Commander Sluijsken, in what has been inserted here above from his writing, has kept in mind the question on which Your High Nobilities desire to be elucidated, namely that the natural growth would suffer greatly from the ceding of lands for planting one-third with cinnamon, and whether and to what extent this condition is in any respect more disadvantageous than ceding lands on one-third to be planted entirely with coconut trees, is something the undersigned think they can pass over in silence; but since Mr. Sluijsken states with so many words that he believes he pointed out to the undersigned during this their commission that the natural growth suffers greatly, they take the liberty to remark here: That His Honour made no other indications whatsoever to the undersigned during this their commission than those related here above, and which, in the opinion of the undersigned, cannot be considered to serve as any proof that these indications were made by Mr. Sluijsken. From the description that Mr. Sluijsken himself gives of his activities in his aforementioned writing, nothing of the kind appears either. Nevertheless, in order to argue this—namely, that His Honour had supposedly pointed out to the undersigned that the natural growth suffers greatly—Mr. Sluijsken continues: Inspected
Dutch transcription
321 met kokus boomen te beplanken, aarde, mogelijk zoude zijn op konditie dat daer van opgekoomen vervolgens een derde zal zijn wat overigens het een deuve deel betreft, dat met kan„ voor de komp:e dan wel waer in eigentlijk het vermeende neel moet aangeplant worden en de overige 2/3. met koker„ boomen, zal gemakkelijk konnen onderzogt worden, in„ tusschen blijkt zulx bij het andwoord van de kaneel op„ Ligter spittel almeede, dat ik daaromtrend met hem van een gevoelen was; Jk en 't bizonder om dat het in de natuur van de zaak zelve legd opgeslooten, en zijne antwoord in deeze steunt en Huw Hoog Edelheeden zoo rust op ondervinding, wat den 17. april laastleeden gl. ik overigens hier omtrend aan de g'eerde beveelen by aangeweeze hebbe, blijkt „rrde in Raade van Ceil hier vooren bij de aanvij¬ en eene nog meerdere op zing, dat 'er zoo veel Jonge ilture betrekkelijk, D kooker boomen in het waat aan in eerbied aante van de gezegende Landstreek ord Thuijnkaneel nog n der Kaneel De Maaendaen scheijnt men zig voorsl genoemd, aengeplant zijn; al is die zonder and mijne gedagten daer over or menschen, handen in hebbe ik reeds bij vorige voatgebragt. berichten en ook op dit mo„ lyk zoo als Haar H ment bij deeze Commissie ze apaat word afgesch te kennen gegeeven. van zoodanige boschke nadeel bestaet Achtbaare Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Prodifi Gouveaneuja en Direkteur van het Eij land Ceilon, met dies onderhoorigheedsn Wanneer te 0 Heer Lk: Linde Wanneer men verondersteld dat 'er zo ruimschoots als den Heer Billing bij zijne successive berichten versogt heeft op een derde ter aan„ planting van Kameel en twee derde kokerboomen, gronden kunnen afgegeeven worden, is het zeeker beeter met ka„ neel het een derde ter aan„ planting te aksepteeren, dan met kokerboomen, dog mij ne vrees voor het vermen„ deren van het kaneel be„ stek en de handelingen die daer bij zullen plaets krijgen, hebben mij in dit geval doen zeggen, dat ingevalle er gronden op die konditie moesten worden afgestaen, ten minsten het eene Werde waer op Kaneel zoude worden aan„ geplant, mogte verwijdert wor„ den, van de andere twee dea„ dens, die tot het aanplanten van Kokerboomen zullen dienen en deeze stelling steurt al„ weder op het geene ik meermaele gesegd hebbe, bij mijn voorige berigten, om het ka„ neel Nagezien 322 Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indisi Gouveaneuja en Direkteur van het Eij brand Ceilon, met dies onderhoorigheedsen neel bestek te konserveeren, wijl ik vreeze dat na verloop van tijd, het een derde aangeplante kaneel bij de „kokerthuijnen zal insmelten. Off en in hoe verre den Heer kommandeur sluijsken, bij het geene hier boven uijt zijn geschrift is g'insereerd, heeft in het oog gehouden, de vraage waer op hunne Hoog Edelheeden verlange te zijn g'elucideert, dat namentlijk de natuurlij„ ke aanplanting veel zoude lijden door de afgaeve van landen ter aanplanting van Huw Hoog Edelheeden zoo een derde met kanneel, en den 17. april laastleeden of en in hoe verre deze aan de g'eerde beveelen by „geade in Raade van Cesle konditie in eenige opzigt eene nog meerdere op nadeeliger zij dan het af„ ilture betrekkelijk, D geeven van landen op een aan in eerbied aan te derde, om die geheel met ko„ ord Thuijnkaneel nogn kus boomen te beplanten, scheijnt noe zig voorsl is iets het geen de onderge„ al is die zonder and tekendens denken met stil„ da meeschen, handen in swijgen te kunnen voor bij oatgebragt. gaan, dog wijl den Heer lyk zoo als Haar H sluijsken met zoo veel ze apaat word afgesh woorden zegt, dat zijn E: van zoodanige boschke Achtbaare Heer mand te die valle C LykstLinde meend aan de ondergeteeken„ dens in deeze hunne kom„ missie te hebben aangeweezen, dat de natuurlijke aanplan„ ting veel komt te lijden, neemen ze de vrijheijd hier aantemerken Dat zijn E: aan de ondergetee„ kendens in deze hunne kom„ missie, geen andere aanwij¬ zingen gedaan heeft, hoe ge„ naamt, dan die hier boven zijn verhaalt, en dewelke naar des ondergeteekendens oordeel niet kunnen g'agt worden te strekken tot eenig bewijs, dat dese aanwijzingen door den Heer sluijsken zijn gedaan. uit de beschrijving die den Heer sluijsken zelve bij meer„ melte zijn geschrift doet van zijne verrigtingen, blykt ook niets daar van. Om dit nogtans te betoogen, dat zijn Ed: namentlijk den de ondergetekendens zoude hebben aangeweezen, dat de natuurlijke aanplanting veel komt te lijden, vervolgd de Heer sluijken Nagezien
English
323 Sluijsken that he believes to have pointed this out to the undersigned at the moment that his Honour was with them on swampy and watery grounds, and adds to this: one sees above how the lesser, indeed even worse quality of this soil was acknowledged by the cinnamon peelers themselves. The swampy and watery grounds of which Mr. Sluijsken speaks here are certainly the marshy and watery grounds situated at the end of the sloping plain, of which detailed mention has been made above, and where it was shown that Mr. Sluijsken only had 5 cinnamon sticks cut there, without anything more or anything else having occurred relative to these proceedings, except that 5 other sticks were cut there at the request of the Dessave Mr. Freth. The cinnamon peelers were not consulted on this occasion about the condition of this soil; at least nothing of this is known to the undersigned. They do not even see what purpose this could have served. One would certainly have to think very poorly of oneself to consider necessary the information which Mr. Sluijsken says the cinnamon peelers gave here concerning this ground, in order to know whether such a swampy and watery ground is good or not good for making plantations. To the Right Honourable, Highly Esteemed Sir, Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. Honourable Sir, That on this swampy and watery ground no plantations at all have been made, and could not even have been made, is very clear. How could one make plantations on a ground such as this, which was not only still very marshy and everywhere soaked with water now that the lake was very low, but which every year, according to how high the lake is, even stands quite deep under water for a considerable time? How indeed could it enter anyone's mind to make plantations on such ground, when one has so much high and dry land to be able to plant cinnamon? One cannot doubt that Mr. Sluijsken himself has too much knowledge of this work to be able to imagine such a thing. Mr. Sluijsken further says: Whereupon, according to the reports we received there, several plantings had been made, of which the trees had died each time and therefore new ones had also been planted each time again. Of what reports Mr. Sluijsken speaks here, the undersigned declare not to comprehend. It would be thought far too ill of Mr. Sluijsken to dare to suspect that his Honour here had in mind the answer that the overseer Spittel gave him while in the Chalias' resthouse, to his Honour's question whether the cinnamon planted around here thrives well. 324 This would run directly counter to what Mr. Sluijsken himself relates at the beginning of his aforementioned writing about this conversation of his with the overseer Spittel. According to this narrative of his Honour, Spittel, being in the Chalias' resthouse, answered the question whether the cinnamon planted around here thrived well, that some trees now stood reasonably well, but that this place between the resthouse and the road from Kotta, about which Mr. Sluijsken says he was actually inquiring, had been planted as many as 4 and 5 times, but that each time the trees had died out, until finally a large portion now remained standing. Concerning the place of which Spittel speaks here, and of which he says that the planting had to be repeated 4 and 5 times in order to succeed, this has been dealt with at length above, and the undersigned here merely note in addition that from what has been cited above from the writing of Mr. Sluijsken himself, it is evident that this place lies between the aforesaid Chalias' resthouse and the road to Kotta, which lies eastward of this resthouse. The swampy and watery grounds at the end of the sloping plain, where at the request of Mr. Sluijsken the 5 trees were cut, lie, on the contrary, some distance from the same, to the west.
Dutch transcription
323 sluijsken dat hij meend dit de ondergetekendens te hebben aangeweezen, op het moment dat zijn E: met dezelve was op Compige en wateragtige gronden en voegt daar bij men ziet hier vooren hoe door de kanneel schillers zelve de mindere Ja selfs slegtere deugd van dese grond eakent wierd. De Compige en wateragtige gronden, waer van den Heer sluijsken hier spreekt, zijn zeekerlijk de sompitje en wateragtige gronden, gelegen aen het end van de afhellende vlakte, wacr van hier boven omstandig gesproken is, en aangeweezen dat den Heer sluijsken daar alleen heeft doen kappen 5. kaneel stokken, zonder dat 'er betrek„ kelijk tot deze verrigtingen, iets meer of iets anders is voorgevallen, dan dat daer ter Hfuw Hoog Edelheeden zoo plaetse nog 5. andere stokken zijn gekapt, ten ff: den 17. ' april laastleeden „verzoeke van den Heer Dessave Freth: aan de g'eerde beveelen by kanneelschillers zijn bij deze gelegentheijd over de rade in Raade van Ceste gesteldheijd deser grond niet gekonsulteerd, ten eene nog meerdere op minsten is aan de ondergeteekendens daer van ilture betrekkelijk, D niets bekent ze zien zelfs niet waer toe aan in eerbied aantei dit zoude hebben kunnen strekken. Men zoude ord Thuijnkaneel nog n zekerlijk zeer nedrig van zig zelfs moe„ scheijnt noe zig voorst ten denken, om de onderrigtinge die den el is die zonder and Heer sluijsken zegt dat de kaneelschillers de menschen, handen in hier nopens deeze grond gaaven, nodig te oatgebragt. agten, om te weeten of zulk een Compiije en lyk zoo als Haar He waeteragtige grond, goed, of niet goed zij tot ze apaat word afgesch het doen van aanplantingen van zoodanige boschte Heer Achtbaare Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indisce Gouverneuja en Direkteur van het Eij land Ceilon, met dies onderhoorigheedsn Dat 2 E ƒ GV: Sinde Dat op deese sompige en waeteragtige grond, min¬ med eenige aanplantingen zyn gedaan, en zelfs niet hebben kunnen gedaan worden, is heel Ligtbaar Hoe zoe zoude men aan„ plantingen doen op een grond als deze, die niet alleen, nu dat het Lak zeer laag was, nog zeer sompig en over al met waeter getrokken was, maer die alle Jaeren, na maate dat het Lak hoog is, zelfs een ge„ ruijmen tijd vrij diep onder waeter staet Hog zoude het dog iemand in het hoofd koomen, om op zulk een grond aanplan„ tingen te doen, daer men zo veel hooge en drooge gaonden heeft, om kaneel te kunnen planten, Men mag niet twijffelen, dat den Heer Sluijsken zelfs te veel kennis van dit werk heeft, om zig zulks te kunnen verbeelden Den Heer sluijsken zegt wijders: Wier op waaren, volgens de berigten die we daer kreegen verscheide aanplantingen gedaan, waer van de boomen telkens waeren uijtgestorven en dus ook telkens weder nieuwe waeren aangeplant van wat berigten den Heer Cluijsken hier spreekt, be„ tuijgen de ondergeteekendens niet te begrijpen. wet zoude van den Heer sluijsken al te kwalijk gedagt zijn, te duaven vermoeden, dat zijn E: hier het oog zoude hebben op 't andwoord dat den opziender spittel hem in het Cjaliasse rusthuijs zijnde, gegeeven heeft, op zijn E: vraage of de kanneel die hier omstreeks geplant wierd, wel opkomt Dit Nagezien 324 Dit zoude regtstrecks aanloopen tegens het geen den Heer sluijsken in het begin van meerm: zijn geschrift van deeze zijn konversatie met de opziender spittel zelve verhaald. volgens dit zijn E:s verhaal, antwoorde spittel in het sjaliasse rusthuijs zijnde, op de vraage¬ of de kaneel hier omstreeks aangeplant, wel opkwam, dat sommige boomen nu reedelijk wel stonden, maar dat deeze plaets tusschen het rusthuijs en de weg van kotta, waer na den Heer sluijsken zegt dat hij zig nu eijgent„ lijk informeerde, wel 4. en 5. maelen aange„ plant was, dog dat telkens de boomen waeren uijtgestorven, tot dat 'er nu eindelijk een groote partij bleeven staen van de plaets waer van spittel hier spreekt en waer van hij zegt dat de aanplanting 4. en 5. maelen heeft moeten worden herhaald om tot stand te koomen, is hier booven breed„ s aan de g'eerde beveelen by sprakig gehandelt, en meaken de onder„ geteekendens daer over hier nog alleen aan„ dat het uijt 't geene hier boven uijt het ge„ schrift van den Heer Cluijsken zelve is aangehaeld, blijkbaar is, dat deeze plaets legt tusschen het voorsz: sjaliasse rusthuijs en de weg nu Kotta, die oostwaerds legt van dit rusthuijs. De sompige en waeteragtige gronden aan het end van de afhellende vlakte, daer ten verzoeke van de Heer sluijsken de5 boomen gekapt zijn, legt daer en teegen een endweegs van het zelve, ten westen Huw Hoog Edelheeden zoo den 17. ' april laastlieden „rerde in Raade van Ceste en eene nog meerdere op ulture betrekkelijk, aan in eerbied aante ord Thuijnkaneel nog n scheijnt men zig voorsc el is die zonder and or meenschen, handen in oatgebragt. lyk zoo als Haar He ze apaat word afgesch van zoodanige boschke Achtbaare Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Prodifie Gouverneuja en Direkteur van het Eij baand Ceilon, met dier onderhoorigheedden Hier te e Heer
English
Checked GV: Linde It has already been shown above that the ground of which Spittel spoke here is so high and dry that, for that very reason, the planting had to be repeated several times in order to bring it to fruition. The undersigned therefore do not understand how Mr. Cluijsken, speaking of the aforementioned swampy grounds, where they went with him at his Honour's request, and where at his request the aforementioned 5 trees were cut down, could have said: according to the reports we received there, several plantings had been made on this, from which the trees had repeatedly died off and thus new ones had repeatedly been planted. They would rather believe that Mr. Sluijsken expressed himself here contrary to his intention, or that they did not properly understand this statement of his Honour, however little they see what other meaning that is somewhat acceptable could be given to these words. Otherwise, one would be somewhat inclined to believe that the aforementioned question, put to the Aratje of the cinnamon peelers Joean, and the conversation held with Spittel, were deliberately arranged so closely after one another in order to tie these things together, however little connection they have with each other, so as to give them such a strange interpretation, which the undersigned nevertheless do not intend nor dare to suspect in any respect. That the undersigned have been so detailed in highlighting these statements of Mr. Sluijsken is solely to demonstrate the accuracy of this their report, for as to what otherwise concerns the matter itself, even if it were really so that on the aforementioned or other similar marshy and watery grounds plantings had been made that had to be repeated four or five times before they came to fruition, that would still be nothing other than a not very clever action by some overseers over this work. Even then, nothing else would have been overlooked thereby than that the effort made for this could have been better spent. Your Honours so on 17 April last to the honoured orders by in Council of Ceylon and an even further culture related, in respect to Garden cinnamon not yet one seems to imagine is that without other by human hands brought forth. At least nothing would have been proved thereby of what Mr. Sluijsken seeks to demonstrate here, namely that the natural planting suffers greatly. This indeed needs no proof, not only not for those who have seen even the very least of this work, but not even for all those who merely wish to take the trouble to think about it with composure. Mr. Sluijsken presents his doubts about it thus: concerning the perished ones, one judges whether the same might not have come up in their Mother earth, just as Her Honourable it is separated of such little woods Honourable To The Right Honourable, Highly Esteemed Sir Willem Jacob van de Graaf Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies In Sir GV: Linde In the doubt that lies enclosed in these words quoted here, namely whether the perished little cinnamon trees might not have come up in their mother earth, there also lies enclosed, if these words have any sense at all, another doubt, namely that for the planting, in so far as it is done from young seedlings, plants are taken that are otherwise standing well, and that these are thus needlessly exposed to dying off through transplanting. One can hardly think that Mr. Cluijsken would not have seen at least enough of this work to know that this does not happen. Why, after all, would one take little cinnamon trees from places where they are standing well, in order to transplant them elsewhere? What, after all, could one aim at by that? Mr. Sluijsken, who knows with what faithful sentiments for the welfare of the Company this work was begun and managed up to now, certainly thinks too well of the skill and honesty of the servants who are charged with this to be able to suspect this. If his Honour nevertheless might have had any doubts whether this happens, and had he made this doubt of his known to the undersigned during this their commission, it would have been very easy to remove it. If Mr. Sluijsken might have had these doubts or still has them, it is especially Checked
Dutch transcription
Nagezien GV: Linde Hier vooren is reeds aangeweezen, dat de grond waer van spittel hier spraak, zoo hoog en droog is, dat even daarom de aanplanting te meer„ maelen heeft moeten worden herhaald, om ze tot stand te brengen. De ondergeteekendens begrijpen dus niet, hoe den Heer Cluijsken, spreekende van de hier boven gem: sompige gronden, daer ze ten verzoeke van zijn E: met hem zijn ge„ gaen, en alwaer ten zijne verzoeke de meerm 5. boomen gekapt zijn, heeft kun„ nen zeggen: hier op waeren volgens de berigten die we daer in kreegen, verscheide aanplantingen gedaan, waer van de boomen telkens waeren uijtgestorven en dus ook tel„ kens weder nieuwe waeren aangeplant. ze willen lietstgelooven, dat den Heer sluijsken zig hier teegen zijn meening heeft uijtge„ drukt, of dat ze dit gezegde van zijn E: niet wel verstaen, hoe zeer ze ook niet zien, wat anderen zien die eenigermate daagelijk is, men aan dese woorden zoude kunnen geeven Men zoude anders eenigermate geweigt zijn te gelooven, dat de voorschreevene vraage, gedaan aan de Aratje van de kaneel„ schillers Joean en het gehouden ge„ sprek met spittel, voorbedagt, dus kort op malkanderen waren belegt, om deeze dingen hoe zeer zo ook met malkanderen geen verbant heb„ ben, te zaamen te knopen, ten eijnde 'er zulk een vreemde uijtlegging aan te kunnen geeven, het geene 325 geene de ondergetekendens nogtans in geen op„ zigt denken te kunnen nog durven vermoeden. Dat de ondergetekenden zoo omstandig zijn ge„ weest om deese gesegdene van den Heer Sluijsken te releveeren, is alleen om aantewijzen de rigtig„ heijd van dit hun rapport, want wat anders de zaak zelve aangaat, indien het ook wer„ kelijk zoo waere, dat 'er op de voorschreeve of andere diergelijke Compiege en wateragtige gronden, aanplantingen gedaan waere, die vier of vijf maalen hadden moeten worden herhaelt, voor dat zo tot stant gekoomen zijn, zoo zou„ de dat nog niets anders zijn, dan een niet al te vernuftig bedrijf van eenige onder opzienders over dit werk: Dat ook dan nog zoude daer bij niets anders zijn verzien, dan dat de moeijte hier toe gedaan, beter hadde kunnen duw Hoog Edelheeden zoo worden besteed, ten minsten zoude daar door den 17. april laastleeden niets zijn beweezen van het geen den Heer sluis„ aan de g'eerde beveelen by ken hier zoekt te betoogen, dat namentlijk eerde in Raade van Ceste de natuurlijke aanplanting veel komt te lijden. en eene nog meerdere op Dit heeft wel geen bewijs nodig, niet alleen niet ilture betrekkelijk, D voor die geenen, die maar het allerminste aan in eerbied aan ter van deeze verrigtinge hebben gezien, maar ord Thuijnkaneel nog n zelfs niet voor alle zulke, die alleen de scheijnt men zig voorsl moeijte wille neemen, om daer over met el is die zonder and bedaaadheijd te denken. or menschen, handen in De Heer sluijsken steld zijn twijfelingen daer ortgebragt. over dus voor: De verstorvene beoordeelt men lyk zoo als Haar H of dezelve niet in haere Moeder aarde ze apart word afgesh mogelijk zoude zijn opgekoomen van zoodanige boschke Achtbaare Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Prodisi Gouverneua en Direkteur van het Eij band Ceilon, met dies onderhoorigheedsen In e Heer GV: LLinde Jn de twijffeling die opgesloten legt in deeze hier aen gehaelde woorden, of namentlijk de verstorvene ka¬ neel boomtjes niet in haere moeder aerde mogelijk zoude zijn opgekoomen, legt, zoo deeze woorden an„ ders eenig slot hebben, teevens opgeslooten eene andere twijffeling, dat namentlijk tot de aan„ planting, in zoo verre die uijt Jonge plantjes geschied, genoomen worden planten die anders wel staen, en dat die dus door het verplan„ ten, nodeloos worden g'exponeert om uijt te gaen. Men kan kwalijk denken, dat den Heer Cluijs„ ken niet ten minsten zoo veel van dit werk zoude hebben gezien, om te weeten dat dit niet geschied. waerom dog zoude men kaneel boomptjes noemen van plaetzen daer ze wel staen, om die elders te verplanten. wat dog zoude men daer meede kunnen beoogen. De Weer sluijsken die weet met wat getrouwe gevoelens voor 't welzijn van de komp:e dit werk is aangevan„ genen tot hier toe bestierd, denkt zeekerlijk te wel over de kunde en braafheid der dienae„ ren, die hier meede zijn gechangeert, om dit te kunnen vermoeden. zoo zijn E: nogtins eenige twijffelingen mogte gehad hebben of dit geschied, en dat hij deze zijne twijffeling aan de ondergeteekendens in deeze hunne kommissie hadde te kun„ nen gegeeven was het zeer gemakkelijk ge„ weest, die weg te neemen zoo den Heer sluijsken deze twijffelingen mogt hebbe gehad of nog heeft, is het in zonderheid Nagezien
English
326 particularly to be somewhat surprised that His Honour, who deemed it necessary to inquire of the overseer of the cinnamon plantations concerning the success or failure of the plantings, now that such great and visible proofs are already at hand, by which one can convince oneself with one's own eyes of the success and extensive utility of this work, did not also put to him the question where and how one procures the cinnamon trees that are used for the planting! This question seemed in this case even so naturally connected with Spittel's answer, that the plantings, which were the subject of Mr. Sluijsken's conversation with this man, had to be repeated several times, that it certainly appears strange that Mr. Sluijsken did not do so, if he otherwise truly had any doubts whether sometimes the cinnamon trees used for planting were taken from places where they already stand well. This would be an absurdity that one cannot assume even in the most foolish person; nevertheless, lest it might sometimes be of some service, the undersigned will permit themselves a small digression here regarding the manner in which the planting takes place. Honourable, To the Right Honourable and Highly Esteemed Sir, Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. Right Honourable Sir, Examined: A. t'Linde Your Right Honourable Sir, who has repeatedly gone in person to see all the operations for the advancement of the cinnamon work, and still does so daily, certainly has no need of their instruction or indications in that regard. Yet this report of theirs, having to serve, according to the intention of Your Right Honourable Sir, for Your High Honours, a brief description thereof may perhaps not be unwelcome to the same. It is also solely by virtue of this consideration that the undersigned have here and there in this report of theirs been more extensive than was otherwise necessary or even proper. The planting takes place either from seeds, or from young plants that are found under the trees, sprung up from the seeds which the birds that have swallowed them and come to rest on these trees drop there, or even under the cinnamon trees themselves, from seeds that fall off on their own. Here one sometimes finds the young plants in great abundance and so close to one another that nothing comes or can come of them, unless one transplants them and sets them elsewhere at a proper distance from each other. Also, cinnamon trees that stand on overly watery and marshy grounds, when they are found to be transplantable, are sometimes transferred from there to higher and better grounds. In the Maradana, among others, one finds 327 a great number of such transplanted trees, which at present already stand very beautifully and which, had Mr. Sluijsken gone to see them, would have convinced him of the great utility of these transplantations. Finally, from the gardens planted in the earliest times, on account of the cinnamon standing there so densely that they crowd one another, some of the superfluous trees have been removed and transplanted elsewhere. Among many others, such transplanted trees stand on both sides of the avenue leading from the Chalia rest house to the road of Kotta, which at present already have fine, peelable wood, and of which little or nothing of importance would have come had they been left on the grounds where they were formerly planted and were being crowded out by the adjacent trees. That the planting done from seeds is not detrimental to the natural growth of the cinnamon requires no proof. That a quantity of seeds is gathered does not prevent the birds from taking their share of them while these seeds are ripe and being collected, as is evident from the great multitude of young plants that are still daily found under the large trees upon which these birds go to rest, as has already [marginal text:] Your High Honours on the 17th of April last to the honoured orders by [illegible] in Council of Ceylon and a still further [illegible] related to the culture, to submit in all reverence [illegible] garden cinnamon still [illegible] one appears to imagine [illegible] which without other [illegible] by human hands [illegible] produced, precisely as their [illegible] that it is peeled separately of such woods Honourable, To the Right Honourable and Highly Esteemed Sir, Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. already to Sir
Dutch transcription
326 inzonderheid eeniger mate te verwonderen, dat zijn E:, die het nodig heeft g'agt zig bij den opziender van de kaneel plantasien te informeeren, over het wel of kwalijk slaegen der aanplantingen, na dat 'er nu relds zulke groote en zigtbaare proeven voor handen zijn, waer door men zig niet eigen oogen van het welslagen en de uijt„ gestrekte nuttigheijd van dit werk kan overtuigen, hem ook niet heeft voorgesteld, de vrage waar en hoe men de kanneel boomtjes die tot de aanplanting gebruijkt worden, verkaecq! Doeze vraage scheen zelfs in dit geval, zoo natuurlijk te zijn verbonden met het andwoord van spittel, dat de aanplantin„ Huw Hoog Edelheeden zoo gen, die het onderwerp was van de Weer sluis„ den 17. ' april laastlieden ken zijn gesprek, met dezen man, verscheide aan de g'eerde beveelen by maelen hadde moeten worden herhaald, dat rerde in Raade van Cesl het zaker vreemd schijnt, dat den Heer sluijs„ en eene nog meerdere op ken, die niet heeft gedaan, zo hij anders ulture betrekkelijk, werkelijk eenige twijffelingen had, of ook som¬ taan in eerbied aanter tijds de kanee boomtjes die men tot de aan„ gord Thuijnkaneel nogn planting gebruijkt, genoomen wierden van plaet„ scheijnt men zig voorsca zen daer ze reeds wel staan. Dit zoude een ongereundheijd zijn, die men el is die zonder and zelfs in den Botsten mensch niet veron„ oor meeschen, handen in derstellen kan, of het nogtans somtijds van oortgebragt eenigen dienst zijn konde, zullen de onderelyk zoo als haar te geteekendens zig hier, over de wijze hoe de aan„ t ze apaat word afgesch planting geschied, een klijne buijten stap veroorloven van zoodanige boschke Achtbaare Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Prodijk Gouverneuja en Direkteur van het Eij band Ceilon, met dies onderhoorigheedsen uwel Ed: C Heer Nagezien A:t Linde uwelEd: Groot Achtb:, die alle verrigtingen ter bevon„ dering van het kaneel werk te meermaelen in eige perzoon is gaan zien, en dat nog daegelijks doet, heeft zekerlijk dien aengaende hunne on„ derrigtingen of aanwijzingen niet noodig. Dog dit hun rapport, volgens de intentie van uwel Edele Groot Achtb:, moetende dienen voor Huw Hoog Edelheeden, sal een korte beschrijving daer van aan Hoogst- dezelve misschien niet ongevallig zijn Het is ook alleen uijt hoofde van deze konsideratie, dat de ondergeteekendens hier en daar in dit hun rap¬ „port, wijdlopiger geweest zijn, dan het anderzints noodig nog zelfs welvoeglijk was. De aanplanting geschied, of uijt Laeden, of uijt son„ ge planten, die men vind onder de boomen, op„ gekoomen van de Laeden welke de voogels die „ze ingeslikt hebben, en op deze boomen koomen rusten, daer laeten vallen, of ook zelfs onder de kaneel boomen, van Laeden, die van zig zelfs afvallen. Hier vind men somtijds de Jon„ ge plantjes in een groote menigte en zoo kort op malkander, dat daer van niets komt nog komen kan, ten zij men ze verplant en elders zet, op een behoorlijke distantie van malkanderen. Ook worden somtijds kanneel boomen, die op als te wateragtige en Compige gron¬ den staen, wanneer ze bevonden worden verplantbaar te zijn, van daar over„ gebragt op hoogere en betere gronden Jn de Makendaan onder anderen, vind man E 327 men een groote menigte van diergelijke ver¬ plante boomen, die tans reeds, zeer schoon staen en die den Hoea sluijsken, zoo hij die waere gaan zien, zoude hebben overtuigt, van de groote nuttigheijd deser verplantingen Eindelijk heeft men uijt de in de eerste teijden, aangeplante thuijnen, uijt hoofde dat de kaneel daar zoo digt staet, dat ze malkanderen verdrangt, van de boomen die er te veel staan, eenige weggenoomen en elders verplant onder veele andere staen er zulke verplante boomen aan weerekan„ ten van de laan, die van het sjaliasse rusthuijs gaet na de weg van kotta, die tans reeds schoon schilbaere hout hebben; en waer van wijnig of niets van belang zou„ Huw Hoog Edelheeden zoo de zijn gekoomen, zoo ze gelaaten waeren den 17. april laastlieden op de gronden, daer ze eertijds zijn aange„ aan de g'eerde beveelen by rerde in Raade van Cest plant, en door de daer naest staende boomen en eene nog meerdere op verdrongen wierden. ulture betrekkelijk, Dat de aanplanting die uijt Laeden geschied; aen taan in eerbied aante de natuurlijke groeij van de kaneel niet gord Thuijnkaneel nogn nadeelig is, heeft geen bewijs noodig. Dater scheijnt men zig voors een partij Laeden geplukt worden, belet niet el is die zonder and dat de vogelen daer van hun deel neemen, oor meerschen, handen ui geduurende dat deeze Laeden rijpe en ingesameld oortgebragt. worden, zoo als dat blijkbaar is, uijt de groote elyk zoo als Haar menigte van Jonge plantjes, die nog dage„ lijks gevonden worden, onder de groote boomen, tt ze apart word afgesch waer op deze vogelen gaan rusten, gelijk dat van zoodanige boschke Achtbaare Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indissce Gouverneuja en Direkteur van het Eij brand Ceilon, met dies onderhoorigheedsen reeds te Heer