Inventory 3880
Ceylon · 904 pages · 196 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
Checked GV: Linde as has already been noted here above The lifting of young plants, where they stand in such great numbers and so close together that as they grow up they crowd each other out so that nothing can come of them, cannot in any respect be considered to cause any damage to the natural growth of the cinnamon. Many thousands of small cinnamon trees have in that manner been preserved and usefully employed for planting on lands where by nature no cinnamon grew. That the transplantation of trees from swampy and overly watery places to high and better grounds is useful, and has brought considerable advantages to the cinnamon cultivation, requires no proof. It is very well known, and Mr. Sluijsken also asserts it in all his reports, that cinnamon grown on overly swampy and watery grounds is generally less flavorful than that which grows on higher and better grounds. By this means, perhaps, a very great deal of good is also accomplished. Finally, it has done nothing but much good that in such places where the cinnamon was formerly planted too densely, a number of trees that stood in excess and could still be transplanted, have been moved elsewhere. The transplanted trees have thereby attained great perfection, and the other trees that were left there have thereby been provided with more space. The 328 The undersigned think they can conclude this article with this. They will merely allow themselves one single remark. Mr. Sluijsken says at the end of his remarks on the 12th article: as to what I have otherwise pointed out concerning this, it appears from the indication given before, that so many young coconut trees have been planted in the heart of the blessed cinnamon region called the Marandahn; I have already made my thoughts known about this in previous reports, and also at this moment to this commission. His Honour has in his own person, as the undersigned have pointed out above, nowhere given any indications of coconut trees, whether young or old, to the undersigned. What His Honour caused the undersigned to be requested by his slaves to observe in that regard, in walking from the tamarind tree to the Chalias resthouse and from there to the garden that formerly belonged to the Dissave De Cock, has been related in detail above. Whatever may be the truth of Mr. Sluijsken's statement that so many young coconut trees have been planted in the heart of the blessed cinnamon region called the Marandahn, appears abundantly clear from what has been pointed out concerning this above. Your High Honours so on the 17th of April last to the honored orders by council in Council of Ceylon and an even greater [illegible] relative to culture, stand in respect to note garden cinnamon not yet one seems to propose is which without other by human hands in produced. just as Her [illegible] that it is peeled separately of such woods Honorable To The Right Honorable, Highly Esteemed Sir Willem Jacob van de Graaf Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies The to 0 Sir Lk:t Linde The request that Mr. Sluijsken made of them in that regard was simply to keep a record of what he had caused the undersigned to be requested by his slaves to observe. Had His Honour added to this that, with the planting carried out of perhaps not even 100 trees, which was done over a great extent close along the road from the tamarind tree to the Chalias resthouse, he wanted to prove how coconut trees are planted in the best cinnamon lands and woods, and that by so doing, this region will successively, against all orders existing for that purpose at the time, just as His Honour believes this took place from Panature to Kalutara, turn into coconut gardens, the undersigned would very gladly have set His Honour right on that point. They would especially have been very glad to have done this if Mr. Sluijsken had shown them that he had any suspicion, as some doubt is cast upon it in His Honour's writing, whether this planting of a few coconut trees at a rather great distance in a row close along the road might also have been done on a third share. Mr. Sluijsken knows that for thirty years, and probably more, no lands under whatever condition it might be, in the Checked
Dutch transcription
Nagezien GV: Linde reeds hier boven is aangemerkt Het opneemen van Jonge plantjes, daer ze in zo een groote menigte en kort op malkanderen staen dat ze opwassende malkanderen verdringen, zoo dat daer niets van koomen kan, kan in geen op¬ zigt geagt worden, aan de natuurlijke groeij der kaneel eenig schade te doen. veele duijzenden klijne kaneel boomtjes zijn op die wijze behouden ge„ bleeven en nuttig tot de aanplanting gebruijkt, op gronden, daar uijt de natuur geen kaneel stond. Dat de verplanting van boomen van sompige en altewateragtige plaetzen op hooge en betede gron„ den, nuttig zij, en de kaneel kulture merke„ lijke voordeelen heeft toegebragt, heeft geen bewijs nodig. Het is zeer bekend en den Heer sluijsken, beweerd het ook bij alle zijne berigten dat de kaneel, gegroeijd op al te sompige en waerteragtige gronden, doorgaens minder smakelijk is, dan die groeid op hoogere en betere gronden. Hier door word midsschien ook zeer veel goeds gestigt. Eindelijk heeft het niet dan veel goed gedaan, dat men op zulke plaetzen, daer de kaneel eertijds te digt geplant is, een pa„ tij boomen, die daar te veel stonden, en nog konde worden verplant, elders heeft ver„ plaets. De verplante boomen, zijn daar door gekoome, tot groote volkomentheijd, en aan de andere boomen die daar gelaeten zijn, is daer door meer ruijmte verschaft. De 328 De ondergetekendens denken hiermede dit artikel te kunnen besluijten. Alleen zullen zo zig nog een enkelde aanmerking veroorloven De Heer sluijsken zegt op het einde van het door hem aangemerkte op het 12. ' artikel: wat ik overigens hier omtrend aangeweesen hebbe, blijkt hier vooren bij de aanwijzing, dat er zoo veele Jonge kooker boomen in het hart van den gezeegenden landstreek der kaneel de Marendaan genoemt, aangeplant zijn, mijne gedagten daar over heb ik reeds bij voorige berigten en ook op dit moment bij deeze kommissie te kennen gegeeven. zijn Ed: heeft in eijge perzoon, zo als dat de ondergeteekendens hier boven hebben aen„ geweezen, nergens eenige aanwyzingen van kookers boomen, het zij Jonge off oude, aan de ondergeteken„ dens gedaan. Het geen zijn E: de ondergetekendens in het gaan van de tamberijn boom, na het Cjaliasse rusthuijs en van daer na de tuijn„ die eertijds aan den Dessave De Cock heeft toebehoord, door zijn lijfeigenen heeft doen verzoeken, dat ze dien aangaende wilde op„ merken, is hier boven in het breede verhaeld. wat 'er zij van het zeggen van den Heer sluijsken, dat er zo veel jonge kooker boomen in het hart van den gesegenden land„ streek der kaneel de Marendaan ge„ noemt, zijn aangeplant, blijkt te over uijt het geene daaromtrend hier boven is aangeweezen. Huw Hoog Edelheeden zoo den 17. april laastleeden aan de g'eerde beveelen by raade in Raade van Ceile en eene nog meerdere op ulture betrekkelijk, taan in eerbied aanter gord Thuijnkaneel nog n scheijnt men zig voorsla el is die zonder and oor meerschen, handen in oortgebragt. alyk zoo als Haar e it ze apaat word afgesch van zoodanige boschke Achtbaare Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Irdisfi Gouverneuja en Direkteur van het Eij land Ceilon, met dies onderhoorigheedden Het te 0 Heer Lk:t Sinde Het verzoek dat de eer Cluijsken hun der„ weegens deed, was eenvoudig, om aantekening te houden van het geen hij de ondergeteken„ dens door zijn lijfergenen hadde doen verzoeken van te willen opmerken. Hadde zijn E: daea bij gesegt, dat hij met de gedaane aanplanting van misschien nog geen 100. boomen, die gedaan is op een groote uijt¬ gestrektheijd, kort langs de weg van de„ tamberijn boom na het sjaliase rust„ huijs, wilde bewijzen, hoe de kooker boo„ men in de beste kaneel gronden en bosschen wor„ den aengeplant, en dat door zulx te doen, deeze landstreek successive tegen alle daer toe leggende orders in der tijd, zoo als zulx naer sijn E: meend van Panture tot kaliture heeft plraets gehad, in kooker tuijnen zullen veranderen, zouden de ondergetekendens zeer gaerne zijn E: op dat stuk hebben te rigt ge„ bragt. zo zoude dit inzonderheid zeer gaerne ge„ daan hebben, zoo den Heer sluijsken hun hadde getoont, eenig vermoeden te heb¬ ben, zoo als bij zijn E: geschrift daer over wat twijffeling word verspreid, of ook doeze aanplanting van eenig wijnige kooker boomen, op een vrij groote distantie, in een roij kort langs de weg, mogte ge„ schied zijn op een derde De Heer sluijsken weet dat in dertig Janren en waarschijnlijk meer, geene gronden onder wat konditie het ook zoude mooge weesen, in de Nagezien
English
the Colombo Marandahn have been delivered. One is almost inclined to doubt whether Mr. Sluijsken speaks in earnest here. Regarding the coconut gardens of several inhabitants mentioned hereinabove, which they have possessed for a long series of years, the aforementioned reflections of Mr. Sluijsken can certainly in no respect be considered applicable. Mr. Sluisken says these things can be examined later, but might one not with fairness ask, why did Mr. Sluijsken, in passing by, not step for a moment out of his palanquin to investigate these things himself, if he had these doubts. After the seriousness with which he speaks about it, the matter well deserves this slight trouble. To the Right Honorable, Great and Honorable Sir Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. The undersigned have fruitlessly invited Mr. Sluijsken to inspect the cinnamon grounds situated nearby Colombo and elsewhere, as mentioned adjacent hereto. They therefore only subjoin below what Mr. Sluijsken has set down in the margin of these articles: In satisfaction of these four articles, I hope personally to be excused, and under hope of favorable construction I also do not think it necessary that it be done by me, and particularly because a large part of these districts has been visited by me successively and very recently. The improvements which I might judge concerning this and in general, I will respectfully write down below and indicate there what I have to remark concerning some grounds in the Marandahn and in the other districts. 15. To inspect everything that has been performed for the account of the Company would certainly be a work of great consequence, but the Colombo Marandahn begins close to the castle. Likewise, there are many pieces of land cleared and planted for the Company in the environs of Colombo, on both sides of the road to Kotta. Demettegodde is likewise close by, and there a large piece of ground has also been cleaned for the account of the Company and planted where it has been necessary, in so far as that has been possible hitherto. Likewise, the Marandahn of Morotto is only a few hours from here, so that the inspection thereof can easily take place. 16. All these named grounds lie close by, and thus the demonstration whether the work performed in those places for the account of the Company needs any alteration or improvement, and ought to be managed according to other rules than currently happens, can easily be done. 17. What has been performed for the account of the Company is, in size and extent, not to be compared to that which has been done by private individuals. It therefore primarily depends on whether this work is done properly, and this must consequently also now be examined, and Mr. Sluijsken be requested, upon the inspection of these grounds on the site itself, to be pleased to state whatever His Honor might still know to point out for the service of the Company and for the better promotion of this work, beyond that which currently happens. All these articles have also been presented to Mr. Sluijsken, along with the emphatic recommendation of Your Right Honorable, Great and Honorable, to make careful and repeated trials regarding everything that formed the subject of their commission, upon which 18. What trouble and care it cost the late Right Honorable Mr. Falck to put the planting of cinnamon and clearing of the forests into execution, and to overcome the prejudices of the native against this work, is still in everyone's fresh memory. Among the many claims which this good gentleman has to be continually held in blessed memory by the Company,
Dutch transcription
329 de kolombose Marendaen afgegeeven zijn. Men is bij na genigt om te twijffelen of den Heer sluijsken hier ernstig spreekt Op de kooker thuijnen van enige ingeze„ tenen hier boven vermeld, die ze zeedert een groote reeks van Jaeren bezitten, kun„ nen de voorsz: aeflexien van den Heer sluijsken zekerlijk in geen opzigt geagt wor„ den, toepasselijk te zijn. De Heer sluisken zegt, die dingen kunnen nader„ hand worden onderzogt, dog mog men ter niet met billijkheijd vraegen, waerom stapte de Heer sluijsken in het voor bij gaan niet een ogenblik uijt zijn palenkijn, om die dingen zelve te onder„ zoeken, zo hij deeze twijffelingen had. Na den ernst waermeede hij daer over spreekt, verdiend de zaek wel dese kleine moeite. Huw Hoog Edelheeden zoo den 17. ' april laastleeden Op het geschreevene door hunne De ondergetekendens hebben den aan de g'eerde beveelen by Hoog Edelheeden bij 5. 54. dat Heer Sluijsken vrugteloos de steed sluijsken alleen rerde in Raade van Ceste uijtgenodigt tot het gaan be„ gesprooken heeft van de ver„ en eene nog meerdere op zigtigen van de hier bezijden wgtingen der partikulieren in„ ulture betrekkelijk, gezetenen in de kanneel kul vermelde en andere in de na„ taan in eerbied aan te ture, en daer en teegen heeft bijheijd van Kolombo, gelegen¬ gord Thuijnkaneel nog n gesweegen van het geen voor ne kaneel gronden. zij laeten reekening van de komp:e word scheijnt men zig voorsca dus hier onder alleen vol„ gedaan, is door zijn Edele bij el is die zonder and desselfs berigt van den 22. de„gen het geen de Heer sluijs„ oor meeschen handen in na aangemerkt, dat de ken in margine van deze oortgebragt uijtgestriktheid van het werk artikelen heeft ter nederge„ alijk zoo als Haar te groot is, om door zijn Ed: stold: te kunnen worden nage„ tt ze apart word afge„ Ter voldoening van deeze gaan. vier artikelen hoope ik van zoodanige boschhe Achtbaare Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indissce Gouverneua en Direkteur van het Eij land Ceilon, met dies onderhoorigheeden personeel te 14. 14. Heer F Nagezien JV: D Linde 15. Om alles te besigtigen wat voor peazoneel g'exkuseert te wor reek: van de komp:e verrigt is, den, en denke ik onder zoude zekerlijk een werk van hoope van gunstig wel¬ groote nasleep zijn, dog de kolom„ duijding ook niet no„ bose Marendaan begint kort E bij het kasteel. zoo leggen 'er dig te zijn, dat door ook veele voor de komp: ges„ mij geschied, en wel bij suiverde en beplante stukken 18 besonders, wijl een groot gronds in den omtrek van ko„ gedeelte deezer landstreeke bel lombo, aan weerskanten van successive en nog kortelinge die de weg na Kotta. Demet„ door mij zijn besogt ge¬ tegodde is insgelijks sigte worden de verbetering die L bij, en daer is ook een groot ik hieromtrend en in 't ge„ dee stuk gronds voor reekening neraal mogte oordeelen, te van de Komp:e schoongemaekt Ed zal ik hier onder eerbiedig en daer het nodig is geweest te neder schrijven en daar bij beplant, voor zoo verre dat w aanwijzen, wat ik omtrend tot nog toe heeft kunnen sommige gronden in de Ma„ geschieden. zoo is ook de Ma„ rendaan en in de overige aendaen van Morottoe maer Landstreeken hebben aante„ eenige wijnige uuren van hier merken „ge „ aana mids dien de besagtig daer van gemakkelijk ge„ schieden. 16. Alle deeze genoemde gronden leggen digte bij, en kan dus de aanwijzing, of ook het verrigte werk op die plaet„ sen voor reek: van de Komp:e gedaan, eenige verandering of verbetering nodig heeft, en naer andere regels, als tant geschied, zoude dienen 330 te worden bestierd, gemakke„ lijk worden gedaan. 17. Het verrigte voor reek: van de Komp:s is in groote en uijtge„ strektheijd niet te vergelijkenen bij het geene door partikulieren is gedaan. Het komt er dus voor„ namentlijk op aan, of dit werk behoorlijk geschied, en moet mids„ 91 dien dit ook nu worden onderzogt, en de Heer sluijsken worden ver„ ge zogt, om bij de besigtiging van die deeze gronden op de plaats zelve te willen opgeeven, het geen zijn Ed:s ten dienste van de komp:e en dig ter betere bevordering van dit werk, buijten het geene extans d geschied, nog mogte weeten aan„ tewijzen. Huw Hoog Edelheeden zoo den 17. april laastlieden aan de g'eerde beveelen by reade in Raade van Cest wat moeijte en zorge dat de Ook zijn aan de Heer en eene nog meerdere op Hoog Zalige Heer Falck gekost sluijsken voorgehouden al¬ ulture betrekkelijk, heeft, om het aanplanten van „le deze artikelen en de de kaneel en schoon maeken taan in eerbied aante nadrukkelijke rekom¬ gord Thuijnkaneel nog n van de bosschen in uijtvoering E mandatie van uwel Edele te brengen, en de vooroor„ scheijnt men zig voorsla Groot Achtbaare, om no„ deelen van den Jnlander tee„ el is die zonder and pens alles wat tot onderwerp gens dit werk te over„ oor meerschen handen un winnen, is bij een elk neg„ van húnne Kommissie oortgebragt in versch geheugen. Onder de alyjk zoo als Haar e heeft uijtgemaekt, naau„ veele aanspraaken die deze tt ze apaat word afgesh keurige en herhaalde proe¬ goede Heer heeft om steeds ven te neemen, waer op bij de komp:e in een gesegende van zoodanige boschke nagedagtens 18. 18. Achtbaare Heer Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heca Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Irodifi Gouverneuja en Direkteur van het Eij band Ceilon, met dies onderhoorigheedsen de te ƒ
English
Examined. Lk: tLinde. To remain in memory, his continuous labor was solely to advance this work, none of which... the undersigned have only received that which was noted below by Mr. Sluijsken in His Honour's writing concerning these 9 articles. That in these operations and in the beginning errors crept in here and there, this work has in common with all human undertakings; and whoever knows how much it costs to introduce innovations, however useful they may be, will wonder less at that than at the steady progress and improvement of this work, and the degree of perfection to which it was brought during the lifetime of the late lamented Mr. Falck. Since then, it has been continued with the same well-meaning zeal, and the improvements that could be devised from time to time have been introduced, and this still takes place daily. The content of these 5 articles does not relate to my person as such. However, at the beginning of this response, I have already sufficiently shown that I agree in my thoughts regarding the content of these and the further points I will make herein, which I hope will also place me among the ranks of the promoters of cinnamon. I respectfully request permission to defend my views in case of contradiction, for nothing will be more pleasing to me than to help promote, in unity, the useful and necessary planting of cinnamon; and this, in my opinion, will absolutely happen if, for the improvement of the present work, one accepts: 1st. That it be investigated how many cinnamon plantations have already been planted since the initial establishment, which is now already 19 years ago. 2nd. How many good trees, after the eradication of the bad varieties (which, I must admit, takes place daily), can be counted and found in the planted areas, so that subsequently: 3rd. In proportion to these findings, if they are not yet fully sufficient, one proceeds slowly and securely with further propagation for a reliable harvest over several consecutive years. 4th. That this planting always take place as much as possible on good Maradana soils, and that all Company, waterlogged, and inferior quality lands, which evidently are also to be found in the Maradana, be excluded from this. 5th. That several overseers initially be appointed solely to proceed slowly with planting in various places, but especially to engage in rooting out and destroying the bad varieties of cinnamon wherever they are to be found, and, by harvesting good fruit from time to time, to put themselves in a position to ensure that all planters can be supplied with good-quality fruit. Among all the institutions in Ceylon, there are none that exert so marked an influence on the political system of this island, as well as on the mercantile state of the Company, as this one. Your commission, and the proper and meticulous execution thereof, is therefore of the utmost importance to the interests of the Company. The doubts that have arisen among Their High Right Excellencies concerning the utility of this work make Them reasonably uneasy. Moreover, it could have a most detrimental influence on the cinnamon trade itself, should the merchants in Europe come to suspect that the planting of cinnamon and the clearing of the forests would have an adverse effect on the quality thereof. It is well known how great the power of prejudices is once they have taken root. The prejudices that could arise from these doubts could have a most damaging effect on the sale of cinnamon in the future. For this reason, I cannot recommend to you strongly enough to exercise all possible vigilance in your commission, and especially to conduct the most accurate and repeated tests regarding everything concerning this work. If you find that any improvements are necessary, they must be reported, and in particular, you must conscientiously report whether, in the treatment of this work as it is currently conducted, you have encountered anything that in any respect could be detrimental to the quality of the cinnamon. To the Honourable and Most Respected Lord Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon and its Dependencies. Honourable Sir, That bad cinnamon is also found everywhere in the jungle, I have never disputed; and I still acknowledge the planting of cinnamon to be useful, and, because otherwise little cinnamon would be found without cultivation, so very necessary. Only, I repeat once more that I am respectfully of the opinion that one should not restrict oneself solely to cinnamon gardens, but that for reasons, as stated in my previous recommendations... Examined.
Dutch transcription
Nagezien Lk: tLinde nagedagtenis te blijven, is zijn de ondergetekendens alleen aanhoudende arbeijd om dit ontvangen hebben het geen werk te bevorderen, geen van door den Heer Sluijsken bij zijn E:s geschrift aangaande deeze 9 artikelen hier onder is ge„ Dat bij deeze verrigtingen en den F beginne hier en daer vergis„ noteerd singen ingesloopen zijn, heeft Het gestelde in deeze 5. dit werk gemeens met alle artikelen heeft geen be menschelijke bestellingen, en trekking tot mijn per„ die weet hoe veel het kostom zoon op zig zalve. Jk nieuwigheeden in te voeren, hoe hebbe egter in den begin nuttig ze ook zijn, zal zig ne van deeze beantwoording daer over minder verwon„ reeds genoegsaam laaten deren, dan over den geduu¬ blijken, dat ik over een rigen voortgang en verbete„ kome in mijne gedagten ring van dit werk, en de omtrend den inhoud van trap van volkomentheijd waer toe het nog bij het leeven van deeze en de verdere aan„ den Hoogzaligen Heer Falck wijzingen die ik in deeze nog gebragt is. Zeedert is het met doen zal hoope ik dat mij den zelfden welmeenenden ijver voort„ meede onder het getal ver kaneel bevorderaars zal gezet, en zijn daar en gebragt stellen. Ik verzoeke eer„ de verbeteringen die men van biedig mijne begrippen inge„ tijd tot tijd heeft kunne uijt„ wal van tegenspraak te denken, en dit geschied nog dage„ mogen bestrijden, want niets zal mij aangenae„ med zijn als eens gezind de nuttige en noodzake„ lijke aanplanting van kaneel te helpen bevor„ deren en dit zal na mij„ ne begrippen absolut ge¬ schieden, als men ter ver„ beetering van het tegens„ woordig werk wil lijks de minste. Onder alle bestellingen op Ceilon zijn, 'er geene die op het poli„ tiek Sistema ten dezen eilaen„ de, zoo wel als op den mer„ kantielen staet van de Komp:e een zoo merkelijken invloed hebben dan dese Deeze UE: kom„ missie, en het wel en naauw gezet aanneemen 20. 331 gezet uitvoeden daar van is midsdien van een allergrootst gewigt voor de belangens van de Komp:e De twijffelingen die over de mit„ tigheijd van dit werk bij Hunne Hoog Edelheeden zijn ontstaen, maeken, Hoogt dezelve met reeden ongerust. Bovendien zoude het van een aller schadelijksten invloed kunnen worden op den Kan„ neel handel zelve, indien de Kooplieden in Europa in het vermoeden kwamen, dat het aanplanten van de Kaneel en het schoonmaaken van de bosschen, van een nadeeligen invloed zou„ de zijn, op den deugd Jaer van 1 Men woet hoe groot het ver„ mogen is van de voor oor„ deelen, wanneer ze eens wor„ tel geval hebben. De voor„ oordeelen die uijt deese twijffe„ lingen zoude kunnen ontstaen, zoude, op den verkoop van de kanneel van een aller„ schadelijksten invloed kunnen zijn, voor den aanstaende. hier om kan ik uE: niet genoeg rekommandeeren, om en uw kommissie alle moge„ lijke oplettendheijd te ge„ bruijken en om in zon„ derheid de naaukeurigste Achtbaare aanneemen dat 'er 1e word nagegaan hoe veel kaneel plantagien, 't Zee„ deat den eersten aanleg dat nu al 19' Jaaren is, reeds zijn aangeplant 2:e Hoe veel deugzaame, boo„ men naar het uijtroeijen van de slegte zoorten /:dat ik moet bekennen dage„ lijks geschied:/ kunnen gereekend en in de aan„ geplante plaetzen gevon„ den te zullen worden, op dat men vervolgens. 3. Na mate van deze be„ vinding zoo die nog niet volkoome voldoende is, tot een verzeekerde in„ Huw Hoog Edelheeden zoo zaam van eenige Jaeren den 17. april laastleeden na den andere, langzaam aan de g'eerde beveelen by verder, verseekerd voor't= rerde in Raade van Ceste plant 4. Dat deeze aanplanting al„ en eene nog meerdere op toos geschiede zo veel mo„ ulture betrekkelijk, gelijk op goede Maraendaen taan in eerbied aante gronden en dat hier van gord Thuijnkaneel nog n alle Compige, waetcaagti„ scheijnt men zig voors ge en mindere deugts als„ me gronden, die in de Maa„ el is die zonder and aendaen zoo als blijkt, oor meerschen handen un ook zijn te vinden, g'ex„ oortgebragt. kuseerd worden. alyk zoo als Haar e 5. Dat verscheijde opzigters 1 ze apart word afgesh voor eerst alleenlijk gesteld worden, om op verscheijde van zoodanige boschke Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indisce Gouveaneua en Direkteur van het Eij land Ceilon, met dies onderhoorigheedten plaatzen te 21. 9 22 Heer Lk: t inde en herhaelde proeven te neemen; omtrend alles wat dit werk konserneerd. vinden uE: dat 'er eenige verbeeteringen nodig zijn, moeten die worden opgegeeven, en inzonderheid moeten UE: gemoedelijk opgeeven of uE: in de behandeling van dit werk zoo als set tans geschied, iets is ontmoet, dat in eenig opzigt zoude kun„ nen nadeelig zijn, aan de deugd van de kaneel. plaetzen /: zoo het nodig met het aanplanten langzaam voort te gaan maar in 't besonder om„ zig te bemoeijen de slegte zoorte kaneel, wand de„ zelve maar zijn te vinde uijtroeijen en te vernieti„ gen, en door van tijd tot tijd een insaam van goede vruchten te doen, zig in staet te stellen, om te zorgen, dat alle plan„ ters van deugdzaeme vruchten kunnen voorzien worden Dat er over al in het bosch ook slegte kaneel word gevonden, hebbe ik nooijd bestreeden, en ik erkenne de aanplanting van Ka„ neel als nog voor nit¬ tig, en om dat 'er buijten dat voor de aanplan„ ting wijnig Kanneel meer waare te vinden, voor zoid noodzakelijk alleen ik herhaale nogmaels dat ik eerbiedig van ge¬ voelen ben, dat meer zig niet alleen aan Kaneel perken moet bepaelen, maer dat men om reeden, zo als bij mijn voorige adwiesen heb ster neder Nagezien
English
To the Right Honourable, Most Respected Sir, Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. Established here, one must ensure and apply oneself to seeing that the cinnamon territory continues to contain that valuable product everywhere and thus remains dispersed, so as not to fall into misfortune, into which, according to my understanding, we would certainly come if we were to turn some of the natives against us, and they were thereby enabled to rob us of our cinnamon gardens. This I have discussed and cited more extensively in my previous opinions, to which I refer; and on the 17th of April last, I further left the remaining judgment on the respected orders concerning this matter to a more enlightened statesman and to the council. Regarding cultivation, I therefore hold the planting of cinnamon to be useful, as I have always declared, and as will also clearly appear from all my submitted reports. I have also never objected to the planting itself, but only desired that one should not confine oneself solely to cinnamon gardens and give away the remaining land, as the late Dissave Billing believed could be done safely. This product must, in my opinion, subject to correction by wiser judgment, I repeat once more, remain extensive in its scope, and meanwhile one may slowly proceed with planting with the happy prospect of obtaining much cinnamon. Regarding the watering of the cinnamon, I am of the opinion, subject to better judgment, that as soon as the cinnamon is planted, it must initially be watered until it takes root, just like all other trees, and provided the watering does not go any further, I am of the opinion that watering is absolutely useful. One should consider, however, whether all garden keepers will be equally discreet in this regard; for if one assumes that through watering, as is natural, the tree can be peeled in a short time, and he could benefit from a quicker harvest, it will, according to my understanding, the final decision on which I leave to botanists and experts, be detrimental to the bark, which will then be peelable earlier, but will not be of sufficient quality. Furthermore, far be it from me to accuse anyone of having deliberately planted bad cinnamon; it is also sufficiently clear from the submitted report that I only wished to point out that in the beginning, and possibly still later on, all kinds of cinnamon seeds were collected and planted together. Among these, one easily understands that there were also poor varieties, and thus poor ones grew among the good varieties. Now, once the gardens have been cleared of these, one will henceforth, because there will then be nothing but good cinnamon in them, also be able to obtain sufficient good varieties of seeds, and naturally be able to propagate and harvest them with the best success. The undersigned are very sorry that they could not better fulfill the intention of Your Right Honourable Honour, but they trust it has clearly appeared from the foregoing that this is not their fault. In the writing of Mr. Sluijsken, mentioned several times in this matter and submitted herewith in copy, Mr. Sluijsken himself gives a description of his designations, with which the undersigned think that of your findings you must make a written and detailed report to me, which shall be signed by the Honourable Dissave Faetz, in whose presence the commission takes place; and you must also request Commander Sluijsken, to whom you must give notice of the notes to be kept, to sign your report.
Dutch transcription
332 Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indisi Gouverneua en Direkteur van het Eij land Ceilon, met dies onderhoorigheidden neder gesteld, moet toe„ sien en zig toeleggen wet kaneel bestek over al dat waerdig produkt blijft in„ houden en het dus ver„ spaeid blijven om niet in ongevalle te raaken, waer in wij na mijne gedinge begrijpen zeekerlijk zoude koomen, indien mij door enige Inlander mogte tee„ gens ons krijgen, en deeze daar door in staat gesteld wierden om ons van onse kaneel perken te berooven. Dit heb ik wijdlopiger bij mijne voorige adviesen verhandelt en aan„ gehaald; en waer aen ik Hun Hoog Edelheeden zoo mij in deeze refereere en den 17. ' april laastleeden voorts het verdere oordeel aan de g'eerde beveelen by gaeane daer omtrend aan eerde in Raade van Cesle een verligter staat kundiger en eene nog meerdere op overlaate ulture betrekkelijk, De aamnplanting van Ka„ taan in eerbied aante neel houde ik dus voor gord Thuijnkaneel nog n nuttig, zo als ik zulx scheijnt men zig voorsla altoos verklaart hebbe„ el is die zonder and en zo als zulks ook uijt alle mijne overgelegde oor menschen handen in oortgebragt. adviesen klaer zal blijken. elyk zoo als Haar e Jk hebbe ook nooijt teegens het aanplanten it ze apaat word afgesch om dies noodzakelijkheijd van zoodanige boschhe Achtbaare Heer. 1els 2 e GV: Linde iets op zig zelve inge„ bragt, maar alleen ge„ wild; dat men zig niet gelijk den welzaligen Weed Dessave Billing meende met ed heid te kunnen geschieden, aan kaneel peaken alleen zou„ de bepaalen, en het ove„ rige land wegschenken. Dit produkt moet naer mijn gedagten onder kor„ rektie van wijzer ge„ voele hersegge ik nog„ maals uijtgebreid in zijn bestek blijven, en dat men intusschen lang„ zaam met het gelukkig vooruijtzigt van veel kan„ neel te zullen krijgen kan voortgaan met aanplanten Omtrend het bewaeteren der kaneel, ben ik /: met on„ derwerping van beeter ge„ voele:/ van begrip. Dat zoo dra de kaneel aangeplant is „ hij in den beginne tot hij wortelen schiet, zoo als alle andere boomen moet bewaeterd worden en zo het bewaeteren ook niet verder gaat ben ik van Nagezien 333 Aan Den welEdelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Irodifi Gouverneua en Direkteur van het Eij brand Ceilon, met dier onderhoorigheedsen van gevoelen, dat het be„ waeteren absolut nuttig 18. Men neeme echter en overweeging of hier omtrend alle paakeniers even dis„ kreet zullen weezen, want zo hij verondersteld, dat door het bewaeteren zoo als natuurlijk is, de boom en korten heid kan geschild worden, en hij door spoedi¬ ger moegsting zig kon bevoordeelen, zal het im„ meas naar mijn begrijp /: waer van ik egter duijt„ spraak aan Botanike en guni kundige overlaate:/ nadeelig zijn voor de Baat Hun Hoog Edelheeden zoo die dan wel vroeger schil„ baar, maer niet deugloen den 17. ' april laastleeden genoeg zal weezen. aan de g'eerde beveelen by Met zij voorts verre, dat ik rerde in Raade van Cesle iemand zoude willen be„ eene nog meerdere op schuldigen weetens en willens ulture betrekkelijk,D Kwaede Kangel aangeplant taan in eerbied aan te te hebben ook bij het nie„ gord Thuijnkaneel nog n overgelegd bericht blijkt scheijnt men zig voor sla klaar genoeg, dat ik el is die zonder and alleen hebbe willen aanwij„ oor menschen, handen ui zen, dat men in den beginne en mogelijk ook nog in den oortgebragt. vervolge allerleij door te kaar„ alyk zoo als Haar e neel vruchten heeft gesameld tt ze apart word afgesch en aangeplant Hier onder begrijpt men lig„ van zoodanige boschka Achtbaare Heer telij 0 Lk tLinde telijk dat ook slegte zoor„ te zijn geweest, en dus ook slegte onder de goede zoorte zijn opgegroeijd, hier van nu de perken eenmaal gesuij„ verd zijnde, zal men en den vervolge (: door dien 'er dan niets als goede kemeel, in zal weezen voortaan ook genoegsaeme goede zoorte vruchten kunnen erlangen en daer door vervolgens na¬ tuurlijk ook met het beste succes konnen voort planten en moegsten Het doet de ondergetekendens zeer leed, dat ze niet bee„ ter aan de intentie van uwel Edele Groot Achtbaare hebben kunnen voldoen, dog dat dit hun schuld niet is, vertrouwen ze uijt het voorenstaende ten klaer„ sten te zijn gebleeken. Bij het geschrift van den Heer sluijsken in dezen te meer„ maelen vermeld en het welk in Kopij hiernevens overgelegt word, doet den Heer Sluijsken van zijne gedaene aanwijzingen zel„ ve een beschrijving, waer mede de ondergeteeken„ dens denken dat geagt van uw bevinding moeten uE: aan mij doen een schriftelijk en omstandig rapport, het welk door den E: Dessave Faetz: ten wiens overstaan de kommissie geschied, zal worden geteekend, en moeten uE: den Heer kommandeur sluijsken, aan wien van de te houdene aantekenin„ gen moeten kennis geeven, ook verzoeken om uw rapport te teekenen. Nagezien mag
English
334 may be deemed to have complied with the intention of your Right Honourable Sirs, to also have this report submitted by Mr. Sluijsken. The undersigned declare to have drawn up this report in good conscience and through progressively acquired experience, and that of the first signatory also rests upon long years of service and assiduous contemplation of the cultivation of this work out of personal interest, and that of the second signatory because he was for some years Captain of the Galle Korle and Cinnamon Captain, and thus has had a closer and continuous view of the practical aspects of this work; they can say absolutely nothing else than that this work is being pursued with good success. The Honourable Sessave Fretz has given the undersigned the sincerest assertion that the strictest orders have been given to the overseers of the cinnamon plantations and further to all others to cull the unmerchantable cinnamon, and this will certainly be treated in his Honour's separate exposition in that regard. As men of honour and according to our oath, we are inevitably obliged to add to this that it would be most desirable for the interest of the Noble Company if it were never doubted or written about any more concerning the proper planting and the further advancement of the cinnamon product; for the notorious sequel thereof is mathematically true and rests at the same time on good mercantile grounds, that the quality of that bark, in which so very much is at stake for the Company and which can always maintain Ceylon, can be suspected. From this suspicion follows a hesitation among the merchants and from this in turn the diminution in value and so forth, unfortunately meanwhile for the interested party in the matter, who treats it with heart, delivers virtuous goods, and yet would suffer disadvantage through the division against himself; not to mention that the doubts being spread among the common people about the utility of the work can acquire an unfavourable influence on the inhabitants in general and produce great aversion or other unforeseen inconveniences. Had Commander Sluijsken had anything to remark about the method of planting the cinnamon, etc., and had he made his thoughts in that regard openly known early in the beginning of that work, in order to enable this government in time to receive the same with gratitude and examine their merits in Council, then all general and specific doubts could never have arisen. Commander Sluijsken has entered into his aforementioned writing some questions put by his Honour to the bookkeeper Spittel, with the answers received thereto. These answers seem somewhat loose, at least far too indefinite, and although such sayings do not prove against the actual findings, such documents sometimes become separately public. For this reason, the undersigned consider whether it would not be advisable to have Spittel declare these answers of his under oath, or at least under presentation of an oath, and that he be asked therein for the necessary clarifications. Wherewith we subscribe with the most dutiful high esteem; underwritten: Right Honourable, Highly Commanding Sir, your Right Honour's very humble and obedient servants; was signed: J: Reintous and A. Samlant; in the margin: Colombo the 28. September A:o 1790; lower: C:s: in my presence, and as it is stated herein that I would submit a separate report of the 5 cinnamon sticks cut by order of Commander Sluijsken, and of another 5 ditto cut upon my indication, I therefore refer regarding that to the same; was signed: D: Fretz. Agreed, Sybrands, L. Linde. Examined, Examined, Egkeert. 335 To the Right Honourable Sir Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. To the Right Honourable Sir Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of Netherlands India, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies. Right Honourable, Highly Commanding Sir, It has pleased your Right Honour by ordinance of the 25 October 1789 to instruct me, the undersigned, to attend the commission which you had entrusted by an Instruction of the aforementioned date to the council members Messrs. Reintous and Samlant, to [illegible] in the presence of Commander Pieter Sluijsken and in my presence [illegible]
Dutch transcription
334 mag worden te zijn, voldaan aan de intentie, van uw weledele Groot Achtb:, om dit rapport ook door den Heer sluijsken te laeten toekoeren: De ondergeteekendens verklaaren dit rapport na gemoede en door de successive verkreegene ondid„ vinding te hebben opgemaakt en steunt die van„ den eersten teekenaer teffens op een langjaerigen dienst en asiduele Contanplantie van de Cultuure van dit werk uijt eijge liefhebberij en dat van den tweeden tekenand, door dien hij eenige Jaeren Kaptein, ver Gale Korle en komeel Kaptein is geweest, en dus de beschouwinge van het practicaele van dit werk meerder en geduurig van nabij heeft gehad, zij kun nen volstrekt niet anders zeggen, dan dat dit werk niet goed succes word geprosequeert. Den E: Sessave Fretz: heeft aan de ondergeteekendens de opregtste assertie gegeven, dat aan de opsigters der Kaneel plantasien en voorts aan alle anderen de strikste beveelen zijn gegeeven, om de onleverbaare kaneel Huw Hoog Edelheeden zoo generael uijtleadeijen, en dit zal bij zijn Edelens den 17. ' april laastleeden appart vertoog dienaangaande zekerlik verhandeld aan de g'eerde beveelen by worden. Wij zijn als mannen van eer en volgens rerde in Raade van Ceile den Eed onvermijdelijk verpligt, hier bij nog te moeten zeggen, dat het voor het belang der Edele en eene nog meerdere op Maatschappij allerwenschelijk waere, dit nimmer ulture betrekkelijk, getwijffeld of meer geschreeven wierde over de behoor„ taan in eerbied aante lijke aanplanting en het vorder in staat brengen gord Thuijnkaneel nog n van het kaneel produkt, want de notoire fe„ queele daar van is wiskunstig waar en steurel scheijnt men zig voorCla te gelijk op goede metcantiele gronden, dat de deugdel is die zonder and van die bast, waar aan de kompenie toch zeer veel oor meeschen, handen in geleegen legt en Ceilon steets in stand houden kan, oortgebragt. gesuspeert kan worden uijt deeze verdenking volgt alyk zoo als Haar e een daaseling bij den koopman en hier uijt weder den tt ze apart word afgesch vermindering in de waerde en wat dies meer zij ongelukkig ondertusschen voor den geinteresseerden van zoodanige boschka Achtbaare Heer. Aan Den welEdelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indishe Gouveaneua en Direkteur van het Eij brand Ceilon, met dies onderhoorigheeden van C GV: Linde van de zaak, die dezelven van haaten behandelt deugdzaam goedlevert en evenwel door de verdeeling te gen zich zelven, nadeel lijden zoude geswijge nog dat de twijffelingen, die over de nuttigheid van het werk on„ der den gemeenen man worden verspreid, op de ingeze„ tenen in het algemeen een ongunstigen invloed kan bekoomen en groote tegenzin of andere ontevoorziene ongeleegenheeden her voortbrengen hasde Heer komman„ deur sluijsken het een of ander te aenmakeeren over de wijze van aanplanten van de kaneel &:a desselfs ge„ dag ten dien aangaende al vroeg in den beginne van dat werk opentlijk opgegeeven, ten eijnde deeze regeering daar door in tijds in staet te stellen, dezelve met erkentenisse te ontvangen en de meaites derzelve in raade te exami„ neeren, dan zouden alle Generaele en bijzondere twijffelin„ gen nimmer hebben kunnen ontstaen. Den Heer kommandeur sluijsken heeft bij meerm: sijn ge„ schrift ingeschreeven eenige vraegen door zijn Edele gedaen den den boekhouder spittel, met de andwoorden daer op ontvangen. Deeze antwoorden schijnen wat los, ten minsten wat al te onbepaeld en schoon wel zulke gesegdens niet bewijzen tegens de dadelij„ de bevinding, worden zulke stukken somtijds afzondsalijk publiek. Hierom denken de ondergeteekendens, of het niet roed, Iaam zij, om spittel dese zijne antwoorden te doen de kolleeren onder Eede of ten minsten onder presentatie van Ede, en dat hem daer bij gevraagt worden, de nodige ophelderingen waarmeede, dezen wel de verschuldigste hoogagting onder„ schrijven; /:onderstond:) wel Edele Groot AdhEb: Hoog Gebie„ dende weer, uwer wel Edelens Groot Achtb: Leca onder„ daanige en Gehoorzaeme Dienaeren /:was getekend:/ J: Rointous en A. Samilant. /:ten margine:/ Kolom„ bo den 28. September A:o 1790. /:lager: C:s: ten mij„ nen overstaan, en alzo in dezen gezegt word dat ik van de ter ordre van den Heer kommandeur sluijsken gekapte 5. kancelstokken, en van nog 5. dito, die op mij„ ne aanwijsing gekapt zijn, een appart bericht zoude over„ leggen; zoo gedaage ik /:was geteekend:/ D: daaromtrend aan het zelve Accordeerd Sybrands Lk Linde Nagezien Nagezien Fretk: Egkeert 335 Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graag Raad ordinair van Nederlandsch Irdiffi Gouveaneuja en Direkteur van het Eij land Ceilon, met dies onderhoorigheedsen Aan Den wel Edelen groot Achtb: heer Willem Jacob Van de Graaff Raad ordinair van nederlands indlia gouverneur en directeur van het Eland Ceilon met dies onderhoorig heeden. Wel Edele Gestrenge groot Achtb: Hoog gebiedende Heer Huw Hoog Edelheeden zoo Op den 17. april laastleeden aan de g'eerde beveelen by Het Heeft uweled: groot Achtb: behaagt om mij rerde in Raade van Cesle onderteekenaar bij ordonnantie van den 25 en eene nog meerdere op 1709 ulture betrekkelijk, D oktober te gelasten, dat ik de kommissie zoude taan in eerbied aan te bijwoonen, die hoogst denselven bij eene Instruc= gord Thuijnkaneel nog n tie van evengemelden datum aan de raads= scheijnt men zig voorsla el is die zonder and leeden de Heeren Reintous en Samland had oor menschen, handen ui opgedraagen, om ter presentie van de heer kom„ oortgebragt. elik zoo als Haar He mandeur Pieter Sluijsken en ten mijnen over= it ze apart word afgesch van zoodanige boschha Achtbaare Heer. =staan te ed c
English
To the Right Honorable, Highly Esteemed Sir Willem Jacob van de Graaf Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. Honorable Sir. Having to perform, as has occurred, and because I have undertaken, as is mentioned in the report of the aforementioned gentlemen dated 28 September 1790, to serve with a separate report regarding the 5 cinnamon sticks that were cut at the designation of the Commander Sluijsken on mud or swampy ground on which water stands for most of the year, and 5 other sticks that stood on small hills of that same ground and were cut at my designation, I shall have the honor to present to Your Right Honorable the condition of those ten cinnamon shoots and of the cinnamon peeled therefrom below, whilst I shall also at the same time remark what is necessary concerning the false cinnamon in the Hinakorle and at Kosgamme in the Hewagamkorle, of which the Commander Sluijsken speaks specifically in his report of 30 October 1789, beside article 10 of the instruction granted to the commission mentioned herein by Your Right Honorable. I have then the honor to inform Your Right Honorable that, as I did not know the reasons why the Commander Sluijsken had 5 sticks cut from those on that swampy or muddy ground, I also caused 5 other sticks to be cut that stood on small hills situated in that swampy ground; this I did on the supposition that there might be some difference between the quality of the cinnamon from the 5 first-named sticks that had stood on muddy ground and the latter shoots that had stood on small hills, and that thus perhaps some further experience might thereby be discovered to support one or the other contention. The cinnamon bark peeled from those naturally grown sticks is tied to the sticks themselves, and both of these I have the honor to present to Your Right Honorable, whilst I shall make a demonstration below of how I found that cinnamon, namely: The 5 sticks or shoots that the Commander Sluijsken had cut are marked A from No. 1 to 5, and consist of old wood, and of taste as follows: No. 1 has practically no cinnamon, but a bitterish taste. No. 2 is thoroughly good and sharp cinnamon, though somewhat bitterish. No. 3 has almost no cinnamon taste, except only that it is somewhat biting in the mouth. No. 4 ditto ditto, though slightly less biting. No. 5 has a sharp biting, yet faint cinnamon taste, however better than the preceding four samples, the wood also being younger. The 5 shoots that the undersigned caused to be cut consist of younger wood that nevertheless has its ripeness, and are marked B from No. 1 to 5, namely: No. 1 has little or no cinnamon taste. No. 2 is reasonably good sharp cinnamon, though somewhat bitter. No. 3 has a somewhat fainter cinnamon taste. No. 4 is reasonably sweet-tasting cinnamon. No. 5 has a less sweet, but also at the same time bitterish taste. One sees from the foregoing how those ten shoots, which grew up next to each other and practically in one and the same circumstance, nevertheless differ from each other in quality, and of which no reasons have thus far been able to be traced. However, it is an indisputable truth, acknowledged by everyone, that the cinnamon that grows on swampy grounds is always rather bad, weak, and especially bitter of taste, and whenever one tastes cinnamon of such a taste and asks the cinnamon peelers for the reason thereof, they will always give the answer that it was peeled on watery deniya or other low and swampy grounds. The proof is therefore clear as daylight that in transplanting the cinnamon from swampy to high grounds, as is done, one does a very good work, and thus will not proceed to the contrary, to plant cinnamon in swampy places, as one would have to infer from the report of the Commander Sluijsken that had occurred in the Colombo Maradana, which however is not so. For as regards the passage cited by the Commander Sluijsken beside article 10 of the aforementioned instruction granted by Your Right Honorable to Messrs. Reintoux and Samlant concerning the false cinnamon, which his Honor holds for certain would be found at Kosgamme in the Hewagamkorle and no less in the Hinakorle, and that this could be further investigated by a native commission, I have the honor to serve humbly in this respect: That in traversing the cinnamon plantations in the Hinakorle, searching with difficulty, I have found only now and then one or two false cinnamon trees, over which one does not need to wonder at all, because in that...
Dutch transcription
L V: Linde staan te verrigten: gelijk is geschied en weil ik aangenomen hebbe gelijk bij het reepport van voorschreeven Heesen gedateerd 28. 7ber: 1790. vermeld staat, om appart van berigt te dienen, nopens de 5. kan= neel stokken die op aan weising van den heer kommandeur sluijtken op modder of sompige grond waar op de meeste tijd van het Jaar water staat gekapt zijn, en 5. an„ dere stokken die op heuveltjes van die self„ de grond stonden, en of mijne aanwij= sing zijn gekapt zo zal ik de eere heb= ben uweled: groot Achtb: de gesteldheid dien tien kanneel looten en de daar van ge= schilde kanneel hier onder te vertoonen terwijl ik ook teffens het nodige zal aan„ merken omtrend de valsche kanneel in de hinakorl en te kosgamme in de hewagam„ korl waar van den heer kommandeur sluikken bij zijn bericht van den 30: ok= tober 1789. naast artikul 10: der aan de in deese vermelde kommissie door uweled: gaart Achtb: Nagezien 336 Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indisce Gouverneuja en Direkteur van het Eij band Ceilon, met dies onderhoorigheeden Achtbaare Heer. Achtb: gegeve instructie speciaal spreekt. Ik heb dan de eere uweled: groot Achtb: te berichten. Dat ik als niet geweeten heb= bende de redenen waarom de heer kom= mandeur sluijsken 5. stokken van de op die sompirge of modderagtige grond liet kappen ook 5. andere stokken hebben doen kappen die op heuveltjes, in die sompige grond gelegen stonden dit heb ik gedaan op de veronderstelling dat er eenig onderscheid, tusschen de deugd der Huw Hoog Edelheeden zoo kanneel van de 5. eerstgenoemde en op den 17. april laastleeden aan de g'eerde beveelen by moddergrond gestaan hebbende stokken eerde in Raade van Ceste en der laaste op heuveltjes gestaan heb= en eene nog meerdere op bende looten zoude konnen zijn, en dat ulture betrekkelijk, D taan in eerbied aan tea dus daar door veellicht eenige nadere gord Thuijnkaneel nog n ondervinding tot staaving van het een scheijnt men zig voor Cla el is die zonder and of ander sustenu zoude konnen ondakt worden. oor meerschen, handen in De van die uit de natuur gegroeide stok= oortgebragt. ken geschilde kanneel bast, is aan zijne alyk zoo als Haar e tt ze apaat word afgepch stokken selve vast gebonden, en het een van zoodanige boschka te e en 0 v tLinde en ander heb ik de eere uweled: groot acht: aantebieden, terwijl ik hier onder eene aan= weising zal doen hoedanig ik die kanneel hebbe bevonden te weeten. De 5. stokken off looten die den Heer kom= mandeur sluijsken heeft laten kappen zijn gemerkt A: van N=o 1. tot 5. en bestaa in oud hout, en van smaak als volgt N=o 1: heeft genoegzaam geen kanneel maar een betteragtige smaak. „ 2. is degelijk goad en scherpe kanneel dog wat bitteragtig „ 3. heeft bijna geen kanneel smaak als alleen dat nog wat in de mond bijtend is „ 4. dito dito dog iets minder beitende. „ 5. heeft een scherp bijtende, dog flaauwe kan= neel smaak egter beter als de voorenstaan„ de vier proeven zijnde het hout ook Jongen De 5. looten die den onteekenaar heeft laten kappen bestaan in Jonger hout, dat egter zijne rijpheid heeft, en zijn gemerkt B: van F Nagezien 337 Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Prodiffie Gouveaneua en Direkteur van het Eij hand Ceilon, met dies onderhoorigheedsen Achtbaare te Heer. van N=o 1. tot 5. namentlijk. N=o 1. heeft weining of geen kanneel smaak. „ 2. is redelijk goede scherpe kanneel dog wat bitter 3. heeft een wat flaauwere kanneel smaak „ 4. is redelijk soet smakende kanneel „ 5. heeft een mindere soete dog ook teffens bitter agtige smaak. Men Liet uit het voorenstaande hoe dat die tien looten die naast elkander, en genoeg zaam in een en desselfde omstandigheid zijn opgegroait even wal in deugd van al= kander verschillen; en waar van geene be= Hun Hoog Edelheeden zoo denen tot nog hebben konnen opgespoort den 17. ' april laastleeden worden egter is het eene onstrijdinge en aan de g'eerde beveelen by eerde in Raade van Ceste door een ider erkent wordende waarheid eene nog meerdere op dat de kanneel die op sompige gronde groeit ulture betrekkelijk, D altijd vrij slegt swak, en insonderheid bitter taan in eerbied aan te gord Thuijnkaneel nog n van smaak is, en wanneer men kanneel scheijnt men zig voor sla van dergelijken smaak proefd en de kan= el is die zonder and neel schillers na dies reden vraagt, zo oor menschen, handen in zullen zij altijd het antwoord geven, dat oortgebragt. hij op waateragtige denie of andere lage elik zoo als Haar He en sompige gronden geschilt is het briveis t ze apart word afgesch is dus sonneklaar dat men met de ver= van zoodanige boschke =planting te Lv: t Linde planting van de kanneel uijt sompige of hooge gronden gelijk geschied een seer goed werk doed en dus niet zal overgaan tot het tegen gestelde om op sompige plaatsen kanneel te planten ge= lijk men uit het bericht van den heer kom= mandeur sluijsken zoude moeten opmaaken dat in de kolombosche Marrandan ge= schied was het geen echter zo niet is: Want aanbelangt het aangehaalde door den heer kommandeur sluijkken bezeiden artikul 10. van de hier vooren vermelde door uweled: groot achtb: verleende Jnstructie op de heeren rein= tous en Samlant, nopens de valsche kan„ neel, die zijn Edele zig verzeekerd hout dat te kosgamme in de Hewagamkorl, en niet minder in de hinakort zoude te vinden zijn en dat dit door een inlandse kommis= sie nader konde onderzogt worden daar op hebbe de eese nedrigts te dienen. Dat ik bij het door kruisen der kanneel planta= gies in de Winakorl, al soekende met moeite maar nu en dan, een of twee valsche kanneel boomen gevonden hebbe en waar over men zig gansch niet behoeft te verwondere, wzil er in die Nagezien
English
To the Right Honorable, Highly Esteemed Sir, Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. Honorable Sir, that in that korle as well as in the Hewagam Korle, wild cinnamon is to be found abundantly, indeed even growing naturally along the roads. That I sent a special commission to the cinnamon garden of Kosgamme in the Hewagam Korle, consisting of two commissioners from the korle people of the Dissavony, and a kangaan, alongside two cinnamon peelers whom I requested for this purpose from the Honorable Cinnamon Captain, with orders to survey that garden with all accuracy, and in particular to pull up all the wild or false cinnamon by the roots and bring it to me. The commissioners have also fully complied with this order, as appears from the translation of their report submitted to me under the date of 5 November 1789, which accompanies this, and in which it is cited that they had rooted up and brought along the 82 sewel cinnamon trees which were not accepted by the Company. These 82 false cinnamon trees were found in a garden where more than 25,000 good cinnamon trees stand, and in the vicinity of which in the wilderness many false cinnamon saplings are to be found; thus one can assume on good grounds that those 82 false saplings either stood there naturally when that cinnamon plantation was laid out, or were planted there by birds dropping the seeds; however, it is also just as possible that the founder of that garden, having been a mudaliyar of that district (from whom the garden was later taken over for the Company, enlarged, and improved) or actually his laborers, unknowingly planted that false cinnamon there. Be that as it may, I cannot see what great detriment there can be in finding a few false cinnamon trees in the plantations, since they exist in the wilderness in far greater numbers, because the cinnamon peelers dare neither peel nor deliver them from the one place any more than from the other; besides which, care is also taken to eradicate the wild cinnamon from the plantations, just as I was already occupied with that 12 to 15 years ago at Galle, when I was korle captain, while I even destroyed many trees found bearing false fruit outside the plantations upon their discovery; however, I will readily admit that this latter measure could be of little help in view of the much false cinnamon found in the forests, so that the aforesaid is only brought up here to show that from old times it has been considered to reduce the false cinnamon as much as possible. Likewise, I also had false cinnamon eradicated in the plantations when I was captain of the cinnamon, and even in a garden of the mudaliyar of the Mahabadde at Kosgodde, which was planted when the Honorable Commander Sluijsken was head of the Mahabadde or cinnamon captain; this thus serves as proof that his honor, just as little as other country regents, could guard against that inconvenience. I therefore think I can safely say, to conclude this article, that one can do no more than redress creeping abuses, and thus eradicate the false cinnamon in the plantations as much as possible. Meanwhile, it cannot be anything other than hard and grievous for servants who do everything in their power to promote the interests of the Company regarding the cinnamon cultivation in every possible way, indeed, so to speak, occupy themselves with it day and night, as is sufficiently apparent and provable, that people come forward with irrelevant quibbles, and seek to bring the well-meaning, necessary, and useful work into suspicion at a time when one has already advanced so far with that precious work that one can rest assured of having enough cinnamon within a few years, provided that the work is continued with all diligence. Wherewith trusting to have fulfilled the order, J. V. Linde Examined
Dutch transcription
338 Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Prodiffi Gouverneua en Direkteur van het Eij land Ceilon, met dies onderhoorigheidsen die korl zo wel als in de hewagamkort rijkelijk wilde kanneel Ja selfs langs de weegen uijt de natuur gegroeit, te vinden is. Dat ik een expresse kommissie na de kanneel Thuin van kosgamme in de hewagam= Achtbaare kort gezonden hebbe bestaande in twee ge= Committeerdens uit het korls volk der Des= savonij, en een kangaan, nevens twee kanneel schillers die ik daar toe van den E. kanneel kapitain hebbe verzogt met last om die tuijn met alle naauwkeurigheid opteneemen, en inzonderheid alle de wilde of valsche kan= neel met de wortel uittevoeren en bij mij Huw Hoog Edelheeden, zoo te brengen. den 17. april laastleeden Aan deese ordre hebben dan ook die kom= aan de g'eerde beveelen by missianten Compleet voldaan gelijk blijkt reade in Raade van Ceste en eene nog meerdere op bij het translaat van hun onder dato 5. ilture betrekkelijk, 9ber: 1789. aan mij ingediend rapport het taan in eerbied aan tei welk desen verzellende is en waar, bij gord Thuijnkaneel nog n aangehaalt staat Dat zij de 82. sewel kan scheijnt men zig voor sla neel boomen, die door de komp: niet ge=el is die zonder and oor meesschen, handen in noomen wierden uitgedukt en mede gebragt oortgebragt. hadden. alyjk zoo als Haar He Dese 32. valsche kanneel boomen zijn gevonde it ze apaat word afgesch in een thuin waar in meer dan 25000: van zoodanige boschka e Heer. goede te = eer is op 34 JV: Linde goede kanneel boomen staan, en in welkers na bijheiden de wildernis veele valsche kanneel plantzoenen tevinden zijn, dus men op goede grond kan veronderstellen dat die 82. valsche plantszoenen, of uit zig zelve bij het aanleg= gen van die kanneel plantagie daar gestae hebben, dan wel door de vogels door het late vallen der putten daar geplant zijn egter is het ook even zo mogelijk dat den aan= legger van die thuin zijnde geweest een modliaar van dat Distrikt /:van wien de tuin naderhand voor de komp: overgenomen vergroot en verbeterd is :/ of eigentlijk zijn werks volk, die valsche kanneel onweetende daar geplant hebben dit mag dan nu ook zijn zo als het wil, zo kan ik dog niet zien wat voor groot nadeel er in kan steek„ dat men in de plantagies eenige weinige valsche kanneel boomen vind, daar deselve in de wildeanis in een vrij groter getal zijn, weil de kanneel schullers deselve zo min op de eene als andere plaats durven schillen nog leveren behalven dat men daar en boven dog ook besorgt is om de wilde kanneel uijt de Nagezien 339 Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Irodiffi Gouverneua en Direkteur van het Eij band Ceilon, met dies onderhoorigheedsen Achtbaare de plantagies uijtteroeijen, gelijk ik al daar= mede voor 12. â 15. Jaaren te gale, toen ik korl kapitain was, ben bezig geweest ter= weil ik ook selfs boven dien toen veele valsche vrucht gevonde kanneel boomen buiten de plantagies bij dies ontdekking heb=t Heer. be doen vernielen echter wil ik wel bekenne dat dit laaste weinig heeft kunnen baate in aanzien van de veele valsche kanneel die in de boschen te vinden is zo dat het voorsch: ten deezen maar bij gebragt word ter aanweising dat men al van oude datum is bedagt geweest om zo veel doenlijk Huw Hoog Edelheeden zoo de valsche kanneel te verminderen Jns= den 17. ' april laastleeden gelijks heb ik ook valsche kanneel in aan de g'eerde beveelen by de plantagies laaten uijtroeijen toen ik rerde in Raade van Ceste en eene nog meerdere op kapitain van de kanneel was, en zelfs ulture betrekkelijk, D in een thuijn van den modliaar deR taan in eerbied aan te mahabadde te kosgodde, die aangeplant ford Thuijnkaneel nog n is toen de heer kommandeur sluijsken „scheijnt men zig voor sla hoofd der mahabadde of kapitain kan= el is die zonder and oor menschen, handen ui neel was, dit strekt dus tot een beweis oortgebragt. dat zijn achtb: even zo min als andere elik zoo als Haar He landregenten tegen dat inconvinient heeft t ze apart word afgesch konnen waaken ik meen dus gerust tot van zoodanige boschka besluit te L V: Linde besluit van dit artikul te konnen zeggen dat men niet meer doen kan den inslui= pende abuisen te redresseeren en dus de valsche kanneel zo veel mogelijk in de plantagies uitteroeijen. Intusschen kan het niet anders dan haad vallen en grievond zyn voor dienaaren die alles in het werkstellen om de belangens van de kompenie nopens de kanneel kus= tuure op alle mogelijke wiese te bevorderen Ja dag en nagt om so te spreken zig daar mede besighouden gelijk dit voldoende lijkt en beweisbaar is, dat men met niets ter saake doende witterijen voor den dag komt, en het welmenende noodzaake= lijke en neettige werk in verdenking soekt te brengen in een tijd dat men al zo verre met dat kostelijk werk ge= vordert is, dat men zig met gerustheid kan verzeekerd houden van binnen weinige Jaaren kanneel genoeg te zullen hebben, wan neer het werk met allen ijver word ge= Continueerd. Wiermede vertrouwen te hebbe voldaan aan de last Nagezien
English
To the Honorable, Most Venerable Lord Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. Honorable Lord. Their High Noble Honors, on the 17th of April last, to the honored orders in Council of Ceylon, and an even further clarification concerning the cinnamon works and its cultivation. Before I proceed to this, may I be permitted with respect to remark that I am of the opinion that the term garden cinnamon has not yet been sufficiently clarified, and that it seems to me one imagines that it is without other and brought forth by human hands. Just as Her High Noble Honors wish that it be separated from such wild cinnamon, a burden that still lay upon me, and with which I flatter myself that Your Honorable, Most Venerable Lordship will be pleased to be satisfied, while I have the honor to call myself with all respect, Below stood: Honorable, Most Severe, Most Venerable, High-Commanding Lord; Your Honorable, Most Severe, Most Venerable Obedient Servant. Was signed: D: J: Pretsz. In the margin: Hulftsdorp, the 6th of October 1790. Agrees: G. Wijbrands Segraert 27 2. Checked: D Linde Checked: LV: Linde To the Honorable, Most Venerable Lord Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. Translation of a Sinhalese report on an ola dated the 5th of November 1789. Honorable Lord. By order of the Honorable Lord, our Great Dessave of Colombo, we, four certain people, namely: Araatchijege Don Simon Appuhamy, resident at Malewenne in the Kalutara district; Dewenemunige Don Joan Appuhamy; Dimuni Karlo Mendis Kangaan; Mutuwahandi Thomis; and Kalubut Karlo, the five of us, went to the Udugahapattuwa of the Hewagam Korle and there inspected the Company's cinnamon garden at Kosgama, and found therein 82 Sewel cinnamon trees not taken for the Company, which we pulled up and brought with us from approximately 6 ammunams of ground. Having inspected the fences of the said garden, on the east side half of the fence is planted with fence-stakes to a fathom's length; on the south side in two places the fence is broken to the length of one and two fathoms; on the west side in one place the fence is broken for about a fathom; on the north side half of the fence is decayed and fallen down; 13 cinnamon bushes trampled by the cattle and damaged with the horns. Thus executed this commission and signed by us, the above-mentioned commissioners. Was signed: Don Simon, Don Joan, Carloe, and two crosses written next to them: Thomis and Carloe. Below stood: For the translation, Hulftsdorp the 13th of December 1789. Was signed: A: P: van der Smagt, Thombo-keeper. In the margin: For the translation, signed: D: A: Perera, sworn interpreter. Below stood: Agrees: Was signed: A: P: van der Smagt, Thombo-keeper. Agrees: Wijbrands Segkeerk Checked To the Honorable, Most Venerable Lord Willem Jacob van de Graaf, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. Honorable Lord. Their High Noble Honors, on the 17th of April last, to the honored orders in Council of Ceylon, and an even further clarification concerning the cinnamon works and its cultivation. Before I proceed to this, may I be permitted with respect to remark that the term garden cinnamon has not yet been sufficiently clarified, and that it seems to me one imagines that it is without other and brought forth by human hands. Just as Her High Noble Honors wish that it be separated from such wild cinnamon. No. 42 DEsLinde Checked Checked Lvestsinde To the Honorable, Most Venerable Lord Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon, with its dependencies. Honorable, Most Venerable, High-Commanding Lord. With all respect, following Their High Noble Honors' most highly respected order by missive dated the 17th of April last, communicated to me in extract, and in compliance with the honored orders by extract resolution of what was resolved in Council of Ceylon on the 26th of August 1789, I shall once again submit an even further clarification concerning the cinnamon works and its cultivation. But before I proceed to this, may I be permitted with respect to remark that I am of the opinion that the term garden cinnamon has not yet been sufficiently clarified, and that it seems to me one imagines that garden cinnamon is only such cinnamon that, without other trees, and purely apart in separate plots, is actually and becomes produced by human hands from seeds and plants. For this reason also the Gentlemen Directors certainly wish, as Your High Noble Honors are pleased to ordain, that it be shipped apart and sent to Europe, in order to separate it from such wild cinnamon.
Dutch transcription
340 Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indish Gouverneua en Direkteur van het Eij land Ceilon, met dier onderhoorigheeden Achtbaare e Heer. Hun Hoog Edelheeden zoo den 17. ' april laastleeden aan de g'eerde beveelen by rerde in Raade van Cesle en eene nog meerdere op ulture betrekkelijk, D taan in eerbied aan te ford Thuijnkaneel nog n scheijnt men zig voorsla el is die zonder and oor meerschen, handen in oortgebragt. elijk zoo als Haar Ho it ze apaat word afgesch van zoodanige boschka last die nog op mijlag, en waar meede ik mij vleije dat uweled: groot Achtb: zal geleeven genoegen te neemen terweil ik de eere het van mij met alle ontzag te noemen /:on„ derstond:/ wel- Ed: gestr: groot agtb: hoog ge= biedende heer; uweled: gestr: groot achtb: ge= hoorzaame Dinaar /:was getekent:/ D: J: pretsz: /:in margine:/ Hulfsdorp den 6. october 1790. Accordeert G Wijbrands Segraert 27 2. Nagezien D inde Nagezien LV: Linde 341 Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandschh Provijci Gouverneuja en Direkteur van het Eij land Ceilon, met dies onderhoorigheedsen Translaat Singaleese Rapport ola gedateerd den 5. 9ber: 1789. Achtbaare Ter order van den wel Edelen Weer ons groot Des= te Heer. save van kolombo hebben wij wiere sekere Araat= Jege Don Simon Appoehamij inwoonder te Malewenne onder kalturede distrekt, Dewe= neminige Don Joan Appoehamij, Diemoe= nie karloe mendies kangaan, Moetoewa= handie Thomies en kaloeboet kaarloe met ons 5. , gaande na de oedoegahapattoe van Hun Hoog Edelheeden, zoo de Hewagamkorle en aldaar 'skomp:s kanneel den 17. ' april laastlieden aan de g'eerde beveelen by Thuijn te kosgamme Gevisenteerd en daar in cerde in Raade van Ceste bevonden voor DE: kompenie niet genoomen wor„ en eene nog meerdere op ilture betrekkelijk, D dende 82. sewel kanneel boomen, het welke taan in eerbied aan te a wij uijtgerukt meede gebragt hebben van 6. gord Thuijnkaneel nog i amm: grond omtrend; De paggers van gemelte scheijnt men zig voor sla oost el is die zonder and Thuijn nagezien hebbende, is aan de d:s kant oor menschen, handen in de helfte van de pager op een vaam pager oortgebragt. stokken geplant aan de P=d kant is op 2. plaatelijk zoo als Haar H is ze apart word afges van zoodanige boschka =zen Lv: Linde zen de pagger ter lengte van 1. en 2. vaamen en aan de W=t kant is omtrend een vaam op een plek de pagger gebrooken, aan de N=d kand is de helfte van de pagger verdot en afgevallen; door de beesten vertrapt en met de hoorens beschaadigt 13. kanneel struijken. soodaanig deze kommissie verrigt en geteekent door ons boovengem: gecommitteerdens /:was getekent:/ Don Simon, Don Ioan, Carloe, en Jwee kruijsen daar nevens geschreeven Thomies en Carloe /:onderstond:/ voor de trans= laatie Hulssdorp den 13. December 1789. (:was getekent:/ A: P: van der Smagt Jhombo= houder /:in margine:/ voor de vertaeling /:ge= teekend D: A: Perera gesw: tolk /:onderstond:/ Accordeert /:was getekent:/ A: p: van der smagt Jhombohouder. Accordeert Hijbrands Segkeerk Nagezien Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van de Graaf Raad ordinair van Nederlandsch Indisse Gouverneuja en Direkteur van het Eij hand Ceilon, met dies onderhoorigheedsen Achtbaare Hun Hoog Edelheeden zoo den 17. april laastleeden aan de g'eerde beveelen by eerde in Raade van Ceste en eene nog meerdere op ilture betrekkelijk, D taan in eerbied aan te ord Thuijnkaneel nog i scheijnt men zig voor sla el is die zonder and oor menschen, handen in oortgebragt. alyk zoo als Haar He it ze apaat word afgesch e Heer van zoodanige boschka No. 42 DEsLinde Nagezien Nagezien Lvestsinde 34 Aan Den wel Edelen Groot Achtb: Hecr Willem Jacob van de Graag Raad ordinair van Nederlandsch Prodiffi Gouveaneua en Direkteur van het Eij land Ceilon, met dies onderhoorigheeden WelEdele Groot Achtbaare Hoog Gebiedende Heer Met alle eerbied zal ik, ingevolge Hun Hoog Edelheeden, zoo zeer gerespekteerde ordre bij missive in dato den 17. ' april laastleeden mij in Extrakt toegedeelt en ter voldoening aan de g'eerde beveelen by Extrakt Rezolutie van het geresolveerde in Raade van Cesto op den 26. ' aug:s 1789. alweeder overleggen eene nog meerdere op heldering, het kanneelwerk en dies kulture betrekkelijk, Da alvoorens daar toe treede, zij mij toegestaan in eerbied aan ter ken dat ik van begrip ben, dat het woord Thuijnkaneel nog n genoeg is opgeheldert, en dat het mij toescheijnt noe zig voorsla dat thuinkaneel alleenig zulke kaneel is die zonder and en wel apart in afzonderlijke Peaken door menschen handen in pitten en planten eigentlijk is en word voortgebragt. Ook daarom willen Heeren Majoores zekerlyk zoo als haar He Edele achtbaaren gelieven te ordonneeren dat ze apart word afgesch en naar Europa gesonden. ten einde dezelve van zoodanige boschha 2
English
to be able to distinguish what is produced by nature alone and concerning which no care has taken place. For the clarification of this, I say. First. Garden cinnamon has obtained its name or is a term that has been adopted because in some places and on all kinds of soils, people have merely enclosed a portion of woods, cleared it of other wild undergrowth, and, alongside the wild cinnamon standing therein, provided an increased number of cinnamon trees by planting seeds or saplings. Second. Here I state what I already indicated in my previous address dated 26. December 1787. §. 20: that in those enclosures three kinds of cinnamon grow, namely: 1. That which is planted by nature 2. That which is provided and cultivated therein by transplantation, and: 3. That which arises from the cinnamon fruit which is planted Third. That such cinnamon which already stood therein of old before the enclosing of these places and already has a certain age, and through the enclosure receives the name of Garden Cinnamon just like the others, equally and together with that which has been planted therein by human hands, and by means of watering as well as other methods /:extensively discussed in my previous advices:/ comes up more rapidly than [illegible] Imagine a piece of land in which nature has produced a certain number /: I say 100. trees:/ and that this place is enclosed; one subsequently plants in addition 500. trees, whether from seeds or plants, and one waters them, whereby the growth of all the trees to be found there, but in particular the first growth of these newly planted ones, is thereby promoted. Behold, through this premise I have now shown what a cinnamon garden actually is, and wherein, as said, three kinds of cinnamon grow. Subsequently, having become peelable, they are all felled, peeled, and dried together under the name of Garden Cinnamon by the cinnamon peelers; thus the quills of all three kinds are delivered mixed together, and who can now know what is cultivated, planted, or wild cinnamon, or who can sort them separately and dispatch them packed separately. The distinction is also impossible upon dispatch, because in the general delivery it has an equally good taste and smell as other cinnamon, and this became clearly evident, among other instances, upon the dispatch of eight half bales of Garden Cinnamon in 1776: about which I shall treat in more detail further on in this. And thus the question would now actually be, which cinnamon will be the best: the natural or the planted? To this I answer that I refer to my previous advices and indeed to my last one dated 26. December 1787. in that regard, for in § 22 thereof I have sufficiently argued that even on poor and therefore all less virtuous soils in the known cinnamon district one can also find good cinnamon, and thus these aforementioned kinds will and can also have an equal virtue, provided only that care is always taken that one plants and subsequently acts in such a manner whereby the bark can obtain its necessary oil. That this now takes place one should assume for certain; indeed the Dessave Mr. Fretz: states on 14. February 1788 on my submitted address of 26. December 1787, among other things as can be seen therein, to be of the opinion that the manner progressively improved since the establishment of cinnamon plantations and currently in use ought to be continued, as nothing had appeared to His Honour that could currently serve for improvement, and it was precisely upon this declaration that I thought I could and might conclude that it had been carried on for some time just as I have always meant and thought that it ought to be done. This having so happened; and in this confidence, then [illegible] I subsequently had nothing further to remark, and my wishes were only that Heaven would grant its blessing to the work performed on the cinnamon culture, so that subsequently our Lords and Masters might enjoy the fruits of all this well-intentioned labour. This I wished not only with respect to the cinnamon culture, but also in like manner for all further propagation of other products that will serve for the general interest and in particular for the benefit of Lords and Masters. I say. With this hearty wish I would also very gladly conclude here, but by virtue of the abovementioned order I set down my views alongside each question, and hereby I hope both to prove and to bring to light all that Their High Excellencies and Your Right Honourable Nobles have been pleased to require of me in this matter by the abovementioned resolution. Extract Missive dated 17. April 1789. written from Batavia to Kolombo. It has been approved and understood from Their High Excellencies' highly esteemed missives of the 17.th April [illegible] to have an extract of §49. to 55. delivered to the appointed Galle Commander Sluijsken and, pursuant to the order given therein by Their well-mentioned High Excellencies, to recommend the same to him. §49: Extract from the Minutes of the resolutions in the Council of Ceilon on Wednesday the 26. August 1789
Dutch transcription
te konnen onderscheijden, welke door de natuur alleen word voort„ gebragt, en waeromtrend geene sorge heeft plaats gehad. Tot opsteldering hier van zegge. Eerstens. Thuijn kaneel heeft haare naam verkriegen of is een woord sal aangenoomen is om dat men op sommige plaatzen en op allerleij zoorten van gronden enkelijk een gedeelte boschagien omperkt, en van andere wilde ruigtens gezuijvert en bij de daer in staende bosch- kaneel een vermeerdert getal van kanneelboomen door aanplan„ ting van Pitten of Plantjes bezorgt heeft. Tweedens. Hiezegge ik wat reeds bij mijne voorige adres in dato den 26. december 1787. §. 20: hebbe aangeweezen, dat in die perken drievealeij zoorten van kaneel opgroeien als; namentlijk 1. Die door de natuur is aangeplant 2. Die door verplanting daar in word bezorgd en voort„ gekweekt en: 3. Die uit de kaneel vrucht welke geplant word voort„ komt Derdens. Dat zodaanige kaneel nu, die reeds van ouds voor het beperken van deeze plaatzen daar in staat en al eene zeekere ouderdom heeft, en door de omperking gelijk de andere de naam krijgt van Thurnkaneel met en evengelyk als die welke door menschen handen daar in is aangeplant, en door behulp van bewae„ teren als anderzints /:wydlopig bij mijne voorige adviesen ver„ handeld:/ spoediger opkomt dan wel„ Men stelle zig voor een stuk grond waar in de natuur een zeker getal /: ik noeme 100. boomen:/ heeft voortgebragt, en dat deeze plaats word omperkt; men plante vervolgens hier bij nog 500. boomen, het zij uit Pitten of Planten, en men bewaetterd dezelve waar door de groeij van alle de Paaaen te vindene maer en het bezonder de eerste groeij van deeze nieuw aangeplante dan ook word bevordert zie daar, door dit voorengestelde hebbe nu aangeweezen wat eigent„ lijk een kaneel thuijn is en waar in zoo als gezegd drieverleij zoorten kanneel opgroeijen, dezelve worden vervolgens schilbaer geworden zijnde alle door malkandere onder de naam van Thuijnkaneel door de kanneelschillers afgehouwen, geschild, gedroogd, dus de pijpen van alle drie zoorten door en in mal„ kander geleeverd, en wie kan nu weeten wat aangekweekte, aangeplante of boschkanneel is, of wie kan ze apart zortoer E Nagel en apaat g'embalecat afzenden. ook is de onderscheijding ondoenlijk bij versending, wijl ze bij de generaele leeverantie met an„ dere kaneel eene gelijke goede smaek en reuk heeft, en dit is onder anderen klaar gebleeken bij het afzenden van agt halve baalen Thuunkaneel en 1776: waar over ik naeder in deeze wijdlopiger zal handelen en dus zoude nu eigentlijk de vraege zijn, welke kaneel de beste zal weezen. De natuurlijke of aangeplante: Hier op antwoorde, dat ik mij aan mijne voorige adviesen en wel aan mijne laatste in dato den 26„ December 1787. daar omtrend refereere, immers daar bij hebbe ik genoegzaem bij § 22. beweert dat men zelfs op slechte en due alle mindere deugdzaeme gronden in het bekend ka„ neel bestek ook goede kanneel kan vinden, en dus Peeze alle genoemde zoorten ook eene gelijke deugd zullen en konnen hebben. mids maar altoos worde gezoagd, dat men plant en vervolgens handeld naar die wijze waer door de bast zijne noodige olij kan erlangen. Dat dit nu geschied zoude men voor zeeker moeten veronder stel„ len, immers den Heer dessave Fretz: Legt in dato den 14. ' februarij 1788. op mijn ingediend adres van den 26:' xb=ra: 1787. onder andere zoo als daar bij te zien is. van oordeel te zijn, dat de successive zeedert het aanleggen van kaneel plantagies, verbeeterde, en thansn gebruijk zijnde maniaa behoorde te worden voortgevaer als zijn E: niets voorgekoomen zijnde, dat voor het tee genswoordig tot verbeetering zoude konnen strekken, en het was Juist op deeze verklaering dan ook, dat ik meende te konnen en moogen besluijten dat men het zeedert eenige heid hadde voortgewerkt even en gelijk ik altoos gemeend en gedagt hebbe, dat 'er gedaan moest worden. Dit zoo geschied zijnde; en in dit vertrouwe, dan beruveten oa hadde „ d hadde ik vervolgens niets meerder aantemerken, en mijne wenschen waaren alleen, Dat den Hemel zijnen zeegen aan het verrigte werk der konneel kusture wilde verleenen, op dat vervolgens onse Weerer en meesters de vruchten mogten genieten van alle deeze zoo wel„ meenende arbeid, dit wenschte ik niet alleen ten opzichte van de kanneel kulture, maar ook in gelijker voegen van alle ver„ dere voortplantingen van andere Produkten. die voor het alge„ meen belang en in 't bezonder voor dat van Heeren en Meesters tot nut zullen strekken. Jk zegge. Met deeze hertelijke wensch zoude ik het hier ook bij zeer gaarne besluijten, dan uit hoofde van de hier bovengem:e ordre stelle ik be„ zeiden ieder vraege mijne begripen en hier meede hoope ik zoo wel te bewijzen als aen den dag te leggen alle het geene Hun Hoog Edelheeden en uwel Edele Groot Achtb: in deeze van mij bij over gemelde rezolutie hebben gelieven afte vorderen. Extrakt Missive de dato 17. ' april 1789. van Batavia na Kolombo geschreeven. Is goedgevonden en verstaen uit Hunne Hoog Edelheedens Zeer g'eerde missives van den 17. e april J:o Leesen van 549. tot 55. Extrakt te laeten afgeeven aan den Heer g'eligeerd Gaalsch kommandeur sluijsken en denzelven ingevolge door welgem: hunne Hoog Edelheeden daer bij gegeeven ordre aan te be„ §49: Extrakt uit de Notulen van het geresolveerde in Raede van Ceilon op Woensdag den 26: aug:s 1789 5 veelen.
English
In my previous reports, and particularly in that of 3 July 1786, I have initially, as I respectfully believe, already sufficiently shown how the Island of Ceylon, and especially Colombo and Galle, greatly increased in number from time to time through arriving foreigners and inhabitants. How, according to my understanding, the extensive granting of lands, from which these people increasing in number seek to secure a livelihood for their necessities in remote and deserted regions that yield no cinnamon and are as yet only partly cultivated and uninhabited (NB: among these, besides many other vacant lands in the Colombo district, may be counted the Chilaw District; in Galle, Diviture; and in Matara, the Magam Pattu, regarding which a detailed report has recently arrived), would be very useful to the Company and the public, but that this in cinnamon-yielding districts would have very bad consequences for the Company. And I hereby respectfully submit this further for consideration, especially that if the Alutkuru, Salpiti, Hewagam, and Wellaboda Korales had to serve as a sacrifice for this (NB: these are precisely the provinces that yield a great deal of cinnamon), and these Korales or provinces are then also precisely those places from which so many pieces of land were requested on the first of August 1786 by the late Dessave Billing and other natives. The lands requested and obtained by the Dessave Billing consist of the following, namely: 1. high ground measuring 33 morgen The sowing field situated next to it at Andiambalang measuring 62 morgen 1. sowing field at Kimbolapitiya measuring 9 morgen 1. ditto and 2 high grounds at Mapitigama measuring 25 morgen Together: 129 morgen 1. pepper and coffee garden 1. areca garden 1. pepper ditto in the Hapitigam Korale 1. areca ditto 2 ditto ditto in the Siyane Korale 1. pepper ditto 2. coffee gardens in Matara 1. areca and 1 pepper garden I repeat, 129 morgen of land, besides those listed herewith and which have again been taken over by the Company, were ceded solely to Billing. And thus, in my humble view, it is clear enough that the granting of these so many Company lands (as stated, solely to the late Dessave Billing, besides those to other persons, also to be possessed, sold, alienated, and dealt with at discretion as private property) must be regarded as greatly prejudicial to the cinnamon culture. This will particularly be even more so if in the future all Dessaves, following this example, from time to time requested, obtained, cleared, and purged of all forests and scrub entire regions or merely about a hundred morgen of land in such districts and subsequently sold them, as in this regard has thus far taken place only in part owing to the demise of the said Dessave Billing, and that every wealthy native headman subsequently also obtained the opportunity and acted in that manner in this regard; which will without doubt have as a natural consequence that the Company's cinnamon-yielding lands will thereby gradually diminish greatly, and less wealthy natives, without running the risk of being accused of uprooting cinnamon, would cheaply obtain cleared gardens or lands planted with coconut trees. NB: Please take into consideration whether the cinnamon gardens bordering on these will not also, as I have said repeatedly, slowly melt away; in short, in this regard I refer once again to what I noted concerning this in my advice of 26 September 1787, §46. Paragraph 49. Concerning native affairs, you should, as far as the Company's lands are concerned which the late Dessave Billing requested, have demanded a specific statement from the present Commander at Galle, Peter Sluysken, regarding what that great prejudice consisted of which the granting of those lands, according to what was advanced by him in his further demonstration for the improvement of the method of planting cinnamon, would have resulted in. And you could then have demonstrated the contrary, or otherwise revoked or altered the orders that could have such prejudicial consequences. 1. In order, as far as the Company's lands are concerned which the late Dessave Billing requested, to make a specific statement as to what the great prejudice consisted of which the granting of those lands, according to what was advanced by his Honour in his further demonstration for the improvement of the method of planting cinnamon, would have resulted in. After the demise of the Dessave Billing, these lands were taken over again by the Company according to appraisal. Paragraph 50. Upon reading the aforesaid further demonstration, our attention was particularly drawn to the opinion of the said Commander Sluysken in §17 to 20 inclusive regarding the planted cinnamon, which, through watering, grows up in a short time and produces much foliage, but 2. In order, in accordance with the aforementioned intention of their High Excellencies in 150 and the order given thereon in 152, to prove all necessary remarks and proofs regarding his Honour's opinion that the planted cinnamon, through watering in that manner I have already stated in previous papers that I do not possess sufficient botanical or chemical knowledge to possibly record all necessary observations and proofs about it, but although it is said and it is possible that these statements of mine in general
Dutch transcription
Bij mijn voorige berichten en in §49. onder de 1. om voor zoo verre 's Comp:s landerijen 't bezonder bij dat van den 3=e Juli Inlandsche zaaken hadden UE: voor betreft die wijlen den E: Dessave 1786. hebbe ik in den aanvank zoo zoo verre sComp:s Landerijen betreft, ik in eerbied vermeene reeds ge„ die wijlen de Dessave Billing ver„Billing verzogt heeft een spe„ „noegzaam aangeweezen, hoe het Eiland Ceilon en besonder Colombo zogt heeft van den presenten kom„ „siaale opgaeve tedoen waar in en Gale van teid tot teid door „mandeur te Gale Peter Sluijsken de groote prejuditie bestond, die aankoomende vreemdelingen en moeten Eischen een speciaale opgaave de afgaeve dier Landerijen naar waar in die groote Prejuditie bestond, inwoonders in getal zeer veel het door zijn E: geavanceerde bij die de afgaeve dier landerijen, na het toenam door hem geadvanceerde, bij zijne nade zijn naeder aanwijzing tot ver„ Hoe na mijne begrippen, het veel „ze in getal toeneemende menschen, ze aanwijzing tot verbeetering der Metho „ beetering der methode in het aan„ afgeeven van gronden, waar uit dee„ zich in hunne nooddruft een be„ „de in het aanplanten van kaneel planten van Kaneel, zoude ten „staan trachten te bezorgen in zoude ten gevolge gehad hebben, ten gevolge gehad hebben. — afgeleege en verlaate landstreeken ende UE: als dan het Contraire hadden die geen kaneel geeven, en nog konnen aantoonen, of anders de ordres maar voor een gedeelte bebouwt die zulke prejuditieable gevolgen kon„ en onbevolkt zijn. /: NB: hier „nen hebben, intrekken dan wel altereeren. onder kan buiten veele andere lee„ „dige leggende landen in het Colom„ „bosche het Chilauwsche Distrikt; op Gale, Diwitoere en te Mature, d' Magampattoe waaromtrend onlangs een omstandig bericht is ingekoomen, gereekend worden zeer nuttig voor de kompenie en het algemeen zoude weesen, maar dat zulx in kaneel geevende distrikten zeer slegte gevolgen voor de Companie zoude hebben, en ik geeve zulks bij deeze eerbiedig alverder in over„ weeging, besonders dat wanneer de Alloetcoer, salpittij, wine en Wewagam Corle, hier toe tot eene sacrefice moesten strekken, /:NB: dit zijn de Juijst zeer veele kaneel geevende Provintsien :/ en deeze Corles of Provintien dan ook juist die plaatzen, waer uit zoo veele stukken gronds op den Eersten augustus 1786. door wijlen den Heer Dessave Billing en andere Jnlanderen verzogt zijn geworden. De verzogte en verkreege Landerijen door den Heer Dessave Billing, bestaan in de ondervolgende; als: . . . morgen 33. —. —. 1. hooge grond groot - Het daar naast geleege zaaijveld te Andiambelang - - - - „ 62. —. —. groot - - - - - - - - - - - - -- — 1. Zaaijveld te kiemboelapittij groot - - - - - - - „ 9. —. —. 1. do —. en 2. hooge gronden te Mapittigam groot Tezaamen morgen. . 129. . . . - - - - - - - - „ 25. —. —. - 1. Peeper en koffij thuijn - - - - - - - - 1: Arreeks thuin 1. Peper d=o in de Hapitigamcorle 1. Arreeks do— 2 do — d o— in de hinaacorle 1. Peper do 2. koffij Thuinen te Mature 1. Arreeks en 1. Peeper thuin. . . . . . . . . . Ik her zegge 129. morgen Land, zijn buiten de hier bij gestelde en die weeder door de Companie zijn overge„ „noomen alleen aan de Heer Billing afgestaan, en dus na mijn gering insien, blijkbaar genoeg dat het afgeeven van deese zoo veele 's Comp=s Landerijen (:zoo als gezegd alleen aan wijlen den dessave Billing, buiten die aan andere perzoonen ook nog als in eigendom toebehoorende te moogen bezitten, verkoopen; allineeren en naar welgevallen daarmeede te handelen: tot groote pre„ „juditie van de kaneel kulture moet aangemerkt worden, dit zal het besonder nog meer zijn, zoo in 't vervolg alle dessaves in opvolging van deese van teid tot teid in zulke distrikten geheel sand„ „schappen of slegts min of meer Hondert morgen Lands verzochten, verkreegen, schoonmaakten en van alle bosschen en ruijgtens zuiverden en vervolgens dezelven verkochten, zoo als hier om„ „trend echter nog maar voor een gedeelte door het afsterven van gem: Heer Dessave Billing heeft plaats gehad, en dat elk vermoogend Jnlandsch hoofd hier omtrend vervolgens almeede ook op die wijze geleegendheid kreeg en handelde; het geen zonder twijfel tot een natuurlijk gevolg zal hebben, dat daar door s kompanies kaneel geevende gronden gaande weg veel ^ minderen en min vermoogende Inlanders zonder gevaar te loopen van weegens Het kaneel uitroeijen beschuldigt teworden goed koop aan schoongemaakte en met kokusboomen beplante thuinen of gronden geraaken zouden. NB. gelieve in overweeging teneemen of de hier aan greesende kaneel thuij„ „nen ook al niet, zoo als ik meermaalen gezegd hebbe langzaam zullen insmelten; kort om„ ik bepaele mij dien aangaande alweeder tot het geene ik bij mijn advies van den 26=e 7ber: 1787. §. 46. hier op betreklijk hebbe aangemerkt. §50. Bij het leezen der Evengemel„ 2. om overeenkomstig met Ik hebbe reeds bij voorige papie„ „de nadere aanwijzing is on„ welgemelde Hunne Hoog „ren gezegd geene genoegzaeme „ze attentie in het bij zonder Edelheeden intentie bij 150 Botanique of Ginische kennis gevallen op de sustenie van en de daarop gegeeve„ te hebben, om 'er moogelijk den gemelden Commandeur en bewijzen over needer te „ sluijsken bij §17. tot 20. inclusive ne ordre bij 152 te be„ alle noodige aanmerkinge „stellen, dan alhoewel men zegt tot de aangeplante kaneel, wel wijzen zijn E:s sustenie en het moogelijk is, dat deeze door het bewaeteren in korten teid dat de aangeplante kaneel mijne gezegdens over het alge„ opgroeid, en veel loof geeft wel door het bewaeteren op die Na het afsterven van den Heer Dessave Billing zijn deeze gronden volgens Taxasie door de Compagnie weder overgenoomen, meen maar wijze
English
manner as occurs while the plants are still young; in a short time it grows up and produces much foliage, but therein not enough oil is produced to provide the bark with a sufficient taste and strength, and that garden cinnamon grown on clay soil, having had the same peeled, had indeed equaled the best Marrendaan cinnamon upon delivery, but had gradually lost its taste, and after the passage of a few months had become entirely tasteless: §51. However, we have also at the same time resumed with no less attentiveness that which your Honor has replied thereto, namely that the statement of Sluijsken is contradicted by experience in general, and that he ought to have pointed out how or where this was discovered; that although the trees are indeed watered when they are still small, yet this has no influence on the lesser or greater virtue of the bark during the subsequent several years in which they become peelable, and that one can convince oneself of this truth at any moment. Although it is generally contradicted, I nevertheless, in the hope of a favorable interpretation, fully abide for the present by this proposition; namely, what I, among other things, advanced in my address dated the 26th of December 1787, paragraphs 17 and 18, with respect to the prosperous growth of the cinnamon trees. For even though, in the reply thereto, the watering of the cinnamon trees is limited only to a certain time, no one, as I hope, will wish to dispute with me that watery soils, such as clay soils are, always cause the tree to grow up more quickly. And I therefore repeat what I have stated in more detail in my aforementioned address dated the 26th of December 1787, §22, that the cinnamon trees in Marrendaan soil, or in all places where they grow slowly, are in a better position, whether by the sun or by a slow growth, to concentrate their oil than those that stand merely in wet clay soils. For these naturally feed more watery parts within themselves and, being moreover watered, let each judge what is more useful for the cinnamon in itself. And on that account then, and in the hope of a favorable interpretation, I still abide by my proposition regarding this, or at least until such time as the Lords and Masters assure us that all garden cinnamon sent over, arriving in Europe, has truly been found virtuous and good. This indeed appears nowhere as yet, but rather gradually the contrary, and the further reply in this will show in more detail how I may as yet with good reason doubt this for the present, at least so long as all established cinnamon plots are not entirely purified of all inferior and bad sorts of cinnamon that were and have been planted gradually together with the good. Then the planting and the clearing of the groves ought to be done in such a manner that one can always peel such garden cinnamon as is called Rasse koeroendoe and belongs to that class, upon which nature has been able to bestow a sufficient strength; namely, that it grows up, as I have said before in my previously submitted advices, in that sort of soils and in that manner that sufficient oil can be produced to make the bark flavorful. The deliveries that have thus already taken place, and will yet be made in the future, can further reveal the truth of this proposition of mine through the findings regarding the cinnamon in Europe, while I also at the same time respectfully note that the difference in the Price Current, which shows that the cinnamon in Europe has fetched from 135 to 170 stuivers the pound, already also indicates a lesser or greater virtue of that sold flavor-bark. The extract from the requisition of returns from the Indies for the year 1790, determined the 13th of December 1788, which is cited further here, likewise proves this, and the cause of this I can derive from nothing else than from what I have set down repeatedly in my previous advices, namely if among the first four sorts less virtuous ones are also found, which can be attributed to nothing other than that they certainly grow on less virtuous soils, and to that which I have successively noted regarding this. This notwithstanding, I pray that the further investigation and reasoning in this matter be assigned to a more expert connoisseur of cinnamon or chemist, as I readily wish to admit that herein I only follow the thoughts of known chemists, and myself have only a slight and negligible knowledge thereof. §52. And since we believe that your Honor has remarked with reason that the said Sluijsken ought to have proven his positive assertion, we recommend your Honor to instruct him to do so as yet, the more so as these are matters of importance that form the subject thereof, which one cannot examine too closely. 3. in order, in accordance with their High Excellencies' intention in §52, regarding the remark made by this Government by resolution of the 14th of February 1788, placed in the margin of his Honor's report of the 26th of December 1787, to point out who, by whom bad cinnamon was planted, and where his Honor has, in the aforementioned... In this matter I refer to my statements in my report dated the 26th of December 1787, at paragraph 32, wherein it is stated in verbis: In general, the native, not being a chalia, that is, cinnamon peeler, does not have enough knowledge to distinguish the first four sorts of cinnamon from the rest.
Dutch transcription
345 wijze als dat geschied terwijl de algemeen word wedersprooken blij, maar daar in geen olij genoeg wordt planten nog Iong zijn: in korten „ver ik echter in hoope van gustige voortgebragt, om aan de bast een vol„ welduijden bij deeze stelling als nog, doende smaak en kragt te bezorgen, teid opgroid en veel loof geeft voor eerst volkoomen berusten; na„ en dat thuijnkaneel op klijgrond ge„ maar daar in geen olie genoeg wordt mentlijk; wat ik onder andere bij mijn adres in dato den 26. december: groeijd hebbende doen schillen dezelve voortgebragt om aan de bast een . 1787. paragraphen 17. en 18. ten as„ wel bij de leverantie gelijk had gestaan voldoende smaak en kragt te „pekte van het voorspoedige opgroen, met de beste Marrendaan kaneel, dog bezorgen, en dat thuijn kaneel der kaneel boomen hebben geadvan „ lang zaemer hand zijn smaak had ver„ op klijn grond gegroeijd, hebben¬ „ceert, want of schoon men bij de „looven en na verloop van eenige maenden „ de doen schillen, dezelve wel beantwoording daar van het be„ bij de leeverantie had gelijk geheel smaekeloos was geworden: waeteren van de kaneel boomen, maar voor een teid bepaald, zal gestaan met de beste Marendaan §51. wij hebben echter ook teffens met niemand zoo ik hoope mij willen geen mindere oplettendheid geresumeerd kaneel, dog langzaemer hand zijn bedisputeeren, dat wateragtige het geen uw E: daar op gerepliceerd heb„ smaak had verlooren, en na ver„ gronden, gelijk de klij gronden „ben namelijk dat het gezegde van „loop van eenige maanden geheel zijn, altoos de boom spoediger doen opgroeijen, en ik herhaele sluijsken over het algemeen door de smaekeloos was geworden. dus, wat ik bij mijn even ondervinding word weedersprooken, en gem: addres in dato den 26:' dat hij had moeten aanwijzen hoe 7ber: 1707. §. 22. meer om „ of waar dit ontdeket was, dat schoon de boomen als ze nog klein „standig gesegd hebbe, dat de zijn wel begooten worden, dog zulks geduurende de volgende kaneel boomen in Marrendaan verscheide Jaaren, waar in ze schilbaar worden, op de mindere grond of op alle plaatsen of meerdere deugd van de bast geen invloed heeft, en dat men van waarin zij langzaam opgroid deeze waarheid zig alle oogenblikken kan overtuijgen. meerder in geleegendheid zijn, het zij door de zonne dan wel door eene langzaeme opgroeij haar olij te doen Consentreeren, als die blood in natte klijgronden staan, want deeze natuur„ „lijk meerder wateragtige deelen bij zig voedende en daar bij nog bewaeterd wordende beoordeeld ieder wat nittiger voor de kaneel op zig zelve is:/ en uit dien hoofde dan, en in hoope van gunstige welduijding beruste ik als nog in mijne stellinge hier omtrend, of ten minste tot zoo lange Heeren en Meesteren ons verzeekeren dat alle overgezondene Thuijnkaneel in Eu„ „ropa koomende waarlijk deugdzaam en goed is bevonden. Dit blijkt immers nog nergens, maar wel successive het tegendeel, en de verdere, beant„ woording den woording in deeze zal nog nader aanwijzen, hoe dat ik hier aan als nog voor eerst met regt wel mag twijfelen, ten minsten zoo lange alle aangelegde kaneel perken niet geheel gezuijverd zijn van alle mindere en slechte zoor te kaneel die successive met de Goede tezaeme wierd en is aangeplant. Dan de aanplanting en het zuiveren der Boschagien diend te geschieden op die wijze dat men zo„ daanige Thuin kaneel altoos kan schillen, die men Rasse koeroendoe, noemd en tot die Classe ge„ „hoord, waar aan de natuur eene genoegzaeme kracht heeft kunnen besteeden; namentlijk: dat dezelve opgroeijd zoo als ik bij mijne voorige overgelegde adviesen meer gezegd hebbe, op die zoort gronden en op die wijze dat 'er een genoegzaame olij kan voortgebragt worden om de Bast smaekelijk te maeken. De leverantien die dus reeds geschied zijn, en in den vervolge nog zullen gedaan worden, kunnen de waarheid van deeze mijne stellinge door de bevinding van de kanneel in Europa nader aan den dag leggen, terweile ik ook teffens in eerbied aanmerke dat het verschil in de Prijs Courante waar bij blijkt dat de kaneel in Europa van 135. tot 170. stuijvers het pond heeft opgeworpen, reeds ook al aanwijst eene mindere of meerdere deugd van dien verkochte smaak bast, Het Extrakt uit den Eijsch van Retouren uit Indien voor den Jaere 1790. gearresteerd den 13. ' december 1788. dat hier nader word aangehaald bewijst zulks meede, en de oorzaeke hier van kan ik nergens anders van afleiden als van het geene ik meermaalen bij mijne voorige adviesen hebbe ter needer gesteld, naement„ „lijk zoo onder de vier eerste zoorte ook mindere deugdzaeme gevonden word die aan niets kan toeschrijven, als om dat ze zeekerlijk op mindere deugdzaeme gronden groeid, en aan het geene ik daaromtrend successive hebbe aangemerkt. Dit onvermindert bid„ „de ik het verder onderzoek en resonnement in deeze aan een kundiger kaneel kenner of Gimikus optedraegen, wijl ik gaerne wil toestemmen dat ik hier in maar de gedagte van bekende Gimikundige opvolge, en zelfs slechts eene geringe en niet naamwaardige kennis daar in hebbe„ §52. En nadien wij vermeenen dat 3. om overeenkomstig met hunne Ik refereere mij in deeze aan UE: met reeden geremarqueert heb„ Hoog Edelheeden intentie bij §52. mijne gezegdens bij mijn Be„ „ben, dat ged: sluijsken zijne zoo op het geremarkeerde door deeze „richt in dato 26. xber: 1787. positive assertie had moeten bewij„ Regeering bij resolutie van den bij 132. waar bij in verbis be„ 14. febr: 1788. gesteld in margine „zen zoo recommandeeren wij UE: hem „kend staat: In het algemeen van zijn E=s bericht van den 26. de„ te gelasten, zulks als nog te doen genoomen heeft den Inlander te meer het zaaken van gewigt „cember 131. aantewijzen, waaren geen sjalia (:kaneelschiller:/ zijn, die daar van het on„ zijnde, geen kennis genoeg, om de eerste vier zoorten „derwerp uitmaeken dewelke door wien slechte kaneel is aan„ kaneel, van de overige te men niet te veel kan „geplant en waar zijn E: de bij onderscheiden onder voorsch:
English
distinguish; indeed, the majority of the cinnamon peelers themselves are not knowledgeable enough in this matter. They must have a peelable tree before them to know its variety, and even then, they often mistake the varieties that are counted under the first class. This above-mentioned will be corroborated in further detail in the following, and how much less, therefore, can it be demanded of me to point out precisely at first glance the various varieties of cinnamon to a Committee appointed for that purpose (as is required of me by this aforementioned Ceylon resolution dated the 26th of August last). Their High Mightinesses also only desire, as is stated here adjacent, that it shall merely be pointed out, and this shall take place by successively proving what I maintained in my Report dated the 26th of December 1787, sections 17 to 20 and 31 inclusive. Yet to demonstrate this as clear as day requires even more than my skill and also time. Nevertheless, according to my humble physical notions, this is already sufficiently contained in the nature of the matter itself. Who will deny that moist, swampy, or heavily watered soils can yield such good cinnamon as dry [makendaen] soils, where an excess of water can seldom reach? With respect, I even believe I may trust that this is clearly proven, if not entirely, at least in part, by eight half-bales of garden cinnamon which we sent to the Netherlands in January 1776, for this was declared to be good, fine cinnamon during unpacking, as evidenced by a report from appointed tasters, the head surgeon Barend Aleman and the apothecary H. W. Ertman in my presence, and as I have also tasted myself. I repeat, it was the very best, fine, good, cultivated garden cinnamon. However, the Lords Major from the Netherlands say, as appears from the Demand for returns from the Indies for the year 1778, and to which I respectfully refer for the present: Firstly, We have also caused to be examined with all accuracy the four half-bales of cinnamon sent as a sample from the two established cinnamon gardens; and although we have for some time flattered ourselves, based on the reports of the ministers, that the cultivation of cinnamon would yield a very great advantage for the Company, we nonetheless find ourselves entirely disappointed therein, in so far as we must judge it by those bales, because nothing but the exterior of the stick deserves the name of Cinnamon. For that reason, we have also resolved to send back two of those half-bales for the conviction of the Ministers with the ship departing for Ceylon for the Chamber of Amsterdam. The packing of these four small bales in sailcloth the aforementioned his report mentioned disadvantages in the planting of the young cinnamon has observed, and this in the presence of a committee that shall be specifically appointed for that purpose as soon as his Honour shall have declared to be ready to make this demonstration. To investigate. we would highly approve, were it not that we suspected they would be too costly. Note: The above-mentioned garden cinnamon brought back here was again examined further, inspected, and subsequently tasted by the exact same committee in my presence, and it was indeed found to be completely tasteless. Secondly, an extract from the Demand for returns from the Indies for the year 1790, determined on the 13th of December 1788, states among other things: The cinnamon brought to the Chamber of Amsterdam from Ceylon with the ship Doggersbank was found to be fairly good in wood, but weak in taste. Thirdly, an extract from the Demand for Returns from the Indies for the year 1789, determined on the 29th of December 1787, states among other things: However, when we urge for a very large quantity, it is only under the assumption that it will also be of the required good quality, without which latter the former can be of no avail, and would harm rather than benefit the good purpose; for the virtue of our cinnamon, the potency, the fire, the fineness of its taste alone is what can maintain its renown and the trade with foreigners based upon it, especially since the abundant supply of Chinese cinnamon, which is obtainable at very low prices, gives rise to the use of the latter and to all kinds of subtle adulterations, so that true Ceylon cinnamon, if it were now of slight or poor quality, would fall into disrepute; and thus one would now have a very great need for a considerable quantity of the best cinnamon in order all the more effectively to stop the trade of Chinese cinnamon and the cinnamon brought by other nations, and thereby ensure that it, yielding no more profit, might also no longer be imported, and thus ours might retain that universal competition which alone can secure its high prices and the profit arising therefrom. This above-mentioned, I think, indicates clearly enough that it can be good in wood, but bad in taste, and how very much the virtue and potency are insisted upon. One would also have to conclude from the last-noted,
Dutch transcription
346 onderscheiden; Ja het gros der kaneel schiller zelve is hier in niet kundig genoeg„ zij moeten een schilbaare boom voor zig hebben, om zijne zoort te kennen en dan nog missende veel maals in de zoorten, die men onder de eerste klasse reekend. Dit hier vooren gesegde zal zich in 't vervolg van deese nog naeder staaven, en dus hoe veel minder is 't van mij te vergen om Juijst op het eerste aanzien de verscheidene zoorten van kaneel aan eene daar toe benoemde Commissie /: zoo als bij deese voorgenoemde Ceilonsche resoluutsie in dato den 26. aug: laast leeden van mij gevordert word:/ aantewijzen, Hun Hoog Edelheeden begeeren ook zoo als hier ne„ „vens staat alleen maar, dat 't slegts zal aangeweesen worden, en dit zal geschieden door successive te bewijzen het geene ik bij mijn Be- „risht in dato den 26. december 1787. §. 17. tot 20. en 31. inclusive gema„ intineerd hebbe, dan om echter zulks zonne klaar rantetoonen behoord nog meerder als mijne kunde en ook teid, niet te min legd zulks naar mijn geringe ginische begrippen reeds in de natuur van de zaak selve genoeg opgeslooten wie zal wederspreeken, dat vochtige, sompige of veel bewaterde gronden, zulke goede kamel kan uijt„ „leeveren als drooge makendaen gronden, waar bij zelden te overmaatig waeter kan bijkoomen: in eerbied geloove ik zelfs te moogen vertrou„ „wen, dat zulks zoo niet genoeg ten minste voor een gedeelte klaak beweesen word, door 8. halve baalen thuijn kaneel, die wij in 1776; Januarij na Nederland hebben gesonden, want deese is bij 't afpakken, blijkens rapport door gecommitteerde proevers, den oppermeester Barend Aleman en den appothekaa H: W: Ertman in mijn presentie, en zo als ik ook zelve gesmaakt hebbe, voor goede, fijne kaneel verklaard geworden. Ik herzegge het was aller beste fijne goede Heeren Majores uijt Nederland zeggen echter, zoo als blijkt uijt de Eijsch aangeplante thuijn kaveel. van retouren uijt Indien voor den Jaare 1778., en waar aan ik mij voor eerst eerbiedig refereere. Eerstelijk, Wij hebben ook met alle nauwkeurigheid doen Exami„ „neeren, de vier halve fardeelen kaneel, uijt de twee aangelegde kaneel thuijnen ter preuve gezonden; en of schoon wij ons zedert eenigen teid, op der ministers berichtig gevleid hebben, dat de aanplanting der ka „neel, een zeer groot avantage voor de Maatschappij zoude uijtleeveren, vinden wij ons daarin nochtans ten eenemaale te leut gesteld, zoo ver wij zulks na die fardeelen moeten beoordeelen, deweel niet dan het uijtterlijke van den stok de naam van Kaneel Verdiend. ook daarom hebben wij beslooten twee van die halve fordeelen ter overtuijging der Ministers met 't schip dat voor de kaamer Amsterdam na Ciilon vertrekt terug te zenden De embalagie van deese vier baaltjes in zijldoek voorsz: zijn berigt vermelde nadeelig in 't aanplanten van de Jonge Kamel heeft op v„„ „merkt, en sulks in presentie van een kommissie die daar toe expres zal worden be„ noemd zoo daa zijn E: zal hebben opgegeeven, tot 't doen van deese aanwijsing gereed te zijn. Onderzoeken. zouden zouden wij zeer approbeeren, indien wij niet vermeenden, dat deselve te kostbaar zouden zijn. NB: Bovengem: herwaarts gebragte thuijn kaneel is weeder door evengem: kommissie in mijn presentie nader beschouwd, gevisiteerd en ver- volgens geproeft, en ook waarlijk volkoome makeloos bevonden. sweedens, wij Extrakt uijt den Eijsch van retoeren uijt Jndien voor den Jaare 1790. gearresteerd den 13. december 1788. staat onder anderen. De kamel met het schip Doggersbank van Ceilon bij de kamer Amsterdam aangebragt, is vrij goed van hout, doch flauw van maak bevonden Extrakt uijt den Eijsch van Retouren uijt In= „dien voor den Jaare 1789. gearresteerd den 29. de¬ Bij Derdens, „cember 1787. staat onder anderen. Maar wanneer wij op eenen seer grooten quantiteid aandringen, is het niet reders dan in de onderstelling dat die ook van de vereijschte goede kwaliteid zal zijn, zonder welk laatste het eerste niets kan baaten, en eerder, het goede oogmerk benadeelen„ dan bevoordeelen zoude, want de deugd onzer kamel, de kracht, het vuur, de fijnheid der maak van deselve is het alleen welke haaren zoem en daar op gevestigd vertier bij vreemden kan doen standhouden, voor al zedert dat den ruimen aan- voer der Chineesche kaneel die tot seer laage prijzen te bekoomen is; aanleiding geeft, tot het in gebruijk brengen deeser laatste, en tot aller„ lij subtite vervalsching zodaanig dat de waare Ceilonsche kaneel wanneer die thans van ge „ninge of slegte kwaliteid was in vordeen „king zoude geraeken, en men aldus thans eene aanmerkelijke kwantiteid van beste kaneel zeer noodig zoude hebben, om des te kragtdadiger het vertier der Chineesche en den kaneel door andere natien aangebragt te sluiten, en daar door te bewerken, dat die geen reekening meer geevende, ook niet meer mogt worden aangebragt, en aldus de onse die algemeene Concurentie behouden wel„ „ken alleen haare hooge prijzen en daar uijt spruijtende voordeel kan versekeren Dit hier bovengem: wijst dunk wij duidelijk genoeg aan, dat hij goed inz: doch slecht in maak kan weesen, en hoe zeer men op de deugt en kragt aandringt. ook zoude men uijt het Laetste aangemerkte wel moeten besluijten,
English
My modesty certainly demands that I take the gentleman's conclusions to mean that successively much less virtuous bark has been delivered and brought in, and that a smaller quantity of good sort is desired rather than a large supply of an inferior sort; in the continuation of this document it will also be shown in more detail how impossible it is to ensure this regarding the general delivery. Section 53 concerning what was passed by Commander Sluijsken, sections 28 to 33, that the Dessave Fretz accepts his previously stated words as sufficient. Indeed, his Honor wrote in reply to my report dated December 26, 1787, that at that moment nothing occurred to him that could serve toward the improvement of the cinnamon culture without distinction of sorts. We also agree with your Honor's consequence that the work already performed can best demonstrate the validity of this statement; and since your Honor intended, as soon as the said Sluijsken had shown where he had observed the stated disadvantages, which we now order him to have investigated by a special commission, we shall await the report thereof. In order on this occasion also to comply with the orders of Their High Excellencies at Section 53 regarding the statement made by his Honor in his report, sections 28 to 33, namely that natural planting suffered greatly through the distribution of lands for planting one-third with cinnamon, because the two best thirds are planted with coconut trees etc. and the worst third with cinnamon, one would therefore primarily have to infer that, among other improvements, all established cinnamon plots have also been substantially cleared of bad and inferior sorts; and it is then certainly quite right that the work already performed will best demonstrate the validity of my proposition. Nevertheless, please merely question the present overseer of the cinnamon gardens, Lourens Spittel, whether during his present supervision, even in the Maradana or thereabouts in the gardens, he does not still frequently discover that here and there bad cinnamon grows among the good, and whether he has not successively uprooted many such cinnamon trees, roots and all. Besides that, in the meantime, I rely too much on my own daily experience and the testimony herein of experts, and among others also on that of the former Dessave of Matara, Burnat, who himself can speak from experience that he found cultivated cinnamon gardens planted with wild and bad sorts of cinnamon among the good sorts of trees, and subsequently, upon their identification, had them cleared. I repeat, on this testimony of his, as well as on that of the Dessaves Fretz and even on that of Dessave Van Angelbeek, I rely too much to doubt any longer that upon investigation it will become very fully apparent how all sorts of cinnamon fruits were gathered mixed together beforehand, and subsequently sown and planted. But to make oneself even more certain of this beforehand, I offer herewith two sorts of freshly cut bad cinnamon, which I obtained myself a few days ago here in the Maradana from one of the cultivated cinnamon gardens with the assistance of experts, namely: Letter A. Davul Kurundu. Letter B. Sevel Kurundu. As well as three samples of peeled cinnamon marked as: Number 1. A quill that grew in muddy soils and was transplanted 19 months ago. Number 2. The same, which still grows in muddy soils. Number 3. The same, the trunk of which was transplanted 19 months ago from muddy soils into kapok-like soils. From all this one will be able to judge what is necessary. And furthermore, I merely request that these Dessaves of Colombo and Matara, as well as the overseer of the Galle Korale and Captain of the Cinnamon, be ordered to have all cultivated cinnamon gardens inspected by an expert special commission—for I do not have sufficient knowledge of this matter myself—consisting of Chalias, cinnamon peelers, and Korale people, with strict orders to report what and how many sorts of cinnamon they found in each of the cinnamon gardens. Indeed, who among the planters themselves will want to deny that he planted indiscriminately all such fruits as he was able to obtain in any way at the beginning of the planting—now it is possibly being provided for—without being able to say whether his planted cinnamon fruits were actually picked from the first four sorts of cinnamon trees? Your Honor himself and other local rulers had to provide whole sacks of fruits at the beginning of the planting for the cultivation of places that did not produce enough. Who among us can say—even though we ordered it most strongly—that all these delivered fruits were of good quality? Indeed, who among us can distinguish good fruits from bad, since the cinnamon peeler in the tree himself makes mistakes, and even as long as the same.
Dutch transcription
347 Mijne bescheidendheid vordert zekerlijk dat ik den heer besluijten, dat 'er successive veel minder deugdsaeme bast is geleverd en word aangebragt, en dat men lieder eene mindere kwantiteid goede als een groote aan- breng van mindere zoorte verlangd; in 't vervolg van deese zal ook nog naeder worden aangewe„ „sen hoe onmogelijk het is hier omtrend bij de generaale leverantie tezorgen. §. 53. omtrend het gepasseerde 4. om ter deeser gelegend— door den Commandeur sluijs„heid ook te voldoen aan het geordonneerde door „ken 8. 28. tot 33. , dat de dessave Fbetz zijne hier Huare Hoog Edelheeden Natuurlijke aanplanting vooren gestelde woorde bij 8. 53. nopens het door veel teids, door de afgaeve voor voldoende aanneeme zijn E: geposeerde bij zijn van landen ter beplanting immers zijn wel Edele regd voor 1/3. met kaneel, wijl berigt §. 28. tot 33. dat in antwoord op mijne be „richt in dato den 26. xber: de twee beste derden worden namentlijk de natuur 1787. dat hem op dat beplant met kokers boomen „lijke aanplanting veel 8=a in het slegste derde met teid door de afgave van moment niets voorquam de kaneel kulture kon-kaneel, zonder onderschie- landerijen ter beplanting dat tot derbetering van voor een derde met ka= „ding van zoorten, zijn wij meede met uE: van gevol „ neel wijl de twee beste „de strekken, en dus soude derden worden besland men dan daar uijt voor„ „namentlijk ook moeten „len, dat 't reeds verrigte met kokus boomen 8=a werk best de gegrondheid het slegtste derde met opmaeken dat onder andere van dit zeggen kan aan- kaveel zonder onder- verbeteringe ook reeds alle aangelegde kaneel wijzen, en nadien uE: ver- bekken van kwaede en mindere zoorten wezend- „meenens waaren zoo dra ged: sluijsken zou hebben „lijk zijn gezuijverd, dan aangetoond waar hij de zekerlijk regt meed opgegeevene nadeelen had opgemerkt te regt dat 't reeds ver= 't geen wij hem als nu gelasten dit „rigte werk best de door een Eypresse Commissie te gegrondheid van mijne laeten onderzoeken, zoo zullen wij stellinge zal aanwijsen. het rapport daar van afwagten. Niet te min gelieve men slegts den tegenwoor- „digen op zigter over de koneel thuijnen Lourens spittel eens te ondervraagen, of hij bij zijn tegenwoordige toesigt zelfs in de Makendaan of daar omstreeks in de thuijnen niet veelmaals nog ontdekt, dat hier en daar slegte kaneel onder de goede opgroeid, en of hij niet al veele zulke kaneel boomen successive met wortel en al heeft uijtgeroeijd. Buiten dat vertrouwe ik intusschen te zeer op mijne nog dege„ „lijksche eige ondervinding en de getuigenis in deesen van des kun „digen en onder anderen ook op die van den heer geweesen dessave van Matute Burnat; die zelve hier van bij ondervinding kan spreeken dat aangeplante kaneel thuijnen met wilde een slegte zoorte kaneel onder de goede zoort boomen beplant heeft gevonden, en vervolgens op de aanwijzing daar van heeft laeten zuijderen. Ik herzegge op deese zijne getuigenis, zoo wel op die van de heeren desjaves Fiets in zelfs op die van den heer Dessade van Angelbeek vertrouwe ik te zeer, om nog in twijffel te trekken, dat bij on„ dersoek wel zeer volkoome zal blijken, hoe alle zoorten van of bevoorens zijn inge„ kaneel vrugten door malkanderen worden dan om zig hier van eigen „zameld, vervolgens gezaaijt en gepland. biede ik hier nevens aa „lijk voor eerst nog beter te verzeekeren „scheiding van de zoorten. twee e, get: ver- d g ƒ n doen aan— age het alle„ waare ge- den s te sche t die t de — - L:d A. Dauwe Koeroendoe. gelijk meede nog drie monsters geschiede kaneel gemerkt; als: N:o 1. Een pijp die op Moddea gronden is gegroeijd, en voor 19. maanden verplaat is geworden. die nog op modder gronden groeijd. „ 3. d=o waar van de stam voor 19. maanden uijt morder wronden op kopokagtige gronden is gezet. uijt dit een en ander zal men het noodige konnen b'oordeelen. en voorts verzoeke ik enkelijk dat aan deese heeren dissaves van Colombo en Matute, gelijk meede aan den opsiender der Gale Corle en Kapi„ „tain der kaneel mooge gelast worden alle aangeplante kanneel thuijnen door een des kundige /: want hier omtrend hebbe ik hier geen kennis genoeg:/ Expresse Commissie van Chaliassen Kaneel schillers en Corls volkeren te laaten op neemen, met strikte ordre om op te geeven bij een rapport wat en hoe veel zoorten van kaneel zij in elk der kaneel thuijnen hebben bevonden, Jmmers wie van de aanplanters zelve zal willen negeeren dat hij niet onderschillig heeft aangeplant, alle zodaenige vruchtien als hij maar in den beginne der aanplanting (: nu word er moogelijk in voorzien:) door de een of andere weg heeft kunnen magtig worden, zonder tekunnen zeggen of zijn aangeplante kaneel vruchten wesendlijk van de eerste vier zoorten kamel boomen zijn geplukt. WE zelve en ook andere landregenten hebben in den beginne der aanplanting geheele zakken met vruchten tot het beplan„ „ten der niet genoeg voortbrengende plaatsen moeten bezorgen. Wie van ons kan zeggen (: of schoon wij zulks op het sterkste bevoolen hebben:) dat alle deese geleeverde vruchten van goede zoorte zijn geweest, ja immers wie van ons kan goede van kwaede vruchtin onderscheiden, daar den kaneel philler in de boom zig zelve vergift, en wel zelfs nog zoo lange „ 13. sewel d=o „ 2. d=o twee zoorte versgesneede slechte kaneel, die ik voor eenige daegen hier in de Markendaan uijt een der aangeplante ka „neel thuijnen door behulp van des kundige selve hebbe op= „gedaen; als: dezelve 3 1 Der
English
the same has not already reached a certain age, and the uncertainty clears away; leaves, bark, tree, everything is almost identical in appearance, and even the cinnamon peeler sometimes only discovers when peeling young trees that he has peeled an inferior sort of cinnamon, after he has cleaned it, dried it, and subsequently wants to shape it into quills. Meanwhile, at that moment it cannot be remedied; his time has expired, and he then wraps his poorly peeled cinnamon into better-grade quills, whereby good and bad, or at least less virtuous and good, are delivered mixed together. Note: I have experienced this, and expert tasters in Europe as well as elsewhere will only too often still be able to discover this now and then even in the bales. I also recall having read recently in the Batavian dispatch of 17 April 1789, paragraph 17, of green and tasteless cinnamon which was subsequently handed over for testing in order to distill cinnamon oil from it, and was thus found unsatisfactory. Moreover, Your Right Honourable Worship, as well as Messrs. Fresz and Camlant, who like me have all been cinnamon captains, possess too much knowledge in this matter regarding the method of planting, the mindset, and the customs of the natives, and whatever else there is to remark in this regard, not to agree with me in this opinion—being on equal terms, as I fully trust. One will also easily discover in that requested investigation that the planter, as is only natural, for his share of planting nursery trees has chosen by no means the worst third. It is actually the private treatments through which the Company in my view suffers the most, and it is precisely for that reason that I have confined myself solely to that. All plantings and clearings of woods that have been done for the Company are merely the clearing of the lands whereby the small cinnamon trees get more air without the planting of more nursery gardens, and thus the only thing I should remark upon that would merely be confined to and concerning the places where and how the work was done. Paragraph 54. Whereas Sluijsken, according to what Your Honour noted in the margin of folio 534, has only spoken of the actions of the private inhabitants and the cinnamon cultivation, and on the other hand remained silent about what is done for the account of the Company, Your Honour must have him state the reasons for this, and whether any change therein is also necessary. In order to state, in accordance with Their High Excellencies' intention in the aforesaid dispatch paragraph 54, the reasons why His Honour has followed what was noted in the margin of his report, folio 535, as established by the repeatedly mentioned Resolution of this Government, and has also not declared concerning what was done for the account of the Company under the direct supervision of the Land Regents, particularly in the Colombo Disavony, and to state now in addition whether any change therein is also necessary.
Dutch transcription
dezelve niet reeds tot eene zeekere ouderdom is gekoomen, en het onseeker weg waakt; bladen, bast, boom, alles is bij na gelijk in aanzien en zelfs bevind den kanneel„ schiller somteids eerst bij het schillen van Jonge boomen, dat hij minder zoort van kanneel heeft geschild, na dat hij dezelve heeft schoon gemaakt, gedroogden vervol„ gene in Pijpen wil formeeren, Jntusschen op dat moment is het dan niet te herstellen, zijn teid is verloopen en hij wikkelt zijne kwaede geschilde kaneel als dan in beeter zoort pijpen, waerdoor goede en kwaede ten minsten min„ der deugdzaeme en goede door malkander wordt geleeverd. NB: dit heb ik ondervonden en zal men door der kundige proevers in Europa zoo wel als elders maar al te zeer nu en dan in de fardeelen zelfs nog konnen ont„ dekken. k herinnere mij nog onlangs geleezen te hebben bij Bataviasche missive van den 17. ' april 1789. § 17. van groone en smackeloose kaneel die men naderhand ter preuve om kaneel olij daar van te stooken heeft, afgegeeven, en dus niet voldoende is bevonden. ook boven dien draagt uw wel Edele Groot Achtb: zoo wel als de Heeren Fresz: en Camlant die met mij al„ le kanneel kapitains zijn geweest, in deeze te veel kennis van de manier van aanplanten, denkenwaart en gedoentens der inlanders, en wat hierom„ trend nog meer valt te remarkeeren, om niet en dit gevoelen /:in parri„ wal zijnde, zoo als ik volkoome vertrouwe:/ met mij over een te stem„ men, men zal ook ligtelijk bij dat verzogte onderzoek ontdekken dat„ de aanplanter zoo als ook natuurlijk is, voor zijn aandeel tot koker„ boomen aanteplanten lange niet het slechtste een deerde heeft verkoosen Het zijn eijgentlijk de particu„ §: 54. Dewijl sluijsken volgens 5 om overeenkomstig hun„ liere behandelingen waar door de het geen uE: in margine van ned hoog Edelheedens intentie Mantschappije het meest naar mij 5534 genoteerd hebben, alleen bij voorsz: missive §54: ople inzien komt te leijden, en het is daer heeft gesprooken van de geeven de reedenen waerom zijn om ook Juist dat ik mij daer„ verrigtingen dia Partiku„ E: zig volgens het aangemeak„ alleenlijk bepaald hebben. Alle aan„ liere ingezeetenen en de kon„ te bij meermelde Resolutie plantingen en schoonmaaken van neel Culture en daer en teegen boschagien, die voor de Kompanie deezer Regeering gesteld en zijn geschied zijn enkelijk zuij gekweegen, van het geen voor margine van Zynberigt 535. reekening van de kompe„ veringe der gronden waar door ook niet heeft verklaerd over nie wordt gedaen, zoo dienen de Kanneel boompjes meerder uE: hem hirr van te laaten het geen voor reekeningg lugt krijgen zonder aanplan„ reeden geeven en of daar in ook van de Komp: onder 't Direkt ting van meerder kokertuij„ ne, en dus zoude het eenigste eenige verandering noodig is. opzicht van de Landregenten wat ik daer op moeste inzondirheid in de kolombo„ aanmerken zig enkelijk be„ sche dessavonij is gedaan paalen tot en omtrend de en als nu daer bij optegeeven plaatzen waar en hoe het werk of ook daar in eenige ver„ andering noodig in „aan geschied. te e #
English
done, and also particularly to the provisions and expenses incurred for it, then in this regard, relative to the first point, the extent being too great and nothing being verifiable by me, the latter and thus the quantity is determined by the order of the Lord Governor and the faithful management of those to whom the work has been entrusted. As soon as I shall have the pleasure of being placed in the exercise of my newly entrusted post as Commander of Gale, I shall have a chena cleared and prepared for me in the vicinity of Gale, among others, and upon it I hope immediately and fully to prove that all my propositions in this matter are sincere and well-intentioned and may have the best results. I have already had trial tests made secretly here in the Colombo Dissavony, but as this was not done under my own supervision, I shall for now leave the demonstration of this for a later determination in the hope of a favorable interpretation, and arriving there, I shall also be able to investigate, either myself or through a trusted commission, to what extent the cinnamon gardens have essentially been cleared of all inferior types of cinnamon. No. 55: Whereas Sluijcken thinks that an adequate growth of cinnamon without planting or watering could be expected if only the chenas, after harvesting the nelij that stood upon them, were again left to nature and sown solely with good, ripe cinnamon fruit, whereas Your Honor on the contrary states that without any precautions regarding watering and clearing the young crop, little is probably to be expected; we therefore approve Your Honor's proposal to have a test made of this by the aforementioned Sluijcken, and to that end to allow him to select a chena of his choice. 6. To, since His Honor thinks that an adequate growth of cinnamon without planting or watering could be expected if only the chenas, after harvesting the nelij that stood upon them, were again left to nature and sown solely with good ripe cinnamon fruit, now in accordance with Their High Excellencies' intention, paragraph 55, have a chena selected in this Dissavony according to his choice to conduct a trial thereof. While, for a further explanation of my view regarding the planting of cinnamon on chenas, I state that I shall immediately sow the cleared chenas with nelie and cinnamon seeds at the same time, in order in that manner to let the cinnamon fruits grow up together with the nelie. The nelie, which grows faster, will then initially provide shade for the cinnamon plant, as is beneficial to it; the cleared land, having been burned before it is sown upon, will in my view, through its richness, simultaneously promote the first growth. And it goes without saying that in this case, subsequently, at the maturity of the crop, one will have to act very cautiously so as not to damage the emerging young cinnamon trees; but I trust that this method will have even better and surer results than when one sows cinnamon only after the crop has been completely harvested, and this particularly because in such a case the emerging plant, namely when it is sown at the same time as the nelij, is less exposed to the sun, which is harmful to it in the beginning. Herewith concluding now this my further clarification, and through all the foregoing I hope to have satisfactorily complied with the aforementioned orders of Their High Excellencies and Your Right Honorable Sir. I am assured and also trust that whatever may still be lacking therein can and will be fully supplied by Your Right Honorable Sir; however, should the same, contrary to my expectation, absolutely desire that I personally point out where and how bad cinnamon grows among the good, I am fully prepared to comply with this as well, and even to Your Right Honorable Sir in person. I therefore pray in such acase that the honor be done to me of appointing an hour when we, together with the others, shall discover this for ourselves in the nearby Marendan, situated hereabouts; and further I pray for God's blessing regarding the work of the cinnamon culture. Should my humble indications contribute even slightly in this regard, I rely upon your highest favor, to which I further commend myself herewith, and with all respect subscribe myself: Right Honorable, High-Commanding Lord! Your Right Honorable Sir's Very Obedient Servant, was signed: P:r Sluijsken. In the margin: Colombo, the 22nd of October, Anno 1784. Agreed. Sibrands Geerk Jz: Linde Checked No. 43 No. 44 Colombo To the Honorable Gentlemen Johannes Reintous, merchant and First Warehouse Master, and Abraham Samlant, merchant and Trade Bookkeeper, Honorable Gentlemen, However willingly I am otherwise prepared in every respect to obey the high orders of my superiors in the strictest sense, and also, as far as I know, have always fully complied with them in respect, I must to my regret at this moment humbly excuse myself from what respectfully appears to me to be a superfluous and useless second commission, which Your Honors announced to me yesterday in the name of the Lord Governor, the one carried out being thought insufficient by His Right Honorable Sir. The demonstration that I have made in all things, I believe, with all respect for my part, I may believe
Dutch transcription
geschied, en ook bezonder tot de verstrekkingen en onkosten die daar voor gedaen, worden, dan hieromtrend betrekkelijk het eerste de uijtgestrektheijd te groot en niets door mij nategaan zijnde, zoo bepaald zig het laatste en dus hoeveel„ heid aan de ordre van den Heere Gouverneur en trouwe behandelingen der geenen, dien het werk is opgedraagen. zoo dra ik het genoege zal heb„ N: 55: Dewijl sluijcken meend 6. om aangezien zijn E: meend dat r een genoegzaame aan„ dat 'er een genoegzaam aangroeij„ ben om in de beoeffening van mijn nieuw aanvertrouwde groeij van kanneel zonder aan „ van Kanneel zonder aanplan„ post, als Commandeur van Gale planting of begieten, te ver„ting of begieten te verwagten gesteld te werden zal ik mij in wagten zoude zijn, wanneer slegts zoude zin wanneer slechts de de nabijheijd van Gale een Chena onder andere gekapt de Chenassen na het moogsten Chenassen na het moegsten van voor mij laaten in gereedheid van de daarop gestaan hebbende de daar op gestaan hebbende brengen, en daer op hoope ik Nelij, weder aan de natuur Nelij weder aan de natuur dan ook inmediaat volkoo„ overgelaaten en alleen met overgelaaten en alleen met goede men te bewijzen dat alle moij„ goede rijpe kanneel vruchten rijpe kanneel vruchten bezraijd mijne steldinge in deeze heate„ bezaaijd wierden, mitsg:s uE: in lijk en welmeenende zijnen tegendeel stellen, dat zonder wierden als nu overeenkom„ de beste gevolge kan hebben. Ik eenige voorzorge met be„ stig met hunne Hoog Edelhee„ heb reeds hier van in de ko„ den intentie §55. in deezen Des„ gieten en opruijmen van het lombosche Dessavonij onder Cavonij een Chena na zijn ver„ Jong gewas waarschijnlijk de hand proeven laaten neemen kiesing te doen uitzoeken om wijnig te verwagten zou zijn dog dewijl zulx onder mij zoo approbeeren wij uE: propo daar van een proef te neemen. dog niet is geschied zal ik siessie om daar van door meer„ voor eerst de aanwijzing- daar van in hoope van gunmelde sluijsken een proef te nee„ men en daar toe door hem na stige welduijding tot nader verkiesing een Chena te laaten bepaalen en ik, zal daar uitzoeken. koomende ook zelve of wel door eene vertrouwde kom„ missie dan kunnen laaten nagaan in hoe, verre de kanneel thuijnen wezentlijk van alle slegtere soort kanneel zijn gezuijvert. Terwijl ik tot nader explikaatsie van mijn gevoelen zegge betaeklijk het kanneel plan„ ten op Chenassa, dat ik de schoongemaakte Chenassen immediaat met Nelie en kan„ neel pitten te gelijk zal bezaaijen om indiervoegen de kanneel vruchten te gelijk met de Nalie te laaten opgroeijen. De Nelie die spoediger opwascht zal dan de kan„ neel plant in den beginne zoo als hun nuttig is tot eene schaduwe strekken, de omgehakte grond die alvoorens daer op gezaaijd word, gebrand is, zal door haare vettigheijd naar mijn inzien als dan ook teffens de eerste groeij bevorderen en Het spreekt van zelve dat en dit geval vervolgens bij rijpheijd, van het gewas wel zeer omzigtig zal moeten gehandelt worden, om de eerst opkoomende kanneel boompjes niet te beschaadigen, dog deeze handeling vertrouwe ik dat nog beeter en zeekerder gevolgen zal hebben, als wanneer men kanneel zaaijd maar E dat het gewas volkoomen is gesneeden, en zulx wel bezonders om dat en zulk een geval den opkoomende plant namentlijk wanneer hij met de Nelij gelijk word gezaagd min„ der aan de son (:dat hem in den beginne onnuttig is :/ word blood gesteld. Hiermeede 349 Hiermeede eindigende nu deeze mijne nadere opheldering, en door ul het hier voorenstaende verhoope ik, aan de mij voorgend:e beveelens van hun Hoog Edelheeden en uw wel Edele Groot Achtb: ten gewoege voldaan te hebben. Ik ben verzoekerd en vertrouwe ook dat het daar nog aan ontbreekende door uw wel Edele Groot Achtbaare volkoomen kan en zal ver„ vult worden, edoch mogte hoogst dezelve echter teegens mijne verwachting absolut begeeren, dat ik personeel zal aanwijzen waar en hoe slechte kanneel ondre de goede opgroeid, ik ben volkoomen gererd hier aan ook al te voldoen en zelfs wel aan uw welEdele Groot Achtb: in persoon. Ik bidde dus in zulk een geval mij de eere aante„ doen en bepaalden een uur wanneer wij met de andere in de hier omstreeks seggende Maa„ rendaa digt bij der hand zelfs zulx zullen ontdekken en voorts bidde ik Gods zee„ gen betrekkelijk het werk der kanneel Culture Mogte mijne geringe aanwij„ zinge hier omtrend maar iets meede werken, vertrouwe ik op hoogst diazelver hooge gunste waar in ik mij bij deezen alverder aanbeveele, en mij met alle eerbied noeme /:onderstond:/ wel Edele Groot Achtb: Hoog Gebiedende Heer! uwer welEde„ lens Groot Achtbb: Zeer Gehoorzaeme Diendaa /:was getekend:/ P:r Cluijsken /:en margine:/ Kolombo Den 22. ' october A:o 1784 Ak kordeerd. Sibrands Greerk Jz: Linde Nagezien No. 43 No. 44 350 Kolombo Aan de welEdele Heeren Johannes Reintous koopman een Eerste pakhuijsmeester in Abraham Samlant koopman en Negetie boekhouder Wel Edele Heeren allen Hoe gaarne ik anders in „ deele bereid ben, aan de hooge beveelen mijner oppergebieder in den sterksten sin te gehoorsamen en ook zoo ik niet beeter weet daar aan altoos volkoomen in eerbied voldaan hebbe, moeste ik tot mijn leedweesen op dit moment mij needrig exku„ „seeren van een zoo mij in eerbied voorkomt overboodige en inutiele tweede commissie, die uwel Edelens mij uit naam van den Heere Gouverneur op gisteren /: als de gedaane door zijn wel Edele Groot achtbaare onvoldoende zijnde gedagt:/ heeft aangekundigt. De aanwij„ zinge die ik in alles gedaan hebbe, vermeene ik ook ten aspakte van mij, in eerbied te moogen gelooven
English
believe that these are fully sufficient to satisfy the requirement of the High Authority and to serve as clarification in confirmation of all my assertions. I must, moreover, consult my personal circumstances and physical constitution, which forbid me from attending a second committee in this matter. A native committee, moreover, in my humble opinion, is fully sufficient and even better suited to supply, together with the knowledgeable supervisor of the cinnamon, the bookkeeper Louwrens Spittel, whatever is lacking from what we have accomplished. The latter makes new discoveries every day and will thus also be able to verify, daily and successively, to what extent we have already corrected our cultivation of bad cinnamon and cleared the gardens of it over more than three years; that it is still present, I have demonstrated by pointing out two trees close to one another, and I summon Your Honour, Mr. Samlant, on your word of honour, to give me that candid testimony in this matter which I trust I may expect from your experience as Cinnamon Captain. Meanwhile, in order first of all to place Your Honour in a position fully to satisfy the Instruction granted to Your Honour by the Lord Governor on 25 October, I shall hereby answer every article set forth therein that relates to me, and communicate my thoughts, understanding, and sentiment regarding the one and the other. In return, should it be found that my thoughts in this matter warrant contradiction and are at variance with Your Honour's sentiments, I request that Your Honour will conduct and express yourself towards me in the same manner, so that I may then explain myself further on the matter and that we may finally reach an agreement on this truly so very important subject that is to be dealt with by us herein. Before I comply with this, however, and confine myself to answering each article of the aforementioned Instruction, may I be permitted to detail from the very beginning how the planting of cinnamon was begun, how it progressed, and subsequently what motivated me to take a stand against the actions that subsequently took place. The late, disinterested Lord Governor Mr. Jman Willem Falck, still remembered by all, who was ever mindful to help promote, as much as possible, the general interest as well as that of his and all of our Masters, was from the very beginning active in devising everything that could serve to promote the general good, and that without losing sight of the injury that our Lords and Masters might thereby occasionally suffer on the other hand. The scarcity of cinnamon on the one hand, which increased from time to time, and the concern to secure a certainty of an annual delivery that would be sufficient for the trade in Europe, was the first thing of which he was likewise mindful. His reflections on this gave the impetus to the cultivation of cinnamon, for if this succeeded happily, the most important of all our interests here in Ceylon would be attained. Consider this: one could then subsequently accommodate the native population more, or at least one would not need to be so sparing and scrupulous in the granting of chenas, and according to the circumstances in which we found ourselves, one could subsequently also grant more land. How this late gentleman further reflected upon this, I would almost have to guess and deduce from what was subsequently put into practice. Prudence was, as far as I know, his guide in all things, and in this it is even evident that before beginning anything with the cultivation, a trial was undertaken in 1767 on a small piece of land measuring only ten or twenty square rods; the seeds were planted there, which fortunately came up, and after the passage of time, when it was deemed useful to do so, the trees that had grown from them were, as I recall, successfully peeled in 1770, and the cinnamon obtained therefrom was judged to be of good flavour and thus of good quality. The cultivation of cinnamon had always been deemed impossible; upon closer examination, it was discovered how the efforts previously made to that end had been thwarted. How fortunate, then, was the prospect at that moment regarding this product so very important to the Company. Through zeal, effort, and good care, it was foreseen with certainty that a greater quantity of cinnamon could be obtained, and that thereby what had been lost through the successive granting of lands might eventually be recovered. Everyone took part and was particularly delighted by the fortunate prospect in this matter, and indeed the orders subsequently issued caused everyone to be mindful of cooperating in this great and so very important plan for the Honourable Company, and where they subsequently, step by step, proceeded further
Dutch transcription
Jz inde gelooven, dat volkoome toerijkende zijn aan het requiziet der Hooge overigheid en tot ophel„ dering ter bevestiging van alle mijne stellin„ ge. Ik moet boven dien raadpleegen met mijne omstanden en lighaams gestel die mij verbie„ den in deese zaake nog een tweede commissie bij te woonen. eene Inlandsche commissie is bo„ vendien en na mijne geringe gedagte genoegzaam toerijkende en zelfs beeter om onder het oog van den kundigen opzigter der kanneel den boekhouder Louwrens spittel gezamentlijk het ontbreekende aan het geene wij gedaan heb„ ben te supleeren. Deeze doet alle daagen nieu„ we ontdekkinge en zal dus ook daagelijks en successive konnen nagaan, in hoe verre wij zeedert ruim drie Jaaren onse aan plantinge van slechte kaneel reeds gekorrigeert ende thuij„ nen daar van gezuiverd hebben; dat ze er nog is; hebben ik twee boomen kort bij den andere aangeweese, en ik sommeere uwel Edele mijn Heer Samlant op ui woord van eere om in deeze mij die openhartige getuijgenis te geeven welke ik vertrouwe van uwe ondervinding als Nagezien 351 als kanneel capitain te moogen verwagten Intusschen van en om uwel Edelens voor eerst ter voldoening aan de Instruktie door den Heere Gouverneur op uwel Ed:s verleend in dato den 25. ' oktober volkoome in staat te stellen, zal ik elk daarbij gesteld artikel dat betrekking tot mij heeft bij deese beantwoorden: en mijne gedagten, den kensaart en gevoelen over een en ander daarbij meede deelen. Ik versoeken in weederkeering zoo bevind dat mijne gedagte in deese tegenspraak verdiend en verschillen„ „de zijn, van uwel Ed:s gevoelens zig aan mij dan ook op de zelve wijze te willen gedraagen en uitten, op dat ik mij daarop dan nader zal konnen verklaaren en eindelijk wij eensgezint worden over het waarlijk zoo veel aangeleege stuk dat in deese door ons ver„ handeld staat te worden. Alvoorens ik echter hier aan voldoe en mij bepaele tot de beantwoording van ieder artikel bij evengem: Instruksie, zij mij ge„ oorloofd dat ik van den beginne aan de tail„ Jeeren Lz Linde „seeren, hoe het aanplanten van kaneel is begon„ nen, voortgegaan en vervolgens wat mij gemo„ „veerd heeft, om op te koomen teegens de han„ „delingen die in den vervolge hebben plaats genoomen. Den wel zaligen, bahangeloose en bij ieder nog in aandenken weesende Heere Gouverneur M:r Jman willem Falck, die altoos bedagt was, om zoo wel het algemeen belang als dat van zijne en onser aller Meesteren zoo veel moogelijk maar te helpen bevorderen, was al van den beginne aan werksaam om alles uit te denken wat ter bevordering van het algemeene nuet konde dienen en zulx zonder egter uit het oog te willen verliesen, het schadelijke dat daar door soonwijle onbe Heeren en meesters aan de andere kamt zoude kunnen koomen te lyden. De schaars„ hijd van de kaneel aan de eene kant, die van tijd tot teid toenom; en om zeekerheid van eene Jaarlijksche leverantie die genoegzaam zoude zijn, voor den handel in Europa te kunnen besorgen, was het eerste waar op hij dan almeede Nagezien 352 almeede bedagt was. zijne bedenkingen hier over gaven aan tijding tot het aanplanten van kaneel want hier in gelukkig repisee„ rende, was het gewigtigste van alle onse be„ langens hier op Ceilon gevonden. Men reekend eens, den Inlander konde men dan vervolgens meerder te gemoed koomen of ten minste men behoefde als aan zoo spaarsaam en schripeleus niet te zijn in het afgeeven van sjenassen en na mate van de omstanden waar in wij ons bevonden konde men vervolgens ook meerder land af„ geeven. Hoe hier over nu verder bij deese /:w: Z:/ gedagte is zoude ik bij na moeten gissen en opmaaken uit het geene men vervolgens in 't werk heeft ge„ steld. voorzigtigheid was in zoo verre mij bekend is, in alles zijne gelijdsman, en in deese zelvs blijkt het, wat alvoorens iets met de aanplan„ ting te beginnen, nam men in 1767. een proef op een klijn stukje grond slegts ter groote van thien of twintig kwadraat roeden, men plan„ „tede aldaar de vruchten, die gelukkig opkwaamen en J: Linde en na verloop van teidt wanneer men oordeelde zulks nuttig te zijn, wierden de daarvan op ge„ koome boomen zoo mij voorstaat in 1770. gelukken geschild en de daarvan gekoome kaneel, goeder smaekelijk en dus deugzaam geoordeelt. Altoos hadde men het aanplante van kan neel onmogelijk g'oordeeld, de moeyte die daartoe bevoorens gedaan was heeft men na der bevonden hoe die waaren verijdelt geworden toe gelukkig wierd nu dus het vooruijtzigt op dit moment van dit voor de Compenie zoo zeer aangeleege Produkt, Door iever moeite en goede zorge voor zag men voorseeker een meer„ der kwantiteid kaneel te kunnen erlangen, en daar door vervolgens ook het verloorene door het seccessive afgeeve van gronden eens weeder te kunnen vinden. Ieder nam deel en was besonder verleugd over het gelukkig voor„ uitzigt in deeze en ook weesendlijk de ver„ volgens gestelde ordre maakte dat ieder bedagt wierd, om meede te werken, aan dit groote en zoo zeer aangeleege Plan voor D' Ed: Maat„ schappije en waaren men vervolgens successive alverder Nagezien
English
has further succeeded happily, and indeed by putting into effect the following means. The late Lord Falck, who was mindful of everything and worked slowly but surely, foresaw very well that if one wished to prescribe very strict rules regarding the planting of cinnamon to the native, who for very many reasons had always been prejudiced against this product, it would not proceed as smoothly as if one were to act somewhat liberally, so to speak, in this regard. His Right Honourable subsequently issued a sannas or proclamation, dated 22 March 1770, whereby everyone was encouraged to plant cinnamon, with the promise of a certain reward to everyone who was willing to be active in this; and the happy result of this was already seen before the demise of that worthy and well-meaning Ceylonese father, whose memory is still engraved with love in all hearts. Yes indeed, who would there be, much less I, who owe an obligation to him, to stain the memory of this deceased man or his actions; no, I am certain that my thoughts concerning cinnamon planting were also shared by His Right Honourable; and I am also certain that his customary familiar intercourse would have afforded me the opportunity to submit to him the slight remarks that I have acquired through experience. This was also my intention upon the arrival of the Right Honourable Lord van de Graaff; at least I successively made my efforts to that end, with His Highest permission granted to me for that purpose, until finally the former Lord Dissave also repatriated to the fatherland and subsequently Dissave Billing was appointed as Dissave of Colombo and had taken over this country service. I have already said that at the demise of the late Lord Governor Falck one could have the best expectations regarding the designated cinnamon product; and truly, no sooner had Lord Governor van de Graaff taken over the Government than His Highest zeal in this proved the interest that His Highest wished to take in this and other land administration. This then also gave me the opportunity to present my slight knowledge where possible; but as I differed in opinion from the newly appointed Lord Dissave Belling and possibly also from others, I could not agree with all these projects of his, and particularly regarding the cinnamon culture, since his thoughts were merely to get the land cultivated, to bring the cinnamon product within a certain perimeter, and further that one could subsequently surrender all other lands to the cultivator, even if they were within the cinnamon perimeter. This is proven by his answer to my report of 3 July 1786 and by the request that His Right Honourable has successively made concerning a large quantity of lands both for himself and for the native headmen; and this then also brought about that I submitted my report of 3 July 1786. The usefulness of the cinnamon planting I have already described therein; indeed, I say therein among other things: Firstly, one has to expect from this that once a sufficient planting takes place, a satisfactory supply can also be made to Europe. Secondly, one will be able to collect the demanded quantity with a smaller number of peelers, one will also be able to find what is required within a shorter range, and one will subsequently be able to surrender the remaining land to the poor native for the planting of coconut trees, pepper, kapok, rice, and yet more other products. All this would be quite sufficient to encourage almost everyone to the said planting; indeed, the prospect thereof one should regard as a fortunate choice. The country and in particular its inhabitants will thereby become happier in themselves. But let us now also consider once whether this truly accords with the master's interest, and whether it would be politically more secure and useful for the Honourable Company if one thought of this in a different manner. The cinnamon land, or where it actually grows, is confined along the shore from the river of Gaijmelle to, at its highest estimate, the post of Tangale, circa 9 hours above Mature, and landwards as far as the mountain chain of Kandia extends, which I calculate will be 13 to 14 hours in a straight line from the named shores [illegible] The remaining land of Ceylon is mostly arable land, forests, margins that do yield other products, but no cinnamon. How much one must now conserve this small cinnamon perimeter, every well-meaning person judges for himself. But to what extent this happens appears from the so many lands that are still successively surrendered under one designation or another, or, according to the incoming reports of the Lord Dissave Billing, already are, may, must, and shall be surrendered. Far be it from me to contradict the cultivation of the cinnamon, but I believe I may remark regarding the planting of the gardens: that this must take place as if it is planted out from it, and so forth. I have also submitted for consideration with this report
Dutch transcription
353 al verder gelukkig is geresuseerd en wel door de ondervolgende middelen in het werk te stellen. Den /: w: Z: Heere Falck, die op alles bedagt was en langzaam dog zeeker voortwerkte voorsag zeer wel, dat in dien men omtrend de aan planting der kaneel zeer nauwe regels aan de Inlander (:die om zeer veele reedenen altoos teegens dit produkt is ingenoomen ge„ weest:/ wilde voorschrijven, het niet zoo wel zoude vlotten als wanneer men hieromtrend wat ruim schoots bij wijze van spreeke te werk ging. zijn wel Edele Groot achtbaare schreef dan vervolgens een sannas of bekendmaaking uit, in dato den 22. ' Maart 1770. waarbij ieder aangevroedigt wierd tot het aanplanten van kaneel, met belofte van zeekere belooning aan ieder, die in deese werksaam wilde weesen en het gelukkige gevolg hier van heeft men reeds gesien voor het afsterven van dien waar„ dige en welmeenende Ceilonsch vader, wiens na„ gedagtenisse tot als nog in alle Marten met liefde gegraveert is, Ja dus, wie zoude er zijn, veel J ze Linde veel min ik, die verpligting aan hem hebbe om deese verstorvene zijne nagedagtenisse of zijne gedaane handelinge te bevlekken, neen, mijne gedagten over het kaneel aanplanten ben ik verzeekerd dat bij zijn wel Edele Groot achtb: ook resideerde; en ik ben ook verzeekerd dat desselfs gewoone familjaere ommegang mij geleegentheid zoude hebben gegeeven om de geringe aanmerkinge die ik door ondervin„ ding hebbe gekreegen bij hun aantebrengen. Dit was ook mijn oogmerk bij aankomst van den wel Edelen Groot achtbaaren Heere van de Graaff, ten minste ik hebbe daartoe successive mijne Poginge op Hoogst desselfs daartoe aan mij gegeeve verlof gedaan tot een= delijk den geweesene Heere dessave ook naar het vaderland repatrieerde en vervolgens. den dessave Billing als dessave van kolombo wierd aangesteld en deese landdienst hadde overgenoomen. Ik hebbe reeds gesegd dat bij het afsterven van den /: w: Z: Heere Gouverneur Falck men de beste verwagting konde hebben, omtrend het Nagezien 354 het aangeteege kanneel Produkt, en waarlijk zoo dra hadde den Heere Gouverneur van de Graaff niet het Gouvernement overgenoomen of Hoogst desselfs iever in deeze bewees het be„ lange dat Hoogst dezelve in deese en andere Landbeschikkinge wilde neemen. Dit gaf mij dan ook geleegentheid om mij =ne geringe kunde des moogelijk aante bren„ gen, dat wijl ik verschillende was van ge„ voele met de nieuw aangestelde heer dessa, ve Belling en moogelijk ook met anderen, konde ik niet toestemmen, en alle deese zijne projekten, en uit bezonder omtrend de kaneel kulture, wijl deese zijne gedagte waaren, om het Land maar bebouwd te krijgen, het kanneel produkt in een zeeker gestek te brengen en voorts dat men ver„ volgens alle andere Landerijen of schoon ze ook in het kaneel bestek waaren aan den Landman konde afstaan. Dit bewijst zig door zijn antwoord op mijn berigt van den 3. ' Julij 1786. en door het verzoek dat Z: W: Ed: successive gedaen heeft J D. Linde heeft betreklijk een groote parthij landerijen zoo voor zig zelven als voor de Inlands: Hoofden en dit bragt dan ook te weeg, dat ik hebbe overgelegd mijn berigt vanden 3. ' Julij 1786. Het nuttige vande kanneel aanplanting hebbe ik daarbij reeds beschreeven; immers ik zeg¬ ge daar bij in verbies. Eerstelyk Men heeft hier uit te wagten dat zoo er eenemaal eene genoeg zaa„ me aanplanting geschied er ook eene voldoende leverantie e naar Euro„ pa zal konnen gedaan worden Tweedens Men zal de geeischte kwantiteid met een minder getal schillers kunnen versaemelen, het gevraagde zal men in een korter bestek ook kunnen vinden, en men zal het ove„ rige land aan den armen inlander ter beplanting van koker boomen Peper, kapok, Rijst en nog meet an„ dere Produkten vervolgens ken„ nen afgeeven. Dit alles zoude voldoende genoeg zijn, om Nagezien 355 om ieder bij na aantespooren tot de gezegde aanplanting, immers het voor uijtzigt daarvan zoude men als een gelukkige verkiesing moeten aanmerken Het Land en in het de hon„ der dies in wooners worden hier door op zig zelve gelukkiger: dog laat ons nu ook eens overweegen of dit met smeesters belange ook wel over een„ komt en of het voor d'E: Maalschappije staat kundigen zekerder en nuttiger zouwde weesen, als men hier van op eens andere wijze dagte Het kaneel land of waar deese eijgentlijk groeid bepaald zig langs strand van de revier van Gaijmelle tot op zijn Hoogst gereekend aan de Post van Tan„ gale cikka. 9. uuren boven Mature en Landwaarts in zoo verre zig het keeten gebergte van kandia strekt dat ik reekene 13. â 14. uuren in eene reg„ te lijn van de genaam de Stranden zal Jz: Linde zee weele zal: weezinge Het duewige lands van baurlam Ceijlon is meest bouwland: bos:scher maargen die wel andere Produkten maar geen kanneel uitleeveren toe zeer men nu dit klijn kanneel be„ stek moet konserveeren beoordeelt ieder welmeenende op zig zelve Edog in hoe verre dit geschied, blijkt aan de zoo veele Landerijen die nog successive onder de eene of andere benaeming worden afgegeeven of blijkens de inge„ koomene berichten van de Heer Dassa„ ve Billing reeds zijn, kunnen moe„ ten en zullen afgegeeven worden, Het zij verre dat ik het cultiveeren van de kanneel zal teegenspreeken maar ik meene omtrend het aan„ planten der thunnen te moogen aan„ merken: dat dit moet geschieden als of er uit aangeplant wordt en zo voorts. Ik hebbe ook by dit berigt in overweeging gegeeven Nagezien
English
given how, in my opinion, cinnamon planting ought to take place, with the reasons that moved me thereto, and this writing was answered by Mr. Billing, as can be seen in his advice dated 11 July 1786. Regarding what was set down therein by his Honour, I shall not express myself at this moment, but this gave me the opportunity to reply thereto, as can be seen in my report of 18 July of the same year. In submitting these reports, I had no other aim than to preserve, as much as possible, what in my opinion is the small cinnamon allotment. The planting, which at that moment was proceeding with double intensity, certainly still occurred in the same manner as had been done previously, before the decease of the Governor, Mr. Falck; at this moment, because so many plantings had already been made, J le Linde I believed that one could be somewhat more moderate in this regard, the more so because Mr. Billing already predicted in his address that one would be able to obtain six thousand bales within ten years from the Maradana, Colombo, Ekala, and Moratuwa alone. How much greater would the number be if all the planted plots of land outside of those were to yield cinnamon proportionally? In my opinion, it now depended much more in the future upon obtaining good cinnamon, and always being able to ensure it, especially since we could already count on a certain number of bales or packages from the plantation. I repeat, the Governor, Mr. Falck, was in the beginning of the planting compelled to start this work on a large scale, but now, I believed, one ought to be mindful to obtain good and sound cinnamon, since we could count on the quantity of packages according to Checked the description of Mr. Billing. Mr. Falck, I say again, was compelled to encourage the planting of cinnamon without prescribing strict or severe rules, and through this it is easily understood that in the beginning mistakes crept in here and there in this work; in particular, this caused good and bad varieties of cinnamon fruits to be planted in many places. I have also spoken of this more broadly in my previous reports, to which I refer in that regard, and what ought to be done concerning it. I also refer in that respect to my report of 26 December 1787, upon which the Dessave, Mr. Frets, only remarked that he was of the opinion that one ought to proceed with the method that has been successively improved and is currently in use since the establishment of cinnamon plantations, Jz. Linde as nothing had occurred to his Honour that could serve for improvement for the present, and to which I answered nothing further, for the reasons recently set down in my report dated 23 October 1789. Their High Mightinesses have seen fit, by missive dated 17 April 1789, § 49 to 55, speaking of native affairs, to order me to make such accountability and demonstration as set forth therein. I believed I had complied with this in my last submitted advice dated the 23rd of this month, but how greatly I was mistaken in this appears from the resolution taken in the Council of Ceylon on the 24th of this month, whereby it is ordered to me, as can be seen therein. And although I thought twice to excuse myself from this, and humbly requested this of the Governor, Checked the more so because the investigation of this commission could be carried out by native commissioners, I was virtually compelled to go and make the demonstration personally in the forest itself. As your Honours know, we departed from the Galle Gate in the morning at about 7 o'clock, and we met one another at the tamarind tree, where the Maradana goes inward. Being here, I asked to have some disclosure of your Honours' instructions, in order to govern myself accordingly in the demonstration that was to be made by me, and this request was partially granted. Thereupon I decided to take the road through the Maradana. I showed your Honours here and there some newly planted coconut trees, and we subsequently arrived at the so-called Chalia rest house that stands in the middle of the Maradana. Upon arrival there, I addressed your Honours in the following manner: Gentlemen, How sensitive this commission makes me, I am assured that each of your Honours will realize for himself. I am certainly glad that this commission has been entrusted to people who each, even before the demonstration that I shall make, feel within themselves the certain truth of my propositions; nevertheless, I would be in the utmost embarrassment if I did not think I could demonstrate and confirm what I maintain. The interests of the Company lie enclosed in the matter, and thus I hope that your Honours will have the patience to let all my proofs be noted down and accepted, which I shall try to bring to light as clearly as will ever be possible at this moment. Checked
Dutch transcription
356 gegeeven, hoe na mijn gedagten, het kaneel aanplanten diende te geschieden, met de ree„ denen die mij daar toe moveerden, en dit ge„ schrift is door den Heer Billing beantwoord als bij zijne adves in dato den 11. ' Julij 1786. te zien. over het daarbij door zijn welEdele needer gestelde, zal ik mij op dit moment niet uijtlaeten, maar dit heeft mij geleegentheid gegeeven om daarop te antwoorden, gelijk bij mijn bericht van den 18. Julij desselven Jaars te zien. Met het indienen van deeze Berichten, hadde ik geen andere oogmerk, als het na mijn gedagte klijn kaneel bestek zoo veel moogelijk te conserveeren. De aanplanting die op dat moment met verdubbeling voortging geschiede zeekerlijk nog op dezelve wijze als dit voor heen, voor het afsterven van den Heere gouverneur Falck waare geschied, dat op dit moment wijl er reeds zoo veele aanplantingen waare gedaan vermeende J le Linde vermeende ik dat men hieromtrend wel iets gematigder konde weezen, temeer, wij den Heer Billing reeds bij zijn addres voor spelde, dat men alleen uit de Maraendaan kolombo Ekelle en Moroltoe binnen de thien Jaaren ses duijzend baalen zoude kunnen erlangen. Hoe veel te meer zouwde het getal bedraagen als alle, nog buiten die aangeplante stukken gronds na rato kan neel kwaemen te geeven, het kwam er die nu na mijn gedagten in den vervolge maar meer op aan, om goede kaneel te krijgen, en zig daar van altoos te konnen verseekeren, temeer wijl mij reeds uit de aanplanting een zeeker getal baalen of fardeelen konde reekenen Ik herhaale, den Heere Gouverneur Falik, was in den beginne der aanplan„ ting genoodzaakt ruim schoots met dit werk te beginnen, maar nu geloofde ik, diende men bedagt te zijn, om goede en deugdsaame kaneel te erlangen, wijl wij op de kwantiteid der fardeelen volgens de Nagezien 357 de beschryving van den Heer Billing konde reekenen Den Heere Talck hersigge ik nogmaals was genoodzaakt om zonder sterke of strap„ se Regels voorteschrijven de kanneel aan„ planting aante moedige, en hier door is ligtelijk te begrijpen dat bij deese verrigten„ ge in den beginne, hier en daar vergissinge zijn ingesloopen, uit besonder is daar door veroorzaakt dat er op veele plaatsen goe„ de en kwaade zoorte van kanneel vrug„ ten zijn aangeplant ook hier van hebbe ik breeder gesprooken bij mijne voorige berichten; waar aan ik mij refereere ten dien aspekte, en wat daaromtrend dien de gedaan te worden. Ik refereere mij ook ten dien opzigte aan mijn bericht van den 26. xber: 1787. waarop den Heer dessave Frets alleenlyk heeft aangemerkt. van oordeel te zyn, dat de successive zeedert het aanleggen van kaneel plantagies, verbeeterde, en thans in gebruik zijnde manier behoorde te worden voortgevaaren Jz. Linde voortgevaaren, als zijn E: niets voorgekoomen zijnde, dat voor het teegenswoordig tot ver„ beetering zoude kunnen strekken en waar op ik verders niets hebbe geantwoord om de gegeevene reedenen onlangs bij mijn be„ recht in dato den 23. 8ber: 1789. needer gesteld. Haar Hoog Edelheedens hebben goed ge- vonden om bij missive in dato den 17. april 1789. § 49. tot 55. /: spreekende over de In„ landsche zaaken:/ mij te gelasten zoo„ danige verantwoordingen aanwijzing te doen als daar bij gesteld. Ik meede daar aan voldaan te hebben bij mijn laatst overgelegd adves in dato den 23. deeser, dan hoe zeer ik hier in mis„ gist ten, blijkt bij resolutiie genoomen in Raade van Ceilon op dato den 24. deeser, waarbij mij word aanbevoolen, als daer„ zien bij te zig En ofschoon ik tot twee maalen mij hier van dagte vrijte spree„ ken en zulks den Heer Gouverneur demoedig Nagezien 358 de moedig verzogte te meer wijl het on„ dersoek van deeze commissie door Inlan„ sche gekommitteerd:s konde geschieden, wierd ik als gedwongen perzoneele aanwijzinge in het bosch zelve te gaan doen. zoo als uwel Edelens weet, vertrokken wij smorgens cirka 7. uuren uit de Gaalsche Poort en dat wij malkanderen ontmoet hebben bij de tammerinde boom, waar de Marrandaan na binnen gaat. Hier zijnde vroeg ik eenige opening van uwEd:s Instruksie te moogen hebben, ten einde mij daarna te reguleeren, in de aanwij„ zing die door mij zoude geschieden en dit versoek is gedeeltelijk voldaan. Hier op besloot ik de weg door de Marran„ daan te neemen, Ik weef uwEd:s hier en daar eenige Jonk aangeplante koker„ boomen aan en kwamen vervolgens aan het zoogenaamde sjalias rusthuis dat midden in de maraendaan staat. Bij aankomst aldaar, sprak ik uwel Edelens op de volgende wijze aan Mijne J: Linde Mijne Heeren Hoe gevoelig mij deese commissie maakt ben ik verzeekerd dat ieder van uwel Ed:s bij zig zelve zal perni„ treeren. verheugd ben ik zeeker dat deese com„ missie is opgedraagen aan lieden die elk reeds voor de aanwijzing die ik doen zal bij haar zelve gevoelen de zee¬ kere waarheid van mijne stellinge; niet te min zoude ik in de uitterste verleegenheid zijn als ik niet meen„ de te kunnen aanthoonen en beves„ tigen wat ik mainteneere De belangens vande Maalschappije leijd in de zaak opgeslooten, en dus hoope ik dat uwEd:s het geduld zult hebben van alle mijne bewyzen te laaten aan„ teekenen en aanneemen, die ik zal probeeren en zoo goed aan het dag ligt zal stellen als maar immers op dit moment moogelijk zal weesen Ik Nagezien
English
359 I had hoped that the submitted report presented to the Governor on the 23rd of this month would be considered sufficient to point out what the High Honorable Gentlemen of Batavia desired of me by letter dated the 17th of April 1789, and to which I was ordered by a subsequent resolution in the Council of Ceylon. I hoped this all the more, since I enclosed with this report that type of cinnamon and its leaves which would serve to confirm my proposition, and which cinnamon I found in these parts. I repeat, I had hoped that I would have complied with the intention through this; but since your Honors have been further appointed to make an ocular inspection of that which I shall point out in compliance with that order, and the pointing out thereof has now been recommended to me all the more strictly, I bring your Honors here to the place where I first point out to your Honors: How this district, as is known to your Honors, is the land that produces the very best cinnamon. I bring your Honors here to the place where I point out to your Honors how cinnamon has been planted on some watery and less virtuous soils. I request: examine now also what I have said about it, and judge whether this cinnamon is as good, and can ever become as good, as that which stands next to it on better soil, and which I request you to compare with it. We then proceeded a little further; had five sticks of cinnamon trees cut there according to my liking, which stood in the lowest and swampy soils, and against that your Honors had another 5 sticks cut on the slightly higher ground to be found there, which were then taken along by us to the rest house, and which we there had peeled separately by the cinnamon peelers, partially dried, and then taken along. The taste thereof will value its quality. While this was taking place, I asked to have the cinnamon overseer Louwrens Spittel called, and in the meantime asked the aratchi of the cinnamon peelers, Joan, whether this terrain of ground extended to the public road to Kotta, and he answered this with "Yes", saying: "This ground is all entirely the same." The overseer Spittel having arrived, I asked whether the cinnamon that was planted around here came up well, and he answered that some trees now stood reasonably well, but that this place between the rest house and the road to Kotta, about which I was actually inquiring, had been planted as many as four and five times, but that each time the trees had died off, until now finally a large number remained standing. Of this statement I requested a note, because by this I believed I could prove that the natural plantation came to suffer greatly, because all these perished trees at this place would have come up, at least for the greatest part, if they had remained standing in their mother earth. From here we went up to the public road to Kotta, and then to the planted cinnamon garden of the Dessave Mr. Cok, while on the way, before we came to the public road, several young planted coconut trees were pointed out by me to your Honors, with the request to pay attention to them. Having arrived in the aforementioned large cinnamon garden of the Dessave Mr. Cok, we went a little further, whereupon we subsequently halted and I addressed your Honors: "Gentlemen, I will gladly admit that it would cost me very much trouble to point out to your Honors here any wild cinnamon trees, all the more because I have never been able to make myself knowledgeable enough, or had ability enough, to be able to distinguish the wild cinnamon or bad sorts at the first moment; but I have deliberately enabled myself to be able to do so at this moment." Subsequently, I went with your Honors into the cinnamon forest, and pointed out a cinnamon tree that was recognized by the cinnamon peelers and their head as Sewel Koeroendoe. The aratchi of the cinnamon peelers, Joean, said at that moment that such cinnamon does not occur naturally here in the Salpitty Corle, and that it must have been planted there in one way or another. I requested that this might be noted down. Subsequently, I brought your Honors to a tree that was indicated by me as a bad sort, but was recognized by the cinnamon peelers to be good cinnamon. The third tree that I pointed out was also recognized by the cinnamon peelers as a bad sort, under the name of Madoen Sewel Koeroendoe. After this demonstration, I excused myself from further demonstrations, and said that in case one wished to know whether still more bad sorts of cinnamon grew in this garden, one would then be pleased to appoint a special committee for that purpose, according to the contents of the last report. At that moment, the overseer Spittel was absent again, and I requested that he might be called; meanwhile requested your Honors to remember the young coconut trees pointed out by me while passing through the Marrendaan, and those to be found in the surroundings where we now find ourselves and which could be seen round about. I pointed out to your Honors a few more standing there in the Marrendaan and said: this place
Dutch transcription
359 Ik hadde gehoopt, dat het overgelegde be„ rigt den 23. ' deeser aan den Heere Gou„ verneur gepresenteerd voldoende zou„ de geagt worden ter aanwijzinge van Hoog het geene Hun Edelheeden of Batavia bij missive in dato den 17. april 1789 van mij begeerd hebben, en waartoe ik door een nadere besluit in Raade van Ceilon ben geordonneert geworden Ik hoopte zulx te meer, wijl ik bij dit berigt hebbe overgelegd die zoorte kaneel en desselfs blaaden, welke tot bevestiging van mijne stelling zoude strekken en welke kaneel ik hier omstreeks gevonden hebbe. Ik hersegge, ik hadde gehoopt, dat ik hier meede aande intentie zoude vol„ daan hebben, dan dewijle uwel Ed: nog nader benoemd zijn, om ok ulai„ re inspektie te neemen van het geene ik zal aanwijzen, ter voldoe„ mij ning aan die ordre, en de aanwijzing daar van nu nog nader zoo strikt is Jz: Linde is aanbevoolen; zoo brenge ik uwel Edelens hier ter plaatze, waar ik uwel Edelens eerstelijk aan wijze. Hoe dit distrikt zoo als bij uwel Edelens be„ geevende kend, het aller beste kaneel gewoerde lan is Ik brenge uwEd:s hier ter plaatse, waar ik uw: Ed:s aanwijze hoe er kaneel aangeplant is op sommige, water agtige en minder deug„ zame gronden Ik verzoeke ondersoekt nu ook wat ik daarvan gezegd hebbe, en beoor„ deelt of deese kaneel zoo goed is, en immer zoo goed kan worden, als die hier nevens op beetere gronde staat en die ik versoe„ ke daarbij te willen vergelijken. Wij gingen vervolgens wat verder op lieten aldaar naar mijne sinlijkhijd vijf stokken van kaneel boomen kappen, die in de laagste en sompige gronden stonden en daar en teegen hebben uw Ed:s nog 5. stokken laaten kappen op de aldaar te vindene een wijnig hooger grond, die ver„ volgens door ons is meede genoomen na het rusthuis en die wij aldaar elk Op Nagezien 360 op zig zelve door de kaneelschillers hebben laaten schullen, gedeeltelijk droogen en vervolgens meede genoomen. De smaak daarvan zal zijne duegd wardeeren. In„ tusschen dit geschiede vroeg ik den kaneel op zigter Louwrens spittelte laaten roe„ pen en vroeg intusschen aan den arraatje van de kaneelschillers Joan, of dit ter rain van grond zig uitstrekte tot de al„ gemeene weg na kotta, en deese beantwoor„ de dit met Ja; zeggende deese grond is Alle gaar het zelvde. Den opzigter spittel gekoomen zijnde, vroeg ik of de kaneel die hier omstreeks geplant wierd wil opkwam, en deeze ant„ woorde sommige boomen nu reedelijk wel stonden, maar dat deeze plaats tusschen het rusthuijs en de weg van kotta„ waarna ik mij eigentlijk in formeerde wel vier en vijfmaalen aangeplant was, dog dat telkens de boomen waaren uit„ gestorven, tot er nu eindelijk een groote parthij bleeven staan. van Jz. Linde van dit gezegde versogte ik eene aanteeke ning, wijl hier door mende te konnen be„ wijzen dat de natuurlijke aanplanting ve kwam te lijden, wijl alle deese verstorvene boomen op deese plaets, ten minste voor het grootste gedeelte, wanneer die in haare moeder aarde was blijven staan zoude zijn opgekoomen. Van hier gingen wij tot op de algemeene weg van kotta, en vervolgens naar de aan„ geplante kaneel thuin van den Heer Dessave cok, terwijle onder weegens eer wij tot op de algemeene weg kwaemen door mij aan uwEd. s wierd aangeweesen verschijde Jonk aangeplante kokerboomen met verzoek daar op attentie te willen hebben. In gem: groote kaneel thuijn van den Heer dessave Cok gekoomen zijnde gingen wij wat voort, wanneer wij vervolgens halt maakten en ik uw WelEdelens toesprak. Mijne Heeren. Ik wil gaarne bekennen dat het mij zeer veel moeite zouw kosten om uwEd:s hier eenige Nagezien 361 eenige wilde kaneel boomen aantewijzen, temeer ik mij nooid kundig genoeg heb kun„ nen maaken of vermoogens genoeg gehad hebben om de wilde kaneel of slegte zoor, ten op het eerste moment te kunnen on„ der scheiden, dan ik heb voorbedagt mij in staat gesteld om zulks op dit moment te kunnen doen, vervolgens gink ik met uwel, Edelens in 't kaneel bosch, en wees een kan„ neel boom aan die bij de kanneelschillers en haar Hoofd weerd erkent voor sewel koe„ roendoe, het arraatje van de kaneelschil„ lers Joean zijde op dat moment dat zulke hier kaneel (in de salpittij Corle natuurlijk niet voortkomt en dat dezelve daar op de eene of andere wijze geplaat moest wee„ zen. Dit versogte ik dat aangeteekend mogte worden. vervolgens bragt ik uwel Edelens bij een Boom die door mij voor een slegte zoort wierd opgegeeven, dog bij de kaneelschillers erkend wierd; goede kan„ neel te zijn. De J: Linde De derde boom die ik aangeweesen heb wierd ook bij de kaneelschillers erkend voor slegte zoort onder den naam van Madoen sewel koeroendoe. Na deese aan wijzing exkuseerde, ik mij van meerdere aanwijzing en zeide ingevalle min wilde weeten of er nog meer slegte zoortekaneel in deese thuijn groeide, men als dan na den inhoud van het laatste berigt een expresse commissie daartoe ge„ liefde te benoemen. op dat moment was dan opzigter spit„ tel alweeder absent en ik versogte dat hij mogte geroepen worden; versogte in„ tusschen uwel Edelens zich te herinneren de door mij aangeweesene Jonge koker boomen, in het doorgaan van de Marren„ daen en de te vindene daaromstreeks waar wij ons nu bevinden en die men om en bij konde zien Ik wees uwel Edelens nog eenige daar staande in de Marrendaan en zijde deese plaats Nagezien
English
362 Answer: place that I indicate here to Your Honours; with that I wish to prove how the coconut trees are planted in the best cinnamon lands and forests, and that by doing so this region, successively against all orders lying thereto in time, just as this took place from Banture to Kaliture, will turn into coconut gardens. I do not know whether these have been planted on one-third; this can be investigated further. It appears, meanwhile, that around this laid-out coconut garden, as well as in the Marrendaan, many cinnamon trees are to be found. The overseer of the cinnamon, second spittel, had meanwhile arrived, and in Your Honours' presence I asked him the following questions, which he answered as can be seen here in the margin. Questions: JD: Linde 1. Whether he has not discovered, and still discovers, when cleaning the cinnamon gardens, that much bad cinnamon grows among the good. Answer: Yes, much bad cinnamon is found in the cinnamon gardens, but the same are rooted out upon discovery. 2. Whether it is not known to him that the cinnamon peelers peel the bad sorts of cinnamon that grow on muddy places, which is not as good as from the other soils; that it has a thick bark and is not of that flavor as other good cinnamon; and that they cannot be peeled into long quills, and therefore are peeled in small pieces and inserted into the good cinnamon, and how this happens. Answer: That he himself has seen many times that the bad sort of cinnamon is inserted into the good, and that it is often mixed with the good. 3. Whether he has not many times discovered that the planters choose the two best parts for themselves for the planting of coconut trees and the one bad part for planting cinnamon. Answer: Yes, to have discovered such, and that such is also natural. 4. Whether he must not admit that at the first planting, and in many places still, many bad sorts of fruits are found among the good, and have been planted as such. Answer: To have found wild cinnamon trees in the planted gardens, but not knowing whether they were planted, or rather brought into them by the birds; but in the Marrendaan itself to have seen no wild cinnamon at all. Checked. 363 the trunk does grow up, but shoots up too quickly and well. 5. Whether he must not admit that marshy and watery soils render the good sort of cinnamon unproductive. Answer: Cinnamon growing on watery and marshy soils cannot be of good flavor, but when they are transplanted to other soils, they then obtain the good flavor. 6. Whether he must not admit that wild sorts of cinnamon, when young, are unrecognizable, and that even the cinnamon peelers mistake themselves in this. Answer: Wild cinnamon, being young, cannot be well known, and even some cinnamon peelers consider it to be good. 7. Whether he has not found that cinnamon shoots up faster on clay soils than in Marrendaan soil, and how much that differs. Answer: That cinnamon on clay soils shoots out more shoots, and in the high Marrendaan soil it shoots up quickly and well. This being done, I said: I hold herewith to have satisfied this commission and that which was commended to me for it. I request, in case Your Honours' curiosity or obtained order extends further, to examine yourself or through a commission how much bad cinnamon grows in these and other gardens lying hereabouts. What is still lacking here, I shall, if desired, have further examined upon my arrival at Gale, and subsequently serve with respect by Report. Now follow my answers to the stated articles in the Instruction obtained by Your Honours, as said under date of 25 October 1789. Article 2. When on 1 August 1786 deliberations were held on certain reports of Mr. Sluijsken, mentioned in the resolution of that day, His Honour, as appears from the notes in this resolution, of which an extract lies annexed hereto, to the express questions whether he, Mr. Sluijsken, over and above the arrangements according to which the cleaning and planting of the cinnamon lands was already then managed, knew of anything to indicate for the further improvement and better progress of this work, answered that he had nothing to remark thereon, and that he did not think that this work could be managed better and on another footing than that which was already then maintained therein. Answer: This article has already been answered by what was set down hereinbefore. I have also, at that moment when I was asked, said with certain [illegible] that I referred to my reports of 3 and 18 July 1786, and that I requested that these might be sent to Batavia; also that I could not vote in favor of granting so many requested lands; that I had pleasure in the clearing of the forests and the planting of cinnamon, but that I did not approve of the manner in which this took place. One already sees that I had those reports in view: the extensive granting of lands to be planted with cinnamon on one-third, and that I did not wish to vote for it because of the bad consequences that I thought would result from it, and this I have subsequently, as well as in those reports, already indicated according to my thoughts. Checked. 364 Pursuant to and in compliance with the aforesaid very honored order of Their High Excellencies in the last-mentioned Ceylon resolution, Mr. Sluijsken submitted the report that lies annexed hereto in original, and on which was taken: Article 8. Answer: These requested indications have taken place as set down hereinbefore.
Dutch transcription
362 antwoord plaats die ik uwel Edelens hier aanwijze; daarmeede wil ik bewijzen, hoe de koker boomen in de beste kaneel gronden en bosschen worden aangeplant, en dat door zulks te doen deeze landstreek successive teegens alle daartoe leggende orders in der teid zoo als zulks van Banture tot kaliture heeft plaats gehad in koker thuijnen zul„ len veranderen. Ik weet niet of deese op een derde zijn aangeplant, dit kan naeder ondersogt dat worden. Het blijkt intusschen hier om en bij deese aan gelegde koker thuin als in de Marrendaan zijnde veel kaneel boomen zijn te vinden. Den opzigter der kaneel 2: spittel was intusschen gekoomen, en in uwel Ed:s presentie vroeg ik hem de onvolgende vraagen die hij zoo als hier bij in mar„ geene te zien beantwoorde vragen Ja veel slegte kaneel 1:/ of hij niet bij het zuiveren worden in de kanneel der kaneel thuinen ontdeckt tuijnen heeft JD: Linde thuijnen gevonden, dog de heeft en nog ontdekt dat 'er vee„ zelve worden uitgeroerd bij ont„ le slechte kaneel onder de goe„ dekking de opgroeid. Dat hij zelvs veelmaals gezien 2.) of hem niet bekend is dat de kan heeft dat slegte zoorte kaneel bij de goede word gestooken, en dat neel schillers de slegte zoorten kaneel die op modderagtige plaat„ met de goede veel tijds vermen„ sen worden geschild niet zoo goed is, als vande andere gronden, gen en hoe dit toegaat. dat ze dik van bast en niet van die smaak is, als andere goede kaneel en dat ze niet bij lange pijpen kunnen geschild worden en derhalven bij klijne stukken geschild en bij de goede kaneel inge„ stooken worden. niet 3. of hij veelmaale ontdekt ga zulx wel ontwoerd te hebben en dat zulx ook natuurlijk is- heeft, dat de aanplanters de twee beste deelen voor haar ter D aan planting van koker boomen en de eene slegte deele tot kan„ neel aanplanten verkiesen. In de geplante thuijnen wilde 4. / of Hij niet moet bekennen kaneel boomen wil gevonden dat bij de eerste aanplanting te hebben, dog niet te weeten of ze zijn aangeplant, dan en op veele plaatsen nog veele wel door de vogels daar slegte zoort vruchten onder en de Nagezien 363 de stam wel opgroeid, maar op te spoedig en wel opkomt. in zijn gebragt; dog in de mar„ de goede worden gevonden, en zoo„ rendaan op zig zelve in het geheel danig aangeplant zijn geen wilde kaneel gezien te hebben kaneel die op water agtige en 5. ) of hij niet moet bekennen dat sompige gronden groeid van geen sompige en water agtige gronden kan goede smaak zijn, dog dat wan„ neer ze verplant worden opan „ de goede zoorte kaneel ondrugt dere gronden als dan de goede smaek verkrijgen; saam macken wilde kaneel Jonk zijnde 6. ) of hij niet moet bekennen niet wel te kunnen is, en dat dat wilde zoorte kaneel zelvs sommige kaneel schillers Jonk zijnde onkenbaar is en dat zelvs hierin den kan„ neel schillers zig misgist. die voor goede aansien. Dat de kaneel op klijgronden 7. ) of hij niet bevonden heeft, dat de kaneel op klij gronden looten uitschieten, en in de hoog„spoediger op komt als in Mar„ rendaan grond en hoe veel dat wel verscheeld. de Marrendaan grond ze meer Dit gedaan zijnde, zij de ik. Ik houde hier„ meede voldaan, aan deese kommissie en het „ J : Linde het geene mij daartoe aanbevoolen is. Ik versoeke in dien uwel Edelens nieuwsgie„ righeid of erlangde ordre verder gaat zelve, dan wel door een commissie te laaten na„ gaan hoe veel slegte kaneel in deese en an„ dere hier omstreeks leggende thuinen op groeijen Het hier aan nog ontbreekende zal ik des begeerd wordende bij mijn aan„ komst op Gale nader laaten ondersoeken en vervolgens in eerbiedt van Raport dienen Nu volgen de antwoorden van mij op de gestelde artikelen bij de aan uwel Edelens erlangde Instruksie zoo als gezegd in dato den 25 8ber: 1789. Dit artikel is door het hier Toen den 1. aug:s 1786. gedelebereerd vooren gestelde reeds beant„ woord, Ik hebbe ook op dat is over zeekeere berigten van de moment wanneer mij ge„ vraagd wierde met eenige „ Heer sluijsken, bij de resol: van zegd dat ik mij refereerde aan mijne berigten vanden dien dag vermeld, heeft zijn 3. en 18 Julij 1786. en dat ik ver„ Ed: blijkens het aangeteekende sogte dat deese na Batavia mogte gezonden worden, bij deese resol: waarvan een ook dat ik niet konde meede extrakt hiernevens legd, op stemmen in het afgeeven Artikel 2. van de Nagezien ge 2 v 364 Deeze gevragde aanwyzing zijn zoodanig geschied, als hier vooren is ter needergesteld. van zoo veele versogte Landerijen, de expresse vraagen, of Hij Heer dat wel behaegen had in het schoon„ sluijsken boven en behalven de maaken der bosschen en de aan„ planting van kaneel, maar dat schikkingen waar na het Zuive„ ik de manier hoe dit geschiede niet approbeerde men ziet reeds ven en beplanten der kaneel dat ik die berigten al ui't oog landen reeds toen wierd besteerd; hadden het veel afgeeven van Lan„ drijen op een derde met kaneel nog iets ter meerdere verbete„ aante planten, en dat ik daarin ring en beeteren voorlgang van niet wilde stemmen om de kwaade, gevolgen die ik meende dit werk wist aantewijzen, ge„ daaruijt te zullen resolteeren, en dit heb ik uit vervolg zoo antwoord, dat hij daarbij niets wel als bij die berigten na mijne had aantemerken, en dat dezel„ ve niet dagte; dat dit werk bee„ ter en op eenen anderen voet dan die toen reeds daar in ge„ houden wierd, konde worden bestierd. gedagten reeds aangeweesen. Ingevolge en ter voldoening van voorsz: zeer g'eerde ordre van Hun Hoog Edelh:, in de laatst gem: ceilon schen resol: heeft de Heer sluijsken in gediend het be„ rigt dat in origineel hier ne„ vens legd, en waarop genoomen art: 8. is