VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3881

Ceylon · 588 pages · 79 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3881_0319 view scan ↗

English

To the former captain of the private vessel the Orangezaal, Wazeman, who arrived here yesterday, we have granted, upon his request, permission to cross over to Batavia on the ship Demerarie with the remaining crew of the aforementioned vessel, consisting of 2 mates and 27 European and native sailors, without expense to the Company. We commend Your High Excellencies and the interests of the Company to God's safe keeping and remain with all respect and fidelity, underwritten, High Noble, Greatly Esteemed, Widely Ruling Lord, Right Noble, Severe Lords, Your High Excellencies' humble and very obedient servants, was signed, W: J: van de Graaff, M: P: Staket, J: Reintoud, B: L: van Zitter, and J: A: Vollenhoven. In the margin: Kolombo, the 27th of May 1790. Batavia. To the same as before. In an allocation of our requisition for this year received from the Netherlands, we found it noted that the fulfillment of the 80 barrels of pork requisitioned by us has been excused on account of the large supply thereof at Batavia. We therefore take the liberty, by this letter which we dispatch via the coast of Kormandel, to request most humbly of Your High Excellencies that eighty barrels of pork may be sent to us as soon as it can be done, in fulfillment of the requisition accompanying this, as we have no supply thereof for the upcoming return ships. We also take the liberty to present to Your High Excellencies herewith the duplicate of To the same as before. of our respectful letter of the 27th of May last, dispatched with the ship Demerari, which commenced the voyage from Gale to Batavia on the 1st of this month. We commend Your High Excellencies and the interests of the company to God's safe keeping and remain with all respect and fidelity, underwritten and signed as before. In the margin: Kolombo, the 8th of June 1790. Paragraph 1. The state's frigates Zephir and De Havik departed from Gale for Trinkenomaale on the 13th of June last, and touched at Batikaloa in passing, where the gentlemen of the Military Commission stayed for only one day, stayed, and as these frigates are to steer for Palleakatta any day now, and as we are informed from there to Batavia, we take the liberty to dispatch this therewith to Your High Excellencies. Paragraph 2. We take the liberty to send herewith under a separate register our correspondence held with the aforementioned gentlemen of the Military Commission, as well as several memoranda received from Their Honours and the papers pertaining thereto. The plans belonging thereto are being copied and will be sent to Your High Excellencies on a subsequent occasion. Paragraph 3. As these are all military matters, and as we preferred not to deliberate upon them in the absence of the head of the Company's military on Ceilon, Colonel Tilenius, who has been very ill for a long time, we have until now had to postpone the taking of our resolutions thereon. We shall begin our deliberations thereon as soon as the head of the military has recovered, and shall then have the honour to give Your High Excellencies a full report of everything. In the meantime, only out of consideration that according to the arrangements which the aforementioned gentlemen deem necessary, more native troops are needed on Ceilon, as we also fully agree with Their Honours, we have resolved provisionally to recruit from our Moors four more companies of sepoys, and one company of free Javanese, whom we, as with all other native companies, shall have commanded by European officers. Paragraph 4. Paragraph 4. Among other things, Your High Excellencies will find in a memorandum from the aforementioned gentlemen of the Military Commission, dated the 14th of May last, that they judge it necessary that a court martial be established on Ceilon to judge all matters that are purely military. Although we are convinced of the usefulness and necessity of such a court martial, and for that reason ourselves made the proposal to Your High Excellencies in our secret letter of the 27th of July 1782 to introduce a court martial, yet because Your High Excellencies were pleased to disapprove it at that time, we did not wish to proceed now with the execution of the aforementioned proposition of the gentlemen of the Military Commission without having Your High Excellencies' further approval thereon, which we most humbly request through this letter. Paragraph 5. Paragraph 5. The frequently mentioned gentlemen of the Military Commission have also, in the aforementioned memorandum, for reasons alleged therein, proposed to equalize the salaries of the officers of the National Militia, both of the infantry and of the artillery, with those of the officers of the Regiment de Meuron. Fully assured that our subaltern officers in particular cannot possibly subsist on their pay in a decent manner, we have already taken the liberty on repeated occasions to represent this to Your High Excellencies, and now that the gentlemen of the Military Commission were of the same opinion in that regard, we would have found no difficulty in executing their proposal pursuant to the authorization granted by the Right Noble, High Esteemed Directors

Dutch transcription

523 522 Aan den geweezen Capitein van het parti„ kulier schapje de Orangezaal Wazeman die gisteren alhier is aangekoomen, hebben we op zijn verzoek toegezaan, om met de overgebleevene Equipagie van gem: 1 bodem, bestaande in 2: stuurlieden en 27: Europesche en Inlandsche Mattroo„ sen, per het schip Demerarie na Batavia te moogen overvaaren, buiten laste van de Kompenie. Wij beveelen uwe Hoog Edelheeden en de belangens der Maatschappij in Godes veilige hoede en blijven met alle eerbied en trouwe /:onderstond:/ Hoog Edele Groot achtbaare wijd gebiedende Heer, welEdele Gestrenge Heeren. Uwer Hoog Edelheeden onderdanige en zeer gehoorzaame Dienaaren /:was getekend:) W: J: van de Graaff, M: P: Staket, J: Rein„ toud, B: L: van Zitter en J: A: vollenhoven /:in margine:/ Kolombo den 27:e Maij 1740. Batavia Aan als vooren Bij eene uit Nederland ontvangene verdeeling van onzen Eijsch voor dit Jaar, hebben we aangetekend gevonden dat de voldoening van de door ons ge„ „eijschte 80. vaaten spek, ge-excuseerd is wegens den grooten voorraad daar van te Batavia. we nemen dierhal„ ven de vrijheid uwe Hoog Edelheeden door deezen die we over de kust kormandel afzenden, nedrigst te verzoeken dat ons taggentig vaaten spek, zoo spoedig het geschieden kan, mogen worden toege„ zouden, in voldoening van den hierne„ vens gaanden Eisch wijl we daar van geen voorraad hebben voor de aanstaan„ de retourscheepen. Wij neemen nog de vrijheid uwe Hoog Edel„ rheeden hiernevens aantebieden, 't duplikaat van 523 Aan als vooren van onzen eerbiedigen brief van den 27:e Maij Jongstleeden, afgezonden met het schip Demerari, dat den 1:e deezer van Gale de rijze na Batavia heeft aan„ „getreeden. Wij beveelen uwe Hoog Edelheeden en de be„ „langen der maatschappij in Godes vijlige hoede en blijven met alle eerbied en trou„ we /:onderstond: en getekend:/ als vooren /:in margine:/ Kolombo den 8:e Junij 1790. 5. 1. slands fregatten zephir en de Havik, zijn den 13:e Junij J:o l: van Gale na Trinkenomaale vertrokken, en hebben en passant Batikaloa aangegierd, al„ waar de Heeren van de Militaire Commissie zig slegts een dag hebben opgehouden opgehouden, en wijl deeze fregatten eon daags na Palleakatta, en zoo we gein„ „formeerd zijn van daar na Batavia staan te steevenen, neemen we de vrijheid deezen daarmeede aan uwe Hoog Edel„ heeden aftevaardigen. §. 2. We gebruiken de vrijheid hiernevens onde een appart register tezenden, onze ko respondentie met de voorsz: Heeren van de Militaire kommissie gehouden niet en benevens verscheide Memorien van hun Ed:e ontvangen en de daartoe specteerende Papieren. De plant daar toe gehoorende worden gekopieerd, en zullen uwe Hoog Edelheeden bij eene volgende geleegendheid worden toege„ zoudens. §. 3: wijl het alle Militaire zaaken zijn, en dat we daar over liefst niet hebben willen delibereeren in het afzijn van het hoofd van 'skomp:s Milietsie, op Ceilon den Kollonel Tilenius die een 524 een tijd lang zeer krank geweest is, hebben we het neemen van onze be„ sluiten daarop, tot hier toe nog moe„ ten laaten uitgesteld. We zullen onze deliberaatsie daarover beginnen, zoo dra het hoofd van de Militie zal zijn hersteld, en zullen als dan de eere hebben, uwe Hoog Edelheeden van al„ les een volkoomen verslag te doen. Alleen hebben we intusschen uit Consi„ deratie dat ier volgens de inrigtingen, die de voorm: Heeren nodig agten, meer inlandsche troupen op Ceilon noodig zijn, gelijk wij dat met hun Edelens ook op het volkomenst eent zijn, beslooten bij provisie uit onze mooren te doen aanweeren nog vier Comp: sipaijen, en een Comp:s vaije Javaanen, die we, gelijk ook alle overige inlandsche komp:s door Europesche officieren zullen doen kom„ mandeerens. 5. 4. §. 4. Onder anderen zullen uwe Hoog Edelheede bij eene Memorie van voorsz: Heeren van de Militaire kommissie, de dato 14:' Maij Jongstleeden, vinden, dat dezelven noodzaa„ kelijk oordeelen, dat op Ceilon een krijgs„ raad word opgerigt om alle zaaken welk pure Militair zijn te beoordeelen dan schoon we van de nuttigheid en noodzaa„ kelijkheid van een diergelijk krijgsraad overtuigd zijn, en daarom ook zelve bij onzen sekreeten brief van den 27:e Julij 1782: tot het invoeren van een krijgsraad aan uwe Hoog Edelheeden het voorstel hebben gedaan, hebben we nogtans om dat uwe Hoog Edelheeden het toenmaals hebben gelieven aftekeuren nu tot de uitvoering van de voorsz: propotiettie van de Heeren van de Militaire Commissie niet willen treeden zonder daarop te hebben uwer Hoog Edelheeden nader goedvinden, het welk wij door deezen nedrigst verzoeken. 5. 5. 525 §. 5. Ook hebben meermelde Heeren van de Militaire Commissie bij voorsz: che„ morie, om reedenen daar bij geallegeerd, geproponeerd, om de appoinktementen van de officieren van de Nationaale Militie, zoo van de infanterie als van de Artillerij, egaal te stellen met die van de officieren van het Regiment de Meuran volkoomen verzeekerd, dat inzonderheid onze subalterne officieren, van hun traktement onmoo„ „gelijk op eene ordentelijke wijze kun„ nen bestaan, hebben we reeds een en andermaal de vrijheid genoomen om dat aan uwe Hoog Edelheeden te ver„ toonen, en nu dat de keeren van de Militaire Commissie daaromtrend van het zelfde gevoelen waaren, zou„ den we geen zwaarigheid gevonden heb„ ben, om derzelver voorstel, ingevolge de qualifikaatsie, door de wel Edele Hoog achtbaare Heeren Bewindhebberen daar

NL-HaNA_1.04.02_3881_0326 view scan ↗

English

given thereto by your most esteemed missive of 5 February 1789, to execute immediately, if we had not received in the meantime from your Right Honourable Lordships the express order to reduce the emoluments of the officers of the Regiment de Meuron back to the level of the emoluments of the National officers, as Your Honours will please to see from their missive of 2 December 1789, which is enclosed in copy among the appendices hereof. §. 6. Of these and of some other orders appearing therein relative to the said Regiment, we have given notice to the Commander thereof, Colonel de Meuron, who thereupon wrote to the first undersigned Governor on the 16th of this month the letter which also accompanies this in copy. 526 P. E. However much we were persuaded of the narrow subsistence of our National officers, and that the reduction of the emoluments of the officers of the Regiment de Meuron would cause considerable dissatisfaction among them, we nevertheless, by virtue of the aforesaid very positive order of the Lords Majors, had to resolve to make provisionally, and until Your Honours shall have decided upon the aforesaid proposal of the gentlemen of the Military Commission with respect to the National officers, the following arrangements regarding the aforesaid Regiment, namely: 1.) That the emoluments of the Colonel, Lieutenant Colonel, Major, and the Captains shall for the present remain on the footing as they have hitherto been enjoyed by them, because they amount to either less or practically as much as the emoluments of the National officers of those ranks; but that, on the other hand, the emoluments of the Captain-Lieutenants, the Lieutenants, the Second Lieutenants, Ensigns, and Assistant Surgeons shall be reduced and made equal to those of the National officers of the same ranks, and that the rations of wine, butter, etc., when for lack of stock they cannot be provided in kind, shall be paid to them in cash against the customary selling prices, as well as that to the Lieutenants, Second Lieutenants, and Ensigns, by virtue of the 18th article of the Capitulation, the same freeworkers' money shall be paid out of the Company's treasury as the National subaltern officers enjoy. 2.) That since, according to the structure of the Regiment, each company has a Captain-Lieutenant and a Lieutenant, and the Captain-Lieutenants in this Government perform no subaltern duty, it shall be proposed to the Lords Majors, according to the request of Colonel de Meuron, that it may be agreed with the Colonel-Proprietor of this Regiment to abolish, apart from one Captain-Lieutenant who must command the first Company, the Captain-Lieutenants of the remaining nine companies, and in return to grant to the Regiment twelve Second Lieutenants with the salaries of Ensigns, and likewise to let the four secretaries retain the emoluments of Lieutenants for reasons given by Colonel de Meuron in his aforesaid letter, since all this amounts to slightly less than the salaries of the nine Captain-Lieutenants. 3.) That in the meantime the Second Lieutenants and the secretary who are currently in function shall retain the salaries they currently enjoy, reduced to the footing of the National officers of those ranks; and that in order to compensate for these expenses, no agreement shall be given for the appointment of new Captain-Lieutenants until the decision of the Lords Majors regarding the proposal mentioned above under article two shall have been received, and also to no Second Lieutenants except on sergeants' salaries; likewise not to fill the three vacant secretary posts except under the condition that they shall for the present have to serve without any salary on behalf of the Company. 528 4.) That according to the aforesaid order of the Lords Majors, for the non-commissioned officers and soldiers who die in the future, no more pay shall be credited to the Regiment than only for the month in which they die; but that nevertheless there shall be communicated to the Lords Majors the observation of Colonel de Meuron, namely that to the regiments in the service of the States, two months' pay is credited for the deceased, and that the Company even granted three months to the Regiment of Wurtenburg. 5.) That the increase in pay shall commence on 26 December 1788 for the soldiers who had completed their term of service before that time, because Colonel de Meuron claimed this improvement under that date, and for the soldiers who completed their term of service after that, with the day that the lists thereof were received. §. 8. Furthermore, considering that the freeworkers' money of the National soldiers, according to the proposal of the gentlemen of the Military Commission in their aforesaid Memoir, may henceforth no longer be provided to the officers, but shall serve for such purposes as are prescribed in this Memoir, we have resolved to allow the amount that the National officers have had from it until now to be provided to them out of the Company's treasury provisionally, and until Your Honours shall have decided on the proposal made in the new Memoir for the increase of their emoluments. §. 9. The packet boat Maria Louisa is the 27th

Dutch transcription

daar toe aan om gegeeven, bij hoogst der zelver zeer g'eerde missive van den 5: februarij 1789. , daadelijk te executeeren indien we intusschen van Huij welEdd Hoog Achtb: niet hadden ontvangen de uitdrukkelijke order, om de emo„ lumenten van de officieren van het Re„ „giment van Meuron terug te stellen op den voet van de emolumenten van de Nationaale officieren, zoo als dat uwe HoogEdelheeden zullen gelieven te zien bij Hoogst derzelver Missive van van den 2=e December 1789. die in Copia onder de bijlaagen deezes overgaa 5. 6. Van deeze en van eenige andere orders die daarbij betrekkelijk tot gem: Re„ „giment voorkoomen, hebben we ken„ „nis gegeeven aan den Commandant van hetzelve, de Collonel de Meuron, die daarop aan den eerst ondergeteekent Gouverneur den 16:e deezer heeft ge„ „schreeven den brief die meede in Copia deezen 526 deezen verzeld. P. E. stoe zeer we gepersuadeerd waaren van het bekrompen bestaan van onze na„ „tionaale officieren, en dat de vermin„ dering van de emolumenten van de officieren van het Regiment van Meu„ kon, bij deezen eene merkelijke onver„ „genoegdheid zoude verwekken, hebben we nogtans uit hoofde van de voorsz: zeer stellige ordre van de Heeren Ma¬ „jores moeten besluiten om bij provisie en tot dat uwe Hoog Edelheeden op het voorsch: voorstel van de Heeren van de Militaire Commissie, ten aanzien van de Nationaale officie„ ren zullen hebben gedisponeerd, omtrent het voorsz: Regiment te maaken de volgende schikkingen namelijk: 1. ) Dat de emolumenten van den Colo„ nel, Luitenant Colonel, Majoor en de kapiteins, voor eerst zullen blijven op dien voet, zoo als die door hun tot tot nog toe zijn genooten, om dat dezelve of minder of na genoeg zoo veel be„ dragen, als de emolumenten van de nationaale officieren van die graaden dog dat daar en tegen de emolumenten van de Capitein luitenants, de Lui„ tenants, de sous Luitenants, vaan„ drigs en aide Chirurgijns, zullen wor„ den gereduceerd en egaal gesteld met die van de nationaale officieren van dezelfde graaden, en dat de randsoe„ ven van wijn, boter etc:a, wanneer die bij gebrek niet in natura kunnen worden verstrekt, Contant aan hun zullen worden betaald, tegens de ge„ woone verkoops prijsen, zomeede dat aan de Luitenants, sous Luitenants en vaandrigs uit kragte van het 18. Artikel van de Capitulatie 't zelfde vrijwerkers geld uit 'skomp:s Cas zal worden voldaan als genieten de natio„ naale subalterne officieren 6 2. ) Dat wijl volgens de Constructie van 527 van het Regiment, elk komp: een Ca„ „pitein Luitenant en een Luitenant heeft, en de kapitein Luitenants in dit Gouvernement geen dienst van subalternen doen, volgens het verzoek van den Collonel de Meuron, aan de Heeren Majores zal worden voorgesteld, dat met den Collonel Proprietaris van dit Regiment mag worden overeen„ „gekoomen, om behalven een Capitein luitenant, die de eerste Comp: moet kommandeeren, de kapitein Zuite„ nants van de overige negen komp: afteschaffen, en daar en tegen aan het Regiment toetestaan twaalf sous Luijtenants met de appoinktemen„ ten van vaandrigs en insgelijks aan de vier sekretarissen om reedenen door den Collonel de Meuron bij voorsch: zijn brief gegeeven, te laaten behouden de emolumenten van Luitenants, wijl dit een en ander nog iets minder bedraagd, bedraagd, dan de appoinktementen van de negen kapitein Luitenants. 3. / Dat intusschen de sous Luitenants en de sekretaris die tans in functie zijn, zullen behouden de traktementen die ze tans genieten, gereduceerd op den voet der nationaale officieren van die graaden; en dat om deeze onkosten te Compenseeren geinagrement zal worden gegeeven tot het aanstellen van nieuwe kapitein Luitenantptot dat nopens het voorstel, hier booven bij artikel twee vermeld, zal zijn ont„ vangen de dispositiie van de Heeren Majores en ook aan geene sous Luijte„ nants dan op sergeants traktemen„ ten; zomeede de drie vacante secre„ „taris plaatzen niet te vervullen, dan onder voorwaarde, datze voor eerst zullen moeten dienen zonder eenige tractement van wegen de kompenie. 528 4: Dat volgens de voorsz: order van de Heeren Majores, voor de onderofficieren en soldaaten, die in 't vervolg sterven, aan het Regiment niet meer gagie zal worden goedgedaan, dan alleen voor de maand in welken zij sterven dog dat niet te min aan de Heeren Majoores zal worden gecommuni„ ceerd, de aanmerking van den kollo„ nel de Meuron, dat namelijk aan de regimenten dienst van den staaten, twee maanden gagie worden goed„ gedaan voor de overleedenen, en dat de komp: zelfs 'er drie maanden vergund aan het Regiment van wur„ tenburg. 5. / Dat de verhooging van gagie, zal ingaan met den 26:e December 1788. voor de soldaaten, die voor dien tijd hun verband hebben uitgediend gehad, om dat de Collonel de Meuron onder dien datum deeze verbeetering heeft gereclameerd. gereclameerd, en voor de soldaaten, die zete hun verband hebben uitgediend met den dag dat daar van de lijsten zijn ingekoo„ men. 3. 8. Voorts hebben we, uit aanmerking dat 't vrijwerkers geld van de Nationaale sol„ daaten, volgens het voorstel van de Heere van de Militaire Commissie, bij derzelve voorsch: Memorie, voortaan niet mee aan de officieren mag worden verstrek maar strekken zal tot zulke eindens, als bij deeze Memorie zijn voorgeschreeven beslooten, om het bedragen, dat de natio„ naale officieren daarvan tot nog toe gehad hebben, bij provisie en tot dat uwe Hoog Edelheeden zullen hebben gedisponeerd op het voorstel, bij niuw Memorie gedaan, ter vermeerdering van hunne emolumenten, aan hun uit 'skomp:s Cas te laaten ver„ „rtrekken 6 §. 9. De Paketboot Maria Louisa is de 27.

NL-HaNA_1.04.02_3881_0333 view scan ↗

English

529 departed on the 27th of May from Gale for the Cape of Good Hope, and we take the liberty of presenting herewith to your High Excellencies copies of the letters and papers that were dispatched with it from here and from Gale to the Netherlands and the Cape. Paragraph 10. With this vessel were sent to the Cape of Good Hope, 50 packs of linens and 2 fig ropes, which at the departure of the return ships, due to lack of space, had to remain behind at Gale among other items. Paragraph 11. On the 21st of July of last year the ship de Gouverneur Generaal Mossel, and the following day the ship de Unie, arrived at the Konnekail roadstead. The first sailed into the Texel on the 18th of January, reached the Cape on the 24th of April, and departed from there again on the 29th of May; and the latter sailed out for the Chamber Zeeland also on the 18th of January, arrived at the Cape on the 29th of April, and departed from there on the 29th of May. Paragraph 12. We take the liberty of presenting herewith to your High Excellencies copies of the letters that we received therewith from the Netherlands and from the Cape; while, for lack of the necessary reports for that purpose, we must postpone until a further opportunity the customary report concerning the equipment of these ships. Paragraph 13. With the ship de Gouverneur Generaal Mossel were brought 500 Ats., and with the Unie Mr. 1099: 7: 11 1/4 of bar gold of 18 Carats 5 1/2 grains, for the linen trade; and the Right Honorable and Most Respected Gentlemen Seventeen have written to us that our demand for cash funds will be fulfilled by your High Excellencies. Paragraph 14. 530 Paragraph 14. Regarding the cargo delivered here from the aforesaid packet boat, we have disposed thereof by our resolution of the 17th of May of last year, which is included as an extract among the annexes. We take the liberty to note herefrom that we caused to be taken in for the Company 1/36 hoed of forge coal, which was found in surplus on the delivered consignment; and that on the other hand, pending further disposition of the Lords Majores, we have caused the pay accounts of the officers of this vessel to be debited for 6 round bars of iron, for which they accounted less, because the reasons that Captain Steffers provided for this in the certificate, which accompanies this in copy, did not appear to us to be of such a nature as to decide otherwise upon it, as far as we are concerned. Paragraph 15. The house of the Chief at Trinkenomaale was uninhabitable for a time. It has since been repaired, but both before and after that time, the late Chief van Senden enjoyed the customary merchant house rent of 6 rixdollars per month. We have consulted with the Trinkenomaale servants regarding this, who reported to us that the Chief maintained the said dwelling in exchange for this, and that on the same basis, the commander of the military, who likewise has a Company residence, also enjoyed the designated house rent for his rank monthly, according to an arrangement that previously also took place here in Colombo before the Company houses, which were customarily inhabited by the primary qualified servants, were sold. Paragraph 16. During his administration, the Chief van Senden had many extraordinary expenses due to the constant 531 arrival of foreigners. It is also easy to understand that the head of the military, in proportion to his rank and position, likewise had to incur some extraordinary expenses now and then, and it is for this reason that we took the liberty of requesting your High Excellencies that these paid house rents might be favorably passed by the same. Most likely it will even give a better account for the Company that all daily repairs to the residence of the Chief are carried out by the Chief of Trinkenomaale who occupies the same, rather than those things continually occurring at Company expense; and we therefore take the liberty to submit to your High Excellencies an offer made by Lieutenant Colonel van Drieberg to have all daily repairs to his dwelling house done for his private account, provided he receives 6 rixdollars per month for it, and provided that all major repairs shall remain for the account of the Company. Paragraph 17. In accordance with your High Excellencies' favorable authorization by the highly esteemed letter of the 26th of June of last year, to grant a gratification to the chief surgeon at Tuticorin for curing venereal diseases, in proportion to that granted to the chief surgeons of Colombo, Gale, and Trinkenomaale, we have, upon the advice of the Tuticorin servants that the chief surgeon there might well be placed on an equal footing in this respect with the chief surgeon of Gale, because there, besides the sick from the foreign and Batavian ships, usually many sailors from the Ceylon sloops who navigate the Madura Coast throughout the whole year must be treated, of whom certainly half are infected with venereal diseases, granted to the Tuticorin chief surgeon a gratification of one hundred rixdollars per year for this. Paragraph 18. Upon the request of the Gentlemen Ministers at Cochin to be assisted with two subaltern officers of the artillery, since one of our artillery officers is already detached at Cochin and no more could be spared from our garrisons without inconvenience, we have, upon the proposal of the Major and Head of the Ceylon Artillery, appointed Sous-Lieutenant of the Regiment de Meuron Joseph Breard and Naval Sous-Lieutenant Carel Michael Willertsen, who remained at Cochin due to the indisposition of the ship Zeeland, and has since arrived here, according to their

Dutch transcription

529 27. e Maij van Gale na de Caab: de Goedesoop vertrokken en we neemen de vrijheid uwen Hoog Edelheeden hiernevens aante bieden Kopijen van de brieven en papieren die daarmeede van hier en van Gale na nederland en de Caab zijn afgezon„ §: 10. Met dit vaartuig zijn na de Caab de Goede Hoop verzonden, 50: pakken zijn waaten en 2: vijgertouwen ^ die bij ver„ trek van de betoerscheepen, mits gebrek aan ruijmte, onder meerder te Gale hebben moeten agterblijvens. §: 11: Den 21:e Julij J:ol: is 't schip de Gouverneur Generaal Mossel, en sdaags daaraan 't schip de unie ter konnekailsche rheede gearriveerd 't eerste is den 18: Januarij in't texel gezeild, den 24: April aan de Caab gekoomen en den 29=e Maij weeder van daar ver„ trokken en 't laatste is voor de Ka„ mer Zeeland meede den 18:e Januarij uitgezeild, den. uitgezeild, den 29:e April aan de Caab ge arriveerd en den 29:e Maij van daar vertrokken. 5. sz: We neemende vrijheid uwe Hoog Edel„ heeden hiernevens aantebieden Copijen van de brieven, die we daarmeede uit Nederland en vande Caal hebben ontvangen; terwijl we 't gewoon ver slag nopent de Equipagie van deeze scheepen, bij gebrek van de daartoe noodige berigten, moeten uitstelle tot eene nadere gelegentheid. §. 13. Met het schip de Gouverneur Generaal Mossel zijn aangebragt 500:—. Ats., en met de unie Mr: 1099: 7: 11¼. aan baargoud van 18: Carr: 5½. grijnen, tot den Lijnwaathandel; en hebben de wel Edele Hoog Achtb: Heeren zeven„ tienen ons aangeschreeven dat onze Eisch van Contanten daar uwe Hoog Edelheeden zal worden vol„ daans 5. 14. 530 5. 14. Op de alhier uitgeleverde laading van voorsz: parket boot, hebben we gedisponeerd bij onze resolutie van den 17:e Maij J:o l:, die in extrakt onder de bijlaagen gaat. we neemen de vrijheid daar uit hier bij tenoteeren, dat we voor de komp: hebben doen inneemen 1/36. hoed smeekoo„ len die op de aangebragte partij meer„ der bevonden is, en dat we daaren tegen, tot nadere disposietsie van deHeeam Majores, de soldij reekeningen van de overheeden van dit vaartuig, hebben doen belasten voor 6: rondscher„ „pen, die ze minder hebben verant„ woord, wijl de reedenen, die de kapitein steffers daar voor bij 't Certifikaat, 't welk in Copij deezen verzeld, heeft ge„ „geeven, ons zijn voorgekoomen niet teweezen van dien aard, om zoo veel om aangaat, daar op anders te disponeeren. §. 15. Het Huis van 't opperhoofd te Trinkeno„ maale „maale is een tijdlang onbewaanbaar geweest. wet is zeedert gerepareerd, dog zowel voor als na dien tijd, heeft wijlen het Opperhoofd van senden genooten de gewoone koopmans huijshuur van 6. rd:s smaands. we hebben hierover de Trinkenomaalsche bediendens onder „houden, die om daarop hebben berigt dat 't opperhoofd daar voor gem: m ning heeft onderhouden, en dat op den zelfden voet ook de kommandant van de Miliettie, die meede een Comp: wooning heeft, de bepaalde huijshuur voor zijne qualiteit maandelijk genooten heeft na eene schikking die ook hier te kolombo eertijds heeft plaats gehad, voor dat 'skomp:s huijsen die door de eerste gequalificerd dienaaren pleegen te worden bewoond, verkogt zijn §. 16. Het Opperhoofd van senden heeft ge„ duurende zijn bestier, door het ge„ staadig 531 „staadig aankoomen van vreemdelingen veele buitengewoone ongelden ge„ had ook is het ligt te begrijpen dat het hoofd van de Milietsie na maate van zijne kwaliteit en betrekking insgelijks nu en dan wat buiten gewoone ongelden heeft moeten doen, en het is uit dien hoofde, dat we de vrijheid namen uw Hoog Edelheeden te verzoeken dat deeze betaalde huijshun„ ren door voogst dezelve gunstig moogen worden gepasseerd. Naast denkelijk zal het zelfs voor de komp: beetere reekening geeven, dat alle da„ „gelijksche reparaatsien aan de woo„ „ning van het opperhoofd gedaan wor„ den door den Chif van Prinkenoma„ le, die dezelve bewoond dan dat die dingen steeds voorskomp: reekening geschied en we neemen dierhalven de vrijheid uw Hoog Edelheeden voorte„ draagen eene aanbieding door den sui„ tenant Collonel van Drieberg gedaan„ om om alle dagelijksche reparatien aan zijn woonhuijs te laaten doen voor zijne be„ zondere reekening, mits daar voor genietende 6: rd: smaands, en mits dat alle kapitaale reparaatsien zullen blijven voor reekening van de Komp: §. 17. Ingevolge uwer Hoog Edelheeden gunst „ge qualifikaattie bij zeer g'eerde Miss van den 26:e Junij A:o passato om aan den oppermeester te tutikorijn een douceur toeteleggen voor 't Cureeren van onrei siekten, naar evenreedigheid van het toegelegde aan de oppermeesters van Kolombo Gale en Trinkenomaale, heb„ ben we op 't advis van de Tutukarijns bedienden dat de oppermester aldaar in dit opzigt met den oppermeester van Gale wel mogte gelijk gesteld m „den, om dat ir behalven de zieken van de baarsche en Bataviasche schi „pen doorgaans veele mattroosen van de Ceilonsche sloepen, die 't geheele Jaar door op de Maduresche Rusf vaaren 532 vaaren, moeten worden behandeld, waar van wel de helft niet onreine ziekten besniet zijn, aan den tutuko„ rijnschen oppermeester daarvoor een douceur van eenhonderd Rijxd:s sjaars toegelegd. 5. 18. Op 't verzoek van de Heeren Ministers te Koetsiem om met twee subalterne Officieren van de Artillerij teworden geassisteerd, hebben we, wijl reeds een van onze Artillerij officieren te koetsien gedetacheerd is, en 'er geene meer, zonder ongeleegendheid uit onze garnizoenen konden gemuist worden, op de voor„ dragt van den Majoor en Hoofd van de Ceilonsche Artillerij, den sous Luitenant bij 't Regiment van Meuran Jozeph Breard en den sous Luitenant ter zee Carel Michael Willertsen, die mits indisposiettie van 't schip Zeeland te Koetsiem verbleeven, en zeedert al„ hier aangekoomen is, volgens hun daar

NL-HaNA_1.04.02_3881_0340 view scan ↗

English

the request made thereto, appointed as extraordinary Lieutenants in the Artillery, and we take the liberty humbly to request Your High Nobilities that they may be confirmed as such; to which end their petitions are transmitted under the Annexes of this letter. Paragraph 19. The bookkeeper and Trade Transferor at Jaffenapatnam Louis Maartensz, who has served the Company since 1746 and has already held his aforesaid function for 21 years, having submitted a request to be discharged from his aforesaid office on account of his increasing years and weakness of sight, while retaining the title and salary of the same, we have granted the requested discharge, and in his place appointed as Trade Transferor at Jaffenapatnam the bookkeeper Johannes Philippus Kroon; however, regarding the request of the aforesaid Maartensz to be allowed to retain his salary, which we have meanwhile caused to be written off, on his repeated solicitations we take the liberty most humbly to submit this to Your High Nobilities, not only in consideration of the man's long years of service, but also because in his laborious employment he has had no other income than salary and board money, and thus was not in a position to set anything aside for his old age. Paragraph 20. To fill the vacant officer posts in the Colombo garrison, we have, on the recommendation of the Colonel and head of the Ceylon Military Filenius, promoted to ensigns the sergeants Hendrik Christiaan Kollij, Udo Brands, Johan Georg Froom, Pieter vander Straaten, and Jakob Mijer, whom we consequently most humbly present herewith to Your High Nobilities for confirmation. Their petitions are likewise included among the annexes of this letter. Paragraph 21. The Bookkeeper and sworn clerk of the Court of Justice here, Robertus Henricus Leembruggen, has petitioned us to be excused from the payment of forty-one rixdollars that were charged from Batavia for the certificate concerning his confirmation as Consumption Bookkeeper of Mature, because this office was abolished shortly after his appointment thereto, and before he had assumed the same; and as this is a reasonable request, we take the liberty most humbly to present it to Your High Nobilities, and at the same time to request authorization to have the aforesaid amount of 41 rixdollars credited back thither. Paragraph 22. We respectfully request permission on this occasion to demonstrate to Your High Nobilities that it is very burdensome for those employed in bookkeepers' posts in this Government to have to pay so much money for their certificates, since these posts, two or three excepted, have no or very little income; and whereas formerly no certificates were sent from Batavia for such bookkeepers' posts, but this has only occurred for two or three years past, we take the liberty respectfully to request that the bookkeepers in this Government may, through the goodness of Your High Nobilities, continue to be exempted therefrom for the future. Paragraph 23. Upon the request of the Merchant and first searcher Berghuis to be discharged from the Company's service on account of his advanced years and sickly condition, with retention of rank, we have had to grant him his discharge, though reluctantly; and in his place, on probation, we have appointed as first searcher the junior merchant Assuerus Issendorp, who was formerly Trade Transferor here. Should he give satisfaction therein, as we hope and also expect, we shall take the liberty to recommend him further and humbly to Your High Nobilities. Paragraph 24. The Merchant and First Warehouse Master Johannes Reintous has requested our letters of recommendation to Your High Nobilities, in order that he may be favored in his present office with the title and salary of senior merchant. He has been in the Company's service since the year 1746, and stationed in this Government since the year 1750, where during the last twenty-seven years he has been employed in various important posts. His presence here for many years and his application to the interests of this Government have caused him to acquire that experience and capability which make him a useful servant of the Company; and we cannot deny him the testimony that in all the offices he has filled and in all the tasks assigned to him, he has acquitted himself with much zeal and to satisfaction. We therefore take the humble liberty to present his petition to Your High Nobilities herewith, with the respectful request that it may graciously please Your High Nobilities to recommend him in the most favorable manner to the Right Noble and Worshipful Gentlemen XVII for obtaining the title and salary of senior merchant, after the example of the former Director-General Moens and of the Ordinary Councillor van Angelbeek, who both, while they were in merchants' offices here, were promoted to senior merchants. We commend Your High Nobilities and the interests of the company to God's safe keeping and remain with all respect and fidelity, High Noble, Great, and Worshipful, Far-Ruling Lord, Right Honorable Gentlemen, Your High Nobilities' humble and very obedient servants. Signed: W: J: van de Graaff, C: van Angelbeek, J: P: C: Pilemin, P: I: Dretz, J: Reintous, and B: E: van Zitter. In the margin: Colombo, the 27th of August 1790. Below: P.S. At the request of the Gentlemen of the Military Commission, we have loaned to them the trainee surveyor Pieter Elias, to assist them in the Commission for as long as they shall find it necessary, and for as long as he has served with this Commission in this Government, we have granted him a gratuity of twelve rixdollars per month; his closed pay account is likewise transmitted among the annexes of this letter. To

Dutch transcription

daar toe gedaane verzoek, aangesteld als extra ordinaire Luitenants bij de Artillerij, en we neemen de vrijheid uwe Hoog Edelheeden nedrig te verzoeke dat ze als zodanig moogen worden be„ vestigd; gaande ten dien einde hunne requesten onder de Bijlaagen deeze over. §. 19. De boekhouder en Negootsie overdrager te Jaffenapatnam Louis Maartensz die zedert 1746. de komp: gediend, en reeds 21: Jaaren zijne voorsch: functie bekleed heeft, verzoek gedaan hebbende om, mits zijne toeneemende Jaaren en zwakheid va gezigt behoudens qualiteit en gagie van zijn voorsz: ampt temogen worden on slaagen, hebben we in 't verzogte ontslag bewilligd, en in zijn plaats tot Negoottie overdrager te Jaffenapatnam aange„ „steld den boekhouder Johannes Philip „pus kroon; dog het verzoek van voorsz: Maartensz: om zijne gagie, die we in„ „tusschen 533 „tusschen hebben laaten afschrijven, te mogen behouden, nemen we de vrijheid, op zijne herhaalde instantien aan uwe Hoog Edel„ heeden nedrigst voortedraagen, met al„ leen uit aanmerking van smans lang„ „jaarigen dienst, maar ook om dat hij in zijne laboreuse bediening, geen ander inkoomen dan gagie en kostgeld gehad heeft en dus niet in de geleegendheid is ge„ weest, om iets te kunnen opleggen voor zijnen ouden dag 5. 20. tot vervulling van de Mankeerende Officiers plaatsen in 't kolombosch gaa„ nizoen hebben we op de voordragt van den Collonel en hoofd der Ceilonsche Miliet„ sie Filenius, tot vaandrigs bevorderd de sergeanten Hendrik ChristiaanKollij, UdoBrands, Johan Georg froom, Pieter vander straaten, en Jakob Mijer, die we mits dien uwe Hoog Edelheeden door deezen terbevestiging nedrigst voorstellen. hunne Requesten zijn meede onder de bijlaagen deezes deezes gevoegd. I: L1: De: Boekhouder en gezwore klerk bij den Raad van justietie alhier Robbert us tan ricus Leembruggen, heeft aan ons ver„ zoek gedaan, om temoogen worden geexciseerd van de betaaling van eenen veertig Rijxd:s, die van Batavia zijn aan„ „gereekend voor het bewijs wegens zijne bevestiging als Contumttie boekhouder van Mature, wijl dit ampt kort na zijne aanstelling daartoe, en voor dat h hetzelve had aanvaard, is ingetrokken en wijl dit een billijk verzoek is, neemen we de vrijheid hetzelve uwen Hoog Edelhee den nedrigst voortedraagen, en teffens qua „lifikaatsie te verzoeken, om het voorsz: bedraagen van 41: rd:, na derwaards temoogen laaten terug reekenen. §. 22 we verzoeken eerbiedig verlof, uwe Hoog Edelheeden ter deezer geleegenheid temoogen vertoonen, dat 't voor die geenen die in boekhouders bedieningen in dit Gouver nement 534 „nement worden geemploijeerd, zeer onge„ „leegen is, om zoo veel gelds voor hunne bewijzen te moeten betaalen, wijl deeze bedieningen, twee a:o drie uitgezonderd, geen of zeer weinig inkoomen hebben; en vermits voor diergelijke boekhou„ ders bedieningen voor deezen geene bewijzen van Batavia zijn gezon„ den maar zulx zeedert twee a:o drie Jaaren herwaards gescheed, gebruiken we de vrijheid eerbiedig te verzoeken dat de boekhouders in dit Gouvernement ook voor den aanstaande door uwen Hoog Edelheeden goedheid daar van moogen blijven verschoond. §. 23. Op het verzoek van den Koopman en eerste visitateur Berghuis, om wegens zijne hooge Jaaren en ziekelijken toestand behoudens rang uit 'skomp:s dienst temogen worden ontslaagen, hebben we hem schoon ongaarne zijne demissie moeten geeven; en hebben we in zijn plaats ter preuve tot tot eerste visitateur aangesteld den on„ der koopman Assuerus Issendorp, die te vooren alhier Negootsie overdrager geweest is. zoo hij daar in genoegen gaft gelijk we hoopen en ook verwagten zul„ len we de vrijheid neemen hem Uwe Hoog Edelheeden nader nedrig voorte„ draagen 3. 2. 4. De Koopman en Eerste Pakhuijs meester Johannes Reintous heeft onze voor„ „schrijvens aan uwe Hoog Edelheeden verzog om op zijne presente bediening teworden begunstigd met de qualiteit en gagie van opperkoopman- Wij is zeedert a:o 1746: 'skomp:s dienst, en zeedert het Jaar 1750: in dit Gouvernement bescheiden daar hij geduurende de laatste zeven en twin„ tig Jaaren, in verscheide gewigtige be„ dieningen is geemploijeerd zijn veel jaar aanweezen alhier en zijne applikaaltie op de belangens van dit Gouvernement hebben hem die ondervinding en eerva„ „endheid 535 rendheid doen verkrijgen, welke hem tot een nuttig dienaar van de Compenie maaken„ en we kunnen hem het getuigenis niet wijgeren, dat hij in alle de Bedieningen die hij heeft bekleed en in alle de ver„ rigtingen die hem zijn opgedraagen, zig niet veel iever en tot genoegen heeft gequeeten. We neemen derhalven de ne„ drige vrijheid zijn request uwen Hoog Edelheeden heernevens aantebieden, met eerbiedig verzoek, dat het uwe Hoog Edelheeden gunstig behaagen mag, hem aan de wel Edele Hoog achtbaare Heeren 1ynen op het favorabelst voortedraagen, 17 ter verkrijging van de qualiteit en gagie van opperkoopman, naar het voorbeeld van den Heer Oud Dierekteur Generaal Moens en van den Heer Raad Ordinair van Angelbeek, die bijde, terwijl hun Edelens alhier in koopmans bedie„ ningen waaren tot opperkooplieden zijn gevorderd. Wij Wij beveelen uw Hoog Edelheeden en de belan „gen der maatschappij in Godes veilige hoede en blijven met alle eerbied en twe we /:onderstond:/ HoogEdele Groot achtbaare wijdgebiedende Heer, welhe Gestrenge weeren. Uwer Hoog Edelheeden onderdanige en zeer gehoorzaame vee naaren /: was getekend:/ W: J: van de Graaff, C: van Angelbeek, J: P: C: Pilemin P: I: Dretz, J: Reintous en B: E: van Zitter /:in margine:/ Kolombosen 27:e aug:o 1790: /:lager:/ P: S: Op het verza van de Heeren van de Militaire Commiss hebben, we aan hun Edelens geleend den aan „quekeling bij de Land meterij Pieter Elias om zoo lang hun Edelens het noodig zullen vinden dezelven in de Commissie ten dien„ te staan, en hebben we hem zoo lang hij i dit Gouvernement bij deeze Commissie heeft gediend, een douceur van twaalf rd: smaands toegelegd zijne afgeslootene soldij reekening gaat mede onder de bijlaagen deezes over„ Aan

NL-HaNA_1.04.02_3881_0347 view scan ↗

English

To the same as before. §. 1. With the arrival of the ships Neerlandsch Welvaaren, Berkhout, and the Leviathan, we have had the honor to receive Your High Noble Excellencies' highly respected missives of October 9th, 1789, May 26th, June 18th, August 13th, and August 31st of this year, to which we take the liberty of humbly replying herewith. §. 2. We have ordered the officials at Gale not only to require the former Master of the Equipment there, Abo, to provide security for the amount of the ropes used by him to moor the five chartered ships that departed from there for the Netherlands in the year 1788, but also, after a thorough investigation, to inform us of whatever may serve regarding the remarks made by Your High Noble Excellencies with respect to the said ropes; and as soon as we receive this report, we shall dispose of the matter according to our findings. §. 3. From our respectful letter of January 11th, 1789, written to the Gale officials—a copy of which has already been sent to Your High Noble Excellencies with the ship Vreedenburg among our regular annual papers—it appears that the coir we requested from them was requisitioned for Colombo. Salted coir is not used here in the household, and it was therefore a mistake by the Gale officials, who know very well that we use salted coir here as little as they do there, that they sent us this salted coir in fulfillment of our aforesaid letter. Since this could not be undone, we had it transshipped onto the ship Zeeland, which was sent back to Batavia at the request of the Gentlemen Ministers of Cochin. This ship had ample room for it, as everything we had on hand for that Government had already been dispatched thither with the ship Batavia, which had gone to collect pepper, and with the Cochin small craft De Verwagting; so that the ship Zeeland had nothing else to take in here for Cochin other than five cases of chamois leather, which were also dispatched with it. §. 4. Although the complaint of the crew of Chinese from the ship Het Slot ter Hooge against Captain Hartig appeared to us to be the instigation of the mandoor, the evidence was nevertheless not of such a nature that we could convict him of it, much less punish him for it; and a more thorough investigation could not be made without detaining the ship afterwards, as we had the honor to report to Your High Noble Excellencies in our respectful letter of September 16th, 1789. We let the matter rest all the more because this crew of Chinese, as well as Captain Hartig himself, had to go to Batavia, and there was thus an opportunity for the matter to be investigated further there if Your High Noble Excellencies deemed it necessary. The aforesaid mandoor was not detained here. He made himself scarce at the departure of the ship, and although he was subsequently apprehended, he has since managed to escape again, without anything more having been heard of him afterward, as appears from the report of the Master of the Equipment, which is enclosed herewith. Upon capture, he will be sent under arrest to Batavia in accordance with Your High Noble Excellencies' honored order. §. 5. The three anchors belonging to the national squadron, which were sent to Batavia with the ship Hinloopen, were deemed serviceable thither because, according to the report of the Principal Chief Administrator Van Angelbeek, which is enclosed herewith in copy, it nowhere appeared that they were unserviceable. The captain of the ship Pollux, who brought them hither from Trincomalee, made no remarks upon receiving them at Trincomalee, nor did the captain of the ship Hinloopen when they were dispatched into that ship here, as appears from the enclosed original report, wherein Captain De Freijn signed for the receipt of these anchors; and the Master of the Equipment, Andringa, states in a report, which is enclosed herewith in original, that upon neither the receipt nor the dispatch of the said anchors could any defects have been discovered in them. We could have had all the less suspicion that these anchors might be unserviceable, as the warships of the State lay moored to them in the Bay of Oostenburg. §. 6. Regarding the maneuvers with the flag that were made last year from the Gale flagpole when the ship Hinloopen arrived there under sail, a proper investigation was held at that same time upon the complaint of Captain De Freijn. These incorrect maneuvers arose from the fact that the former Master of the Equipment, Abo, did not consider the signal given by Captain De Freijn—to show that he had a pilot on board—to be sufficient, because it was not accompanied by two shots that, according to his report, should have been fired; and he therefore sent another pilot on board, and as a token thereof ordered the flag on the flagpole to be hoisted upside down. This maneuver was not done quickly enough, resulting in the flag, which was already flying properly, first being struck half-mast and then appearing to be hauled down completely before it was hoisted upside down again according to Abo's orders. The former Master of the Equipment, Abo, excused himself in this matter by asserting that the flag attendants, who were youths of 15 to 16 years, had not been able to perform this maneuver quickly enough. §. 7. To prevent such carelessness in the future, as evidenced by our Resolution of June 25th, 1789, we have instructed the Gale Master of the Equipment to establish better orders in a matter of such importance, and to ensure that in the future no other persons are employed as flag attendants

Dutch transcription

536 Aan als voorens. 5. 1. Met de aankomst van de scheepen Neer„ landsch welvaaren, Berkhout en de Leviathan hebben we deeere gehad te ontvangen uwer Hoog Edelheeden zeer g'eerbiedigde missives van den 9:e Oktober 1789. , 26=e Maij, 18:e Junij 13. e en 31:e aug:s deezes Jaars, waarop we de vrijheid gebruiken hier bij ne„ drig te antwoorden. §. 2: wij hebben den bedienden te Gale gelast, om niet alleen door den geweesen Equipagiemeester aldaar Abo, Cautie te laaten stellen voor't bedraagen der touwen, die door hem zijn gebruikt tot 't vertuijen van de vijf gehuurde scheepen, welke in het Jaar 1788. van daar na Neder„ land zijn vertrokken maar ook om na een nauwkeurig onderzoek, ons te berigten het geen dienen kan op op de aanmerkingen, door uur Hoor Edelheeden ten opzigte van gem: tou„ wen gemaakt, en zoo dra we dit berigt ontvangen zullen we daar op naar bevinding van zaaken disponeerens §. 3. Bij onzen eerbiedigen van den 11. e Janua rij 1789. geschreeven aan de Gaalsche bedienden, en waar van reeds Copij„ onder onze gewoone Jaarlijksche pa „pieren met het schip vreedenburg aan uwe Hoog Edelheeden gezonden is, blijkt dat de kaijer, die we van hun gevraagd hebben, voor Kolomb geeischt is, Gezoute kaijer word hier in de huijshouding niet gebruikt en het was dus een vergissing van de Gaalsche bedienden, die zeer wel wed dat we hier zoo wijnig, als zij daar ge„ zoute kaijer gebruijken, dat ze ons de ze gezoute kaijer, in voldoening van voorsch: onzen brief, gezonden hebben dan wijl dat nu niet was te herdoen deeden 537 deeden we dezelve in 't schip Zeeland, dat op verzoek der Heeren Koetsiemsche Minis„ ters wierd terug gezonden voor Batavia, overscheepen. Dit schip hadde daar toe kunnte te over, zijnde alles wat we voor dat Gouvernement aan handen hadden, reeds met 't schip de Bataviea dat Peper was gaan haalen, en met het koetsiemsch: smalschip de verwagting na derwaards verzonden, zoo dat 't schip Zeeland hier niet anders voor koetsiem had inte„ neemen, dan vijf kassen met zeemleer die ook daarmeede zijn verzondens. §: 4. schoon ons de klagte van de ploeg Chineesen van het schip het slot ter Hooge, tegen„ den kapitein hartig, voorkwam te zijn een opgestookt werk van den man„ doar, waaren de bewijzen egter niet van dien aart, dat we hem daar van overtuigen, veel minder daarover straffen konden, en een nauwkeuriger onderzoek konde ook niet worden gedaan, zonder het schip daarna opte„ „houden houden zoo als we de eere hebben gehaduur Hoog Edelheeden dat te berigten, bij onzen eerbiedigen van den 16:e September 1704 we lieten het temeer daar bij berusten„ om dat deeze ploeg Chineesen, zoo wel als Capitein Hartig zelve, na Batavia moetten gaan, en 'er dus geleegentheid was, om indien uwe Hoog Edelheeden dat noodig oordeelden, de zaak aldaar verder te doen onderzoeken. De voorsz mandoor is alhier niet aangehouden. Wij heeft zig bij 't vertrek van het schip absent gemaakt, en schoon hij naderhand is opgevat, heeft hij het zeedert weer wa„ ten te ontkoomen, zonder dat men na„ derhand iets meer van hem heeft verna men, zoo als dat blijkt uit 't berigt van den Equipagiemeester, dat hierne„ vens gaat. Bij agterhaaling zal hij, iige volge Uwer Hoog Edelheeden g'eerde ordre, in arrest worden gezonden na Batavia. §. 5. De drie ankers van 'slands esquader, die met 538 met 't schip Hinloopen na Batavia zijn verzonden, zijn na derwaards voor bequaam aangereekend, om dat 't volgens berigt van den p:l hoofdadministrateur van Angelbeek, dat in kopij hierne„ vens. gaat, nergens gebleeken is, dat ze onbequaam waaren. De kapitein van 't schip de Pollux, die dezelve van trin„ Kenomaale na herwaards heeft gebragt, heeft bij ontvang derzelve op Drinkeno„ maale, daar op niets aangemerkt en dit heeft ook niet gedaan, de kapi„ tein van het schip Hinloopen, toen de„ zelve hier in dat schip wierden afgescheept zoo als dat blijkt bij 't nevensgaande ari„ „gineel Rapport, waar bij de kapitein de Freijn voor den ontvang deezer ankers heeft geteekend; en de Equipagie„ „meester Andringa zegt bij een berigt, dat in origine hiernevens gaat, dat men bij den ontvang, nog bij den af„ „scheep van gemelde Ankers, niet had„ kunnen kunnen ontdekken, dat daaraan eenige gebreeken zijn geweest. wij konden te minder eenig vermoeden hebben dat dee ze ankers onbequaam zoude zijn wijl 'slands oorlogs scheepen in de baaij van Oostenburg daar voor vertind heb„ ben geleegen 5. 6. Nopens de Maneuvres met de vlag, die in 't voorleeden Jaar zijn gedaan van de Gaalsche vlaggestok, toen het schip win„ „loopen aldaar quam aanzeilend, is ter zelver tijd, op de klagte van den kapitein Defreijn, behoorlijk onderzoek gedaan, Deeze verkeerde maneuvoes zijn daar uit ontstaan dat de geweezen boui„ „pagiemeester Ado, het gedaane sem door kapitein defreijn, ten blijke dat hij een loots aan boord had, niet heeft geagt voor voldoende, om dat daar bij niet waaren gedaan twee schao„ ten die volgens zijn berigt hadde moeten geschieden, en dat hij daarom een ander Laats na boord gezonden, en ten blijke daar 539 daar van belast heeft, de vlag aan de vlag„ „gestok verkeerd opteheizen, welke ma„ neuver niet schielijk genoeg is gedaan, en is daar uit voortgevloeijd, dat de vlag die reeds regt waaijde, eerst ter halver stok gestreeken en vervolgens geheel neer gehaald scheen, voor dat ze, volgens Abot orders weeder verkeerd opgehee„ sen wierd. Degeweezen Equipagiemeester Abo„ heeft zig hier over verschoond met de betuijging, dat de vlaggewagters, die Jongelingen waaren van 15. â: 16. Jaaren deeze maneuver miet spoe„ „dig genoeg hadden kunnen doen. 5. 7:' wij hebben ter voorkooming van diergelijke onvoorzigtigheeden in den aanstaande blijkens onze Resolutie van den 25:e Junij 1789:, de Gaalsche Equipagiemeester aan„ bevoolen om in een zaak van zooveel aangeleegendheid beter orders te stellen, en daar bij te zorgen, dat in den aanstaande geene andere Luijden tot vlaggewagters worden

NL-HaNA_1.04.02_3881_0354 view scan ↗

English

be employed other than such persons upon whose attentiveness and skill in what they have to perform reliance can be placed, since he, the Master of Equipage, shall otherwise be held liable for all bad consequences that might arise from incorrect signals or signals not made at the proper time. The documents that have come in concerning this case, and sent to us by the Galle officials together with their letters of the 13:e April and 7:e May 1789, we take the liberty to offer to your High Noblenesses in copy herewith. 3. 8. If the deserted sailors of the bark de Liefde believed they were mistreated by their boatswain, they ought to have complained about it, which was not done; but even if it were true that they were not well treated by the boatswain, of which nevertheless not the slightest evidence has appeared before us, this could, in our humble view, in no respect authorize so formal a desertion as that of which they have made themselves guilty. They not only sought at Madras to enter into English service, but they even sold there the boat which they had stolen from the Company; and if lack of men had not brought Mr. Padema to the necessity of completing with these men the severely weakened crew of the ship lying at that time at Pulicat, it would, in our opinion, have been much more regular if His Honor, in order to prevent such insolence in the future, had sent these men back to Ceylon with their complaint. 3. 9. As soon as the bark de Liefde returns from Trincomalee, we shall have the crew sailing on her, in so far as they were stationed on her at the time the aforesaid desertion occurred, questioned, and the reports that come in from that we shall have the honor to send to your High Noblenesses. If it should appear from this that the boatswain who had authority on the bark really wronged these men, we shall cause him to be punished according to the findings. 5. 10. From a report by the Master of Equipage Andringa, which is enclosed in copy among the annexes, it appears that the watch-shots which were entered in the gunpowder account of the ship de Phenecier as having been fired in the Colombo roads, were indeed fired on the occasion of the Portuguese ship Madrogado lying here in the roads, but that no gunpowder from shore was provided for this because that order was completely out of observance here. Regarding the watch-shots that this ship fired in the bay of Galle, we have requested a report from the officials there and shall report on that to your High Noblenesses on a subsequent occasion. In the meantime, we have caused the order to be renewed to provide the ships with the gunpowder that they expend for watch-shots in the Ceylon ports. 5. 11. According to your High Noblenesses' recommendation, the Colombo Master of Equipage Andringa and the former Galle Master of Equipage Abo have been assessed for compensation, to the former ƒ 707:12:— and to the latter ƒ 157. 17. — for the equipage goods which they, according to the reports received by your High Noblenesses, were said to have excessively charged to the account of the ships het Slot ter Hooge and the Gouverneur Generaal de Klerk. 5. 12. The two boxes of cloves No. 48 and 56, which were received from the cargo of the ship Hinloopen with a deficiency of 43¼ lb, were delivered here in good condition, but upon opening they were found not to be full, having a hollow space in the spice, as is now further evident from a report among the annexes from the provisional Principal Administrator van Angelbeek, and from two attached reports of the delegated judicial members who attended the opening of the aforesaid boxes, wherein, concerning the passing over of these circumstances in their first report, they state that in that respect they followed the ordinary manner of drawing up spice certificates, without noting anything further than the quantity or the weight of the spices, against which we shall nevertheless issue the necessary orders for the future. §. 13. According to the just-mentioned report of the provisional Principal Administrator van Angelbeek, the 8 leaguer hoops for which the officers of the ship Hinloopen were charged here were delivered by them short into the dispensary against the arrack leaguers accounted for by them, as further appears from the report of the ordinary commissioners, the original of which is attached herewith and is also co-signed by Captain De Frijn. We hardly understand how the said Captain De Frijn has dared to complain about a disposition that rests on his own signature. §. 14. The Master of Equipage Andringa clearly demonstrates in his above-mentioned report that the assertion of the officers of the ship de Phenecier—as if the lighter, with which the small chest with opium for Galle had been sent on board, had lain alongside the pier for four days—is completely beside the truth. If the small chest in which the opium was enclosed had been brought on board open, as the said officers state, they should not have silently

Dutch transcription

worden g'emploijeerd, dan zulken, op wier oplettendheid en kunde in 't geen ze te verre ten hebben, staat kan worden gemaakt, wijl hij Equipagiemeester anders aanspre kelijk zal worden gehouden voor allequa de gevolgen, die uit verkeerde of nitt behoorlijker tijd gedaane seinen mogten spruiten. De stukken die over dit geval zijn ingekoomen, en door de Gaalsche be„ dienden, nevens hunne brieven van den 13:e April en 7:e Maij 1789. aan om zi toegezonden, neemen we de vrijheid uw Hoog Edelheeden hiernevens in Copia aan biedens. 3. O. zoo de gedeserteerde Mattroosen van de baak de Liefde meenden door hunnen bootsman kwaalijk te zijn behandeld had den ze zich daarover behooren te bekte „gen, het geen niet is geschied, dog zoo het ook mogtewaar zijn, dat zij door den Bootsman niet wel zijn behandelt, ma van ons nogtans minner eenige blijk zijn voorgekoomen, konde dit, naar om nedrig 540 nedrig inzien, in geen opzigte authorisee„ ren een zoo formeele desertsie als waar aan ze zig hebben schuldig gemaakt, ze hebben niet alleen te Madaas gezogt om in Engelschen dienst te gaan, maar ze hebben daar zelfs verkogt de schuijt, die ze van de kompenie gestoolen hadden, en zoo niet gebrek aan volk den heer Padema hadde gebragt in de noodzaa„ kelijkheid, om met dit volk te kom„ „pleteeren de zoo zeer verzwakte equipagie van het ter dier tijd te Palleakatta ge„ leegen schip, waare het naar ons be„ „grip, veel regulieerder geweest, in„ dien zijn E:, ter voorkooming van diergelijke stoutigheeden voor den aanstaande, dit volk met hunne klag„ te hadde terug gezonden, naar Ceilon„ 3. 9. zoo dra de baak de Liefde van drinke„ namaale terug komt, zullen wede daarop vaarende manschappen, voor zoo verre ze ten tijde dat de voorsz: voorsz: desertsie gebeurt is, daar op zijn beslh den geweest, doen ondervraagen, en de berig„ ten die daar van inkoomen zullen wede eere hebben aan uw Hoog Edelheeden te zenden zoo daar uit mogte koomen te blijken dat de bootsman, die op de bark het gezag gehad heeft, zig tegens deeze menschen werkelijk heeft vergreepen zullen we hem na bevin„ ding van zaaken doen straffen. 5. 10. Bij een berigt van den Equipagiemeester Andringa, dat in kopij onder de bijlaagen gaat, blijkt, dat de wagtschooten, die bij de kruijtreekening van 't schip de Phene„ cier zijn opgebragt als gedaan op de kolom bosche rheede, werkelijk zijn gedaan, ter gelegentheid dat 't portugeesch schip Madro„ „gado hier ter rheede lag, dog dat daar toe geen kruijt van de wal is verstrekt, om dat die order hier geheel buiten observant sie was. Nopens de wagtschooten, die dit schip in de baaij van Gale gedaan heeft hebben we berigt van de bedienden aldaar gevraagd en zullen uwen Hoog Edelheeden daar 541 daar van bij eene volgende geleegendheid verslag doen. Intusschen hebben we doen vernieuwen de ordre om aan de scheepen 't kruijt te verstrekken, dat ze tot wagt„ „schooten in de Ceilonsche havens verschieten. 5. 11. volgens uwer Hoog Edelheeden aanbevee„ ling zijn aan den kolomboschen Equipa„ „giemeester Andringa en aan de gewezen Gaalsche Equipagiemeester Abo ter ver„ „goeding opgelegd, aan den eersten ƒ 707:12:— en aan den tweeden ƒ157. 17. —. voor de Equipagiegoederen, die ze volgens de bij uwe Hoog Edelheeden ingekoomene be„ rigten te veel zoude hebben opgebragt, ten laste van de scheepen het slotter Hooge en de Gouverneur Generaal de klerk 5. 12. De twee kisten met nagulen N:o 48. en 56. , die uit de laading van het schip Hinloopen, met eene minderheid van 43¼. lb: zijn ontvangen, zijn alhier welgecondicttioneerd uitgeleeverd, doch bij de opening zijn ze bevonden niet volteweezen maar met eene hollig„ „heid „heid in de specerij, gelijk dat nu nader blijkt bij een onder de Bijlaagen over„ „gaande berigt van den p:l hoofdadmin strateur van Angelbeek, en bij twee daarnevens gevoegde berigten van Ge„ kommitteerde Justietiieele Leeden, die bij de opening van de voorsz: kisten hebben geassisteerd, en waar bij ze over't verkrijgen van deeze amstandigheeden bij hun eerste Rapport zeggen, dat ze daaromtrent de gewoone manier van inrigtinge van Certifikaaten van spec rijen opgevolgd hebben, zonder daar bij iets verders aantemerken dan de quantiteit of 't gewigt der specerijen waartegen we nogtans de noodige beveelen voor den aanstaande zullen stellen §. 13. volgens evengem: berigt van den p:l hoofd administrateur van Angelbeek zijn de 8: Leggers banden waarvoor de overheeden van't schip Hinloopen alhier zijn belast, door hun te min in't dispens 542 dispens geleeverd aan de door hun verant„ woorde aaraks leggers gelijk dat nader blijkt bij 't rapport van de ordinaire gecommitteerdens, 't welk in orgine hier„ nevens gaat, en door den Kapitein De frijn meede onderteekend is, we begrijpen kwalijk hoe zig gemelde kapi„ „ein Defrijn heeft durven beklaagen over een disposietsie die op zijn eigen on„ verteekening rust. §5. 14.' De Equipagie meester Andringa toond bij zijn hiervooren vermeld berigt duij„ delijk aan, dat de voorgaave van de overheeden van't schip de Phenecier„ als of de gammel, waarmeede 't kasje met Amphioen voor Gale na boord was gezonden, vier daagen op zijde van 't zeehoofd hadde geleegen, geheel bezijden de waarheid is. zoo het kasje waar in den amphioen is be„ slooten geweest open aanboord was gebragt gelijk gem: overheeden zeggen, hadden zij 't zelve niet stilzwijgende moeten

NL-HaNA_1.04.02_3881_0360 view scan ↗

English

must accept without giving notice thereof to the Chief Administrator or Equipage Master here. § 15. According to the Galle Resolution of the 29th of April 1784, the officers of the ship Hinloopen, out of the 50 leggers of arrack api which they had to account for according to the bill of lading, first delivered 48 leggers of arrack, and subsequently another 388 kannen of arrack, without it being evident whether a cask was also delivered with this latter quantity; and because the officers therefore still had to account for 2 leggers, we pointed this out to the servants in our letter of the 29th of May 1789, with orders that if the ship's officers had not been debited for it, to charge the same to their account to Batavia. It appears that the Galle trade servants observed this order of ours without any further investigation, because the servants now report to us that the aforementioned ship's officers have accounted for the full number of 50 leggers, as evidenced by the Galle letter of the 30th of September last, accompanying this in extract. We have reprimanded the trade servants for this inattention of theirs and at the same time ordered them to credit again to Batavia the charge already made thither. § 16. It is an oversight of the administrator at Trinkenomaale that the cannons and other ammunition goods which were removed there from the necessities of the ship the Gouverneur Generaal de Klerk were not credited to the expense account of that vessel. A report from the provisional first searcher Issendorp, a copy of which is annexed hereto, shows what these goods removed at Trinkenomaale consisted of, according to the account of the Commandant of Artillery there. These goods, according to the aforementioned account, have been properly entered here in the Trinkenomaale trade books and can, with the pleasure of Your High Nobilities, be credited to the officers of that ship. § 17. The vang, which the executors of Captain Jacobsen state in their petition to have been delivered here, was also actually received here and credited to the ship's expense account, as appears from a report of the Honorable Chief Administrator van Angelbeek, accompanying this in copy, to which is also attached, for Your High Nobilities' perusal, a copy of the aforementioned expense account. § 18. From the aforementioned report of the provisional searcher Essendorp, it further appears that the officers of the ship the Gouverneur Generaal de Klerk, out of the ammunition goods which they received at Galle for Trinkenomaale, accounted for 4 round shot less there, namely 1 of 18 lb and 3 of 8 lb caliber. We did not discover this shortfall earlier because the Trinkenomaale Administrator neglected to indicate it in his submitted report of the unloaded cargo of the said ship, and the same are therefore now, by an invoice sent over among the appendices of this, charged thither in order, with the pleasure of Your High Nobilities, to be reimbursed to the Company by the officers of that vessel. § 19. The arrangement made by us to distinguish the wild cinnamon from the cinnamon that is peeled from cleared forests and planted gardens, by means of the numbers of the small boards placed in the bales, agrees with the intention of the Gentlemen Majors, mentioned in their missive written on the 9th of November 1789 to Your High Nobilities, § 306, and we shall therefore continue with it. § 20. We shall have the honor to present to Your High Nobilities at a subsequent opportunity the requested further specifications of the annual delivery of areca, both from the Company's plantations and by private individuals, and what profit the Company has derived therefrom after deduction of expenses; and pursuant to Your High Nobilities' authorization, we shall cause a moderate allowance of maintenance to be given to the laborers working in the Company's areca plantations. § 21. The areca which the inhabitants of the Galle Korale and the Matara Disavany are obliged to deliver annually to the Company has never been able to be collected in full, the reasons for which are described in detail in our respectful letter of the 28th of May 1773. In earlier years they received a very small payment for it under the name of chilloon, and although this payment was already increased many years ago to 12 schellingen for each amunam of 26000 nuts, that has nevertheless not contributed much to encourage the aforementioned obliged persons to a more generous delivery. § 22. Not only the smallness of the payment, but even the determination of the quantity of areca nuts that must be delivered annually for each fruit-bearing tree seems to make the native averse to this obligation, and always gave them occasion for complaints, either under the pretext that there are not as many trees in their gardens as they are taxed for, or that the fruits were destroyed by pests

Dutch transcription

moeten accepteeren zonder daar van aan den Hoofdadministrateur of bau„ „pagiemeester alhier kennis te geeven 5. V. volgens de Gaalsche Resoluitsie van den 29:e April 1784. hebben de overheeden van het schip Hinloopen, van de 50. leg„ „gers arrak opie, die ze volgens het Cog„ „nossement moesten verantwoorden, eerst geleeverd 48. Leggers arrak, en vervolgens nog 388. kannen arrak zonder dat 't daarbij bleek of met deeze Laatste quantiteit ook een fust was geleeverd, en wijl dus de over„ heeden nog 2: Leggers moesten verantwoor den, hebben we dit den bedienden aan „geweezen bij onzen brief van den 29:' Maij 1789. , met last om zoo de scheep overheeden daarvoor niet mogten zijn belast, dezelve ten hunnen laste na Batavia aantereekenen. Het schijnt dat de Gaalsche Negootsie beke den deeze onze order, zonder eenig verder onderzoek hebben geobserveer wijl 543 wijl de bedienden ons nu berigten, dat voormelde scheeps overheeden 't volle getal van 50: leggers hebben verant„ woord, blijkens Gaalsche brief van den 30:e 7ber: Jongstleeden deezen in extrakt verzellende. we hebben den Negootsie bedienden over deeze hunne inattentie gereprocheerd en hun teffens gelast om de reets gedaane aanreekening na Batavia, weeder derwaards ten goe„ de tebrengen. §. 16. stit is een verzuijm van den admini„ strateur te Prinkenomaale, dat de kanons en andere ammonietsie goe„ „deren die aldaar uit de behoeftens van 't schip de Gouverneur Generaal de klerk geligt zijn niet zijn bevoordeeld op de onkostreekening van dien bodem Bij een berigt van den p:l eerste visi„ tateur Issendorp, dat in kopij hier„ nevens gaat, word aangeweezen waar in deeze te Prinkenomaale geligte goederen, volgens de reek: van den kommandant Kommandant der Artillerij aldaar, hebben bestaan. Deeze goederen zijn volgens gem: reek: alhier bij de Tai„ Kenomaalsche Negoottie boeken behoorlijk ingenoomen en kunnen met believen van uwe HoogE del„ heeden, aan de overheeden van dat schip gevalideerd worden. 5. 17. De wang, welke de executeurs van kapitein Jacobsen bij hun request zeggen, hier te zijn geleeverd, is ook werkelijk hier ontvangen, en op de scheeps onkostreekening bevoordeeld, blijkens een berigt van denE: Hoofd Ad„ ministrateur van Angelbeek, deezen in Copij verzellende, waar bij ook tot uwer Hoog Edelheeden speculatie gevoegd is, een kopij van de voorsz: onkostreekening. 3. 18. Bij 't voorsz: berigt van den p:l visi„ tateua Essendorp blijkt nog, dat de overheeden van 't schip de Gouverneur Generaal 544 Generaal de klerk op de Ammonietsie goederen die ze te Gale hebben ontvan„ „gen voor Trinkenomaale aldaar min„ der verantwoord hebben 4. rondschir„ „pen, namelijk 1. van 18. lb: en 3. van 8. ld: kaliber. Deeze minderheid hebben we niet eerder ontdekt, om dat de Trinkenomaalsche Administrateur verzuijmt heeft, daarvan aanwij„ zing tedoen, bij zijne overgelegde bevinding van de uitgeleverde Laading van gemelde schip, en worden dezelven derhalven nu, bij eene onder de bijlaa„ „gen deezes overgaande factuur, der„ waards aangereekend om met belie„ ven van uwe Hoog Edelheeden, door de overheeden van dien boodem aan de komp: vergoed te worden. §. 19. De door ons gemaakte schikking om de bosch kanneel te onderschuiden van de kanneel, die geschild word uit schoon„ „gemaakte bosschen en aangeplante tuinen, door middel van de Nommers Nommers der plankjes, die in de baalen worden gelegt, stemt over een met de in„ tentie van de Heeren Majores, vermeld bij hoogst derzelver missive den 9:e Na„ vember 1789. aan uwe Hoog Edelheeden geschreeven 5. 306:, en zullen we dus daar bij Continueeren. §. 20: twe zullen de eere hebben om uwe Hoog Edelheeden bij eene volgende geleegend„ „heid aantebieden, de gevorderde nadere opgaves van de Jaarlijksche leverantie van arreek, zoo van 'skomp:s plantagien, als door particulieren, en welke winst de komp: daar van gehad heeft, na aftrek der kosten; en zullen ingevolge uwer Hoog Edelheeden qualifikaatsie eene maatige verstrekking van onder„ houd laaten doen aan de werkslieden„ die in 'skomp:s arreeks plantagien werken §. 21. De arreek, die de ingezeetenen van de Gale korle en de Matuaesche Dessavonij verpligt zijn Jaarlijks aan de Comp: te leeveren, heeft nooit ten vollen kunnen ingevorderd 545 ingevorderd worden, waar van de reede„ nen omstandig beschreeven zijn bij onzen eerbiedigen van den 28:e Maij 1773. In vooe„ „gere Jaaren kreegen ze daarvoor eene zeer geringe betaaling, onder de benaaming van schilloon, en schoon deeze betaaling nu reeds veele Jaaren geleeden, is verhoogd tot 12: schellingen voor ieder ammonam van 26000. nooten, heeft dat egter niet veel toegebragt om de voorsch: verpligte„ lingen tot eene ruijmer leverantie aante„ moedigen. §. 22. Niet alleen de geringheid van de betaaling, maar ook zelfs de bepaaling van de hoeveelheid van arreeks nooten, die voor elk vrugtdraagende boom Jaarlijks gelee„ verd moet worden, schijnt den inlander van deeze verpligting afkeerig te maaken, en gaf altijd hun geleegendheid tot klagten, het zij onder voorgave dat in hunne tuijnen niet zoo veel boomen staan, als waarvoor ze belast zijn, dan wel dat de vrugten door de busten vernield

NL-HaNA_1.04.02_3881_0366 view scan ↗

English

or have perished due to drought and other misfortunes, by which the Company has never received the full assessment satisfied, as is evident from the large arrears that were written off successively in earlier years, and since the latest write-off have again mounted up to a considerable quantity. §. 23. We have therefore always been of the opinion that the obligation to deliver a fixed quantity of areca yearly to the Company, being harmful both to the Company and to the inhabitants, as well in the Gale Korle and the Matara Dissavany as in such districts of the Colombo Dissavany where that obligation also existed, ought to be abolished, and that on the contrary areca ought everywhere to be purchased in such manner as has of old been done in some Colombo districts and in the lands of Kalpitiya. §. 24. And whereas Your High Excellencies have been pleased to give us to consider whether the price of 3 rixdollars for 30000 of the said nuts could not be taken equally in those various districts, if thereby the cultivation and delivery could be promoted; and the Company could thus profit more from it than at present: we have taken into consideration that although this price increase will naturally promote the delivery of areca to some degree, the objective will nevertheless not be fully attained as long as the obligation—the very collection of which has always given much occasion for vexations—remains in force; and we have resolved to abolish this obligation under the date of the ultimate of August last, and on the contrary henceforth everywhere, as here in Colombo and in Kalpitiya, to cause the areca to be purchased at 3 rixdollars the amunam of 30000 pieces. And at the same time we have resolved to have the arrears on the aforesaid obligation written off in the books, because while the obligation itself stood, there was not the least likelihood of reducing the same, much less of getting them entirely liquidated. §. 25. We have given notice of this change to the inhabitants by a publication, of which we have the honor to offer Your High Excellencies a copy herewith, in humble trust that this our proceeding may meet with Your High Excellencies' favorable approval. §. 26. We have also resolved to have the areca gardens of the Company, wherein there are already fruit-bearing trees, farmed out publicly each year to the one who offers the most areca for them, provided that the farmers shall be obliged to deliver to the Company also the surplus areca which they harvest from these trees above their farm rent, against payment of 3 rixdollars for each amunam of 30000 pieces. §. 27. We have already represented to Your High Excellencies in our respectful letter of 31 March 1787 that it is now and then necessary to take over for the Company the plantations of cinnamon and other products laid out by private individuals, to prevent that upon the departure or decease of the creators, they fall into the hands of people who have neither the means nor the will to maintain the same properly, let alone to improve and expand them. This method of proceeding can even serve as an encouragement to such people who have already laid out such plantations, or might still wish to lay them out, because they thereby have a certain prospect that their trouble and expenses will receive a fair reimbursement when, in the event of having to quit their plantations, they can hand them over to the Company by valuation. If, on the contrary, the inhabitants were to see that we leave in the lurch by an accidental misfortune such persons who upon our encouragement have applied themselves to laying out cinnamon and other plantations, this could not but have a very unfavorable influence on this work; and whereas such cases seldom exist, we request Your High Excellencies to be pleased to authorize us to act in this regard according to the state of affairs as occasions arise, and as shall best serve the interest of the Company. We request accordingly that the purchase made of the land of the late Dissave Billing may also stand, and this the more so because many improvements have since been made upon it, the costs of which would be lost if they had to be ceded again for the same money. §. 28. In the promotion of the work of cultivation, the planting of cinnamon is continually considered by us as the principal work, and preferred above the planting of all other products, which is only performed as a secondary work that can be done simultaneously with it; to cease that entirely now would cause the work already done to be lost again. §. 29. In our respectful letter of 27 January last, we reported to Your High Excellencies our disposition concerning the discrepancy found in the calicoes and chintzes that were sold to Captain Lieutenant of the burghery van Cuijlenburg. Since then, the said van Cuijlenburg has submitted a grievance about this by a petition, a copy of which goes herewith. We have sent this petition to Gale, whether the former head administrator and present Galle Commander Sluijsken, there

Dutch transcription

of door droogte en andere toevallen vergaan zijn, waar door de komp: nooit de volle tax heeft voldaan gekreegen, zoo als dat blijkt aan de groote agterstallen, die in vroegere Jaaren successive afgeschreeven, en zeedert de Jongste afschrijving, weeder tot eene aanmerkelijke quantiteit opgeloopen zijns. §. 23. Wij zijn daarom altijd van begrip geweest dat de verpligting van eene bepaalde quantiteit arreek Jaarlijks aan de Comp temoeten leeveren, als schaadelijk bij de voor de Comp: en voor de ingezeetene„ zoo wel in de Galekorle en de Mature„ „sche Dessavonij, als in zulke districten van de kolombosche Dessavonij, daar die verplichting ook plaats had, behoorde afgeschaft, en dat daar en tegen de arreek over al zodaanig ingekogt moest worden als van ouds geschied in sommige ko„ lombosche districten en in de landen van Kalpettij §. 24. En wijl uwe Hoog Edelheeden ons in bedenking 546 bedenking hebben gelieven te geeven, of de prijs van 3. rd:s voor de 3000 d„o nooten niet eguaal zoude konnen genoomen worden in die verschillende distrikten, indien daar door deCultuur en leve„ rantsie bevorderd zoude konnen wor„ den; en de komp: dus daardoor meer zoude kunnen profiteeren als tans: zoo hebben we in't aanmerking, dat schoon deeze prijs verhooging natuurlijk de leverantsie van arrerk eeniger maate bevorderen zal, daar door nogtans 't doetwit niet ten vollen zal worden berijkt, zoo lang de verpligting waar van zelfs de invordering altoos veel aan„ lijding tot vexatien gegeeven heeft, stand„ „grijpt, beslooten deeze verpligting on„ der ult:o aug:o Jongstleeden afteschapfen, en daarinteegen voortaan over al, gelijk hier te kolombo en te kalpettij„ de arreek te doen inkoopen tegens 3: rd: de ammonam van 30000: stux en hebben we terzelver tijd beslooten, om om de agterstallen op de voorsch: verpligting bij de boeken te laaten afschrijven, wijf staan de de verpligting zelve, 'er geen de minste apparentie was om dezelve te verminde„ den, veel minder om ze geheel gelequi„ deerd te krijgen. §. 25. Wij hebben van deeze verandering aan de ingezeetenen kennis gegeeven bij eene pu„ blikaatsie, waar van wij de eere heb„ ben uwen Hoog Edelheeden hiernevens een afschrift aantebieden in nedrig ver„ trouwen dat deeze onze verrigting uwer Hoog Edelheeden gunstige goedkeu„ ring zal moogen wegdraagen. §. 26. Ook hebben we beslooten om de arreedes tuijnen van de Comp:, waar in reets vrugtdraagende boomen zijn, Jaarlijks publiek te laaten verpligten aan den geenen, die daar voor de meeste arruk bied, mits dat de pagters verplicht zullen zijn, om ook de meerdere arreek die ze van deeze boomen, boven hun pagtschat inzaamelen, aan de komp: te 547 te leeveren tegens betaaling van 3. ad: voor elke ammonam van 30'000: stux. §. 27. Wij hebben uwen Hoog Edelheeden reeds bij onzen eerbiedigen van den 31:e Maart 1787. vertoond, dat het nu en dan noodig is, om de plantagien van kanneel en andere protukten door partikulieren aangelegd, voor de komp: overteneemen, tot voorkoommen dat ze, bij vertrek of overlijden der aanleggers, niet vallen in handen van luiden, die 't vermoogen nog de wil heb„ ben, om dezelve behoorlijk te onderhouden laatstaan van ze te verbeeteren en uittebrijden. Deeze handelwijze kan zelfs strekken tot aanmoediging van zul„ ke menschen, die diergelijke plantagien reeds aangelegd hebben; af nog zouden willen aanleggen, wijl ze daardoor een zeeker vooruitzigt hebben, dat hunne mouite en kosten eene billij„ ke vergoeding zullen erlangen, wan ner ze in 't geval zijn: de van hunne plantagien e plantagien te moeten quiteeren, dezelve per taxatie aan de komp: kunnen overlaa„ ten. zoo daar en tegen de ingezeetenen zien dat weden zulken, die op onze aanmoe diging zig bevlijtigd hebben kanneel en andere plantagien aanteleggen, bij een toevallig ongeluk daarmeede laaten zet ten zoude dit niet dan van een zeer ongunstigen invloed op dit werk kunnen zijn, en terwijl dieagelijke gevallen zelden exteeren, verzoeken we uwe Hoog Edel heeden ons te willen qualificeeren, om bij voorkoomende geleegend heeden, daar omtrend te moogen handelen naar bevinding van zaaken, en zoo als dat voor 't intrest van de Comp: best zal uitkoomen. we verzoeken mits dien„ dat de gedaane inkoop van de Landerij van wijlen den Dessave Billing ook mag standhouden, en zulx te meer„ wijl daar aan zeedert veele verbeetering „gen gedaan zijn, waar van de onael„ den verlooren zullen zijn zoo ze uw weeder voor 't zelfde geld moesten worden 548 worden afgestaan. §. 20. In de bevordering van 't werk der kulture, woord steeds het aanplanten van kanneel, als het hoofd werk door ons aangemerkt, en geprefereerd boven de aanplanting van alle andere producten, die alleen als een bijwerk, dat daameede gelijktijdig kan worden afgedaan, verrigt word, om dat nu geheel te staaken, zoude dat het reeds gedaan werk wederom doen verlooren gaan. §. 29. Bij onzen eerbiedigen van den 27:e Januarij Jongstleeden hebben we uwen Hoog Edel„ heeden verslag gedaan, van onze dispo„ fietsie over 't bevonden verschil in de Kalibeas dersjankoosen, die aan den kapitein Luitenant der burgerij van Cuijlenburg zijn verkogt. zeedert heeft gem: van Cuijlenburg zig daarover bezwaard bij een addres, dat in Copij hiernevens gaat„ Wij hebben dit addres na Gale gezonden, of de gew: hoofd administrateur en tegens„ woordige Gaalsch Commandeur Sluijsken, daar

NL-HaNA_1.04.02_3881_0372 view scan ↗

English

had anything to remark on it, and send the reply received thereto, which contains nothing more than a reference to earlier reports, among the appendices to this letter. Paragraph 30. In our trade books the aforementioned former Chief Administrator Sluijsken is debited for these chanks as recipient, as appears from the report of the former trade transferrer and present acting First Examiner Issendorp, which is included among the appendices. Furthermore, the error arose solely from the fact that the said former Chief Administrator not only had the chanks delivered without informing us beforehand of this difference found, notwithstanding the discrepancy found during the gauging, but also that the gauging was carried out using the Ceylon gauges instead of having been done with those of the Madura Coast. Paragraph 31. We therefore find ourselves somewhat embarrassed by this case and would wish, as we take the liberty to request hereby, that Your High Nobilities would be so good as to decide who should indemnify the Company in this matter, and whether that will have to take place according to the calculation made in accordance with our Resolution of 9 December 1789 mentioned in our letter of 27 January last, or rather for the amount of the entire difference, to the sum of rd 1238. 11. —. Paragraph 32. We have requested from Jaffenapatnam the specifications required by Your High Nobilities regarding the Mannar pearl diving and cotton plantations, together with a sample of the cotton from the last-mentioned plantations, and we shall have the honour to present the same to Your High Nobilities on a subsequent occasion. Meanwhile, we report to Your High Nobilities that the supervision over these plantations has been taken away from the bookkeeper Driemond, because the former Mannar Resident Van Ranzow maintained that he did not take enough care of it. Paragraph 33. The arrears of the Colombo renters, which we have proposed to Your High Nobilities now and then for write-off, are all from earlier years. The rents that have been farmed out in recent years have virtually all come in. With some renters one must occasionally exercise some leniency when they do not pay in the same year, because now and then they suffer losses due to unforeseen circumstances, or cannot collect their outstanding funds quickly enough; if we did not do so, and in this matter did not give way to fairness now and then, it would considerably deter people from taking up the Company's leases. Paragraph 34. The account of the Colombo Dissave has already for the greater part been collated, and the trade employees are now actually engaged in the collation of the remaining parts of the said account. That this work has not yet been fully completed up to now is solely to be attributed to the fact that the account of the Pessavony has not been collated for a long series of years, and it is therefore very difficult to properly trace the origin of all the differences; besides that, they have in the meantime also collated and settled several Colombo administrations which had likewise not been collated for years: as appears from a report from the Trade Bookkeeper Samlant, which is attached hereto, and from which also appear the reasons why the Colombo trade books of the financial year 1788/9 could not be closed at the usual time. The general statement of account which is in hand we shall have the honour to present to Your High Nobilities on the next occasion, with the usual report. Paragraph 35. In accordance with what was communicated in our respectful letter of 19 September 1789, we have made application to the family of the late shopkeeper Potken to reimburse the Company for the amount of f407. 17. 8, which according to the trade books, after deduction of what appears therein to the credit of him and of his predecessor Gilbert, he was still in arrears; but the same has excused itself therefrom, having already paid a great deal for Potken regarding his deficit as chief shopkeeper, without their having inherited anything from him, as he died insolvent. And as we can also seek no recovery on the family of Gilbert in this regard, because, as we noted in our aforementioned letter, the administrations of both of them cannot be collated for lack of the books which they kept, and one thus cannot know how much the said Gilbert should actually be charged for, we take the liberty most humbly to request Your High Nobilities to provide us with your highest decision as to how we shall have to conduct ourselves in this matter. Paragraph 36. That the arrears, notwithstanding our recommendations to the subordinate officials for the prompt settlement thereof, still remain quite large, arises from the fact that new arrears arise yearly from the later tax farms, as will appear to Your High Nobilities if you will have the goodness to have the specifications sent by us successively compared against one another. Paragraph 37. That the arrears of Jaffna have for some years not been able to come in so quickly

Dutch transcription

daar op iefs hadde aantemerken, en zenden 't antwoord daar op ontvangen, 't welk niets behelsd dan eene overwijzing tot vroege „re berigten, onder de bijlaagen deezes over„ §. 30. 1 zij onze negotie boeken is de voorsz: gew: hoofdadministrateur Sluijsken, voor deeze sjankoosen als ontvanger gede„ biteerd, blijkens 't berigt van den geweezen negootdie overdrager en tegenswoordige pl eerste visitateur Issendorp, dat onser de bijlaagen overgaat; Boven dien is't abuis alleen daar ui't ontstaan, dat gemelde gew: hoofdadministrateur de sjankoosen, niet tegenstaande 't verschil bij de malling bevonden, niet alleen heft doen afleeveren zonder ons van dit be„ vonden verschil alvoorens kenniste geeven, maar dat ook de malling is gedaan met de Ceilonsche mallen„ insteede dat 't hadde behooren te ge„ „schieden met die van de Maduresche kust. §. 38. we vinden ons aits dien met dit geval wat 549 wat verleegen en wenschten wel, zoo als we de vrijheid gebruiken dat te verzoeken door deezen, dat uwe Hoog Edelhee„ den zoo goed wilden zijn, den zelve te beslissen wie de komp: in deezen zal behooren schaadeloos te stellen, en of dat zal moeten geschieden na de bereekening, gemaakt volgens onze Resoluuttie van den 9:e December 1789. vermeld bij onzen brief van den 27:e Januarij J:o l: dan wel voor't bedraagen van 't ge„ heel verschil, ter somma van rd: 1238. 11. — 5. 32. wij hebben van Jaffenapatnam gere„ „quireerd de door uwe Hoog Edelheeden gevorderde aanwijzingen, nopens de Mannaarsche Zaaijdelverij en Cattoen plantagien nevens een monster van het Cattoen uit laastgemelde plantagien, en zullen we de eere hebben dezelven uwen Hoog Edelheeden bij eene volgende geleegendheid aantebieden. Intusschen berigten wij uwe Hoog Edelheeden, dat het het opzigt over deeze plantagien den boek„ houder Driemond ontnomen is, om dat het gewesen Marinaarsch opperhoofd van kanzon sustineerde, dat hij er geen war genoeg van maakte. §. 33. De agterstallen van de kolombosche pag„ ters, die we aan uwe Hoog Edelheeden nu en dan ter afschrijving hebben voo„ gesta zijn alle van vroegere Jaaren. De pagten, die zeedert Jongere Jaaren zijn verpagt, zijn zoo goed als ingekoomen met enkelde pagters moet men somtijds wat inschil kelijkheid hebben, wanneer ze ook niet in 't zelfde Jaar betaalen uit hoofde datze nu en dan door toevallige om„ standigheeden schaade lijden of hunne uitstaande gelden niet spoedig genoeg kunnen ingevorderd krijgen, zoo we dat niet deeden, en in deezen de billijkhei nu en dan geen plaats gaven, zoude vo de luijden merkelijk afschrikken om 'skomp:s pagten teneemen. §. 34. De reekening van den kolomboschen desse ve 550 ve, is reets voor 't grooter gedeelte ge„ „confronteerd, en zijn de Negootsie bedien„ den tans werkelijk beezig, met de Cou„ „frontaatsie van de overige deelen van gemelde reekening. Dat dit werk tot nog toe niet geheel heeft kunnen worden afgedaan, is alleen daaraan toeteschaij„ ven, dat de reek: van de Pessavonij zeedert een groote reecks van Jaaren niet is geconfronteerd, en 't mits dien heel moeijelijk is, om de oorsprong van alle de verschillen behoorlijk nategaan; behalven dat hebben ze ook intusschen verscheide kolombosche administraatsien die meede in Jaaren niet waaren ge„ „confronteerd insgelijks gecontronteerd en vereffend: zoo als dat blijkt bij een berigt van den Negoottie boek houder samlant, dat hiernevens gaat, en waaruit tevens blijken de reedenen, waarom de kolombosche Negootsieboe„ ken van't boekjaar 178 8/9. niet ter ge„ wooner tijd hebben kunnen worden geslooten. De generaale staat reekening die die onderhanden is zullen we bij eerst volgende geleegentheid de eere hebben uw Hoog Edelheeden aantebieden, met 't gewoon„ verslag. §. 35. Volgens 't bedeelde bij onzen eerbiedigen van den 19:e 7ber: 1789. , hebben webij de familie van wijlen den winkelder Fotken aanzoek gedaan, om 't bedragen van ƒ407. 17. 8. het welk hij volgens de Negootsie boeken, na aftrek van het geen daar bij ten voordeele van hem en van zijn voorzaat Gilbert voortoopt nog ten agteren zoude zijn, aan de komp: te vergoeden; dog dezelve heeft zich daar van verschoond, als hebbende reefs heel veel voor Potken over zijne te kortkooming als groot winkelier be„ taald, zonder dat ze iets van hem heb„ ben g'erfd, wijl hij insolvent gestorven is: en wijl we ook derwegens gem va haal kunnen zoeken op de familie van Gilbert, omdat, gelijk we bij onzen voorsz: brief hebben aangemerket, hun 551 hun beider Administraatsien niet kunnen worden geconfronteerd, bij gebrek van de boeken die ze gehouden hebben, en men dus niet weeten kan hoe veel gem: Gilbert daar van eigentlijk tot zijnen laste moet heb„ ben zoo neemen we de vrijheid uwen Hoog Edelheeden nedrigst te verzoeken om ons met hoogst derzelver disposiet„ sie tewillen munieeren, hoe we ons in deezen zullen hebben te gedraagen. §. 36. Dat de agterstallen niet tegenstaande onze recommandaatsien aan de onderhoo„ rige bedienden, tot de spoedige vereffe„ ning daar van steets vrij groot blijven, ontstaat daar uit, dat Jaarlijks nieu„ we agterstallen uit de laatere verpag„ tingen voortspruijten zoo als dat aan uwe Hoog Edelheeden zal blijken inge„ valle hoogst dezelven de goedheid gelie„ ven te hebben, de door ons successive ge„ zondene aanwijzingen tegens elkander te doen vergelijkens. §. 37. Dat de agterstallen van Jaffena zeedert eenige Jaaren niet zoospoedig hebben kunnen inkoomen

NL-HaNA_1.04.02_3881_0378 view scan ↗

English

revenue, as we had wished, is solely to be attributed to the unfortunate condition of that Commandement, which has been severely visited not only by a three-year drought, but subsequently also by the smallpox, whereby many of the inhabitants have fled to the Wanni and elsewhere, and a large part have either fallen into poverty or miserably perished. We furthermore humbly refer to what the Jaffna officials have written concerning this in their letter of the 23rd of September last, an extract of which is included among the annexes. Section 38. The former arrears of Gale and Mature are mostly all settled, and those that exist at present are new arrears, the settlement of which will likewise duly take place. Section 39. On a future occasion we shall reply to the report of the Visitor General concerning the rupees minted in 1787. The yield thereof, which we have meanwhile had drawn up, is annexed hereto, and Your High Excellencies will see from it that the Company has neither gained nor lost on these rupees. Section 40. Besides being confirmed in our understanding—from the authors cited in our respectful letter of the 24th of April 1789, Section 8—that one pound sterling is worth eleven Dutch guilders, we have also thought, as this also virtually agrees with what is found concerning it in the second volume of the Commerce of Amsterdam page 423, where it is stated that one pound sterling at par is 37 Flemish shillings, we have also thought that we might safely guide ourselves by an earlier example approved by Your High Excellencies yourselves; for the negotiation of 25000 star pagodas made in the year 1780 was done at 7 2/3 English shillings, and these shillings are calculated at 11 stuivers each, as was communicated to Your High Excellencies in our respectful letter of the 20th of January 1780, and this transaction was approved by Your High Excellencies in your most esteemed dispatch of the 27th of July thereafter. Section 41. We hope therefore that Your High Excellencies, upon further reflection, will find that in guiding ourselves accordingly, in the acceptance of 4000 star pagodas from Mr. Bilderbeek to be paid on that footing in the Netherlands with 2000 pounds sterling, we have not made ourselves guilty of any fault, and that Your High Excellencies will consequently acquit us of the imposed compensation. Section 42. We shall likewise answer the report of the Bookkeeper and Visitor General on a future occasion, and meanwhile take the liberty only to note here that the taking of 4 percent discount on the Pagoda upon bill of exchange to the Netherlands is an institution that already existed prior to the introduction of Dutch money. Section 43. This same institution shows that it was already understood then that a ninetieth part of a pagoda and a thirtieth part of a rupee were not parts of equal value. There would otherwise be no reason to receive the Pagodas with a 4 percent discount at the same time that a much greater discount had to be suffered on the rupees by the drawer. Section 44. From the 90 stuivers at which the Pagoda was calculated at that time, these 4 percent were discounted, and the drawer who received the bill of exchange thus received in the Netherlands upwards of 86 stuivers; he thus received for 100 pagodas f 432. -. –. Now, if one first deducts 4 percent discount and then calculates the remaining 96 pagodas at f 4. 3. – each, he would receive only f 398. 8. —, thus f 33. 12. — less. This turns out 4 percent more detrimental than if one had counted Dutch money here in the Indies to be paid again in Europe with Dutch money. Even then, the person paying in would receive at least 415. - guilders for 100 pagodas, notwithstanding that he would in effect lose 17½ percent on his funds, and thus much more than the Company is accustomed to take for discount upon receiving money on bills of exchange. Section 45. If one, to use yet another example according to the calculation of the aforementioned Bookkeeper and Visitor General, received 100 star pagodas, which we think we may take here for the pagodas of 90 stuivers of which the aforementioned report speaks, and first deducts from that 4 percent discount, the 96 pagodas that then still remain would be paid in the Netherlands at 4. 10 with no less than f 432. -. -. The real value of the Pagodas relative to the silver species we have repeatedly had the honor to bring to the attention of Your High Excellencies. At Madras it is made known to the public from time to time in the Courier for their information. From such a Courier, which we take the liberty to enclose herewith, it appears that on the first of June last 100 Star Pagodas at Madras were worth 352 Sicca rupees. If one now equates this Sicca rupee merely to the Surat rupee, since a very exact calculation is not required here, it appears immediately therefrom that someone setting the value of these pagodas in rupees, wherever it might be at the Company's establishments, would receive for 352 Sicca rupees—which, even if regarded merely as Surat rupees, are still equal to 132 ducatoons after deduction of the stipulated discount—f 468.

Dutch transcription

inkoomen, als wij gewenscht hebben is alleen toete schrijven aan de ongelukkige toestand van dat Commandement het welk niet eene drie Jaarige droogte, en vervolgens met de kinderziekte sterk bezogt is geworden, waardoor veele der in„ „gezeetenen na de wanni en elders gewees ken zijn, en een groot gedeelte of tot armoede vervallen, of elendig omge„ koomen zijn. we refereeren ons voorts nedrig aan 't geen de Jaffenasche bedien den hier over hebben geschreeven, bij hunnen brief van den 23:e 7ber: Jongst leeden, waar van een Extrakt onder de bijlaagen gaat. §. 38. De voorige agterstallen van Gale en Mature zijn meest alle vereffend„ en die 'er tans zijn, zijn nieuwe agter„ stallen, welker verevening meede behoorlijk zal geschieden. §. 39. We zullen bij eene volgende geleegentheid beantwoorden 't berigt van den Heer visitateur Generaal, wegens de in 1787. 552 1787. gemunte Ropijen. 'T rensement daarvan, dat we intusschen hebben doen opmaaken, gaat hiernevens, en zullen uwe Hoog Edelheeden daar uit zien dat de Comp: op deeze ropijen niet gewonnen, nog verlooren heeft. 5. 40. Behalven dat we, uit de aangehaalde autheuren bij onzen eerbiedigen van den 24:e April 1789. 5. 8. , bevestigd wier den in ons begaip, dat een pond ster„ ling elf guldens nederlandsch doet, heb„ ben we ook gemeend, zoo als dat ook nagenoeg overeenstemd, met 't geen men daar van vind in 't tweede deel van den koophandel van - Amsterdam pag:s 423. , waargezegd word dat een pand sterling, a:o parij is 37: schellingen vlaams, hebben we ook gemeend ons vijlig temoogen tigten naar een vroeger voorbeeld, door uwe Hoog Edelheeden zelve geapprobeerd, want de Negootsi„ atie van 25000: starpagboden, in het Jaar Jaar 1780. gedaan, is geschied tegens 7 2/3. en„ „gelsche schellingen, en deeze schellingen zijn bereekend tegens 11. stuiv:s ieder, ge aan lijk dat „ uwe Hoog Edelheeden is bedeeld bij onzen eerbiedigen van den 20: Januarij 1780. , en is deeze behandeling door uwe Hoog Edelheeden goed gekeurd bij hoogt derzelver zeer g'eerde Missive van den 27:e Julij daar aan 5. 41. We hoopen derhalven, dat uwe Hoog Edelheeden bij nadere reflectie, zullen bevinden, dat we net ons daar naar terigten, in de acceptatie van 4000 ster pagooden van den Heer Bilder beek, om op dien voet in Neder„ land te worden betaald met 2000. - ld: sterlings, ons niet schuldig hebben gemaakt, en dat uwe Hoog Edel„ heeden ons mits dien zullen vrij kennen van de opgelegde vergoeding 5. 42. 'T berigt van de Heeren boekhouder en visitateur Generaal, zullen we insge„ lijks bij eene volgende geleegentheid beantwoorden 553 beantwoorden en numen intusschen de vrijheid hier alleen aantemerken, dat 't neemen van 4. p:r C:t rabat op de Pagood en op assignatie na Nederland, is eene instelling die reeds Plaats hadde voor de introductie van 't Nederlandsch geld. 5. 43. Deeze zelfde instelling toont aan dat men toen reeds inzag, dat een negentig„ ste gedeelte van een pagood en een der„ tigste gedeelte van een ropij geen dee„ len waaren van gelijke waarde. Daar waare anders geen reeden om de Pagoe„ den te ontvangen met 4: p:r C:t rabat ter gelijker tijd dat op de ropijen een veel grooter rabat door den trekker moeste worden geleeden. 5. 44. van 90. stuiv:rs waarop de Pagood te dier tijd wierd bereekend wierden deeze pr 4 gerabatteerd en de trekker dia assignaatsie ontving dus in Neder„ land ruijm 86. stuiv:s hij ontving dus voor 100. pagooden ƒ 432. -. –. Nu zou„ de hij wanneer men eerst 4. p:r C:t rabat aftrekt, en dan de 96. overschietende pagooden pagooden reekend tot ƒ4. 3. –. ieder maa ontvangen ƒ 398. 8. —. dus ƒ 33. 12. —. min dia. Dit komt nog 4. p:r C:t schadelijken uit dan wanneer men hier in indien telde Nederlands geld, om in Europa wederom met nederlands geld te worden voldaan Dan nog zouden den tellen voor 100. pagooden ten minsten 415. — guld:s genieten niet tegenstaande hij in effekte 17½. p:r C:o op zijn gelden zoude verliesen, en dus veel meer dan de komp: gewoon is te neemen voor ra„ bat, bij het ontvangen van geld op as„ signatie. 5. 45. wanneer men, om nog een voor„ beeld te gebruiken na de reek: van de voorsch: Heeren boekhouder en visi„ tateur Generaal 100. ster pagooden ontving die we denken hier temoogen neemen voor de pagooden van 90. – stv:, waar van 't voorsz: beregtspaakt en daar van eerst aftrekt 4. p:r C:t Trabat„ zoude de 96. pag: die dan nog overschie„ ten in Nederland worden betaald a: 14. 10. met 554 niet maar ƒ 432:—. —. De werkelijke waarde van de Pagooden relatief tot de zilvere spetien, hebben we temeermaalen de eer gehad te brengen onder 'toog van uwe Hoog Edelheeden. Le Madras word ze bij de Courier tot narigt van het publiek van tijd tot tijd bekend gemaakt. uit zulk een Courier die we de vrij„ heid gebruiken hier in te sluijten blijkt dat op den eersten Junij Jongstleeden 100. Sterpagooden te Madras deeden 352: Licca ropijen wanneer men nu deeze sicca ropij maar alleen ge„ „lijk steld aan de soeratsche ropij wijl 't hier op geen heel nauwkeurige reek: aankomt, blijkt daar uit aanstonds, dat iemand de waarde van deeze pa„ „gooden in ropijen stellende waar 't ook op 'skomp:s Etablissementen mogte zijn, hij voor 352: sicca ropijen die als men ze maar alleen als soerat„ „sche betragt ook dan nog eguaal staan met 132. ducatons na aftrek van 't bepaald rabat, zoude ontvangen ƒ 468.

NL-HaNA_1.04.02_3881_0384 view scan ↗

English

ƒ468. –. –. and thus ƒ 36. –. –. more from this your account alone, Your High Excellencies can easily conclude that on that footing no Englishman or whoever it may be will deposit money with us, on what the aforementioned report is based, which states that according to old examples the English and French in the west are already accustomed to this method of counting, we do not know; we suspect with much confidence that no example thereof will be found, at least not in this government. §. 46. We have nonetheless sent an extract from Your High Excellencies' aforementioned dispatch of 26 May last to the Tuticorin servants, with orders to regulate themselves as much as possible accordingly in the negotiation of money from the English on bills of exchange drawn on the Netherlands. §. 47. That we also had dudoes minted at Jaffnapatnam, Galle, and Trincomalee happened solely because we cannot have so many dudoes produced at Colombo alone to supply Trincomalee therewith annually before navigation closes, and we therefore sent the copper unminted; and that was done to Jaffnapatnam in particular because from there they can still send it by water to Trincomalee, whereas navigation from here to there is closed. §. 48. In order to comply with Your High Excellencies' repeated order, we have further instructed the servants at Tuticorin to provide the security required by Your High Excellencies for the loss that, according to the calculation of the coinage species—about which we had the honour of informing Your High Excellencies in great detail in our humble letter of 16 September 1789—it is believed was caused to the Company. §. 49. The bill of exchange that we received from Surat, charged to the Galle Commander Sluysken, was paid by the same in cash, in copper coin, as we communicated to Your High Excellencies in our respectful letter of 24 April 1789. The usual agio thereon, as appears from the accompanying copy of the said bill of exchange, was neither calculated nor paid because it was not money paid there to be received here, but received there to be repaid here. §. 50. We have sent copies of the received reports regarding the new Colombo powder mill to Trincomalee, where its drafter Joan Bauer is currently stationed, with orders to comply immediately with what is required therein; and we shall have the honour of presenting the report that comes in from there to Your High Excellencies on a future occasion. §. 51. The work carried out on the carpentry in the year 1788 we communicated to Your High Excellencies in our customary annual report of that year, contained in our respectful letter of 26 January 1789, §. 241 et seq.; and what was done in that year to the fortifications was described in detail in our separate resolution concerning the statement of accounts, dated 21 August 1789; and it is in order not to trouble Your High Excellencies with a duplicate narrative that we did not repeat this again in our respectful letter of 29 December following, in which only an account was given of what these works cost. §. 52. That our profit account makes such a poor showing, as Your High Excellencies have been pleased to observe, is to be attributed solely to the small quantity of merchandise that we have for sale; however, should Your High Excellencies see fit to have our annual requisitions fully supplied, we then venture to flatter ourselves that Ceylon will also yield greater profits. Japanese copper, for example, of which our prime cost is ƒ 94. Indian, is, as we are well informed, sold nowhere as high as in Ceylon. §. 53. The Japanese copper that is minted into dudoes is refined somewhat before minting, and the copper from which they are struck is therefore in effect better than the Japanese copper. It is therefore not on account of the lesser quality of the copper that above the purchase cost of the copper a good profit still remains: it is solely on account of the established mint standard according to which they have been made since the dudoes were struck here. That they are nonetheless in effect worth more than Dutch doits appears, among other things, from our resolution of 26 September 1788. §. 54. Among the enclosures to this, we have the honour of presenting to Your High Excellencies a statement of the emoluments that are provided monthly to the widows of ministers here and at the subordinate offices. §. 55. We thought it best, with regard to the Paravar converts on the other coast, not to make any extraordinary arrangements, but to let them be served by the regular ecclesiastical servants at Tuticorin; there are only a few Malabar schoolmasters remaining, who were taken from the regular number of seminarians, and, as we now hear, from time to time several natives continue to convert from heathenism to our congregation. The minister De Melho passed away at Jaffnapatnam on 10 August last. §. 56. The two old Company chialoups are stationed in garrison at Trincomalee and have already been summoned from there in order to be sent back to Batavia at the first opportunity. §. 57. That it would yield just as good an account if one had hired labourers instead of permanent craftsmen, we still believe, for such reasons as we also had the honour to bring to the attention of Your High Excellencies in our letter of 10 May 1789, §. 32; yet to give an exact and specific statement of how much this would differ cannot be done, because even such hired labourers who in skill

Dutch transcription

ƒ468. –. –. en dus ƒ 36. –. –. meerder unt deeze uwe reek: alleen, kunnen uwe Hoog Edelheeden ligt opmaaken, dat op dien voet geen Engelsman of wie t ook zij geld bij onstellen zal, waar op rust het geen bij voorsz: berigt voor komt, dat volgens oude voorbeelden de Engelschen en franschen om de west reets aan deeze wijze van tellen ge„ went zijn weeten wij niet, wij vermoe„ den net veel vertrouwen, dat daar van geen voorbeeld gevonden word, ten minsten niet in dit gouvernement. 3. 46. we hebben niet te min een Extrakt it uwer Hoog Edelheeden voorsch: missive van den 26:e Maij Jongstl: aan de Hutt„ korijnsche bedienden gezonden, met last om zig zoo veel moogelijk daar na te reguleeren in 't negootsieren van geld van de Engelschen op assig„ natie na Nederland. 3. 47. Dat we ook te Jaffenapatnam„ Gale en Trinkenomaale doedoet heb„ „ben 555 ben doen munten, is eenelijk daar om geschied om dat we te Kolombo alleen niet zoo veel doedoes kunnen laaten aanmaaken, dat we Tain„ kenomaale Jaarlijks daar meede kunnen voorzien, voor dat de vaart geslooten word, en we hebben daarom 't koper onvermunt gezonden, en is dat na Japfenapatnam inzonderheid geschied, om dat ze die nog van daar tewater kunnen zenden na Trinkenoma„ le terwijl de vaart hier van daan na derwaards geslooten is. §. 48. om te voldoen aan uwer Hoog Edelhee„ den herhaalde order, hebben we den bedien den te Tutukorijn nader aanbevoolen om te stellen de door uwe Hoog Edelhee„ den gerequireerde Cautie voor't nadeel, dat volgens de bereekening der munt„ speetsien, waarover wij de eere hebben gehad uwen Hoog Edelheeden zeer om„ standig te onderhouden, bij onzen nedri„ „gen bruef van den 16:e september 1789. , gemeend gemend word dat de komp: zoude zijn toegebragt. §. 49. De Assignatie, die we van souratta hebben ontvangen, ten laste van den Gaalschen Commandeur sluijsken, is door denzelven Contant betaald, in kopermunt, gelijk we dat uwer Hoog Edelheeden hebben bedeeld bij on„ zen eerbiedigen van den 24:e April 1789. De gewoone agio is daar op, blij„ kens de nevensgaande Kopie van gem: assignatie, niet bereekend nog betaald om dat het geen geld was, daargeteld, om hier te ontvangen, maar daar ontvangen om hier teworden tertig betaald §. 50. We hebben kopijen van de ontvangen berigten, nopens de kolombosche nieuwe kruijtmoolen, gezonden na Trinkenomaale, alwaar de opstelder daarvan Foan bauer tans bescheiden is, met last om ten eersten te voldoen aan het geen daar bij 556 bij word gerequireerd, en zullen we 't berigt dat daar van inkomt, uwen Hoog Edelheeden bij eene volgende ge„ leegenheid de eer hebben aantebieden. §. 51. Het verrigte aan de Timmeragien in 't Jaar 1738. , hebben we aan uwE: Hoog Edelheeden gecommuniceerd bij onze gewoone Jaarlijksche beschrijving van dat Jaar, vervat in onzen eerbie„ digen van den 26:e Januarij 1789. 8. 241. et segg:, en het geen in dat Jaar aande fortificatien is gedaan, is omstandig beschreeven bij onze apparte Reso„ tuutsie over de staatreekening; de dato 21:e augustus 1789. , en het is om uwe Hoog Edelheeden door een dubbeld recit niet tevermoeijlijken, dat we dit niet weder hebben herhaald bij on„ zen eerbiedigen van den 29:e December daaraan, waarbij alleen verslag is gedaan van 't geen deeze werken hebben gekost. 3. 52: §: 52. Dat onze winstreekening zoo eene schraale vertooning maakt, als uwe Hoog Edelheeden hebben gelieven aante„ merken, is alleen toeteschrijven aan de geringe hoeveelheid van koopmanschap„ „pen, die we te vertieren hebben, dog mag„ ten uwe Hoog Edelheeden goed vinden om onze Jaarlijksche eisschen volleedig telaaten voldoen, dan durven we ons vlije„ dat Ceijlon ook meerder winsten zal uitleeveren, 't Japans kooper sij vooroeed„ waarvan onze uijtkoopsprijs is ƒ 94. Indiasch, word zoo we wel onderrigt zijn, nergens zoo hoog als op Ceilon ver„ kogt. 5. 53. T Japans kooper, dat tot doedoes word gemunt word voor de vermunting nog wat geraffineerd, en is dus 't koper waar van ze geslaagen worden, in effecte beter dan 't Japans Kooper. Het is dus niet uit hoofde van de mindere deugd van 't kooper dat op dezelve boven het uitkoops 557 uitkoops kostende van 't Kooper, nog een goede winst overschiet: het is alleen uit hoofde van de bepaalde muntvoet, waar na ze gemaakt worden, zeedert dat de doedoes hier aangeslaagen zijn. dat ze nogtans in effecte meer waard zijn dan de hollandsche duijten, blijkt onder anderen uit onze Resoluutsie van den 26:e september 1788. §. 54. Onder de bijlaagen deezes hebben we de eer uwen Hoog Edelh: aantebieden eene aan wijzing van de emolumenten, die hier en op de onderhoorige Comptoiren aan de weduwen van predikanten maandelijks worden verstrekt. §. 55. We hebben best gedagt, om ten aanzien van de parruasse bekeerlingen op de over„ wal geene extra ordinaire inrigtingen te maaken, maar hun te laaten de die„ nen door de gewoone kerkelijke bedienden te Tutukorijn; alleen zijn er nog een paar Mallabaarsche school„ meesters, die uit 't gewoone getal semi„ naristen „naristen genoomen zijn, en zoo we nu hooren, koomen 'er van tijd tot tijd nog al verscheide inlanderen uit het heidendom tot onze gemeente over. De Predikant de Melho is den 10:e aug:s J:o leeden te Jaffe„ napatnam overleeden. §. 56. De twee oude Comp: sumanappers leg„ „gen in garnizoen te Trinkenomaale en zijn reeds van daar ontbooden, om bij voorkoomende geleegentheeden, na Batavia teworden terug gezonden. §. 57. Dat het al zoo goede reekening geeven zoude, wanneer men huurlingen hadde in steede van vaste ambagtsluijden, den„ ken we als nog, om zodaanige reedenen als mede eer hebben gehad, tebrengen on„ der het oog van uwe Hoog Edelheeden bij onzen brief van den 10:e Maij 1789. §. 32. doch om bepaaldelijk een nauw keurig op tegeeven, hoeveel dit zoude verschillen, kan niet geschieden, om dat zelfs zulke huurlingen, die in kundig„ heid

NL-HaNA_1.04.02_3881_0391 view scan ↗

English

excellence above others will certainly demand some higher salary in proportion to it, and that these matters therefore depend on circumstances that cannot be determined in advance. Section 50. As soon as the packet boat the Expeditie arrives here, we shall dispatch the same to the Netherlands immediately. Section 59. The sending of letters via the English posts will cost no more than the ordinary postage for a single letter, and thus cannot be very expensive. Nor can anyone abuse this, since each separate letter must be paid for individually. We have nonetheless instructed the Tuticorin servants to see whether they can procure a tariff from the post offices for us, and if they can do so, we shall send it to Your High Excellencies. Section 60. The complaint of the first Royal Adigar against our schoolmasters must be regarded as the work of the Buddhist priests, and it is often best not to pay too much heed to such matters. Section 61. The Company is sovereign of the lands of Karwitti and Nadene, and as a lapsed fief, the same have been confiscated for the Honorable Company as Lord of the Land, on the grounds that they were formerly granted on that condition by the Kings of Kandy. Section 62. Our resolution concerning the Magampattoe contains nothing other than having the ordinary operations carried out there for the improvement of agriculture; and to promote this objective, we have stationed a European servant there as Resident. The extraordinary allowances assigned to him he has not received, so that he has cost the Company nothing more than salary and board allowance. Section 63. That this pattoe is a fairly good and desirable tract appears, among other things, solely from the fact that the brother of one Don Simon Arvaatje, who as well as he was one of the principal rebels, bargained for the headmanship thereof. We think that he did not choose the worst. If one wishes to promote agriculture, as we think is most highly necessary on Ceylon, and is even one of the most essential points, this cannot be done without some expense. If one therefore wishes to accomplish something good in the Magampattoe, some expenses will, as in other places, be connected with it, which for the present cannot be determined with such accuracy as to be able to give Your High Excellencies a statement thereof. Meanwhile, no significant expenses will be incurred without having first requested and received Your High Excellencies' approval for that purpose. Section 64. That we assigned to the native chiefs half of the surplus revenue from the paddy and from the greater harvest of products above what was received in the fifteen financial years determined by us, was done because, by Your High Excellencies' honored missive of 31 July 1787, Sections 193 and 194, they were indeed excluded from obtaining and possessing land grants, but not from being permitted to share in the aforementioned benefits; and because Your High Excellencies yourselves, in your respected missive of 22 December 1789, were pleased to acknowledge that, in order to promote agriculture, it is no less necessary than equitable that the native chiefs, or those who expend their diligence and labor in cultivating the lands, ought to be no less interested therein than the Lord of the Land, and that their prosperity, as well as the interest of the Company, must thereby be promoted at the same time. We were all the more led to understand that Your High Excellencies, by these native chiefs, meant none other than the Dissaves and other Chiefs, because Your High Excellencies in the continuation of the same letter speak of native chiefs and those who are appointed under them for the management of agriculture. But now that Your High Excellencies are also pleased to exclude the Dissaves, overseers of the Korale, and other such native chiefs from participating in the Company's dues, we take the liberty most respectfully to request Your High Excellencies to favor us with your disposition as to whom the benefits, which we had assigned to them according to our respectful letter of 25 December last, must be granted; and in the meantime, and until the receipt of Your High Excellencies' further approval, we shall cause these benefits to be entered into the books on a separate account. Section 65. The paddy cultivation is and always remains the primary object of our care, but the cultivation of other products is by no means an obstacle to it, since between the sowing and harvest times so much time remains that the inhabitants can profitably spend it on planting other products, as they have also done hitherto. All our intentions and arrangements therefore aim solely at encouraging the people to carry out this work with greater zeal, but no one is forced to do so; rather, it is free to everyone to plant products or not, and to choose in the planting what he wishes to plant. We have nevertheless caused an extract from Your High Excellencies' missive of 26 May, Section 111, to be delivered to the native chiefs, with orders to conduct themselves in accordance with your intention. Section 66. Because the resolution taken by Your High Excellencies in regard to the retired Galle Commander Krayenhoff was made in our favor, and because we gladly remain satisfied with the satisfaction he has since given us, we take the liberty humbly to request Your High Excellencies that your order to have him pay three months' salary may remain suspended.

Dutch transcription

558 heid boven andere uitmunten zeeker„ lijk na maate van dien eenige meerdere bezolding zullen verlangen, en dat dus deeze dingen afhangen van omstandig„ heeden, die men voor af niet bestemmen kan §. 50. zoo dra de Paketboot de Expeditie hier aankomt zullen we dezelve ten eer„ sten na Nederland depecheeren. 5. 59. Het zenden van brieven over de Engel„ „sche posten zal niet meer kosten, dan de gewoone port voor een enkelde brief en kan dus niet zeer kostbaar zijn. Niemand kan ook daarvan misbruijk „elke maaken, wijl een parkrosse brief apart moet worden betaald. we hebben niet te min den Tutukorijnsche bedienden aanbevoolen, om tezien of ze ons een taris van de post Comptoiren kunnen bezorgen, en zoo ze dat kunnen doen, zullen wij ze uwen Hoog Edelheeden toezenden. 5: 60. s 5. 60. De klagte van den eersten Rijksade„ „gaar teegen onze schoolmeesters, moet men aanzien voor 't werk van de Boe„ doesche priesters, en het is dikwils-best om op die dingen niet te veel agt te geevens. 5. 61. De Comp: is souverain van de Landen van Karwitti en Nadene, en als eer vervallen leer zijn dezelve voor haar Edele, als heer van den Lande, inge„ trokken, uit hoofde dat ze eertijds door de koningen van Kandia, op die Conditie uitgegeeven zijns. §. 62. Ons besluit over de Magampattoe, bevat niets anders dan om daar te laaten doen gewoone verrigtingen, ter verbeetering van den landbouw, en om dit oogmerk te bevorderen, heb„ ben we daar een europeesch bediende als Resident gelegd. De buiten gewoone appoinctementen, die hem zijn toege„ „legd, 559 „legd, heeft hij niet genooten, zoo dat hij mits dan de komp: gekost heeft; dan gagie en kostgeld. §. 63. Dat deeze pattoe een vrij goed en be„ „geerlijk stuk is, blijkt onder anderen alleen daar uit, dat de broeder van eenen Don simon Arvaatje, die zoo wel als hij, een der voornaamste op„ roermaker geweest is, zig 't hoofdschap daar van heeft bedongen. Wij denken dat hij 't slegtste niet verkoosen heeft. wanneer men den Landbouw wil be„ vorderen, zoo als we denken dat op Ceilon ten hoogsten noodig is; en zelfs is een der alderes sentieelste poincten, kan dat niet geschieden zon„ der eenige kosten. wanneer men dus in de Magampattoe wat goeds wil doen, zullen daarmeede even als op andere plaatsen, eenige onkosten vernlengd zijn, die voor het tegens„ woordige niet met die naukeurigheid tebestemmen zijn, om ier uwe Hoog Edelheeden Edelheeden eene opgaave van te kunnen doen merkelijk kosten zullen 'er intusschen niet worden gedaan, zon„ der daar toe vooraf uwer Hoog Edel heeden goedvinden te hebben gedraagd en ontvangen. §. 64. Pat we aan de Landregenten de helfte van de meerdere geregtigheid van de Nelij en van den meerderen inzaam der producten boven 't geen in de door ons bestemde 15. boekjaaren ingekoo men is, hebben toegelegd, is geschied, om datze bij uwer Hoog Edelheeden zer g'eerde missive van den 31:e Julij 1787. 5. 193. en 194. wel zijn tuf„ „geslooten van 't verkrijgen en bezit„ ten van Landaaijen; dog niet van te moogen deelen in de voorsz: voor„ deelen, en om dat uwe HoogEdel„ heeden zelve, bij Hoogst derzelver gerespekteerde missive van den 22:e Zber: 1789. , hebben gelieven te erkennen dat 560 dat om den Landbouw te bevorderen, het niet minder noodzaakelijk als billijk zij, dat de Landregenten of de geene die hunne vlijt en arbeid in 't bebouwen der Landen besteeden, daar bij niet minder behooren g'interes„ seerd te zijn, als de heer van den Lande, en dat hun wel zijn zoo wel„ als 't belang van de komp:, daarmee„ de tegelijk moet bevorderd worden. we zijn temeer in 't begrip gekoomen, dat uwe Hoog Edelheeden door deeze landregenten, niemand anders dan de Dessaves en andere Opperhoofden bedoelden, om dat uwe Hoog Edelhee„ den in 't vervolg van den zelfden brief spreeken van Landregenten ende geene, die tot 't bestuur van den Land„ bouw onder hen geschikt zijn. Dog nu uwe Hoog Edelheeden de bessa„ ves, opziender der Koole en andere diergelijke Landregenten, ook gelieven te te sekludeeren van 't participeeren in 's komp:s geregtigheeden, neemen we de vrij„ heid eerbiedigst te verzoeken, ons niet hoogst derzelver disposietsie te willen begunsti„ „gen, aan wien de voordeelen, die we vol„ „gens onzen eerbiedigen van den 25:' De„ cember Jongstleeden Een hebben toegewee„ sen, moeten worden toegelegd; en zullen we intusschen, en tot den ontvang van uwer Hoog Edelheeden nader goedvinden, deeze voordeelen bij de boeken op eene aparte reekening doen inneemens. §. 65. De Nelij Culture is en blijft altijd 't voornaamste voorwerp van onze zorge, dog de Culture van andere pro„ ducten is daaraan geenzints hinder„ lijk, wijl tusschen de zaaij en oogst tijden er zoo veel tijds overschiet dat de ingezeetenen die nuttig kunnen besteeden tot 't planten van andere producten, zoo als ze dat ook tot hier toe gedaan hebben. Alle onze be„ doelingen en schikkingen loopen mits dien 561 dien alleen daar op uit, om 't volk„ aantemoedigen om dit werk niet meerder iever te doen, dog niemand word er toe gedwongen, maar 't staat een iegelijk vrij om producten aan„ „teplanten of niet, en in de aanplan„ ting te kiesen wat hij planten wil. wij hebben nogtans een extrakt uit uwer Hoog Edelheeden missive van den 26=e Maij 5. 111. , aan de Landae„ genten laaten afgeeven, met last om zig overeenkomstig hoogst der„ zelver intentie te gedraagen. §. 66. wijl het besluit door uwe Hoog Edel„ heeven genomen ten opzigte van den afgegaanen gaalsch gezaghebber krarij„ enhoff, is geschied te onzer gunste en dat we ons gaarne te vreede houden met de voldoening, die hij ons zeedert gegeeven heeft, neemen we de vrij„ heid uwen Hoog Edelheeden, nedrig te verzoeken, dat hoogst derzelver ordea, om door hem te doen betaalen drie maanden gagie mag blijven buiten e

NL-HaNA_1.04.02_3881_0398 view scan ↗

English

without execution. Section 67. We have instructed Captain Lieutenant Joenander to repay into the Company's treasury the gratuity of 1500 rixdollars granted to him. However, since he may fairly deserve this bonus for his very useful performance, and the account of the expenses for the excavation carried out under his direction has already been presented to Your High Nobilities alongside our respectful letter of 27 January last, we take the liberty, pursuant to Your High Nobilities' favorable authorization, to respectfully request hereby that the aforementioned gratuity may be awarded to him. Section 68. Because we felt constrained, in view of the standing order, from proposing to Your High Nobilities the request of August Carel Fredrik, Count of Ranzow, to be accepted into the Company's service as a bookkeeper, we have simply forwarded his petition to Your High Nobilities, which we believe we may refuse to no one. Section 69. The servants confirmed in their offices and increased in salary by Your High Nobilities express their profound gratitude to the same for this. Section 70. From the minute expense account of the ship De Leviathan, kept here at the trade office, it appears that the 276 ells of Dutch sailcloth charged to the said vessel, along with some other equipment goods mentioned therein, were used for making a mizzen sail, as is indicated by a report from the Head Administrator, a copy of which is enclosed herewith. We must therefore assume that in the copy of the expense account examined there, a line was skipped. We accordingly take the liberty of presenting to Your High Nobilities a further copy of the said expense account herewith, with the humble request that Your High Nobilities please have it investigated and inform us by whom the expense account in which the aforementioned error was discovered was signed for collation. Section 71. We shall return to the Netherlands the crate of hemp ties mistakenly brought here. Section 72. We have ordered the officials at Jaffanapatnam to investigate and report to us on the merits of the complaints of the resident of Plolie, Welaythan Alwena, mentioned in his copy petition sent to us by Your High Nobilities, and we have also recommended to the officials to ensure that no harm comes to the said Alwena for submitting the said petition. Section 73. We shall have the ships departing for Batavia supplied with the necessary fish for the voyage. It is purchased here at 4 Indian stuivers per pound, and at Gale also at the same price during the good monsoon, or from September to April; but in the remaining four months, it costs 6 Indian stuivers per pound at Gale, as we have already informed Your High Nobilities in our respectful letter of 27 January of this year, sections 70 and 76. Section 74. Insofar as all the points appearing in Your High Nobilities' aforementioned esteemed dispatches have not been answered herein, we shall have the honor of doing so at a further opportunity, at which time we shall also simultaneously answer Your High Nobilities' aforementioned dispatch of 13 and 31 August, received with Berkhout and the Leviathan. Section 75. Meanwhile, we have the honor to sincerely and respectfully congratulate the Extraordinary Councilor Van Overstraten on his promotion to that post, with cordial wishes for the Lord's blessing upon his official duties. Section 76. The Dissave of Colombo, Fretz, pursuant to and in compliance with what was ordered by Your High Nobilities in the dispatch of 17 April 1789, section 157—namely, that he should make a specific statement on all the articles of the memorandum presented to us by the former Head Administrator and present Commander of Gale, Sluysken—has presented the report that we have the honor to send in copy herewith. Section 77. Also enclosed herewith is a report from the merchant and first warehouse master Reintoux and the merchant and trade bookkeeper Samlant, who, pursuant to and in compliance with what was written by Your High Nobilities in the aforementioned letter of 17 April 1789, section 53, were appointed by our resolutions of 24 October 1789 to be present at the making of the demonstrations which Your High Nobilities ordered in the aforementioned respected letter to be made by the said Commander of Gale, together with another report from the said Dissave Fretz, in whose presence this commission was executed. Along with this report, Dissave Fretz has also delivered some cinnamon sticks with the cinnamon peeled therefrom, which are mentioned both in this report of his and in the report of the aforementioned appointees, and which we are also sending packed in a separate small box with the bearer of this, not as a sample taken that could be of any service in this matter, but only in case Your High Nobilities might perchance desire to see them. Section 78.

Dutch transcription

buiten executie. §. 67. We hebben den kapitein Luitenant Joe„ nander opgelegd, om de aan hum ver„ strekte gratificatie van 1500. ad:s in skomp:s Cas terug te tellen, dan wijl hij voor zijne zoo nuttige verrigting dit douceur billijk mag hebben en de reekening van 't bekostigde aande onder zijn bestier gedaane doorgraa„ ving, reets aan uwe Hoog Edelheeden nevens onzen eerbiedigen van den 27:e Januarij Jongstleeden is aangebooden, zoo numen we de vrijheid, om inge„ volge uwer Hoog Edelheeden gunstige qualifikaatsie, door deezen eerbiedig te verzoeken, dat de voorsz: gratifi„ kaatsie aan hem mag worden toe„ „geweezen. §. 68. om dat we ons uit hoofde van de leggende order beswaard worden om aan uwe Hoog Edelheeden voor„ tedraagen het verzoek van August Carel fredrik Grave van Ranzow, om als boekhouder in dienst van de Komp: 562 komp: te worden aangenoomen hebben we zijn verzoek schrift aan uwe Hoog Edelheeden eenvoudig toegezonden, het geen we denken niemand temogen wijgeren. §. 69. De door uwe Hoog Edelheeden in hunne ampten bevestigde en in gagie verbeterde dienaaren, betuigen hoogst denzelven daar voor hunne diepe erkentenis. §. 70. Bij de minut onkostreekening van het schip De Leviathan, alhier ten negootsie Comptoire berustende, blijkt dat de 276. ellen hollandsch zijldoek, die ten laste van gem: bodem zijn opgebragt, nevens eenige andere daarbij vermelde Equipagie goe„ deren, verbruikt zijn tot 't maaken van een bezaan zijl, zoo als dat word aangeweesen bij een berigt van den Hoofdadministrateur, dat in kopij hiernevens gaat, en we moeten dus onderstellen, dat bij de Copij on„ kostreekening, die aldaar is ge= „examineerd de examineerd, een regel is overgeslaagen. we neemen mits dien de vrijheid uw en Hoog Edelheeden een nadere kopij van gem: onkost„ reekening hiernevens aantebieden, met ne„ drig verzoek, dat uwe Hoog Edelheeden gelieven te laaten onderzoeken en aan ons te bedeelen, door wien de onkostreeke„ ning, waar bij het voorsch: vrreur is ontdekt, voor de Collatie onderteekend §. 71. De alhier abusive aangebragte kas met hennip banden zullen we na Nederland terug zenden. §. 7z: wij hebben den bedienden te Jaffinapat„ nam gelast, om onderzoek te doen en ons te berigten, wat 'er zij van de klagten van den inwoonder van Plolie Welaij„ Ioan Alwena, vermeld bij zijn door uwe Hoog Edelheeden aan ons toegezonden Copij request, en hebben we teffens den bedienden gerecommandeerd, om te zorgen dat aan gem: Aliena, over 't presen„ teeren van gemelde request, geen leid geschied. 5. 73. is. 563 §. 73. Wij zullen de scheepen die na Batavia vertrekken van de benodigde visch voor de reize laaten voorzien Dezelve word alhier ingekogt, tegens 4. indische stuij„ vers 't pond, en te Gale meede tegens de zelfde prijs, geduurende de goede mous„ „son, of van zeptember tot April, dog in de overige vier maanden, kost ze te gale 6. indische stuivers het pand gelijk we dat uwen Hoog Edelheeden reeds hebben bedeeld, bij onzen eerbiedigen van den 27:e Januarij deezes Jaars 5. 70. en 76. §. 74. voor zoo verre alle depoincten, die voor„ koomen bij uwer Hoog Edelheeden voorsz: zer g'eerde Missives in deezen niet zijn beantwoord, zullen we de eere hebben om dat te doen bij eene naadere ge„ leegentheid als wanneer we ook tege„ „lijk zullen beantwoorden uwer Hoog Edelheeden voorsch: missive van den 13:e en 31: aug:s, met Berkhout en de leviathan ontvangen. §. 75. Intusschen hebben we de eer om den Heer Raad Extra ordinair van overstraaten met met zijn Edelens promotie tot die Charge„ door deezen welmeenend en eerbiedig te feliciteeren, onder hartelijke toewen„ „sching van des Heeren zeegen over zijn Edeles ampts verrigtingen. §. 76. Den Dessave van Kolombo Fret=s, heeft ingevolge en ter voldoening aan het door uw Hoog Edelheeden geordon„ neerde bij missive van den 17:e April 1789. 5. 157. dat wij zig namentlijk speciaal zoude hebben teverklaaren op alle de Artikelen van de Memorie van den geweezenen Hoofd Administra„ teur en presente Gaals kommandeur sluijsken aan ons gepresenteerd het be„ „rigt, dat we de eere hebben in kopij hiernevens tezenden. §. 77: Nog gaat hiernevens een berigt van den koopman en eersten Pakhuijsmeester Reintous en den koopman en Negootie boekhouder Samlant, die ingevolge en ter voldoening aan het door uw Hoog Edelheeden geschreevene bij voorsz: brief van 564 van den 17:e April 1789. §: 53. bij onze Resolutien van den 24 oktober 1789. zijn gekommitteerd om present te wee„ „zen bij het doen der aan wijzingen die uw Hoog Edelheeden bij voorsz: geeerbiedigden brief hebben bevoolen, dat door gemelde Gaalsch kommandeur moeten worden gedaan, met en benevens nog een berigt van gem: Dessave Foetz, ten wiens overstaan deeze kommissie is gedaan. Bij dit berigt heeft Dessave L'retz te„ vens overgegeeven eenige kanneel stok„ ken met de daar van geschilde kan„ veel, waarvan zoo wel bij dit zijn berigt als bij het berigt van de voorsz: gekommitteerdens gesprooken word, en welk we in een appart kasje afge„ „pakt, ook met brenger deezes zenden niet als een genomene proeve die in deezen van eenigen dienst zoude kun„ nen zijn, maar alleen of uw Hoog Edelheeden somtijds konden verlangen om ze te zien. 5. 78.

NL-HaNA_1.04.02_3881_0404 view scan ↗

English

Section 78. That which on this occasion the aforementioned Gale Commander Sluijsken has indicated and performed, in fulfillment of your High Excellencies' aforesaid very esteemed order, is so circumstantially indicated in the aforesaid report that we believe we may dispense with entering into any detail about it here, and if Your High Excellencies should also find that Your highest intention has not entirely been fulfilled, this is not to be attributed to our aforesaid commissioners. We trust that Your High Excellencies will find from their report that they have done everything possible for them to fulfill Your High Excellencies' intention, and that which was recommended to them in accordance therewith by the instructions granted to them, which are recorded in their report. Section 79. Shortly before the aforesaid commission was executed, the Gale Commander Sluijsken presented the annexed copy of a report dated 22 October. Upon the delivery thereof, he also handed over some branches of cinnamon trees, which he said he had ordered to be cut down, and that he hoped hereby to have satisfied the orders of Your High Excellencies to your satisfaction. Section 80. Verbally, upon the delivery of this report, Commander Sluijsken further proposed that he thought this was sufficient to meet Your High Excellencies' intention, and accordingly requested to remain excused from the actual physical indications imposed upon him by Your High Excellencies, as appears from a writing delivered by His Honour to the aforesaid commissioners Reintous and Samlant, and is mentioned in detail in this report of theirs. His Honour says therein: And although I thought to clear myself of this on two occasions, and humbly requested such of the Lord Governor, all the more because the investigation of our commission could be carried out by native commissioners, I was virtually forced to go and make the physical indications in the forest myself. Section 81. The Governor would gladly have complied with these requests had it been in his power, especially as he well foresaw that this commission would serve no purpose other than to create a considerable stir among the inhabitants, and it would therefore, in his view, even have been better had it not taken place; but he did not dare take that upon himself. He pointed this out to Commander Sluijsken, and that he could do this all the less because he himself said at the end of his aforesaid report that if, contrary to his expectation, it were absolutely required that he personally point out where and how bad cinnamon grew among the good, he was completely ready to do so. The Governor therefore brought the matter to the deliberation of the Council, which, as appears from the record in the resolution of 24 October, thought that it could not agree to this aforesaid request of Commander Sluijsken, and accordingly understood that the commission had to proceed. Section 82. Merely making an indication of where and how bad cinnamon grows among the good did not fulfill the object of Your High Excellencies' orders, and therefore, in the instructions granted to the commissioners, it was circumstantially prescribed to them what they had to observe in their commission. Section 83. Commander Sluijsken says in his aforesaid writing sent to the commissioners that during the deliberation held on 1 August 1786, in which his reports of 3 and 18 July are recorded, upon the question whether, over and above the arrangements according to which the clearing and planting of the cinnamon lands was already then directed, he knew of anything further to indicate for the greater improvement and better progress of this work: I said immediately at that moment when I was asked that I referred to my reports of 3 and 18 July 1786, and that I requested that these might be sent to Batavia, also that I could not vote in favor of granting so many requested lands. Section 84. From the Resolution itself it appears that Commander Sluijsken simply replied to the aforesaid questions that he had nothing to remark thereon /: on the arrangements according to which the clearing and planting of the cinnamon lands was then directed :/, and that he did not think that this work could be directed better and on another footing than that which was then maintained therein, for the rest referring to his aforesaid submitted addresses; and it thus appears that His Honour, during the taking of this resolution, which was taken unanimously, spoke nothing of the granting of lands. Section 85. But because, by the addition quoted above from His Honour's writing to the commissioners: Also that I could not vote in favor of granting so many requested lands, and even much more by that which appears in His Honour's report of 26 December 1787, that contrary to his opinion, on 1 August 1786 he could not well vote in favor of the granting of the lands disposed of at that time, as being too much to the prejudice of the Company, the blame is rubbed onto this Government as if on that occasion it had not, according to duty, cared for the interests of the Company, we request

Dutch transcription

§. 78. Het geen ter deezer geleegentheid, de voorm: Gaals kommandeur sluijsken heeft aan „geweesen en verrigt, in voldoening van voorsz: uwer Hoog Edelheeden zeer g'eerde ordre, is bij voorsz: berigt zoo omstan„ dig aangeweezen dat we ons denken te„ moogen dispenceeren van daar over hier in eenig detaille te treeden, en zoo ook uwe Hoog Edelheeden mogten be„ vinden, dat aan hoogst derzelver in„ tentie niet al te zeer is voldaan, is dat niet toeteschrijven aan voorsz: onze gekommitteerdens. we vertrouwen dat uwe Hoog Edelheeden bij hun rap„ „port zullen bevinden, dat dezelven alles gedaan hebben wat hun mogelijk was, om te voldoen aan uwe Hoog Edelheeden intentie, en het geen hun overeenkom„ „tig daarmeede is aanbevoalen bij de op hun verleende instruktsie die bij hun rapport is ingeschreevens. §. 79. kort voor dat voorsz: kommissie is uitgevoerd, heeft de Gaalsch komman„ deur sluijsken gepresenteerd het in kopij hiernevens 565 hiernevens gaande berigt, gedateerd den 22:e Oktober: Bij het overgeeven daar van gaf hij teffens over eenige takken van kanneel boomen, die hij zijde te hebben laaten kappen, en dat wij verhoopte hiermeede aan de beveelen van uwe Hoog Edelheeden ten genoegen te hebben voldaan 3. 80. Mondeling stelde den kommandeur sluijs„ ken, bij het overgeeven van dit bericht, nader voor, dat hij dagte dit voldoende te zijn aan uwer Hoog Edelheeden intentie„ en verzogte, midsdien om van de dade„ lijke aanwijzingen hem door uw hoog Edelheeden opgelegt, temoogen blijven ver„ „schoont, zoo als dat blijkt bij een geschrift door zijn Ed: overgegeeven aan de voorsz: gekommitteerdens Reintous en samlant en bij deeze hun berigt in het braede is ver„ meld zijn Ed: zegt daar bij En of schoon ik tot tweemaalen toe mij hier van dagte vrij te spreeken, en zulx den Heer Gouverneur demoedig verzogte, temeer wijl het onderzoek van onze kommis„ sie door inlandse gekommitteerdens konde 6 konde geschieden wierd ik als gedwonge perzoneele aanwijzinge in het bosch zelve te gaan doen. §. 81. De Gouverneur zoude aan deeze ver„ zoeken gaarne hebben voldaan, was het in zijn vermoogen geweest temeer wij wel voorzag, dat deeze kommissie tot niets zoude strekken, dan om wet gerugt onder de ingezeetenen temaaken en waare het daarom naar zijn inzien zelfs beeter geweest, dat ze niet waare geschied dog hij heeft dat niet durven over zig neemen. bij deed dit den komman„ deur sluijsken opmerken en dat wij dit te minder konde doen wijl hij aan het einde van voorsz: zijn berigt zelve zijde, dat zoo teegens zijn verwagting absoluut wierde begeerd dat wij personeel zoude aanwijzen, waar en hoe slegte kanneel onder de goede opgroeide, Wij daar toe volkoomen gereed was. De Gouverneur heeft daarom de zaak gebragt ter deli„ beraatsie van den Raad welke blijkens het aangeteekende ter resoluutsie van den 566 den 24:e Oktober heeft gemeend, in dit voorsz: verzoek van den Commandeur sluijsken niet te kunnen bewilligen, en mits dien heeft verstaan dat de kommissie voortgang moeste hebben. §. 82. Alleen een aanwijzing tedoen; waar en hoe slegte kanneel onder de goede, opgroeid, vervulde het oogmerk van uwer Hoog Edelheeden beveelen niet, en is daarom bij de instauctie op de ge„ kommitteerdens verleend, aan dezelven omstandig voorgeschreeven, wat ze bij hunne kommissie hadden in acht te neemen. §. 83. De kommandeur sluijsken zigt bij voorsz: zijn geschrift aan de gekommit„ teerdens gezonden, dat hij bij de gehoude„ ne deliberaatsie op den 1:e aug:s 1786. waarbij zijne berigten van den 3:e en 18:e Julij zijn aangeteekend op de vraage of wij booven en behalven de schik„ „kingen, waar na het zuijveren en beplanten beplanten der kanneel landen reeds toen wierd besteerd, nog iets ter meerdere ver„ betering en beeteren voortgang van dit werk wist aantewijzens: Ik hebbe op dat moment wanneer mij gevraagd wierd met eene gezegt, dat ik mij revereerde aan mijne berichten van den 3:e en 18:e Julij 1786. en dat ik verzogte dat deeze na Batavia mogte gezonden worden, ook dat ik niet konde meede stemmen in het afgeeven van zoo veele verzogte landerijen 5. 84. uit de Resolutie zelve blijkt dat de kom„ „mandeur sluijsken op de voorsz: vraa„ „gen, eenvoudig heeft geantwoord, dat Wij daarbij /: bij de schikkingen waar na het zuijveren en beplanten dea kanneel landen toen wierd besteerd:/ niets had aantemerken, en dat wij niet dagte dat ditwerk beeter en op eenen anderen voet, dan die toen daar in gehouden wierd kon worden bestiead, zig voor het 567 het overige gedraagende aan voorsz: zijn ingediende addressen, en blijkt dus dat zijn Ed: bij 't neemen van deeze resol: die met eenpaarigheid van stemmen ge„ noomen is, niets heeft gesprooken van het afgeeven van Landerijen. §. 85. Dan wijl bij het bijvoegzel, dat hier booven uit zijn E:s geschrift aan de gekommitteer„ dens is overgenoomen: Ook dat ik niet konde meede stemmen in het afgeeven van zoo veele verzogte landerijen, en noch veel meer bij het geene voorkomt bij zijn E:s berigt van den 26:e December 1787. , dat hij tegens zijn gevoelen aan, Op den 1:e aug:o 1786. niet wel konde meede stemmen in het afgeeven der landerijen, waarover ter dier tijd is ge„ disponeerd, als tezeer zijnde in preju¬ dicie van de Maatschappij deeze Re„ „geering de blaam word aangevreeven, als of ze bij die geleegentheid, niet naar pligt zoude, hebben gezorgt voor de belangens van de Maatschappij, ver„ „zoeken

NL-HaNA_1.04.02_3881_0410 view scan ↗

English

we request to occupy the attention of your High Excellencies herewith for a moment. Paragraph 86. The repatriated Dessave De Cock, during his administration, upon the request of various residents to be allowed to have a parcel of land for planting, had the requested lands inspected by ordinary native commissioners, and after the reports thereof had been received, and it had appeared to him therefrom that the lands could be ceded without detriment to the Company, gave to the petitioners a certificate signed by them, that they were provisionally permitted to take possession of the requested lands, the low lands to pay therefor the Company's due of one-tenth after the expiration of three years, and the high lands to plant them for one-third, and by which certificates it was imposed upon many that they had to plant with cinnamon the third that was to be planted for the account of the Company, instead of with coconut trees, as is otherwise the custom. Paragraph 87. In this same manner some certificates were also granted by the Dessave Billing, though few, because he had only just entered into the service of Dessave. Of these issued certificates he gave an indication in his reports, mentioned in the aforesaid Resolution of 1 August 1786, and submitted therewith several new applications, made by various residents, to cultivate lands; for himself he also requested some lands, on that same footing as have been ceded to various residents, and it is upon these reports that our aforesaid resolution was taken. Paragraph 88. We do not think that more precautions could be taken in the issuing of lands than were taken in this Resolution. It would abuse the attention of your High Excellencies to wish to demonstrate that here, whereof we humbly request that your High Excellencies please take the trouble to inspect this Resolution itself, which is transmitted among the enclosures for the greater convenience of your High Excellencies' deliberation. Comparing it with earlier Resolutions taken concerning the issuing of lands, your High Excellencies will find that in the aforesaid Resolution of 1 August 1786 even more than ordinary precautions were taken. As proof thereof, among others, may serve the Resolution of 1 April 1777, which is also transmitted among the enclosures, taken upon a report of the repatriated Dessave De Cock and of the Commander Sluijsken himself, at that time being Captain of the Cinnamon, concerning many lands in the village of Kiemboelapittie, which in this Resolution is called a waste parcel of land, and which lands were deemed, on the basis of this report, to be suitable for granting. Paragraph 89. This village of Kiemboelapittie lies in the Doenigahapattoe of the Alloetkoerkoal, and according to a certain report recorded in the resolution of 4 August 1758 was not only reported at that time to be a cinnamon-yielding village, but this village is even noted in the aforesaid report as one of the best cinnamon-yielding villages. Paragraph 90. It thus appears from this Resolution that Commander Sluijsken, who at the time he made this report was head of the Mahabadde, and thus had a more than ordinary interest in preventing anything from being undertaken to the detriment of the cinnamon, was at that time, contrary to what now appears in several places in his writings on the subject, of the opinion that one could, without prejudice to the Company, grant lands, even in villages very rich in cinnamon. Paragraph 91. We do not note this here to censure this resolution. We are even very much of the opinion, along with the government of that time, that it does not matter where the lands are located, but whether they can be granted for cultivation without detriment to the Company. Such lands are found just as well in the villages that were reported as rich in cinnamon in the aforesaid report of the year 1758, as in all other places, and there is thus no reason why one should not cede these as well as those to the residents, when they request them and when it appears that it can be done without detriment to the cinnamon. Paragraph 92. Our intention in this is solely to point out that Commander Sluijsken, not only very unjustly but even contrary to his own fundamental principles, has sought to cast blame upon this Government, as if the same had failed in its duty to the Company in the aforesaid Resolution of 1 August. Paragraph 93. We could add many remarks hereto concerning various parts of his writings, which here and there are drawn up rather imperiously. Among other things, we might, for example, complain with much reason about the very strange manner in which Commander Sluijsken, as appears from the report of the commissioners Reijntous and Samlant, has sought to prove his indirect accusations, as if our arrangements and actions were detrimental to the natural growth of the cinnamon; but we prefer to pass over this and many other matters, which otherwise might well deserve a special demonstration, in silence, and leave the consideration thereof to the higher and wiser judgment of your High Excellencies, from whom we believe we may trust and hope that they will be so good, in the decisions to be taken thereon, as to ensure that at least in the future this Government may remain freed from such very far-reaching, disagreeable encounters, of which we do not imagine that there is any example on Ceylon. We only cannot omit to note here with a word, that

Dutch transcription

zoeken we de aandagt van uw Hoog Edelheeden hiermeede voor een oogen blik temoogen beezig houdens. §. 86. De gerepatrieerde Dessave De Cock habe geduurende zijn bestier, op verzoek van dezen en geenen ingezeetenen, om te moogen hebben een stuk grond ter aanplanting, de verzogte gronden door gewoone Jnlandsche gekommit„ teerdens doen visiteeren, en na dat de Rapporten daar van waaren in„ „gekoomen, en het hem daar uit ge„ bleeken was, dat de gronden zon„ der nadeel van de komp: konden worden afgestaan, aan de verzoe kers gegeeven een door hun geteekend bewijs, dat ze de verzogte gaonden bij provisie mogten aanvaarden de laage gronden om na verloop van drie Jaaren daar voor 'skomp:s ge„ regtigheid van een tiende te betaalen, en de hooge gronden om die te be„ „planten voor een derde en bij welke bewijzen 568 bewijzen aan veele was opgelegt, dat ze het derde dat voorreek: van de komp: moeste worden beplant, moesten beplan„ ten met kanneel, in steede van niet kooker boomen, gelijk het anders de gewoonte is. §. 84. Op deeze zelfde wijze waaren ook door den Dessave Billing eenige be„ wijzen verleend, schoon wijnige, wijl Wij toen eerst pas in den dienst van Dessave getreeden was van deeze afge„ „geevene bewijzen, daid wij eene aan„ wijzing bij zijne berigten, vermeld bij voorsz: Resoluitsie van den 1:e Aug:o 1786. en droeg daar bij voor nog eenige nieuwe instantsien, ge„ daan door deeze en geene ingezeete„ ven, om gronden te Kulteveeren, voor hem zelve verzogte wij ook eenige gronden, op dien zelfden voet als aan deezen en geenen ingezeete„ nen zijn afgestaan, en het is op deeze berigten dat voorsz: onze resol: genoo„ men is. ƒ 5. 88. 5. 00. We denken niet dat 'er meer voor„ zorge kunnen genoomen worden bij het afgeeven van Landerijen, dan bij deeze Resoluutiie genoomen zijn. het zoude de aandagt van uw Hoog Edelheeden zijn misbruijkt, dat hier tewillen aanwijzen waar van we needrig verzoeken dat uw Hoog Edel„ heeden de moeijte gelieven teneemen om deeze Recol:, die tot meerder gemak van uw Hoog Edelheeden del: beraatsie onder de bijlaagen overgaat zelve in tezien. Aet die te vergelijken bij vroe„ „gere Resatuutsien over het afgeeven van landerijen genoomen, zullen uwe Hoog Edelheeden bevinden dat bij voorsz: Resoluuttie van den 1:e aug:os 1886. zelfs meer dan gewoone voorzorgen genoomen zijn. Ten blijke daar van kan onder anderen strekken de Resoluutiie van den 1:e April 1777. , die ook onder de bij„ laagen overgaat, genoomen op een berigt 569 berigt van den gerepatrieerden Desseve de Cock en van den kommandeur sluijsken zelve, te dier tijd zijnde ka„ „pitein van de kanneel over veele gron„ den in het doop kiemboelapittie, dat bij deeze Resoluutsie een woest stuk grond genoemt word, en welke gron„ den geoordeelt zijn uit hoofde van dit berigt, te kunnen worden afgegeeven. §. 89. Dit Dorp Kiemboelapittie legt in„ de Doenigahapattoe van de Alloet„ koerkoal, en is blijkens zeeker berigt ingeschreeven in de resol: van den 4:e aug:o 1758. niet alleen ter dier tijd op„ „gegeeven te zijn een kanneel geevend doop, maar is zelfs dit dorp bij het voorsz: berigt aangeteekend als een der beste kanneel geevende dorpen. §. 90. Het blijkt dus uit deeze Resol: dat de kommandeur sluijske, die ten tijde dat wij dit berigt deed, was hoofd van de Marabadde, en dus een meer dan gewoon intrest had, om te voorkoo„ men dat niets ondernoomen wierd ten ten naderle van de kanneel ter dier tijd tegens het geene nu op verscheide plaatsen van zijne geschriften daar van voorkomt, is van oordeel geweest, dat men, zonder paejudicie van de komp: gronden kon afgeeven, zelfs in zeer Kanneel rijke doopen. 5. 91. we merken dit hier niet aan, om deeze resol: te berispen. we zijn met de regering van dien tijd zelfs zeer van gevoelen, dat het 'er niet op aan„ komt waar de gronden geleegen zijn, maar of ze zonder nadeel van de komp:s kunnen worden afgegeeven ter kultiveering. zulke gronden vind men zoo wel in de doopen, die bij het voorsz: berigt van het Jaar 1758. zijn opgegeeven voorkanneel rijk, als op alle andere plaatten, en daar is dus geen reeden waarom men net zoo wel deeze als geene zoude afstaan aan de ingezeetenen, wan„ neer ze daarom verzoeken en wan„ meer 570 neer het blijkt dat het geschieden kan, zonder nadeel van de kanneel: 3. 92. ons oogmerk in deezen alleen, om aantewijzen dat de kommandeur sluijsken deeze Regeering niet alleen zeer ten onregten maar zelfs tegens zijn eigen gronds beginzelen aan, heeft zoeken aantewrijven den blaam, als of dezelve bij voorsz: Resol: van den 1:e aug:o in haar pligt tegens de komp: waare te kort geschooken. §. 93. We zouden hier bij nog veele aanmer„ kingen kunnen voegen, over ver„ „scheide gedeeltens van zijne geschriften, die hier en daar vaij wat meesteragtig zijn ingesteld. Onder anderen zouden we ons, bij voorbeeld met veel gronds moogen beklaagen over de zeer vreemde wijze, waar op de kom mandeur sluijsken, blijkens het rapport van de gekommitteerdens Reijntous en samlant, heeft zoe„ ken te bewijzen, zijn indierekte beschuldigingen 1: w beschuldigingen, als of onze schikkin „gen en verrigtingen aan de natuur„ lijke groeij van de kanneel hinder„ „lijk waare, dan we willen dit en veele andere dingen, die anderzints misschien wel een speciaale aanwij„ zing zouden verdienen, liever stil„ zwijgende voor bij gaan, en de over „weging daar van overlaaten aan het Hoog wijzer oordeel van uw Hoog Edelheeden, van dewelken wij den„ ken niet vertrouwen te moogen hoopen, dat hoogst dezelve in de daarover teneemene besluijten zoo goed zullen zijn, van te zorgen, dat ten minsten in den aanstaande deeze Regeering mag blijven bevrijd, van diergelijke zeer verregaande onaangenaame ontmoetingen, waar van wij ons niet verbeelden; dat 'er een voorbeeld zij op Ceilon. Alleen kunnen we niet voor bij hier noch met een woord aantemerken, dat

NL-HaNA_1.04.02_3881_0417 view scan ↗

English

571 that through the spreading of so many doubts regarding the activities for the promotion of the cinnamon culture, the service of the Company has not been advanced at all. §. 94. The commissioners Reintous and Samlant state at the conclusion of their report that it would be most desirable for the interest of the Company that there should never be any doubt or further writing about the proper planting and the further improvement of the cinnamon product, and we very much share their opinion. §. 95. The natives are quite generally under the suspicion that the present Galle Commander Sluijsken is not too great a proponent of the planting of cinnamon and the clearing of the forests, nor of any other plantations, and these suspicions seem to gain more and more ground. §. 96. How it came to the ears of the natives that His Honour has submitted various writings against what has been done for the promotion of the cinnamon culture, both under the administration of the late Governor Falck and since, is not so much a matter of question; but that it is quite generally known among the natives, and that they seem to believe from this that these writings would have found such great acceptance with Your High Excellencies that Your Excellencies themselves were disgusted with these activities, or at least had only faintly recommended the further progress thereof, of that one seems not to be able to doubt. §. 97. As long as the former Head Administrator Sluijsken was in a subordinate post, those things had less influence on the minds of the public; but having been appointed Commander of Galle, all those tales received 572 tales received new fuel, and among the common people it was spoken of as if the work on the plantations would now soon be stopped. §. 98. Upon this followed the aforesaid commission, and although Commander Sluijsken thereby indicated nothing substantial that could in any way serve as proof of the doubts that have been spread in his writings concerning the usefulness of this work, everyone nonetheless had their mouths full of it once again. §. 99. This went so far that the first head of the cinnamon peelers, the Maha Vidane, and some other of the principal chiefs of the Chalias found it necessary to make a report of it, which is transmitted among the enclosures, upon which they were informed on that occasion that the progress of the cinnamon work, which was to be continued on the footing maintained hitherto, was to the great satisfaction of Your High Excellencies, and that in proof thereof the medals of honour and other marks of distinction promised to all those who should have distinguished themselves in this work were soon to be distributed. §. 100. After the Matara disturbances were quelled, it seemed as if unrest was also about to arise in the Galle Korale. The Governor therefore gave orders to the Captain of the Cinnamon that he should summon the aforesaid Maha Vidane of the Mahabadde, who was at that time on the side of Negombo, and that he should send him to the Chalia villages in the Galle Korale, in order to prevent by his presence any unrest from arising among the people of the Mahabadde. §. 101. The Maha Vidane, arriving here, promised that he would try to carry out this order to the best of his ability, but added 573 added to this that not only was there still much murmuring among the people about the plantations, but that he also thought he must now give notice of a number of questionable conversations that were held quite openly among the Chalias of Welitara, Kosgoda, Madampe, and Raigam, and might sometimes result in his not being able to fulfill the order he had received as fully as he might wish, because a kind of mistrust seemed to have arisen from this between some chiefs, and even mutually among a part of the people, according to how each seemed inclined and took an interest in those things. §. 102. He and the Mohandiram and first interpreter of the Mahabadde who was with him then recounted that which Your High Excellencies will find in a translated ola, which is also annexed hereto, and is signed by these two chiefs and several other chiefs of the Mahabadde, is marked No. 35. Three more documents speaking thereof are likewise transmitted among the enclosures. §. 103. Our purpose in bringing these things to the attention of Your High Excellencies is solely to demonstrate that if Your High Excellencies wish that the cinnamon work and other useful plantations be continued on the same footing as has been done hitherto—all of which things have suffered considerably due to the disturbances that have taken place in the Matara Dissavony and also in a couple of korales of this Dissavony, and are likely to suffer even more if they are not provided for—it is most highly necessary that Your High Excellencies further recommend that work in the most emphatic manner, so that thereby all doubts that have arisen concerning it may be removed, which, as long as they persist, can have only an unfavourable influence upon it. §. 104.

Dutch transcription

571 dat door het verspaijden van zooveele twijffelingen over de verrigtingen ter bevordering van de kanneel kultuure, den dienst van de komp: geheel niet ge„ vordert is. §. 94. De gekommitteerdens Reintous en samlant zeggen bij het slot van hun berigt; dat het voor het belang der Maatschappij aller wenschelijkst waa„ re dat nimmer getwijffelt of meer geschreeven wierde over de behoorlijke aanplanting en het verder in staat brengen van het kanneel produkt, en we zijn zeer van hun gevoelen. §. 95. De inlanderen zijn vrij algemeen in het vermoeden, dat de tegenswoor„ dige Gaalsch kommandeur sluijs„ ken geen al te groote voorstander is van het aanplanten van kanneel en het schoonmaaken der bosschen, nog ook niet van eenige andere aanplan„ tingen, en die vermoedens schijnen meer en meer veld te winnen. 5. 96. §. 96. Hoe het den inlanderen ter ooren gekoomen is, dat zijn E: tegens het geen ter bevorde„ ring van de kanneel kulture gedaan is, zoo onder het bewind van den Hoog zali„ „gen Heer Gouverneur Falck als zeedert, verscheide geschriften heeft ingediend, is zoo zeer geen poinct van kwesti doch dat het vrij algemeen bij den inlander bekent is, en dat deeze daar bij schijnen tegelooven dat deeze geschriften bij uw Hoog Edelhee„ den zoo een grooten ingang zouden hebben gevonden, dat hoogst dezelve van deeze verrigtingen waaren gedegouteerd of ten minsten den verderen voortgang daar van niet dan flaauwelijk hadden gere„ kommandeerd, daar aan schijnt men niet, temoogen twijffelen. §. 97. zoo lange de geweezene hoofd admini„ strateur sluijsken in eene ondergeschikte bediening was, hadden die dingen op de gemoederen van het publiek minder invloed doch tot kommandeur van Gaale benoemt zijnde, kreegen alle die vertelzels 572 vertelzels nieuw voedsel, en onder het gemeen wierd daar over gesprooken, als of met het werk der plantagien nu spoedig zoude worden opgehoudens. 5. 98. Hier op volgde de voorsz: kommissie schoon wel de kommandeur sluijsken daar bij niets wezentlijks heeft aange„ weesen, dat eenigzints zoude kunnen strekken ten bewijze van de twijffelingen die in zijne schriften over de nustigheid van dit werk zijn verspaijt, had nog tans nu een elk op nieuw daar van de mond vol. §. 99. Dit ging zoo verre, dat het eerste hoofd der Kanneelschillers, de Mahavidaan, en eenige andere der voornaamste hoofden van de Chaliassen, het noodig vonden daar van te doen het berigt, dat onder de bijlaagen overgaat, en waarop hun ter diergelegentheid is aan„ „gezegt, dat de voortgang van het kan„ neel werk, waarmeede op den tot hier toe gehouden voet, stond te worden voort voortgevaaren, uw Hoog Edelheeden tot veel genoegen verstrekte, en dat ten bewijze daar van, nu spoedig stonden te worden uitgedeeld de eerpenningen en andere teekenen van distinktsie toegezegt aan alle de geenen die zig in dit werk zouden hebben gedistingueerd. 5. 100. Na dat de Maturesche onlusten gestild waaren, schien het als of 'er ook wet on„ rust stont te koomen in de Gale korl. De Gouverneur gaf daarom last aan den kaptijn van de kanneel, dat hij de voorsz: Mahavidaan van de Mahabad„ de zoude op ontbieden, die zig te dier tijd aan de kant van Nigombo bevond, en dat hij hem zoude zenden na de Chaliassen dorpen in de Galekaal, ten einde door zijne presentie te voorkoo„ men dat onder het volk van de Maha„ badde geen onrust mogte ontstaans. §. 101. De Mahavidaan hierkoomende, beloofde dat wij na best vermoogen aan deeze order zoude zoeken te voldoen, dog voegden 573 voegden daar bij, dat 'er niet alleen over de plantagien nog altijd veel gemom„ „pel was onder het volk, maar dat wij ook meende nu te moeten kennis geeven van een partij bedenkelijke gesprekken, die 'er onder de Chaliassen van wellitotte, kosgodde, Madampe en Raijgam vrij opentlijk gevoert wierden, en zomtijds zouden kunnen voortbrengen, dat wij niet zoo volkoomen als wij wel wensch„ te aan zijn ontvangen last zoude kun„ nen voldoen, wijl daar uit een soort van mistrouwen scheen te zijn ontstaan tusschen sommige hoofden, en zelfs tus„ „schen een partij van het volk ouderling na maate dat een elk gezint scheen, en in die dingen belang nams. §. 102. Hij en de Modliaar en eerste tolk van de Mahabadde die bij hem was, verhaalden toen het geen uw Hoog Edelheeden zullen vinden bij een translaat ola„ die nog hiernevens gaat, en door deeze twee hoofden en noch eenige andere Hoofden van de Mahabadde geteekend is is gemerkt N:o 35. Nog drie stukken daar van spreekende, gaan insgelijks onder de bijlaagen over. §. 103. ons oogmerk met deeze dingen te brengen onder het oog van uw Hoog Edel„ heeden is alleen ter aanwijzing dat wan neer uw Hoog Edelheeden gelieven dat op den zelfden voet, als dat tot hier toe geschied is, zal worden voortgevaaren, met het kanneel werk en andere mit„ tige plantagien, alle welke dingen doo de onlusten die in de Maturesche Des„ „savonij en ook in een paar korls van deeze Dessavonij geweest zijn, merkelijk zijn agteruit gegaan, en het noch meer staan te doen zoo daar in niet word voor zien, het ten hoogsten noodzaakelijk is, dat uw Hoog Edelheeden dat werk na„ der op de nadrukkelijkste wijze aande veelen, op dat daardoor warden wegge noomen alle daarover ontstaane twijffelingen, die zoo lange ze voort„ duuren, daar op niet dan van een on„ „gunstige invloet zijn kunnen. 5. 104.

NL-HaNA_1.04.02_3881_0423 view scan ↗

English

574 Section 104. In conclusion to this, we only note here that because a spittel, who has been employed for several years in the cinnamon work and other plantations, answered certain questions put to him by Commander Sluijsken on the occasion of the commission mentioned herein in a manner that required some clarification, we, based on the consideration concerning this in the report of the commissioners Rijntous and Samlant, had those questions put to him further by the Fiscal Vollenhove; and that because everything was not clarified clearly enough in the notes kept thereof, we had him heard further before two members of this assembly, whose report, together with these further received documents, is transmitted among the appendices hereto. Section 105. The retired First Examiner Berghuijs, in compliance with Your High Nobilities' order by most honored missive of 3 August 1789, has submitted the report that is transmitted among the appendices, wherein he not only indicates the reason why, in the statement drawn up by him of the salary of Colonels De Hugovet and De Bal, and of Captain Dezaroche, the same was calculated up to the last of January 1788, but also provides further indication as to how these officers must be debited and credited for the funds that stand recorded undivided in the account sent to us by the Senior Merchants of the Castle. Section 106. The said retired Examiner has also, pursuant to Your High Nobilities' orders and in accordance with his aforesaid report, drawn up and delivered to us an amended account, wherein each of the aforesaid three officers is debited and credited for what concerns each, and we take the liberty to present this amended account herewith to Your High Nobilities. 575 Section 107. Now proceeding to the continuation of the ordinary report of affairs since our most recent respectful dispatch of 27 August, of which the duplicate is transmitted among the appendices, we have the honor to begin with the Ships and vessels Section 108. The State's frigates Zephir and De Havick departed on 20 August from Trincomalee for Paleacatte. The expense accounts of the supplies provided to them at Gale and Trincomalee are transmitted in copy among the appendices, and we have received for their amount bills of exchange in triplicate from Captains Vaillant and Verheull, drawn on the Noble and Mighty College of the Admiralty at Amsterdam, which we, along with the copies of the aforesaid expense accounts, shall send to the Lords Majors in the Netherlands. For some further supplies provided at Trincomalee to the said frigates, of which a copy of the list is included among the appendices, payment was made there directly. Section 109. The further papers that we have received from the Gentlemen of the Military Commission since the dispatch of our most recent respectful letter to Your High Nobilities are now also transmitted in copy, and we take the liberty to refer most humbly, regarding the resolutions we have taken on their Honors' proposals, to our secret letter that is dispatched alongside this one. Section 110. The ship De Gouverneur Generaal Mossel arrived here at the roadstead on 20 August last, and we have designated it for a voyage to Cochin to collect a cargo of pepper for the return ships; but because it is still too early to go to Cochin, 576 we have, after the discharge of its cargo on the 3rd of this month, sent it back to the Punnaikayal roadstead to remain lying there until the 28th, since it has nothing to do here, and the Master of Equipage Andringa judged that, on account of the change of the monsoon, it will lie safer there than on so unsettled a roadstead as that of Colombo. Section 111. According to the muster roll accompanying the appendices hereto, this ship sailed from Texel with 363 persons, and had 23 deaths from Texel up to the Cape of Good Hope. From the Cape it departed with 307 persons, of whom 2 died on the voyage, and consequently 305 persons arrived at the Punnaikayal roadstead, among whom are the Junior Merchant Cornelis van Spal, Lieutenant Fredrik Willem von Dalberg, and a further 83 recruits for the national troops. Section 112. The captain of this vessel, Christiaansz, has reported that on the voyage he discovered no shoals, shallows, etc., unknown to the Company's sea charts and books, and that the provisions provided for the voyage were all found to be good, with the exception of some barrels of necks and shanks, which, due to the heat of the climate and the bloody brine, had spoiled so quickly that he was forced to distribute a larger quantity thereof to the crew than proper, and in addition to throw a batch into the sea; and that also a portion of the hard bread that lay around the bread and the bulkheads in the bread room was very moldy and virtually spoiled, which he believes should be attributed solely to the dampness of the new wood. The two reports he submitted concerning this are transmitted herewith in copy. Section 113.

Dutch transcription

574 §. 104. Tot stot deezes merken we hier nog alleen aan, dat wijl eenen spittel die zeedert verscheide Jaaren bij het kanneel werk en andere plantagien is gebruikt, op eenige vraagen, hem door den kom„ mandeur sluijsken gedaan ter gelegent„ „heid van de in deezen vermelde kom„ missie heeft geantwoord; op eene wijze die eenige opheldering noodig maakte, we op de konsideraatsie, die daar over voorkomt bij het berigt van de gekom„ mitteerdens Rijntous en samlant, hem die vraagen vader hebben doen voorhou„ den door den fiskaal vollenhove, en dat wijl ook bij de aantekening daar van gehouden, alles niet duijdelijk ge„ noeg was opgeheldert, we hem naader hebben doen hooren voor twee leeden van deeze vergadering, wier rapport met deeze nadere ingekoomene stukken onder de bijlaagen deezes overgaat. §. 105. De afgegaane eerste visitateur Berg„ huijs, heeft ter voldoening aan uwer HoogEdelheeden order bij zeer g'eerde missive van den 3:e aug:o 1789. , over „gelegd „gelegd het berigt dat onder de Bijlaagen overgaat, waar bij hij niet alleen aan„ wijst de reeden, waarom bij de door hem opgemaakte aanwijzing van het traktement van de Collonels de Hugo„ vet en de Bal, en van den kapitein De zaroche; hetzelve is gereekend tot ult:o Januarij 1788., maar ook nader aan„ wijzing doet, hoe deeze officieren moe„ ten belast en bevoordeeld worden voor de gelden, die onverdeeld staan aangetee„ kend bij de aan ons toegezondene reekening van de Heeren Opperkooplieden van 't kas„ §. 106. Gemelde afgegaane visitateur heeft nog ingevolge Uwer Hoog Edelheeden order„ en overeenkomstig met voorsz: zijn be„ rigt, opgemaakt en aan ons overgegee„ den eene verbeeterde reekening, waar bij een iegelijk der voorsz: drie officieren belast en bevoordeeld is voor 't geen elk aangaat, en wij neemen de vrijheid om deeze verbeeterde reekening uwen Hoog Edelheeden heernevens aantebiedens. 5. 107. teel. 575 §. 107. Ians overgaande tot 't vervolg van het gewoon verslag van zaaken, zedert onzen Jongst eerbiedigen van den 27:e aug:o waar van het Duplitkaat onder de bijlra„ „gen overgaat, hebben we de eere tebe„ „ginnen met de Scheepen en vaartuigen §. 108. 'slands fregatten Zephir en de Havick zijn den 20:e aug:s van vrinkenomaale vertrokken na Paleakatta. De onkost reekeningen van de verstrekkingen, die te Gale en Prinkenomaale aan dezel„ ven zijn gedaan, gaan in Copij onder de bijlaagen over, en hebben we voor het beloop derzelven, van de Heeren Kapi„ tains vaillant en verheull wissels in triplo ontvangen, ten laste van het Edelmogend Collegie ter Admiraliteit te Amsterdam, die we, met defe„ „pijen van het voorsz: onkostreeke„ „ningen, aan de Heeren Majores na Nederland zullen zenden. voor eenige eenige nadere verstrekkingen, die te Prinkenomaale aan gem: fregatten zijn gedaan, en waar van eene Copia NE„ titie onder de Bijlaagen gaat, is aldaar dierekt betaald. §. 109. De Nadere papieren, die we van de Heeren van de Militaire Commissie, zedert het afgaan van onzen Jongsten eerbie digen aan uwe Hoog Edelheeden, hebben ontvangen, gaan tans meede in Copia over, en we gebruijken de vrijheid om ons nopens de besluijten die we over de voorstellen van hun Edelens genoomen hebben, nedrigst te refereeren aan onzen sekreeten brief, die nee„ vens deezen afgaat. §. 110. het schip de Gouverneur Generaal Massel is den 20:e aug:o J:o leeden alhier ter rheede gearriveerd, en hebben we hetzelve bestemd tot een togt na Koetsiem, ter afhaal van een laa„ ding Peper voor de Retoerscheepen; van wijl het nog te vroeg is om na Koetsiem 576 76 Koetsuem te gaan, hebben wa het zelve, na de ontlossing van dies laading den 3:e deezer na de Ponnekailsche rheede terug gezonden, om daar te blijven leggen tot den 28:e, wijl het hier niets te doen heeft, en de Equipagiemeester Andrin„ „ga oordeelde, dat 't zelve wegens de keu„ tering van de mousson, daar vijliger zal leggen, dan op zoo eene onrigtige rheede als die van kolombo. §. 111. volgens de kortesterkte, die de bijlaagen deezes verzeld, is dit schip uit Texel gezeild met 363. koppen, en heeft van Texel tot aan de Caab de Goede Hoop 23. dooden gehad. van de Caab is het vertrokken met 307. Koppen; waar van 2: op rijs zijn gestorven, en zijn mits dien 305. koppen ter rheede Ponnekail aangekoomen, waar onder de onder„ Koopman Cornelis van Spal, de Lui„ tenant fredrik Willem von Daiberg, en nog 83. recruten voor de nationaale troupen. 5. 112. §. 112. De kapitein van deezen boodem Christi„ aansz: heeft berigt, dat hij op de reijze geene bij 'skomp:s zeekaarten en boeken onbekende banken, droogtens etc:a heeft ontdekt, en dat de provisien, die voor de reize zijn meedegegeeven, alle goed zijn bevonden, uitgezonderd eenige vaaten halsen en schonken, welke door de hitte van 't Climaat en 't bloedig pekel, zoo schielijk tot bederf waaren overgegaan, dat hij genoodzaakt wat geweest daar van een grooter quantiteit dan behoorde„ aan 't volk te verstrekken en daar en booven nog een partij in zee tewer„ „pen, en dat ook een gedeelte van 't hard brood, dat rondsom het brood en de schotten in de brood kamer heeft geleegen, zeer beschimmeld en genoegzaam bedorven was, hetwelk hij meend alleen te moeten at„ tribueeren aan de vogtigheid van het nieu„ we hout. De twee berigten, die hij hier over heeft ingediend, gaan hiernevens in Copij over §. 113.

NL-HaNA_1.04.02_3881_0429 view scan ↗

English

Paragraph 113. The ship's and surgeon's journals of this vessel have been examined by specially appointed commissioners, and according to the reports received thereof, copies of which are enclosed herewith, the ship's officers and the head surgeon have properly observed the orders. Paragraph 114. The consumption account and inventory of this vessel have been examined and settled here, and the report received thereof is inserted in our resolution of 27 September of last year, an extract of which accompanies the appendices hereof. We have had the ship's officers account here for the remaining provisions, cash, and ship's clothing, and the goods that, according to sworn statements, were received in the Netherlands and consumed on the voyage, less than listed, have, together with what was taken from this vessel's provisions both here and at the Cape and in Tuticorin, been written off from the inventory and expense account. We have also had paid to the ship's officers, for completing the voyage within five and a half months, the premium of one thousand five hundred guilders in Indian currency stipulated by Your High Excellencies. Paragraph 115. Captain Christiaansz having submitted a requisition for necessities for the voyage to Cochin, at the same time indicating what he would additionally need for the voyage to the Netherlands should his ship be designated as a return vessel, we have, according to our resolution of 15 December of last year, an extract of which is enclosed herewith, provisionally had supplied to him the items requested for the voyage to Cochin. Paragraph 116. The ship De Unie arrived here in the roads on 23 August, and we designated it as a return vessel for the Amsterdam chamber for the first consignment. Consequently, after discharging its cargo, it departed on 23 December of the current year for Tuticorin to take on board there and transport to Galle the linens already baled, as this could be done without anything being neglected thereby. Paragraph 117. According to the short muster roll attached among the appendices hereof, this ship sailed from Vlissingen with 256 persons and arrived at the Cape with 252 persons, from where it departed again with 336 persons, of whom 6 died and 330 persons arrived in the roads of Trincomalee, among them the junior merchant Fredrik Jacob Papo and 177 military personnel, namely 29 nationals, among them Captain Andre Augustin Louis Thomas Le Clerc, and 148 for the Regiment de Meuron. Paragraph 118. The ship's and surgeon's journals of this vessel have likewise been examined by specially appointed commissioners, and according to the reports received thereof, which are included in copy among the appendices, the ship's officers and the head surgeon have acquitted themselves properly in all respects and complied strictly with the orders. Paragraph 119. The report of the examination and settlement of the consumption account and inventory of this vessel is likewise inserted in the aforementioned extract of our resolution of 27 September of last year. We have had the remaining provisions, cash, and ship's clothing accounted for here, and the goods consumed during the voyage and taken here from the stores of this vessel have been written off from the expense account and inventory. The premium of one thousand five hundred guilders in Indian currency stipulated by Your High Excellencies has also been credited to the ship's officers for completing the voyage within five and a half months. Paragraph 120. Upon a requisition submitted by the captain of this vessel, Laurentius, which was further examined and approved by our master attendant, we have had supplied to this ship the necessities requested therein for the homeward voyage. The said requisition is inserted in our aforementioned resolution of 15 December of last year, an extract of which is attached to the appendices hereof. Paragraph 121. The captains of both these ships have represented to us that during the voyage, in accordance with former custom, they used half the powder calculated to the weight of the caliber for firing salutes and signal shots, as the new order stipulating no more than one third of the powder for that purpose had been unknown to them; but that the inspector, by virtue of this new order, raised difficulties about validating in the account the excess powder fired by them. And since Your High Excellencies' resolution whereby salutes and signal shots are set at one third of the powder calculated to the weight of the caliber of the cannons was taken on 20 January 1789, and it consequently appeared very probable to us that this resolution could not have been known to the Gentlemen Directors prior to the departure of the aforementioned ships so as to recommend its compliance to the officers of these ships, we have therefore decided to authorize the inspector, in examining the powder accounts of both these ships, to govern himself by the orders that were in effect here in that regard.

Dutch transcription

577 §. 113. De scheeps en Chirurgijns Journaalen, van deezen boodem zijn door expresse gekommitteerdens g'examineerd, en volgens de berigten, die daar van zijn ingekoomen en in Copij hiernevens gaan zijn door de scheeps Overheeden en door den oppermeester de orders behoorlijk geobserveerd. §: 114: De Consumtsie reekening en Jnventaris van deezen boodem zijn alhier geexami„ neerd en vereffend, en het daar van ingekoomen berigt is g'insereerd bij onze Resolutie van den 207:e 7ber: J:ol:, waar van een Extrakt de Bijlaagen deezes ver„ zeld. De Restant provisien, kontanten en scheepskleederen hebben we door de scheeps overheeden alhier doen verant„ woorden, en de goederen die blijkens b'eedigde verklaaringen, in Neder„ ^ mijnder land ^ ontvangen en op de reize ver„ bruijkt zijn, hebben we nevens het geen uit den voorraad deezes boodems, zoo hier, als aan de Caab en te Ttitukorijn Tutukorijn geligt is, bij den inventaris en bij de onkostreekening laaten af„ „schrijven. Ook hebben we aan de scheeps overheeden voor de afgelegde reize bin„ ven de vijf en een half maanden, laaten voldoen, de door uwe Hoog Edelheeden bepaalde premie van een duijzend vijf honderd guldens indisch geld. §. 115. Door den kapitein Christiaansz: over„ „gelegd zijnde een Eisch van benodigdhee„ den voor de reize na koetsiem met aanwijzing teffens van het geen hij daar en booven nog noodig zoude hebben voor de reize na Nederland indien zijn schip tot een retoerboodem mogte worden aangelegd, zoo hebben we blij„ kens onze Resoluuttie van den 15:e zber J:o leeden die in Extrakt hiernevens gaat„ bij provisie aan hem laaten verstrekken het gevraagde voor de reize na koet„ shein. §. 116. Het schip de unie is den 23:e aug:s al„ hier ter rheede aangekoomen, en hebbenw 't zelve aangelegd tot een retoer bodem voor 578 voor de kamer Amsterdam, voor de eer„ „ste bezending, hetzelve is mits dien na e de ontlossing zijner laading den 23:e zber: J:r C: na Tutukoaijn vertrokken om aldaar inteneemen en na Gale over„ tebrengen de reeds in den band gebragte Lijwaaten wijl dit geschieden konde zon„ der dat daarmeede iets is verzuijmt. §. 117. volgens de korte sterkte die onder de bijlaagen deezes gevoegd is, is dit schip van vlissingen gezeild met 256. koppen, en aan de Kaab gearriveert met 252: koppen van waar het wee„ der vertrokken is met 336. koppen, waar van 6. overleeden en 330. koppen ter sonnekailsche rheede aangekoo„ men zijn, daar onder de onderkoop„ man fredrik Jacob Papo en 177. Mi„ litairen, namentlijk 29. nationaale, daar onder de Capitein Andre Augus„ tin Louis thomas le Clerc, en 148. voor 't regiment de Meuron. §. 110. De scheeps en Chirurgijns Journaalen van van deezen boodem zijn meede door expresse gekommitteerden geexami neerd, en blijkens de daar van ingekor mene berigten, die in Kopia onder de bijlaagen gaan, hebben de scheeps overheeden en de oppermeester zig allezints behoorlijk gekweeten, en aan de orders nauwkeurig voldaan 119. Het berigt van de examinaattie en vereffening van de konkumtsie reekening en inventaris van deezen boodem, is meede geinsereerd in 't hier vooren vermeld extrakt onzer resa„ luutsie van den 27:e 7ber: J:o l: de res„ tanten van provisien, Contanten en scheepskleederen hebben we alhier laate verantwoorden, en de op de reijze ver„ bruikte en alhier geligte goederen, uit den voorraad deezes bodems, zijn bij de onkostreekening en inventaris afge„ schreeven: Ook zijn aan de scheeps over„ heeden, voor de volbragte reijze binnen vijf en een half maanden goedgedaan 579. goedgedaan de door uwe Hoog Edel heeden bepaalde premie van een duij„ „zend vijfhonderd guldens indisch geld. §. 120. Op een ingediende Eisch door den ka„ „pitein, deezes boodems Laurentius, de„ welke ander door onzen Equipagie„ meester geexamineerd en goedge„ keurd is, hebben we aan dit schip laaten verstrekken de daar bij gevraagde benodigdheeden, voor de thuijsreize gem: eisch is g'invereerd in onze voorsch: resoluittie van den 15:e zber: J:o leeden waar van een Extrakt onder de bijlaagen deezes is gevoegd. §. 121. De kapiteins van bijde deeze scheepen hebben aan ons vertoond, dat ze geduurende de reijze volgens voo„ rig gebruik tot 't doen van de salut en Lein schooten hebben gebruik ƒ de helfte van 't kruijt, gereekend tot de zwaarte van 't Kaliber wijl hun de nieuwe order die daar toe niet meer dan een derde, kruijt be„ „paald, „paald onbekend was geweest; dog dat de visitateur uit hoofde van deeze nieuwe order, zwarigheid moveir„ de, om 't door hun meerder ver„ schootene kruijt in reekening te valideeren: en wijl uwer Hoog Edel„ heeden bestuit waar bij de salut en zein schooten word bepaald op een derde kruijt gereekend tot de zwaarte van 't kaliber der kanons, genoomen is, op den 20:e Januarij 1789. en 't ons mits dien als zeer moogelijk voor„ kwam dat dit besluit, nog voor het vertrek van voorsch: scheepen aan de Heeren Bewindhebberen niet konde zijn bekend geworden, om de naarkoo„ ming daar van den overheeden dee„ zer scheepen te kunnen aanbeveelen, hebben we daarom beslooten den visitateur te qualificeeren, om zig in 't examineeren van de kruijtree„ keningen deezer bijde scheepen te mooge rigten na de orders die hier daar omtrend

NL-HaNA_1.04.02_3881_0435 view scan ↗

English

were observed regarding the receipt of your High Noble Lordships' repeatedly mentioned resolution. We have nevertheless had copies of your High Noble Lordships' aforesaid resolution delivered here to the aforementioned captains for their guidance in the future. § 122. The ship Neerlands welvaaren, with which this letter is sent, arrived at the Ponnekail roadstead on 25 August, and after the defect in its foreyard was repaired and it was provided with a pilot, it departed from there on the 28th following and arrived here on 2 September. § 123. Upon further inspection conducted here, it was found that the foremast and the foreyard of this vessel were waterlogged in some places on the front side, and since the master shipwright and the shipwrights who carried out this inspection judged, according to their report accompanying this in copy, that they could be covered with fishes, we have had provisions made accordingly. § 124. On the 12th of this month we sent this ship to Gale to load the goods that are in stock there for Batavia, and subsequently to dispatch it thither as soon as possible. Here, such goods were loaded onto it as are stated in the bill of lading and the invoice included among the appendices, to which are also added four invoices of the private linens mentioned in the aforesaid bill of lading. § 125. Bookkeeper Fredrik Hendrik Leembruggen travels thither on this ship. Upon his request to be permitted to do so with the retention of his salary, we, because he has not yet served out his bookkeeper's contract, reduced him to f 24, being the salary he earned prior to his promotion to bookkeeper. § 126. Also traveling thither on this vessel is the gunner Jozeph Schurman, who came out with the ship Gouverneur Generaal Mossel, and we have furthermore, without expense to the Company, granted passage thither on it to 7 sailors from the private ship Orangezaal, who remained behind here due to illness, and of whom a list of names is included among the appendices. § 127. The ship Berkhout arrived here on 26 September of the current year, and we likewise sent it to Gale on the 28th following, to be unloaded there and made ready for the homeward voyage. § 128. Of the Sumanap soldiers who were sent here with this vessel, four soldiers died on the voyage, of whom a list of names is included among the appendices, which also shows that one soldier arrived under a wrong name. § 129. The ship Leviathan arrived here on the 7th of this month, and after its cargo has been unloaded here, we will likewise send it to Gale to be prepared for the homeward voyage. § 130. On 14 September last, the packet boat Zeemeeuw arrived here, which was sent out by the Enkhuizen Chamber for this government for cruising, and we take the liberty of presenting to your High Noble Lordships herewith the copies of the letters we received with it. § 131. The findings regarding the discharged cargo of the ship Neerlandsch welvaaren are inserted in our resolution of the 11th of this month, of which we have the honor to present an extract to your High Noble Lordships herewith, and to note from it that great shortfalls were found in the provisions from the home country brought by this vessel, and that, in order to comply with the orders, after deduction of the stipulated ullage, we charged the same to the ship's officers for compensation, although all the chests and barrels were delivered in good condition, and the stowage on board was also found to be in proper order, according to the report received on the matter, which is included in copy among the appendices. Captain Smith stated that these provisions were brought thither from the Netherlands by the ship Eensgezindheid, and that he received them unopened. § 132. Since the reports concerning the discharged cargoes of the remaining ships have not yet been received, we shall have the honor of reporting thereon to your High Noble Lordships on a subsequent occasion. § 133. Meanwhile, we present to your High Noble Lordships herewith a bill of lading received from the Zeeland Chamber for the ship Jufvrouw Johanna, for 69 barrels of copper duiten dispatched with it for Ceilon and detained by your High Noble Lordships. § 134. Regarding financial matters, we have the honor to inform your High Noble Lordships that we have granted to the captain of the ship Neerlandsch welvaaren, Jacob Smith, a bill of exchange of 10680 Ducatons, to be paid there, either in paper money or letters of credit, or in such currency as your High Noble Lordships shall deem fit, and we take the liberty of offering a memorandum thereof among the appendices to this letter, with the humble request that this bill of exchange may be honored with payment. § 135. With relation to the charges and compensations, we take

Dutch transcription

580 omtrend zijn geobserveerd voor den ontvang van meermelde uwer Hoog Edelheeden besluit: wij hebben niet te min Copijen van voorm: uwer Hoog Edelheeden besluijt, alhier aan voorsch: Capiteins laaten afgeeven tot hun harigt voor den aanstaande. §. 122. 'T schip Neerlands welvaaren, waar„ meede deeze overgaat is den 25:e aug:s ter Ponnekailsche rheede gearriveerd, en na dat 't gebrek aan zijn fokke raa hersteld, en 't zelve van een loots voorzien was, is 't den 28: daar aan van daar vertrokken en den 2:e september alhier aangekoomen. §. 123: Bij gedaane nadere visitaatsie alhier, is bevonden dat aan de fokkemast en de fokke raa van deezen boodem, eenige steeden van de voorkant inge„ waterd zijn, en wijl de baas der scheepstimmerlieden en de scheeps„ timmerlieden, die deeze visitaatsie gedaan hebben, blijkens hun in kopij hiernevens gaand rapport, oordeelden dat dat de zelve met schaalen konden worden overgelegd, hebben we daar in zodaanig laaten voorzien. § 124. wij hebben dit schip den 12:e deezer na Gale gezonden, om aldaar inteneemen de goederen, die voor Batavia in voorraad zijn, en vervolgens ten eersten na derwaards te depecheeren. Alhier zijn daar in zodaanige goederen af„ geschept als vermeld staan bij 't Cog„ nossement en de faktuur die onder„ de bijlaagen overgaat, waar bij ook gevoegd zijn vier gaktuuren van de bij voorsch: Cognossement ver„ melde partikuliere Lijwaatens. §. 125. Met dit schip vaart na derwaards over de boekhouder fredrik Hendrik Leembruggen. Op zijn verzoek om dat temoogen doen niet behoud zijner gagie hebben we, wijl hij zijn boek„ houders verband nog niet heeft uit„ „gediend hem terug gesteld op ƒ 24:—. — zijnde 581 zijnde de gagie die hij gewonnen heeft voor zijne bevordering tot boekhouder §. 126. Ook gaat met deezen boodem na der„ waards de Cannonier Jozeph. Schurman die met 't schip de Gouverneur Generaal Mossel uitgekoomen is, en hebben we voorts daarmeede, buijten laste van de kompenie transport na derw:s verleend aan 7. mattroosen van het partikulier schip de orangezaal, die mits ziekte alhier zijn terug gebleeven, en waar van een naamlijst onder de bijlaagen overgaat. 5: 127. 't schip Berkhout is den 26:e 7ber: J:o C: alhier gearriveerd, en hebben we het zel„ ve meede den 28:e daar aan na Gale gezonden, om aldaar ontlost en tot de thuiskijze in staat gesteld te worden. §. 128. van de sumanapsche militairen die met deezen boodem aan dus zijn gezon„ den, zijn op de rijs vier soldaaten gestor„ ven, waar van een naamlijst onder„ „de bijlaagen gaat, waar bij ook blijkt, dat dat een soldaat onder een verkeerde naar gekoomen is. §. 129. 'T schip de Leviathan is den 7:e deezer al hier gearriveerd, en zullen we 't zelve, w dat zijne laading hier zal zijn gelast, insgelijks na Gale zenden, om tet de thuijs rijze in gereedheid te worden ge„ bragt. 5. 130. Den 14:e zeptember J:o leeden is alhier gearriveerd de Paketboot de zeenieuw die van de kamer Enkhuijsen voor dit Gouvernement ter waarloo is pnit„ „gezonden en we neemen de vrijheid uure Hoog Edelheeden hiernevens aantebieden de kopij der brieven, die we daarmee„ de hebben ontvangen. §. 131. De Bevinding van de uitgeleeverde Lading van 't schip Neerlandsch welvaaren, is g'insereerd bij onze resoluutsie van den 11:e deezer, waar van wij de eere hebben Uwen Hoog Edelheeden een Extrakt hiernevens aantebieden, en daar uit bij deezen te noteeren 582 noteeren, dat op de vaderlandsche pro„ visien, die met deezen bodem zijn gebragt, groote minderheeden zijn bevonden, en dat we dezelve, om aan de ordre te vol„ doen, na aftrek van de bepaalde spilla„ gie, den scheeps overheeden ter vergoe„ ding hebben opgelegd, hoewel alle de kas„ sen, en vaaten wel gekondietsioneerd zijn uitgeleeverd, en ook de stuagie aan boord in behoorlijke order is bevonden, volgens 't rapport dat daar van inge„ koomen is, en in Copij onder de Bij laagen overgaat. De kapitein smith heeft betuigd, dat deeze provisien aldaar met 't schip de Eensgezindheid uit Ne„ derland zijn aangebragt, en dat hij ze ongeopend ontvangen heeft. §. 132. De berigten van de uitgeleverde ladin„ „gen van de overige scheepen, nog niet ingekoomen zijnde, zullen we de eere hebben Uwen Hoog Edelheeden, daar van bij eene volgende geleegendheid ver„ slag te doen §: 133. Intusschen bieden we uwen Hoog Edel„ „heeden heeden hiernevens aan, een van de kamer Zeeland ontvangen Cognossement van 't schip de Jufvrouw Johanna, van 69. vaaten koopere duijten die daarmeede voor Ceilon uitgezonden, en door uwe Hoog Edelheeden aangehouden zijn 6. §. 134. Omtrend de Geldzaaken hebben we de eer uwen Hoog Edelheeden tebedeelen, dat we aan den kapitein van 't schip Neerlandsch welvaaren Jacob Smith, eene assignaat„ sie hebben verleend van Ducatons 10680. – om aldaar te worden betaald, het zij in papiere geld of krediet brieven, dan wel in zodaanige munt als uwe Hoog Edel„ heeden zullen goedvinden, en we neemen de vrijheid een Memorie daar van on„ der de Bijlaagen deezes aantebieden, met nedrig verzoek dat deeze assigna„ tie met betaling mag worden vereerd. §. 135. Met relatie tot de Belastingen en vergoedingen neemen

NL-HaNA_1.04.02_3881_0441 view scan ↗

English

583 we take the liberty to present to Your High Nobilities in copy among the enclosures of this letter the petition mentioned in our respectful letter of 27 January of this year, § 245, from the Colombo Equipage Master Andringa, concerning the compensation imposed on him by Your High Nobilities in your highly honored dispatches of 28 July and 6 October 1789 for various equipage goods that he was alleged to have excessively charged to the ships Leviathan and Phenecier. § 136. Since the said Equipage Master demonstrates in this petition that the write-offs of the sailcloth and canvas for making the sails for the aforesaid two ships were made according to the stipulations in the regulation that was adopted by us by resolution of 17 September 1773 and approved by Your High Nobilities in your highly honored dispatch of 8 June 1784, we take the liberty humbly to request Your High Nobilities that, in so far as it is found that he has not violated the aforesaid regulation in his write-offs, he may be favorably exempted from the aforesaid compensations and those subsequently imposed by Your High Nobilities. § 137. Since the said Andringa himself acknowledges that he should not have supplied a new sun awning to the Leviathan, and that a half cable rope of that inch thickness was supplied in excess to the Plaenecier through inattention, we have immediately caused the compensation imposed on him for this by Your High Nobilities to be paid; but since these supplies were actually made, and the captains of the said ships signed for the receipt thereof, we cannot refrain from submitting for Your High Nobilities' favorable consideration the request of the said Andringa that the said captains might be ordered to pay compensation for this. § 138. 584 § 130. Likewise, compensation was paid to the Company by the master blacksmith for the hoop iron mentioned in this petition, which was charged by him in excess to the Pheenecier. § 139. Regarding the charged tar for tarring the bolt-ropes of the manufactured sails for the ship Leviathan, the Chief Administrator, in a report that is also enclosed herewith in copy, stated, in accordance with the declaration of the Equipage Master Andringa, that the bolt-ropes brought here are all white or untarred bolt-ropes, and that therefore whatever is used of them for making sails is always tarred here and the tar used for that purpose is written off to the account of the sails: wherefore we take the liberty humbly to request Your High Nobilities that the said Equipage Master may be favorably excused from the compensation imposed on him in this regard. Concerning the domestic arrangements, we take the liberty, with regard to § 140. judicial matters, to bring to Your High Nobilities' attention that in the year 1784 the Bombardier Philip Arends died here intestate, and that thereupon his estate, having been taken over by the sequestrator and liquidated, yielded purely, after deduction of all costs, rd:s 546. 382., but that on the other hand, in response to the posted notices, various claimants appeared who together claim a sum of rd:s 954. 10. –. for money lent to the said Arends, not counting a claim of inheritance instituted by the brother of his wife, who also died intestate before him. Among these creditors there is only a single one residing in Europe, being a certain Cornelis Adriaans living in 585 in Middelburg, whose claim is no larger than rd:s 162: 24. –. in principal; and since the remaining creditors are all burghers and Sinhalese, who have neither the opportunity nor the means to pursue their rights in the Netherlands if this small estate had to be remitted, according to the order, from here to Batavia and from there to the Netherlands, we take the liberty, at the request of the aforesaid Ceylon creditors, most humbly to urge Your High Nobilities that, in consideration of the fact that their claims amount to five times more than that of the single creditor in the Netherlands, and that they are all people who cannot spare much, the Council of Justice here may be authorized, after deducting the aforesaid homeland claim, to allow the remaining money of this estate to be distributed to the creditors here pro rata according to the claim of each. § 141. And whereas the aforesaid order to remit the insolvent estates of European servants engaged in service in the Netherlands to Batavia, in order to be forwarded for decision to the Insolvent Estates Chamber in Amsterdam, is very oppressive and disadvantageous to the inhabitants here, not only because they have to wait a long time for their money, but even more so because they have neither the means nor the opportunity to pursue their claims in Europe, whereby they lose all hope of ever getting their money back: we therefore further take the liberty most respectfully to submit to Your High Nobilities whether you might not be pleased to defer the disposition over such insolvent estates to the Councils of Justice in this Government,

Dutch transcription

583 neemen we de vrijheid uw en Hoog Edel„ heeden onder de bijlaagen deezes in Copij aantebieden, 't bij onzen eerbiedigen van den 27:e Januarij deezes Jaars §. 245. ver„ meld addres, van den kolomboschen Equipagiemeester Andringa, wegens de door uwe Hoog Edelheeden hem bij hoogst derzelver zeer g'eerde missives van den 28:e Julij en 6: 8ber: 1789. op„ „gelegde vergoeding voor dieversche Equi„ „pagiegoederen, die hij ten laste van de scheepen de Leviathan en de Phenecier te veel zoude hebben opgebragt. §. 136. wijl gem: Equipagiemeester bij dit ad„ dres aantoond, dat de afschrijvingen van 't zijl en everdoek, tot 't maaken st van de zijlen voor de voorsz: twee scheepen zijn gedaan volgens de bepaaling bij 't reglement, hetwelk door ons bij n resoluittie van den 17:e 7ber: 1773. gearresteerd en door uwe Hoog Edel„ heeden bij hoogst derzelver zeer g'eerde Missive van den 8:e Junij 1784. geap„ „probeerd „probeerd is, neemen we de vrijheid Uwer Hoog Edelheeden nedrig te verzoeken, om in zoo verre bevonden word, dat hij in zijn afschrijvingen het voorsz: Reglement niet heeft overtreeden, hem gunstiglijk te onthef„ „fen van de voorsz: en zeedert nog door uw Hoog Edelheeden opgelegde vergoedingen. §. 137. Daar gem: Andringa zelfs erkend, dat hij aan de Leviathan geen nieuwe sonnetent had behooren te verstrekken, en dat een half kabel touw van dien duijm aan de Plaenecier door inattentie te veel is verstrekt, hebben we de door uwe Hoog Edelheeden hem daar voor opgelegde ver„ „goeding dadelijk doen presteeren; dan wijl deeze verstrekkingen werkelijk zijn ge„ daan, en de kapiteins van gem: scheepen voor den ontvang van dezelve hebben ge„ teekend, kunnen we niet voorbij, uwer Hoog Edelheeden gunstige reflexie te in„ „steeren op 't verzoek van gem: Andrin„ „ga, dat gem: Capiteins de vergoeding daar van mogte worden opgelegd. §. 138. 584 §: 130: Insgelijks is door den baas dea smeeden aan de komp: vergoeding gedaan, voor 't bij dit addres vermeld hoep ijzer, hetwelk door hem ten laste van de Pheenecier te veel opgebragt is. §. 139. Wegens de opgebragte teer tot 't teeren van de lijken der aangemaakte zijlen voor 't schip de Leviathan, heeft de hoofdadmi„ nistrateur bij een berigt, dat meede in Copia hiernevens gaat, overeenkomstig 1 de betuiging van den Equipagiemeester Andringa opgegeeven, dat de lijken die hier worden aangebragt, alle zijn witte of ongeteerde lijken, en dat daarom het geen daar van tot 't maaken van zijlen gebruikt word, hier altijd geteerd en de daar toe verbruijkte teer ten laste van de zijlen afgeschreeven is: weshalven we de vrijheid neemen uwe Hoog Edelheeden needrig te verzoeken, dat gem: Equipa„ „giemeester van de derwegens hem opge„ legde vergoeding gunstiglijk mag worden verschoond. Aangaande Aangaande de Stuijselijke Bestellingen neemen wij de vrijheid uwen Hoog Edelheeden met betrekking tot de §. 140. Justietsieele zaaken onder 't oogte brengen, dat in 't Jaar 1784. alhier ab„ intestato is overleeden de Bombardier Philip Arends, en dat daar op zijn boedel door den sequestor aanvaard, en ten gelde gemaakt zijnde, na aftrek van alle ongelden zuijver heeft opgeworpen rd:s 546. 382. dog dat daar en teegen op de geaffigeerde biljetten dieversche pre„ tendenten zijn opgekoomen, die over geleende gelden aan gem: Arends tezaa„ men pretendeeren eene somma van rd:s 954. 10. –. ongereekend eene pretentie van erffenis, die g'institueerd is door den broeder van zijne vrouw, die meede ab intestato voor hem overleeden is. On„ der deeze Crediteuren bevind zig alleen een enkelde Aan die in Europa gezeeten is, zijnde eene Cornelis Adriaans woonagtig te 585 te Middelburg, en wiens pretentie niet grooter is dan rd:s 162: 24. –. aan kapitaal en wijl de overige Crediteuren alle zijn burgers en singaleesen, die de geleegenheid, nog het vermoogen niet hebben, om hun regt in Nederland te kunnen vervolgen, indien deeze geringe boedel volgens de order, van hier na Batavia, en van daar na Nederland moest worden „we overgemaakt, zoo neemen „ op het ver„ zoek van de voorsz: Ceilonsche Crediteu„ ren, de vrijheid uwen Hoog Edelheeden nedrigst te insteeren, dat uit aanmer„ king, dat hunne pretentie vijfmaal meer bedraagen, dan die van den enkel„ den Crediteur in Nederland, en dat het allemaal luijden zijn, die niet veel kunnen missen, de raad van Justietsie alhier mag worden gequalificeerd, om na aftrek van de voorsz: vaderland„ „sche pretentie, 't overig geld van deezen boedel aan de Crediteuren alhier, na rato van van een elks pretentie te moogen laaten uitkeeren. §. 141. En aangezien de voorsz: order, om de insolvente boedels van Europesche die„ naaren, die in Nederland in dienst zijn „genoomen, na Batavia overtemaa„ ken, om ter decitie aan de desolaate boedelkamer te Amsterdam te worden verzonden, seer drukkend en nadeelig is voor de ingezeetenen alhier, niet al„ leen om dat ze lang naar hun geld moe„ ten wagten, maar ook de mier te geen vermoogen, nog geleegendheid hebben, om hunne pretentien in Europa te kunnen vervolgen, waar door ze alle hoop verliezen, om nimer hun geld weeder te krijgen: zoo neemen we alverder de vrijheid uwen HoogEdel„ heeden eerbiedigst voortestellen, of hoogst dezelven niet zouden kunnen goedvinden, om de dispositsie over diergelijke insolvente boedels, te defereeren aan de raaden van Justitie in dit Gouverne„ „ment,

← previousnext →