VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3883

Ceylon · 1,486 pages · 291 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3883_0706 view scan ↗

English

was then not at home, but had gone to the village of Joelangpittise, and that they, the deponents, had then also gone thither, and arriving there, found the kattoene aatchi and some minor headmen along with 40 to 50 common people, who were busy building a dam. They stated that the first deponent began reading the mandate ola to them, and when he, the deponent, had read about three leaves, the kattoene aatchi had said to him: just stop, the people must go to their dwellings to eat, it is late; and requested to have the ola, stating that he would present it to the people himself. That they, the deponents, could meanwhile report here that there was no gathering among them, but that out of fear they would have to submit to the upcoming orders of the mutineers of the kande baddepattoe, as the latter had threatened that if they were summoned and did not appear, they would then come and destroy everything. Furthermore, that it was impossible for them to come up hither in person, as the roads everywhere were manned with guard posts, but that if the Gentlemen here would make the road safe for them, they themselves would appear. That they, the deponents, going from kattoene oederlokke to come here, met at the village of Kannoemoeldenie the gathering of the Giaewaijpattoe, about four hundred heads strong, who had asked them where they were going, and upon their answering, allowed them to go homeward; and going along hakman, they saw approximately fifty heads, and at koongelle a guard post 7 to 8 heads strong; and that they spent the night last night at krainde, where they heard nothing; at poehoelwelle a guard post of 10 to 12 heads; subsequently near a Nagaha tree they saw approximately 15 heads; thereafter at Batloewitte, then came to Pittangahawatte, subsequently to Bandatoe, where they found about 30 heads along with a wannamdie aatchi and tilmandoewe aatchi, who brought them across the river with a katteponel because the gathered crowd had pulled down the bridge. Thus deposed today, the 4th of June 1790. was signed with two Sinhalese signatures below: For the Translation, signed: M: F Palm, authorized in the margin: For the translation, signed: D: S: General sworn Interpreter underneath was written: Agreed, was signed: M: F: Palm, authorized. Agreed: Corns: Johanns Idlé, sworn clerk. Inspected. Report of the appoos, namely Don Aberan Baddekorne appoe and Don Joean Hiasinge appoe, both inhabitants of walgam within the 4 gravets, sent out with a sanas to the Lordship of Belligam and the Belligam korle by the Right Honorable and Worshipful Master Christiaen van Angelbeek on Wednesday the 2nd of June last. Who report that, having received on the day aforesaid from the Right Honorable and Worshipful Lord Dissave aforesaid a sannas, with orders to go and publish the same to the gathered communities of the Lordship of Belligam and of the Belligam korle, they, in respectful compliance therewith, set out on the following day; and having learned along the way that the gathered crowd was assembled at Polwatte, they betook themselves thither, and arriving there, found wiedeman aratie and approximately 20 common people. That wiedeman aratie, having taken the sannas and read the same, had said: That he and those who were there belonged to no gathering whatsoever, and that they performed the Honorable Company's services and their own work as usual, and that therefore the mandate ola did not concern them either; but that they, the deponents, could go and publish the mandate ola at Denepettisse, where some of the inhabitants of the Lordship of Belligam had joined the gathered crowd of the belligam korle. That they, the deponents, arriving at Denepittesse, found a guard post of 12 heads stationed by the gathered crowd, who let them pass after they declared the reason for their mission. That departing from Denepettisse, they passed unhindered through a countless crowd of the assembled commoners, and seeing not a single one of the minor headmen or headmen up to halfway along the road to wellipittisse, had become somewhat fearful, the more so because darkness began to overtake them and they saw no acquaintances among the entire crowd. That they, the deponents, in order to extricate themselves from this predicament, had asked one from the crowd whether none of the headmen was present among them, who had answered them that oedoekawe korle vidaan aratie had just departed for his dwelling along a certain road, pointing it out to them, the deponents, with his hand; and that if they made haste, they might still overtake him on that road, declaring at the same time that the headmen were very far ahead, whom they, the deponents, would not easily be able to overtake. That they consequently followed closely on the heels of the oedoekawe korle vidaan aratie, whom they met in a field near his dwelling, to whom they, the deponents, showed the sannas; and that the aforementioned korle vidaan aratie said to them

Dutch transcription

toen niet tehuijs maar naar het Dorp Joelang, „pittise gegaan was, dat zij relatanten toen dae ook na toegegaan waeren en aldaar koomend de kattoene aaatje en eenige mindere hoofden nevens 40: â: 50: koppen gemeenen gevonden hebb welke doende waeren om een dam aan te binde dat de eerste relatant de mandaat ola hun heeft beginnen voorteleezen, dat toen hij rela„ „tant om drie bladeren geleezen heeft gehad, de kattoene aaatse teegens hem gezegd heef gehad houd maar op, het volk moet naar hunne wooningen gaan om te eeten 't is laat, en verzogt om de ola temogen hebben hij zoude dezelve het volk voorhouden. Dat zij relatanten inmiddels alhier kon„ „den rapporteeren, dat bij hun geen 't zamen„ „rottinge was, maar dat zij haar aan de eerst „koomende ordres de muijtelingen van de kande baddepattoe, uijt vreese zouden moeten onderwerpen, alzoo deeze gedreegd hadden, dat wanneer ze opgeroepen wierden en niet en kompareerden, zij als dan koomen en alles vernielen zouden dat om na herwaerds zelfs op te koomen hun ook onmogelijk tedoen was, alzo de weegen over al met wagt posten uijtgezet waeren dog dat wanneer de Heeren alhier de weg hun veilig wilden doen moeke„ zij 1461 zij zelfs zouden kompareeren. Dat zij delatanten van kattoene oederlokke gaande om hier te koomen en het Dorp Kannoemoeldenie ontmoet hebben de tesaamen rottinge van de Giae„ „waijpattoe omtrent vier hondert koppen sterk die haar gevraagd hebben gehad waer zij na toe gongen, en zij daar op geantwoord hebbende huijs weegs hebben laaten gaan, en langs hakman gaende na gissing vijftig koppen gezien hebben, en te koon„ „gelle een wagt post sterk 7. 2: 8: koppen en dat zij gisteren nagt te krainde vernagt hebben, aldaar niets vernoomen, te poehoelwelle een weegt post van 10: â: 12: koppen vervolgens bij een boom Nagaha na gissing 15: koppen gezien hebben daar na te Batloewitte, toen te Pittangahawatte vervol„ „gens te Bandatoe gekoomen zyn daar zij 30: kop„ „pen omtrent hebben nevens een wannamdie aaatje en tilmandoewe aaatse die hun met een katte„ „ponel over de revier gebragt hebben alzo de tezaamen gerotten de brug om verde ge„ „haald hadden Aldus Gedelateerd heden den 4. Junij 1790. /:was getekend:/ met twee singaleesche hand tekeningen /:lager:/ voor de Translatie /:getekend:/ M: F Palm geauthoris: /:in margine:/ voor de voor de vertaeling /:getekend:/ D: S: General gezeed: Tolk /:onderstond:/ Akkordeerd /:was getk M: F: Palm geauth: Ackordeert Corns: Johanns Idlé gezee klerk Nage zier Maa 1462 Relaas van de door den wel Edelen Gebiedenden Heer M:r Christiaen van Angelbeek op woensdag den 2: Iunij J:o leeden naar de Heerlijkheid van Belligam en de Belligam korle, met een sanas uijtgesonden appoes; namelijk Don Aberan Baddekorne appoe en beide inwooners van walgam binnen Don Joean Hiasinge appoe - de 4: gravetten Dewelke relateeren dat zij ten dage voorsz: van den wel Ed: gebieden den heer dessave voorn: een sannas ontvangen hebbende, met last om dezelve te gaan publiceeren aan de zaamen gerotte gemeenten van de heerlijkheid van belligam en van de Belligamkoale, zij in Eerbiedige voldoeninge van dezelve 'sanderen daags op weg gegaan waeren, en onderweegen verstaan hebbende dat de tzaamen gerotten te Polwatte vargadead waeren, zylieden haar daer na toe begeeven hebben, en aldaar koomende gevonden hebben gehadt wiedeman aratie en naar gissing 20: koppen gemeenen. Dat wiedemanaratie de samas genoomen en dezelve geleezen hebbende gezegd heeft gehadt, Dat hij en zij die daar waaren tot geene tezaamen rotting, hoe ge„ „naamd behoorden, en dat zij 's E: komp:s diensten en hun eigenwerk naar gewoonten verrichteden, en dat dier„ een „halven de mandaat ola, haar lieden ook niet aan„ en „gong maar dat zij relatanten met de mandaat ola naer Denepettisse daer sommige der inwoonders van de Heerlijkheid van Belligam haar bij de zaamen gedotte gerotte hoop van de belligam korle gevoegd hadd konden gaan publiceeren, dat zij relitanten te 3 „nepittesse koomende, een door de tzaamen gerotte uitgezette wagt post sterk 12: koppen gevond hebben, welke huen hebben laaten passeeren na t zij de reeden van hunne zending gedeklareerd „den, Dat zij van Denepettije vertrekkende, met door een ontelbaare schaad der tzamengerotten ge „meen ten onverhinderd gepasseerd waeren en tot op de helfte van den weg naar wellipittisse geen een der minder hoofden of hoofden ontdekkende, eenigzints bevreest waaren geworden, temeer wijl de duijsterheid haar begost te overvallen en zij geene bekende onder den gantschen hoop zaagen Dat zijn „tans om haar uit deeze ongeleegendheid te redden a een uit den hoop gevraagd hebben gehad of erni „mand der hoofden onder haerlieden present was van haar geantwoord had, dat oedoekawe ko vidaan aratie langs zeeker weg, aan hun rela „tanten dezelve met de hand wijzende, naar zy woning pas vertrokken was, en dat zo wanneer zij haar spoeden, zij hem nog op dien weg zoud konnen inhaalen tevens verklaarende dat de hoofden zeer verre wor uit waaren, welke zij uit „tanten niet ligtelijk zouden konnen inhaalen, zy dienthalven den oedoekawe koorlevied aan a op de hielen gevolg zijn, welken zij in een kamp omtrend desselfs wooning ontmoet hebben gehad welken zij relatanten de sannas vertoond hebben gehad, dat de voorm: koorle vidaan aratse tegens heen

NL-HaNA_1.04.02_3883_0713 view scan ↗

English

1463 had said to them that, because it was late and already dark to proceed further, they should rather come with him; that when they, the relators, had arrived at the house of the korale vidane arache, he had someone called who, upon arriving, received orders to take the relators along, to provide them properly with everything necessary, and to convoy them the next day to the place where the minor headmen and communities were gathered, and to ensure that the relators suffered no harm along the way. That complying with this, they, the relators, had arrived the next day at the gathering in a place called Manwelle, where they found the following minor headmen, namely: Attukorale Arache, Rupesinghe Korale Arache, the vidane arache of Madembe, the vidane arache of Digilinallekadde, the vidane arache of Henegama and Kianduwa, and Abeykoon Mohandiram, who had been set up by the insurgents, who was joined by the aforementioned Oeltukawe Korale Vidane Arache, along with a mob of four to five hundred common people. That Rupesinghe Korale Arache took the mandate ola from them and, having read it aloud, after consulting with one another, asked them whether they, the relators, would be willing to take an ola in reply to the sannas and deliver it to the Right Honorable Ruling Lord Great Dissava of Mature; they answered that they would very gladly do so, provided they would give it to them. That the minor headmen then stepped together, wrote an ola, signed it, sealed it, and handed it to them, with the order to deliver it into the hands of the Right Honorable Ruling Lord Great Dissava of Mature, with the further order that they should at the same time tell the Right Honorable Rigorous Lord Commissioner and Dissava of Colombo that they would write to him, the Right Honorable Rigorous Lord, as soon as possible concerning some still unsettled complaint cases submitted by them to His Honor. Furthermore, that the gathering had given them a lascarin to accompany them so they could pass without hindrance from post to post. The relators finally add here that the above-mentioned minor headmen, upon their, the relators', departure, also said: that the mutineers of the Gangaboda Pattu, together with their Madugodde Appu, had treated the appus dispatched by the Right Honorable Ruling Lord Dissava of Mature with a sannas very insolently and with great disrespect toward the aforementioned Right Honorable Ruling Lord Dissava of Mature; that they nevertheless knew what respect was owed to the White head, and that they would never, like those of 1464 the Gangaboda Pattu, dare to entertain such an outrage or bold venture, much less commit it. Thus related today, the 5th of June 1790, inside the fortress of Mature. Was signed with two illegible signatures. Underneath was: For the translation, signed: M. F. Palm, authorized. In margin: For the oral translation, signed: D. P. Ilangakoon. Underneath was: Agrees, was signed: M. F. Palm, authorized. Agrees: Corns. Johanns. Idé Sworn Clerk Examined: A. Maartensz 1465 Translate of a Sinhalese letter ola addressed to the Right Honorable Ruling Lord Great Dissava of Mature, reading, after preliminary compliments, as follows: The sannas ola sent to us by the Lord Commissioners who arrived on behalf of our Right Honorable Highly Esteemed Lord Governor to investigate our affairs, as well as the sannas ola sent to us by Your Right Honorable Ruling Lordship, having been read by us, we have understood its contents with great joy. But since a part of the complaints, according to the request made by us in the complaint ola produced by us in the beginning, has not been decided upon, we request to permit us to present our said request in a report as soon as possible. Thus this letter ola was written and presented in the year 1790, on the 4th of June, by the joint inhabitants and minor headmen of the Weligam Korale. At the top of the ola, was signed with 15 illegible signatures. Underneath was: For the translation, Mature, the 15th of June 1790. Was signed: Was signed: J. M. Walter, sworn clerk. In margin: For the translation, signed: D. S. Senewiratne, sworn second interpreter. Underneath was: Agrees, was signed: J. M. Walter, sworn clerk. Agrees: Corns. Johanns. Idé Sworn Clerk Examined: Maartensz 1466 Colombo To the Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed Lord Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, together with The Council Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed, High Ruling Lord Since our respectful letter of the 5th of this month, the circumstances in this Dissavany have somewhat worsened, as the unruly mob is becoming more wanton, as Your Right Honorable Rigorous Highly Esteemed Lordship will see from the report that we shall have the honor to present here. The headmen whom we sent with Your Right Honorable Rigorous Highly Esteemed Lordship's mandate to the korales and pattus have returned, because the gravets of the mutineers would not let them pass; wherefore we have instructed them to send the mandates of Your Right Honorable Rigorous Highly Esteemed Lordship to them with deputies, and the good expectation of the Mudaliyar Ilangakoon regarding his mission to the Kandaboda Pattu has also been frustrated, as he likewise returned and sent us the mandate yesterday with a message that he had not been able to get through and that he was ill. The Mudaliyar of the Gangaboda Pattu has completely excused himself from departing for his pattu out of fear of Madugodde Appu and some of his accomplices. Herewith

Dutch transcription

1463 hun gezegd had, dat wijl het laat en ook reeds duister was om verder tegaan zij liefts bij hem moesten koomen: dat toen zij relatanten aan des koorle vidaan aratses hueis gekoomen waeren, hij iemand had doen roepen, dewelke daar koomende ordre kreeg om de relatanten meede teneemen, behoorlijk van alles wat noodig was te moeten verzorgen, en haar 'sanderen daags konvoijeeren moeste, tot ter plaatze daer de mindere hoofden en gemeenten verzaameld waeren en zorgen moeste dat de relatanten onderweegen niets leeds gedaen wierden. Dat hij dit naar koomende zij relatanten 's anderen daags, bij de zaamenrottinge in een plaats manwelle genaamt gekoomen waaren daar ze de volgende minderhoofden gevonden hebben gehad naamentlijk Attoekoorle aratse Reebesinge Koorle aratje, de vidaan axatie van Madembe, de vid aan aratse van Digilinallekadde, de vidaan aatsele van henegamme en kiandoewe en de door de tzaamen gerotten opgeworpen Abekoon Mohandiaam waeer bij gekoomen is de voorm: oeltoekawe koorle vidaam aratie, nevens een troep van vier a: vijfhonderd koppen gemeenen. Dat Roepesinge koale aratsie de mandaat ola van hun genoomen en dezelve overluid geleesen hebbende, naar met malkanderen geraadpleegd te hebben, aan hun gevraagd hebben gehad, of zij relatanten een olo in antwoord op de sannas zouden willen meede neemen, en dezelve dezelve aan den wel Edelen gebiedenden heer Groot Dessave van Mature bezorgen! zij geantwoord hebben zeer gacane wanneer zij maar dezelve haar Geliefden „de tegeeven. Dat de mindere hoofden toen bij mal „kanderen getreeken waaren een olae geschreeven, ge „teekend, ende dezelve vergegeld haar geintrageer hebben, met last om dezelve in handen van den wel Ed: gebiedenden heer groot dessave van Matu te stellen, met verdere last dat zij tevens aan den wel Ed: Gestr: heer kommissaris en Dessave van holan zoude zeggen dat zij ten spoedigsten aan hem wel Ed: gestrengen zoude schrijven noopens eenige my onafgedaane door haarlieden bij hun edele gestree „ge, ingediende klagt zaaken. voorts dat de zaamenrottinge hien, een laskorijn om onver„ hinderd te konnen passeeren van post tot pa meede gegeven hebben gehadt. De Relatanten voegen nog eindelijk hier bij, dat de bovengem: mindere hoofden, bij hun delatantens vertrek, nog gezegd hebben: dat de mueitelingen van de gangebaddepattoe nevens haeren Mat „godde afpoe, de door den wel Edelen gebiedende heer Dessavr van Mature met een sanas uitgesto„ „dene appoes, zeer brutaal en tot groot desrespektio welgem: welEdelen gebiedenden heer Dessave van Mature behandeld hadden; dat zij nochtant beho westen wat respekt men aan der Blanken hoofd verschuldigt waeren: en dat zij nemmer, gelijk die van 1464 van de gangebaddepattoe, zulken uitstap of stout bestaan zouden durven in gedagten neemen veel minder doen Aldus Gerelateerd heeden den 5: Junij 1790. Binnen de fortresse van Mature /:was getekend:/ met twee onleesbaere hand tekeningen /:onderstont:/ voor de translatie /:getekend:/ m: f: Plam geauth: /: inmao„ gene:/ voor de mondelinge vertaaling /:geteekend:/ D: P: Hangakoon /:onderstond:/ Akkordeert /:was getekend:/ m: F: Palm geauth: Ackordeert Corns. Johianns: Idé gezeeklerk Nagezien A Maees 1465 Translaat Singaleese Brief ola gericht aan den wel Edelen Gebiedenden Heer Matureesche Groot Dessave Luijdende na voorgaande komplimenten aldus De door de van weegens onzen wel Edelen Groot Acht„ „baeren Heer gouverneur ter onderzoek van onze „zaaken aangekoomene heeren kommissarissen, aan ons toegezondene sannas ola zo wel als de door uw wel Edele Gebiedende ons toegezondene san„ „nas ola door ons geleezen zijnde hebben wij met groote blijdschap dies inhouden verstaan. Dog dewijl op de gedeeltelijke klagten die bij de door ons in den beginne geproduceerde klagt ola, na ons daer bij gedaene verzoek niet beslist zijn ge„ „worden verzoeken wij ons tewillen permitteeren gemelde ons verzoek bij een Rapport ten alles spoedigsten overteleggen. Dus danig is deeze brieff ola geschreeven en overgeleyd in 't Jaer 1790. den 4: Junij door de gezamentlijke ingezetenen en mindere hoofden van de Belligamkoale Aan het hoofd der olo /:was getekend:/ met 15: onleesbaere handtekenings /:onderstond:/ voor de Translatie Mature den 15: Junij 1790: /:was getekend:/ /:was getekend:/ J: M: walter gesw: kleak/ „gine :/ voor de vertaeling /:getekend:/ D: S: Senee gezw: sek: Tolk /:onderstond:/ Akkordeerd /: wa getekend:/ J: M: Walter gesr: kleak Corns. Johanns Ba Accordeerd gezeeklerk Nagstien Muus 1466 Kolombo Aan Den wel Edelen Gestrengen, Groot Achtbaaren Heer Willem Iacob van de Graaff, Raad ordinair van Neederlands India Gouverneur en Direkteur van 't Eijland Ceijlon met dies onderhoorigheeden nevens Den Raad Wel edele, Gestrenge, Groot Achtbaere Hoog gebiedende Heer E Zeedert onzen eerbiedigen van den 5=e deezer zijn de omstandigheeden in deze Dessavonij eenigsints verergerd, wijl de woeste menigte baldadiger word, gelijk uwel Edele gestrenge groot groot Achtb: zal koomen te blijken bij het verslag dat wij de Eere zullen hebben hier De Hoofden die wa met uwel Edele gest „ge Groot Achtbaare mandaat na de korlen en pattoes gezonden te hebben zijn te rug gekoomen, al zoo de Gravetten der Muiteling hun niet hebben willen laaten passeeren; alwaarom wij hun aanbevoolen hebben om de Mandaaten van uwel Edele Gestrenge Groot Achtbaare met gecommitteerdens aan hun te zenden, en de goede verwagting van den Modliaar Jlangakoon, nopens zijn sending na de kande badde pattoe, is meede verijdeld, wijl hij insgelijks te rug gekoom is, en ons gistern de Mandaat toegezonden heeft, met een boodschap, dat hij niet had kunnen doorkoomen, en hij ziek was. De Modliaar der Gange badde pattae heeft zig van het vertrekken na zijn Pattoe ten eenemaal verschoont, uijt vreese voor Ma doe godde appoe, en eenige van zijn Const onder „ doen. Hiernevens ƒ ::

NL-HaNA_1.04.02_3883_0725 view scan ↗

English

1467 Herewith we have the honor to present to your Right Honorable, Rigorous, and Highly Esteemed Sirs the following papers, to wit: A copy of the draft sannas sent by the Lord Dissave van Angelbeek on the 2nd of this month, serving to assure that the inhabitants have nothing to dread or fear from his Honor on account of the gathering, as his Honor would adhere to our mandate of the 28th of May last. A report of the 5th of June from the two commissioners who brought our mandate to the Mangampattoe; which shows that those people are reasonably well satisfied, and only look forward specifically to the settlement of the affair of their pattoe, and since now the necessary elucidation from the Resident Brinkman and the Lord Dissave van Angelbeek has come in, we shall send them a sannas ola regarding the settlement at the earliest opportunity. A report also of the 5th of June, from the two commissioners who went with the sannas of the Lord Dissave van Angelbeek dated the 2nd of June to the Gangebaddepattoe, and which shows the insolence of the mutineers; while Madoegodde appoe tore up that sannas and trampled it underfoot, and the like. A report of the 6th of this month presented by two commissioners who brought the mandate ola of your Right Honorable, Rigorous, and Highly Esteemed Sirs to the Belligam korle and the Gangebaddepattoe, which shows how the malicious Madoegoddeapoe again played his part and said that 1468 no regard was given to various requests and complaints, and that they had not yet obtained a settlement on any of the main points, and the commissioners of Mature had been placed under arrest, but were afterwards released again, while in the end it was nevertheless said that the general gathering was about to convene, and then an answer to the mandate would be delivered to the Lord Dissave of Mature. A report from the Mudaliyar of the Belligam korle dated the 7th of this month, together with A translated letter ola written by the mutineers to him, the Mudaliyar. From both these papers one can see how they refused to let the Mudaliyar pass or accept him, with complaints in the letter ola that justice had not yet been done to them. Four reports of the 8th of this month by Don Dienees Ratnaijke aratchi, Louis Pieris overseer of the cinnamon garden at Kappoegamme, Wiedjewiere Goeneratne former Maha Vidane Mohandiram over the fishermen from Tangale to Dondra, and Ederesinge aratchi Sieman, passed; speaking of the destruction of the fence of the cinnamon garden at Kappoegamme, the reinstatement of the 3rd reporter into his service as Maha Vidane Mohandiram, and some threats. A report dated the 7th of this month from Rosgoddege Sieman Vidane of Hittelije, who went with a message by our order via Hangakoon to the mutineers of the Belligam korle, in which they say 1469 that they still have no answer to their complaint olas of 32 articles which we have not received, with threats that if they did not receive an answer to them shortly, they would then send their complaints properly sealed to Galle to be opened in the Council, etc. Yesterday we wrote an ola to the Belligam korle and brought to the notice of the mutineers that we had not received such an ola of 32 articles of their complaints, and that they should therefore send us a copy of it, whereupon we would render justice regarding it, but the commissioners who delivered the ola were treated very badly, with severe threats if they ever ventured to come to them with such olas again; the report of which will follow in more detail. From this your Right Honorable, Rigorous, and Highly Esteemed Sirs will therefore see the malice of the mutineers, since they act so rudely even against the contents of so friendly an ola; from which, and from their entire conduct, it appears that they do not want to state to us what their further desires are, although we have explored many paths in order to know that, and now know nothing more that we could do further in an amicable manner. We have declared the office of the shahbandar of the lordship of Belligam vacant, on account of the many complaints that the inhabitants have brought against him in satisfaction of their request in the complaint olas; in the hope that we might thereby be able to appease that faction; which we have made known by a sannas, with the addition that this office would provisionally be carried out 1470 by Wiereman aratchi, until a suitable person applied for that office and was favored with it. Likewise that the complaints against the shahbandar would be investigated, and everyone would receive good justice and be indemnified. We have also informed the inhabitants of the Girrewaijpattoe by a sannas that we have had the defense and elucidation from Tinnekoon Mudaliyar, now received by ola, translated, and would provide them within a few days with the answer and good justice regarding their complaints. Tinnekoon Mudaliyar is still at Kahawatte, but he has reported to us by ola of yesterday that virtually nobody comes to him. We have found ourselves honored with your Right Honorable, Rigorous, and Highly Esteemed Sirs' highly respected letter of the 6th of this month, accompanied

Dutch transcription

1467 Hierneevens hebben wij de eere uwel Edele gestrenge Groot Achtb: de volgende papie„ ren aan te bieden - als Een afschrift van de Concept Sannas door de Heer Dessave van Angelbeek af¬ gezonden op den 2=de deezer dienende ter verzeekering dat de Jnwoonders voor zijn Edele niet te dugten of te vreesen hebben, weegens de zaamen rotting, alzoo zijn Edele zig zoude houden aan onze Mandaat van den 28=te Maij Jongstleeden. Een Relaas van den 5=de Junij van de twee gecommitteerdens die onze Mandaat na de Mangampattoe hebben gebragt; waar bij blijkt, dat die Menschen reedelijk wel te vreeden zijn, en alleen de afdoening van de zaak haaren pattoe speci„ „aal te gemoed zien, en weil nu de nodige Elucidatie van den Re„ sident Een Relaas meede van den 5e: Junij, van de Twee Commissianten die met de Sannas van den Heer Dessave van Angelbeek gedatteerd 2de Junij na de Gange baddepattoe zijn geweest, en waar bij de Britaliteit der Muijte„ „lingen te zien is; terwijl Madoe„ godde appoe die sannas gescheurd, en niet voeten getrapt heeft, en wat dies meer is. Een Relaas van den 6de. deezer door twee Commissianten opgegeeven, die de Man„ daat ola van uw ElEdele Gestrenge Groot Achtb: na de Belligam koul, en de gange baddepattoe hebben gebragt waar bij blijkt, hoe den kwaadaardi „gen Madoegoddeapoe weder zijn rolgespeeld, en gezegt heeft, dat „sident Brinkman en den Heer Dessave van Angelbeek ingekoomen is, zoo zullen we ten spoedigsten een sannas ola van de Afdoening aan hun zenden. 1468 op verscheide verzoeken, en klagten gee„ ne reflektie was geslaagen, en dat zij nog op geene der hoofdpoinkten afdoe„ „ning erlangt hadden, en de gekommit„ teerden van Mature in Arrest gezet, dog daarna weeder ontslaagen was, terwijl per slot egter gezegt word, dat de generaale zaamenrotting stond te vergaaderen, en dan andwoord aan den Heer Dessave van Mature, op de Mandaat zoude bezorgd worden. Een Relaas van den Modliaar der Belli„ gamkorl gedatteerd 7dm dezer, ne„ vens Een Translaat brief ola door de Muijte„ lingen aan hem modliaar geschreeven Bij deeze beijde papieren ziet men hoe zij den Modliaar niet hebben willen laaten passeeren, of acceptee„ ven, met klagte bij de brief ola dat hun nog geen regt was werden„ „vaaren. vier relaesen van den 8ste deezer door Don Een Relaas getatteerd 7de deezer van Rosgoddege Sieman viedaan va Hittelije, die door Hangak oon met een boodschap ter onzer ordre na de Muijtelingen der Belliga korl is geweest, waar bij zij zeg Don Dienees Ratnaijke araetje Louis pieris op zigter der kannea tuin te kappoegamme, wiedje„ wiere goene ratne geweeze Maha„ „viedaan Mohandiram over de vissers van Tangale tot Deondun en Ederesinge araatje Sieman gepasseerd; spreekende van de ruineering van de Pagger van de kanneeltuin te kappoegamme„ de weder herstelling van den 3=den relatant in zijn dienst van Ma„ haviadaen Mohandiram, en ee„ „nige bedrijgingen. dat 1469 dat ze nog geen Antwoord hebben op hunne klagt olas van 32 artikuls /:die we niet ontvangen hebben:/ met bedreijging, dat wanneer zij in het kort daar op geen Antwoord kreegen, zij dan hunne klagten behoorlijk verzeegeld na Gale zoude zenden om in den Raad geopent te worden elc=a Gisteren hebben wij een ola na de belli„ „gamkorl geschreeven, en de muijtelin„ „gen ter kennis gebragt, dat wij zo een ola van 32. artikuls hunner klagten niet ontvangen hadden, en dat zij ons van dus daar „ een afschrift van wilden zenden, /als wanneer we daar op regt doen zouden, dog de kommissicanten die de ola overgebragt hebben, zijn zeer kwalijk behandelt, met swaare bedrij„ „gingen indien ze hun weder onder„ stonden om met zulke olassen bij hun te koomen; waar van het relaas nader nader zal volgen, hier uijt ziet uwel edele gestr: Groot Achtbaare dus de kwaadaardigheid der Muijtelingen weil ze zelfs tegen den inhoud van zoo een vriendelijke ola, zo onhebbelijk handelen, waar uijt, en uijt hunne hee „le handeling het scheind dat zij ons niet opgeeven willen wat hun verder begeeren is, schoon wij, om dat te wee „hebben ten, veele weegen „ ingeslaagen, en nu niets meer weeten wat wij verder in der minne zouden kunnen doen. Wij hebben den Dienst van den sabandaar van de heerlijkheid van Belligam va„ kant verklaard, uijt hoofde der veele klagten die de Jnwooners tegen hem ingebragt hebben ter voldoening aan hun verzoek bij de klagt olas; op hoop, dat we die parthij daarmeede zouden konnen bevreedigens zulx hebben wij bij een sannas bekend doen maaken met bijvoeging dat die Dienst provi„ „sioneel zoude waargenoomen worden door 1470 door Wiereman araetje, tot er een geschikt perzoon om dat ampt solliciteerde, en daarmeede begunstigd wierd. Zomeede dat de klagte tegen den sabandaar onderzogt, en een ider goet regt bekoo„ „men zoude; en schaadeloos gesteld worden. ook hebben wij de inwoonders van de Girrewaijpattoe bij een sannas verwit„ ligd, dat wij de nu bij ola ontvangene verantwoording en Elucidatie van Tin„ „nekoon Modliaar hadden laaten trans„ lateeren, en hunn binnen eenige Dagen het Andwoord en goed recht op hunne klagten zouden besorgen. Tinnekoon Modliaar bevind zig nog te kahawatte maar hij heeft ons bij ola van Gisteren &gemeld, dat genoegzaam niemand bij hem komt. wij hebben ons vereerd gevonden met uweledele gestrenge Groot Achtbaare hooggeachte Letteren van den 6=e deezer verzeld

NL-HaNA_1.04.02_3883_0732 view scan ↗

English

accompanied by a copy of the Placard of Pardon of A 1757, together with a closing article of a placard signed in blank by Your Right Honourable and ten pieces by the secretary; of which we, when it is necessary, will make proper use according to the circumstances of the time, following Your Right Honourable's high command. Herewith is also attached a report submitted on the 8th of this month by the Mohandiram of the Gangebaddepattoe, Abewiekkereme Goenesegere, resident of Attowdawe, regarding the breaking open of his house and the plundering of his goods, as well as those of his brother, and the Modliaar of the Gangebaddepattoe, by the mutineers; and although we doubt whether the loss amounts to as much as has been stated, it nonetheless serves abundantly to demonstrate the malicious and wanton nature of those people, and had we been informed of that deed in time, we would certainly have found ourselves obliged to oppose this violence with armed force. And since they have made many further threats to set fire to and plunder houses, and it is even said that this has actually happened somewhere, we therefore request Your Right Honourable's high command to be permitted to oppose such robbery with force, and to be permitted to send out detachments wherever they are deemed necessary; both to oppose that wild mob, to capture them, and further to do whatever the necessity suggests; as well as to protect the good inhabitants from harassment. Inside the Gravet a sannas has been brought, whereby the mutineers order everyone to send their goods inland and to come to them within two days, or else they would burn and destroy the houses. We thereupon notified the community by a sannas that they should not be disturbed by such a writing, but should remain quietly in their houses, because we would protect them from harassment and they thus had nothing to fear; about which they were very pleased. However, it is said that some people sent their goods away, but the certainty thereof has not been established, although we had watch kept on them in order to have them seized, to deter others from that intention. We have further resolved this evening to send a picket of 50 men, under an officer and the necessary non-commissioned officers, to the Redoubt of Ek, only to be at hand on the other side of the river in case the mutineers should enter within the Gravet to commit outrages. However, nothing of that picket will march without our orders. Tomorrow we shall probably place a guard of a sergeant and 18 or 24 men at the Gravet Marappe on the road to Gale, 3/4 of an hour from here, and send a reinforcement of 20 men to Belligam, or request them from Gale, to join the 4 men who are stationed there, in order to protect the inhabitants thereby and to keep the communication to Gale clear, since some who have passed through have suffered some harassment, though of little significance, and the gajeman aractie has been seized and carried off while collecting Lascarins at Kambroegamme within the Gravet. A permanent detachment will also need to be sent to Gandure to protect the Wellebaddepattoe; and especially to make the fishermen, who along with the sjandoos of the Gajenaijk seem to be faithful, persevere therein, and to make the continuous wandering of the rioters to Deondure somewhat precarious. If it becomes necessary, good use can be made of the fishermen, sjandoos and Moors, to send a party of them with a detachment of Javanese against the mutineers; but in such a case it is necessary to appoint Mohandirams from those two castes for encouragement, either to serve under Wellale chiefs or to exercise authority, and then it might have its utility to recall and reinstate the four chiefs sent to Gale, since the objective, the restoration of peace, has not been achieved by their removal, and one will be able to derive more service from them than from others. On this and other matters, we request Your Right Honourable's most esteemed command, so that we may be able to curb that ungrateful mob of mutineers, who behave so wantonly and despise Your Right Honourable's high favour and the friendly admonitions that have been made to them; and thereby to shelter and protect the good inhabitants, of whom certainly many are being dragged along by force. We have used such gentleness and compliance, to everyone's astonishment, and even endured danger to our lives with them at Hakman, in the trust that we would thereby master the matter, for which the hope was also most well-founded; but to our regret the hope has vanished, without us being able to state with any certainty what is amiss, or what the mutineers further desire, because they have made no proper indication thereof by olas, nor by statement to the Appoos sent to them with sannasses and letter olas; and since we, proceeding on this footing, foresee no good end, we await Your Right Honourable's high wise command as to what we are to do. Whereby we must nevertheless note that at times a favourable report from Kolombo of the expedition of the Mahamodliaar against the rebels in the Alwetkoer Corle, when he captures a party

Dutch transcription

verzeld van een afschrift, van het Pla¬ „kaat van Pardon van A 1757. nevens een sluijtpost van een plaka door uweledele gestr: Groot Achtbaar en tien stux door den secretaris, in blanko geteekent; waar van wij, wan„ neer het noodig is, behoorlijk gebruijk na tijds omstandigheed en maaken zul len; na volgens uwel edele groot Achtbaare hoog bevel. Hierneevens komt nog een relaas op den 8=te deezer door den Mohand ram van de Gange baddepattoe, Abe wiekkereme Goenesegere, inwoonde van Attoedawe opgegeeven, nopens het openbreeken van zijn huijs en het plunderen zijner Goederen, zoo wel als die van zijn broeder, en de Mod „liaar van de Gangebaddepattoe, door de Muijtelingen; en of schoon wij twijffelen of het verlies wel zo hoo„ loopt als opgegeeven is, zoo is het dog 1471 dog overvloedig dienende om de kwaad„ „aardig - en baldaadigheijd dier mensen te bevoordeelen, en indien we zo tijdig onderrigt waaren geweest van die daad, zo zouden we ons zeeker in de verplig„ ting gevonden hebben om dit Geweld, met geweld van gewaapend volk te keer te gaan, en aangezien zij nog veele dreijgementen gedaan hebben van huij„ „zen te zullen in de brand steeken en plunderen, en men zelfs zegt, dat het nog ergens werkelijk zoude geschied zijn, zoo verzoeken wij uwel Edele Gestr: Groot Achtbaare hoog bevel om zulke rooverij met Geweld te mogen te keer gaan; en detachementen te mogen uit„ „zenden, waar ze nodig geoordeelt wor„ „den; zoo om die woeste hoop te keer te gaan, gevangen te neemen, en verder te doen wat ze noodzakelijk aan de hand geeft; als om de Goede Jngezeetenen te dekken voor overlast, Binnen de Gravel is is een sannas gebragt, waar bij de muij„ telingen ordonneeren dat een ider zijne Goederen zal landwaards zenden, en binnen twee Dagen bij hun koomen, of dat zij anders de huijzen zouden verbranden en vernielen. Wij hebben daer op de Gemeente bij een sannas geadverteerd dat ze hun aan zo een geschrift niet stooven, maar gerust in hunne huijzen blijven moesten, wijl wij hun voor overlast zouden bescherme en zij dus voor niets bedugt behoefden te zijn; waar over zij zeer verblijd waar egter zegt men dat zommige menschen hunne Goederen weg zonden, dog de zee„ „kerheijd daarvan is niet gebleeken, schoon we 'er op hebben laaten passen, om ze in bekllag te doen neemen, ten eijnde andere van dat voorneemen af te houden. Wij zijn voorts te Raade geworden om heeden 1472 heeden avond een Piquet van 50 man, onder een officier en de noodige onderofficieren na de Redout van Ek te zenden, om al„ „leen aan de overkant der Revier bij der hand te zijn, wanneer de muijtelingen binnen de Gravet mogten koomen, om baldadigheeden te pleegen. echter zal er niets van dat Piquet marscheeren sonder onze ordre. waarschijnlijk zullen we morgen een wagt van Een sergeant en 18 of 24 man na de Gravet Marappe op de weg na Gale ¾ uur van hier plaetsen, en eene versterking van 20 koppen na Belligam zenden, of za van Gala verzoe„ „ken, bij de 4 man die er leggen om daar door de Jnwoonders te dekken, en de kom„ „municatie na Gale zuijver te houden, aangezien aan zommige gepasseerden eenig overlast hoewel van wijnig belang geschied, en den gajeman aractie, onder het ophaalen van Laskorijns te kambroegam„ me „me binnen de gravet opgevat, en weggevoerd i Na Gandure zal ook dienen een vast De trek „ment te worden gezonden, om de welleba de pattoe te beschermen; en inzonderheid de vissers, die nevens de sjandoos van den Gajenaijk getrouw schijnen te zijn, daar bij te doen volharden en het geduu „rige dwaalen der oproermaakers na Deondure wat te doen bedenkelijk maa „ken. Indien het nodig word, dan zal men van de vissers, fyandos en mooren een goed gebruijk kunnen maaken, om een partij daar van met een Detachement van Javanen op de Muijtemaakeris afte zenden, dog in zulken val is het nodig om Mohandirams uijt die twee kastos tot aanmoediging aante„ „stellen, het zij om onder Wellales Hoofden te dienen, of het Gezag te voe„ ven, en dan zoude het zijne nuttigheid kunnen hebben om de na Gale gezonden vier hoofden te rug te roepen en te herstellen, wijl dog het oogmerk de herstelling 1473 herstelling der Rust, door hunne verwijde„ ring niet berijkt is, en men van hun meer e„ dienst zal konnen trekken, als van andere op het voor en ander verzoeken wij uwel Edele groot Achtbaare hoogst geacht bevel, op dat wij in staat moogen zijn, om die ondankbaa„ „ra Muijteninden hoop, die zich zoo bal„ daadig gedraagt, en uwel Edele Gestrenge groot Achtb: hooge gunste, en de minne„ „lijke vermaaningen die hun gedaan zijn, versmaad, te kunnen beteugelen; en daar door de goede Jngezeetenen, waar van er zeeker veele met Geweld meede gesleept worden te beschutten en te beschermen. wij hebben dusdanige tot aller menschen verevondering alle zagt zinnigheid en Jnschikkelijkheid gebruijkt, en zelfs Leevensgevaar bij hun te Hakman uijt„ „gestaan, in vertrouwen dat we daar door het stuk zouden meester worden, waer toe toe ook de hoop alleergegrondst was dog tot ons Leedweesen is de hoop verdweenen, sonder dat we met eene „ge zeekerheid konnen opgeeven waar aan het kapert, of wat de Muy telingen verder begeeren, wijl zij daa van geen behoorlijke aanwijzing bij olas, nog bij opgave aan de bij hun met Jannassen en brief olassen gezon„ dena Appoes gedaan hebben en wijl wij op de voet voortvaarende geen goed Eijnde te gemoet zien zoo verwagte wij uwel Edele Gestrenge Groot Achtb hoog wijzer bevel, wat ons te doen staat. waar bij wij egter nog moeten aanmerken, dat zomwijlen eene voordeelige tijding van kolombo van de Expeditie van den Mahamodli„ aar na de opvoerigen in de alloet„ koer Corl, wanneer hij een partij op vat

NL-HaNA_1.04.02_3883_0739 view scan ↗

English

1474 comprehends whether some change for the better might be brought about in the minds of the mutineers; we conclude this by commending the Company's precious interests along with the prosperity of this land and people to the merciful protection of the Lord, and by calling ourselves with all loyalty and respect. Lower down was written: Right Honorable, highly esteemed, most commanding Sir, your Right Honorable, highly esteemed, most loyal and obedient servants. Was signed: D. J. Frets and A. Samlant. In the margin: Mature, the 9th of June, anno 1790. Agrees, Cornelis Johannes Ide, sworn clerk. ƒ Examined, Maas. 1475 Sannas Ola Whereas I have learned that some of the inhabitants of this Dissavony are in fear that I will not forgive them for the wrong committed by them in banding together in mobs, but will in course of time prosecute them for it, thus it is that I hereby assure each and everyone that I have heard with the greatest joy of the favorable arrangement made by the Gentlemen Commissioners, as I desire nothing more cordially than that the peoples entrusted to my care and love may enjoy all temporal happiness, blessing, and tranquility. I also hereby assure each and everyone that their further complaints, grievances, and requests will be heard and settled with love, indulgence, and fairness, and that I, in particular on my part, shall do everything possible to promote the contentment of my subordinates, and thus will tend to their interests with that same zeal as if they were entirely my own. And whereas I believe that my promises to my subordinates have been sacred, and my actions have abundantly proven this to each and everyone, so I also trust that each and everyone will abandon their unnecessary fears, and will bring joy to me and to their wives and children with a quiet dwelling and fair obedience to their headmen, in order that happiness and blessing may anew be spread over you all and the country. I trust in this all the more, as I am assured that you will know how to appreciate according to its worth the high favors that have been shown to you with the granting of a General Pardon and the promise that your further requests, grievances, and complaints will be settled according to justice and equity, and that you will also consider what calamities await you, if 1476 if you do not immediately make use of this indulgence and accept it with gratitude. Dispatched the 2nd of June 1790 by, was signed, C. van Angelbeek. Lower down: Agrees, was signed: M. F. Palm, authorized person. Agrees, Cornelis Johannes Ide, sworn clerk. Examined, Maas. 1477 Report of the Appu and Lascorin sent out on the 30th of May last to the Magampattoe with a mandate ola to the communes there, by the Right Honorable Gentlemen Commissioners Dieterich Thomas Frets and Abraham Samlant, namely: Pallatege James, lascorin of Colombo, and Don Michiel Senewira Appu of Mature, who report that they, with the above-mentioned mandate ola, on the high orders of the Right Honorable Gentlemen Commissioners aforementioned, set out on their journey to the Magampattoe last Sunday; they first halted at Billiwatte, where they found a guard post of 10 to 12 men stationed by the mobs, as also at Koottegodde, situated in the Wellebaddepattoe, 20 to 25 men strong, at which last-mentioned post the guard demanded the mandate ola from them and, having read the same, handed it back, saying that they could proceed on their journey, whereupon they, the informants, then arrived at Bamberende without having heard or seen anything remarkable, and spent the night there; that the next day they arrived at Tangalle where everything was quiet and peaceful, and without learning anything noteworthy arrived at Waandaroepe in the Magampattoe, where they found Aroebokke Kankanam and by estimate twenty men of the communes, who, having asked the reason for their coming and having understood that they had arrived there with a mandate ola to publish the same in the name of the Right Honorable Gentlemen Commissioners of Colombo, ordered the informants to remain and wait there, because the communes of the Magampattoe were about to assemble in order to join with those of the Kandebaddepattoe, and that the informants 1478 would be able to meet and speak with them there before they departed; that the informants thereupon remained there and took up their lodging with a mayorale, Waandaroepe Appuhamy, who accommodated them with much respect, without telling them anything remarkable; that after the expiration of the aforementioned two days there appeared at Waandaroepe Aroebokke Kankanam and another kankanam whom the informants did not know, accompanied by around two hundred men of the common people; that the above-mentioned Aroebokke Kankanam thereupon ordered the informants to read the mandate ola to them; that the second informant, having done so, offered the mandate ola to them in the name of the Right Honorable Gentlemen Commissioners; that Aroebokke Kankanam accepted the same with much respect and also read it out to the multitude, and subsequently, handing the mandate ola back over, said that the said mandate ola for the greater part concerned the other korles and

Dutch transcription

1474 opvat eenige verandering ten goede op de Gemoe„ „deren der Muijtelingen zouden konnen te weeg brengen; wij besluijten deeze met 's Comp: dierbaare belangens nevens de welvaard van dit Land en volk te beveelen in de genadige hoede des Heeren en ons met alle trouwe en Eerbied te noemen. /:onderstond:/ wel Edele gestr: groot agtb: Hoog gebiedende Heer, uwel Edele gestr: groot agtb: trouw schuldigste en gehoorzame Dienaeren /:was getekend:/ D: J: Freth: en A: Samlant /: in margine:/ Mature den 9: ' Junij A:o 1790. Akkordeert Corns Johianns. dlé gezwklerk ƒ Nagezien Maas 1475 Sannas Ola vermits ik vernoomen hebbe, dat zommige van de Jngezeeten deeser Dessavonie in vreeze zijn, dat ik het door hun begaan kwaat met zig bij den anderen te zaamen te rotten hun„ niet zal vergeeven, maar hun in vervolg van tijd daar voor zal vervolgen, zoo is het dat ik bij deezen alle en ijgelijk verzekere, dat ik met de meeste blijdschap de zoo Gunstige schikking door Heeren kommissarissen ge„ hoort hebbe, al zoo ik niets hartelijker wensche, dan dat de volkeren die mijne zorge en Liefde aanbetrouwd zijn, alle tijdelijk Geluk Zegen en Gerustheid genieten. ook verzeekere ik bij deezen alle en een ijge„ lijk dat hunne verdere klagten bezwaaren en verzoeken met Liefde toegeevendheid en billikheid zullen aangehoord en afge„ „daan worden, en dat ik in zonderheid van mijn kant alles zal doen wat moge„ lijk is, om het Genoegen van mijne onder„ „geschikten te bevorderen, en dus hunne slecht e belangens met met dien zelfden, staeld zal behartigen, als of ze Geheel en al de mijne waaren waaren, en vermits ik geloove dat mijne beloften tegens mijne ondergeschikten He heilig zijn geweest, en mijne handelingen dit ten overvloede aan een en ider heeft bi„ „weesen zoo vertrouwe ik ook, dat alle en een ijgelijk zijne onnodige vreezen laaten vaaren, en mij en hunne vrouwen en kinderen met een stille in wooning, billike Gehoorzaamheid aan hunne hoof„ „den zullen verblijden, ten Einde Geluken zegen over uw allen en het Land op nieuw versprijt mogen worden. Ik vertrouwe hier op te meer, terwijl ik verzeekert ben dat Gijlieden na waarde zult weete te beoordeelen de hooge Gunsten die uw met het verleenen van een Generaale Pardon beweesen zijn geworden en de belofte, dat uw verdere verzoeken, beswaarden en klagten na regt en billigheid zullen afgemaakt worden en dat Gij lieden ook daar bij zult bedenken, welke onheelen uw Lieden te wagten staat, zoo 1476 zoo Gij lieden van deeze toegeevenheid niet terstond Gebruijk maakt, en met Dank„ baarheid aanneemt afgezonden den 2 Junij 1790 door /:was getee„ kand C: van Angelbeek /:onderstond:/ Ak„ „kordeert /:was getekend:/ M: F: Palm geauthoriseerde Akkordeert Corns Johann:s Ide gezue klerk Nagezien Maas 1477 Relaas van de door de Wel Ede le Gestrenge Heeren Commissa„ rissen Dieterig Thomas Frett en Abraham Samlant, op den 30 ' Maij J=t L:n naar de Ma„ gampattoe, met een Mandaat ola aan de Gemeenten aldaar, uijtgezonden Appoe en Laskorijn namelijk. Pallatege James, laskorijn van Colombo, en Don Michiel Senewira Appoe van Mature, de welken relateeren Dat zij met de hier boven gem: mandaat ola op hooge ordre van den WelEdelen Gestrengen Heeren kommissarissen voormeld, haar J: L: zondag op reis naar de Magampattoe begeeven hebben eerst te Bil„ liwatte halte gehouden hebben, daar zij een, door de zaamen rottingen uitgezette wagt„ post sterk 10 a 12 koppen gevonden hebben gehad, gelijk ook te kootte godde, in de Wellebaddepattoe geleegen sterk 20: â 25 kop„ pen, aan welk laastgenoemde Post, de wagt„ hebbende, de Mandaat ola van hem afge„ eischt en geleesen hebbende dezelve weder overgegeeven overgegeeven hebben, onder het zeggen, dat zij hunne Reize konden vervorderen, Gelijk zij relatanten toen te Bamberende Zander iets aanmerkelijk gehoord ofte gezien te hebben gekoomen zijn, en aldaar vernagt hebben gehad:, dat zij anderdaag te Jangale gekoomen zijn daar alles st en vreedig was, en zonder iets noemens „waardig te verneemen te waan da roepe in de Magampattoe gekoomen zijn, daar zij aroebok ke kangam en naar Gissing twintig koppen Gemeentens gevonden heb„ ben die na de Reeden van hunne komste gevraagd en verstaan hebbende dat zij aldaar met een Mandaat ola gekoomen waaren, om dezelve uit naam van den wel Edelen Gestr: Heeren Kommissarissen van Colombo te pupliceeren; de Relatan„ „ten belast hebben gehad om aldaar te blijven vertoeven, wijl de Gemeenten van de Magampattoe stonden te vergaderen, om haar met die van de kande baddepatto stonden te kenjadegeeren, en dat zij relate ten 1478 ten haar aldaar eer zij nog vertrokken, zou den konnen ontmoeten, en spreeken: dat zij relatanten daar op aldaar gebleeven zijn, en hun intrek bij eene maijeraal waanda„ roepe appoehamie genoomen hebben, die hun met veel Achting geherbergt heeft, gehad, zonder haar iets aanmerkelijks te vertellen, dat na verloop der voor zeide twee Daagen aldaar te waandaroeppe verscheenen zijn aroebokke kangam en nog een kangam die zij retatanten niet en kenden, verzeld van omtrend tweehondert koppen Gemeenen, dat bovengem: aroebakke kangaan daar op de relatanten gelast hebben de Mandaat ola haarlieden voor te leesen, dat de tweede relatant zulks gedaan hebbende de Man„ daat ola uit naam van De Wel Edel Gestr: Heeren kommissarissen haarlieden aange„ „booden heeft gehad, dat Aroebokke kangaan de zelve met veel Eerbied overgenoomen en almeede de Schaare voor geleesen heeft gehad, vervolgens de Mandaat ola weeder„ over reikende gezegd had dat gedagte Man„ „daat ola Grooter deels de andere korles en

NL-HaNA_1.04.02_3883_0750 view scan ↗

English

and pattus were concerned to which they had no relation, and they could deliver the same to those people, because they could find no satisfaction or settlement in the said mandate ola regarding the 26 articles of complaint submitted by the inhabitants of that Magampattoe. That they highly respected the Honorable Rigorous Lord Commissioner and Dissave of Colombo, as being a gentleman of very astute judgment, and experienced in matters concerning the Noble Company as well as the King of Kandia, and therefore had to conclude that the lack of settlement of their complaints is not to be attributed to His Honorable Rigorous, but that through other ways, as punishment for their iniquities, had been imposed upon them by the gods; that in this uncertainty, confusions, and uncertainty, they had sent their goods, the little that had been gathered by them with much sweat and sorrow, to the King's Land for safekeeping, and they stood ready to follow their goods, and to drag along their poor and emaciated wives and children out of fear of punishments, should their complaints be rejected. Declaring that as long as the present resident remained in the Magambattoe, they would not rest nor 1479 nor perform anything for the use or benefit of the Honorable East India Company, and that if the Resident stayed there any longer, they would seek protection from the King of Kandia in his lands. That the said minor headmen and inhabitants of the Magampattoe finally requested the informants to go with them to the Kandebaddepattoe and publish the mandate ola there, as these people meant well with them; but that the informants replied to this that the Honorable Rigorous Lords Commissioners had already dispatched such a mandate ola to all the korles and pattus, that their commission did not extend further than to go to the Magampattoe, and they therefore begged to be granted permission to return hither, which was granted to them. Thus related today, the 5th of June 1790. Inside the Fortress of Mature /: was signed :/ Noble signed :/ in Dutch D:r Michiel an illegible character /: underneath stood :/ for the translation /: was signed :/ M: F: Palm authorized /: in the margin for the oral translation /: was signed :/ D: S: Senerat sworn secretarial interpreter /: underneath stood :/ Agrees /: was signed :/ M: F: Palm authorized Agrees Cornelis Johannes Idé sworn clerk Examined Maas 1480 Account of the appus sent on Wednesday the 2nd of June last to the Gangebaddepattoe, the four Baygams, and coal-producing villages by the Honorable Commanding Lord Mr. Christiaan van Angelbeek, Senior Merchant, Second of the Galle Commandment, and Dissave of Mature, namely: Don Aberam Kankanige appu and, residing in Walgam within the 4 Gravets, Hiltie atiege Daniel appu. The above-mentioned appus relate that, departing from here last Thursday with the above-mentioned sannas, they had passed the following posted guard posts of the gathering of the Gangebaddepattoe, namely: one in the village of Hoeloettegodde with 6 men, one at Srakkoeroegodde with 6 men, one at Kirimattimoele with 8 men, and at Katdoene a ditto post manned with four men, from where they received a lascarin to convoy them to the village of Karregodde Oesanggodde; that arriving there at the house of the deceased Mudaliyar of the Gangebaddepattoe, they found the gathering estimated at a hundred men strong, among whom the informants saw the vidana arachchi of the village of Karregodde Oeyanggodde, Madegodde appu, the liyanna and vidana atapattu, and some other other minor headmen. That the 2nd informant having handed over the sannas to the vidana arachchi of Karregodde Oeyanggodde, the latter handed the same over to Madoegodde appu; that Madoegodde appu, having taken the sannas, ordered the liyana arachchi to read it out, and the latter having done so, handed it back to Maadoegodde appu, who, having taken it with indignation, threw it onto the ground and trampled it with his feet, subsequently picked it up again, tore it up, and having crumpled it together, threw it away from him with contempt, and said to the informants that while he had granted free passage to the previous appus who had come with the mandate ola, they, so it appeared to him, had also been so bold as to come there, but that he would teach them otherwise and punish them, and then ordered one of the lascarins to lead the informants away and keep them under arrest; that the informants were thus detained there for half a day, without being allowed to go further, 1481 without their having been able to perceive anything unusual. That when the informants had been there for a good half day, someone came to bring them word that they had to return to Mature to their dwellings; that the informants, taking leave of Madoegodde appu to depart, the latter said to them that if henceforth any appus should come there again with a sannas from the Dissave of Mature, he would first have them soundly flogged and subsequently have them flayed. That the informants, thereupon, since the sannas had been torn up by Madegodde appu, came back here. Thus related, Mature the 5th of June 1790, by /: was signed :/ with two characters /: underneath stood :/ for the translation /: was signed :/ M: F: Palm authorized /: in the margin :/ for the oral translation /: signed :/ D: S: Senerat Sworn Secretarial Interpreter. /: underneath stood :/ Agrees /: was signed :/ M: F: Palm authorized Agrees Cornelis Johannes Idé sworn clerk Examined Haas

Dutch transcription

en pattoes betrof tot welke zij geen relatie hadden, en zij dezelve aan die lieden kon„ „den bezorgen, wijl zij op de door de incom deren van die Magampattoe ingebragte 26 klagt artikels geene voldoening ofte Afdoening bij gedagte Mandaat ola konden vinden. Dat zij den WelEdele Gestrengen Heer Commissaris en Dessave van Colombo hoog respekteerden, als zijnde een Heer van zeer schranderen oor„ deel, en ervaaren in zaaken zo wel de Edele komp: als de koning van kandia raakende en dies weegen besluijten moesten, dat de onafdoening haarer klagten niet aan zijn WEdel: Gestr: toe te schrijven is, maar door andere weegen hun tot straffe hunner ongeregtigheeden door de Goden opgelegd waaren dat zij in deeze onzeekerheid, verwarringen en onzeekerheid hunne Goederen; het wijnige wat door hun met veel sweet en zorgen bij een gebragt waa„ ren, naar 's koonings Land in berging gezon den hadden en zij gereed stonden hunne Goederen te volgen; en hunne arme en uijt¬ geteerde vrouwen en kinderen mede te sleepen uit vreese voor straffen, wanneer haare klagten mogte verworpen zijn. verklaarende dat zo lang de presente reside in de Magambattoe bleef zij niet rusten nog 1479 nog niets verrigten zoude ten nutte of voor„ deel van dE: A: J: komp: en dat wanneer de Resident aldaar nog langer bleef, zij bescherming bij den koning van kandia in zijne Landen zoude verzoeken. Dat gemelde minderhoofden en inwooneren van de Magampattoe eijndelijk haar retatanten verzogt hadden om met haar naar de kan„ de baddepattoe te willen gaan en de man„ daat ola aldaar pupliceeren, alzo deeze het met haar wel meenden: dog dat zij re„ latanten daar opgedient hebben gehad; dat de Edele Gestr: heeren kommissarissen be„ reeds, ook naar alle de korles en pattoes zulken mandaat ola Ge expidieert had„ „den dat hunne kommissie niet verder strekden, dan om in de Magampattoe te gaan zij dieshalven baden hun verlof te willen verleenen om herwaards te mogen keeren, het welk hun Geakkordeert is geworden. Aldus Gerelateerd heden den 5 Junij 1790. Binnen de Fortresse van Mature /:was geteekent:/ Edele geteekend:/ in 't neederduijsch D=r Michiel „een on leesbaare karakter /:onderstond: voor de translatie /:was geteekend:/ m: f: Palm geauth: /: in margine voor de mondelinge vertaling /:was geteekend:/ D: S: Senerat gesw: sek: tolk /:onderstond/ Akkordeert /:was getekend:/ M: f: Palm geau Akkordeert Corns: Johanns Sdé gezeeklerk Nagezien Maas 1480 Relaas van de door de wel Ed: Gebiedende Heer m=r Christiaan van Angelbeek opperkoopman sekunde van het Gaals kommande„ ment en Dessave van Mature op woensdag den 2. ' Junij J:o leeden naar de Gangebadzepattoe, de vier Baij„ gams en koolgeevende dorpen uit„ „gezondene appoes. naamelijk: in woonen Don Aberam Kankanige appoe en van Wal„ gam binne Hiltie atiege Daniel appoe de 4 Gravette booven gemelde appoes retateeren, dat zij met de bovengem: sannas voorleeder Donderdag van hier vertrekkende devolgende uitgezette wagt pos„ „ten der 't zaamen rottinge van de Gangebaddepatto gepasseerd waaren naamelijk, een in het Dorp Hoeloette godde met 6 koppen een te srakkoeroe„ godde met 6 koppen, een te kirimattimoele niet 8 koppen en te katdoene een d„o Past met vier koppen beset, van waar zij een Laskorijn meeede gekreegen hebben om haar naar het Dorp karregodde oesang godde te konvoijeeren, dat zij daar koomende in het huijs van den over„ leeden Modliaar van de Gangebaddepattoe de tzaamen gerotten naar Gissing een hondert kop„ „gehad waar bij zij Relatanten gezien hebben gehoud per sterk gevonden hebben, „ de viedaan aratie van het Dorp karregodde oejang godde, Madegodde appoe de lienne en witaerne itiles en eenige andere andere mindere hoofden. Dat de 2den Relatant de sannas aan de vidaan aratie van karregodde de Jangodde overgegee„ venhebbende deeze dezelve aan Madoegodde appoe heeft overgegeeven, dat Madoegodde„ Appoe de Cannas genoomen hebbende den lieune atcele belast heeft gehad om dezelve eens ap te leesen, en deeze zulks verrigt hebbende dezelve aan Maadoegodde appoe weer ter hand gesteld heeft, die dezelve met verontwaar„ „diging genoomen hebbende op de Grond neerge„ smeedt heeft gehad, en dezelve met zijne voe„ „ten vertreeden heeft, vervolgens de zelve w „weer „opgeraakt, verschuurt en in een geduwt hebbende met veragting van hem weg ge „smeeten heeft gehad, en teegens de relatan„ „ten gezegt dat terwijl hij aan de voorige appoes de vrije passagie gegeeven had, die met de mandaat ola gekoomen waaren, zij„ zoo het hem toescheen, haar ook vermeeteld had„ „den aldaar te koomen, dog dat hij haar dit verleeren zoude en hun straffen, en beval toen aan een der Laskorijns om de relatanten weg te lijden en voor gearresteerd te houden dat zij relatanten dus, een halve Dag daar op gehouden zijn, zonder verder te mogen gaan„ 1481 zonder dat zij iets bijzonders hebben kunnen ontwaaren Dat toen zij relatanten ruim een halve Dag daar geweest waaren, iemand bij haar is koomen bood„ „schappen, dat zij weeder na Mature naar haare keeren wooningen moesten „heen, dat zij relabanten bij Madoegodde appoe verlof neemende van te vertrekken, deeze teegens hun gezegd had, dat wanneer voortaan eenige Appoes aldaar wee¬ der met een sannas van den Dessave van Mature kwaam, hij dezelve eerst braaf zoude doen geeselen en vervolgens villen laaten. Dat zij relatanten, vervolgens, vermits de sannas door Madegodde appoe verscheurd was gewor„ den, dit heen te rug gekoomen zijn. Aldus gerelateerd Mature den 5: Junij 1790, door /: was geteekend:/ met twee karakters /:onderstond:/ voor de translatie /:was geteekend/ M: ff: Palm geauth: /: in margine:/ voor de mon„ „delinge vertaaling /:geteekend/ D: S: Senerat Gesw: Sekr: tolk. /:onderstond:/ Akkordeert /:was getekend:/ M: f: Palm geauth: Akkordeert Corn:s Johann:s Idé gezee klerk Nagezien Haas

NL-HaNA_1.04.02_3883_0759 view scan ↗

English

1482 Report of Don Siemon Aboie Goenewardene Rametoenge, Aratchi of the Atapattu at Matura, and Roebesinge Appuhamy of Colombo, who were sent out on 5 June 1790 with a sannas from the Right Honorable, severe and Highly Esteemed Lord Willem Jakob van de Graaff, Governor and Director of this Island and its dependencies, by the Right Honorable Ruling Lord Mr. Christiaan van Angelbeek, Senior Merchant, Second of the Galle Commandment and Dissava of the Lands of Matura, to the gathered rebel communities of the Belligam Korale, the Gangabada Pattu, the Kanda bada Pattu, and the coal-producing villages. They related that they departed from here yesterday with the sannas delivered to them by the Right Honorable Ruling Lord Dissava, which was sent from Colombo by the Right Honorable, severe and Highly Esteemed Lord Governor of Ceylon. Arriving at Nadugolle, they found a guard post stationed there by the gathered rebels, manned by four heads, who, having understood the reason for the narrators' mission, allowed them to pass. That the narrators, in the same village at a place called Gambadda Addere, found another such guard post manned by twenty heads. Those posted at the last-mentioned place demanded of the narrators to know the reason and content of their mission. Thereupon, the first narrator delivered the sannas to a certain Hewage Bale Appuhamy, who, having read it aloud without saying anything about it, returned it to him and said that they must proceed on their journey. That the narrators from there arrived at Bandatte, where they also found a Lascoreen guard post deployed by the rebels, twenty heads strong, alongside a Goddegammege Kangany belonging under the Nandie of the Baigam Aratchi, who, having understood the reason for their mission, let the narrators proceed unhindered, just as also occurred in the village of Pedigodde, where they saw a similar post eight heads strong. That, because it was already late and began to grow dark, they took up lodging with the Baigam Aratchi, and wishing to proceed the next day, they were advised by him 1483 to remain there, as the gathered rebels were due to assemble there that day. Around eleven o'clock in the morning, they heard that the gathering of rebels had arrived at Bandalgodde and assembled there. The narrators immediately went there, where they found an assembly of about six hundred common heads, accompanied by the following lesser headmen, namely: two Aratchis of the Baigam whose names they did not know, a Badattere Wannambie Aratchi, the Vidane Aratchi of Marembe, Madugodde Appu, and some lesser headmen whom the narrators did not know. That the narrators, coming before the said lesser headmen, stated that they had been sent to them to publish a sannas from the Most Honorable Lord Governor of Ceylon. They subsequently delivered the sannas into the hands of Madugodde Appu, who handed it over to the Vidane Aratchi of Bilpagam, ordering him to read it aloud. That after this was done, Madugodde Appu said to the narrators that they, namely the assembly of the gathered community, had submitted several requests and complaints to which no consideration appeared to have been given or would be given, since they had as yet obtained no settlement on any of the main points. Continuing in a scornful tone, he said to the narrators: "And why do you continually trouble us with your sannasses, while our affairs and requests remain unsettled?" And stepping up to the first narrator, looking him sternly in the eyes, he said: "So it is you! Who wish to leave our country as a prey to the whites!" Proceeding further: "I shall teach you!" He thereupon ordered twelve Lascoreens to arrest the first narrator, saying: "Come, take this fellow into custody and ensure that he does not escape you." That the narrator nevertheless, 1484 after the lapse of a couple of hours, was released from his arrest and had to appear before Madugodde Appu. When they appeared there, Madugodde Appu said to the narrator and his companion that they could stay with him, but at the urging of the lesser headmen he permitted them to return to Matura. The narrators then said that they had received orders to publish the accompanying sannas in the aforesaid korales and pattus. Madugodde Appu answered that the general assembly was about to gather and meet there, that he would distribute and present the same to them, and subsequently cause a reply to be delivered to the Right Honorable Ruling Lord, the Dissava of Matura. Thus reported, Matura, 6 June 1790. Was signed with two signatures. Underneath stood: For the translation, was signed: M. F. Palm, authorized. In the margin: For the oral interpretation, signed: D. S. Senerat, sworn Secretary-Interpreter. Underneath stood: Agrees, signed: M. F. Palm, authorized. Agrees: Cornelis Johannes de Gezee, clerk Examined: Maas

Dutch transcription

1482 Relaas van de door den Wel Edelen Gebiedenden Heer M:r Christiaan van Angelbeek opperkoopman sekunde van het Gaals Kommandement en Dessave der Landen van Mature op den 5:' Iunij 1790. met een sannas van den Wel Edelen gestrengen Groot achtbaaren Heer Willem Jakob van de Graaff Gouverneur en Direkteur deezes Eijlands, en dies onderhoorigheeden naar de tzaamen gerotten gemeenten van de Belligam korle, de Gangebaddepattoe, de kande baddepattoe en de koolge„ „vende dorpen, uitgezondene Don Siemon aboie goenewardene Rametoenge Aratie van de attepattoe te Matura, en Roebesinge appoehamie van kolombo dewelke relateerden, dat zij gisteren met de door den welEd: geb: Heer Dessave, aan hun overgeleeverde sannas, welke van Colombo door den wel Edelen gestrengen Groot Achtbaaren Heer Ceijlons Gouverneur gezonden is geworden, van hier vertrok„ „ken, en de Nadoegolle koomende een door de tzaamen gerotten gemente aldaar gestelde wagt post met vier koppen bemand gevonden hebben dewelke de reeden van der Relatanten zending verstaan hebbende, hun hebben laaten passeeren Dat Dat zij relatant en in dezelvde Dorp in een pla gam badde addere genaamd, nog een dito wagtpa bemand met twintig koppen gevonden hebben dat de op de laastgem: plaats geposteerden, de relatanten begeerd hadden, te weeten de reede en den inhoud van hunne zending: Dat de eerste relatant daarop aan eene Hewage bale appoehamie, de Cannas overgegeeven heeft, die de zelve overluid geleezen hebbende, zonder iet daar op, te zeggen, aan hem weeder heeft over „gegeeven gehad, en gezegt, dat zij hunne reis moesten vervorderen. Dat zij relatanten van daar te Bandatte zijn gekoomen, daar zij meede een door de zaamen gerotte uitgezette Laskorijns wagtpost gevonden hebben twintig koppen sterk; nevens een Goddegammege kan„ „gaan sorteerende onder het nandie van den Bai„ „gamaratie, welke de reeden van hunne zender verstaan hebbende, hun relatanten ongemoeid hebben laaten gaan, gelijk zulks meede in het Dorp Pedigodde daar zij een dito Post sterk agt koppen gezien hebben, gebeurd is. Dat zij wijl het doen laat was en duister begon te worden, haar intrek bij den baijgamaratie genoomen hebben, en 's anderen daags voort willende, door den zelven geraaden was ge„ „worden 1483 worden aldaar te vertoeven, alzoo de 't zaamen rottinge aldaar die dog stonden te zaamen te koomen; dat zij omstreeks elf uuren op de middag vernoomen hebben, dat de zaam en gerotten hoop te Bandalgodde aan„ „gekoomen en aldaar vergaderd was, zij relatanten daar op ten eersten daar na toe„ „gegaan zijn, daar zij relatanten gevonden hebben eene vergadering van omtrend ses Hondert koppen gemeenen, waar bij de vol„ „gende minder hoofden waaren, namelijk twee araties van de Baijgam /welke zij bij naam niet kenden / eenen Badattere wannambie aratie, de vidaan aratie van Marembe, Madoegodde appoe en eenige minder hoofden, die de relatanten niet ken„ „den. Dat zij relatanten voor gedagte min„ „derhoofden koomende gezegd hadden, dat „lieden, zij relatanten bij haar „ gezonden waaren, om een sannas van de Hoog Edelen Heere Gouverneur van Ceilon te pupliceeren, vervolgens de sannas aan Madoegodde appoe ter hand gesteld hebben, die de zelve aan den vidaan aratie van Bilpagam overreikende gelast had, de zelve overluid 1e te te leesen, dat na dat zulks gedaan was, Madoegodde appoe teegens de relatan„ „ten gezegd had, dat zij (naamentlijk de vergadering der tzaamen gerotten gemeante verscheide verzoeken en klachten inge„ „diend hadden, op welke geene reflexie schijn geslaagen te zijn, ofte te zullen worden, alzo zij tot nog op geene der hoofdpoink„ ten, afdoening gekreegen hadden en met eene versmaadende toon vervolgende, tegens de relatanten gezegd had„ en wat „behoeft gij ons nog gestaag met uwe san„ „nassen te vermoeijelijken, daar dog on„ „„ze zaaken en verzoek onafgedaan blijft en na de eerste relatant treedende, hem sterk onder de oogen ziende, gezegt heeft gehad„ „ zo zijt gij het dan! die ons Land den blan„ „ken tot een prooij wilt laaten „ - voorts vervolgende „ ik zal u leeren „ en heeft daarop aan twalf Laskorijns geordonnaerd om den eersten relatant in arrest te nee„ „men, zeggende„ komt neemt mij die kae„ „vel in bewaaring en draagt zorge dat hij ulieden niet ontsnapt. Dat hij relatant nogtans 1484 nogtans naar verloop van een paar uuren van zijn arrest ontslaagen en bij Madoegodde appoe heeft moeten koomen, dat zij daar verschijnende Madoegodde appoe teegens hem retatant en zijn maat gezegt heeft gehad; dat zij bij hem konden blijven, dog op aanraading der min„ „derhoofden haar lieden gepermitteerd heeft gehad, weeder naar Matiere te keeren, dat zij relatanten daar op gezegd hebben, dat zij order hadden gekreegen om de meede ge„ „bragte sannas, in de voor zeide korles en pattoes te pupliceeren, Maddoegodde appoe daar op geantwoord heeft gehad, dat de gene„ „raale zaamenrottinge stonden te verga „deren en aldaar zouden bij een koomen dat hij de zelve aan haar lieden zouden be„ deelen en presenteeren en vervolgens aan den Wel Ed: Geb: Heer De Dessave van Ma„ ture van Antwoord daar op doen dienen„ Aldus Gerelateerd Mature den 6 Ju„ nij 1790. /: was geteekend/ met twee handteekeningen /:onderstond:/ voor de Translatie /:was geteekend:/ M: f: Palm geauth: geautz: /:in margine:/ voor de mondelinge ver„ taaling /:geteekend:/ D:S Senerat geswd„ Sekr: Tolk /:onderstond:/ Akkordeert /:gete„ „kend:/: M: f: Polm geauth: Akkordeert Corns. Johanns I de gezee klerk Nagezene Maas

NL-HaNA_1.04.02_3883_0767 view scan ↗

English

485 Account of the Mohandiram of the Belligamkorle Abesiriewaardene Goeneratne The aforesaid Mohandiram reports that there was handed to him by the Honorable and Stern Gentlemen Commissioners Diederik Thomas Fretz and Abraham Samlant and the Honorable and Ruling Lord Dissave of Mature, last Saturday the 5th of this month, a sannas sent hither by the Honorable, Highly Respected and Widely Ruling Lord Governor of Ceylon, with orders that he, the Mohandiram, must publish the same in the Belligamkorle to the people assembled there. That he, the Mohandiram, having departed therewith yesterday, arriving at Paletoewe, found at a maduwa there, in front of which on either side a pike was planted, about 80 individuals of the assembly, and understood that the same mostly consisted of the inhabitants of the aforementioned village Paletoewe, Attoedawe and Baddoele, who asked him, the Mohandiram, where he wished to go; that he, the Mohandiram, thereupon read the sannas itself aloud, and subsequently told them that he, the Mohandiram, had been ordered by the aforementioned Honorable, Stern and Ruling Lords to present this sannas in his pattuwa to the entire assembly. That they thereupon said to him, the Mohandiram, that he must remain there, and was not allowed to go any further before they had received orders from those assembled of the Belligamkorle, of the Gangaboda Pattuwa, and of the Four Gravets, to which they would immediately send people to make known to them that he, the Mohandiram, had arrived at Paletoewe, at the boundary of the Belligamkorle, with a sannas from the Right Honorable Lord Governor of Ceylon; that he, the Mohandiram, unable to resist this restless crowd, had remained there; that yesterday afternoon around 5 o'clock the Liyana Arachchi of Paletoewe, accompanied by five other persons, returned and made known to him, the Mohandiram, on behalf of those assembled of the Belligamkorle, Gangaboda Pattuwa, and the Four Gravets, and especially 1486 to the people gathered at Paletoewe, that he, the Liyana Arachchi, had orders from the aforesaid assemblies to order the gathering or assembly at Paletoewe in their name that they should not permit any of the headmen, whoever they might be, to go to their korles and pattus under whatever pretext it might be, as they would by no means permit this; that the assembly at Paletoewe, whenever any of the headmen should come there, such as the Mohandiram of the Belligamkorle who was at Paletoewe and desired to go to their korles or pattus, must prevent this, and that whenever any resistance whatsoever was offered to them or if they were ill-treated, they must let the general gathered assembly know of it with the utmost speed. That he, the Mohandiram, having understood from the aforesaid account that the assembled inhabitants of the Belligamkorle were gathered at Kadewe, sent a servant of his thither to the minor headmen of the Belligamkorle who were there, with an ola letter in which he, the Mohandiram, mentioned that he had arrived at Paletoewe, sent with a sannas from the Right Honorable Lord Governor, in order to publish the same to them, but that the assembly at Paletoewe would not allow him to proceed further, of which he hereby gave them notice; to which he, the Mohandiram, received an ola letter in reply, and presented the same this morning to the aforementioned Honorable, Stern and Ruling Lords. Thus related today, the 7th of June 1794. Signed: D: J Goeneratne. Below stood: For the translation, signed: M: J: Palm, authorized. In the margin: For the oral translation, signed: D: S: Generat, sworn second interpreter. Below stood: Agrees, signed: M: J Palm, authorized. Agrees. Examined. Sworn Clerk, Corns: Johann:s Fdé MMaas 1487 Translation of a Sinhalese ola letter from the rebels addressed to the Mohandiram and head of the Belligamkorle, Abesiriwardene Goeneratne. After previous compliments, it reads as follows: Having duly received the highly esteemed ola letter sent to us by Your Honor, and having read the contents thereof with much respect, we reply thereto that the many injustices and other matters that have befallen us over the course of several years up to the present, which we can in no way endure, can by no means be set right by your arrival. Therefore, in the trust that by making all these injustices known to the lord judges we might obtain some justice, we have all come together; but up to now no justice has been done to us in that regard, and since we cannot rely on any justice being done regarding the injustice still being done to us, we find it completely unnecessary to come to your place. However, when we shall have received the highly esteemed sannas sent by our Honorable, Stern, and Highly Respected Lord Governor, and shall have been informed of its highly esteemed contents, we shall stand ready to serve the necessary answer thereto. These matters being so, with humble prayer that if any errors have been committed therein, they may be forgiven for God's sake, this ola has been written and dispatched to bring this to your notice, in the year 1790, on the 7th of June, by the assembled minor headmen and inhabitants of the Belligamkorle. At the head of the ola was signed with four signatures and characters. Below stood: For the translation, Mature, the 7th of June 1790. Signed: J m Walter, sworn clerk. In the margin: For the translation, signed: D' Theodorus, sworn interpreter. Below stood: Agrees. Signed: M: J: Palm, authorized. Agrees. Corn: Johannes Fdé, sworn clerk. Examined. Maas

Dutch transcription

485 Relaes van den Modliaer van de Belligamkorle abesiriewaardene Goeneratne De Modliaer voornoemd relateerd dat aan hem door de Wel Edele Gestrenge Heeren kommissarissen Diederik Thomas Fretz en Abraham Samlant en den Wel Edelen Gebiedenden Heer Dessave van Mature voorleeden Zaturdag Den 5. deeser maand was ter hand gesteld een door den Wel Edelen Groot„ achtbaaren en wijdgebiedenden Heer Gouverneur van Ceilon herwaards gezonden sannas, met last dat hij Modliaar dezelve in de Belli„ gam korle aan de aldaar t zaamen gerotten gemeente moest pupliceeren. Dat hij modliaar gisteren daarmeede vertrok„ ken zijnde, te Paletoewe koomende, bij een Mandoe aldaar voor welke aan weeder zij„ den een piek geplant stonden omtrent 80 kop„ pen der 'tzaamenrottinge gevonden, en ver„ staan heeft, dat de zelve meest bestonden uijt de inwoonders van gedagte dorp Pale„ toewe, attoedawe en Baddoele, dewelke aan hem Modliaar gevraagd hebben, waar hij na toe wilde; dat hij Modliaar daar op de Sannas zelve overluid voorgeleesen heeft vervolgens vervolgens teegens hun gezegd e hadt, dat hij modliaar door de bovengemelde Wel Edele Gestrenge en Gebiedenden Heeren gelast was geworden; deeze sannas in zijn pattoe aan de gantsche verzaamelinge voor te houden Dat zij daar op tegens hem Modliaar gezeg hebben, dat hij daar moeste blijven, en niet verder mogte gaan; voor en al eer zijlieden order van de zaamen gerottene van de Belli„ „gam korle van de Gangebaddepattoe en van de vier Baijgams hadden gekreegen daar zij ten eersten volk zouden na toe zenden, om hun bekend te maaken dat hij Modliaar te Paletoewe aan de limiet van de Belligam korle met een sannas van den Hoog Edelen Heer Gouverneur van Ceilon gekoomen was, dat hij Modliaar zig teegens deeze onrustige hoop niet konnende verzetten, aldaar gebleeven was, dat gistern na middag teegens 5 uuren de Lienue atjele van Paletoewe verzeld van vijf andere Perzoonen te rug gekoomen, aan hem Modliaar van wegens de tzaamen gerotten van de Belligamkorle, Gangebadde„ pattoe en de vier Baijgams; voor naamentlij aan 1486 aan de te Paletoewa vergaderte gemeenten, be kent gemaakt heeft gehad, dat hij lienne aetjele van de voorsz: zaamen rottingen order had, om aan de zaamen gerotte of vergadering te Paletoewe uijt hunne naam te gelasten, dat zij niemand der hoofden, wie dezelve ook mogte zijn zouden permitteeren, naar hunne korles en Pattoes te gaan, onder wat pretext zulx ook zouden mogen weezen; Alzoo zij zulx in geenen deelen verstonden: dat de ver„ zaamelinge van Paletoewe, wanneer jemand der hoogden daar mogte koomen, gelijk de Modliaar van de Belligamkorle die te Paeletoewe was en begeerden naar hunne kor„ „les of Pattoes te gaan, zulks moesten beletten, en dat wanneer hun eenige teegen„ „stand hoegenaamd mogten gebooden of kwa„ „lijk bejeegend worden zij ten allerspoedigstee daar van, aan de afgemeene zaamen verga„ „derde gemeenten moesten laaten weeten. Dat hij Modliaar verstaan hebbende, uijt het voorsz verhaal, dat de tzaamen gerotte ingezeeten ingezeeten van de Belligamkorl, te kadde „we vergaderd waaren met een Dienaar van hem daarna toe, aan de aldaar zijnde minder „hoofden van de Belligamkorl gezonden heeft gehad een brief ola waar bij hij modt=r verm: heeft gehad, dat hij met een sannas van den Hoog Edele Heer Gouverneur ge„ zonden te Paletoewe gekoomen was, om dezelve bij hun te pupliceeren, dog dat de vergaderinge te Paletoewe hem niet verder wilde laaten gaan, waar van hij hun bij dee„ „zen kennis gaf, op welken hij Modliaar een brief ola in Antwoord ontvangen, en dezel „ve heeden morgen aan welgem: wel Edele Gestr en Gebiedende Heeren gepresenteerd heeft gehad Aldus gerelateerd Heeden den 7e. Junij 1794 /:was geteekend:/ D: J Goeneratrie /:onderstond:) voor de translatie /:geteekend:/ M: J„r Palm geauthi /: in margine:/ voor de mondelinge ver„ „taeling /:geteekend /: D: S: Generat gesw sek: tolk /:onderstond:/ Akkordeert /:getekend:/ M: J Palm geauth: Akkordeert Nagezien gezee klerk Corns: Johann:s Fdé MMaas 1487 Translaat singaleesch brief ola van de opvoerigen gerecht aan den Modliaar en hoofd van de Belligam korl Abe„ siri wardene Goeneratne. Na voorgaande komplimenten Luijde aldus De door uw E aan ons toegezondene veel g'eerde brief ola behoorlijk ontvangen en den Jnhoud der zelver met veel Eerbied geleesen hebbende dienen daar op, dat de zeedert ette„ „lijke Jaaren herwaards ons overgekoomene veele onregtigheeden als anderzints dien wij geen zints kunnen ondergaan, met uw komste gantsch niet kan te regt gebragt worden, Dus wij in vertrouwen dat alle die onregtvaardigheeden aan de heeren regters te kennen geevende eenig regt zullen kunnen erlangen, zijn wij alle te zaamen gekoo„ „man, dog tot als nog ons daaromtrend geen regt is weedervaaren, en vermits wij het nog aan ons gedaan wordende onregt, eenig regt zullen geschieden geen staat maaken kunnen vinden wij gants niet nodig nodig om tot uivent te koomen. Edog zullen wij wanneer de door onzen Wel Edelen gestr: groot Achtbaaren Heer Gouverneur toegezon „dene hoog geerde Jannas zullen ontvangen hebben en van dies veel g'eerde inhoud zullen onderrigt weesen om daar op de nodige and„ „woord te dienen klaar staan, Dusdanig deeze zaaken, met ootmoedige beede fouten dat bij aldien daarinne „ mogten parten be„ „gaan hebben om Gods wille „ te willen vergee„ ven, ter kennisse te brengen is deeze ola geschreeven en afgezonden in het Jaar 1790. den 7 Junij door de 't zaamen gerotte min„ „der hoofden en gemeenten van de belligamte aan het hoofd der ola /:was geteekend/ met vier handteekeningen en karakters /onder stond/ voor de Translatie Mature den 7 Junij 1790 /was geteekend:/ J m walter g: klerk /in margine/ voor de vertaeling /geteekend:/ D' Theodorus gesw: Tolk /:on„ „derstond:/ Akkordeert: /: was getekend/ M: f: Palm goauth: Akkordeert Corn: JohannesI de gezee keerk N:agezeer Maas

NL-HaNA_1.04.02_3883_0775 view scan ↗

English

1488 Report of Don Dinees Sammevestinge Wiedjesegere Ratnaike Aratje. Who reports that yesterday, having learned that the mutineers were about to arrive in Kappoegamme, he had hidden himself in the woods, and that in the forenoon around eleven o'clock, the gathered crowd, being partly from the Girewaij and collectively from the Wellebadde Pattoe, the Kandebadde Pattoe, together with Bandeweke Araatje, Don Siemon Cavatjen, the Vidaan Aratje of Malaxmaelle, the Vidaan Aratie of Marakadde, Jodekandiffe Aratje, Wehelle Bitmeraal, and Madaegodde Appoe, arrived there in Kappoegamme; that they completely tore down the fence of the pepper garden there and subsequently inspected the house of the declarant in order to demolish it, but that they went away without tearing it down; and whether they took any goods belonging to the declarant from his house is unknown to the declarant, as out of fear he had not yet returned to his dwelling. That he, the declarant, also learned that the office of Ratnaike Aratje was conferred upon one Rannekege Ratnaik by the mutineers. Thus reported at Mature on 8 June 1791. Signed with an illegible signature. Below was written: For the translation, signed: J: M: Walter, Sworn Clerk. In the margin: For the translation, signed: D: C: Dessanaike, Sworn Interpreter. Below: Agrees, M: F: Palm, Authorized. Agrees, Corns. Johanns. Idé, Sworn Clerk. Examined, Maas. 1489 Report of Louis Pieries, overseer of the cinnamon garden in Kappoegamme. Who reports that yesterday forenoon around eleven o'clock he heard drums beating; that he, the declarant, making inquiries about this, learned that Jodekandije Aratje with his troop of mutineers, together with some inhabitants of Talpawille who were recently under arrest here, were about to arrive there; whereupon the declarant immediately hid himself in an adjacent forest; that shortly thereafter the said Jodekandije Aratie with his troop of mutineers, together with the Talpawille Kangaan, his two brothers, and one Kappoegamme Bale Gigenege Bale Appoe, arrived there, and after first inspecting the declarant's dwelling and the goods to be found therein, and tearing down the fence of the cinnamon garden, they chopped down some of the fence posts, searched for the declarant, but not finding him, they left. That Jalpawelle Bale Kankanange Diengie Appoe and Doewe Aloetwattege Wattoewa, both of whom were recently under arrest here, in passing wished to strike one Edrisinge Aatjige Siman, an inhabitant of Kappoegamme, who happened to be in the said cinnamon garden on that occasion, but the said Siman having thereupon taken to flight, the aforementioned two persons pursued him and beat him. That he, the declarant, further learned that the leaders of the mutineers have reinstated the Mahavidaan Mohandiram and his brother the Mahavidaan of D'ondure into their former offices, and likewise that the office of Borwekare Aratie has been conferred upon a Kangaan of that rank, and the office of Ratnaike Aratie upon a certain Ranneke Second Patnaik, and also that they have ordered watch posts to be set up in the limits of D'ondure and Gandure, which they have also agreed to do. Thus reported at Mature on 8 June 1791. Signed with a mark. Below: For the translation, signed: J: M: Walter, Sworn Clerk. In the margin: For the translation, signed: D: C: Dissanaike, Sworn Interpreter. Below: Agrees, signed: M: F: Palm, Authorized. Agrees, Corns: Johanns. Idé, Sworn Clerk. Examined, Maas. 1490 Report of Wiedjewiere Goeneratne, former Mahavidaan Mohandiram of Tangale, Diekwelle, Bambeerende, and Deondure. Who reports that yesterday afternoon around one o'clock, about one thousand persons from the gathering of the Gerewaijpattoe, Kandebaddepattoe, Gangebaddepattoe, the Baijgams, and the coal-producing villages, together with Madoegodde Appoe, Bandeweke Aratje, Jodekandije Aratje, Don Siman Aratje, the Vidaan Aratje of Marakadde, the Vidaan Aratje of Walasmoelle, Wehella Bitmeraal, and some other lesser chiefs whom the declarant did not know, arrived in D'ondure. That Don Simon Aratje asked the declarant and several other inhabitants of Deondure who were present there why the inhabitants of Deondure had not joined the gathering, and whether they would not yet join it, commanding the assembled inhabitants of the seigniory of Deondure that if they were to remain without joining the gathering, they would speak about it upon their subsequent return there, and that in the event they did join, they were immediately to establish the necessary watch posts. That he, the declarant, learned after the departure of the mutineers that they took a bundle of tobacco and the lead attached to a casting net from a fisherman. Furthermore, the declarant declares that the declarant and his brother, the dismissed Mohandiram of D'ondura, were appointed to their former offices by Don Siemon Araatje, but that he, the declarant, and his said brother did not wish to accept the same, yet upon strong insistence from the same, they had declared that they would accept. Thus reported at Mature on 8 June 1791. Signed with a Sinhalese signature. Lower down: For the translation, signed: J: M: Walter, Sworn Clerk. In the margin: For the oral translation, signed: D: C: Dissanaijke, Sworn Interpreter. Below: Agrees, signed: M: F: Palm, Authorized. Agrees, Corns. Johanns. Idé, Sworn Clerk. Examined, Maas.

Dutch transcription

1488 Relaas van Don Dinees Sam„ „mevestinge wiedjesegere Rat „naike aratje Dewelke relateerd, dat hij gisteren vernoomen heeft dat de Muijtelingen te kappoegamme stonden te koomen, zig in het bosch scheul gehouden, had, en dat des voordemiddag om streeks Elf uuren de te zaamen gerotte ge„ „meente zijnde gedeeltelijk van de Girewaijse „ende gezamentlijke van de welle badde pattoe de kandepaddepattoe „ nevens Bandeweke Araatje Don, Siemon Cavatjen, de vidaan aratje van Malaxmaelle de vidaan Aratie van Marakadde Jodekandiffa aratje, Wchel„ „lea Bitmeraal en Madaegodde Appoex al„ daar te kappoegamme aangekoomen zijn, dat zij de Pagger van de Pepertuin aldaar ten eenemaal afgebrooken en vervolgens het huijs van den Relatant bezigtigd, om het zelve om vertehaalen dog dat ze zon„ der het zelve aftebreeken zijn weggegaan, en of zij eenige Goederen van den Relatant uijt zijn huijs hebben weggenommen, is den Relatant onbekend alzo hij zich uit vreeze zig als nog niet na zijn wooning begeeven had. „heeft Dat hij relatant ook vernoomen, heeft, dat de bediening van Ratnaike aratje aan eenen Rannekege Rannekege Ratnaik door de Muijtelingen was vergeeven. Aldus gerelateerd Mature den 8 Junij 1791 /:was geteekend:/ met een onleesbaare handtee„ „kening /:onderstond:/ voor de Translatie /ge„ teekend:/ J: M: Walter Gezw: klerk /:in„ „margine:/ voor de vertaaling /geteekend/ D: C: Dessanaike geszw: Tolk. /:onderstond:/: Ak Koo „deert:/ M: f: Palm geauth„ Akkordeert Corns. Johanns: Idé gezee klerk Nagezeer Maal 1489 Relaas van Louis Pieries opzigter van de kanneetuin te kappoegamme Dewelke relateerd dat hij gistern voordemiddag omstreeks elf uuren tamblijntjes heeft hooren slaan dat hij relatant derweegens vernee„ „mende, verstaan had, Dat Jodekandije arat„ je met zijn troup Muijtelingen neevens eenige Jnwoonder In van Talpawille, die onlangs alhier in arrest waaren, aldaar stonden te koomen, waar op den Relatant zig ten eersten in een naast geleegen bosch verborgen heeft gehad dat kort daar op gemelde Jodekandije aratie met zijn troup Muijtelingen nevens Jalpa„ „wille kangaan zijne twee broeders en eenen kappoegamme bale gigenege bale appoe aldaar waaren aangekoomen, en na alvoorens des Ralatants in wooning en de daar in te vindene Goederen bezigtigd en de pagger van de kaneeltuin afgebrooken eenige van de paggerstokken weggekapt hebben, na de Relatant gezogt, dog hem niet vindende zijn ze weggegaan. Dat Jalpawelle Bale kanka „nange Diengie appoe en Doewe aloetwatte„ „alhier „ge wattoewa zeinde bij de alhier onlangs „ in arrest geweest in het voor bij gaan Eenen Edvisinge 8. Edrisinge aatjige Siman Jnwooner van kap„ poegamme die zig bij die Geleegenheid in gem kanneel tuijn bevond hadden willen slaan dog hij Siman Daarop zich aan het loopen gezet hebbende, zijn voorm: twee per„ zoonen hem nagejaagd en hebben hem geslaagen Dat hij relatant nog vernoomen heeft dat de „den hoofden van de Muijtelingen „ Mahavidaan Mohandiram en zijn broeder den Mahawiadaan van D'ondure in hunne voorige diensten her„ steld hebben, gelijk ook dat de Dienst van Borwekare aratie aan eenen Aangaan van dat Randje en de Dienst van Ratnaike aratie aan eenen Ranneke tweede Patnaik vergeeven is geworden, zomeede dat ze aanbi voolen hebben, om in de Lementen van de ondure en Gandure wagt post te stellen, het welk zij ook aangenoomen hebben om zulks te zullen doen. Aldus Gerelateerd Mature den 8 Junij 173 /:was geteekend:/ met een karateter /onderst voor de Translatie /geteekend:/ J M: Walter g: klerk /:in margine:/ voor de vertaaling /:geteekend:/ D C: Dissanaike gesw: Tolk. /:o derstond:/ Akkordeert /:getekend:/ M: f: Polm gear Akkordeert Corns: Johanns Jae gekaklert Nagezien Maas 1490 Relaas van Wiedjewiere Goe„ „neratne Gew: Mahavidaan Mohandiram van Tangale Diekwelle, Bambeerende en Deondure dewelke. Relateeren dat gisteren Middag omstreeks een uur omtrent duijzend koppen van de te zaamen „rottinge van de Gerewaijpattoe, kandebadde„ „pattoe, Gange baddepattoe, de Baijgams ende koolgeevende dorpen, neevens Madoegodde Appoe Bandeweke aratje, Jodekandije aratje, Don Siman aratje, De vidaan Arat„ je van Marakadde, de vidaan Aratje van Walasmoelle, wehella Bitmeraal, en nog eenige andere mindere hoofden toen den re„ „latant niet kenden te D'ondune aangekoo„ „men zijn Dat don simon aratje den relatant en meer andere inwoonders van Deondure die aldaar present waaren gevraagd had, waarom dat de ingezetenen van Deondure hen niet tot de te zaamen rottinge gevoegd hebben of ze nog daartoe niet treeden zul„ „len, gelastende aan de gezaamentlijke in„ „gezeetenen van de Heerlijkheid van De on„ „dure dat wanneer zij zonder hun tot de te„ „zaamenrottinge te voegen, mogten blijven, „daar zij bij hunne nadere komste aldaar „ over spree„ „ken voorts verklaard den relatant dat de relatai en zijn broeder den afgezette mohandiram van D'ondura door Don Siemon araatje in hunne voorige bedieningen aangesteld zijn geworden, dog dat hij relatand en gem: zijn broeder dezelve niet hebben willen aksepteeren dog op de sterke aandrong van den zelven betuijgd hadden van te zullen akcepteeren. Aldus gerelateerd. Mature den 3 Junij 1 /:was geteekend met een singalees hand teek „ning laager voor de translatie /:geteekend/ J: M: Walter gesw: klerk /: in margine voor de mondelings vertaeling geteekend:/ D: C: Dissanaijke gesw: Tolk. /:onderstond: Akkordeert /:getekend:/ M: f: Palm gea Akkordeert Corns. Johanns Podé ken zullen en bij aldien daar toegetreeden zij zij ten eersten de nodige wagtposten moeste steld Dat hij relatant na het vertrek van de Muij „lingen heeft vernoomen dat zij een bosch tabak en het loot dat aan een werp niet was van een visser hebben weggenoomen. gezee klerk Nagezien Maas

NL-HaNA_1.04.02_3883_0787 view scan ↗

English

1491 Report of Ederisinge aatjege sieman, inhabitant of Kappoegamme, who reports that yesterday he had learned that the rioting populace, being partly from the Wellebaddepattoe, kandebaddepattoe, Girrewaijpattoe, and the Belligamkorle, had come to Dondure. And while the reporter was in the cinnamon garden at kappoegamme, where he had gone to wash, he heard small drums being beaten, and shortly thereafter the aforementioned rioting band passed by to go to Bamberende. That among them Talpawille bale kankanange Diengie appoe and Doewe Wattege Wattoewe, together with some of the family of Talpawille kangaan who were recently under arrest here, had wanted to beat him, the reporter. That he, the reporter, having thereupon taken to running, the aforementioned two persons chasing after him, one of them dealt him a blow with the fist, but that he, the reporter, had escaped by running, though the said people had said aloud that if they should catch him, the reporter, they would hack him to pieces and fragments and sacrifice his house to the fire. Thus reported at Mature the 8th of June 1790. was signed with a character, lower down for the translation signed J M: Walter sworn clerk, in the margin for the oral translation D C: D S Dissanaijke, underneath stood Agrees signed M: f Palm sworn clerk, Agrees Corns. Johannes de Maas Examined 1492. Report of kosgoddege Siman ridaan of Hietetie and Goddegamme, who reports that the Modliaar Ilangakoon, having summoned him, had said to him that the Right Honorable Lord Commissioner Fretz had instructed him there to send someone whom he, the Modliaar, judged most capable, to the Belligamkorle, in order to ascertain precisely there what the actual reasons were that the inhabitants there were rioting so restlessly together and could not be brought to peaceful thoughts, so that they would return again to their dwellings, wives, and children, seeing that Their Right Honorable worships as commissioners had done and performed everything that Their Honors were able to do and bring about to the best of their ability, with the assurances that whatever might still be lacking therein would be done and ordered by the Right Honorable, Great, and Venerable Lord Governor and Director of this Island, to the end that they should have no complaints or grievances, at least such as were ever reasonable; and concerning which matters Their Right Honorable worships had dispatched the mandate ola to the populace assembled on all sides. That the Modliaar Ilangakoon subsequently instructed him, the reporter, to inquire into everything very precisely, and to ascertain the actual causes and motives of the continuous rioting. That he, the reporter, in compliance with these orders, set out on his journey on that day and, arriving at Hoeloettegodde, found a stationed lascoryn guard post six heads strong, who had the reporter escorted by one of them to Akkoeroegodde, where he found twenty-four lascoryns posted, along with the Kangaan named Iserege. That this man asked him, the reporter, where he wanted to go; he made known to the same that he had been sent by the Modliaar Ilangakoon with 1493 with a message to the assembled populace of the Belligam korle. That the said kangaan thereupon said to him, the reporter, that he had to remain there and was not permitted to go any further; that he in the meantime would send a message to the assembled populace there and make it known that someone sent by the Modliaar Ilangakoon had arrived, who had brought a message for them, and ask whether they desired that he should let the said bearer of the message pass. That he, the reporter, therefore had to wait a whole day at akkoeroegodde, and the next day, under an escort of sixteen heads, some of whom were armed with drawn sabers and others with flintlocks, was escorted to the village of Malpelle in the Belligamkorle, where he, the reporter, saw an estimated number of eight hundred common people, along with kaddoe Denepittase arraatse, the viddaan arraatse Korte aratie of Marembe, the vidaan aratie of Malidoewe, the vidaan aratie of oerdewittije, the vidaan of Henegamme and kiandoewe, the vidaan Pattirannahe of Elgirije, koeroeppoe aratie of Malimotte, the vidaan of Malimotte, the vidaan kangaan of Akkoeroegodde, Jamboeregodde kangaan, and some other minor headmen whom he, the reporter, did not know. That the aforesaid minor headmen thereupon asked him, the reporter, about the reason for his coming and what message he, the reporter, had brought for them. That he, the reporter, thereupon explained that the Modliaar Ilangakoon had sent him, the reporter, to their people to beg them that they would indeed make known to him what reasons or difficulties were still moving them to riot together in such a manner and to live restlessly, seeing that upon the grievances and complaints submitted by the assembled populace at Hakman on the occasion when the Right Honorable Lords Commissioners Fretz and Samlant had appeared there, which they had submitted by an ola and which had been translated at Mature, everything had been done that was in Their Honors' power to satisfy them, under the assurance that everything would be contributed in order to settle the remaining outstanding points in every

Dutch transcription

1491 Relaas van Ederisinge aatjege sieman, inwooner van Kappoegamme De welke relateerd, dat hij gistern vernoomen had dat de te zaamen gerotte gemeente zijnde gedeel„ „telijk van de Wellebaddepattoe, kande„ baddepattoe, Girre waijpattoe en de Bel„ „ligamkorle te Dondure gekoomen waaren en terwijl den relatant in de kaneel tuin te kappoegamme, alwaar hij na toegegaan was om te wassen, zich bevond, tamblijnt„ jes heeft hooren slaan, en dat kort daarop bovengem: 'tzaamen gerotte troup voorbij ge„ „passeerd was om na Bamberende te gaan, dat daar onder Talpawille bale kan ka„ „nange Diengie appoe en Doewe Wattege Wattoewe nevens eenige van de familie van Talpawille kangaan die onlangs al„ hier in arrest waaren hem relatant had„ „den willen slaan dat hij relatant daar op zig aan het loopen begeeven hebbende bovengemeld: twee perzoonen hem na jagende eene eene daar van hem een vuijstslag heeft toe „gebragt, dog dat hij relatant zig door het loopen was ontsnapt, gerackt dog dat ged: lieden overluijd gezegd hadden, dat wanneer zij hem relatant mogten atrappeeren aan stukken en brokken zouden hakken en zijn huijs ten vuur offeren. Aldus gerelateerd Mature den 8 Junij 1790. /:was geteekend:/ met een karakster /lager voor de translatie /geteekend:/ J M: Walter gezw: klerk /in margine:/ voor der mondelin ge vertaaling :/ D C: D S Dissanaijke /:on„ „derstond:/ Akkordeert /:getekend:/ M: f Palm „geuath: gezue klerk Akkordeert. Corns. Johannes de Maas Nagezien 1492. Relaas van kosgoddege Siman ridaan van Hiete¬ tie en Goddegamme dewelke relateerd dat de Modliaar Plangazoon hem hebbende doen ontbieden tegens hem gezegd had, dat de wel Edele Gestrenge Heer kommissaris Fretz, hemaldaar belast heeft gehad, om iemand, die zij Moaliaar bekwaamst oordeel„ „de, naar de Belligamkorle te zenden, om al„ daar exakt op te neemen, welke dog de eij„ „gentlijke reedenen waaren, dat de in woo„ „ners aldaar zoo onrustig 't zaamen rotterden„ en tot geene weedige Gedagten te brengen waa„ „ren, zoo dat zij weeder naar hunne woonin„ „gen vrouwen en kinderen keerden, daar Hun wel Edele Gestrengens als kommissa„ rissen alles gedaan en verrigt hadden, wat hun Edelens naar best vermoogen hebben konnen doen en te weege brengen, met die verzeekeringen, wat alles daar aan nog mogte koomen te ontbreeken, door den Hoog Edelen Groot Achtbaaren Heer Gouver„ „neur en Direkteur dezes Eijlands, zou gedaan en en verordineerd worden, ten Einde zij geene klagten of beswaaren, ten minsten die immer billijk waaren, zouden te doen heb„ „ben: en omtrend welke zaaken, hun Wel Ed: Gestrengen de mandaat ola aan de aan allen zijden 'tzaamen gerotte gemeen „ten afgevaardigd hadden. Dat de Modliaan Hangakoon kam relatant vervolgens ge„ „last heeft, om alles zeer nauwkeurig te willen informeeren, en de eijgentlijke oorzaaken en moteven der aanhoudende tzaamen rottinge opneemen. Dat hij relatant in voldoeninge aan deeze orders zich op dien Dag op Reis begeeven heeft en te Hoeloette godde komende gevonden heeft gehad een uitgezette laskorijns wagt Post sterk ses koppen die door eene uit haar den Relatant hebben doen konvoi„ „eeren tot Akkoeroe godde, alwaar hij vier en twintig laskorijns geposteerd heeft gewon„ „den nevens den Kangaan Iserege genaam dat deeze aan hem nelatant gevraagd heeft gehadt waar hij na toe wilde: hij dezelve te kennen had gegeeven, dat, hij door den Modliaar Jlangatsoon uijtgezonden wa met 1493 met een boodschap aan de tzaamen gerotte ge„e„ „meenten van de Belligam korle dat gemelde kangaan daar op teegens hem relatant gezegd hadt, dat hij aldaar moest verblijven, en niet verder vermogte te gaan: dat hij een boodschap in middels naar de zaamen ge„ rotte gemeenten aldaar zoude zenden, en doen bekend maaken, dat daar iemand van den Modliaar Jlankoon gezonden, aan„ „gekoomen is, die een boodschap voor haar Lieden had meede gebragt, en vraagen, of zij begeerden, dat hij gem: boodschap brenger zoude laaten passeeren, dat hij relatant dieshalven een gantsche dag te akkoeroe„ „godde heeft moeten toeven, en 's anderen daags onder es korte van sestien koppen, waar van zommige met uitgetooge sabels en andere met snaphaans gewaapend waaren, was gekonvoijeerd geworden naar het Dorp Mal„ „pelle in de Belligamkorle, daar hij relatant gezien heeft, na gissing een Getal van agt kopen gemeenen, nevens kaddoe„ honderd „Denepittase arraatse de viddaan apraat kanne Korte aratie van Marembe de ved aan„ aratie van Malidoewe de vidaan aratie van oerdewittije, de vidaan van Henegamme en kiandoewe, de vidaan Pattirannahe van #hij order heeft en ns een v vier on van Elgirije, koeroeppoe aratie van mali„ „van Malimotte de ridaan kanga „motte, de vidaan „an van Akkoe„ roegodde, Jamboeregodde kangaan en eeni„ „ge andere mindere hoofden die hij relatan niet kende, Dat de voor zeide minder„ „hoofden, daar op hem relatant gevraagd hebben na de Reeden van zijn komste en welke boodschap hij relatant voor hun mee„ „de gebragt hadt dat hij relatant daar op geexpliceerd heeft dat de Modliaar Jlan„ „gakoon hem relatant bij haar lieden gezon„ den heeft gehad, om hun te bidden, dat zij hem dog zouden doen weeten, welke reedenen of zwaarigheeden hen nog moveerden, zoo„ „daanig 't zaamen te rotten, en onrustig te leeven, daar dog op de door de verzaamel„ „de Gemeenten te stakman, bij geleegendheid de wel Edele Gestrenge Heeren Kommissaris„ „sen Fretz en Samlant, haar daar hebben laaten vinden, ingediende bezwaaren en klagten, die zij bij een ola opgegeeven hadden en te Mature getranslateerd zijnde, alles wat in hun Edelens vermoogen was om hun te kontenteeren, gedaan hadden; onder ver„ „zeekeringe van alles te zullen toe brengen ten eijnde de overige onafgedaane pointeten aller„

NL-HaNA_1.04.02_3883_0795 view scan ↗

English

1494 such an ola has not been received. 13: most favorably regulated and agreed upon by the Right Honorable ruler the Lord Governor, whereof their Honorable Rigors had already been pleased to make known to them extensively by a mandate ola sent to them: that he, relator, subsequently prayed and beseeched them to please share with him, either verbally or in writing, the reasons that moved them thereto. That the conspirators had thereupon given him for answer, that they could perceive from the turn of his whole message that the Modliaar Jlangate sought to lead them up the garden path and to delay them, and had, as it seemed, sent him out solely to spy upon them and to stall them with idle words. That they, who as yet had brought no complaints against their Dessave and Chiefs, as the peoples of other korles and pattoes had [illegible]: having merely submitted thirty-two well-founded articles concerning themselves, whereof not a single one had yet been properly satisfied; and that if they received no satisfaction concerning this shortly, they, without allowing themselves to be delayed any longer, would send all their complaints, properly sealed, to the Honorable Honorable and Worshipful Lord Commander at Gale, with the request that the same may first be unsealed and read there in the full Council, and if they then received no swift and good justice thereon, they, who had already sent many of their wives and children up to the limits of the King's Land, would come here within the four Gravets and destroy all the dwellings and possessions of the Sinhalese to the ground, and sacrifice them to the fire, and procure satisfaction for themselves, and that they would subsequently curse and abandon a place from which they had to take flight on account of injustices. That the lesser chiefs finally added thereto that he, relator, could tell the modliaar Pangakoon that they, concerning the message sent to them, two days after they had spoken with the rest of the assembled communities of the remaining korlles and pattoes, would answer him in writing in order to deliver the same to the Right Honorable and Rigorous Lords Commissioners and Dessave of Mature, upon which, if they received no immediate satisfaction, they would go to Gale with their complaints. Thus related today, the 7th of June 1740 /: was signed 1495 signed:/ with a character /:beneath was written:/ for the translation /:was signed:/ M f Palm authorized /:in margin:/ for the verbal translation. /:signed/ D: S: Generat sworn secretary Interpreter: /:beneath was written:/ Agrees /:signed:/ M: f: Palm authorized. Agrees Corns Johann:s Idé sworn clerk Noge Zeere Maas No. 15 1496 secret Kolombo To the Right Honorable, Rigorous, and Highly Esteemed Lord Willem Jacob van de Graaff Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its Dependencies, together with the Council. Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed, High-Ruling Lord! We trust that our general letter of yesterday will be delivered to Your Right Honorable, Rigorous, and Highly Esteemed Lordship in due time, and have now the honor to present herewith to Your Right Honorable, Rigorous, and Highly Esteemed Lordship a translation of a Sinhalese letter ola written to us by the gathering, which is provided with some Dutch, Malabar, and Sinhalese signatures, and was brought by ordinary post Lascarin. Wherein they say, among other things, that we had done them justice only a little, and indeed on four articles, namely regarding the collection of Cinnamon, adukus, pehendus, areca, and concerning the linens of the Etbandenes, but not on other matters; and that they therefore think that no justice will be done to them, for the reason that we had thought fit that they should make their complaints and expect justice thereon while remaining under the obedience of the Lord Dessave of 1497 of Mature, and thus, according to their requests made, His Honor would not be sent elsewhere. While furthermore their dissatisfaction also appears regarding the treatment of the four Chiefs whom we have sent to Gale. Furthermore, there was in that ola another scrap of ola, upon which it was written that they had learned that we had been given to understand that they had hindered the cinnamon peelers from going to peel, but that they had not done so, nor would they do so; and that they had already sent us a letter ola concerning this: which ola, however, we have not received. The aforementioned original ola we have the honor to enclose herewith, as it is not translated clearly enough, and it appears as if the signatures Don Bastiaan and Ioeanis were made by one person, and also the two Malabar signatures by one person. person. We, and the Lord Dessave van Angelbeek, doubt whether that ola indeed comes from that gathering, and for that reason we have also written an ola to the gathering, whereby we have notified them that we had received an ola in their names, wherein it was said among other things that we had done justice only on four articles, and not on the others; and since we had indeed answered and done justice on many more articles by mandate of the 28th of May, we had, for that reason, and because the ola was brought to us by ordinary post Lascarin, and not by someone on their behalf upon whom we could rely, and also because the signatures appeared suspicious to us, to presume that that ola was not from them.

Dutch transcription

1494 zoo een ola is niet ontvangen. 13: aller goedgunstigst door den Hoog Edelen gebie„ „den den Heer Gouverneur wierden gereegeld en geakkordeerd, waar van hun Edele gestrenge haarlieden bereeds bij eene haarlieden toege„ „zonden Mandaat ola omslagtig hadden ge„ „lieven bekent te maaken: dat hij relatant vervolgens haarlieden gebeeden en gesmeekt heeft gehadt, om hem dog de reedenen die hun daar toe moveerden het zij bij monde of in Geschrift te willen meede deelen. Dat de 'tzaamen gerootlen daarop hem ten Ant„ „woord gegeeven hadden, dat zij uit den draaij van zijn gantsche boodschap konden merken, dat de Modliaar Jlangate om hun om den tuijn zogte te leijden, en op te houden, en hem alleen zo het scheen uitgezonden heeft gehad, om hun te bespieden, en met ijdele woorden op te hou„ „den. Dat zij die als nog geene klagten teegens hunne Dessave en Hoofden ingebragt hebben gehad, gelijk de volkeren van andere korles en onnen pattoes „beg hadden: enkeld twee en der„ „gegronde. tig „ Artikels, haar betreffende hebben inge„ „hebben diend „ gehad, en waar van nog geen een naar behooren voldaan was geworden; en dat zoo zij binnen korten daar omtrend geene vol„ „doeninge kreegen, zij zonder haar langer te laaten ophouden, haar gantsche klagten behoorlijk verzeegeld naar Gale aan den Edelen Edelen agtbaaren Heer kommandeur zouden zenden, met verzoek dat dezelve eerst in den vollen Raad aldaar mooge ontzeegeld ende geleezen worden, en zoo zij dan daarop„ geen kort en goed regt kreegen, zij, dewelke bereeds veele hunne vrouwen en kinderen, tot bij de limiten van 's konings Land gezonden hadden alhier binnen de vier Gravelten zou„ „den koomen en alle der singaleezen wooningen en besittingen tot den Grond vernielen, en aan het vuur opofferen, en hun zelfs voldoeninge verschappen, en dat zij vervolgens eene plaats zouden vervloeken en verlaaten waar uijt zij om der ongeregtigheeden wille de vlugt hebben moeten neemen. Dat de mindere hoofden ein„ „delijk daarbij gevoegd hebben, dat hij relatant aan den modliaar Pangakoon konde zeggen, dat zij, betreffende de hun togezonden boodschap na twee Daagen na dat zij met de overigen der vergaderde gemeenten van de overige korlles en pattoes zoude gesprooken hebben, hem in ge„ „schrift zoude antwoorden om de zelve aan de wel Edele Gestrenge Heeren kommissarissen en Dessave van Mature overtegeven op welk zoo zij ten eersten geene voldoeninge kreegen„ zij met hunne klagten na Gale zouden gaan Aldus Gerelateerd heeden den 7:' Junij 1740 /: was geteekent 1495 geteekent:/ met een karakter /:onderstond:/ voor de translatie /:was geteekend:/ M f Palm geautt= /:in margine, / voor de mondelinge vertaaling. /:geteekent/ D: S: Generat gesw: sekr: Tolk: /:onderstond:/ Akkordeert /:getekend:/ M: f: Palm geauth: Akkordeert Corns Johiann:s Idé gezue klerk Noge Zeere Maas No. 15 1496 secret Kolombo Aan den wel Edelen Gestrengen Groot Agtbaaren Heer Willem Jacob van de Graaff Raad ordinairen van Neederlands, Indie Gouverneur en Directeur van 't Eijland Ceijlan met dies Onderhoorigheeden nevens den Raad. Wel Edele Gestrenge Groot Agtbare Hoog Gebiedende Heer! wij vertrouwen dat onzen gemeenen brief van gisteren, aan uwEdele Gestrenge Groot agtbaare op zijn tijd wel zal besteld. besteld worden, en hebben thans de Eere uw Edele Gestrenge Groot Agtbaare hiernevens aan te bieden een Translaat Zingaleesche brief ola door de tezamen rotting aan ons geschreeven, die met eenige Neederdúitsche, Mallabaarsche; en Zingaleese stand teekeeningen verzien, en per ordinaire post Laskarijn aange„ „bragt is. waar bij zij onder anderen zeggen, dat we hun maar een wijnig en wel op vier articuls, regt gedaan hadden, naamentlijk weegens den af¬ „haal van Kanneel, adoekoes Pijhendoes arreek, en nopens de Lijnwaaten van de Etbandenes, dog niet op andere zaaken. en dat zij dus denken, dat hun geen regt gedaan zal worden, om reeden wij hadde goed gevonden dat zij hunne klagten, zoo „den doen, en daarop Regt verwagten, onder het blijven onder de Ge„ hoorzaamheid van den Heer Dessare van 1497 van Mature. en dus zouden zijn Edele volgens hun gedaane verzoeken, na elders en te senden. Terwijl ook verders hunne te onvreedenheid blijkt oover de behandeling der vier Hoofden, die we na Gale hebben gezonden. Voorts was in die Ola, nog een snippertje olo, waarop geschreeven stond, dat zij hadden vernomen, dat ons was te kennen gegeeven als dat zij de Kanneel schillers belet hadden om te gaan schillen, dog dat zij zulks niet hadde gedaan nog ook niet doen zouden; en dat zij ons hieroover reeds een brief Ola toegesonden hadden: welke Ola wij egter niet hebben ontvangen. De voorschreeve origineele Ola hebben wij de Eere hier bij te voegen, wijl hij niet duijdelijk genoeg getranslateerd is, en het scheijnt, als of de Handteeke¬ „ningen Don Bastiaan en Ioeanis i„ door een Perzoon, en ook de twee Mal„ „labaarse Handteekeningen door een Perzoon Persoon gesteld zijn. Wij, en den Heer Dessaare van Angelbeek, twijffelen of die Ola wel van die tezaamenrotting komt, en daar„ „om hebben wij ook een Ola aan de teza„ „men ratting geschreeven, waarbij hun hebben geadverdeerd, dat wij op hunne Naa „men een Ola, hadden ontvangen, waarbij onder meer dingen gezegd wierd, dat we maar op vier Artikuls regt hadden ge„ daan, en niet op de andere; en aangesien we immers bij Mandaat van den 28se Maaij op veel meer Artikuls hadden geantwoord en recht gedaan, zo moeste wij, om die reeden, en weijl de Ola ons per ordinaire Post Laskarijn was toegebragt, en niet door iemand van hun „nentweegen, waarop we staat konden maaken, en ook de Hand teekeningen om ook verdagt voorkwaamen, veronder„ stellen, dat die ola niet van hun was

NL-HaNA_1.04.02_3883_0803 view scan ↗

English

had come; wherefore we, in a further ola from them brought to us by their people, would expect elucidation regarding the said ola, in order then to be able to provide an answer to it. The mudaliyar Hangakoon, whom we had ordered to depart for the Kandebaddepattoo to publish the mandate of Your Honorable, Rigorous, Highly Esteemed and to treat with the mutineers regarding their deeds and whatever else they had to say, reached no further than the Baygams because the outposts would not let him pass. And upon his representation to some mutineers that he needed to go to the Kandebaddepattoo, not only for the publication of the aforementioned mandate, but also to maintain order among the multitude on behalf of the commissioners for their own good; yet if they would not let him proceed, that they then at least present to him, the mudaliyar, what their further desires were, as he might then possibly settle some matters himself, and would have the rest which he could not settle written down to report to us. Whereupon one had said, "Ha, that is good! We will then give you a small matter, and if you can settle that, then we will also present the other matters." And after the mudaliyar asked about that matter, he said: "Can you arrange for the Lord Dessave of Mature to be removed? Then we will speak further." And as he, the mudaliyar, had clearly seen that nothing could be done with those people, who were mostly drunk, and meanwhile some tiles were also knocked off the roof with pikes (for they were armed), he had resolved merely to return to Mature. He further relates, moreover, that they had told him that they had turned to drinking for the past three days, which they had previously refrained from. And that he had noticed that every so often one or another of those who had spoken with him went off behind to some men who stood in a brush-covered place, and that he had been told that they had repeatedly spoken with those men, and that they had been Poehoelwelle Koditoewakku Arachchi, Medde Oyangodde Loku Appuhamy, and the schoolmaster of Mature who lives in Baygams. We also hear from various persons that the mutineers are supposedly bent on the removal of the Lord Dessave, but this also comes merely from hearsay and is therefore not of such a nature that one can be assured of it, while besides this one cannot understand why they would not bring it out into the open directly, if this were truly their desire, given that we have offered them every opportunity to declare themselves candidly, orally or in writing. If we knew with certainty that the wild mob or their leaders truly desired that the Lord Dessave be removed, and that peace would thereby be restored, we could present that request with confidence to Your Honorable, Rigorous, Highly Esteemed for the promotion of the great interest. But the uncertainty thereof, and the apprehension that, if such should already take place, they would then come forward with more requests of consequence, and especially no longer to work in the Company's plantations, makes us leave that matter deferred to the highly wise judgment of Your Honorable, Rigorous, Highly Esteemed. With a respectful request to please provide us with sufficient orders to be permitted to counter that wild mob with force, whenever it continues to commit acts of wantonness, as we have cited examples thereof in our letter of yesterday. While we further remain with all respect. (Below was:) Honorable, Rigorous, Highly Esteemed, High Commanding Lord, Your Honorable, Rigorous, Highly Esteemed's obedient servants. (It was signed:) D. F. Fretz. A. Sante. In the margin: Mature, the 10th of June, anno 1790. Agrees, Cornelis Johannes Ide, sworn clerk. Examined, Schrader. Translation of a Sinhalese letter ola, written by the assembled lesser headmen and inhabitants under the Dessavony of Mature, to the Lords Grand Dessave of Colombo and Damlant. After previous compliments: The gentlemen have returned from Hakmane, having told us that they would come again to a place to be named by us, after the complaint olas have been translated, in order to examine point by point and settle the complaints that we have already made orally and in writing, and shall yet make in more detail. And on the said occasion, some few complaints were made by us which concern us all, although our grievances cannot be fully spoken or written in the space of 1 to 2 months. But both the mandate olas sent to us are according to the

Dutch transcription

1498 was gekoomen; alwaarom wij derweegen bij een naadere ola van hun, die door menschen uijt hun bij ons gebragt word, Elusidatie, nopens gedagte Ola zouden verwagten: ten einde dan daar op te kon„ nen bescheid bezorgen. De modliaar Hangakoon, die we ge„ „ordoneert hadden na de Kindebaddepat„ „toe te vertrekken om de Mandaat van uw Edele Gestrenge Groot Agtbaare te publiceeren, en de muijtelingen te onderhouden weegens hunne bedrijven, en wat zij verder te zeggen hadden, is niet verder dan in de Baijgams gekoomen wijl de voorposten hem niet wilden laa„ „ten passeeren: en op zijne vertooning aan eenige Muijtelingen dat hij na de kandebaddepattoe diende te gaan, niet alleen ter publiceering van de voorschreeve Mandaat, maar ook om de meenigte van wegen de Commis„ „sarissen Commissarissen ten hunnen eige best te onderhouden; dog zoo zij hem niet wil¬ „den laaten gaan, dat zij hem modli„ „aar dan ten minsten wilden opgeeven wat hun verder verlangen was; terwijl hij dan moogelijk selfs wel sommige zaaken konden afmaaken, en de ooverige die hij niet konde afmaaken, zoude laeten opschrijven ter rapporteering aan ons: waarop 'er een gesegd had, ha dat is goed! wij zullen je dan eene kleijne zaak opgee„ „ven, en zoo je die kunt afmaaken, dan zullen we de andere zaaken meede opge„ „ren: en na den vraag van den Madliar na die zaak, zijde hij; kunt gij maaken dat den Heer Dessave van Madure ver„ wijderd word, dan zullen we verder spreeken, en alzoo hij Emodliaar toin wel had gezien, dat 'er niets met dat 't volk, die meest dronken waaren 1499 waaren, te doen was, en inmiddels ook eenige pannen van het dak met pieken /:want zij waaren gewaapend: :/ afgestooten wierden, zoo had hij geresolveerd om maer na mature te rug te keeren- hij verhaald voorts verder, dat zij hem hadden gezegd, dat zij zeedert drie daa„ „gen tot den drank waaren oovergegaan, waer voor ze hun bevoorens gewacht hadden. en dat hij gemerkt had; dat 'er telkens den een of ander van de geene die met hem hadden gesprooken wat waaren agter af„ gegaan, bij eenige menschen die op een met bosgasie begroeijde plaats stonden, en dat men hem gezegt had; dat zij met die menschen telkens hadden gesprooken; en dat het waaren geweest Poehoelwetle Kodietoeak araetje, Medde oejangodde Lokoe appoehamie en den Schoolmeester van Mature, die in Baijgams woont wij wij hooren ook nog wel van deezen en geenen dat de Smuijtelingen op de Ver„ „wijdering van den Heer Dessave zouden gesteld zijn, dog het komt ook maar van hooren zeggen, en is dus niet van dien aard dat men de sig van verseekert houden kan, terwijl men buiten des ook niet kan begrijpen waarom dat zij er niet Direct meede voor den Dag zouden koomen, wanneer dit werklijk hun ver„ „langen was. aangezien we hun alle geleegentheeden aangebooden hebben, om hun rondborstig, mondelijk of schrifftelijk te kunnen verklaaren. Indien wij met zeekerheijd wisten dat den woesten Hoop of hunne aan„ „voerders, werkelijk verlangden dat de Heer Dessaave verweiderd wierde, en dat daar door de rust zoude hersteld worden, zoo zouden wij UuwEl. edele gestrenge Groot Achtbaare dat verzoek 1500 verzoek met gerustheijd kunnen voordraagen ter bevordering van het groot belang. dag de onzeekerheijd, daarvan, en de bedugting dat, wanneer zulks algeschiede, zij dan met meerdere versoeken van aangelegentheijd, en wel insonderheid om niet meer in si Com„ pagnies plantagies te werken, zolden voor den dag koomen, doet ons die zaak aan uwEdele gestrenge Groot Agtbaare hoog wijzer oordeel gedefereerd laaten. met eerbiedig versoek, om ons met toerij„ „kende ordres te willen voorzien, om dien moesten hoop met geweld te moogen te keer gaan, wanneer hij voort„ „vaart met Baldaadigheeden te ple„ „gen, gelijk wij daarvan Staeltjes bij den onsen van gisteren aangehaald hebben. Terwijl wij voorts voorts met alle Eerbied zijn. (onderst:) wel Edele Gestrenge Groot Agtbaare Hoog gebiedende Heer. uw Edele Gestrenge Groot agtb: gehoorzaame Dienaaren (twas get:/ D. F. Fretz. A. Sante /in margine/ Mature den 10. Iunij A:o 1790. Ackordeert Corn:s Johann:s I dé gezee klerk Nagosien Schrader 1501 Translaat Singaleesche Brief Ola, geschreeven door de tezaamen gevottene gezament„ „lijke minder hoofden en ingezetenen onder de Dessavonie van mature aan de Heeren Groot Dessave van Colombo, en Damlant. Na voorgaande Complimenten De Heeren zijn van hakmane terug gekomen, hebbende ons gezegd, te zullen weeder koomen op eene plaatse die door ons zoude genoemt worden, na dat de klagt olas getranslateerd zal zijn ten eijnde om van stuk tot stuk te onderzoeken en afdoen de klagten die wij mondelings en bij ge„ schriften reeds gedaan hebben en nog naader doen zullen: En bij gemelde geleegentheid is door ons gedaan eenige wijnige klagten, die ons allen aangaan, schoon dat onse beswaarenissen in tijd van 1 â 2 maanden niet uijt gesprooken nog geschreeven kunnen worden: dog beijde aan ons gezondene Mandaat ola is volgens het

NL-HaNA_1.04.02_3883_0812 view scan ↗

English

the discretion of the Gentlemen without any further investigation being conducted on our behalf, a little justice was done regarding the collection of the cinnamon, regarding Adoekoes and Schidoems, areca, and regarding the linens of the Et bandaneas, but no justice was done on other matters, so we think that no justice will be done to us, for the reason that the Gentlemen have seen fit that we should make our complaints and await justice while remaining under the obedience of the Lord Dissave of Mature, without having the said Lord sent to another place, as we had requested in the beginning, and also regarding the nature of those punishments that were inflicted upon four Sinhalese chiefs; as well as because our misery is not taken into consideration. Accordingly, we hereby make known that no chiefs should be sent to the Korles and Pattoes, nor the orders be given regarding the services of the Company, since we shall not perform the same until and before our complaints and requests shall have been settled. At the head of the ola signed Matheu, Danbastiaan, Ioanis, Caberan, Michiel, and with an illegible signature. PS. 1502 13: that letter was not received we have learned that it has been made known to the Gentlemen as though we have prevented the chalias from going to peel the cinnamon, yet we have prevented no one of those people who came regarding said service from going, which shall also not be done further by us, and a letter about this has already been sent: this will be able to be known upon investigation. Underneath stood: Mature the 9th of June 1790. For the translation It was signed: D. D. Senera Corns: Johianns: Idé Sworn Clerk G. Schaader Examined 1503 Colombo To the Right Honourable, Valiant, and Highly Esteemed Lord Willem Jacob van de Graaff Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, together with The Council. Right Honourable, Valiant, Highly Esteemed, High-Commanding Lord. On the 10th of this month we had the honour to report to Your Right Honourable in our secret dispatches on the state of affairs concerning the mutineers, and of what has principally occurred since then, we shall now have the honour to submit our report to Your Right Honourable Lord. On the 11th, Lieutenant Weber was sent with 90 men and the necessary non-commissioned officers to Gandure to take up a post, and 1 sergeant, 1 corporal, and 20 privates were stationed, instead of at the gravet Marappe 1/4 hour from here, at Tallarin, which lies a little further and almost midway between Mature and Belligam, while Belligam was also reinforced with 20 privates, so that now under the command of the corporal holding post there lie: 1 native sergeant, 1 European lance-corporal, 1 native corporal, and 24 privates, both Europeans and natives, just as the aforementioned detachments also consist of mixed European and native troops. In the night between the 11th and 12th we received through two persons a note from Lieutenant Weber, wherein he referred to that which these people would relate, which consisted in that the detachment at Gandure had nothing to eat, 1504 to eat because the Mudaliyar, under the pretext of going home to procure food, had not returned, and that it had become surrounded by as many as 2,000 mutineers, many of whom had weapons; that having asked the Lieutenant whether he came there to wage war or for what other reason, he had answered them that he had by no means come to wage war, but to protect the inhabitants and guard the Company's warehouse. Whereupon we immediately issued orders for the marching of a detachment for the relief of Lieutenant Weber and for the taking along of provisions, so that in the morning between 50 and 60 men, both non-commissioned officers and privates, under the command of the Captain and Commandant the Honourable Baron De Prophalo, with the necessary provisions of rice and arrack along with a cooking kettle, being ready to depart, the first signatory deemed it advisable to go along as well, in order to be able to ensure all the better that the main objective, of restoring tranquility with gentleness, was kept in sight; and that, if the opportunity arose, he could also converse with the mutineers and address them as needed. He therefore gave notice of this his intention to his fellow commissioner, the second signatory, and to the Lord Dissave van Angelbeek, and further made such proposals as he deemed necessary, upon which, according to the record of the 12th of this month, such resolutions were taken as appear from the copy thereof which is enclosed herewith, essentially amounting to that which has already been stated above, and that authorization was given to the first signatory to repel force with force if necessary, and further to make such arrangements, 1505 both regarding breaking camp and returning with the entire detachment, or allowing a part to remain at Gandure, as he should find advisable. The first signatory then departed with the detachment and arrived ahead of it at Dondra, where upon a height stood an unarmed guard post of the mutineers, and subsequently he met near the school a couple of hundred men, and a chair prepared for him covered with white linen. He addressed the people in a fitting manner and received the answer that they were doing nothing evil nor had any in mind, but were obliged to act according to the orders of the mutineers on account of the threats to punish them. They further complained about the bad treatment by the dismissed Mudaliyar, and brought forward several other complaints, whereupon what was necessary was

Dutch transcription

het goed dunken van de Heeren zonder van ons naarder eenig onderzoek gedaan te worden, een wijnig regt gedaan weegens den afhaal van den Canneel, weegens Adoekoes en Schidoems, arreek en weegens de Lijnwaaden van de Et bandaneas, maar is geen regt gedaan op andere zaaken, dus denken wij dat ons geen regt gedaan zal worden, om reeden wijl de Heeren hebben goed gevonden, dat wij onse klagten doen en daarop het regt verwagten zullen blijvende onder de Gehoorzamheijd van den Heer Dessave van Mature, zonder gemelde Heer naar eene andere plaats te laaten senden, gelijk wij in den beginne hadden versoek gedaan en ook wee„ „gens de hoedanigheid van die straffen die aan vier sui„ „galeesche Hoofden gedaan zijn; zoomeede om onse Elende niet in ooverweeging genomen word. Mitsdien laaten wij bij deezen weeten dat eenige Hoofden in de Korles en Pattoes niet gezonden nog de Ordres gegeeven te worden weegens de Diensten van de kamp„ n wijl wij dezelve niet doen zullen voor„ en al eer dat onze klagten en verzoeken zoude afge „daan zijn. Aan het Hoofd den OLa /:geteek:/ Matheu Dan bastiaan, Ioanis, Caberan, Michiel en met een onleesbaare hand teekening PS. 1502 13: die brief is niet ontvangen wij hebben vernomen dat aan de Heeren zoude h„ te kennen gegeeven zijn als dat wij de salias belet„ hebben, om den Canneel te gaan schillen, dog hebben wij aan niemand van dat volk belet, de „welke gekomen is weegens gemelde Dienst te zullen gaan, het welk door ons ook naader niet zal gedaan worden en is hier over een brief reeds gezonden: zullende zulks bij on„ voor de Translatie „derzoek kunnen weeten. /. onderstond:/ Mature den 9. Iunij 1790. voor de Translaatsie /:t was geteek:/ D„ D„j Senera Corns: Johianns: Idé gezwklerk G Schaader Nagesien 1503 Kolombo Aan den Wel Edelen Gestrengen Groot Achtbaaren Heer Willem Jacob van de Graaff Raad ordinair van Nederlandsch India Gou„ verneur, en Direkteur van het Eiland Ceilon met dies onderhoorigheeden, Nevens Den Raad Wel Edele Gestr: Groot Achtb: Hoog Gebiedende Heer. Den 10e deezer hebben wij de eere gehad uwel Edele Groot Achtb: bij onze sekreeten de gesteld„ „heid der dingen nopens de muitelingen te berigten, en van het zeedert ten Principae„ „le voorgevallene zullen wij tans de eere hebben uwelEdele Groot Achtb heer onder verslag te doen Den 11:e wierd de Luijtenant weber met g0gamen de de nodige onderoppeciers na Gandure gesonden om postlevatten, en 1: sergeant, 1 korporaal en 20 Ge„ „meene, wierden, in steede van aan de gravet Ma „rappe ¼: uur van hier na Tallarin dat wat verder, en bij na in de midde tusschen Mature en Belligam legt geplaatst, terweil ook Bel„ „ligam met 20. gemeene verstrekt wierden zo dat nu aldaar onder kommando van dem Past houdenden korporaal legt, 1. osterse sergeant, 1: Europeese vice korporaal, 1oosta „se korporael en 24: gemeene; zoo Europesen als oosterlingen, gelijk ook de hiervooren„ „gemelde detachementen iit gemelleerde Euro„ pese en oostersche troupen bestaen Jn de Nacht tusschen den 11:e en 12.:e kreegen me door twee perzoonen, een briefje van de Luijte„ nant weeber, waarbij hij zig beriep op het geene deze menschen zouden relateren het geen daerin heeft bestaen dat het De„ tachement te gandure niets te Eeten 1504 Eeten had weil den Modliaer, onder voorgave van na huijs te zullen gaen en kost bezorge, niet was terug gekoomen, en dat het door wel 2000 suitelingen om zingeld was geworden, waer van er veele wapens hadden, dat zij den Luijtenant gevraagd hebbende of hij daer kwam om te oor „loogen dan wel om welke andere reden, hij daer op had gedient dat hij geensints was gekoo„ men om te oorloogen maar om de inwoonders te dekken, en 's komp:s Pakhuijs te bewaaren waerop wij dadelijk orders stelden tot het marcheeren van een Detachement tot Secour= van den Luitenant Weeber en tot het neee„ de neemen van Provisies gelijk dan ook 's morgens tusschen de 50: en 60 koppen, zoo onderofficiers als gemeene, onder kommando van den kapitein en kommandant de E: Barons De Prophalo: met de noodige provisie van rijst en arrak nevens een kokskeelel geneedstaende te vertrekken den Eersten te kenaer raed zaam om raedzaem geoordeelt heeft om ook meede te gaen, ten einde zo veel te beter te kunnen sorgen dat de hoofd zaak, om de rust met zagtheid te herstellen in het oog gehouden wierd; en dat hij ook, zo zig geleegert „heid op deed, de muijtelingen konde onderhouden en het nodige toespreeken, hij gaf derhalven van dit zijn voorneemen kennis aan den meede kommissaris den tweeden tekenaer en aen de Heer Dessave van Angelbeek en deid voorts zodanige voorstellen als hij noodig oordeelde, en. waerop hij aanteekening van den 12:' deezer zoodanige besluijten wierden genoomen, als bij het afschrift daer van, 't welk hiernevens legt, blijkt hoofd zakelijk meer komende op het geene hier vooren reeds is gezelt en dat aanden eersten teekenaer qualifikatie gegeeven weerd om des noods geweld miet geweld te mogen te keer gaen en voorts zo„ danige schikkingen te mogen maaken, zo 1505 zo nopens het opbreeken en terug koomen met het geheele Detachement dan wel een gedeelte te Gandure te laaten blijven, zoo als hij dat zou„ „de geraaden vinden. Den eersten teekenaer vertrok dan met het De„ tachement en kwam voor het zelve te De„ ondere, alwaer aen een aan hoogte een wacht post der muntelingen sonder wapens stond en vervolgens ontmoete hij bij de school wel een paar honderd mannen, en een voor hem gereed gezette stoel net wit lijn„ waat bekleed hij sprak het volk op een gepaste weize aan en kreeg tot and woord dat zij niets kwaads deeden nog in den zine hadden, maer verpligt waeren nade ordres der muijtelingen tewerk tegaen uit hoofde der bedreegingen van hun te zullen straffen. zij klaagden voorts over de kmaede behandeling van den gedimitteerden Modliaer, en bragte nog eenige andere klagten in waer op hun Cet nodig weerd

NL-HaNA_1.04.02_3883_0820 view scan ↗

English

was ministered, under the assurance that as soon as they arrived at Mature, their complaints against the Modliaer, who would be summoned for the hearing from Gale, would be investigated, and proper justice would be done to them thereupon, and that they could set down their further complaints on olas and deliver them, whereupon, after the translation thereof, an equitable settlement would follow for the matters arising therein. On the road to Ganduae, several more guard posts, also without weapons, were encountered, and upon the question of what they were actually doing there, and the remark that it was surely better that they went home and took their livelihoods in hand rather than standing so idly at a guard post without any necessity, they said in reply that they had strict orders from the mutineers to keep watch, with threats if they did not do so, and that this was the reason that obliged them to keep watch. It has further appeared to the first signatory that the fence of the newly laid-out pepper plantation has been pulled down in several places and even here and there a planted branch, meant to let the pepper vines climb upon, has been chopped off. While on the other hand, he has seen to his great satisfaction that all the fields encountered along the road, which about 40 days ago were sown with nelie, look very flourishing and, through the Lord's further blessing, promise a good harvest. Arriving at Ganduae, some Moors and some fishermen were met, and from Lieutenant Weeber it was understood that his Honor had been virtually surrounded, and the rest of the matter had occurred as has been mentioned here before, and that his Honor, in the past night, in great secrecy out of fear of the mutineers, had been supplied by a Moor with a quantity of soursop for 24 stuivers, which his Honor had distributed among the people. The first signatory immediately ordered the Modliaer Ilangakoon to summon the Modliaer of the Wille Daddepattoe, who lives half a mile toward Dekwelle, and in the meantime to have water brought, and to have a cow delivered for payment for the soldiers. But when, after long waiting, neither the one nor the other came, and Ilangakoon declared that he could obtain nothing, because nobody wanted to give anything, not even a callang to fetch water, out of fear of the mutineers, so that there was no possibility of obtaining a cow other than by having one caught under the cover of some easterners, it was resolved to do so. And when two had been brought, a great uproar was made over them by the owners, one being a chalia and the other an appohamy. The first was returned because the owner would listen to nothing and appealed to the right of his nation that no cattle might be taken from them, and would not be satisfied with double payment, nor with another beast promised to be given to him at Mature, though only after another beast was first seized in order not to be at a loss. But the other beast was slaughtered, and then the appohamy came to ask for money, and because he would make absolutely no specific demand for it, he was told that the Company's price was rd:s two, but that rd:s four would be paid to him, as was done immediately against a receipt. As it happened, instead of the beast of the chalia, another beast of the aforementioned appohamy was seized, which was returned to him, and then a beast was obtained from a Moor, who also protested against it, but with the promise of the payment of rd:s four was dismissed and somewhat satisfied. Men subsequently fetched water in the cooking kettle, boiled the rice, put it into the sacks in which it had been brought, for lack of mats, and then had the meat boiled, after which the soup was taken out of the kettle with coconut shells, the rice and the meat placed on a tree leaf, and thus the meal was held. It was fortunate that the easterners, who otherwise wish to cook their own portion separately, kept themselves completely satisfied this time to eat along from the common pot. The first signatory, with the greatest trouble and secrecy, obtained a cock in a sack for 30 duiten, with which he had his meal together with 3 officers. And mention of this alongside the other matters described above is only made in such detail to give your Right Honorable Worship a proper understanding of the fear of the inhabitants of the mutineers, for they did not excuse themselves each time without saying that if they showed us any assistance, the mutineers would then abuse them because of it. The fishermen of Ganduae, about 20 in number, complained in general terms about the Modliaer now dismissed from his service and the previously dismissed Mahavidaen Mohanderam, and two of them also complained about the stealing of cows from them by the Ratnaike Arachchi, who, however, denied this. Whereupon they were told that they could freely come to lodge those complaints at Mature or submit them in writing, whereupon, after investigation, proper justice would be granted to them. Further

Dutch transcription

wierd toegedient, onder verzekering dat zodra zij te Mature kwaemen, hunne klagten tegen den Modliaer, die ter verhook van Gale ontboden zoude worden, zouden onderzogt, en hun daer„ op goed regt gedaen worden en dat zy hunne ver„ dere klagten op olas stellen en overgeven konden, als wanneer na dies translateering, op de daek bij voorkoomende zaeken, een billijke afdoe„ „ning zoude volgen. Op de weg na Ganduse wierden nog eenige wachtposten, meede zonder wapens, ontmoet, en op de vraege wat zij dog daer deeden; en het zeggen dat het immers beter was dat zij na huys gingen en hunne bezigheeden tot hun bestaen bij der hand namen, dan zoo le„ dig op een wachtpost testaen, sonder eenige noodzaakelijkheid, zeiden zij tot antwoord van scherpe orders van de muntelingen te hebben om de wacht te houden met bedriegingen wanneer zij zulk niet deeden, en 1506 en dat dit de reeden zij die hun verpligte om de wacht te houden, het is den Eersten te kenaer voorts. gebleeken dat de pagger vann van de nieuw aan gelegde peper plantagie op verscheide plaatsen om verre gehaalt en 't zelfs hier en daer een geplante tak, om de Co„ peper daer aen te laeten oploopen, afgekapt is. terweil hij ook daer en tegen tot veel genoegen gezien heeft dat alle de ontmoete velden langs de weg, die voor min of meer 40. daegen niet nelie besaat zijn, seer fleurig staen, en een goeden oogst door des Heeren verderen zegen, beloven. Te Ganduae koomende wierden eenige moo„ „ren en eenige vissers ontmoet, en vanden luitenant weeber verstond men dat zijn E. genoegzaem als omzingelt is geweest, en zig de verdere zaek zodanig had toege„ „draegen als hier vooren is aangehaeld en dat zijn E. in de gepasseerde nacht van een een moor in groote sekretesse, uit vreese voor de muntelingen, met een partij suur zakspillen voor 24. stuivers was geriefd geworden, die zijn E: onder het volk had uitgedeelt. toen Den Eersten teekenaer gaf ten eersten aan den Modliaer Hangakoon last, om den Mod„ liaer der wille daddepattoe die k: meil na de kant van Dekwelle woont, te laeten roe„ pen en inmiddels water te laten aanbrengen, en een koebeest voor betaeling te doen leeveren voor de militairen maer weel na lang wag„ tens nog het een nog het ander kwaam, en Hangakoon verklaerde, van niets te konnen krijgen, weel niemand iets, selfs geen kal„ lang om water tehaalen, geven wilden, uit vreese voor de muntelinge, zekt dus geene mogelijkheide was om aen een koebeest te „komen, dan door het zelve onder dekking van eenige oosterlingen te laaten opvangen zo wierd daertoe geresolveerd en toen en twee aangebragt waeren 1507 waeren wierd over dezelve een groot geweld gemaakt, door de eigenaers; zijnde van het eene een sjalia en van het andere een apoe hanni; het eerste wierd weil den eigenaer na niets wilde linsteren en zig op het regt zijner natie begriep, dat van hun geen beeo„ „ten genomen mogte worden en met geen dubbelde betaling nog ook geen ander beest dat belooft wierd len te zullen gegeven worden te Mature, welde te vreeden houden, te„ „rug gegeeven, nadat eerst echter een ander beest opgevat was, om niet verleegen teweesen dog het andere beest wierd geslagt, en toen kwam den apoehanij om geldvraegen, en weel hij vol„ strekt geen bepaalden eisch daer voor doen wilde, zo weerd hem gezegt, dat skomp:s prijs was rd:s twee maar dat hem rd:s vier zouden betaald worden gelijk dadelijk tegens quitantie geschiede het geval wilde dat in steede van het beest van den sjalia nog een beest 4 voorm: appoeharig op gevat wierd dog het welk hem terug wierd gegeeven en toen kreeg men een beest van beest van een moor, die daertegen meede protesteerde, dog met de toezegging van de betaeling van rd. s vier van de hand gewee„ „sen ens eenigsints te vreeden gesteld wierd. Mets haelde vervolgens water in de kokske„ „tel, kookte de rijst, deed die in de sakken waer; in hij aangebragt was, bij gebrek van mat„ „jes, en liet toen het vleesch kooken waerna de soup met kokerdoppen uit de ketel genomen, de rijst en het vleesch op een boomblad gedae, en dus de mael tijd gehouden wierd, gelukkig was het nog dat de oosterlingen, die an„ ders haare postappart willen koken, hun dit „hielden mael volkoomen te vreeden, hebben om uit de gemeene pot meede te eeten. Den eersten teekenaer kreeg met de grootste moeite en sekretesse in een zak een saen voor 30: duijten, waermeede hij met 3: officieren zijn maal heeft gedaen, en hier van neevens het een en ander voor„ schreeven B 1508 schreeven, word alleen zoo omstandig aan„ haaling gedaen om uwel Edele Groot Achtb: een recht begrip te doen krijgen van de vreese der inwoonders voor de muntelingen want zij verschoonden hun telkens niet te zeggen dat wanneer zij ons eenige hulp beweesen, de muitelingen hun dan der wegen zouden mis„ handelen. De vissers van Ganduae omtrent 20: in getal klaagden met generaale termen, over den nu uit zijn dienst ontslagen Modliaer en den bevoorens afgezetten Mahavidaen Molanderam, en twee daer van klaag den ook over het hun ontvreemden van koe bees„ ten door den Ratnaike araatje, die zulks echter ontkende waarop hun ge„ zegt wierd, dat zij die klagten gerust te Mature konden koomen inbrengen of schriftelijk indienen als wanneer hura na onderzoek, goedrecht zoude geworden. voorts F

NL-HaNA_1.04.02_3883_0826 view scan ↗

English

Furthermore, the said fishermen made known their embarrassment regarding the presence of a detachment at Gandure, stating that the Javanese entered their houses under the pretext of searching for pots and pans, whereupon their wives ran away out of fear, resulting in greater inconvenience. To this, they were promised that good order would be established so that no such nuisance would occur to them, and that they furthermore had to understand that the intended detachment served for their protection. And because they said that they would thereby have to account for it all the more severely to the mutineers, the question was put whether they would then prefer to see the detachment depart; however, upon this they declared themselves to be people of too low a station to be able to answer that question. From this it appears that they would most prefer to see it return, wherefore the first signatory answered that, upon arriving at Mature, he would see whether it could be recalled. At four o'clock, after instructions were given to Lieutenant Weeber, who was left there, the detachment that had departed from Mature that morning returned thither. On the way, nothing else was encountered but the outposts of the mutineers, and a few hundred souls at Deoudure, who treated the men to oranges and presented some complaints; whereupon it was promised that, after translation, what was found to be equitable would be done. Meanwhile, Lieutenant Mettler arrived to join us from Mature with a detachment, which seemed to arouse much attention and wonder. And if it achieves nothing else, it is this: that the soldiers become accustomed to marching, and it can serve to make the Sinhalese see that one detachment can follow after another, which will thus give them pause and instill greater fear. This detachment also returned to Mature after being treated to oranges. The first signatory remained a little behind, admonishing the inhabitants for their own good, and especially to come and go to Mature according to their former custom, without being fearful or afraid of anything or anyone, while he assured them that no one would do them any harm or call them to account for what had passed. But fear of the mutineers was again the matter that stood in the way; whereupon the first signatory told them that they should recount our conversation to the mutineers and urge them also to place trust in us and come to us, with the assurance that, in addition to what had already been promised, they could be assured that the complaints that had not yet been settled, and which they might yet present to us verbally or in writing, would be heard and decided according to equity. This morning we intended to recall Lieutenant Weeber, and this because the inhabitants of Gandure and others seemed to be served by it. But before we put this into effect, the Modliaer of the Roene Malabadde came to tell us that he had learned from a syalia who had come to him from the Wellebadde Pattoe that the mutineers would assemble today from all sides at Dikwelle, and subsequently go to Gandure to make the detachment move to Mature. Whereupon we considered that we had a choice between one of two things: namely, to send reinforcements to Lieutenant Weeber, or else to recall him. The first was judged unadvisable because it might bring us into circumstances that could cause hostilities, and which could thus have irreparable bad consequences, besides the fact that there is also a lack of everything at Gandure, and the violent seizure of cattle for food for the soldiers might itself provide the occasion for hostile acts; wherefore the withdrawal was preferred, the more so because this could be done without damaging the prestige of the Company's power, because yesterday the fishermen of Gandure were promised that the withdrawal of the detachment would be taken into consideration. Wherefore it was thought fit: 1: To dispatch a sannas to Gandure for the purpose of making it known that, because it appeared that the inhabitants needed no further protection, and thus gladly saw that the detachment which had been sent solely for their security was recalled, the same would therefore march hither today. 2: To send a detachment to meet Lieutenant Weeber, and to have the same depart at one o'clock from here, and Lieutenant Weeber at the same hour from Gandure. 3: To send the detachment from Tallaam to Belligam for reinforcement, it being judged more advisable to have fewer and, in contrast, stronger posts, and to entrust the command at Belligam to an officer. 4: To order Lieutenants Weeber and Stoffel, who are going with the detachment to Deondure, as well as the officer who will be stationed at Belligam, to avoid all hostilities, and not to offer any resistance even to one or two shots that might be fired by a drunkard or happen by accident; but, in the event of an actual general hostile attack, to defend themselves as becomes brave officers. Herewith we have the honor to present to Your Right Honorable the following papers: A report of Abejewikreme Goenesegre Mohandiram of the Gangebadde Pattoe, inhabitant of Attoedawe, marked No. 12, which was neglected to be enclosed with our letter of the 9th of this month. No. 1: A report of the soldier Chanse of his experiences on the road from Tangale to Mature. 2: A ditto of Don Simon Jaesinge Ameretoenge Araatge, and Don Louis Lammereneuke.

Dutch transcription

voorts gaven gemelde vissers hunne verlegent heid wegens dat er een kommando te Gandu„ „re was te kennen, zeggende dat de Javaanen onder protext van na Potten en pannen te zoe„ ken in hunne huisen kwaaenen, en hunne verouwens dan uit vreese wegliepen en door daer door meerder ongelegenheid ontstond waar op hun beloofd wierd dat er goede ordere zoude worden gesteld dat hun geen dergelijke overlast geschieden, en dat zij voorts moeste begrijpen, dat gedagte kommando tot hunne bescherming dienden, en weel ze zeiden, dat zij het daer door zo veel zwaerder te verantwoorden zouden hebben aan de muitelin„ gen, zo veel de vraeg of zij dan liever zaege dat het Detachement verhuijs de / maer waer op zij betuigden al te geringe menschen te zijn, om op die vraeg te konnen antwoorden hier uit blijkt dus, dat zij het liefst willen zig terug keeren, alwaer om den eerstenteeke„ „naer 1509 naer geantwoord heeft, dat hij te mature komende, zoude zien of het konde terug be„ roepen worden. om vier uure, na gegeve In„ struktie aen den luijtenant weeber, die daer gelaeten weerd Retourneerde het Detachement, dat die morgen van Ma„ „ture was vertrokken weeder daer heen, op weg wierd niets anders ontmoeten dan de wachtposten der muntelingen, en eenige hondert koppen te Deoudure, die het volk op langes trakteerden en eenige klagt olas overgaven; waer op beloofd weerd, van na Trenslateering te zullen doen wat zoude bellijk bevonden worden. Jn tusschen kwam den luijtenant Mettler met een Detachement van Mature bij ons, het geen veel op ziens en verwondering scheen te ver„ „wekken, en zoo het geen ander niet bij brengt dan is het dit, dat de soldaaten aan het mar„ „cheeren gewend worden, en het kan dienen om e om de singaleesen te doen zien; dat het eene Detachement na het andere kan volgen, en het welk hun dus na denken en meerder vrees zal inboezenen. Dit detachement keerdre ook, na op langes getrakteerd te zijn nat mature terug, en den eersten tee„ „kenaer bleef nog wat agter uit, vermaen„ „de de inwoonders ten goeden en insonderheid om na Mature te koomen en te gaen na voo„ rige gewoonte, sonder voor iets, of iemand bedugt of bevreest te zijn, terweil hij hun verzeekende dat hun niemand eenig kwae doen, of wegens het gepasseerde aanspree„ ken zoude, dog de vrees voor de muntelin „gen was alweeder de zaak die in de weg was: waerop den eersten teekenaer hun zeide, dat zij ons gesprek aen demunte„ lingen moesten verhaalen, en ann nopen om meede vertrouwen in ons testellen, en tot ons tekoomen, met verzeekering dat 1510 dat zij boven het reeds beloofde nog verzee„ „kerd konden zijn, dat de klagten, die nog niet afgedaen waeren, en die ze ons nog mon„ deling of schriftelijk mogten opgeeven, zouden gehoort, en na billijkheid beslist worden. Heeden morgen waeren wij willens om den Zur„ „tenant weeber te rug geroepen, en zulks om dat de inwoonders van Gandure en andere daermeede scheenen gedient te zijn, dog eer we zulks tewerk stelden, kwaem den Mo„ dliaer der Roene Malabadde ons zeggen dat hij van een syalia die bij hem uit de welle badde pattoe gekoomen, was, vernomen had, dat de muntelingen hun heeden van alle kanten te Dik welle zouden vergaderen, en vervolgens na gan„ deere gaen om het Detachement na Matuae te doen verhuisen, waerop wij dus in aemmer „king naemen dat ons van twee dingen een tekiesen stond, namentlijk om verster„ „king aan den Luytenant weeter tesenden, dan wel wel hem te rug te ontbieden het eerste wierd niet raedzaem geoordeelt om de wille het ons in omstandigheeden zoude kunnen brengen, die dadelijkheeden konden veroorzaeken, en die dus onherstelbaeren kwaede gevolgen zouden kon„ „nen hebben, behalven dat er ook gebrek aen al„ „les te gandure is, en het geweldadig op vatten van koebeesten tot moord kost voor de militairen zelfs de gelegentheid zoude konnen zijn tot vij andelijke bedrijven, alwaer om de opbraeke ge„ prefereerd wierd, temeer zulks geschieden konde zonder het aanzien van 'skomp:s Mach te krenken weil, gisteren aan de vissers van Gon dure beloofd is, dat het terug trekken van het Detachement in overweging zoude geno„ „men worden, al waerom goed gevonden is. 1:/ om een sanas na Gandure te laeten afgaen ter bekendmaaking dat, weil het scheen dat de inwoonders geene verdere dekking nodig hadden, en dus gaerne zagen dat 1511 dat het kommando, dat alleen tot hun„ „ner veiligheid gesonden was terug ontbooden wierd, het zelve dus heeden zou„ de herwaards marcheeren. 2:) om den Luitenant weeber een Detachemment te gemoet te zenden, en het zelve om een uur van hier, en den Luiteltant Wee„ „ber op het zelfde uur van Gandure te laaten opbreeken. 3:/ om het Detachement van Tallaam na Belligam tesenden tot versterking als raedzae mer geoordeelt zijnde om mindere, en daer en tegen sterkere pos„ ten te hebben, en het kommando te Bel„ „ligam op te draegen aen een opicier. 4:/ om de Luitenants weeber en stoffel die met het Detachement na De on„ dure gaat, zoo meede den officier die te Belligam zal geplaatst worden te gelasten om alle vijandelijkheeden te ver„ melden melden, en zelfs op een â twee schooten, die door een dronkaard zoude konnen gedaen worden, of per ongeluk geschieden, nog geen tegen weet te werk te stellen; maar; bij een wer„ kelijke vijandelijken algemeenen aenval, hun te verdeedigen als brave officiers betaand „taemd Hiernevens hebben wij de eere uwel Edele Groot Achtb: aan te presenteeren de navol„ gende papieren als. Een Relaas van Abejewikreme Goenese„ „gre Mohandiram van den Gangebadde „pattoe inwoorder van attoedawe gemerkt N:o 12: dat verzuimt is inte sluijten bij onzen brief van den 9:e deezer. N:o 1: Een Relaas van den soldaat chanse van zijn weder waaren op de weg van Jan„ „gale na Mrature. „ 2: Een dito van Don Simon Jaesinge amere toenge araatge, en DonLouis Lammereneuke

NL-HaNA_1.04.02_3883_0833 view scan ↗

English

1512. Cammerenaike senen iere kangaen, who brought a mandate from the Right Honorable, Highly Esteemed Lord Governor to the Belligam Korle, and were very ill-treated by the mutineers. Number 3: A ditto of Don Ioean Iatoenge Apoe, who brought a samas from us to the seigniory of Bellegam, whereby the dismissal of the shahbandar was made known to the inhabitants, with further good admonitions; and whereby it appears that the wiereman aratchy has abandoned his authority over the seigniory and gone over to the mutineers, for which he however offers as an excuse that he was obliged to do so because his son was held as a hostage among the conspirators. Number 4. A [illegible] Number 4. A report of Don Dinees Abewiekreme Rannesinge Aratchy and Don Andrie Jatoenge Apoe, who brought a samas to the Magampattoe. 5. A ditto of Samerewekreme Wiejerand Aratchy over the jagreros, regarding the plundering of his house, and the complaints lodged thereupon with a party of mutineers, and the order they issued thereupon to have the thieves who committed this seized and arrested. A draft mandate regarding the complaint of the inhabitants of the Gerrewaij Pattoe, whose dispatch has occurred, and upon which no answer has yet come in. A translated attestation in favor of the Lord Disava Van Angelbeek, signed by the most prominent chiefs and submitted to us, whereby it appears that His Honor treated them well and granted them benefits, as well as supported them as a father and master in all respects with good counsel, and showed much respect and favor to them; and they thus have nothing to say against the said Lord Disava, nor is it known to them that any injustice was done to their subordinates, both high and petty chiefs. Yesterday, before noon, a sealed bundle of olas was found before the door of the secretariat, the content of which, consisting of a series of articles, reads as though it came from the mutineers, but which we—because of its content as well as because it can be clearly seen that the signatures were made by one man—presume must have been written by one or another cunning scoundrel, and we thus can regard it as nothing else than a document useless for our purpose, and shall leave it untranslated for that reason. The guard lascorins, as well as the people of the first draftsman, desire to be relieved; if Your Right Honorable, Highly Esteemed deems it advisable, we request that you provide us with: 8 Lascorins of the Guard 24 ditto of the Disava, along with a kangaen 6 appuhamies of the same 1 set of tamblinjeros 2 torchbearers, and 50 coolies. Not only is the subsistence situation meager here, but we cannot even obtain writing olas, and have already had to manage with great difficulty for a long time, and even had to wait for them, about which we have spoken seriously today with Hangakoon Mudaliyar, with instructions to provide them in sufficient numbers, even if for payment, for which he promised to do his best. The mutineers are keeping reasonably quiet so far, though they roam here and there, and we have not yet been able to uncover the real secret of what their further desire actually is, although to that end we sent so-called confidants among them; but they do not easily trust anyone, and we also no longer know whom to trust. If Your Right Honorable, Highly Esteemed could send us a couple of capable aratchies or appuhamies who are well-spoken and capable of inspiring trust, we might possibly make useful use of them. We shall conclude this by commending the Company's interests into the safe keeping of God and ourselves to Your Right Honorable, Highly Esteemed's continuous favor, and remaining with all loyalty and respect, was written below: Right Honorable, Highly Esteemed, High and Mighty Lord! Your Right Honorable, Highly Esteemed's obedient servants. was signed: D. I. Fretz and A. Samlant in the margin: Matara, the 13th of June 1790 lower: P.S. Out of concern that this letter might occasionally go missing at night, it will only be dispatched on the morning of the 14th. We have also deemed it advisable to send the aforementioned forged olas herewith. Agrees. Checked. Cornelis Johannes Idé sworn clerk 1585. Minutes kept at the session of The Commissioners on behalf of the Venerable Ceylon Government: The Honorable Lord Dietric Thomas Fretz, Senior Merchant and Disava of the Colombo Surrounds; The Honorable Lord Abraham Samlant, Merchant and Trade Bookkeeper there; as well as The Honorable Lord Master Christiaen van Angelbeek, Senior Merchant, Second of Galle, and Disava of the Matara Lands. Saturday, the 12th of June, the year 1790. On account of the news received during the past night from Gandara from the Lieutenant, the Honorable Weber, who departed yesterday with a detachment to the said place to take up post, that the mutineers had surrounded him and that his men had nothing to eat, as nothing was found there and the Mudaliyar had gone away to obtain provisions without returning, it was approved and resolved to send relief to Gandara, consisting of the Cadet-Adjutant Van Meuron and 60 men, both non-commissioned officers and privates, under the command of the Captain-Commandant, the Honorable Baron Hieronymus Casimerus Carolus De Prokholow, and at the same time to send the necessary provisions; the Lord Disava Fretz further proposing to send a samas ahead in order to inform the inhabitants that the commandos were sent solely because certain ill-disposed persons among the mutineers have despoiled the houses of the Muhandiram of Attoedewe and of the jagrero aratchy at Madde Oejangodde, and because it has been learned that several similar threats

Dutch transcription

1512. Cammerenaike senen iere kangaen die een Mandaat van den wel Edelen Groot Achtb: Heer gouverneur nade ud Belligam korle gebragt, en door de muitelingen zeer kwalik behandelt zijn. N=o 3: Een dito van Don Ioean Iatoenge apoe, die een samas van ons nade heerlijkheid van Bellegam heeft gebragt, waerby de inwoonders de afzetting van den sabandaer, is bekent gemaekt, met verdere goederen Vermaningen; en waar bij blijkt dat wiere man, e„ araatje zijn gezag over de heerlijkheid verlaate en na de muitelingen over„ gegaen is, waervoor hij echter tot verschooning bij brengt, dat hij daer„ „toe verpligt was, weil zijn zoon tot gijzelaer bij de te zamenrotting zig bevond. N:o 4. Een F door betaand 1 Edele navol¬ de k e N:o 4. Een relaas van Don Dinees Abewiekre „me rannesinge araatje, en Don andrie Jatoenge Apoe die een Jamias na de Magampattoe gebragt hebben. „ 5 Een dito van Samerewekreme wie jerand araatje over de jagereros, nopens het plunderen van zijn huijs, en daer over bij een apartij muijtelingen gedaene klag„ „ten en de ordre die zij daer op gegeven hebben, om de dieven die zulks gedaen hebben te laeten opvatten en arresteeren Een consept mandaat nopens de klagte der inwoonders van de Gerrewaij pattoe welkers afsending geschied, en waerop nog geen geschied in gekoomen is. Een translaat Attestola ten voordeele van den Heer Dessave van Angelbeek„ door de meeste aanzienlijkste Hoofd en geteekent en aan ons overgelegd, waar bij blijkt, dat zijn Edele hun wel behou„ „delt 1513 „delt en voordelen toegevoegt heeft, zo meede als een vader en meester in allen op zigte met goeden raad onderstend en veel respekt en gunsten aan hun beweist; en zij dus, tegen gedagte Heer Dessave niets te zeggen hebben, nog ook hun niet bekent is, dat aan hunne ondergeschikten, zoo Groot als kleine hoofden eenig onrecht weedervaaren. is. Gisteren voordemiddag is voor de se„ „kretarij deur een verzegelde bondel olas gevonden, waer van den inhoud, die in een partij artikuls bestaat, luid, als of hij van de muntelinge kwam, dog die wij, om de wille van dies inhoud, zoo wel als om dat duidelijk tezien is, dat de handtekeningen door een man gemaakt zijn vermeenen dat door den eenen of anderen gerafineerden schel in moet geschreeven zijn, en wedus niet anders anders als een tot ons oogmerk onnut stuk konnen aanmerken, en hem daervan ongetranslateerd zullen laeten zeggen. De gaade Laskanijns, zoo wel als het volk van den eersten tekenaer verlangen afge„ „lost teworden, zoo uwel Edele Groot Agt „baare zulks raedzaam-komt te oordeel dan verzoeken wij ons te willen voorzien met Acht Laskorijns van de Garde 24 d=o vanden Dessave nevens een kang aen 6 appoehamies van dito 1 stel Jamblinjeros 2: Jootjes draegers, en 50 koelies. Het is heer niet alleen met het leevens onderhoud schraal gesteld, maer wij kon„ „nen zelfs geen schrijfolassen krijgen, en hebben ons al een geruijmen tijd zeer daermede moeten behelpen, en zelfs daerna moeten wachten, waerover wy 1514 wij Hangakoon Modliaer heeden se„ rieus hebben onderhouden, met last om ze, al was het voor betaling, in een genoegzaam getal te bezorgen, waertoe hij beloofd heeft zijn best te zullen doen. De muitelingen houden hun in zoo verre rede lijk stil, echter dwaalen zij dan hier den daer, en wij hebben nog niet agter het regte geheim kunnen komen, wat eijgentlijk hun verder begeeren is, schoon wij ten den einde zoo geno„ naemde, vertrouwelingen tot een on„ „derhun, gesonden hebben, maer zij vertrouwen niet ligt iemand, en wij weeten ook niet meer wien we ver„ trouwen zullen indien uwelEdele Groo Achtb: ons een paar bekwaeme Ar„ raatjes, of appoehamies konde sen„ „den, die wel ter sprack zijn, en ver„ „trouwen kunnen inboezemen, zo zouden wij ens wij mogelijk een nuttig gebruik van hun konnen maeken wij zullen dezen besluiten met 's komp:s belangens in de veilige hoede Godes en ons in uwelEdele Groot Achtb: aan„ houdende gunst te beveelen, en met alle trouwe en Eerbied te verbleiven /:onderstond:/ Wel Edele Pestr: Proot Achtb: Hoog Gebiedende Heer! uwel Edele Gestr: Groot Achtb: Gehoor„ „zaame Dienaaren. /: was geteekend:/ D: I: Fretz: en A: Pamlant /:inmargine:/ Matu„ re Den 13 Junij 1790 /Lager:/ P: s: uit beduij„ „ting dat dese brief som wijlen difnagts zoude konnen absent raaken word bij eerst den 14: 'smorgens afgezonden. wij hebben ook raadzaem geoordeelt om zen„ deze vermelde valsche olas hier nevens te zenden. Accordeert Nagezien Miaes Corn:s Johianns Idé gizue klerk 2 1585 De kommissarise van weegen de gevenereerde Ceijlonsche regeering. D E: E: Heer Dietric thomas Fietz: opperkoopman en Dessave der kolombosche ommelanden. D: E E. Heer Abraham Samlant, koopman en Nego„ tie Boekhouder aldaer mitsgaders D: E: E: Heer M:r Christiaen van Angelbeek opperkoopman Gaals sekunde Desseve der Matureese Landen Saturdag den 12. Junij Anno 17:90: — uit hoofde van de in de gepasseerde nagt van Gandure van den Luijtenant de E. Weber, die gisteren met een detachement na gem: plaatst vertrokken is om postle vatten, ontvangene tijding, dat de muile„ „lingen hem omringt hadden, en dat zijn Aantekening Gehouden bij sessie van volk t Broot Gehoor u„ op e „volk niets te heten had, alzo daer niets gevonden zij en den Moddeliaer weggegaen was, om pro„ visies te besorgen, zonder weeder te koomen is goed gevonden en verstaen, om se cours na Gandure te zenden, van de kadet adjudant van Meuron en 60 koppen zo onderopficiers als gemeene onder aanvoering vanden Ca„ piteijn Kommandant de E. Baron Hiro„ „minus Casimerus Carolus De Prokho. „low, en tevens meede te zenden de nodige Levensmiddelen, proponeerende voorts de Heer Dessave Fretz: om een Samas voor uit tezenden ten Einde de ingezetenen te vermettigen, dat de kommandos. alleenig uitgezonden zijn uit hoofde dat zommige kwaadwilligen der muijtelingen de huijze van den Mohandiaam van Attoedewe, n van de Jagereros aratje te Madde oejan„ godde gespolieerd hebben, en wijl men onderrigt is dat meerere diergelijke be„ „driegingen

NL-HaNA_1.04.02_3883_0841 view scan ↗

English

threats had been made, and thus to protect the loyal inhabitants. His Honour further proposed that, in order to prevent any mishaps from occurring with the dispatch of the additional detachment to Gandure and to ensure that the true purpose of its dispatch might be better achieved, he should go along in person, and likewise notify the mutineers thereof by a further sannas; His Honour deemed that in this case he should also have free hands either to reinforce the detachment at Gandure and act according to the circumstances of the time, and if necessary repel force with force, or completely withdraw that detachment if the inhabitants should so request, provided the prestige of the Company were not compromised thereby; and subsequently to return hither from there this afternoon at three o'clock, either with both detachments or with the one now departing; and that furthermore at three o'clock this afternoon a command under an officer should likewise be sent from here to meet His Honour, with orders, if necessary, either upon receiving any intelligence that makes it necessary, or in the event of His Honour not appearing at four o'clock at Deondura, to march to Gandure and join with His Honour; as the sending of this latter detachment, even without any incident, could have its utility and a good effect on the minds of the mutineers, and the soldier would also become somewhat accustomed to marching. With which proposals the Honourable gentlemen van Angelbeek and Aamlant fully agreed, wishing His Honour a prosperous journey and a safe return. Thus recorded at the Fortress of Mature on the date and in the presence as stated in the heading hereof. Was signed: D. T. Fretz, A. Pamlant, and C. van Angelbeek. Below stood: Agreed. Signed: M. P. Palm, authorized. Agreed: Corns Johanns Idé, sworn clerk. Examined. Done. Report of Aboie wickreme Goenesegere, Mohandiram of the Gangebaddepattoe, resident of Alloedawe. Relates that this afternoon between one and two o'clock, the mob gathered from the Belligam Korle, estimated to be two thousand five hundred heads strong of common people, among whom were the following lesser headmen, namely the Attoe Korle Araatje, a brother of his also being an Araatje, Denepittie Roepesinge Aratje, the Korle Lieme Araatje, Malemadde Ridaen Koeroepoe Araatje of Mallemadde, Henegamme Keandoewe Redoue Aatje, the Nidaan Araatje of Marembe, the Ridaan Aratje of Hoedoelgodde, the Attepattoe Kandehe Kangaen, and all the other lesser headmen of the Belligam Korle, came to his residence with the intention, as he, the Mohandiram, subsequently learned, of capturing him, the Mohandiram, and the Modliaar de Saram, whom they believed was still with him, the Mohandiram. That he, the relater, seeing this furious multitude approaching from afar, no longer considered himself safe, and therefore immediately took flight with a thony to the opposite side of the river behind a forest named Goeroelawakke near which was a height. That he, the relater, being upon this hill, spied upon the whole crowd and saw that they ransacked his house, broke open doors and windows, and plundered his goods. That he also saw that they maltreated his brother, the Vidaan Aratje of Attoedawe, and dragged him away with them, just as they also severely beat three of their servants, as was also further related to him, the relater, by some of his servants who had come to find him, the relater. That these had related to him, the relater, that the assembled mob of the Belligam Korle who had come there had sought him, the relater, and the Moddeliaar de Saram, believing that they were still together; that thereupon they had smashed the doors and windows to pieces, taken the bolts and hinges with them, ransacked all the rooms, dragged chests and cupboards outside and opened them, plundered the goods, took most of the porcelain ware with them, smashed pots and pans to pieces, destroyed three palanquins and ten plows; in short, everything that they found together or thereabouts they either took with them or ruined. That he, the relater, found that the paddy carried away from there by the mutineers—Company's paddy, paddy of the Moddelaar of the Gangebaddepattoe, his the relater's own paddy, and that of his brother—amounted together by estimation to five hundred amonams; that of all the paddy that he, the relater, had at home, no more remained than twenty bags of his own and six bags belonging to his brother. The relater estimates the damage suffered by him hereby, both in the loss of gold, silver, jewels, cash, and other goods and clothing, at seven thousand rixdollars, and that of his brother, the Vidaan Aratje of Attoedawe, at four thousand two hundred rixdollars, as well as a large chest containing goods, locked and sealed, deposited with him for safekeeping by Hendrik Henddriksz, who lives near the Boode Bolonge. That the mutineers the day before yesterday from him, the relater

Dutch transcription

1516 „drijgingen gedaen zijn geworden en om dus de goede ingezetene te dekken. Terwijl zijn E: E: alverder proponeerde om tot voor„ kooming dat geene onheilen met zijn het „zenden van het nadere Detaclement na Gandure mogten ontstaen, en het waere oogmerk van dies zending te beter mog„ „te bereijkt worden, zelfs meede te gaen, en daer van insgelijks bij een naedere san„ nas de muijtelingen kennis te geeven, ver„ „meenende zijn E: E: in dit geval tevens vrijehanden temoeten hebben om het De„ tachement te Gandure teversterken, en te handelen na tijds omstandigheeden en des noods geweld met geweld te keer te gaen; dan wel dat detachement ge„ „heel in tetrekken, zo de ingezetenen daerom mogte verszoeken mits daer door het aanzie van de komp: niet gekompro„ mitteerd wierd; en vervolgens van daer heeden gen heeden nade middag om drie uuren het zij met de beide Detachementen, dan wel met het geene dat nu vertrekt, weder na herwaerds terug te keeren; en dat voorts heeden middag om drie uuren van hier insgelijks een kommando van een officier zijn Edele tegemoed gezonden wierd met order om, des noods, het zij bij eenige te ont„ „vangene tijding die het nodig maekt dan wel bij niet opdaging van zijn E: E: om veer uur te de ondura, tot na Gandure te marcheeren, en zig met zijn E: E: te konjungeeren, terwijl de sending van dit laatste Detachement zelfs buijten eenigen voorval zijne nuttigheid en goede uijtwerking op de gemoederen der muij„ belingen konde hebben en den soldaat ook wat gewond sewierd aan het marcheeren. Met welke voorstellen de E: E:s van Angelbeek en Aamlant zigten vollen konfiameerden en zijn Edele eene voorspoedige reize en behoude terug komste wenschten Aldus 1517 Aldus aangetekend ten Fortresse Mature dato en ter Presentie als in den Hoofde deezes vermeld. /:was geteekend/ D: T: Fretz: A„ Pamlant en C: van Angelbar /:onderstond:/ Akkordeerd /:getekend:/ M: P Palm geauth: Akkordeert Corns Johanns Idé gozeeklerk Nagzzeen Aede 1518 Relaas van Aboie wickre „me Goenesegere Mohandi„ „ram van de Gangebad depattoe inwoonder van Alloedawe. Relateerd dat heeden middag tusschen een en twee uuren de te zamen gerotte hoop van de Belligam korle naar gissing sterk twee duijzend vijf hondert koppen gemeenen waer onder de volgende mindere hoofden geweest waeren naamentlijk de attoe korle araatje, een broe„ „der van hem zijnde meede araatge Denepittie Roepesinge aratje, De korle lieme araatje Malemadde ridaen koeroepoe araatje van Mallemadde, Henegamme keandoewe redoue Aatje, de nidaan araatje van Marembed de ridaan aratje van hoedoelgodde, de atte„ pattoe kandehe kan gaen en alle de verdere min„ „dere hoofden van de Belligamkorle aen zijn wooning gekoomen waeren, met in„ tentie gelijk hij mohandinam naader vernoo„ men „men heeft gehad om hem mohandiram op te vatten en den modliaar de saram die zij meenden dat nog bij hem Mohandiaam was: dat hij rela tant van verren deeze moeste meenig te zien „de aankoomen, zig niet meer zeker geagt heeft, en heeft desweegen ten eersten de re vlugt genoomen met een thonij naarde over „zijde der riviere agter een bosch goeroela wakke genaemd waer omtrend een hoogte was; dat hij relatant op deeze heuvel zijnd de gantsche meenigte bespied heefd gehad en gezien, dat zij zijn huis ontvanponeerden en deuren en vensters opbraeken en zijne goederen roofden. Dat hij tevens gezien heeft dat zijn broeder de vidaen aratje van attoeda „we mishandelden en met hun wegsleepten, gelijk, zij ook dree dienaars van hun deeklijk geslaegen hebben gelijk hem relatant dit ook naeder verhaald was geworden door eenige van zijne bediendens die hem relatant waere koomen 1519 koomen vinden dat deeze aen hem relatant verhaeld hadden dat de tezaemen gerotten gemeente van de Belligam korle die aldaer gekoomen waeren naar hem rela„ tant en den moddeliaar de saram gezogt hadden meenende dat ze nog bij malkander waeren dat zij daer op de deuren en vensterf hebben in stukken geslaege de Grendelsen hengsels meede genoomen al de vertrekken door snuppeld kisten en kasten naar buijten gesleept en geopend hadden de goederen geroofd het meeste porcelijnen werk na haer genoomen, potten en pannen instukken geslaegen, drie palankijns, tien ploegen vernield kortom al het geene zij daer bij een omtrent gevonden hebben of meede genoomen of verruineerd hebben gehad, Dat hij relatand bevonden heeft dat de voor de muijtelingen van daer meede wegroerde kompagnees e kompagnees nelie, nelie vande moddele aar van de Gangebad depattoe, zijn relatants eige nelij en dat van zijn broe„ „der bedraegen heeft te zaemen naer gissing vijfhondert ammonams dat van alde nelij die hij relatant tehuijs gehad heeft niet meer overgebleeven was dan twintig zakken van de zines en ses zakken die zijn broeder toebehoorden. De Relatent begroot de schaede door hem hier bij geleeden zoo aan het verlies van Gouden zilver, Juweelen, kontanten en andere Goede „ren en klederagien op zeven duijzend rd:s en dat van zijn booeder de vidaen aratje van attoe „dawe op vierduijzend twee honderd rd:s als meede een groote kist met goederen gesloote en verzegeld, bij hem door Hendrik Hend driksz: die bij de Boode Bolonge woond in bewaering gegeeven. Dat de muijtelingen eergisteren van hem relateurd

NL-HaNA_1.04.02_3883_0851 view scan ↗

English

the declarant and the moddeliar of the Pangebad depattoe had shot dead and taken away a boar, a sow, and twelve sucking pigs. The declarant concludes this his declaration by saying that he, for fear of being discovered by some of the other mutineers, without coming down from the front of the hill to go home, hurried here to give notice to the Right Honorable Commanding Lord Grand Dessave of Mature. The declarant desires that it will be inserted in this his declaration that he has suffered all this great damage for the reason that he did not join the mutineers, but remained faithful to the Honorable Company. Thus declared at Mature today, 8 June 1790, at half past eleven o'clock at night. Signed with an illegible Dutch signature. For the translation, signed M. F. Palm. Was F. M. F. Palm, authorized. In the margin: for the translation, signed D. S. Generat, sworn secretary-interpreter. Below stood: Agrees. Was signed M. P. Palm, authorized. Agrees, Cornelis Johann Jsi, sworn clerk. Examined, Maees. Declaration of the soldier Cherwre Basel Chanse of Danche annasou, stationed here in the garrison but dispatched on detachment to Pangale. Who declares that having taken leave from his commander, the Honorable Valiant Lieutenant Bijer at Jangale, to go to Mature for springtogt to see his wife and children and at the same time to provide himself with some necessities, he departed from Jangale yesterday morning at half past five o'clock. That when he, the declarant, was about to depart from Jangale, the standardizer Vroom, who had arrived at Jangale from Baddegiree and also intended to come hither, told him, the declarant, that he should simply march ahead, that he would follow the declarant shortly. That he, the declarant, thereupon departed, and halted along the way up to two times to wait for the said standardizer, the first place unknown to him, the declarant, but the last resting place having been at Dekwelle. That he, the declarant, at this place, went to sit for a while on the stoop of the rest house, which was completely locked up, without noticing anything, until shortly thereafter the vidaan of Dekwelle came to him and said to him, the declarant, why he remained sitting there all alone and so solitary, he had better go with him to the lascoreen guard, where there were still some people and company. That he, the declarant, did so, and arriving at the lascoreen guard found there three lascoreens, six Sinhalese with walking sticks in their shirts, and, by estimation, 15 to twenty Moors, but that he, the declarant, could not discover among these the slightest unrestful movements. That he, the declarant, requested a lante or young coconut from the vidaan to quench his thirst, that the latter also ordered someone of the linds to fetch one, but as he, the declarant, after a long wait neither saw nor received anything, and also did not see the aforementioned standardizer coming, he said to his servant that they would continue their journey to Mature. That he, the declarant, arriving near Bamberende, encountered an outstationed post where he found two Sinhalese, each with a long heavy stick, besides two others, each with a musket, two ditto with lances, and some cutlasses and katanes, by estimation twenty heads strong, who surrounded him, the declarant, and asked where he came from and where he was going. That having answered this, he was taken by the hand by a person of more or less prominence among the crowd, who carried a talpat, and proceeded forward as if speaking with him, but that he, the declarant, could not understand the said person, whom he took for an arachchi, and as it appeared to the declarant, this person also did not understand Portuguese, in which the declarant had addressed him. That the declarant, while walking, hearing his servant scream and say, "Senhor, they want to take away your coat from me," turning around, saw that one of the crowd was indeed trying to take the coat by force. That he, the declarant, then called out and ordered the said arachchi to leave the coat alone and not to trouble his servant. That he, the declarant, considering this arachchi to be a decent man, and who, so it seemed, meant very well with him, the declarant, took his cutlass, which hung on his shoulder by the baldric, and placed it around the neck of the arachchi, who laughed at this and stepped forward with him very gravely. That he, the declarant, having in the meantime put on his coat, took the cutlass back from the arachchi and put it on himself, and continued his journey with these people. That these people led him to Bamberende, where the assembled mutineers, by estimation fifteen hundred heads, among whom 400 heads with muskets, many with lances and sticks, were gathered together. That he, the declarant, saw there a cot over which a mat with a white cloth was spread, and on both sides, somewhat forward from the said cot, two guards posted, each with a musket. That when he, the declarant, arrived there, they offered him to sit for a while on the said cot, to which he, the declarant, replied that he had no time to tarry longer, as he wished to be in Mature early, but they nonetheless made him, the declarant, wait. That shortly thereafter some persons arrived, for whom way was made, and that he, the declarant, recognized among these Maddugoda Appu, who immediately went to sit on the said cot, having with him another person who was fairly fair-skinned and young, but whom he, the declarant, did not know.

Dutch transcription

1520 relatand en den moddeliaer van de Pangebad„ „depattoe een Beer een zog en twaelf speen ver„ „kens dood geschooten en meede genoomen hadden. de relatant eijndigt dit zijn relaes met te zeggen dat hij uijt vreese van door„ eenige der andere muijtelingen ontdekt teworden, zonder van voorzijde heuvel afkoomende, na huijs te gaen, hier na toe gesneld is om kennis aan den WelEdelen Gebiedenden Heer Groot dessave van Mature te rgeeven de relatant begeerd dat heer bij zijn relaas geinsereerd zal worden dat hij alle deeze groote schaede geleeden heeft gehad om reeden hij zig bij de muijtelingen niet begeeven maar D: E. komp:e getrouw gebleeven Aldus Gerelateerd Mature heeden 8' Junij 1790 snagts ten half twaelf uuren /.getekend:/ met een nederduijts onleesbaar hand te„ kening :/: voor de Translatie /. geteekend:/ M: F Palm was F M: F: Palm geauth: /:inmaagine:/ voor de vertaaling /:geteekend:/ D: S: Generat gez: sek: tolk: /:onderstond:/ Akkordeert /:was geteekend:/ m: P: Palm geauth: Accordeert Corns Johann Jsi gezee klerk Nagezien Maees 1521 Relaas Van den alhier in het Guarnizoen bescheiden zijnde dog naer Pangale in kommando ge=Expedieerde sol„ „daat Cherwre Basel Chanse van Danche annasou, Dewelke, Relateerd dat hij van zijn komman„ „dant den E: Manhaften Luijtenant Bijer te jangale verlof genoomen hebbende om voor springtogt naar Mature tegaen om zijn vrouw en kinderen tezien en hem tevens van eenige benodigd heeben te voorzien gisteren morgen ten half ses uuren van Jangale vertrokken is: dat toen hij relatant van Jangale stond te vertrekken . de Eijkmees ter vroom die van Baddegiree te Jan gale aangekoomen was, en meede voor„ „neemens was om herwaerds te koomen tegens hem relatand gezegd heeft gehad dat hij maar voor uijt moest mar„ „cheeren marcheeren, dat hij den relatant kort na zoude volgen dat hij relateurt daer op ver„ „trokken was, en onderweegen tot twee reizen halt gehouden heeft gehad, om na gedagte Eijkmeeste tewagten, de eerste plaatst hem relatend onbekend dog de Laetste rust plaats te Dekwelle geweest zijnde, dat hij relatant aan deeze plaatst, een poos aen het rusthuijs, dat overal digt geslooten was op stoep is gaen zitten zonder iets te verneemen, dan een wijnig daer bij hem de vidaen van Dok welle gekoomen was, en tegens hem relaten gezegd had wat hij daer alleenig en zo een „zaem bleef zitten hij moest liefste met hem naar de Laskorijns wagt, gaen, daer nog ee „nig volk en aanspraak was dat hij re„ „latant zulks gedaen heeft gehad, en aen de Laskorijns wagt koomende aldaer ge„ „vonden heeft, drie Laskorijns, ses senga„ „leesen met wandelstokken in hunne hemden en 1522 en naer Gissing 15: à twintig mooren- dog dat hij relatant onder deeze geen de mins„ „te onrustige movementen heeft konnen ontdekken. dat hij relatant devidaen om een Lante of Jonge kokernoot verzogt leeft gehad om zijn doost te klesschen, dat dee„ ze zulks tegens imand van de Lijnds ook belast heeft gehad om te haelen, dog al zo hij relatant na lang wagten niets en zag nog kreeg, enden Eijkmeester voorm: ook niet zag koomen teegens zijn dienaer gezegt heeft, zij zouden hunne reize naer mature vervorderen dat hij relatant om„ „trent Bamberende koomende ont„ moet heeft een uitgezette post daer hij twee singaleesen ieder met een lan„ „ge zwaare stok gevonden heeft benevens twee anderen ider met een snaphaen twee d=o met lansen en eenige houwers en katanes, na gissing twintig koppen sterk sterk die hem relatant oms ingeld en gevraagd hebben van waer hij kwam en waar hij na toemoesten, dat hij hier op bescheid gedaen hebbende door een persoon van min of meer aanzien onder den hoop die een talpat voerde, bij de „hand genoomen was en als spreekende met hem voortgegaen was dog dat hij relatant gedagte perzoon die hij voor een aratje aangezign heeft, niet heeft konnen verstaen en na 't hen relatenrt voorgekoomen was heeft deeze perzoon ook geen portugeesch, daer de relatant hem in aangesprooken heefd gehad ver„ „staen dat hij relatant onder het gaen zijn dienaer hebbende hoor en schreuwen en zeggen sin jeur zij willen je rok mij af„ neemen hij zig omkeerende gezien heeft dat werkelijk eene uit de hoop de rokt zogt te ontweldigen dat hij relatant toen toegeroepen C 1523 toegeroepen en de ged: aratje gelast heeft gehad de vok te laaten en zijn dienaer niet temoeijen: dat hij relatent deeze aratje voor een ordentelijk man aanziende en die zoo het scheen seer wel met hem relatant dat za aratja van een ordentelijke man aan ziende, en die zoo het scheen zoeke wel met hen rabatart meenden zijn houwer die hij om de schouder hand hangen aan de portapoe afgenoomen en die om den hals van den aratje gedaen had die daer over lachter en zeer diftig met hem voorstapte Dat hij relatent inmiddels zijn rok aange schooten hebbende, de houwer van den araatje weder afgenoomen en zelve om goed heeft gehad, en met deeze lieden zijn reize voort ge„ zet heeft gehad dat deeze lieden hem ge„ leed hebben tot Bamberende daer de verga„ „derde Muijtelingen na gissing vijftien hon„ „dert koppen waer onder 400 koppen met snaphaenen e snaphaenen veele met lansen en stokken bij malkanderen waeren, dat hij relatant daer gezien heeft gehad een kooij waer over een mat met wit kleed gespreid was en aan weerzij zen wat voorwaards van gedagte kooij twee wagten geposteerd ieder met een snap„ „heen dat toen hij relatant daer gekoomen was, zij hem gepresenteerd hebben om op ged:e kooij wat te gaen zitten dat hij telaten daer op gezeyd had geen tijd te hebben om lan „ger tetoeven alzo hij nog vroegtijdig op Ma „ture wilde weezen zij hem relatent nog „tens hebben doen wagten dat kort daerop ee„ nige versoonen waeren aangekoomen voor welk ruijm baan gemaakt weerd dat hij relatant onder deese gekend heeft gehad Maddoe god de appoe, die aanstonds op gedagte kooij gong zetten hebbende bij hem nog een perzoon die aaredelijk blank en Jong was dog welke hij relatemt niet nende

NL-HaNA_1.04.02_3883_0861 view scan ↗

English

known and seemed to be the second in rank there, that one of the stationed men who had a flintlock by his foot was the mohandiram Mitmil who lives at Walasmoelle, who served him, the deponent, as interpreter because his servant had fallen among the crowd out of fear and could not reach him; that the said mohandiram said to him, the deponent, when Madoegodde Appoe arrived: look there, this is the head and ruler of us all; that he, the deponent, having been brought before the same, was interrogated by him as to where he, the deponent, came from, where he was going, for what reasons, and whether he had also taken letters along to deliver, whether any other persons followed him or were about to follow behind; that having answered as above, to the remaining questions he said that he had no letters with him and that he was to be followed by the corpse-bearer, that that Madoegodde Appoe and some others thereupon said: oh, the measurer Wentje Vroom, we know him well; that subsequently he, the deponent, was ordered to take off his cutlass that was hanging on his baldric, upon which he, the deponent, said that the cutlass he carried was the weapon of the Honorable Company, which he was not permitted to put down; that the mohandiram Witinee, who had known the writer at Walasmoele and Morruakoole, advised him, the deponent, to lay down his cutlass nevertheless, to which he, the deponent, said that he wished to relieve himself of it, but would surrender it to no one; that Madoegodde Appoe thereupon climbed onto the said bank and, standing upright, took a pike and aimed it at him, the deponent, just as if he intended to use it against the deponent, ordered that he should surrender his cutlass, surrender, and repeatedly aiming with the lance, said: will you give it up, will you give it up; the mohandiram Witmee said: you had better just give up your cutlass; that he, the deponent, thereupon said that in order to relieve himself of it he would hand it over to his servant and to no one else; that Madoegodde Appoe, threatening him, the deponent, that they would impale and murder him on the lance, which would redound much more to their honor or advantage; that he, the deponent, upon the persistence that he lay down his cutlasses, having called his servant, placed the same into his hands, whereupon one of those present wanted to take the cutlasses out of the hands of the said servant, which he, the deponent, prevented, being assisted therein by a crowd; that Madoegodde Appoe finally giving him, the deponent, permission permission to depart, said that he could return to Mature or Jangale, but must no longer pass that road, because if he fell into their hands again they would murder him, or else bring him into a great barbarity, and that he, the deponent, arriving at Mature, must say to the Noble Ruling Lord Dessave that whenever His Noble Ruler should send people inland again and they fell among them, they would have them beaten to death, stabbed to death, shot to death, or inflict some other violent death upon them, and that Madoegodde Appoe thereupon gave him, the deponent, two persons as escort and let him depart; that he, the deponent, found almost the whole road from Bamberende as if strewn with people, and at the same time encountered several stationed posts, all of which mostly detained, detained, troubled, and as far as he knows insulted him; that the two persons sent along with him had great difficulty, in the name of Madoegodde Appoe, in preventing them from interfering, so that they let him, the deponent, pass unmolested; and that these two, having escorted him as far as Deondura, wished him further a good journey and turned back; that he, the deponent, encountered nothing further worthy of mention on this journey of his. Thus related within the fortress of Mature on the 9th of June in the year 1790. Was signed with a mark, and written around it: this is the mark of the Deponent. Below stood: in my presence, signed: M: f Palem, authorized. Below stood: agrees, was signed: M f Palum, authorized. Agrees, Corns. Johianns: Pelé, sworn clerk. Examined, Mueel. Report of the araatjie and kangaen, by name Don Siman Jasienge Ammeretoenge, aratje of the attepattoe, and Don Louies Cammerenaijke Seneweere, komgaen of the addiegariemandoe, sent out on the seventh of this month by the Noble Ruling Lord Dessave Mr. Christiaen van Angelbeek with a summons from the Right Noble, Rigorous, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord Willem Jacob van de Graeff, Governor and Director of the Island of Ceilon and its dependencies, to the assembled gatherings in the Belligam Korle. Who report that, in accordance with the received, highly honored order from the aforementioned Noble, Rigorous Lord Dessave of Mature, they departed from here the day before yesterday with the abovementioned summons in order to publish it to the said gatherings. That they, the deponents, departing from here as far as

Dutch transcription

1524 kende en scheen de tweede en rang aldaer te zijn, dat een van de geposteerde die een snaphaen bij de voed had de mohand iram mitmil die te walasmoelle woond, was hem relatant voor tolk heefd gediend al„ zoo zijn dienaer uit vreese onder de hoop geraakt was, en bij hem niet konde koomen dat ged: mohandinam te gens hem relatent toen madoegod de appoe aanquam gezegt heeft te zie daer deeze is onzer aller hoofd en gebie„ der dat hij relat: voor den zelven gebragt zijn„ „de door den zelven is ondervraegd geworden waer van daan hij relatant quam waer na toe hij ging, om welke reedenen en of hij ook brieven te bestellen meede genoomen had of er ook eenige andere perzoonen hem volgden of stonden agteraan te koomen dat hij als hier vooren geandwoord hebbende de overige vraegen gezegd had geene brieven bij zig te hebben en van den lijkmeester stond gevolgd teworden dat dat madoe godde appoe en eenige ander daer op gezegd hebben, ou Eijkmeester Wentje vroom wij kennen hem wel- dat vervolgens aan hem relatant geordonneerd is geworden om zijn houwer die hij aan de portape had hange„ afteneemen hij relatant daer op gezegd had dat de houwer die hij droeg 's E: komp:s wal„ „pen was die hij niet vermogte aftelegen dat de mohandiram witinee die derecatair te walasmoele en Morruakoole gekend had hem relatent geraeden heeft, omdog zijn houwer afte leggen, dat hij relatemrt daer op gezegd heeft dat hij hem wil de daer van ontlasten maer aen niemand overgeeven, dat madoe god de appoe daer op, op de ged: kor„ geklommen en over ijnd staende, een piek genoomen heeft en daer meede op hem alla tant mikkende, even als of hij dezelve op den relatant voorneemens was tewer„ „ken, gelas heeft dat hij zijn houwer zoude afgeeven 1525 afgeeven, en telkens almikkende met de Lans gezegd heeft, wilt heij wel over geven, wilt gij wel overgeeven, de mohandiaam wit mee gezegd heeft geeft jou houwer maar liever af, Dat hij relatant daer op gezegd heeft, dat om hem van deselve de ontlasten hij deselve aan zijn die naer en aangee andere overgeeven dat madoegod de appoe hem relatant drijgende aan den lanste zullen spetten en vermoorden veel meer hun tot eere of voordeel zoude strekken dat hij relatant op het aanhouden om zijn hou„ wers afte leggen, zijn dienaar geroepende hebbende, dezelve indies handen gesteld heeft waar op een van de daer bij zijnde de houwers uet handen van gem: dienaer wilde afneemen hig relatent zulks belet heeft gehad, zijnde daer in door een menig„ te geadsisteerd geworden dat madoegod„ „de appoe hun relatant eijndelijk ver„ „lof „lof geevende om tevertrekken gezegd heeft dat hij konde naer Mature of Jangale keeren maar dier weg niet meer moeste passeeren, wend dat zo hij onder hunne dan „den weder viel zij hem vermoorden, anders in een groot barbarijnsch brengen en dat hij relatant op Mature koomende aanden wel Edelen Gebeedenden Heer Dessave moe „te zeggen dat wanneer zijn wel Edele Gebiede „de weer volk landwaerds zond, en de zelve onder haer verviel, hij dezelve zouden doen dood slaen, doodsteeken, doodschieten of een ander geweldigen dood, aandoen en dat madoe god de appoe daer op hem relatant „geleide twee perzoonen ten gebeede had meede gegeev en laeten vertrekken: dat hij relatant ge„ noegzaem de heele weg van Bamberen de met volk als bezaaid gevonden heeft gehad en tevens verscheide, uitgezette pes„ „ten ont moet heefd welk alle hem meest opgehouden 1526 op gehouden gemoeid en zo hij niet beter weet affronteerden dat de, met hem meede 't gegeeven twee perzoonen veel moeite gehad heb„ „ben om haer lieden uit naem van Madoegod de appoe te beletten dat zij hem relatant on„ gemoeid lieten passeeren en dat deeze twee twee hem tot Deondura gekonfoijeert heb„ „bende hem verders goed reise gewensch hebben terug gekeerd zijwen dat hij relatand niets noemens waardig verders op deeze zijn reijs ontmoet heeft Aldus gevelateerd binnen de fortresse Maturet leeden den 9 junij Ao 1790 /:was geteekend:/ met een karakter en daer omme geschreeven dit is het merk van den Relatent /:onder„ stond:/ in anij kennis /:getekent:/ M: f Palem geauthoriseerd /:onderstond:/ akkordeert /: was geteekend:/ M f Palum ganth: Accordeert Corns. Johianns: Pelé getue klerk Nagezien Mueel 1527 Relaas van de door den wel Ede„ „len Gebiedenden Heer Dessave Mr. Christiaen van Angel„ „beek op den sevenden dezer met de een somnas van den wel Ede¬ „len Gestrengen Groot Achtb: wijd gebiedendend Heer Willem Jacob van de Graeff, Gouverneur en Direkteur van het Eiland Ceilon en dies onderhorigheeden naer de zamen gerotten ge„ meenten inde Belligam korle„ uit gezonden araatjie en kan„ gaen in naeme. Don siman Jasienge ammeretoenge arat„ je van de attepattoe en Don Louies Cammerenaijke seneweere kom„ „gaen vande ad die gariemandoe. dewelken relateeren dat zij ingevolge bekoomen veel geeerde ordre van welgem: wel Edele Gestaenge Heer Dessave van Mature eergis„ „teren van heer vertrokken zijn met bovengem: sommas om aan gedagte samen rottingen te publiceeren. Dat zij relatanten van hier vertrekkende tot

NL-HaNA_1.04.02_3883_0868 view scan ↗

English

had encountered nothing remarkable until Palletoewe, but coming to Paletoewe found an outstationed Lascarin post there, numbering 3 heads, to whom, being asked, they had answered whither they were sent; that these people gave someone along with them as far as the post at Indigasdoewe in the Belligam Corle, where they likewise found 3 heads keeping watch as Lascarins, who, having understood the reason for their mission, detained them there and meanwhile sent someone to Maligahetenne to report that the declarants had arrived at Indigasdoewe with a sannas, and to inquire whether they wished to admit the declarants or not. That the declarants, upon receiving an answer, subsequently went to Maligatende under the escort of a Lascarin who had been sent from the last-mentioned place. The declarants, arriving there, met, by estimate, one hundred heads, as well as the vidana of Mallimadde, the koeroepoe aratje, the leene atjile of Malimadae, Malaxie kangaen, and some other minor headmen whom they did not know by name. That these, after having asked the aforementioned customary questions, ordered them to read the brought sannas aloud first. That the second declarant having done this, someone was given along by the mentioned minor headmen to convoy them as far as the ferry at Welletotte, where there were a kangaen named Maneekgodde and two Lascarins. That the mentioned kangaen had their declarants brought by a Lascarin to Oenindevele, and arriving there was brought by a Lascarin to the village Kaddoewe, where they found the gathering estimated at five hundred heads strong, among whom were the following minor headmen, namely: Kaddoekanne attoekoorle aratje, the brother-in-law of Madoegodde appoe named Gannewatte appoehamie, Abekoon aratje, the vidana of Malidoewe, the vidana of Marembe, and several other minor headmen. That they thereupon handed over the sannas to Kaddoekanne attoekoorle aratje, who had the same read aloud by the lieune atjele. That the mentioned Gannewatte appoehamie, after the sannas had been read, requested of the attending minor headmen that they declarants might be detained there under arrest and taken in custody to the Morruakorle, because from the sannas brought by them nothing certain yet appeared that the least satisfaction had been given to the grievances and requests submitted by them in thirty-six articles, saying that it was only done to gain time and to delay them with fabricated messages and by sending sannases to them that amounted to nothing, consisting of nothing but fine and flattering promises; that he, Gannewatte appoehamie, therefore requested that one should detain and punish such message-bearers. That the mentioned Gannewatte appoehamie began to taunt the declarants, and was followed therein by the others with mockeries. That the minor headmen finally, having granted the request of Gannewatte appoehamie, twenty-four Lascarins were ordered to bring the declarants into custody to the Morruakorle; that these 24 heads were armed with flintlocks, cutlasses, and some also with lances. That the declarants, upon such an unexpected sentence, commanded the minor headmen that they would consider that they were subjects and servants of the Lord Dessave and the Honorable Company, and that they were therefore greatly obliged to obey and respect all such orders to which they were sent out or employed. That the declarants were meanwhile taken away without getting the least hearing; that after the lapse of some six to seven hours they were brought forward again, and coming before the minor headmen, some allowed them to depart, while others were against it, whereby dissension arose among the thought minor headmen. That the declarants, receiving the order to depart from the majority of these, requested that they would give them a message or answer in return to the sannas received by them. That the mentioned mutineers thereupon began to scold and rage at the declarants and had used expressions which they would not repeat for love or money, touching them somewhat to inform the Right Honorable Ruling Lord Dessave of Mature that when His Right Honorable Ruling sends them again with such like sannases which did not satisfy their desires, they would inflict such punishment upon the bringers as they shall deem proper. Thus related within the fortress of Mature today, the 9th of June Anno 1790. Was signed with two illegible signatures. Lower signed for the translation: M. F. Palm, authorized. In the margin for the oral translation signed: D. S. Leenarat, sworn clerk. Below stood: Agrees. Signed in the Palm, authorized. Agrees, Corns. Johanns. Pdé, sworn Examined, D. Haas

Dutch transcription

tot Palletoewe niets aenmerkelijk ont„ moet hadden, maer te Pale toewe koomen de aldaer een uitgezette Laskorijns post, gevonden hebben sterk 3: koppen aan welk zij /gevraegd zijnde geantwoord hadden wer„ waards zij gezonden waeren, dat deeze iemand van hun haer meede gegeeven hebben, tot aan post te Jndigasdoewe inde Belligam Corle daer zij meede 3: koppen wagt houdende l korijns gevonden hebben de welke de reeden van hunne zending verstaen hebbende hun aldaer aangehouden en inmiddels iemand naer Maligahetenne gezonden hebben on te rapporteeren dat de relatanten te jndigo „doewe met een semmas aangekoomen wa te verneemen of zij de relatanten wil den miteeren ofte niet: dat zij relatanten vervolgen op bekoomen andwoord, na Maligatende ge„ „gaen zijn onder geleide van een Laskorijn, dier van laatstgem: plaats gezonden is geworden, zij relatanten daer koomende ontmoet hebbe gehad, na gissing hondert koppen als meede de vidaam van mallimadde, de koeroepr aratje de Leenne atjile van malimadae Malaxie kan gaen een eenige andere min derhoofden P 1528 minderhoofden die zij bij naam niet en kenden dat deeze nade voorgem: ordinaire vraegen gedaen te hebben hun gelast hebben gehad te om de meede gebragte samas eerst voor„lee„ „zen dat de tweede relatant die gedaen hebbende door gem: minder hoofden iemand was meede gegeeven om haer tot aan het veer tot wel letotte te konvoijeeren daer een kan gaen genaamt maneekgodde en twee Laskorijns waeren dat gem: kon gaen hun relatanten door een Laskovijn heeft doen brengen tot oeninde vele daer koomende door een Laskorijns gebragt was naer het doop kaddoewe, daer zij de 'tzamen rot„ tinge naar gissing vijf honderd koppen sterk gevonden hebben daer de volgende minder„ „hoofden zig onder bevonden hebben namelik kaddoekanne attoekoorle aaatje, de swager van madoegodde appoe gen:t Gannewatte appoehennie abekoonaaatje de vedaen van Malidoewe, de vidaen van Marembe en nog eenige minderhoofden, dat zij daer op de sannas hebben overgegeeven gehad aan kaddoe kunne attoekoorle Araatje, die deselve door de Lieune atjele heeft laaten op leezen dat gem „newatte appoehanie na dat de sammas geleek „ la geleesen was geworden op de aanwijzende min„ „derhoofden verzogt heeft gehad, dat zij relatent aldaer in arrest mogte aangehouden en naer de Morruakorle in verzekeringe gevoerd worden, wijl bijde, door hun meede gebragte sam nas, als nog niets zeeker bleek dat aen de door hun, in ses en dertig artikels ingebrag „te bezwaeren en verzoeken het mins te vol„ „daen was, zeggende dat het alleen te doen was, om tijd te winnen en hun opte houden met geslaage boodschappen en seumassen haer rieden toe tezenden die niets om hem lijfh „den, als bestaende in loutere schoone en vli „ende beloften, dat hij gannewatte appoeha „mij desweegen verzogte, dat men zulke bood „schapbrengers moesten aanhouden, en af„ „straffen; dat gem: gannewatte appoehanne hi relatenten heeft beginnen te beschimpen, en daer in door de andere met bespottingen gevolgd waeren, dat de minderhoofden eijnd lijk het verzoek van Gannewatte appochan ingewelligd hebbende vier en twintig Laskorijns geordonneerd waeren geworden om de aelatanten naar de Morruakorle in verzeekeringte brengen dat deezen 24. koppen gewaapend waeren met 1 1529 met snaphaans houwers en sommige ook met lancen dat zij relatanten op zulken onverwagten vonnis de mindere hoofden ge„ „bieden hebben gehad dat zij wil den konsideree„ „ken dat zij onderdaenen en dienaars vanden heer Desseve en de Ed: komp: waeren, en dat zij deswegen grootelijks verpligt waeren om aan alle zulke ordreste gehoorzaamen en te respekteeren waer toe zij iitgezonden of ge„ emploijeerd waerden dat zeij relatanten in„ midaels agter af gebragt waeren geworden zonder het minste gehoor te krijgen dat zij na verloop van een uur ses a seven weder voorge „lijd zijn geworden en bij de minder hoofden koo„ mende sommige hun. veroorloofden om te vertrek„ „ken, andere daer tegens waeren waerdoor onder de gedagte minderhoofden oneenigheid ontstonden, dat zij relatanten van de meeste dezer order krijgende om te vertrekken verzogt hebben dat ze haer lieden een boodschap of antwoord wil„ „den mede geeven op de bij haer ontfange sanas= Dat gem: muijtelingen daer op, op de relatanten heb„ „ben beginnen te schelden en te raasen en ex paes„ sien gebruijkt hadden die zij om lief nog leed willen zeggen haar eenig betastende om aen den den wel Edelen Gebeedende heer Dessave van Mature te bedeelen dat wanneer zijn wel Edele Gebiedende hunr weeder met zoort gelijke sa nas die aan haaren begeerte niet voldede a zonden zij de brengers zulke straf zouden aandoen als zij vermeenen zullen te behooren: Aldus Gerelateerd binnen de fortaesse van matia heden den 9:' Junij Ao 1790 /:was geteekend:/ met twee onbesbaare hand teekeningen /:Lage voor de Translatie geteekend:/ M: f: Palm geauthr: /:inmarginee /: voor de mondelinge ver taeling /:geteekend:/ D: S: Lenerat gezw: sek volk /:onderstond:/ Akkordeert /: geteekend in 't Palm geautl: Accordeert Corns: Johanns: Pdé gezeeklert Nagezien D Haas

← previousnext →