VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3884

Ceylon · 1,016 pages · 160 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3884_0174 view scan ↗

English

have nothing to say about the mentioned Lord Dessave, all the more because it is not known to us whether any injustice has been done even to our subordinate chiefs, both great and small. In witness of what has been most humbly presented in this matter on 29 May 1790 by Abesiriwardene Jlangakoon, Mudaliyar of the Attepattoe; Widsewardene Naweratna Jinnekoon, Mudaliyar, Hunt and Sowing Master; Dissanaike Jillekeratne, Gajanayaka Mudaliyar; Abesiriwardene Goeneratne, Mudaliyar of the Belligam Corle; Widjesekere Jajetillekenatne, Mudaliyar of the Gangebaddepattoe; Wickremeratne Ekenaike, Mudaliyar of the Moruacorle; Abejewekkreme Bandaanaike, Mohandiram and oil supplier of the Four Gravets; Wickremeratne Bandarenaike, Mohandiram of the timber haulage; and Wieregoeneratne, Shahbandar of Belligam. was signed: J. W. Sinnekoon, D. J. Goeneratne, D. D. Saram, D. A. Perera, D. F. D'sa Banderenaike, and two illegible Dutch signatures. Below stood: For the translation, Matara, 30 May 1790. was signed: E. N. Weemeier. In the margin: signed for the translation: D. C. De Silva Dissanaike, Sworn Interpreter. Below stood: Agrees. signed: M. J. Palm, Authorized. Agrees, Sijbrands, W. Egkeerk. Checked, Spaar. Report of the appus who on Sunday, 30 May in the year 1790 were sent by the Honorable Severe Gentlemen Commissioners Diterich Thomas Fretz and Abraham Samlant with an order ola to the gathered inhabitants of the Belligam Korle and the Seigniory of Bellegam, and to those of the Wellebaddepattoe and the Girrewaijpattoe. Regarding the Belligam Corle and the Seigniory of Belligam, Uttawoedoe Aratjige Don Nikolaas Appuhamy of Colombo and Don Simon Kondare Appu of Matara report the following: That, in dutiful compliance with the aforementioned honored order, they proceeded to the Belligam Korle, and arriving at Malpelle, found there the assembled community gathered together to the number of well over 100 persons; to whom, having read out the order ola, they communicated that they also had orders to publish the said order ola in the Seigniory of Belligam. That these people answered thereto that the people of the said Seigniory also belonged to the assembly of the Bellegam Corle, and that they were to join them again the next day, to whom they themselves would then impart the contents of this order ola, and after they had made it known to them and to the others who belonged to these assemblies, they would send a written reply to the Honorable Severe Lord Dessave of Colombo. The aforementioned appus further report having heard the gathered common folk speaking aside and saying that the matter of Baddegivie seems to be left unsettled by the thought order ola. Furthermore, that upon publishing the aforementioned order ola, they found present the following chiefs, namely: the Attapattu Aratchi of the Belligam Corle and his brother, the Aratchi of the Aratchi Lascoreens, Roepekienge Korle Aratchi, and Arroemaperema Koditoeokkoe Aratchi, and several others. Below stood: Thus reported inside the fortress of Matara on 1 June 1790. was signed: with a Sinhalese and an illegible Dutch signature. Regarding the Wellebaddepattoe, the following appus, namely Toebesienge Appuhamy of Colombo and Don Simon Gammege Appu of Matara, report the following: That with the aforementioned order ola they proceeded to Bamberende, where they found a gathering of three to four hundred persons together. That having read out the aforementioned order ola to these people, they listened to it with much satisfaction and expressed their joy about it, and said that when they had spoken with the others of the assemblies about the contents of the said order ola, they would send word or an answer thereto. That among others, the following chiefs were present there: Bamberende Peropol Aratchi, the Vidane of Diekwille, and Wehelle Bitmeraal. Below stood: Thus reported on the day aforesaid. was signed: with a Sinhalese signature and an illegible signature written in Dutch. Regarding the Girrewaijpattoe, the appus sent thither, Narangesalle Giriwane Appuhamy of Colombo and Don Simon Hittie Appu of Matara, report: That with the aforementioned order ola they proceeded to the rest house of Kahawatte, and that they found there a gathering estimated to be 300 persons strong together. That they read out the order ola to them and subsequently handed it over to them. That the assembled community answered thereto that it was not evident from the said order ola that their matter had been settled according to their request, and that as soon as it should be completed according to their made request, they would then each return to their home village and carry out the sowers' work. That they would, however, speak about this matter with the rest of the assemblies, and provide a further answer. That among others, the following chiefs were present in this crowd, namely: Kahawatte Vidane Aratchi of Arangwelle, Aukohegodde Nellegamme Bitmeraal, etc. Below stood: Thus reported on the day aforesaid. was signed: with two illegible signatures. Lower stood: For the translation, signed: M. J. Palm, Authorized. In the margin: for the translation, signed: D. D. Perera. Below stood: Agrees. signed: M. J. Palm, Authorized. Agrees, Sibrands, Road Clerk. Checked, Spaar.

Dutch transcription

melde heer dessave niets te zeggen te meer om dat ons niet bekend is of zelfs aan onse onder„ geschikte zo groot als klijne hoofden eenig onregt weder vaeren is. Jen blijke van het gunt in deese op het aller onderdaenigst overgelegd den 29. Maij 1790: door Abesiriwardene Jlangakoon modliaar der Attepattoe, widsewardene Naweratna Jin„ nekoon modliaar Jaag en Zaaijmeester Dissa„ naike Jillekeratne gayenaik modliaar Abesiriwardene Goeneratne modliaar der Belligam Corl, widjesekere jajetillekenat„ ne, modliaar der Gangebaddepattoe, wickre meratne Ekenaike modliaar der Morua„ „corle, Abejewekkreme Bandaanaike mohandiram en olie leveransier van de vier gravetten, wickremeratne Bandarenai„ ke mohand=m der houtsleperij en wiere„ goeneratne Sabandaar van Belligam /:was geteekend:/ J: W: Sinnekoon D: J: Goe„ „neratiie D: D: Saram, D: A: Perera, D: F: D'sa Banderenaike en twee onleesbaare Nederduijtsche handteekeningen /:onder„ „stond:/ 1870 „stond:/ voor de translatie Mature den 30. ' Maij 1790. /:was getekend:/ E: N: Weemeier /:in margine:/ voor de vertaeling geteekend:/ D: C: De Silva Dissanaike Gesw: tolk /:onderstond:/ Akkordeerd /:getekend:/ M: J: Palm Geauth: Akkorteert Sijbrands W. Egkeerk 1873 Nagezien Spaar 1873 1871 Relaas der appoes die op zou„ dag den 30. Maij Anno. 1790. door de wel Edele Gestrenge Heeren kom„ missarissen diterich Thomas Fretz: en Araham Samlant met een Mandaat ola naar de teza men Gerotte inwooners van de Belligamkorle en de Heerlijkheid van Bellegam: naar die van de welle baddepattoe en de Girre„ waij pattoe Gesonden zijn geworden. van de Belligam Corle en de heerlijkheid van Belligam relateeren. Uttawoedoe aratjige don Nikolaas ap„ „poehamie van Kolombo en Don Simon kondare appoe van Ma„ „ture het volgende. Dat zij in schuldpligtige naarkoming van bo„ ven gemelte g'eerde ordre hun na de Belligam„ Korl begeeven hebben, en te Malpelle komende aldaar de versamelde gemeenten ten getalle van ruijm 100. koppen bij malkanderen gevon„ „den hebben gehad; aan welken zij de mandaat ola voorgeleesen hebbende, gekommuniceerd heb„ „ben E ben, dat zij tevens order hadden gekreegen om gemelde Mandaat ola ook in de heerlijkheid van Belligam te publiceeren. Dat deese lieden daar op geantwoord hebben, dat de volkeren van Gem: heerlijkheid, almeede tot de versameling van de BellegamCorle behoorde, en dat zij des anderen daags ook bij hun weder stonden te koomen, aan welke zij als dan inhoud van deese mandaat ola, zelve zouden bedeelen, en na dat zij het haar en de anderen die tot dese ver„ zamelingen behoorden deselve zouden bekent gemaakt hebben, een schriftelik antwoord aan den welEdelen Gestrengen Heer desJave van kolombo zouden zenden voormelde appoes relateeren al verder van ter zei„ de het zamen gerotte Gemeene volk te hebben hooren spreeken en zeggen dat de zaak van Bad„ de givie bij gedagte mandaat ola onafgedaan scheind tezijn. voorts dat zij, bij het publiceeren van meerged: mandaat ola present gevonden hebben de vol„ „gende hoofden namelijk, de attoekoorle vaart„ „jie van de Belligai Coul en zijn broeder de avaetje van de Aantje laskorijns Roepekien„ „ge korle araetje en arroemaperema kodie toeokkoe 1873 1872 toeakkoe aractjie en meer anderen /:onderstond:/ Aldus Gerelateerd binnen de fortresse Mature den 1. ' Junij 1790. /:was geteekend:/ met een sin„ galeische en een onleesbaare nederduijtsche hand „teekening. van de wellebaddepattoe relateeren de on„ dervolgende appoes in naamen toebesien„ „ge Appoehainie van Kolombo Don Simon Gammege appoe van Mature het volgende Dat zij met de hier vooren gem: mandaat ola haar begeeven hebben gehad naar Bamberende daar zij eene versameling van drie â vier„ hondert koppen bij malkanderen gevonden hebben. Dat zij de voorm: mandaat ola de„ „se lieden voorgeleesen hebbende, zij deselve niet veel vergenoeginge aangehoord hebbende en daar over hunne blijdschap te kennen had„ den gegeeven en gesegt hebben, dat zij wanneer zij, met de andere der versamelden, over den inhoud van Ged: mandaat ola zouden ge„ „sprooken hebben, beschied of antwoord daar op zouden zenden Dat onder meer anderen daar bij present waaren de onder volgende hoofden. Bamberende Bamberende Peropol aratje, de vidaan van Diekwille en wehelle bitmeraal /:onderstond aldus Gerelateerd ten dage voorsz: /:was getekend:/ met een singaleese en een in het nederduijtsche geschreeven onlees„ baare handteekeningen. van de Girrewaij pattoe relateeren de daar na toe gesondene afpoes Naran„ „ges alle Giriwane appoehanie van Kolombo, en donr Simon Hittie appoe van Mature Dat zij met de hier vooren vermelde mandaat ola naar het rusthuijs van kahawatte haar be „geeven hebben gehad, en dat zij aldaar eene ver„ zameling van, naar Gissing 300. koppen sterk bij malkanderen gevonden hebben: Dat zij de Mandaat ola haarlieden voor geleesen en vervolgens deselve aan haar lieden ter hand gesteld hadden. Dat de versamelde gemeente daar op geantwoord hebben dat uit ged: mandaat ola niet konsteerde, dat da't hunne zaak, naar volgens hun versoek afgedaan was geworden en dat zoo dra deselve, naar hun gedaan versoek zoude afgemaakt zijn, zij, als dan, dan, een ieder naar hun woondorp zouden terug keeren en 't zaaijers werk verrigten. Dat zij echter over dese zaak met de overi„ „ge der versamelingen zouden spreeken, en nader van andwoord doen dienen. Dat onder meer anderen onder dese hoop de volgende hoofden present geweest waaren namelijk Kahawatte vidaan aratjie van Arangwel„ le, Aukohegodde Nellegamme bitmera„ a „le HC:r /:onderstond:/ Aldus Geredateerd ten dage voorsz: /:was getekend:/ met twee onlees baare handteekening /:lager stond:/ voor de Granlatie /:getekend:/ M: V: Palm geanth: /:in margine:/ voor de vertaling /(geteekend:/ D: D: Perera /:onderstond:/ akhordeert /:getekend:/ M: V: Palm Geauth: Akhoriteert Sibrands Wegklerk 1873 Nagezien Spaar.

NL-HaNA_1.04.02_3884_0185 view scan ↗

English

Reports of the appoos and lascoreens sent on the 30th of May 1790 to the Kandebadde Pattu and the Baygams with a mandate ola to the gathered inhabitants by the Honorable Commissioners Diederich Thomas Fretz and Abraham Samlant. 1. Regarding the Kandebadde Pattu, the following persons, namely Pattehoge Daniel of Colombo and Don Simon Senewiere, appoo of Matara, report the following: That by high order of the aforementioned Honorable Commissioners, they presented themselves yesterday before noon in the Kandebadde Pattu at the rest house of Hakmana. That upon their arrival there, they found no more than five to six persons, to whom they made known the reason for their mission. Whereupon some of them went away and returned shortly thereafter, accompanied by the vidaan aratchy of Hakmana Wallekadde and Iodekandihe aratchy. Which two last-named, having taken the mandate ola from the hands of the second reporter and read it, stated that they would publish the same to the collective lesser headmen and commoners, who had now dispersed and were about to assemble again, and would submit a further report of their sentiments regarding it to the Honorable Lord Great Dissave of Colombo. That in proof that this mandate ola was properly delivered to them by the reporters, one from the crowd, being the vidaan aratchy, handed to the second reporter a receipt ola, reading as follows: That the inquiry report ola made by the Lord Dissave of Colombo Fretz and Mr. Samlant, which was sent to them, was received by him on Monday midday at 12 o'clock, is attested by the vidaan aratchy of Hakmana Wallekadde; signed at the top of the ola with an illegible hand. Furthermore, the reporters declared that they saw gathered around the rest house at Hakmana aforesaid twenty to thirty chalias, who left them unmolested. That upon their return hither, when they arrived at the village of Koongelle, they were met there by the kangany on guard, whom the reporters did not know by name, together with eight to nine of the gathered mob. That the said kangany, acting as spokesman, said to them, before you two persons passed with a sannas, whom we addressed in such a manner that they did not return; and now you pass here; if you come here again with a sannas, we shall fence you in and seize you; and thereupon they began to revile and insult the reporters. Thus reported on this day, the 1st of June 1790, inside the fortress of Matara at the secretariat. It was signed there with an illegible character and an illegible Dutch signature. Regarding the Baygams, the undersigned persons, Boolesgammoewe Hendrik and Don Abraham Kadewette, aratchy appoo, report the following: That by high order of the aforementioned Honorable Commissioners, they proceeded to the Baygams last Sunday, and on the way found two posts occupied by lascoreens from the gathering; namely one at Bandatta with 5 to 6 persons, among whom was Wannamdie aratchy, who, having read the mandate ola aloud, ordered them to bring it to the Baygam aratchy; and the other guard post at Pettengahawatte, where they saw three lascoreens without saying anything to them or asking anything. That they proceeded to the dwelling of the Baygam aratchy, whom they did not find at home, as according to information received he had gone to a village to his wife, who lay ill there. That the reporters, coming to the said Baygam aratchy yesterday, found that his wife had passed away, and handing over the mandate ola to him, requested an answer and proof that the same had been duly received by him. That the aratchy thereupon offered in excuse the sorrowful circumstances in which he then found himself, as his wife had died and the body was not yet buried; that for this reason he could by no possibility satisfy them; that besides this, the complaints which the aggrieved had against their headmen had already been brought forward by them, and they were merely awaiting the verdict, in which confidence the aggrieved had also dispersed. That after he had caused his wife to be buried, he would make the mandate ola known to the other lesser headmen and the common people. Underneath stood: Thus reported on the day and in the place aforesaid. Lower: was signed with a character and an illegible signature. Beneath that, for the translation, was signed M: J: Palm, authorized person. In the margin: for the verbal translation was signed: D: S:n Senerat, sworn interpreter. Underneath stood: Agrees. Signed: M: J: Palm, authorized person. Agrees, Sijbrands, Clerk Examined, Spaar

Dutch transcription

1874 Relaasen van de door de wel Edele Gestrenge Heeren kommissaris: Jen Driderich Thomas Fratz: en Abraham Samlant op den 30: Maij 1790. naar de kandebadde pattoe ende Baigams met een mandaat ola aan de tzaamen Gerotte inwoo„ „neren gesondene appoes en lasko„ 1: van de kandebaddepattoe relateeren de onder vol„ gende persoonen met naame Pattehoge Daniel van Kolombo en Don Simon Senewiere appoe van matura 't volgende Dat zij haar op hooge ordre van de bovengemelde, weledele Gestrenge Heeren kommissarissen gisteren voordemiddag hebben laaten vinden in de kan„ de baddepattoe aan het Rusthuijs van Wak„ man Dat zij bij hunne aankomst aldaar niet meer dan vijf â ses persoonen gevonden hebben gehadt, aan welken zij de reden van hunne zending hebben bekend gemaakt: waar op eeni„ „ge van hun weggegaan, en Mort daarna we„ dergekoomen waaren, zijnde verseld van den vidaan axatie van Wakman walle hadde en Iodekandihe aratie: welke twee laastgenoemde de kijns. de mandaat ola uit handen van den tweede vela„ „tant genoomen en geleesen hebbende, gesegt hadden, dat zij deselve, aan de gesaamentlijke minder hoofden en gemeenten, die haar tans verspreid hadden, en weder bij een stonden te koomen, zoude publiceeren, en van hunne gevoelens daar„ omtrend nader van rapport doen dienen aan den weledelen Gestr: Heer Groot desJave van Kolom„ b0. Dat ten blijke dat deese mandaat ola behoorlijk door de relatanten aan hun geen„ „trageerd is geworden, een uit den hoop, zijnde de vidaan aratie aan den tweeden relatant had ter hand gesteld een quitantie ola: luijdende als volgd. Dat de door den Heer des Jave van Kolombo Fretz: en den Heer Samlant gedaane ondersoek rapport ola welke aan hun toegesonden is geworden, bij hem op maandag middag te 12. uuren ontvangen is betuigd de vidaan ara„ tie van Hakman wallekadde: aan het hoofd der ola geteekend met een onleesbaare hand. Alverder verklaarden de relatanten dat zij bij een omtrend het Rusthuijs te Hakman voornoemd hebben zien staan twintig à dertig sjaliassen welke 1875 welke hun ongemoeid gelaaten hebben. Dat bij hunne te rug komst na herwards, toen zij in het doop koon„ „gelle gekoomen waaren, aldaar hen ontmoet waeren de wachthebbende kangaan, die zij relatanten bij naem niet en konden, nevens agt â negen der te zamen gerotte hoop. Dat de gem: kangaan het woond voerende tegens haar gesegd heeft gehadt, hier zijn voor u twee persoonen met een samas gepasseert welken wij zoo gesprooken hebben dat ze niet wederom gekoomen zijn: en thans passeert gijlie„ den hier zoo gij lieden andermaal hier weder met een sannas komt, dan zullen wij u ompaggeren en bezetten en hebben vervolgens op de relatanten beginnen te schelden en te smaalen. Aldus Gerelateerd op heeden den 1. Junij 1790; bin„ „nen de fortresse van Mature ter sekretarij al„ daar door was getekend met een onleesbaare karak „ter en onleesbaare nederduitsche handtekening. van de Baigams relateeren de onderstaande per„ zoonen Boolesgammoewe Hendrik en Don Abraham kadewette aratje appoe't volgende Dat zij op de hooge ordre van den welEdele Gestrenge Heeren Heeren kommissarisJen voornoemd, voorleeden sondag haar naar de Baigams begeeven hebben, en on„ derwegen twee posten prten beset met lasko„ rijn uit de tesaamen rotting gevonden hebben ge„ hadt: naamelijk de eene te Bandatta met 5. â: 6. koppen, waarbij geweest is wannam die aratie die de mandaat ola overluit geleesen hebbende haar gelast heeft gehadt, deselve bij de Baigam aratje te brengen: en de andere wagtpost te petten „gahawatte daar zij drie laskorijns gesien hebben zonder haar iets te zeggen ofte te vraagen. Dat zij haar begeeven hebben gehad naar de wooning van de Baijgam aratie, welken zij niet te hui gevonden hebben, alsoo volgens bekoomen bericht deselve naar„ dorp bij zijn vrouw, die aldaar ziek lag was gegaan. Dat zij relatanten gis„ teren bij gemelde Baigam aratie komende, gevonden hebben dat zijn vrouw oveleeden was, en aan hem de mandaat ola overrijkende, versogt hadden antwoord, en een bewijs dat deselve door hem wel ontvangen is geworden. Dat de aratie daar op tot verschooning bijgebragt heeft gehad, de droevige omstandigheden daar hij zig toen in bevond, als zijnde zijn vrouw overleeden en het lijk nog onbeqraaven: dat hij deswegen met 1876 met geen mogelykheid haar konde kontenteeren. dat behalven dien de klagten die de misnoegde tegens hunne hoofden hadden reeds door hun ingebragt waaren, wagtende zij maar naar de uitspraake in welk vertrouwen ook de misnoegden van een gegaan waaren. Dat hij de mandaat ola, na dat hij zijn vrouw zou„ de hebben doen begraaven aan de verdere min„ dere hoofden en het gemeen zoude bekend „ maaken. /:onderstond:/ aldus Gerelateerd ten dage in plaatse voorschreeven /:lager:/ was getekend met een karakter en een onleesbaare hand teekening / daar onder voor de translatie was getekent m: J: Palm g'authoriseerde /:inmargine:/ voor de mondelinge vertaalinge /:was getekend:/ D: S:n Senerat gesw: hoek /:onderstond:/ akhordeert /:getekend:/ M: J: Palm g'authoriseerde. Akkordeert Sijbrands Wegklerk Nagezien Spaar

NL-HaNA_1.04.02_3884_0193 view scan ↗

English

1877 Account given by the undermentioned persons, namely 1. Merinje dienees Mendies Mahadoerea of Ratgam in the Gale Koul 2. Daniel Salomon Mahadoerea of Lannoemodere ditto 3. karawe Gabriele Ratgamme aratje The first reports that he, together with the 2nd and 3rd informants and around eighty cinnamon peelers, about five days ago set out on their way to go peel cinnamon in the king's land. That when they had arrived in the village of Meddeoejangodde situated in the Gangebaddepattoe, they there by a Nagaha tree found two persons who according to statement were aratjes, alongside a troop of two to three hundred heads of the assembled community: who detained him and the two aforementioned informants alongside the said cinnamon peelers for a day, without letting them pass further: and that the assembled mob in the meantime had sent some persons from among them to the rest of the gatherings, to inquire whether they should let him alongside the two remaining informants and further cinnamon peelers pass or not. That That he, the informant, and the rest were led the following day, under escort of some of the assembled persons, to the village of Toehoelwelle, at which place they, by estimation, had found around two hundred heads of the assembled inhabitants: from where they were escorted further to the village of Koongelle, situated in the kandebaddepattoe, where by estimation, three hundred heads of the assembled were together. That from there they were taken to the Resthouse of Wakman, where this past Monday they had found the vidaan araetje of Hakman wallekadde, Jodie kandi aratje, and yet a third araetje, which latter they did not know by name. That he, the informant, had found around a thousand heads of the assembled at the resthouse of Hakman at that time. That the aforementioned vidaan araetje and araetjes had asked him, the informant, and the other persons with him where they were going, upon which they had served in answer that they, according to custom and by order, were marching to the king's land to peel cinnamon. 1878 That the said vidaan araetje and araetjes had thereupon answered them: that he, the informant, alongside all who had come with him had to remain with them: since they who belonged to the general assembly of the malcontents could not or would not let anyone pass to perform any service work for the Company, as long as the general grievances remained unredressed, and for which reason they still remained gathered. That he, the informant, alongside the persons with him had unanimously declared that they had no grievances to bring forward and for that reason wished to perform their Company's service, which was prevented and strictly not permitted to them by the assembled. That he, the informant, alongside the persons with him had thereupon requested, because they could hardly obtain shelter and lodging at Hakman, to be allowed to go to Pohoolwille, which was granted to them. That instead of going to Poettoewelle they had taken their journey hither, and along the way had passed two outpost guard posts of the malcontents passed, who having asked them where they were going, had given in answer that since the assembly would not permit them to go peel cinnamon in the king's land, they were forced to return back to their residential villages. The narrative of the second and third informants agrees in all respects with that of the first informant and confirms it with the same. Below stood: thus related on 2 June 1790 inside the fortress of Mature at the secretariat there. Was signed: with two Sinhalese and one Dutch signature. Below stood: for the Translation, was signed: M: Palm authorized. In the margin: for the translation, was signed: D: S: Senerat sworn interpreter. Below stood: Agrees, M: J: Palm authorized. It should be noted That by report of the 2 commissioners who went to the kandebaddepattoe to deliver the mandate ola, dated 1 June last, it appears that there were only a few people at the gravets 1879 gravets and at Hakman, and they also saw the cinnamon peelers; thus the account given hereinbefore by 3 heads of the cinnamon peelers is stated with exaggeration, and is to be held as untrue with respect to the number of people whom they say to have encountered. Mature the 3 June 1790. Was signed: D: I: Fretz: Agrees Sijbrands Secretary Examined Spaar 1880 The short content of the letter of the Mohandiram of the Gravets dated 2 June 1790. According to orders received, I departed from Mature on the 1st of this month and arrived at Bandattere, where I found a guard post of a waddenam bij Araetje and 50 to 60 men, who told me that no one can go inland without permission from the assemblies, and they detained me there until the evening and after that gave freedom to go away from there, saying that there would be more guard posts in the Gangebaddepattoe that will prevent the journey. Then I departed from there and towards the evening arrived at the house of the Korlmodliaar. Further, on Wednesday the 2nd I proceeded to the ferry of Goukegodemodere and there found a guard post of a Maleweregeij oepasake minihia and Marembegeij maddoema miniha alongside about 100 men, who having asked me why I had come into the country without permission of the assemblies, detained me and my retinue there and reported thereof to the great crowd

Dutch transcription

1877 Relaas gedaan door de ondertemel„ „den persoonen, namelijk 1. Merinje dienees Mendies Mahadoerea van Rat„ „gam in de Gale Koul 2. Daniel Salomon Mahadoerea van Lannoemodere d - d=o 3. karawe Gabriele Ratgamme aratje De eerste relateerd dat hij nevens de 2:e en 3. rela„ „tanten en omtrend tagentig kaneelschillers, nu een dag of vijf geleeden, haar op weg begeven hebben om naar 'skonings land kanneel te gaan schillen. Dat toen zij gekoomen waaren in het dorp Medde„ oejangod de in de Gangebaddepattoe geleegen, zij aldaar bij een Nagahaboom, twee persoonen die volgens opgave aratjes waeren, nevens een troep van twee â drie honderd koppen der tzamen „gerotte gemeenten: dewelke hem en de twee voorm: relatanten nevens gedagte kaneel schie„ lers een dag opgehouden hebben, zonder haar verder te laaten passeeren: en dat de 'tzaamen gerotte inmiddels eenige persoonen uit hun gesonden hebben gehad naar de overige der tzamen rottingen, om te verneemen of zij hem nevens de twee overige relatanten en verdere kanneel schillers zouden laeten passeeren of niet. Dat Dat hij relatant en de overige sanderen daags, onder eskorte van eenige der tzamen gerotten persoonen waaren geleijd geworden naar 't dorp Toehoelwelle, op welke plaats zij naar gissing omtrend twee honderd koppen der tzamen gerotten ingesetenen gevonden hebben gehadt: van waar zij alverder geëskorteerd zijn geworden naar 't dorp Koongelle, in de kande baddepattoe geleegen, daar na Gissing, drie honderd kop„ „pen der tesamen gerotte bij den anderen waaren Dat zij van daar naar het Rusthuijs van Wak„ man gevoerd zijn geworden, daar zij jongstleeden maandag, gevonden hebben gehad de vresaan araetje van Hakman wallekadde, Jodie kan„ di aratje en nog een derde araetje, welke laetste zij niet gekend hebben bij naame Dat hij rela„ tant bij het rusthuijs van Hakman te dier tijd, omtrend duijsend koppen der te samen gerotten gevonden heeft gehad. Dat de voorm: viedaan araetje en araetjes hem re„ „latant en de overige bij hem zijnde persoonen gevraegd hebben gehad, waar zij na toe gou„ „geen zij daar op ten andwoord gediend hebben gehad, dat zij naar volgens gewoonte en op order naar 's konings land trokken om koneel 1878 te schillen. Dat gem: viedaan araetje en araetjes daar op hun tot andwoord gevoerd hebben: dat hij rela„ tant nevens alle die met hem gekomen waaren bij hun moesten blijven: alsoo zij die tot de algemeene versameling der malkontenten be hoorde, niemand konden of zoude laeten pas„ „seeren om eenige dienst werk voor de kompa„ „nie te verrigten, zoo lange de algemeene klag„ ten onafgedaan bleven. en om welke, zijlieden als nog versameld bleven. Dat hij relatant nevens de bij hem zijnde persoonen eenpaarig verklaard hebben gehad, dat zij geene klagten intebrengen hadden en dies weegens hun kom„ „pagnies dienst wilde verrigten, het geen hun door de tesamen gerotte belet en volstrekt niet toe gelaeten is geworden. Dat hij relatant nevens de bij hem zijnde persoonen daar op versogt hebben gehad, om wijl zij op Hakman kwalijk berging en logies zoude konnen bekoomen, naar Pohoolwille te mogen gaan het geen hun geakhordeerd is geworden. Dat in plaats van naar Poettoewelle te gaan zig de reijse naar herwaards genomen hadden, en onderwee„ „gen twee uitgesette wagt posten de malkontenten gepasseerd gepasseerd waaren die hun gevraagd hebben gehad waar zij na toe gongen ten andwoord gegeven hadden dat vermits de versameling hun niet hebben willen permitteeren, om naar skoningsland kanneel te gaan schillen, zij genoodsaakt waaren om naar hunne woondorpen te rug te keeren De tweede en derde relatanten verhael komt alle„ zints over een niet dat van den eersten recatant en konfirmeerd haar met den zelven. /:onderstond:/ aldus gerelateerd den 2. Junij 1790. binnen de fortresse Mature ter sekretarij aldaar /:was geteekend:/ met twee singaleesche en een nederduitsche handteekeningen, lager stond :/ voor de Translatie /:was geteekend:/ M: „ Palm geauthoriseerde /:in margine:/ voor de vertaeling /:was geteekend:/ D: S: Senerat gesw: tolk /:onderstond:/ Akhordteert M: J: Palm geuthoriseerde. Per nota diend Dat bij relaas van de 2 gecommitteerdens die na de kandebaddepattoe gegaan zijn om de mandaat ola te bestellen, gedatteerd 1: Junij J:L: blijkt dat er maar weijnig volk aan de gravetten 1879 gravetten en te Hakman is geweest, en zij ook de kanneelschillers gesien hebben dus is het hier vooren gedaane relaas door 3. hoofden der kaneelschillers bij vergrooting opgegeven, en voor onwaar te houden, ten op zigte van het getal der volkeren, die zij zeggen ontmoet te hebben Mature den 3. Junij 1790. /:was getekend:/ D: I: Fretz: Accordeert Sijbrands Segkeerk Nagezien Spaar„ 1880 Den korten Jnhoud van de brief van den Mohandiram der Gra„ vetten gedateerd 2: ' Junij 1790. Ik ben volgens verkregene ordre den 1. deeser van Mature vertrokken en gekoomen te Bandat„ „tere, alwaar ik een wagt post gevonden hebbe van eenen waddenam bij Araetje en 50 â 60. mae„ schappen, de welken mij zeiden dat er niemand landwaards kan gaan zonder verlof van de ver„ zamelingen en hebben deselven mij tot savonds tot aldaar aangehouden en daar na vrijheid gege„ „ven om van daer weg te gaan zeggende dat er nog meer wagt posten in de Gangebaddepattoe zoude zijn die de rijse beletten zullen, toen ben ik daar van vertrokken en tegen den avond ge„ komen ten huijse van de Korlmodliaar voords ik heb op woensdag den 2. mij begeeven naar het veer Goukegodemodere en aldaar gevonden een wagtpost van eenen Maleweregeij oepa„ sake minihia en Marembegeij maddoema miniha nevens van omtrend 100. manschap „pen, dewelke mij gevraagd hebbende waarom ik zonder verlof van de versamelingen in 't land was gekomen hebben mij en mijn gevolg aldaar aangehouden en daar van aan de groote menegte

NL-HaNA_1.04.02_3884_0202 view scan ↗

English

the multitude of the assemblies who are at Malimande were given notice, both by two of my men and one of the stationed men, whereupon the great multitude of the assemblies reportedly said that the people of the charcoal-supplying villages are with them and therefore that the Mohandiram has no need to proceed to the charcoal-supplying villages, but if he should go to the said place against this order, he would then be punished with death; besides this, I was also insulted with foul words and warned up to two times by Madoegodde Appoe and Bandewokke Kodditoeakkoe Araatje, who remain gathered with thousands of people, that I shall not depart safely with honour to Mature, and after that I was released and arrived at Goeroelawake, wherefore I take the liberty hereby to make known that I am prevented from carrying out the received order, requesting that a written answer to this be sent speedily to the head of the ola. Signed: D: F de Iaa Bandernaijke. 1881 naijke. Below stood: For the translation, Mature the 3rd of June 1790. Was signed: D: D: Perera. Below stood: Agrees. Signed: M: f: Palm, authorized. Agrees. Sijbrands, sworn clerk. Examined. Spaar. 1882 Report of the appu and lascorin sent out on the 30th of May last to the Gangebaddepattoe with a mandate ola to the assembled residents there by the Right Honourable Rigorous Commissioners Diderich Thomas Fretz and Abraham Samlant. From the abovementioned Gangebadde pattoe, the following persons report by name: Wiereloenge Aatjiege Ioean de Costa from Colombo and Don Andries Jaloenge Appoe from Mature, the following, namely: The second informant states that they, having received a mandate ola from the abovementioned Right Honourable Rigorous Commissioners, had gone with it pursuant to received orders to the Gangebadde pattoe; that on the way to Joedawe they found a lascorin guard post manned by eight men, set out by the assembled communities, who asked them where they were going. The informants answered them that they had received a mandate ola to publish it among the assembled inhabitants of the Gangebaddepattoe, whereupon they allowed the informants to pass unmolested. That the informants, arriving at Moedawe, found a ditto post manned with six men, where they, having been questioned just as at the first post, likewise passed; subsequently arriving at the ferry at Welletotte, they also found a similar guard post set out by the assembled men, two men strong, who questioned them as the previous ones and allowed them to pass, as also occurred at a ditto post in the village of Kaddoewe, where they found three persons. That the informants, continuing their way, finally arrived at Attoerlieje, where they found Madoegodde Appoe together with the vidaan araetje of Bilpagamme and the son of the deceased vidaan of Attoerlieje, and nearly 100 common people. That Madoegodde Appoe, upon the presentation of the mandate ola, ordered it to be read aloud. That the second informant having done this, the said Madoegodde Appoe ordered him to remain waiting there until they should have answered him. That the informants were therefore obliged to stay there for three days. That yesterday the vidaan araetje of Bilpagamme and 1883 and the son of the deceased vidaan araetje of Attoerlieje had said to them that they, who had never been inclined to such unlawful assembly, had been incited and forced thereto, or to the unlawful assembly of the Belligam korle, by the araetje of the Gangebadde pattoe and by the vidaan araetje of Attoerlieje, who were now the trusted servants of the Lord Dissave of Mature at Mature and who were nevertheless also in agreement with the unlawful assemblies of the Bellegam korle, under threats that if they did not act in unison with these rebels, they would then destroy and set fire to their dwellings and possessions and inflict every evil upon them. That the vidaan araetje of Bilpagam and the son of the late vidaan araetje of Attoerlieje furthermore said to them that they had to take that mandate ola to the araetje of the Gangebadde pattoe and the vidaan araetje of Attoerlieje, who had sent signed olas to Galle to the Honourable Lord Commander, of which action the Right Honourable Rigorous Commissioner Dissave Fretz had now also gained knowledge. That they, namely the vidaan araetje of Bilpagam and the son of the vidaan araetje of Attoerlieje and the community, highly esteemed the mandate ola and considered its content as communicated, that they held it in high regard and would uphold it, and that they would also send an answer to it and come present themselves if they were not prevented therein by the assembled crowds. The first informant confirms the statements of the second informant. Below stood: Thus reported on the 3rd of June 1790. Was signed with 2 illegible characters, being the signatures of the informants; lower down was signed: For the translation, M: f: Palm, authorized. In the margin, for the oral translation: Was signed: Don S: Senerat, sworn interpreter. Below stood: Agrees. Signed: M: f: Palm, Authorized. Agrees. Sijbrands, sworn clerk. Spaar.

Dutch transcription

menigte der versamelingen die op Maliman„ „de zijn den weet gegeeven zoo door twee van mijn volk als éen van de geposteerde volk, waar op de groote menigte der versamelingen zouden gesegt hebben, dat het volk van de koolgevende dorpen bij hen zijn en daarom dat de Mohandiram niet nodig heeft naar de koolgevende dorpen te begeeven dog zoo hij teegen deese ordre naar gemelde plaat se mogte gaan zoude als dan met den dood gestraft worden behalven dien ben ik ook met slegte woorden gescholden en tot twee keeren toe /:door madoegodde Appoe en Bandewokke kodditoeakkoe araatje die niet duijsenden van volk versameld blijven :/ gewaarschout geworden als dat ik niet behouden eere naar Mature vertrekken zal en daar na ben ik vrij gelaa„ ten en gekoomen te Goeroelawake mits dien gebruijke ik de vrijheid bij deesen bekend te maaken dat mij word belet om de erlangene ordre te volbrengen ver„ zoekende hier op een schriftelijk antwoord spoedig te willen afsenden aan het hoofd der ola /:geteekend:/ D: F de Iaa Bander: „naijke 1881 naijke /:onderstond:/ voor de Translatie Mature den 3.:' Junij 1790. /:was getekend:/ D: D: Perera /:onderstond:/ Akkordeerd /:getekend:/ M: f: Palm geauthoriseerde Akkordeert. Sijbrands Eyklerk Nagezien Spaar. 1882 Relaas van de, door de welEdele Ge„ strenge Heeren kommissarissen Diderich Thomas Fretz en Abra„ „ham Samlant op den 30. ' Maij Jlee„ den, naar de Gangebaddepattoe, met een mandaat ola aan de tzamen ge„ rotte inwooners aldaar, uitgesonden apoe en Laskorijn. van bovengem: Gangebadde pattoe relateeren de onder„ volgende persoonen in naame. wiereloenge aatjiege Ioean de Costa van kolembo en Don Andries Jaloenge appoe van Mature het volgende namelijk. de tweede relatant, dat zij een mandaat ola van boven „gemeld welEdele Gestr: Heeren Commissarissen ont„ „fangen hebbende, daer mede ingevolge bekomene or„ „dre gegaen waeren naar de Gangebadde pattoe: dat zij op weg te Joedawe een, door de tzamen gerotte ge„ meenten, uitgesette laskouijns wagtpost, bemand niet agt koppen gevonden hebben, welke aan hun ge„ „vraagd hebben gehad waar zij naar toe gongen. zij relatanten haar ten antwoord gegeven hebben dat zij een mandaat ola ontfangen hebben, om de„ zelve bij de versamelde inwooneren van de Gange„ baddepattoe te gaan publiceeren. waar op zij hun relatante relatanten ongemoeid hebben laeten passeeren. Dat zij relatanten te Moedawe komende een d=o post met ses koppen bezet hebben gevonden, daer zij even als bij de eerste post, ondervraagd zijnde insge„ „lijks gepasseert waaren, vervolgens aan de veer te welletotte komende aldaar ook een gelijke uit„ „gesette wagtpost, der tzamen gerotte, sterk twee koppen gevonden hebben, die hun als de voorige ondervraegd en passeeren hebben laeten: gelijk zulx ook bij een d=o post in 't dorp Kaddoewe daar zij drie persoonen gevonden hebben, geschied is. Dat zij relatanten hun weg vervorderende eindelijk te attoerlieje gekoomen waaren, daar zij Madoegodde appoe nevens de vidaan araetje van Bilpagamme en de zoon van den overleeden wiedaan van Attoerlieje en bij kans 100. koppen gemeenen gevonden hebben. Dat Madoegod de appoe op het vertooning van de Mandaad ola „belast heeft gehad, denzelven op te leezen. Dat hij rel getant den 2. e relatant ^ dit gedaan hebbende gem: Madoegodde appoe hem gelast heeft aldaar te moeten blijven toeven, tot zij hem daarop zouden geantwoord hebben. Dat zij relatanten haar desweegen drie dagen aldaar hebben moe„ „ten ophouden. Dat gisteren de vidaan araetje van Bilpagamme en 1883 en de zoon van den overleeden viedaen araetje van Attoerlieje tegens hun gesegd hadden dat zij, die nim„ „mer tot zulken tezamen rottinge gejnklineerd waar geweest door de araetje van de Gangebadde pattoen en door de viedaen araetje van Attoerlieje welke tans te Mature de vertrouwde dienaeren van den heer Maturese dessave waeren en die het nog„ „tans ook eens met de tezamen rottingen van de Bellegam korle waeren daar toe ofte tot de te„ zamen rottinge van de Belligam korle onder drij„ „gementen dat zoo wanneer zij lieden met deese oproerige geen een lijn trokden zij als dan + hunne wooninge en besittingen zoude vernie„ len en in den brand steeken en haar alles kwaads doen wedervaeren gepermoveerd en gedwongen waeren geworden. Dat de viedaen araetje van Bilpagam en de zoon van wijlen de vidaan araetje van Attoerlieje Jegens hun alverder gesegd hebben, dat zij die mandaat ola moesten brengen bij de araetje van de Gangebad„ „de pattoe en de viedaan araetje van Attoerlieje die geteekende olassen naar Gale aan den Edelen Agtb: Heer kommandeur gesonden hebben gehad, van welke gedoente de weledele Gestrenge Heer kom„ „mossaris dessave Fretz: tans, meede kennis gekregen Nagezien gekregen had. Dat zij namentlijk de viedaan araetje van Bilpa„ „gam en de zoon van den viedaen araetje van At„ toeklieje en gemeente, de mandaat ola zeer esti„ „meerden en desselfs inhoud voor gekommeniseerd ^ dat zij dezelve hoog achteden, en zouden aanhouden, hielden dat zij ook daar op bescheid zouden zenden en haar koomen vertoonen zo wanneer zij door de tzamen gerotten daar in niet verhinderd wierden De eerste relatant Confermeerd zig met de tweede relatant /:onderstond:/ Aldus Gerelateerd wee„ den 3:' Junij 1740. /:was geteekend:/ met 2. onlees„ „baere karakters zijnde de handteekeningen der relatanten, lager was geteekend / voor de Transla„ „tie M: f: Palm geauthoriseerde in margine voor de mondelinge vertaeling /:was geteekend:/ Don S: Senerat gesw: folk /:onderstond:/ Ak„ kordeert /:getekent:/ M: f: Palm Geauthoriseerde Accordeert Sijbrands Ndgklerk Spaar.

NL-HaNA_1.04.02_3884_0209 view scan ↗

English

1884 Report of the appoos who were sent out with a mandate ola on 30 May last to the gatherings of the Morua korle and Kattoene Oedoewokke by the Right Honorable Commissioners Dieterich Thomas Fretz and Abraham Samland, and who have returned today, namely: Hittie Aratjege Abram Appoehamie, from Colombo, and Don Philip Hiasienge Appoe from Mature, who report that last Sunday, upon the highly respected order of the abovementioned Right Honorable Commissioners, having departed from here with a mandate ola, they first arrived in the village of Nadoegelle, where they found a guard post of 7 to 8 heads strong; that they from there made a halt at Wattegiddere, where they found ten to twelve heads, at Attoedawe fifteen to sixteen heads, at Talgahagodde three heads, at the ferry at Welletotte likewise three heads, at Katdoewe ten to twelve heads; that the informants at each of these places had to state where they were going, and for what purpose that was taking place; that having made this known, they passed unmolested and came to a place in Attoerlije named Gommedeivalle, where they found the gathering of the Gangebodde pattoe, estimated at five hundred heads strong; that having made known the reason for their arrival there, as well as that it was their intention to bring a mandate ola which they had received with them to the Morua korle and Kattoene Oedoewokke, the assembled persons answered: 1885 it is well, we have also received one; that they then that evening took their lodgings with a mayoral named Gammege Appoe; continuing their journey the following day, they encountered nothing remarkable during the whole day; that in the evening they arrived in the village of Moraewokke, resorting under the Morua korle, and took their lodgings with a mayoral, without having heard anything. That from there on Tuesday morning they went to the village of Kottepolle to the korle aratje, who was not at home, but had departed for Oeddoewokke; that they left a message at the house of the said aratje to warn the said aratje that he had to come to Birlepanaterre, where they were going, in order to publish a mandate ola from the Right Honorable Commissioners. That the informants thereupon departed and arrived late in the evening at the resthouse at Birlepanaterre, where they took their lodgings with a certain adjotie. That the following day they requested two mayorals to assemble the lesser headmen and the commoners in order to publish a sannas to them. That thereupon appeared the vidana of Bialepanatere, the Pattoewekangaan, and the former Wiackoon Aratje alongside three more mayorals and five to six commoners, to whom the first informant read the sannas. That the Pattoekangaan answered thereupon that the people with them were not gathered in revolt, and they were ready to perform whatever Modliaar or another Modliaar who might be sent there would order them to do; 1836 but that, willy-nilly, they are in the position of having to listen to the orders of the mutineers from the other places, out of fear that otherwise their dwellings and possessions would be destroyed and set on fire if they did not appear upon the orders. That the informants, treated peacefully there, departed for Kattoene Oedoebikke, and spent the night in the village of Doekmalpietteje also with a mayoral, and that they heard nothing special. That they subsequently in the morning went to the place of the Kattoene Arraatje, who was then not at home, but had gone to the village of Joelanpiettije; that the informants then also went there and, arriving there, found the Kattoene Arratje and some lesser headmen alongside 40 to 50 heads of commoners, who were busy binding a dam together; that the first informant began to read the mandate ola to them; that when he, informant, had read three palm leaves, the Kattoene Aratje said to him: stop, the people must go to their dwellings to eat, it is late, and requested to have the ola, stating that he would present it to the people. That the informants meanwhile could report here that there was no gathering among them, but that they would have to submit to the first incoming orders from the mutineers of the Kandebadoe pattoe, out of fear, as these had threatened that when they were summoned and did not appear, they would destroy everything when they came; that to come here themselves was also impossible for them to do, as the roads were everywhere staked out with guard posts, but that if the gentlemen here would make the road safe for them, they would appear themselves. That the informants, going from Kattoene Oedoebokke to come here, in 1887 the village of Kanoenvoeldenize encountered the gathering of the Girreway pattoe, about four hundred heads strong, who asked them where they were going, and they having answered thereto, let them go on their way home; and passing along Hakman, they saw there an estimated 50 heads, and at Tkoongelle a guard post 7 to 8 heads strong; and that they spent last night at Kerinde, having heard nothing there; at Poehoelwelle a guard post of 10 to 12 heads; subsequently by a tree, na-gaha, they saw an estimated 15 heads; after that at Battoeweette, then at Pittangahiawatte; subsequently they came to Bandattere where they encountered 30 heads, alongside a Wandambie Aratje and Tiemaddoewe Aratje, who with a kattoepoenel [illegible]

Dutch transcription

1884 Relaas van de Door de wel„ Edele Gestrenge Heeren kom„ missarissen Dieterich Thomas Fritz: en Abraham Samland op den 30: Maij J:o Leeden naar de tsaamenrottingen van de Morua„ korle en kattoene oedoewokke, met een Mandaat ola uitgeson„ den appoes, welke heden gede„ verteerd zijn naamelijk Hittie aratjege abram appoehamie, van kolombo, en Don Philip Hiasienge appoe van mature dewelke relateeren dat zij voorleden zondag op de zeer ge„ respecteerde ordre van boven gem: wel„ Heeden Kommissarissen Edele Gestrenge met een mandaat ola van Hier vertrokken eerst aangekoomen zijn in het dorp Nadoegelle, daar zij een wagtpast van 7: a: 8: koppen sterk gevonden hebben, dat zij van daar daar halte Gemaakt hebben te watte giddere daar zij tien a: twaalf koppen te Attoedawe vijftien a: sestien koppen, te Talgahagodde drie koppen aan het veer meede drie koppen te te welletotte katdoewe tien a: twaalf koppen gevonden hebben dat zij relatanten aan ieder deser plaatse hebben moeten aangeeven waar na toe zij gongen, en tot wat einde zulk geschiede: dat zij zulks te konnen gegee„ Ge ven hebbende ongemoeid Gepasseerd, en in een plaats te Attoerlije genaamd gommedeivalle Gekoomen waaren, alwaar zij de t'samenrottinge van de Gangebodde„ vijfhondert koppen pattoe naar Gissing sterk gevonden hadden, dat zij daar de reeden van hunne komst bekent ge„ maakt hebbende, als mede dat hun voorneemen was om een mandaat ola die zij mede gekreegen hadden naar de mouauakorle en kattoene oedoe„ wokkee te brengen, de tezamen gerasten antwo: hadden het 1885 het is wel wij hebben ook een ontvangen: dat zij toen dien avond haar uijtrek genoomen hebben bij een maijoraal gen:t gammege appoe sanderen daags hun rijse vervorderende den gantschen dag niets aanmerkelijks ontmoet hebben gehad, dat zij savonds gekoomen zijn in 't Dorp moraewokke sorteerende onder de morua„ korle en bij een maijoraal haar intrek genoomen hebben, zonder iets vernoomen te hebben. Dat zij van daar Dingsdags morgen naar het dorp Kottepolle bij den korl aaatje, die met te huis was, maer 1 naar Oeddoewokke vertrokken was gegaen zijn, dat zij aan het huijs van geno: „ p aratje een boodschap laatende, om gem: araatje tewaarschouwen, dat hij te Birlepancterae moeste Roomen, daer zij na toe Gongen, om een man„ ƒ „ 9 daat ola van de wel Edele gestaenge te publiceeren: Heeren Commissarisen Dat Dat zij relatanten daar op weg gegaan zijn en savonds laat aan het austhuijs te Birlepanaterre gekoomen zijn, daar zij hun intrek genoomen hebben bij eene zienne adjotie Dat zij daags daar op aan twee maij oraals versogt hebben gehad om de minderhoofden tewelten vergaderen om een en gemeenten sonnaels aan haar lieden te publiceeren. dat daar op verscheenen zijn de vidaan van Bialepanatere, de Pattoewekangaen ende geweesen wiaekoon Aaatje nevens nog drie maijoraals en vijf a: ses gemeenen, aan welke de eerste relatant de sannas voor geleesen heeft gehad. Dat de Pattoe„ kangaan daar op geantwoord heeft dat 't volk bij hun niet zamen gerot waaren, en zij bereijd waaren, wat hem modliaen„ ofte een andere Modliaar, die daar ordonneeren mogte gesinden worden hun zoude te 1836 te verrigten: maar dat zij teegens wil en dank„ in 't geval zijn, van aan de ordres der muijte„ lingen van de andere plaatsen te moeten luijsteren, uit vreese dat anders hunne wooningen en bezittingen wanneer zij op de ordres niet kompareerden, zouden vermeld en indien baand gestooken worden. Dat zij relatanten vreedig aldaar behandelt, naar kattoene Oedoebikke vertrokken zijn, en snagts in 't doop doekmalpietteje ooch bij een maijoraal vernagt dat niets bij zonders vernoomen hebben. dat zij vervol„ gens den smorgens gegaan zijn naar de plaats van de kattoene arraatje, die toen niet te huijs, maar naar het dorp Joe„ lanpieltije gegaan was, dat zij delatan„ ten toe daar ook na toe gegaan waaren en aldaar koomende den kattoene re arratje en eenige minder hoofden nevens 40: an 50: koppen gemeenen gevonden hebben, binden welke doende waaren om een dam aanteen dat de eerste relatant de mandaat old hun hun heeft beginnen voorteleesen, dat toen hij al latant drie bladen geleesen heeft gehad, de kat„ toene aaatje tegens hem gesegd heeft gehad houd maar op 't volk moet naar hunne wooninge gaan om te eeten 't is laat en versogt om de ola temoogen hebben, hij zouden deselve het voek voorhouden. Dat zij relatanten vann mid aels alhier konden rapporteeren, dat bij hun geen te zaamen rottinge was, maar dat zij haar aan de eerstkoomende ordres, van de muijtelengen van de kandebadoe pattoe, uit vreese, zoude moeten onderwerpen, alsoo dese gedaijgd hadde, dat wanneer ze opgeroepen wierden en niet en kompareerden, len 7 zij, als zij koomen alles vernieuen zouden dat om na herwaards zelfs opte koomen hun ook onmogelijk te doen was, alsoo de wagt „ weegen overal met vit posten uitge„ „ set waaren dog dat wanneer de heeren alhier de weg hun vijlig wil doe maa„ ƒ ken zij zelfs zoude kompareeren Dat zij relatanten van kattoene oedoe„ bokke gaande om hier tekoomen in het 1887 het dorp Kanoenvoeldenize ontmoed hebben de tezamen rottinge van de Gernee aij pattoe omtrend vierhondert koppen sterk, die haar gevraagd hebben gehad waar zij na toe gingen en zij daar op geantwoord heb„ bende, huijsweegs hebben laaten gaan, en langs hakman gaande daar na gissing 50: koppen gesien hebben en te tkoongelle een wagt post sterk 7: a: 8: koppen en dat zij gisteren nagt te kerinde vernagt hebben aldaar niets ver„ Poehoelwelle een wagtpost te noomen van 10: a: 12: koppen vervolgens bij een boom na=gaka, na gissing 15. koppen gesien hebben daar na te Battoeweette toen te Pittangahiawatte vervolgens gekoomen zijn daar te Bandattere zij 30: koppen ontmoede hebben nevens eene wandambie aratje en tiemaddoewe aratje die hun met een kattoepoenel over

NL-HaNA_1.04.02_3884_0216 view scan ↗

English

brought over the river, as the mutineers had pulled down the bridge. Thus related on 4 June 1790. Was signed with two Sinhalese signatures. Lower: signed for the translation, M. J. Palm, authorized. In the margin: signed for the translation: D. S. Senerat, sworn translator. Lower: agrees. Was signed: M. J. Palm, authorized. Examined. Agrees. Sijbrands, Chief Clerk. Spaar. 1888 Account of the appoos, namely Don Abraham Baddekoone appoe and Don Joan Hiasienge appoe, both inhabitants of Malgan within the Four Gravets, who were sent out with a sannas to the Lordship of Belligam and the Belligam Corle by the Honorable Ruling Lord Mr. Christiaan van Angelbeek on Wednesday, 2 June last. Who relate that, having received a sannas on the aforementioned day from the Honorable Ruling Lord Dessave aforesaid, with orders to go and publish it to the gathered community of the Lordship of Belligam Korle, they, in respectful compliance with the same, set out on their way the following day. Having learned on the way that the mutineers were assembled at Bolwatte, they proceeded thither. Arriving there, they found Wierman Aratje and, by estimation, 20 common people. That Wiereman Aratje, having taken the sannas and read it, said that he and those who were there belonged to no unlawful assemblies whatsoever, that they performed the Honorable Company's services and their own work as usual, and that therefore the mandate ola did not concern them; but that the declarants could go and publish the mandate ola at Denepietteje, where some of the inhabitants of the Lordship of Bellegam had joined the gathered crowd of the Belligam Corle. That the declarants, arriving at Denepeette, found a guard post of 12 men stationed by the gathered assembly, who let them pass after they had declared the reason for their mission. That, departing from Denepitti, they passed unhindered straight through a formidable crowd of the gathered commons, and up to halfway along the road to Willipetteje, not discovering any of the lesser chiefs or headmen, they had become somewhat 1889 somewhat afraid, all the more because darkness began to overtake them and they saw no acquaintances among the entire crowd. That, nevertheless, to rescue themselves from this awkward situation, they asked one of the crowd whether none of the chiefs was present among them. One of them had answered that Oedoekawe Koorle Vidaan Aratje had just departed along a certain road, pointing it out to the declarants with his hand, toward his dwelling; and that if they made haste, they might yet overtake him on that road; stating at the same time that the other chiefs were very far ahead, whom the declarants would not easily be able to overtake. That they therefore set out on the heels of the Oedoekawe Koorle Vidaan Aratje, whom they met in a field near his dwelling, to whom the declarants showed the sannas. That the aforementioned Koorle Vidaan Aratje said to them that, as it was late and already too dark to proceed further, they should come with him. That when the declarants arrived at the house of the said Corle Vidaan Aratje, he had someone summoned, who upon arriving received orders to take the declarants with him, to provide them properly with everything that was necessary, and to escort them the following day to the place where the lesser chiefs and community were assembled, and had to ensure that no harm came to the declarants on the way. That, he having complied with this, the declarants arrived the next day at the gathered assembly at a place called Manvelle, where they found the following lesser chiefs, namely: Attoekoorle Aratje, Roebesinge Koorle Aratje, the Vidaan Aratje of Marembe, the Vidaan Aratje of the Giliwallekadde, the Vidaan Aratje of Hemegamme and Kiandoewe, and Abekoen Mohandiram, set up by the mutineers; where the aforementioned Bedrekawe Koorle Vidaan Aratje also arrived, together with a troop of four to five hundred common people. That Roepesinge Koorle Aratje, having taken the mandate ola from them and read it aloud, after having consulted with one another, asked them whether 1890 whether the declarants would be willing to take along an ola in reply to the sannas and deliver it to the Honorable Ruling Lord Grand Dessave of Mature. They answered: very gladly, if they would only be pleased to give it to them. That the lesser chiefs then stepped together, wrote an ola, signed and sealed it, and handed it to them with orders to place it into the hands of the Honorable Ruling Lord Grand Dessave of Mature, with the further instruction that they should also tell the Honorable Rigorous Lord Commissioner and Dessave of Colombo that they would write to His Honorable Rigorous Lordship as soon as possible regarding some grievances submitted by them to His Honor that were still unresolved. Furthermore, that the gathered assembly gave them a lascoreen to accompany them from post to post so that they could pass unhindered. The declarants finally add here that the above-mentioned lesser chiefs, upon the declarants' departure, had further said

Dutch transcription

over de aevier gebragt hebben also de tzamen om verre gehaald hadden gerotten de brug heeden Aldus gerelateerd hebben den 4. Junij 1790: /:was getekend:/ met twee sing aleese handteeke ningen /:lager:/ voor de Jaauslatie geteekend 1g M: J: Palm geaulh: /in margine:/ voor de vertaling geteekend:/ D: S: Senerat, gesw: soek /lager:/ akkordeert / was getekend:/ M: f: Paem„ g'authoriseerd Nagezien Accordeert Sijbrands Hegklerk Spaar. 1888 Relaas van de door den wel Edelen Gebiedenden Heer M:r Christiaan van Angelbeek op woensdag den 2. Junij J:o Leeden naar de Heerlijkheid van Belligam en de belligam korle met een sannas uitgesonden appoes, naamelijk Don Abraham Baddekoone appoe, en bijde inwoonds van malgan binnen de 4: gaa„ Don= joan Hiasienge appoe -- vetten en Dewelke relateeren dat zij ten daage voorsz: van van den wel Edelen gebiedenden Heer Dessave voornoemd een samas ontvangen hebbende, met last om deselve te gaan publiceeren aan de zaamen gerotte gemeente van de heerlijk„ heid van Belligam Korle, zij en eerbiedige voldoeninge van de zelve sonderndaags op weg gegaan waaren, en onder wegen verstaan gerotten te Bol„ hebbende dat de tezaamen watte vergadert waaren, zij lieden haar daar na toe begeeven hebben, en aldaar koomende gevonden hebben gehad wierman aaatje en 20. koppen gemeenen en naar Gissin„ Dat wiereman aratje de sannas genoomen en de selve geleegen hebbende gezegt heeft; gehad, dat hij en zij die daar waaren tot geene zaamen rottingen, hoegenaamt behoorden, en dat zij dE: Comp:s diens ten en hun eigen werk naar gewoonten verricht den, en dat dushalven de mandaat ola, haar lieden ook niet aanging maar dat zij dela„ tanten, met de mandaat ola naar dene pietteje daar sommige der inwoonders van de Heerlijkheijd van Bellegam haar bij de tzamenkotten hoop van de belligam Cerle publiceeren, gevoegd hadden, konden gaan dat zij relatanten te Denepeette koomende, een door de tzamerotting uitgesette wagt poss sterk 12 koppen gevonden hebben, welke hun hebben laaten passeeren na dat zij de reeden van hun zending, gedeklareerd hadden: dat zij van Denepitti vertrokk„ kende, midden door een ontsebaare schaar der tzamenrottinge gemeenten onverhindert: gepasseerd waare en tot op de Heefte van den weg naar willipetteje geen een der minder hoofden of hoofden onderdekkende, eenig zints 1889 eenigzints bevreest waaren geworden, temeer wijl de deusterheid haar begost te overvullen en zij geene bekenden onder den gantschen hoop zagen Dat zij nogtans om haar uit deese ongelegend„ heid te redden aan een uit den hoop gevaaagd hebben gehad of er niemant der hoofden onder haarlieden present was: eene van haar geantwoord had, dat oedoekdwe koorle vid aan aratje langs zeekere weg, aan hun relatanten deselve met de hand wijsende; naar zijn wooning pas vertrekken was; en dat zoo wanneer zij haar spoeden, zij hun nog op die weg zoude konnen inhaalen: tevens verklaarende dat de andere hoofden zeer verre voor uit waaren, weeken zij relatanten niet ligtelijk zouden konnen inhaalen, dat zij dienthalven den oedoekawe koorle vidaan aaatje op te heilen gevoegd zijn, welken zij in een kamp omtrent deselfs wooning, ontmoed hebben ge„ had, aan weeken zij relatanten de samas vertoond hebben gehad dat de voormelde koorle vidaan aaratje tegens hun gesegd had, dat wijl het laat en ook reeds duijster was om verder te gaan, zij liefdt bij hem moesten koomen koomen dat toen zij relatanten aan des Corle ni„ daan arraatjes huijs gekoomen waaren hij iemand had doen roepen, dewelke daar koomende order kreeg om de relatanten mede teneemen, behoorlik van alles wat nodig was temoeten versorgen, en haar sanderen daags konvoijeeren moesten, tot ter plaatse, daar de minderhoofden, en gemeente versamelt waeren en zergen moeste dat de relatanten onderwegen niets leed gedaan wierden. Dat hij dit naar komende zij retatanten sanderen daags, bij de zamenrottingen, in een plaats manvelle gen:t gekoomen waaren, daar zij de volgende mindere„ hoofden gevonden hebben gehad naamentlijk attoekoorle Awaatje, Roebesinge Koorle aratje, de vidaan Araatje van marembe de vidaan Awatje van de giliwallekadde, de vid aan Aratje van hemegamme en kiandoewr en door de tzaamen gerotten opgewerpen Abekoen mohan„ diaam waar hij gekoomen is de voormelte bedre„ kawe koorle vidaan Awaatje, nevens een troup van vier a: vijfhondert koppen gemeenen. Dat Roepesinge koorle aratje de mandaat ola van hun genoomen en deselve overluijd geleesen hebbende, naar met malkanderen geraadpleegd te hebben, aan hun gevraagd hebben gehad, of 1890 of zij relatanten een ola in antwoord op de Pannas zouden willen meedeneemen, en deselve aan den wel Edelen gebiedende Heer Groot Des„ save van Mature bezorgen, zij geantwoord hebben, zeer gaarne, wanneer zij, maar deselve haar gelieven meede tegeeven. Dat de mindere hoofden toen bij malkanderen ge„ treeden waaren, een ola geschreeven, geteekend ende zelve versegeld haar geentrageerd heb„ ben, met last om de selve in handen van den wel Edelen Gebiedenden Heer Groot DesJave van mature te stellen met verdere last dat zij tevens aan den wel Edelen gestrengen Heer Commissarissen en dessave van Kolombo 4 zoude zeggen dat zij ten spoedigsten aan hun welEdele gestrenge zoude schrijven, nopens eenige nog onafgedaane door haarleeden bij hun Edele gestrenge ingediende klaagt zaaken, voorts dat de amenrottinge hun een Lascorijn, om onverhindert te konnen passeeren van post tot post meede gegeeven hebben gehadt. De delatanten voegen nog eindelijk hier nog dat den boven gem: mindere hoofden bij bij hun relatantens vertrek nog ge„ zeyd

NL-HaNA_1.04.02_3884_0222 view scan ↗

English

said to have stated that the rebels of the Gangebadde Pattoo, together with their Madoegodde Appoo, had treated very insolently and with great disrespect toward the said Noble, Honorable commanding Lord Dissave of Mature the appoos sent out with a sanas by the Noble, Honorable commanding Lord Dissave of Mature; that they nevertheless knew better what respect was due to the European chiefs, and that they would never dare to contemplate, much less commit, such an transgression or bold act as those of the Gangebadde Pattoo had done. Thus related today, 5 June 1790, within the fortress of Mature. Signed with two illegible signatures. Below was written: For the translation, signed: M. P. Palm, authorized. Translation of a Sinhalese ola letter, addressed to the Noble, Honorable Commanding Lord, Great Dissave of Mature. Reading, after preceding compliments, as follows: Noble, Great Lord, Having read the samas ola sent to us by the gentlemen commissioners who arrived on behalf of our Honorable Lord Governor to investigate our affairs, as well as the samas ola sent to us by Your Noble Honor, we have understood its contents with great joy. But since no decision has been made regarding the partial complaints made in the complaint ola originally produced by us, in accordance with the request we made therein, we request permission to submit our said request in a report as soon as possible. Thus this letter ola was written and delivered in the year 1790, on 4 June, by the collective headmen and lesser inhabitants of the Belligam Corle. At the top of the ola was signed with fifteen illegible signatures. Below was written: For the translation, Mature, 5 June 1790, signed: J. M. Waeter, sworn clerk. In the margin: Signed for the translation: D. S. Senerat, sworn secretary-interpreter. Below was written: Agreed, signed: M. J. Palm, authorized. Agreed, Eybrands, sworn clerk. Examined, Goenboris. Report of the appoos sent out on Wednesday, 2 June of this year, to the Gangebadde Pattoo, the Four Baygams, and coal-producing villages by the Noble, Honorable Commanding Lord, Mr. Christiaan van Angelbeek, Senior Merchant, Second of the Galle Commandment and Dissave of Mature, namely: Don Abaam, kankanige appoo, and Hettieatiege Daniel Appoo, inhabitants of Maegam within the 4 Gravets. The above-mentioned appoos relate that, departing from here last Thursday with the above-mentioned samas, they passed sentry posts set out by the unlawful gathering of the Gangebadde Pattoo, namely: one in the village of Haetoettoegodde with 6 men, one at Hakkoeroegodde with 6 men, and at Mirimettienwelle with 8 men, at Katdoewe a similar post occupied by four men, from where they were given a lascoreen to escort them to the village of Waaregodde Oejangodde. Arriving there at the house of the deceased Mohandiram of the Gangebadde Pattoo, they found the assembly, estimated to be about one hundred men strong, among whom the narrators saw the vidana arachchi of the village Karregodde Oejangodde, Madoegodde Appoo, the tieme and wietalane [illegible], and some other minor headmen. That the second narrator handed the samas over to the vidana arachchi of Karregodde Oejangodde, who handed it over to Madoegodde Appoo; that Madoegodde Appoo, having taken the samas, ordered the liennerlieta to read it out, and the latter having done so, handed it back to Madoegodde Appoo, who, taking it with indignation, threw it to the ground and trampled it under his feet, subsequently picked it up again, tore it up, crumpled it, and threw it away from him with contempt; and said to the narrators that, while he had given free passage to the previous appoos who had come with the mandate ola, they, as it appeared to him, had also presumed to come there, but that he would make them regret this and punish them; and then ordered one of the lascoreens to lead the narrators away and keep them under arrest; so that the narrators were detained there for half a day without being allowed to go further and without having been able to perceive anything unusual. That when the narrators had been there for fully half a day, someone came to bring them word that they had to return to Mature to their dwellings; that the narrators, taking leave to depart from Madoegodde Appoo, were told by him that if in the future any appoos came there again with a samas from the Dissave of Mature, he would first have them thoroughly flogged and subsequently have them flayed. That the narrators subsequently returned here, since the samas had been torn up by Madoegodde Appoo. Thus related at Mature, 5 June 1790, signed with two characters. Below was written: For the translation, signed: M. J. Palm, authorized. In the margin: For the oral translation, signed: D. S. Senerat, sworn secretary-interpreter. Below was written: Agreed, signed: M. J. Palm, authorized. Agreed, Lybrands, sworn clerk. Examined, Pompaeris.

Dutch transcription

zegt hebben: dat de muijtelingen van de gange„ badde pattoe nevens haaren madoegodde Apoe, die door den wel Edelen gebeedende Heer Dessave van Mature met een sanas, uitge sonden appoes, zeer brutaal en tot groot disrespect van wel dele gem: wel Ed: gebiedende heer dessave van mature behandelt hadden, dat zij nogtans beter wisten wat aespecht men aan den blanke hoofden verschuldigt waaren: en dat zij immer, gelijk die vande gangebadde pattoe; zulken uitstap of stout bestaan zouden durven in gedagten neemen veel minder doen. Aldus gerelateerd heden den 5: Junij 1790: bin„ „nen de fortresse van Mature (:was getekkend:) met twee onleesbaare handteekeningen /:lager stond /: voor de translatie /: was getek:/ M: p: Palem, geauthoriseerd Translaat Singaleese brief ola, gerigt aan den wel„ Edelen Gebiedende Heer maturese Groot Dessave Luijdende na voorgaande Complimenten aldu wel Edelen Groot De door de van wegen onsen achtb: 1891 Agtb: heer Gouverneur ter ondersoek van onse zaaken aangekoomene heeren kommis„ sarissen, aan ons toegesondene Samas ola„ zoo wel als de door uwel Ed: Gebiedende ons toegesondene samas ola door ons geleesen zijnde hebben wij niet groote blijdschap dies inhouden verstaan. Dog dewijl op de gedeelte„ „lijke klagten die bij de door ons in den beginne geproduceerde klagt ola, naons daar bij gedaane versoek; met beslist zijn geworden, versoeken wij ons tewillen per„ mitteeren gem: ons versoek bij een rapport ten allen spoedigsten over telleggen, Duda„ mig is deese brief ola geschreeven en overgelegd in het Jaar 1790: den 4. Junij. door de gesamentlijke en mindere ingeseetenen hoofdens van de belligam Cerle Aan het hoofd der ola /:was ge„ teekend:/ met vijftien onlees baare handteekenings /: onderstond: /. voorde baare translatie Mature den 5: Junij 1790:/ was ge„ tekend:/ I: M: waeter g: klerk :/ in margine:/: voor de vertaaling geteekend: D: S: Senerat gesw: Setr: solk :/onderstond /: accordeert /:was getekend:/ M: J: Palm, geauthori„ eseend Accordeert Eijbrands Egklerk nagezien Goenboris: 1892 inwoonders Don Abaam kankanige appoeen van maegam binnen de 4: Hittie, atiege Daniel appoe - - gravetten boven gem: appoes relateeren dat zij met de bovengemelte somas voorleeden Donderdag van hier vertrokkende uitgesette wagt pos„ ten der tzamenrottinge van de gange bodde„ pattoe gepasseerd waaren namelijk een in 't dorp Haetoettoegodde met 6. koppen een te Hakkoeroegodde met 6. koppen. en te Mirimettienwelle met 8. koppen„ te kat doewe een d=o. post met vier koppen bezet van waar zij een lascorijn meede gekreegen hebben om haar naar het dorp Waaregodde de Janggodse te Relaas van de door de wel Edele 6„ Gebiedende Heer M:r Christiaan van Angelbeek, opperkoopman, sekunde van het gaals Comman„ dement en Dessave van Moture op woensdag den 2. Junij J.:o seeden naar de gangebaddepattoe, de vier Baijgams en koolgeevende dorpen uitgesenden appoes mame„ konfoijeeren, lijk daar koomende in het huijs konvoijeeren, dat zij van de overleedene Modliaar van de gangeboedepot„ toe de tzamenrotten naar gissing een hondert kop„ pen sterk gevonden hebben gehad waar bij zij rela„ tanten gesien hebben, de voldaan aratje van het dorp karregodde oejang godde, Madoegodde appoe, de tieme en wietalane dlieles en eenige andere minderhoofden. 9de Dat de 2=de relatant de samas aan de vidaan aretie van karregodde oenjanggodde overgegeeven hebbende deese deselve aan Madoegodde appoe heeft overgegeeven, dat de Madoegodde appoe de samuas genoomen hebbende den liennerlieta belast heeft gehad om deselve eens opteleesen, en deese sulks verrigt hebbende deselve aan Madoegodde appoe waar ter hand gesteed heeft, die dezelve met verantwoordiging genoomen Hebbende op de grond neergesmekt heeft gehas en dezelve met zijne voeten vertreeden heeft, vervolgens deselve weeropgeraapt, verscheurt en in een geduwt hebbende met veragting van hem weg gesmeeten heeft gehad: en teegens de relatanten gezegd dat terwijl hij aan de veierige appoes de vrije passagie gegeeven haft die met de„ 1893 de mandaat ola gekoomen waaren, zij, zoo het hem toescheen, haar ook vermeeteld hadden aldaar tekoomen, dog dat hij haar dit verleeden zoude en hun straffen, en be„ val toen aan een der Lascorijns om de rela„ tanten weg te leijden en voor gearresteerd te„ houden dat zij relatanten dus een halve dag daar opgehouden zijn, zonder verder te moo„ gen gaan en zonder dat zij iets bijzonders hebben konnen ontwaaren. dat toen zij relatanten ruim een halve dag daar geweest waaren, iemand bij haar is koomen boodschappen, dat zij weder naar Mature naar haare wooningen moesten keeren, dat zij relatanten, bij Madoe„ goode appoe verlof neemende van te deese teegens hun ge vertrekken zegd had, dat wanneer voortaan eenige appoes aldaar weder met een samas van den Dessave van Ma„ ture quam hij deselve eerst braaf zoude doen geesselen en vervolgens villen nagezien willen laaten. Dat zij relatanten vervol gens vermits de samas door madae„ godde appoe verscheurd was geworden dit heer terug gekoomen zijn. Aldus gerelateerd Mature den 5. ' Junij 1790: door /:was getekend:/ met twee karaketers /:onderstond:/ voor de translatie :/ was getekt:/ M: f:n Palm geauthoriseerd /:in margine:/ voor de mondelinge vertaaling /:geteekend:/ D: S: Senerat gesw: sekr: soek:/ onderstond: accordeert :/was getekend: /: M: f: Palm, geauthoriseerd. Accordeert Lybrands Egkeert Pompaeris:

NL-HaNA_1.04.02_3884_0229 view scan ↗

English

Report of the Appu and Lascorins, namely Pallatege Tanies, Lascorin of Colombo, and Don Micheel Senewera, Appu of Mature, sent out on 30 May of the past year to the Magampattu with a mandate ola to the communities there by the Right Honourable, Right Valiant Commissioners Diederich Thomas Fretz and Abraham Samlant. The declarants state that, with the abovementioned mandate ola and on the high orders of the aforementioned Right Honourable Commissioners, they set out on their journey to the Magampattu on the said day, Sunday, and first halted at Billiwatte. There they found a post deployed by the gatherings of rioters, 10 to 12 persons strong, as also at Kottegoda situated in the Wellabaddapattu, 20 to 25 persons strong. At this last-mentioned post, the guards, having demanded the mandate ola from them and read it, handed it back, saying that they could continue their journey. The declarants then arrived at Bamberende without having heard or seen anything noteworthy, and spent the night there. The next day they arrived at Tangalle, where everything was quiet and peaceful, and without noticing anything worth mentioning they arrived at Wanduruppe in the Magampattu. There they found Arebokke Kangaan and, by estimate, twenty common persons, who, having asked the reasons for their arrival and understood that they had come there with a mandate ola in order to publish the same in the name of the Right Honourable, Worshipful Commissioners of Colombo, ordered the declarants to remain there, as the communities of the Magampattu were about to assemble in order to join with those of the Kandebaddapattu, and that they would come to meet and speak with the declarants before they departed. Thereupon the declarants remained there and took up their lodging with a mohundiram, Wanduruppe Appuhamy, who accommodated them with great respect without relating anything noteworthy. After the passage of the aforesaid two days, Arebokke Kangaan and another kangaan whom the declarants did not know appeared there in Wanduruppe, accompanied by around two hundred common persons. The abovementioned Arebokke Kangaan then ordered the declarants to read the mandate ola to them. The second declarant having done so, he offered the mandate ola to them in the name of the Right Honourable, Valiant Commissioners. Arebokke Kangaan accepted it with great respect and also read it out to the crowd. Handing the mandate ola back, he subsequently said that the said mandate ola for the most part concerned the other korales and pattus, with which they had no connection, and they could deliver it to those people, since they could find no satisfaction or settlement in the said mandate ola for the 26 articles of complaint submitted by the inhabitants of the Magampattu. He stated that they highly respected the Right Honourable, Valiant Commissioner and Dissave of Colombo as being a gentleman of very discerning judgment and experienced in matters concerning the Noble Company as well as the King of Kandy, and therefore they had to conclude that the lack of redress for their grievances was not to be attributed to his Honour, but that other ways had been imposed upon them by the gods as punishment for their iniquities. That in this uncertainty, confusion, and anxiety, they had sent their goods, the little that had been brought together by them with much sweat and care, into the King's territory for safekeeping, and that they stood ready to follow their goods and drag along their poor and emaciated wives and children for fear of punishment should their complaints be rejected. He declared that as long as the present Residents remained in the Magampattu, they would neither rest nor perform anything for the benefit or profit of the Noble East India Company, and that if the resident remained there any longer, they would seek protection with the King of Kandy in his lands. Finally, the said lesser headmen and inhabitants of the Magampattu requested the declarants to go with them to the Kandebaddapattu and publish the mandate ola there, as those people meant well by them. But the declarants answered thereto that the Right Honourable, Valiant Commissioners had already expedited such a mandate ola to all the korales and pattus, and that their commission extended no further than going into the Magampattu. They therefore requested permission to be allowed to return hither, which was granted to them. Thus reported this day, 5 June 1790, within the fortress of Mature. Was signed with a character and a Dutch signature. Below stood: for the translation, signed M. F. Palm, authorized. In the margin: for the verbal interpretation, signed D. S. Senerat, sworn secretary-interpreter. Below stood: Agrees, was signed M. F. Palm, authorized district clerk. Agrees: Sijbrands. Examined: Paupeus.

Dutch transcription

1894 Relaas van de door dewel Edele Gestrenge Heeren Commissaris„ sen Diederich Thomas faetz: en Abraham Samlant, op den 30. Maij J:o L: naar de Magampattoe, met een man„ daat ola, aan de gemeenten aldaar, uitgesonden Appoe en Lascorijns naamelijk Pallatege Tanies, Loscorijn van Kolombo. Don Micheel Senewera appoe van Mature dewelke delatanten dat zij met de hier boven gem: mandaat ola op hooge ordre van de wel Edele Heeren Commissarissen voorm:, haar g:t d:o sondag op deis naar de Magampattoe begeeven hebben eerst te Billiwatte haete gehouden hebben; daar zij, een, door de „ zaamenrottingen uitgesette macht poss sterk 10: a: 12. koppen gevonden hebben gehadt, gelijk ook te koote godde / inde wellebaddapattoe) geleegen sterk 20: a: 25: koppen, aan welke laast gem: post, de wagt hebbende, de mandaat ola, van hun afgeeischt en gelesen hebbende, deselve weder weder overgegeeven hebben, onder het zeggen, dat zij hunner reize konde vervorderen gelijk zij delatanten toen de Bamberende zonder iets aanmerkelijks gehoord ofte gesien hebben gekoomen zijn, en aldaar vernagt hebben gehadt: dat zij anderen daags te Cangale gekoomen zijn daar alles stil en vreedig was, en zonder iets noemens waardig te verneemen te waandaroeppe inde magampat„ toe gekoomen zijn, daar zi arebokke kang aan en naar gissing twintig koppen gemeenen gevonden hebben, die na de reedenen van hun„ ne komste gevraagd en verstaan hebbende dat zij aldaar met een mandaat ola gekoomen waaren, om deselve uit naamen van de wel Edele agtb: Heere Kommissa„ rissen van kolombo te publiceeren, de relatanten belast hebben gehad om aldaar te blijven vertoeven, wijl de gemeenten van de Magampattoe stonden te vergaderen, om haar met die van de kandebadde„ pattoe te konjangeeren en dat zij aela„ tanten haar aldaer eer zij nog vertrok„ ken, zouden koomen ontmoeten: en spree„ ken: dat zij relatanten daar op aldaer gebleeven 1895 gebleeven zijn en hun intrek bij eene macoraal waandaroepe appoehamie genoomen hebben, die hun met veel agting geherbergd heeft gehadt, „haer. zonder iets aanmerkelijks te vertellen dat na verloop der voor zeide twee daagen. aldaar (te waandaroepe) verscheenen zijn Arebokke kangaan en nog een kangaan (die zij rela„ tanten niet en zenden) verseld van om„ taend twee hondert koppen gemeenen, dat boven gem: arebokke kangaan daar op de relatanten gelast hebben om de mandaat ola haarlieden voorteleesen, dat de tweede relatant zulks gedaan hebben demandaat ola uit naame van de welEd: gestr: Heeren aangebooden heeft kommissarissen haarlieden gehadt, dat oerebokke kangaan dezelve met veel eerbied overgenoomen, en almeede de schaare voorgeleesen heeft gehadt, vervol„ gens de mandaat ola weder overreikende gesegd had dat ged:e mandaat ola grooten„ deels de andere korles en pattoes betagft, tot welke zij geen relatie hadden, en zij deselve aan die lieden konden besorgen, wijl zij op de door de inwoonderen van de Magampattoe at aan Magampattoe ingebragte, 26: klagt artikels, geene voldoening ofte afdoening bij gedagte man„ daat olie konden vinden. Dat zij den wel Edelen gestr: Heer kommissaris en Dessave van kolom bo hoog respecteerden, als zijnde een heer van zeer schaanderen oordeel, en ervaaren in zaaken zoo wel de Edele kompagnie als den koning van kandia) raakende, en diesweegen beslutijsten moesten, de de afdoening haarer klagten niet zijn welEd: gestr: toeteschrijven is, maar daar andere weegen hun tot staaffe hunner onge„ regtheeden door de gooden opgelegd waaren Dat zij in deese onsekerheid, verwarringen, en ongerustheid, hunne goederen, het weini„ ge wat door hun met veel sweed en zorgen bij een gebragt waaren, naar 's koning land 2 in berging gesonden hadden, en zij gereed stonden hunne goederen te volgen en hunne arme en uitgeteerde vrouwen en kinderen meede te sleepen uit vreese voor staaffe, wanneer haare klagten mogten verworpen zijn. verklaarde dat zoolang de presente Resi„ denten in de Magampattoe bleeft, zij met rusten, nog iets verrigten zoude ten nutte 1896 of voordeel van de Edele O: J: Comp:, en dat wanneer de relatant aldaar nog Langer bleeft, zij be„ scherming bij den koning van kandia in zijne landen zoude versoeken. Dat gem: minder hoofden en inwooneren van de Magampattoe eijndelijk haar relatanten ver„ zogt hadden om met haar naar de kande„ badde paltoe tewillen gaan en de mandaat ola aldaar publiceeren, also deese het haar wel„ meenenden: dog dat zij relatanten daarop „hebben gehad gedient, dat de Edele gestrenge Heeren ook naar bereeds, kommissarissen en pattoes zulken alle de Corles „ge Expedient mandaat ola „ prespidier hadden, niet ver„ kommissie dat hunne strekken, dan om in de der te-gaan: zij dies„ Magam pattoe hun verlof te baaden halven herwaards verleenen om willen te te moogen keeren, het welk hun geak„ kordeert is geworden. Aldus gerelateerd Heden den 5: Junij 1790: binnen de fortresse van Mature /:was ge„ tekend:/ met een karakter en een neder„ duijtsche handteekening /:onderstond/ voor de translatie /:getekend:/ M:r f: Palm, geaut„ horiseerd: /:inmargine:/ voor de mondelinge ver„ taaling /:getekend:/ D: S: Senerat gesw: Tekr: tolk: / onderstond:/ Accordeert:/ was ge„ tekend/ M:r f: Palm, geauthoriseerd Wegklerk Accordeert Sijbrands nagezi Paupeus„

NL-HaNA_1.04.02_3884_0237 view scan ↗

English

1897 Translation of a Sinhalese letter ola addressed to the Honorable Commanding Lord Grand Dissava of Matara, reading, after customary compliments, as follows: Having read the olas sent to us by the Lord Commissioners who arrived on behalf of our Right Honorable Lord Governor to investigate our affairs, as well as the olas sent to us by Your Honor, we have understood their contents with great joy. However, since no decision has been made regarding the partial complaints that were presented in the complaint ola originally produced by us, in accordance with the request we made therein, we request permission to submit our aforementioned request in a report as soon as possible. Thus is this letter ola written and submitted in the year 1790, on the 4th of June, by the collective inhabitants and minor headmen of the Weligam Korale. At the top of the ola was signed with 15 illegible signatures. Below was written: For the translation, Matara, the 5th of June 1790. Signed: J. M. Walter, sworn clerk. In the margin: For the translation, signed: D. S. Scherat, sworn secretary interpreter. Lower: Agrees, signed: J. M. Walter, sworn clerk. Lower down stood: Agrees, was signed: Mr. F. Palen, authorized. Agrees, Sybrands, First Clerk. Examined, Poupeur. 1898 Account of the persons sent out by the Honorable and Strict Lord Mr. Christiaen van Angelbeek, Senior Merchant and Second of the Galle Commandment and Dissava of the Lands of Matara, on the 5th of June 1790, with a sannas from the Right Honorable, Strict, and Highly Esteemed Lord Willem Jacob van de Graaff, Governor and Director of this Island and its dependencies, to the gathered communities of the Weligam Korale, the Gangaboda Pattuwa, and the villages of the [illegible], namely: Don Simon Abeygoonewardene Rannettonge, Aratchi of the Atapattu at Matara, and Rubasinghe Appuhami of Colombo; who relate that they departed from here yesterday with the sannas delivered to them by the Honorable Lord Dissava, which had been sent from Colombo by the Right Honorable, Strict, and Highly Esteemed Lord Governor of Ceylon, and arriving at Nadugala, they found a guard post stationed there by the gathered community and manned by four persons, who, having understood the reasons for the relators' mission, let them pass. That the relators found in the same village, at a place called Gambadda Addere, another such guard post manned by twenty persons; that those stationed at the last-mentioned place demanded to know from the relators the reason and the contents of their mission; that the first relator thereupon handed over the sannas to a certain Hewage Bale Appuhami, who, having read it aloud without saying anything in response, returned it to him and said that they must continue their journey. That the relators proceeded from there to Bandattara, 1899 where they also found a lascarin guard post of twenty men stationed by the rebels, alongside a Godagammedde Kankan belonging under the authority of the Baygam Aratchi, who, having understood the reason for their mission, allowed the relators to pass unmolested, just as also occurred in the village of Palalla, where they saw a similar post eight men strong; that as it was then late and beginning to grow dark, they took up their lodging with the Baygam Aratchi, and intending to proceed the next day, they were advised by him to remain there, as the gathered crowds were to assemble that day; that around eleven o'clock in the morning they learned that the gathered mob had arrived and assembled at Bandalgoda. The relators thereupon immediately went thither, where they found an assembly of about six hundred common people, among whom were the following minor headmen: namely two Aratchis of Baygam, whom they did not know by name, a Bandattara Wannambi Aratchi, the Vidane Aratchi of Mirissa, Madugoda Appu, and some minor headmen whom the relators did not know. That the relators, appearing before the said minor headmen, stated that they had been sent to them to publish a sannas from the Right Honorable Lord Governor of Ceylon, and subsequently handed the sannas to Madugoda Appu, who, handing it over to the Vidane Aratchi of Bilpagam, 1900 ordered him to read it aloud. That after this had been done, Madugoda Appu said to the relators that they, namely the assembly of the gathered community, had submitted various requests and complaints to which no consideration appeared to have been given, or would be given, since up to the present they had obtained no redress on any of the main points. And continuing in a contemptuous tone, he said to the relators: And why must you continuously trouble us with your sannases, when our affairs and requests remain unattended to! And stepping up to the first relator, looking him intently in the face, he said: Well, so it is you, then, who wish to leave our country as a prey to the whites! Continuing further: I will teach you! And he thereupon ordered twelve lascarins to place the first relator under arrest, saying: Come, take this fellow into custody for me, and take care that he does not escape you. That

Dutch transcription

1897 Translaat Gingaleesche Brief Jola gericht aan den wel Edelen gebiedenden Heer Matureesche Groot Dessave Luijdende na voorgaande Complimenten aldus De doorde van weegen onsen wel Edelen Groot Achtbaaden Heer Gouverneur ter ondersoek van onse zaaken aangekoomene Heeren kommissarissen, aan ons toegesondene Cannos ola, zoo wel als de door uwel Edele ge„ biedende ons toegesondene Cannas ola door ons geleesen zijnde hebben wij met Groote blijdschap dies inhouden verstaan. Dog dewijl op de gedeeltelijke klagten die bij, de door ons in den beginne gepaoduceerde klagt ola, na ons daar bij gedaane versoek, niet beslist zijn geworden, versoeken wij ons te willen permitteeren gemelde ons versoek bij een Rapport ten allen spoedigsten overteleggen. Dus danig is deese brief brief ola geschreeven en overgelegd in het Jaar 1790: den 4: Junij door de gesamentlijke ingeseetenen en mindere hoofden van de belligamcerle Aaan het hoofd der ola /:was getekend. /. met 15: on: leesbaare handteekenings /:onderstond:/ voor de Translaatie Mataire den 5. Junij 1790: / was ge„ tekend:/ I: M: walter gesw: klerk /:inmaa gine :/ voor de vertaaling /:getekend:/ D: S: scherat gesw: sekr: Jolk /:Lager:/ Accordeert: getekend:/ J: M: waeter, gesw: klerk. /lager: stond/ Accordeert /was geteekend:/ M:r f. Palen„ geauthoriseerd Accordeert Sijbrands Eklerk nagezien Poupeur 1898 Relaas van de door den wel Edelen gestrengen Heer M:r Christiaen van Angelbeek oppercoopman en sekunde van het gaalsche Commandement en Dessave der Landen van Mature, op den 5:' Junij 1790:, met een samas van den wel Edelen ge„ strengen Groot achtb: Heer willem Jacob van de Graaff, Gouverneur en Directeur deeses Eilands, en dies onderhoorig„ heeden naar de tzamen gerotten gemeenten van de belligamcorle, de gangebadde pattoe ende keoolge„ wende doopen uitgesondene Don Simon Aboiegoenewardene Rannet„ oenge aaatje van de attepattoe, te Mature, en. Roebesinge appoehamie van kolombo dewelke relateeren, dat zij gisteren met de door den wel Edelen geb: heer Dessave, aan hun overgeleeverde sanas, welke van kolombo door den wel Edele gestrengen Groot Achtbaaren heer Ceilons Gouver„ neur neur gesonden is geworden, van hier vertrokken, en te Nadoegolle komende een door de tzamen gekotten gemeente aldaar gestelde wacht post met vier koppen bemand gevonden hebben, dewelke de ree„ deren van den relatanten zending verstaan hebbende, hun hebben laaten passeeren. Dat zij relatanten in de zelfsde-dorp in een plaats gambadde addere genaamt nog een dito wagt post bemand met twintig kop„ pen gevonden hebben, dat de op de laast gem: plaats geposteerden, van de rela„ tanten begeert hebben, teweeten de reeden en den inhoud van hunne zending: Dat de eerste relatant daar op aan eene Hewage bale appoehamie, de Sannas over overgegeven heeft, die deselve overluijd 81 geleesen hebbende, zonder iets, daar op, te„ zeggen; aan hem weeder heeft overgegee„ ven gehadt, en gezegd, dat zij hunne aeis moesten vervorderen. Dat zij relatan„ ten van daar te Bandatte zijn gekoomen, daar 1899 daar zij meede een door de zamengerotte uit„ gesette Lascorijns wacht posten gevonden heb„ ben twintig koppen sterk, nevens eene god„ degammege kang aan sorteerende onder het randie van den Baijgam aratje; welke de reedene van hunne zending verstaan heb„ bende, hun relatanten ongemoeid hebben laaten passeeren, gelijk zulks meede in het dorp Pelligodde, daar zij een dito post sterk agt koppen gezien hebben, gebeurd is: dat zij wijl het toen laat was en duijster begon teworden, haar intoek bij den baijgam aratje genoomen hebben, en 's anderdaags voort willende, door den zelven geraaden was geworden, aldaar te vertoeven, also de tzamen„ rottingen dien dag stonden tzaamen te koo„ men, dat zij omstreeks elf uuren op den middag vernoomen hebben, dat de zamen gerotten hoop te Bandalgodde aan„ gekoomen , gekoomen en aldaar vergaderd was, zij relatari ten daar op ten eersten daar na toegegaan zijn, daar zij relatanten gevonden hebben, eene ver„ gadering van omtrent ses hondert koppen gemeenen, waar bij de volgense minderhoof„ naamelijk twee araatjes van den waaren de Baijgam /welke zij bij naam niet kenden/ eene bandattere wannambie aratje, de vidaan araatje van Marembe, Madoe„ godde appoe en eenige minder hoofden, die de relatanten niet kenden. Dat zij relatanten voor gedagte minderhoofden koomende gezegd hadden, dat zij rela„ tanten bij haarlieden gesonden waaren, om een Sammas van den Hoog Edelen Heere Gouverneur van Ceilon te publicee„ ren vervolgens de sanas aan Maddoe„ godde appoe ter hand gesteld hebben, die deselve aan de vidaan araatje van Bilpagam 1900 Bilpagam overreikende gelast had, deselve overluid te leesen, dat na dat zulks ge„ daan was, Maddoegodde appoe tegens de relatanten gezegd had, dat zij (namelik de vergadering der 'tzamen gerotten gemeente) verscheide versoeken en klagten in gedient hadden, op welke geene deflektie schijnt geslaagen te zijn, ofte te zullen worden, alsoo zij tot nog, op geene der hoofdpoincten, afdoe„ ning gekreegen hadden- en met eene versmaa„ dende toon vervolgende, tegens de relatanten gezegdt hadt„ en wat behoeft gij ons nog gestaag met uwe sannassen te vermoeidelijke, daar dog onse zaaken en versoek onafgesaan blijft! en na de eerste relatant treedende, hem sterk onder de oogen ziende, gesegd heeft gehod„ zoo zeijt gij het dan. die ons land den blanken tot een prooij wilt laaten. „ voorts vervolgende„ ik zal u leeren, en heeft daar op aan twaalf lascorijns geordonneerd om den eersten relatant en arrest te neemen, zeggende„ komt „neemt mij die kaeael in bewaaring en daarg zorge dat hij ulieden niet ontsnapt. Dat

NL-HaNA_1.04.02_3884_0246 view scan ↗

English

That he, the deponent, was nevertheless released from his arrest after a couple of hours and had to come to Maddoegodde Appoe; that upon appearing there, Maddoegodde Appoe told him, the deponent, and his companion that they could stay with him, but on the advice of the lesser headmen permitted them to return to Matara; that they, the deponents, had said upon this that they had received orders to publish the brought sannas in the aforesaid korales and pattuwas, upon which Maddoegodde Appoe had answered that the general gathering was soon to assemble and meet there, that he would distribute and present the same to them, and subsequently have an answer delivered to the Honorable, noble Lord Dessave of Matara. Thus reported at Matara, the 6th of June 1790. Was signed with two signatures. Below stood: For the translation, was signed: Mr. F. Palm, authorized. In the margin: For the oral translation, signed: D. S. Senerat, sworn clerk. Below stood: Agrees. Was signed: Mr. F. Palm, authorized. Agrees, Sijbrands, First Clerk. Examined, Compers. Report of the appoes, namely Don Siman Kondaeremaappal and Don Samuel Wittie Aratje Appoe Deviaf Footaesse, inhabitants of Walgam within the four gravets, sent by the Honorable, ruling Lord Mr. Christiaan van Angelbeek, Senior Merchant, Second of the Commandement of Galle and Dessave of the lands of Matara, to the Wellabadda Pattuwa and the Giruwapattuwa, with a sannas to the common people assembled together there. Who relate that last Friday, by order of the aforesaid Honorable, ruling Lord Dessave, they set out on their way to the aforementioned pattuwas; and, arriving in the village of Aauoeroenne, they saw and passed a guard post set out by the assembled crowd, three heads strong; and arriving at Bamberende near the Sinhalese school there, they found a gathering of about thirty heads, among whom the following lesser headmen were present, namely Ratmalle Aratje, the schoolmaster of Bamberende, the majoral there, Japahamie, and Dandenie Kankaen; that they, the deponents, having made known to these persons the reason for their mission, were ordered by them to read out the sannas they had brought with them, after which they requested and received a copy thereof from the first deponent. That the gathered crowd subsequently told the deponents that they could not yet give them an answer to the sannas presented to them, as they were obliged first to consult with the assembled crowds of the Kandebadda Pattuwa and of the Giruwapattuwa, with whom they were aligned, regarding the answer that they were to give to this; which, as soon as that was done by them, they would not fail to reply. That for the rest, they, the deponents, could notice nothing other than that the lesser headmen took complete satisfaction in the aforementioned sannas and also outwardly showed their joy about it. That when they, the deponents, arrived at Gallegamme, where they found a post with four heads, they learned there that the gathering had assembled at Kahawatte, whither they, the deponents, then went; and that same afternoon, not far from the rest house there, they saw a number of roughly fifty common people, among whom they, the deponents, saw Witjesinke Bitmerael and Koeletoenge Bitmeraal, alongside the Vidana Aratje of Kahawatte appointed by the gathered crowd, who had previously performed the vidana's service of Arangwille, the schoolmasters of Kahawatte and of Gottemaane, as well as Nallegamme Vidana Aratje. That the first deponent, approaching them, handed over the brought sannas into the hands of Koelletoenge Bitmeraal, who had the same read out by the Vidana Aratje; that they, the deponents, meanwhile, while hearing the aforementioned sannas read out, saw that the Mudaliyar Sinnekoon was standing at the rest house of Kahawatte; they therefore took the sannas, went to him, and presented the same in the name of the Honorable, ruling Lord Dessave of Matara. That the Mudaliyar Sinnekoon subsequently read the aforesaid sannas very distinctly to the people, and they heard him say to the assembled crowd that this sannas had been translated from the Dutch into the Sinhalese language to announce a pardon for a crime, whereof never any redress or further investigation shall be made; that the gathered crowd then took this sannas, and having attached an address ola to it, said that they would send it to the assembly of the Kandebadda Pattuwa confraters, who were at Hakmana, and that those who were at Kahawatte, after taking counsel, would reply to the sannas. That the aforesaid Vidana Aratje of Kahawatte, appointed by the gathered crowd, speaking privately with the deponents, had said that the common people there harbored thoughts of peace, and were very well pleased and content with the present orders and arrangements; but that out of fear of the assembled crowd of the Kandebadda Pattuwa, they allowed themselves to be led by them; that the Mudaliyar Sinnekoon had related to them, the deponents, that when he, the Mudaliyar, on his way traveling to his pattuwa arrived at Gallegam, hearing the tambourines and drums far ahead, and having learned that the gathered crowd had marched on ahead, he had quickly followed them; and coming to the rest house, the gathered crowd had already posted themselves not far from it, and that he saw the rest house full of cattle dung and defiled with all kinds of filth, indeed even doors and windows were broken; that

Dutch transcription

Dat hij relatant nogtans naar verloop van een paar uuren van zijn arrest ontslaagen en appoe heeft moeten koomen, bij maddoegodde dat hij daar verscheijnende, Maddoegodde Appoe tegens hem relatant en zijn maat gesegd heeft gehadt, dat zij bij hem konden blijven, dog op aanraadinge der minder hoofden haarlieden gepermitteerd heeft gehad, weder naar matuire te keeren, dat zij relatanten, daar op gezegd hadden dat zij order hadden gekreegen om de meede Sannas in de voor„ gebragte pattoes te korles en zeijde maddoegodde ap„ publiceeren . ƒ. daar op geantwoord heeft poe d„ dat de generaale zaa„ gehadt, te ver„ menrottinge stonden zouden en aldaar gaderen bij 1901 bij een koomen, dat hij dezelve aan zouden bedeelen en presen„ haarlieden en vervolgens aan den wel teeren, Edelen geb: heer Dessave van Mature van antwoord daar op doen dienen Aldus gerelateerd Mature den 6: Junij 1790: /:was getekend:/ met twee handtee„ keningen /:onderstond:/ voor de translaatie /:was getekend:/ M:r f: Palm, geauthoriseerde /inmargene:/ voor de mondelinge vertaaling /:getekend:/ D: S: Senerat Gesw: Sekr: soek / onderstond /: accordeert :/ was getekend/: M„r f: Palm, geauthoriseerde Accordeert Sijbrands Egklerk nagezien Compers. 1902. Relaas van de door den wel„ Edelen gebiedende Heer M:r Chris„ tiaan van Angelbeek, opper„ koopman sekunde van het gaaesche Commandement en Des„ Jave der landen van Mature, naar de wellebaddapattoe en de gia waij pattoe, met een saurias aan de aldaar 'tzaamen ge„ rotte gemeenten uitgesonden appoes namelijk Don Siman kondaeremaappal en inwoond:rs van walgam binnen de 4. gaavetten Don Samuel Wittie aratje appoe deviaf footaesse dewelke relateeren dat zij voorleeden vrijdag op ordre van wel gem: wel Edelen Gebiedenden Heer Dessave haar naar bovengem: Pat„ toet op weg begeeven hebben in het dorp Aauoeroenne en door de samen„ ootte gemeenten, uitgeselle wagt post, sterk Drie koppen gesien en gepasseerd komende, waaren: en te Bamberende bij de singaleese school aldaar - Eene Eene samenrottinge van omtrent Dertig koppen vernoomen hebben gehad, waar onder de volgende mindere hoofden zich hebben laaten vinden namelijk Ratmalle „ van aaatje, de schoolmeester „ Bamberende de majoraal aldaar Japahamie en Dandenie kankaen, dat zij relatanten aan deese de reeden van hunne zending bekent gemaakt hebbende, zij hun gelast hebben de meede gebragte sannas op te leesen, na welke, zij van den Eersten relatant een afschrift daar van zogt en gekreege hebben. Dat de zamengerot„ ten vervolgens tegens de relatanten gezegd hadden dat zij hun tans geen antwoord nog op de hun voor„ gehouden Painas konden meede geeven, alzoo zij verpligt waaren eerst met de tzamengerotten gemeenten van de kandebaddepattoe ende van de girwaij pattoe, met welke zij gekombineerd waaren over het antwoord, dat zij hier opstonden te geeven, te raadpleegen, welk zoo daa door hun gedaan was gewerden zij in geene gebreeken blijven zouden, te antwoorden, dat zij relatanten voor het overige niet anders hebben konnen mer„ ken, dan dat de minder hoofden, Een volkoo„ men genoegen in voorm: sanas naamen hunne 1903 hunne blijdschap daar over ook uiterlijk had„ den doen blijken. Dat toen zij relatanten te gallegamme, daar zij een post met vier koppen vonden, gekoomen waaren, aldaar vernoomen ƒ hebbe gehadt, dat de 'tzamenrotting te kaha„ watte vergudert waaren, daar zij relatanten toen gegaan zijn, en dien zelfden nademiddag, niet verre van het ruitheis aldaar, gezien hebben een getal van naar gissing, vijftig„ gemeenen, bij de welken, zij delatanten gezien hebben, witjesinke Bitmerael, en koeletoenge bitmeraal, nevens de door de zaamen geaetten aangestelden vidaan aratje van Kahawatte, die voor deesen de vidaans dienst van arang„ wille verrigt heeft gehadt, de schoolmeesters van kahawatte en van Gottemaane, gelijk ook Nallegamme vidaame aetjele: dat de Eerste relatant bij hun koomende, de meede gebragte sanas overgereikt heeft gehadt, in handen „ van koelletoenge Bitmerael, die dezelve door den vidaan aratje heeft doen opleesen: Dat zij relatanten in middels onder het hooren opleesen opleesen van bovengedagte sannas gesien hebben dat de moddliaar sinnekoon aan 't Rusthuijs van kahawatte stond, zij desweegens de sannas genoomen en naar hem toegegaan zijn, deselve uitnaam van den wel Edelen Gebiedenden Heer Dessave van mature gepresenteerd heeft gehadt: Dat de mooliaan Jinnekoon de voorsz: Samnas vervolgens zeer distinct de gemeenten voorgeleesen heeft gehadt, en tegens de 'tzamen gerotten hadden hoore zeggen, dat deese sannas uit het nederduijds in de singaleese taele was overgebragt, om aante„ kondigen eene vergiffenis van een Caimen, waar van nootje eenig verhaald of nader ondersoek zal gedaan worden: Dat de zaimen, gerotten gemeenten vervolgens deese Sammas genoomen, daar aan een addres ola gehegt hebbende gezegd hadden, dat zij deselve zouden aan de vergaderinge van de kande baddepattoe Confraters, die haar te Hak„ man bevonden, en dat zij, die te kahawatte waaren 1904 waaren, na genoomen advijs op de Sannas zouden antwoorden. Dat de hier voorengem:, door de tzamen„ gerotten aangestelde vidaan aratje van khawatte afzonderlijk met de relatanten spreekende gesegd hadt dat de gemeenten aldaar gedagten van vreede koesterden, en zeer wel te vreeden en in hun schik waaren met de presente orders en schikkingen: Doch dat zij uit vreese voor de tzarnengerotten van de kandebadde„ pattoe haar door deselve lieten leijden: dat de modliaar Jinnekoom aan haar relatanten ver„ haald hadt, dat toen zij modliaer opveg naar zijn pattoe trek te Gallegam koomende, de tammelijntjes en trommels ver voor uijt ver„ neemende, en vernoomenhebbende dat de tzamen gerotten hoop voor uijt getrokken waaren hij haar schielijk gevolgd was, en aan het rusthuijs koomende, de 'tzamengerotten hoop haar reeden niet verre daar van geposteerd hadden, dat het austhuijs vol koebeesten meest en met allerlij vuilnis bemorst zag, Ja zelfs deuren en vensters gebrooken waaren, 24 dat e

NL-HaNA_1.04.02_3884_0254 view scan ↗

English

that he had to have a room prepared and made ready there for his convenience. That he, the modliar, had instructed the bismelaers and three aratchies also sorting under him to bring the inhabitants to peace as much as was ever possible, and to inspire peaceful thoughts in them. That the modliar Giniekoon, having summoned the vidaan aratchie of Wallasmoelle, had been detained by the unlawful gathering, and the vidaan aratchie of Marakadde had gone to the unlawful gathering without orders. That the modliar Ginnekoon had finally said to their informants that the aforementioned three bitmelaes and three aratchies had promised him to do their utmost duty to bring the gathered crowd to peaceful thoughts and to satisfy them, and that, once they had sounded out and examined these people, they would immediately inform him, the modliar, of their findings and have the people assemble before him. 1905 That modliar Sinnekoon had promised that if he were to discover anything whatsoever concerning the gathering, he would immediately communicate it to the Grand Dessave of Mature. Thus related at Mature on 6 June 1790. Was signed with a Dutch signature and a character. Below was written: For the translation, signed Mr. J. Palm, authorized. In the margin: For the interpretation, was signed D. S. Senerat, sworn interpreter. Below was written: Agrees. Was signed Mr. P. Palm, authorized. Agrees Sijbrands Giklen Examined Pompeus. 1906 Statement of the modliar of the Belligam Corle, Abesingawardene Goeneratna. The aforementioned modliar relates that on last Saturday the 5th of this month there was delivered to him by the Honorable strict Commissioners Diedrich Thomas Fretz and Abraham Samlant, and the Honorable commanding Dessave of Mature, a samas sent hither by the Right Honorable, highly esteemed, and far-ruling Governor of Ceylon, with orders that he, the modliar, was to publish the same in the Belligam Corle to the community assembled there. That he, the modliar, having departed yesterday with the same, arriving at Galetoewe near a mandoe where a pike stood planted on either side, found about 80 individuals of the gathering and learned that they consisted mostly of the inhabitants of the villages of Galetoewe, Attoedawe, and Badoelle, who asked him, the modliar, where he wished to go. That he, the modliar, thereupon read the samas aloud to them and then told them that he, the modliar, had been commanded by the above-mentioned Honorable strict and commanding Gentlemen to present this samas and his pattoe to the entire assembly. That they thereupon told him, the modliar, that he had to stay and was not permitted to proceed further, before and until they had received orders from the gathered people of the Belligam Corle, of the Gangebadde Pattoe, and of the Four Baygams, to whom they would immediately dispatch people to inform them that he, the modliar, had arrived at Galetoewe at the border of the Belligam Corle with a samas from the Right Honorable Governor of Ceylon. That he, the modliar, being unable to resist this restless crowd, had remained there. That yesterday afternoon around 5 o'clock the liene aatchile of Galetoewe returned accompanied by 5 other persons, and made known to him, the modliar, on behalf of the gathered people of the Belligam Corle, Gangebaddepattoe, and the Four Baygams, and especially to the community assembled at Galetoewe, that he, the liene aatchile, had orders from the aforesaid 1907 aforesaid gatherings to command the assembly and gathering at Galetoewe in their name that they should not permit any of the chiefs, whoever they might be, to go to their Corles and pattoes, under whatever pretext it might be, as they would by no means allow such a thing. That the assembly of Galetoewe, whenever any of the chiefs might arrive there, such as the modliar of the Belligam Corle who was at Galetoewe and wished to go to their Corles or pattoes, had to prevent this, and that if any resistance whatsoever should be offered to them or if they should be mistreated, they were to inform the general gathered communities thereof with the utmost speed. That he, the modliar, having understood from the aforesaid account that the gathered inhabitants of the Belligam Corle were assembled at Kaddoewe, sent a servant of his thither to the minor chiefs of the Belligam Corle who were there Examined with an ola letter in which he, the modliar, stated that he had come to Galetoewe sent with a samas from the Right Honorable Governor to publish the same to them, but that the assembly at Galetoewe would not allow him to proceed further, of which he was giving them this notice; to which he, the modliar, received an ola letter in reply, and presented the same this morning to the aforementioned Honorable strict and commanding Gentlemen. Thus related today, 7 June 1790. Was signed D. I. Goeneratna. For the translation, signed M. J. Palm, authorized. In the margin: For the oral translation, signed D. S. Senerat, sworn interpreter. Below was written: Agrees. Was signed Mr. J. Palm, authorized. Sijbrands Eiklerk Agrees Pompeus

Dutch transcription

dat hij een verstrek tot zijn kommoditeid daar heeft moeten laaten schoon maaken ingereeds„ heid brengen Dat hij modliaar de bismelaers en drie onderhem almeede zorteerende arraatjes onder gegeeven hodt, om ze veel maar immer doenlijk was, de ingeseetenen tot rust te„ brengen, en vreedige gedagten inte boesemen. Dat de modliaar Giniekoon de vidaan aratje van wallas moelle hebbende doen roepen, door de 'tzamenrottinge aangehouden was, en de ridaan aratje van Marakadde zonder orders naar de 'tzamenrotting gegaan was. Dat de modliaaa Ginnekoon eindelijk tegen hun rela„ tanten gesegd heeft gehad, dat de voorzeide drie bitmelaes en drie aratjes hem beloofd heb„ ben gehad, hun uijterste de vier te zullen doen, om de zamengerotten hoop tot vreedige gedagten te brengen; en haar te veeren te vreeden te stel„ len, en Dat zij van hunne bevindinge, wan„ neer zij deese lieden zullen gepolst en ondertoft hebben hen moodliaar ten eersten kennis zoude geeven en 't volk voor hem doen tezaamen koomen 1905 komen. Dat modliaar sinnekoom belooft heeft gehad zoo daar hij eenigligd van het een of andere raakende tzamenrottinge mogte bekennen ten eersten aan den Heer groot Dessave van mature te zullen bedeelen. Aldus gerelateerd Mature den 6. Junij 1790: /was getekend /: met een nederduijtse hand„ teekening en een karakter /:onderstond:/ voor de translaatie /:geteekend/ M:r J: Palm, geauthoriseerd /:inmaagine:/ voor de vertaalinge /:was geteekend:/ D: S: Senerat gesar: Seter: soek / onderastont /: accordeert /:was geteek:/: M:r P: Palm, geauthoriseerd. Accordeert Sijbrands Giklen nagezien Pompeus. 1906 Celaas van Den modliaar van de belligam Corle Abesinga wardene goeneratna De modliaan voornoemd relateerd dat aan hem door de wel Edele gestrenge Heeren kommissarisse Diedrich Thomas Fritz: en Abraham Samlant, en den wel Edelen gebiedende Heer Dessave van voorleeden saturdag den 5. deeser maand mature was ter hand gesteld een door den wel Edelen groot agtb: en wijdgebiedenden Heer Gouverneur van Ceilon herwaards gesonden samas, met last dat hij modliaar deselve in de belligamcorle aande aldaar te zaamen gerotten gemeente moeste publiceeren. Dat hij modliaar gisteren daarmeede vertrokken zijn„ de te galetoewe koomende bij een mandoe aldaer voor welke aan wederzeijden een piek gepland stonden, omtrent 80 koppen der te zamen oot„ tinge gevonden en verstaan heeft dat deselve meest bestonden uit de inwoonders van het dorp galetoeve, attoedawe en badoelle, de„ welke aan hem modliaaa gevraagd hebben, waar hij modliaar na toewilde; Dat hij modliaan, daar op de samas zelfs overleid i overluid voorgeleesen heeft vervolgens teegens hun gesegt heeft gehadt, dat hij modliaar door de bovengem: wel Edele gestrenge en gebiedende Heeren gelast was geworden. deese samas en zijn pattoe aan de gantsche verzamelinge voortehouden: dat zij daar op tegens hem mod„ aliaar gesegd hebben dat hij dan moeste blijven, en met verder mogte gaan, voor en al eer zeijlieden order van de zamengeretten, van de belligamCorle; van de gangebadde pattoe en van de vier Baijgams, hadden gekreegen daar zij ten eersten volk zoude na toe zenden, om hun bekent te maaken, dat hij mod„ aliaar te Paletoewe aan de lemiet van de belligan Cerle met een samas van den Hoog Edelen Heer Gouverneur van Ceilen gekoomen was dat hij modliaaa zig tegens deese onrustige hoop niet konnende verzetten aldaar gebleeven was. dat gisteren nademiddag teegens 5. uuren de liene aatjele van Galetoewe verseld van 5. andere persoonen terug gekoomen, aan hem moedli„ aar van wegens de tezamen gerotten van de Belligani Corle, gangeboodepattoe en de vier baijgams, voornamentlijk aan de te Gale„ toewe vergaderde gemeenten; bekend gemaakt heeft gehadt dat hij lienie aatjele van de voorsz: 1907 voorsz: zaamenrottingen ordre had, om aan de zaa„ mengekotte en vergadering te Galetoewe uit hun nen naam te gelasten dat zij niemand der hoofden wie deselve ook mogte zijn zouden permitteeren naar hunne Corles en pattaes te gaan, onder wat pretext zulks ook zouden moogen weesen; alsoo zij zulks in geenen deele verstonde: Dat de versamelinge van Galetoewe wanneer iemande der hoofden daarmogte koomen, gelijk de mod„ dliaar van de belligamcorle die te galetoe„ we wat, en begeerde naar hunne Corles of pattaes gaan, zulks moesten beletten en dat wanneer hun eenige tegenstand hoegenaamd mogten gebooden of kwaalijk bejegend worden, zij ten aller spoedigsten daar van aan de alge„ meene zaamen vergaderde gemeenten moesten laaten weeten Dat hij moddliaar verstaan hebbende, uit het voorsz: verhaal dat de 'tzamengerotte inge„ seten van de belligamcorle te kaddoewe vergadert waare, met een Dienaar van hem daar na toe aan de aldaar zijnde minder hoofden van de belligamCorle gesonden heeft nagezien heeft gehad een brief ola waar bij hij moddliaan vermelt heeft gehad dat hij met een somas van den Hoog Edelens Heer gouverneur gesenden te galetoewe gekoomen was om deselve bij hun te Publiceeren dog dat de vergadering te Paletoewe hem niet verder willen laaten gaen waar van hij hun deese kennis gaf op welke hij mod„ aliaar een brief ola in antwoord ontvangen, ende„ selve heeden morgen aan wel gem: wel Edele ge„ staenge en gebiedende Heeren gepresenteerd heeft gehad Aldus gerelateerd heden den 7: Junij 1790: /was getek:/ D: I: Goeneretra /: voorde translatie /:getekend/: M: J: Palm, geauth:d / inmorgine voor de mon„ delinge vertaaling /:geteekend /: D: S: Senerat, gesw: tekk: solk /:onderstond:/ accordeert /: /was getekend /: M:„r f: Palm, geauthoriseerd Sijbrands Eiklerk Accordeert Poupeus

NL-HaNA_1.04.02_3884_0261 view scan ↗

English

1908 Translation of a Sinhalese ola letter from the rebels addressed to the mudaliyar and Head of the Welligam Corle, Abesieriewardene Goe„ neratna. After the preceding compliments, it reads as follows: Having duly received the highly honored ola letter sent by you to us, and having read its contents with great respect, we serve in reply that the many injustices and other troubles that have befallen us over several years past, which we can by no means endure, can by no means be redressed by your coming; thus we, in the confidence that by making all these injustices known to the honorable judges we might obtain some justice, have all assembled together. Yet, until now, no justice has been done to us in this regard, and since we can place no reliance upon any justice being done for the wrongs still being inflicted upon us, we find it entirely unnecessary to come to you. However, we shall stand ready to serve the necessary reply when we have received the highly honored sannas sent by our Right Honorable, Strict, and Highly Esteemed Lord Governor, and have been informed of its much-esteemed contents. In order to make these matters known, with a humble plea that if any faults may have been committed herein, you will forgive us for God's sake, this ola was written and dispatched in the year 1790, on the 7th of June, by the assembled lesser headmen and communities of the Welligam Corle. At the top of the ola was signed with four marks and characters. Below the translation stood: Matara, the 7th of June 1790. Was signed: J. M. Waeter, sworn clerk. In the margin, signed for the translation: D. Theodorus, sworn clerk and interpreter. Below stood: Agreed. Was signed: M. F. Palm, authorized. Agreed: Sijbrands, First Clerk. Examined: Pamsoeus. 1909 That the Honorable Commanding Lord Dessave ordered him, the deponent, this afternoon to go into the villages inside the Four Gravets to inquire whether a sannas had been sent by the mutineers to the people of the Four Gravets; that he, the deponent, thereupon went across the river and set out on the road, and learned from a washerman that the grain measurer of Joedawe had brought a sannas from the mutineers into the wedding house near Parremoelle Angoe„ roekankanange, read it, and had taken it with him to Hittetiya; that the deponent went to Hittetiya to the major of the village, and not finding the major at home, Report made by Andries Wickremeratne, aratchi of the Atapattu Manduwa. he he asked the people who were in his house where the major was, who thereupon said that he had gone with a sannas to the Gajanayake Mohandiram; the deponent, having gone to the said Mohandiram and there having seen that the Mohandiram was reading the sannas, he forcibly took it from him and brought it here. Thus reported this day, the 7th of June 1790. Was signed with a mark. Lower down, for the report, signed: L. M. Frek. In the margin, for the translation, was signed: D. D. Dis„ sanaike. Lower down stood: Agreed. Was signed: Mr. J. Palm, authorized. Agreed: Sijbrands, Clerk. Examined: Pompeus. 1910 The deponent reports that the grain measurer of Joedewa handed a sannas to him, the deponent, in order to go and publish its contents from village to village; that he thereupon first brought the said sannas to the Gajanayake Mohandiram, to be brought before the Honorable Commanding Lord Dessave; that when the said Mohandiram was about to read that sannas ola, the Kotte aratchi arrived there and forcibly took the said ola, and had brought it and the deponent along to this place. Thus reported the 7th of June, in the year 1790. Was signed with a mark. Lower down, for the report, signed: L. M. Saek. In the margin, for the translation, signed: D. C. D. S. Dissanaeke, sworn interpreter. Below stood: Agreed. Was signed: M. L. Palm, authorized. Report made by Gam„ mege Dinies, of majoral descent. Agreed: Sijbrands, Clerk. Examined: Pompeus. 1911 Report made by Indiekettige Philippoe, inhabitant of Goedewe, performing the duties of a lascarin and those of a grain measurer. Reports first that one Hoeliwaliegewattewa came to the deponent's house in the morning around 9 o'clock and handed him a sannas ola to carry to Hittetiya; that the deponent, having set out on the road, met along the way the man commonly called Balle Appuhamy, who took the said sannas from him, the deponent; that upon the message received from the Kotte aratchi, he came here. Thus reported the 7th of June 1790. Was signed with a mark. Lower down, for the drawing up, signed: L. M. Jaek. In the margin, for the translation, signed: D. C. D. S. Dissanaike, sworn interpreter. Below stood: Agreed. Was signed: Mr. F. Palm, authorized. Clerk. Agreed: Sijbrands. Examined: Pompeus. 1912 Reports that the Mudaliyar Ilangakoon, having summoned him, said to him that the Honorable, Strict Lord Commissioner Fretz had charged him, the mudaliyar, to send someone whom he, the mudaliyar, deemed most capable to the Welligam Corle, in order to ascertain exactly there what were indeed the actual reasons why the inhabitants there were assembling so restlessly and could not be brought to peaceful thoughts, so that they might return to their dwellings, wives, and children, seeing that their Honors, as Commissioners, had done and performed everything that their Honors could do and bring about to the best of their ability, with the assurances that whatever might still be lacking therein would be done and granted by the Right Honorable, Highly Esteemed Lord Governor and Director of this Island. Report of Kosgoddege Siman, vidane of Hittitiya and Goddegamme, who

Dutch transcription

1908 Translaat singaleesche brief ola„ van de oproerigen gericht aan den modliaaa en Hoofd der Belli„ gamcorle Abesieriew ardene Goe„ neratna Aae voorgaande Complimenten Luijden aldus De Door uwE: aan ons toegesondene veel ge-eerde brief ola, behoorlijk ontvangen en den inhoud derselve met veel eerbied geleesen hebbende dienen daar op, dat de nu zedert ettelijke Jaaren herwaards ons overgekoomene veele ongerech„ „tigheeden als andersints die wij geen zints kun„ nen ondergaan, met uwE: komste gantsch niet kan te regt gebaagt worden, dus wij in vertrouwen dat alle die onregtveerdig 9„ heeden aan de Heeren regters te kennen ge„ vende eenig regt zullen kunnen erlangen, zijn wij alle tezaamen gekoomen. dog tot als nog ons daaromtrend geen regt is wedervaaren, en vermits wij het nog aan ons gedaan wordende onregt eenig regt zullen geschieden geen staat maaken kunnen vinden wij gants gants niet nodig om tot nwens te koomen Edog zullen mij wanneer de door onsen wel Edelen gestrengen groot agtb: Heer Gouverneur toegesondene hoog geeerde samas zullen ontvangen hebben en van dies veel g'eerde inhoud zullen onderrigt weesen om daar op de noodige antwoord te dienen klaar staan. Dusdanig Deese zaaken, met oodmoedige beede dat bij aldien daar inne fouten mogten begaan hebben om gods wille ons tewillen vergeeven. ter kennisse te brengen is deese ola geschreeven en afgesonden in 'tjaar 1790: den 7. Junij door de 'tzaamen gerotte minder hoofden en gemeenten van de belligamcorl aan het hoofd der ola /: wer getekend:/ met vier aanteekeningen en karakters onderstond voor de translatee Mature den 7: Junij 1790: /:was getekend:/ J: M: waeter, geswoore„ klerk: / inmargine voor de vertaaling geteekend: tolk De Theodorus gesw: klerk :/ onderstond /: accor„ deert:/ was geteekend /: M: f: Palm, geauth:d Accordeert Eyklerk Sijbrands nagezien Pamsoeus 1909 Dat de wel Edele Gebiedende heer Dessave hem relatant heeden middag geordonneerd had om in de doopen van Binnen de vier gravetten te gaan informeeren of door de muijtelingen een sannas aan de volkeren van de vier Gravetten gesonden is; dat hij relatant daar op na de overkant van de revier en zig op den weg begeeven„ hebbende, van een wasser vernoomen heeft dat de graanmeeter, van Joedawe een Paimas van de muijtelingen in het bruijlofts huijs bij Parremoelle Angoe„ roekankanange gebragt, geleesen en de„ zelve naar hillettije meede genoomen had. dat de relatant van hittettie bij den majoraal van het Dorp gegaan en de majoraal niet te huijs gevonden hebbende„ Relaas afgelegd door Andries wickremeratne aratje vande Adigaai Mandoe hij hij de menschen die in zijn huis waaren gevraagd heeft waar de majoraal was, die daar op ge„ zegt hadden dat hij met een sannas nave Gajenaik Mohanderam gegaan was, de aela„ tanten bij gem: Mohandiram gegaan en aldaer gezien hebbende dat de mohandiram de Jannas los, hij deselve van hem met geweld afge„ noomen en dit heen afgebragt heeft Aldus gerelateerd heeden den 7: Junij 1790: /was„ met een karakter /:lager voorde getekend: relatie :/getekend. /: L: M: Frek /inmargine/: voor de vertaaling /was getekend:/ D: D: Des„ fanaike /:Lager stond:/ accorbeert :/ was geteek:/ M„r J: Palm, geauth:d Accordeert Sijbrands lijklerk nagezien Pompeus 1910 De relatant relateerd dat de Graanmeeter van Joedewa aan hem Relatant Een sanas ter hand gesteld heeft om van Dorp tot Dorp diep inhoud tegaan publiceeren dat hij daar op gem: samas Eerst bij den Gajenaik Mohandiram gebragt heeft, om bij den wel„ Edelen gebiedenden haar Dessave te brengen dat wanneer gem: Mohanderam die Sanas ola, 7 zal teleesen kottoewe Aratje daar aan ge„ koomen en gem: ola met geweed afgenoomen; deselve en de relatant dit heen meede gebragt had. Aldus gerelateerd den 7: Junij Anno 1790: /was getekend /: met een karacter:/ Lager:/ voor de relatie /:getekend:/ L: M: Saek /:inmargine /: voorde vertaaling /:geteekend:/ D: C: D: S: Dissanaeke gesw: toek (:onder„ stond:/. Accordeert :/ was getek:/ M: L: Palm, geauth:d Relaas afgelegd door Gam„ mege Dinies van majoraals afkomstig Accordeert Sijbrands Egeerk 6 naegzien Pompers. 1911 Relaas afgelegd door Jndieket„ tige Philippoe inwoonder van het Goedewe waarneemende de diensten van Lascorijn en die van Graan„ meeter. voor af Reloteerd dat eenen hoeliwaliegewat„ toewa smorgens omstreeks 9. muuren bij den Relatant aan huijs gekoomen en een samas ola aan hem ter hand gesteld heeft, om na hittettie tebrengen dat den relatant zig op den weg begeeven hebbende onderweegs de in de wandeling gen:t Balle appoehamie heeft ontmoed die gem: sannas van hem Relatant heeft afgenoomen dat hij op de ontvangene doodschap van kottoewe Aratje dit heen gekoomen is Aldus gerelateerd den 7. Junij 1790: /:was getek:/ met een karacter :/lager:/ voor 't opmaak:/ ge„ teekend /: L: M: Jaek /inmargine /: voor de ver„ „taaling /:getekend /: D: C: D: S: Dissanaike gesw: Jolk:/ onderstond/ accordeert:/ wage„ teekend /: M:r f: Palm, geauth:d liklerk Accordeert Lijbrands nagezien Poulpers. 1912 Relateerd dat de Modliaar glangakoon hem hebbende doen ontbieden tegens hem gesegd hadt, dat de wel Edele gestrenge heer kommis„ saris Fretz: hem modliaar belast heeft geked, om iemand, die hij Modliaaa, bekwaamst oor„ deelde, naar de Bellegam Corle te zenden, om aldaar exakt opteneemen, welke dog de eij„ gentlijke reedenen waaren, dat de inwooners aldaar zoo onrustig 't zaamen rottelen, en tot geene vreedige gedagten te brengen waaren, zoo dat zij weder naar hunne wooningen vrouwen en kinderen, daar hun wel Edele gestrengen als Commissarissen alles gedaan en verrigt hadden, wat hun Edelens naer best vermoogen hebben konnen doen en te weege brengen, met die verseekeringen, wat alles daar aan nog mogte konnen te ontbreeken, door den Hoog Edelen Groot Achtbaaren heer Gouverneur en Direc„ teur deeses Eijlands, zoude gedaan en Relaas van kos goddege Siman viedaan van hittit tieje en Goddegamme dewelke ver

NL-HaNA_1.04.02_3884_0278 view scan ↗

English

be ordered, so that they would have no complaints or grievances, at least none that were ever reasonable, and regarding which matters the Right Honorable Gentlemen had dispatched the mandate ola to the congregations gathered together on all sides. That the Modliaar Ilangakoon thereupon ordered him, the relator, to inquire into everything very accurately, and to record the actual causes and motives of the ongoing conspiracy. That he, the relator, in compliance with these orders, set out on his journey on that day and, arriving at Hoelloetegodde, found an outposted Lascoreen guard post six men strong, who had the relator escorted by one of them to Akkoeroegodde, where he found twenty-four Lascoreens stationed next to the kankaan named Jserege: that the latter asked him, the relator, where he wished to go; he made known to the same that he had been sent out by the Modliaar Ilangakoon with a message to the gathered congregations of the Belligam Corle: that the said kangaan thereupon told him, the relator, that he had to remain there and was not permitted to proceed any further: that he would in the meantime send a message to the gathered congregations there, and announce that someone sent by the Modliaar Ilangakoon had arrived, who had brought a message for them, and to ask whether they desired him to allow the said message-bearer to pass through. That he, the relator, was therefore obliged to wait an entire day at Akkoeroegodde, and the following day was escorted under an escort of sixteen men, some of whom were armed with drawn sabers and others with muskets, to the village of Malpelle in the Belligam Corle, where he, the relator, saw an estimated number of eight hundred commoners, alongside Kaddoekanne Corle Denepettieje Araatje, the vidaan araatje of Marembe, the vidaan araatje of Molidoewe, the vidaan araatje of Oeroewittieje, the vidaan of Henegamme and Kiandoewe, the vidaan Patterenneke of Elgirije, Koedaeppoe Araatje of Malimandde, the vidaan of Malimoode, the vidaan kankaan of Akkoeroegodde and Jamboeregodde kankaan and several other lesser headmen whom he, the relator, did not know. That the aforementioned lesser headmen thereupon asked him, the relator, about the reason for his coming and what message he, the relator, had brought for them, to which he, the relator, then explained that the Modliaar Ilangakoon had sent him, the relator, to them to beg them to please let him know what reasons or difficulties still moved them to gather together in such a manner and live so restlessly, seeing that, on the grievances and complaints submitted by the congregations also gathered at Hakman on the occasion when the Right Honorable Gentlemen Commissioners Fretz and Samlant were present there, which they had submitted in an ola, and having been translated at Mature, everything in Their Honors' power had been done to satisfy them; under the assurance that everything would be contributed so that the remaining unsettled points would be most favorably settled and granted by the Right Honorable Commanding Lord Governor, and of which the Right Honorable Gentlemen had already kindly made known to them in detail in a mandate ola sent to them: that he, the relator, thereupon begged and implored them to please share with him, whether orally or in writing, the reasons that moved them thereto. That the assembled people thereupon answered him that they could gather from the whole tenor of his message that Modliaar Ilangakoon was seeking to lead them by the nose and stall them, and seemed to have sent him out solely to spy on them and detain them with idle words: That they, who had as yet brought no complaints against their Dessave and headmen, as the peoples of other corles and pattoes had begun to do, had merely submitted thirty-two found articles concerning themselves, of which not even one had yet been properly satisfied, and that if they did not receive satisfaction regarding this shortly, they would, without letting themselves be delayed any longer, send their entire complaints duly sealed to Gale to the Honorable, Worshipful Lord Commander, with the request that the same may first be unsealed and read there in the full council. And if they received no swift and proper justice thereupon; they, who had already sent many of their wives and children up to the boundary of the King's land, would come here within the four gravets and destroy all the dwellings and possessions of the Sinhalese to the ground, sacrifice them to the fire, and procure satisfaction for themselves, and that they would thereupon curse and abandon a place from which they had been forced to take flight because of the injustices. That the lesser headmen finally added thereto that he, the relator, could tell the Modliaar Ilangakoon that, concerning the message sent to them, after two days, after having spoken with the rest of the assembled congregations of the remaining corles and pattoes, they would answer him in writing in order to deliver the same to the Right Honorable Gentlemen Commissioners and Dessave of Mature, upon which, if they did not receive immediate satisfaction, they would go to Gale with their complaint. Thus reported this day, the 7th of June 1790. Was signed with a mark. Below stood: For the translation, signed M: F: Palm, authorized. In the margin: For the oral translation, signed D: S: Senerat, sworn Sakr: soek. Below stood: Agrees. Was signed M. F. Palm, authorized. Agrees, Sijbrands Eiklerk

Dutch transcription

verordineerd worden, ten einde zij geene klagten of beswaaren, ten minsten die immer bellijk waaren, zouden te doen hebben en omtrent welke zaaken, hun wel Edele gestrengen de mandaat ola aan de aan allen zijden 't zaamen gerotte gemeenten afgevaardigt hadden. Dat de Modliaar plangakoon hem relatant ver„ volgens gelast heeft, om alles zeer nauw„ keurig te willen informeeren, ende eigentlijke oorzaaken en motiven, der aanhoudende 'tzaamenrottinge opneemen. Dat hij relateerd in voldoeninge aan deese ordres zig op dien dog op reis begeeven heeft en te hoelloete„ godde koomende gevonden heeft gehad een uitgesette Lascorijns wagt post sterk ses koppen, die door eene uit haar, den relatant hebben doen konvoijeeren tot Akkoeroegodde„ alwaar hij vierentwintig Lascorijns gepos„ teerd heeft bevonden nevens den kan„ kaan jserege genaamd: dat deese aan hem relatant gevraagd heeft gehadt waar hij na toe wilde: hij dezelve te kennen had gegeeven, dat hij door den Modliaar jlangakoon uitgesonden was, met een boodschap aan de tzaamenrotte ge„ meenten 1913 gemeenten van de Belligain Corle: dat gem: kangaan daarop tegens hem relatant gezegdt, hodt„ dat hij aldaar moeste verblijven, en niet verder ver„ mogte tegaan: Dat hij een boodschap inmiddelen naar de zaamen gerotte gemeenten aldaar zoude zenden, en doen bekentmaaken, dat daar iemand van den Modliaar jlangakoon gezenden, aangekoomen is, die een boodschap voor haarlieden had meede gebragt, en vraagen, of zij begeerden, dat hij gemelde boodschap brengen zoude laaten passeeren. dat hij relatant dieshalven een gantsche dag te Akkoeroegodde heeft moeten toeven, en sanderendaags onder eskorte van sestien koppen, waar van sommige met uitge„ tooge sabels, en andere met snaphaanen gewaapend waaren, was gekonvoijeerd ge„ worden naar 't doop Malpelle in de belli„ gam Corle, daar hij relatant gezien heeft, na gissing een getal van agthondert kop„ pen gemeene, nevens kaddoekanne Corle Denepettieje Aaatje, de vidaan aratje aratie, van marembe, de vidaan aaatje van Molidoe„ we de vidaan araatje van oeroewittieje, de pre de viedaan van henegamme en kiandoewe, de ridaan Patterenneke van Elgirije, koedaeppoe weatje van Malimandde, de vidaan van Malimoode, de vid aan kankaan van Akkoeroegoode en jamboeregodde kankaan en eenige andere mindere Hoofden die hij dela„ tant niet kende. Dat de voor zijde minder hoofden, daar op hem relatant gevraagd hebben na de reeden van zijn komste en welke boodschap hij relatant voor hun meede ge„ bragte hoot, dat hij relatant daar op ge„ expliceerd heeft dat de modliaar glanga„ kom hem relatant bij haarlieden gesonden heeft gehad, om hun te bidden, dat zij hem dog zouden doen weeten, welke reedenen of zwaarigheeden hem nog moveerden, zodanig tzaamenrotte, en onrustig te leeven, daar dog „ door de op de „t mede versaamelde gemeenten te hakman„ bij geleegendheid de welEdele gestrenge heeren kommissarissen Fretz: en Samlant, haar daar hebben laaten vinden, ingediende bezwaaren en klagten, die zij bij een ola opgegeeven hadden, en te mature getranslateerd zijnde, alles 1914 alles wat in hun Edelens vermoogen was om hun te kontenteeren, gedaan hadden; onder verseeke„ ringe van alles te zullen toebrengen, ten einde de overige onafgedaane poincten, aller goedguns„ tigst door den Hoog Ed: gebiedenden heer Gouver„ neur wierden gereegeld en geaccordeert, en waar van hun Edele gestrengen haarlieden bereeds bij eene haarlieden toegesonden mandaat ola omslagtig hadde gelieven bekent temaaken: dat hij relatant vervolgens haar lieden gebeeden en gesmeekt heeft gehadt, om hem dog de reedenen die hun daartoe moveerden, het zij bij monde of in geschrift te willen meede deelen Dat de tzaamen gerotten daar op hem ten ant„ woord gegeeven hadden, dat zij uit den daarij van zijn gantsche boodschap konde mea„ ken, dat modliaar plangakoon hun om den tuijen zogh te leijden, en op tehouden, en hem alleen zoo het scheen uitgesonden heeft gehad, om hun te bespieden en met ijdele woorden op te houden: Dat zij n nde zij die als nog geene klagten tegens hunne Dessave en hoofden ingebragt hebben gehad, gelijk de volkeren van andere corles en pattoes begonnen hadden, enkeld twee endertig gevonde artukels, haar betreffende ingedient hebben gehad, en waar van nog geene een naar behooren voldaan was geworden, en dat zoo zij binnen Corten daar omtrent geene voldoeninge kreegen, zij zonder haar langen te laaten ophouden, haar gantsche klagten behoorlijk verseegels naar Gale aan den Edelen Agtbaaren Heer kommandeur zouden zenden, met versoek dat deselve eerst in den vollen raad aldaar mooge ont„ zeegeld, en de geleesen worden. en zoo zij aan daar op geen kort en goed regt kreegen; zij de welke bereeds veele hunne vrouwen en kindere, tot bij de limitei van 's koningsland gesonden hadden, alhier binnen de vier gravetten zouden koomen en alle der singaleesen wooningen en be„ zittingen tot den grond vernielen, en aan het vuur op offeren, en hun zelfs voldoeninge ver„ schappen, en dat zij vervolgens eene plaats zouden vervloekken en verlaaten waar uijt e 67 zi 1915 zij om den ongeregtigheden wille de vlugt hebben moeten neemen. Dat de mindere hoofden eindelijk daar bij gevoegd hebben, dat hij relatant aan de modliaar glangakoon konde zeggen, dat zij betreffende de hun toegesonden boodschap na tweedaagen met de overige der vergaderde na dat zij gemeenten van de overige korles en Pattoes zouden gesprooken hebben hem in geschrift zou„ den antwoorden om deselve aan de wel Edele gestrenge heeren kommissarissen en Dessave van Mature overtegeeven op welke zoo zij ten eersten geene voldoeninge kreegen zij met hunne klagte na Gale zoude gaan. Aldus gerelateerd heden den 7. Junij 1790: /was ge„ teekend /: met een karacter /:onderstond /: voor de translatie /:getekend/ M: f: Palm, geauth:d /:inmaagine:/ voor de mondeling vertaaling /:getekend:/ D: S: Senerat gesw: Sakr: soek /:onderstond:/ accordeert :/was getekend /: M=r f: Palm, geauthoriseerd Accordeert Sijbrands Eiklerk ƒ

NL-HaNA_1.04.02_3884_0284 view scan ↗

English

Checked Pompeus 1916 Report of Edivisonge aetjege Siman, resident of Kappoegamme, who related: That he had learned yesterday that the assembled mob, being partly from the Wellebadde Pattoe, Kande Baddepattoe, Girrewaijpattoe, and the Belliganicorle, had arrived in Deonduae, and while the reporter was in the cinnamon garden at Kappoegamme, where he had gone to wash, he heard small drums beating, and shortly thereafter the aforementioned assembled troop passed by to go to Bamberende. That among them, Jalpair alle bale kankanange diengee appoe and Doewe wattege mattoewe, along with some of the family of Jalpaw alle kangaan who had recently been under arrest here, wanted to beat him, the reporter. That he, the reporter, having started to run upon this, the two aforementioned persons chased him, one of them striking him with a fist blow. But he, the reporter, managed to escape by running, though the said people shouted loudly that if they should catch him, the reporter, they would chop him into pieces and fragments and set his house on fire. Thus related in Mature, the 8th of June 1790. Was signed with a Sinhalese character. Underneath stood: for the translation, signed: I: M: Walder, sworn clerk. In the margin: for the oral translation, signed: D: C: D: S: Dessanaike, sworn interpreter. Underneath stood: agrees, was signed: Mr. J: Palm, authorized. Agrees, Lijbrands, First Clerk. Checked Compais 1957 Report of Wiedjewiere Goeneretna, former Mahavidaan Mohandiram of Tangalle, Diekwelle, Bamberende, and Deondure, who related: That yesterday afternoon around one o'clock, about one thousand people of the gathering from the Gerwaij Pattoe, Kandebadde Pattoe, Gangebodde Pattoe, the Baygams, and the coal-providing villages, along with Maddoegodde Appoe, Bandewocke Aratje, Jodekandieje Araatje, Don Simon Aratje, the Vidaan Arraatje of Marakadde, the Vidaan Araatje of Wallasmoelle, Wekelle Bitmerael, and some other minor headmen whom the reporter did not know, arrived in Deondure. That Don Simon Aratje asked the reporter and other residents of Deondure who were present there why the inhabitants of Deondure had not joined the gathering, and whether they would not yet do so, ordering all the inhabitants of the Seigniory of Deondure together that should they remain without joining the gathering, they would speak about it upon their next arrival there; and in case they did join, they had to establish the necessary watch posts immediately. That he, the reporter, learned after the departure of the mutineers that they had taken away a bundle of tobacco and the lead attached to a cast net from a fisherman. The reporter further declares that he, the reporter, and his brother, the dismissed Mahavidaan of Deondure, were reinstated in their former offices by Don Simon Aratje, but that he, the reporter, and his said brother did not want to accept them, though upon their strong insistence they had confirmed that they would accept. Thus related in Mature, the 8th of June 1790. Was signed with a character. Underneath stood: for the translation, signed: J: M: Walter, sworn clerk. In the margin: for the oral translation, was signed: D: C: D: S: Dessanaike, sworn interpreter. Underneath stood: agrees, was signed: Mr. J: Palm, authorized. Agrees, Lijbrands, First Clerk. Checked Pompeis 1959 Today, the 8th of June, Anno 1790: There appeared by order of the Right Honorable commanding Lord Dessave of Mature, Mr. Christiaan van Angelbeek: Tammerewickreme Wijeraeme, Aratje over the Jaggery caste, resident of the Gangebadde Pattoe or of the village Mendeoe Jangodde, who declared: That more than a month ago, at the beginning of the uprising of the mutineers of the Gangebadde Pattoe, the Kandebadde Pattoe, and the Four Baygams, he addressed himself here to the Right Honorable commanding Lord Dessave, giving notice that some of the said mutineers had requested him to make common cause with them, and had said that if he did not do so, they would bind him and drag him along by force. That upon the advice of the aforementioned Right Honorable commanding Lord Dessave, he remained here in Mature until the present date, without returning in the meantime to his village of residence and house. That early today he learned from a servant of his that the mutineers or assembled mob had come to his house the day before yesterday, bound his brother and sent him under arrest to the gravet, and subsequently robbed him of the following goods which he had left at home; namely, those belonging to himself: In pagodas, ducatoons, Spanish reals, imperial thalers or crowns, and rupees and dubbeltjes, a sum of one thousand rixdollars and five hundred rixdollars in copper money; four chests with clothing and linens worth one thousand rixdollars; gold and silver jewelry, trinkets, and ornaments to the value of four hundred rixdollars; two hundred rixdollars in copperware; seven flintlock muskets; five spittoons with silver mountings; and about two hundred and fifty amunams of paddy; about twenty-five amunams of salt; five billhooks; ten hoes; five adzes; five axes; one red paduasoy Sinhalese coat; twenty-five copper bowls; one hundred pieces of porcelain, including bowls.

Dutch transcription

nagezien Pompeus: 1916 Relaas van Edivisonge aetjege Siman inwooner van kappoe„ gamme Dewelke dat hij gisteren vernoomen had, dat relatant de 'tzaamen gerotte gemeente zijnde gedeeltelijken van de wellebadde pattoe, kande baddepattoe, gir„ rewaijpattoe en de belliganicorle te Deonduae gekoomen waaren en terwijl den relatant in de kanneel thuijn te kappoegamme, alwaar hij na toegegaan was, om tewassen, zich be„ vond tamblintjes heeft hooren slaan, en dat kort daar op bovengem: 'tzaamen gerotte troep voor bij gepasseerd was om na Bam„ berende te gaan, dat daar onder Jalpair alle bale kankanange diengee appoe en Doewe wattege mattoewe nevens eenige van de famielie van Jalpaw alle kangaan die onlangs alhier in arrest waaren hem relatant hadden willen slaan dat hij relatant daar op zich aan het loopen begeeven hebbende boven gemeld twee persoonen hem najaagende eene daar- van hem een vrist slagtheeft toegebragt, Dog dat hij relatant zich door 't loopen was ontspapt geraakt dog dat de gedagte lieden overluid gezegd hadden, dat wanneer zij hem relatant hadden, mogten attrapeeren aan stukken en broeken zouden hacken en zijn huijs ten vuure offe aen: Aldus gerelateerd Mature den 8: Junij 1790: /:was getekend:/ met een singaleese karacter /:onderstond:/ voor de taanslatie /:getekend:/ I: M: walder geswoore klerk /:inmargine:/ voor de mondelinge vertaeling /:getekend:/ D: C D: S: Dessanaike geswoore tolk :/ onderstond:/ accordeert :/ was geteekend /: M:r J: Palmn, geauthoriseerd Accordeert Lijbrands Eiklerk nagezien Compais 1957 Relaas van wiedjewiere Goeneretna geweesen Maha„ vidaan mohandiram van Tangalle, Diekwelle, Bam„ berende en Deondure, De„ welke: Relateerde dat gisteren middag om streeks een uur omtrend Duisend koppen van de „zaamen rottinge van de gerwaij pattoe, kandebadde pattoe, gangebodde pattoe, de baijganis en de koolgeevende doopen ne„ vens Maddoegodde appoe, Bandewocke aratje, jodekandieje araatje, Don Simon aratje, De vidaan arraatje van Marakadde, de vidaan araatje van wallasmoelle, wekelle Bitmerael en andere mindere hoofden nog Eenige die den relatant niet kende, te Deondure zijn, Dat Don Simon aangekoomen araatje den relatant en meer an„ van Deondure die aldaar dere inwooners present „ present, waaren gevraagd had, waarom dat de ingeseetenen van Deondure hen niet tot de tzaamenrottinge gevoegd hebben of ze nog daar toe niet treeden zullen gelastende aan de gesamentlijke ingezeenen van de Heer lijkheid van Deondure Dat wanneer zij ƒ zonder hun tot de zaamenrottinge te voegen mogten blijven zij bij hunne nadere komste aldaar, daar over spreeken zullen en bij aldien zij daar toe getreeden zijn, zij ten eersten de nodige wagt posten moesten stellen. Dat hij relatant, na het vertoek van de Muijtelingen heeft vernoomen dat zij een bosch tabak en 't loodt, dat aan een werp„ net was, van een visser, hebben wegge noomen voorts verklaard den relatant dat den relatant en zijn broeder den afgesette Mahavidaan van Deondure door don Simon araatje in hunne voorige be„ dieningen aangesteld zijn geworden, dog dat hij relatant en gemelde zijn broeder de„ zelve 1918 zelve niet hebben willen accepteeren dog op de straken aandraeg van den zelven be„ titigd hadden van te zullen accepteeren. Aldus gerelateerd Mature den 8: Junij 1790: met een karacter /:onderstond:/ /:was getekend:/ voor de translatie /:geteekend:/ J: M: walter geswoodeklerk /:inmargine /: voor de monde„ linge vertaalinge /:was getekend:/ D: C: D: S: Dessandike gesw: Jolk :/ onderstond/ accordeert /was getekend /: M: f: Palm, geauthoriseerd Accordeert i Legtrands eg Klerk nagezien Pompeis. 1959 Iunij Anno 1790: Heeden Den 8 Compareerde ter ordre van den wer Edelen gebie„ denden Heer DesJave van Mature M:r Chris„ tiaan van Angelbeek Tammerewickreme wijeraeme araatje over de Jagereros inwooners van de gangebadde pattoe ofte van het doap Mendeoe jangodde verclaard, dat hij nu voor ruim een maand geleeden in 't begin der opstand van de muijtelingen van de gangebaddepattoe, van de kandebaddepattoe en de vier baijgarns zich hier bij den wel Ed gebiedende Heer dessave geadvresseerd heeft gehad, onder te kennen geevinge, dat eenige der ged: muij„ telingen hem aangezogt hebben gehad, om met haar een lijn te trecken, en zoo hij zulx niet en deede, gezegd hadde dat zij hem dan zouden benden en vast meede sleepen dat hij toen op raed van welgemelde wel Edele geb: Heer Dessave hier op mature tot dato deeses, zonder intusschen; naj zn woondorp en wooninge te gaan gebleeven is; is; dat hij heeden vroeg van een Dienaar van hem vernoomen heeft gehad, dat de muijtelingen of zaamen gerotten eergisteren aan zijn wooning gekoomen waaren, zijn booeder gebonden en naar de gravet in arrest gesonden vervolgens hem beslooten hebben gehadt, van de vol„ gende goederen die hij te huijs gelaaten heeft, gehadt; naamelijk, die hem zelve toebehooren aan pagorde, Ducatons, Spaansematten, keijser„ daalders of kroonen en roppijen en Dubbeltjes Een somma van Eenduijsent w:s en vijfhonderd vd:s aan kopere geld, vier kisten met kleede ragien en Lijwaaten waardig Duijsent rd:s juweele goud en zilvere, klijnodige en Cieraaden ter waarde van vierhondert rd:s aan kopere werken twee hondert vos seven snaphaanen, vijf jskatoortjes met zilver beslag, en omtrent twee hondert en vijftig anm:s Nelij omtrent vijf en twintig anm: zout„ vijf kooijta, thien in Chiados, vijf dissels, vijf beijlen, een rood portosooijen sin„ galeese rok, vijf entwintig kopere porcelijnen zo batikas, hondert stuk koomen

NL-HaNA_1.04.02_3884_0295 view scan ↗

English

1920 such as plates and some other small items, and whatever else was found in his house. Subsequently appeared by the said order the brother of the above-mentioned complainant or declarant, named Manage Joean, inhabitant of Mende Oejangodde in the said pattoe, giving to know that the mutineers or gathered mob of the Gangebadde Pattoe, Kandebadde Pattoe, and four Baijgams, having assembled the day before yesterday near his dwelling by a Nagaha tree, sent twelve heads of the rantje of Rinbaddege Aaatje together with two bangaans of the rantje of Serebaldene Aaatje to keep guard at his dwelling; that yesterday morning the above-mentioned assembled mob came together to his father's dwelling, where he, alongside his brother the aforementioned Jogereroes Aratje and the whole family dwell; that among the said mob were Randjagodde Bandewerke Aratje, Wepeteire Don Simon Aratje and his brother Poentje Aratje, Godekandie Aratje, Pallattere Vidaane Aratje, the schoolmaster of Mature, the Baijgam Aaraatje, Siembeladoewe Araatje, the schoolmaster of Koottewatte, Wallaarembe Araatje, Walarembe Golloe Aaraatje, and other lesser chiefs, who forced their way into their said dwelling with violence, took everything away, and plundered it; that the former Jagere Von Araatje of Aarandenie inflicted a wound on his hand with a saber, and they dragged all the goods out of the house, among which his own were also included, having consisted of the following goods, these being in addition to the aforementioned goods that were plundered, namely goods belonging to him and his mother: four fairly large chests with iron fittings containing clothing and linens, two copper hanging lamps, two copper-mounted escrutoires containing some jewels, gold and silver trinkets, six copper batikos, two muskets, one bamboo basket with one hundred rixdollars worth of goods, both in carved horn work and porcelain, item two hundred amunams of paddy belonging to him and his mother; and that the aforesaid gathered mob forcibly carried away the aforementioned goods belonging to him and 1921 and his mother; on which account he, the second declarant, has come here to the gate to complain to the Right Honorable Commanding Lord Dissave of Mature, and that His Right Honorable Command has ordered to report this here. This note was made accordingly. Mature, date as above. was signed with two characters. Below stood: For the translation and in my presence, signed: M. J. Palm, authorized. In the margin for the oral translation: was signed: D. S. Seuerat, sworn secretary. Below stood: Agrees. Was signed: M. J. Palm, authorized. Agrees, Sijbrands, sworn clerk. 1 Checked, Poupeurs. 1933 Who related that yesterday, having learned that the mutineers were about to arrive at Kappoegamme, he concealed himself in the forest, and that in the forenoon at about eleven o'clock the assembled community, being partly from the Giraewaijs, the Kandebaddepattoe, and all of the Wellebaddepattoe, alongside Bandewekke Araetje, Don Siemon Araetje, the Vidaan Araetje of Wallasmoelle, the Viedaan Araetje of Marakadde, Jodekandieje Araetje, Wehelle Bitmeraal, and Madoegodde Appoe, arrived there in Kappoegamme; that they completely tore down the fence of the pepper garden there and subsequently inspected the house of the relator in order to pull it down, but that they departed without demolishing it, and whether they took any goods of the relator from Report of Don Dienees Sammeresinge Ratnaijke Araetje his house is unknown to the relator, as he out of fear has not yet gone to his dwelling. That he, the relator, also learned that the office of Ratnaijke Araetje was given away by the mutineers to a certain Rannekege second Ratnaijk. Thus related, Mature, the 8th of June 1745. was signed with a character. Lower down: For the translation, signed: J. M. Walter, sworn clerk. In the margin: For the translation, signed: D. C. des Dissanaijke, sworn interpreter. Below stood: Agrees, signed: M. J. Palm, authorized. Agrees, Eijbrands, sworn clerk. Checked, Poupuil. 1923 Who related that yesterday in the forenoon at about eleven o'clock he heard drums beating; that the relator, inquiring thereabout, understood that Godekandieje Araatje with his troop of mutineers, alongside some inhabitants of Jaepawelle who were recently under arrest here, were about to arrive there, whereupon the relator immediately concealed himself in a nearby forest. That shortly thereafter the said Jodekandieje Aratje with his troop of mutineers, alongside Jalpawille Kangaan, his two brothers, and a Kappoegamme Bale Geegennig Balle Appoe, arrived, and after having first inspected the relator's dwelling and the goods to be found therein, and torn down the fence of the cinnamon garden, cutting away some of the fence posts, they searched for the relator, but not finding him, they departed. That Jaepalwelle Bale Mankaange Dien Geeappoe and Douwe Altietwattige Wattoewa, both having recently been under arrest here, while passing by met a certain Ederiejinge Aatjege Sieman, inhabitant of Kappoegamme, who Report of Louis Flerces, overseer of the cinnamon garden at Kappoegamme who

Dutch transcription

1920 koomen als borden en eenige andere klijnigheiden en wat in zijn huis verders bevinden is geweest. Compareerde vervolgens ter welgemelde ordre de broeder van boven gem: klager ofte Comparant, ge„ naamt Manage Joean inwooner van mende oejan„ godde in gem: paltoe te kennen gevende, dat de muijtelingen of tzaamen gerotten hoop van de gange badde pattoe, kandebadde pattoe, en vier baijgams eergisteren omtrent zijn wooning bij een Nagaha boom versameld hebbende, twaalf koppen van 't rantje van Rinbaddege aaatje nevens twee bangaans van het aantje van serebaldene„ gesonden hebben gehad, om aan zijn aaatje wooning post te vasten, dat gisteren morgen de boven vermelde 'tzaamengerotte hoopt zaa„ men aan zijn vaders wooning gekoomen zijn daar hij nevens zijn booeder de hier voorengem: Jogereroes aratje en gantsche famillie woorden, dlat onder gem: hoop ge„ weest zijn Randjagodde Bandewerke aratje, wepeteire Don Simonaratje en zijn broeder poentje aratje, godekandie aratje, pallattere vidaane aratje, de schoolmeester van mature, de baijgam aaraatje araatje siembeladoewe araatje; de Sahoolmees„ tan van koottewatte wallaaembe araatje, walarembe golloe aaraatje, en andere mindere hoofden die in gem: hun wooning met ge„ weld gedrongen alles weggenoomen en geplon„ dert hebben gehadt, dat de geweesen jagere von araatje van Aarandenie hem met een sabel op de hand een kwetzure heeft toegebragt, en alle de goederen uit den huijse weggesleept hebben gehadt, onder welke de zijnes ook geweest zijn, bestaan hebbende inde volgende goe„ deren zijnde deese behalven den hier vooren gem: goederen, die geroofd zijn geworden namelijk goederen die hem en zijn moeder toebehooren, vier tamelijk groote Nist met ijzere beslag waar in kleederagien en Lijwaaten twee koopere hanglampen, twee met koper beslagen es ketoootjes, daar in eenige Juweelen goud en zilver klijnodien waaren, zes koopere batikos twee snaphaanen, Een bambose pitje met hondert vd:s aenwaarde van goederen, zoo aan karatte werk als porcelijnen item twee honsent anmo: nelij die hem en zijn moeder toe behooren, en dat de voorseijde tzaamen gerotten voormelde goederen, dewelke hem en 1921 en zijn moeder toebehooren met geweld weggebragt hebben gehad: wes weegen hij tweede komparant hier aan de porta bij den wel Edelen gebiedende Heer Des Jave van mature is koomen klägen, en Dat zijn wel Ed: geb: leeen geordonneert heeft gehad zulx alhier optegeeven zijnde daar van dies volgens deese aantee„ kening gehouden Mateede dato voorsz: :/was getekend:/ met twee karacters /. onder stond:/ voor de vertaalinge en in mijn ken„ „ Palm, gealittd: nis /:geteekend /: M:n J: /:inmargine voor de mondelinge vertaaling /:was getekend:/ D: S: Seuerat gesw: sekr: soek: / onderstond:/ accordeert:/ wos„ getekend:/ M:r f: Palm, geauth:d Accordeert Sijbrands egklerk 1 nagezien Poupeurs. 1933 Dewelke relateerde dat hij gisteren vernoomen heeft dat de muijtelingen te kappoegamme stonden te koomen zich in het bosch schuijl gehouden had en dat des voordemiddags om streeks elf uuren de tesamen gerotte gemeente zijnde gedeeltelijk van de Giraewaijs de kan„ de baddepattoe en de gesamentlijke van de wellebaddepattoe nevens Bandewekke araetje don Siemon araetje de vidaan raaetje van wallasmoelle de viedaan araetje van Marakadde Jodekandieje araetje, we„ helle bitmeraal en Madoegodde appoe al„ daar te kappoegamme aangekoomen zijn, dat zij de pagger van de pepertuin aldaar ten eenemaal afgebrooken en vervolgens het huis van den relatant bezigtigd om het zelve om verte haelen, dog dat ze zonder het zelve aftebreeken zijn weggegaan en of zij eenige goederen van den relatant uijt Relaas van Don Dienees sam„ meresinge Ratnaijke araetje zijn zijn huijs hebben weggenoomen is den relataart onbekend also hij zich uit vreese als nog niet na zijn wooning begeven had. Dat hij relatair ook vernomen heeft, dat de bediening van Ratnaijke araetje aan eenen Rannekege tweede Ratnaijk door de muijtelingen was vergeeven. Aldus Geresateerd Mature den 8. ' Junij 1745. /:was getekend:/ met een karakter /:lager ƒ voor de translatie /:getekend:/ J: M: walter gesw: klerk /:in margine:/ voor de verta„ „ling /getekend/ D: C: des Dissanaijke gesw: folk /:onderstond:/ Akkordeert /:ge„ tekend:/ M: J: Palm geauthoreseerde. Akkordteert Eijbrands Ggklerk nagezien Poupuil: 1923 Dewelke relateerd dat hij gisteren voordemid„ dag om streeks elf uuren tamblintje heeft hoo„ ren slaan, dat hij relatant derweegens ver„ neemende verstaan had, Dat godekandieje araatje met zijn troep muijtelingen nevens eenige inwooners van Jaepawelle, die onlangs alhier in arrest waaren, aldaar stonden te koomen, waar op den relatant zig ten eersten in een naast geleegen bosch verborgen heeft gehad. Dat kort daar op gemelde jodekandieje aratje met zijn troep muijtelingen nevens Jalpawille kangaan, zijne twee broeder en eenen kappoegamme bale geegennig balle appoe waaren aange„ koomen, en na alvoorens des relatants woo„ ning en de daar in te vindene goederen bezig„ tigd en op de pagger van de kanneel thuijn afgebrooken eenige voor de paggerstokken weg„ gekapt te hebben, na den relatant gezagt, dog hem niet vindende, zijnde weggegaan. Dat Jaepalvelle Bale Mankaaange Dien geeappoe en Douwe Altietwattige wattoewa zijnde beide onlangs alhier in arrest geweest., in 't voorbij gaen eenen Ederiejinge aatjege sieman pomonder van kappoegamme die zig bij Relaas van Louis Flerces opsegter van de kanneelthuijn te kappoegamme die

NL-HaNA_1.04.02_3884_0306 view scan ↗

English

were found at that location and in the mentioned cinnamon garden, they had wanted to strike him, upon which he, the said person, having started to run, the aforementioned two persons pursued him and beat him. That the reporter has furthermore learned that the leaders of the mutineers have reinstated the Mahavidaan Mohanderam and his brother the Mahavidaan of Diondure in their former offices, and likewise that the office of Borwekaai araatje has been given to a kangaan of that araatje in the service of ratnaijke araatje, and to a certain Ranne kege, second rotnaijk, and also that they have ordered watch posts to be stationed in the limits of Deondure and gandure, which they have also agreed to do. Thus reported at Mature, the 8th of June 1790. Was signed with a cross. Below for the translation, signed J: M: walter, sworn clerk. In the margin, for the oral translation, signed D: C: de S: Dessanaijke, sworn interpreter. Below stood, was signed M:r f: Baem, authorized. Eijklert Agreed Sijbrands Examined Pompeus. 1924 No 31. Report of Aboeewickame Goenesegere Mohandiram of the Gange baddepattoe, inhabitant of Attoedawe. Reports that this afternoon between one and two o'clock, the unlawful mob of the Belligam Korle, estimated to be two thousand five hundred commoners strong, among whom were the following lesser headmen, namely the Attoekoale Aratje, a brother of his being also an Aratje, Denepittie Roepesinge aratje, the hoale Lienne aratje of malimande, a certain gamme Kenandoewe vidaan aratje, the Vidaan Aratje of Marembe, the vidaan aratje of Koedoelgodde, and the atte pattoe kandehe kangaan, and all the other lesser headmen of the Belligam Korle, came to his residence with the intention, as he, the Mohandiram, afterwards learned, to seize him, the Mohandiram, and the Moddeliaar de Saram, whom they thought was still with him, the Mohandiram. That the reporter, seeing this wild crowd approaching from afar, no longer considered himself safe and therefore immediately took flight with a Thonij to the other side of the river behind a forest named goeroelawakke, near which was a height. That the reporter, being on this hill, spied on the entire crowd and saw that they dismantled his house, broke open doors and windows, and looted his goods. That he at the same time saw that they mistreated his brother the Vidaan Aratje of Attoedawe and dragged them away, just as they also brutally beat three of their servants, as was also afterwards related to the reporter by some of his servants who had come to find him. That these servants related to the reporter that the unlawful mob of the Belligam Korle who had come there had searched for him, the reporter, and the modliaar de Saram, believing they were still together; that they thereupon smashed the doors and windows to pieces, took away the bolts and hinges, searched through all the rooms, dragged chests and cupboards outside and opened them, looted the goods, took most of the porcelain ware for themselves, smashed pots and pans to pieces, destroyed three palanquins and ten plows; in short, everything they found there and thereabouts they either took away or ruined. That the reporter found that the Company's paddy carried away from there by the mutineers, the paddy of the Moddeliaar of the gange badde pattoe, the reporter's own paddy, and that of his brother, amounted together by estimation to five hundred ammonams; that of all the paddy the reporter had at home, no more than twenty sacks of his and six sacks belonging to his brother remained. 1925 The reporter estimates the damage suffered in this, both in the loss of gold and silver, jewels, cash, and other goods and clothing, at seven thousand rixdollars, and that of his brother the Vidaan aratje of Attoedawe at four thousand two hundred rixdollars; as well as a large chest with goods, locked and sealed, given to him in safekeeping by Hendrik Hendriksz, who lives near the Bode Bolonge. That the day before yesterday, the mutineers shot dead and took away from the reporter and the maddeliaer of the gange Badde pattoe one boar, one sow, and twelve weaned piglets. The reporter ends this statement of his by saying that out of fear of being discovered by any of the other mutineers, without coming down from the aforementioned hill to go home, he hurried here to give notice to the Honorable commanding lord Grand Dessave of Mature. The reporter desires that it be inserted into this report of his that he suffered all this great damage because he did not wish to join the mutineers, but remained faithful to the Honorable Company. Thus reported at Mature, this 8th of June 1790, at half past eleven o'clock at night. Signed with an illegible Dutch signature. Examined signature. For the translation, signed M: F: Palm. In the margin for the translation, signed D: S: Lenerat, sworn secretary interpreter. Below stood, agreed, signed M: fr Palen, authorized. Agreed Sijbrands Egklerk Compuis

Dutch transcription

die geleegendheid en gem: kanneelthuin be„ vind hadden willen slaan die hij sieman daar op zig aan het loopen geset hebbende, zijn voorm: twee per„ soonen hem nagejaagd en hebben hem gesloogen: Dat hij relatant nog vernoomen heeft; dat de Hoofden van de muijtelingen den Mahavidaan Mohanderam en zijn broeder den Mahavidaan van Diondure in hunne voorige diensten hersteld hebben, gelijk ook dat de dienst van Borwekaai araatje aan eenen kangaan van dat aantje inde dienst van ratnaijke araatje aan eenen Ranne kege tweede rotnaijk vergeeven is gewerden, zomeede dat ze aanbevoolen hebben om inde lemieten van Deondure en gandure wagt posten te stellen, het welk ook aangenoomen hebben om zulx te zullen doen. Aldus gerelateerd Mature den 8. Junij 1790: :/was getekend:/ met een kruijs / lager voor de trantatie :/geteekend:/ J: M: walter g: klerk /inmargine:/ voor de mondelinge vertaling geteekend D: C: de S: Dessanaijke gesw: toek /onderstond. /: was getekend:/ M:r f: Baem geauthoriseerde Eijklert Accordeert Sijbrands nagezien Pompeus. 1924 No 31. Relateerd dat heeden middag tusschen een en Twee uuren de te zaamen gerotte hoop van de Belligam Korle naar gissing sterk Twee duijsend Vijff hondert koppen gemeenen, waaronde de volgende minder hoofden geweest waaren naemelijk de Attoekoale Aratje, een broeder van hem zijnde meede Aratje Denepittie Roepesinge aratje de hoale Lienne aratje, van malimande, Eene gamme Kenandoewe vidaan aratje, de Vidaan Aratje van Marembe, de vidaan aratje van Koedoelgodde en de atte pattoe kandehe kangaan en alle de verdere minder hoofden van de Belligam Korle aan zijn wooning gekoomen waaren, met intentie gelijk hij Mohandiram naeder vernoomen heeft gehad om hem Mohandiram op te vatten en den Moddeliaar de Saram die zij meenden dat nog bij hem Mohandiram was: dat hij relatant van verren deese woeste meenigte ziende aankoomen, zig niet meer zeeker geagt heeft en heeft desweegen ten eersten de vlugt genoomen met een Thonij na de overzijde der reviere agter een Bosch goeroelawakke genaamd, waaromtrent een hoogte was dat hij relatant op deze heurel zijnde de gantsche meenigte bespied heeft gehad, en gezien dat zij sijn huijs ontramponeerden en Deuren en vensters opbraaken en zijne goederen roofden, Dat hij teffens gezien heeft dat zijn Broeder de Vidaan Relaas van Aboeewickame Goenesegere Mohandiram van de Gange badde- =pattoe inwooner van Attoedawe Aratje Aratje van Attoedawe mishandelden en hun wegsleepten gelijk zij ook drie dienaars van hun deerlijk geslaagen hebben, gelijk hem relatant dit ook naeder verhaald was geworden door eenige van zijne Bediendens die hem relatant waeren kommen vinden; dat deese aan hem Relatant verhaald hadden dat de zaamen gerotte gemeente van de Belligam Korle die aldaar gekoomen waaren naar hem re= =latant en den modliaar de Saram gezogt hadden meenende dat zij nog bij malkander waren, dat zij daarop de deuren en Vensters hebben stukken geslaagen de grendels en hengsels meede genomen en alle de vertrekken doorsnuffeld Kisten en kasten naar buijten gesleept en geopend hadden de goederen geroofd het meerste porcelijn werk na haar genoomen, potten en pannen in stukken geslaagen, drie Palinquins, tien ploegen vernield Kortom al het geene zij daar bij en omtrent gevonden hebben off meedegenoomen of verruineerd hebben gehad. Dat hij relatant bevonden heeft, dat de door de muytelingen van daar meede weggevoerde Kompenies nelij; nelij van de Moddeliaar van de gange badde pattoe zijn relatants eijge Nelij, en dat van zijn broeder bedraagen heeft te zaamen naar gissing vijffhondert ammonams dat al de Nelij die hij relatant te huijs gehad heeft niet meer overgebleeven was dan Twintig zakken van zijnesen ses sakken die zijn broeder toebehoorde. De. 1925 De Relatant begroot de schaede die hier bij geleeden zoo aan het verlies van goud en zilver, Juweelen, Contanten en andere goederen en Kleederagien op seven Duijsend rd=s. en dat van zijn broeder de Vidaan aratje van Attoedawe op Vier duijsend Twee hondert rd=s: als meede een groote kist met goederen geslooten en verseegeld bij hem door Hendrik Hendriksz: die bij de Bode Bolonge woond in bewaaring gegeeven. Dat de muijtelingen eergistern van hem relatant en de maddeliaer van de gange Badde pattoe een Beer, een sog en Twaalf speen varkens dood geschooten en meede genoomen hadden: de re¬ latant eijndigt dit zyn relaas met te zeggen dat hij uijt vreese van door eenige der andere muijtelingen ontdekt te worden, zonder van voorzegde heurel afte koomen, na huijs te gaan hier na toegeneld is om kennis aan den wel Edelen gebiedenden heer groot Dessave van Mature te geeven de relatant begeerd dat hier bij zijn relaas geinsereerd zal worden dat hij alle deese groote schade geleeden heeft gehad om reeden zy zig bij de muijtelingen niet begeeren maar DE: Companie getrouw gebleeven was Aldus gerelateerd Mature heeden 8 Junij 1790. 'Snagts ten half Twaalf uuren /:geteekend met een Neederduijts onleesbaare handteekening nagezien handteekening :/ voor de Translatie /:geteekend M: F: Palm /:in margine voor de vertaaling /:geteekend:/ D: S: Lenerat gesw: Sek: Tolk /:onderstont:/ accordeert /:getekent:/ M: fr Palen geauthioriseerde Accordeert Sijbrands Egklerk Compuis

NL-HaNA_1.04.02_3884_0313 view scan ↗

English

1926 No 32. Account of the aratje and kangaens dispatched by the Honorable commanding Lord Dessave Mr. Christiaan van Angelbeek on the 7th of this month with a Sannas from the Honorable strict, highly esteemed, and widely commanding Lord Willem Jacob van de Graaff, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, to the mutinous gatherings in the Belligam Korle, named: Don Siman Jaesinge Ammeretoenge, araetjie of the attepattoe, and Don Louis Sammerenayke Senourere, kangaen of the adigaar mandoe. Who relate that, in accordance with the highly honored order received from the aforementioned Honorable Lord Dessave of Mature, they departed from here the day before yesterday with the abovementioned Sannas to publish it to the said gathering. That the declarants, departing from here, met nothing remarkable up to Galetoewe, but arriving at Paletoewe, they found an outposted lascorijn guard there, 3 men strong, to whom, being questioned, they answered whither they had been sent; that these people sent one of them along with them as far as the post of Jndigasdoewe in the Belligam Korle, where they likewise found 3 men of the lascorijns keeping watch, who, having understood the reason for their mission, detained them there and meanwhile sent someone to Naliegatende to report that the declarants had arrived at Jndiegasdoewe with a Sannas, and to inquire whether they wished to admit the declarants or not. That the declarants subsequently, upon an answer being received, went to Maligatende under the escort of a lascorijn who had been sent to them from the last-mentioned place. That the declarants, arriving there, encountered by estimate one hundred men, as well as the vidaan of Malimodde, the Koroepoe aratje, the lienneaetjele of Maliemodde, Mallewie kangaen, and some other minor headmen whom they did not know by name. That these, after having asked the aforementioned ordinary questions, ordered them to read the brought Sannas aloud first. That the second declarant, having done this, was given someone by the said minor headmen to convoy them as far as the ferry at Welletotte, where there was a kangaen named Maniegodde and two lascorijns. That the said kangaen had the declarants brought by a lascorijn to Oeniendoewelle, and arriving there, they were brought by a lascorijn to the village of Kaddoewe, where they found the gathering, estimated to be five hundred men strong, among whom the following minor headmen were present, namely: Kaddoekanne Attoekoorle araetje, the brother-in-law of Nadoegodde, 1927 Madoegodde appoe named Gannewatti appoehamie, Abekron araetje, the vidaan of Malidoewe, the vidaan of Marembe, and several other minor headmen. That they thereupon read the Sannas aloud to Kaddoekanne Attoekoorle araetje, who had the same read aloud by the lienneaetje. That Gannewatte appoehamie, after the Sannas had been read, requested of the attending minor headmen that the declarants be kept under arrest there and brought in custody to the Morauakorle, since from the Sannas brought by them it still did not appear certain that the grievances and requests submitted by them in thirty-six articles were in the least satisfied, saying that it was only done to gain time and to delay them with continuous messages and the sending of Sannases to their people that were of no substance, consisting of nothing but fine and flattering promises. That he, Ganwatte appoehamie, therefore requested that such messengers should be detained and punished; that the said Ganwatte appoehamie began to revile the declarants, and in this he was followed by the others with mockery; that the minor headmen, having finally granted the request of Ganwatte apoehamie, ordered twenty-four lascorijns to take the declarants into custody to the Moraua Korle; that these 24 men were armed with muskets, cutlasses, and some also with lances. That the declarants, upon such an unexpected judgment, pleaded with the minor headmen, begged that they would consider that they were subjects and servants of the Lord Dessave and the Honorable Company, and that they were therefore strictly bound to obey and respect all such orders, but meanwhile they were led away to the rear without receiving the least hearing. That after the lapse of six to seven hours they were brought forward again, and coming before the minor headmen, some granted them permission to depart while others were opposed to it, wherefore discord arose among the said minor headmen; that the declarants, receiving orders from the majority of these to depart, requested that they would give them a message or answer to take along to the Sannas received by them; that the said mutineers thereupon began to scold and rage at the declarants, and used expressions which they would not say for love or money, solely burdening them to impart to the Honorable commanding Lord Dessave of Mature that if His Honor should again send them off with such a Sannas that did not satisfy their desires, they would inflict such punishments upon the bearers as they shall deem proper. Thus recounted within the Fortress of Mature this day, the 9th of June 1790. Was signed with two illegible signatures. Lower down, for the translation, signed: M. F. Palm, authorized. In the margin, for the oral translation, signed: D. S. Senerat, sworn secret interpreter. Below, agrees, signed: M. F. Palm, authorized. Agrees. Pompaus. Sijbrands, Clerk.

Dutch transcription

1926 No 32. Relaas van de door den Wel Edelen gebieden den Heer Dessare Mr. Christiaan van Angelbeek op den 7. deezer met een Sannas van den WelEdelen gestrengen groot Achtbaaren en wijd gebie= den den Heer Willem Jacob van de graaff, gouverneur en Directeur van het Eijland Ceijlon met des onderhoorigheeden naar de zaamen gerotte gemeenten in de Belligam Korle uijtgezonden. aratje en Kangaens in naemen. Don Siman Jaesinge ammeretoenge araetjie van de attepattoe en Don Louis Sammerenayke Senourere Kangaen van de adigaar mandoe Dewelke relateeren dat zij ingevolge bekoomen veel geëerde ordre van welgem: Wel Edel geb: Heer Dessave van mature eergistern van hier vertrokken zin met bovengemelde Sannas om aan ged: samenrotting te publiceeren. Dat zij relatanten van hier vertrekkende tot galetoewe niets aanmerkelijk ontmoed hadden maar te paletoewe koomende, aldaar een uijtgezette Laskorijns post gevonden hebben sterk 3 koppen, aan welken zij /:gevraagd zijnde :/ geantword hadden werwaards zij gezonden waaren, dat deese iemand van van hem haar meede gegeeven hebben tot aan de poste Jndigas doewe in de Belligam Korle, daar zij meede 3 koppen wagthoudende Laskorijns gevonden hebben dewelke de reeden van hunne zending verstaan hebbende, hun aldaar aangehouden, en in middels iemand naar naliegatende gezonden hebben om te rapporteeren dat de relatanten te Jndie gasdoewe met een Sannas aangekommen waaren, en te verneemen of zij de relatanten wilden atmiteeren ofte niet: dat zij relatanten vervolgens op bekoomene andwoord na Ma- ligatende gegaan zijn onder gelyde van een Laskorjn die hun van de laastgem plaats gezonden is geworden dat zij relatanten daar koomende ontmoed hebben gehad, na gissing hondert koppen, als meede de Vidaen ran Malimodde, de Koroepoe aratje, de Lienneaetjele van Maliemodde, Mallewie Kangaen, en eenige andere mindere hoofden, die zij bij naamen niet en kenden: dat deese na de voorgem: ordinaire vraagen gedaan te hebben, hun gelast hebben gehad om de meede gebragte Sannas eerst voorteleesen, dat de Tweede relatant dit gedaan hebbende, door gem: min- =dere hoofden iemand was meede gegeeven, om haar tot aan het veer te welletotte te konvoijeeren, daar een kan gaen genaamd maniegodde en Twee Laskorijns waaren, dat gem: kan gaen hun relatanten door een Las korijn heeft laaten brengen tot oenien doewelle, daar kommende door een Laskorijn gebragt was naar het Dorp kaddoewe, daar zij de 't zamenrottinge na gissing Vijff hondert koppen sterk gevonden hebben, daar de volgende mindere hoofden zig onder bevonden hebben namelijk kaddoekanne attoekoorle araetje de Swaager van Nadoegodde. 1927 Madoegodde appoe genaamd gannewatti appoehamie¬ abekron araetje, de vidaan van Malidoewe de ridaan van marembe en nog eenige minderhoofden. Dat zij daarop de Sannas hebben voorgeleesen gehad aan Kaddoekanne attoekoorle araetje, die dezelve door de Lienneaetje heeft laaten op leesen, dat gannewatte appoehamie na dat de Sannas geleesen was geworden op de aanweesende minder hoofden versogt heeft gehad, dat zij relatanten aldaar in arrest mogten aangehouden en naar de Morauakorle in verseekering gevoerd worden, wijl bijde door hun meede gebragte Sannas, als nog niet zeeker bleek, dat aan de, door hun, en ses en dertig artikels ingebragte beswaaren, er verzoeken het minste voldaan was, zeggende dat het alleen te doen was om tijd te winnen, en hun op te houden met gestage Boodschappen en Sannassen haar lieden toe tezenden die niets om het Lijff hadden, als bestaande in Loutere Schoone en Vlijende beloften; dat hij ganwatte appoe¬ hamie desweegen versogte, dat men zulke boodschap „brengers moesten aanhouden, en afstraffen; dat gem: gan watte appoehamie hun relatanten heeft beginnen te beschimpen, en daar in door de andere met bespot¬ „tingen gevolgt waren; dat de mindere hoofden eijn- =delijk het versoek van ganwatte apoehamie, inge= willigt hebbende, vier en Twintig Laskorijns geordon¬ =neert waren geworden, om de relatanten naar de Moraua korle in verseekering te brengen, dat deese 24. koppen gewapend waaren, met snaphans, houwers, en sommige ook met Lancen. dat zij relatanten op zulken onverwagten vonnis, de mindere hoofden gebeeden. olgende lijk van de nagezien gebeeden hebben gehad, dat zij wilden Concidereeren dat zij onderdaanen en dienaars van den Heer Dessave en dE: Comp: waaren, en dat zij desweegens grootelijks verpligt waaren, om aan al zulke ordres te gehoor= =zaamen en te respecteeren inmiddels agter af waeren gebragt worden zonder het minste gehoor te krijgen dat ze na verloop van een uur, ses a seven weeder voorgeleid zyn geworden, en bij de minder hoofden koomende zom¬ mige hun verloofden om te vertrekken, andere daar tegens waaren, waar door onder de ged: mindere hoofden oneenig- „heyd ontstonden, dat zy relatanten van de meeste deeser ordre kuijgende om te verstrekken versogt hebben, dat zij haerlienden een boodschap of andwoord wilde meede geeven op de bij haar ontvangene Sannas; dat gem: muijtelingen daar op op de relatanten hebben beginnen te schelden en te raasen, en expressien gebruijkt hadden, die zij om lief nog leed wilden zeggen haar eenig belastende, om aan den wel Edelen gebieden den heer Dessare van Mature te bedeelen, dat wanneer zijn wel Edele geb: hun weeder met zulk gelijke Sannas die aan haare begeerten niet voldeeden afzonden, zij de brengers zulke Straffen zouden aen doen als zij vermeenen zullen te behooren. Aldus gerelateerd binnen de Fortresse van Mature heeden den 9. Junij 1790. /:was geteekend:/ met Twee onleesbaare handteekeninge /:lager :/ voor de translatie geteekend:/. m. f. Palm geauth: / in margine:/ voor de mondelinge vertaaling /:geteekend :/ D: S. Senerat gesw: Sek: Tolk /:onderst:/ accordeert /:getekent. / getekent :/ M: f: Palen geanth: Accordeert Pompaus. Sijbrands Eyklerk

NL-HaNA_1.04.02_3884_0317 view scan ↗

English

No. 33. 1928 Account of the persons sent on 8 June last with an act of authority from the Honorable Diederich Thomas Fretz and Abraham Samlant, Commissioners, to the gathered mob of the Belligam Corle, namely: Attaoede aratjege Don Nicolaas appoehamie of Colombo and Sillahewage andries, lascoryn of the adigaer mandoe at Mature, who relate that, leaving dutifully from here with the aforementioned act of authority and arriving at Nadoegelle, they found there a guard post established by the gathered crowd 5 heads strong, and that at Talbahagodde, where 4 heads were posted, having read the act of authority, they let them pass, whereupon they, the declarants, arrived at an adjacent sowing field where they found the gathered crowd five hundred heads strong; that they saw among them the vidaan araetje and Lienne aetjele of Malimodde, along with the attoekorle araetje and several other minor headmen whom they did not know by name; that they, the declarants, handing over the act of authority to the said headmen, had ordered them to remain standing there, and then asked who who had sent them the act of authority; they, the declarants, answered that they had received it from the Honorable Commissioners, with orders to hand it over to them; that they had thereupon said: let those gentlemen do with it etcetera, using entirely brutal expressions and abusive words; that they, the declarants, were then surrounded by this unruly crowd, who would not listen to the least bit of reason, and who then snatched the act of authority from their hands, had it read, and thereupon said, in a raving and yelling manner, that they knew very well that they had submitted their complaints at Slakman to the Commissioners sent for that purpose from Colombo, in the hope of being equitably heard; that these complaints of theirs, according to the Commissioners' pleasure, had been divided between Gale and Colombo, that acts of authority had also returned from the said places, but that all of them had been swallowed up and concealed, and on the contrary, acts of authority that were all arranged with tricks were sent to them; and that whereas they had hoped that the Dessave sent to them as Commissioner 1929 Commissioner would investigate and remedy the violations inflicted on them by the Dessave of Mature, and would hear and grant justice to their fairly submitted complaints, but saw all too well that all kinds of tricks were being employed in this matter to give the case a different spin and turn, and that one Dessave sought to help the other, and for that reason sought to stall and mislead them with promises and meaningless matters in their acts of authority, so as to cause them to drop their case on their own, considering they are poor people; that they could go with this message to Matura and see to it, in order not to be more severely mistreated or affronted, that they did not return to them in the future with such meaningless acts of authority. That they, the declarants, upon their return arriving at Nadoegelle, were sent by them along with a lascoryn to Bandaterre; that upon arriving there they found wannambie aratje along with five other persons, who sent the declarants, accompanied by a lascoryn, to the Baijgam aratje at Pedigodde; examined Pocupeus. that upon arriving there, he had advised them to flee to Matura, to which they had replied that they would not and could not do so; that the Baijgam araetje had thereupon confronted them, saying that if you will not flee, then you must take the ordinary road, which they then also took, and arriving back at Bandattere, were ordered by wannambie araetje to say at Mature that they demanded the immediate release of the person whom they had sent from here with an act of authority to the 4 Gravets and who had been arrested here, and that if this were not done, they would in the future punish and place under arrest the message bearers sent from here. Thus related within the Fortress of Mature, 9 June 1790. It was signed with a Sinhalese signature and a character. Below stood: for the translation, signed M. F. Palm, authorized. In the margin: for the verbal translation, was signed D. S. Senerat, sworn Secretary Interpreter. Below: agreed, signed M. F. Palm, authorized. Account No. 34. 1930 Account of the soldier Cherwe Basil Chanse of Danche annasan, stationed here in the garrison but dispatched on a command expedition to Tangale; Who relates that having taken leave from his commander, the honorable, valiant Lieutenant Bijer at Tangale, to make a short trip to Mature to see his wife and children and at the same time to provide himself with some necessities, he departed from Tangale yesterday morning at half past five; that when he, the declarant, was about to depart from Tangale, the gauger Froom, who had arrived at Tangale from Badegerije and also intended to come this way, said to him, the declarant, that he should just march ahead and that he would follow the declarant shortly after; that he, the declarant, had thereupon departed and on the way halted up to two times to wait for the said gauger, the first place unknown to him, the declarant, but the last resting place having been at Dikwelle; that at this place he, the declarant, sat for a while on the porch of the rest house, which was closed tight all around, without noticing anything, when shortly thereafter the vidaan of Dikwelle came to him and said to him, the declarant, what he was doing there alone and

Dutch transcription

No. 33. 1928 Relaas van de door de WelEdele gestrenge Heeren Kommissarissen Diederich Thomas Fretz en Abraham Samlant met een Sannas van hun wel Edele gestrenge naar de 't zaamen gerotten gemeente van den Belligam Corle op den 8. Juny J=o Leeden afgezonden persoonen Namentlijk. Attaoede aratjege Don Nicolaas appoehamie van Colombo en Sillahewage andries Laskorijn van de adigaer mandoe te mature dewelke relateeren dat zij pligt schuldig met bovengemelde sannas van hier vertrekkende en te nadoegelle koomende aldaar een door de zaamen gerotte uijtgezette wagtpost sterk 5 koppen gevonden en dat te Talbahagodde daar 4. koppen geposteerd stonden, die de Tannas geleesen, haar hebben laaten passeeren, waarop zij relatanten aan een daar naest geleegen zaaijfeld gekoomen zijn daar zij de 't zamen gerotten Vijffhondert koppen sterk gevonden hebben dat zij onder dezelve gezien hebben de vidaan araetje en Lienne aetjele van Mali- modde, nevens de attoekorle araetje en meer andere der mindere Hoofden die zij bij naemen niet kenden dat zij relatanten aan ged: hoofden de Tannas Overrijkende deese hun gelast hadden daar te blijven staan vervolgens gevragd hebben, wie wie hun de sannas toegezonden heeft gehad, zij relatanten daarop geandwoord hebben, dat zij die van de wel Edele gestrenge heeren Kommissarissen hadden gekreegen; met last om dezelve aan haar lieden over te geven; dat zij daarop gezegd hadden, laat die heeren dezelve etc=a /:gebruijkende hierbij gants Brucaale expressen en Scheldwoorden :/ dat zij relatanten van deese woeste gemeenten die naar geen de minste reeden wilden Luisteren, vervolgens omzingeld waren geworden die vervolgens de sannas uijt hun handen weg gerukt geleesen hebben gehad daarop al rasende en tierende gesegt hebbende, dat zij zeer wel wisten dat zij te slakman in hoope van billijk, verhoord te zullen worden; hunne klagt zaken ingediend hadden aan de daartoe van Kolombo gezonde heeren Commissarissen: dat deese hunne klagten, naar 't welgevallen der heeren Kommissarissen, naar gale en Colombe waaren bedeelt geworden, dat 'er ook sannassen van gemelde plaatsen weeder gekoomen waaren dog die alle ingeslokt en verborgen waaren en daar en teegen Sanassen die alle met prak¬ =tijken ingerigt waaren hun gezonden werden en dat daar zij verhoopt hadden dat de hun toegezonden heer Dessave als Commis¬ Saris. 1929 Commissaris, de breuke door den heer Dessare van Mature haar toegebragt, zoude onderzoeken, remedieeren en hunne billijke ingebragte klagte verhooren en regt doen, maar als te wel zagen, dat men in deese allerlij praktijken in het werk stelden om de zaak een andere draij en keer te doen neemen en dat de eene Dessave den anderen zogten te helpen en des= „weegen haar met beloften, en niets bedui= dende zaaken bij hunne Sannassen, zogten optehouden, en misleiden om haar zo doende van zelfs te doen vervallen, weezende dat ze arme luijden zijn, Dat zij met deese boodschap naar Matura konden gaan en zorgen, dat zij om niet kwalijker begegend ofte geaffronteerd te worden in den vervolge niet weeder met zulke niets beduidende Sannassen bij haar kwaamen. Dat zij relatanten bij hunne terug keering te Nadoegelle kommende deese haar lieden nevens een Laskorijn naar Banda- „terre gezonden hebben gehad, dat zij daar koomende gevonden hebben wannambie aratje neevens nog vijff perzoonen die de relatanten verseld van een Las korijn naar de Baijgam aratje te Pedigodde gezonden. nagezien Pocupeus. gesonden hebben, dat zij daar koomende deese hun geraaden had de vlugt naar Matura te neemen, zij daarop geantwoord hadden zulks niet te willen nog kunnen doen Dat de Baijgam araetje haar Lieden daar op te gemoed gevoerd had, zoo je dan niet vlugten wild, dan moet gij lieden de ordinaire weg gaan, die zij toen ook ingeslaagen hebben en weeder te Bandattere koomende, door wan- nambie araetje gelast was geworden om te Mature te zeggen dat zij de Persoon die zij alhier met een Sannas naar de 4. gravetten gezonden hebben gehad, en welke alhier gear¬ „resteerd is geworden, begeerden terstond ge- =largeerd te hebben, en zoo zulks niet gedaan wierden zij in den vervolge de van hier gezonden wordende Boodschap brengers zouden doen Straffen en in arrest neemen. Aldus gerelateerd binnen de Fortresse van Mature den 9 Iunij 1790. /:was geteekend:/ met een singaleese handteekening en een karakter /:onder stond:/ voor de Translatie /:geteekend M. f: Palm. geauth: /:in margine:/ voor de mondelinge vertaaling /:was geteekend:/ D: S. Senerat gesw: Sek: Tolk: onderst: /accrd: getek:/ M: f: Palm geanth: Relaas No. 34. 1930 Relaas van den alhier in het garnisoen bescheijden zijnde doch naar Tangale in kommando geex= =pedieerde zoldaat Cherwe Basil Chanse van Danche annasan: Dewelke relateerd dat hij van zijn Commandant den E: manhaften Luijtenant Bijer te Tangale verloff genoomen hebbende, om voor een sprigtogt na Mature te gaan om sijn Vrouw en kinderen te zien en hem teffens van eenige benoodigheeden te voorsien gisteren morgen ten half ses uuren van Tangale vertrokken is, Dat toen hij relatant van Tengale stond te vertrekken de lijkmeester Froom die van Badegerije te Tangale aangekoomen was, en meede voorneemens was om herwards te koomen tegens hem relatant gezegt heeft gehad dat hij maar voor uijt moest marcheeren, dat hij den relatant kort na zoude volgen: dat hij rela- „tant daarop vertrokken was, en onderweegens tot Twee reijsen halle gehouden heeft gehad, om na gedagte Eijkmeester te wachten, de eerste plaats hem relatant onbekend, doch de laaste rustplaats te Dikwelle geweest zijnde: dat hij relatant aan deese plaats een poos aan het rusthuijs, dat over al digt geslooten was op stoep is gaan sitten zonder iets te verneemen, dan een wijnig daarbij hem de vidaan van Dikwelle gekoomen was, en teegens hem relatant gesegt had, wat hij daar alleenig en 24 aan

NL-HaNA_1.04.02_3884_0322 view scan ↗

English

and remained sitting so alone, he should rather go with him to the Lascorin guard, where there were still some people and conversation; that he, the deponent, did so, and arriving at the Lascorin guard, found there three Lascorins, six Sinhalese with walking sticks in their hands, and by estimation 15 to 20 Moors, but that he, the deponent, could not discover among these the slightest restless movements; that he, the deponent, requested of the Vidaan a kurumba or young coconut to quench his thirst; that the latter also ordered one of his men to fetch it; but as he, the deponent, after waiting a long time, neither saw nor received anything, and also did not see the Assizer Vroom coming, he said to his servant that they would continue their journey to Matura; that he, the deponent, coming near Bamberelle, encountered an outstationed post where he found two Sinhalese, each with a long heavy stick, besides two others, each with a musket, two ditto with lances, and some cutlasses and kastanes, by estimation twenty heads strong, who surrounded him, the deponent, and asked where he came from and where he had to go; that he, having answered this, was taken by the hand by a person of more or less distinction among the crowd, who carried a talipot, and proceeded on his way while speaking with him, but that he, the deponent, could not understand the said person, whom he took for an aratchi, and as it appeared to him, the deponent, this person also did not understand Portuguese, in which the deponent addressed him; that he, the deponent, while walking, heard his servant shout and say, "Sir, they want to take your coat away from me"; he, turning around, saw that one of the crowd was indeed trying to take the coat by force; that he, the deponent, then intervened and ordered the said aratchi to leave the coat alone and not to trouble his servant; that he, the deponent, regarding this aratchi as a decent man, and one who, so it seemed, meant very well by him, the deponent, took off his cutlass, which he had hanging over his shoulder on the sword-belt, and placed it around the neck of the aratchi, who thereupon laughed and stepped forward very gravely with him; that he, the deponent, having in the meantime put on his coat, took the cutlass back from the aratchi and girded it on himself, and continued his journey with these people; and that these people led him to Bamberende, where the assembled mutineers, by estimation fifteen hundred heads, among whom certainly 400 heads with muskets and many with lances and sticks, were gathered together; that he, the deponent, saw there a cot over which a mat and white cloth were spread, and on either side, somewhat forward of the said cot, two guards posted, each with a musket; that when he, the deponent, arrived there, they offered him to sit down for a while on the said cot; that he, the deponent, thereupon said that he had no time to tarry longer, as he still wished to be at Matura early; they nevertheless made him, the deponent, wait; that shortly thereafter some persons arrived, for whom ample way was made; that he, the deponent, recognized among these Maddogodde Appoe, who immediately went to sit on the said cot, having with him another person who was fairly fair-skinned and young, but whom he, the deponent, did not know, and who seemed to be the second in rank there; that one of those posted there, who had a musket at his foot, was the Mohandiram Witmie, who lived at Wallasmoelle, who served him, the deponent, as interpreter, since his servant had gotten into the crowd out of fear and could not come to him. That the said Mohandiram said to him, the deponent, when Maeddoegodde Appoe arrived, "See there, this is the head and ruler of us all"; that he, the deponent, having been brought before the same, was interrogated by the same as to whence he, the deponent, came, where he was going, for what reason, and whether he had also brought letters to deliver, whether any other persons were following him or were about to follow behind; that he, having answered as here before, said to the other questions that he had no letters with him and was to be followed by the Assizer. That Maddoegodde Appoe and some others thereupon said, "Oh, Assizer Heintie Vroom, we know him well"; that subsequently he, the deponent, was ordered to take off his cutlass, which he had hanging on the sword-belt; he, the deponent, thereupon said that the cutlass he was carrying was the Honorable Company's weapon, which he was not permitted to lay down; that the Mohandiram Witmie, who had known the deponent at Wallasmoelle and Moruakoll, advised him, the deponent, to nevertheless give up his cutlass.

Dutch transcription

en zoo eensaam bleef zitten hij moeste liefst met hem na de Laskorijns wagt gaan daar nog eenig volk en aanspraak was, dat hij relatant zulks gedaan heeft gehad en aan de Lascorynswagt koomende aldaar gevonden heeft drie Laskorijns ses Singaleesen met wandel stokken in hunne handen en naar gissing 15 a 20. mooren dog dat hij relatant onder deese geen de minste onrustige morimenten heeft konnen ontdekken dat hij relatant den Vidaan om een Lanje of jonge kokernoot versogt heeft gehad om zijn dorst te leschen dat deese zulks tegens iemand van de zijnes ook belast heeft gehad om te haalen dag also hij relatant na lang wagten niets en zag nog kreeg, en den Eijkmeester Vroom ook niet zag koomen, tegens zijn dienaar gezegt heeft, zij zouden hunne reijsen naar matura vervorderen, dat hij relatant omtrent Bamberelle koomende, ontmoet heeft een uijtgesette post daar hij Twee Singaleesen ijder met een lange sware stok gevonden heeft beneffens Twee andere ijder met een snaphaan, Twee dito met Lansen en eenige houwers en katanes, na gissing Twintig koppen sterk, die hem relatant om tingeld en gevraagd hebben van waar hij kwam en waar hij naar toe moeste dat hij hierop bescheid gedaan hebbende; door een persoon van min of meer aansien onder den hoop, die een Talpat voerde, bij de hand genoomen was en alspreekende met hem voort gegaan was, dog dat hij relatant de gedagte perzoon die hij voor een araetje aangezien heeft, niet heeft kunnen verstaan, en na het hem relatant voorgekomen was 1931 was, heeft deese persoon ook geen portugeesch, daar de Relatant hem in aangesprooken heeft verstaan dat hij relatant onder het gaan zijn dienaar hebbende hooren schreuwen en zeggen sinjeur zij willen je Rok mij afneemen, hij zig omkeerende gezien heeft, dat werkelijk eene uijt den hoop de rok zogt ontweldigen dat hij relatant toen toegegreepen, en de ged: aratje gelast heeft gehad, de rok te laaten, en zijn dienaar niet te moeijen dat hij relatant deese aratje voor een ordentlyk man aanziende, en die zoo het scheen zeer wel met hem relatand meende, zijn houwer die hy om de schouder had hangen aan de portEpe afgenoomen en die om den hals van den aratje gedaan had die daarop lagte en zeer deftig met hem voorstapte dat hij relatant inmiddels zijn Rok aangeschooten hebbende de houwer van den aratje weeder afgenomen en zelve om gord heeft gehad en met deese lieden zijn reijse voortgeset heeft gehad en dat deese lieden hem geleid hebben, tot Bamberende daar de verga- derde muijtelingen na gissing Vijfftien hondert koppen waaronder wel 400 koppen met snaphaanen veel met lansen en stokken bij malkanderen waren dat hij re= =latant daar gezien heeft gehad een kooij waar over een mat en wet kleed gespreet was, en aan weer zij der wat vorwards van gedagte Kooij twee wagten geposteerd ijder met een snaphaan; dat toen hij relatant daar gekoomen was zij hem gepresenteerd hebben, om op ged: kooij wat te gaan zitten. dat hij relatant daarop gesegt had geen tyd te hebben om langer te toeven alzo hij nog vroegtijdig op matura wilde weesen zy hem relatant nogthans hebben doen wagten dat kort daarop eenige perzoonen waaren aangekomen voor. len en Twee na as voor welke ruim baan gemaakt wierd dat hij rela= =tant onder deesen gekend heeft gehad maddogodde appoe, die aanstonds op ged: kooij ging zitten heb= =bende hem nog een persoon die redelijk blank en jong was dog welke hij relatant niet kende, en scheen de Tweede in Rang aldaar te zijn, dat een van de daar geposteerde, die een snaphaan bij de voet had de mohandiram witmie die te wallasmoelle woonde was, hem relatant voor Tolk heeft gediend, alzo zijn dienaar uijt vreese onder de hoop geraakt was, en bij hem niet konde koomen. Dat ged: mohan- =diram tegens hem relatant toen Maeddoegodde appoe aan kwaam gezegt heeft, zie daar dit is onser aller hooft en gebieder dat hij relatant voor denzelven gebragt zijnde, door denzelven is ondervraagd geworden waarvan daan hij relatant kwam waar na toe hij ging om welke reeden, en of hij ook brieven om te bestellen meede genoomen had, of 'er eenige andere persoonen hem volgden of stonden agter na te koomen: dat hij als hier vooren geantwoord hebbende op de overige vraagen gesegt had geene brieven bij zig te hebben en van den Eijkmeester stond gevolgd te worden. Dat Maddoegodde appoe en eenige andere daarop gezegt hebben, ou Eikmeester Heintie Vroom, wij kennen hem wel dat vervolgens aan hem relatant geordonneert is geworden om zijn Houwer, die hij aan de portepé had hangen afteneemen: hij relatant daarop gezegt had dat de houwer die hij droeg DE: Komp=s waepen was die hij niet vermogte afteleggen dat de mohandiram Witmie „ de relatant te wallasmoelle en MoruaKoll die gekend had, hem relatant geraeden heeft om dog zijn houwer.

NL-HaNA_1.04.02_3884_0325 view scan ↗

English

1932 to lay down his cleaver, that he, the deponent, thereupon said that he was indeed willing to relieve himself of it, but would surrender it to no one, that Madduegodde Appu thereupon climbed onto the said cage and, standing upright, took a pike and, aiming it at him, the deponent, just as if he intended to throw it at the deponent, ordered that he should surrender his cleaver, and while repeatedly aiming with the lance said, "Are you going to surrender it! Are you going to hand it over?", the Mohandiram said, "Rather hand over your cleaver quickly", that he, the deponent, thereupon said that to relieve himself of it he would surrender it to his servant and to no other, that Madduegodde Appu, threatening him, the deponent, that he would spear and murder him with the lance, he, the deponent, had replied to that, that it was no great feat for such a crowd to murder one man, much less would it serve to their honor or advantage: that he, the deponent, upon the insistence to lay down his cleaver, having called his servant, placed it into his hands, whereupon one of those present wishing to take the cleaver out of the hands of the said servant, he, the deponent, had prevented this, being assisted therein by a crowd, that Madduegodde Appu finally giving him, the deponent, permission to depart, said that he could turn toward Matara or Tangalle, but must no longer pass that way, for if he fell into their hands again, they would murder him or otherwise bring him into a great labyrinth, and that he, the deponent, upon arriving in Matara, must tell the Honorable Ruling Lord Dessave that whenever His Honor sent troops inland and they fell among them, they would have them beaten to death, stabbed to death, shot to death, or inflict another violent death upon them, and that Madduegodde Appu thereupon had given two persons along with him, the deponent, as an escort and let him depart, that he, the deponent, had found the whole road from Bomberende virtually sown with people and at the same time had encountered various posted guards, all of whom mostly detained him, troubled him, and, as far as he knows, affronted him, that the two persons given along with him had had much trouble, in the name of Madduegodde Appu, to prevent their people from harming him and to let him, the deponent, pass unmolested, and that these two, having escorted him as far as Dondra, wished him further a good journey, turned back, and that he, the deponent, encountered nothing further worth mentioning on this journey of his. Thus. 1933 Thus related within the Fortress of Matara today, 9 June 1790. Was signed with a mark, around which was written: this is the mark of the deponent. Below stood: in my presence, signed M. F. Palm. Below stood: agrees, signed M. F. Palm, sworn clerk. Agrees, Sybrands, First Clerk. Pompeus: examined. No. 35 1934 Report of the Appu named Don Joewan Latoenge, resident of Walgama, within the gravets of Matara, sent out with a sannas to the Seignory of Weligama on the 8th of this month by the Honorable Commissioners Diederik Thomas Fretz and Abraham Samlant. Who relates that the Honorable Ruling Lord Dessave of Matara last Tuesday handed over a sannas from the Honorable Commissioners aforesaid to go and publish the same in the Seignory of Weligama, that he, the deponent, in dutiful compliance with the said very respected order, immediately set out on his journey, and arriving at Polwatta, wishing to pass a guard post of twelve men strong stationed by the assembled headmen, they detained him and asked where he, the deponent, wanted to go and where he came from, that he having explained this to them, they gave him a lascarin as an escort, with orders to bring the deponent to Wireman Arachchi, whom they found at an estimate a short musket shot from there, the said Wireman Arachchi being on a journey together with fifty common men to go to the assembled populace of the Weligama Korale. That he, the deponent, coming to Wireman Arachchi, handed over the sannas to him, and he, having read the same, had said to him, the deponent, that he, upon his return, must tell the Honorable Commissioners that he could not accept the favorable offer made by Their Honors to provisionally perform the duties—until someone should be effectively appointed by the government—of Don Drogoe Wieregoenepatne, Mohandiram and Shabandar of the Seignory of Weligama, who was dismissed by Their Honors upon the complaints of the community, partly because he would lack all the highly necessary supplies to be made, such as oil, rice, paddy, salt, etc., and the clerks who belonged to these supplies and knew the administration were absent, as one had recently joined the gathering, while the other was presumably staying in Matara, partly because he already had of necessity to join himself and his people with the assembled multitude of the Weligama Korale, as they had already taken his son as a hostage among them. That Wireman Arachchi had given him a lascarin to go with this message to the Tottemoene Arachchi, whom he, the deponent, arriving there, did not find at home, but that Tottemoene Arachchi's son, who was gathered with some of the neighbors, having read the sannas and taken a copy of it, subsequently said to him that he, upon arriving in Matara, must report that since the combined communities of the Seignory of Weligama, upon the request and instigation of the people of the Weligama Korale, were already resolved to join with them, and of whom many had already departed thither

Dutch transcription

1932 houwer afteleggen, dat hij relatant daarop gezegt heeft, dat hij hem wel wilde daarvan ontlasten maar aan niemand overgeeven, dat maddoegod de appoe daarop op de ged: Kooij geklommen en over eijnd staande een Piek genoomen heeft en daarmeede op hem rela- tant mickende, even als off hij dezelve op den relatant voornemens was te werpen, gelast heeft dat hij zijn houwer zoude afgeeven, en telkens al mickende met de lans gezegt heeft, wilt jij wel over- geeven! wilt gij wel afgeeven, de mohandiram gezegt heeft, geeft gou houwer maar liever aff„ dat hij relatant daarop gezegt heeft, dat om hem van dezelve te ontlosten hij dezelve aan zijn Dienaar en aan geen andere Overgeeven dat maddoegodde appoe hem relatant dreijgende aan den Lans te zullen spikken en vermoorden, hij relatant daar op geandwoord heeft gehad, Het geen Kuns voor zulke meenigte te zijn een mensch te vermoorden, veel min hun tot eere of voordeel zoude strekken: dat hij relatant op het aanhouden om zijn houwer af te leggen zijn dienaar geroepen hebbende, dezelve in dies handen gesteld heeft, waarop een van de daarbij zijnde de houwer uijt handen van gem: dienaar willende afneemen, hij relatant zulks belet heeft gehad, zijnde daarin door een meenigte geadsisteerd geworden dat maddoe godde appoe hem relatant eijndelijk verloff geevende om te vertrekken gezegt heeft dat hij korde waar Mature of Tengale keeren, maar dien weg niet en er meer. meer moeste passeeren, want dat zo hij onder hunne handen weeder viel, zij hem vermoorden anders in een groote Labarijnsch brengen en dat hij relatant op Matura koomende aan den wel Edele gebiedenden Heer Dessare moeste zeggen dat wanneer zijn wel Edele gebiedende weervolk Land= wards zond en dezelve onder haar verviel, zij dezelve zoúden doen dood Slaan, dood Steeken dood Schieten of een ander geweldigen Dood aan doen en dat maeddoegodde appoe daar op hem relatant Twee persoonen ten geleijde had meede gegeeven en laaten vertrekken dat hij relatant genoegzam de heele weg van Bomberende met volk als besaaijd gevonden heefd gehad en teffens ver¬ scheide uijtgezette posten ontmoed heeft welke alle hem meest opgehouden gemoeid en zoo hij met niet beter weet affronteerden, dat de „ hem meede gegeeven twee persoonen, haar veel moeijte gehad hebben om haar lieden uijt naam van maeddoegodde appoe te beletten, dat zij hem relatant ongemoeijd lieten passeeren, en dat deese twee hem tot deondure gekonvoijeerd hebbende, hem verders goede rijs gewenscht hebben terug gekeerd zijn en dat hij relatant niets noemens waardig verders op deese zijn reijs ontmoet heeft. Aldus. 1933 Aldus gereelateerd binnen de Fortresse Mature heeden den 9 Junij 1790 /: was geteekend:/ met een Karacter :/ daar om me geschreeven :/ dit is het merk van den re= =latant :/onderstond:/ in mijn kennisse:/ geteekend M: F: Palm /:onderstont:/ accordeert /:geteek:/ M: f: Palm geenth: Accordeert Sijbrands Eyklerk Poempeus: nagezien No„ 35 1934 Relaas van de door de wel Edele gestren„ ge Heeren Kommissarissen Diederik Thomas Fretz en Abraham Sam„ „lant op den 8 deezer maand met een sanas, naar de Heerlijkheijd van Bel„ ligam, uit gezonden appoe gen„d Don Joewan Iatoenge inwoonder van wal„ „gam, binnen de gravetten van Mature De welke relateerd dat de wel Edele gebiedende Heer Dessave van Mature voorleeden dingsdag een sannas van de wel Edele gestrenge Heeren kommissarissen voornoemd om de zelve in de Heerlijkheijd van belligam te gaan publiceeren ter hand gesteld heeft gehad dat hij relatant in eerbiedige voldoening van welgem: zaer gerespecteerde ordre; zich dadelijk op reijs begeven heeft, en te Polwatte komende een door de tzamen gerotte hoof gestelde wagtpost sterk twaalf koppen willen„ „de passeeren dezelve hem aan gehouden en gevraagd hebben gehad waar hij relatant na toe wilde en waar hij van daar quam dat hij hun dit ontleed hebbende, zij hem ten geleide een laskorijn meede gegeven hebben; met last om den relatant bij wiremanaratje te brengen, welken zij naar gifsing een klijn snaphaan schoot van daar gevonden hebben zijnde gemelde wireman aratje op reijs nevens vijftig koppen gemeene om naar de zaamen gerotten gemeente van de Belligam Corle te gaan, Dat hij relatant bij wiremanaratje komende hem de Sannas overgegeven heeft, en dezelve geleezen hebbende tegens hun relatant gezagt had, dat hij hij bij zijn retour, aan den wel Edelen gestrenge Heeren kommis„ sarissen moeste zeggen, dat hij de door hun wel Edele gestrenge gedaane gunstige offerte, om de dienst van den door hun wel Edele gestrenge op de klagten der gemeente afgezetten Don„ Drogoe wieregoenepatne mohandiram en Sabandaar van de heerlijkheid Belligam provisioneel, tot er iemand offectief door de regeering zoude aangesteld worden, waartenemen niet konde accepteeren deels, om dat hij van alle de hoognodig te doene verstrekkingen als van olij rijst, nelie zout d Ef: gebrek zoude hebben en de bij de schrijvers, die bij deeze verstrekkingen behoorden en de directie wisten absent waaren als hebbende de eene zig Iongst bij de tzamen rottinge ver„ voegd, terwijl de ander presumtif zig te mature op hield deels, wijl hij reets in't noodzakelijkheijd zich met de zijnes met de tzaamengerotte van belligam Corle moesten kon„ jungeeren, alzoo zij zijn zoon reeds onder haar tot gijzelaar genoomen hadden. Dat wireman aratgi hem een laskorijn meede gegeven heeft gehad om bij den Tottemoene aratjie met deze boodschap te gaan, dewelke hij relatant daar komende niet thuijs gevon„ den, maar dat Pottemoene aratjis zoon, die met eenige der buuren vergadert was, de samas geleezen een koppij daar van genoomen, vervolgens tegens hem gezegt heeft gehadt, dat hij op Matoire koomende, moeste berigten, dat ver„ mits de gezaamentlijke gemeenten van de Heerlikheijd van Belligam op aanzoek en in stigatie van de volkeren van de Belligam Corle reeds geresolveerd waaren met hun te konjungeeren, en waar van bereets veele naar gints ver„ trakken

← previousnext →