VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3884

Ceylon · 1,016 pages · 160 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3884_0331 view scan ↗

English

had departed, he would therefore be placed in the impossibility, wishing to take over the service of the dismissed shahbandar, of gathering any people for the Company's work, and that no one in this critical circumstance of time and affairs would dare to undertake such a thing. That he, the declarant, then went again to wireman aratchi, as he had heard that he had returned home in passing, who dismissed him curtly, saying only that he could just leave, as nothing could be done in this matter, and that he, the declarant, could relate his experiences at Mature. Thus related today, the 10th of June 1790. Was signed with a mark. Lower down for the translation, signed, M. F. Palm, Authorized. In the margin: for the oral translation, was signed, D. S. Senerat, Sworn Secretariat Interpreter. Below stood: Agreed, was signed, M. F. Palm, Authorized. Agreed, Sijbrands, First Clerk Examined, Pompeus No. 36 Account of the persons sent out by the Right Honorable Commanding Lord Dissave of Mature, Mr. Christiaan van Angelbeek, on the 2nd of this month with a Sannas to the collective community of the Magampattoe, namely: Don Dinees Aborewiekreme Kannesinge, aratchi under the mudaliyar Tinnekoon, resident of Meddewatte, Don Andries Satoenge Appu, resident of Oejanwatte, Who relate that eight days ago, upon the highly honored order of the Right Honorable Commanding Lord Dissave, they departed from here with a sannas to publish to the community of Magampattoe, which, to the declarants' best recollection, was of the following content: That upon the requests made by them to the Right Honorable and High-ranking Lords Commissioners, proper reflection would be given by their Honorable and High-ranking Lordships, and that the Lord Dissave of Mature would promote their request, and make their complaints his own, and contribute and do everything that could serve for the use and benefit of the inhabitants of the Magampattoe and seek to promote their happiness; that they, on the other hand, also as good inhabitants and subjects, should each return to their homes, resume their previous work, live peacefully and quietly, respect and obey their headmen; but if they refused to listen to this, they would then have to fear the consequences and disasters arising therefrom, and that they should therefore follow the good and well-intentioned advice; that they should not fear to return at all, as no harm would be done to them by anyone, and that everything that might have been committed by them was forgotten and forgiven by his Right Honorable Commander. Departing from here, they had passed unhindered through the guard posts set out by the assembled communities of the Wellebaddepattoe, namely: 1st. At Dondure, 2 guard posts, the first with three and the second with 15 men. At Kappoegamme, 2 guard posts, the first with eight and the second with 12 men. At Belliwatte, a guard post 25 men strong, and at Koottegodde, one manned with 50 men. At Hoennadenie, a guard circa 100 men strong; at Dikwelle, a similar post of 4 men. That they, the declarants, were interrogated at the aforementioned guard posts as to where and from whom they came, whither they were sent, and to what end, whereupon they, the declarants, having given a proper account, pursued their journey unmolested and without having had any further encounters worth mentioning, arriving last Saturday, the 5th of this month, at the ferry Poeakgahatotte at Waarderoepe in the Magampattoe, where they found a certain Hellembe Wenwiegikrana together with four men, who, having understood the reason for their coming, ordered the sannas to be read out. That as soon as the second declarant had done this, the said Hellembewenwegiekiana drew his kastane and said to the declarants: "Do you not see the circumstances in which we find ourselves? And do you not know the matters that oppress us, and do you dare to venture, for the sake of the whites, to come threaten us with such a sannas?" And thereupon he wished to strike the declarants with the kastane, but just then the assembly of the Magampattoe appeared there with their lesser headmen, estimated at four hundred men strong, with the intention of joining with those of the Girewaijpattoe. That they, the declarants, saw the following lesser headmen at this assembly, namely: Arebokke Kankaan, Aberatten Alle, muhandiram of the washers, Oedde Malelle Kankaan, Andere Wewwe Gamea, and several other lesser headmen whom the declarants did not know by name. That the said lesser headmen, seeing that

Dutch transcription

1935 trokken waaren, hij desweegen in de onmogelijkheid zoude gebragt worden om den dienst van den afgezetten sabandaar, waar willende nemen, eenig volk tot 'sComp„s werk bij een te krijgen en dat zulks niemand in deze Critique omstandig„ heid van tijd en zaaken zoude durven onderstaan te dven Dat hij relatant zich toen weder bij wireman aratje heeft vervoegd alzo hij verstaan heeft gehad, dat die en passant weder was thuijs gekomen welke hem kort afgezonden heeft gehad, alleen zeggende dat hij maar konde vertrek „ken, alzoo in deeze zaak, niets te doen was en dat hij relatant zijn wedervaaren op Mature konde relateeren. Aldus Gerelateerd heden den 10 Iunij 1790 /:was getekent /: met een karakter /:lager voor de translatie /:getekent/ m: f: Palw Geauthrriseerde /: in margine:/ voor de mon„ „delinge vertaaling /was getekent:/ D: S: Senerat gezw: Secretarij Tolk /:onderstont/ Akkordeerd/ was getekent:/ m: F: Palm geauthoriseerde Accordeert Sijbrands Eklerk nagezien Pompeus 1936 N. 36 Don Dinees Aborewiekreme Kannesinge aratje onder den modhaar Tinnekoon inwooner van meddewatte Don andries Satoenge appoe inwooner van oejan watte Dewelke relateeren dat zij heden agt dagen, geleeden op de veel g'eerde ordre van den wel Edelen gebiedenden Heer Dessave met een samas om aan de gemeente van Magampattoe te publiceeren zijnde, naar den relatanten best onthouden van den volgenden inhoud geweest, Dat op de door haar lieden aan den wel Edelen gestr: Heeren kommissarissen gedaane verzoeken, door hun Ed: gestr: behoorlijke replektie zouden gemaakt worden, en dat de Heer Dessave van mature haarlieden verzoek zoude bevorderen, en hunne klagten als de zijnes maeken, en alles toebrengen en doen zouden, wat tot uut en voordeel van de ingezetenen van de magampattoe zoude konnen strokken en hun geluk zoeken te bevorderen, dat zij niets dien ook als goede ingezetenen en on„ derdaanen een ider naar hunne wooningen moesten keeren hun voorig werk aanvaeren vredig en rustig leeven hunne hoofden respekteeren en gehoorzaamen dog wanneer zij hier aan geen oor wilden leenen zij dan voor de gevolgen en rampen, daar uijt te ontstaan vreesen moeten, en dat zij derhalven den goeden en welmeenenden raad moesten volgen, Dat zij in het geheel miet moesten vreeten om weder te keeren, alzoo hun door niemand eenig beeld zoude gedaan worden en dat al het geen door haar lieden gepleegt mogte weezen bij zijn wel Edele gebiedende vergeeten en vergaeven was geworden van hier vertrekkende, de volgende, Relaas van de door den wel Edelen gebiedenden Heer Dessave van Mature M„r Christiaan van Angelbeek op den 2 deser maand met een Sannas, aan de gezamentlijke gemeente van de Magampattoe uijtge„ „zonden perzoonen namentlijk door door de tezamen gerotte gemeenten van de wellebaddepattoe, uijt„ gezette wagtposten onverhondert gepasseert waaren namelijk Ie De ondure 2 wagt posten de eerste met drie en de tweede met 15 koppen Te kappoegamme 2 wagtposten de eerste metagt en de tweede met 12 koppen Te Belliwatte een wagtpost sterk 25 koppen en te kootte godde een met 50 koppen bemand Te Hoennadenie een wagt Circa 100 koppen sterk te Dikwelle een D:o post van 4 koppen dat zij relatanten aan de voorm: wagtposten ondervraagd wieren geworden van waar en van wien zij quaamen waar na toegezonden en tot wat eijnde, waar op zij relatanten be„ hoorlijk bescheid gedaan hebbende hunne reize ongemoeid en zonder eenige verdere noemens waardige ontmoetingen gehad te hebben voor„ „leeden saturdag den 5 deser aan het veer Poeakgahatotte te waarderoepe in de magampattoe gekoomen zijn, daar zij eene Hellembe wen„ wiegikrana nevens vier koppen gevonden hebben, dewelke de reeden van hun komst verstaan hebbende gelast heeft gehadt ac sannas op teleesen dat zo dra de tweede relatant dit gedaan heeft gehadt gemelde Hellei„ bewenwegiekiana zijn katana uytgetrokken en tegens de relatanten gezegd had ziet gij lieden met de omstandigheeden, daar wij ons in be„ „vinden! en weet gij lieden met de zaaken die ons drukken en durft gij lieden u onderwinden, om ten gevalle der blanken ons met dergelijke sannas te koomen drijgen, en heeft daar op de relatanten met de katana wilden kappen dog dat even toen, de zamenrotting van de magampattoe met hinne mindere hoofden sterk na gissing vier hondert koppen aldaar verscheenen waeren met voorneemen om met die van de girewaijpattoe te konjungeeren, dat zij relatanten de volgende minder hoofden bij deze tezamen rotting gezien hebben, naemelijk arebokke kankaan, aberatten alle mohandiram van de wassers, oedde malelle kankaan, andere wewwe gamea en meer andere der mindere hoofden welke zij relatanten bij naemen niet kenden. Dat gemelde mindere hoofden welke zij relatanten bij namen niet kenden. Dat gemelde mindere hoofden ziende, dat .

NL-HaNA_1.04.02_3884_0335 view scan ↗

English

1937 that the aforementioned Hellembewenwegiekiana, having called out with drawn katana to attack the informants, told him to wait, and approaching and inquiring about the reason for all such conduct, that the aforementioned Wellembe wenwegikiana thereupon answered them that they, the informants, had come there so boldly and insolently with a sannas on the order of the Dessave of Mature to threaten their people. That the aforementioned lesser headmen thereupon ordered the informants to read out the sannas, and this having been done again by the second informant, they replied that they highly respected the sannas of the honorable commanding Lord Great Dessave of Mature, would comply with all the orders of his honorable lordship, and that all faithful and good residents and subjects of the Honorable Company would return peacefully and quietly to their services and duties as soon as their requests were granted, which principally consisted of the removal of the postholder of Tangale, Brinkman, appointed there as resident, and the abolition of the recently introduced novelties to the detriment of the residents of the Magampattoo, as well as the abolition of the newly concluded leases of the fields situated there; and that as soon as this was granted to them with certainty, they would immediately separate themselves from the rest of the gathered gatherings of the Korles and Pattoes, and carry the honorable commanding Lord Dessave upon their heads. The informants further add that they learned the following from the aforementioned lesser headmen of the Maganpattoe, namely that the residents of the Magampattoe, despite the oppressive circumstances, would never have resorted to an assembly if Magamma Aratje, Sullettoepanne Aratje, and Maddeman Aratje had not incited them to it, even to combine with those of the Gerrewaijs, and that when they were brought so far as to participate with the rest of the assembly, these three aratjes departed for Katteregamme, 13 examined departed and stayed there among those people until the gatherings had become firm and fully formed, so that there was no turning back. That these three aratjes then returned from Katteregam, feigned total innocence and ignorance of the matter, and thus addressed themselves to the resident C. Brinkman, requesting gunpowder and lead to pursue those people and shoot the unwilling, and that the aforementioned Pallettoepane Aratje, Magamma Aratje, and Maddeman Aratje, through this roguish manner which is full of betrayals, gained the favor and good opinion of the resident, in order that the gathered gatherings of Magam Pattoe, wherefore the informants most respectfully request their good Dessave of Mature, who is also being misled, that the aforementioned three aratjes may be arrested and examined, whereupon their further secret snares and deceits will come to light. Thus reported on 10 June 1790. Was signed with two illegible signatures. Below stood: for the translation, signed: M. F. Palm, authorized. In the margin: for the translation, signed: D. S. Senerat, sworn secretary interpreter. Below stood: Agreed, signed: M. F. Palm, authorized. Report Poupeus No. 37 1938 Report of Sammerewikkreme Wijeraene, Aratje over the Jagereros, resident of Mende-oejangodde in the Pangebadde Pattoe. Who reports that a servant of his named Babea came to him here this afternoon from the aforementioned informant's residence, recounting that yesterday morning the mayoral of Medde-ogangodde named Maneaetjele went to the assembly of the Girrewaipattoe, and addressed himself there to the headmen, namely Dammoelle Dissanaike Bitmeraal, Wannige Segere Bitmeraal, Don Simon, former aratje of Wepette-irre, and complained that the goods etc. of the informant had been stolen or plundered by Bandewocke Araetje, Naerandenie named aratje of the Sagereros and his son, the schoolmaster of Kotawatte, Koreboeroe Anie Appochamij, Jodekandije Araetje, Pedigodde Poentje Araetje, the vidaan aratje of Apperackawallekadde appointed by the assemblies, Wallarembe, former Golloearaetjo, the vidaan of the cooly-supplying villages, the vidaan aratje of Bilpagam, Maeddoegodde Appoe, and by Wehellebismeraal; that the aforementioned Dammoelle Dissandike and Wannigeseegere Bitmeraals and Don Simon, former aratje of Weepette-iare, having heard this, immediately had four olas written and had them delivered to the persons named below, namely to Medoejangodde Lokoemahatmea, to the schoolmaster of Mature named Kootsewatte Pallihagoeroege Goeroenwanse, to the Baijgam Aratje, and to Siem Belladoewe Aratje, as well as sending a similar ola to Kaddoekannie Attoekoorl Aratje and his brother, containing orders that they must exert all effort and diligence to apprehend the aforementioned thieves who had robbed the informant and transport them bound to the Girwaij Pattoe; that the aforementioned bitmeraals had also written an ola to Kirinde Attoekoorle Aratje and Hallembe Koditoeak Aratje of the aforementioned content, and that if those who received these orders did not apprehend the thieves and bring them to them, they would then come together to the village of Kaddoewe and ensure that they captured the thieves. Thus reported on 11 June 1790. Was signed with a mark. Lower: for the translation, signed: M. F. Palm, authorized. In the margin: for the oral translation, was signed: D. S. Senerat, sworn secretary interpreter. Below stood: Agreed, was signed: M. F. Palm, authorized. Agreed. Sijbrands Greert examined Pompars.

Dutch transcription

1937 dat de vermelde Hellembewenwegiekiana met de uijtgetrokken katana de relatanten wilde te keer gaan toegeroepen hebben, dat hij zoude wagten, en daar bij komende na de reeden van al zulken ge„ „doente vernomen hebbende Dat de meer gem: Wellembe wenwegiki„ ana daar op hun geantwoord heeft Dat zij relatanten zo stout en ver„ meeten aldaar met een sannas, op order van den Dessave van mature gekomen waaren om haar lieden te drijgen. Dat gemelde mindere hoofden daar op aan haar relatanten gelast hadden om de samnas op lezen, dat dit door de tweede relatant weder gedaan zijnde, zij lieden daar op ten antwoord gediend hebben dat zij de samas van den wel Edelen gebieden Heer Groot Dessave van mature hoglijk respekteeren en aan alle de ordres van zijn wel Edele gebiedende voldoen en alle getrou„ „we en goede ingezetenen en onderdanen van de Edele Kompagnie vreedig en stil tot haare diensten en pligten zouden wederkeeren, zo dra aan hunne verzoeken zal voldaan zijn, bestaande hoofd zakelijk hier in„ van het wegnemen van den aldaar tot resident aangestelden post„ „houder van Tangale /: Brinkman:/ en affchaffing der zedert kort gemaakte nieuwigheeden tot bezwaar der ingezetenen van de ma„ gampattoo, als meede de afschaffingen der nieuwd afgemaakte verpagtingen der aldaar gelegene velden, en dat ze dra dit met zekerheid haar lieden zal ingewilligd zijn zij haar lieden aan„ stonds van de overige der tezaemen gerotte gemeenten van de korles en Pattoes zouden separeeren, en den wel Edele gebiedenen Heer Dessave op hunne hoofden draegen. De Retatanten voegen hier nog bij dat zij van de voorsch: mindere hoofden van de maganpattoe het volgende vernomen hebben, naemelijk dat zij de ingezetenen van de magampattoe niet tegenstaande de drukkende omstandigheeden, nogtans nimmer tot een Tamenrotting zoude gekomen zijn indien magamma aratje Sullettoepanne aratje en Maddeman aratje haar daar toe niet vervoerd hadden, zelfs om met die van de gerrewaijs te kombineeren en dat toen zij zo verre gebragt waeren van te participeeren met overige der zamenrottinge deeze drie aratjes haar naar katteregamme begeeven 13 nagezien begeeven en aldaar haar lieden opgehouden hebben tot dat de zaemen rottingen eens en rijf waeren, geworden zo dat er geen weder keringen was. Dat deeze drie aratjes toen van katteregam zijn terug ge„ komen, haar gantsch onnozel en onkundig van de zaak hebben gehouden en zodanig haar bij den resident C: Brinkman :/ gead„ dresseert versoekende kruijt en lood, om haar lieden te vervolgen en de onwillige door te schieten, en dat meer gem: Pallettoepane aratje magamma aratje en maddeman aratje langs deesen schelmsen weg die nog vol verraderijen is haar de gunst en goede gedagten van de resident gewonnen heeft om dezaemen gerotten gemeenten van ma„ „gam pattoe daar door de relatanten „ Hun braeven Dessave van „mature, die ook musleid word eerbiedigst verzoeken, dat de gem: „drie aratjes mogten gearresteerd ende GeExamineerd worden, „wanneer hunne verdere heinelijke laagen en bedriegerijen aan „den dag zullen koomen. Aldus Gerelateerd den 10 Iunij 1790. /:was getekent:/ met twe onleesbaere handtekeningen /:onderstond:/ voor de translatie/ getekent /: m: f: Palm geauthoris: /: in margine:/ voor de ver„ taeling /:getekent:/ D: S: Senerat gezw: Sek: Tolk /:onderstont Akkordeerd / getekent M: F: Palm geauthoris: Relaas Poupeus No. 37 1938 Dewelke relateerd dat een dienaar van hem Babea genaemd, heeden mid„ dag van boven gem: zijn relatants wooning alhier bij hem gekoomen is, verhaelende dat gisteren morgen de majorael van medde-ogangodde gen„t Maneaetjele naar de tzaem enrottinge van de Girrewaipattoe gegaan is, en zig aldaar bij de hoofden in naeme Dammoelle Dissanaike Bitmeraal, wannige segere Bitmeraal, Don Simon geweesen aratje van wepette-irre geaddresseert en geklaagd heeft, dat de goederen etc:a van den relatant door Bandewocke araetje, Naerandenie gen: aratje der Sagereros en desselfs zoon, de schoolmeester van kotawatte, koreboeroe anie appochamij Iodekandije araetje, Pedigod de poentje araetje de door de Vzaemenrottingen aangestelden vid aan araetje van apperackawallekadde, wallarembe geweezen Golloearaetjo de vidaan der koolgeevende dorper, de vidaan araetje van Bilpagam, Maeddoegodde appoe en door wehellebisme„ „raal gestoolen ofte geroofd zijn geworden dat voornoemde Dam„ moelle Dissandike en wannigeseegere bitmeraals en Don Simon geweesen araetje van weepette-iare, zulks verstaan hebbende ten eersten vier olassen geschreeven hebben gehad en dezelve aan de onder„ te noemene perzoonen hebben doen ter hand stellen naemelijk aan medoejan godde lokoemahatmea, aan den schoolmeester van Mature gen„t kootsewatte pallihagoeroege Goeroenwanse, aan de Baijgam araetje en aan Siem belladoewe aratje als meede een dergelijke ola gezonden aan kaddoekannie attoekoorl araetje en zijn broeder houdende last dat zij alle moeite en vlijt moesten Relaas van Sammerewik kreme wijeraene araetje over de Iagereros inwooner van Mende-oejangodde in de Pangebadde pattoe aanwenden a„ ot P aanwenden om de bovengem: dieven, die den relatant bestoolen hebben gehad, op tevatten en gevleugeld in de Girwaij pattoe te transporteeren, dat de bovengemelde bitmeraals nog een ola ge„ schreeven hebben gehad aan kirinde attoekoorle araetje en Hal„ „lembe koditoeak araetje, van bovengemelden inhoud en wanneer zij die deeze ordres ontvongen, de dieven niet opvatteden en bij hun zouden dat zij als dan gezamentlijke zouden koomen in 't dorf kaddoewe en maeken dat zij de dieven kreegen. Aldus Gerelateerd den 11 Iunij 1790 /:was getekent:/ met een karakter /:lager:/ voor de Translatie /:getekent:/ M: F Palm geauth: /:in margine:/ voor de mondelinge vertaeling (:was getekent:) D: S: Senerat gesw: Set: tolk. / onderstont/ Akkordeerd /:was getekent:/ M: F: Palm. geauthoris: Accordeert. Sijbrands Greert nagezien Pompars.

NL-HaNA_1.04.02_3884_0341 view scan ↗

English

1939 That the crops of the fields situated in the Girrewaij, which were sown in the month of January, have ripened, and have been surveyed by appointed appoes, as well as other ripened, mown, and heaped nelij, if they are not leased in time, will cause great harm and prejudice to the Honourable Company and great loss to its labor, I already predict from experience. I have given notice of this, but received no answer to it. I repeat this by the present ola addressed to Your Honour, and inform Your Honour that the gathering from the korles and pattoes, as well as the lesser headmen with the communities of the Girrewaij pattoe, last Friday stationed on guard at Tangale near the village of Polonmaroewe on the main road an aratje, two kangaans, and a multitude of the lascorijns; while a large number of the mutineers also positioned themselves not far from the fort at Tangale, and along the entire seashore and surrounding villages, preventing all supplies, so that the military stationed there in command, as well as I myself, are deprived of all necessities and requirements, while the mutineers prevent any provisions from being brought to us. This gathered mob has had all the ropes cut down along which the toddy-tappers climb the trees to tap sura, and has forbidden under severe punishment that the least sura or liquor be sold, with strict orders that whoever should violate this will be seized immediately, bound with both hands behind the back, and dragged to where the general large assembled crowd is located. After they had established such order, most of them departed again, so that Your Honour sees that the soldiers, although having money in their hands, can obtain nothing edible for it, and everything that I contrive to assist the soldiers is foiled by those of the gathering. Translation of a Sinhalese letter ola written to the modliar Ilangakoon by the modliaar Tinnekoon, dated 13 June 1790. They have appointed the dismissed mohandiram of the Maganpattoe, Dissanaike appoehamie, as second modliaar and head of the Girrewaijpattoe, and Pallattere Abajediere Goenetilleke aratje as vidaan of the resthouse of Kagawatte with the title of Mohandiram, and in such manner they have also honored other lesser headmen; so that I can presently get virtually nothing done in my pattoe, as everyone distances themselves from me and embraces the party of the gathering, so that I, who in obedience to the orders given to me have proceeded hither, am presently at Tangale, and that in a miserable condition. I pray that Your Honour may be pleased to inform the Right Honourable Commanding Lord Dessave concerning these matters, and see whether Your Honour cannot obtain permission for me to come to Mature again. Was signed: Wiejewardene Naweratne Tinnekoon. Below stood: For the translation, signed: M: F: Palm, authorized. In the margin: For the translation, signed: D: Theodorus, sworn interpreter. The three letters handed to me by the Postholder of Tangale in order to have them delivered to Batticaloa and Trincomalee, I had brought by two persons—since there were lascorijn posts neither at Ranna nor at Amblangodde—to the resthouse of Oedoomallelle, where the people told the carriers that since the inhabitants of Magam, Paneme, and Batticaloa were all in mutiny and the roads were thereby rendered completely unsafe, they did not dare Translation of the second letter, ola or postscript 1940 dare to undertake delivering them, for which reason these persons brought the aforesaid letters back to me. I had these three letters brought again to the Postholder, who refused to receive them, but ordered that they be brought to the Right Honourable Commanding Lord Dessave; thus I have sent this person with the letters to Mature to the Right Honourable Commanding Lord Dessave. Below stood: For the translation, signed: M: F: Palm, authorized. In the margin: For the translation, signed: D: Theodorus, sworn interpreter. Below stood: Agrees. Was signed: M: F: Palm, authorized. Agrees, Eibrands, First Clerk Checked, Pompeus

Dutch transcription

1939 Dat het gewasch der in de Gerewaij geleegen velden; welk in de maand van Ianuarij bezaaijd, rijp geworden, en door gekommitteerde appoes opgenomen zijn, gelijk ook meer andere rijp geworden gemaaijd en ophoopte nelij, indien ze niet in tijas verpagt worden, groote schaade en nadeel aan de Edele Compagnie en groot verlies aan dies arbeijden zullen toebrengen, voor spelle ik bereeds bij ondervinding ik hebbe hier van kennis doen geven, dog daar op geen antwoord gekreegen, ik herhaele zulx bij deesen aan uwel Ed: ingerichte ola, en doe uwel Ed: weeten, dat de tezamenrotting uijt de korles en pattoes, ook de mindere hoofden met de gemeenten van de Girrewaij pattoe, voorleeden vrijdag te Tangale bij het Dorp Polonmaroewe aan den grooten weg een aratje, twee kangaans en een meenigte van de laskorijns op wagt gesteld, hebben: terwijl een groot getal der muntelingen, haar ook niet verre van het „fort te Pangale, en langs de gantsche Zeestrand en om leggende Dorpen geposteerd hebben beletterde alle toevoer, zo dat de aldaar in kommando leg„ gende militaijren, zoo wel als ik van alle noodwendigheeden en behoeftens verstooken ben, terwijl de muntelingen beletten dat er eenige leevens mid„ delen naar ons gebragt werden deese te zamen gerotten hoop hebben de touwen, langs welke de tijffenaars de boomen bekauteren om soera te tusseren, alle doen afsnijden, en op hooge straf verbooden dat 'er geen de minste soera of drank verkogt werde, met scherppe last dat zoo wie zig, aan deeze onder mogte vergrijpen ten eersten zal opgepakt„ met de beijde handen op den rug gebonden en daar de algemeene groote vergaderde meenigte haar bevinden voortgesleept worden, na dat zij zulken ordre gesteld hebben gehad zijn de meest alle weer vertrokken zo dat uwel Ed: ziet dat de militairen of schoon met geld in hun handen niets eetbaars daar voor bekoomen kunnen, en alles wat ik praktiseere om de zoldaaten te gemoet te komen, word door die van de tezamenrotting verijdeld. Translaat Cingaleesch brief ola aan den modlidar Hangakoon geschreeven door den modhiaar Tinnekoon dato den 13„de Iunij 1790. zij zij hebben den afgezetten mohandiram van de Maganpattoe Dissanaike appoehannie tot tweede modliaar en hoofd van de Girrew aijpattoe aangesteld Pallattere Abajediere Goene„ „tilleke aratje tot vidaan van het rusthuijs van kagawatte met den titul van Mohandiram en op zulken wij ze hebben zij ook meer andere mindere hoofden geere-eert; dus dat ik genoegzaam tans niets in mijn pattoe kan gedaan krijge, alzoo een ider haar mij verwijderd en de partij der tzamenrotting omheest zo dat ik mij die in gehoorzaminge van de aan mij gegeven orders her„ waeds begeven hebbe, thans op Tangale bevinde, en dat nog in een dierlijke omstandigheid. Ik bidde dat uwel Ed: nopens dit een en ander den wel Edelen gebieden den heer Dessave gelieft kennis te geven. en Liet of uwel Ed: geen verlof kunt krijgen dat ik weer op Ma„ „ture mag koomen /:was getekent:/ wiejewardene naweratne Tinnekoon :/ onderstond:/ voor de Translatie / getekent:/ M: F: Palm geauth: /: in margine:/ voor de vertaeling /:getekent:/ D: Theodorus gesw: Toek De door den Posthouder van Tangale aan mij ter hand gestelde drie brieven om dezelve te doen bezorgen waar Battie kaloa en Trin„ Konomale, hebbe ik door twee perzoonen, alzoo te kanne nog te Amblanhotte laskorijn posten waeren, doen brengen naar het rusthuis van oedoemallelle, daar de lieden tegens de brengers gezegt hebben gehad dat vermits de ingezetenen van Magam, paneme en Battiekaloa, alle aan het muijten waeren en de weegen daar dvor gants onvijlig gemaakt wierden, zij deeze brieven niet Translaat tweede brief, ola ofte post schriften durfden 1940 durfden aannemen te bezorgen, weswegen deese perzoonen mij de voor„ zeide brieven te rug gebragt hebbe; Ik hebbe deeze drie brieven weder doen brengen bij den Posthouder die dezelve niet heeft willen ontvangen, maar gelast heeft om dezelve bij den wel Edelen Gebiedenden Heer Dessave te brengen, dus hebbe ik deese met de brieven naar Mature gezonden aan den wel Edelen Gebieden den Heer Dessave /:onderstond:/ voor de Translatie /:geteekend:/ M: F: Palmgeau„ thoris: /:in margine:/ voor de vertaling /:getekent:/ D: Theodorus gezin. Tolk onderstont / Akkordeert/was getekent:/ M: F: Palm Goauthonis: Accordeert Eibrands Egklerk nagezien Pompeus:

NL-HaNA_1.04.02_3884_0345 view scan ↗

English

No. 40 1941 Report of the appoos, namely Histie aratago Aberam Appoehamie of Colombo and Don andries Iasinge appoe of Mature, sent on the 12th of this month with a mandate ola by the honorable rigorous commissioners Diederich Thomas Fretz and Abraham Samlant to the assembled community of the Girrewaijpattoe, who relate: That pursuant to received highly respected orders from the aforementioned honorable rigorous gentlemen commissioners, they departed last Saturday on their journey to the Girrenaijppattoe. That on their way they, the relators, were stopped at the following guard posts and questioned as to where they were going, namely: At Kappoegamme in the Wellebaddepattoe, two guard posts set out by the assembly, the first manned by 4 and the second by 8 heads; At Billiwatte, a ditto 15 heads strong; At Koottegodde, ditto 18; At Hoenadenie, ditto 50; At Diekwelle, a gathering estimated at 400 heads, all armed, some with lances, others with flintlocks, and partly with cleavers. That having made the relators read out the mandate ola, they then said that they could just proceed, as the said mandate ola did not concern them. That departing from Dikwelle, in the Girrewaij pattoe in the village of Gallegamme, they found a deployed post four lascorins strong, who detained the relators and made them wait there. That meanwhile one of the aforementioned lascorins went away and returned shortly thereafter with two bitmeraals, one of which bitmenaa is called the Gallegamme bitmeraal. That the just-mentioned bitmeraal took the mandate ola and read it out, and subsequently told the relators that they had to go to Wallasmoelle, at which rest house the relators would find the assembled chiefs together. That upon arriving at Wallasmoelle, the relators met almost no one except a common person, who informed them that the assembled mutineers, having divided themselves, had partly departed for the Magampattoe, and partly for Kattoene Oedoebokke. That the relators then proceeded to Kahawatte, where they met two lascorins, who recounted the very same thing to the relators as they had heard at Wallasmoelle. And accordingly, they proceeded to the village of Pollonmaroewe, where they found a guard post of six heads, who made them read out the mandate ola and then also asked where they intended to go with it. To this the relators answered that since the assembled community of the Girrenaij pattoe had departed for the Magam pattoe and Kattoene Oedoebokke, they wished to deliver this mandate ola, which was otherwise addressed to the said assemblies, to the modliaar Tinnekoon, whereupon they allowed the relators to pass unmolested. That the relators, arriving at Pangale at the modliaar Tinnekoon's, handed the said mandate ola over to him, who, having read the same, said to the relators that the mandate ola contained a most praiseworthy order, and that the same was aimed at the true welfare of the inhabitants of his pattoe, that he, the modliaar, highly respected this mandate ola, carried it on his head, and that while the assembled community was now at the Magampattoe and Kattoena Oedoebokke, he, the modliaar, would keep this mandate ola until the people returned again; that upon their arrival, he would hand this mandate ola over to them, and subsequently, concerning his experiences and whatever he might learn regarding it, promptly provide an answer here. Thus related today, the 14th of June Anno 1790. Was signed: 1942 signed with two illegible signatures; lower down for the translation, signed M. F. Palm, authorized; in the margin for the oral translation, signed D. S. Senerat, sworn secretary interpreter; underneath stood: Agrees, was signed M. F. Palm, authorized. Agrees, Sybrands First Clerk Examined, Pompai 1943 Report of the modliaar of the Gangebaddepattoe, David de Saram, who relates: That yesterday morning there came to him a certain Thomissa appoe, inhabitant of Tahaperie situated in the Girrewai pattoe, making known that the eldest Don Simon Araatje was on the verge of departing for Colombo, and that to this end, an ola had been sent to the rest house of Kahawatte to demand two naindes for his escort, who were to provide themselves with necessaries for 15 days. The said Thomissa appoe had also covertly made known to him, the modliaar, that he maintained that the said Don Simon Arraatje departed for Colombo solely and exclusively to join the malcontents or assembled community in those parts. Thus related today, the 15th of June 1790. Was signed: D. De Saram; lower down for the translation, signed: M. F. Palm, authorized; underneath stood: Agrees, was signed: M. F. Palm, authorized. Agrees, Lybrands First Clerk Examined, Sompers

Dutch transcription

N„o„ 40 1941 Histie aratago Aberam Appoehamie van Kolom„ bo en Don andries Iasinge appoe van Mature dewelke Rela„ teeren. Dat zij ingevolge bekoomen Hoog gerespecteerde ordre van bovenge„ melde wel Edele gestrenge Heeren kommissarissen, haar voorleeden zaturdag op reis naar de Girren aijppattoe begeeven hebben, Dat zij Relatanten onderweegen aan de volgende wagtposten aange„ „houden en ondervraagd zijn geworden, waar zij naar toegongen, p als Namentlijk. Te kappoegamme in de welle baddepattoe 2 door de t' samenrotting uitgesette wagt posten de eerste met 4 en tweede met 8 koppen beset Te Billiwatte Een d=o van 15 koppen sterk Te kootte godde „. d=o „ 18. „ Te Hoenadenie „ d=o - „ 50 „ Te Diekwelle eene verzameling van naar gissing 400 koppen alle gewapende zommige met lancen andere met snaphaans en gedeel„ „telijk met houwers. Dat zij door de relatanten de mandaat ola hebbende doen opleezen, vervolgens gezegt hebben, dat sij maar voor t konden gaan, alzoo gedagte mandaat ola haar niet betrof. Dat zij van Dikwelle vertrekkende, in de Girrewaij pattoe in 't dorp Gal„ „legamme, een uijtgezette post sterk vier laskorijns gevonden hebben, die de relatanten aangehouden en aldaar hebben doen wagten: Dat in„ middels een der voor zeide laskorijns weggegaan was, en kort daar„ na met twee Bitmeraals weer gekeerd was, waar van de eene Bitmenaa Gallegamme bitmeraal genoemd word. Dat Even gem: Bitmeraal de Mandaat ola genomen en opgelezen heeft gehad, vervolgens teegens de Relatanten gezegt heeft, dat zij naar wallas„ Relaas van de door de wel Edele gestrenge Heeren kommissarissen Die der sch Thomas Fretz en Abraham Samlant op den 12 dezer maand, met een mandaat Ola, naar de tezamen gerotte gemeente van de girrewaij„ pattoe gezonden apppoes Namentlijk moelle „moelle moesten gaan aan welke rusthuijs de Relatanten, de Zamengerotte Hoof bij malkanderen zouden vinden; Dat zij Relatanten te wallasmoellen komende bij kans niemand dan een gemeen perzoon ontmoet hadden, welke hun onderrigt heeft gehad, Dat de vergaderde Muitelingen haar verdeels heb„ „bende, een gedeelte daar van naar de Magampattoe, en een gedeelte naar kattoene oedoebokke vertrokken waeren. Dat zij relatanten haar toen naar kahawatte begeeven hadden, daar zy twee laskorijnt ontmoet hebben gehad, die de relatanten dat zelfde verhaalden welke zij te wallasmoelle gehoord hadden. En dien volgens haar begeeven hebben „gehad naar het Dorp Pollonmaroewe daar zij een wagt post van ses koppen gevonden hebben. die hun de Mandaat ola hebben doen opleezen vervolgens ook gevraagd, waar zij daar meede na toe wilden, Dat zij relatanten hier op geandwoord hebben, dat vermits de zaamen gerotte gemeente van de Girrenaij pattoe naar de Magam pattoe en kattoene oedoebokke vertrokken waeren, zij deeze Mandaat ola, die anders aan gem: saamenrottingen gerigt was aan den modliaar Tinnekoon wilden ter hand stellen, waar op zij de Relatanten ongemoeid hebben laaten passeeren. Dat zij relatanten te Pangale bij den modliaar Tinnekoon koomende gem: Mandaat ola hem hebben overgegeven, die dezelve geleezen heb„ „bende, teegens de Relatanten gezegt heeft, Dat de Mandaat ola„ een aller prijselijkste ordre in zich bevat, en dat dezelve gerigt was, tot 't waare wel zijn der ingezeetene van zijn pattoe dat hij modliaar, deeze Mandaat ola Hooglijk respecteerde/ op zijn hooft droeg:/ en dat terwijl de t. saam en gerotte gemeente thans naar de Magampattoe en kattoena oedoebokke waaren hij Modliaar, deeze Mandaat ola zoude bewaaren, tot dat het volk weeder terug keerde„ dat hij bij hunne aankomst, deeze Mandaat ola haar zoude over„ geeven: en vervolgens van zijn weedervaeren en het geen hij daar op mogte verneemen ten eersten van andwoord hier dienen onderstont Aldus Gerelateerd Heeden den 14 Junij Ao 1790 / was geetekent 1942 /:getekent:/ met twee onleesbaare handteekeningen, laager voor de Translatie /:geteekent/: M: F: Palm geauthoriseerde, in margine voor de mondelinge vertauling /:getekent:/ D: S: Senerat gez: Sekr: Tolk /:onderstont Akkordeerd/ was getekent M: T Palm geauthoris: Accordeert Sybrands Egklerk nagezien Pompai 1943 Relaas van de Modliaar van de Gangebaddepattoe David de Saram, dewelke Relateerd, dat gisteren morgen bij hem gekoomen is, eene ƒ Thomissa afpoe inwooner van Tahaperie in de girrewai pattoe geleegen, te kennen geevende, dat de oudste Don Simon Draetje naar kolombo stond te vertrekken, en dat tot dien Eijnde, een ola naar 't Rusthuijs van G kahawatte gezonden was geworden, om twee Naindes tot dies konvoij te eisschen, welke haar voor 15. daegen # van het noodige moeste bezorgen; de gem: Thomissa appoe had ook aan hem modliaer bedektelijk te kennen gegeeven, dat hij sustineerde, dat gem: Don Simon arraatje, enkeld en alleen naar kolombo vertrok, om zig bij de malkontanten of te zaamen gerotte gemeente daar omstreeks te vervoegen. Aldus gerelateerd heeden den 15:e Junij 1790. /: was geteekend:/ D: De Saram /:lager/ voor de trans„ „latie /:geteekend:/ M: F: Palm geauthoriseerde Accordeert /:was geteekend:/ M: /onderstond:/ F: Palm geauthoriseerde. Accordeert. Lybrands Egreert nagezien sompers

NL-HaNA_1.04.02_3884_0353 view scan ↗

English

1944 Report of the Maha Vidane Mohandiram over the smiths of Kottal and Dewale Badde, presently standing under two vidanes, Polloettoegodde Wadoege Don Dinees Dewesoerendere Abenarajene. Who reports that, in fulfillment of the commitment made for this his service on 14 July in the year 1787, to plant, within the span of three years with the help of his subordinates, for the benefit of the Honorable Company, 150,000 cinnamon, areca trees, and pepper vines; he had established the said plantation in the village of Mienhamare, situated in the Gangebaddepattoe, measuring ninety amunams, upon which land he, the reporter, says he has already planted 200,000 areca trees, in addition to a quantity of 100,000 areca nuts which stood in the nursery beds for further planting. That he had entrusted the caretaking of these saplings to one Oedoewokke Waddoege Bale together with his family; that he had left in safekeeping at the dwelling belonging to this plantation some garden and other tools of the Honorable Company, two flintlocks, ten amunams of coffee beans and tools of the Right Honorable Worshipful Lord Dissava of Mature, as well as some other goods belonging to him, the reporter himself, all of which he, the reporter, was presently not able to enumerate; the reporter calculates all the aforementioned goods of the Honorable Company, of the Right Honorable Worshipful Lord Dissava, as well as of himself, to be worth five hundred rixdollars. The reporter relates that about a month ago one of the caretakers of the said plantation had come to tell him, the reporter, that the gathering of the Gangebaddepattoe and a certain Jamboeregodde Kankanam, upon their return from the Morawak Korale, had come to the village of Mienhamare aforesaid, where he, the reporter, had laid out his plantation, and that the said Jamboeroegodde Kankanam had himself cut down the fencing of the frequently mentioned plantation in three places: and had beaten two persons named Beddiekande Nainde and Mirisse Badage Naijnde, who also held the caretaking over the so often mentioned plantations, 1945 and had driven them away with their families. That the first-mentioned overseer, Oedoewokke Baddege Bale, had properly refenced these openings again. However, he, the reporter, now by estimation eight days ago, to his grievous regret, had understood from the just-mentioned Jasinge Appu, inhabitant of Dankolloewe, that Siriebaddene Aratchi and his brother the kankanam, together with Zehelwelle Gammeaetjele and Boelatkande Appu, had come there; had partially cut down the fencing, partially pulled it down, ruined the entire plantation, torn the saplings out of the ground, and plundered all the aforesaid goods that they found there in the house; subsequently, the ruffians beat the said overseer, Oedoewokke Baddoege Balle, and chased him and his wife and children away from the plantation. Thus reported, this day, 15 June 1790. Was signed: D: D: Wijesorender. Below stood: Checked For the translation, signed: M: F: Palm, Authorized. In the margin: For the oral interpretation, was signed: D: S: Senerat, Sworn Interpreter. Below stood: Agrees. Was signed: M: F: Palm, Authorized. Agrees. Sijbrands, First Clerk. Examined, Samlant. No. 43. 1946 To the Right Honorable Ruling Gentlemen, Diderig Thomas Fretz, Senior Merchant and Dissava of the Colombo Ommelanden, and Abraham Samlant, Merchant and Trade Bookkeeper. Right Honorable Ruling Gentlemen! In order to comply with the highly honored command of your Right Honorable Ruling Gentlemen, I, the humble undersigned, proceeded to the Weligam Korale, to the village of Malpelle, where the mutinous crowd had gathered together, and there came to me some lesser headmen named Roepesin Aratchi, Wiereman Aratchi, the Vidane Aratchi of Oedoekawe, the Atukorala of Elgiriye, and some commoners alongside a certain Maedoegodde Appu, who are called Mohandiram by the assemblies as their headmen and are much respected. To them it was presented by me that I had the order of the Gentlemen Commissioners to speak and inquire in the presence of the joint assemblies: why they have not yet calmed down to this point, nor sent an answer to the mandate ola, nor requested what they further desire to have. Hereupon these headmen served me with the answer that it is not good to go among the assembly, but what they have to say they will send in writing within the span of eight days. I have heard talk among that people that by the Right Honorable Lord Dissava of Mature no vexation was done to them and that such was done by their headmen; however, that they are apprehensive that the well-mentioned gentleman will pursue them further. And Maadoegodde Appu said that when the Right Honorable Ruling Lord Dissava Fretz was invested with the office of Dissava of Mature, he introduced the orders to make cinnamon and other plantations, and thereafter, upon the departure of his most honorable self to Colombo, had caused a wicked person to be placed over us as headman, and instructed him in what must be done. Besides this, upon my return 1947 here, I heard the brother of the Hallale Atukorala say that the Right Honorable Worshipful Lord Commander at Galle has litigated for so long in favor of the Matara inhabitants, and having won the case, has now arrived here to grant them all their requests. Further, I have the honor to call myself, with the deepest respect, Below stood: Right Honorable Ruling Gentlemen, Your Right Honors' most humble servant, Was signed: D: D: Perera. In the margin: Mature, 17 June 1790. Below stood: Agrees. Was signed: M: F: Palm, Authorized. Agrees. Sijbrands, First Clerk. Examined, Samlant.

Dutch transcription

1944 Relaes van den Mahavidaen Mohandiram over de thans onder twee vidaens staende smeeden van kottal en Dewale badde Polloettoe„ „godde wadoege Don Dinees Dewesoerendere Abenarajene Dewelke relateerd, dat hij in voldoeninge van de op deezen zijnen dienst in den Jaare 1787: 14. Julij gemaekte verbintenisse, van om in den tijd van Drie Jaaren met behulp van zijne ondergeschikten, ten behoeven van de Edele komp:s aanteplanten 150'000, kanneel arreek boomen en Peeper aanken; gem: plantagie heeft aange„ „leyd gehad in het dorp Mienhamare in de Gange„ „baddepattoe geleegen groot Neegentig amm: op wel„ „ke grond hij relalant zigt, reeds 200'000 arreeks boo„ „men te hebben aangeplant, behalven nog een aantal van 100'000 arreeks nooten die ter verder aanplan„ „ting in de beddingen stonden. Dat hij de oppassing over deeze Plantzoenen toevertrouwd heeft gehad, aaen eene oedoewokke waddoege bale neevens desselfs familie dat hij aan de woning tot deeze plantgigie be„ „hoorende, in bewaring gelaeten, heeft gehad, eenige luijs tuijn en andere geredschaffen de Edele komp:e ;: tweest snaphaans, thien amm: koffij boonen en gereedschap„ „pen den wel Edelen Geb: heer Dessave van Mature als meede eenige andere goederen, hem relatant zelve toe„ „behoorende welke alle optenoemen hij relatant tans niet in staat was te doen; de relatant calculeerd, al de voorm: goederen van de Ed: Comp:e van den Edele Geb: Heer Dessave, als meede dat van hem, waer„ „dig te zijn vijf hondert rd:s De relatant recateerd, dat nu omtrend een maend geleeden een van de ged: plantagie oppassers hem relatant was koomen vertellen; dat de zaamenrotting van de Gange„ „baddepattoe en eene Jamboeregodde kankaen bij kun„ „ne terug komst van de Mouruacorle in 't dorp Min„ „hamare voorm:, dat hij retatant zijn, plantagie aan„ „gelegd heeft gehad, gekoomen waeren, en dat ged: Jam„ 2 „boeroegodde kangaen, de bepaggering, wan de meerge„ G „melde plantagie, aan drie plaetzen zelfs afgekapt heeft gehad: En twee perzoonen in naemen: Beddie„ „kande nainde in mirisse Badage Naijnde, die de oppassing meede over de zoo dikwerf ged: plantaijies hadden 1945 hadden geslaagen en met hunne familien weggejaaigd heeft gehad. Dat de Eerstgem opzigter oedoewokke baddde„ „ge bale, deeze openingen weeder behoorlijk ompaggerd heeft gehad. Dog dat hij relatant nu naar gissing agt daegen geleeden„ . tot zijn smertelijk leedweesen, van evengem: Jasinge appoe inw:r van Dankolloewe; verstaen heeft gehad, dat siriebaddene arraatje en zijn broeder de kankaen, neevens zehelwelle gammeaetjele en Boelatkande appoe, aldaar gekoomen waeren; de bepaggering 1 ten deele afgekapt, te deelen om verre gehaeld, de gantsche pantagie geruineerd, de plantzoenen uijt de grond gerukt, en alle de voorzeide goederen, die zij aldaar in huijs gevonden, geroofd hebben gehad vervolgens de boeven ged: opzigter bedoe„ „wokke baddoege balle geslaagen en herr en zijn vrouw en kinderen uijt de plantagie weggezaagd hebben gehad. Aldus gerelateerd Heeden den 15: Junij 1790. /:was geteekend:/ D: D: Wijesorender /:onderstond:/ voor 1 nagezien voor de translatie /:geteekend:/ M: f: Palm geauthoriseerde /:in margine:/ voor de mondelinge trrtaeling /:was geteekend:/ D: S: Senerat gesw: ƒ Tek: tolk. /:onderstond:/ Accordeert /:was ge„ „teekend:/ M: p: Palm geauth: Accordeert. 1 Sijbrands liklerk Sampens. No. 43. 1946 Aan den Wel Edele Gebiedende Heeren form Diderig Thomas Fretsz: opperkoopman en Dessave der ko„ „lombose ommelanden en Abraham Samlant koopman en Negotie boekhouder Wel Edele Gebiedende Heeren! Om de hoog g'eerde bevel van uw wel Edele Gebiedende Heeren te naarkoomen heb ik de needrige ondergeteekende laaten bevinden in de BelligamCorle, in het dorp Malpelle alwaar het te zaamen gerotte volk bij een gekoomen was en zijn toen bij mij gekomen eenige mindere hoofden met naamen Roepesin Arratje, Wiereman Arratje vidaan Arratje van oedoekawe, Atoekoorle van Elgriege en eenige gemeenen nevens zeeker Maedoegd de Appoe die door versamelingen als hun Hoofden Mohandiram genoemt en veel geagt worden aen de zelven is door mij voorgestelt dat ik de ordre van de Heeren Kommissarissen had. had om in presentie van de gezamentlijke ver„ zamelingen te spreeken en vraagen! waarom datze tot als nog niet hebben gestilt, nog op de man„ „daat ola beschijd gezonden, nog verzogt het geen zij verder begeeren te hebben hier op hebben deese hoofden mij tot antwoord gedient, als dat niet goed is bij de verzameling te gaan, dog het geen zij te zeggen hebben, binnen den tijd van agt dagen schriftelijk toezenden zullen jk hebbe onder dat volk hooren praaten dat door den wel Edele heer Dessave van Mature hun eenig overlast niet gedaan en zulx door hun hoofden geschied is egter dat ze bedugt zijn dat welgemelde heer hun naeder vervolgen zal en Maadoegodde appoe zijde dat den wel Edelen Gebiedende heer Dessave Fretz, met de dessaves dienst van Mature was ge„ „kleed, heeft de ordres ingevoerd, om kanneel en ander plantagien te doen en daarna met het vertrek van hoogst den zelven na Colombo had eene quaade mensch over ons als hoofd laaten stellen, mitsgaders onderrigt heeft het geen gedaan moet worden, Buijten des bij mij te rug komste een 1947 komste alhier, heb ik de broeder van hallale atoecoorle hooren zeggen dat den wel Edelen Agtb: Heer kommandeur te Gale zoo lang ten voordeele van de Matureese Jnwoonders geprocedeert en de zaak gewonnen hebbende is alhier thans ge„ „komen om alle hunne verzoeken aan hun te vergunnen. Voorts hebbe de eere met de diepste ontzag mij te noemen /:onderstond:/ wel Edele Gebiedenden heeren uw wel Edelens aller onderdanigen Dienaar /:was geteekend:/ D: D: Perera /inmargine:/ Mature Den 17. Junij 1740. /:onderstond:/ Accordeert /:was geteekend / M: f: Palm geautoriseerde Accordeert Lijbrands Egklerk „ : Pampeus nagezien

NL-HaNA_1.04.02_3884_0361 view scan ↗

English

1948 Translation of a Sinhalese ola letter addressed to the Noble Grand Dessave of Kolombo, Sabergammoe, the Four and Seven Korles, and the Honorable Merchant Abraham Samlant, who are the commissioners at Mature. After preceding compliments. The contents of the ola letter sent to me by Your Right Honorable have duly reached me, as have the promises made therein, namely that when I, through my good efforts and services, shall have brought it about that the rebellious community and inhabitants of the Gangebaddepattoe and Kandebaddepattoe, listening to reason, once more submit themselves to rest and peace, so that each of them returns well satisfied to their villages and dwellings and performs the Company's work and services as before, you will honor me with the office of Mohandiram of the Kandebaddepattoe. When the people of Kandepittie Wallenadde banded together, and subsequently proceeded to Hakman Wallenadde to persuade them to join in the rebellion, Mohandiram Manamperie was by no means unaware of their design, as he said to me that it was very well that the work of Baddigirrie was being broken up and ruined by the mutineers, and that it was advisable for both of them to let the planned work proceed unhindered, but that it was nevertheless very useful that I should go in person among the mutineers and, in a prudent manner, make myself master of their hearts, and having gained their confidence, arrange that the mutineers lay no hands on the Company's effects or goods, nor on his nor on mine, to their disadvantage or damage. That I should principally ensure that neither he nor I ran into any danger in the event of any complaint olas. I answered the Mohandiram to this proposal that it would be better if some good report of this were given to the Noble Commanding Lord Dessave. The aforementioned Mohandiram thereupon had an ola sent hither, and when he himself departed for Mature he said to me that we should then inform the Lord Dessave that I, for the aforesaid purpose, am staying among the mutineers. That I should stay among the mutineers, even though to ensure that no damage is done by them to the Company's goods or to those belonging to the inhabitants, is contrary to my inclination. Being fully convinced that Your Right Honorable, when your same honor was still Dessave of Mature, bore me no ill will at all, I consider myself on that account 1949 most highly obliged to fulfill whatever Your Right Honorable may come to desire of me. I very much wish that Your Right Honorable could have Mohandiram Manamperie summoned in order to confront him with me regarding what has been stated above, when it will be demonstrated that I have become involved in this matter innocently. Although I in no way hold any office among the people of the Gangebaddepattoe, I shall nevertheless, through the people of the Kandebaddepattoe, who all bear me good will and are well disposed, exert myself and do everything that may be possible to comply with Your Right Honorable's request. Having thus shown this to Your Right Honorable, I remain, Your Right Honorable's servant, Wepetire Don Simon Aratie. At the head of the ola was signed with a Dutch but illegible signature. Below was written: For the translation, Mature the 18th of June 1790. M. F. Palm, authorized for the translation according to the actual contents, signed D. S. Senerat, sworn Malabar interpreter. Below was written: Agrees, was signed M. F. Palm, authorized. Agrees, Sybrands Galerk Examined, Pompeus 1950 Report of the appoos sent by the Honorable Commanding Lord Dessave Mr. Christiaan van Angelbeek on Sunday the 13th of this month to the Moruacorle, with two sannasses from the High Noble Lord Governor and Director of this island to the assembled communities there, namely: Don Aberam Kaddewotte Aratje Appoe and Don Samuel Hitteltie Araetje Appoe, with the inhabitants of Walgam within the Four Gravets. Who report: First, that going on their journey from here to the Moruacorle last Monday, they reached Koeloettoegodde, where a guard post of 6 men established by the mutineers was situated, from where they were escorted by four lascorins to Ackveroegodde, where they, the informants, also found a guard post of 6 men, who had them brought by four lascorins to Kaddoewe. There they found a post 15 to 20 men strong, who had the informants escorted again by four others to the gathering of the Belligam Corle in the village of Paredoewe, where the informants saw about a hundred heads of the mutineers, besides the following lesser headmen, namely: Paredoewe Abetoenge Aratje, the Vidane Aratje of Grieje, Kankaan of the Attepattoe, and some other of the lesser headmen, whom the informants did not know by name. That Abetoenge Aratje, having read the sannasses aloud, told them, the informants, that they, the informants, according to the order they had received, could just proceed with them to the Moruacorle. That the informants, arriving in the Moruacorle in the village of Welliwe Mortwoeke, found there approximately two hundred of the gathered community, accompanied by the following lesser headmen, namely: Kottepolle Korlearatje, Maberne [illegible]

Dutch transcription

1948 Translaat singaleese brief ola gericht aan den Edelen Groot Dessave van kolombo Sabergammoe, der vier en seven korles: en den wel Edelen koopman Abraham Samlant dewelke de kommissa„ „rissen te Mature zijn. Na voorgaande komplimenten Den inhoud van (uwer wel Ed: Gestrengens /aan mij gezon„ „den brief ola is mij behoorlijk te vooren gekoomen, gelijk ook de daar bij gedaane beloften, om zoo wanneer ik door mijne goede devoiren en diensten het daar geen zal gebragt hebben, dat de oproerige gemeente en ingezee„ „teren van den Gangebaddepattoe, en kandebaddepattoe, naar reeden luijsterende, haar werder tot rust en vreede schikten, zoo dat een elk hunner wel te vreeden naar hunne dorpen en wooningen keerden en 's komp:s werk en diensten als bevoorens verrigten:/ mij met den dienst van Mohandiram van de kandebadde„ „pattoe te vereeren. Toen het volk van kandepittie wallen adde haar 't zaamen rotten, en vervolgens haar naar hakman wallenadde begaf om dezelve te permadeeren met haar aan het munten te slaan, was mohandiram Ma„ „namperie van hun oogmerk in geenen deele onbe„ „wust, alzo hij tegens mij gesegt heeft, dat het wel zeer goed was dat het werk van Baddigirrie, door de muijtelingen en duijgen geslaagen wierd, en het het voor hen bijde raadzaem was, het voorgenoomen werk overhinderd te laaten passeeren, dat het nog„ „tans zeer nuttig was, dat ik mij in persoon onder de muijtelingen begaf en steeds wijze, mij van hunne harten meester maakte, en het vertrouwe van haar gewonnen hebbende, bewerken, dat de muntelingen geene handen, aan 's komp:s effekten of goederen, nog aan de zijner nog aan de mijnes tot nadeel of schaaden, sloegen. Dat ik principaal moeste zorgen, dat nog hij, nog ik in eenig gevaar geraakte, bij eenige klagtolassen Ik heb den mohandiram op deeze proproste geantwoord, dat het beter zoude weesen, dat men hier van den Edele Gebiedende Heer Dessave eenig goed narigt gaf Gemelde mohandiram heeft daar op een ola na herwaards gezonden gehad, en toen hij zelve naar Mature vertrok tegens mij gezegt dat wij dan den Heer Dessave zoude mel„ „den, dat ik ten eijnde voormeld, mij onder de muite„ „lingen bevinden laat. Dat ik mij onder de muitelingen bevinden of schoon om te zorgen, dat door dezelve geene schaade, aan skomp:s, of aan goederen der ingezeetenen toebehoorende, toegebragt werde strijd tegens mijn zin Ten vollen overtuijgd; dat uw /:wel Edele Gestr:/ toen hoogst deselve nog Dessave van Mature was mij gansch geen ongeneegen hart hebt toegedraagen, houde ik mij des„ „weegen 1949 weegen ten hoost verplicht, al wat :/ uw wel Ed: Gestr: (op mij komt te begeeren te voldoen. Ik wenschte zeer Gaarne dat uw wel Ed. Gestr: Manam„ „perie Mohandiram konde doen koomen om hem, nopens het hier vooren vermelde, met mij te konfronteeren, wanneer het konsteeren zal dat ik mij onschuldig in deese zaak hebringewikkeld. Ofschoon ik in geene deele eenig ampt bij die van de Gangebadde„ „pattoe bekleede zoo zal ik nogtans door het volk van de kandebaddeCattoe, welle alle mij een goed hard toedraagen en geneegen zijn bewerken, en alles doen wat maar mogelijk zal weezen, om uwe wel Ed: Gestr: verzoek te voldoen. Dit /uw wel Ed: Gestr: / aldus aangetoond hebben„ „de blijve ik /uw welEd: Gestr:/ Dienaar wepetire Don simon aratie, aan 't hoofd der ola /:was geteekend:/ met een Nederduische dog onleesbaare handteekening /:onderstond:/ voor de Translatie Mature den 18. Junij 1790. M: F: Palm geauth: voor de vertaaling naer den eigentlijken inhoud /:geteekend:/ D: S: senerat gesw: Tekr: tolk /:onderstond:/ Accor„ ƒ „deert /:was geteekend:/ M: F: Palm geauth: Accordeert Sybrands Galerk nagezien Pompeus 1950 Relaes van de door den wel Edelen Gebiedenden Heer Dessave m„r Christiaan van Angel„ „beek op Zondag den 13 deezer naar de moru„ acorle, met twee Sannassen van den Hoog Edelen Heer Gouverneur en directeur deezes Eij„ lands aan de tzaemen gerotte gemeenten aldaar uijtgezondene appoes in naeme. Don Aberam kaddewotte aratje appoe en Don Samuel Hitteltie araetje appoe, bij de inwooners van walgam binnen de vier gravetten: Dewelke relateeren dat zij I„o leeden maandag van hier naar de Moruacorle opreis gaande te koeloettoegodde, een, door de moeytelingen uijtgeszette wagt post sterk 6 koppen aangedaan hebben, daar zij door vier laskoaijns naar ackveroegodde geleid zijn, waar zij relatanten ook een wagtpost van 6 koppen gevonden hebben, die hun door vier lasko„ rijns naar kaddoewe hebben doen brengen, daar zij een post sterk vijftien â Twintig koppen gevonden hebben, die de relatanten weder door vier andere, naar de tzaemenrotting van de Belli„ gam Coale in 't dorp paredoewe, hebben doen voeren, daar zij rela„ tanten omtrent honderd koppen der muijtelingen gezien hebben, behalven de volgende minderhoofden, naemelijk Pare doewe abetoenge araetje de vidaan aratje van Grieje kankaan van de attepattoe, en eenige andere der minder hoofden, die zij relatanten bij naemen niet kenden: Dat abetoenge aratje bij de de Sannassen overlind geleezen hebbende, tegens hun relatanten gezegd hadt, dat zij relatanten volgens hun bekoomen last, maar daar meede, naar de moruajorl konden vertrecken: dat zij relatant in de moauacorle in 't dorp welliwe mortwoeke komende aldaar Circa twee honderd der tzamen gerotten gemeente gevonden hebben verzeld van de volgende minderhoofden namentlijk kottepolle korlearatje, maberne eb

NL-HaNA_1.04.02_3884_0366 view scan ↗

English

maberne aratje, bingamme attoekorael, and some others. That the attoekoale araetje, having had the sannas read out by someone among them, said to the relators that they had communicated their complaints, grievances, and requests by dispatched olas; that although dispositions had indeed been made in their favor concerning some matters mentioned therein, such as concerning the cardamom, yet on the contrary, regarding most of the other articles appearing in their complaint olas, no reflection had been made, since they had not received the slightest notification concerning them; that they therefore could also depart. That the relators had thereupon requested to have a receipt from them in proof that they had duly delivered the aforementioned sannas to them, but received in reply that they could give no receipt to the relators, as they had not yet submitted many other articles, which they intended to do before long. Thus related the 18 Junij 1790. Was signed with two characters. Below stood: for the translation, signed: m: f: Palm, authorized. In the margin: for the oral translation, was signed: D: S: Senerat, sworn interpreter. Below stood: Agrees, was signed: M: Fs Palm, Authorized. Lijbrands Clerk Agrees checked Porupeus. No 46 1951 Jacobus Sammeresinge Rannesinge Aratje of the Adigaar mandoe of Mature, Don Siman Gammege Apppoe of Mature, relate that they departed from here on the 17 of this month with a sannas to the Magampattoe, by order and to the end as mentioned at the head hereof; that subsequently, without having had any notable encounters, they arrived at the waluwe on the 19 thereafter, where they found about thirty persons gathered together, among whom were the following minor headmen, namely the vidaan of ondewelpokkoene, Diaha Aratje, and some majorals whom the relators did not know by name. That the relators first presented the sannas to them and subsequently delivered it, which being read aloud by one among them, they gave the relators in reply to serve from them with all respect as a report here to the right honorable, the right honorable gentlemen commissioners aforementioned, that they were exceedingly pleased with all that had been granted by their right honorables by the aforementioned sannas, but that they found themselves solely and exceedingly aggrieved at having to deliver the one tenth of the tithe. That for this reason they could not accommodate themselves to this without having first consulted with the large gathering of the Girrewaijpattoe, to whom they were bound, and that if these wished to accommodate themselves to it, they would also allow themselves to do so; that they, the inhabitants of Magampattoe, had been forced into this gathering by those of the Girrewaij pattoe, to whom they bound themselves to do or refrain from nothing without obtaining the general consent of the Girrewaij pattoe. That the relators were herewith sent back to this place, without having had any further encounters. Thus related the 22 IJunij 1790. Was signed with two Dutch illegible signatures. Lower: for the translation, was signed: M: F: Palm, authorized. In the margin: for the oral translation, signed: Dn Theodooaus, sworn interpreter. Below stood: Agrees, was signed: M: F: Palm, authorized. Agrees Lybrands Egkeert checked Pompeus: No. 1 1952 Gentlemen. In the advice presented by me in writing to your right honorables on the 11 of this month, which I have the honor to offer to your right honorables alongside this concerning a further application to Don Simon aratie, I stated at the conclusion of that advice that I thought a calm reflection on what could be the reasons for the continued discontent of the mutineers, and the daily increase of their courage, had become most necessary, as well as conducting a precise investigation into the conduct of the most prominent headmen, in order to discover whether there are causes to suspect that they were the instigators of the mutineers. I still consider all of this most necessary, and it is on that account that I have undertaken with so much readiness to lay open my thoughts in this regard. The general complaint or pretext of the mutineers, according to the received reports, is that only a few of their made complaints and requests have been granted. According to several other reports, this is a general saying among them. For this pretext, as it appears to me, there can only be two reasons. The first, that the minor headmen of the gathering, in order to keep the common people under their sway, make them believe this, which is the same as supposing that the drafters of the general complaint ola intentionally Account of the persons sent out with a sannas to the Magampattoe to the inhabitants gathered there by the right honorable Gentlemen Commissioners Diederich Thomas Fretz and Abraham Samlant on the 17 of this month, namely To the right honorable Gentlemen Diederich Thomas Fretz and Abraham Samlant, commissioners on behalf of the Venerated Ceylon Government but

Dutch transcription

maberne aratje, bingamme attoekorael, en eenige andere. Dat de attoekoale araetje de Sannassen door iemand uijt hun, hebbende doen leezen, teegens de relatanten gezegd haat, dat zij hunne klagten, beswa„ „ren en verzoeken bij afgezondene olassen hadden gecommuniceerd, dat „er wel over eenige zaeken daar bij vermeld als over de kardamom ten voordeele van haar gedisponeerd waeren, Dog dat daar en teegen over de meeste der andere artikelen bij hunne klagt olassen voorkomende, geene replektie gemaekt waeren, alzo zij daar op geene de minste narigt be„ koomen hadde, dat zij desweegen ook konden vertrecken. dat zij relatanten daar op verzogt hebben gehad om een quitantie van haar te moogen hebben, ten bewijze dat zij de voormelde Sannassen haar behoorlijk hadden ter hand gesteld, ten antwoord gekreegen hadden dat zij aan de relatanten geene quitantie konden geven, alzoo zij nog veele andere artikels nog niet ingediend hebben gehad, welken zij eerlang stonden te doen. - Aldus Gerateerd den 18 Junij 1790: /:was getekent:/ met twee ka„ „rakters /:onderstont:/ voor de translatie /: getekend:/ m: f: Palm g:t authoris: /: in margine:/ voor de mondelinge vertaaling /: was„ getekent:/ D: S: Senerat gesw: Sek: bolk / onderstont/ Ake kon„ „deerd /:was getekent:/ M: F„s Palm Geauthoris„ Lijbrands Hijklerk Accordeert nagezien Porupeus. No 46 1951 Jacobus Sammeresinge Rannesinge Aratje van de Adigaar mandoe van Mature Don Siman Gammege Apppoe van Mature Relateeren dat zij van hier op den 17 deser maand vertrokken zijn met een sannas naar de Magampattoe, op ordre en ten eijnde als aan het Hoofd dezes vermeld, dat zij vervolgens zonder eenige aanmerkelijke ontmoetingen gehad te hebben op den 19 daar aan, aan de waluwe gekomen zijn, daar zij omtrent dertig koppen bij malkanderen gevonden hebben gehad, waar onder ge„ weest zijn de volgende minder Hoofden, Namelijk de vidaan van ondewelpokkoene, Diaha Aratje, en eenige Majoraals die de Relatanten bij naemen niet kenden, Dat zij Relatanten de samas eerst aan dezelve voorgehouden hebben vervolgens afgege„ „ven, welk door eene uijt hun overluid geleezen zijnde, zij de rela„ „tanten ter antwoord meede gegeeven hebben om hunnen 't weegen met alle eerbied van bericht alhier, aan hun wel Edele gestrenge, de wel Edele gestrenge Heeren kommissarissen voornoemd, te dienen dat zij ten hoogsten verblijd waaren met al het geene door welgem: hun wel Edele gestrenge bij voorm: sannas wal bedeelt geworden, dat zij haar alleen ten hoogsten beswaard vonden met de een thiende der geregtigheid te moeten ovrbrengen. Dat zij over zulks haar niet in deezen tot meede kinden schikken, zonder alvorens met de Groote samenrottinge van de Girrewaij„ pattoe, met welke zij verbonden waeren, daar over geraad-vleegd Relaas van de door de wel Edele Gestrenge Heeren Kommissarissen Diederich Thomas Fretz en Abraham Samlant op den 17 deser naar de Magampattoe aan de aldaar te zamen„ gerotte ingezetenen met een sannas uijtgezonden Perzoonen Namentlijk te te hebben, en dat zoo deeze haar daar toe wilden schikken, zij haar lieden ook daar toe zouden laaten vinden: dat zij ingezetenen van Magampattoe, tot deze 'tzaamenrotting door die van de Girre waij pattoe waaren genoodzaakt geworden, en bij welke zij haar ver„ „bonden hebben, niets te doen of laaten, sonder de algemeene toestem„ ming van de Girrewaij pattoe te Erlangen. Dat zij relatanten hier meede naar dit heen terug gezonden zijn, zonder verder eenige ontmoetingen gehad te hebben, Aldus Gerelateerd den 22 IJunij 1790 /:was getekent:/ met twee nederduijts onleesbaere handteekeningen /:lager:/ voor de Translatie /:was getekent:/ M: F: Palm geauthoriseerde /in margine:/ voor de mondelinge vertaaling /:geteekent:/ D„n Theodooaus gesw: tolk onderstont Akkordeerd /:was getekent:/ M: F: Palm geauthoris: Accordeert Lybrands Egkeert nagezien Pompeus: No. 1 1952 Mijne Heeren. Bij mijn op den 11 deser in geschrifte aan uw wel Edeles voorgehouden advies, die ik nevens deesen de Eere hebbe aan uw wel Edeles aantebieden nopens een nader aanzoek aan Don Simon aratie, hebbe ik bij het slot van dat advies gezegt, dat ik dagte, dat eene bedaarde over„ weeging, welke de redenen van de aangehoudende misnoegdheyd der muntelingen, en het dagelijks toeneemen van hunne moed konden zijn, hoogst nodig wierd, als meede dat men een nauwkeurig, onder zoek na het gedrag der meest voornaeme hoofden deed, ten eijnde te ontdekken of 'er oorzaeken zijn om te vermoeden; dat zij de opstookens der muij„ telingen waaren ik vinde voor als nog dit een en ander hoogstnoodig, en het is uijt dien hoofde, dat ik met zoo veele berijdwilligheijd aan„ genomen hebbe om hier omtrent mijne gedagten oppenteleggen. De algemeene klagte of voor geven der muitelingen, blijkens de ont„ fangene relaesen is, dat maar eenige wijnige van hunne gedaane klagten en verzoeken zijn toegestaan geworden volgens meer andere berichten is dit onder hun een algemeen zeggen, tot deeze voorgaeve konnen, na het mij voorkomt, alleenig twee redenen zijn. De eerste dat de mindere Hoofden der zaam en rotting om het gemeene volk aan hun snoer te houden, hun dit wijsmaeken, het welk het zelfde is met te onderstellen, dat de opstellens van de generaele klagt ola met voordagt Aan de wel Edele Heeren Diederich Thomas Fretz: en Abraham Samlant, kommissa„ rissen van weegen de Gevenereerde Ceilonsche regeering maer

NL-HaNA_1.04.02_3884_0374 view scan ↗

English

brought forward only a few of the complaints of the inhabitants in order thereby, as in the first case, to keep the people in turmoil; the second, that some deceit was truly committed with the general complaint ola by a very few of the leaders of the conspiracy. Of these two, the first is indeed the most probable; were the second case truly the fact, then the mutineers, since they were invited to do so, would certainly have come forward with their true complaints and requests; they have done the contrary, and even rejected this invitation with contempt. The first case should thus be accepted as certain, and one must believe this all the more, because prior to the submission of the complaint olas one heard of various requests that were to be made, which one finds neither in the general complaint ola nor in the particular complaint olas. Among these were a request to alter the levy of the Nelij dues, to restore the newly made regulation concerning the Sagerlatten and village planks which were delivered in too small quantities back to the previous footing, and to abolish the bridge and Bazaar lease. If the second case could be accepted with any probability, a quick remedy could be found in that regard by sending copies of the general complaint ola to the mutineers and having them asked whether these complaints were truly those which the mutineers submitted; however, since the second case must be entirely rejected for the reasons already mentioned above, I do not see how the first case can, for the present, be removed so easily. Besides these reports coming in from very many quarters as the true cause of the continuing discontent of the mutineers, one could add yet another, which consists in this, that I am still present at Mature. If one speaks of oneself, one runs the risk that self-love comes floating to the surface, whereby our usual power of judgment is entirely obscured; I will therefore detain myself with few arguments, and only attempt to present the facts that lead to these thoughts—that my presence here at Mature may be the cause of the continuation of the revolt, in so far as those facts are present to my mind and known to me—as naturally and simply as possible. In none of the complaint olas, as far as I know, does any request in this regard appear; that this did not happen out of discretion may well be inferred from the virulence with which they attack me, both in the general complaint ola and in that of the Girwaijs. One only finds in one of the papers sent over from Gale that two majoraals of the Kande Baddepattoe made that request, as it were, in the name of all the mutineers together; since then I believe that this request was made once again by Madoegodde Appoe to Your Honours during your journey from Malimande to Oejangodde, and subsequently once again at Hakman, likewise by the aforementioned Madoegodde Appoe and some spokesmen there. As far as I know, this request was made by none of the distinguished lesser chiefs, but on the contrary I believe that Your Honours were requested in their name to pay no heed to the talk of this Madoegodde Appoe, and to be pleased to confine yourselves solely to what appears in the complaint olas. Since then this talk has been entirely quiet, as far as I know, until after the proclamation of the General Pardon Sannas of the Right Honourable Lord Governor, and in the meantime I had advanced rather far with the lesser chiefs of the Belligam Korle, so that they wrote me a letter ola, and thereby requested permission to be allowed to submit their further complaints and requests. The reasons for the breaking off of these negotiations with the aforementioned lesser chiefs would consist only in probable conjectures, and since I do not like to conjecture concerning myself, it will be best to pass them over in silence: the point in time is however very remarkable, during Your Honours' being there.

Dutch transcription

maar wijnige van de klagten der ingezetenen hebben voortgebragt, om daar door, gelijk in het eerste geval, het volk in beroerte tehouden, het tweede, dat er waarlijk eenig bedrog met de generaele klagt ola door eenige zeer wijnige der hoofden der zamenrotting geschied is, onder deese twee is wel het eerste het waarschijn lijkste, wat het tweede geval wezentlijk waar„ dan zouden zekerlijk de muitelingen wil ze daar toe uijtgenodigd zijn, met hunne waere klagten en versoeken nader uijtgekomen zijn, zij hebben het tegendeel gedaan, en zelfs deeze uijtnodiging met ver„ smaeding van de hand geweesen. Het eerste geval dient dus wel als zeker aangenomen teworden, en men dient dit te meer te geloven, wijl men voor 't indienen der klagt olassen van verschiedene verzoeken, die gedaan zouden worden, gehoord heeft die men in de generaele klagt ola nog bij de partikuliere klagt olassen vind. onder deese waeren, een versoek om de heffing van de Nelij geregtigheijd te veranderen, om de nieuwe gemaakte bepaling weegens de Sagerlatten en Dorpsplanken die te min geleverd wierden weder op den voorigen voet tebrengen, en om de brugge en Bazaerpacht afteschaffen. zo het tweede geval met eenige waarschijnlijkheid kon aangenomen worden, zo zoude daar omtrent een kort middel tevinden zijn, met afschriften van de Ge„ neralle klagt ola aan de nuntelingen aftezenden en hun telaaten vraagen, of deeze klagten werkelijk die geenen waeren, die de muntelingen ingebragt hebben; wijl egter het tweede geval geheel dient te werden verworpen, om de reeds hier boven gem: redenen, zo zie ik niet, hoedanig het eerste geval voor eerst en zoo gemakkelijk kan werden weggenomen. Behalven deese van zeer veele kanten in koomende berichten, als de werkelijke oorzaak van de aanhoudende misnoegdheijd de muite„ lingen, zoo zoude mer 'er nog eene bij konnen brengen, die hier in bestaet, dat ik mij nog op mature bevinde, zoo men van zich zel„ „ven spreekt, zo loopt men gevaer, dat de eigen liefde booven komt 1953 komt drijven, waar door onze gewoone bevordelings kragt geheel verduisterd word, ik zal dus mij met wijnige argumenten ophouden, en alleenig de zaekelijkheeden die tot deeze gedagten, dat mijne tegens woordigheijd alhier op mature oorzaek van de voortduuring van de revolte kan zijn, voor zoo verre die zakelijk heeden mij voorstaan en bekend zijn, zoo natuurlijk en een voudig trachten voor te draegen als mogelijk is. Bij geene van de klagt olassen komt, voor zo verre ikweete, eenig verzoek ten deezen opsigte voor, dat dit niet uijt diskretie geschied is, mag men wel opmaeken uijt de vinnigheijd, waarmeede men mij, zo bij de generalle klagt ola, als bij die van de Girwaijs aantast, alleenig vind men bij een der overgezondene papieren van Gale, dat twee majoraals van de kande baddepattoe, dat ver„ zoek, als het waare uit naam van de gezamentlijke muitelingen ge„ daan hebben, zedert vermeene ik, dat dit verzoek nog eens gedaan is geworden, door Madoegodde appoe aan uw wel Edeles bij derzelver reize van Malimande na oejangodde, en vervolgens nog eens te Hak„ man, insgelijks door meerm: door Madoegoddepppoe en eenige voor„ sppreekers aldaar voor zoo verre ik weete is dit verzoek door niemand der aanzienlijke mindere hoofden gedaan, maar ik vermeene, dat daar en teegen uit hunner naam aan uw wel Edeles verzogt is geworden, om op het spreeken van deeze Madoegodde appoe geen acht teslaan, en zich alleenig tewillen bepaelen, bij het geene bij de klagt olassen voor komt zedert is dit praatie geheel stil geweest, voor zo verre ik weete, tot na het afkondigen van de Generaele Pardon Sannas van den wel Edelen groot Achtb: Heer Gouverneur, en ik ben in die tusschen tijd met de mindere hoofden van de Belligam Korle als vrij verre gevorderd, zo dat ze mij een brief ola geschreeven, en daar bij verlof verzogt hebben om hunne nadere klagten en verzoeken temogen in brengen. De reeden van het afbreeken van deeze onderhandelingen met meerm: mindere hoofden, zouden allenig in waarscheinlijke gissingen bestaan, en wijl ik niet gaarne ten mijnen opzigte gisse, zo zal het best zijn, die te verzwijgen: het tijd stip is egter zeer opmerkelijk geduurende uwel Edeles daar

NL-HaNA_1.04.02_3884_0376 view scan ↗

English

During Your Honour's stay at Hakman, the collective lesser headmen of the Wellebaddepattoe, as well as those of the Gangebadde pattoe and both brothers of Don Simon araetje, also appeared before me and declared to Your Honour yourself that they had nothing against me. I cite here only such documents as must be regarded as true proofs of the sentiments of the people, or at least of the foremost among them, and thus omit here all the further messages that I received from several of the most prominent lesser headmen of this Dissavony, and thus also by no means produce here an ola that the lesser headmen of the Revolt of the Gangebadde pattoe wrote to me, because it is signed only with illegible characters, and the manner of its delivery is entirely suspicious to me; for he who imagines that if he loves right and justice and tries to govern himself by these guiding principles, he would possess a universal love without exception, would surely have to be worse than a fool. I even consider it very natural that Madoegodde appoe is not my friend, for I have had him work in chains on the public works for two years, and just as little love can I expect from his comrade, the former Ratmahere vidaan araetje, since I not only dismissed him from his office and severely punished him, but even declared to him, upon his offer to go and settle with his family in the Magampattoe, not to allow such an abandoned scoundrel into that district as an inhabitant. Since the proclamation of the Pardon sannas of the Right Honourable Lord Governor, and specifically after the so-called departure of all the Headmen to the korles and Pattoes, first an ola signed with characters was delivered to Your Honour, in which mention is made again of my stay here at Mature, and after that the Modliaar Ilangakoon declared to Your Honour that during his presence at Kootenatte a troop of about 500 head, who were however all drunk, had surrounded him, or rather the house in which he was present; that he had spoken with these drunks, exhorted them to be quiet, and declared to them among other things that he was provided with the necessary authority to take down their complaints and requests which they still had, to settle those requests which he could settle, and properly bring the rest to notice; that thereupon one from the crowd, unknown to him the modliaar, had stepped forward and said, well, if you can settle our requests, then we will make a small one of you, which is that our Dessave leaves Mature. That he did not see any lesser headmen with this troop, but did see standing from afar some, and if I am not mistaken, three people who had pulled their hats or caps rather low over their heads, whereby he could not distinguish them, and whom he presumed were lesser headmen, and that he had learned that the lesser headmen of this troop had been the schoolmaster of the great school of Mature, Poelwelle koditoeakaraatjie and yet another. I can assure Your Honour that the two first-mentioned were indeed present there as lesser headmen. In order to be more circumstantially informed of this matter, I ordered the modliaar Ilangakoon, as he says he is ill, to give me a written report of all that occurred at Kootten atte, which report I have however not yet received. From this account of all that, to the best of my knowledge and information, has occurred and arisen regarding my longer stay at Mature, and which could cause it to be suspected that it would be an obstacle to the restoration of tranquility, everyone may take and judge their own; my self-respect however, for I will not speak of my own judgment, tells me that from these documents it is not to be inferred or even suspected that my further stay at Mature can in any way be an obstacle to the restoration of tranquility, since for the reasons just mentioned I cannot assume that

Dutch transcription

Edeles verblijf op Hakman zijn bij mij ook verscheenen de gezament„ „lijke mindere hoofden van de wellebaddepattoe, als meede die van de gangebadde pattoe en de beide broeders Don Simon araetje hebben aan uwel Edeles zelfs verklaart, dat ze tegens mij niets hadden. Mhaale hier alleenig zoodanige stukken aan die als waere bewijzen van de gezinningen van het volk, of ten minsten van de voornaamste onder dezelven moeten aangezien worden, en laete dus hier uijt alle de verdere boodschappen die ik van verscheidene der aanzienlijkste min„ dere hoofden deezer Dessavonie ontvangen hebbe, en parduceere dus ook geen zints alhier een ola die de mindere hoofden van de Revolte van de Gangebadde pattoe aan mij geschreeven hebben, wijl ze allenig met onleesbaare karakters getekent, en de wijze van dies bestelling mij geheel suspekt is, want hij die zich verbeeld, dat zoo hij recht en geregtigheijd lieff heeft, en na deeze by de leidslieden zich tracht te regulen eene algemeene liefde zoude bezitten zonder uit sondering, zoude zeker erger dan een dwaas moeten zijn, Ik houde het zeer natuurlijk zelfs dat Madoe„ godde appoe mijn vrind niet is, want ik hebbe hem twee Iaaren in de ketting aan de gemeene werken laaten arbeiden, en even weijnige liefde kan ik verwagten van zijnen maat den geweesen Ratmahere vidaan araetje, vermits ik den zelven niet alleenig uit zijnen dienst gesteld en gevoelig afgestraft hebbe, maar hem zelfs op zijn aanbod om met zijne familie zich in de Magampattoe te gaan nederzetten verklaard hebbe eenen zoo over gegevenen deug niet in dat landschap als in woonders niet te begeeven zedert het afkondigen van de Pardon sannas van den wel Edelen groot achtb: Heer gouverneur is, en wel na het zoo genaamt vertrek der gezamentlijke Hooffden na de korles en Pattoes, eerst aan uwel Edeles een met karakters getekende ola besteld, waar bij men weder van mijn verblijf hier op Mature spreekt, en daar na heeft de Modliaar Plangakoon uwel Edeles verklaard, dat bij zijn aanweezen te kootenatte een troup van omtrent 500 koppen, die egter alle dronken waeren, hem, of beter gezegt 1954 gezegt het huijs, waar in hij zich bevond, omzingeld hadden, dat hij met deeze dronkaards gesprooken, hun tot stie stand vermaand, en onder an„ „deren aan hun verklaard had, met de nodige magt voorzien te zijn, om hunne klagten en verzoeken, die ze nog hadden optenemen, die verzoeken, die lij kon aftemaken, en de overige behoorlijk ter kennisse te brengen, dat daar op een uit den hoop, hem modliaar onbekend, voor gesprongen was, en gezegt had, wel zoo gij dan onze verzoeken kunt afmaaken, zo zullen wij er uw eene kleine doen dat is, dat onze Dessave van mature gaat, Dat hij bij deese troup geene mindere hoofden gezien heeft, maar wel eenige, en zoo ik mij net vergis, drie luiden van verrehad zien staan die hunne hoeden of mutsen wat diep over het Hoofd gehaald hadden, waardoor hij ze niet konde onderscheiden, en die hij veronder„ „stelde, dat minder hoofden waeren, en dat hij vernomen had, dat de mindere hoofden van deze troup waaren geweest de schoolmeester van de groote school van Mature, Poelwelle koditoeakaraatjie en nog een ander. Ik kan uw wel Edeles verzekeren dat de bijde eerstgenoemden zig werkelijk als mindere hoofden aldaar bevonden hebben om meer omstandig van deze zaak onderrigt te zijn hebbe ik den modliaar Mangakoon wijl hij zegt ziek te zijn, gelast om mij een schriftelijk rapport van all het voorgevallene te kootten atte te geven welk rapport ik egter nog niet bekoomen hebbe uit dit verhaal van al het geene, na mijne beste kennis en wetenschap voor„ gevallen en voorgekomen is omtrent mijn langer verblijf op mature en het welk zoude konnen doen vermoeden, dat die hinderlijk waare ter weder herstelling van de rust, mag een ijder het zijne neemen en beoordeelen, mijne eigen liefde egter, want ik wil van mijn oordeel niet spreeken, zegt mij dat uit deze stukken niet optema„ ken of zelfs te vermoeden is, dat mijn verder verblijf op Mature de herstelling van de rust eenigzints hinderlijk zijn kan. vermits ik om de zoo even vermelde redenen niet kan veronderstellen dat ment e

NL-HaNA_1.04.02_3884_0378 view scan ↗

English

that my stay here can cause any hindrance to the restoration of peace, it is indeed a question what the moving cause could possibly be that the lesser leaders of the revolt, after so many requests have been granted to them, after they have been asked what further requests they still have with the promise that these will also be dealt with equitably, and after everything that occurred has been forgiven to them, still keep the mutiny going, expanding it more and more, and even resorting to violence. This question is very difficult to answer; for if they desired a settlement of their further requests, they would submit them; if it were my stay here, they would request my removal, seeing that upon the verbal request of a frightened headman, four prominent chiefs were arrested, subsequently dismissed from their offices, and sent to Gale, and likewise thereafter the Sabandaar of Belligam, on account of the many complaints brought against him and the submitted written request of his accusers, without a single one of the accusations against the aforementioned chiefs or against the latterly mentioned having been investigated, much less proven, was likewise removed from his office; from which actions these rebels can very well gather that there is a willingness to do everything possible that they desire. As soon as a question cannot be answered directly, means are at hand to bring the answer to such a question, if not entirely clear and provable, at least to a certain degree of probability; and in this lower world, our limited capacity and insight must, for by far the most part, be content with probability. Even the mathematician, although this science has achieved the highest degree of perfection and certainty among all others, must in some cases be satisfied with the probable. It is furthermore also certain that the degree of probability is not always the same, nor that in different circumstances the same degree of probability is required for us to decide upon performing one and the same action. Someone who is accused of a petty theft will, with the same degree of probability that lies against a killer, be set free, while the killer is arrested and his trial is drawn up with the utmost severity, without law, justice, or equity being violated thereby. I judged it necessary to let these premises precede, so that what I have further to say may be viewed from the true perspective, and that I may not be accused of recklessness. In matters where the interests of state are concerned, it behoves everyone, and especially a commander, to speak frankly; and since your Honours have desired of me that I disclose my views regarding the causes of this revolt, or to what causes it is to be attributed that this revolt is kept going, I shall act therein with that candour that behoves a servant who knows no other motives than the welfare of the country and the people. I stated above that the question as to what the motives could be for the leaders of the mutineers to still keep the revolt going, notwithstanding that so many tokens of goodness and goodwill have been given toward them, is very difficult to answer. Easier to answer is the question: what interest can the leaders of the mutineers have, after having had and enjoyed so many proofs of indulgence, in keeping this revolt going? To this I answer, and I believe everyone with me will unreservedly agree: not a single one; but on the contrary, everyone will agree with me that it is in their greatest interest to settle this revolt as soon as possible, to put forward their further desires with the utmost speed, and to make use of the granted general pardon. For unless one wishes to denounce these lesser chiefs as completely mad and raving, one [illegible]

Dutch transcription

dat mijn verblijf alhier eenig hinder aan de herstelling van de ruste kan toebrengen, zoo is het eene vraage wat of welke kan tog de be„ weegende oorzaak zijn, dat de minder hoofden van de revolte na dat aan hun zoo veele verzoeken zijn toegestaan, na dat men hun heeft doen vraegen welke verzoeken zij nog meer hebben met belofte„ dat die ook na billikheid zullen afgedaan worden en na dat hun al het gepasseerde vergeeven is geworden, nog de minterij aan de gang houden, die hoe langer hoe meer vergrooten, en zelfs tot dadelijkheden overgaan deze vraag is zeer moeilijk te beantwoorden, want was het dat zij eene afdoening van hunne verdere verzoeken begeerden, zoo zouden zij die in brengen waare het mijn verblijf alhier, zij zouden om mijne verwijdering verzoeken, alzoo men op het mondeling verzoek van een verschrikten hoof vier voornaehoofden gearresteerd, vervolgens van hunne ampten ontslagen, en na Gale verzonden heeft, en insge„ „lijks daar na nog den Sabandaar van Belligam wegens de veele tegens hem ingebragte klagten, en het gedaan schriftelijk verzoek zijn er beschuldigers, sonder dat nog eene enkelde van de beschul„ „digingen van de hier vooren gemelde Hoofden nog van den laastge„ „noemde onderzogt; veel minder beweezen zijn, insgelijks van zijn ampt ontzet heeft gehad, in 't welke handelingen deese oproerige= zeer wel konnen nagaan dat men genegen is om alle het mogelijke te doen wat zij begeeren zoo dra een vraege niet direktelijk kan beantwoord worden, zijn 'er middelen aan handen om de beantwoording van eene zulke vraag, zoo niet volkoomen klaar en bewijsbaar t„ maeken, egter tot eene zekere graad van waarscheinlijkheid te bren„ „gen, en in deeze beneeden wareld moet ons bepaald vermits en door zicht, voor op verre na het meeste zich niet het waarscheinlike ver„ genoegen, de meestkundige zelfs, hoen el deeze weetenschap, de hoog„ „ste graad van volmaaktheid en zekerheid onder alle ander berijt heeft, moet zich met het waarscheinlijke in eenigen gevalle te vreeden houden Het is verder ook zeker dat de graad van waarschijnlijkheid niet altvos het 1955 het zelfde is, nog ook dat in verschillende omstandigheeden die zelfde graad van waarschein likheid vereischt word om een en dezelfde hande„ „ling door ons te laaten afdoen verrigtende Imand die over eene geringe diefstal beschuldigt word, zal met de zelfde graad van waarscheinlijk„ „heid, dier er tegens een doodslager legd, vrij gelaten worden, terweil de doodslager gearresteerd en zijn proces ten scherpsten opgemaakt word, zonder dat daarom het recht nog de gerechtigheijd nog de billikheid ge„ schouden word. Deeze premissen hebbe ik nodig geoordeeld voor aftelaten gaan op dat het geene ik verders te zeggen hebbe, uit het waare oogpunt beschout worde, en men mij niet van Roekeloosheid beschuldige. Inge„ „legenheden, in dewelken de belangens van staat te pas koomen; be„ „taamt het ijder die waar en voornamentlijk eenen gebieder om om be„ „wimpeld te spreeken, en terweil uw wel Edeles het wel van hij begeerd hebben, dat ik mijne gevoelens nopens de oorzaeken van dit oproer of aan welke oorzaeken het toe te schrijven is dat dit oproer aan den gang gehouden word openlegge, zoo zal ik daar in met die openhar„ tigheid handelen, waarmeede het een Dienaar betaamt, die geene an„ „dere beweegaedenen kent, dan het wel zijn van land en volk. Hier boven hebbe ik gezegt, dat de vraag wat de beweegredenen konnen zijn, dat de Hoofdader mintelingen het oproer nog aan den ganghouden, niet tegenstaande men ten hunnen opzichte zoo veele bleiken van goed„ „heid en welmenendheid gegeven heeft, zeer moeijelijk te beantwoorden is: meer gemakkelijk is de vraag te beantwoorden, welk belang konnen de Hoofden der muitelingen hebben nadat ze zoo veele bewijzen van toegevendheijd gehad en genooten hebben om dit op roer aan den gang tehouden: Hier op antwoorde ik en ik geloof een ijder met mij volmondig geen enkelde, maar in tegendeel zal een ijder het mij eens zijn, dat het voor hun van het grootste belang is om dit oproer zoo dra mogelijk te stellen, hunne verdere begeertens ten spoedigsten voorttebrengen en gebruik temaeken van het gegeven generaal Pardon, wijl zoo men deeze min„ „dere Hoofden niet geheel en al voor Dol en aazend wil uijtschreeuwen men l al fte,

NL-HaNA_1.04.02_3884_0380 view scan ↗

English

one must suppose that they know very well that by this action of theirs they not only expose themselves to sickness and infirmity, but that they also neglect their livelihoods, thereby surrendering themselves and their wives and children to grief and misery, and moreover bring upon themselves the heaviest punishments and persecutions of their sovereign and the law. The more one considers and reflects upon these reasons, the more one must become convinced that the continuance of this mutiny must be sought from the outside, and that the chiefs of the mutineers have supports upon which they believe they may and can firmly rely, and through whose help they think they will be able to receive compensation for the damages and inconveniences they suffer, as well as to be freed from the punishments stipulated for them according to the laws. The great question is therefore, what can these supports be. It would certainly have to be counted nearly among miracles if, during an ongoing rebellion, one could discover all the secret ways that caused the rebellion and keep it going. Discoveries of this nature are, even in Europe—where all rulers, citizens, and subjects have one and the same interest, and where the form of government is so arranged that he or they who hold the administration in their hands are informed of even the smallest circumstances as soon as they happen—only very difficult to achieve, and few examples will be found where these have been penetrated so quickly. But I think it must be counted among the impossibilities, if there is a general uprising here in Ceilon, such as is currently taking place in this Dessavonie, that one should discover the instigators thereof, since one is a solitary man surrounded by thousands, all of whom are of one nation and whose secrets, even in times of the deepest peace, are almost unfathomable. How many ministers of the Honorable Company have not been misled? One need only take an example from Commander Samlant, whom everyone will certainly praise for having known the Sinhalese, having had the opportunity as commissioner in this Dessavonie to fathom him; and yet, as Commander of Gale, he was afterwards deceived in the most shameful manner by his Maha Mudaliyar, in whom he placed the greatest trust. Everyone who knows the Sinhalese and knows the manner in which he is governed will also know that only very few subjects are needed to throw the entire country into turmoil. However, from this same knowledge, it is also morally and almost even physically impossible that such a general uprising could be incited solely and exclusively by the lesser chiefs, kept going for so long, and continued with such stubbornness. The experience of earlier years has sufficiently taught that there have been no revolts of any note in which more prominent persons have not had a hand. It is for all these reasons that I also proposed in my advice of the 10th of this month to conduct a close inquiry into the conduct of the more prominent chiefs, in order to discover whether there are reasons to suspect that they are the instigators of the mutineers. To institute such an inquiry, I confess, is very difficult, and to conduct this inquiry openly is even dangerous. Nothing remains, therefore, but to consider and weigh their conduct somewhat closely, and to draw a conclusion from it. From the conduct of the mutineers one must certainly conclude either that the chiefs of the Girwaij pattoe, Attepattoe, Beligam Korle, Moruakorle, Gange baddepattoe, the Gajanayake, and the chief of the Four Gravets and charcoal-providing villages are blameless people, against whose conduct and actions nothing can be said; or that these chiefs, although their peoples are in revolt, nevertheless still have such power and influence over them that the people dare not bring forward what they have against them. In not a single complaint are the names of these chiefs mentioned, unless one were to count among the complaints the unsigned libel which none of the mutineers acknowledges or will acknowledge as genuine, and in which the name of the Mudaliyar

Dutch transcription

men veronderstellen moet, dat ze zeer wel weeten, dat zij met dit hun ge„ „doente zich niet alleenig aan ziektens en krankleeden blootstellen maar dat ze ook hun bestaan verwaarlooven, daar door zelfs hun en hunne kinderen en vrouwen aan kommer en elende overgeven, en zich nog boven dien de zwaarste straffen en vervolvingen van hunne landsheer en het recht op den hals haelen. Hoe meer men deze redenen nagaaten overdenkt, des temeer moet men overtuigd worden, dat de voortduuring van deeze „nunterij van buijten af moet gezogt worden, en dat de Hoofden der muij„ „telingen steunsels hebben, op de welken zij vermeenen vastelijk temoogen en te konnen vertrouwen, en door welkers behulp, zij denken de schaa„ „den en ongemakken, die zij leiden te zullen konnen vergoed krijgen, als meede van de straffe, die hun volgens de wetten bepaald zijn, bevaijd te zullen raeken. De groote vraag is dus, welke konnen deze steunzels zijn. Het zoude zeker onder de wonderwerken bij na moeten gerekent worden, zoo men staande een oproer alle de geheime weegen, die den oproer verwekt hebben, en aan den ganghouder, konde ontdekken ontdekkingen van dezen aart zijn zelfs in europa, waar alle Regeerders burgers en onderdaanen een en het zelfde belang hebben, alwaar de regeerings vorm zodanig ingericht is, dat hij of zij, die het bestier in handen hebben, ook van de kleinste omstandigheeden, zo dra die geburen, onderricht worden, niet dan zeer moeijelijk te doen, en wijnige voor„ „beelden zullen er gevonden worden, dat die zoo schielijk door grond zijn geworden, maar ik denke, dat het onder de onmogelijkheeden moet gerekend worden zoo er alhier op Ceilon een en algemeen opstant is, als er tegenswoordig werkelijk in deeze Dessavonie plaats vind. dat men de oorzaekers der zelve ontdekt, alzoo men een eikeld man is die door duisenden omringd is, die alle van eene natie zijn en welkers geheim en zelfs in tijden van de diepste rust bij na ondoorgrondelijk zijn. Hoe veele ministers van de Edele Komp: zijn niet musleid geworden, men neeme alleenig een voorbeeld aan den Heer Komman deur Samlant /:Z: denwelken zeker eenen ijder den lof zal geven, dat 1956 dat hij den singaleer gekend heeft, dat hij als kommissaris in deeze Dessavonie gelegenheid gehad heeft om hem te doorgronden, en egter is hij als kommandeur van Gale daar na door zijne Porta modliaar, op den welken hij het grootste vertrouwen stelde, op de schandelijkste wijze bedroogen. Een ijder die den singalees kent, en de wijze weet hoe„ danig hij bestierd word zal ook weten, dat maar zeer wijnige sub„ jekten nodig zijn om het geheel land in beroerte te brengen uit deze zelfse kennit egter it het ook moreel en bij na zelfs Phisiek onmogelijk, dat 'er eenen zulken algemeenen op stand enkeld en alleenig door de mindere Hoofden kan verwekt, zoo lange aan den gang gehouden en met eenen zulken halsterrigheid voortgezet worden. De ondervinding van vroegere Iaaren, heeft genoegzaam geleert dat er geene revoltes van eenig naam geweest zijn, of meer aanzienelijk hebben er de handen ingehad om alle deze redenen is het dat ik tevens bij mijn advies van den 10„e dezer voorgesteld hebbe om een nauwkeurig onderzoek na het gedrag van de meer voornaeme hoofden te doen, ten einde om te ontdekken, of er oorzaeken zijn, om te vermoeden dat zij de op„ sokkens der muntelingen zijn, Een zodanig onderzoek aante stellen bekenne ik is zeer moeijelijk en om dit onderzoek opentlijk te doen is zelfs gevaarlijk, er schiet dus niets overig, om hun gedaag wat naukeurig te zitten en te overwegen, en daar uit een facitopente„ „maken uit het gedrag der muitelingen moet men zeker dit op maeken, dat de hoofden van de Girwaij pattoe, attepattoe, Beligam Korle, moruakorle, Gange baddepattoe de Gejenaik en het hoofd der vier Gravesten en koolgevende Dorpen onbevlekte luiden zijn op„ welkers gedragen handelingen niets te zeggen valt, of dat deeze Hoofden, hoe wel hunne volkeren in op stand zijn, egter over hun nog een zulken mog en invloet hebben, dat ze het geene zo tegens deeze hebben, niet durven intebrengen. In geen eene klagte worden de naemen deezer hoofden genoemd, of men zoude onder de klagten moeten rekeenen, het ongetekend libel, dat niemand der muntelingen voor egt erkend, of er kennen wil, en waar bij dan de naam van den modliaar en aa„

NL-HaNA_1.04.02_3884_0382 view scan ↗

English

mudaliyar de Saram has been added. On the contrary, the cunning of the mutineers goes so far that they bring against me that which should be laid to the charge of these their chiefs, and shamelessly accuse me of it. From this shamelessness of the rebels, one may meanwhile safely conclude that they lack no courage to accuse whomever it may be, whether true or false, if they only see fit to do so. That all the chiefs who are mentioned above are immaculate people, against whom not the slightest thing could be said, would certainly be a proposition that would be somewhat absurd. Who is there in Mature to whom it is unknown that the mudaliyars Ilangakoon, Gooneratne, and Ekenaike are drunkards? Is it possible that a drunkard can be a well-wisher! I do not speak here of the rest; for what is not openly known to everyone is best kept silent. Yet this is no supposition, but indeed a very certain matter: that if the mutineers were against these chiefs, since no one in the world is spotless, they would certainly have brought a single complaint against them, and yet no complaint is made about them. But on the contrary, some of the mutineers demand the dismissal of the interpreter mohandiram, who is known to the whole world as a man of good conduct, who for three years with untiring diligence has performed all the services of the Mahabadde, while the Mahabadde mudaliyar has spent this time in drunkenness. They demand the dismissal of this man without giving reason for their demand, for where indeed does one find any complaints against him that could justify such a demand? Likewise, some from the assembled crowd demand the dismissal of his father, of his brother, and of his brother-in-law. Those districts which they command, except for the district of the father, do not demand this; they have brought complaints against them, requesting that their complaints may be investigated and justice done to them. Is it not something very remarkable that the mutineers fall exclusively upon a single family and solely desire to be rid of them; that this request of theirs was not made in writing, but solely verbally, and that this request was made with the greatest urgency precisely at a moment when the entire assembled congregation was terrified by a false phantom? Against this conduct of the mutineers regarding the chiefs, I shall test the conduct of the chiefs. From what I have said here it appears more than sufficient that the aforementioned chiefs either have absolute authority over the mutineers (I think at least that it must be a rather absolute authority that I have over someone, if I prevent him, when he breaks all bonds of oath, duty, and fidelity, from complaining about me), or that these chiefs have a strong influence on the mutineers, or stand in the greatest esteem with them. Whichever of these three cases one assumes, it is the same in this case, for these three cases themselves prove that these chiefs, if they wished, could do very much toward stopping the mutiny, and could probably extinguish it entirely, especially after so many proofs of leniency have been given to the mutineers, after most of their desires have been granted in the fullest manner, and after everything has been forgiven them. Notwithstanding all this now, what good have these chiefs done, what have they accomplished, and what benefit has the Honourable Company derived from them at these moments? The circumstances prove this all too clearly. Up to two times these chiefs have been ordered to depart to their districts. The first time after the general complaints and some others from private districts had been answered, at which answering a pardon for what had occurred was also given. What has been the outcome of their mission? That they just went beyond the Four Gravets and returned again, without having spoken to a single man of the revolt. For the second time they were ordered thither, provided with the pardon olas of the Right Honourable Governor. This mission ended just like the first; only the mudaliyar of the Atapattu went as far as Kotawatta [illegible]

Dutch transcription

modliaar ze Saram bij gevoegd is: In tegendeel zoo gaat de sloudheid der nuntelingen zoo verre, dat ze het geene ten laste van deze hunne hoof„ den moet gebracht worden, ten mijnen laste brengen, en mij daarmeede onbeschaamt beschuldigen men mag uit deeze, om beschaemtheid der Rebellen intusschen zeer gerust opmaeken, dat het hun aan geen moed mankeert, om wie hij zij te beschuldigen het zij waar dan vaesch, zoo ze dit maar goedvinden, dat alle de hoofden, die hier bovengenoemd zijn onbevlekte luiden zijn, dat op hun niets het geringste te zeggen, vaet, zoude zeker eene stelling zijn die wat absaad zoude weezen wie is er op mature aan den welken het onbekent is, dat de modliaars Hangakoon, Goeneratne en Ekenaike dronkaarts zijn is het mogelijk dat een dronkaart een goedwensch kan weezen! Ik spreeke hier niet van de overige; want wat niet opentlijk een ijder bekend is, is best tezuijgen dog dit is geene veronderstelling maar wel eene zeer zekere zaak, dat zoo de muntelingen tegens deeze hoofden waeren, wijl niemand in de wereld onbertekt is, zij wel eene enkelde klagten tegens hun zouden hebben, in gebragt en egter word omtrent hun niet geklaegd, maar daar en tegen eischen eenige der muitelingen het ontslag van den tolk mohandiram, die bij de geheele waereld bekend is voor een man van goede Leden, die zedert drie Iaaren met eenen onvermoedigen vleit alle de diensten van de Porta verrigt heeft, terwijl de Porta modliaar deeze tijd in dronkschap door gebragt heeft, zij eisschen het ontslag van deeze man„ zonder reeden van hunne eisch te geven, want waar vind men tog eenige klagten tegens hem, die eenen zulken Eisch zouden konnen wettigen Insgelijks eisschen eenige uit den voorzamelden hoop het ontslag van zijn en vader van zijnen broeder en van zijnen zwager, Die distrikten die sij kommandeeren, uit gesonderd het Distrikt van den vader, eischen dit niet, zij hebben klagten tegens hun ingebragt, verzoeken dat hunne klagten moogen onderzogt, en hun recht gedaan werden, is het niet iets zeer op merkelijks dat de muntelingen enkeld en alleenig over eene enkelde familie vallen, en alleenig verlangen van hun ontslagen teworden. dat dit hun verzoek niet schriftelijk geschied is, maar enkeld mondeling gegaan 1957 gegaan is geworden, en dat dit verzoek met den meesten aandrang ge„ daan is geworden Iust op een tijd stipt, dat de geheele verzamelde ge„ „meente door een valsch i't strovij zel vervaerd is gemaakt. Tegens dit gedrag der muntelingen omtrent de hoofden, zal ik het gedrag der hoofden toelsen uit het geene ik hier gezegt hebbe bleikt meer dan voldoende, dat de hier voorengemelde hoofden of een volstrekt gezag, over de min„ „telingen hebben. /: Ik diensle ten minsten dat het een vrij volstrekt gezog moet zijn, die ik over ijmand hebbe, zoo ik hem, als hij alle de banden van Eed plicht en getrouwigheid verbreekt, tegenhoude om over mij te klaagen :/ of dat deze hoofden een en sterken invloed op de munte „lingen hebben, of bij hun in de grootste achting staan welke van deeze drie gevallen men ook aanneeme zoo is dit in dit geval het zelfde, want dese drie gevallen zelfs bewijzen, dat deeze hoofden, zoo zij wilden zeer veel tot stilstand van de muiterij zouden konnen doen, en die waarscheinlijk geheel zouden konnen blusschen, inzonderheid, na dat aan de muitelingen zoo veele bewyzen van toegevendheid gegeeven, zijn geworden na dat de meeste hunner begeertens op het volkoomens te zijn toegestaan, en na dat men aan hun alles vergeven heeft, niet tegen„ staande nu dit alles, wat hebben deeze hoofden voor goeds verricht, wat hebben zij uitgevoerd; en welk uut heeft, de Edele komp: van hun in deeze oogen blikken getrokken. De omstandigheeden bewij„ zen dit maar ten duidelijksten. Tot twee keeren toe zijn deese hoofden gelast geworden om na hunne Distrikten te vertrekken. De eerste maal na dat de generaele klagten en eenige andere van Partikuliere Distrikten beantwoord waaren, bij welke beantwoording tevens pardon van het gebeurde gegeven was welk is de uitkomst van hunne zending geweest, dat zij even de vier gravetten buijten gegaan en weder terug gekomen zijn, zonder met een enkeld man van de revolte gesprooken te hebben, voor de tweede mael zijn zij gelast na derwaards te vertrekken voorzien van de Pardon sauwas van den wel Edelen groot achtb: heer gouverneur Deese sending is even gelijk de eerste afgeloopen, all eenig is de modliaar van de attepattoe tot na kotewatte eid lle 1 delin rden

NL-HaNA_1.04.02_3884_0384 view scan ↗

English

penetrated Kotewatte, spoke there with a band of drunkards, and, as he says, was likewise forced to retreat. The modliaar Tinnekoon stayed for a few days in the rest house of Kagawatte, and likewise arrived at Tangale having accomplished nothing. The Modliaar Tillekeratne, whose father had already been modliaar of the Kandebaddepattoo, who himself had commanded that district as modliaar, and who was ordered to go thither in order to use his influence as a modliaar of 40 years, and who moreover is of the best descent among all the native chiefs, upon the minds of the inhabitants to bring them to reasonable thoughts, suddenly fell ill and excused himself from the journey. Suddenly he was healthy again when the rebels threatened to invade within the four gravets, and appeared before me to ask for protection. The modliaar de Saram initially refused completely, even offering his resignation, to depart for the second time. What harm, meanwhile, has been done to these chiefs from which they could possibly conclude that it involved any danger for them to venture among their people? Must one not be astonished that the gate of a Dessave of Matara, in the most critical times, and while two commissioners of the Venerable Government of Ceylon are also present, is entirely stripped of chiefs, and that one must send several messages to get a single chief inside, and that one is often dismissed with the word ill? Where does one find evidence of the zeal and the good intentions of the Chiefs? Is there one among them who communicates any reports from the country, who gives the least disclosure of the condition of the rebels, of their intentions, of their sentiments? Are they bound and obligated to all this or not? Who among them is there who shows the slightest zeal to prevent the scarcity of provisions, to relieve it, and to accommodate the soldier? On the contrary, do not all the operations at the gate proceed with the greatest sluggishness? Most of them must at present be carried out with aratchies and appohamies, and it even goes so far at present that olas can no longer be obtained except with difficulty to write down the necessary orders. In examining the conduct of the Chiefs, I occupy myself here solely with their public actions, and indeed with such actions as are known to everyone. A certain aratchie recently said upon the return of the Chiefs from the country, our dessave takes much trouble to discover the causes of the revolt; methinks he might now spare himself further trouble, for if he has not yet discovered them now, he will never discover them. This statement of this aratchie is certainly already too premature, but is it also premature if one concludes from the conduct of the rebels toward the Chiefs, and from the conduct of the chiefs themselves, that the Chiefs in the present circumstances have not been of the slightest use to the Honorable Company, and do not seek to be, but on the contrary show indifference and lack of zeal, notwithstanding that there is every and the greatest reason to suspect, and even to be certain, that they have it in their power to accomplish much good? It is likewise certain that a Chief, if he is not well-intentioned, is a most dangerous person, especially if he has any influence over his subordinates. The last Sinhalese war has, alas, made us see this all too clearly. What then are the rules that prudence prescribes to us? If one has someone who can do good and does not do it, against whom there is some suspicion and probability that he does not wish to do it, and who simultaneously holds power in his hands to be able to do evil, I say, what are the rules that prudence prescribes to us as to how one must deal with such a person in times of troubles and revolt? The simplest and at the same time lowest is this: deprive him of the power to do the evil that he can do, so that he may not do it. Apart from public deeds and actions, there are still thousands of small circumstances that bring an observant person to a certain degree of certainty. The laws very expressly command the judge to pay close attention to them. However, it is unnecessary to dwell upon them here, since I do not in any way wish to appear as an accuser in this matter, and I am also assured that your Honors have observed with the greatest attentiveness all the actions of those who have surrounded, and still surround, your Honors and myself. I hope that in these candid considerations of mine, I have kept in view that propriety which even the lowliest of men can rightfully demand from the first on earth, since it is certainly very hard to be held suspect, especially of crimes that are so ruinous. In order to remain within the bounds of my duty in this regard, I have therefore confined myself solely to public actions. Should I, however, have departed in any respect from my sacred intention never or ever to insult or offend anyone, I hereby declare my sincerest regret in this regard, and I therefore request that these reflections of mine may remain strictly secret, if it is thought that no use can or should be made of them for the benefit of the Honorable Company and for the cessation of the troubles that have so severely devastated the fortunate and so blessed provinces of this Dessavony for nearly two months now, and that they are entirely unnecessary for that purpose. What I have said, I have done because I believed that I, on this account, by virtue of

Dutch transcription

kotewatte door gedrongen, heeft aldaar met een hoop dronkaarts gesproo„ „ken, en is wedergelijk hij zegt gedwongen geworden, om terug letteeren De modliaar Tinnekoon heeft zich in het rusthuis van Kagawatte eenige daegen opgehouden, en is insgelijks onverrigter zaeke op Tan„ „gale aangekomen De Modliaar Tillekeratne, wiens vader reeds modliaar van de kandeb addepiettoe geweest is, die zelfs als modliaar dat distrikt heeft gekommandeerd, en den welken gelast word, om na der„ waards te gaan, ten einde zijn invloed als een 40. Iaerig modliaar, en die boven dien onder alle de Inlandsche hoofden van de beste afkomst is, op de gemoederen der ingezetenen te gebruiken en hun tot redelijke ge„ dagten te brengen word eens klaps ziek, en verschoont zich van de reize Eens klaps word lij ook weder gezond, toen de muntelingen binnen de vier gravetten drijgden intevallen, en verscheind bij mij om beschei„ ming te vraegen, De modliaar de Saram wijgerde in den beginne volstrekt en zelfs onder aanbieding van zijn ontslag, om voor de tweede maal te vertrekken. welk leed is en tusschen aan deeze hoofden geschied, waar uit zij met eenige mogelijkheid konden opmaeken dat het voor hun met eenig gevaer gemengt ging om zich onder hunne volkoren te be„ geven moel men sich niet verwonderen, dat eene porta van een Des„ „save van malure in de haggelijkste tijden, en terwijl twee kommis„ sarissen van de Gevenereerde Ceilousche regeering tevens present zijn, geheel en al van hoofden ontblood is, en dat men verscheidene boodschap„ „pen moet zenden, om een enkeld hooft binnen te krijgen en dat men veelmaals met het woord van ziek. afgeweesen word. waar vind men blijken van den ijver en van de welmeenendheid der Hoofden, is 'er eene onder hun, die eenige berichten uit het land meede deeld, die de minste opening heeft van de toestand der muitelingen van hunnre voornemens van hunne gezinningen zijn zij tot dit alles gehouden en verplicht of niet, wie onder hun is er die de geringsten ijver doet blijken, om de schaarsheid der levens middelen voor tekomen, die aftehelpen en den soldaat te gemoed te koomen. Gaat daar en tegen alle de verrigtingen aan de porta niet met de grootste traagheid voort: de meeste der zelven moeten voor het tegenswoordige met araties en appochanies uijt ge„ „voerd 1958 „voord worden, en zelfs gaat het tegenswoordig zoo verre, dat er geen classen meer dan met moeite te bekomen zijn om de nodige orders op te schrijven. Ik houde mij hier bij het toetsen van het gedrag der Hoof„ den alleenig met hunne opentlijke bedrijven op, en wel met zodanige bedrijven, die aan een ijder bekent, zijn, zeker aratie zeide onlangs bij de terugkomst den Hoofden uijt het land onze dessave doet veel moeite om de oorzaeken van den oproer te ontdekken mij dunkt dat hij nu wel die moeite verders spaeren mogt, want zoo hij die nu nog niet ontrekt heeft, zal hij zo nimmer ontrekken. Deeze utspraak van deeze aratie is zeker reets te voorbarig, maar is het ook voor„ baarig zo men uit het gedrag, der muntelingen tegens de Hoofden, en uijt het gedaag der hoofden zelfs besluit dat de Hoofden in de tegenswoordige omstandigheeden van geen het minste nut voor de Edele komp„s geweest zijn, en het niet zoeken te zijn, maar daar en tegen onverschilligheid en ijverloosheid toonen, niet tegenstaande er alle en de grootste redenen zijn om te vermoeden, en zelfs om zeker testellen, dat zij het in hun magt hebben, om veel goeds te verrichten. Het is insgelijks zeker, dat een Hoofd, zoo hij niet welmeenende is, een aeler gevaarlijkst mensch is, inzonderheid zoo hij eenig invloed op zijne ondergeschikten heeft, De laatste sin„ galeese oorlog heeft ons dit helaas maar alte zeer doen zien. welke zijn nu de regulen die de voorzichtigheid ons voorschrijfft„ zoo men ijmand heeft, die goed kan doen, en het met doet, tegens wien eenige vermoeden en waarschemlijkheid is, dat hij het net wil doen, en die gelijk tijdig magt in handen heeft, om kwaed te konnen doen, ik zegge welke zijn de regulen die de voorzig„ tigheid ons voorschrijft, hoedanig men met een zodanig mensch moet handelen in tijden van beroertens en oproer de eenvoudig„ ste en tevens Iaghste is deeze, ontneemt hem de magt om het kwaad, dat hij doen kan, te doen, op dat hij die niet doe. Behalven roo Behalven de opentlijke bedrijven en handelingen zijn er nog duizende klijne omstandigheeden, die den opmerkzaemen mensch tot eene zekere graed van zekerheid brengen. De wetten beveelen wel zeer Expresselijk dan den rechter om op die een nauwkeurig acht te slaan, Het is egter onnodig om hier zich met dezelve optehouden, vermits ik in geenen deele in deeze als een aanklager wil verschei„ „nen, en ik ook verzeekert ben, dat uwel Edeles met de meeste op lettendheid alle de handelingen van hun, die uwel Edeles en mij omringt hebben en nog omringen, hebben gade geslaegen. Ik hoope dat ik bij deeze mijne vrijmoedige overwegingen, die betamelijkheid zal hebben in het oog gehouden, die ook de geringste der menschen met recht van den eersten der aarde kan eischen alzoo het zeker zeer hand is om susspekt gehouden te worden, inzonderheid aan misdaaden, die zoo verdertlijk zijn. Ik hebbe om binnen de paalen van mijn plicht ten deezen te bleiven mij dus alleenig ook maar bepaald tot opentlijk bedrijven. magt ik egter mij in deezen in eenige opzichte van mijn geheiligt voorneemen, om niemand ure hij zig immer ofte ooit te beledigen, ofte kwetzen, verwijdert hebben zoo betuike ik hier omtrent mijn opregste leedwesen en ik verzoeke dus dat deeze mijne overdenkingen steels gehein moogen blijven, zoo men denkt, dat van dezelve ten nutte van de Edele komp: en tot stilstand van de be„ roertens, die de gelukkige en zoo gezeegende Provintien van deeze Dessavonie zedert nu bij na twee maanden zoo zeer verwoesten, geen gebruik kan of moet gemaakt worden en daar toe volstrekt onnodig zijn, wat ik gezegd hebbe, hebbe ik gedaan, wijl ik vermeende, dat ik hier toe ut hoofd 1 van

NL-HaNA_1.04.02_3884_0387 view scan ↗

English

1959 was bound by my oath and duty. I have the honor to be with the greatest respect, beneath stood, Gentlemen, Your Honorable’s very humble servant, was signed, C: van Angelbeek, in the margin, Mature the 15 June 1790, beneath stood, Agrees, was signed, M: F Palm authorized Agrees Sijbrands clerk Examined Pompeus 1960 To the Honorable Ruling Lord Master Christiaan van Angelbeek, Senior Merchant and Second of the Galle Commandment as well as Dissava of these lands, etcetera. Honorable Ruling Lord, In compliance with Your Honorable Ruling Lord's much-honored verbal order, we the undersigned have proceeded to the Seigniory of Dondure, and there surveyed the cinnamon, areca, and sappanwood trees and plants found in the below-mentioned cinnamon gardens of the dismissed Maha Vidana Mohandiram over the fishermen of Tangale, Dikwille, Gandure, and Dondure thotam, as well as of the also dismissed Maha Vidana of Dondure, as is indicated below in all deference, as follows: In the cinnamon garden named Naremoelle koerondoe watte, situated between Ganderawatte and the Seigniory of Dondure, which by estimation contains 10½ morgen, and on the south side is provided with a proper tied hedge, and on the other three sides with green hedges, yet is overgrown with brushwood, and found planted by Widje Wiere Maha Vidana Mohandiram: 2859 young cinnamon trees 12278 ditto plantlets 15137 together In the cinnamon garden named Gorkegahawatte, situated in the Seigniory of Dondure itself, which by estimation contains 5 morgen and is provided with a proper hedge and ditches, yet is overgrown with low brushwood, and planted by the above-mentioned Maha Vidana Mohandiram and the Maha Vidana of Dondure Abraham Widse Wiere Goenewardene Wickremeratne, although 1961 although the Maha Vidana testifies that the same was found planted by him alone: 622 peelable cinnamon trees 9142 young ditto 5746 ditto plantlets 25510 together, in addition to 696 areca plantlets and 54 young sappan trees, the said planting having been done at a distance of 1, 2, 3 to 4 feet from each other for the cinnamon and 6, 8 to 10 feet for the areca, but the sappan and said areca trees stand planted along the hedge. And whereas the plantations are laid out on mountainous ground, the undersigned assume that the plantings will not thrive well, although they are currently found to be in somewhat flourishing state. Herewith we trust to have dutifully fulfilled the highly honored intention of Your Honorable Ruling Lord, and Examined Pompeus and we therefore further take the liberty to sign this with the most dutiful deference and high esteem, beneath stood, Honorable Ruling Lord, Your Honorable Ruling Lord's most humble servants, was signed, C: Reethmiller and H: P: C: Schwallie, in the margin, Mature the 2 April 1790, beneath stood, Agrees, was signed, M: F Palm authorized Agrees 1962 Mature To the Honorable Ruling Lord Master Christiaan van Angelbeek, Senior Merchant and Second of the Galle Commandment as well as Dissava of these lands. Honorable Ruling Lord, Upon receipt of Your Honorable Ruling Lord's order contained in the letter of the 14th of this month, accompanied by a copy of the mandate ola to the mutinous inhabitants of this pattu, which order shall be properly fulfilled as soon as circumstances of time permit it in any way. Concerning the receipt of the paddy in the Tangalle Warehouse, I likewise have the honor most respectfully to report to Your Honorable Ruling Lord that the same in my time, besides the customary heap with a cross strike on each double parra, was struck level so that the iron of the parra was covered with paddy, and one medid on each double parra was received for spillage for the warehouses; besides that, nothing more was demanded or delivered from the renters. With which I remain with all deference, beneath stood, Honorable Ruling Lord, Your Honorable Ruling Lord's entirely obedient servant, signed, H: Brinkman, in the margin stood, Baddegirie the 19 June 1790, beneath stood, Agrees, was signed, M: F: Palm authorized Agrees Sijbrands clerk Examined 1963 To the Honorable Ruling Lords Dietrich Thomas Fretz, Senior Merchant and Dissava of the Colombo Outer Districts, and the Honorable Abraham Samlant, Merchant and Trade Bookkeeper of the Ceylon Government, currently acting in the authority of the Dissavony of these lands. Honorable Ruling Lords, Herewith I have the honor to thank Your Honorable Ruling Lords in all deference and submissiveness most humbly for the communication made regarding the appointment of the Honorable Chief Administrator of the Ceylon Government, Petrus Matheus Raket, as Dissava of these lands; furthermore, I have the honor very humbly to bring to knowledge that no written order exists here concerning the receipt of paddy, but only

Dutch transcription

1959 van mijn Eed en Plicht gehouden was. Ik hebbe de eere met de meeste achting te zijn /:onderstont:/. Mijne Heeren uwer wel Edeles zeer Dienstwilligen Dienaar /: was getekent:/. C: van Angelbeek /:in mar„ gine:/ Mature den 15 Iunij 1790 /:onderstont:/ Akkor„ deert /:was getekent:/ M: F Palm geauthoriseerde Accordeert Sijbrands liklerk nagezien Pompeus 1960 Aan den wel Edele Gebiedende Heer M=r Christiaan van Angebbek, opperkoopman en sekunde van 't gaels commandement mitsga„ ders dessave deezer Landen f=rra Wel Edele Gebiedende Heer In opvolginge van uwer wel Edele Gebiedende veel g'eerde mondeling bevel hebben wij onder„ geteekendens ons begeeven na de Heerlijkheijd van Dondure en aldaar, de in de natemeldene kaneel thuijnen van den afgezette Maravi„ daan= mohandiram over de vissers van Tangale, Dikwille; Gandure en De ondu„ re towel als van de meede afgezette Ma„ hairdaan van D'ondure gevondene kan„ neel Arreek en sapanhoute boomen en planten, opgenoomen gelijk hier onder in alle eerbied werd aangeweezen, als volgd. In In de kanneel tuijn gen:t Naremoelle koe„ rondoe watte, geleegen tusschen Ganderawat„ te en de Heerlijkheid van D'ondure welke nagissing 10½. Morgen beslaet, en aan de Z=d hand met een behoorlyke aangebonde„ ne pagger, en aan de overige Drie zijden met groene paggers voorzien, dog met bosgagie bewassen is, en door widje wiere mahavidoen= mohandiram beplant gevonden. 2859. Jonge, kanneel boomen d=o — plantjes de 270. 15137. te zaamen In de kaneel tuijn gen:t Gorkegahawalte geleegen in de Heerlijkheid van Deondure zelve, dewelke na gissing, 5. morgen bestaet en met behoorlijke pagger en gragten voor„ zien, Doch met kreupel bosgagie bewassen is, en door boovengem: Mahavidaan mo„ „ handiram en de Maravidaan van De„ ondure Abraham widse wiere Goene„ wordene wickremeratne beplant, hoewel 1961 hoewel de Mahavidaen betuigd dat de„ zelve door hem alleenig is bepaart ge„ vonden. 622: schilbaere kanneel boomen do 9142. Jonge. . . . d=o 5746. d=o plantjes in 25510. te zaamen neevens nog 696. Areeks plantjes en 54. Jonge sappan boomen sijnde gemelde aanplanting gedaan op een distantie van 1. 2. 3. â 4. voeten van elkan„ der de kanneel en 6: 8. â 10. voeten de ar„ reek, dog de sappan en gem: arreeks boomen staan langs de pagger beplant En Dewijl de plantagies aangelegd zijn op berg achtige grond, subtineeren de onder„ geteekendens dat de aanplantingen niet wel opkoomen zullen hoewel dezelve thans eenigzints in een floriszante staet bevind. Hier meede versoopen wij aan de hoog geeerde intentie van uwel Edele Gebie„ dende schuldpligtig te hebben voldaan, en „ nagezien Ponepeus en mategen dus wijders de vrijheid aan dee„ ze met de verschuldigste Eerbied en hoog agting te ondertijkenen /:onderstond:/ wel Edele Gebiedende Heer uwer wel Edele Gebiedende aller ootmoedigste Dienaer /:was getekend:/ C: Reethmiller en H: P: C: Schwallie /:in margine:/ Mature Den 2. april 1790. /:onderstond:/ Accordeert /:was geteekend:/ M: F Palm geautho: Accordeert 1962 Mature Aan den wel Edelen Gebiedende Heer M:r Christiaan van Angelbeek, opperkoopman en sekunde van het Gaals commandement mitsgaders Dessave deeser Landen Wel Edele Gebieden de Heer Op den ontvangst uwer wel Edele Geb: order vervat bij brieve van den 14. deeser ver„ zeld van een afschrift mandaet ola aan de muijtende ingezeetenen van deeze Battoe, aan welke order behoorlijk zal voldaan worden, als de omstandigheeden van tijd 't maer eenigzints toe, laeten Nopen den ontfangst der Nelij in 't Tan„ gaels Pakhuijs, hebbe als meede D'eere uwer wel Edele Geb: eerbiedigst te berig„ ten, als dat dezelve bij mijnen tijd be„ halven de gewoonlijke overmoet met een kruijs slag op ider Dubbelde parra„ een igsints dat de ijzer van de parra met nelij nelij bedekt afgestreeken, en een medied op ider Dubb: parra tot spillagie voor de pak„ huijsen is ontvangen worden behalven dien is van de pagters niet meer geijscht of geleeverd worden. waarmeede verblijve met alle Eerbied /:on„ derstond:/ wel Edele Gebiedende Heer uwer wel Edele Gebiedende Gantsch gehoorzaam Deenaer /:geteekend:/ H: Brinkman /:in„ margine stond:/ Baddegirie Den 19 Junij 1790. /:onderstond:/ Accordeert /:was geteekend M: F: Palm geauthd: Accordeert Sijbrands egkeerk Comfoers: nagezien 1963 Aan den wel Edelens Gebiedende Heeren Dietrich Thomas Fretz: Opperkoopman en Dessave der ko„ lombose ommelanden, en Den wel Edelen Gestr: Heer Abra„ ham Samlant koopman en Negotie Boekhouder van het Ceilonse gouvernemend tans waerneemende het gezag der Des savonij dezer Landen Wel Edele Gebiedende Heeren Hier nevens heb ik de eere uwel Edelens Gebie„ dende in alle eerbieden onderdanigheid zeer ootmoedigst te bedanken, voor de gedaane communikatie van de aanstelling van den wel Edelen Gestr: Heer Hoofadministrateur der Ceilonse gouvernements, Petrus Matheus Raket, tot Dessave dezer Landen, voorts heb ik de eer zeer nedrig ter kennis te brengen, dat alhier geen schriftelijke ordre legd aangaan„ de het ontvangst van nelie maar alleen„ lijk

NL-HaNA_1.04.02_3884_0398 view scan ↗

English

the same is received according to ancient custom in the manner as my predecessor The Honorable Brinkman has received, namely: The lease paddy, both from the other as well as ottu fields that are leased out during the leasing, is measured with a double parra with a cross strike. The parra is struck off slightly more than a straw's breadth above the iron, with one koernie added for overmeasure and one mediet for spillage, so that all calculated together amounts to 12 koernies, thus each amanam comes to 48 koernies. From the lease conditions resting at Mature, it will also appear that the lessees must deliver their lease paddy at 48 koernies per amanam. The one-tenth duty of the village Nallegamme, which has been ceded by admodiation to be delivered by the owners of the fields at the rate of one amanam for every amanam in extent, and from the other villages half an amanam for every amanam in extent, is likewise received with a double parra, struck off in such a manner that the amanam amounts to 49 koernies. The one koernie from each amanam is for the undersigned, for the writer, and for the grain measurer. Upon the shipping off and selling of paddy, it is always measured out again from ancient times with a cross strike. The overmeasure is accounted for to the Honorable Dessave, so that for the remeasuring and carrying in of the new paddy, as well as for the damage done by the rats, one mediet, and then that small amount struck off above the iron, remains for spillage. To the highly honored letter from the Honorable Dessave van Angelbeek concerning this question, I had the honor to reply properly on 28 May last; the said letter must certainly not have reached its destination. I have no Lascorins at the post to convey letters. The forwarded letter for The Honorable Resident, I caused to be delivered to one who was about to depart for the Baddegerie, in order to convey the same to The Honorable Brinkman. Otherwise, I have the honor to subscribe myself with all high esteem, below stood, Right Honorable Commanding Lords, Your Honors' humble and obedient servant, signed, F. E. Scheffeler, in the margin, Tangale the 22nd of June Anno 1790, below stood, Agrees, signed, M. F. Palm, authorized, lower, Agrees, M. F. Palm, authorized. Agrees, Sijbrands, Sworn Clerk. Examined, Pomepeut. No. 1 Translation of a Sinhalese sannas ola, sent by the Honorable Dessave van Angelbeek to the headmen, vidanes, and mayorals of the Gangebadde pattu and of the Four Gravets, concerning the sowing work, dated 23 February 1788. 2. Translation of a Sinhalese sannas ola, addressed to the headmen, vidanes, and mayorals, together with the inhabitants of all the korles, pattus, and seaports belonging under the Maturese Dessavony, concerning the sowing, dated 14 April 1788. 3. Translation of a Sinhalese sannas ola sent by the Honorable Dessave van Angelbeek to all the headmen of the Gangebadde pattu, dated 29 March 1789. 4. Draft mandate ola from the Right Honorable Governor of Ceylon to the major and lesser inhabitants of the korles and pattus of the Dessavony of Mature, Register of the following translations, sannas olas, draft mandates, etc., as, concerning the sending of commissioners, dated 29 April last. No. 5. Translation of a sannas ola from the undersigned commissioners sent to all the inhabitants of the Four Baygams for their information regarding their departure for Malimande, dated 4 May last. 6. Draft sannas ola sent by the commissioners to all the inhabitants of the Maturese Dessavony to announce that they will go to Malimande to hear complaints, etc., dated 4 May last. 7. Draft sannas ola, sent by the Right Honorable Commander to the mutineers of this Dessavony, containing the announcement that they may present their grievances to the commissioners, dated ... May last. 8. Translation of a sannas ola sent by the undersigned to the headmen, lesser headmen, and all the inhabitants of the Gangebadde pattu, containing the order to dam the Great River and to perform all further services for the cultivation of the fields, dated 22 May last; such olas having also been sent to the other districts. No. 9. Draft mandate ola, sent by the same to all the principal and lesser headmen, together with the other inhabitants of the Dessavony of Mature, containing the settlement of their principal complaints, dated 28 May last. 10. Translation of a mandate ola sent by the same to the lesser headmen and inhabitants of the Belligam Korle for further assurance that they do not need to go to Baddegirye, dated the 1st of this month. 11. Translation of a sannas ola sent by the same to the lesser headmen and all the inhabitants of the Giruwaypattu, whereby it is shown to them that although some articles of the Girway are indeed included in the mandate of 28 May, their further complaints will also be dealt with later, dated the 1st of this month. No. 12. Translation of a sannas ola sent by the Honorable Dessave van Angelbeek to the assembled riotous inhabitants of this Dessavony, containing the assurance that His Honor will not cause any harm to anyone on account of what has passed, dated the 2nd of this month. 13. Mandate ola sent by the Right Honorable Governor of Ceylon to all the headmen and inhabitants of the Morruakorle, whereby they are henceforth promised eight stuivers for a pound of cardamom, and that the advance of 50 percent on the returned pannams will be refunded, dated the 2nd of this month. 14. Ditto, sent by and to the same, dated the 2nd of this month, whereby the mandate of 28 May is ratified. 15. Draft mandate ola by the commissioners for the information and observance of the mudaliyar, bitmeraals, and lesser headmen, together with

Dutch transcription

„lijk word dezelve volgens oud gebruik op de ma„ „neere ontvangen gelijk als mijn voorzaet DE: Brinkman ontvangen heeft namelijk. De pagt nelie, zoo wel van de andere als ottoe vel„ den, die bij de verpagting verpagd word, word met een dubbelde parra gemeeten met een„ kruis slag, de parra word iets meer als een stroohalm boven het ijzer afgestreeken, daar bij een koernie overmaed, en een mediet voor spillagie, zoo dat alles te zaamen geree„ kend met 12. koernies uitmaakt, alzoo komt ieder amm: op 48. koernies, bij de pagt konditie, op Mature berustende zal ook blijken dat de pagters hunne pagt ne„ lie tegens 48. koernies, voor de amm: moet leeveren, de een tiende geregtigheid, van het Dorp Nallegamme, dewelke per admo„ diatie afgestaan zijn, om door de Eijgenaers van de velden, de geregtigheid voor ieder amm: groote Een amm: en van de andere Dorpen voor ider amm: groote, Een halve amm: te leeveren, word als meede met een dubbelde parra ontvangen zodanig afgestreeken, dat de 1964 de amm: 49. koernies uitmaakt, de eene koer„ nie van ider amm: is voor de ondergetekende, voor den schrijver, en voor den graan meeter Bij het afscheepen en verkoopen van nelie word hier altoos van oude tijden af met een kruis slag weeder uitgemeeten De over maat word aan den wel Edelen Geb: heeren Dessaves ver„ antwoord, zoo dat voor het weeder overmee„ ten en indraagen, van de nieuwe nelie, als meede voor de schaade, dat door de rotten ge„ daan word, Een mediet, en dan dat wijnige dat boven het ijzer afgestreeken word, tot spillagie over schied. Op de hoog g'eerde letteren van den wel Edelen Geb: Heer Dessave van Angelbeek, nopens dee„ ze vraeg heb ik de eere gehad, op den 28 maij J:L: behoorlijk te beantwoorden, gemelde brief zal zekerlijk niet te zegt gekoomen zijn. Ik heb geen Lascorijns op de post om brieven overbrengen, de toegezondene Brief voor DE: Resident, heb ik aan eene laeten bestel„ len, die de Baddegerie stond te vertrekken, om dezelve aan DE: Brinkman te bezorgen overigens Overigens heb ik de Eere met alle hoog agting te onderschrijven /:onderstond:/ wel Edele Gebie„ dende Heeren uwer wel Edelens onderdanige en gehoorzame Dienaer /:geteekend:/ F: E: scheffeler /:in margine:/ Tangale Den 22. ' Junij A:o 1790. /:onderstond: Accordeert /:ge„ tekend:/ m: f: Palm gauth:/ Lager:/ Accor„ deert m: f: Palm geauth: Accordeert Sijbrands VEiglerk nagezien Pomepeut 1965 N:o 1 Translaat singaleeze sannas ola, door den E: Heer dessave van Angelbeek aan de Hoofden, vidaens en Majoraals van de Gangebadde pattoe en van de vier Gravetten afgezonden Nopens het Zaaijer Swerk gedateerd 23. februa„ rij 1788. „ 2. Translaat singaleese sannas ola, Gerigt aan de Hoofden vidaans en Majoraals Nevens de ingezeetenen van alle de korles, pattoes en zeehavens, sorteerende onder de Matu„ reese dessavonij nevens het zaaijen ged:t 14 April 1788. „ 3. Translaat singaleese sannas ola door den E. Heer dessave van Angelbeek aan alle de hoofden van de Gangebadde paltoe afgezonden, ged:t 29. Maart 1789. „ 4. Concept Mandaat ola van den wel Edelen Groot Achtbaaren Heer Ceilons Gouverneur aan de Groote en Mindere ingezeetenen van de korles en Pattoes der dessavonij van Matu„ Register van de ondervolgende Translaaten Sannas vleessen consept Mandaeten Etc:a als. re „re Nopens de sending van kommissarissen ged:t 29. April J:o L. N=o 5. Translaat sannas ola van de ondergeteekende kommissarissen weegens hun vertrek na Ma„ limande tot Narigt aan de Gezamentlijke inwoonders van de vier Baijgans gezonden ged:t 4. Maij J:o Leeden. „ 6. Cencept sannas ola door kommissarissen aan de gezaamentlijke inwooners van de Matureese Dessavenij gezonden ter be„ kendmaking dat zij na Malimande zul„ len gaan ter aanhooring van klagten Etc:a ged:t 4. Maij Jo Leeden „ 7. Concept sannas ola, door den E: E: Achtb Heer kommandeur aan de muitelingen van deeze dessavonij gezonden in houdende bekendmaking dat zij kunnen beswaa„ ven aan kommissarissen kunnen op„ geeven ged:t. . . . Maij Jleeden. „ 8. Translaat sannas ola door de ondergetee„ kenden, aan de Hoofden mindere Hoofden en gezamentlijke Inwooners van de Gange bodde pattoe gezonden houdende ordre 1966 ordre om de Groot Rivier afte dammen, en alle verdere diensten te verrigten ter bewerking van de velden ged:t 22. maij J=s: zijnde ook zulke soemas na de andere distrikten gezonden N=o 9. Concept Mandaet ola, door als Even aan de Gezaamentlijke Principaale en Mindere Hoofden, nevens de verdere inwooners der Dessavonij van Mature gesonden Houden„ de afdoening hunner Principaalste klag„ ten ged:t 28. Maij Jo leeden. 10. Translaat Mandaat ola door als Even aan de mindere hoofden en Ingezeetenen van de Belligam Corle gezonden ter Nadere verzeekering dat zij niet na Baddegirje behoeven tegaan ged:t 1:te dezer. „ 11. Translaat sannas ola door als Even aan de mindere hoofden en Gezaamentlijke inwoonders van de Giroewaipattoe ge„ zonden waar bij hun aangetoond word dat wel de gelijk bij de Mandaat van den 28. Maij ook enige artikels van de girwai staan, en dat hunne verdere klagten ook „ ook nader zullen afgedaan worden ged:t 1. te deeser. N:o 12. Translaat sannas ola door den E: Heer des„ save van Angelbeek aan de raemen gerot„ tene ingezeetenen deezer dessavonij gezon„ den behalsende verzeekering dat zijn Edele wegens het gepasseerde niemand eenig leed zal doen ged:t 2=de deeser „ 13. Mandaet ola door den wel Edelen Groot Achtb Heer Ceilons Gouverneur aan de gezaementlijke Hoofden en Ingezeete„ nen van de Morruakorle gezonden waar bij hun voortaan Acht stuijvers voor het pond kardamom beloofd word, en dat het advans van 50. perC:to op de terug ge„ leeverde pann: terug gegeven zullen wor„ den ged:t 2:de dezer. „ 14: d=o door en aan als Even gezonden ged:t 2. dezer waar bij de Mandaet van den 28. Maij Geratificeerd word. „. 15. Concept Manelaat ola door kommissarissen tot Narigt en observantie aan de Mod„ liaar Bitmeraals en Mindere hoofden nevens

NL-HaNA_1.04.02_3884_0405 view scan ↗

English

1967 together with the collective inhabitants of the Gerrewaipattoe, concerning the settlement and stipulations of their filed complaints, dated the 9th of this month. No. 16. Mandate sent by commissioners to the collective Minor Headmen and further inhabitants of the Magampattoe for their information and observance, dated the 10th of this month, containing the settlement of their complaints. Mature, the 25th of June 1790. /:was signed:/ D: T: Fretz: Agrees. Sijbrands First Clerk Checked Compart 1968 Translation of a Sinhalese sannas ola. To the Headmen, vidanas, and majorals of the Gangebadde Pattoe of the Four Baygams, and to all those whom it may in any way concern, the following order is given. The sowing fields situated in the villages belonging to the aforementioned pattoe for the account of the minor harvest have, due to the negligence of the headmen and through the disobedience of the inhabitants, not been sown in proper time, whereby not only to the Honorable Company but also to the inhabitants great damage and detriment have been caused, of which I am fully informed and convinced. According to the instruction, the low lands should have been tilled, sown, and the sowing work brought to an end three or four days before, and the high lands before the approaching Sinhalese New Year. The good orders of the Right Honorable, Highly Esteemed Lord Governor, as well as mine, ought to have been respected and taken to heart, considering what benefits would thereby have been caused both for the Honorable Company and for the inhabitants if the low and high lands had been sown in proper time as stated above. After an investigation of matters, the headmen as well as the inhabitants shall be properly punished. Thus was this written and sent on the 23rd of February 1788 by the Right Honorable Ruling Lord High Dessave of Mature. At the head of the ola was signed: C: van Angelbeek. /:underneath was written:/ For the translation, Mature, the 14th of June 1790. /:was signed:/ J: M: Walter, Sworn Clerk. /:in the margin:/ For the translation /:signed:/ D: S: Senerat, Sworn Second Interpreter. /:underneath stood:/ Agrees. /:was signed:/ M: F: Palm, authorized. Agrees. Sijbrands First Clerk Checked Tampent 1969 To the Headmen, vidanas, and majorals, together with the inhabitants of all the korles, pattoes, and gravets sorting under the Dessavony of Mature, and to those whom it may in any way concern, the following orders are given, as well for the benefit of the Most Honorable Company as for the subsistence of the inhabitants: that they must have the sowing fields tilled, prepared, and sown by the inhabitants in proper time without loss of time; that when the sowing work is delayed and the time has passed, great damage and detriment must necessarily be caused thereby both to the Honorable Company and to the inhabitants, of which I have been fully informed. For which aforementioned reason, I give the order to take the same well to heart, to respect, and to observe it. Thus, on the 15th of the said month, the sowing work must begin; Translation of a Sinhalese Sannas Ola. and from the 5th of July onward, the low lands must be tilled and sown, and by the 15th all work must be completed, so that by high water not much crop of the low lands shall be lost, which must be sown by the last of July or the 5th of August, and the sowing work must come to an end. Likewise, regarding the high lands which ought to be sown with fine paddy, an end must also be made before the new moon of the month of October. If the sowing grounds are treated in such a manner, great benefits will be brought to the Honorable Company as well as to the inhabitants. In order to be able to know whether the aforementioned sowing fields have been sown or not, we shall have information gathered thereof by faithful commissioners. And when we shall come to know that against our order, whether by the headmen or by the inhabitants, disobedience has taken place, the guilty parties shall, after investigation of matters, truly be punished without any forgiveness, 1970 so that our given good orders are taken well to heart; everything is ordered once more for the second time. Thus was this written and sent on the 14th of April 1788. /:underneath was written:/ For the translation, Mature, the 14th of June 1790. /:was signed:/ J: M: Walter, Sworn Clerk. /:in the margin:/ For the translation /:signed:/ D: S: Senerat, Sworn Second Interpreter. /:underneath was signed:/ M: F: Palm, authorized. Agrees. Sijbrands First Clerk Checked Dompuel 1971 To all the headmen, the minor headmen, and inhabitants of the Gangebadde Pattoe, and to whom it might in any way concern, these orders are given for their well-being. Since the good orders given by me in the past year for the furtherance of the sowing work have, through the negligence of the inhabitants of the said pattoe, been neglected and not properly complied with, whereby the great benefits which the Honorable Company and inhabitants would otherwise have had were for the most part lost, and the great scarcity arising therefrom has remained entirely not unknown to me, everyone is hereby commanded and ordered that all the sowing fields belonging under the villages of Attoedawe, Paletoewe, Wallegiddere, Nadoegolle, Baddoelle, Pedeegodde, Holpe, Bandattere, Kapoedoewe, Riadde, Polletoegodde, Palle Apperacke, Dijagaha, and Naviddoewe, together with all the villages of Bahalewallekadde, which in high water are flooded Translation of a Sinhalese sannas ola.

Dutch transcription

1967 nevens de gezaamentlijke ingezeete„ nen der Gerrewaipattoe gezonden Nopens de afdoening en bepalingen hunner in gebragte klagten ged:t 9. dezer. N=o 16. Mandaat door kommissarissen aan de ge„ zaamentlijke Mindere Hoofden en ver„ dere ingezeetenen van de Magampattoe ter hunner naricht en observantie ge„ zonden ged:t 10. dezer houdende afdoening hunner klagten Mature den 25. Junij 1790. /:was getee„ ƒ kend :/ D: T. Fretz: Accordeert Sijbrands Egklerk t Compart nagezien ƒ 1968 Translaat singaleese sannas ola Aan de Hoofden vidaans en Majoraals van de Gange bad de pattoe van de vier Baij„ gams en aan al de geenen die het Eenig„ zints aangaat, word deeze volgende or„ dre gegeeven. De Zaaijvelden Geleegen in de dorp en Gehoo„ vende tot voormelde pattoe voorreekening van den kleinen oogst zijn door nalatig heid van de hoofden en door ongehoorzaam„ heid der inwooners niet ter behoorlijken tijd bezaaid geworden, waar door niet alleen aan DE: Comp:e maar ook aan de Ingezeetenen Groo„ te schade en nadeel is veroorzaakt van aan het welk ik ten vollen onderigt en overtuigd ben. Volgens instruktie hadden de lage gronden drie arvier daagen bevoorens, en de hooge gronden voor het aankomende singaleese nieuwe Jaar moeten bearbeid bezaaid en een Einde met het zaaijers werk gemaekt zijn geworden. De Goede ordres van den welEdele Gestr: Groot Achtb: Heer Gouverneur zo wel als de mijne hadden hadden moeten gerespecteerd en ter harten ge„ noomen werden wat voor voordeelen daar door zo voor DE: Comp:s als voor de Inwoonders zoude zijn veroorzaakt geworden, wanneer de laage en hooge Gronden ter behoorlijken tyd gelijk hier vooren vermeld staat, waaren bezaaijd Geworden. Na onderzoek van zaaken zullen de hoofden zoo wel als de Inwooners behoorlijk gestraft worden. Aldus is deeze Geschreeven en afgezonden den 23. februarij 1788. door den wel Edelen Gebiedende Heer Matureesch Groot Dessa„ ve Aan het hoofd der ola was Geteekend C: van Angelbeek /:onderstond:/ voor de translatie Mature den 14. Junij 1790. /: was ge„ teekend:/ J: M: walter Gesw: klerk /:in„ margiene:/ voor de vertaeling / geteekend:/ D: S: Senerat Gesw: sek: tolk /:onder„ stond Akkordeert /:was geteekend:/ M: f: Palm geauth: Accordeert Sijbrands Weijklerk naegezeen Tampent 1969 Aan de Hoofden vidaans en Majoraels nevens de ingezetenen van alle de korts, pattoes en te havens zorleerende onder de Maturese Des„ favonie ende geenen die het Eenigzints aan„ gaet, word de volgende orders gegeeven zoo wel ten voordeele van de hoog Edele komp: als tot levens onderhoud van de ingezeetenen dat zij door de ingezeetenen moetende zaaij vel„ den ter behoorlijker tijd laeten bonten bewer„ ken en bezaaijen zonder tijd verzuim dat wanneer 't zaeijerswerk veragterd worden de tijd voor bij geloopen is daar door zo wel aan DE: komp: als aan de Ingezeetenen groo„ te schaede en nadeel noodzakelijk moet ver„ oorzaekt worden daar van ben ik ten vollen onderigt geworden om welke ge„ melde reeden geeft ik de ordre om de zelve wel ter herten te neemen te respecteeren en te observeeren. Dus den 15. der gedagte maend moet het zaaijerswerk beginnen Translaet Singaleesche Sannas Ola. en en van de 5. Julij af moeten de lage grond bearbeid en bezaaijd worden en tegens den 15: moet alles gedaan werk zijn zo zal door hoog water niet veel gewasch van de lange gronden verlooren gaan de welke moeten bezaaijd worden den laatste Julij of den 5. aug:s en moet het zaaijers werk een Eijnde neemen Insgelijks moet aangaende de hooge gronden die met fijne nelij dienen bezaaijd te worden voor de nieuwe maend van de maend 8ber ook een Eijnde gemaakt zijn. Bij aldien de zaaijgronden dusdanig behandeld worden zoo zullen voor DE: komp als aan de ingezetenen groote voordeelen toe gebragt worden om te kunnen weeten of voorsz: zaeijvelden bezaeid zijn geworden ofte niet zullen wij door getrouwe gecom„ mitteerdens daar van informatie laaten neemen en wanneer wij te weeten zullen krijgen. Dat tegens onze ordre 't zij door de hoofden het zy door de Inwooners door an„ gehoorzaemheid geschied is zullen na gedaan onderzoek van zaeken zonder eenig ver„ giffen is de schuld draegende t warlijk ge„ strapt 1970 „straft worden om ons gegevene goede ordres wel ter herten te neemen, word alles nog voor de tweede keer g'ordonneerd. Aldus is deeze geschreeven en afgezonden den 14. april 1788. /:onderstond:/ voor de Tran„ slatie mature den 14. Junij 1790: /:was getee„ : kend:/ I: M: walter gesw: klerk /:in margie„ ne:/ voor de vertaling /:geteekend:/ D: S: Sene„ ratges wore sek: Tolk. /:onderstond:/ was ge„ teekend:/ M: f Palm geauth: Accordeert. Lijsrands Eijklerk nagezien Douipeul 1971 Aan alle de hoofden de mindere hoofden en in„ gezeetenen van de Gangebadde pattoe, en die het enigzints mogte aangaan worden deeze orders tot hun wel zijn gegeeven. Naandien de door mij in den voorleeden Jaar gegeevenen goede orders ter bevordering van 't zaijers werk door den naalatigheid der inge„ zetenen van gemelde pattoe verwaarloosd en niet behoorlijk nagekoomen zijn, waar„ door de Groote voordeelen die de Edele komp: en ingezeten anderzints zouden gehad hebben, meesten deels zijn verlooren gegaan, en de daer door ontstaane Groote schaarsheid, mij gansch niet onbekend gebleeven zijn. zoo word aen ijder bij deezen gelast en de bevoolen, alle de Zaaijvelden, gehoorende onder de Dorpen Attoedawe, Paletoewe walle giddere Na„ doe golle Baddoelle Pedee Godde Holpe Ban„ dattere kapoedoewe Riadde, Polletoe god„ de, Palle apperacke Dijagaha en Navid„ doewe, nevens alle de dorpen van Bahale„ walle kadde, welke bij hoog waater over„ Translaat singaleese sannas ola stroomd

NL-HaNA_1.04.02_3884_0418 view scan ↗

English

flooded, submerged, and ruined, to ensure that, in the first place, for the preservation thereof, the necessary dikes are properly bound and the watercourses preserved, and to work the arable fields at the suitable times, as being most fitting thereto the 15th of July or the 5th day before the new moon of the said month with Mahamawie, and the fields which, notwithstanding high water, are secured against inundation and thus cannot perish, to finish sowing the Mahamawie Nelij by the 1st of August or else the 20th of July. Yet that the fields to which no harm can be brought even by high water must be finished with the sowing of the Mahamawie by primo August or else by the 20th of July. That the high grounds which cannot be brought any hindrance or damage by the high water must, on the 13th of September or the 5th day before the new moon of the said month, have those fields sown with the kaveal everywhere without loss of place, 1972 and they, doing all this at the right and appointed time, will thus suffer no damage thereby from high water, droughts, mosquitoes, or worms; that they must also properly fence the fields and clear them of the wilderness springing up therein, and keep good watch so that no damage is done to them by cattle or otherwise. That anyone who shall be found to have been negligent in this and not to have properly complied with this good order of mine, and to have willfully neglected that which otherwise could have served for his livelihood, upon the reports that I shall have received thereof, shall by no means be pardoned as in the past year, but shall be strictly punished corporeally, with condemnation to compensate the Honorable Company double for the damage which it has had to suffer hereby. Thus this order was written and dispatched on the 29th day of the month of March in the year 1789. At the head of this sannas was signed: C: van Angelbeek; below stood: for the translation: signed: M: F: Palm authorized; in the margin for the translation was signed: D: S: Senerat, Sworn Secretary Translator; below stood: Agrees: M: F: Palm auth. Agrees Sybrands Head Clerk examined Pompeus 1973 Draft Mandate ola to the Great and lesser inhabitants of the korles and pattoes of the Disavony of Mature who are gathered together. I have received report with great astonishment how you have banded together under the pretext of having complaints regarding unjust treatment, and because this is a conduct that conflicts with all good order and is most strictly forbidden, and thus punishable, and also tends to the great detriment of the service of the Company and your own well-being, I have thought fit, upon your request written by ola of the 25th of April to the Lord Commander at Gale, to send two Commissioners from my Council, clothed with the necessary authority, to you, in order to inquire into the reasons that have moved you to such an impermissible step; and further to hear your grievances, and further to do what they shall find to be just. These Commissioners, who represent my person among you, are the Gentlemen Dietrich Thomas Fretz, Grand Disava of the Colombo environs, and Abraham Samlant, Merchant and Trade Bookkeeper, who have been known for many years as land rulers and have the requisite knowledge of the customs of the country and the orders of the Company. You may therefore, with peace of mind and trust in good justice as obedient subjects of the Illustrious Company, submit all your grievances to them. I have ordered the said Gentlemen Commissioners to have this order ola of mine read aloud when they have appeared before you, and I command you once again, and in conclusion of this, to strictly comply with this my command and the orders that the said gentlemen shall give you. Thus written in Colombo the 29th of April 1790. signed: W: J: van de Graaff under 1974 underneath stood: Agrees: was signed: M: F: Palm auth: Agrees Sijbrands Head Clerk Examined Pompeus. 1975 Translation of Sannees ola for the Information of the Combined Inhabitants of the four Baygams resorting under the District of Matara, written: Having learned that many of the inhabitants, under the pretext of bringing forward some grievances, have banded together, and in order to know what the cause may be that you have undertaken such an unlawful act to the detriment of the Honorable Company and of yourselves, the Right Honorable, Rigorous, and Highly Esteemed Lord Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, together with the Council, has thought fit to send the undersigned Dietrich Thomas Fretz, Colombo Grand Disava, and Abraham Samlant, Merchant and Trade Bookkeeper, as Commissioners to this Disavony, in order to hear the complaints which the assembled persons, as well as all other peoples, shall have to bring forward, with the power to properly investigate and settle the same; therefore, notice is hereby given to the people that, to that end, together with our usual retinue, we are to arrive at Malimada this afternoon, and if we deem it necessary, we shall proceed to other places; we further expect that you shall keep yourselves quiet and peaceful. Thus this was written the 4th of May 1790 by the Grand Disava of Sassergam, the Four and Seven Korles, and Abraham Samlant, Merchant and Trade Bookkeeper of Colombo, at the head of the ola stood: 1790, was signed: D: T: Fretz and A: Samlant; below stood: for the translation Matara the 25th of May 1790, was signed: J:s A:n Rostresas; in the margin: for the translation signed: D: S: Senerat, sworn Translator; underneath: agrees, signed: M: F: Palm auth: agrees G: Sijbrands Head Clerk examined Pompeus

Dutch transcription

stroomd blank gezet worden en vergaan, te verzorgen dat ten Eersten tot konserva„ tie der zelven, de nodige dammen behoor„ lijk gebonden en de spruiten geconserveerd werden, en om de zaaijvelden op de bekwaa„ me tijden te bearbeiden als daar toe be„ kwaamst zijnde den 15. Julij ofte den 5. e dag voor de nieuwe maan van gedagte maand met Mahamawie en de velden die niet tegenstaande hoogwater voor de overstrooming bevreijd zijn en dus niet konnen vergaan met den 1. aug:s of wel den 20. Julij met het bezaaijen van de Mahamawie Nelij g'eindigt worden. Doch dat de velden, die zelfs door hoogwa„ ter geen ndeel konnen toegebragt worden, met primo augusto, dan wel met den 20. Julij met het bezaaijen van de maha„ mawrie geeindigt worden. Dat de hooge„ gronden welke geen hinder of schaade door het hooge waater kunnen toe gebragt worden den 13. September ofte den 5. dag voor de nieuwe maan van gem: maand die velden met des kaveal over al zonder plaats 1972 plaats verzuim bezaaijd worden, en zij dus ter regter en bepaalde tijd dit alles doende geene schaaden, door hoogwater, droogten, moesketen ofte wormen daar aan koomen te leeden; Dat zij tevens de velden behoor„ lijk moesten bepaggeren, en van de daar in opkoomende weldernissen zuijveren, en Goede op zigt houden op dat aan dezelve door de beesten als anderzints geene schaade werden toegebragt. Dat een ijgelijk die bevonden zal worden hier in naalatig geweest en deeze mijne goede ordre niet behoorlijk nagekoomen te zijn, en dat geen welk anders tot hem levens, onderhoud zoude hebben konnen strecken moet willig verwaarloosd heb„ ben, op de berichten die ik daar van ontvangen zal hebben, geenzints als in den voorleeden Jaare zullen ver„ schoond, maar strengelijk ten lijve gestraft werden, met kondamnatie van de schaade die de Edele komp hier door heeft moeten leeden dubbeld aan de de zelve zal vergoed worden. Aldus is deesze ordre Geschreeven en afgezonden op den 29: dag van den maand Maart des Jaars 1789. aan het hoofd van deeze sannas /:was Ge„ teekend:/ C: van Angelbeek /:onderstond:/ voor de translatie:/ Geteekend:/ M: f: Dalm geautho„ riseerde /:in margiene voor de vertalingen /:was„ geteekend:/ D: S: Senerat Gesw: Sek: tolk: son„ derstond:/ Accordeert:/ m: f: Palm geauth: Accordeert Sybrands Hegklerk nagezien Pouipeus= 1973 Concept Mandaat ola aan de Grote en mindere ingezetenen van de korls en pattoes der Dessavonij van Mature die bij een vergadert zijn Ik heb met groote verwondering bericht be„ koomen, hoe dat gijlieden te zamen gerot zijn onder voorgave van klagten te hebben we„ gens onregtveerdige behandelengen en weijl dit een gedoente is dat tegen alle goede ordre strijd, en ten scherpsten verbooden, en dus strafwaardig is, zoo meede tot groote nadaal van den dienst der komp: en ulieder eigen wel zijn strekt, zoo heb ik goedgevonden om op ulieder verzoek bij ola van den 25. april aan den Heer Commandeur te Gale geschreven twee kommissarissen uit mijnen Raad, be„ kleed met de nodige Macht tot ulieden ter zenden, ten eijnde te verneemen na de ree„ den die ielieden tot zoo een ongepermit„ teerden stap bewoogen hebben: en voorts ulie„ der beswaernissen beswaarnissen aante„ hooren, en verder te doen, wat zij zullen bevinden bevinden rechtveerdig te weezen. Deeze kommissarissen die mijn perzoon bij ulieden representeeren, zijn de Heeren Die„ trich Thomas Fretz: groot des Jave der kolombose ommelanden en Abraham Samlant koopman en Negotie boekhouder veeljaarige land regenten seer wel bekend zijn en de vereischte kennis hebben van de lands gebruijken en de ordres van de komp: Gijlieden kunt derhalven met gerustheid en vertrouwen op goed regt als gehoorzame onderdanin van de doorluchtige komp:e alle uwe beswaarnissen aan hun opgeven Ik heb gem: Heeren Commissarissen gelast om deeze mijne bevel ola te laaten oplee„ sen wanneer zij bij ulieden zullen verscheenen zijn en ik beveele ulieden nog bij herhaaling, en tot besluijt van deese om, dit mijn bevel, en de ordres die gedagte teeren aan u zullen geven stept na tekoo„ men Aldus geschreeven te kolombo den 29. april 1790. /:geteekend /: W: J: van de Graaff onder 1974 /:onderstond:/ Accordeert :/ was geteekend:/ M: f: Palm geauth: Accordeert Sijbrands Egklerk Nagezien Pompaus. 1975 Translaet Sannees ola tot Naricht van de Gezament„ lijke inwooners van de vier Baijgams serteerende onder 't Matarees Distrikt gesz: Vernoomen hebbende dat veele den ingezeeten onder voorgaeve van eenige beswaeren in te brengen zig te zaemen gerot hebben en om te moogen weeten wat de oorzaek zij dat Uw lieden tot nadeel van de E komp: en vwlieden zelven zulk een ongeoor= loofden daad ondernoomen hebben, heeft den wel Edelen gestrengen groot adtbaaren Heer Raad ordinair van Nederlands India Geuverneur en Direkteur van 't Eijland Ceilon met dies onderhorigheeden nevens den Raed goedgevonden de onderge= teekenden Ditrich Thomas Fretz Kolomboschen Groot Dessave en Abraham Samlant Koopman en Negotie boekhouder als Kommissaris= sen in deeze Dessavonij te zenden om de klagten die de zamen ge= rottenen zowel als alle andere volkeren „ volkeren zullen hebben in te brengen aan tehooren met magt om dezelve na behooren te verzoeken en aftedoen, dus worden lieden mits deezen kennis gegeeven dat wij ten dien einde nevens ons gewone Gevolg heeden middag op Malimande staen aan te koomen en za wij 't nodig oordeelen zullen wij ons nae andere Plaetsen begeeven wij ver= wagten voorts dat Gylieden zonder stil en gerust zult houden. Aldus is deeze geschreeven den 4 Maij 1790 door den groot Dessave van Sasser= gam de vier en seven Kerles en Abraham Samlant, Koopman en Negotie boek= „houder van Kolombo aan 't hoofd der olo / stond:/ 17¼ 90 /:was geteekend:/ D: T: Fretz en A: Pamlant /:onderstond/ voor de translatie Matare Den 25 Maij 1790 /:was geteekend /: J=s A:n Rostresas/ in margiene:/ voor de vertaling getee„ kend: DS Generat gesw: Folk (:onderst: accordeert getek: M: f: Palen geenth: accordeert G Sijbrands Likeerk nagezien Pampais

NL-HaNA_1.04.02_3884_0429 view scan ↗

English

1976 Draft Sannas ola addressed to the collective inhabitants of the Matara Disavany. Upon the news of the gathering of a party of inhabitants who have declared that they have some grievances to submit, the Right Honourable the Governor of the Island of Ceylon and its dependencies, together with the Council, have seen fit to dispatch us, the undersigned, to this Disavany as Special Commissioners, invested with the necessary authority to inquire into the circumstances of those who have assembled, as well as those who might still be assembled, in order to discover what has given them cause for such conduct, which is improper and detrimental to the service of the Honourable Company and to themselves; with further orders from His said Excellency, the Right Honourable Governor, likewise to investigate with all accuracy the grievances that are brought forward and to decide upon them in accordance with equity and justice. We therefore give you notice of the aforesaid high order, as well as that tomorrow afternoon we shall depart with our customary retinue for Malimbada and take up our residence in the house of the Mudaliyar Ilangakoon, in order to hear there those who have anything to say, while we shall subsequently proceed to such other places as we shall find necessary. Meanwhile, we expect of you that you will conduct yourselves quietly and peacefully and cause no nuisance to anyone. This was dispatched by Diederich Thomas Fretz, Senior Merchant and Great Dissave of Colombo, Sabaragamuwa, the Four and Seven Korales, and Abraham Samlant, Merchant and Trade Bookkeeper, as well as members of the Council of the Right Honourable the Governor of Ceylon, as Special Commissioners. Matara, the 4th of May 1790. Was signed: D. Th. Fretz and Abraham Samlant. Below stood: Agrees. Signed: M. J. Palin, sworn clerk. Agrees: Sijbrants, first clerk. Examined: Pompeus. 1977 The evening before last, there was delivered to me by Hallelle Pattirenge Punan Mayorall and Horregodde Vidanegamme Aatjele Mayorall an ola which these bearers affirmed to me came from you. It is neither necessary that you come here to Galle with your grievances, nor that I proceed to Matara to hear your complaints in person. There are currently in Matara two gentlemen commissioners from the supreme government of Ceylon in Colombo, being the Colombo Great Dissave, Mr. Fretz, and the Honourable Captain-Lieutenant Samlant. These two gentlemen have been expressly dispatched by the Right Honourable the Governor of Ceylon, who takes your concerns to heart, to hear your complaints and to do clear justice thereon. To these two gentlemen commissioners, who are both very well known to you as righteous and upright land regents and fully conversant with your privileges, customs, and laws, I hereby refer you; state your complaints and concerns to them openly, and be assured that fair justice will be done to you. Draft Sannas ola. Done. But also take care that you do not trouble these gentlemen with any untruthful words and groundless complaints, in which case you are to expect severe punishments. Be obedient to the orders of the said gentlemen commissioners, whereupon all will go well with you. And it will be pleasing to me to learn soon that you, as obedient and faithful subjects of the Honourable Company, have returned in peace to your native villages. Below stood: Thus this was dispatched on the 6th of May 1790. Was signed: P. Sluijsken. Lower down: Agrees. Signed: J. H. Beekman, qualified clerk. Below stood: Agrees. Signed: M. J. Palin, sworn clerk. Agrees: Sijbrands, first clerk. Examined: Pompeus. 1978 Translation of a Sinhalese Sannas ola written for the instruction and welfare of the headmen, lesser headmen, and collective inhabitants of the Gangaboda Pattuwa. The undersigned have conferred with you in the resthouse of Hakmana regarding the sowing work, for the welfare and livelihood of the inhabitants and for the benefit of the Honourable Company; and as it is now time to sow the fields on account of the great harvest Maha, you are hereby enjoined to dam the great river and other streams quickly and to perform all other necessary services without delay, so that the fields may be sown at the proper time. If the aforesaid work is delayed, it will then cause much damage to you and to the Honourable Company. It will be well to keep in mind that you will have to answer for this. The Sinhalese writings given by you to us are not yet finished with the translation, and as soon as they are completed, the matters mentioned therein will be duly investigated and settled. In this manner, this Sannas was written and dispatched on the 20th of May 1790 by the Commissioners present here on behalf of the Venerable Ceylon Government, being the Colombo Great Dissave and the Merchant and Trade Bookkeeper, Mr. Abraham Samlant. Below stood: For the translation, Matara the 22nd of May Anno 1790. Was signed: D. Th. Fretz. Below stood: Agrees. Signed: M. J. Palin, sworn clerk. Agrees: Sybrands, first clerk. Examined: Pompeus.

Dutch transcription

1976 Poncept Sannas ola gericht aan de Gezament „lijke Inwoonders van de Matureeze Dessavonij Op de tijding van de tezamenrotting van een partij Jnwoonders die betuijgd hebben eenige beswaarnissen inte brengen te hebben„ heeft den wel Edelen Groot Achtbaaren Heer Gouverneur van 't Eijland Ceilon en dies onderhorigheeden, nevens den Raad goedgevonden, ons ondergeteekende in deze Dessavonij te zenden als Expresse Kom= missarissen, met de nodige Magt bekleed. om na de zaaks gesteldheid der geene die vergadert zijn geweest, zoo wel als die nog vergadert mogten zijn te verneemen, ter ontwaaring wat hun tot zo een voor den dienst van de E kompanie en hun eigen nadeelig en behoorlijk Gedrag aanleiding gegeven heeft met verdere last van wel gemelde zijn wel Edele Gestrenge Groot Achtb: teffens om de beswaarnissen die voor gebragt worden met alle naa= „keurigheid te onderzoeken en na billik en rechtwaardigheid te beslissen wij geeven ue lieden derhalven kennis van van voorschreeve hoog Bevel, gelijk ook dat wij morgen namiddag met ons gewoone Gevolg na Malimande zullen vertrek= ker en in het huis van den Moddeliaar Hangakoon ons verbleijf zullen neemen„ om de geene die iets te zeggen hebben al= daar aante hooren, terwijl wij vervolgens nog na zodaanige andere plaatzen zullen gaan als wij zullen bevinden nodig te zijn Inmiddels verwagten wij van U lieden dat hij uw stil en vreedzaam gedragen en niemand eenige overlast aan doen zult Deze werd afgezonden door Diterich Tho= d mas Fretz opperkoopman en Groot Des save van Kolombo Saffaegam de vier en zeven korles en Abraham Samlant Koopman en Negotie Boekhouder mits- gaders leeden van de vergadering van den wel Edelen gestrengen Groot Acht= „baaren Heer Geilons Goeverneur als expresse Kommissarissen Matare den 4 Maij 1790 /:was geteekend:/ D: Pk Pretz en Abraham Pamlant, /:onderstont / accordeert /:geteek:/ M: f: Salen geanth: accordeert. Sijbrants WEyklerk nagezien Pompouit 1977 Eergister avond is bij mij aangebragt door Hal= lelle Pattirenge Punan Mojoraal en Horregod= „ de vidanegamme aatjele Majeraan een ola die deeze overbrengers mij betuijgd hebben van uw lieden te koomen. Het is niet nodig nog dat uw lieden met der zel„ „ven bezwaaren hier te Gale koomen, nog dat ik mij na Mature begeeve om UwE: klagte in perzoon aan te hooren Thans bevinden zig te Mature twee Heeren. kommissarissen van de Ceilonsche opper regee= „ring van Kolombo, zijnde de Heer Kolombo sche Groot Dessave, Fretz en de gew Heer Kapitijn kannel Samlant Deeze beijde Heeren zijn door den wel Edelen Gestr Groot Achtbaaren Heer Eijlons Gou„ verneur Hoog den welken uw lieden bekoom= meringen ten Harte neemt Expresselijk af- gezonden, om uw lieden klagten aante hooren en daar op een blyk recht te doen Aan deeze bij de Heeren Kommissarissen, bij uw lieden bijde zeer wel bekent, als regtveerdige en brave Landregenten volkoomen van Uw= lieden voor regten ussantien en wetten kun= dig weise Ik Uwlieden dus bij deeze over, zegt aan dezelve UWlieden klagten en bekommeringe, open, en zijt verzeekert dat UW lieden een billijk regt zal Consept Pannas ola. geworden geworden Maar draagd: ook zorge dat gi lieden deeze Heeren, met geene Leugentaal en ongegronde klagten lastig vald, in welk geval Gijlieden Swaare Straffen te verwagten hebt Zijt gehoorsaam, aan de Beveelen van Kommissarissen, wan= Gedagte Heeren „neer het uwlieden wel zal gaan En het zal mij aangenaam zijn, spoedig te vernee men, dat Gij Lieden als Gehoorsaame en Getrouwe Onderdaanen van D E Komp: Na ruwlieden Woondorpen in vreede te rug getrokken zijt. /: Onderstond. Aldus is deeze afgezonden den Maij 1790 was geteek:/ P Sluijsken, lager Ak 6 J H Breekman hordert /:geteekend/ J: g. klerk /:onderstont :/ accordeert /:getek:/ M: f: Peelin geanth: accordeert lyklerk Sijbrands 1 nagezien Pompeul 1978 Translaet Singaleese Pannas ola tot narigt en wel zijn van de Hoofden, minderhoofd en en Gezaamentlijke Jnwooners van de Gangebaddepottoe, ge= schreeven. De ondergeteekende hebben relieden tot wel zijn en bestaan van de ingezeetenen en ten voordeele van D E Komp: nopens 't zaaijers werk in het rusthuijs van Hak= man onderhouden en wijl tans tijd is, om voor reek: van den Grooten Ougstmaha„ de velden te bezaagen, zoo worden U„ lieden door dezen Gerekommandeert, om de groote revier en andere spruijten spoedig met dammen te voorzien en alle andere nodige Diensten zonder ver= „zuijm te verrigten op dat de velden ter be „hoorlijken tijd kunnen bezaaijd worden Jndien voorsz: werk vertraagd word, zal als dan aan u lieden en aan DE Komp: veel schade veroorzaaken. slat zal goed zijn in geheugen te houden, dat re lieden daar over zullen moeten ver- antwoorden de door relieden aan ons ons gegevene Suigaleesue geschriften zijn nog niet met hete Translaateeren klaar gekoomen, en zoodra dezelve ge= daan zijn zullen de daar bij vermelde zaaken na behooren onderzogt en af= gemaakt worden. In dienvoegen is dese Pannas geschreeven en afgezonder den 20 Maij 1790, door de Zig alhier bevindende Kommissarissen van wegen de Gevenereerde Ceilonsche regeering, zijnde de heer kolombosche groot dessave en den Koopman en Negotie Boekhouder de Heer Abra„ Kam Samlant: /: onderstond:/ voor de Translatie Matare den 22' Maij Ao 1790 /.was geteekend./ trek /onder stont accordeert /: getekent =: M: f: Paluij geanth: Accoreert Eyklerk Sybrands nagezien Pompeul:

NL-HaNA_1.04.02_3884_0441 view scan ↗

English

Draft Mandate to the combined principal and lesser headmen, together with the other inhabitants of the Dissavony of Mature. 1979 Since a number of lesser headmen and many other inhabitants gathered together and wrote complaint olas on account of grievances, it has pleased the Right Honorable Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of Dutch India, as well as Governor and Director of the Island of Ceijlon and its Dependencies, together with the Council, to send us as special commissioners, while handing over those complaint olas, in order to conduct an investigation into the state of affairs and to restore peace among the inhabitants. Having appeared accordingly before the crowd at Hakman for that purpose, we received several more complaint olas from them, with the request to first take the general complaint ola into consideration, to provide an answer thereto, and thereafter to effect what is necessary regarding the remaining olas. It is therefore on that account that we shall make known below, by articles, the necessary orders and answers to the general complaint ola, as well as to some points from the other olas in which many people have an interest, trusting that you, as well-intentioned and obedient subjects of the Illustrious Company, will take to heart and duly observe what is mentioned and recommended therein, in order thereby to earn further favors from the Mighty Company. 1. The four Headmen about whom you have complained in general, being the Modliaar of the Wellebaddepattoe, the Mohandiram and Second Interpreter and Baddekon, the Vidaan Mohandiram of the Baijgams, and the Mohandiram and head of the Kande baddepattoe, have been under arrest, and since they subsequently requested their discharge from their respective offices, we have granted their request and not only declared their offices vacant, but have also caused three of them to depart for Gale until further orders, while the fourth, being the Second Interpreter Mohandiram discharged from his service, has remained at his house on account of illness. 2. The special complaints of various persons against the aforesaid headmen will subsequently be investigated accurately by appointed European Servants, and just judgment will follow upon that report. 3. For the provisional administration of the offices of the aforesaid headmen, there have been appointed: 1980 The Gajanayake Modliaar Tillekoratne over the Kande baddepattoe; The Modliaar Wiedjesinge, previously discharged at his own request, over the Wellebaddepattoe; The Mohandiram of the woodcutting Wiedjesinge, discharged at his own request, over the Baijgams. However, for the administration of the service of Second Interpreter, no one was deemed necessary, since there is a First Interpreter, being the Attepattoe Modliaar Jlangakoon. 4. It has at all times been in custom that, over and above the fixed obligation for that year, Poerewedelekareas were also taken into the Company's service whenever any work of importance was to be performed, and thus this ought to remain so. However, the combined headmen are seriously recommended to ensure that a fair and equal basis is maintained in this regard, and that one person is not released out of favor, thereby burdening another doubly. 5. Punishments regarding guilty persons, both men and women, are practiced throughout the entire world, and without this no jurisdiction can exist; thus this has also always occurred in this Dissavony. However, the customs and usages in that regard must certainly be observed, and this shall likewise happen in the future. 6. Although everyone is naturally prompted to cultivate and sow his fields in order to find his livelihood, it is nevertheless very well known that some people are negligent in that regard, and thus thereby bring harm not only to themselves and their families, but also to the public. For this reason it is highly necessary that proper orders be established to govern that work accordingly, just as, for that reason, in the Instruction given to the respective Headmen by the Right Honorable present Governor, it was ordained that the sowing of the fields had to take place at the most suitable time: namely, for the great harvest before the end of July or at the latest before the 6th of August, and for the small harvest before the Sinhalese New Year, unless the particular condition of the fields requires otherwise. Furthermore, it has been proved by the headmen and shown by the books that the orders given by the Dessave will have brought advantage, since the previous and this current financial year have had much richer paddy 1981 paddy harvests than in many years past. 7. If any Appuhamis or others mistreat the workers in the plantations, complaint thereof must immediately be made to the Dessave, whereupon, after due investigation and finding of guilt of any garden overseers, the same will be strictly punished. This serves for their guidance herewith, as all the Company's obligated persons must be treated with proper modesty; and the ill-treatment and extortion of money, paddy, and pingos will also be further investigated, and proper justice will be administered thereon. 8. The first signatory of this has, as Dessave of these Lands, caused several deeds of obligation to be executed to establish plantations of cinnamon, pepper, coffee, areca nut, cardamom, and sappanwood saplings by headmen who were in their offices, because they could easily do so, and others wished to undertake to do so when they were placed in the offices, and also by those who voluntarily offered themselves to establish plantations for the offices they requested.

Dutch transcription

1979 Aangezien een parthij mindere hoofden en veele andere ingezetenen bij een vergaderd waaren en klagt olassen weegens verongelijkingen geschreeven hebben, zoo heeft het den wel Edelen Groot Achtbaeren Heer Willem Jacob van de Graaff, ordinair Raad van neederlands Jndia, mitsgaders gouverneur en Direkteur van het Eijland Ceijlon en dies Resorte„ nevens den Raad, behaagd om ons onder ter hand„ „stelling dier klagt olas als expresse kommissa„ „rissen te zenden, om onderzoek na de zaaks gesteldheid te doen, en de rust onder de inge„ „zetenen te herstellen gelijk wij dan ook ten dien Eijnde bij de menigte te Hakman verschee„ „nen zijnde, van dezelve nog verscheide klagt olasse hebben ontvangen, met verzoek om voor eerst de geneeraale klagt olas in overweeging te „willen neemen, en daar op bescheid bezorgen en dan daar na het noodige op de overige olas„ „sen te werk te stellen. Het is dan uijt dien hoofde dat wij hier onder de nodige ordres en Antwoorden, op de geneeraale klagt olas, zo wel als op eenige Posten uijt de andere olas, waer bij veele mensen belang hebben, bij artikuls zullen bekend stellen, en vertrouwen dat gij lieden, als welmeenende en gehoorzaame onder„ „daanen van de Doorlugtige kompagnie, het daar bij vermeld en aanbevoolen wordende zult ter Concept Mandaat aan de gezaamentlijke principaale en mindere hoofden, nevens de verdere Jnwoonders der Dessavonij van Mature. herten „ola herten, en in behoorlijke opservantie neemen„ ten einde daar door verder gunsten van wee„ „gen de Magtige kompanie te verdienen„ „ De vier Hoofden, waar over gij lieden in het generaal geklaagd hebben, zijnde den Mod„ „liaar der Wellebaddepattoe, De Mohandiram en tweede Tolk en Baddekon, De viedaan Mohandiram van de Baijgams en de Mohan„ diram en hoofd van de kande baddepattoe zijn gearresteerd geweest, en wijl zij vervolgens hun ontslag uijt hun respective ampten verzorgd hebben zoo hebben wij hun verzoek ingewilligd en hunne bedieningen niet alleen vakant verklaard, maar ook drie van hun na Gale doen vertrekken tot nadre ordre Terwijl de vierde zijnde den uijt zijn dienst ontslaagen tweede Tolk Mohandiram weegens: ziekte in zijn huijs verbleeven is. 2/ De speciaale klagten van deezen en geenen tegen voorsz: hoofden zullen vervolgens naukeurig door gecommitteerden Europeese Dienaaren ondertogt worden, en op dat rapport zal een billijk regt volgen. 3. Tot het provisioneel waarneemen van de bedieningen der voorsch: hoofden zijn benoemd „ Den 1980 Den Gazenaijke Modliaar Tillekoratne over de kan de baddepattoe Den op zijn verzoek bevoorens ontslaagene Mod„ „liaar wiedjesinge over de Wellebaddepattoe„ Den op zijn verzoek ontslagen Mohandiram der houtkapperij Wiedjesinge over de Baijgamo Dog tot het waarneemen van Dienst van Tweede Tolk heeft men niemand nodig geoordeelt, wijl er een eerste Tolk is, zijnde den Atlepattoe Modliaar Jlangakoon. stel is van alle tijden in Gebruijk geweest, dat boven den vasten verpligting voor dat Jaar, ook Poerewedelekareas tot skomp:s dienst genoomen zijn, wanneer er eenig werk van aangeleegendheid te verrigten was, en dus behoord dit ook zoo te blijften dog de gezaa„ „mentlijke hoofden werd serceus aanbevoolen om te zorgen, dat daar omtrend een billij„ „ken en egaalen voet gehouden en den eenen niet uijt Gunst vrijgelaaten, en den anderen daar door duppeld beswaard word. strafoeffeningen omtrend schuldigen zoo mannen als vrouwen worden door de gant„ sche wereld gepeaktiseerd en zonder dat kan geen gebied bestaan, dus is dit in deeze Dessavonij ook steeds geschied dog de gewoontens en gebruijklijkheeden daar omtrent dienen k een : st: gens: - dienen zeeker in agt genoomen te worden, en dit zal in het vervolg almeede geschieden. schoon een ider van zelfs genoopt word om zijne velden te bewerken bezaijen, om zijn Leevens, „onderhoud te vinden zoo is het eevenwel zeer bekent dat sommige menschen daar„ „omtrend nalatig zijn, en dus daar door niet alleen aan hun en hunner familie maar ook aan het algemeen nadeel toe brengen alwaar om het hoog nodig is dat er behoorlijke orders gesteld worden om dat werk daar na te bestieren, gelijk ook om die reeden bij de door den wel Edelen groot Achtb: Heer presente Gouverneur aan de respective Hoofden gegeeven Jnstruktie geordonneerd is, dat de bezaaijing der velden op de bekwaamste tijd moest ge„ „schieden, en wel voor den grooten oegst voor Ult=o Julij of uitterlijk voor de 6 aug„ en voor de kleijnen oegst voor 't singaleesche nieuwe Jaar ten zij de bezondere Geleegendheid der velden dat anders vordert. voorts is door de hoofden beweezen en bij de boeken gebleeken dat de gegeeve ordres van den Heer Dessave zal voordeel aangebragt hebben, wijl het voo„ rige en dit loopend boekjaar veel rijkere nelij 1981 nelij oogsten zijn geweest, dan in veele Jaaren be„ voorens. 7. Jndien eenige Appoehamis of andere, de werkers in de plantagies kwalijk behandelen, zo moet daarover daadelijk bij den Heer Dessave ge„ „klaagd werden, als wanneer na behoorlijk onderzoek en schuldig bevinding van eenige tuins opzigters, denzelven strengelijk zal gestraft worden het geen hun mits deezen tot narigt dient wijl alle 'skomp:s verpligte„ lingen met behoorlijke bescheijdentheid moe„ ten behandelt worden, en zullen ook de kwaade behandelingen en het afkneevelen van Geld nelij en pingos nader onzogt, en daar op goed regt bezongd worden. 8 Den eersten teekenaar deses heeft als Dessave deser Landen verscheijde verbintenis Aktens laeten passeeren om plantagies van kanneel„ peeper, koffie, arreek kiatte, kardemon en sappanhout planzoenen aan te leggen door hoofden die in hunne bedieningen waaren„ wijl zij dat gemakkelijk doen konden en anderen wilden aanneemen om zulx te doen wanneer zij in de bedieningen gesteld wier„ „den en ook door de geene die hun zelfs vrij wil„ lig aangebooden hebben tot het aanleggen van plantasies voor de bedieningen die zij verzogt

NL-HaNA_1.04.02_3884_0446 view scan ↗

English

have requested and also obtained, and for which appearances of money were previously given, the headmen who were in their offices have bound themselves solely upon forfeiture of their offices. However, with respect to those who have obtained vacant offices, a further condition is moreover stipulated; if they had not fulfilled their engagement within the stipulated years regarding the first-mentioned headmen, it certainly comes into consideration that they have already made their appearance for the attainment of those offices, and that the people under them work on the Company's plantations on Main klementos; wherefore the engagement of these shall be annulled forthwith, and it shall furthermore be up to themselves to work further on the already partially announced plantations, or else in the event of inability to do so, to give notice thereof to the Lord Dessave, so that His Honour can make the necessary arrangement therein, so that the work already done may not be neglected; while in the second place, regarding the headmen who, for the attainment of services, have bound themselves to lay out plantations, it is nothing more than most equitable that they still fulfill the engagement. However, to accommodate them in that respect as well, they are granted a further term of just as much time as was determined by the deed to complete the undertaken plantations, and this to be calculated from today; with liberty given to anyone who finds difficulty in fulfilling it to ask for his dismissal within three months, whereupon this shall be granted to him, and the deed of engagement annulled. Whenever a cow or buffalo is seized in any plantations, the owner shall have to pay one schelling for that release to the caretakers of the plantations, unless he can demonstrate that the beasts were provided coupled or tied with a piece of wood around the neck, or that the fence of the plantations is unfit, in which case those who seized the beast shall be punished for their improper conduct. However, when the owner does not come to release his beast within 3 twenty-four-hour periods, the same shall have to be brought to the nearest headman and subsequently released for 2 schellings, of which one schelling, as said hereinbefore, shall be for the caretakers of the plantations and the second schelling shall have to be given to the one who provided the upkeep for the said beast. And it is hereby expressly recommended to ensure that those beasts are fed, and do not perish of hunger, upon penalty of punishment according to the circumstances. It has furthermore not appeared to us that any express order has been given to be allowed to sell the beasts that are seized in the plantations, and this shall therefore not happen. 10. If any soursop trees have been felled without the consent of the owner, the same may submit his complaints further to the Lord Dessave, whereupon the same shall be investigated and properly redressed. Because such an act occurred against the express order of the Lord Dessave. Furthermore, no one shall be permitted to have any soursop tree felled except with the consent of the owner, from whom also, in proof thereof and of the receipt of the money for which he sold that tree, a receipt must be taken by the buyer. And should it happen that the Company, needing soursop trees and the same being unobtainable, a headman were thus obliged to have a tree felled, no other tree may be felled than one that yields little or no fruit, and for which the headman shall then make payment against a receipt, while he may receive the money for that purpose from the Company's treasury. It is the duty of the Dessave to go into the country from time to time, and especially to such places where his presence is most required, and this, together with some headmen who are sent into the country on commission, can cause no burden to the Mayorals, because they have a generous income from havandiram, from which they can easily make good those gastos; and should it happen in an isolated case that they had reason for grievance, they may immediately submit their grievance, whereupon they shall receive an equitable decision. Furthermore, the venerated Government of Ceylon has ordered that they must reside in their korles and pattoes, and that the Mayorals need not give any provisions of the korle or pattoe, which was also announced by sannas ola of 19 May 1770 by the Lord Dessave Burnat. 12. From the chena lands, the Company is entitled to the ottoe duty from the paddy that is sown thereon just as well as from the sowing fields, and that duty has of old been given in the Galle korle and in the Colombo Dessavony. However, in this Dessavony the same has only been paid to the Company for five years, while before that time the headmen enjoyed the same. But since the farming out has caused some discontent, and we also understand that unreasonable renters can torment the chena owners very much, and also moreover the chena lands lie scattered far and wide, and this thus also gives much trouble to the renter, and the chena owners cannot be helped so quickly, we shall bring this matter to the notice of the venerated Government of Ceylon, and favourably propose no longer to have the ottoe duty of the chena lands farmed out, but by

Dutch transcription

verzogt en ook verkreegen hebben, en waar voor bevoorens paressen van Geld gegeeven wierd, de hoofden die in hunne bedieningen waaren, hebben hun alleen verbonden op verbeurte van hunne Ampten dog ten opzigte der gee„ ne die vacante bedieningen verkreegen hebben is nog een kete daar en boven bepaald; wan„ „neer zij binnen de bepaelde Jaaren aan hunne verbintenis niet voldaan hadden nopens de eerstgenoemde hoofden, komt zeker in Aan„ merking dat zij reeds ter Erlanging van die Ampten geparresseerd hebben, en dat hun„ onderhebbende volkeren en sComp„s Plantagien werken op Main klementos; alwaarom men van deeze, de verbintenis aftens zal vernietigen en zal het voorts aan hun zelve staan om aan de reeds ten deele aangezegde plantagies verder voorttewerken, dan wal bij dies onvermoogen kennis daar van aan den Heer Dessava geven, ten eijnde zijn Edele daar in de noodige schikking kan maaken, op dat het reeds gedaane werk niet verwaar„ loost worde, terwijl in de tweede plaats de hoofden die ter verkrijging van diensten hun hebben verzonden om plantagies aan te leggen; niet 1982 niet meer dan hoogst billijk is dat zij aan de verbinten is als nog voldoen. Dog om hun ook daaromtrent te gemeed te koo„ „men, word aan dezelven nog een nader Termijn gegeeven, van even zo veel tijd als bij Akte bepaald is om de aangenoomen plantagies te voltooijen, en zulks van heeden af te reekenen; met vrijheid laa„ „ting aan de geene die swaarigheid vind om daar aan te voldoen om zijn ontslag binnen drie Maanden te konnen vraagen, als wanneer hem zulks zal geakkordeerd, en de verbintenis Akte vernietigd worden. wanneer er een koebeest of buffel in eenige plantasien opgevat word zo zal de eijgenaar voor die lossing een schelling moeten betaalen aan de oppassers der plantasies, ten zij hij kan aantoonen dat de beesten gekoppeld of met een hout om den hals gebonden voorzien zijn ge„ weest dan wel dat de pagger van de planta„ „gies onbequaam is, als wanneer de geene die het beest hebben opgevat weegens hun onbehoorlijk bedrijf zullen worden gestraft. dog wanneer de eijgenaar zijn beest binnen 3 etmaal niet komt te lossen zoo zal het zelve bij het naaste hoofd moeten gebragt en vervolgens voor 2 schellingen moeten gelost worden 9. n 1 worden, waar van dan een schelling gelijk hier vooren gezegd is, zal zijn voor de oppassers der plantasies en de tweede schelling zal moeten gegeeven worden aan de geene die het onderhoud aan gemelde beest heeft bezorgd, en werd bij deezen in zonderheid aangere„ „kommandeerd om te zorgen dat die beesten te vreeten krijgen, en niet van honger om„ „koomen op peene van straf naar bevinding van zaaken, het is ons voorts niet gebleeken dat er eenige Expresse ordre gegeeven is om de beesten die in de plantagies opgevat worden te mogen verkoopen en dit zal dus ook niet geschieden. 10 Jndien er eenige soersaxboomen sonder bewil„ liging van den eijgenaar gekapt zijn, zo kan den zelven zijne klagten nader opgeeven aan De Heer Dessave, als wanneer dezelve zal onderzogt en daar goed regt op gedaan worden. wijl een zulk gedaante tegen de uijtdrukkelijke ordre van de Heer Dessave is geschied, voorts zal niemand eenige soor„ sax boom moogen laeten kappen dan met bewilliging van den eijgenaar van wien den ook ter blijke van dien, en van den ontvangst den 1983 der penningen waar voor hij die boom verkogt. heeft, eene quitantie door den koper zal moeten genoomen worden en wanneer het mogte gebeuren, dat de komp:e soorsax boomen nodig hebbende en de zelve niet te krijgen waaren er een hoofd dus en de verpligting was om een boom te laaten kappen zoo zal geen andere boom mogen geveld worden dan die wijnige of geen vrugten geeft, en waer voor dan het hoofd de betaaling tegens quitantie zal doen, terwijl het Geld daar„ toe uijt 's komp„s kas kan ontvangen. stel is de pligt van den Dessave om van Tijd tot Tijd in het Land te gaan, en in zonderheid na zodaanige plaatsen al waar zijne presentie het meest vereischt word, en dit nevens eenige hoofden die in kommissie in 't Land gezonden worden, kan de Maijeraels tot geen beswaar strekken, wijl zij een ruim in„ „koomen hebben aan havandiram; waer uijt zij die gastos gemakkelijk kunnen goed maa„ „ken, en indien het in een enkeld geval mogte gebeuren, dat zij reeder van beswaernis hadden, zo kunnen zij dadelijk hun beswaer opgeeve, als wanneer zij daarop een billijk bescheijd zullen bekoomen. voorts heeft de gevenereerde gevenereerde Ceijlonsche regeering gelast dat in hunne korles en pattoes moeten woonen, en dat de Maijeraals geene verstrekking van de korle of pattoe behoe„ ven te geeven, het welk ook bij sannas ola van den 19 Maij 1770 door de Heer Dessave Bur„ nat aangekondigt is. 12/ van de fjenassen komt de kompenie van de nelij die er opgezaaijd word even zoo goed ottoe gerechtigheid toe, als van de zaaij„ velden en die gerechtigheid word in de Gale korle en in de Calombasche Dessavonij van ouds gegeeven, dog in deese Dessavonij word dezelve eerst zederd vijf Jaaren aan de komp: voldaen. terwijl voor die tijd de hoofden dies genot hebben gehad maar aange„ zien de verpagting eenig ongenoegen veroor„ zaakt heeft, en wij ook begrijpen dat on reedelijke Pagters de Jjnas eijgenaars seer konnen plaagen, en ook boven dien de fjenassen wijd en zeijd verspreid leggen, en dit dus ook veel moite aan den Pagter geeft, en de fjenas eijgenaars zo spoedig niet kunnen geholpen worden zo zullen wij de gevenereerde Ceijlonsche regeering deeze zaak ter kennis brengen, en gunstig voordraagen om de ottoe gerechtigheid der fyenassen niet meer te willen laaten verpagten, maar door

← previousnext →