VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3884

Ceylon · 1,016 pages · 160 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3884_0581 view scan ↗

English

was guarded so closely by the discontented that he could not get away, wrote me several ola letters in which he testified to adhering to our side and promised that tranquility would soon be restored, and that he would come to me in person; he also sent me now and then some of his confidants to repeat these promises. In order to truly win him over to our interests, I wrote him an ola letter in which I assured him of my favor and intercession if he could manage to pacify the people, and told him to simply come to me to speak about everything concerning the welfare of the inhabitants. His answer was that he would come to me; that he had hope of calming the dissatisfied inhabitants; that many had already gone to cultivate their fields, waiting for me to grant them all good and complete justice upon the general complaint olas sent to me; and that they were only waiting for that and would remain together at Kaddouwe; that he in person would come to attend upon me within two or three days with a part of the aforementioned inhabitants and minor headmen to negotiate about all matters; was done on Kottewatte to the Modliaan Jllangakoon only by a single drunk Kevel, without anyone else having spoken about it on that occasion: regarding the aforementioned and other conversations of Madoegodde, even the other minor headmen requested that no attention should be paid to it, and that heed should only be given to their written requests. The Commissioners wrote in their letter of the 10th of June that they heard from this one and that one that the mutineers were set upon the removal of the Dessave van Angelbeek, but they declared at the same time that this only came from hearsay, and thus was not of such a nature that one could be certain of it, and that besides they did not understand why the mutineers would not come right out with it if this was truly their desire, given that they had offered them every opportunity to declare themselves candidly, orally or in writing. They wrote further that if they knew with certainty that the wild mob or leaders truly desired that the Dessave van Angelbeek should be removed, and that tranquility would thereby be restored, they would submit that request to this Government. and that I could safely remain and stay in Mature, as he would accept and await the promised favor from me, requesting to become Mohandiram and Chief of the Kandebodde Pattoe, however only after the people had been brought to tranquility; for which, however, he would have much difficulty, since his younger brother opposed him in everything and sought to thwart his well-meaning efforts. The Native Chiefs, and especially the Modliaans, did indeed make good promises that they would do everything in their power to bring about tranquility among the inhabitants soon. I do not wish to say that they were entirely inactive thereafter; however, they were very slow in their duties, and one could not notice that they were very concerned with maintaining the peace; at least I thought I had to suspect them of a lack of zeal, which quite often put me in an awkward position. To this were added the various reports that I received successively that the Court of Candia possibly had some share in the Matara conspiracy. I was informed that some envoys of the discontented peoples had gone to the Court, and that as many as three times; and that these envoys had not received an unfavorable answer. One of my spies, whom I respectfully request to be excused from naming—not wishing to expose him to any danger nor being able in fairness to do so, as I have experienced with other confidants—brought me in the final days of my stay at Mature yet another doubt-provoking piece of news, as can be seen in the accompanying account under No. 1. Your Honors yourselves seemed, in the letters written by you to me concerning the disposition of the Candian Court, not to be entirely certain, people assuring that a part of the Colombo lands, namely the Hewagam It is understood that Mr. Sluijsken shall be asked for further clarification regarding the difficulties that restrained him from naming, in this his secret report to this assembly, the man who brought him the reports in the account cited alongside here, and what it is to say that he did not name him to this assembly so as not to expose him to any danger; that is, what dangers he foresaw for that man if it became known to this Government that he had brought these reports from Candia.

Dutch transcription

2044 naauw door de misnoegden be„ gens door een enkelder dron. waakt wierd, dat hij niet weg ken Kevel op Kottewatte aan den Modliaan Jllangakoon konde koomen, schreef mij ver„ gedaan is, zonder dat iemand gelegentheid gesprooken heeft scheide brief vlassen, waer anders daeromtrent bij die bij hij betuigde onze zijde gehad: omtrend voorsz: en andere gesprekken van Ma= doegodde hebben zelfs de aantekleeven, en beloofde dat de rust spoedig hersteld overige mindere hoofden ver- zogt, dat daerop geen agt zou= de worden gegeven, en dat al„ zoude zijn, en hij zelve in hunne schriftelijke verzoeken perzoon bij mij koomen; ook leen zoude worden gelet op E: kommissarissen schreeven zond hij mij nu en dan ee„ Junij, dat zij van deeze en geenige van zijne vertrouwe„ bij hunnen brief van den 10:e lingen om deeze beloften te nen hoorden, dat de muijtelin„ den E: Dessave van Angelbeek herhaalen. om hem werke„ gen op de verwijdering van lijk in onse belangen te zouden gesteld zijn, dog zij gezegde enkeld maer van, krijgen schreef ik hem een verklaerden tevens dat dit brief ola, waer bij ik hem hooren zeggen kwam, en dus niet was van dien aert, dat men 'er zich van verzekert mijn gunste en voorspreedke verzeekende indien hij het houden konde, en dat zij bui- len des niet begreepen wae„ rom dat de muijtelingen en volk tot stilstand wiste te brengen en dat hij maer niet direkt mede voor den dag zouden koomen, wan„ neer dit werkelijk hun ver-bij mij zoude koomen om over alles aangaande de langen was, aangezien zij hun alle geleegenheeden aan„ gebooden hadden om zich welvaard van de ingezee„ houd teren rond bonstig, mondeling ofschrif„tenen te spreeken. zijn antwoord telijk te kunnen verklaeren. ze schreeven wijders dat was, dat hij bij mij zoude koomen; dat hij hoop had, de zoo ze met zeekerheid wisten dat de woeste hoop of aan. onvergenoegde inwoonderen voerders werkelijk verlang„ tot bedaaren te brengen; dat de, dat dE: dessave van Angelbeek verwondert wier„ veelen reeds aan het bearbei„ de, en dat daer door de den hunner velden waeren rust zoude hersteld worden, zij dat verzoek aan deeze gegaan; in afwagting dat Regeering zouden voordrae„ ik haar alle op hunne aen gen mij gezondene generaale klagt olas een goed en vol„ koomen regt zoude laeten genieten: en dat ze daerop alleen wagten en op kaddoe„ we bij malkander zoude blijven; dat hij in perzoon mij met een gedeelte der voornoeme inwoonder en klijne hoofden binnen 2. of drie daagen zoude koomen opwagten, om over alle zaaken te handelen en 2045 en dat ik gerust te Mature konde blijven en mij ophou- den, zullende hij de beloofde gunste van mij accepteeren en afwagten, verzoekende Mohandiaam en Hoofd van de kandebodde pattoe te worden, egter eerst, na dat het volk tot stilstand zoude zijn gebragt; waer toe hij egter veel moeite zoude hebben, wijl zijn onder broeder hem in alles teegen was en hem zijne welmeenendheid tragte te verijdelen. De Jnlandsche Hoofden en wel in het bijzonder de Modli„ aens deeden wel goede be„ loften dat ze hunne ver- moogens zoude in het werk stellen om spoedig de rust onder de ingezeetenen te bewerken. bewerken. Ik wil ook niet zeggen dat ze in het ver- volg geheel onwerkzaem geweest zijn; egter waeren zij zeer traag in hunne bestellingen en men kon niet merken dat ze zig zeer aangeleegen lieten leg„ gen om de stil stand te bewaaken; ten minsten ik meende hun van ieverloos- heid te moeten verdenken, het welk mij dikwils nog al eens verleegen maekte. Hier bij kwaemen de verscheide berigten die ik successive ontving dat het hof van Candia mogelijk eenig deel in de Matureesche zaamen rotting had, Ik was on„ derrigt dat van de mis noegde volkeren eenige zende 2046 Is verstaan, dat den Heer zendelingen ten Hoove waeren gegaan, en dat wel tot drie keeren toe; en dat deeze zen delingen geen ongunstigant„ woond bekoomen hadden, een mijner spions dien ik, hem niet gaarne aan eenig ge„ zal worden gevraagt, over de zwae, vaar willende nog met billijk- sluijsken nadere opheldering heid moogende bloodstellen, gelijk nigheeden die hem hebben wederhou„ ik bij andere vertrouwelingen den, om den man die hem de be„ aangeroepen relaas, heeft toege ondervonden heb, eerbiedig verzoe„ richten, bij het hier bezijde bragt, bij dit zijn geheim be„ke te moogen verschoond blijven rigt aan deze vergadering, te van te noemen; heeft mij in de laatste daagen van mijn ver- noemen, en wat het zeggen zal blijf te Mature nog een twijfel dat hij hem aan deze vergae„ hem niet bloot te stellen aan, verwekkende teidingen aange dering niet genoemt heeft om bragt; gelijk bij het nevens eenig gevaer, dat is wat ge„ gaand relaas onder N:o 1. te vaaren hij er voor de te man, zien is. uwel Edele Gestr: in voorzag, indien het bij Groot achtb: zelve scheenen deze Regeering bekend bij denzelven aan mij geschree„ wierde, dat hij deeze benig„ ten uit kandia gebragt had vene brieven over de gezind- heid van het Candiasche Hof niet geheel zeeker te zijn, men verzeekende dat een gedeelte der Colombosche Landen namentlijk de kewa- gam

NL-HaNA_1.04.02_3884_0586 view scan ↗

English

gam-, Hina- and Alutkuru Korale up to Kalpitiya were also in revolt. In the Galle Korle it also seemed as if some ill-disposed persons were roaming about to cause an uprising; it was also said that towards Batticaloa in the Panawa Lands, and towards Trincomalee in the Wannis, the inhabitants had revolted and banded together. In troubled times there is never a lack of bearers of gloomy reports. The truth of the matter is that on this occasion, in the lands adjacent hereto, and likewise in Chilaw, Kalpitiya, and Puttalam, not the slightest trace of ill-disposition towards the Company could anywhere be discovered among the inhabitants. All these reports indicated a general dissatisfaction, which might well break out into a native war, just as we had examples of from 1760 to 1765. The uncertainty of what might come of all this made me understand that, although one could not use violent means, one nevertheless ought not to let the matter run its course, because such conduct could possibly have dangerous consequences. I thought, finally, that it was my business, so to speak, to extinguish the kindled fire at once without being sparing with the amount of water; that I ought not to engage in disputing or haggling at length with the native over what I would grant him, but that it was better to slacken the reins somewhat generously; in order thereby to relieve their minds and bring them to peace; and in doing so preserve the Hon. Company from even greater damages. Upon these considerations actually rest my decisions on the general complaints of the dissatisfied inhabitants, and on the answer that they gave to the dispatched mandate-ola of the Hon. Commissioners Fretz and Samlant. Before I had these decisions issued as a general mandate, I conferred on every article, and every matter occurring therein, with all the Mudaliyars and principal headmen at Matara, giving them liberty and even encouraging them to present to me their thoughts and objections, and to submit to me everything which they deemed most useful for the people and necessary for their pacification. I declared to them that I did not intend to order anything else beyond what would appear in this mandate; that they should not seek to delay me, because if I noticed this, I would immediately return to Galle and employ such measures as I should deem necessary to achieve my objectives. In this manner all the articles of the mandate were put in order, one after the other, from day to day; the headmen showed themselves satisfied therewith; and I hereby sincerely testify that in no other way, and by no other arrangements than those appearing in the aforementioned mandate, was I able to bring about peace there; and that I never lost sight of the interests of the Hon. Company when drafting this mandate; I also think that this mandate could not have been arranged in any other way to bring about the cessation of the conspiracies; upon my declarations in this regard, the Hon. Raket, Samlant, Aans, and Van Albedijhl have also testified and declared this. After this mandate was completed, or rather while it was still being prepared, matters began to take a favorable turn. And because I, by creating division among the headmen of the dissatisfied, had managed to bring them individually over to our interests, namely: by the promise to make the former Mohandiram of the Magampattu, Rajapakse Dissanaike, second Mudaliyar of the Tinnewaipattu; to promote Don Simon Aratchi, Don Constantino, and Madugodde Appu to Mohandirams; and to honor the four Vidane Ralas by permitting them to wear mourning; I deemed it necessary, if possible, to make all these headmen good friends again; in order to let them work jointly on the subjection of the people. Madugodde Appu was of great service to me in this: he united with the other headmen, with one another, and I had the pleasure of seeing that Don Simon Aratchi and his brother Don Constantino, who had virtually an irreconcilable hatred towards each other, became good friends; although I almost doubted this; because after Don Constantino had been with me, as I have already stated hereinbefore, on which occasion he promised me that he would reconcile with his brother, I received report the day after his meeting that he was held under arrest at the main body of the dissatisfied through the actions of his brother Don Simon, because he had been with me without the prior knowledge of the dissatisfied. I secretly did my best to make these two brothers friends, which finally succeeded. Working tirelessly to employ, in my view, the best means to promote a speedy peace, I issued a general pardon-ola on June 30, which, however, was only dispatched on the 3rd of this month, having been delayed that long, which gave me no small suspicion, in the translation into Sinhala

Dutch transcription

gam- Hina - en alloetcoer korle tot aan kalpettij, mede in opnoer waeren. In de Gale Corle scheen het ook, of er eeni„ ge kwaadgezinden rondzwor„ ven om een opstand te bewer- ken; ook zijde men dat aan de kant van Baticaloa in de Pannewrsche Landen, en aan de kant van Jninconomale in de Het ontbreekt in onrustige tijden nooit aan overbrengens wannies, de ingezeetenen ge„ over zwaarmoedige berigten. revolteerd waeren, en zig te zae„ De waerheid van de zaak is, dat men ten dezer gelegentheid en zoo ook in het Chilause, het men getrokken hadden Alle in de hier bezijde landen kalpettische en het putlangse deeze berigten duiden eene al„ gemeene uitnoegdheid aan, nergens onder de ingeheelenen de minste spoone over kwalijk die wel tot een Jnlandsche oor„ gezindheid, tegens de Comp: log konde uitbreeken, gelijk reeds ontwoerd. wij daar van de voorbeelden van 1760. tot 1765. gehad hebben. De onzeekerheid wat uit dit alles zoude kunnen worden deed mij begrijpen, dat, schoon men geen geweldige midde„ len konde gebruiken men egter de zaak daerom niet op zijn beloop diende te laeten, wijl 2047 wijl een diergelijken gedrag moogelijk gevaarlijke gevol= gen konde hebben. Ik dagt eindelijk dat het mijn zaak was om bij wijze van spreeken het ontvonke vuur met eens te blusschen zonder met de hoeveelheid van water zuijngn te zijn; dat ik mij niet moest in- laeten om met den Jnlan. den over het geen ik hem zoude toestaan te twisten of lange te dingen, maer dat het beter was den tengel met een wat ruim te vieren; om daar door de gemoedenen te verlig„ ten en in vreede te bren- gen; en zoo doende dE: Comp: voor nog grootere schaeden te behoeden. op deeze overweegingen steu„ nen eigentlijk mijne be„ sluiten sluiten op de algemeene klag„ ten der misnoegde ingezee„ tenen, en op het antwoord dat zij op de afgezondene Mandaat-ola van dE: Com„ missarissen Fretz: en Sam= lant gegeeven hebben. voor dat ik deeze besluiten tot een algemeene Mandaat uitvaerdigen liet, heb ik mij over elk articul, en elk daer bij voorkoomende zaak, met alle de Modliaens en voor- naamste hoofden te Mature onderhouden, hun vrijheid geevende en zelvs aanmoe„ digende mij hunne gedag„ ten en teegen werpingen voor testellen, en mij alles op tegeeven wat ze ten meesten nutte van het volk en ter bevreediging van het zelve noodig oordeelden. Jk ver- klaerde 2048 klaerde hun dat ik niet voor- neemens was iets anders meer te beschikken dan het geen bij deeze Mandaat zoude voorkomen; dat men mij niet moest zoeken op te houden, want dat ik, indien ik dit gewaar wierd, onmid= delijk na Jale zoude terug keeren en zoodanige midde„ .H len in het werk stellen die ik noodig oordeelen zoude om mijne oogmerken te berijken. op deeze wijze kwaamen alle de artikels van de Mandaet, den eenen na den anderen, van dag tot dag, in gereld heid; de hoofden betoonden zig daer over voldaan; en ik betuige bij deeze oprechtelijk dat ik op geen andere wijze, en door geene andere schikkingen dan bij gemelde Mandaat voorkoomen, de nuet heb i daer ƒ heb weeten te bewerken; en dat ik nimmer de voor„ deelen der Ed: Companie bij het ontwerpen van deeze Mandaat uit het oog ver„ loonen heb; Ik denke ook dat deeze Mandaat op geene andere weize konde ingerigt worden om de stilstand onder de zaamen nottingen te bewerpen op mijne verklaeringen des„ wegens hebben de E: Raket„ Samlant, Aans en van Albedijhl dit meede betuigd en verklaerd. Na dat deeze Mandaat vervaerdigt was, of liever nog onder het vervaerdi gen derzelve, begonnen de zaeken een voordeeli„ gen keer te krijgen. En wijl ik door eene ver„ deeldheid onder de hoofden den 2049 der misnoegden te verwek„ ken hun afzonderlijk in onze belangens had weeten te krijgen, namentlijk: door belofte van de geweese Mohandinam van de Ma„ gampattoe Rajapakse Dissanaike, twede modli„ aan van de Tinnewaipat- toe te zullen maeken, Don Simon arraatje; Don Constantino en Madoe- godde appor tot Mohan- dirams te zullen bevor„ deren en de vier Bitme rales te zullen ronnoree„ ren van rouwers te moo„ gen draegen; oordeelde ik het noodzaekelijk om was het mogelijk alle deeze hoofden weder goede— vrienden te maeken; ten einde hun gemeenschappe„ lijk 1 ƒ ƒ lijk aan de onderwerping van het volk te laeten arbeiden - Madoegodde appoe was mij hier in van veel dienst: Hij vereenigde zig in de overige hoofden, met malkanderen, en ik had het genoegen te zien dat Don Simon arraatje en zijn broeder Don Constantino die genoegzaam eene onver= soenlijken haat teegen mal„ kanderen hadden goede vrien„ den wierden; — schoon ik hier aan bij na twijfelde; want na dat Don Constantino bij mij geweest was, gelijk ik hier vooren reeds gezegd heb, bij welke geleegenheid hij mij beloofde zig met zij„ nen broeder te zullen ver- soenen, kreeg ik den dag na zijne ontmoeting berigt dat hij bij de groote hoop der 2050 der misnoegden door toedoen van zijn broeder Don Simon gearresteerd zat, wijl hij zonder voorkennis van de misnoegden bij mij geweest was, Ik deed onder de hand mijn best om deeze twee broeders vrienden te mae„ ken het welk mij eindelijk dan ook gelukt is. onvermoeid voortwerkende om na mijn inzien de beste middelen ter bevondering van een spoedige nust in het werk te stellen vaer- digde ik den 30. Junij een generaale pardon-ola uit, die egter eerst den 3. dezer is afgezonden wordende zoo lange het welk mij niet weinig agterdenken, gaf, bij het Translateeren in het Singaleesch oop

NL-HaNA_1.04.02_3884_0594 view scan ↗

English

The Commander Sluysken, translated into Sinhalese. This letter of pardon was received by the discontented with all joy and honor, whereupon I, promising myself good success, had my general mandate-ola translated into Sinhalese and issued on the 7th of this month. I had this mandate-ola carried to Kadoewea by my Porta Mudaliyar, accompanied by most of the Matara headmen, and precisely as the said Porta Mudaliyar had requested of me, in order, as he said, to give this document full honor and prestige with the customary native pomp, to the beating of tom-toms and other native music and a flying banner; I certainly would have preferred to do this with less fuss, had His Honor not found that for this time, with the great mass of the discontented, one ought to overlook these unusual formalities. Before the departure of these emissaries of mine, I spoke with the Matara headmen for a few moments, recommending to them that they exert all their powers to ensure that this mandate was received and respected by the inhabitants in a proper manner satisfactory to me; at the same time indicating to them in a friendly but serious manner that I might well be informed of several matters that perhaps promised no advantage whatsoever to one or the other if they were known, but that I had nevertheless not wished to make use of this information, in the trust that my objectives and the general peace would be accomplished; but that, if my mandate-ola were not honored and they (the emissaries) returned without having accomplished anything, I would then easily understand the cause thereof, and had very seriously resolved then to open my eyes, which I had hitherto wished to keep closed over various matters, and to call to account those whom I believed to have caused me this displeasure. It appeared to me that this address caused an electric shock or effect upon the good headmen; they all gave many assurances of an unbroken goodwill and departed under the fairest promises. These emissaries of mine having departed on the 8th of this month, as already stated, I had the pleasure of seeing Don Simon Annaatje arrive at my place the following day toward evening; he expressed the most heartfelt joy at having finally obtained the opportunity to be able to cast himself at my feet and to show his inner goodwill for the Honorable Company; he hoped that I would favor him, while he would furthermore devote all his powers to bring about the general peace and to keep it lasting. On the 10th toward noon, my dispatched Mudaliyars returned, giving the pleasing report that the mandate-ola had been accepted by the people with general contentment and submission; that some of the discontented had indeed been in doubt about a few points of this mandate, but that these doubts had already been resolved upon further clarification, or could easily be resolved. After the return of these emissaries of mine, the discontented then also came daily to present themselves to me in large troops with their lesser headmen at their head, and I suppose that fully twelve thousand people successively appeared before me in these days; who, after having received a further clarification of all the points appearing in the mandate-ola, submitted with every token of satisfaction and promised to govern themselves according to the content of the said mandate-ola, and henceforth to perform their obligated Company services and their own labor. Convinced that your Right Honorable, Highly Esteemed, Great Worshipful ratification and confirmation documents, which Your Honor had sent me in order thereby to assure and reiterate to the people my general pardon, would now be of service to me, I had the same issued by way of placards (a set for each region in the Matara Disavany) and, after first having them read out before the community, distributed them to the inhabitants of each district. Whereupon the headmen and principal inhabitants of the provinces, each province in particular, passed an instrument before the Honorable Secretary of the Landraad and witnesses, whereby they, in the name of all the inhabitants and themselves, declared to have heard my mandate-ola read, to have well grasped and understood its contents, and to be highly contented and satisfied therewith; expressing their gratitude for all the favors shown to them on this occasion; under the promise that in the future they would conduct themselves as faithful and obedient subjects of the Honorable Company and properly fulfill all obligations resting upon them. With this work and the hearing of many complaints, I was occupied until the 14th of this month. When all the inhabitants, after having first expressed their submission to the Honorable Disava Raket with the fairest promises for the future, each departed to his lands and his house, after I had promised them that all their individual complaints, which I had not been able to settle due to lack of time or due to the extensive nature of their investigation, while other weighty business called me back to Galle, would be investigated and equitably settled by the Honorable Disava Raket and two Commissioners whom I would send from Galle and the Landraad; giving them the liberty, if they believed they could not be satisfied with the verdict,

Dutch transcription

De Heer Kommandeur sluijsken singaleesch op gehouden. Deeze Pandon brief wierd door de misnoegden met alle vreugde en eene ontvangen, waerop ik dan ook, mij een goed succes beloovende, mijne algemeene Mandaat-ola in het singaliesch liet over zetten, en den 7: dezer uit vaerdigen. Jk liet deeze Mandaat-ola door mijne porta moddil jaar verzeld van de meeste Matureesche hoofden en wel gelijk mij gedagte porta modliaar verzogt had, om gelijk hij zijde dit ge„ schrift alle een en aanzien bij tebrengen met de gewoone Jnlandsche staatsie onder het slaan van Jamblijntjes en ander inlands Mutieke zoude zeker verkoosen hebben en een vliegend faandel gehad dit net minder omslag te doen, zoo zijn E: niet, hadde bij de groote hoop der mis- gevonden, dat voor ditmaal noegden 1 over 2051 behoorden te worden heen gestapt over die ongewoone uiterlijkheeden noogden op kaddoewe brengen. voor het vertrek deezer mijne afgezondene onderhield ik de Matuneesche hoofden eenige oogen„ blikken; hun aanbeveelende alle hunne vermoogens in het werk te stellen dat deeze Mandaet door de ingezeetenen op eene behoorlijke en mij voldoende weize aangenoomen en geeer biedigd wierd; hun teffens op eene vriendelijk ernstige wij„ ze aanduidende dat ik wel van verscheide dingen onder- rigt konde zijn die moogelijk den een of den ander gants geen voordeel beloofden, in dien ze bekend waeren, dat ik van deeze onderrigting egter geen gebruik had wil„ len maeken in vertrouwen dat mijne oogmerken en de algemeene vreede zouden bewerkstellig worden; dog dat ik, indien mijne Man- daat ola niet gehononeerd wierd en zij (:zendelingen:/ onverrigten zaeke terug kwaemen ik dan ligtelijk de oorzaek van dien be„ grijpen kon, en mij wel ernstiglijk ernstiglijk had voorgenoomen als dan mijn oogen die ik tot nog toe over verscheide dinger had willen geslooten houden te ope„ nen en die geenen ten venand- woording te trekken die ik meende mij dit ongenoegen te hebben toegebragt. Het kwam mij voor dat deeze aanspraak een electrique schok of werking op de goede hoofden veroorzaakten, zij gaaven alle veele verzee keringen van eene onafge„ brooke welmeenendheid en vertrokken onder de schoorste beloften. Deeze mijne afgezondene den 8e dezer gelijk reeds gezegd vertrokken zijnde had ik het genoegen van Don Simon annaatje den volgenden dag teegen den avond bij mij te zien aan„ koomen, hij betuigde de hautelijkste vreugde einde lijk in de geleegenheid gekomen 2052 gekomen te zijn van zig aan mijne voeten te kunnen werpen in zijne innerlijke welmeenendheid voor de Ed: Companie te kunnen be„ toonen; Wij hoopte dat ik hem zoude begunstigen ter„ wijl hij voorts alle zijne vermoogens zoude besleeden om de algemeene rust te bewerkstelligen en aanhou„ dende te doen zijn. Den 10. teegen den middag kwae„ men mijne afgezondene Modli„ aens weder te rug, het aange„ naam verslag doende, dat de Mandaat ola door het volk met een algemeen vergenoe„ gen en onderwerping, aan„ genoomen was; dat eenige der misnoegden wel over eenige poincten van deze Mandaat in twijfel wae„ ren, dog dat deeze twijfel bij een nadere ophelde ring van dien, reeds vol- daan daan waaren, of gemakkelijk nog te voldoen zoude zijn. Na de terug komst deezer mijne zendelingen kwaemen dan ook de misnoegden zig daagelijks bij groote troupen aan mij ver„ toonen met hunne mindere hoofden aan het hoofd, en ik veronderstel dat munr swaelf duizend menschen successive in deeze daegen voor mij ver= scheenen zijn; die na eene nadere opheldering bekomen te hebben van alle de poincten bij de Mandaat ola voor- koomende, zig met alle blijken van genoegen onder- worpen en beloofden na den inhoud van gedagte Man- daat ola zig te zullen be„ stieren, en voortaan hunne verpligte kompanies dienster en hunne eige arbeid ver- nigten. Overtuigd dat uwel Edele Gestr: groot achtb: rati= : ficatie 2053 ficatie en bevestignis geschrif„ ten, welke hoog dezelve mij gezonden hadde om daer door aan het volk mijn Gene- rael Pandon te verzeekeren en te rerimeren, mij nu van dienst zoude zijn; heb ik dezelve bij wijze van placaaten (:voor elkland- schap, in de Matureesche Dessavonie een stel:/ laeten uitvaerdigen en deelde de„ zelve na ze alvoorens voor de gemeente te hebben lae„ ten opleezen aan de inge„ ƒ zeetenen van elk distrikt uit. waer na de hoofden en voornaamste ingezeete nen van de provintien; elk provintie in het bijzonder, voor de E: se„ cretaris van Albedijhl en getuigen eene acte pas- seerden waer bij zij uit naam van alle de Jngezee„ tenen tenen en hun zelven verklaar= den mijne Mandaat ola te hebben hooren leezen, dies inhoud wel te hebben be„ greepen en verstaan, en daarmede ten hoogsten ver= genoegd en voldaan te zijn; betuigende hunne danker„ kentenis voor alle de gunsten bij deeze geleegenheid aan hun beweezen; onder belofte dat zij in den aanstaende zig als getrouwe en gehoor- zame onderdaanen van de Ed: Companie zouden gedraegen; en alle op hun leggende verpligtingen behoorlijk nakomen. Met dit werk en het aanhoo„ ven van veele klagten, was ik tot den 14. dezer beezig. wanneer alle de ingezee„ tenen, na alvoorens: den E: Dessave Raket hunne. onder 2054 onderwerping, met de schoon„ ste beloften voor den aan„ staande, betuigd te hebben, een elk na zijn landen zijn huis vertrok, na dat ik hun beloofd had dat alle hunne afzondenlijke klagten, die ik wegens gebrek aan teid, of wee„ gens de uitgebreidheid van derzelver onderzoek, niet had kunnen afmaeken, wijl andere gewigtige beezigheeden mij na Zale terug niepen, door dE: Dessave Raket, en twee Commissarissen, die ik van Gale zoude zenden, en den Landaaed zoude laeten on„ verzoeken en na billijk- heid afmaeken; hun vrij- heid geevende, indien zij met de uitspraak net meenden voldaan te kun¬ nen

NL-HaNA_1.04.02_3884_0602 view scan ↗

English

to address me more closely at Gale. I was obliged to do the latter because the inhabitants seemed to place very little trust in the Matara Land Council, and had not hesitated on a certain occasion, when I referred one of the complainants to the Land Council, to declare that they would rather appoint a soldier from my detachment as judge than the said court. One must bear with the people somewhat in such circumstances; nonetheless it would have been important to ask for some further explanation as to what the inhabitants' little trust in the Matara Land Council is grounded upon, in order to have the opportunity to instill better feelings of this Council into the inhabitants, or also to be able to provide for it in case this Council might actually have given any occasion or cause to think so ill of it, of which, however, no evidence has appeared to this Government. A few days before my departure, the Honorable Disava Raket, assisted by the second warehousekeeper De Moor, a very capable man in land affairs and especially regarding the condition of the Matara Disavony, and the Honorable Trade Bookkeeper Samlant, assisted by the authorized Salm, had already begun investigating various complaint cases concerning extortion and maltreatment in the service, and divided themselves into two separate places for this work. The inhabitants seemed to be satisfied with this, and I promised myself a good outcome from this mode of proceeding. Having regulated all the affairs at Matara to the extent that my presence could no longer be of any service, but on the contrary was not good because the Honorable Disava was thereby somewhat hindered from letting the performance of service take its obligatory and customary course again, which should not be delayed and was best begun now while tempers were still warm and virtuous, and which was somewhat difficult as long as I remained at Matara, because the chiefs as well as their subordinates continued to come running to me, making all kinds of representations and requesting favors, which would also probably not have ceased as long as I was present. Besides this reason, I also judged my departure to Gale to be highly necessary, because I had received reports from the Honorable Political Council and the Honorable overseer of the Gale coolies, Van Schuler, that some inhabitants had gathered together in the district of the Pangebaddepattoe and an uprising was to be feared, some persons who had made themselves guilty of this having actually been apprehended and arrested at Gale. Judging, then, my presence at Gale to be most necessary and at Matara useless, on the evening of the 15th instant I transferred the further care for the welfare of the Matara inhabitants and the vigilance over the interests of the Honorable Company to the Honorable Disava Raket, delivering to His Honor a memoir and other papers relating to the present state of affairs; and on the morning of the 16th I departed for Gale, where I arrived in good health towards evening, having had the pleasure during this journey to learn at Belligam and along the road that the inhabitants are settling into rest and peace and had returned to their old obligations and the working of their fields. This rest and peace I trust will be lasting, if the necessary attentiveness is practiced and the country is properly governed. On Ceylon one has had many disavas who were previously employed in no country services, who were nonetheless good country rulers. To speak only of recent times, the Disava De Costa was a military captain when he was appointed by Their High Mightinesses; the Honorable Rooze, who became Disava of Colombo, was sent to Ceylon as Senior Merchant from Batavia and became Disava of Jaffnapatnam shortly after his arrival. The Disava Burnat became one from Chief Administrator without previously having been placed in any land service, and the Disava Billing became one from Secretary. May I be permitted to remark herewith that this requires a knowledge of the land obtained through experience, and especially the knowledge of the castes, obligations, privileges, and customs belonging to the Sinhalese. This knowledge of the land, which is especially necessary with a people who have revolted and must be brought back to their obligatory work, cannot be obtained otherwise than through study and activity in that task, just as this also takes place in the military, naval affairs, and the mercantile, of which latter the Honorable Raket indisputably has many merits and knowledge, having moreover been trained in it from his childhood. It is therefore, and because the Honorable Raket himself has been so modest as to declare that he has no knowledge or experience of the land service, necessary that the Honorable Trade Bookkeeper Samlant, who is experienced in the land service and has given evidence of competence, remain at Matara for some time yet, at least until the Honorable Raket has acquired some knowledge concerning the land service; for it is certain that if one deviates in this department from those rules which the land administration prescribes, and which are known to those knowledgeable of the land; and which particularly consist in this: that each inhabitant must be kept to his obligation, maintained in his privileges, preserved from extortions and exactions, and above all with no innovations against the country's

Dutch transcription

nen zijn, zig nader aan mij op Gale te addresseeren. Ik was tot dit laatste verpligt wijl de ingezeetenen zeer weinig vertrouwen in den Men moet het volk in zulke geleegentheeden wat ten goede Matureeschen Land-raad houden, niet te min waere het van belang geweest om eeni scheenen te stellen, en niet geschroomd hadden bij zeeker ge nadere verklaering te vrae„ gen, waerop het wijnig ver„ geleegenheid, dat ik een der trouwen der ingezeetenen in klaegers na den Land- naed den Matereschen landraed is gegrond, ten einde geleegent„ heid te hebben om de ingezee overwees te verklaeren, van tenen beetere gevoelens van hun liever een soldaet van deezen raed inteboesemen, of ook om 'er in te kunnen voor mijn delachement tot regter te stellen, dan gedagte zien, ingevalle deeze Raad werkelijk eenige geleegent. rechtbank. heid of aanlijding mogte gegeeven hebben om zoo kwa„ Eenige daegen voor mijn ver„ trek hadden dE: Dessave Ratet lijk van denzelven te den„ ken, waer van nogtans geassisteerd door den tweden geene blijken aan deeze pakhuismeester de Moor Regeering zijn voorgeko= een zeer kundig Man in de landzaaken en voor al van de gesteldheid der Maturee„ sche Dessavonie; en dE: Negotie boekhouder men. Samlant ƒ 2055 Samlant, geassisteerd door den geauthorizeerde Salm, reeds aan het onderzoeken van verscheide klagt zaeken, aangaande knevelanij en mishandeling in den dienst„ begonnen; en zig tot dit werk in twee afzonderlijke plae„ gen verdeeld. De ingezeetenen scheenen hier over voldaan te zijn en ik beloofde mij een goed gevolg van deeze wijze van handelen. Alle de zaaken op Mature in zoo verre gereegeld heb= bende, dat mijne teegen- woordigheid van geen dienst meer konde zijn, maer in teegendeel niet goed was wijl daar door den E: Des„ save eenigzints belet toe„ gebragt wierd, om de dienst verrig mij vernigtingen weder zijnen verpligte en gewoone loop te laeten neemen, waer mede niet diende getalmd te worden, en best wass te beginnen nu de gemoe¬ deren nog warm, en deugd= zaam waaren, en het welk eenigzints moeijelijk was zoo lang ik mij te Mature bevond, wijl de hoofden zoo wel als Hunne onder¬ geschikten nog aanhiel den bij mij te loopen, en allerlije voorstellingen te doen, en gunsten te verzoeken, het welk ook waerscheinlijk niet zoude opgehouden heb- ben zoo lang ik teegen„ woordig was. Behalven deeze reeden oordeelde ik mijn ver= trek 2056 trek na Gale ook nog hoogst noodzaakelijk, wijl ik be„ rigten van den E: Politiquen raad en den E: op ziender der Gale Coulé van schuler gekreegen had, dat eenige ingezeetenen in het Landschap de Pangebaddepattoe te zaamen genot waeren en een opstand te vreesen was, zijnde werkelijk eenige perzoonen die zig hier aen schuldig gemaekt hadden, opgevat en te Gale gear= resteerd. Dan, mijne teegenwoordigheid te sale hoogst noodig en te Mature onnuttig oor- deelende, vroeg ik den 15. dezer des avonds de ver- dere Iorge over het wel zijn der Matureesche in„ gezeetenen en de waak„ saamheid over het belan„ gen Men heeft op Ceilon meeni„ gen der Ed: Comp: den E: dessa= ve Raket op zijn E: eene Memorie en andere papieren tot de teegenwoordige teids gesteldheid betrekking heb- bende overgeevende; en vertrok den 16. des moa- gens na Gale, alwaer ik teegen den avond in ge zoudheid aankwam, hebbende geduurende deeze reize het genoegen te Belligam en langs de weg te ver- neemen dat de ingezeete„ nen zig tot rust en vreede schikken en aan hunne oude verpligtingen en het bearbijden hunner velden gegaan waeren. Deeze rust en veede vertrouw ik dat van duur zal zijn, indien de nodige oplettend- gen dessaves gehad die diensten zijn g'emploijeerdheid beoessend en het land ge„ bevoorens in geen land geweest lijk 2057 lijk behoord bestiend word. Het geweest die daerom des niet te zij mij geoorloofd hier bij aan„ min goede land regenten geweest alleen van de jongste tijden te temerken, dat hier toe eene door zijn. De dessave de Costa om ondervinding verkreegene spreeken was kapitein mili= land kunde, en voor de ken- tain toen hij door H: H: E: tot aangesteld; dE: Rooze die nns van de Castas, verplin- Dessave van Kolombe wierd tingen, voorregten, en usan„ als opperkoopman van Batavia kort na zijn aankomst dessave tien der singaleezen behoord. na Ceilon gezonden is, wierd van Jassenapatnam. De dessave Deeze landkunde, die voor al bij een volk dat gerevol- Burnat is het geworden van teerd heeft en weder tot haer hoofd administrateur zonder verpligt werk moet gebragt te vooren eenig land dients worden, noodzaakelijk is kan te zijn geplaetst geweest en de dessave Billing is het niet anders verkreegen wor- geworden van sekretaris. den dan door studie en werk„ saamheid in die taak, evenge„ lijk dit bij het Militaire het zee weesen en het Mencan„ tieele ook plaats heeft, van welk laatste de E: Raket onweederspreekelijk veele verdiensten en kunde heeft, zijnde daer bij van zijne kindsheid af aan opgelijd. Het is daerom, en wijl den E: Raket zelve zoo bescheiden geweest is, van te verklae¬ ren a- ren geene kennis of ondervinding van de land dienst te hebben; noodzaekelijk dat de E: Negotie boekhouder Samlant, die in den land dienst envanen is, en blijken van kunde gegeven heeft nog eenige tijd te Ma„ ture blijve, ten minsten zoo lange tot dat de E: Raket zig betreklijk den Landdienst eenig kennis heeft gemaekt, want het is zeeker dat zoo er in dit fak word afge„ weeken van die reegels die het land bestier voorschrij„ ven, en die aan land kundi„ gen bekend zijn; en die bij zon„ derlijk daarin bestaan, dat een ider ingezeetenen tot zijne verpligting moet wor= den gehouden, in zijne voor= regten gemaintineerd; voor knevelarijen en afperzingen bewaard; en vooral met gee„ ne nieuwigheeden teegen slands

NL-HaNA_1.04.02_3884_0609 view scan ↗

English

imposed on the customs of the country. For departing from all these rules, one can certainly expect no continuation of tranquility, but on the contrary, from time to time, revolts of discontented inhabitants. This maxim also caused the Galle Council to decide, by resolution of the 20th of this month, upon my proposal, to appoint the supervisor of the Galle Coolies, the Honorable Van Schuler, and the supervisor of the Areca, the Honorable De Vos, both experienced in the country service, as Commissioners to assist the Honorable Raket in investigating and settling the numerous special complaints of the inhabitants in Matara; just as these delegates from the Galle Council departed for Matara on the 22nd of this month, and have begun the work entrusted to them there. I find myself honored in the most agreeable manner, and my taken efforts, in this commission so happily accomplished by me under God's blessing, fully rewarded by the high approval and kind declarations that appear in this regard, both in the agreeable separate letters of Your Honorable Right Respectable, and in the official letter of the entire Government of this Governorate dated the 21st of this month. I have certainly spent very many distressing moments during the recent disturbances in the Matara Dissavony, yet these have also been bearable through the confidence that I would one day find the opportunity to convince the whole world of my good intentions in the service of my Lords and Masters; of my notions of true honor; of my sentiments toward my hidden enemies, whom, however much I despise them, I nevertheless do not desire to bring to shame; and especially of my desire to give proof to Your Honorable Right Respectable of how much I wish to bring the same some pleasure and to deserve their high approval; just as I now indeed relish the agreeable satisfaction of seeing the aforementioned consolations fulfilled in my distressing moments. I cannot refrain from assuring Your Honorable Right Respectable, with this, of my open and hearty gratitude for having placed me in this opportunity, and that through an absolute trust. Before I conclude this, may I be permitted to set down my particular remarks and thoughts regarding the origin and subsequent course of the latest gatherings in the Matara Dissavony. In my judgment, these gatherings were caused by a real discontent among the inhabitants. This discontent arose from the abuses and extortions endured and accumulated for many years past by the inhabitants, abuses and extortions by the native headmen, as well as by imposed new burdens not corresponding to the caste or birth and obligations of the inhabitants, occurring without the addition of new rewards, while, on the contrary, the old rewards were taken away. The circumstances of the times often demand one or another new arrangement that cannot be avoided; thus, for example, about 20 years ago, one had to impose the carrying of cinnamon on the coolie peoples, because due to the scarcity of cinnamon there was otherwise not enough time left for peeling, but for this special service the people are paid 2 stivers a day, and the usual rations of rice or paddy. They are likewise paid for all plantings carried out on the Company's account with the rations of rice or paddy, and one stiver a day, as far as concerns the work in the Dissavony of Colombo, except for some plantations lying deep inland in the vicinity of the laborers' dwellings, where they have received only paddy and no money. In the Dissavony of Matara, about 5 years ago, paddy and money were also supplied, but because the work did not justify the expense, the principal headmen themselves pointed this out, and for that reason that supply was stopped, but for some time now rations of two paras of paddy per month without money have again been supplied to the plantation workers. Other new obligations that might have been imposed on the inhabitants are unknown to this Government, just as it is also unknown to this Government that any old rewards have been taken away from the inhabitants, unless this might refer to some adjustments in the accommodations, now about 20 years ago, and, both greater and lesser, this must continually be provided for as far as possible.

Dutch transcription

2058 'slands gebruiken stuijdende op gelaeden worden. want van alle deeze reegels af„ wijkende heeft men zeeker geene voortduuning van rust, maar daarenteegen van teid tot teid revoltes van misnoegde ingezeetenen te verwagten. Deeze stel neegel heeft ook den Paalschen raad doen besluiten bij resolutie van den 20. dezer, den opzienden van de Gale Coule dE: van schuler en den opziender van de arreete dE: De vos, bijde in den land dienst geoessend; als Commissarissen op mijne voorstelling te benoemen om den E: Raket in het on„ derzoeken en afdoen der meenigvuldige speciaale klagten der ingezeetenen te Mature te ondersteunen; gelijk deeze gecommitteer„ den ing tie gee„ den uit den Gaalschen raed dan ook den 22. dezer na Ma„ ture vertrokken zijn, en aldaar met het hun opgedraegen werk begonnen hebben. Jk vinde mij op de aangenaam ste weize vereend, en mijne genomene moeite, in deeze door mij onder Godes zeegen, zoo gelukkig volbragte Com„ missie, ten vollen beloond, door de hooge goedkeuring en ge„ neegene verklaringen, die ten dien opzigte voorkoomen zoo wel bij uwel Edele Gestr: Groot, achtb: aangenaame afzonderlijke brieven, als bij de officieele brief den geheele Regeering deezes Gouverne„ ments in dato den 21. dezer. Jk heb zeekerlijk bij de laat„ ste onlusten in de Mature- sche dessavonie zeer veele verduietige orgenblikken doorgebragt, dog deeze zijn 2059 zijn ook al draaglijk geweest ƒ door het vertrouwen dat ik wel eens geleegenheid zoude vinden de geheele waereld te overtuigen van mijne welmenendheid in den dientt mijnen Heeren en Meesteren; van mijne denkbeelden van waere Eere van mijne senti„ menten teegens mijne schui= lende vijanden die ik hoe zeer ik hun veragte egter niet begeere tot schande te maeken; en voornament„ lijk van mijn verlangen om uwel Ed: Gestr: Juort achtb: blijken te geeven; hoe zeer ik wensch hoogst den- zelven eenig genoegen aante„ brengen en hoog derzelvese goedkeuring te verdienen; gelijk ik thans dan ook werkelijk de aangenoeme voldoening smaeke de even- gem: vertroostingen in mijne Teegens mishandelingen en kne= mijne verdrietige oogenblikken vervuld te zien. Ik kan niet voor bij uwel Edele Gestr: groot achtb: bij deeze mijne opent„ lijke en rantelijke dante erken- tenis te verzeekeren, van mij in deeze geleegenheid, en wel door een onbepaald vertrouwen, ge„ bragt te hebben. Voor dat ik deeze sluite zij het mij geoorloofd mijne bijzondere aanmerkingen en gedagten over den oorsprong en dies voort gang, van de laatste zaamen- nottingen in de Matureesche Dessavonie ter neder te stel= len. Na mijn oordeel wierden deze zaamen rottingen door een wer„ kelijk misnoegen den ingezee„ tenen veroorzaakt. Dit misnoegen is ontstaan door zeedert veele Jaaren herwaerds ondergaanen en opgestapelde belanijen der ingezeetenen mishandelingen en knevelanijen; door de inlandsche hoofden door zoo 2060 door opgelegde, en niet met de Casta of geboorte en ver= pligting der ingezeetene geschieden. de omstandigheeden van tijden vorderen dikwils dee„ over eenstemmend nieuwe las„ re of geene nieuwe inrigtin- gen, die niet te ontwijken zijn, ten, zonder toevoeging van zoo reefs men bij voorbeeld het af- nieuwe belooningen; terwijl draegen van de Canneel omtrent 20. jaaren geleeden de kouls volkeren moeten opleggen, wijl in teegendeel de oude beloo- ningen afgenomen wierden. en door de schaarsheid van de kaneel anderzints geen tijd genoeg overschoot tot het schillen, dog voor deeze bezondere dienst word het volk betaalt, met 2. stuiv:s 'sdaags, en de gewoone mandementos van rijst of Nelij. ze zijn insgelijks be„ taalt voor alle aanplantingen die voor reek: van de Comp: zijn gedaan met de Mandementos van rijst of Nelij, en Een stuiver 's daags, voor zo verre betreft het werk in de Dessavonij van kolombo, uitgezondert eenige plantagies die diep in het land leggen in de nabijheid van de wooningen der arbeiders, waarin dezelve alleen Nelij en geen geld genoten hebben in de Dessavonij van Mature is voor omtrend 5. Jaaren ook Nelij en geld verstrekt, dog weil het werk aan de onkosten niet voldeed, hebben de principale hoofden dit zelfs vertoond, en is daarom die verstrekking niet meer gedaan, dog zedert nu eenigen tijd zijn weder maindementss van twee paaras Nelij smaends zonder geld aan de plantagie werkens verstrekt. Andere nieuwe verpligtingen die de ingezeetenen zoude zijn opgelegd, zijn deeze Regeering onbekend, zoo als ook deeze Regeering onbekend is, dat aan de ingezeetenen eenige oude belooningen zouden zijn afgenoomen, ten zij dit mogte zien op eenige verschik kingen in de akkomodessans, nu voor omtrent 20. en moet dit bij voort duuring steeds na mogelijkheid voorzien zoo groote als mindere, is Jaaren

NL-HaNA_1.04.02_3884_0614 view scan ↗

English

years done by the Honorable Senior Merchant Burnat, at the time he was dessave of Mature, by virtue of the standing orders, which mandate that one must seek to grant the accommodations /:maintenance lands:/ as much as possible from such regions that are the most remote, and from which it is correspondingly difficult for the Company to have the dues collected that arise from them. In the matter of the accommodations in the Maturese Dessavany, provision will now be made anew, on account of the settlement of the complaints. However, if the Lord Commander Sluijsken should know to point out any new obligations under which the native has been placed, from which they ought to be released, or also that any rewards to which they are entitled are withheld from them, this Government will receive his indication in that regard with pleasure. All these injustices could not have occurred otherwise than with the prior knowledge and even the connivance of the native chiefs, and as experience teaches, cannot be prevented, however well-intentioned a land regent may be, unless he combines with his benevolence the necessary knowledge of the country's administration and enough enthusiasm to counteract all the unpleasant encounters in the same with calmness and patience. By the injustices of which mention is made here, Mr. Sluijsken undoubtedly means nothing other than the iniquities that the native chiefs from time to time inflict upon their subordinates. All means employed from time to time to prevent this having been found insufficient, this Government sees no other means to counter this more effectively than that more European servants be employed in the country's administration, the necessity of which has already been shown repeatedly to Your Right Honorables. That the aforementioned dissatisfaction of the inhabitants over endured mistreatment and injustices was not seen to break out already some time ago, and even several years ago, is in my understanding to be attributed solely to the fact that the interest of the chiefs did not make this necessary sooner. I believe, however, that this dissatisfaction, so far as the common man is concerned, turned into a general revolt solely out of fear of the expedition to Buddiginie; and that this revolt was now judged necessary by the chiefs for particular designs, possibly out of fear that their actions could no longer remain concealed, and that they therefore found the expedition to Baddiginie a suitable pretext; for had this not been the intention of the chiefs, they would certainly have informed the Honorable Dessave van Angelbeek of the people's discontent against this expedition, and would not, after offering their subordinate peoples as volunteers for the establishment of the intended settlement under the pretense of benevolence toward the Honorable Company and his Honor, have sought to compel these peoples to this journey by force, as is evident has happened; contrary to the intention of the Honorable Dessave van Angelbeek, who testifies to have desired none but voluntary people for this expedition, with the exception of some workmen. From this one will be able to conclude that the foremost chiefs, or some of them, were the instigators of the revolt in the Maturese Dessavany. At least I find this very probable, and shall explain my thoughts on this matter in more detail below. First, I must demonstrate that the minds of the people, besides the influence of the chiefs and besides the expedition to Baddiginie, were already inclined to rebellion on account of dissatisfaction, and that nothing but a good opportunity was lacking to make this revolt break out generally. That the people have already been dissatisfied for a long time, and that this dissatisfaction has gradually increased and grown more and more, is proven by the following considerations based on experience. It is well known that the major and minor native chiefs in the country have always regarded the common man as tools which they believed they had the right to use at their pleasure to expand their fortunes; they have thus employed the people for their purposes through all kinds of injustices and extortions, and indeed frequently in the name of the Honorable Company, these chiefs mostly passing off all their private business as the Company's work. The establishment of cinnamon plantations was by the inhabitants

Dutch transcription

Jaaren gedaan door den E: opperkoopman Burnat; ten tijde hij dessave van Mature geweest is, uit hoofde van de leggende ouders, die beveelen dat men zoo veel mo„ gelijk de akomodesans /:onderhouds landen:/ moet zoeken te geeven uit zulke streeken, die het meest afgeleegen zijn en waer van het de Comp: na maete van dien, moegjelijk is om de geregtigheid die er van inkomt, te doen afhaelen Jn het stuk van de akomodesans in de Materesche De„ savanie zal nu, uit hoofde van de afdoening der klagten„ op nieuw worden voorzien. zoo de Heer Komman- deur sluijsken nogtans eenige nieuwe verpligtingen, waer onder den inlander gebragt is, mogte weeten aan„ te wijzen, waer van ze zouden dienen te worden ont- slaegen of ook dat hun eenige beloningen, waer toe de gewettigt zijn, worden onthouden, zal deeze Regeering zijne aanwijzing daeromtrend niet welgevallen ontvan- gen. Alle deeze onregtvaerdigheeden onder de onregtvaerdigheeden hebben niet anders dan met voorkennis en zelvs niet toe„ waer van hier gesprooken word, verstaat de heer sluijs„ ken ongetwijffelt niet anders doen der Jnlandsche hoofden dan de onbiblijkheeden, die kunnen geschieden, en gelijk de ondervinding leerd, niet de inlandsche hoofden nu en dan aanregten teegens hunne onderhoorigen. Alle midde„ kunnen tegen gegaan worden, hoe weldenkende een Land len van tijd tot tijd te werk gestelt, om dat te beletten niet toerijkende bevonden regent, ook is, ten zij hij bij zijnde ziet deze Regeering, om dat meer efficacieus zijne welden kendheid de tegen noodige 2061 noodige kennis van het land teegen te gaan, geen andere bestier en lust genoeg heeft, alle middel, dan dat 'er meer huno bestier worden geemploijeert de onaangenaame ontmoetin„ peese bediendens in het land waer van de noodzakelijkheid gen in het zelve, niet bedaend- reeds een en andermael aan heid en geduld teegen te gaan. W H: Edelh: is vertoond. Dat men het evengem: misnoe„ gen der ingeleetenen over onder gaane mishandelingen en on„ regtvaandigheeden net reeds zeedent eenige teid en zelfs reedent eenige jaaren heeft zien uitbreeken, is na mijn begrip alleen daar aan toete„ schuijven dat het belang der hoofden dit niet eerder nood- zaekelijk maakte. Jk geloot egter dat deeze mitnoegdheid, zoo verre de gemeene man aangaat. alleen uit vrees voor de togt na Buddiginie tot een algemeen opstand uitgekoomen; en dat deeze op„ sland door de hoofden uit bijzondere inzigten, mooge„ lijk uit vrees, dat hunne bedrijven niet langen konden bedekt blijven, nu noodieg geoordeeld wierd en dat zij daerom an daerom de togt na Baddi„ ginie tot voorwendzel goed vonden; want was dit niet het oogmente der hoofden ge weest, zouden zij den E: Des„ save van Angelbeek zeeker„ lijk van het onvergenoegen des volks, teegen deeze togt hebben onderrigt en niet, na dat ze onder voorgaave van welmeenendheid voor de Ed: Companie en voor zijn E: hunne ondergeschikte volke„ ren tot het aanleggen der ge„ dagte volk planting als vrywilligen aanbooden, deeze volkeren tot deeze reize met geweld hebben willen dwingen, gelijk blijkt dat geschied is; teegen de in„ tentie van de E: Dessave van Angelbeek die be„ tuigd niemand dan vrijwil„ lige menschen, uitgezonderd eenige werkslieden, tot deeze togt te hebben be geerd. Hier 2062 Hier uit zal men kunnen op mae„ ken dat de eerste hoofden of eenigen van hun, de aanleg gens van de opstand in de Matisneesche Dessavonie geweest zijn. Ten minsten ik vinde dit zeer waerscheine lijk, en zal mijne gedagten deswegens hier onder nader verklaaren. voor af dien ik aantetoonen dat de gemoederen des volks behalven den invloed den hoofden en behalven de togt na Baddiginie wegens misnoegdheid reeds tot opnoer geneegen waeren en dat niets als een goede geleegenheid ontbrate om deeze op stand algemeen te doen uitbreeken. Dat het volk reeds zeederd lange misnoegd is geweest en dit misnoegen langzaamen hand al meer en meer is toe„ genoomen, en aangegroeid, be„ wijzen wijzen de volgende op onder- vinding steunende overwee„ gingen. Het is bekend dat de meenden en mindere inlandsche hoofden in het land altoos de gemeene man hebben aen„ gemerkt als werktuigen waer van ze meerden het regt te hebben zig te kunnen bedienen na hun welgevallen om daarmede hunne vermio„ gens uittebuijden; zij hebben dus het volk door allerleij onregtvaardigheeden en kne„ oelangen tot hunne oogmer„ ken geemploijeerden wel veeltijds op naam van dE: Companie laatende deeze hoofden meest al hunne partikuliere vernigtinge voor 'sComp:s werk, door gaan. Het aanleggen van kaneel plantagien wierd door de ingezeetenen

NL-HaNA_1.04.02_3884_0619 view scan ↗

English

inhabitants regarded it as a burden, contrary to their natural obligations, and they were reluctant to engage in this work because they feared that if cinnamon trees were to be found everywhere, everyone would then be exposed to unpleasant encounters and persecutions from the chalias, who, as they had already experienced, could cause much harm by accusing them of having ruined cinnamon trees or by attributing some other malicious actions to them. The aversion of the people to cinnamon cultivation was evident in its beginnings; for whatever pains were taken to push through this plantation, which was so well-meaningly designed and promised so much advantage to the Honorable Company, one could nevertheless hardly succeed in that regard until the native was encouraged thereto by granting them titles, prestigious offices, and other tokens of favor when they were willing to undertake this work. Infatuated with titles and prestige, many of the most prominent Sinhalese soon offered to make considerable cinnamon plantations. They bound themselves thereto by notarial deeds and upon forfeiture of their prestige, offices, and fines. Many have since truly made considerable plantations, but one easily understands how greatly the common people, who were forced by the contractors, who were almost all the foremost chiefs, to labor in these plantations and, according to the complaints and grievances brought before me, frequently had to pass up and lose their own gardens and lands because said contractors found them suitable and convenient for these plantations, became more and more prejudiced against this cinnamon cultivation. The inhabitants, if they thought reasonably, have much more reason to flatter themselves that the more supply of cinnamon there is in the country, the less they will be exposed to the unpleasantnesses spoken of here on this side. Also, one now hears far less of such complaints than in previous years and before one had begun this work. That the inhabitants would have an aversion to laying out cinnamon plantations for the very reason that it is cinnamon, even if such an aversion ever existed, is certainly long gone. It is far more the laziness of the native that causes them to have an aversion to all kinds of work whatsoever. For the rest, it is certainly quite indifferent to them whether they plant cinnamon, coffee, pepper, or whatever other products it might be. From earlier times it is well known that similar complaints were formerly received from the people regarding the planting of coffee and pepper, the cultivation of indigo, or whatever else it might be. In particular, it is known what trouble the Honorable Commander Casparus de Jong took in his time to establish pepper plantations, and what expenses he had to disburse from his own wealth to encourage the people and overcome their innate laziness and sluggishness. It has never been the intention of this Government to authorize those who have taken such obligations upon themselves by deeds to demand more from their subordinates than the labor to which they are bound, and insofar as they may have done so, it is certainly an abuse of authority. There is almost no native chief who—one to please his superiors, another to be placed in an office, the third to obtain an honor and a title—has not undertaken to cultivate cinnamon, coffee, pepper, areca, sappanwood, etc., and that mostly far above their capacities to accomplish. In the deeds of obligation of these contractors, a certain time was determined when the planting had to be completed if the contractor did not wish to incur the stipulated penalty. Some of the contractors had not fulfilled their obligations, and the time having expired, the Honorable Dessave van Angelbeek in all fairness imposed on them the punishment to which they had voluntarily submitted themselves by the deed. This made all the other contractors, who, as already mentioned, were the first persons of the country, observant and convinced that they had not fulfilled, nor could fulfill, their obligations, which were now almost all expiring or had expired. There naturally arose in them the fear that they had forfeited either their offices, their obtained titles, or some monetary fine. This fear was all the greater because they felt they had brought themselves voluntarily into this situation, and because they had seen that Mr. van Angelbeek acted according to the contents of the deeds of obligation. It was natural that all the chiefs and contractors began to think of means to

Dutch transcription

2063 ingezeetenen als een last De ingezeetenen indien ze nee„ aangemerkt, teegen hunne delijk, dagten, hebben veel meer aangeboomene verpligting reedenen, om zig te vlijen, dat na male en meer voorraed strijdende, zij hadden van kanneel in het land is, ze gesteld aan de onaangenaam in dit werk te meen tee„ te minder zullen zijn bloot gen zin, wijl zij vreesden heeden waer van hier ten zijden dat wanneer en kaneel gesprooken wond. ook hoort men tans veel minder van diergelijke boomen over al te vinden klagten, dan in onnegen Jaeren is begonnen. Dat de ingezeete waeren, als dan een ieder en voor dat men met dit werk zoude blood gesteld zijn nen een tegenzin zouden heb„ plantagien even daerom, om aan onaangenaame ont„ ben in het aanleggen van kaneel dat het kaneel is, zoo het ook moetingen en de vervol„ dert lange niet meer bespeurt gingen den sjaliassen; ooit mogte hebben bestaan, zee„ die hun zoo, als ze reeds Het is veel meer de luijheid ondervonden hadden, veel van den inlanden, die dezel„ teegens alle zoorten van werken kwaed konde stigten, met ve een tegenzin doed hebben hun te beschuldigen van hoe genaamt. voor het overige schillig of ze kanneel, dan kaneel boomen te hebben is het hun zeekerlijk vrij onver- geruineerd; of hun eenige wel koffij, peper, oonwelk het ook zouden mogen zijn, andere moetwillige be„ of welke andere produkten drijven aan tehangen. aanplanten. De teegenzin des volks teegen de kaneel Cultume is in het is noijt de intentie deezer uit de vroegene tijden is het in den beginne daer van geblee„ ken; want wat moeite men ook bekend, dat men aentijds eve„ diergelijke klagten van het volk gehad heeft, over het genoomen heeft om deeze aan- planting die zoo welmeenen- aanplanten van Koffij en pee„ per, en het aankweeken van indigo of wat het meer mogte de ontworpen was en die zoo wat moeijte de heer komman- veel voordeel aan de Ed: Comp: zijn Jnzonderheid is het bekent beloofde door tezetten, heeft deur Caspanus de Jong, tot plantagien, in zijn tijd heeft men egter daeromtrend bijna het aanleggen van peepen aangewend; en wat kosten niet kunnen slaegen, dan na dat men de Jnlander daertoe hij uit zijn eigen vermoogen aanmoediging van het volk aanmoedigde door hun eenti„ heeft moeten besteeden, ter en omderzelver aangeboorene tels, aanzienlijke diensten en andere gunst bewijzen toete„ luijheid en traagheid te over- staan; wanneer hij zig met dit winnen. werk wilde belaeden. verzot op eentitels en aanzien bordig zig spoedig veele der voornaamste singaleezen aan, om aanzienlijke kaneel aanplantingen te doen, zij verbonden zig daartoe door Notarieele actens en op verbeurte van hun aanzien diensten en geldboetens. veele hebben na dien werke„ Regeering geweest, om de gee„lijk aanzienlijke aanplantin„ gen gedaan; dog men beguijpt nen die zulke verbintenis en ligt d 0 bij 2064 ligt hoe zeer het gemeenen volk, dat onder de aannee„ bij atttens op zig genoomen hebben, daar door te autoriseeren om van mens, die meest al de eerste hunne onderhoorigen meer te vergen, dan den arbeid waertoe hoofden waeren, gedwongen re verpligt zijn, en in zoo verre„ dat zeekerlijk een uisbruik wierd om in deeze aanplan- re dit mogten hebben gedaan, is tingen te arbeiden en dite- wils volgens de bij mij inge„ van autoriteid. bragte klagten en bezwaenen hunne eigene tuinen en lan„ den moeten posseren en ver- liesen wijl ged: aannee„ mens dezelve tot deeze aanplantingen bekwaem en geleegen vonden, teegen deeze kaneel Cultume meer en meer ingenomen wierden Daar is bij na geene Jnlandsch hoofd die niet, den eenen om zijne gebieden te behaegen den anderen om in een dienst gesteld te worden, de derde om een honieur en een titel te verkrijgen, aangenoomen heeft aanplanting van kaneel kaneel, koffij, peper, anreek, sappanhout etc:a te doen, en dat meest allen verre boo„ ven haare vermoogens om dezelve te kunnen volbren„ gen Bij de verbintenis actens deezer aanneemens was een zeeker tijd bepaeld wanneer de aanplanting moest volbragt zijn, wilde den aanneemen niet in de bepaalde peene vervallen. Eenige der aanneemen hadden hunne verbintenisse niet volbragt, en de teid verstooken zijnde lijde de E: dessave van Angelbeete met alle billijkheid, hun de strat op, waaraan ze zig bij de acte vrijwillig onder- worpen hadden Dit maekten alle de overige aanneemens„ die gelijk reeds gezegd de eerste perzoonen van het land 2065 land waaren op merkzoem en overtuigd dat ze aan hunne verbintenissen, die meest alle nu ten einde liepen, of geloopen waeren, niet voldaen hadden, nog voldaan konden, ontstond in hun natuurlij„ ker weize de vnees dat zij of hunne bedieningen of hunne verkreege een titels of eenig geld boete ver- beurd hadden; deeze vrees was te grooten, wijl ze ge„ voelden, zig vrijwillig in het geval gebragt te hebben en wijl ze gezien hadden dat de Heer van Angelbeek zig na den inhoud der verbintenis actens gedroeg. het was natuurlijk dat alle de hoofden en aan- neemers op middelen begonnen te denken om het

NL-HaNA_1.04.02_3884_0624 view scan ↗

English

to avert the danger that threatened them: Nothing was certainly more advantageous for this than to incite a general revolt among the people, who had so great a personal interest in seeing that these plantations would no longer take place in the future, for these plantations had to be planted, established, and maintained by the common people without them being rewarded for their trouble, while their own lands and gardens came to suffer as a result. That the chiefs in the Matara dessavony made use of this opportunity to release themselves from the obligations they had taken upon themselves is very credible; but that the complaints of the people, that they had to work so excessively in doing so, have been greatly exaggerated can already be judged from the fact alone that, in general, these obligations were either not met at all or met only very defectively, which will become clearer when one examines all the plantations made piece by piece and considers the great multitude of people by whom this work was performed during 4 or 5 years. By letter from the Colombo Government dated 30 April 1789, the Honorable Dessave van Angelbeek was authorized to have no less than one thousand men work the cinnamon gardens etc. under the allowance of two parras of paddy per month. When one has now noted this, one easily sees how greatly these complaints have been exaggerated. The condition of the common man, on the other hand, has been improved not a little by the abolition of the pannises of the native chiefs, which it is known were reintroduced in earlier times to compensate these chiefs, and which the inhabitants used to bear, at least for the greater part. In order to ascertain the truth that the inhabitants of the Matara dessavony do not have such great reasons as they claim to complain about the labor they performed for the native chiefs who had bound themselves to certain plantations, and also to be able to see what measures are necessary for the future to further advance this work, it has been approved and agreed to have a special survey made of all these plantations established by the chiefs in the Matara Dessavony, as soon as circumstances will allow. In which investigation it will also be most convenient to examine the merits of the inhabitants' complaints that their own lands and gardens came to suffer from these plantations, which will presumably turn out to concern a number of derelict or abandoned lands of which no one has made any use for many years. The disgruntled have complained in the highest degree that in the garden of Kappoegamme, four hundred seventy heads had to labor under the allowance of only a single parra of paddy per month. The Honorable former Dessave van Angelbeek testified that in the garden of Kappoegamme mentioned alongside, no more than 30 people of the Gayenayke ever worked, and because the disgruntled have complained in the highest degree about having had to labor in this garden with 470 heads under the allowance of only a single parra of paddy per month, and that this is a specific case that can be quickly investigated, it has been approved and agreed to have this investigation conducted at once, and to have the bookkeeper Snankena, who made the distribution, prove how much paddy he distributed to each person monthly. The people were also not a little prejudiced against these plantations, given the ill-treatment by the overseers of the plantations, who subjected them to many injustices: these overseers seem to have applied themselves to having the fences and palisades broken to pieces, whereby the cattle of the inhabitants consequently entered the plantations and were seized by the overseers and often brought by the seizers to the Honorable Dessave at Matara, where several were still pointed out to me, even in the garden Salarmene belonging to Mr. van Angelbeek and the free merchant Franchel, or in an oil mill of the latter. In the investigation that is currently underway, the validity or invalidity of the complaints will probably also become clearer, namely that the overseers of the gardens supposedly applied themselves to having the fences broken to pieces, in order thereby to have the opportunity to seize the cattle of the inhabitants. The former Dessave of Matara and present Honorable Head Administrator, being questioned about this

Dutch transcription

het gevaar dat hun te vooren stond te varwijderen: Niets was hier toe zeeker genievelijken dan een algemeene opstand te laeten doen door het volk, dat zoo veel eigenbelangen had dat deeze aanplantin„ gen in den vervolge geen plaats meer vonden want deeze aanplantingen moesten door het gemeene volk aan„ geplant in staat gebragt en onderhouden worden, zonden dat ze voor hunne moeite sche dessavonie van deeze ge„ beloond wierden, terwijl hunne Dat de hoofden in de Mature„ maekt, om zig van de verbinte eigene landerijen en thuinen legentheid hebben gebruik ge„ hadden te ontslaan, is zeen daeronder kwaemen te lijden. nissen die zee op zig genomen geloofbaer, dog dat het klae, Bij kolombosche Regeerings brief van den 30. April 1789. gen van het volk, dat te doen in zoo buiten maetig hebben wierd den E: dessave van moeten werken, zeer van guod. Angelbeek gekwalificeerd tend is opgegeven is reeds doen uit alleen te beoordeelen, dat over het algemeen of geheel niet, of niet dan zeer gebrekkig om niet duizend man ouder aan deze verbintenissen is voldaan het geen nader zal het genot van twee parnas blijken als men alle de gedaene aanplantingen van stuk tot Nelie de thinnen van kanneel etc=a te mogen be„ stuk nagaat, en ziet water geduurende 4. of 5. Jaeren bij bedenkt de groote meenigte van menschen, waar over dit werk verrigt is Als men nu doen werken. heeft 2066 heeft genouleerd, ziet men ligt, hoe zeer deze klagten zijn geexagereert. De toestant van den gemeenen man is daar en teegen niet wijnig gebeetert door het afschaffen van de pannes sen der inlandsche hoofden, die men weet dat in vroegene tijden van de ingezetenen wederom wierden, ingevoert ten einde deze hoofden schadeloos te stellen, en welke te mids dien ten minsten voor het grootene gedeelte, plegen te drae„ gen, om van de waerheid dat de ingezetenen van de Matere„ sche dessavonie geen zoo groote reedenen hebben als ze voorgeeven, om zig te beklaegen over den arbeid die re gedaan hebben voor de jnlandsche hoofden, die zig tot eenige aanplantingen hadden verbonden en om tevens te kunnen zien wat maatregelen en voor den aanstaande noo„ dig zijn ter vendene bevordering van dit werk, is goedge„ vonden en verstaan om specialen opneem van alle deze door de hoofden gedaane aanplantingen in de Materesche Dessavonie, te laeten doen zoo dra de omstandigheeden het zullen kunnen gerengen. Bij welk onderzoek ook bewaame, lijkst zal zijn nategaan de gegrondheid van der ingezee„ tenen klagten, dat hunne eige landenijen en tuinen bij deeze aanplantingen zijn koonen te lijden, het geen vermoede lijk zal uitkomen op een partij verstonvene of verlaetene gronden waer van zedert, lange Jaaren niemand eenig gebruik gemaekt heeft. De misnoegden hebben zig ten hoogsten beklaegd dat in de VE: geweze dessave van Angel„ ter zijden vermelde tuijn ka-thuijn van kappoegamme beek betuigd, dat in de hier vier honderd seventig kop- poegamme, nooijt meer dan ke gewerkt hebben, en wijl de pen onder het genot slegt 30. luijden van de Gajenaij t van een enkelde parra misnoegden zig ten hoogsten heb= met 470. - koppen, onder hetge „ Nelij smaends hebben ben beklaegd, van deezen tuijn „ in na Nelie smaends te hebben moeten arbeiden not van slegts een enkelde pou- moeten arbeiden, en dat dit een speciael geval is; dat spoedig spoedig kan worden onderzogt, is goedgevonden en verstaan, dit onderzoek ten eersten telaeten doen, en om den boekhouder Snankena, die de verstrekking gedaan heeft, te laeten bewijzen, hoe veel Nelie hij aan een elk Aan smaandelijk heeft verstrekt. Het volk was ook niet weinig in„ genoomen teegen deeze aanplan„ tingen, aangezien de slegte be„ handelingen der op zigtens van de plantagien, die hun veele onregtvaerdigheden lie ten ondergaan: deeze op zigters scheinen zig daar op toege„ legd te hebben om de heiningen en paggers te laeten aan stuk= kend breeken waer door dan Bij het onderzoek dat waerschijnlijk ook nader vervolgens de koebeesten der tans onderhanden is, zal blijken de gegaondheid of ingezeetenen in de plantagien kwaemen en door de opzigters ongegrontheid der klagten, opgevat en veel teids door den dat de opzigters der tinnen zig daarop zouden hebben toegelegd, om de rijningen, opvatten na Mature bij de E: Dessave gebragt wierden, te laeten stukken breeken, ten alwaer mij nog verscheidene einde, daer door geleegent- heid te hebben, om de koe„ beesten der ingezeetenen te aangetoond zijn tot in de, aan den Heer van Angelbeek en kunnen opvatten. den vrij koopman Franchel De geweezene Dissave„ te E: hoofd adminittra toebehoorende thuin salarme„ van Hature en prezen¬ teur, hier na gevraagt of in een olie moolen van den zijnde laatsten

NL-HaNA_1.04.02_3884_0627 view scan ↗

English

2067 latter, close to Mature; being, has declared that he did not remember that anyone had ever from wherever brought any complaints to him regarding such several cattle were brought malicious conduct of the overseers of the fences. and returned to the owners. That he, as far as possible, had sought to prevent Conversing with the free merchant Franchel the general taking of the cattle. That it certainly about this, he declared; from his part would be very hazardous to make an exact statement on account of the delivered of all cattle that had been rounded up in the plantations [illegible] willingly to submit and brought to Mature, nor also what the inhabitants to surrendering these cattle; however, appealing have paid in fines for the rounding up of their to the testimony of cattle in the plantations, as it is not well possible the Honorable Mr. van Angelbeek that one can recall such petty settlements of that he had either paid properly for these cattle affairs among thousands of greater importance. or obtained them in a decent manner, That he believes, meanwhile, that it is estimated very high while as far as their person was concerned, had come. if he assumes that there are ten persons who have paid a small money fine of two or more schellingen according to the means of the owners for their rounded-up cattle, and which fine was divided among those who had rounded up the cattle, while on the other hand there might be a hundred who got their cattle back again without paying any fine, that this fine was only taken in such cases where it appeared that the owners, out of malice, did not want to watch their cattle, and to whom their rounded-up cattle had already been returned several times without any fine. That such cattle, of which after the lapse of some days no owners arrived at Mature, were, according to old custom, handed over to the common herdsmen, so that when the owners turned up afterwards, these too could be returned to them, as has always happened as soon as the owners made themselves known, of which it is understood to keep this record, and that the Honorable Commandeur Sluijsken shall be ordered, as he is ordered by these presents, after these testimonies of the Honorable van Angelbeek, to have a closer investigation made with all accuracy, so that one may know what the validity of these complaints may be and one may also better provide against this in the future. Regarding what appears here, that several more such cattle were pointed out, either in the garden at Salame belonging to the former dessave van Angelbeek and the free merchant Franchel, or in an oil mill of the latter close to Mature, the Honorable van Angelbeek, having been asked about this, answered that nothing of this is known to him; that Franchel alone conducted the management of the garden at Salame, and that he requests that a further declaration under oath may be demanded from Franchel on this matter, of which it is understood to keep this record, and that the Honorable Commandeur Sluijsken therefore shall have to order at Mature that a declaration under oath must be demanded from the free merchant Franchel, whether he ever received any cattle from the dessave van Angelbeek, or through his arrangement, whether for the service of the 2068 the garden Salame, his oil mill, or whatever else it might be, and that he shall have to specify in particular: 1. How he came by the cattle that were found in the aforesaid garden or in the oil mill, and which, according to what is noted here in the margin, were returned to the owners. 2. For what reason he appealed to the testimony of the former dessave van Angelbeek, that the latter would know that he had properly paid for the aforesaid cattle, or had obtained them in a decent manner, as far as him personally is concerned, since the Honorable Mr. van Angelbeek testifies never to have meddled with helping him to cattle in any manner, other than giving permission to him, as to all other inhabitants who requested it, to purchase some cattle in the country for his business. Having demonstrated that the lower classes of inhabitants as well as the headmen and contractors had an interest in the matter of the plantations being abolished, one will easily understand that there was no better means for it than to incite a rebellion, which certainly had to be general. It would have been a much better means if they felt so aggrieved by this, to demonstrate it in a proper manner. They could not be fearful that the Honorable dessave would not attend to it according to equity in such a case, because they know that the law had to

Dutch transcription

2067 laatsten, digt bij Mature; zijnde, heeft verklaard, dat nen dat 'er immen of ooit bij waer van daan dan ook hij zich niet wees te herinne„ verscheide koebeesten ge„ hem omtrent een zulk boor- van de tinnen eenige klagten bragt en aan de eigenaend nandig gedrag der op zigtens te rug gegeven zijn Den zijn ingebragt. Dat hij zoo veel meen in het opvatten den beesten vrijkoopman Jmanchel hier mogelijk geweest is het alge„ over onderhoudende ver- heeft zoeken te gemoet te koo„ klaerde hij; van zig uit men. Dat het zeeker zeer ge„ hasandeerd zoude zijn om eene hoofde van de lewenschene juste opgave van alle beesten dat, en na Mature opgebragt nust gaarne te onderwen- die in de plantagies opge„ zijn te willen doen, nog ook pen deeze koebeesten afte„ e staan; zig egter beroepen- welke de inwoonderen voor ten in de plantagien eenige de op het getuigenis van het opvatten van hunne bees„ den Heer van Angelbeek boete betaald hebben alzoo het dat hij of deeze koebeeste„ niet wel mogelijk is, dat men behoorlijk betaeld of doen zig diergelijke kleine afdoe„ aan op eene betamelijke ningen van zaaken, onder duizenden van meer belang dat hij intussen gelooft; dat wijle zo verre hun persne alle te binnen kan brengen. perzoneel aangang, geko= het zeer hoog gereekent is, men was. zoo hij aanneemt dat 'er klijne geld boete van twee en meer schellingen na moete tien perzoonen zijn die eene van het vermoogen der eigenaers voor hunne opge„ vatte beesten hebben betaald en welke boete onder ren die de beesten opgevat hadden verdeeld wierd terwijl daer en teegen misschien honderd zullen zijn die hunne beesten zonder eenige boete te betaelen weder terug bekoomen hebben dat deeze boete alleenig - alleenig genomen is in zulke gevallen, waar bij het bleek, dat de eigenaars uit kwaadaandigheid op hunne beesten niet wilde passen, en aan de welke te meer„ maale reeds hunne opgevatte beesten zonder eenige boete waare terug gegeven. Dat zulke beesten, waer van na verloop van eenige daegen geene eigenaers op Mature gekoomen zijn na ouder gewoonte zijn over- gegeeven aan de gewoone veehoeders, ten einde wan„ neer de eigenaers naderhand opdaegde, ook die aen hun te doen terug geeven zoo als steeds is geschied, zoo dra de eigenaers zig hebben bekent gemaakt, waer van verslaan is deeze aanteekening te houden, en dat den heer haals Commandeur sluijsken zal worden gelast zoo als hij gelast word door dezen om na deze betuigingen van dE: van Angelbeek met alle naauwkeurigheid nader onder„ zoek telaaten doen, op dat men mag weeten wat van de gegrondheid dezer klagten zij en men ook daer teegen in den aanstaande beeter kan voorzien. omtrent het geene hier voorkomt, dat er nog verscheide zulke beesten aangetoond zijn, of in de aan den gewee„ zen dessave van Angelbeek en den vrijkoopman Tran- chel toebehoorende tuin te salarme, of in een olie moole van den laatsten digte bij Mature, heeft dE: van Angel„ beek hierna gevraegd zijnde, geantwoord, dat hem hier van niets bekent is; dat Jnanchel de direktie over de tuijn te salamme alleen heeft gevoerd, en dat hij ver- zoekt dat van franchel op dit stuk een nadere verklaering onder eede mag worden afgevraegd waer van verstaan is deeze aanteekening te houden, en dat den Heer Kommandeur Sluijsken mids dien na nature zal moeten beveelen, dat van den vrijkoop„ man Franciel moet gevraegd worden een ver- klaering onder eede, of hij immer van den dessave van Angelbeek, of door desselfs bestelling eenige koebeesten ontfangen heeft, het zij ten diensten van de 2068 de tuijn Jallarme, zijne olie moole, of wat anders het ook zoude moogen zijn, en dat hij daerbij speciael zal moeten opgeeven: 1. Hoe hij gekoomen is aan de koebeesten, die in de voorsz: tuin of in de olie moole gevonden zijn, en die volgens, het hier ter zijde vermelde aan de eigenaers zijn terug 2. ' om wat reeden hij zig op het getuigens van den gewee„ gegeeven. zen dessave van Angelbeek beroepen heeft, dat deeze zoude weeten dat hij de voorsz: korbeesten behoorlijk hadde betaeld, of daer aan op eene betamelijke wijze, zoo verre hem personneel aangaat, gekoomen was, wijl dh: van Angelbeek betuigd zig nimmer te hebben bemoeijd, met hem op eenigen hande wijze aan koebels„ ten te helpen, dan niet aan hem, gelijk aan alle andere ingezeetenen die daar om verzogt hebben, verlof te geeven om eenige beesten in het land te moogen inkoopen tot zijn bedrijf: Aangetoond hebbende, dat de geringe klassen dan inge¬ zeetenen zoo wel als de hoofden en aanneemens belang hadden dat het stuk Het waere een veel beeter mid- der plantagien mogte af„ mede zoo beswaert agtede, dat geschaft worden zal men del geweest indien re zig hier op een behoorlijke wijze aante ligtelijk begrijpen dat 'er geen beeter middel toe was toonen. te konden niet bedugt op niet naer billijkheid zou dan een opstand te verwekken, zijn dat den E: dessave daer in zulk een geval de wet die zeekerlijk algemeen de letten, wijl ze weeten dat hun moeste

NL-HaNA_1.04.02_3884_0630 view scan ↗

English

to be able to bring their grievances directly before the honorable Hall Commander. opens the way for them, which had to be, and for which no better opportunity could be found than the expedition to Baddiginie. That the fear of bad consequences for failing to fulfill the obligations to establish considerable plantations is one of the principal reasons for the latest unrest, or at least must be regarded as such from the foregoing §30, is almost beyond doubt; for whatever effort the Honorable Commissioners Srett: and Samlant, and subsequently I, have made to maintain the deeds of obligation, it was not possible: the participants were not even satisfied that by my mandate ola these deeds of obligation were annulled; I saw myself forced to have them immediately torn up in the presence of the people, as they did not even wish to content themselves with having them canceled. It appears that the mandate ola was already published before the tearing up of the deeds of obligation took place in the presence of the people, and this is all the more probable because the participants could have had knowledge of the content of this mandate, Article 5, so as not even to be satisfied that the deeds of obligation were thereby annulled, and freedom was even granted to those who had passed the said deeds to present themselves at the Matara secretariat in order to see the cancellation carried out immediately. If they now had knowledge of this mandate, as one does not seem to be allowed to doubt, they also had knowledge that in this mandate it is said as if in one breath that to all those who by the said deeds have bound themselves to establish plantations, a further term of 4 years is granted for the preservation of their status, in order still to be able to fulfill their promise within this time, yet so that this must be done for their own account, and without anyone among the inhabitants being used for it against his will. The participants thus also had knowledge that in this mandate it was further said that the Company reserves to itself the right, after the expiration of the said 4 years, to strip all those who do not endeavor to fulfill their engagements, or make no effort therein, of the honors bestowed upon all of them, and to restore them to that condition in which they found themselves before entering into the obligation. No sooner was this done than I could clearly perceive that everyone was satisfied and that peace was more or less beginning to be restored. By the mandate ola of the Honorable Commissioners, all those who were already in function before entering into their obligations were released from these obligations of theirs, and in order to accommodate those who had acquired these or those offices by binding themselves to a plantation, they were then given a further term of just as much time as had been determined by the deeds, counting from the time that this mandate ola was published. According to what has been noted above from the mandate ola of the Honorable Commander Sluijsken, the Company has reserved to itself the right, after the expiration of 4 years, to strip all those who do not endeavor to fulfill their engagements, or make no effort therein, of the honors bestowed upon them, and to restore them again to that condition in which they found themselves before the obligation. By the mandate ola of the Honorable Commissioners, on the contrary, it was left to the option of those who have taken these engagements upon themselves either to be able still to fulfill them under a new term, or else to be released from them immediately if they still found difficulty in the aforesaid conditions, provided that they presented themselves within three months to request discharge from their offices, when the deeds of obligation would be canceled. In both mandates, the loss of the acquired offices is set as a penalty. The difference for the participants therefore consists solely in this: that in the one case they can retain their offices for another four years and meanwhile continue to idle, as they have done up to now, and that in the other case they had to relinquish in three months the offices that they have so ill deserved, which difference is of importance only to slackers who seek nothing other than merely to gain time. One cannot marvel enough at this fickleness of those who are interested in this matter. The participants were not satisfied with the settlement of the Honorable Commissioners, notwithstanding what has been pointed out from it above, and yet they are well pleased with the arrangement of the Honorable Sluijsken. One must be all the more surprised at this disparity of conduct if one admits, as the Honorable Commander Sluijsken does here, that the fear of the bad consequences of not fulfilling the obligations to establish considerable plantations is one of the principal reasons for the latest unrest, or that it must at least almost beyond doubt be regarded as such. In order not to let the matter of the plantations, which has actually already advanced very far, fall entirely into decay again, but on the contrary, if it were possible, to let it continue, and to uphold the prestige of the Honorable Company as much as possible, I have by my mandate ola granted the undertakers of the plantations a further term of four years as a special favor, in order within that time still to their

Dutch transcription

hunne bezwaernissen direkt te kunnen brengen voor den heer zaals kommandeur. hum den weg open stelt, om moeste zijn en waer toe geen beeter geleegenheid konde gevonden worden dan de togt na Baddiginie. Dat de vrees van kwaede gevol„ gen voor het niet volbrengen den verbintenissen om aan zienlijke aanplantingen te doen een der voornaamste reden van de laatste onlusten is, of ten minsten daer voor moet uit het voorenstaande §30. aangemerkt worden is bij na ontwijfelbaer; want wat schijnt het, dat de Mandaet ola reeds gepubliceerd was, voor dat het verscheuren van de moeite dE:s kommissarissen woordigheid van het volk, is Srett: en Samlant, en nader- verbintenis aktens, in tegen. geschied, en dit is te waerschijn hand ik, gedaan hebben om lijken; wijl de deelhebbers ken de verbintenis actens in wee„ houd van deze Mandaet, antifen te houden, was het niet nis mogten hebben van den in. kel 5:, om zig niet eens voldoen moogelijk: de deelhebbers te houden, dat daer bij de ver= bintenis aktens waeren verwaeren niet eens voldaan dat bij mijne Mandaat ola„ nietigd, en zelfs vrijheid was gegeeven aan de geene, die gem: aktens gepasseert heb„ deese verbintenis actens vernitigd wierden; Jk zag ben, om zig ter Materese sekretarij te vervoegen, ten einde, de roijeering mij genood zaakt deselve daede in 2069 daedelijk te zien volvoeren. in teegenwoordigheid van het volk te laeten verschuuren, zoo ze nu van deze man„ men daer aan niet schijnt wijl ze niet eens zig verge„ doet kennis hadden, gelijk noegen willen met dezelve te mogen, twijfelen, hadden re ook kennis dat bij deze Mandaat als in eenen adem te laeten roijeeren zoo dra was dit niet gedaen gezegt word, dat alle de tens verbonden hebben aan - of ik kon duidelijk bemer- geene, die zig bij gem: ak„ ken, dat een elk voldaan plantingen tedoen, tot behoud van hun aanzien nog een ter- mijn van 4. jaeren word ge„ en de rust genoegzaem nog aan haere belofte tekun min of meer zig begon te geeven, om in deeze tijd als nen voldoen, egter zoo, dat herstellen. dit moet geschieden voor haar eige reekening, en zouden e dat iemand der ingezeetenen tegen zijn wil daar toe mag gebruikt worden. De deelhebbers hadden dus ook kennis, dat bij deze Mandaet nog„ wond gezegt, dat de Comp: zig voorbehoud het regt om na verloop a van gem: 4 Jaeren, alle de geene, die hun engee„ n aen he gementen niet tragten te volbrengen, of daer geen„ allen werk van maeken, de Euge toegelegde roneurs we„ # der afteneemen, en hem in dien staak teruge te stel len, waerin ze zig voor het aangaan der verbintenis Bij de Mandaat ola van E: Commissarissen zijn alle bevonden. de geene, die voor het aangaan hunnen verbinte„ nisse reeds in funktie waeren, van deze hunne verbintenissen ontslaegen, en om te gemoet te koomen de geene, die door zig tot een aanplanting te ver- om binden binden deze, of geene diensten verwonven hadden, is hun doen bij nog een termijn gegeeven van even zoo veel tijd, als bij de ak„ tens was bepaelt, te reekenen van den tijd af dat deze man„ daat ola is gepubliceerd. volgens het geene hier boven uit de Mandaat ola van den Heer kommandeur sluijsken is aangemerkt, heeft de Comp: zig voorbehouden het regt, om na verloop van 4. Jaaren alle de geene, die hun angagementen niet tragten te volbrengen, of daar geen werk van maeken, de hun toege¬ legde honeurs weder afteneemen, en hun wederom te rig te stellen in die staat, waer in ze zig voor de verbinte„ nisse bevonden. Bij de Mandaat ola van E: kommissarissen is het daer en teegen in de optie der geene, die deze angagemen„ ten hebben op zig genomen, gesteld, om daar aan onder een nieuw termijn als nog te kunnen voldoen, dan wel zig daar van daedelijk te ontslaan, zoo ze ook nog swarig„ heid vonden in de voorsz: voorwaerden, mids ze zig bin„ nen drie maanden aangaeven; om ontslag uit hunne diensten te verzoeken, wanneer de verbintenis aktens zouden worden genoijeert. Jn bijde de Mandaeten is het verlies der verworvene diensten gesteld tot een penaliteit. het onderschijt bestaat dus voor de deelhebbens alleen daerin, dat ze in het eene geval hunne diensten nog vier Jaeren kunnen behouden, en middelerwijl blijven voortluieren, zoo als ze dat tot hier toe hebben gedaan, en dat ze in het andere geval van de diensten, die ze zoo kwalijk heb- ben verdiend, in drie maanden moesten afstaan, welk onderschijt alleen van belang is voor luiaants, die niets anders zoeken dan om maer tijd te winnen. Men kan zig over deze wispeltuunigheid der geene die daarin belang hebben, niet genoeg verwonde„ ven „ 2070 ren. De deelhebbens waeren niet te vreeden met de afdoe„ ning van E: Commissarissen, niet teegenstaande het gee„ ne daer uit hier boven is aangeweezen, en nogtans laeten ze zig de schikking van den Heer sluijsken wel„ Men moet te meer verwondert zijn over deze ongelijk- gevallen. heid van gedrag, zoo men admiteerd, gelijk den Heer kommandeur sluijsken hier doet, dat de vrees voor de kwaede gevolgen van het niet volbrengen der verbin- tenissen om aanzienlijke aanplantingen te doen, een den voornaamste reeden van de laaste onlusten is, of dat ze ten minsten bij na ontwijffelbaer daar voor moet worden aangemerkt. om het stuk den aanplantin„ gen dat werkelijke reeds zeen verre gevondent is, niet weder geheel te laeten ver- vallen, maar integendeel was het moogelijk te laeten voorte uuren, en om het aan- zien den Ed: Comp: zoo veel mogelijk staande te houden heb ik bij mijne Mandaet ola de aanneemens den plantagien nog een termijn van vier jaaren als uit een bijzonder gunst toegestaen om in die teid als nog aan hunne

NL-HaNA_1.04.02_3884_0634 view scan ↗

English

approved. This arrangement is very well-pleasing, and it is highly desired that they may be able to fulfill their engagements; the Honorable Company reserving the right to reward or punish, according to the state of affairs, those who after the expiration of these four years have acquitted themselves well or poorly of their obligation. By this I believe I am assured that the plantations, if not increased, can and will at least be maintained in their present state. Thus done and resolved in the Castle of Kolombo, on the day, month, and year aforesaid. signed: W. J. van de Graaff, C. van Angelbeek, J. Reintous, B. L. van Zitteren, J. A. Vollenhove. Agrees: Hijbrands, First Clerk Examined: Ledulx 2071 Fiscal: Johannes Adrianus Vollenhove. The Honorable Colonel: Christiaan Tilenius, Absent. Trade Bookkeeper: Abraham Samlant, Absent. The first two ill, and the latter at Mature. Pay Bookkeeper: Gerrit Engel Holst Monday, 16 August 1790. Present: The Right Honorable, Most Worshipful Lord Governor Willem Jacob van de Graaff Honorable Elected Chief Administrator Christiaan van Angelbeek Dessave: Diederik Thomas Fretz First Warehouse Master: Johannes Reintous Secretary: Benediktus Lamb:s van Zitter Secret Resolution taken in the Council of Ceilon. Before proceeding to further disposition on the secret report of the Commander of Gale, Mr. Sluijsken, it being taken into consideration that the various persons who have deposed against the suspected headmen, as well as those who appear in these depositions as having knowledge of the things related therein, will most probably make no great secret of all these things, and that these headmen will therefore soon be informed of what has already been charged to their account or might yet be brought against them; it is in consideration thereof, and because these accused headmen, knowing that they cannot be considered to be included in the general pardon, might thereby, if they are truly guilty, again be led into criminal steps, approved and agreed to make known in a confidential manner to the Modliaers Tinnekoorn, Goeneratne, and De Saram, as the principal ones among the accused headmen, that the Lord Governor wishes to speak with them in person, and that it will therefore be pleasing to His Honor that they make a quick trip to Kolombo. It is further understood that notice of this shall be given to the Commander, Mr. Sluijsken, with orders to write to the Honorable Dessave Raket in a secret letter that, whenever the aforesaid three Modliaers request His Honor to be allowed to make a quick trip to Kolombo, he must grant them this, unless there should be weighty reasons making it necessary that they remain for the present a little longer in the Dessavony of Mature, which must then be announced to them in a polite manner by way of a delaying answer. The Honorable Fiscal Vollenhove was of the opinion that this 2072 ought to remain postponed until the considerations of Mr. Sluijsken, which according to the resolution of the 12th of this month § 2 are to be requested, shall have been received. It is further approved and agreed to confirm all the native headmen who have been nominated by Mr. Sluijsken in his aforesaid secret report in the offices promised to them, and to have the usual commissions dispatched for that purpose, as well as to approve that the wide bitmeraals of the Giriewaijs are permitted to carry hangers. Thus done and resolved in the Castle of Kolombo, on the day, month, and year aforesaid. signed: W. J. van de Graaff, C. van Angelbeek, D. T. Fretz, J. Reintous, B. L. van Zitter, and J. A. Vollenhove. Agrees: Hijbrands, First Clerk Examined: Ledulx 2073 Saturday, 21 August anno 1790. Present: The Right Honorable, Most Worshipful Lord Governor Willem Jacob van de Graaff Honorable outgoing Ruler of Gale Cornelius Dionijsius Kraijenhof Elected Chief Administrator Christiaan van Angelbeek Dessave: Diederik Thomas Fretz First Warehouse Master: Johannes Reintous Secretary: Benediktus Lamb:s van Zitter Fiscal: Johannes Adrianus Vollenhove The Honorable Colonel: Christiaan Tilenius, Absent. Trade Bookkeeper: Abraham Samlant, Absent. The first two ill, and the latter at Mature. Pay Bookkeeper: Gerrit Engel Holst Secret Resolution taken in the Council of Ceilon. Having proceeded to the further deliberation on the secret report of the Commander of Gale, Mr. Sluijsken, mentioned in the secret resolution of the 12th of this month, it is approved and agreed to insert the continuation thereof below, and to dispose thereon as is noted in the margin of each item. [Margin:] That the regulation assigns 2 ammunams to the lascoreens, whereas it gives only 12 ammunams to a Modliaer, lacks proportion and is a visible error. If one wished to satisfy that, little of the Company's dues would remain. This has been seen throughout all times, but rather than making a change in a fixed arrangement known to the people, one has always sought to manage with the accomodessans of the lascoreens as well as possible. [Main text:] The common people, including the lascoreens, have long been discontented and have brought very many complaints before me regarding this: that among them there were only a few who possessed accomodessans, or maintenance lands, for their services; that they nevertheless, according to their inborn obligation, had always performed their service; that they had successively been promised ever since 1744 that each would be assigned an accomodessan for their service according to the regulation; but that instead of that

Dutch transcription

geapprobeerd. Deeze schikking is zeer wel„ Nagezien gevallig en wond ten hoogsten hunne engagementen te kun- nen voldoen; voor de Ed: Comp: het regt behoudende om die geeneen die na verloop van deeze vier jaaren zig van hunne verpligting wel of kwalijk gekweeten hadden; na bevinding van zaeken te beloonen of te straffen. Hier door meen ik verzeekerd te zijn dat de aanplantingen zoo niet al vermeerderd ten minsten, in de teegen- woordigen staat onderhouden kunnen en zullen worden. Aldus Gedaan ende Genesolveerd in het kasteel Kolombo ten dage Maanden Iaere voorsz: /:getekend:/ w: J: van de Traaff, C: van Angelbeek, Jn Reintous, B: L: van Zitteren J: A: vollenhove. accordeert Hijbrands Eiklerk Ledulx 2071 op. „ Fiskael - - - - - - - Den E: Colonel-- „ Negotie boekhouder- „ Alvoorens te treeden, ter verdere dispositie op het ge„ „heim Rapport van den Heer Gaels kommandeur sluijs„ „ken, in agtinge genoomen zijnde dat de verscheide luijden die teegens de verdagte, hoofden hebben gede„ „poneert, zoo wel, als die geene die bij deze depo„ „sitien voorkoomen, als kennis draegende van de dingen die daar bij worden verhaeld, zeer vermoe„ „delijk geen groot geheim van alle deze dingen maeken zullen, en dat deze hoofden mids dien spoedig zullen zijn onderrigt, van het geene reeds Den wel Edelen Groot achtb: heer Goed:r Willem Jacob van de Graaff„ E: G'eligeerd Hoofd administrat:r Christiaan van Angelbeek „ Dessave - - - - - - - - - Diederik Thomas Fretz: # Eerste pakhuismeester - - - - Johannes Reintous Sekretaris - - - - - - - - Benediktus Lamb:s van Zitter Johannes Adrianus vollenhove. Absent. Christiaan Tilenius Abraham Samlant. de twee eersten ziek, en de laat„ „ste te Mature. soldij boekhouder - - - - - Gerrit Engel Holst Maendag den 16. Augustus 1790. Prezent. sekreete Rezolutie genoomen in Raade van Ceilon. ten „ -- ten hunnen laste is opgegeven of nog zoude kun„ „nen worden ingebragt is uijt aanmerking van dien, en dat deze beschuldigde hoofden, weetende dat ze niet kunnen geagt worden te zijn begree„ „pen in het generael pardon, daer door, zoo ze wer„ „kelijk schuldig zijn, op nieuw zouden kunnen worden gebragt tot misdadige stappen. goedgevon„ „den en verstaen, om de Moeliaers Tinnekoorn, Goe„ „neratne en De Saram, als de voornaamste onder de beschuldigde Hoofden, op een vertrouwelijke wijze te doen bekent worden, dat de Heer Gouver„ neur verlangt hun in perzoon te spreeken; en dat het zijn Ed: mids dien welgevallig zijn zal, dat ze een springtogt doen na kolombo- Nog is ver„ „staen dat hier van zal worden kennis gegeeven aen den Heer kommandeur sluijsken, met last om den E: Dessave Raket bij een sekreete brief aente schrijven, dat wanneer de voorsz: drie Modliaers zijn E: verzoeken, om een springtogt te moogen doen na kolombo, zulks aen hun te moeten toestaan, ten zij er gewigtige reedenen zijn mogten, die het noodzaekelijk maeken, dat ze voor eerst nog wat in de Maturesche Dessa„ „vonie blijven, het geene hun als dan op een bescheijdene wijze, bij weege van een uijtstel„ „lend antwoord moet worden aengezegt: Den E: fiskael vollenhove was vangevoelen, dat dit 2072 dit behoord te blijven uijtgesteld, tot dat zullen zijn ontvangen de konsideratien van den Heer sluijsken, die volgens rezolutie van den 12. dec„ zer 5. 2. staen te worden gevraegt. Nog is goed gevonden en verstaan, om alle de Jnland„ „sche hoofden die door den heer sluijsken bij zijn voorsz: geheim rapport zijn voorgedraa„ „gen, jn de aan hun toegezegde diensten tebe„ „vestigen en de gewoone acten daar toe te doen depecheeren, als meede goedtekeuren, dat aan de wiede bitmeraals van de giriewaijs is toege„ staan, om houwers te mogen draagen. Aldus Gedaan ende Geresolveerd in het kas„ „teel kolombo ten dage Maand en Jaere voorsz: /:getekend:/ w: J: van de Graaff, C: van An„ „gelbeek, D: T: Fretz:, J: Reintous, B: L: van Zitter en J: A: Vollenhove. accordeert Hijbrands VEgklerk Nagezien = sedulx stel„ dat 2073 Zaterdag den 21: ' aug: a:o 1740 prezent Den wel Edelen Groot achtb: heer Goev: willem Jacob van de Graeaff „ E: afgegaanen Gaals gezaghebber Cornelius Dionijsius kraijenhof „ Geligeerd Hoofdadm:r Christiaan van Angelbeek Diederik Thomas Gretz: „ „ dessave Johannes Reinlous „ Eerste pakhuism:r Benediktus Lamb:s van Zitter Sekretaris Johannes Adrianus vollenhove fiskael — Absent Christiaan Tilenius de twee eersten ziek, en de laatste te Mature. „ „ Negotie boekhouder Abraham Samlant „ „ soldij boekhouder - - Gerrit Engel Holst Getreeden zijnde tot de verdere delibe„ ratie op 't geheim rapport van den Heer haalsch Kommandeur sluijsken, vermeld bij sekreete resolutie van den 12:e dezer, is goedgevonden en verstaen Den E: Colonel Sekreete Resolutie genomen in Rade van Ceilon het - - het vervolg daer van hier onder te insereeren, en daerop zodanig te disponeeren, als in margine van elke post staat aangetekend. Het gem een volk tot Laskonijns inclusive waeren zeederd Dat het reglement de las„ konijns 2. amm: toelegt, daer lange misnoegd en hebben hier over zeer veele klagten het aan een Modliaer maer 12. amm: geeft, heeft geen bij mij ingebragt dat 'er on„ propontie en is een zigtbaere abuis. zoo men daar aan wilde voldoen, zoude 'er wij „ der hun slegts weinige waeren die accomodessem nig van 'sComp:s geregtighee„ den overschieten. Men heeft of onderhouds landen voor dit door alle tijden heen hunne diensten bezaaten, gezien, dog lieven dan ver„ andering te maken in een dat zij egter naer volgens vastgestelde schikking bij hunne aangeboore verplig„ het volk bekent, heeft men het met de akkomo„ dessans der Laskonijns ting altoos hunne dienst steeds zoo goed mogelijk hadden verrigt, dat men haar al zedert 1744. suc- zien te schikken. cessive beloofd hadde elk voor hunne dienst naer het Reglement een accomo- dessan te zullen toevoegen dog dat men in stede van dat

NL-HaNA_1.04.02_3884_0643 view scan ↗

English

2074 that imposed upon them a doubling, and indeed without compensation, of all kinds of new obligations, among which they specifically placed the laying out of cinnamon plantations and other produce, and for which the headmen were endowed with offices and prestige, and this at the cost of their sweat and blood: requesting therefore that this be remedied, and that, as of old, only one person from each family might be taken into the Company's service while enjoying maintenance lands. Many maintenance lands that had been cultivated through the care and effort of the inhabitants and yielded more fruit than others had since some time been taken from them and seized and leased out for the Honourable Company, whereby many who had possessed accommodessans profited from them no longer at all, requesting therefore that each may again be placed in possession thereof. While also many parcels of land that previously had served as accommodessans for eight persons were since some time divided among 16 persons. It is noted above already that this rearrangement took place about 20 years ago. Upon the investigation instituted into the matter, it will appear whether the interested parties have really been wronged thereby, but as, however this may be, one can already foresee beforehand that it will be extremely difficult to make an alteration in this again, it has been approved and understood that the Considerations of the Heer Commander Sluijsken will be requested, as the same are requested hereby, whether it might not be possible, to grant to every one of those who declare not to be satisfied with the accommodessan of land they possess, instead thereof for example four parras of paddy for each month that they are employed by the Company according to their obligation, and that on the other hand the accommodessans with which they are not satisfied are seized for the Company, whereby many difficulties would be prevented, besides that it presumably would also yield a much better account for the Company, and why it would even be very good if one could introduce such an arrangement generally throughout the entire Matara Disavany. 2075 Among the discontented there were very many who complained that their coconut trees and gardens had been taken from them against their will and seized for the Honourable Company, as was alleged; compensating them no more than eighteen stuivers for each tree, although the same had been worth 2 to three rixdollars, not counting the trouble they had taken upon themselves to plant and cultivate such coconut gardens in the hope of having some benefit therefrom in the future. Many complained, and especially the people from the Giruwapattu, that the inhabitants had been employed by the headmen quite improperly beyond their obligation in working the Company's fields, whereby they often had to neglect their own fields. To which injustice was also added that the headmen had appropriated for themselves half of the sower's share that belongs entirely to the workers, whereby the sowers received only half of what was due to them, and indeed even less after deduction of the seed corn, furthermore that although the crop was lost through some accident or other, they had still been made to pay back the seed corn, despite that they could enjoy nothing from the field. The provisional Chief Administrator Van Angelbeek, having been asked about this, has declared that no complaints have been made to him about this. The Honourable Disava Fretz also testifies that no complaints have ever come before him in this regard, which, considering the litigious nature of the Sinhalese, especially when it concerns their coconut trees, is certainly to be wondered at, if there were otherwise any truth to this complaint, which will appear further in the impending investigation. If it were so, one might think that the complainants would have pointed out at least a single case of where, when, or to whom this had occurred. 2076 The inhabitants requested henceforth, according to ancient custom and practice, to let the sowers enjoy the sower's share in its entirety; furthermore, that since the crop could be lost, they might in the future obtain the seed corn from the Honourable Company. Upon this the inhabitants especially insisted, and I have found myself obliged to promise them to present this request to your Right Honourable Sirs; as I respectfully accomplish hereby. To what extent the abovementioned complaints are well-founded will appear further upon the investigation, and in the meantime it is understood, in order to prevent in the future all reasons for complaining about this, that the Heer Sluijsken will be asked his considerations, as the same are asked hereby, whether it might not be possible, that henceforth only the obligated Goyigama-Naindes were used for the working of the Company's lands, on the footing as they are obligated from of old and have always done hitherto, and that furthermore no others are used for this work than such as are inclined to that of their own free will and as one cannot best manage without them,

Dutch transcription

2074 dat, haar met verdubbeling, en wel zonder belooning, allerlij zoorten van nieuwe verpligtingen opleide, waer onder zij in het bijzonder het aanleggen van kaneel plantagien en andere pro- dukten stelden, en waer voor de hoofden met een ampten en aanzien wierden beschonken; en zulks ten koste van hun zweeden bloed: verzoekende dus dat daarin voorzien worde, en dat zoo als van ouds, uit elk familie slegts een perzoon onder het genot van onderhouds landen tot 'sComp: dienst mogten genomen worden. veele onderhouds landen die door songe en moeijte der inge„ zeetenen zeetenen waeren gekultiveerd merkt dat deze verschikking geworden en meerder vrugt voor nu omtrent 20 Jaaren is geschied. Bij het onderzoek daer waeren dan anderen, daer over aangesteld zal waeren haer zeedert eenige blijken of de geinteresseer„ teid afgenoomen en voor de E: dens werkelijk daer door zijn verongelijkt, dan wijl Comp: ingetrokken en verpagt hoe dit ook mogte zijn, men geworden, waer door veelen reeds voor af kan voorzien, die accomodessan hadden be„ dat het ten hoogsten moeijelijk zijn zal daerin wederom ver¬ zeeten in het geheel daer andering te maken, is goed„ gevonden en verstaan dat den van niet meer profiteerden, Heer Commandeur sluijsken verzoekende daerom dat zijne Consideratien zullen elk wederom in de bezitting worden gevraagd, zoo als dezelve gevraagd worden daer van moogen gesteld wor„ door dezen, of het niet zoude den. Jerwijl ook veele stukken kunnen aangaan, om aan lands die bevoorens tot accomo„ een elk den geenen die ver¬ klaeren niet te vreeden te dessan voor agt perzoonen zijn met het akkomodes„ hebben gestrekt zedert eenige van dat re lans bezitten, gen bij voorbeeld vier pan-teid aan 16. perzoonen waeren in steede van dien toeteleg„ ras Nelie voor elke maend verdeeld. dat ze volgens hunne verplig„ ting bij de Compenie worden geamploijeerd, en dat daar en tegen de akkomodessans waermede ze niet te vreden zijn, voor de Comp: worden ingetrokken, waer door veele moeij„ elijkheeden zoude worden voorkomen, behalven dat het ook naastdenkelijk veel beetere reek: voor de Comp: gee„ Hier boven is reeds aange„ ven 2075 Onder de misnoegden bevonden zig zeer veele die zig beklaeg„ den dat men hun teegens hun zin hunne kokus boomen en Juinen hadden afgenoomen en voor de Ed: Comp:, gelijk men voor had gegeeven, inge„ trokken; hun niet meer goed doende als agtien stuivers voor ieder boom, schoon de„ zelve 2. à drie rd:s waerd Den p:l hoofd administ:r van An= gelbeek hierna gevraagt zijn„ de, heeft verklaart, dat hij ware geweest, niet gereekend de moeite die zij zig genoo„ hem daar over geene klagten zijn gedaan. Den E: Dessave Fnetz: betuigt ook dat hem den men hadden van diergelij„ JG ken koker thuijntjes aante wegens nimmer eenige klagten zijn voorgekoomen het geen aan„ leggen en aanlekweeken in gezien de klaagzieken aan't hoof van daar van in den der sing aleezen inzonderheid wanneer het om hunne klap„ aanstaande eenig nut te per bonnen te doen is, zeken- lijk te verwonderen is, zoo de er anders iets zijn mogt aan zullen hebben. veele beklaegden zig en wel deeze klagte, het geen naden blijken zal bij het tanson den handen zijnde onderzoek voornamentlijk de volkeren ven zal, en waerom het zelfs zeer goed ware, zoo men een zulke schikking door de gehele Maturese dessavonij gene„ raal konde invoeren. zoo uit ben aangeweezen, waar, wan„ neer of aan wien dit verk uit de Jinrewaipattoe, dat de zoo het zoo waare, mag men denken, dat de klaegers wel een enkeld geval zouden heb- ingezeetenen door de hoofden gantsch oneigen boven hunne verpligting, tot het bearbeid en van 's komp:s velden geimploijeerd waaren, waar door ze veel tijds hunne velden hadden moeten venwaarloozen. Bij welke onregtvaandigheid nog komt dat de hoofden zig de helfte van het zaaijers aandeel dat den bear- beiders in zijn geheel toekomt hadden toegeeigend, waer door de Zaaijers slegts de helfte van het geen hun toekwam, en wel nog minder, na af„ trek van het zaadkoorn hadden bekoomen voorts dat schoon het gewas door een of ander ongeval verlooren was ge gaan men hun dan nog het overkomen is. zaadkoorn d 2076 zaadkoorn in weerwil dat zij niets van het veld konden genieten; had doen uitbetee„ „en De ingezeetenen verzogten voor taan na ouds gewoonte en ge= bruik, het zaaijens aandeel door de zaaijers in het geheel te laaten genieten. voorts dat wijl het gewas konden ver„ Jn hoe verre de rien boven gem: klagte geqrond zijn loonen gaan zij in den aan- zal bij het onderzoek nader te voorkomen alle redenen van staande het zaadkoorn van blijken en is intussen verstaan de Ed: Kompanie mogte erlan= van klaegen daar over, dat den H:r sluijsken zullen worden gevraagt zijne konsideraat„gen. Hier op hielden de in„ worden door dezen, of het, om gezeetenen voornamentlijk sie zoo als dezelve gevraagt in het vervolg niet zoude aan, en ik heb mij verpligt taan alleen de verpligte Gooij gevonden hun te belooven kunnen aangaan, dat voor- uwel Edele Gestr: Groot Naindes wierden gebruikt landen, op dien voet als ze achtb: dit verzoek te zul„ tot het bearbeiden van 'skomp:s len voordraegen; gelijk bij dat van ouds verpligt zijn en tot nog toe altoos hebben gedaan, en dat voorts geene deezen eerbiedig volbrengen andere dit werk worden ge¬ bruijkt dan zulke die geweigt zijn dat uit vrije wil en zoo als men zig daar over niet hun best verstaan kan, -. te

NL-HaNA_1.04.02_3884_0648 view scan ↗

English

to do. That consequently, insofar as the aforesaid Joy Nayndes alone are not sufficient to cultivate the Company's fields, the native chiefs who are charged with their care will have to come to an understanding with the inhabitants who are inclined to do so concerning the remaining fields as best they can, exactly and in such manner as is customary among private individuals who possess some lands which they have worked by others. The discontent of the inhabitants was also very much caused by the dissatisfaction of the lesser chiefs, who complained that for some time, and indeed contrary to all ancient custom, it had frequently happened that the lesser chiefs in the Korles and villages under one designation or another had been dismissed from their offices, and these offices had been conferred upon foreigners who had arrived there from other districts, and had managed to intrude themselves there, and who had not had the least right to such offices; many showed their Sinhalese acts of appointment from a succession of ancestors who had held one office or another, whereby they were established against family right; they insisted very strongly that this might be redressed speedily, because the most prominent families, by such an administration, were bound to suffer very great disadvantage. The Honourable van Angelbeek, being questioned hereupon, testified that nothing other is known to him in this matter, except that in his time a single foreigner was appointed as a chief, being the present Vidana Aratchy of Kahewatte, who is a native of the Galle Korle, and before that time was an Aratchy of the grasshopper-bearers; and to the Honourable Disava Prehn it is also not known that in his time more than a single foreigner was appointed as a chief, who was a certain Fernando, who for a long time was a Mohandiram over the Lascarins of the Adigary, but has long since been transferred back to the Galle Korle, where he is now Korale of the Talpe Pattu, and that these are no novelties, there being many an example at hand from the Colombo Disavany where formerly the inhabitants from the Galle Korle were employed in the Matara Disavany. From this alone one can conclude to what extent these complaints are well-founded. The documents produced by the complainants prove nothing; they should have pointed out which foreigners they are complaining about that were appointed to their prejudice, and when. The recently newly introduced bridge toll at Polwatte and bazaar toll at Matara seemed to have aroused no small discontent among the inhabitants; holding of women and children, they complained that they could not pay these tolls, because they frequently came to market without selling anything of their goods, being nonetheless obliged to pay the stipulated toll. Because these aforementioned tolls together yielded only a sum of 240 rixdollars, and the assertion of the complainants concerning this was somewhat grounded, for that someone must pay any toll for goods brought to market by him, which goods he must carry home again unsold, is certainly oppressive. I had scarcely abolished these tolls when the market immediately became larger and more substantial, and thus the public was accommodated; the people insisted the more on the abolition of these tolls, because according to their testimony the toll farmers had done them much injustice. The bridge at Polwatte had been dilapidated for many years. The inhabitants thus had to be ferried across with vessels and paid for this to the people of the ferry. The Honourable Disava Prehn in his time had a bridge built there again, and there was certainly no unfairness in the fact that the inhabitants, who up to this point had paid ferry money, now paid a trifle for crossing the bridge, for the benefit of the diaconate poor, for whose benefit this toll was introduced, just like the anciently existing bridge toll at Matara, which is still maintained, and about which no one complains. The bazaar toll, which toll is found everywhere, was likewise introduced at Matara in the time of the Honourable Disava Prehn, in order to cause a number of miserable people, who constantly roamed around Matara and sometimes lay helpless along the streets, to be cared for in a mandapam erected for that purpose on the Rodeberg, precisely in the same manner as takes place in Galle with an institution that was established in Galle in the year 1784; and all the inhabitants know how many unfortunate people, both in Galle and in Matara, since these establishments, have returned cured to their villages, with yet a small contribution for travel money, whereas they would otherwise have perished in the most miserable manner. The distributions made from this fund for the aforesaid purpose were formerly made by the consumption bookkeeper who had the oversight of this institution and kept an account thereof. Since this office was abolished, this oversight has been exercised by Lieutenant Beijende, the Surgeon of Matara, and Bookkeeper Pranken; and at the time the unrest began, there were still a great number of wretched people who were cared for by this institution. Furthermore, these tolls were not introduced until after they had been approved in Galle, and upon the proposal of the Galle officials were also approved here. From the foregoing and from the small amount that both these tolls yielded, one can readily judge the reasonableness and weight of these complaints. The bridge of Polwatte is situated more than two hours from Matara, and thus has little relation to the bazaar; and that paying a trifle for a seat in the bazaar could not have burdened the people noticeably is very evident. The malcontents also further complained and presented this as a special burden and grievance

Dutch transcription

te doen. Dat mits dien voor zoo verre de voorsz: Jooij Nain„ des alleen niet genoeg zijn om 's komp:s velden te bearbei= den de inlandsche hoofden die niet de zorge doen over zijn, belast, zig nopens de overige velden met de ingezeete„ nen die geneigt zijn dat te doen, daar over zullen moe ten verstaan zoo als te best kunnen, en even en zodanig als dat de gewoonte is, onder particuliere die eenige landen hebben die ze door andere laeten bewenken. De misvoegdheid der ingezee„ tenen is ook heel veel ver- gevraagt zijnde, heeft betuigt, oorzaakt door de onvergenoegs„ De E: van Angelbeek Jierna heid der mindere hoofden, die dat hem hier van niets an„ zijn tijd een enkeld vreemwde „ zig beklaagden dat zeederd dens bekent is, dan dat in eenige teid en wel teegens ling tot hoofd is benoemt, alle oude gewoonte, het veel zijnde de presente vidaa„ arnaatje van kahewatte die geboortig 's uit de zale maalen gebeurd was dat de mindere hoofden in de Corles Moule, en voor dien tijd ge„ weest is arraatje van de springhaan draegens, en den E: en dorpen onder de een of hem ook niet bekent is dat andere benaming uit hunner Desave pretz: betuigt dat in zijn tijd meer dan een en diensten waaren gesteld en is aangesteld, welke geweest deeze diensten aan vreemde keld vreemdeling tot een hoofd is eenen Fernando die een lingen waaren opgedraegen die uit andere gewesten al- tijd lang geweest is Mohan. dinam over de Laskonijns van de adiganij, dog zedert daar waaren aangekoomen, en zig daer hadden weeten lange wederom is verplaets na de Zale Korl, daer hij intedringen en die tot dier- tans gelijke 2077 tans konael is van de Jalpe gelijke diensten geen het minste pattoe, en dat dat geen nieu „ regt hadden gehad, veelen ver„ toonden hunne singaleese beves„ wigheeden zijn, zijnde en tigings bewijzen van een reeks meenig exempel voor handen, uit de kolombose Dessavonij van voor ouderen die de een of dat eertijds de ingezeetenen andere bediening bezeeten had en uit de Jale Koul in de den, waar uit zij teegens het Matenesche Dessavonie zijn leen kan men besluiten in hoe familie regt gesteld waeren, geemploijeerd. Wien uit al- verre deze klagten gegrond zij hielden zeer steute aan, dat dit spoedig moogen geredres„ zijn De bijgebragte stukken ze hadden moeten aanwijzen seerd worden; wijl de aanzie„ door de klagens bewijzen niets. nelijkste geslagten door een welke vreemdelingen het zijn diengelijke bestien, zeer veel waer over ze klaegen dat te nadeel moesten ondergaan. in hun prejudietie zijn aangesteld en wanneer. De kortelings nieuw ingevoer„ de brug te Polwatte was zee „ de brugge pagt te Polwatte en bazaar pagt te Mature dert veele Jaaren vervallen. scheenen niet weinig mis= De ingezeetenen moesten dus gen, en betaelden daer voor noegen bij de ingezeetenen te laeten overzetten met vaertui„ hebben verwekt; houdenden aan de luiden van het veer. van vrouwen en kinderen, be„ De E: Dessave preth: heeft een brug laeten leggen, en en klaegden zig, dat zij deeze in zijn tijd daar wederom stak zeker geen onbillijkheid pagten niet konden betae„ len, wijl ze veelteids te in, dat de ingezeetenen, die markt kwamen zonder tot hier toe veengeld betaeld hadden iets iets van haare goederen te ver- hadden, nu een klijnigheid betaalden voor het passeeren, koopen; moetende des niet te van de brug, voor de diakonij armen, ten wiens behoeve min de gestelde pagt op deze pagt is ingevoerd, even brengen gelijk de van ouds in wezen wijl deeze evengem: pagten zijnde brugge pagt te Mature, die nog stant houd, en waer over niemant met malkanderen slegts eene somma van rd: 240. op„ klaegt. De bazaar pagt, welke pagt bragten en het voorgeeven men over al heeft, is te Mer„ der klaagende hier over tiene ingevoert insgelijk eenigzints gegrond was, want ten tijde van den E. dessave preth:, om een partij misena„ bele menschen, die steeds bij dat iemand eenige pagt en omstreeks Nature rond moet betaelen voor die door hem te markt gebragte goe„ sworven, en somtijds hulpeloos langs de straten laegen, te doen verpleegen, in een daen deren, welke goederen hij onverkogt weder tehuis toe op de noode berg opge„ slaege Mandoe, even en op dien voet als dat te zale moet draegen is zeekerlijk plaets heeft met een gestigt, drukkende. Jk had nauw- lijks deeze pagten ingetrok dat te Gale in het Jaer 1784. is opgeregt, en alle ken of de maakt wierd on- ingezeetenen weeten hoe middelijk grooter en aan- veele ongelukkige men- schen, zoo te Gale als te zienelijken, en dus het alge„ Mature, zedert deze in„ meen geriefd; over de af- schoffing van deeze pagten stellingen, geneezen naer haare dorpen zijn terug hield het volk te meen aan, gegaen wijl 2078 wijl volgens hunne betui„ gegaan, met nog een klijne hand. rijking tot rijsgeld; daar ging de pagters hun veel onregt gedaan hadden. ze anderzinds op de mise„ nabelste wijze zouden zijn omgekoomen. De verstrekkingen die uit dit fonds ten voorsz: einde zijn gedaan, zijn eentijds gedaan door den konsumptie boekhouden over deze bestelling het op zigt hadde en daer van reekening gehouden heeft. zeedert dat deze dienst is ingetrokken is dit opzigt gevoert door de luit: Beijen„ de Chirurgijn van Mature, en de boekhouder pranken, en waren er ten tijde dat de onrust begon, nog een groot getal elendige menschen, die door deze innig„ ling wierden verzorgt. voorts zijn deze pagten niet ingevoerd, dan na dat re te sale zijn goedgekeurt, en op de voordragt der Faalsche bediendens ook hier zijn geapprobeerd: uit het voorenstaande en uit het geringe dat bijde deze pagten hebben opgebragt, kan men van de billijkheid en het gewigt dezer klagten be„ kwaamlijk oordeelen. De brug van Policatte legt ruim twee uuren van Mature, en heeft dus wijnig betrekking tot de bazaar, en dat het betaalen van een klijnigheid voor een zitplaets op de bazaan, de luijden niet merkelijk heeft kunnen drukken is heel zigtbaer. De misnoegden beklaagden zig ook nog en bragten dit als eene bijzondere last en be„ zwaeren is

NL-HaNA_1.04.02_3884_0652 view scan ↗

English

The burden consists further in that to the qualified persons, from the first to the last, coming into the country, so many provisions and distributions had to be made at the rest houses. The majoraals among others requested in particular that a fixed arrangement might be made regarding this, because the delivering of so many pehindoens and adoekkoes tended to be a general oppression for them. It has also occurred to me that regarding this there is a very great difference in the Mature district in comparison with the Colombo district and in the Gale Corle; and thus with the approval of Your Honorable Greatly Respected Council a similar arrangement could take place regarding this, and the regulation regarding this also in the Mature district, where it seems not yet to have taken place, could be introduced. The vidaans and the majorals are nowhere better provided for than in the Mature Dessavony, but since they nevertheless will probably not be satisfied, whatever reasonable arrangements one might wish to introduce, it is therefore, and because it will probably yield a better account for the Company, approved and understood that the considerations of the Commandeur Sluijsken shall be requested, as the same are requested by this, whether, in order to cut off these complaints at once, it would not be better to exempt the vidaans and majoraals in the entire Mature Dessavony in the future from the delivery of pehindoes and adoekoes, and that in return for the Company there should be revoked the rouandedinam that they enjoy, to be farmed out either separately or under the usual leases, and on the other hand to pay in money the amount thereof to all servants who go out on the Company's service and to whom adoekoes and pehindoes have been provided up to now according to the custom of the country. The malcontents further complained about the appointment of headmen and masters who were of lower birth and descent than the craftsmen placed under them, and this being genuinely in conflict with the old custom and privileges of the Sinhalese, I was compelled upon this complaint to promise to the carpenters and the sawyers each in particular a headman in place of the one who was appointed over them at that moment, as I then also, for the time being and provisionally, appointed the son of the deceased Master Carpenter Haspelaer as master over the carpenters and another as master over the sawyers. The first head administrator of Mature alone having been Angelbeek, he says that there was a master over the carpenters and the smiths, and that he therefore does not very clearly understand what must be meant by masters and headmen of whom mention was made here. Now that this master has been dismissed, he says that he is of the caste of the carpenters, silversmiths, and smiths, and because of his descent is one of the most distinguished among these families, possessing to this very day a gold medal that the Governor van Soens gave to one of his ancestors; that the complaint of the craftsmen that because of their caste they could not stand under him is thus completely without foundation, except for that of the wood sawyers who are wellales, but that these have their own kangaan, and the master therefore had nothing to do with them other than to indicate the work that had to be done; yet in order to provide for this too, it had already been promised to these sawyers by the Honorable Commissioners that henceforth they would stand solely under their own kangaan. Nevertheless, this arrangement is approved by the Commandeur Sluijsken. About the mokkedon or overseer of the public works at Mature there was also very strong complaint, namely that he made the naindes perform all kinds of menial services conflicting with their birth and obligations, and treated the inhabitants working under him unjustly and subjected them to many extortions: the malcontents insisted most strongly on another mokkedon. I have therefore also assigned this office provisionally to a Mature burgher by name of Floris Jansz:, for whom all the naindes publicly requested, and left it to the Honorable Dessave Raket to propose him for confirmation. Furthermore, all the malcontents in general complained about a certain Mohandiram of the Kotalbadde, that he caused them all sorts of vexations, especially to his subordinate craftsmen; that he had himself carried about the country in a large palanquin, and that wherever he passed in that manner, he had the fences of the gardens and fields broken to pieces in order to pass through with his accompanying It is unfortunate that the best servants on such occasions must sometimes be sacrificed, and it would certainly have been to be wished that this man, against whom no other complaints seem to have been brought than that he had assumed a little too much in external appearances,

Dutch transcription

zwaeren is voort, dat aan de in het land koomende gekwa„ De vidaans en de Majorals zijn nergens beter bedeelt lificeerdens van de eerste tot als in de Materesche De„ de laatste toe, zoo veele ver„ savonij, dan wijl ze des zijn, en waarschijnlijk ook strekkingen en omslag op de niet te min niet te vreeden niet te vreeden zullen wee„ rusthuisen moesten gedaan worden. De Majoraals onder zen, wat needelijke schikkin- gen men ook mogte willen anderen verzogten in het bijzon„ invoeren, is daerom, en om der dat hier omtrend een vaste dat het waerschijnlijke beetere schikking mogte gemaekt reek: voor de Comp: geeven zal, goedgevonden en ver- worden, wijl het opbrengen staan, dat van den Heer van zoo veel pehindoens en Taals Kommandeur sluijsken zijne konsideratien zullen worden gevraegt zoo als de „ adoekkoes tot een algemeene drukking voor haer sterkte. zelve gevraagt worden door Het is mij ook voorgekoomen dezen, of het om deze klagte op eenmael aftesnijden, dat daeromtrend in het Matu„ niet beeter waere om de reesche een zeer groot verschil is, vidaans en Majonaals in de geheele Materesche Des„ savonie, voor den aanstaende in vergelijk van het Colomboo- te ontslaan van het opbren-sche en in de zaleCorle; en dus zoude met goedvinden gen van pehindoes en adve„ van uwel Edele Gectr: Janrt koes, en dat daer en tegen voor de Comp: wierde achtb: hieromtrend eene ge„ ingetrokken de roeande„ te worden verpagt het zij lijke schikking konnen plaets nam die ze genieten, om vinden en het Reglement afzonderlijk dan wel onder de daeromtrend 2079 daeromtrend ook in het Matu„ reesche, alwaer het nog geen de gewoone pagten, en om daar en teegen aan alle plaets scheind te hebben, hun dienaaren, die in s'komp:s nen ingevoerd worden. diensten uijten, en aan de„ welke tot hier toe naar en pehindoes verstrekt zijn, het bedraegen daer van slands gebruik adoekoes te betaalen in geld. De misnoegden beklaegden zig nog over het aanstellen van hoofden en Baazen, die van mindere geboorte en af- komst waeren als de onder hun geschikte werkslieden De p:o hoofd administ:t van Mature alleen geweest is, en dit werkelijk strijdende Angelbeek, zegt dat en te den en de smeeden, en dat hij met de oude gewoonte en een baas over de timmerlui„ voorregten den singaleezen dus niet al te duidelijk was ik genoodzaekt op deeze begrijpt wat men verstaan klagte, aan de timmerlieden moet door baazen en hoofden waer van hier gesprocken en de houtzagers elk in het wond. Deeze baas nu af bijzonder een hoofd, in plaets gezet is, zegt hij te zijn van de kaste der timmerlieden van den geenen die op dat „ dat hij silversmit en smeden, en „ wegens moment over hun gesteld zijn afkomst is een van de aanzienlijkste onder deze zelfde baas nog heeden ten was, toeteseggen, zoo als ik geslagten bezittende deze daege dan dan ook, voor eerst en ten daege, een goude penning die de H:r Goeverneur van Soens waerneeming, de zoon van aan een zijner voor ouderen den overleeden Baas Jin- heeft gegeven; dat de klagte der werksluiden dat ze uit merman Haspelaer, als hoofde van hun kasta onder baas over de Jimmerlieden hem niet staan konde dus ge heel geen grond heeft, uitgenoo„ men die der houtzaegers die en eenen anderen als baas of meester over de hout. wellales zijn, dog dat deze hun eigen kangaan hebben, zagers aangesteld heb. en de baas mids dien met aantewijzen het werk dat over den Mokkedon of opzigter hun niets uitstaande had, dan gedaan moeste worden om den gemeene werken te Mature zien, was aan deze houtze wierd ook zeer sterk geklaegd, nogtans ook daarin te voor= gens reeds toegezegt door E. . namentlijk dat hij de nain- Commissarissen dat ze voor des alle gemeene en tegens hunne geboorte en verplig„ taan alleen onder hun eigen tingen strijdende diensten kangaan zouden staan. Niet van den Heer Commandeur liet verrigten, en de onder te min word deze schikking hem werkende ingezeete sluijsken ge approbeerd. nen, onregtvaerdig behandelde en veele knevelanijen liet ouder„ gaan: De misnoegden hielden ten sterksten om een ander Mokkedon aan. Jk heb dus deezen dienst, aan een Matureesche burger in name 0 2080 name Floris Jansz:, daer alle de Naindes publiek om verzogten, ten waernee„ ming mede opgedraegen, en den E: Dessave Raket over- gelaeten hem ten bevesti- ging voor tedraegen. Nog wierd door alle de mis- noegden in 't algemeen ge„ klaegd over zeekeren Mohan- dinam van de Kotalbadde„ dat hij hun alle zoorten van vexatien, in het bijzon der aan zijne ondergeschikte handwerks lieden, aandeed; Het is ongelukkig dat de dat hij zig in een groote beste dienaaren in zulke palenkijn in het land liet gelegentheden somtijds moe„ ten wonden op geossert,en het waare zeker wel te rond draegen, en dat hij, waer hij, op die wijze wenschen geweest dat deze andere klagte scheinen wijzende, passeerde, de Man tegens den welken geene ingebragt te zijn, dan dat paggers der thunnen en hij zig in uitterlijkheeden velden liet stukkend bree„ wat te veel hadde aan„ken om met zijne bij zig gematigt hebbende

NL-HaNA_1.04.02_3884_0656 view scan ↗

English

having been able to be tempered, without it having yet been specifically indicated where or at which places this had happened, could have retained his demonstrated zeal in the service of the Company, as well on account of the plantations of cinnamon, pepper and areca that he has already laid out, and among which especially his areca garden stands out above all others, which it is said, according to the estimate of those who have seen it, could have yielded in time fully 1000 ammunams of areca per year if it had not been ruined in the rebellion, as it is situated in an exceptionally good place and was laid out with much care and diligence. The inhabitants complained moreover of other unlawful irregularities, common to almost all native chiefs, and they requested to be dismissed from this man, and, as previously, only to be allowed to have a vidāna as head over the kottalbadde, because a vidāna was sufficient and did not need to occupy himself with all those offensive outward appearances. For the pacification of the people, and because it really appeared to me that the said Mohandiram was not entirely pure, I have deprived him of authority and promised the inhabitants to submit their request to be allowed to have a vidāna as head to your Highly Esteemed, Highly Honorable Lordship. However, I have left this aforesaid Mohandiram his full honor, because he appeared to me to be a suitable and polite man, and upon inquiry it appeared to me that he has won the favor of his rulers through real merits and zeal in the service, and therefore obtained the honor of Mohandiram as a special reward. The inhabitants also showed great discontent, and therefore very urgently pressed for a change, concerning the manner in which they were obliged to bring forward their complaints, and that according to an ancient order, no one was permitted to bypass his immediate head. This was, among other things, prohibited by the placart of 20 December 1758 on pain of being put in chains. These complaints were settled; because they were not in the position to be able to address themselves immediately to the Honorable Dissava in the Landraad; access to the Honorable Dissava and this court being prevented to them under all kinds of pretexts: having to bring their complaints in the first place to the village chiefs, where they had to be provided with written proof of how their complaints were settled; and that such proofs were arranged not according to equity, but mostly in favor of those whom the chiefs favored most for one reason or another, and that whenever the complainant, not being satisfied with the verdict of these chiefs, pushed his case further, one commonly rested on the first settlement; without conducting a further and accurate investigation. That they were often detained quite unlawfully before the chiefs gave them the said written proof, and that when they were not provided with such proof, and appeared before the Honorable Dissava without the same, they were rejected. Knowing the nature of the native chiefs, and having experienced more than once in my long observations of various country services how partial This arrangement is very good and is approved. partial, unjust, and with what self-interest the chiefs decide and settle the disputes of the poor inhabitants, and because the community pressed for this especially and very urgently, I found myself obliged to assure them of free access to the Dissava and the Landraad as soon as they were not provided with such written proof within twice twenty-four hours. And by the approval that my mandate ola has obtained from your Highly Esteemed, Highly Honorable Lordship, I have been so fortunate as to experience that this arrangement of mine meets with your Highly Esteemed, Highly Honorable Lordship's approval. Furthermore, the inhabitants in general were very discontented that for some time The Honorable Provisional First Administrator van Angelbeek, having been asked about this, referred to six sworn reports, which were also submitted in copy by the Commissioners to Mr. Sluijsken, and which he requested might also be sent in copy under the annexes of this resolution to the Right Honorable Gentlemen, the more so because this complaint was made as if he had erred exceedingly in this matter; whereof it is understood to keep this note, and to grant the aforesaid request. In the first declaration or report, the Mohottiar, first interpreter and Mudaliyar of the Atapattu Ilangakoon, together with the Mohandirams of the Atapattu, of the Adigaramandoe, and of the Gamebaddas, testifies that during the administration of the Dissava van Angelbeek, only one single arachchi of the lower chiefs subordinate to him the punishments for committed offenses, by women as well as men, had not been determined according to the country's ancient customs, and that an equal punishment had been inflicted upon prominent and low-born alike, whereby very many respectable families had unnecessarily been disgraced. In this regard, I also found myself obliged to give the inhabitants the best assurances for the future, and because the native chiefs, through their representations and enmity against one another, are greatly guilty when such

Dutch transcription

hebbende staatie te kunnen gematigt, zonder dat nog„ doortrekken. De ingezeetenen tans speciael is aangewee„ zen waar of op welke beklaagden zig nog over meer plaetsen dit zoude zijn geschied, had kunnen wor„ andere ongeoorloofde, en aan de van zijne beweeze ijver meest alle inlandsche hoofden den behouden, zoo uit hoof- in den dienst van de Comp:, eigene, ongeregeldheeden, en zij verzogten van deeze Man ont„ als ook wegens de plan„ tagien van kaneel pe„ per en arneek, die hij reeds slaegen te weezen, en, gelijk heeft aangelegt, en onder bevoorens, slegts een vidaan dewelke inzonderheid zijne tot hoofd over de kotalbad- des te moogen hebben, wijl arreeks tuin boven alle een vidaan toerijkende was andere uitmunt, die ge„ zegt word dat naar esti„ en zig met alle die aanstoo„ maatsie der gene die ze telijke uitterlijkheeden niet gezien hebben in den tijd hoefde op te houden. Tot be„ wel 1000. amm: arneek vreediging van het volk jaers zoude hebben kunnen op levenen zoo ze niet in de nevolte was vervoert, als en wijl het mij werkelijk voorkwam dat gedagte Mo- zijnde dezelve op eene uitmuntende goede plaets handiram niet geheel zui„ en met veel zorge en vleit ver was, heb ik hem het gezag ontnomen en de inge„ aangelegt. zeetenen beloofd hun ver- zoek om een vidaan als hoofd te moogen hebben uwel 2081 uwel Edele Gestr: Groot agtb: te zullen voordraegen. Dee„ zen evengem: Mohandinam heb ik egter zijne volle hon„ neur gelaeten, wijl hij mij voorkwam een geschikt en hups man te zijn, en bij navraege is mij gebleeken, dat hij door werkelijke vendiensten en ieven in den dienst de gunst van zijne Gebiedens heeft gewonnen, en daerom als een bijzonde „re belooning het honneur als Mohandinam heeft verkreegen. En groot misnoegen betoonden de ingezeetenen ook nog, en mag niemand zijn im medi-hielden deswegens zeer drin= volgens een zeer oude onder gende om eene verandering aate hoofd voor bij gegaan. aan, over de weize dat zij Dit is onder anderen bij xber: 1758. verboden op verpligt waaren hunne klag„ plakaat van den 20: peene van ketting slag. ten voortebrengen, en dat deze deze klagten afgemaakt wier„ den; wijl ze niet in de gelee„ genheid waaren zig onmidde lijk aan den E: Dessave in den Landraad te kunnen adresseeren; wondende hun de toegang tot den E: Dessave en deeze rechtbante onder allerleije voorwendzels belet: moetende hunne klagten in de eerste plaats bij de doups hoofden inbrengen, alwaar ze van een schriftelijk bewijs moeste voorsien worden, roe„ danig hunne klagten afge„ maakt wierden; en dat dier„ gelijke bewijzen niet na de billijkheid maer meest al ten faveure van den geenen ingerigt wierden die de hoofden om een of andere reeden het meeste gunstig waeren, en dat wanneer de Klaeger over de uitspraek dezer hoofden niet voldaen zijnde 2082. zijnde zijne saak verder pousseerden, men gemeenlijk bij de eerste afdoening bleef berusten; zonder een verder en naeuw keurig onderzoek te doen. Dat zij dikwils gantsch onge oorloofd opge- houden wierden voor en al eer de hoofden hun het gem: schriftelijk bewijs gaaven en dat zij wanneer zij van een diergelijk bewijs niet voorzien waeren, en zig zon- der het zelve aan den E: Dessave vertoonden, van de hand geweezen wier den. Den aard der Jul: hoofden kennende, en meer als eens in mijne langduurige waarnemingen van onder scheidene land diensten ondervonden hebbende, hoe partijdig Deeze schikking is heel partijdig, onregtvaerdig en met wat eigen belang de hoof„ den de geschillen der arme ingezeetenen beslissen en af„ doen, en wijl de gemeente hier over voornamentlijk en zeer dringende aan hield, heb ik mij verpligt gevonden, hun eenen orijen toegang tot den Heer Des„ save en de landraed te ver- seekeren, zoo dra ze niet binnen twee mael vier en Twintig uuren van een diergelijke schriftelijk bewijs voorzien wierden. en ik ben door de appro- batie die mijne Mandaet ola van uwel Edele Gestr: groot achtb: verkreegen heeft, zoo gelukkig ge wel en word g'approbeerd weest te ondervinden, dat deeze mijne schikking uwel Edele Gestr: Groot achtb: goed„ keuring wegdraagd. Nog 2083 Nog waaren de ingezeetenen in het algemeen zeer misnoegd Den E: p:l hoofd administ:rt van dat men zeederd eenige teid Angelbeek hier over gevraagt zijnde, heeft zig beroepen op ses stuks rapporten onder eede de straf oeffeningen over be„ gaane misdrijven, zoo door overgelegt, die ook in kopij vrouwen als mannen, niet door E: Commissarissen den heer sluijcken zijn overgegeeven en welke hij heeft verzogt, dat had bepaald na slandsal gen van deze resol: aan &: oude gebruiken en dat aan ook in kopij onder de bijlae„ H: Ed: moge worden gezon„ voornaemen en geringen klagte zijn opgegeeven, als een gelijke straf was toege„ den te meer wijl deeze deeld geworden, waer door hadde hij zig in dit stuk zeer veele fatzoenlijke fa„ ten hoogsten misgaan, waer van verstaan is deeze aantee„ milien, buiten noodzake„ kening te houden, en in het lijkheid, onteene waeren. voorsz: verzoek te bewilligen of rapport, betiigd de Moho- Jk heb mij hieromtrend ook Bij de eerste verklaering verpligt gevonden de inge liaan eerste tolk en Midliaen zeetenen de beste verzoe„ van de Attepattoe Jlange„ koon, met en benevens de Mehandinams van de Atte„keningen voor den aanstaen de te geeven, en wijl de pattoe, van de adigaeri„ mandoe, en van de wild schutters, dat geduurende Jnlandsche hoofden door het bestier van den dessave hunne voordragten en vijandschap tegen den een van Angelbeek, alleenig x van de onder hem ouder en den ander grootelijk eene enkelde arraatje geschikte mindere hoof- schuldig zijn, wanneer den dier

NL-HaNA_1.04.02_3884_0662 view scan ↗

English

punished, such punitive measures were carried out by him against the custom of the land, as by former dessaves, and that no heavier punishments be put into effect, so I have also held these native chiefs responsible, should such unlawful punitive measures take place in the future. and that even sometimes one or two months passed without anyone being punished at the portaal. In the second document, the Modliaer of the Langebodde pattoe de Saram and the Mohandiram of Attoedoewe, together with and alongside 5 of the first minor chiefs of the Langebodde pattoe, declare that during the time the first de Saram was head of that province, which he became shortly after the takeover of the administration of the Matara Dessavonie by the Honorable van Angelbeek from Mohandiram of the Baijgams, none of the inhabitants of that province, whether minor chiefs, arratjes, kangaans, lascorijns, majoraels, coolies, naijndes, wahadias, coolies, and other low castes, had been punished. In the third document, the Modliaer of the Morua Korle Amenekoon Ekenaike, formerly Modliaer and Gajenaik, declares that as long as he was Gajenaik, only one vidaan atjele and two kangaans, and as Modliaer of the Morua Korle only one arratje was punished. In the fourth document, the Modliaer of the Belligam Korle Goeneratne declares that only three vidaanatjeles were punished. In the fifth document, the Mohandiram and oil supplier of the four gravets Bandarnaijke declares that only one arratje was punished and chained in irons according to a Landraad resolution. 2084 And in the sixth document, the Modliaer Gajenaik declares that only eleven persons under his jurisdiction were punished, and the reasons for this are indicated in his and the other reports. The discontented also complained very strongly that the chiefs, not as dictated by the order, employed the common people and the low castes for the transport of cinnamon from the country, but also forced prominent inhabitants to this work, requesting that this might again be arranged on the old footing. Which I then, since the order stipulates this, have likewise ordered by my mandate ola, holding the chiefs liable in this case. The Honorable Provisional Chief Administrator van Angelbeek testifies that he prohibited this by sannas, as he has already indicated in a writing dated 22 May 1790 and submitted by him to the Honorable Commissioners at Mature, who also submitted it to Mr. Sluijsken. He requested that an extract from the aforementioned writing speaking of this may also be sent among the appendices to Your Honors. Furthermore, the Honorable van Angelbeek appealed, on this matter, to the note kept at a Matara resolution from 24 to 27 May, whereof it was agreed to keep this note and to grant the aforementioned request. No less were the inhabitants dissatisfied about the disadvantageous manner in which they were forced to deliver the obligatory paddy into the Mature and Tangalla warehouse, complaining that much injustice was done to them by the receivers in measuring that paddy, requesting that henceforth their paddy might be measured and received according to the order. The Honorable Provisional Chief Administrator van Angelbeek, being questioned about this, testifies that he never heard of coercive measures that were allegedly put into effect at the receipt of the grains. That it only occurred to him now and then that the suppliers of the paddy thought that the paddy needed to be dried and winnowed less than the receivers thought necessary, and was also ordered by the existing orders, but that he also in this matter, as far as it could be done, always arranged things to the satisfaction of the suppliers. That he always gave the strictest orders to the postholder of Tangalla, who receives the paddy there, and to the bookkeeper Jankena, who conducted the administration of the Matara warehouses for him, 2085 to receive the paddy according to the existing orders; that while he was still at Mature, no complaints were brought before the Honorable Commissioners regarding the receipt of the paddy in the warehouse of Mature; that it is nevertheless not surprising that this complaint was also brought forward, since there has never yet been a revolt in the Matara district without complaints being made about this; that he can meanwhile declare with sincerity that no complaints were ever made to him regarding an overly excessive receipt, neither concerning the postholder of Tangalla nor concerning the bookkeeper Jankena. I have also regulated this and arranged it as prescribed by the order, and I hope that the receivers will no longer overstep the bounds in the future; at least, should it unexpectedly happen, the guilty ought to be exemplarily punished. A general dissatisfaction and complaint of the inhabitants also consisted in this: that according to their assertion they were treated in the most unjust manner by the Moors, who obtained almost all the paddy leases in the country, requesting very urgently and insistently that the Moors might nevertheless remain excluded from all leases. I have, merely to satisfy the people and yet to cause no injury to the Honorable Company, approved this arrangement; but because it is probable that through this the leases will decrease considerably, it has been approved and agreed that Mr. Sluijsken's considerations will be requested, as they are requested by these presents, whether in prevention of this arrangement no other and the

Dutch transcription

den is afgestraft geworden, diergelijke straf oesseng oesse„ fe door hem zijn gevoerd alsning teegen slands gewoon¬ en dat geene zwaarder straf„ bij vroegere dessaves, en dat te werk stellig gemaekt zelfs somtijds een â twee maan „ worden, zoo heb ik deeze In„ den verloopen zijn, zonder dat en ijmand aan de portaaf„ landsche hoofden meede verantwoordelijk verklaerd, gestraft is geworden. Bij het wanneer diergelijke onge„ twede verklaeren de Modliaer van de Langebodde pattoe de Saram en den Mchandiram oorloofde straf oessenin van Attoedoewe, met en benee„ gen in den aanstaande vens 5. van de eerste mindere hoofden van de Langebadde mogte plaats hebben. pattoe, dat geduurende de eerste de Sanam, hoofd van die provintie geweest is, het welk hij kort na de over„ neem van het bestier van de Materese Dessavonie door den E: van Angelbeek van Mohandinam van de Baijgams geworden is, niemand van de ingezeetenen van die provin„ tie, het zij mindere hoofden, arratjes kangaans, las ko„ rijns, Majoraels, leegloopen, naijndes, wahadias, koe„ lies en andere laege kastas afgestraft is geworden. Bij het derde verklaart de Modliaen van de Monua- Koule Amenekoon Ekenaike, voormaels Modliaer en Gazenaik, dat zoo lange hij Lajenaik geweest 's, al leenig een vidaan atjele, en twee kangaans, en als Modliaan van de MonruaCoule alleenig een arraetje is afgestraft geworden. Bij het vierde verklaert de Modliaar van de Belligam Korle goeneratre, dat alleenig drie vidaanatjeles zijn afgestraft gewor„ den Bij het vijfde verklaerd de Mohandinam en olie leverancier van de vier gravetten Bandar naijke, dat alleenig een arraatje volgens landraeds besluit 2084 besluit, afgestraft en in de ketting geklonken is gewor= den en bij het sesde verklaerd de Modliaen Zajenaik, dat alleen elf onder hem sorteerende perzoonen zijn afgestraft, en worden de reedenen van dien bij zijn en de verdere rapporten aangeweezen De misnoegden beklaegden zig ook nog zeer sterk dat de hoofden De E: p:l Hoofd administ:t niet, gelijk de onder dicteerd, van Angelbeek betuigt, dat tot het afbrengen van Kaneel hij dit bij sannas heeft ver- boodem, zoo als hij dat reeds uit het land het gemeene heeft aangeweezen bij een volk en de laage Castasem„ geschrift, geteekend den 22. maij 1790. en door hem aan ploijeerende, maar tot dit E: kommissarissen te Ma„ werk ook aanzienlijke in„ ture overgegeeven, die het gezeetenen dwongen, verzoe„ ook hebben overgegeeven kende dat dit weder op den aan den Hr: Sluijsken Hij ouden voet mooge geschikt heeft verzogt, dat ook worden. het welk ik dan een extrakt uit voorsz: aangezien de onder dit be„ geschrift hier van spree„ paald, ook zoodanig bij mijne vende, onder de bijlaegen moge gezonden worden Mandaat ola belast heb, de aan W: W: Ed: Nog heeft de hoofden en dit geval aan„ E: van Angelbeek zig, no„ op de aanteekening, gehou spreekelijk houdende pens dit stuk beroepen resol: van den 24. tot 27. Maij, waer van verstaan is den bij een Materesche deze aantekening te houden en het voorsz: ver„ zoek te bewilligen Niet minder waeren de in ingezeetenen misnoegd over de nadeelige weize dat zij ge„ dwongen wierden de ver„ pligte Nelie in het Mature„ sche en Jangaalsch pakhuis te leveren, zig beklaagende dat hun bij het meeten van De E: p:l hoofd administ:r van die Nelie veel onregt door de Angelbeek hier over gevraagt zijnde, betuigt, dat hij min„ ontvangers gedaan wierd, ver„ mer van dwang middelen, soekende dat voortaan hun die bij den ontvangst den werk gesteld, heeft gehoord. Nelie na de onder mooge graanen zouden zijn te gemeeten en ontvangen wor Dat hem alleen nu en dan leveranciers der Nelie meen„ den. Jk heb dit mede be„ is voorgekoomen, dat de den, dat de Nelie minder paald en zoodanig geschikt als de onder voorschrijfs, en moesten worden gedroogt en geruwverd, dan de ont„ vangers dat dagten nood. ik wil hoopen dat de ont„ zaekelijk te weezen, en ook vangers, zig in den aanstaan„ de niet meer zullen te bui= bij de leggende ordres bevo„ len wond, dog dat hij ook hier in zoo veel het heeft kunnen ten gaan, ten minsten zoo het onverhoopt mogte geschieden, geschieden, de dingen steeds tot genoegen der leveran„ dienen de schuldigen voor- ciers heeft geschikt. , beeldelijk gestraft te wor¬ Dat hij aan de posthouder van Tengale, die de Nelie daar ontvangt, en aan den den. boekhouder Jrankena, die de administratie van de Materesche pakhuizen voor 2085 voor hem heeft gevoert, steeds de strikste beveelen gegeeven heeft, om de Nelie te ontvangen na de leggende ouders. dat hij nog te Mature zijnde, omtrent den ontvangst van de Nelie in het pakhuis van Mature, aan E:s kom„ missarissen geene klagten zijn ingebragt geworden, dat het egter niet te verwonderen is, dat deeze klagte ook ingebragt is geworden, wijl 'er nimmer nog eene revol„ te geweest is in het Maturesche, dat hier omtrend niet zoude zijn geklaegt geworden: dat hij intusschen niet oprechtheid kan verklaeren, dat hem nimmer, zoo omtrent den posthouder van Tangale, nog omtrend den boekhouder Jankena, eenige klagten weegens eene te ruime ontvangst gedaan zijn geworden. Een algemeen misnoegen en klagte den ingezeetenen bestond nog hierin, dat zij volgens hun voorgeeven door de Moonen die meest al de Nelie verpagtin„ gen in het land verkreegen, op de onregtvaardigste wijze geapprobeerd, dan wijl het behandeld wierden, verzoekende kelijkheid is deze schikking vermoedelijk is, dat hier door zeer dringende en instantig dat dog de Mooren van alle de pogten merkelijk zullen verstaan, dat den heer sluijs-verpagtingen mogten uitge„ daelen, is goedgevonden en slooten blijven. Ik heb dit om ken zijne konsideratie zul„ het volk maar te bevreedigen len worden gevnaegd, zoo als en de Ed: Comp: egter geen dezelve gevraagd worden door dezen, of ten voorko- ming dat deze schikking nadeel aantebrengen niet uit hoofde van de noodzae„ geen anders en de

NL-HaNA_1.04.02_3884_0666 view scan ↗

English

could not decide otherwise than to grant the preference to the Sinhalese, if they were willing to pay the same lease price that might be accepted from a Moor, since it would not do, and could have no overly detrimental consequences, for the Nellu in the Dissavony of Matara to be leased out henceforth solely by auction, instead of by reduction. In the sannas of the Commissioner's instructions, articles 12 and 15, it had already been declared that it was never the intention of this Government, nor of the Dissave of Matara, to employ any of the Matara inhabitants against their inclination to perform any work in Baddegama in the Magampattu, and that they were now also superabundantly excused from this expedition. The aforesaid sannas was confirmed by this Government. Greater assurance could not be given to the people to reassure them on this matter. The Honorable van Angelbeek, being specially examined on this point, declares that he does not understand how the inhabitants could have felt aggrieved about this expedition, as they were fully convinced that this expedition was a free and unforced work, to which no one was compelled, and that they were furthermore instructed about this by him through sannas as soon as any restless movement began to be perceived in that regard. That even apart from this consideration, he could not imagine that there was really such a general fear of this expedition among the people, because most, or at least very many of these inhabitants, make this expedition annually when they go to the temple of Kataragama to perform their offerings, in which case they must pass Baddegama, and it is known that Kataragama is considered even more unhealthy than the tract of land where Baddegama lies. That furthermore the acceptance by Don Constantijn, one of the principal and first instigators, of the post as head and Mohandiram of that province, is no small argument militating against this. That it is indisputable that Baddegama or the Magampattu cannot be called healthy for people who are not accustomed to the climate, as in the east monsoon they run the risk of catching the fever. That all strangers run this same risk in the Giruwapattu and in the oidani of Katuwana, a general disease that prevails in the entire district of Ruhuna in those months, as well as in other regions on this Island, whereas on the contrary in the north and west monsoon, one knows just as little of any diseases there as in the other districts. That this is known to everyone, and as this expedition was to take place in the west monsoon, there was thus also no danger of disease. That it is sufficiently known that the cultivation of the Giruwapattu had to struggle with that same difficulty, as can be seen among others in the left Memoir of the Lord Commander de Jong as outgoing Dissave of Matara, and for which cultivation the peoples of the other korales and pattus were not only invited, but compelled thereto, and where the mortality among the people seemed to have been so great that the Lord Commissioner H. A. van Rheede /: L:S:/ by letter of the 23rd of November 1685 proposed to the Lords Majores to abandon this work. That it is sufficiently known what a blessed province the Giruwapattu is now, what advantages it gives to the Noble Company and to the general public, and that if one wishes to be un-prejudiced and un-biased, one will have to admit that the Magampattu promised rather greater prospects. Being asked on this point, the Honorable van Angelbeek answered that he had already noted above that the Sinhalese are by no means lacking in boastfulness and exaggeration, if they intend to complain about one thing or another, and that he trusts that it will not be unknown to Mr. Sluysken that on such occasions he can find plenty of subjects to support his allegations. That one may firmly establish that this proposition is particularly applicable here, since no other people were sent to Baddegama to work there, except for the condemned from Colombo, Galle, and Matara, then some badenassen to erect rest-houses there, and since then with the Mudaliyar Sinnekoon a party of 456 men under the Gajeman Arachchi, who worked there for 15 days, and were replaced by 100 others. That according to the testimony of the Mudaliyar, Beyond and besides the aforementioned, the inhabitants still had many complaints, the objects of which caused their dissatisfaction, and which I also settled and disposed of in the best manner and according to the ancient custom and obligations. Among these belonged, and even in particular, their reluctance against the cultivation of the waste land of Baddegama, on which they strongly insisted on being granted a firm assurance that they would henceforth no longer be forced or invited to make an expedition to this unhealthy land; since they regarded the same as their slaughterhouse. If one can accept the allegations of the inhabitants, and it were really proven that many of the people who were sent to Baddegama have perished, then it is certainly not to be wondered at that a general dissatisfaction could have been aroused by this. I have had men, women, and children with me who uttered the most touching lamentations over the loss of their sons, husbands, fathers, and other blood relatives, who they said had been sent to Baddegama and had perished there. A sensitive heart must be touched to see these people mourn and grieve their loss. The inhabitants declared that

Dutch transcription

anders kunnen beslissen dan geen al te nadeelige gevolgen door de singaleezen de prefe„ heeft, het niet zoude kunnen aangaan, dat de Nelie in de Materesche Dessavonie voor„ rentie toetestaan, indien zij geneegen waeren de zelfde taan wierde verpagt, in steede van bij afslag, alleen pagtschat op tebrengen die bij den opslag. door een Moor mogte aan¬ genoomen worden. Buiten en behalven het voorschree„ Bij de sanuas van E: kom. vene hadden de ingezeetenen was reeds verklaard; dat het nog veele klagten welkens missanissen artikel 12. d 15. nimmer de intentie van deeze voorwerpen hun misnoegen veroorzaakten, en die ik ook Regeering, nog ook niet van den op de beste weize en na de dessave van Mature geweest is, om iemand der Matene„ al oude gewoonte en ver- sche ingezeetenen, tegens hunne pligtingen geschikt en af„ geneigtheid te gebruiken, tot het vernigten van eenig werk te gedaan heb. onder deeze Baddeginie in de Magampat„ behoen behooren, nog wel toe, en dat ze ook ten over. vloede van deze togt nu in het bijzonder hun tee nader wierde ge-exkuseerd re Regeering bevestigt Prootere genzin teegen de bekwaem voorsz: sama was door dee„ verzeekering konde aan het maeking van het woeste land van Buddiginie volk, tot denzelven gerust„ stelling op dit stuk niet gegee„ waerop zij sterk aanhielden ven worden. om dog eene vaste verzee„ den E: van Angelbeek over deze post speciaal onderhouden kering te moogen krijgen, zijnde, verklaart dat hij niet dat 2086 dat ze voortaan niet meer niet begrijpt hoe de ingezetenen zouden wonden gedwongen zich over deze togt hebben kon- nen bezwaaren, daar dezelve of uitgenoodigd, om een togt ten vollen overtuigd waeren, na dit ongezonde land te dat deeze togt een vrije en ongedwongen werk was, waer toe niemand hunnen genood- doen; wijl zij het zelve als hunne moondkuil zaakt is gewonden, en dat ze daar van ten overvloede nader door hem bij samas zijn onder„ aanmerkten. nigt geworden, zoo dra men der= wegens eenige onrustige bewaeging begon te despennen. dat hij zelfs buiten deze konsideraatsie, zich niet verbeelden kon„ dat 'er werkelijk eene zo algemeene vrees voor deze togt on„ der het volk geweest is, wijl de meeste, of ten minsten zeen veele van deze inwoonderen, Jaarlijks dere, togt doen, als zij na kasten katnegam gaan, om hunne offerhande te verrigten, moetende zij dan had degenie passeeren, en het bekent is dat katregam voor nog ongezonden gehouden word, dan de streek lands waer Baddeginie legt Dat voorts de aanneeming van Don Constantein, een der- voornaamste en eerste op roermakers, van de post als hoofd en Mohandiaam van die provintie, niet weinig een augument is dat teegens deze militeerd. dat het onbetwistbaer is, dat Baddeginie of de Magampattoe voor menschen, die de lugtstreek niet gewoon zijn, niet gezout kan genoemt worden, wijl ze in de oost mousson gevaar loopen om de koorts te kuijgen. Dat alle oneemdelingen dit zelfde gevaar loopen in de Siariwas en in de oidani van Katoe ne, eene algemeene ziekte die in het geheele dis trikt van Roene in die maanden, gelijk ook in andere streeken streeken op dit Eiland heerscht, terwijl daar en teegen in de noord en west mousson men daar even, zoo wijnig, als in de andere distrikten, van eenige ziekten weet. dat dit een ijder bekent is, en terwijl deze togt in de west mous„ son zoude geschieden, en dus ook geen gevaar van ziekte dat het genoegzaam bekent is, dat de bekwaam moe„ was. king van de Sierewaijs met die zelfde zwaerigheid te worstelen heeft gehad, zoo als onder anderen de nage„ laetene Memorie van de Heer Kommandeur de Jong als afgaanden Dessave van Mature te zien is, en tot welke bekwaemmaking niet alleenig de volkeren van de andere koules en pattoes uitgenoodigt, maer daertoe gedwongen zijn geworden, en alwaar de sterfte onder het volk zoo groot scheen geweest te zijn, dat de Heer kom„ missamis H: A: van Rheede /: L:S:/ bij brieve van den 23. 9ber: 1685. aan Heeren Majores voorstelde om van dit werk aftezien Dat het genoegzaam be„ kent is, welk een gezegende provintie tans de Tiri„ waij is, welke voordeelen die aan de Edele Maatschap pij en aan het algemeen geeft, en dat zoo men onbe„ vooroordeeld en onvoorin genomen wil zijn, men zal moeten bekennen, dat de nagampattoe vrij groote„ ne voor uitzigten beloofde. zoo men het voorgeeven der ingezeetenen kan aannee men, en dat het werkelijk op deze post den E: van An„ zoo antwoorde hij daerop, beweezen wond dat en van gelbeek gevraagt zijnde, dat het # 2087 het volk, dat na Baddegi„ dat hij reeds hier boven had aen„ nie is verzonden, veelen gemerkt, dat het den singa„ zijn omgekomen; dan is het lees in geenen deele aan groot spraak en breet uit„ zeeker niet te verwonde meeten mankeert, zoo hij ver„ den te moeten beklaegen, en dat ken, dat hier door eene al„ meend om over het een en an„ t gemeene misnoegdheid heeft hij vertrouwt, dat het den kunnen verwekt worden. Heer sluijsken niet onbekent Jk heb mannen, vrouwen en zal zijn, dat hij bij zulke kinderen bij mij gehad, die geleegentheeden voorwerpen genoeg kan vinden, om zijne het aandoenlijkste Jammer voorgaeves te ondersteunen. dat deeze stelling inzonder- geklag voortbragten over dat men wel vast mag stellen, het verlies van hunne zoo„ heid hier applikabel is, alzo nen, mannen, vaders, en en na Baddeginie om aldaer andere bloed venwanten, te arbeiden geene andere vol„ kenen gezonden zijn, buiten die zij zijden dat na Bad„ en behalven de gekondemneer„ dens van Kolombo Sale en diginie verzonden en al- Mature, dan eenige bade„ daer omgekomen waeren. nassen om rust huizen al„ daen op teslaan, en zeederd Een gevoelig hart moet met de Modliaar Jinne„ aangedaan worden, deeze koon een partij van 456. gen onder de Gajeman menschen hun verlies te koppen, die aldaer 15. dae„ annatje gewenkt, en door zien betreuwen en besam- 100: andere vervangen neren. zijn geworden. dat vol- gens betuiging van de De ingezeetenen verklaerden Mod:r. dat

NL-HaNA_1.04.02_3884_0670 view scan ↗

English

that the porta servants of Mod: Jinnekoon had forced the people for this expedition to Baddiginie, and had allowed themselves to be bribed or corrupted by those who wished to be exempted from this expedition. How this matter truly stands will appear upon further investigation; however, it is not strange that on such an occasion money extortions and other injustices are committed by the porta servants and other native headmen; I know this by experience, when in the year 1768, as overseer of the Tale Coule, coolies, and other people, I had to provide for the service of the marching and passing commandos and detachments; I already saw then how the headmen well knew how to get paid by those who wished to be exempted from accompanying these detachments. All the foregoing clearly shows that the dissatisfaction of the people for some years past has not been imaginary, but well founded. Added to this is that it seems to me that Mr. van Angelbeek, from the beginning, since his Honour became Disawa of Mature, has generally proceeded with rather too much rigor, and has not sufficiently bound himself to the customs and laws of the land, to which the native is so very attached. This assumption of mine is also proven by many who have been punished in a more than harsh manner; at least, many have been with me who had retained the ugliest scars on their backs from the punishment suffered, and showed them to me. It is known to your Right Honourable, Valiant, Most Worshipful that the native must be punished according to the custom of the land, and in such a manner as corresponds with his caste and his birth. Many are beaten with rattans, others chastised with whips or sjamboks; there are also those whom one brings to their duty by arrest or other civil punishments; in particular, women who are of good birth or caste are not punished in a manner that is dishonorable to their family, and yet this seems to have taken place now and then. I will by no means attribute this to an evil disposition of Mr. van Angelbeek, but rather to ignorance of the administration of the land and the nature of the Sinhalese when his Honour was placed in this post; added to which Mr. van Angelbeek, in my view, has placed all too great a trust in some native headmen who possessed less merit than his Honour's trust deserved. Among these I reckon principally the Mudaliyars de Saram, Jinnekoon, and Soeneratne, as well as the Mudaliyar of the Weligam Korale and the second interpreter Muhandiram, which latter two, having been dismissed from their posts and currently residing in Galle, possibly had more goodwill toward Mr. van Angelbeek than ability to counter the jealousy of the others. [illegible] done to the Commissioners, that of these people upon return only one died, and the hayeman arraetje likewise declared that he had not heard that on Baddeginie more than a single Sinhalese blacksmith died. The former Disawa van Angelbeek, having been questioned about what is stated here on the side, declared that he believed he had sufficiently shown, through the above-cited reports of the native headmen, what his punishments were, and what must be made of the complaints of the inhabitants in this regard. That he does not remember having had punished more than a single lime-burner woman, besides those who were committed to some punishment by the Honourable Landraad; and who certainly cannot be counted among women of birth; that he nevertheless thinks that this general and indefinite expression of the Commander Sluijsken actually refers to the alleged arrest of the so-called widow of Abesegere Mohandiram, because she was spoken of in one of the complaint classes, and he remembers no other. That concerning this event likewise a report, offered under oath, has been submitted by the Moholiaan, first Interpreter and Mudaliyar of the Attepattoe, adigani Mandoe and gamekeepers, and was likewise submitted in copy to Mr. Sluijsken by the Commissioners, from which report he fully trusts it will appear that he acted toward this woman with the greatest moderation, and that he requests that a copy of this report may likewise be attached to the annexes hereof. That for the rest he cannot refrain from expressing some degree of surprise that Commander Sluijsken, besides never having spoken to him about it, has paid not the slightest reflection to the reports brought forward above, the more so as his Honour himself was in rather unpleasant circumstances as Captain of the Cinnamon when the Chalias revolted in 1778, since the complaints which these people then brought in, as he is well informed, were rather more hateful than those which the Matara inhabitants brought forward on this occasion, with the declaration that they had made complaints about it repeatedly without having been heard or having obtained justice. Finally, that he, against whom nowhere any complaints about extortions or vexations have been made, however shameless the Sinhalese have been in their complaints this time, thinks that if the Honourable Saeth: and Tuobus, during repeated revolts of the Chalias, had acted in a similar manner, Mr. Sluijsken would have complained not a little about their actions. That he furthermore wishes preferably to declare himself in writing concerning the trust he placed in the headmen subordinate to him, as well as concerning the non-compliance with the customs and laws of the land, and most humbly requests this of this Government. That he meanwhile

Dutch transcription

dat de porta bedienden van Mod: Jinnekoon aan d: Com. missarissen gedaan, van den E: Dessave het volk tot deeze togt na Baddigi„ deze volkeren bij terug kom„ ste maar één overleeden is, en de hajeman arraetje ins nie hadden gedwongen, en gelijks verklaerd, dat hij zig door die geenen hadden laeten paresseeren of omkoo„ niet vernoomen heeft, dat op Baddeginie meer dan een pen, die gaarne van deze enkelde singaleese smit togt bevreid wilden weezen. overleeden is. Hoe het hiermede geleegen is, zal bij nader onder zoek blijken; Het is egter niet vreemd dat er bij zulke geleegendheid door de portie bedienden en andere Jnlandsche hoofden geld afpersingen en andere onregtvaerdigheeden ge„ schieden; Ik weet dit bij ondervinding, wanneer ik in a:o 17 6/8: als opzien„ der van de Tale Coule Koelies en andere volk tot den dienst der uit rukkende 2088 De geweezene Dessave van rukkende en passeerende Commandos en de tachemen- ten moest bezorgen; Jk heb toen reeds gezien hoe de hoofden zig wel wisten te laeten betaelen door die gee„ nen die van het verzellen van deeze de tachementen bevreijd wenschten te zijn. Al het voorenstaande toond duidelijk aan, dat de mis„ Augelbeek over het hier ter noegdheid des volks zederd eenige jaaren herwaerds zijden gestelde gevraagt gelooven, door de hier boven niet imaginair, maer wel zijnde, verklaerde hij te aangehaalde rapporten van gegrond is geweest. Hier bij komt nog dat de Heer de inlandse hoofden ge geweezen, hoedanig zijne van Angelbeek gelijk noegzaam te hebben aan„ mij toescheenen is, van den strat affeningen geweest beginne aan, dat zijn E: zijn, en wat van de klag„ dezen opzigte moet worden Dessave van Mature is ten den ingezetenen ten geworden, omtrend het al„ gehouden. Dat hij zig niet gemeen, met wat al te erinnert meer dan eene enkelde kalk branders vrouw veel veel nigeur is te werk ge„ vrouw, behalven die geenen die door de Eerw: Candraed gaan, en zig niet genoeg tot eenige straffe zijn over„ weezen, te hebben laeten af„ bepaald heeft aan slands gewoonten en wetten waer straffen; en die zeeker onder„ aan den Jnlanden zoo zeer eene vrouw van geboorte niet kan gereekent worden, verslaafd is. Deeze mijne dat hij egter denkt dat veronderstelling word ook deeze algemeene en onbe„ beweezen door veele die op paalde uitdrukking van eene meer dan harde wijze den Heer Kommandeur sluijsken, eigentlijk ziet op zijn afgestraft, ten minsten de. gewaande arrestee„ veele zijn bij wij geweest ring van de zogenaamde weduwe van Abesegere Mohandiaam, wijl bij een die de lelijkste lid teekens, der klagt olassen van haer door de ondergaane straf op hunne ruggen behouden gesprooken wond, en hij zig hadden, en mij die aantoon= van geen andere eamment. dat omtrend deze gebeur„ tenis insgelijks een rapport, den Het is uwel Edele Gestr: Groot achtb: bekend onder aanbieding van Eede dat den Jnlander moet door den Moholiaan, eerste gestraft worden na slands Tolk en Modliaar van de Attepattoe, adigani Mandoe en wildschutters overgelegt gebruik, en zodanig, als is geworden, en door E: met zijne Casta en zijne geboorte over een komt. kommissarissen insgelijks veele in 2089 veele worden door nottings overgegeeven is, uit welk rop geslaegen, andere met sweepen in kopij aan de Heer Sluijsken of sjambikken gekasteid, ook port hij vertrouwd ten vollen zijn en die men door arrest zal bleiken, dat hij deze vrouw gehandelt heeft, en dat hij ver of andere Civiele straffen met de meeste gemaetigheid zoekt dat insgelijks van dit tot hun pligt brengd; in rapport een kopij onder de bij„ het bijzonder de vrouwen die van goede gebooute of laegen dezes mag worden gevoegt. Dat hij overigens kastas zijn, straft men niet niet kan nalaaten eenigen op eene weize die voor maate zijne verwondering te mandeur sluijsken, behal, haare familie onteerende is, betuigen, dat de Heer Com. ven dat hij hem nimmer doer en dit scheind egter nu en dan ook wel eens plaets over heeft gesprooken, geen de gehad te hebben. Jk wil minste neflexie op de hier boven bij gebragte rapporten heeft geslaegen, te meer zijn dit geenzints toeschrijven aan eenen kwaeden invorst van Ed: zelfs in vrij onaange„ als kap: van de kanneel de Heer van Angelbeek naam omstandigheeden zig bevonden heeft, toen de maer wel aan onkunde van het land bestier en den Chaliassen in 1778. revolteer„ aard der singaleezen, toen den, alzoo de klagte, die tijd inbragten, zoo hij wel zijn E: in deze post gesteld deze volkeren toen den ondernigt is, vrij haete, wierd; waer bij komt dat de Heer van Angelbeek lijker waeren, dan die de Matersche na na mijn insien een al te groot Matersche ingezeetenen bij deze vertrouwen aan eenige Jnland= gelegentheid hebben voortge„ bragt, onder betuiging, dat ze daar over temeermaelen hadden sche hoofden heeft toegedrae„ gen, die minder verdiensten klagten gedaan, zonden te zijn verhoort op regt te hebben bezaeten als zijn E: vertrou„ verkreegen. Eindelijk dat hij, teegens wien wen meniteerde. onder deze nergens eenige klagten over weekene ik voornament- afpensingen of Unecelanijen gedaan zijn, hoe onbeschaendlijk de Modeliaens de Caram„ Jinnekoon en Soeneratue, ook de singalee Een in hunne klagten ditmael zijn geweest, edag ook den Modliaen van denkt dat zoo dE: saeth: en Tuobus, bij meerm: oproen de welle baddepattoe en den tweden Tolk Mchandinam der Tjaliassen, op eene ge„ welke beide laatsten, die lijke wijze gehandelt had„ den, de Heer sluijsken uit hunne diensten gesteld zig niet wijnig over hunne handelingen zoude hebben zijn, en zig thans te Gale bevinden, moogelijk meer- beklaegd. Dat hij voorts liefst over het der welmeenendheid voor vertrouwen, dat hij in de hem ondergeschikte hoofden ge„ de Heer van Angelbeek steld heeft, zig schriftelijk als vermogens bezaaten om de Jalousi der anderen wenscht te verklaeren, ge„ lijk ook wegens het niet opvolgen van slands ge, te kunnen teegen gaan. woonten en wetten, en dit van deeze Regeering ootmoedigst verzoekt. Dat hij intussen

NL-HaNA_1.04.02_3884_0675 view scan ↗

English

2090 meanwhile cannot see that it is a crime, or even deserves any reprimand, that a ruler places a proper trust in his subordinate chiefs, who have been given to him for help and assistance to advance the happiness of the country and people, and that he trusts that through this confidence of his he has by no means lost his authority over these chiefs, but that, on the contrary, every one of them has always feared and respected him, and that his given orders for the performance of the Company's services have been executed with just as much if not with more promptness than ever before; whereof it is understood to keep this record, and to grant the aforementioned request. Furthermore, the Honorable van Angelbeek has requested that, with regard to the ignorance of the country's administration assumed of him here in passing, the following brief indications of the country's products received during his administration, compared with what was received in earlier years, might be inserted here. Specification of the products that have been delivered to the Company in the Matara Dissavony during the last ten book years, namely: The Disava Fretz, The Disava Burnat, The Disava van Angelbeek 1780/81, 1781/82, 1782/83, 1783/84, 1784/85, 1785/86, 1786/87, 1787/88, 1788/89, 1789/90 Paddy on tithes - - - - parrahs: 5308: 5975: 698: 1401: 856: 306 1/2: 1051 1/4: 757 1/4: 47: 7089 for payment - - lbs: 2705 1/4 3500 — 465 4179 47 312 56 249 1/5 17 912 1/8 38057 1/2 from the plantations — 183 — 34 — Cardamom for payment - lbs. 14020 – 158 1/2 — 654 3/4 675 – 7274 2 125 2 4765 5669 from the plantations - — Pepper from the plantations: - - 52 Coffee beans for payment & from the plantations Areca for payment ammunams: 459 1/4 22 7/8 355 1/4 47 1/2 48 3/8 386 1/8 4987 282 3/8 285 1/4 710 7/8 from the plantations: - - - - 7 6 1/8 3 5/8 17 51 1/4 Regarding the delivery of products of this current book year 1789/90, no other indication can be given than in so far as concerns the paddy tithes for the harvests Maha and Yala, which in this book year have yielded parrahs 85639 1/4, whereas in the preceding five book years they amounted to no more than the following, to wit: in 1784/85: 29024 in 1785/86: 27254 1/4 in 1786/87: 55405 in 1787/88: 10894 in 1788/89: 30307 Colombo, 20 August 1790. (underwritten) 2091 (underwritten) Agrees with the notes made of these revenues at Matara and delivered to the Commissioners Fretz and Samlant, and with the compendiums of the overseer of areca at Galle (signed) C. van Angelbeek. The Honorable van Angelbeek, being questioned regarding the non-employment of the Interpreter, the Mudaliyar Ilangakoon, the said van Angelbeek declared that he was unable to employ this Mudaliyar, because he is completely given over to drink, from which vice he could not dissuade him, however much he attempted to do so, and that in this matter he dares appeal to the public testimony of everyone to whom this Ilangakoon is known. In a word, to this trust in the native chiefs, and that the first Mudaliyar Ilangakoon, who has great power and influence over the Sinhalese, was not always employed in his service and therefore considered himself diminished in his esteem, I attribute all the unpleasantness that has now befallen Mr. van Angelbeek. The native chiefs, who formerly considered it an honor whenever they might be in the company of any distinguished European, and when they were permitted to appear before their Disava in private, counting that among the highest marks of favor, have nowadays become so familiar that they not only withhold the customary honors from persons of the first rank among the Europeans, but seem almost unwilling to make any distinction between themselves and their superiors. Nevertheless, these native chiefs have indeed known how to maintain their authority and power over the native. I have seen, when the discontented people came down to Matara to appear before me, that the common 2092 man showed very great respect for their chiefs, even that they had more regard for their chiefs than for us Europeans. This familiar intercourse of the native chiefs and the trust with which they found themselves favored, has probably caused them to commit many injustices, which they knew how to justify and conceal from their master, who considered them honest people; and which they, on the contrary, presented to the people as the will and the order of the Honorable Disava; and to this I attribute that the general cry was to have another Disava. The

Dutch transcription

2090 intussen niet zien kan, dat het eene misdaed is, of zelfs eenige berisping verdiend, dat een regent een gepaste vertrouwen in zijne onder geschikte, hoofden, die hem tot hulpe en bijstand, om het geluk van land en volk te bevondenen gegeeven zijn, steld, en dat hij vertrouwd door dit zijn vertrouwen in geenen deele zijn gezag over deze hoofden te hebben verlooren maer dat daar en teegen een ijder hunner hem steeds gevreest en geagt beveelen tot het vor„ heeft, en dat zijne gegeevene nigten van 's komp:s diensten eeven zoo veel zoo niet met met meer promptheid zijn uitgevoerd, dan im- mer voor dezen, waer van verstaan is deze aanteekening te houden, en in voorsz: verzoek te bewilligen. Nog heeft den E: van Angel„ beek verzogt, dat met betrekking tot de in hem hier ter zijde veronderstelde onkunde van het landbestier, hier mogte worden geinsereerd de ondervolgende korte aanwijzingen van slands produkten, ingekoomen geduu- rende zijn bestier, vergeleeken teegens het geene in vroegere jaeren is ingekomen. Aan „ Nelij over Genegtig. heid - - - - par: 5308:ƒ5975:6:/:98:1:401:85 6: 30 6 1/ 0 5 1 /1 voor betaling - - lb: 2705 ¼„ 3500 — 465„ 4179 /. 47. 312 / 56. 249 1/5. 17. 9 12 1/8. „ 183. - 34. — uit de plantagien „ — — — — Randamom voor betaling - lb. 14020. – „158 ½. — 654 3/4„ 675:- — 7274 2. 125 2. 4765 5669 uit de plantagien -„ — koffi boonen voor betaeling &: uit de plantagien„ Anreek voor betaling amm:s 459¼. 22 7/8. 355 /4. 47½. 48 3/8. 386. /8 4987. 282 3/8. 285.¼. 710 7/8. – – – —7. 6 1/8 3 5/8. 17. 51¼. uit de plantagien „— van de leverantie van produkten van dit loopond boekjaer 1789/90. kan geene andere aanwijzing worden gedaan, dan voor zoo verre betreft de Nelij geregtigheid voor de oegsten Mara en doenoetoe Mara, die in dit boekjaer heb„ pann: 85639 4. - ben opgeleverd - daan ze in de voorgegaane vijf boek- jaaren, niet meer hebben bedrae„ gen, dan het volgende te weeten in 178 2/5. „ 178 5/6. „ 178 „ 178 7/8. — „ 1788¾. Peper 8. 757¼4 47. — 7089 38057½. -: - - 52. De de Have Tretz de desseira De dessave Bunnat van angelbeek 15 1 /8 : 3/4 178 /½ 178 /3. 78¾4. 178/5: 178 /3. 178 /3 78 7/8. 17 8 / 80 Aanwijzing van de Producten, die in de Jongste tien boekjaenen in de Maturee„ sche dessavonie aan de Comp: zijn geleverd namelijk: -„ 29024. - - - - „ 27254. ¼. Kolombo den 20. aug:s 1790. /onderstond/ — - - „ 55405. – — — — „ 10894. - — — — — „ 30307. — — 5. 2 2 - — 2091 /:onderstond) Accordeert met de Notitien die van deeze inkomsten te kature opgemaekt, en aan de Heeren Commissarissen preth: en Samlant, overge„ geeven zijn, en met de Compendiums van den op zienden der arreek te Gale /: getekend:/ C: van Angelbeek Met een woond aan dit ver„ trouwen teegens de Jnlandsche Den E: van Angelbeek, nopens hoofden, en dat de eerste het niet gebruiken van den Modliaen Jlangakoon ge„ Tolk, de Modliaen Jllan- vraagt zijnde, zoo betuijgde gem: van Angelbeek, deze gakoon, die veel vermo„ Modliaan niet te hebben gen en invloed op de sin- kunnen gebruiken, wijl hij geheel en al aan de drank galeezen heeft, niet altoos overgegeeven is, van welk nen afbrengen, hoe zeer hij ook in zijn dienst geemploijeerd kwaad hij hem niet heeft kun„ wierd, en zig daar door in dit getragt heeft te doen, en opentlijke getuigens van een zijn aanzien verkleijnd dat hij zig ten deeze op de agte, schrijf ik alle de on„ ijder durft beroepen, bij de aangenaamheden toe die welke deze Jangekoon den Heer van Angelbeek is bekent. nu zijn overgekoomen. De Jnlandsche hoofden die het zig bevoorens tot een een 170 albeek 70311 80 ¼. 8. 29 ¾. een neekende wanneer ze eens in het gezelschap van eenig aanzienlijk Europees mogte koonen, en wanneer zij bij hun dessave in het partikulier mog„ ten verscheinen, die onder de hoogste gunst bewijzen nee„ kende, zijn teegenwoordig zoo familjaer geworden, dat re niet alleen de bij hunne gewoone eerbewijzen aan perzonen van de eersten rang onder de Europeezen ont- houden maer te schijnen bij na geen onderscheid tus„ schen hun en hunne meer- deren te willen maeken. Egter hebben deeze Jnlandsche hoof„ ƒ den haar aanzien en vermoo„ gens over den inlander wel wel„ ten te onderhouden. Ik heb gezien, toen de misnoegden volkeren na Mature afkwaemen om voor mij te verscheinen, dat den gemeenen 2092 gemeenen man voor haare hoofden zeer veel ontzag be„ toonde zelvs dat deeze meer egard voor hun hoofden als voor ons Europeesen had. Deeze familjaere ommegang den Jnlandsche hoofden en het vertrouwen waermede zij zig begunstigd vonden, heeft hun waerscheinlijk veel onregt. vaerdigheeden doen begaan, die ze bij hunne gebieden, die hun voor eerlijke lieden hield, wiste goed te mae„ ken en te venbergen; en die zij aan het volk ƒ daer en teegen als de wille en de ouder van den E: Dessave voorstel- den; en hier aan schrijve ik toe dat het algemeen geroep was een ander des„ save te moeten hebben De

NL-HaNA_1.04.02_3884_0680 view scan ↗

English

Upon closer investigation it will first become apparent to what extent these observations are well-founded. The native chiefs probably could not keep their knaveries concealed much longer; they presumed that Mr. van Angelbeek, if he became aware of their deceit, would probably have made them undergo their deserved punishment. A means therefore had to be devised whereby their injustices remained concealed and they remained free from all accountability. Nothing was more convenient for this than to take the expedition to Baddeginie as a pretext, to incite a general uprising among the people, and on that occasion to keep all their evil deeds concealed. Nothing put their minds more at ease than the hope, on that occasion, to keep all their evil deeds concealed and to get rid of the Disava Mr. van Angelbeek, whom they had so shamefully deceived. Even some native chiefs who had no connection to the family of the foremost among them had to be sacrificed; not only because the latter were in their way and, according to their desire, had to make way for others of the family, and because they possibly feared that these, remaining in office, would discover their affairs; but also because they understood that it was not possible for all chiefs in general to remain 2093 free from all suspicion; and it thus became their business to direct this suspicion toward their enemies, against whom, as soon as they were dismissed, they incited the community in general to lodge complaints against them; just as many complaints against them were indeed brought before me. It is well known that the family of Tinnekoon, Hangakoon, Abesinge, and others who are related to them, have already for a long time harbored enmity and hatred against the House of Manamperie, of which (coincidentally, one might say) precisely the native chiefs dismissed from their posts, or actually removed from office, are virtually the last remnants. (Among the dismissed chiefs mentioned here in the margin, only the head of the Kandebaddepattoe is from the house of Manamperie. The others have no connection to it, except that only a daughter of the Mohandiram of the Baigans, father of the two other dismissed chiefs, was married a few years ago to the aforementioned Manamperie.) It is very remarkable that all those who belong to the family of the Tinnekoons, Hangakoons, and Abesinges remained free from all accusations during the recent disturbances; and that no one has brought any complaints against them either. Was this family, which is so extensive and occupies virtually virtually all the primary offices, ruled justly only by the Disava Mr. van Angelbeek, about whom the public complained and whose removal they desired? Or did all these alone treat the people so well and decently that no complaints were made about them? Anyone who knows the Sinhalese even slightly will perceive the contradictory and impossible nature of this. What then is the reason, one can and may ask, that these people managed to keep themselves free from all complaints? I answer, and this is easily understood, nothing other than their powerful influence. And if they had such an influence on the minds of the people, as I have just clearly demonstrated, one can also easily imagine that the uprising in the Matara Disavony could not have existed without their instigation or complicity. One needs only to trace the genealogy of this family in Matara, Galle, and Colombo 2094 to discover how great their following and power on this Island must be, even at the Court of Kandy, where some of these families find themselves in high esteem. I attach hereto a copy of a certain ola which is confirmed by several signatures, and which removes much doubt regarding the motives behind the recent disturbances, and from which one could deduce that there are certain plans and projects afoot whereby the Honorable Company, if it is not speedily attended to and if they were to be carried out, would come to suffer greatly. I also attach hereto a narrative given recently here in Galle by Madoegoddeappoe and another by a certain Don Dias Wiresinge, and Your Most Honorable, Valiant, Highly Esteemed Worship will find therein further confirmation of how probable my suspicions are. I have investigated the character of the Native Chiefs in Matara as well as possible. I found that Hangakoon was discontented because the Honorable Disava had preferred another over him in the performance of his duties as chief interpreter. For the rest, this Hangakoon, who was very well regarded among the people on account of his birth and position as first Mudaliyar, seemed to me not to be a bad sort of man. He even showed me the greatest diligence and willingness to work toward general peace; and I do not believe that he is personally the cause of the recent disturbances. It is generally said that he is very much addicted to drink; however, I cannot confirm this with certainty. Tinnekoon, Mudaliyar, Elephant Sowing Master, is reserved and truly possesses much knowledge and skill, which makes him seem all the more dangerous to me, since he particularly possesses much power and influence over the native. He also has some family connection, and even a close one, so

Dutch transcription

De inlandsche hoofden konden haare Bij het nader onderzoek zal het eerst kunnen blijken, in gen gegrond zijn. knovelanijen waarschinlijk niet langen bedekt houden, zij veronder„ hoe verre deze aanmenkin„ stelden dat de Heer van Angelbeek indien hij hun bedrag gewaer wierd hun waarscheinlijk de verdiende straffe zoude hebben doen ondergaan. Daar moest dus een middel uitge„ vonden worden waar door hunne on¬ regtvaardigheeden bedekt en zij bui„ ten alle verantwoording bleeven; Niets was hier toe genievelijken dan, de togt na Baddeginie tot voorwendzel te neemen, eene algemeene opstand onder het volk te verwekken, en bij die geleegenheid, alle hunne kwalde stukken gedekt te houden Niets stelde hun hier bij meer gerust als de hoop om bij die geleegenheid, alle hunne kwaede stukken gedekt te hoersen. den Heer Dessave van Angelbeek, dien zoo schandelijk bedroogen had„ den, kwijt te raaken. zelvs moesten eenige inlandsche hoofden die niet tot de familie, van de voornaamsten onder hun, eenige betrekking heb„ ben opgeossend worden; niet alleen wijl hun deeze laasten in de weg waaren en volgens hun verlan„ gen plaats moesten maaken aan anderen van de familie, en wijl ze moogelijk vreesden dat deeze in aanmerking blijvende hunne zaaken zouden ontdekken; maar ook, wijl te begreepen dat het niet moogelijk was dat alle hoofden in het senerael buiten 2093 buiten alle verdenkingen konden blij„ „zaak ven; en het dus hunne „ wierd deeze verdenking op hunne vijanden te doen koomen; teegen dewelke zij, zoo dra waaren ze niet gestort, de gemeente in het generaal op hitsden, om tee„ gen dezelve te klaagen; gelijk dan ook over hun veele klagten bij mij zijn ingebragt. Het is bekend, dat de familie van onder de ontslaagene hoofden Tinnekoon, Hangakoon, Abesinge hier ter zijde vermeld, is al„ en andere die daer in vermaagschapt leenig het hoofd van de kande„ zijn, al zeederd laage eene vijand baddepattoe uit het huis van Mannanpenie. De overige „schap en haat heeft teegen het Huis van Manamperie, waar van (:ge„ hebben daar toe geen betrekking, dan dat alleenig een dogter „vallig zoude men zeggen:) Juist de van den Mohandinam van de uit hunne diensten ontslaagene of Baigans vader van de twee andere ontslaegene hoofden, eigentlijk gestelde jnlandsche Hoof„ met voorzeide Mananpenie „den genoegzaam de laatste over„ voor nu een paar Jaaren „blijfzelen zijn. Het is zeer aanmer; getrouwt is. kelijk dat alle de geenen die tot de familie der Tinnekoon, Hanga„ „koons en Abesinges gehooren en de laatste onlusten buiten alle be„ „schuldigingen gebleeven zijn; en dat van hun ook niemand eenige klagten ingebragt heeft - Is dit ge„ sleegt dat zoo uitgebreid is, en genoegzaam genoegzaam alle eerste bedienin„ „gen bezet, dan alleen door de Heer Dessave van Angelbeek, waar over het algemeen klaagde en zijne ver„ „wijdering begeerde, regtvaardig geregeerd. of hebben alle deeze, alleen het volk zoo wel en goed behandeld, dat over hun niet ge„ „klaagd wierd. Elk die den singa„ „leesch maar eenigzints kend, zal het teegenstrijdige en onmoogelijke hier van, gevoelen. wat is dan de vreeden. kan en mag men vraa„ „gen; dat deeze menschen zig buiten alle klagt zaaken hebben weeten te hoúden. " Jk antwoorde, en men begrijpt dit ligtelijk, niets als hun vermoogenden invloed- En hebben zij zulk eenen invloed op de gemoe„ „deren des volks gehad, gelijk ik zoo even duidelijk aangetoond heb, zoo kan men zig ook gemakkelijk voorstellen dat de opstand in de Matureesche Dessavonie zonder hun toedoen of meede weeten niet konde geexcisteerd hebben. Men behoefd slegts de genealogie van deeze familie te Mature, Gale en Colombo 2094 colombo eens nategaen, en men zal ondervinden hoe groot hun aan„ hang en vermoogen hier ten Eilande, zelfs aan het Hoff van Candia, waar zig eenige van deeze familien in aan„ zien bevinden, moet zijn. Jk voege bij deezen het afschrift van zeeker ola die met verscheide handteeke„ ningen bevestigd is; en die veele twij„ fel weegens de drijfveeren van de laatste onlusten wegneemt, en waar uit men zoude kunnen opmaaken dat 'er eenige plans en projecten leggen, waar door de Ed: Comp:, zoo 'er niet spoedig en voorzien word, en zoo zij mogten volvoerd worden, veel zoude koomen te lijden. Jk voege ook bij deeze een verhaal door Madoegoddeappoe en een ander door zeekere Don Dias wiresinge in deezer daagen hier te Gale ge„ daan en uwel Edele Gestrenge groot achtb: zal daar uit nader bevestigd vinden hoe waarschein, „lijk mijne verdenkingen zijn. Jk heb het character der Jnlandsche Hoofden te Mature zoo goed doenlijk onderzogt. Ik Jk vond dat Hangakoon misnoegdwas„ wijl de E: Dessave hem in het waar„ „neemen van zijn dienst als eerste tolk een anderen had voorgetrokken. voor het overige scheen mij dee ze Ha„ „gakoon, die bij het volk weegens zijne geboorte en dienst van eerste Modliaer zeer gezien was, geen kwaad slag van een man te zijn Hij heeft mij zelfs nog het meeste werksaam„ „heid en gewilligheid tot bewerking van de algemeene rust betoond; en ik geloof niet dat hij personeel oor„ „saak aande laatste onlusten is. Men zegd in het Generaal dat hij zeer den drank toegedaan is; egter kan„ ik dit niet met zeekerheid bevesti„ „gen. Tinnekoon, modeliaer Iaagen Zaaij „meester is agter houdend en heeft werkelijk veele kennis en kunde¬ waarom hij mij te gevaarlijker scheind wijl hij in het bij zonder veel vermoogens en invloed op den Jnlander heeft. Ook heeft hij eenige familie betrek„ „king, en zevs van na bij zoo

← previousnext →