Inventory 3885
Ceylon · 996 pages · 141 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
Dessave van Angelbeek has testified that no more than 30 heads have ever worked in this garden. §. 21. That we have again ordered Commander Sluijsken to have an inquiry made with all accuracy into the complaints of the inhabitants concerning the seizure of their cattle whenever they entered the plantations, and especially also regarding what appears in his secret report concerning this as a testimony of the free merchant Franchell, to demand from Franchell a declaration under oath whether he ever received any cattle from the former Dessave van Angelbeek or through his agency, whether for the service of the garden Jallarmen, his oil mill, or whatever else it might be, and that he will specifically have to state therein: 1. How he came by the cattle that were found in the aforesaid garden or in the oil mill, and which according to the aforesaid and according to the secret report have been returned to the owners. 2. For what reason he appealed to the testimony of the former Dessave van Angelbeek, that the latter would know that he had properly paid for the aforesaid cattle or had come by them in a proper manner, as far as he is personally concerned, since the mentioned van Angelbeek testifies never to have interfered with helping him to cattle in any manner whatsoever, other than by giving him, just as to all other inhabitants who requested it, permission to be allowed to purchase some animals in the country for his business. §. 23. That we have asked for the considerations of Commander Sluijsken whether it might not be feasible to grant to each of those in the Maturese Dessavony who declare that they are not satisfied with the accommodesant that they currently hold, for example four parras nelly for each month that they are employed by the Company according to their obligation, and that in return the accommodesans with which they are not satisfied be revoked for the Company; and whether this arrangement could not even be introduced throughout the entire Maturese Dessavony. §. 23. That we have also asked for his considerations whether, in order to prevent all reasons for complaining about it in the future, it might not be feasible that henceforth only the obliged goijnaindes be used for cultivating the Company's lands, in the manner as they have of old been obliged and have hitherto always done, and that further no others be used for this work than such as are inclined to do so of their own free will and as one can best agree with them about it, just and in the same manner as is the custom among private individuals who have some lands that they have cultivated by others. §. 24. That we have likewise asked for the considerations of the mentioned Commander whether, in order to cut off at once the complaints of the vidaans and majoraals in the Maturese Dessavony, it would not be better to relieve them for the future of supplying pehindoes and adoekoes, and that in return the hoeandiram that they enjoy be revoked for the Company to be leased out, either separately or under the ordinary leases, and in return to pay in money the amount thereof to all servants who travel in the Company's service and to whom adoekoes and pehindoes have hitherto been provided according to the country's custom. §. 25. We have not yet received an answer from Commander Sluijsken to our aforesaid letter, although it was already promised to us by Galle secret letter of the 2nd of this month. §. 26. The investigation that we had resolved to have carried out regarding the suspicions of the Galle Commander Sluijsken against the Maturese native chiefs has not yet been able to make any progress. For this reason, the investigation regarding what he advanced to the charge of the Mahamodliaar of the Governor's Gate, according to the explanation in his letter of August 27 last, has also remained postponed until now, because these investigations must take place simultaneously. §. 27. From his aforesaid separate letter of August 27, which we had the honor to send to Your High Nobilities alongside our aforesaid secret letter, it appears, as we have already briefly pointed out in our mentioned secret letter, that notwithstanding our notification by letter of the 17th prior thereto to examine Madoegoddeappoe further, now appointed upon the Commander's proposal as Mohandiram of the Galle guard, regarding his accusation against the native chiefs, he had already returned to the Maturese Dessavony a few days before, and that Don Simon Arraatje, who was also a great troublemaker, as appears from our aforesaid respectful report, had likewise gone back to Mature a few days earlier. With these two in particular, the investigation into how far the suspicions of Commander Sluijsken against the aforesaid native chiefs are well-founded ought to have begun. §. 28. From the questions of Commander Sluijsken in the aforementioned letter of August 27, whether we thought it proper that he should have them return to have declarations made, we thought nothing other than that Madoegoddeappoe, as well as Don Simon Arraatje, who is named with him in this letter as if in one breath, had received permission from Commander Sluijsken to be allowed to return to Mature. §. 29. We could indeed not reconcile this with what Commander Sluijsken had written to us in his earlier letters about the necessity of keeping Madoegoddeappoe out of the Maturese Dessavony, and by virtue of which necessity
Dutch transcription
2569 Dessave van Angelbeek heeft betuijgd, dat in dee„ zen tuijn nooit meer dan 30: koppen hebben gewerkt. §. 21. Dat weder Commandeur sluijs ken gelast hebben, om met alle naukeurigheid te laaten onderzoeken na de klagten der ingezeetenen, over 't opvatten hun„ „ner koebeesten, wanneer ze in de plantagien quamen, en speciaalijk ook, om nopens 't geen deezen aan„ „gaande bij zijn geheim rapport; als een betuijging, van den vrijkoopman Franchell voor komt, van „keen Franchell her te vraagen eene verklaaring on„ „der eede, of hij immer van den gew: Dessave van Angelbeek, of door desselfs bestelling, eenige koo„ „beesten ontvangen heeft, het zij ten dienste van de tuijn Jallarmen, zijne olij moole, of wat an„ ders het ook zoude moogen zijn, en dat hij daar bij speciaal zal moeten opgeeven. 1. Hoe hij gekoomen is aande koebeesten, die in de voorsz: tuijn of in de olij moole gevonden zijn, en die volgens 't voorschr: en die volgens geheim rapport, aan de eijgenaars zijn terug gegeeven. 2. Om wat reeden hij zig op het getuijgenis van den gew: dessave van Angelbeek beroepen heeft, dat deeze zoude weeten, dat hij de voorsz: koebeesten behoorlijk hadde betaald, of daar aan op eene beta„ „melijke „melijke wijze, zoo verre hem perzoneel aangaat, gekoomen was, wijl gem: van Angelbeek betuijgd, zig nimmer te hebben bemoeijd, met hem op eeniger hande wijze aan koebeesten te helpen, dan met aan hem, gelijk aan alle andere ingezeetenen die daarom verzogt hebben, verlof te geeven om eenige beesten in 't land te mogen inkoopen tot zijn bedrijf. §: 23. Dat we de Consideratien van den Commandeur sluijs„ ken hebben gevraagd, of 't niet zoude kunnen aangaan, om aan een elk der geenen in de Ma„ „tureesche Dessavonij, die verklaaren niet te vree„ „den te zijn met 't accomodessan, dat ze tans be„ zitten, toeteleggen bij voorbeeld vier parrasne„ lij voor elke maand, dat ze volgens hunne verpligting bij de Comp: worden g'emploijeerd, en dat daar en teegen de accomedessans, waar„ „ meede ze niet te vreeden zijn, voor de Comp: wor„ „den ingetrokken; en of zelfs deeze schikking niet door de geheele Materesche dessavonij konde worden ingevoerd. §. 23. Dat we ook deszelfs Consideratien hebben ge„ vraagd, of t, om in 't vervolg te voorkoomen alle redenen van klaagen daar over, niet zoude kun„ nen 2570 „nen aangaan, dat voortaan alleen de verpligte gooij- naindes wierden gebruijkt, tot het bearbeijden van sComp:s landen, op dien voet als ze dat van ouds ver„ „pligt zijn, en tot nog toe altoos hebben gedaan, en dat voorts geene andere tot dit werk worden gebruijkt, dan zulken die genaigd zijn dat uit vrije wil, en zo als men zig daar over met hun best verstaan kan, te doen, even en zodanig, als dat de gewoonte is onder particulieren, die eenige landen hebben die ze door andere laaten bewerken. §: 24. Dat we insgelijks de Consideratien van gem: Comman„ „deur hebben gevraagd of het om de klagten van de vidaans en Majoraals in de Matureesche des„ „savonij op eenmaal aftesneijden, niet beter waare, om hun voor den aanstaande te ontslaen van het opbrengen van pehindoes en adoekoes, en dat daar en teegen voor de Comp:s wierden ingetrokken de hoe„ „andiram, die ze genieten, om te worden verpagt het zij afzonderlijk, dan wel onder de gewoone pagten, en om daar en teegen aan alle dienaaren, die in sComp:s diensten reijzen, en aan dewelke tot hier toe naar 'slands gebruik, adoekoes en pehindoes ver„ „strekt zijn, het bedraagen daar van te betaalen ingeld- §. 25 §. 25. We hebben vanden Commandeur sluijsken op voorsz:, onzen brief nog geen antwoord ontvangen; schoonst ons reeds belooft is bij gaalsche secreeten brief van den 2:e dezer. §. 26. Het onderzoek dat we voorgenoomen hadden te laaten doen, nopens de verdenkingen van den gaalsch Com„ mandeur sluijsken, tegen de Matureesche inlandsche hoofden, heeft tot nog geen voortgang kunnen heb„ „den. Hierom is ook tot nog toe uijtgesteld gebleeven het onderzoek, nopens het geen hij volgens de explica„ „tie bij zijn brief van den 27. aug=s I:o L:, ten laste van den Mahamodliaar van 's gouverneurs porta heeft geavanceerd, om dat die onderzoeken gelijktijdig ge„ „schieden moeten. §: 27. Bij zijn voorschr: aparte brief van den 27. Augus„ „tus, die we de eer gehad hebben uwer Hoog edelhee„ „den nevens onsen voorschr: secreeten brief te zenden, blijkt, zoo als we dat reets bij gem: onsen se„ creeten brief kortelijk hebben aangeweesen, dat niet tegenstaande onse aanschrijving, bij briefvan den 17. ' daar te vooren, om Madoegoddeappoe, nu op 'scommandeurs voordragt, aangesteld tot Mohan„ „diram van de gaalsche guarde, nader te hooren op zijn beschuldiging tegen de Jnlandsche Hoofden hij 2571 hij toen reets een paar dagen geleeden na de Maturee„ „sche Dessavonij was terug gekeerd, en dat ook Don si„ mon Arvaatje, die meede een groote oproermaker geweest is, zoo als dat uijt onsen voorschr: eerbiedi„ gen blijkt, insgelijks een paar dagen te vooren na Mature was terug gegaan Met deezen twee inzon„ derheid zoude 't onderzoek, in hoe verre de verden„ „kingen van den Commandeur sluijsken tegens de voorsch: inlandsche hoofden gegrond zijn hebben moeten beginnen. §. 28. Uijt de vraagen van den Commandeur sluijsken, bij voorm: brief van den 27: augustus of we goedvonden dat hij ze zoude laaten terug koomen, om verklaa„ ringen telaaten doen, dagten we niet anders, dan dat Madoegodde appoe, zoo wel, als Don Simon Arraatje, die met hom bij deezen brief als in ee„ „nen adem genoemd word, van den Commandeur sluijs„ „ken verlof hadde gekreegen, om na Mature temoo„ „gen terug gaan, §. 29. We konden dit wel niet overeenbrengen met het geen de Commandeuk sluijsken, ons bij zijne vroe„ „ger brieven hadde geschreeven, over de noodzaake„ lijkheid, om Madoegoddeappoe uijt de Matureesche Dessavonie te houden, en uijt hoofde van welke noodzaakelijkheid
English
necessity the Commander himself had judged that he, in order to satisfy him, should be appointed as Mohandiram of the Galle guard. Nevertheless, we considered it questionable to have both him and Don Simon Arraatje recalled immediately now, out of fear that it might inspire serious suspicions in these two known evildoers if, after having received leave to go to Mature, as we thought, they were now immediately recalled. Section 30. Whether Madoegodde appoe departed quietly, or how this occurred, has not been communicated to us clearly enough from Gale to be able to report it to Your High Noblenesses; yet it is certain that as soon as he had returned to the Maturese Disavony, he sought anew to cause unrest, which nevertheless failed him. Section 31. By further reports concerning him, it has been communicated to us that after his departure from Gale, Commander Sluijsken wrote to him the ola which is annexed hereto in copy, and that Commander Sluijsken only on the 28th of August wrote about this to the Disava of Mature the letter which also accompanies this in copy, containing chiefly that Disava Raket had to summon him to his presence, and that if he did not come, such means should be employed against him as would be judged most capable to make themselves master of his person. Section 32. As soon as, pursuant to this writing, means were immediately employed by the Disava, who until then seems to have been ignorant of the Commander's intention, to get him into hands again, he escaped and went to the King's land. He has since passed through Roeanelle on the 19th of September, taking the road to Kandia, and returned there on the 25th or 26th, saying, according to the incoming report, that he intended to go to Saffergam. If he really may have been in Kandia, it is evident that he cannot have tarried there long. Section 33. Since then he has had the audacity to return to the Maturese Disavony, where he stayed for several days, and sought anew to make attempts at conspiracies, which nevertheless failed him just like the previous time, as he could find no one who wished to join with him anew; and, after a few small commandos were sent by Disava Raket to apprehend him, he slipped away a second time to the King's land. Section 34. Madoegodde appoe was on this occasion accompanied by one Bandewolke Arraatsje, who is an inhabitant of the Maturese Disavony, and by six others who passed themselves off as Kandians, and of whom one passed himself off as a King's Mudaliyar, according to the report of the Gale officials in their secret letter of the 5th of this month, which is annexed hereto in copy; and wherein the officials not only make mention of the arrangements that Disava Raket had communicated to them as having been employed by him to clip the wings of these birds, and of the proposals which he had further made to them to that end, but also of the answer that they had sent to the said Disava thereupon; but as this answer was arranged in such a manner that it could bring the said Disava into considerable embarrassment, and especially could have given rise to indecision, which on this occasion could have entailed ruinous consequences, we pointed this out to the officials in our secret letter of the 8th following, which also accompanies this in copy. According to a further Gale secret letter of the 7th of this month, which likewise accompanies this in copy, the aforesaid Kandian Mudaliyar was found to be an inhabitant of Mature who fled to Kandia some years ago on account of a committed theft, and now passed himself off as a King's Mudaliyar. Section 35. We do not think that Madoegodde appoe will be capable of doing the least harm further; nevertheless, it would have been desirable that Commander Sluijsken had not allowed him to depart from Gale, or that if he stole away quietly, speedier and more efficacious means could have been employed to overtake him than appears to have been done, and that at least now for the second time more adequate care could have been taken to get him into hands. What has caused this failure, we shall have investigated further and communicate to Your High Noblenesses. Section 36. In the petition of the retired Gale Commander Kraijenhoff, which was submitted by him in response to the appeal made upon him by the former Maturese Disava van Angelbeek regarding his conduct maintained in the Maturese Disavony, and of which we have sent a copy to Your High Noblenesses alongside our secret letter of the 27th of August last, the said Kraijenhoff among other things advanced that the disturbances in the Maturese Disavony, besides the inducements specially mentioned in the aforesaid petition, could further be attributed in their other circumstances to many, yet mostly accidental, and nevertheless very much contributing causes, about which he did not deem himself authorized to explain therein, because the request of the aforementioned van Angelbeek, nor our resolution, proposed or indicated anything thereof. We have therefore, and in order to neglect nothing that could provide some clarification on the cause and progress of the Maturese troubles, by resolution of the 21st of September, a further explanation
Dutch transcription
noodzaakelijkheid hij Commandeur zelve hadde geoordeeld, dat hij om hem tevoldoen tot Mohan„ „diram van de gaalsche guarde moest worden aangesteld. Met temin vonden we het bedenke„ „lijk, om zoo wel hem, als Don Simon Arraatje, nu aanstonds te laaten terug roepen, uijt bedug„ „ting dat het deeze twee bekende knaaddoenders erge gedagten mogte inspireeren, wanneer ze na verlof te hebben ontfangen om na Mature te gaan, gelijk we dagten, nu aanstonds wierden terug geroepen. §. 30. O: f Madoegodde appoe stil is weggegaan, dan wel hoe dit geschied zij, is ons niet duijde„ „lijk genoeg van gale bedeeld, om dat uwen hoogedelheden te kunnen berigten, doch vast gaat het, dat hij zoodra niet in de Maturee„ „sche Dessavonie was terug gekoomen, of hij heeft op nieuw onrust zoeken testigten, het geen hem echter is mislukt. §: 31. Bij nadere berichten is ons wegens hem bedeeld, dat na zijn vertrek van gale, de Commandeur sluijs„ „ken, aan hem heeft geschreeven de ola, die hierne„ „vens in Copij legd, en dat de Commandeur sluijs„ „ken eerst den 28. augustus daar over aan den Dessave 2572 Dessave van Mature geschreeven heeft de brief, die nog in Copij hiernevens gaat, houdende hoofd zaa„ kelijk, dat de Dessave Raket hem moeste laaten bij zich roepen, en dat zoo hij niet kwam, tegen hem moest worden tewerk gesteld zodanige middelen, als bekwaamst zouden worden geoordeeld om zich van zijn perzoon meester temaaken. §. 32. Zoodra er ingevolge van dit schrijven door den Des„ „save die tot hier toe van 's kommandeurs intentie schijnt onkundig te zijn geweest, daadelijk midde„ „len zijn te werk gesteld, om hem weder inhanden te krijgen, is hij het ontsnapt en getrokken na sko„ nings land. Wij is zedert op den 19:' September te Roeanelle gepasseerd, de weg opgaande na kandi„ „a en is den 25. of. 26. daer terug gekoomen, zeggende, volgens 't ingekoomen berigt, dat hij voorneemens was tegaan na saffergam. zoo hij ook werkelijk in kandia mogte geweest zijn, is het blijktaar dat hij daar niet lang kan hebben vertoefd. §. 33. Zeedert heeft hij de stoutheid gehad om weder in de Matureesche dessavonij te koomen, daar hij zich verscheide dagen heeft opgehouden, en op nieuw aan„ slagen heeft zoeken temaaken tot zamenrottin„ „gen, die hem nochtans gelijk de voorgaande keer keer zijn mislukt, wijl hij niemand heeft kun„ nen vinden, die met hem op nieuw heeft willen aanspannen, en is hij, na dat door den Dessave Raket een paar klijne kommandos gezonden zijn om hem optevatten, het andermaal weder ont„ „slipt naar 'skonings land. §. 34. Madoegodde appoe was bij deese geleegendheid verzeld van eenen Bandewolke arraatsje, die een ingezeetene van de Matureesche dessavonij is, en van nog ses die zig uitgavens voor kandianen, en waar van een zich uitgaf voor een konings mod„ liaar, volgens 't bericht van de Gaalsche bedien„ „den bij hunnen secreeten brief van den 5. deezer, die in copij hiernevens gaat; en waar bij de be„ „dienden niet alleen melding doen, van de schik„ „kingen die de dessave Rahet hun had bedeeld, door hem te zijn tewerk gesteld om deeze voervin„ „ken te knippen, en van de voorstellen die hij ten dien einde verder aan hun had gedaan maak ook van 't antwoord dat zo daar op aan gemelde Dessavr hadden gezonden; dan wijl dit antwoord zodanig was ingerigt, dat het gemelden Dessave in merkelijke verleegentheid konde brengen, en inzonderheid aanleijding konde gegeeven hebben 2573 tot besluijteloosheid, die ter deezer geleegentheid verdervelijke gevolgen konde hebben na zich ge„ „sleept, hebben we dit den bedienden aangeweezen bij onzen secreeten brief van den 8. daar aan die meede deezen in copia verzeld. Volgens eene na„ dere gaalsche secreete brief van den 7. ' deezer die insgelijks hiernevens in copij gaat, was de voorsc kandiasche modliaer bevonden te zijn een inwoo„ „ner van Mature, die voor eenige Jaaren over een gepleegde diefstal na kandia gevlugt is, en zich nu uijtgaf voor een konings modliaar: § 35. We dinken wel niet, dat Madoegodde appoe in „staat zal zijn om 't minste kwaad verder te doen, niet temin waare het wel tewenschen geweest, dat de Commandeur sluijsken hem niet van Gale hadde laaten vertrekken, of dat zoo hij zich stil heeft weggepakt, er spoedi„ „ger en meer efficacieuse middelen hadde kun„ „nen worden tewerk gesteld, om hem te agter„ „haalen, als blijkt te zijn geschied, en dat ten minsten nu voor de tweede maal toerij„ „kender zorge hadde kunnen worden gedraa„ „gen, om hem in handen te krijgen: Waaraan dit heeft gehadperd, zullen we nader laaten onderzoeken onderzoeken en uwen hoog-edelheden bedeelen. §:. 36. Bij 't addres vanden afgegaanen gaalsch ge„ zaghebber kraijenhoff 't welk door hem is inge„ „diend op 't beroep door den gew: matureesche dessave van Angelbeek op hem gedaan, we„ „gens zijn gehouden gedrag in de Matureesche Dessavonij, en waer van wet Copij aan uwe hoog „edelheden hebben gezonden, nevens onse se„ of creeten brief van den 27. augustus I: L: heeft ge„ melde kraijenhoff onder anderen geavanceert, dat de opschuddingen inde Matureesche dessa„ vonie, behalven de bij voorschr: addres spe„ „ciaalijk genoemde aanbijdingen, verders hun„ „ne andere omstandigheden aan veele, doch meest toevallige, en echter zeer meede werkende oorzaa„ „ken konden toegeschreeven worden over welke hij zich niet bevoegd oordeelde daar bij tever„ „klaaren, om dat 't verzoek van voorm: van Angelbeek, noch ons besluijt, niets daer van voorstelden of aanduijden. We hebben daarom en ten einde niets te verzuimen het geen ee„ „nige opheldering aande oorzaak en voortgang der Matureesche onlusten konde geeven bij re„ soluutie van den 21. September een nadere ver„ „klaring
English
explanation of him, and in response he submitted the address, which is still attached in copy to the annexes, and to which we humbly request permission to refer for the sake of brevity. §. 37. The Chief of Tutukorijn has given notice by secret letter of 6. September that the English Government at Madras had taken possession of the entire realm of Karnatika and placed itself in full possession thereof; that the new English ruler, Mr. Benjamin Torin, had given notice to him by letter of 2. September that the Government of Madras, by order of the general Government in Bengal, had judged it necessary to introduce the administration of the English Company into the lands of the Nabab, and that he had been appointed superintendent of all the revenues, etc.; and that the agent of the Nabab had already declared on 30. August that due to the measures of the Government of Madras he no longer considered himself authorized to involve himself in any matters concerning the Nabab; requesting our orders on how he should conduct himself during this change of Government, and whether matters concerning the Nabab should henceforth be treated with the English Government. §. 38. We deliberated upon this in our meeting of 10. September. Chief Mekern had already noted that, following the manner in which the English Government was introduced into the Nabab's lands, it will in any case amount to the same in its consequences as if they had completely appropriated the lands for themselves, although otherwise Mr. Torin's description signifies much less; and of this there seemed all the less reason to doubt, since the Nabab's agent had already declared on 30. August that due to the measures of the English Government he no longer considered himself authorized to involve himself in any matters with us; since also the Land Ruler of the Nabab had been placed under arrest immediately after the handover of the lands; and since by a publication on behalf of the English Government, of which a copy has since been sent to us, it had been made known throughout the entire country that the Government of Madras had deemed it necessary to take over the lands of Karnatika contrary to custom. §. 39. We thought, however, that we ought to have greater certainty regarding the disposition into which matters had thereby been brought, especially whether for the future one should regard the English Company as Nababs of Karnatika, and whether this arrangement was only provisional or whether the intention thereof was to make it permanent. We have therefore resolved to recommend to Chief Mekern, who was acquainted with the new English Ruler, Mr. Torin, that he pay a visit to the said Mr. Torin at Tirnevelli, and confer with him verbally on all these matters, and if he found matters suitable thereafter to be able to deal with him officially so that we have no further dealings with the Nabab, at least that we must for the present consider the English Company as the de facto Lord of the Principality of Madure and paramount Lord of the Marrua lands, to begin then by conferring with him concerning the inspection of the pearl banks and concerning the chank diving. We have furthermore left it to Chief Mekern, if he deemed the opportunity suitable, to disclose immediately to Mr. Torin our rights and privileges on the Madura and Marrua coasts and our dealings with the Nabab under the contracts concluded with Messrs. Dot and Buckanan, adding that in the last treaty great sacrifices were made in order to avoid the threatening language which Mr. Buckanan made use of by order of his master during his negotiations with us, and that it was trusted that through the reasonable arrangements of the English Government matters might again be restored to the state in which they formerly were, with the further instruction that as long as any doubts might remain that matters could thereafter return to their former state, it had to be very carefully avoided that any just grounds be given to the Nabab to complain hereafter of our actions. §. 40. Chief Mekern has informed us further on this by secret letter of the 3rd of this month that, in fulfillment of our purpose, he had paid a visit to Tirnevelli, and that he had deemed this all the more necessary because the Nabab's agent had privately informed him that the Nabab had sent an embassy to the English Governor-General in Bengal, upon which everything might easily be reversed and the Nabab restored to the Government of his lands; that he had had an interview with the Nabab's agent and asked him directly whether he wished to proceed with us on behalf of the Nabab to the leasing of the chank diving and the inspection of the pearl banks, but that he had replied that in his letter of 30. August he had already clearly declared that he could no longer enter into any transaction of business; and that to the question of whether orders to that effect had been given to him by the Nabab, he had answered no, that he ministerially did not have the least orders from the Nabab, but that through the courier from Madras he had seen it publicly announced that the English Government had devised means to take the administration of the Nabab's lands to itself.
Dutch transcription
2574 klaring van hem gevraagt, en heeft hij daar op gediend 't addres, dat nog incopij onder de bijlaa„ „gen gaat, en waar aan wij verzoeken ons kort teids halven nedrig temogen refereeren. §. 37. Het opperhoofd van Tutukorijn heeft bij secreete brief van den 6. september kennis gegeeven, dat het Engelsch Goevernement te Madras zig van het geheele rijk van karnatika had meester gemaakt en in het volle bezit daer van gesteld; dat de nieuwe Engelsche regent de heer Ben„ „jamin Torin aan hem bij brief van den 2. Septem„ „ber had kennis gegeeven dat 't Goevernement van Madras uit last van 't generaale Goever„ „nement in Bengalen het noodzakelijk had g' oordeeld, om in de landen van den Nabab de administrar van de Engelsche kompenie in te voe „ren, en dat hij benoemd was tot superintendant van de Engelsche komparia intereven, en wetthij benoond an alle de nevenuen enz: en dat de agent van den Nabab reets den 30. aug=s had verklaard dat hij door de maatregelen van 't Goevernement van Ma„ dras zig niet meer bevoegd achte, om zig in eenige zaaken den Nabab betreffende in te laeten; verzoe„ kende onze bevelen hoe hij zig bij deeze verande„ „ring „ring van Regeering zoude gedraegen, en of de Zae„ „ken den Nabab betreffende voortaan behandeld wor„ den met de Engelsche Regeering. §. 38: Wij hebben hier over in onze vergadering van den 10. sept:r geraadpleegd. 'T opperhoofd Mekern had reeds aangemerkt, dat na de weize waer op de Engelsche Regeering in 's Nababs landen is ingevoerd het in allen gevalle op het zelve zal uitkoomen, in de gevolgen, als of ze zig de landen volkoomen had„ „den toegeeigent, schoon anders de beschrijving van den heer Torin veel minder betekent, en hier aan scheen men te minder te mogen twijffelen, wijl 's Nababs agent reets den 30: aug=s verklaard had, dat hij door de maatregelen van het Engelsche Goevernement zig niet meer bevoegd agte, om zig in eenige zaaken met ons inte laaten, wijl ook de Landregent van Nabab straks na de overgang van de landen was in arrest genoo„ „men, en wijl bij een publikaatsie van wegen het Engelsche Goevernement, waer van ons se„ derd een afschrift is toegezonden door het ge„ heele land was bekend gemaakt, dat de Regee„ „ring van Madras het noodzaakelijk geoordeeld had om d'landen van karnatika tegen de gewoonte na zig te neemen. F. 39. 2575 §. 39. We meenden echter meerder verzekering te moe„ „ten hebben van den plooij waer in de zaaken hier door waren gebragt, inzonderheid of men de Engelsche kompenie voor den aanstaande zoude moeten aanzien als Nababs van karnatika, en of deeze schikking alleen was provisioneele dan of het voorneemen daer van ware, om ze bestendig te doen zijn wij hebben derhalven beslooten, 't opperhoofd Mekern, die met den nieuwen Engelschen Regent den Heer Torin be„ „kend was, aantebeveelen om bij gemelden weer Torin eene visite te Tirnevelli afteleggen, en denzelven over alle deze zaeken mondeling te onderhouden, en indien hij de zaaken daer na geschikt vond om met hem officieel te kun„ „nen handelen zo dat we met den Nabab niet meer te doen hebben, ten minsten dat we voor het tegenwoordige de Engelsche kompenie moe„ „ten houden als Heer met der daed van het vor„ „stendom: Maduke, en op perleenheer vande Mar„ ruasche landen, als dan te beginnen met hem te onderhouden over de visitaatsie van de paerc„ banken en over de sjankos duijkerij. wij hebben voorts aen 't opperhoofd Mekern overgelaeten, om om indien hij de gelegenheid daer toe geschikt agte, nu al aanstonds aan den Heer Torin ope„ ning te geeven van onze rechten en voorregten op de Maduresche en Marruasche kusten en van onze handelingen met den Nabab, bij de kontrakten met de Heeren Dot en Bucka„ „nan geslooten, met bijvoeging dat bij het laaste traktaat groote sacrifices gedaan zijn, om te ontwijken de dreigende taal, waer vande Heer zich Buckanan nog bij zijne handelingen met ons op last van zijn meester heeft bedient, en dat men vertrouwde dat door de redelijke schikkin„ „gen van het Engelsche Goevernement de Zae„ „ken weder zouden kunnen gebragt worden in den staat, waer in dezelve eertijds waren, met verderen last dat zo lange er eenige twijffe„ „lingen overblijven mogten, dat de zaeken na deezen weder zouden kunnen komen inden voorigen plooij zeek voorzuchtig moest worden ver„ „mijt dat aanden Nabab geen billijke redenen wierden gegeeven, om zig na deze over onze han„ „delingen te kunnen beklagen. 5. 40. Topperhoofd Mekern heeft ons hier op bij schree„ te brief van den 3. dezer nader bedeeld, dat hij ter 2576 ter voldoening aan ons oogmerk eene visite te Tirnevelli had afgelegt, en dat hij dit te no„ „digen had geoordeeld, wijl 's Nababs agent hem in het partikulier haed kennis gegeven, dat de Nabak een ambassade aan den Engelschen Heek Goeverneur Generaal in Bengalen had gezonden, waer op ligtelijke alles omgekeerd, en de Nabab in de Regeering van zijne landen hersteld, zoude kun„ „nen worden. dat hij een onderhoud met 's Nababs agent had gehad en denzelven direkt afgevraegd of hij van wegen den Nabab met ons wilde tre„ „den tot de verpagting van de sjankoos duijkerij en de visitaatsie van de paarlbanken, maek dat hij daer op had geantwoord, dat bij zijn brief van den 30, ' aug=o zig rexts duijdelijk verklaerd had, dat hij in geene behandeling van zaeken meer konde treden, en dat hij op de vraege, of hem daar toe ordres vanden Nabab waren ge„ „geven, geantwoord had neen, dat hij ministeri„ „eel geen de minste ordres van den Nabab, had, maer dat hij bij den koerier van Madras pu„ „bliek had zien bekent maeken, dat het En„ „gelsch Goevernement middelen beraamd hadt, om de administraatsie van 's Nababs landen na zich te
English
to take, that he had seen the same put into execution, and had heard that it had been published that all inhabitants henceforth had to obey the English Company; that he believed he could not, nor was permitted to, resist these measures, and thus further declared that he considered himself unauthorized to enter into any arrangements with us on behalf of the Nabab. Section 41. Chief Mekern further communicated in the aforementioned letter that he had also had an interview with the new superintendent here, Torin, and requested of him some explanation of his letter in which he had stated that the Government of Madras had introduced English administration into the Nabab's lands, and to declare himself on these two questions: Firstly, whether the English Company now considered itself to be complete Master of the Kingdom of Carnatica; and if not, whether in the second place Mr. Torin could show him proof from the Nabab by which he consented to the administration of the English Company over his lands. And that Mr. Torin had thereupon quite openly declared that they had placed themselves in possession of his lands against the will of the Nabab, and that they had even had to use force in some places; that this, however, had not occurred with the intention of depriving the Nabab of his lands, nor of seizing sovereignty thereof, but solely to secure the revenues for the satisfaction of the capital sums, for the payment of which the Nabab had bound himself, and in which obligation he had from time to time remained in default. Furthermore, that the Nabab had until now given no order to his servants in the country to render an account and surrender to the English, but that this order would presumably arrive in a few days; and that if the Nabab should remain entirely stubborn, detailed orders would in such case be given by the Government, according to which he would have to govern his conduct in all circumstances, as soon as the reply from Bengal should have arrived regarding the embassy that the Nabab had sent to Lord Cornwallis. Section 42. Since the inspection of the pearl banks and the leasing of the chank diving could now be postponed until the end of this month without any detriment, Chief Mekern has requested our further orders, and specifically whether, if affairs between the English Company and the Nabab should remain until the end of October in the same state in which they were, the English will have to be invited to the inspection of the pearl banks and to the diving of the chanks, or whether we shall permit both the inspection of the pearl banks and the diving of the chanks to take place solely with the intervention of the English or of the Nabab. Section 43. We have considered hereupon in our meeting of the 9th of this month: 1. That the Nabab has already long been brought to such subjection by the English that the English are in effect masters of the Nabab's lands, and have left nothing more to the Nabab than the administration of his lands, in which he has nevertheless been so restricted that he has been unable to transact any matters of importance with us except through the mediation of the English, just as the last treaty was also concluded under the mediation of the English Governor of Madras; and that there consequently appears to be all the less difficulty in dealing with the English, since the Nabab is under the absolute necessity of having to submit to the arrangements made by them in his lands. 2. That the English, who now find themselves in full possession and administration of the Nabab's lands, are the ones to whom we shall have to address ourselves upon the occurrence of disputes in our scattered possessions on the Madura coast in order to claim our privileges, and that we could do this with little grace without at the same time allowing them, as replacing the Nabab, to enjoy the rights that the Nabab has in our territories. 3. That it is not probable that the embassy of the Nabab to Lord Cornwallis will accomplish anything, since General Medows, who is regarded as the active cause of the change made in the Government, has now been elevated to Governor-General; and that even if one supposes that the Nabab effects his restoration in Europe, one will nevertheless, even in this uncertain case, have to deal with the English for a considerable time. Section 44. We have therefore resolved to write to Chief Mekern to ask the English superintendent for arrangements that appear most suitable to him, even if only provisionally, so that both the leasing of the chank diving and the inspection of the pearl banks may take place to mutual satisfaction. We have the honor to present herewith the copies of the exchanged letters, from which Your High Nobilities will further see that this change of Government gives a great prospect that all extortions that took place under the Nabab's Government will cease at once, and we shall be maintained in our privileges, where our right to the exclusive trade is in great danger of being lost through our persistent lack of money, as proposals have already been made to the English Company several years ago and trials have also been undertaken
Dutch transcription
te neemen, dat hij dezelve had zien ter uitvoer brengen, en gehoord, dat er gepubliseerd was, dat alle ingezeetenen voortaan de Engelsche kom„ „penie moesten gehoorzaemen, dat hij meende zich teegen deeze maatreguelen niet te konnen, noch te moogen verzetten, en dus nader verklaarde, zich onbevoegd te achten, om met ons in eenige maatregulen van weegen den Nabab te treeden. §. 41. 'T opperhoofd Mekern heeft bij den gemelden brief nader bedeeld, dat hij ook met den nieuwen superintendent die hier Torin een onderhoud had gehad, en dezelven verzogt eenige verklaering van zijn brief waer bij hij bedeeld had dat het Goevernement van Madras in 's Nababs landen de Engelsch administraatsie had geintrodie„ ceerd, en om zig te verklaeren op deeze twee vraege„ N. ) of de Engelsche kompenie thans zich reeken„ de volleedig Meester te weezen van het Rijk van karnatika, en zoo neen, of dan in de twee„ „de plaats de Heer Torin aan hem kondewer„ toonen een bewijs vanden Nabab, waer bij hij bewilligde inde administraatsie van de Engel„ „sche kompenie over zijne landen, en dat de Heek Torin daar op vrij dit had verklaerd dat 2577 dat zij teegen den wil vanden Nabab zich inde possessie van zijne Landen hadden gesteld, en dat zij zelfs op sommige plaetsen geweld hadden moeten gebruiken, dat dit echter niet geschiedt was met het oogmerk om den Nabab van zijne landen te berooven, noch om zich de soever uijmi„ „teit daer van aantemagtigen, maar alleen om zich te verzeekeren van de inkomsten tot vol„ „doening van de kapitaalen, tot welken voldoe„ „ning den Nabab zich verbonden had, en in wel„ ke verbintenis hij van tijd tot tijd agterlijk was gebleeven. Dat voorts den Nabab tot nu toegeen ordere hadt gegeven aan zijne dienaaren in het land om aan de Engelschen reekening en trans„ „port te doen, maar dat deeze ordre vermoede„ „lijk in weinige dagen zoude koomen, en dat zoo den Nabab geheel mogt halsterrig blijven, in zulk geval, omstandigen ordres van het Goevernement zouden worden gegeeven, waerna hij zich in alle omstandigheeden zouden moeten besteeren, zoo dra het antwoord van Bengale zoude zijn gekoomen op de ambassade die den Nabab aan Lord Cornwallis had gezonden. §: 42. Wijl nu de visitaatsie van de paerlbanken en de had de verpachting van de sjankoos duijkerij tot in het laast van deeze maand zonder eenig nadeel konde worden uitgesteld, heeft 't opperhoofd Me„ „kern onze nadere ordres gevraagd en bepael„ „delijk, of indien de zaeken tusschen de Engel„ schen kompenie en den Nabab, tot het laast van oktober in denzelven staat waer in ze wa„ „ren mogten blijven, de Engelschen zullen moe„ „ten worden genodigd tot de visitaatsie vande paarlbanken en tot de duijkerij van de Tjan„ „koos, dan wel of wij en de visitaatsie der paarlbanken en de duikerij der sjankoos alleen in zoudek tusschen komst van de Engelschen of vanden Nabab zullen laeten geschieden. §: 43. Wij hebben hier op in onze vergadering van den 9.' de„ „zer overwoogen. 1. ) Dat de Nabab reets lange door de Engelschen tot zulk een onderwerping is gebragt dat de Engelschen in effekte meester zijn van 's Nababs landen, en aan den Nabab niets meer hebben overgelaaten als de administraatsie zijner landen waerin hij echter zodanig is bepaald geweest, dat hij met ons geen zaaken van aanbelang heeft kunnen verhande„ „len als met tusschenkomst van Engelschen gelijk ook 2578 ook het laaste traktaat onder de medicaatsie van den Engelschen Goeverneur van Madras is geslooten, en dat 'er derhalven te minder zwarig„ „heid schijnt te weezen, om ons met de Engelschen in te laeten, wijl de Nabab in de volstrekte nood„ „zaekelijkheid is, om zig te moeten onderwerpen aan de schikkingen, die door hem in zijne landen wor„ den gemaakt. 2. / Dat de Engelschen die tans inde volledige pos„ „sessie en administraatsie van 's Nababs landen zig bevinden, de geenen zijn waer bij wij ons zul„ len moeten adresseeren bij ontmoetingen van ver„ „schillen in onze verspreide bezittingen op de Maduresche kust, om onze previlesien te rekla„ „meeren, en dat wij dit met weinig graatsie zouden kunnen doen zonder te gelijker tijd hen als ver„ „vangende den Nabab te doen Jocuisseeren te doen van de rechten, die de Nabab in onze territoi„ „ren heeft en. 3.: ) Dat 't niet waerschijnlijk is dat de Ambassade van den Nabab aan Lord Cornwallis iets zal uitwerken, wijl de Heer Generaal Midows die voor de werkende oorzaak wordt gehouden van de gemaakte verandering in de Regeering tans tot tot Goeverneuk Generaal is verheven, en dat schoon men ook veronderstelt, dat de Nabab in Europa zijne herstelling bewerke, men echter zelfs in dit onzeker geval een geruimen tijd met de Engel„ schen zal te doen hebben. §:. 44. Wij hebben hier om beslooten 't opperhoofd Mekern aan te schrijven, om vanden Engelschen super„ intendant te vraagen schikkingen die hem het bekwaamst voorkomen, als waere het ook naer al„ leen provisioneel, op dat beiden de verpachting van de sjankos duijkerij en de visitaatsie van de paarlbanken tot wederzeids genoegen geschie„ den kan wij hebben de eer de kopijen van de gewisselde brieven hier nevens aan te bieden waer uit uw Hoog Edelheeden verder zullen zien, dat deze verandering van Regeering een grootvoor uit zigt geeft, dat alle Revellingen die onder de Nababs Regeering hebben plaats gehad, op een„ zullen ophouden, en wij in onze previlisien, maal „traat gehand„ kaap, waar dat ons recht tot den exclui„ „siven handel door onze geduurzaame geldeloos„ heid ingroot gevaek is, om verloven te gaan, alzo bij de Engelsche kompenie voor eenige jaeren reets voorslaegen gedaan en ook proeven genomen zijn
English
2579 to establish a trading post at Kailpatnam, the delay of which must be attributed to the contracts that were made with the gentlemen Dot and Buchanan. The Resident Mekern strongly urged here for a continuous supply of money as, in his view, the only means to maintain us in this right, and although his views on this matter appeared entirely well-founded to us, we find ourselves, to our regret, unable to comply with it. Section 45. However, in order to employ every means in our power, we have decided to authorize the officials at Tuticorin, if it can be obtained, to negotiate money at an interest rate of one percent per month, according as they shall need it, and likewise to make attempts to obtain money from the English on bills of exchange drawn on the Netherlands, on terms as advantageous as can be negotiated. Section 46. Your High Excellencies will further see from the enclosed letter of the 3rd of this month that we ordered notice to be given to the directors of the bank at Madras that the commission we had assigned to the English merchant William Hollings to deposit certain monies into the said bank for the benefit of this government has been revoked by us, and that they, the directors, must accordingly accept no money from the said Hollings. But Resident Mekern showed us that this money would now come in exceptionally useful, and had in the meantime suspended the recommended notification pending our further orders. We have indeed overlooked this because of the good intention with which it was done, but at the same time ordered that the said notification be carried out as soon as possible. Section 47. The Jaffna officials informed us by their letter of the 12th of April that, at the request of the Pulicat ministers to be assisted with 12 artillerymen and some ammunition supplies on account of the apprehension of an invasion by the troops of Tipu Sultan into the Carnatic lands, they had resolved to comply with that request; which we approved, as it was not a matter of great consequence. Section 48. But since then, the said officials informed us by their letter 2580 letter of the 29th of May that, upon the further request of the Pulicat ministers for a reinforcement of 50 European and 50 native soldiers, together with their officers and weapons, they had further resolved to send thither 32 European and 78 native soldiers. But since this was entirely inconvenient, as our garrisons have already been considerably weakened by sending men to Batavia and Cochin, and the officials wrote to us along with this that they had also resolved to call the burghers to arms to reinforce their own garrison, we disapproved their decision to send the aforesaid reinforcement, with orders at the same time not to send any troops from their garrison without our special permission. But when this order of ours arrived at Jaffnapatnam, the aforesaid soldiers had already departed from there, and we thus had to acquiesce in it as a fait accompli. We nevertheless requested the ministers at Pulicat that, as soon as they could spare these men, they return them at once to Jaffnapatnam; but the ministers answered us by letter of the 21st of July last that the state of affairs on the Coromandel Coast makes this reinforcement necessary for Pulicat, and since then they have written to us by letter of the 29th of August that they will return the sent troops directly to Jaffnapatnam as soon as they no longer need them there. We commend Your High Excellencies and the interests of the Company to God's safe keeping and remain with all respect and fidelity, (below was written and signed) as above (in the margin) Colombo, the 15th of October 1790. P. Ad. Loorman, Sworn Clerk. Agrees No. 8. 2581 Honorable Sir & Sirs, We have been honoured with the receipt of your letter dated the 9th ultimo, also that of the 12th ultimo addressed to our President by Governor van de Graaff. In reply to the above, we have only to repeat the declarations made to you in our letter of the 28th August last, and to assure you that we shall steadily conform to them. We have transmitted to the Right Honorable the Governor General in Council at Bengal copies of the letters which we have had the honour to receive from you as above acknowledged. We have the honour to be, Honorable Sir & Sirs, Your most obedient servants, (Signed) J. H. Hollond Edwd. Jno. Hollond James Taylor Fort St. George 6th February 1790 Military Department To the Honorable W. J. van de Graaff, Esqr., &c., &c., President & Governor, &c., Council at Colombo. 2582 Military Department To the Honorable W. J. van de Graaff, Esqr., Governor & Council at Colombo. We have the honour to announce to you the arrival of the Honourable Major General Medows, who has taken charge of this government, to which he has been appointed by the English East India Company, with the approbation of His Majesty the King of Great Britain. We beg leave to repeat the assurances of our earnest desire to cultivate upon every occasion the harmony existing between our respective nations. We have the honour to be, Honorable Sir & Sirs, Your most obedient humble servants, (Signed) Wm. Medows Edwd. Jno. Hollond James Taylor Fort St. George 24th February 1790 Honorable Sir & Sirs
Dutch transcription
2579 zijn, om een handel kantoor te kailpatnam op te rigten, waer vande agterblijving moet worden toegeschreeven aan de kontrakten die met de Hee„ ven Dot en Buckanan gemaakt zijn 'T opperhoofd Mekern heeft hier om kragtig aangedrongen om een geduurzamen voorraad van geld als na zijn gedag„ „ten het eenige middel omons in dit recht te ma„ intineeren, en hoe wel zijne begrippen in dit stuk ons alle zints gegrond zijn voorgekomen, zo be„ vinden wij tot ons leetweezen ons buiten staat om daer aan te voldoen. §. 45. Wij hebben echter om alle middelen in't werk te stellen die in ons vermogen zijn, beslooten de be„ dienden te Tutukorijn te qualificeeren, om in„ dien het te bekoomen is geld te negootsieren te„ „gen den intrest van een precent smaands, na maate, zij dit zullen nodig hebben, en om insge„ „lijks pogingen te doen om bij de Engelschen geld op assignaatsie na Nederland te bekoomen, zo voordelig als het te bedingen is, §. 46. Uw Hoog Edelheeden zullen voorts bij den Iutith: brief van den 3. dezer zien, dat we gelast hebben om aan de direkteuren van de bank te Ma„ „dras kennis te geeven, dat de kommissie die we we aan den Engelschen koopman william Hol„ lings hebben opgedraegen, om in gemelde bank te bezorgen eenig geld ten behoeve van dit goeverne„ „ment, van ons weder is opgezegt, en dat zij direk„ „teurs, mits dien geen geld van gemelden Wol„ lings moeten accepteeren, maar dat 't opperhoofd Mekern aan ons heeft vertoont dat dit geldtans ongemeen wel zoude te pas komen, en intusschen tot onze nadere ordre de aanbevolene aanschrij„ „ving hadt uitgestelt wij hebben dit om 't goede oogmerk waermede het geschiedt is wel gepasseerd, maar tevens bevolen, om de gemelde aanschrij„ „ving ten alder eersten te laeten geschieden. §. 47. De Jaffenasche bedienden gaven ons bij hunnen brief van den 12.:' April kennis dat ze op 't ver„ „zoek van te Paleacatsche ministers, om wegens de bedugting voor een inval van de troupen van Tipoe sultan in de karnatikasche landen te worden geassisteerd met 12. artilleristen en eenige ammonitie goederen, hadden beslooten aan dat verzoek te voldoen; het geen we om dat tot geen zaak van veel belang was hebben gepasseert. §: 48: Dog tzedert bedeelen ons gem: bedienden bij hunne brief 2580 brief van den 29. ' Maij, dat op 't nader verzoek van de paleakatsche ministers, om een secours van 50. Europeesche en 50 Oostersche militairen, beneevens hunne officieren en wapenen, nog hadden beslooten derwaards te zenden 32. Europeesche en 78. Oostersche militairen; dan wijl dit, daer onze garnizoenen reeds door t zenden van volk na Batavia en koet„ „siem merkelijk verswakt zijn, gants ongeleegen quam, en de bedienden ons daar bij schreeven, dat ze teffens hadden beslooten om de burgerij in de wapens te brengen, tot versterking van hun ei„ gen garnizoen, hebben we hun besluijt, tot 't zen„ „den van voorsz: secours gedisapprobeerd, met last teffens, om geene manschappen, zonder ons speciaal verlof, uit hun garnizoen te verzenden. dog toen deeze onze order te Jaffenapatnam aankwam„ waaren de voorsz: militairen reeds van daar ver„ „trolken, en hebben we dus daer in, als in eene reeds gedaane zaak, wel moeten berusten. We hebben nogtans de ministers te Paleacatta ver„ „zogt, om zoo dra ze dit volk konden missen, het ten eersten na Jaffenapatnam terug te zenden, maar de ministers hebben ons geant„ woord bij brieve van den 21. Julij I:o L, dat de toestand nne Nagezien Ps. Adamsz toestand van zaaken ter kuste kormandel, deeze versterking voor Paleacatta noodzaakelijk maakt, en zedert hebben ze ons bij brieve van den 29: aug=s geschreeven, dat ze de gezondene manschappen, zo dra ze die aldaar niet meer nodig hebben, di„ „rekt na Jaffenapatnam zullen terug zenden. Wij beveelen uwe Hoog Edelheeden en de belangens der Maatschappij in Godes veilige hoede en blijven met alle eerbied en trouwa. /:onderstond:/ en getee„ „kend:/ als vooren /:in margiene:/ kolomboden 15:' Oktober 1790. —. P: Ad LOirman Getw: Klerk. Accordeert No: 8. 2581 Honorable hir & Sitt We hewe been honoused with the Receipt of you letter dated the 9th Ultimo also that of the 12 th Ultimo Addressed to ous President by Governor van de Graaff Inreply to the above we have only to refreat the declarations made to you in our letter of the 28th August last, and to assure yod that we shall iteadily conform to them We have transmitted to the Right Honorable the Governor General in Council at Bengal, bofies of the letters which we have had the Honeut to receive from your as above Ackisow- =ledged We have the hondr to be Houble hi & Sir you mort obedt servants Signed C. Tn. Holland Edwd he Hollond James Taylor Tots t. George Ctt February 1790 Military Department Tothe Houble W: I van de Graaf E & 4½ President & Governob &a Couneil at bolomsbo 3 2582 Milateury Decaartment wothe Honorable W: F: van de Graaff Esqr Governor & Council at Columbo We have the Honour to Announee to you the Arsival of the Honousable Major General Medords who has taken charge of this Government to whichs he har been appointed by the English Eart Iodia Company, with the Approbation of his Majerty the King of Great Broitain We beg leave to he freat the Assurances of ous camert desire to cultivale upon credy decasion the Harmony tbriting between oud respective nations We have the Honor to be Houble Sir & Sire Jom mort dbedt. Mumble Sedd Shqued) Wm. Meddids Edidd Md. Holland James Taylos Joot St George 2 dth. Pebeuadry Houble Sir & Sirs 1796
English
2583 To the Honorable W: V: van de Graaf Esqr President and Council Military Department Colombo Honorable Sir & Sirs We had the honor to address you under date 6th Ultimo; and have now the pleasure to enclose the answer of the Governor General and Council to the letter which we forwarded to Bengal, at your desire. You will have heard before this letter reaches you that Tippoo Sultan had recommenced hostilities upon the lines of the Rajah of Travancore. We are preparing to revenge this insult offered to our ally, and are forming an army which will, we trust, obtain full reparation for this wanton infraction of the Treaty of Peace, on the part of Tippoo Sultan. The Governor General & Council having explained to your Honor &ca. their sentiments on the late conduct of Tippoo, we shall not dwell upon the subject; it will be sufficient to add that we shall strictly adhere to their instructions as far as relates to communications with your Government respecting the operations which will shortly be undertaken by our army; and we shall therefore do ourselves the honor to address you again very soon on this subject. We have the honor to be, Honorable Sir & Sirs, Your most obedient Humble Servants, (Signed) Wm Medows Edwd. Jno. Hollond James Taylor Fort St George March 1790 2584 To the Honorable W: J: Van de Graaff Esqr Governor &ca &ca &ca &ca at Colombo Sir I have been honored with the receipt of your Excellency's letter under date the 28th March, and am much gratified by the flattering compliments and polite offers of service contained therein. Your Excellency has been informed of the preparations making by the English Government in India to revenge the insult offered to them by the unprovoked attack by Tippoo Sultan upon a faithful ally. It is now only necessary to mention that I purpose taking the field very shortly and shall hope for the success which the justice of the cause must appear to deserve. I have every dependence upon the friendly offices of the Dutch Government in assisting the operations upon the Malabar coast, Military Department which may take place under the orders of the Bombay Government. I have the honor to be with great esteem, Sir, Your Excellency's most obedient And most humble servant, (Signed) W Medows Fort St George 2. May 1790 2585 To the Honorable W: J: Van de Graaff Esqr President and Governor &ca &ca Council at Colombo Honorable Sir & Sirs We have now the honor to announce to you that General Medows has proceeded to take the command of the army destined for offensive operations against that disturber of the public tranquility Tippoo Sultan. We have been informed by Lieutenant Colonel Hartley, commanding our troops in the Travancore country, that he has received great attentions from the Dutch Government at Cochin. We beg you to make our acknowledgements on this account, and to receive our assurances that we shall at all times be very happy to testify the esteem and regard with which We have the honor to be, Honorable Sir & Sirs, Fort St George 17th May 1790 Your most obedient humble servants, (Signed) John Turing Edwd Saunders No: 10 2586 To the Honorable Mr. John Hollond, Esquire President and Governor, together with the Council At Madras Gentlemen Since the dispatch of our letter of the 31st of December last, in reply to the letter with which we were favored by your Honors on the 7th of the aforementioned month, Mr. van Angelbeek, Governor of the Company's establishments on the Malabar Coast, has informed us that hostilities between Tippoo Sultan and the King of Travancore have commenced. We do not doubt that the Lord Governor van Angelbeek will have already written to your Honors. Meanwhile, concerning Cranganore, which the Company conquered in a lawful war and has possessed for more than a hundred years, as the whole of the Indies knows, we can assure your Honors with full knowledge of the facts that the petty kings of the realm of Cranganore, far from having enjoyed any recognition from us on account of this fort or for any other reasons, have been our vassals. The intention of Tippoo Sultan in his account regarding Cranganore therefore aims only to put himself, if possible, provisionally in possession of that fort. Whether, if he succeeds in this, he will let the matter rest there, 2587 or whether he will proceed further, cannot be determined for the present. That he has long entertained views of subjecting the realm of the King of Travancore to himself if practicable, seems not to be called into doubt. In this uncertainty, we have, in accordance with the request made to us by the Lord Governor van Angelbeek, caused another detachment of troops from Ceylon to cross over to Cochin. Since our two nations are very closely bound by the treaty of alliance concluded on the 15th of April 1788, and as our mutual High Sovereigns are also very markedly interested in this matter, we very politely request, Gentlemen, that your Honors will have the goodness to inform us in consequence thereof whether it is your Honors' intention to support the King of Travancore, with whom the Dutch Company is also closely allied, against Tippoo Sultan if he attacks him at Cranganore, which has now become a lawful property of the King of Travancore and upon which Tippoo Sultan has no claims whatever, whether upon the unexpected capture of this fort he proceeds further, or whether he should let the matter rest there. We have the honor to be with all high esteem, Gentlemen, Your Honors' very obedient servants, W: J: van de Graaff M: P: Raket, C: Gilenius, J: Reijatous
Dutch transcription
2583 To the Honorable W: V: van de Graaf Esqr President an d' Conneil Malitary Department Columbo Houble Sin & Sivs We had the honor to Address you under date 6th. Ultimo; and have now the pleasure to enclose the answer of the Governor General and Council to the Letter which we forwarded to Bengal, at your desche You will have heard before this Letter reaches you that Tippoo Sultain had recon= menced Hertilites upon the Lined of the Majals of Havancore Wease preparing to hevenge this ho= sult a fiffered to our ally, and cease forusing an Atmy which will, We toust obtain full Reparation for this wantors infaction at of of the Treaty of Peace, on the part of Tippoo rett Sultann The Governor General & Council leading explained to your Honor & ca. their Sesttiments on the late Conduct of Tippoo, we shall not dwell upon the Subject, it will be sufficient to add that we ih all strictly adheve to theih Intrnctions as fat as relates to Communisca =tions with your Government respecting the dperations which will shortly be- undet taken by ons Abmy; and wde shall thesefore do oudselves the Honor to address you again very soon, on this Subject We have the lowoud to be Houble Ln & Sitt Gourmort dbedient Humble Servants (hiqwed/ Wm Meddies Ednd=. h=r. Hollond James Tayler Tot V„t George March 1790 2584 To the Houble W: J: Van de Graaff E sq= Governos & ca &co. &ca. &ca at Columbo Sir I have been honored with the receipt of yout Excelleneys Letter under date thoe 28lb march, and an mnch gratified by the flattering Compliments and polite offets of service Contained therein your Excelleneylas been informed of the preparations making by the English Government in India, te nevenge thoe moult offered to them by the unprovoked attack by Tippos Sultain, upon a faithfull ally Ht is now only Necessary to mention that I pur= pose taking the field very thortly and ehall hope for the success which the Jurtice of the cause munt appear to deserve I have every dependance upon the friendly offices of the Dutcl Government in afsisting the operations upon the mallabaar boart Militarij Department Whiels which may take place under the orders of the Bombay Government I have the Honor to be with great Esteem Sir Yous Excelleneys mort obedient And moit Humble servant Stigned:/ W Woedows Fodt S„t George 2. May 1790 2585 To the Henorable W: F Van de Graaff Esqr President and Govennos &n ee bouineel at Columbo Flouble Sir & Sirs We have noe the honor to Announce to you, that General Medows has proceeded to take the Command of the Army destined for offenrive opperations againt that Dicturber of the Publicq Franquility Tippoo Sultain- We have been in Cormed by Lieutenant Colonel Hartby, Commanding our Trooses in the Travancore Country that he has received Great attentions from the Dutels Government at Cochin, We begyon to make our Acknow= ledgements on this Account, and, to receive our assurances, that we chall at all times be very leappy to tertify the Eiteem and Begard with wlich We have the Howor to be Houble Sir & Sirs Fott Wt George 1711 May 1790 yons mort obedient Hamble servanta John Suring tigwed. Edid Samndeds No: 10 2586 Aan den Edelen Heer John Hollond, Schildknaap President en Gouverneur Nevens den Raad Te Madras Mijne Heeren Sedert 't afgaen van onzen brief van den 31. ' xber: J: L: in antwoord van den brief waermeede we door uwel Ed:s op den 7. van gem:e maend zijn begunstigt, heeft de Heer van Angelbeek Gouverneur van sComp:s etablissementen op Mallabaer ons berigt, dat de daedelijkheeden tusschen Tipoe Sultan en de Koning van gae„ van Koor zijn begonnen. We twijffelen niet, of de Heer Gouverniua van van Angelboek Zal var uwel Edelen bereeds hebben geschreeven We kunnen uwel Ed:s intusschen nopens kranganoor, dat de Kompenie in een wettigen oorlog veroverd en meer dan honderd Jaeren bezeeten heeft, zoo als dat geheel Indien weet, met volkoomen kennis van zaaken ver„ zekeren, dat de koningjes van het Rijk van Kranganoor, verre van uit hoofde van dit fort of uit eeni„ ge andere reedenen, eenige recognitie van ons genooten te hebben, onze vassaelen geweest zijn. Het oogmerk van Tipoe Sultan in zijn vertelling wegens Kranganoor, strekt dus alleen om zig des moge„ lijk, bij provisie te stellen in het bezit van dat fort of hij, zoo hem dat gelukt, het daer bij zal laeten 2587 laeten berusten, dan wel of hij zal verder gaen, is voor het teegens„ woordige niet te bestemmen: Dat hij zeedert lange uitzigten voed om zig des doenlijk het Rijk van den Koning van Trevan„ koor te onderwerpen, schijnt men niet in twijffel te mogen trekken In deeze onzeekerheijd hebben we, inge„ volge 't daer toe door den Heer Gou„ verneur van Angelbeek aen ons gedaene verzoek, na Koetsiem nog een paatij troupes van Ceilon doen overgaen. onze beide naatsien door het traktaet van alliantie, op den 15. April 1788. geslooten, zeer nauw verbonden zijnde en wijl ook onze wederzijdze Hooge Souverainen in deeze zeer merkelijk zijn g'interes„ seert, zoo verzoeken we zeede vriendelijk Mijne Mijne Heeren dat uw Edelens de goedheid willen hebben ons uit hoofden van dien te onderrigten, of 't uwelEd:s voornee„ men zij, om den Koning van Grevan„ koor, met wien ook de Nederland„ sche Compenie naeuw verbonden is tee„ gens fipoe sultan te ondersteunen indien hij hem te kranganoor, dat nu een wettigen eigendom van den koning van Caevankoor geworden is; en waerop Gipoe Sultan niets te Eischen heeft, aantast, het zij dat hij bij onverhoopte verovering van dit fort verder gaet, of dat hij t daer bij mogte laeten berusten. Wij hebben de Eede met alle Hoog achting te zijn. /:onderstond:/ Mijne Heeren uwelEd:s zeer Gehoorzaeme Dienaeren /:was getekend:/ W: J: van de Graaff M: P: Raket, C: Gilenius, J: Reijatous
English
2588 To the same as before Runtous, A: Lambant, and J: A: Vollenhove, in the margin Kolombo the 9th of January A:o 1790. It is not beyond suspicion that Tipu Sultan, if he succeeds in capturing Cranganore, will attack Cochin. Although this does not fall within the literal terms of the 6th article of the treaty between England and the Republic, it is nonetheless very apparent that it would run counter to the spirit and true intention of this treaty if both our nations in India, even in cases such as this, did not keep each other's well-being in mind and mutually promote it as much as possible. If it should be the intention of Tipu Sultan to attack Cochin when he succeeds in capturing Cranganore, that could, if his army is truly as large as they say and no measures were devised to oppose it, have the most formidable consequences for this place. 17/89 I think I may therefore flatter myself, Sir, that Your Right Honorable Sir, amidst the uncertainty as to how far the prospects of Tipu Sultan might extend, will in time have taken the measures which Your Right Honorable Sir will have found most in accord with the intention and spirit of the aforementioned treaty. I also think I may by no means doubt that if Tipu Sultan addressed himself to Your Right Honorable Sir concerning the King of Travancore, claiming that the latter had violated his rights in the purchase of Cranganore and Ayacotta, Your Honor will have recommended him to refrain from all hostilities until it should have been investigated whether, as he claims, the King of Travancore, by purchasing both these places or either of them, has violated his rights, and that Your Right Honorable Sir will have provided for that which would be necessary if he, not listening to that, should resort to hostilities, as has now occurred. I 2589 I think I may rely completely upon that, and I therefore profess not to be able to understand how Tipu Sultan could have arrived at the step already taken by him, unless he might count on foreign assistance. The condition of France, as far as one can judge externally, does not appear to be such as to desire war. It would nonetheless not be prudent to count too much on that. According to the best reports that I have, the two regiments of Pondicherry and Isle de France, which are stationed at Mauritius, are together well over 3000 men strong. The regiment of Walsh, between 11 and 1200 men strong, is also still stationed there. That the French keep such a large garrison there deserves at least some notice, the more so as they have, in addition, about 7000 island militia there and at Bourbon. By the official letter of the 9th of this month it was shown that the Company, on account of Cranganore, nor under whatever title it might be, has made any payments to the petty king of Cranganore, and that this petty king formerly was rather a vassal of the Company. Likewise, the Company has never made any payment to the King of Cochin nor to whomever else it might be, neither on account of this fort nor on account of Ayacotta. Over these places, which belonged to the Company in sovereign ownership, no prince, whomever it might be, has had any claims, and that the King of Travancore bought them has violated nor could violate anyone's rights. I have the honor to be with all high esteem, below stood, as before, was signed, W: C: van de Graaff. In the margin, Kolombo the 12th of January 1790. Lower, P: S: added. Duplicate. A Portuguese captain who arrives in the roads today, the 22nd of January, relates to me that a few days ago, at the latitude of Galle, he saw two French frigates pass, of which one flew a commodore's pennant from the top, coming from the south and intending for the north. He relates furthermore that the frigates were fairly large 2590 and appeared to have many people on board. These frigates, notwithstanding the flying of French flags, could very well have been English frigates, about which Your Right Honorable Sir can judge with more reason than I; nevertheless, I thought I should communicate this. Agrees Hijbrands Clerk 2591 To His Excellency The Right Honorable Lord W: Medows Major General and Governor along with the Council at Madras Right Honorable Born Sir, and Honorable Sirs! We have had the honor to receive the letter with which we were favored by Your Honors on the 20th of February last, and hereby congratulate in the most friendly manner His Excellency Major General Medows on his arrival at Madras and the assumption of the Government. For the honor done to us by the communication, we thank you very much, and further take the liberty to repeat the assurance that we will seize with all eagerness all opportunities that may serve to give Your Honors proof of our sincere inclination to maintain the good understanding that exists between
Dutch transcription
2588 Aan als Vooren Runtous, A: Lambant, en J: A: Vollenhove, /:in margine:/ Kolombo den 9: Januarij A:o 1790. Het is niet buijten vermoeden, dat sipoe sultaan zoo het hem gelukt kranganoor te vermeesteren, koetsiemaantasten zal. schoon dit nu, na den letterlijken zin niet valt in de termen van het 6:e artikel van het traktaat tusschen Engeland en de Republiek, is het nogtans zeer zigtbaak dat het teegens de geest en waare intentie van dit Jraktaat zoude aanloopen, wanneer onze bijde natien in Jndien, ook inge„ „valle als deeze niet malkanders wel zijn in het oog hielden en dat onderling bevorderde zoo veel het geschieden kan. zoo het de intentie van Jipoe sultan mogte zijn, om wan„ „neer het hem gelukt kranganoor te vermeesteren, koetsiem aantasten zoude dat, indien zijn armee werke„ „lijk zoo groot is gelijk men zegt, en 'er geen middelen beraamd wierden om dat teegen te gaan, de alder gedug„ „ste gevolgen voor deese plaats, hebben kunnen. 17/89 Jk denke mij mits dien te moogjen vlijen Mijn Heer dat uwel Ed: Gestr: in de onzeekerheid tot hoe verre zig de uijtzigten van Tipoe sultan zoude kunnen uijtstrekken, in tijds zal hebben genoomen de maatreegelen die uwel Ed: Gestr: zal hebben bevonden meest te strooken met de intentie en de geest van voorsz: Traktaat. Jk denke ook geenzints temoogen twijffelen dat ten ispoe sultan zig bij uwel Ed: Gestr: heeft gadresseerd over den koning van Trevankoor, voorgeevende dat deeze, in den koop van kranganoor en Aijkotte zijne regten hadden beleedigt, uwel Ed: hem zal hebben gerekommandeert, om zig van alle daadelijkheeden te onthouden tot dat zoude zijn onderzogt, of, gelijk wij voorgeeft, de koning van Trevankoor door het koopen van bijde dee„ „ze plaatsen, ofte van een van beijde, zijne regten be„ „leedigt heeft, en dat uwelEd: Gestr daar bij zal heb„ „ben voorzien, in het geene zoude noodig zijn, indien „ tot Wij daar na niet luijsterende, daadelijkheeden koomen mogt, gelijk nu is geschied. Jk 2589 Jk den se daar op volkoomen staat te moogen maake, e ik betuijge daarom niet te kunnen begrippen hoe fipoe sultaa heeft kunnen koomen tot de stap door hem bereeds gedaan, ten zij wij mogte reekenen of buijtenlandsche hulp- De toestand van T. rankrijk zoo veel men die uijterlijk be„ „oordeelen kan, schijnt 'er niet na te weezen om na oor„ „log te verlangen. Het zoude nogtans niet voorzigtig g zijn om daarop te veel te Cijfeden. Volgens de beste berigten die ik heb, zijn de twee Regimenten Pondicherij en Jsle de France, die te Mauritius leggen, te zaamen ruijm 3000. Man sterk. Het regi„ „ment van Walles, sterk tusschen de 11. en 1200. Man, legt ook nog daar Dat de pransen daar eene zoo groote bezetting houden ver„ „diend ten minsten eenige opmerking, te meer wijl ze daar en te Bourbon, boven dien nog omtrend 7000. Maerland militie hebben. Bij den officielen brief van den 9. deezer is aangeweezen dat de Comp:s weegens kranganoor, nog uijt welken hoofde het zoude kunnen zijn, aan het veranganoors koningge eenige eenige uijtkeeringen gedaan heeft, en dat dit koningje veel eer, eertijds een Passaal van de Comp:e geweest is. zoo heeft ook de Comp:s nimmer nog aan de koning van koetsiem nog aan wien het anders zouden mogen zijn, nog uijt hoofde van dit fort, nog uijt hoofde van Rijkotte eenige uijtkeering gedaan. Op deeze plaatzen die de komp:s de souverainen eigendom hebben toebehoord, heeft geen vorst, me het ook zoude moogen zijn, eenige eische„ gehad, en dat de koning van Trevankoor ze gekoot heeft, heeft niemands regten beleedigd nog kunnen beleedigen. Jk heb de eere van met alle hoog agting te zijn /:onder„ „stond:/: als vooren /:was geteekend:/ W: C: van de Graaff /:in margine:/ kolombo den 12. Januarij 1796. — /:Lager:/ P: S: vermeerdert. Duplicaat Een portugees kapi„ „tain die heeden den 22:e Januarij op de reede komt, verhaeld mij, dat wij voor wijnige daagen, op de hoogte van Gale heeft zien passeeren twee fransche fregatten, waar van de eene voerd een kommandeur standaard van de top, koomende van de zuijd en de wil hebbende naar de Noord: Wij verlaald daar bij dat de fregatten edelijk groot waaren 2590 Waaren en veel volks scheenen aan boord te hebben, Deeze fregatten kunnen onaangezien het laaten waaijen van franse vlaggen heel wel Engelse fregatten geweest zijn, waar over uwel Ed: Gestr: met gronds dan ik oordeelen kan niet te min heb ik gemeend hier over te moeten bedeelen. Accordeert Hijbrands Vgkeerk gje 2591 Aan zijn Excellentie Den Hoog Edelen deer W: Medows Generaal Majoor en Gouverneur Neevens den Raad te Madras Hoog Edele Geboore Heer, en Wel Edele Heeren! Wij hebben de eere gehad, te ontfangen den brief, waar„ „meede we door uwel Ed:s op den 20:e febr: J: z: zijn bequi„ „stigd, en vergelukken door deeze op de vriendelijkste wijze zijn Excellentie den Heer Generaal Majoor Me„ „dows met desselfs aankomst te Madras en de aanvaar„ „ding van het Gouvernement. No Voor de eere ons door de kommunicatie aangedaan bedanken we heel zeer en gebruijken voorts de vrijheid te herhaalen de verzeekering dat we met alle empassement zullen waar„ „neemen alle geleegendheeden, welke zullen kunnen strekken om uwel Edelens blijken te geeven van onze opregte geneigd„ „heid om te onderhouden de goede verstandhouding, die tusschen
English
To the same as before. takes place between our mutual nations. We have the honour to be, Right Honourable and Well-born Sirs, your Honours' obedient servants, was signed: W: J. van de Graaff, C: D: Kraijenhoff, M: P: Raket, B: L: van Zitter and D: Camban. In the margin: Kolombo, the 28th of March, Anno 1790. We have had the honour to receive the letter with which we were favoured by your Right Honourable Honours on the 17th of March, as well as the letter written to us by His Excellency the Governor-General Cornwallis and the Council of Bengal, which your Right Honourable Honours were so good as to send to us, and to which we take the liberty of enclosing the reply herein, with the very kind request to be pleased to transmit the same to Bengal. The Government of Mallabaar is independent of Ceilon and stands on its own. We have therefore also sent the letter written to us on the 7th of December last by the then Governor Hollond and the Council, all to Governor van Angelbeek, as we had the honour to communicate in due time; and although it will be most agreeable to us to be informed from time to time by your Right Honourable Honours of the measures that your Right Honourable Honours shall see fit to employ for the obtaining of full satisfaction for the hostilities committed by Tippoo Sultan against the King of Travancore, we nevertheless request that your Right Honourable Honours be pleased to make the communications that you, in accordance with the intention of the aforementioned Governor-General Lord Cornwallis and Council, shall find necessary to make, directly to the Governor of Mallabaar, van Angelbeek, to whom we have sent not only the aforementioned letter of your Right Honourable Honours, but also the above-mentioned letter from His Excellency the Governor-General and the Council of Bengal. We have the honour to be, underneath was signed, as before. In the margin: Kolombo, the 20th of April 1790. To the same as before. The letter with which your Right Honourable Honour was pleased to favour me on the 2nd of May, I have had the honour to receive. I am most obliged to your Right Honourable Honour for the communication given therein of your intention to proceed to the army; and as the gentlemen of the Council at Madras were so good as to inform me by a letter of the 17th of May, which I received at the same time as that of your Right Honourable Honour, that your Excellency had already actually departed, I wish from the bottom of my heart that the blessing of the Lord may accompany your Right Honourable Honour in your campaigns, and that all your Right Honourable Honour's undertakings may be crowned with the best success. Your Right Honourable Honour may be fully assured that the Governor of Cochin will continually do everything in his power for the convenience and comfort of the corps stationed under the command of Lieutenant Colonel Hartley. I have the honour to be with the highest esteem, in the most distinguished manner, underneath, as before, was signed: W: J: van de Graaff. In the margin: Kolombo, the 15th of June 1790. Agrees: Hijbrands, First Clerk. No. 11. Translation. Honourable Sir W: J: van de Graaff, Governor and Director of the island of Ceilon with its dependencies, etc., etc. at Kolombo. Honourable Sir, The Governor and Council of Madras have sent to us the copies of the letters which your Honour addressed to them on the 9th and 12th of the past month, and we consider it our duty to assure your Honour that we are extremely sensible of the interest which your Honour expresses in the affairs of the English East India Company and of its ally, the King of Travancore. Although the 6th article of the treaty of alliance between the Crown of Great Britain and the States General of the United Netherlands only contains a provision against the hostile attacks of any European power in India, we are nonetheless so very convinced that our mutual interest requires the greatest candour to exist between us, that we shall consider ourselves happy to embrace with eagerness all opportunities that may present themselves in order to display our sincere inclination to maintain on our part the rendering of mutual good offices, and to foster and render permanent the ancient friendship so happily restored between our respective nations. We are very much obliged to your Honour for the clear and satisfactory information which your Honour has given to the government of Madras of the lawfulness with which the Dutch East India Company possessed Cranganore before the cession thereof to the King of Travancore; and as we are entirely of the same opinion as your Honour, that the Nabob Tippoo Sultan had no right whatsoever to interfere with the arrangement whereby the said King acquired the possession of this fort from your nation, we would not have remained indifferent spectators had he also confined himself to attempting to wrest Cranganore from the King of Travancore by force of arms. The violent and ambitious spirit of this Prince appears to contemplate objects of much greater importance, his general contempt for the faith of treaties and his designs against the territories of Travancore having been most clearly demonstrated by the attack made on the King's lines on the 29th of December last. We consider ourselves obliged not to abandon an ally in such manifest danger, and we have accordingly resolved to support him vigorously, as also to avenge the insult offered to him in the same manner.
Dutch transcription
Aan als vooren. tusschen onze weederzijdsche Natie, plaats heeft. Wij hebben de eere van te zijn /: Hoog Edele Geboore Weet„ wel Edele Heeren. uwEdelens Gehoorsaame Dienaaren le /:was geteekend:/ W: J. van de Graaff, C: D: Kraijen„ „hoff„l M: P: Raket, B: L: van Zitter g D: Camban /:in margine:/ kolombo den 28:e Maart A„o 1790. We hebben de eere gehad te ontvangen den brief waarmeede we door uw Hoog Edel geb: op den 17. Maart zijn begunstigt, als meede den brief van zijn Excellentie den Heer Gouverneur Ge„ „neraal Cornivallis en den Raad van Bengale aan ons geschreeven, die uw HoogEd: geb: zoo goed geweest zij, ons toe te zenden en waar op we de vrijheid gebruijken het and„ „woord hier in te sluijten, met zeer vriendelijk verzoek om hetzelve te willen verzenden na Bengale. Het Gouvernement van Mallabaar is van Ceilon inde per„ „dent en staat op zig zelven. we hebben daarom ook den brief den 7. December J:L: aan ons geschreeven door den toen„ „maligen Heer Gouverneur Wollond en den Raad, gezonden alle 2592 aan den Heer Gouverneur van Angelbeek, zoo als we de eere gehad hebben dat in der tijd te bedeelen, en schoon het ons te hoogsten aangenaam zijn zal, om door uw Hoog Edelgeb: van tijd tot tijd temoogen wor„ „de g'informeerd van de maatreegelen die uw HoogEd: geb: zullen goedvinden te werk te stellen ter obtineering van een volleedige reparatie voor de hostiliteiten door sippoe sultan aan den koning van Juevankoor aangedaan, ver„ „zoeken we niet temin dat uw Hoog Edel geb: de bedee„ „lingen die dezelve overeenkomstig met de intentie van welgem: Heer Gouverneur Generaal Loud Cornwal„ „les en Raad, zullen noodig vinden te doen, direkt te willen doen aan den Heer Mallabaars Gouverneur van Angelbeek, aan wien we niet alleen voorsz. Uw Hoog Ed: geb: brief; maar ook de hier boen„ „gem: brief van zijn Exellentie de Heer Gouverneur Generaal en den Raad van Bengale gezonden hebben. Wij hebben de eeze van te zijn /:onderstond:/a /:geteekend:/ als als vooren /:in margine / kolombo den 20. April 1790. Aan als vooren. De brief waarmeede uw Hoog Edel Geb: mij op den 2. Maij 1/2. heeft gelieven te begunstigen, heb ik de eer gehad te ontvangen 3. Jk den uw Hoog Edel Geboore ten hoogsten verpligt, voor de daar bij gegeevene Communicatie van desselfs voorneemen om zig na 't leeger te begeeven, en wijl de Heeren heeden van den raad te Madras mij bij een brief van den 17. Meij, die ik te gelijker tijd met die van uwel Edel Geboore ont„ „vangen heb, zoo goed zijn geweest mij te informeeren, dat uw Excellentie reeds werkelijk vertrokken was, zoo wensch ik uijt grond mijns: harten, dat de zeegen des Heeren uw Hoog Edel Geboore in desselfs veldtogten mag ver„ „zellen en dat alle uwer Hoog Edel Geboore, ondernee„ „mingen met de beste successe moogen worden bekroond. uww Hoog Edel Geb: kan volkome zijn verzeekend, dat de heer Gouver„ „neur van koetsiem bij voortduuring alles doe zal wat zijn ver„ „moogen is gestreken kan, tot gemak en gerief van 't Cops stac„ „de onder 't bevel van de he uijt Clone Martlij. Jk 2593 Jk heb de eere met de hoogste agting, op de gedestinqueer„ „ste wijze te zijn /:onderstond:/ als vooren /:was geteekend:/ /:in margine:/ Kolombo le W: J: van de Graaff„ den 15:e Junij 1790. Accordeert Hijbrands HEgklerk N: 11: 2594 Translaat wel Edelgeboore Heer W: J: van de Graaff Gouverneur en Direkteur van het eiland Ceilon met dies onderhoorigheeden etc:a etc:a te kolombo Wel Edelgeboore Heer De Gouverneur en Raad van Madras hebben aan ons gezonden de kopijen der brieven, die uwel Edel ged: den 9. ' en 12. der gepasseerde maend aan de zelve heeft geregt en we agter het van onzen pligt uwel Edelged: te verzeekeren dat we ten uitersten gevoelig zijn aan het deel dat uwel Edelged: betuigd te neemen in de belangens van de Engelsche oost indische komp: en van haaren bondgenoot den koning van Trevankoer. schoon het 6:e artikel van het alleantie trak„ taat tusschen de kroon van Groot Brittan„ nien en de staaten generaal der vereenigde Nederlanden Nederlanden alleen inhoud eene bepaaling teegens de vyandelyke aavallen van eenige Europeesche Mogentheid in Indien zijn we nogtans zoo zeer overtuijgd dat ons weder„ zijdsch belang het verderd dat tusschen ons de grootste openhartigheid bestaat dat we ons zullen gelukkig agten om met em„ pressement te omhelsen alle geleegentheeden die zig mogten opdoen ten einde aan den dag te leggen onze opregte genoigtheid om van onze zijde te onderhouden het bewij„ „zen van wederzijdsche goede diensten, en om aan te kweeken en bestendig te doen zijn de oude vrendschap zoo gelukkiglijk her„ „steld tusschen onze respective Natien. we zijn uwel Edelged: zeer verpigt voor de dui„ delijke en voldoende onderrigting die uwel Edelgd: aan het gouvernement van Madras heeft gegeeven van de wettigheid waarmeede de Hollandsche oost Indische komp: kranganoor bezal voor den afstaan daarvan aan den koning van Trevankoor en wijl we volkoomen met uwel Edelged: van het 2595 het zelfde gevoegen zijn, dat de Nabab Tepoe sul tan geen regt had hoe genaamt om zig te bemoeijen met het arragement waardoor gem: koning het bezit van dit fort van uw Nater verkreegen zouden we geene onverschillige aan schouwers gebleeven zijn wanneer hij zig ook mogte hebben bepaald aan den daar om door middel der wapenen kran„ ganoor aan den koning van Trevankoor te ontrukken De geweldige en hier schrugtige geest van deezen Prins schijnt voorwerpen van vrij meer aangeleegentheid in den zin te hebben zijne algemeend veragting voor de trouw der traklaaten en zijne oogmerken tee„ gens de landen van Trevankoor ten duide„ lijksten gebleeken zijnde door den aanval„ op de linie van den koning gedaan den 29:' december JoLeeden agten we ons verpligt om een geallieerde in een zoo zigtbaar gevaar niet te verlaaten en we hebben diervol„ gens beslooten om hem kragtdoodig te ondersteunen, als ook om den hoon die hem is aangedaan te wreeken op de Velfde wijze
English
manner as had happened to ourselves. It is with great pleasure that we have learned of the substantial interest that Your Honour takes in what concerns the aforementioned King, and under the assumption that Your Honour might be inclined to assist him on this occasion, we shall instruct the Government of Madras to inform Your Honour of the manner in which the operations in support of Travancore will be carried out by the troops of the said Government, and to inform Your Honour from time to time how they think, according to their conception, the aid that might be in Your Honour's power to give, whether from Cochin or from Ceylon, can best be employed for the promotion of the common cause. We have recently been informed of the insulting conduct of Tipu with respect to the Governor of Cochin, and 2596 and of the designs which he appears to have against the aforementioned fort and factory. Should he go so far as to attack this place in order thereby to avenge the proofs of friendship that Your Honour might give to us or to our ally, that King, we promise to exert all our power to compel him to abandon the said undertaking, and also, during the negotiations for peace, to procure for Your Honour full satisfaction for any damage that Your Honour might have suffered. As Tipu is the aggressor through the violation of the peace treaty on insignificant grounds, he has lost his right to ask for aid from France, and we also hope that this nation will be little inclined thereto, since they would act against all fundamental principles of law and good faith by meddling in these disputes. Nevertheless, being assured that it is our duty to take all possible precautions in order to be on guard against all undertakings that might, contrary to our expectation, be made from that quarter, we shall request the Commodore Cornwallis, Commander-in-Chief of His Majesty's ships in India, to watch all the movements of this nation. Your Honour will do us a particular service if Your Honour, on your part, will also be active in discovering and countering all intentions of that nature which might occasionally be on foot; and should Your Honour still obtain any intelligence regarding this which might be of importance for us to know, Your Honour will greatly oblige us by communicating it to us as soon as possible, or else to the Commander, or to such an establishment as has the greatest interest 2597 in knowing it. We have the honour to be, (was signed below) Right Honourable Sir, Your Honour's most humble servant, (signed) Cornwallis, Ch. Stuart, Peter Speke. (In the margin:) Fort William, the 26th of February 1790. Agrees, Wijbrands First Clerk No. 12. 2598 Bengal. To His Excellency The Most Noble Lord Charles, Earl Cornwallis, Lieutenant-General of the Armies of His Majesty the King of Great Britain, and on behalf of His said Majesty and the Honourable English East India Company, Governor-General, as well as The Right Honourable Gentlemen of the Supreme Council at Calcutta. Right Honourable and Noble Sir, and Right Honourable Gentlemen! We are extremely sensitive to the very gracious and confidential contents of the letter with which Your Lordship favoured the first undersigned Governor on the 26th of February. The very friendly assurance that Your Lordship was so good as to give us therein is most pleasing to us, and we shall eagerly embrace all opportunities that may serve to give Your Lordship proofs of our goodwill and trust, and of our sincere inclination more and more to cultivate and strengthen the old friendship that has happily been restored between our two nations. We thank Your Lordship for the friendly communication made to us of the interest that Your Lordship has resolved to take in the hostilities inflicted by Tipu Sultan upon the King of Travancore, and of the effective measures that Your Lordship has resolved to employ to that end; in particular, we are very much obliged to Your Lordship for what was written to the Governor and Council of Madras. But, as the Malabar Government is independent of Ceylon and exists on its own, we have already for that reason sent the letter written to us on the 7th of December last by the Governor Hollond and the Council of Madras to the Governor van Angelbeek. For the same reason we have also sent the above-mentioned letter from Your Lordship to His Honour, whom we do not doubt will answer Your Lordship 2599 thereto; and for that reason we have also requested the Governor and Council of Madras to be pleased to share also with the said Governor van Angelbeek that which Your Lordship was so good as to write to Their Honours to share with us. According to the highest probability, one cannot suspect that the French should have any opportunity at this juncture to undertake anything for the assistance of Tipu Sultan. Should this nevertheless be otherwise, we shall have the honour to communicate as soon as possible whatever might come to our knowledge concerning it. We have the honour to be, (was signed below) Right Honourable and Noble Sir, and Right Honourable Gentlemen, Your Honours' very obedient servants, (was signed) W. J. van de Graaff, M. M. Raket, C. Tilenius, J. Reintous, B. L. van Zitter, and J. B. Vollenhove. (In the margin:) Colombo, the 20th of April 1790. Agrees, Wijbrands First Clerk No. 13.
Dutch transcription
wijze als op die aan ons zelven was geschied Het is met veel genoegen dat we vernoomen, hebben het wezendlijk belang dat uwel Edelged: neemt in het geen voorm: koning betreft, en in de veronderstelling dat uwel Edelged: mogte geneegen zijn om hem in deeze geleegentheid bij te staan zullen we het gouvernement van Madras ge„ lasten om uwelEdelged kennis te geeven van de wijze hoedanig de operatien ter ondersteuning van Trevankoor door de troepes van gem: gouvernement zullen worden werkstelling gemaekt, en uwel Edelgede van tijd tot tijd te onderrigten hoedanig te denken dat na haare begriffen, op de beste wijze kan worden gebruikt de hulp die in uwel Edelged: vermoogen mogte zijn te geeven het zij van koetsien of van Ceilon ter bevordering van de gemeene zaak wij zijn onlangs onderrigt van het belee„ digend gedrag van Tipoe ten aanzeen van den Gouverneur van koetziem en 2596 en van de oogmerken die hij sedg schijnt te hebben teegens voorm: fort en kantoor zoo bij zoo verre mogte gaan om deeze plaats te attakeeren ten einde daar door te wree„ ken de bewijzen van vrindschap die uwel„ Edelged: aan ons of aan onzen bontge„ noot die koning mogte geeven belooven we al ons vermoogen te zullen aanwenden om hem te noodzaaken van gem: onder„ neeming af te zeen en ook om bij de onderhandeling tot de vreede aan uwel Edelged: te bezorgen eene volle voldoening voor de schaade die uwel Edelged: mogte hebben geleeden wijf Tipoe den aanvaller is door de schen„ ding van het vreedens Traktaat op niets beduidende gronden heeft hij zijn regt om hulp van Frankrijk te vraagen verlooren en we hoopen ook dat dee„ ze Natie daartoe wijnig geneegen zal zijn vermits ze teegens alle grond be„ ginzelen van regt en goede trouw zouden handelen door zijn zig deeze verschillen te te bemoeijen. Nogtans verzeekert zijnde dat het onze pligt is alle mogelijke voorzorgen te gebruiken ten einde op hoede teegens alle ondernee¬ mingen, die teegens onze verwagting van dien kant zouden kunnen worden ge„ daan zullen we den Heer Cornwalles Commandeur en Chef van scheepen van zijnd Majesteid in Indien verzoeken om op alle de beweegingen van deeze Natie te letten uwel Ede ged: zal ons een bijzondere dienst doen indien uwelEdelged. ook van zijn kant wil werkzaam zijn om te ontdek„ ken en teegen te gaan alle voorneemens van die natueur, die zomtijds mogten in til zijn, en zoo uwel Edelged: dien aangaen„ de nog te bekoomen eenige onderrigtingen, welken voor ons van aanbelang konde zijn te weeten zal uwel Edelged: ons Heer verpligten met ons die te kommunicee„ ren zoo spoedig mogelijk dan wel aan den kommandeur, of aan zulk een Etablissement dat het meeste belang 2597 belang heeft om het te weeten wij hebben de eere te zijn /:onderstond:/ wel Edelgeboore Heer uwel Edel geboore zeer ootmoedige Dienaer /:geteekend. /. Cornwallis Ch: fluart Peter Speke /:in margiene:/ Fort william den 26.' februarij 1798. Accordeert Wijbrands V Egklerk No: 12: 2598 Bengale Aan zijn Excellentie Den Hoog Edelen Heer Charles Graaff Cornwallis Luijtenant Generaal van de Armees van zijn Majesteid den koning van Brittanien en van weegens welgem: zijn Maje„ „steid en de Edele Engelse oost Indische komp:s Gouverneur Generaal Beneevens De WelEdele Heeren van den Hoogen Raad Te Kalkatta Hoog Edele wel Geboore Heer en Wel Edele Gestrenge Heeren! Wij zijn ten hoogsten gevoelig aan de zeer gracieuse en vortrou„ „welijken inhoud van den brief, waarmeede uw Hoog welgeb: den eerst ondergeteekenden Gouverneur op den 26. februarij hebben begunstigd. De zeer vriendelijke verzeekering die uw Hoog welgeb: zoo goed zijn ons daar bij te doen is ons te hoogsten aange„ „naam, ook zullen we met empressement omhels en alle geleegentheeden die zullen kunnen strekken om uw Hoog wel geb: Welgeb. bewijzen te geeven van onze welmeenendheijd en ver„ „trouwen, en van onze opregte geneigdheid om meer en meer te kultiveeren en te versterken de oude vriendschap die gelukkig tusschen onze bijde Natien is hersteld. wij bedanken uw Hoog welgeb:s voor de vriendelijke kommu„ „nicatie ons gedaan van het belang dat uw Hoog welgeb: beslooten hebben te neemen in de hostiliteiten door Jipoe sul„ „tan den koning van Jaevankoor aangedaan, en van de kragtdaadige middelen die uw Hoog welgeb: ten die eijnde beslooten hebben te werk te stellen, inzonderheid zijn we Uw Hoog wel Geb: zeer verpligt voor het aangeschreeve„ „ne aan den Heer Gouverneur en Raad van Madras, Dan wijl het Mallabaars Gouvernement van ceilon inde pen„ „dent is en op zig zelven bestaat, hebben we bereeds om die reeden de brieff van den Heer Gouverneur Hollond en Raad van Madras op den 7:e Decemb: J:os: ons ge„ „schreeven, gezonden aan den Heer Gouverneur van Angelbeek. Om dezelfde reeden hebben we ook de hier boven gem: brief van uw Hoog welgeb: gezonden aan zijn Edele die we niet twijffelen of zal uw Hoogwolge daar 2599 daar op andwoorden, en we hebben ook daarom aan den Heer Gouverneur en Raad van Madaas verzogt, om het geene uw Hoog welgeb: zoo god zijn geweest hun Edelens aanteschrijven dat deselve aan ons zouden bedeelen, ook te willen bedelen aan gem. Heer Gouver„ „neur van Angelbeek. Na de hoogste waarschijnlijkheid kan men niet vermoe„ „den dat het der franse geleegendheid in dit tijds ge„ „wigt zijn kan, om iets te onderneemen tot assistentie van Jipoe Sultan. Mogte dit nogtans anders zijn, zullen we het geen daar van tot onze kennis koomen mogte, de eere hebben ten spoedigsten te bedeelen. Wij hebben de eere van te zijn /:onderstond/ Hoog Edele Wel Geboore Heer en wel Edele Gestrenge Heeren uwerwelEd: zeer D: W: dienaaren /:was geteekend:/ W:r J: van de Graaff, M: M: Raket, C: Tilenius, J: Rein„ „tous, B: L. van Zitter en J. B: vollenhove /. in margine / kolombo den 20. April 1798. Accordeert Hijbrands wel gebr: Eeklerk No: 13:
English
2600 To the Honorable W: P: Van de Graaff Esqr. Director General and Governor of the Island of Ceylon and its Dependencies &ce &ce &ce at Colombo Honorable Sir I beg leave to inform you that I have just received the Accompanying letter from the Madras Government with their orders to forward it to your Honor, and to acquaint you that the letter men= tioned in the present Address, is that which I had the Honour to forward Yesterday by an Express cattamaran to Mr Motteux at Jaffe= napatnam with a request to that Gen= tleman to Send it to your Honor with as much Expedition as possible I have the Honor to be with the greatest Respect Honorable Sir Your most obedient and Most Humble Servant 21st March 1790 /signed:/ E Frowd— Negapatnam No: 14: 2601 Translation of paper written in the Persian language to the Right Honorable Lord Governor of Ceylon by the Nawab of the Carnatic Wallajah dated the 16th January 1790: After previous compliments. The reply to the letter received by me from Kandy, together with a present of a robe of honor of great value for the King of Kandy, I send under the delivery of Sheikh Abdul Qadir and Sheikh Rahmatullah to Your Right Honorable and request that, after those two persons shall have transacted their business with Your Right Honorable, you will be pleased to allow them to depart with the said letter and present with honor and state to Kandy and to ensure that they return from there soon and arrive back. What else shall I write. On On the envelope is imprinted the seal of the Nawab /underneath stood:/ For the Translation Colombo the 22nd February 1790. /was signed:/ J: C: Andries sworn clerk. /in margin:/ For the trans- lation /signed:/ Z: Rodrigo Agrees Wijbrands First Clerk No: 11: 2602 To His Highness the Serene Nawab Wallajah, Amir ul-Hind, Umdat ul-Mulk, Asif ud-Daulah, Anwar ud- Din Khan, Bahadur Zafar Jung, Sipah Salar, Sovereign of the Carnatic and other countless lands. Serene Prince His Excellency the Lord Governor-General of the Netherlands East Indies with the Lords Councillors for the High Government at Batavia, have ratified the treaty concluded with Your Highness's Ambassador, Mr. Buchanan. The ratification thereof in proper form was recently sent to me, and I am pre- pared to cause it to be exchanged against the ratification of Your Highness, but since the conclusion of the treaty, several things have occurred very much tend- ing to the prejudice of the Company's privileges on the Madura and Marawa Coasts, as Your Highness will already partially have seen in several of my previous letters, against which provision must be made for the future, and which consequently make it necessary that the most efficacious orders be issued therein by Your Highness. I shall write further thereon to Your Highness as soon as I shall have received the letter which Your Highness gave to Mamadoe as- Cul Mochanoe Saaijboe for me, and in which I hope to find the reply to my former letters. The inspection of the Mannar Pearl Banks could not, on account of the unusually bad 2603 bad weather, take place properly. I therefore had to suspend that work, which I shall cause to be resumed in the beginning of the month of February, for which I have already appointed a commission anew. I shall take therein such measures as are necessary so that the fishery may be held at the usual time in the latter part of March or beginning of April, if the banks are found rich enough for that purpose, and whereof I shall then take care that Your Highness is informed in time. I pray the Supreme Being that He will prolong Your Highness's days and that Your Highness's glorious reign may continuously be blessed and pros- perous. Herewith I commend Your Highness and Your most Serene House to God's gracious keeping and declare with respect in the most sincere manner to be /underneath stood:/ Serene Prince, Your Highness's humble and obedient Servant /signed:/ W: C: van de Graaff /in margin:/ Colombo the 10th January 1790. To the same as before Since the dispatch of my last of the 10th January, I have had the honor to receive the letters with which I was favored by Your Highness on the 5th October and 15th December. The first was delivered to me by Mr. Mahomed Uslanc, accom- panied by Abdul Qadir, both of whom arrived here a few days ago via Tuticorin, and I have received these letters with the greater joy because they give me the strongest as- surances of Your Highness's continuous friendship and goodwill 2604 towards the Noble Dutch Company, and of the friendship and affection which Your Highness is so good as to bear towards me. I have seen further proofs thereof through the sending of a horse and a robe of honor, for which I express to Your Highness my true grati- tude. In my aforementioned letter of the 10th Jan- uary, I had the honor to inform Your High- ness among other things that the inspection of the Mannar pearl banks made in the past autumn could not have taken place properly on account of the uncommonly bad weather. In fact, no more than a single bank could be inspected in a manner that one can rely upon. The efforts to inspect the remaining banks
Dutch transcription
2600 To the Honorable W: P: Van de Graaff Esqr. Director General and Governor of the Irland of beylon and its Dependancies &ce soe & cu at Colombo Honorable Sir T beg leave to in Cormyond that Ie have gunt received the Accompanying letter from the Mattas Government with their orders to forward et to your Honor, and to acquaint you that the letter men= tioned in the present Address, is that which I had the Honours to forword Yerterday by an Exprest battamasan to Ans Matret at Paffe= napatnam with a requert to that Gen= tleman to Send it to your Honor with at muchs Expedition as pessible I have the Honds to be with the greatest Respect Honorable Sir Gouv mort obedient oud Moort Humble Servant 21=t March 1790 /tigned:/ E Faurecield— Negapatnam No: 14: 2601 Translaat papier in de Persi„ „aansche Taal geschreeven aan den Wel Edelen Groot Achtb: Heer Ceijlons gouverneur door den Nabab van karnatika Wallajak ged:t den 16. Jann: 1790: Na voorgaande komplimenten. Het andwoord op de door mij ontvangene brief van kandia, neevens een geschenk van een eere kleed kandia van groote waarde, voor de koning van zende ik onder bestelling van seeg Auder kader en seeg Rahmet Dulla aan uwel Ed: Groot Achtb: en verzoeke, om die beijde persoonen, na „„ groot dat ze hunne zaaken bij uweEd: Agtb: zullen verhandeld hebben, met gem: brief en geschenk met Eer en statie na kandia te willen laaten vertrekken en te zorgen dat ze spoedig van daar te rug en bij aankoomen. Wat zal ik anders schrijven. op op het koevers staat gedrukt het cachet van, den voor de Translatie kolombo Nabab /:onderstond:/ den 22:e Februarij 1790. /:was geteekend:/ J: C: Andries gezw: klerk . /:in margine:/ voor de ver„ Z: Rodrigo /:geteekend:/ „taaling Accordeert Wijbrands D ECklerk No: 11: 2602 Aan zijn Hoogheijd de Doerluchtige Nabab wallajach, Ameer ul Hind, um dit ul Mulk Ansief ud Dourlach, Anwar ud Deen Cawn, Bahauder Zuffer Iung, Sepah Saular, Souverain van karnatika en andere ontelbaare landen. Doorluchtige Vorst zijn Hoog Edeheijd de Heer Gouverneur Gene¬ raal van Nederlands Jndien met de Heeren Raaden voor de Hooge Regeering te Bata„ via, hebben het geslooten Traktaat met uwe Hoogheijds Ambassadeur de Heer Buchanan geratificeerd. De ratificatie daar van in behoorlijke form is mij onlangs toegezonden, en ik benge„ reed die tegens de ratificatie van uw Hoogheijd te soen uitwisselen, dog zedert het het sluijlen van het traktaat zijn 'er verscheijde dingen voorgevallen zeer staek„ kende tot nadeel van Comp:s voorrechten op de Maduaesche en Marruasche Kusten, zoo als uw Hoogheijd dat reets gedeeltelijk zal hebben gezien bij verscheijde mijner voorgaende brieven, waer tegens voor den aanstaende diend te worden voorzien, en die het mitsdie, nodig maken dat daar in door uw Hoogheijd de efficacieuste bevee¬ len geteld worden. Ik zal daar over nader aan uw Hoogheijd schrijven, zoo dra ik zal hebben ontvangen den brief, die uw Hoogheijd aan Mamadoc as= Cul Mochanoe Saaijboe voor mij heeft mede gegeven, en waer bij ik hoope te zullen vinden het antwoord op mijne voorige brieven. De visitatie de Maninaase Paaalbanken heeft om de wille van het ongewoone slegte 2603 slegte weer niet na behooren kunnen ge„ schieden. Ik heb daarom dat werk moeten staeken, het geen ik in het begin van de maand februarij zal doen hervatten, waar„ toe ik reeds op nieuw een kommissie heb benoemd. Jk zal daerbij neemen zulke maatregelen als nodig zijn op dat de visserij kan worden gehouden op den ge„ woonen tijd in het laast van Maart of begin van April, indien de banken daer„ toe rijk genoeg worden bevonden, en waer van ik als dan zal zorgen dat uw Hoogheijd in tijds word g'informeerd Ik bidde het opperste weezen dat Wij uwe Hoogheijds dagen wil verlengen en dat by voortduuring uw Hoogheids glorie rijke regeering mag gezeegend en voor„ spoedig zijn. Hiermeede beveele ik uw Hoogheijd en Hoogst desselfs doorluch„ tige huijs in Gods genadige bewaaring en betuijge met eerbied op de Welmenenste wijze te zijn /:onderstond:/ Doorluch„ tige vorst uw Hoogheijds ootmoedige en gehoorzaeme Dienaar /:getekend:/ W: C: van de Graaff /:in margine:/ Kolombo den 10:' Januarij 1790. Aan als vooren zeedeat het afgaen van mijn Jongste van den 10. Januarij, heb ik de eere gehad te ontvangen de brieven, waer meede ik door uw Hoog heijd op den 5' october en 15' December „ben begunstigd. De eerste is mij inhandigd voor den Heer Mahomed Uslanc, ver¬ Zeld van Abdul Kader, welke bijde voor eenige daagen over Tutukorijn hier aangekoomen zijn, en ik heb deeze met te meer blijdschap ontfan„ brieven gen, om dat zo mij de sterkste ver„ zeekeringen geeven van uw Hoogheids voortduurende vaiendschap en welmeenent¬ heijd 2604 „heijd teegens de Edele Hollandsche Kompe„ nie, en van de vriendschap en genegentheijd die uw Hoogheid zoo goed is mij toe te draagen. Ik heb daar van nadere blijken gezien door de toezending van een paaad en eene kleed, waer voor ik uw Hoogheijd mijne waare dank„ baarheijd betuijge. Bij voorschreeve mijn brief van den 10. Ja„ nuarij heb ik de eere gehad uw Hoog„ heid onder anderen te bedeelen, dat de in het voorleeden najaar gedaane vi„ sitatie der mannaaasche paaal banken om de wille van het ongemeene slegt weer, niet na behooren hadde In effekten heeft er kunnen geschieden niet meer dan een enkelde bank kunnen worden gevisiteerd, op eene wij¬ ze dat men daer op staal maaken kan De poogingen om de overige boe„ ken bo
English
...to inspect have repeatedly failed due to the continuous bad weather. For the further inspection that I informed Your Highness I intended to have carried out, all necessary preparations have already been made, and this is now due to begin within a few days. It is customary to advertise a lease of the pearl banks only after the inspection reports have been received. I have nevertheless decided to deviate from this custom this time and to issue the advertisement for the lease immediately, so that in the meantime the public, and particularly those who might be inclined to lease this fishery, may be informed that if, during this further inspection, the banks are found to be sufficiently rich for it, the lease thereof will take place on the 10th of March next. It is customary for these leases to be held at Colombo, but this time I shall have them held at Mannaar, so that the person who becomes the lessee [illegible] there immediately and without any loss of time. The Chief of Tutucorijn has been written to, instructing him, in accordance with the treaty concluded with Mr. Buchanan, to inform Your Highness of this by an express letter, and also to send a copy thereof to Your Highness's agent on the Madura coast, Mr. Buchanan. While engaged with these arrangements, I was meanwhile, to my great astonishment, informed that it had supposedly been reported to Your Highness that the Chief of Mannaar had employed 21 vessels for two months to fish on the pearl banks; that we had supposedly taken the pearls and had the shells thrown into the sea to cover up this evil deed, and what is more, that Your Highness would even suspect the Company of this evil deed, so much so that Your Highness would thereby have been led not only to the suspicion that what was stated in the reports of recent years is not true, namely that the oysters are not ripe; but that Your Highness even believes yourself entitled to assume that the banks would be in such good condition that a fishery could be held there for four consecutive years. These rumors are so insulting to the Honorable Dutch Company that I do not understand how anyone dared to presume to bring them to the attention of Your Highness. What reasons could the Honorable Dutch Company have to act in such a manner on these pearl banks, which belong to it in ownership? Such a manner of acting would, moreover, be so far beneath its dignity that I cannot understand how it is possible that these malicious rumors could have earned so much credit that they have, as it appears, brought Your Highness to the suspicion that the Honorable Dutch Company was acting in bad faith and deceitfully toward Your Highness. I request that Your Highness be so good as to make known to me the informant or informants of these falsehoods. Even if they should wish to excuse themselves, as is not unusual for such kind of people, by saying that they cannot prove these things although they came to their knowledge, I remain confident that this will be no reason for Your Highness not to name them to me. No one ought to presume to report matters of that nature as truths to a prince like Your Highness when they can provide no evidence for them. They ought at least to be able to name the man from whom they obtained it. Those who cannot do this deserve the severest punishments. I hope that Your Highness is convinced in the most complete manner of the great importance that the Honorable Dutch Company attaches to the friendship and confidence of Your Highness. The Dutch Company has seized all opportunities that have presented themselves to give Your Highness the most striking proofs thereof, and I therefore trust all the more that Your Highness will comply with my aforesaid request. This is the only way to silence, once and for all, these malicious people, who have nothing in mind but to try whether it might be possible to weaken the friendship and confidence between Your Highness and the Honorable Dutch Company. In requesting Your Highness to be so good as to make known to me the aforesaid informant or informants, I intend nothing other than to be able to trace the sources of these malicious acts, in order to be able to demonstrate to Your Highness their falsehood in the most convincing manner. In proof of this, and so that Your Highness may not be restrained in this by any considerations, I hereby promise that in so far as the informant or informants of the aforesaid falsehoods might be subjects of the Honorable Dutch Company, I, if Your Highness so desires, will not have them punished, not only if they themselves might have been misled in good faith, but even if it should appear in the most complete manner that these reports were made solely out of pure malice; and in so far as the informant or informants are subjects of Your Highness, I will also, in neither case, require Your Highness to have them punished, but leave this entirely to Your Highness's wisdom and own discretion. When Your Highness is so good as to comply with this request of mine, then, however unfavorable the reports of the aforementioned second inspection of the Mannaar pearl banks might turn out to be, I shall nevertheless allow the lease for holding a pearl fishery to take place, in case there might be interested parties who
Dutch transcription
ken te visiteeren zijn door het aanhou„ dent slegt weer telkens mislukt Tot de nadere visitatie die ik uw Hoog¬ heid bedeeld heb dat ik voorneemens was te laaten doen zijn bereeds alle de noodige toeberijdschen gemaakt, en deeze staet nu binnen wijnige daagen te be„ ginnen. Het is de gewoonte om een verpagting van de paarlbanken eerst uijt te schrijven na dat de rap„ „porten van de visitatie ingekomen zijn. Jk heb niet te min beslooten om mij ditmaal van deeze gewoonte te ecarteeren, en de uijtschrijving van de verpagting nu aanstonds te doen op dat intusschen het publique en in„ „zonderheid die geene tot het pagten deezes visserij mogten zijn geinclineert, worde geinformeerd dat zoo bij deeze nadere visitatie „ de banken daar toe dijk genoeg bevonden worde, de verpagting daar van ge„ „schieden zal op den 10. Maart naast komende. Het is de gewoonte dat deeze verpagtingen gehouden worden 2605 worden op kolombo dog ik zal ze: ditmaal doen hou„ „den te Mannaar, op dat de geene die pagter word daar zelve aanstonds en zonder eenig tijd verzuijm. Aan het opperhoofd van Tutucorijn is aan geschreeven, dat hij overeenkomstig het Jaaktaat met den Heer Buchana geslooten uw Hoog hed hier van bij en ex praesse brief zal kennis geeven, en ook daar van een kopij zenden aan uw Hoogheids Agent op de Madureesche kust de Heer Buchanan. Beezig zijnde met deeze bestellingen word ik intusschen e tot mijn groote verwondering geinformeerd, dat uw Hoogheid zoude zijn aangedient dat de C:hef van Mannaar geduurende: twee maanden 21. Vaar„ „tuijgen hadden g'amploijeerd om op de paarlbanken te visse; dat wij de paarels zoude hebben genoomen, en de schulpen doen smijten in zee om dien kwaaden han„ „deel te bedekken, en dat meer is, uw Hoogheid de Comp:e zelfs van deezen kwaaden handel zoude verdenken, zoo zeer dat uw Hoogheid daar door zoude gebragt zijn niet niet alleen in het vermoeden, dat het niet waar zij, het geen bij de rapportgn: van de Jongste Jaaren is opgegeven, dat namentlijk de oesters niet rijp zijn; maar dat uw Hoog„ „heid zelfs zig meend: verzeekerd te moogen houden, dat de banken zouden zijn in een zoo goeden staat, dat daar op vier Jaaren aan malkanderen zoude kunnen worden visserij gehouden. Deeze uijtstrooijzels zijn zoo beleedigend voor de Edele Hollandsche komp:s, dat ik niet begrijpe hoe iemand zig heeft durven verstouten om die te brengen onder het oog van uw Hoogheid. Wat reedenen tot zoude de Edele Hollandsche komp:s kunnen hebben, om dus te handelen op deze paarl vanken, die haar in eijgendom toebehooren. zulk eene handel„ „wijze zoude boven dien zoo zeer zijn beneeden haare waardigheid, dat ik niet kan begrijpen hoe het mooge„ „lijk zij dat deeze boosaardige uijtstrooijsels zoo veel ge„ „loof hebben kunnen verdienen, dat ze uw Woogheid, zoo als het scheijn, hebben gebragt an het vermoede; als op de Edele Hollandsche 2606 Hollandsche komp: teegens uw Woogheid ter kwaader trouw en bedriegelijke handelde. Jk verzoek dat uw Hoogheid zoo goed wil zijn om mij den aanbrenger of aanbrengers van deeze valsheeden te willen bekeend maaken, zoo ook deselve zig mogten willen behelpen gelijk dat van zulk slag van volk niet ongewoon is, met te zeggen dat ze die dinge, schoon ze tot hun kennis gekoomen zijn, niet kunnen bewijzen, houd ik mij verzeekerd dat dit geen reeden bij uw Hoogheid zal zijn om ze mij niet te noemen. Niemand behoord zig te onderstaan om aan een vorst gelijk uw Hoogheid, zaaken van dien aard aan te dienen als waar„ „heeden, wanneer ze daar van geen aanwijzing kunnen doen. ze behooren ten minsten de Man te kunnen noemen van wien ze het hebben. Die dit niet kunnen doen verdienen de zwaarste straffen. Jk hoope dat uw woogheid op de volkoomenste wijze is gepersuadeert van het groot belang dat de Edele Holland„ „sche komp:se steld in de vriendschap en het vertrouwen van uw Hoogheid. De hollandsche komp: heeft alle geleegen heeden geleegendheeden die haar daar toe zijn voorgekomen, waargenoomen om uw Hoogheid daar van de doorslaan ste blijken te geeven, en ik vertrouwe daarom te meer dat uw Hoogheid aan voorsz: mijn verzoek zal voldoen. Dit is de eenigste weg om op eenmaal en voor altoos te doen zwijgen deeze boosaardige luijden, die niets op 't oog hebben dan om te beproeven of het zoude kunnen mogelijk zijn om de vriendschap en het vertrouwen tus„ „schen uw Hoogheid en de Edele Hollandsche komp:e te verzwakken. Met uw Hoogheid te verzoeken om mij de voorsz: aan„ „brenger of aanbaengens te willen bekend maaken bedoele ik niets anders dan om te kunnen naspeuren de sources van deeze kwaadaardigheeden, ten eijnde aan uw Hoog„ „heid op het overtuijgenst derzelver valscheid te kun„ „nen doen blijken. Ten bewijze hier van en op dat ook uw Hoogheid op het overtuijgenst derzelver valscheid te kunnen doen blijken . Ten bewijze hier van en op dat ook uw Hoogheid hierin door geene konsideratien mag wor„ „den weederhouden, beloove ik door deezen dat in zoo Verke 2607 verre de aanbrenger of aanbrengers van voorsz: valsheeden, onderdaanen van de Edele Hollandsche komp:s mogten zijn, ik, zoo uw Hoogheid dat verlangd; vere dezelve niet zal doen straffen, niet alleen niet wan„ „neere ze zelve ter goeder trouw mogten zijn mislijd, maar ook zelfs dan niet, wanneer het op de vol„ „komenste wijze mogte blijken dat deeze aanbaengis„ „gen alleen gedaan zijn uijt puure kwaadaardigheid, en in zoo verre de aanbrenger of aanbrengers onder„ „daanen zijn van uw Hoogheid, zal ik ook, nog in het een nog in het ander geval, uw Hoogheid niet go vergen om ze te doen straffen, maar dit geheel over„ „laaten aan uw Hoogheids wijsheid en eijgen goedvinden. N Wanneer uw Hoogheid zoo goed is om aan dit mijn ver„ „zoek te voldoen, dan zal ik, hoe ongunstig ook de rapporten van de meerm: tweede visitatie van de man„ „naarse paarlbanken mogten uijtvallen, nogtans de verpagting tot het houden van een paarl visscherij laaten geschieden, of er lief hbbens mogten zijn die het
English
the sand should wish to run off. In this case I will have all the Mannar banks leased out, none excepted, in order to convince Your Highness in the most complete manner of the Company's inclination to contribute on its part everything that can be done to remove everything that could in any way tend to arouse mistrust between Your Highness and the Noble Dutch Company. I have spoken with Mr. Mahomed Uslam about the proclamation issued for the holding of a pearl fishery and about various other matters, and since Mr. Buchanan has been appointed by Your Highness to supervise the same along with this gentleman and others whenever Your Highness might see fit to send your number of dhonis, Mr. Mahomed Uslam will remain on Ceylon until it is seen whether a pearl fishery can be held. As to letting him also take part in the inspection of the banks in accordance with Your Highness's desire, I have already had the honor to point out in my letter of the 18th of November of last year that this is not within my power, and that it is also contrary to the treaty concluded with Mr. Buchanan. Your Highness has been misinformed that this desire of Your Highness would be according to ancient custom. Never have any servants of Your Highness assisted in the inspection of the Mannar pearl banks. All the banks that are found during the inspection to be rich enough to be fished upon are properly indicated by the Company during the fishery so that everyone may govern themselves accordingly. I will nevertheless send Your Highness's letter of the 15th of December to Their High Mightinesses, and with regard to the desire shown therein by Your Highness that some of Your Highness's servants may be admitted to the inspection whenever the Company sees fit to have the banks inspected, solely so that they may have better knowledge of the condition of the banks when a fishery is held, I will request their further orders. In my aforementioned letter of the 10th of January, I had the honor to inform Your Highness that Their High Mightinesses had ratified the contract concluded with Mr. Buchanan in Your Highness's name, and that I was ready for the exchange thereof, but that several things had occurred tending to the prejudice of the Company's privileges on the Madura coast and Marawa coasts, and that I would have the honor to confer further with Your Highness about this. I would also not do this were it not that Your Highness, in your letter of the 5th of October, most strongly assured me not only of your desire to maintain in everything the ancient and established customs, in order thereby to increase more and more the bonds of friendship between Your Highness and the Dutch Company, but also that Your Highness had now further sent the strictest orders to your representatives at Tirunelveli to render their assistance to our commerce according to custom, and not to permit any hindrances or violence of whatever kind to occur. Mr. Mahomed Uslam has also assured me verbally that Your Highness has issued this order everywhere with the greatest emphasis. I will therefore gladly pass over all that has happened here in silence, so as not to trouble Your Highness once again with an unpleasant enumeration of all these occurrences, in the hope that the orders now newly issued by Your Highness will be properly observed by Your Highness's representatives. The Noble Dutch Company desires nothing new, and there would also never be any dispute if Your Highness's people only acted reasonably toward us, but as we often have to deal with people who exceed their instructions, it will be necessary—and I request this most urgently, in order to put an end to all unpleasantnesses once and for all—that Your Highness, who by the treaty has confirmed the privileges of the Company in general, please confirm in particular: That the merchants, their assistants, the washermen, and the other workmen whom the Company employs for its trade, as has always been the case from ancient times, remain under the direct management of the Company; that nothing more be demanded of them than what they have always been indebted from ancient times for their own persons, and that they shall thus not be held liable for the debts of others; and that even if they fail to pay what they owe, they may not be arrested, harassed, or mistreated in any other manner on that account, but that the manigars shall be obliged in such case to address themselves to the heads of the Company's stations, who will immediately arrange for the payment. That in the same manner, regarding the Paravas, who from ancient times have paid fixed tributes to the circar, but for the rest stand under the rule of the Noble Company, and all
Dutch transcription
het hat zand daar van wille loope, In dit geval zal ik de verpagting laaten doen van alle de mannaarse banken en geene uijtgezondert te eijnde uw Hoogheid op de vol„ „koomenste wijze te overtuijgen van 'sComp:s geneigt„ „heid om van haare zijde alles toe te brengen wat ge„ „schieden kan, om uijt den weg te ruijmen alles wat eenigzints zoude kunnen strekken om mistrouwe„ te werwekken tusschen uw Hoogheid en de Edele Wol¬ „landsche komp: Met den Heer Mahomed uiflam heb ik over de gedaane uijtschrijving tot het houden van een paarlvisscherij en over verscheijde andere dingen gesprooken, en wijl de Heer Buchanan door uw Hoogheid is geappoin„ „teerd, wanneer uw Hoogheid mogte goedvinden zijn aantal tonies te zenden, met deezen weer en anderen het opzigt over dezelve te houden, zal de Heer Maho„ „med uslam zoo lange dat men ziet of er een paarz„ kan gehouden worden;, op ceilon blijven, om hem ook volgens uw Hoogheids verlangen de visitatie der banken te laaten meede doe, heb ik reeds bij mijn brief van 2608 van den 18. 9ber: J:o L: de eere gehad aan te wijzen, dat dit niet staat ien mijen vermoegen, en dat het ook strijd Cr met het Traktaat geslooten met den Heer Buchanai„ i Men heeft uw Hoogheid kwalijk onderrigt dat dit verlangen van uw Hoogheid zoude zijn, volgens de oude 2 gewoonte. Nimmer hebbe eenige bediendens van uw Hoogheid bij de visitatie der Mannaarse paarlbanken geassisteerd. Alle de banken die bij de visitatie worden bevonden, wijk genoeg te zijn om daar op te kunnen vissen doed de komp:s geduurende de visserij behoorlijk aanwijzen op dat zig een elk daar na rigten. Jk zal niet te min uw Hoogheids brief van den 15:e December zenden aan Hunne Hoog Edelh: en op het verlangen N. L 8 dat uw Hoogheid daar bij toond, dat eenige van uw Hoogheids bediendens, wanneer de Comp:e goedvind de banken te doen visiteeren, bij de visitatie moogen worden toegelaaten, alleen op dat ze wanneer 'ek een visserij gehouden word, te beeter kennis kunnen hebben van van de gesteldheid der banken, Hoogt derzelver naadere ordre vraagen. Bij meerm: mijn brief van den 10=e Januarij heb ik de eere gelad uw Hoogheid te bedeelen dat Hunne Hoog Edelheeden het ben geratificeerd het kontract met den Heer Buchanan in naam van uw Hoog heid gesloote, en dat ik gered was tot de uijtwisseling saak van, dog dat 'er welscheijde dingen gebeurd waaren strekkende tot nadeel van 'sComp:s voor„ kusten, „regten op de Maduresche kas en Marruasche en dat ik de eere zoude hebben uw Hoogheid daar over naader te onderholwen. Jk zoude dit ook ni doen was het niet dat uw Hoogheid mij bij Hoogst desselfs brief van den 5. oktob: op het kragtigste verzeekende niet alleen van desselfs verlangen om in alles te houden de oude en vastege„ „stelde gewoontens, ten einde daar door meer en weer te doen toeneemen de banden van vriendschap tusschen uw Hoogheid en de Hollandsche Komp:e, maar ook dat uw Hoogheid nu naader de strikste beveelen hadde gezonden aan desselfs Representanten te Tirnevello, om hunne assistentie 180 8 2609 assistentie te bewijzen aan onze Commercie volgens de 1 „ gewoonte en niet toe te staan dat dr eenige hindernis„ „sen of violentie hoe genaamd geschieden. De Heer Mohomed uslam heeft mij ook mondeling ver„ E „zeekerd; dat wij overal deeze ordre van uw Hoogheid met de grootste nadruk gesteld heeft, Jk zal daarom hier liefst stelzuijgende voor bij al het gepasseerde gaan, om uw Hoogheid met geene onaangenaame op„ „telling van alle deeze gebeurtenissen andermaal te ver„ „moeijelijken, in hoope dat de nu op nieuw door uw Hoog„ # Ed „heid gestelde ordres door uw Hoogheids Representae„ „ten behoorlijk zullen worden nagekoomen. De Edele Hollandsche komp:s verlangd niets nieuws„ en daar zoude ook nooijt eenig verschil zijn indien de luijden van uw Hoogheid alleen reedelijk teegens ons kan„ „delden, maar daar we dik wils te doen hebben met menschen die hin last te buijten gaan, zal het noodig weezen, en ik ver„ „zoek dit zeer kragtig, om alle onaangenaamheeden een„ „maal te doe op houden, dat uw Hooghid, die bij het sak„ „taat „taat in het algemeen de privelesien van de Comp:e bevestigd. heeft, in het bezonder gelieve te bevestigen: Dat de kooplieden, hunne suppoosten, de wasschens en het verdere werkvolk, 't geende Comp: tot haaren handel gebruijkt, gelijk dit van ouds her altoos heeft plaats gehad, onder de di„ „rekte beheering van de Comp. e staan; dat van hem niets meer word afgevorderd, dat 't geen ze van ouds altoos zijn ver„ „schuldigd geweest voor hunne eijgene persoonen, en dat ze dus niet aanspreekelijk zullen weezen voor de schulden van anderen, en dat indien ze ook in gebrecken blijven om te be„ „taalen, 't geen ze verschuldigd zijn, zij daar over niet moe„ „gen worden gearresteerd, gekweld of op eenige andere wijze mishandeld; maar dat de Manigaars zullen verpligt weezen, om in zulk geval te advresseeren bij de hoofden van komp:s plaatsen, die oogenblikkelijk voor de betaaling zullen zorgen. Dat inzelver voegen van de Parruas, die van ouds her vaste tributen aan den circar betaalen, maar voor 't overige onder de regeering van de Edele komp:s staan, en alle
English
and from all others who reside under her flag and jurisdiction, nothing more shall be demanded than that which they have paid from of old, and that they may not be arrested or in any other way harassed on that account, but that if they fail to pay the due tribute, the Manigars shall be obliged to address themselves concerning this to the chiefs of the Company's stations, who shall then ensure payment. That the ships, barks, sloops, and thonies which the Company uses for her trade, and which also sail under her flag, when they might run aground or otherwise suffer shipwreck through peril of the sea, may not be seized by the servants of Your Highness, but that the Noble Company may have full freedom, as she has always exercised the same, to take into her possession these vessels and the goods laden therein, and to salvage them in the best possible manner. That since the Noble Company, according to the old contract with the Raja of Marawa, is exclusively privileged to carry on trade in these lands, to the exclusion of competition from other European nations, and this privilege has been renewed and confirmed by the treaty with Your Highness, the Danish merchant who for some time has begun to purchase linen in the lands of Marawa may be prohibited from this trade, and he be compelled to depart from there. That furthermore strict orders may be given to the Raja of Marawa and his ministry to conform to the old customs and the treaties made between the Noble Company and the Rajas; and that in particular it may be enjoined upon him to leave the tolls on the linens which the Company exports on the old established footing, and to return the tolls which he has extorted by force since the month of January 1788, without having been willing to give any hearing to the representations repeatedly made against it. Finally, to prevent all abuse which in time could be made of a paper which in the year 1777, on the 30th of December, was signed by the under-merchant Keuneman at the desire of the country regent Ettabar Chan, in order thereby to obtain the release of the linens that were arrested by the country regent throughout the entire country; regarding which incident my predecessor, the Right Honorable and Respected Lord Governor Falck, complained to Your Highness by letter of the 9th of March 1778; I thus request that Your Highness may have the goodness to cause this paper to be returned, and to declare the same invalid, since it runs completely counter to the old custom and the privileges of the Company, which have now been confirmed anew by Your Highness. I hold myself so assured of Your Highness's goodwill that I do not doubt Your Highness will be convinced that the Noble Company on her part has contributed everything to satisfy Your Highness's desire, to the end of enjoying the peaceful possession of her old privileges and prerogatives, employing the most efficacious means to that end for the advancement and expansion of the Company's trade, which will be just as advantageous for Your Highness as for the Noble Company; and as soon as I may obtain the assurance hereof, and that the aforementioned matters are arranged and confirmed in accordance with the new treaty, I shall be ready to effect the exchange of the ratifications at the place which Your Highness shall be pleased to determine for that purpose. It could take place on the Madura Coast itself, if Your Highness would be pleased to authorize Mr. Buchanan for that purpose. I have already had the honor to note in my previous remarks that no evidence has ever appeared to me that the Company's representatives on the Madura Coast have in any respect departed from the old custom. I shall nonetheless recommend to them further and anew, in the most emphatic manner, to adhere strictly and without any deviation to the customs and to the way things have been established from of old. To the same as before. I thank Your Highness for the bill of exchange sent to me for the advance made by me to Sayyid Sharif. The original deed which he executed here for it shall, according to Your Highness's pleasure, be returned by the Chief of Tuticorin to Your Highness's country regent Ettabar Chan. The favorable reports which I have received concerning the continuation of Your Highness's good health have rejoiced me in the highest degree. I pray God that He will prolong Your Highness's days, and that Your Highness's glorious reign may ever be blessed and prosperous. Herewith I commend Your Highness and Your Illustrious House to God's gracious keeping, and declare with respect in the most well-meaning manner to be. Was signed: as before. In the margin: Colombo, the 10th of February 1789. My previous letter of the 10th of February I hope that Your Highness has safely received.
Dutch transcription
2610 en alle anderen, die onder haare vlagge en Jurisdiktie woo„ „nen, niets meer zal moogen worden gevordert, dan het geene zij van ouds betaald hebben, en dat ze daar over niet zul„ „len mogen worden gearresteerd of op eenige andere wijze vermoeijelijkst, maar dat wanneer zij in gebreeke blij„ „ven de verschuldigde tribut te betaalen, de Mannigaers zullen verpligt weezen zig daar over te addresseeren bij de hoofden van komp:s plaatsen, die dan voor de betaaling zullen zougen. Dat de scheepen, banken sloepen en tonies, die de Comp: tot „haaren handel gebruijkt, en die ook onder haare vlag„ „ge vaaren, wanneer dezelve aan den grond moogen raaken, ofte anderzints door zeenood schip breuk lijden, niet door de bedienden van uw Hoogheid moogen worden aangeslaagen, maar dat de Edele komp:e de volle vrijheid mooge hebben, gelijk zij deselve altoos geoeffend heeft, om deeze vaartuijgen en de daarien gelaa„ „dene goederen na zig te neemen, en op de best mogelijkste wijze te redden. Dat vermits de Edele komp:s volgens de oude kontrakt, met den den Raja van Marrua alleen gepririliseerd is om in deeze landen handel te drijven, buijten concurrentie van andere Europeesche natien, en dit privelesie bij het traske„ „taat met uw Hoogheid op nieuw is bevestigd, den Deensche koopman verwijk, die zeedert eenigen tijd heeft begonnen in de landen van Marrua lijnwaat intekoopen, deezen handel mag worden ontzagt, en hij genoodzaaker om van daar te vertrekken. t Dat voorts de Raja van Marrua en zijn Ministari Stipte beveelen mogen worden gegeeven, om zig te konformeeren met de oude gebruijken, en de traktaaten, tusschen de Edele komp: en de Rajas gemaakt; en dat inzonderheid aan hem mag worden aanbevoolen om de tollen van de lijwan„ „ten, die de Comp:e uijtvoerd te laaten op den ouwen g'etablus„ „seerden voet, en te rugge te geeven de tollen, die hij zeedant de maand Januarij 1788. met geweld heeft afgevor„ „dert, zonder dat hij aan de bij herkaaling daar tee„ „gen gedaane vertoogen eenig gehoor heeft willen geeven. Eijndelijk om te voorkomen alle misbruijk, 't welk in der tijd zoude kunnen worden gemaaket van een papier, 2611 't welke in der tijd zoude kunnen worden gemaakt van een papier, 't welk in 't Jaar 1777. den 30. December op de begeerte van den landregent Ettabar chan; door den onderkoopman keuneman is geteekend, om daar door in vrijheid te krijgen, de lijnwaaten die door den landregent in 't geheele land gearresteerd: waar en over welk geval mijn voorganger de Hoog Edele Gestr: Heer Gouverneur Falck aan uw Hoogheid ge„ „klaagd heeft bij brief van den 9. Maart 1778. zoo verzoek ik dat uw Hoogheid de goedheid gelieve te hebben, om dit papier te laaten te rugep geeven, en het„ „zelve te verklaaren als kragteloos, wijl 't geheelen als aanloopt teegen de oude gewoonte en de privelesien van da komp:e, die nu op nieuw door uw Hoogheid zijn bevestigd. Ik houde mij van uw Hoogheids welmeenendheid zoo zeer verzeekerd, dat ik niet twijffele of hoogst de„ „zelve zal overtuijgd, dat de Edele komp:e van haare zijde alles heeft toegebragt, om aan uw Hoogheids Z. verlangen genoegen te geeve, ten eijnde het vaedig genot van in Scapp f H Slipie re ier van haare oude pruvelesien en voorregten te genieten, daar C toe de efficacieuste middelen te werk stellen, ter bevor„ „dering en uijtbreiding van den sComp:s handel, die even zoo voordeelig voor uw Hoogheid als de Edele komp=e weezen zal en zoo dra ik hier van de verzeekering mag erlangen, en dat de voorm: dingen, overeenkom„ „stig het nieuwe tractaat geschikt en bevestigd zijn zal ik gereed weezen, om de uijtwisseling van de aati„ „fikatie te doen ter plaatze, die uw Hoogheid daar toe zal gelieven te bepaalen. Wet zoude op de Madu„ „reesche kust zelve kunnen geschieden, indien uw Hoog„ 09„ „heid daar toe den Heer Buchanan geliefde te autoriseeren. Jk heb reeds de eere gehad bij mijn voorgaande aante„ „merken dat mij nimmer eenige blijken zijn voorge„ „komen dat 'sComp:s Representanten op de Madureesche kust in eenig opzigt zouden zijn afgeweeken van de oude gewoonte. Jk zal het niet te min nader en op nieuw, op 't nadrukkelijkst aanbevele, om zig stiftelijk 2612 Aan als vooren. en zonder eenige afwijking te houden aan de gewoontens, en 7: zoo als de dingen van ouds zijn vastgesteld geweest. Jk bedank uw Hoogheid voor de aan mij gezondene wissel voor het door mij gedaane verschot aan saijed Sarief. De oorspronkelijke akte die hij daar voor hier heeft ge„ „passeerd, zal volgens uw Hoogheids goedvinden door het — opperhoofd van Tutucorijn worden terug gegeeven aan uw Hoogheid Landregent Ettabar Chan. De gunstige berigten die ik ontvangen heb van de voorldui„ „ring van uw Hoogheids welstand, hebben mij ten hoog„ „sten verblijd. Jk bidde God dat wij uw Hoogheids daagen wil verlengen en dat uw Hoogheids gloririjke Regeering steeds mag gezeegend en voorspoedig zijn. Hiermeede beveele ik uw Hoogheid en voogst Desselfs Doorlugtig thuijs in Gods genadige bewaaring, en betuijge met Eerbied op de welmeenenste wijze te zijn. /:onder„ „stond / a: geteekend:/ als vooren/i margine / kolomb den 0. fbr 79. Mijn voorgaande van de 10 feb: hop ik dat uw Wooshed. wel telijk
English
will be well arranged. The reports received since then of the renewed inspection of the pearl banks still gave me some hope that perhaps an interested party would be found to lease them in order to be able to hold them yet in this spring. I therefore had their leasing offered at Mannaar, but it brought forward no one for it. I hope that one may be more fortunate for the coming season; if there shall be any prospect for it, I shall inform Your Highness in time. Mamadoe Assul Mahamadoe saaijboe now departs again and will have the honor of delivering this to Your Highness. I can be nothing but very satisfied with this gentleman. He has conducted himself in everything friendly and courteously. The presents that I have given along with him for Your Highness are listed in the enclosed list, and I hope that Your Highness will receive the same as a token of my esteem and friendship. The elephants that are on the aforesaid list will be sent from Jaffna as soon as the monsoon will permit transporting them. The letter and the present from Your Highness for the King of Kandia mentioned in the letter with which Your Highness favored me on the 16th of January last, I have sent to Kandia; the reply thereto to Your Highness I shall, as soon as I receive it, send to Jaffanapatnam to seeg Auder kader, who will wait for it at Jaffanapatnam with seeg Ragmet Doula. Shortly before the departure of seeg Auder kader from here, it was reported to me that on the bazaar a pair of pearls were shown which people wanted to pass off as if they had been found in the latest inspection. Upon investigation it was found that they were from seeg Auder kader, and when I had him questioned about it, he let me know that he had done it in order thereby to kindle the desire in various persons to lease this fishery. I preferred not to investigate this matter any further. Last year we also had a case here that was somewhat unpleasant, and according to the reports that were made to me from Jaffna he also had somewhat of an unpleasant case there in passing through. Yet I have not the slightest intention herewith to complain about him to Your Highness; only it would be very agreeable to me that Your Highness would be pleased to excuse this man in the future from all further commissions to Ceylon. I repeat hereby the requests that I made to Your Highness in my aforesaid letter of the 10th of January; as soon as I have received Your Highness's answer thereto, I shall make the necessary arrangements for the exchange of the ratification of the Treaty. I commend Your Highness and your illustrious family to God's Merciful protection, and testify with respect to be in the most sincere manner, was undersigned and signed as before, in the margin Kolombo the 16th of March 1790. Agrees, Wijbrands First clerk List of the presents that were given by the Honorable, Highly Esteemed Mr. Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the island of Ceylon with its dependencies, along with Mamadoe Assul Mahamadoe Saaijboe to His Highness the Illustrious Nabob Wallajah, Ameer ul Hind, Umdit ul Mulk, Asief ud Dowlah, Anwar ud Deen Cawn, Bahawder Zuffer Jung, sepah saular, sovereign of the Carnatic and other innumerable lands: A tusked elephant An alia elephant A female elephant that is pregnant In a small chest: Two pieces of gold Alesiasses Two silver ditto One gold soesje One silver ditto Three pieces of gold and silver tokassen Ten yards of dark blue velvet Eight and a half cubits of white velvet Nine cubits of rose red velvet Thirteen and a half cubits of light blue velvet Nineteen cubits of crimson red velvet In a small chest: Four pounds of mace Six ditto nutmegs Eighteen ditto cloves Twenty-five pounds of fine cinnamon In a small chest: Three small bottles of attar of roses Three ditto cinnamon oil Two ditto clove oil Two ditto nutmeg oil Two ditto mace oil Kolombo the 16th of March 1790. Agrees, First clerk Wijbrands List of the present that is sent by the Honorable, Highly Esteemed Mr. Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, to His Excellency Nabob Umdat ul-Umara Bahadur: An Alia Elephant. Kolombo the 16th of March 1790. Agrees, Hijbrands First clerk List of the present that is sent by the Honorable, Highly Esteemed Mr. Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, to His Excellency Nabob Sayful Mulk Bahadur: An Alia Elephant. Kolombo the 16th of March 1790. Agrees, Hijbrands First clerk No. 76 Translation of paper written in the Persian language to the Honorable, Highly Esteemed Mr. Governor of Ceylon, by the Nabob of Madras, Mahomed Alie: After preceding compliments. The Arab Abdul Naser who arrived here from Cochin, I have sent to Galle with six servants and various goods; his goods which he says were seized at Cochin, I request Your Honorable, Highly Esteemed, since that person is an honest man by descent and moreover is poor, to arrange that they may be returned to him, Abdul Naser. On the envelope is imprinted the seal of the Nabob; was undersigned, for the translation, Kolombo the 28th of June 1790; was signed, P. Ledulx, sworn clerk. Agrees, Sijbrands First clerk No. 17.
Dutch transcription
wel zal zijn besteld. De zeedert ontvangene berigten van de op nieuw gedaane visitatie der paarlbanken deeden mij nog al eenigzints hoopen of 'er somtijds een lief hebber zoude zijn gevonden om ze te pagten ten eijnde nog in dit voorjaer te kunnen worden gehouden. Ik heb daarom de verpagting daar van te Mannaak doen oprijen, dog heeft zij niemand daar toe opgedaan Jk hoop dat men voor den aanstaan„ „de gelukkiger zijn mooge zoo daar toe apparentie zijn zal ik het uw Hoogheid in tijds bedeelen vnfli Mamadoe Assul Mahamadoe saaijboe vertrekt tant wederom en zal de eere hebben deeze aan uw Hoogheid overte„ „geeven. Jk kan over deeze weer niet dan zeek voldaen zijn. Wij heeft zig in alles vriendelijk e heusch gedraagen De 6 geschenken die ik hem voor Uw Hoogheid het meede gegeeven staen vermeld bij de inleggende lijst, en ik hoof„ dat Uw Hoogheid dezelve zal ontvangen tot een teecken van mijne agting en vriendschap. De Elefanten die op de voorsz Elle lijst staan zullen van Jaffena gezonden worden, zoo dra de mousson het kan toelaaten om die te transporteeren. De 2613 De brief en het geschenk van uw Hoogheid voor den koning O van kandia vermeld bij de brief waarmeede uw Hoogheid mij op den 16. Januarij J: Z: heeft begunstigd, heb ik naar kandia gezonden, et andwoord daar op aan uw Hoog„ 6. „heid zal ik zoo dra ik het ontfang zenden na Jaffena„ „patnam aan seeg Auder kader, die met seeg Rag„ „met Doula op Jaffanap=m daar na wagten zal. kort voor het vertrek van seeg Ander kader van hier, wierd mij aangediend dat er op de bazaar en paars parels vertoond waaren die men wilde doen doorgaan: als of ze in de Jongste visitatie gevonden waaren. Bij on„ „derzoek wierd bevonden dat ze waaren van seeg Audere kadek, en toe ik hem daar na liet vraagen, liet wij mij weden, dat wij het hadde gedaan om daar door de lust bij deezen en geene te ontsteeken tot het pagten van deeze visserij. Ik heb deeze zaak liefst niet verder willen onderzoeken . voorleede Jaar hadde Wij hier ook een geval dat wat onaangenaam was, en naar de berigten die mij va Jaffena gedaan zijn heeft hij ook „ is ing staan„ tie land overte„ voorsz de in het passeeren, aldaar wat een onaangenaam geval ge„ „had. Jk heb hier meede nogtans geen het minste oog„ „merk om uw Hoogheid over hem te klaagen, alleen zouden het mij zeer aangenaam zijn, dat uw Hoogheid deeze Man voor den aanstaande van alle verdere kom„ „missien na ceilon gelieve te verschoonen. Jk herhaale door deezen de verzoeken die ik uw Hoogheid gedaan heb bij voorsz: mijn brief van den 10:e Jannuarij zoo daa ik het andwoord van uw Hoogheid daar op ontvangen, heb, zal ik de noodige schikking maaken tot de uijtwisseling van de ratificatie van 't Traklaat. Jk beveele uw Hoogheid en deselfs doorlugtig thuijs i Gods Genadige bewaaring, en betuijge met eerbriad op de welmeenenste wijze te zijn /:onderstond:/ a /:gteekend:/ als vooren /: in margine:/ kolombo den 16. Maart 1740. Accordeert Wijbrands VEgklerk 2614 Lijste van de Geschenken die door den Wel Ed. Groot Agtb: Heer Willem Jacob van de Graaff, Raad ordinair van Neederlandsch Jndia, Gouverneur en Direkteur van het eijland Ceilon met dies onderhoorigheeden, aan Mamadoe Assul Malamadoe Caaijboe zijn meede gegeeven zijne Hoogheid de Doorlugtige Nabab wallajach, Ameer uE Wind, umdit ul Mulk, Ansief ud Dowrlach, Anwak ud Deen Cawn, Ba„ „hauder Zuffer Jung, sepah saulak, souverain van karna„ „tika en andere ontelbaare Landen Een getande elephant Een alia elephant Een wijfjes eliphant dat bezet is In een kasje Twee p:s goude Alesiassen x Twee „ silvere d o Een „ goude soesje Een „ silvere do Drie p Drie p:s goude en silvere tokassen Tien fa: donker blaauw fluweel Agt en een halve ellen wit fluweel Neegen ellen roose rood fluweel Dertien en een halve ellen ligt blaauw fluweel Neegentien ellen karmosijn rood fluweel Jn een kassie Vier ponden foelie ses d. o — nooten musschaaten Agtien d=o nagelen Vijf en twintig lb: fijne kanneel. Jn een kasje Drie flesjes etter van roosen Drie do kanneel olie Twee do — nagel olie Twee O=o — noote musschaat olie Twee do foelie olie Kolombo den 16:' Maart 1790. — Accordeert Vegklerk Wijbrands 2615 Lijste van het geschenk dat door den Wel Edelen Groot Achtbaaren Heer. Willem Jacob van de Graaff Raad ordinair van Neederlands Jndia, Gou„ „verneur en direkteur van het Eijland ceijlon met dies onderhoorigheeden gezonden word aan zijn Rxellentie Nababoe umdat uloem„ „ra Bahadoek: Een Alia Eliphant. Kolombo den 16:e Maart 1790. — Accordeert Hijbrands DEgklerk 2616 Lijste van het geschenk dat door den Heer! Wel Edelen Groot Agtbaaren gll Graaff Jacob van de Willim Raad ordinair van Neederlands Jndia, Gou„ „verneur en Direkteur van het Eijland Ceijlon, met dies onderhoorigheeden gezond word aan zijn Excellentie Nababoe Saijvul Mulk Bahadoek Een Alia Eliphant. Kolombo den 16:e Maart 1790. Acordeert Hijbrands VEyklerk No: 76 2617 Translaat Papier in de persi„ aansche Taale geschreeven aan den wel Edelen Groot Achtb: heer Ceilons gouverneur, door den Nabas van Madras Mahomed Alie D Na voorgaande komplimenten Den arabier Abdul Naser die van koetsiem alhier aangekoomen is heb ik naer gale gezonden met ses dienaeren en verscheide goederen zine goederen die hij zegt of koetsjiem te zijn ge annesteerd verzoeke ik uwel Edele Groot achtb wijl die perzoon een eerlijk Aan van afkomst en boven dien aam is te zorgen dat aan hem Abdul Naser mogen worden te rug gegeeven. op het koevoet staat gedrukt het Cacheet van den Nabab /:onderstond:/ voor de Translatie kolombo den 28. Junij 1790 /:geteekend:/ P Ledulx gesw: klerk Accordeert Sijbrands Eijklerk No: 17:
English
2618 Translation of the Maldivian Letter written by the Sultan of those Islands, Hassen Noeredien, to the Right Honorable Lord Governor of Ceylon, and dated 24 October 1790. After previous compliments. My desire is that our friendship may be maintained, as it has been thus far, for the duration of our lives, and that regarding me and my Realm the same friendship may endure forever. The presents which I now send under the supervision of my humble Nakhoda Ossen to Your Right Honorable, I request you may be pleased to accept as trifles. Should any vessels of my subjects under the jurisdiction of Your Right Honorable Government happen to meet with disaster, I request Your Right Honorable to kindly render the necessary assistance to the crew on board, as well as to let them depart from there. I also pray Your Right Honorable to graciously forgive my simple people if they do any harm through ignorance, as well as to generously grant the Nakhoda any requests he might make regarding the vessel and the crew, and to allow him, along with the rest of the crew, to depart from there promptly. Likewise, I pray Your Right Honorable graciously to forgive the Nakhoda if he should commit any fault through lack of understanding. At the head was signed Sultan Hassen Noeredien. Thus rendered upon the translation from the Maldivian by Assen Malienie and the Maldivian Interpreter Agema Doe Libbe Abdul Raden to the Malabar Interpreter Johan Christoffel Fernando, and put onto paper according to the latter's report by Colombo, 20 November 1790. Signed: G. Ledulp, sworn clerk. In the margin before the translation, signed with two Malabar signatures and J. H. Fernando, Interpreter. Agrees, Wijbrands, Sworn Clerk. No. 18. 2619 To the fortunate Sultan Assen Noeradien Iskander, King of the Maldives. Upon the safe arrival here of Your Highness's vessel, I had the honor to receive from the hands of the Nakhoda Oessen Your Highness's two letters, along with the gifts that Your Highness was pleased to send me therewith. I thank Your Highness cordially for the expression of your desire for my welfare, and for sending the aforesaid gifts, both of which were very pleasing to me. To the aforementioned Nakhoda, according to Your Highness's request, I have shown all possible favor, and I shall not fail to extend my protection to all subjects of Your Highness. As Your Highness's aforesaid vessel is now returning, I offer Your Highness, through the delivery of the aforementioned Nakhoda Oessen, some goods as a gift, which are specified in further detail in the enclosed list, with the friendly request that Your Highness may be pleased to accept them as a token of my regard. Therein are also listed the eight amonams of areca nuts that could not be sent last year due to a scarcity of those nuts, and which were erroneously listed on the manifest. Furthermore, I pray God that He may be pleased to bless Your Highness with health and prosperity, so that Your Highness may rule your realm happily, for 2620 To the same as before. for yet a succession of years. Colombo, 19 January 1790. Signed: W. J. van de Graaff. Upon the safe arrival here of Your Highness's vessel, I had the honor to receive from the hands of the Nakhoda Oessen Your Highness's gracious letter, with the gifts that Your Highness was pleased to send me therewith. I thank Your Highness cordially for them and for the interest Your Highness expresses in maintaining our friendship. I shall, on my part, contribute everything that can serve to preserve it. To the aforementioned Nakhoda, according to Your Highness's request, I have shown all possible favor, and I shall not fail to extend my protection to all subjects of Your Highness. As Your Highness's aforesaid vessel is now returning, I offer Your Highness, through the delivery of the aforementioned Nakhoda Oessen, some goods as a gift, which are specified in further detail in the enclosed list, with the friendly request that Your Highness may be pleased to accept them as a token of my regard. Furthermore, I pray God that He may be pleased to bless Your Highness with health and prosperity, and cause Your Highness's reign to remain fortunate, for yet a succession of years. Colombo, 20 December 1790. Signed: J. van de Graaff. Agrees, Wijbrands, Sworn Clerk. 2621 List of Gift Goods for the Sultan: 8, that is eight amonams of areca nut 10, that is ten lb of cloves 6, that is six lb of mace 12, that is twelve lb of nutmegs 30, that is thirty lb of pepper 16, that is sixteen lb of cinnamon 6, that is six pieces of dishes, first sort 5 quires of small median paper Further, 8 amonams of areca nut that could not be sent last year due to scarcity. To the Nakhoda: 3, that is three ells of red cloth. Colombo, 19 January 1790. By order of the Right Honorable Lord Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Dutch East Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies. Signed: G. J. Sijbrands, Sworn Clerk. Agrees, Wijbrands, Sworn Clerk. 2622 List of Gift Goods To the Sultan: 10 lb of cloves 6 lb of mace 12 lb of nutmegs 30 lb of Ceylon pepper 6 pieces of dishes, first sort 5 quires of small median paper 16 lb of fine cinnamon To the Nakhoda: 3 ells of fine red cloth. Colombo, 20 December 1790. By order of the Right Honorable Lord Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Dutch East Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies. Signed: J. A. Lossman, sworn clerk. Agrees, Wijbrands, Sworn Clerk. No. 19
Dutch transcription
2618 Translaat Maldevosche Brief door den zuttan dien Eilanden Nassen Noeredien aan den wel Edelen Groot achtb: Heer Ceilonsch Gouverneur geschree¬ ven en gedateerd 24. oktober 1790 Na voorgaande komplimenten Mijn verlangen is dat onze vriendschap moge worden onderhouden, gelijk dus lange ge„ weest is tot ons leven toe en dat omtrend mij en mijn Rijk de zelfde vriendschap voor altoos mag volhanden De presenten die ik tans onder op zigt van mijn gering Nachoda ossen, van uwe wel Edele Groot Achtb: zend verzoeke als geringheeden te wilden accepteeren. Indien eenige voertuigen van mijn naatste onder het ressont van uwel Edele Groot achtb: Gouvernement mogten komen te verongelukken, verzoeke ik uwel Ed Groot achtb: aan de manschappen daar op ge„ weest de noodige hulpe te willen bewijzen mitsg:s mitsgaders hun dit heen te laaten ver trekken, ook bidde ik uwel Edele Groot achtb„ aan mijn onnosel volk dat eenig qucaet doet door onkunde, hun het zelve gunstig te ver„ geeven, als mede aan de Nachodee indien hij eenige verzoeken omtrend het vaartuijg en volk mogte doen, dezelve Edelmoedig toe„ testaan en hem nevens de overige manschap„ pen spoedig dit heen te laaten vertrekken. Insgelijks bidde de uwel Edele Groot achtb: gunstelijk te willen vergeeven aan de Nachoda wanneer hij door onverstand iets mogte pekceeren Aan het hoofd /:was geteekend:/ sultan has sultan Hassen Noeredien Aldus op de vertaaling van de Maldiven assen Malienie en den Maldevosen Tolk agema doc Libbe abdul Raden aan den Mall Tolk Johan Christoffel Ternanda en volgens den laastens opgave ten papiere gebragt door kol ombo de 20 9ber: 1790. /:was geteekend:) G Ledulp gklerk /:in margiene voor de vertaling /:getee„ kend:/. met twee Malbabaarsche hand teekenin en J: H: Fernando Tolk. Hijbrands Accordeert Legkeerk be t teekening ds lerk No: 18: 2619 Aan den gelukkigen stiltan. Assen Noeradien Iskander Koning der Maldivos Bij de behoude arrive alhier van uwer Hoogheids vaartuijg, heb ik de eer gehad, uit handen van den Nachoda oessen, te ontvangen uwer Hoogheids twee brie¬ ven met de geschenken, die uwe Hoog„ heijd mij daernevens heeft gelieven toetezenden. Ik bedank uwe Hoogheijd van haaten voor de betuijging van desselfs Lugt tot mijn welzijn, en voor de toezending van de voorschreeven geschenken, die mij beide zeer aangenaem waren. Aan den voornoemden Nachoda, heb ik volgens Uwer Hoogheids Verzoek, alle mogelijke gunst beweesen, en ik zal niet nalaeten om aan alle onderdanen van van uwe Hoogheijd, mijne bescherming te verleenen Gerwijl uwer Hoogheijds voormelde vaar¬ tuig tans te rug vertrekt biede ik uwe Hoogheijd, onder bestelling van meerm Nachoda oessen, eenige goederen tot ge„ schenk aan, die breeder vermeld zijn bij de ingeslootene notitie, met vrien„ delijk verzoek dat uwe Hoogheijd dezelve, als een blijk mijner genegeen„ heijd gelieve te accepteeren. Daer bij zijn ook vermeld de agt ammonams arreek die voorleeden Jaer door gebrek van die nooten, niet hadde kunnen verzonden worden en die abusievelijk bij de Lijste zijn bekend gesteld. Voorts bid ik God uwen Hoogheid te willen zegenen met gezondheijd en voorspoed, op dat uwe Hoogheijd desselfs rijk gelikkig mag regeeren, tot 2620 Aan als vooren. tot nog eene reeks van Jaeren Kolombo den 19. ' Januarij 1790. /:was getekend:/ W J: J: van de Graaf„ Bij de beloude arrive alhier van uwer Hoogheid vaer„ „tuijg heb ik de eer gehad, uijt. handen van den Nachoda 1 oessen, te ontvangen uwer Hoogheids minzaamen brief, met de geschenken, die uwe hoogheid mij daarneevens, heeft gelieven toetezenden. Jk bedank uwe Hoogheid van harten daar voor en voor 't belang dat uwe Hoogheid betuijgd, in de voortduuring onzer vriendschap te stellen ik zal van mijn kant alles toebrengen, wat tot onderhou„ „ding van dezelve kan strekken. Aan den voornoemden Nachoda, heb ik volgens uwer Hoogheids verzoek, alle mogelijke gunst beweeze„ en ik zal niet nalaaten, om aan alle onderdaanen van uwe, Hoogheid mijne bescherming te verleenen. Terwijl Uwer Hoogheids voorm: vaartuijg tans terug verstrekt, n den verstrkt, biede ik uwe Hoogheid, onder bestelling van meerm. Nachoda oessen, eenige goederen tot ge„ „schenk aan, die breeder vermeld zijn bij de ingeslooten Notitie, met vriendelijk verzoek dat uwe Hoogheid dezelve, als een blijk mijner geneegendheid gelieve te accepteeren. Voorts bid ik God, dat, hij uwe Hoogheid gelieve te zeegenen met gezondheid en voorspoed, en Uwer Hoog„ „heids regeering steeds gelukkig te doen zijn, tot nog eene reeks van Jaaren. Kolombo den 20: December 1790. /:was geteekend/ : J: van de Graaff Accordeert Wijbrands Egklerk 2621 Lijste der Schenkagie goe= dezen van den Sultan 8. zegge agt ammonams arreek. 10. „ tien lb: nagelen 6. „ ses „ foelie: of Macia: „ twaalf „ nooten muskaaten 12. 30. „ dertig „ Peper 16 „ Sestien „ Kanneel 6. „ ses p:s schotels eerste zoort Vijf boeken kleen mediaan papier agt ammonams arreek, die voorleeden Jaer wegens gebrek niet hadde kunnen verzonden worden. Aan den Nachoda. 3. C:s zegge drie ellen rood laeken. Kolombo den 19 ' Januarij 1790. # Ter ordonn: van den welEdelen Groot Achtb: Heer Willem Jacob van De Graaff Raad erdinaia van Nederlands Indie Gouver¬ neur en Directeur van het Eiland Cei„ lon met dies onderhoorigheeden /:getekend:/ g: J: Sijbrands Eeklerk Wijbrands V Egklerk Accordeert te nog 5. „ 8. „ „ 2622„ 10. lb: Garioffel Nagielen 6. „ foelie of Macis 12. „ Nooten Musschaaten 30. „ peeper Ceijlonse schootels eerste zoort 6. p:s 5. boeken, kleen, mediaan papier 16. lb: fijne kanneel Aan den Nachoda rood fijn laaken 3. Clb Kolombo den 20. December 1790. — Ter ordonn: van den wel Edele Groot Agtb: Heer Willem Jacob van de Graaff Raad ordinair van Neederlands Jndien, Gou„ „verneur en Directeur van het Eijland Ceijlon met dies onderhoorigheeden /: was geteekend:/ J: A: Lossman g: klerk. Accordeert Eijste der schenkagie goederen Aan den Sultan Dijbrands Vegklerk No: 19
English
2623 Nagapatnam To Mr. W: Mitchell Esq:r May I take the liberty to request your Honour to forward the enclosed letter for the Governor and Council at Madras speedily and in a secure manner, whereby a great service will be done to me. I have the honour to be with all sentiments of high esteem, was written below, Sir, Your Honour's obedient Servant, was signed, W: J: van de Graaff, and in the margin, Kolombo the 13th of January 1790. Sir, further below, further below, P: S: I also request that you will kindly grant a secure conveyance for the letter for the Governor at Madras, which is also enclosed here. Agrees Hybrands First Clerk No: 20: 2624 To Mr. M: Martinsz Right Honourable, Strict Sir! Since much depends for me on the speedy and secure delivery of the enclosed letter for Mr. Titsing, Director on behalf of the Dutch Company in Bengal, I hope that your Honour will not take amiss the liberty I take in very kindly requesting your Honour to send the same speedily and securely to Bengal. I offer myself, Sir, for all reciprocal services whenever your Honour shall find that I can be of any use here. I have the honour to be with the highest consideration, was written below, Right Honourable, Strict Sir, Your Honour's humble Servant, signed, W: J: van de Graaff, in the margin, Kolombo the 20th of November 1790. Agrees Hijlrands Colonel First Clerk No: 21 2625 Translation of a Kandyan ola written by the Dissava of the Three Korales, Leeuwke Ralehamij, to the Grand Dissava of Kolombo and also Member of the Council of the Right Honourable, Most Respected Governor, who is a faithful friend of His Imperial Majesty. After preliminary compliments. I have received and read the two letters written by your Honour to me. On the occasion that the Honourable Envoy recently came here and made a request for permission to peel cinnamon, the court dignitaries told his Honour on behalf of the court that they were at a loss as to how they could permit it, because the cinnamon peelers, going to peel in forbidden places, commit outrages there. The Honourable Envoy thereupon gave assurances that care would be taken that such would no longer happen in the future, and that he stood surety for it. Hereupon his Honour was further told that the cinnamon peelers, provided they remain on the other side of the river of Mahaoje, could peel in places situated on the other side of the mountain. The reason for this is that the cinnamon peelers otherwise, passing by the places that yield cinnamon, go and loiter at the foot of the mountain and subsequently peel cinnamon in forbidden places on top of the mountain, because they cannot find any other woods there. I find in your Honour's letter that harassment has reportedly been done to the cinnamon peelers; this is done according to custom by the people appointed to watch the woods when someone comes there, but no harm will befall anyone who peels cinnamon in places situated below the mountain. The cinnamon peelers now also have the same liberty, provided they remain on the other side of the aforementioned river. During the presence of the court dignitaries at Kolombo and also when the Honourable Envoy recently came from there to the court, the scarcity of pagodas and rupees was discussed, and that they are no longer to be had in such numbers as previously. It was then promised to us that they would ensure that more of them would circulate shortly, which, however, has not been done up to now. It will therefore be good for your Honour to give notice of this here to the Right Honourable, Most Respected Governor, so that it may happen speedily, and that your Honour be pleased to inform me thereof. At the head of the ola signed with an illegible signature, was written below. For the translation, signed, D: D: Perera. Kolombo the 9th of December 1790. Agrees Wibrands First Clerk Examined Wm Beukman 2626 Translation of a Kandyan ola written by the Dissava of the Three Korales, Leeuweke Raleramij, to the Grand Dissava of Kolombo and also Member of the Council of the Right Honourable, Most Respected Governor, who is a faithful friend of His Imperial Majesty. After preliminary compliments. That a Malabar, who engaged in all sorts of deceits and wandered around everywhere, arrived at Kolombo, was communicated to the court; whereupon it was answered from here what was to be done with him. Then it was written to us again that the Right Honourable, Most Respected Governor thought that it was not good to keep the man here and also not to let him return to his country, but rather to send him to another country. Hereupon it was written from here that what the Right Honourable, Most Respected Governor had devised was very good, and they were very well satisfied with it. Now, about a month or two ago, notice was given to us that preparations were being made to send this man speedily to Batavia; nevertheless, one hears here at present that he is doing unheard-of things there, which your Honour yourself upon reflection will find to be contrary both to the commands of His Imperial Majesty and to mutual friendship and the Buddhist Teachings. At the time that dissensions arose on both sides, military forces were stationed on the frontiers
Dutch transcription
2623 Nagapatnam Aan den Heer W: Mitchell Esq:r Mag ik de vrijheijd gebruijken uwelEd: te verzoeken om den inleggenden brief voor den Heer Gouverneur en Raad te Madras spoedig op eene sekuure wijze addaesse te verleenen, waer door mij veel dienst zal geschieden. Ik heb de eere met alle gevoelens van Hoog achting te zijn /:onderstond:/ Mijn Heer Uwel Edelens ge¬ hoorzaeme Dienaar /:was ge„ teekend:/ W: J: van de Graaff, /: en mar„ gine:/ Kolombo den 13: Januarij 1790. Mijn Heer /:lager:/ /:lager :/ P: S: De nog hier ingesloote brijf voor den Heer Gouverneur te Madras, verzoeke 'S Smeede sekuure advaesse te willen verleenen. Accordeert Hybrands Egklerk No: 20: 2624 Aan den Heer M: Martinsz Wel Edele Gestrenge Heer! Vermits aan de spoedige en secuure bestelling van den ingeslootenen brief voor den heer Titsing, directeur van weegen de Needer, „landsche Comp: in Bengale, mij veel geleegen legd, hoop ik dat uw Ed: gestr: niet kwalijk zal neemen, de vrij„ „heid die ik gebruijk, met uEE: Gestr. zeer Vriendelijk te verzoeken om dezelve spoedig en sekuur na Bengale te zenden. Jk offereere mij mijn Heer tot alle weederkeerige dien„ „sten wanneer Uw Ed. Gestr: zal bevinden dat ik deselve hier tot iets goeds zijn kan. Jk heb de eere met de hoogste Consideratie te zijn (:onder„ „stond/ wel Edele Gestr: Heer:! uwel Ed: Gestr: oodmoe„ „dige Dienaar /:geteekend:/ W: J: van de Graaff, /:in margine:/ kolombo den 20. 9ber: 1790. Accordeert Hijlrands Kolonel Egkark No: 21 2625 Translaat Kandiasche ola geschreven door den dessave der drie Korles Leeuw¬ ke Ralehamij aan den Groot dessave van Kolombo en meede Lid van de ver¬ gadering van den wel Edelen groot agtb: heer Gouverneur, die een getrouwe vrind is van zijne kijserlijke majisteed Na voor af gaande komplimenten De twee brieven door uwel Edele aan mijn geschreven heb ik ontfangen en geleezen. bij gelegentheijd dat de E: gezant laast hen gekoomen is, en verzoek gedaan heeft om verlof tot het schil„ En van kanneel hebbende hofsgrooten aan zijn Ed: van we„ gens het hof gezegt, dat men verleegen was hoe men het zoude toestaan wijl de kanneelschillers op de verboodene plaatsen gaande schillen aldaar baldadigheeden pleegen DE: gezeent heeft daar op verzekert, dat er zoude gezorgd worden dat zulks in den aanstaande niet meer zouden geschieden, en dat hij daar voor instond. Hier op is aan zijn Ed: naader gezegt, dat de kanneelschillers mits ze blijven aande overkant van de revier van Mahaoje, konden schillen op plaatsen geleegen aan den anderen kant van den berg De reeden daar van is, dat de kanneel„ schillers anders de kanneel gevende plaatsen voor bij 0 gaande, zig gaan ophouden aan den voet van den berg en 2 vervolgens op verboodene plaatsen boven op den beng kanneel„ schillen, wijl ze dan daar geene andere bosschen kunnen vinden Ik Ik vinde in uwel Edele brief dat aan de kanneelschillers over„ last zoude zijn geschied dit word volgens gewoonte gedaan door de luiden die gesteld zijn om op de bosschen te passen Wanneer daar imand komt, egter zal niemand eenige leed overkoomen, die kanneel schild op plaatsen geleegen benee„ den berg. De kanneelschillers hebbennu ook de zelfde vrijheijd, mits ze blijven aan den overkand van voorsz: revier Bij het aanweezen van de hofsgrooten te kolombo en ook toen laast de E: gezant van daar aan het hof gekoomen is, is ergesprooken van de schaarsheid van pagooden en ropijen en dat die zoo veel niet meer te krijgen zijn als voor heen. Toen is ons belooft, dat men maaken zoude dat die binnen korten meer vouleeren het geen egter tot nog toe niet is gedaan. Het zal daar om goed zijn, dat uwel Edele hier den wel Edelen groot agtb: „ gouverneur hier van kennis geeft, op dat het spoedig geschied, en dat uwel Edele mij zulks gelieven te bedeelen. Aan het hoofd der ola geteekend met een onleesbaare /:onderstond/. handteekening voor de translatie geteekend D: D: Perera Kolombo den 9. december. 1790. Accordeert Wibrands Egklerk vrijheijd nee„ Nagezin Wm Beukman 2626 Translaat kandiasche ola geschree„ „ven door den Dessave der Dire korles. Leeuweke Raleramij aan den Groot Dessave van kolombo en meede Lid van de vergadering van den wel Edelen Groot agtb: Heer Gouverneur die een getrouwe vriend is van zijne keijzerlijke magisteid Na voor af gaande komplimenten. Dat een mallabaar, die zig met allerhande bedriegerijen opgehouden, en overal rond gezworven heeft, te kolom„ bo is aengekoomen, is aen het hof bedeeld; waar op van hier is geantw: wat met hem moeste worden gedaen; Toen is weeder aen ons geschreeven, dat de wel Edele Groot agtb: heer gouvrrneur dagte, dat het niet goed was om den Man hier te houden en ook niet om hem na zijn Land te laaten te augkeeren, maar wel om hem na een ander land te verzenden Hier op is van hier geschreeven; dat het geen de wel Edel groot agtb: Heer gouver„ „neur hadde uitgedagt heel goed, en men daar meede heel wel te vaerden was. Wu een maand of twee geleeden is aen ons kennis gegeeven dat er ge„ reetheijd gemaakt wierd om deezen Man spoe „dig na Batavia te zenden; des niet teegensta „de hoort men tans hier; dat hij aldaer ongehoor„ „de dingen doed, die uwel Edele zelve bij naden„ „king zal bevinden strijdig te weezen, zo teegens de beveelen van zijne keijserlijke majesteijt als teegens de weederzeijdsche vriendschap, en de Boedoesche Leere Ter tijde dat 'en aan weerskanten oneenigheeden zijn ontslaen, zijn Militairen geplaast op de limie„ ten
English
parts of the country, but since peace was concluded, this has not occurred. Now, however, it is heard that military forces have arrived at Situwaka and at other boundary divisions. Previously, even if a slight cooling occurred in the mutual friendship, that was not done. Why does this happen now, at a time when we are on very good terms with one another? Is it perhaps thought that it is not necessary to maintain friendship with us? If you wish to live in friendship with us henceforth, please write promptly that such unusual matters shall occur no more, and that in future one shall act according to the old customs. It will therefore be well that your Honour inform the Right Honourable Governor thereof, so that a prompt reply may be sent hither. At the head of the ola signed with an illegible signature. Below was written: For the translation, Colombo, the 17th of November 1790. Was signed: D. D. Perera. Agrees. Hijbrands, First Clerk. Examined, Gerritsz No. 21½. 2627 To the Dissava of the Three Korales and Sabaragamuwa. The Grand Dissava of Matara has forwarded hither unopened an ola written by your Honour to him. I have been instructed by the Right Honourable Governor to answer your Honour that it is not the custom for letters on behalf of the Court to be written to anyone other than the Grand Dissava of Colombo, who then informs the Right Honourable Governor thereof. The Noble Governor has instructed me to write to your Honour that an investigation will be made into the matter mentioned in the aforesaid ola. In the margin: Colombo, the 9th of January 1790. Agrees. Hijbrands, First Clerk. 2628 Kandy. To the Dissava of the Three Korales and Sabaragamuwa, Pilime Talauwe Ralahamy. Honourable Sir, In accordance with the highly respected command of the Right Honourable Governor, I have the honour hereby to inform your Honour that the ordinary Ambassador of the Illustrious Company, the Merchant and Fiscal as well as member of the Council of the aforesaid Right Honourable Governor, Mr. Johannes Adrianus Vollenhove, is to depart from here for the Great Court of His Imperial Majesty of Kandy on the 17th of this current month. While further I have the honour, after friendly greeting, to call myself with all respect, below was written: Honourable Sir, your Honour's humble servant. In the margin: Colombo, the 9th of February 1790. Agrees. First Clerk, Hijbrands. 2629 The Company's envoy, Mr. Vollenhoven, having on his return from Kandy informed the Right Honourable Governor that the Gentlemen of the Court had delivered to him a certain Moor named Koonjje Tambie Semakasie, because he was said to have made himself guilty of uttering false pagodas, the aforesaid His Honour determined that this matter should be judicially investigated, as has been done. During this investigation he merely stated: That he has now resided and lived in Kandy for two years, and whenever the Gentlemen of the Court needed ducats, pagodas, ducatoons, rupees, etc., he sent money from there with the people of the Court grandees themselves, together with a servant of his and an ola hither to the Moor Oemoer Pulle Agamadoe Libbe, and having received what was demanded, delivered it to the Court grandees. To the Dissava of the Three Korales. The aforesaid Right Honourable Governor has accordingly instructed me to request your Honour that the evidence that exists against this Moor may be sent hither. I have further the honour, after friendly greeting, to remain with all respect. In the margin: Hultsdorf, the 29th of April 1790. Agrees. Wijbrands, First Clerk. 2630 To the Dissava of the Three Korales. The Right Honourable Governor has instructed me to send you the enclosed translation of a Malabar ola written by the Vanniyar of Panawa to the Lieutenant Colonel and Head of Trincomalee, Mr. van Drieberg, together with the Council. The aforesaid His Right Honour is fully assured that this writing was done without order and without the knowledge of the Great Court, and I have therefore been instructed by the aforesaid Governor to request you, as I do hereby, that you be pleased at an auspicious hour to bring the aforesaid ola under the notice of the aforesaid His Imperial Majesty, with the request that the necessary orders may be written in emphatic terms to the above-mentioned Panawa Vanniyar. Meanwhile, an order has been sent to the aforesaid Head of Trincomalee, Mr. van Drieberg, and the Council, by the Right Honourable Governor and Council, to prevent the Vanniyar of Panawa should he attempt any novelties. If the above-mentioned Vanniyar should think that the boundaries there are not properly regulated according to the Treaty, that can be investigated by commissioners from both sides. Should His Imperial Majesty desire this, and should commissioners of the Court be appointed for that purpose, the aforesaid Governor will also forthwith appoint commissioners on behalf of the Company to investigate and settle these matters amicably together with the commissioners of the Court. I request that you send me your answer to this as soon as possible. In the margin: Colombo, the 3rd of July 1790. Hijbrands. Agrees. First Clerk.
Dutch transcription
„ten van het land, maer zeedert dat de vreede geslooten is, is het niet geschied. Nu hoort men egter dat 'er Militairen gekoomen zijn op zitu„ „aka en op andere semiet scheijdingen. Bevoorens al kwam 'er ook eene kleijne verkoeling in de„ weederzijdsche vriendschap, is dat niet ga„ daen. waerom gebeurt zulks tans in een tijd dat men heel wel is met malkanderen. Denkt men misschien dat het niet noodig is met ons vrindschap te onderhouden. Jndien men voortaen in vriendschap met ons leeven wil, gelieft dan spoedig te schrijven, dat zulke ingewoone zaaken niet meer zullen geschieden, en men in den aenstaende na de oude gewoontens zal handelen. Het zal daerom goed zijn, dat uwel Ed: den wel Edelen groot agtb: Heer gouverneur Wier van kennis geeft, op dat er een spoedig antw: na her„ waards gezonden word Aan het hoofd der ola geteekend met een onlees„ „baare handteekening /:onderstond:/ voor de Translatie kolombo den 17. november 1790. /:was geteekend/ D: D: Perera. Accordeert. Hijbrands lGklerk tu„ n Nagezien Gerritsz N=o 21½. 2627 Aan den Dessave van de drie korles en safregam De Heer Groot dessave van Mature heeft ongedo„ pend: na herwaards gezonden een ola door uwE: aan hem geschreeven. Ik den door den welEdelen Groot achtb: Heer Gouver„ neur gelast uwEd: te antwoorden dat het geen gebruijk is dat van wegens het Hof anders dan aen den groot dessave van kolombo geschreeven word die als dan den welEdelen Groot achtb: Heer Gouverneur daer van kennes geeft De Edele Heer Gouverneur heeft mij gelast aan uwE: te schrijven dat na de zaak bij de voorsz: ola vermeld zal worden on„ der zoek gedaan /:in margiene:/ kolombes den 9 January 1790. Accordeert Hijbrands Negklerk 2628 kandia Aan den Heer Dessave der drie korles en de Sassergam Pilime Talauwe Ralehamij Wel Edele Heer. Volgens hoog gerespecteerd bevel van de weled Groot Achtb: Heer Gouverneur heb ik de Eere uw welEdele bij desen bekend te maaken dat der gewoone Ambassadeur van de Doorlig„ tige kompenie den koopman en fiskaal mitsgaders lid van den Raad van welgemel„ den Groot Achtb: Heer Gouverneur de Heer Mr. Johannes Adrianus vollenhove op den 17. van dese lopende maand van hier na het groote Hoff van Z: k: M: van kandia staat te vertrekken Terwijl voorts de eere hebbe van mij met alle respect te noemen /:onderstond:/ wel Edele Heer uw Ed: ootmoedie dienaare /:inmar giene:/ kolombo den 9 febr 1790. Accordeert EGklerk Hijbrands 2629 Skomp. gezant de Heer vollenhoven met zijn terug komst uit kandia aan den wel Edelen Groot Achtb: Heer Gouverneur hebbende bekent gemaakt, dat de Heeren Hofsgrooten aan hem hadden overgegeven en zeekere Moorgenaamt koenjje Tambie sema kasie, wijl Wij zig zoude hebben schuldig gemaakt aan het uitgeeven van valsche pagooden heeft wel gem: zijn Edele bevonden dat deeze zaak geregtelijk zoude worden onderzogt, gelijk is geschied. Wij heeft bij dit onderzoek alleen opgegee„ ven. Dat hij nu zedert twee Jaaren zig in kandia opgehouden en aldaar gewoond heeft en wanneer de Heesen Hofsgrooten dukaten pagooden, die Catonnen, ropijen enz: noo„ dig hadden van daar geld met het volk van de Hofsgroote zelven, neevens een. Dienaer van hem en een ola herwaerds aan den Moor oemoer pulle Agamadoe Libbe gezonden en het g'eyschte ont„ vangen hebbende, aan de Hofs grooten overg¬ Aan den dessave der drie korles geeven „geeven heeft. Welgem: wel Edele Groot agtb: Heer Gouverneur heeft mij dien volgens gelast uwEd te ver„ zoeken dat na herwaards mogen worden gezonden de bewijzen die er zijn teegens deezen Moor. Ik heb voorts de eere na vriendelyk groote met alle achting te zijn verbleeven /:in„ „margiene Hhlfts dorp den 29. April 1790. Accordeert Wijbrands DEgklerk ur egens 5790. in„ e 2630 Aan den Dessave der drie korles De wel Edele Groot achtb: Heer Gouverneur heeft mij belast aan uw te zenden de hier inge„ slootene vertaeling van een Mallabaarse ola, geschreeven door den wannier van Patta„ we aan den luijtenant kolonel en opperhoofd van Trinkonomale de Heer van Drie„ „berg nevens den raad wel gemelte zijn wel Edele Groot achtb: houd zig volkomen verzeekert, dat dit schrij„ 1 ven is geschied buiten last en buijten ken„ nis van het groote Hof en ben ik daervo door welgem: Heer Gouverneur gelast, om uw teverzoeken gelijk ik toe door deze om bij een goed uur de voorsz: ola tewillen brengen onder het oog van wel gem: zijne kijzerlijke Majesteit, met verzoek dat aan bovengem: Pattawe wannia in nadrukkelijke termen het noodige mag worden aengeschreeven. Aan het voorsz: opperhoofd van Trinkono„ „male de Heer van Drieberg en de Raad is intussen door den wel Edelen Groot agtb: Heer Gouverneur en Raad, order gezonden om om wanneer de wannia van J Pattawe eenige nieu wigheeden mogt onderneemen, dat te beletten zoo de bovengem: wannia mogte meenen dat de te mieten aldaar niet wel gereegeld zijn volgens het Traktaet kan dat door we„ der Zijdsche gekommitteerdens worden onderzogt. zoo zijne keijzerlijke Majes„ teid dat mogte verlangen, en dat daar toe gekommitteerdens van het Hoe benoemd worden, zal wel gem: Heeren Gouverneur ook ten eersten gekommitteerdens van wegens de komp: benoemen om gezaement„ lijk met de gekommitteerdens van het tof deze dingen in het vriendelijke te onderzoeken en afte doen. Ik verzoek mij hier op zoo spoedig het geschieden kan uw antwoord te laeten toekomen /:inmargiene:/ kolombo den 3 Julij 1740. Hijbrands Accordeert ECklerk Pal awe
English
Tallakodde moedranse lage mennikrale has stated that he is the husband of Tingerie Allena from the Sassergam, who it is said was abducted and brought over into the Company's land, but sent back; he says that on this occasion some goods belonging to his aforesaid wife have gone missing, which he values at one hundred and forty rixdollars, and although he has not been able to show any proof thereof, nor even been able to provide proper indication, and thus the man who is accused of having a share in this matter cannot be found either, the Right Honourable Lord Governor has nonetheless, in order that this subject of His Royal Majesty may be indemnified, arranged that these one hundred and forty rixdollars shall be paid. I therefore only request to know whether this money can be delivered to this Talla kodde moedie anselage mennikrale. To the Lord Dessave of the Three Korales. delivered. While furthermore, after friendly greetings, I have the honour to be with all respect, [was signed:] Your Honour's Humble Servant [in the margin:] Colombo, the 21st of August 1790. Agrees Hijbrands Sworn Clerk To the Lord Dessave of the Three Korales Honourable Sir, Your Honour's letter in reply to mine of the 11th of July last I have had the pleasure to receive, and I have brought the same to the notice of the Right Honourable Lord Governor. Your Honour's assurance given therein, that the refractory Company's subjects who had the audacity to go to Kandy were notified that if they had any complaints they could lodge them with the Illustrious Dutch Company itself and seek justice there, is very pleasing to the Right Honourable Lord Governor, just as His Honour is also most gratified by the assurance that Your Honour gives in this letter of the friendship of His Royal Majesty towards the Illustrious Company and of His Royal Majesty's affection for the Right Honourable Lord Governor in particular. When subjects of the Illustrious Company think they have been wronged in this or that matter, complaining thereof, they must make their complaints, as goes without saying, to the Illustrious Company; it alone is authorized to hear their complaints and, if they have indeed been wronged, to do them justice. Your Honour says that since the conclusion of the Peace Treaty, many prominent and common people from the King's land have fled to the Company's territory who have not been extradited. The Company is not accustomed to interfere when individual subjects of Their Honours, being free men, not being in Their Honours' direct service and who consequently cannot be regarded as deserters or defectors, nor have committed crimes that would make it necessary to demand them back, are not inclined to continue living in the Company's lands, and desire to go live in the lands of His Royal Majesty, and indeed do so. This is a freedom which the Illustrious Company thinks cannot in fairness be denied to such people, and the Right Honourable Governor thinks he may assume that His Royal Majesty also [regards it as such]. However, the people whom I, by order of the Right Honourable Lord Governor, demanded in my letter of the 11th of July were rebels, who consequently made themselves guilty of the greatest crimes against the Illustrious Company that a subject can commit against his sovereign, and of which the 17th article of the Peace Treaty very expressly states that they must be extradited. If there should be such criminal subjects of His Royal Majesty in the Company's territory, which the Right Honourable Lord Governor does not know, or if they should come hereafter, they shall, as included in what is stipulated by the 17th and 18th articles of the Peace Treaty, be extradited at once. Your Honour says further that there are people who, on the occasion when there was an uprising in the Kandyan territory, went to Colombo and lodged complaints there, and that these people were not arrested nor sent to Kandy. Never in any case whatever have any refractory subjects of His Royal Majesty appeared before the Right Honourable Lord Governor; if nevertheless, without the knowledge of the Right Honourable, any such refractory subjects of His Royal Majesty had formerly been in the Company's lands and had been demanded back, they would have been extradited immediately. The Right Honourable Lord Governor also trusts in the most complete manner that whenever in the future any subjects of the Illustrious Company again, as has recently happened, have the audacity to arrive in Kandy with complaints which no subjects may make except to their lawful authorities, they will be taken into arrest and sent bound to Colombo, as has indeed been the custom of all times, and was done among other occasions in the year 1758, when 32 refractory cinnamon peelers were arrested by order of the King in His Majesty's lands and, under the escort of two mohandirams of the Court, sent bound by order of His Royal Majesty to Colombo and there handed over to the Company; when this is always done in this manner, it will prevent such punishable acts from happening anymore in the future. The Right Honourable Lord Governor has ordered me to request Your Honour, as I do hereby, to be pleased to bring all this to the knowledge of His Royal Majesty at a favourable hour. Furthermore, it has been noted that Your Honour has deviated from the usual manner of writing to me, the undersigned Dessave, [illegible] the title at the head of this letter
Dutch transcription
2631 Tallakodde moedranse lage mennikrale heeft opgegeeven de man te zijn van Tingerie Allena uit de Sassergam, die zo gezegt word zoude zijn vervoert, en in skomp:s land overgebragt was, dog te rug gezonden, is hij zegt dat van voorsz: zijn vrouw ter deser gelegentheid zijn vermist eenige goederen, die hij waardeert op een hondert en veertig rd:s, en schoon hij wel daarvan geen blyk heeft weeten te toonen nog selfs behoorlijke aanweising heeft weeten te doen, en dus ook den man die be„ schuldigt word in dese zaak deel te hebben niet is te vinden heeft nogtans den welad: Groot Achtb: Heer Gouverneur op dat desen onderdaan van zijn k: majestijd schade„ loos gesteld worden in voorzien dat dese een hondert en veertig rd=s zullen worden betaald. Ik verzoek dus alleen te mogen weeten. of dit geld aan deese Talla kodde moe„ die anselage mennikrale kan worden Aan den Heer Dessave der Drie korls afgegeven afgegeeven Ter weil ik voorts na vriendelijke groete met alle achting de eere hebbe te zijn /:onderstond:/ uwe Eed: Dw: Dienaer /:in„ margiene:/ kolombo den 21. augustus 1790. Accordeert Hijbrands VEijklerk stus s k 2632 Aan den Heer Dessave van de drie korles Wel Edele Heer uwelEdele brief in antwoord van de mijne van den 11. Julij sleeden heb ik het genoegen gehad te ontfangen, en heb dezelve aan den wel Edelen Groot achtb: Heer gouverneur ter kennisse gebragt. uwel Ed:s verzekering daar bij gedaan, dat aan de wederhoorige skomp:s onderdaanen die de stoutheid gehad hebben naar kandia te gaan, is aangezegt, dat zoo te eenige klagten hadden ze die bij de voorl: Hol„ landsche komp: zelfs konden inbrengen, en daar regt zoeken, is den wel Edelen Groot Achtb: Heer Gouverneur zeer welge„ vallig, gelijk zijn Ed: ook ten hoogsten aangenaam is, de verzeekering die uwel Ed: bij deezen brief doet, van de vriend„ schap van zijn k. M: teegens de Doorl: komp: en van zijn k: M. genegentheed voor den wel Edelen G: A: Heer Gouver„ neur „neur in het bijzonder wanneer onderdaanen van de Doorl: komp: in deeze of geene dingen denken te zijn verongelijkt, moeten ze daar over kloe„ gende, hunne klagten zoo als dat van zel„ ve spreekt, doen aan de Doorl: komp: deze is alleen gewettigt om hunne klag„ ten te aan hooren, en hun zoo te werke„ lijk verongelijkt zijn recht te doen. uwelEd zegt, dat 'er zeedert het sluijten van het vreedens Traktaet, veele aanzien„ lijke en gemeene luijden uit skonings land, naar s Comp:s gebied gevlugt zijn, die niet zijn uitgelevert De komp: is niet gewooner zig meede te moeij„ „en wanneer enkelde van haar Ed:s onder„ daanen zijnde vrijelieden, niet zynde in haar Ed:s direkte dienst en die midsdien niet als deserteurs of overloopers kunnen worden aangemerkt, nog misdaeden bedreeven hebben, die het zoude noodig maaken om ze opteeisschen, niet ge„ neigt zijn in komp:s landen te blijven woonen, en verlangen te gaan woonen in 2633 in de landen van zijn k M: en dat ook met der daat doen. Dit is een vrijheid die doorl: komp: denkt dat diergelijke luijden met geen billikheid kan worden belet en den welEd: groot agtb: gouverneur denkt te mo„ gen veronderstellen dat ook zeijn k: M: dat op Dog de luijden, die ik bij mijn brief van den 11. Julij uit order van de wel Edelen Groot Achtb: Heer Gouverneur heb op geeescht waaren rebellen, die zig midsdien aan de grootste misdaagen tegen de Dool: komp: hebben schuldig gemaakt, die een onderdaen tegens zijn souverijn begaan kan, en waer van het 17. artekel van het vreedens Traktaet zeer expets zigt dat te moe„ ten worden uitgelevert. zoo 'er zulke misdaadige onderdaanen van zijn k: M: in komp: gebied mog te zijn, het geen den wel Edelen Groot Achtb: Heer Gouverneur niet weet, of na deze mogten koomen, zullen ze als begreepen in het vastgestelde bij het 17. en 18: artikel van het vreedens Traktaat ten ten eersten worden uitgelevert. uwelEd: zegt wijders dat 'er luijden zijn die bij gelegentheid dat er in het kandiasche een opstand geweest is, na kolombo zijn ge„ gaan en daar hebben geklaegt, en dat deeze luijden niet opgevat nog na kandia gezonden zijn Nimmer zijn er in wat geval het ook. mogt zijn, eenige weederhoorige onderdae„ nen van zijn k M: voor den wel Edelen groot Achtb: Heer gouverneur verscheenen zoo en nochtans buiten weeten van den welEdel groot Achtb: eenige zulke wederhoorige onderdanen van zijn k: M: eertijds in skomp. landen mogte geweest zijn, en dat ze waren opgeeischt, zoude die aan„ stons zijn uit gelevert. Den wel Edelen Groot Achtb: Heer Gouver„ neur vertrout ook op de volkomenste wijze, dat wanneer in den aanstaande weder eenige onderdaanen van de Doorl= komp: gelijk in langs is geschied, de stout„ heid habben zig met klagten die geen onderdoenen mogen doen, dan alleen aan hunnen 2634 hunnen wettige overheid in kandia aangekoo„ men, ze zullen worden in arrest genoomen en gevleegelt gezonden worden na ko„ lombo, zoo als dat zelfs van alle tijden de gewoonte is en onderanderen is gedaan en Jaar 1758: wanneer 32. wederhonge kanneel schillers op ordere van de koning in zijn M: landen zijn opgevat en onder het gelijde van twee mohanderams van het Hof uit ordre van zijn k: M: gevliegete gezonden zijn na kolombo en daar aan de komp: zijn overgegeeven wanneer dit altijd zoo gesched zal dat voorkoomen dat diergelijke straf waardige bedrijven, voortoen niet meer gebeuren De wel Edele Geroot Achtb: Heer Gouverneur heeft mij gelast om uwelEd: te verzoeken gelijk ik doe door deezen, om dit een en ander bij een goed uur aan zijn k: M: tewillen ter kennes brengen. voorts is opgemerkt dat uwelEd van de gewoone mannier van schrijven aan mij ondergeteekende Dessave is afgewee„ „ken, wijf de Titul aan het hoofd bij deeze brief a
English
ola letter, recently [illegible] is not arranged as it was before. The custom is that your Honour, writing to me, writes: This letter is addressed to the Grand Dessave of Colombo, who is a member of the council of the Right Honourable, Most Venerable, very faithful Lord Governor to the great Court of His Royal Majesty. I only note this because it conflicts with the old custom, and I request your Honour to continue writing in the customary manner of old in the future. Furthermore, after manifold friendly greetings, I have the honour to be with all esteem. In the margin: Colombo, the 28th of October 1790. Agreed, Sijbrands, First Clerk. 2635 Kandy. To the Lord Dessave of the Three Korles, Leuke Ralehamy. Honourable Lord! I have received in very good order the ola letter that your Honour wrote to me these past days, containing a request to favour the inhabitant of Moratuwa, Dis, of the family of Balapu Waduge, with the post of Mohandiram over Moratuwa and Galkissa, to which I have the honour to reply that that man is an evildoer who left his village because of his crimes, and he cannot be favoured with the requested office, whilst moreover two upright men have been appointed as headmen over the aforesaid two villages, and it would thus be an injustice if a common man were elevated above them. Furthermore, after manifold friendly greetings, I have the honour to be with all respect. Signed below: Honourable Lord, your Honour's obedient servant. In the margin: Colombo, the 28th of October 1790. Sijbrands, First Clerk. Agreed. 2636 Since the Right Honourable, Most Venerable Lord Governor has been in the administration, his Right Honourable, Most Venerable has from the beginning until now done everything he could devise for the pleasure of His Royal Majesty and of the Court. He has spared no expense therein, however great it may have been; he has caused the finest things to be brought from distant lands and presented them to His Royal Majesty. Everything that His Majesty let his Honour know would serve for his pleasure, he immediately ordered to be sent. Although all this has happened, his Right Honourable, Most Venerable has nevertheless had the displeasure of seeing that not only have the Company's cinnamon peelers in the two preceding years been prevented from peeling cinnamon on the other side of the river Maha Oya below the mountain and belonging to the delimited places, as I wrote to the Dessave of the Three Korles in my letter of the 12th of August 1789, but the cinnamon peelers in the other delimited places have even had to undergo many molestations, not only with the taking away of their tools, but they have even been mistreated and beaten in their persons. Others were sent bound to Colombo, although upon investigation of the matter it was found that these people had done nothing evil or improper. Now it has happened again. The cinnamon peelers who came to peel cinnamon on the other side of the river Maha Oya below the mountain on the delimited places have been prevented from crossing this river to peel cinnamon there according to custom. In addition, they were treated poorly and very improperly. By this, great damage is caused to the Company. Because the cinnamon peelers are hindered in this manner in their activities, the work they do does not amount to half of the expenses of the maintenance allowances that are provided to them. 2637 I request you to bring this to the attention of His Royal Majesty at a favourable hour. In the margin: Colombo, the 16th of November 1790. Agreed, Sijbrands, First Clerk. No 221 2638 Kandy. To the Most Illustrious and Most Mighty Monarch, Sri Rajadhi Raja Singha, who presently governs the widely famed and mighty Kingdom of Kandy and sits upon its golden throne. The very distinguished embassy which I recently saw appear here to my particular pleasure, and which was represented by the Lords Pilimatalauwe Ralehamy, Dessave of the Three Korles and Sabaragamuwa, the Negamouve Mohottiar, and the Niramulle Mohandiram, has handed over to me a letter written to me on Your Royal Majesty's high order by the assembled Lords of the Court. By the Lord Ambassadors, the strongest assurances were furthermore made to me of Your Royal Majesty's steadfast attachment, Most Illustrious and Most Mighty Monarch, to the interests of the Illustrious Company, and of Your Royal Majesty's particular friendship and affection for me. And how could I doubt either of those matters, since the letter itself gives me the most emphatic proof thereof? I express my most sincere gratitude for this, and I desire nothing more than that I may be given the opportunity to provide actual proof of my affection to make Your Royal Majesty's kingdom and reign prosperous and renowned. For this and other reasons serving for the further confirmation of mutual friendship, I am now dispatching to Your Royal Majesty's Court the Merchant and Fiscal of Ceylon and member of my Council, the Lord Johannes Adrianus van Vollenhoven, who, while presenting this my letter, will furthermore give Your Royal Majesty the most sincere assurances
Dutch transcription
brief olassen, onlangs ons Jongen niet zoo danig als bevoorens ingerigt is. De gewoon„ te is dat uwelEd aan mij schrijvende, schrijft Dezen brief word gerigt aan den groot Dessave van kolombo die een meede Eid is van de vergadering van den weled: Groot Achtb: aan het groote Hoff van Z: k: M: seer getrouwen Heer Gouverneur Ik merke dit alleen aan om dat het streyd teegens de oude gewoonte en ik verzoek uwelEd om voortaen bij de van ouds gewoone wijze in het schrijven te willen blijven kontinueeren. Jk heb voorts de eere na veel maelig vriendelijk groeten met alle agting te zijn. /:in margiene kolombo den 28. oktober 1798. Accordeert Sijbrands HEgklerk woon¬ 4 llen R 2635 kandia Aan den Heer Dessave der Drie Korles Leu„ ke Ralehamij Wel Edele Heer! Ik heb zeer wel ontvangen de brief ola die uwel Ed: mij deser dagen heeft geschreeven inhandende verzoek om aan den inwoon„ der van morrottoe Dis van de famil„ lie van Balaapoe wadoege met den dienst van Mohandiram over Morrottoe en Galkisse te beginstigen waar op de eere hebbe in meerdelijk antwoord te dienen, dat die man een kwaaddoender is, die om zijne misdaden zijn dorp heeft verlaaten, en met het overzogte ampt niet kan begunstigt worden terwijl bo„ vandien over voorschreeve twee Dorpen twee brave menschen als hoofden ge „ steld zijn, en het dus eene onregt veer„ digheid zoude weesen, wanneer een gemeen man boven hun verheeven wierd Ik heb voorts de eere na veel malig vrien„ delijk groeten met alle respect te zij onderstond onderstond wel Edele Heer uweled: Dw Die„ naar /:in margiene kolombo den 28. oktober 1790. Dijbrands liklerk Accordeert 2636 Zeedert dat den wel Edele Groot Achtb: Heer gouverneur is in de Regeering, heeft zijn wel Edele G: A: van het begin aan tot nu toe, alles gedaan wat wij heeft kunnen uitdenken tot genoegen van zijn k: M: en van het Htof Hij heeft daar in geen kasten ontzien hoe groot die ook zijn geweest van verre landen heeft bij de fraaiste dingen doen koomen en die gehouden aan zijn R: M. Alles wat zijn M: zijn Edele heeft laaten weeten dat tot zijn genoegen ver„ strekken zoude, heeft wij aan stonds ge„ zegt dat gezonden is. Daar dit alles is geschied, heeft zijn wel Edele Groot Achtb: des niet teegen staande het ongenoegen gehad om te moeten zien dat niet alleen komp:s kanneel schil„ lers in de twee voorgaande Jaaren, zijn belet kanneel te schillen aan de overkant van de revier Mahaoije beneeden de berg en gehoorende onder de gelimiteer„ de plaetsten, zoo als ik dat geschreeven 07 Aan den Dessave van de drie korles heb heb bij mijn brief van den 12. Aug:s 1789 maar hebben zelfs de kanneel schillers op de overige getimiteerde plaatzen, veele mo„ lesten moeten ondergaen niet alleen met het weg neemen van hunne gereedschappen maar zijn ze zelfs in hunne perzoonen mitshandelt en geslaagen Andere zijn ge„ bonden gezonden na kolombo, niet teegens„ taande bij onderzoek der zaake bevonden is; dat deze luijden niets kwaats nog on„ behoorlijk hadde gedaan. Na is het wederom gebeurd. De kanneel schil„ lers die gekoomen zijn om kanneel tegaan schillen aan de overkant van de revier van Mahaoje beneden de berg of de gelimiteerde plaatzen, zijn belet over deze rivier te gaan om daar kanneel te schillen na gewoonten Bovendien zijn nog kwalijk en zeer onbe„ hoorlijk behandelt. Hier door word aan de komp: groote schaade toegebragt. Door dien de kanneelschillers op deeze wijze worden belat in hunne verrigtingen, bedraagt het werk dat te doen niet de heeft der onkosten van de . 2637 de maindeman tot die aan hun worden verstrekt Ik verzoek dit bij een goed uur te willen bren„ gen onder het oog van zijn k: M: /: in margiene kolombo den 16 November 1790. Accordeert Hijbrands Vlyklerk No 221 2638 Kandia Aan den Doorluchtigsten en Groot machtigsten Monarch @ Drie Rajadie Raja Singe die tegenwoordig 't wijd beroemde en machtige Rijk van Kandia bestierd en op desselfs gouden troon zit. ƒ Het zeer aanzienlijk gezantschap dat ik on= langs tot mijn bezonder genoegen alhier heb zien verscheinen, en het welk bekleed was door de Heeren Pilimetalauwe Ra= „leramij, dessave van de drie Korles en saffregam Den negamoeue Mohotiaar en Nieramoelle Mohandiran heeft aan mij overhandigd een brief op uw K: M: hooge ordre aan mij geschreeven door de gezaementlijke Heeren Hofsgrooten. Door de Heeren gezanten zijn mij wijders t. # de Kragtigste betuigingen gedaen van uw K: M: onwankelbaere aanklevring Doorluchtigste en Groot= machtigste Monarch. aan 94 aan belangens van de Doorluchtige Maat= schappij, en van uw K: M: bezondere vrienschap en genegentheid voor mij Er hoe zoude ik aan en van bijde die zaeken mogen twijffelen; daer de brief zelfs mij de aller nadrukke blijkste betuiging daer van doed. Jk betuige daar voor mijne aller opregte dank baarheid, en ik verlange niets meer, dan dat mij gelegentheid mogen gegeeven wor= „den, om daedelijk blijken te geeven van mijne genegentheid om uw. K: M: rijk en regeering voorspoedig en roemrugtig te maeken. Om deeze en meer andere reeden tot nadere bevestiging der onderlinge vriendschap strekkende laat ik tans naar uw K: M: Hof vertrekken den Koopman en fiskaal van Cijlon en lid mijner ver= „goedering den Heer Johannes Adrianus vollenhoven, die onder overrijking van deezen mijnen brief uw K: M: wij „ders de aller opregtste vereekering zal doen „ ƒ
English
to give proof of my unshakeable sentiments of friendship and alliance, and I request that Your Imperial Majesty be pleased to give full credence to that which the same shall propose and request from Your Imperial Majesty in my name, especially that Your Imperial Majesty may be pleased to give orders that our cinnamon peelers may not be hindered in peeling cinnamon in the lands of Your Imperial Majesty. The said envoy will also have the honour to present to Your Imperial Majesty some costly gifts listed on the accompanying memorandum, which I hope and trust that Your Imperial Majesty will be pleased to accept as tokens and signs of my friendship. Regarding the beaches, I had the honour to answer circumstantially in my most recent preceding letter and other preceding letters of mine. I hope that what was presented therein on that subject will be found satisfactory by Your Imperial Majesty, and that Your Imperial Majesty, according to Your Imperial Majesty's high wisdom, will recognize how greatly the mutual interest of Your Imperial Majesty and of the Illustrious Company, as well as the happiness and well-being of the inhabitants of both sides, makes a strict adherence to the Treaty absolutely necessary. On all other occasions, Your Imperial Majesty will always find me ready, by fulfilling Your Imperial Majesty's desires, to give Your Imperial Majesty the most decisive proofs of my sincere friendship and high esteem. I have always demonstrated this on all occasions that have presented themselves to me, and I shall continue to do so. Meanwhile, I cannot refrain from noting here that I had hoped that in return, the peeling of cinnamon in the lands of Your Imperial Majesty would have been favoured on the most friendly footing. Instead of which, the Company's cinnamon peelers, even in the designated places over the past two years, have been prevented from doing their work unhindered as usual. The Illustrious Company has suffered great damage thereby, and I trust all the more, therefore, that Your Imperial Majesty for the future will be so kind as to provide for this in a more adequate manner than has occurred hitherto. May the happy reign of Your Imperial Majesty extend for a series of years to the happiness and prosperity of the renowned Kandyan Empire and of Your Imperial Majesty's faithful subjects, as well as to the confirmation of the close friendship and alliance with Your Imperial Majesty's sincere Dutch friends, from which mutual prosperity must necessarily flow. I pray God that He will take Your Imperial Majesty into His gracious keeping and bestow upon Your Imperial Majesty the best of His blessings, and I have the honour to be with all respect and high esteem, underneath stood: Most Illustrious and Most Mighty Monarch, Your Imperial Majesty's very obedient servant, was signed: W: J: van de Graaf, in the margin Colombo the 17:th February Anno 1790. Agrees Wijbrands V: Eikkerk No: 25: Memorandum or specification of the gifts which, on behalf of the General Dutch East India Company, under the supervision of Mr Johannes Adrianus Vollenhove, Merchant and Fiscal of Colombo and a fellow member of the council of the Right Honourable Lord Governor here, going on an embassy to the distinguished Court of Kandia, are sent up to be presented with proper respect to the Most Illustrious and Most Mighty Monarch Trie Rasadie Rajasinge, namely: In One Case N:o: 1 1, that is One set of native gold clothing consisting of: 1 turban 2 pieces for a robe 1 overgarment or Sadra 1 piece for trousers 1 waist sash. In two Cases N:o 2 and 3. 2 ditto, two pieces of gold-embroidered dodies or fine nettle-cloths, 12 long 6 Kobidois wide, each in one piece without a seam. In One Case N:o 9: 1, that is One piece of Chela with gold headings, N:o 1. In one Case No. 5. 3, that is Three pieces of Chela with gold headings, N:o 2. In one Case N:o: 6: 1, that is One piece of Chaloe with gold headings N:o 1.
Dutch transcription
2639 doen van mijne onwrikbaere gevoelens van vriendschap en bontgenoodschap, en ik verzoek dat uw K: M: volkoo„ „men geloof geliefde te geeven aan het geene dezelve uijt mijn naam aan uw K: M: zal voorstellen en verzoe= ken, als speciaal is dat uw K: M: gelieve order te stellen dat onze kaneel schillers niet mogen worden gehin„ dert in het schillerh niet mogen wor„ „den gehindert in het schillen van Kaneel in de landen van uw K: M: Gemelde gezant zal ook de eere hebben uw K: M: aantebieden eenige kost= „baere geschenken op de bijleggende Memorie vermeld, die ik hoope en vertrouwe dat uw K: M: zal ge= lieven aanteneemen als blijken en teekenen en mijner vriendschap Nopens de stranden heb ik de eere ge= „had: bij mij Jongst voorgaande en an= deze mijner voorgaende brieven om- „standig staat- k r standig te antwoorden. Jk hoope dat het geene op dat onderwerp daer bij voorkome bij uw K: M: zal zijn voldoende bevon= „den, en dat uw K M: naar Hoogst derzelver Hooge wijsheid zal inzien„ hoe zeer het wederzijdsch belang van uw. K: M: en van de Doorluchtige komp: als meede het geluk en het wel zijn van de wederzijdsche ingezeetenen, een naauwkeurige opvolging van het Trak= taat volstrekt noodig maakt. Jn alle andere gelegentheeden zal uw K: M: mij steeds gereed vinden om door het voldoen aan Hoogst derzelver verlangen, aan uw K: M: te geeven de aller doorslaanste bewijzen van mijn opregte vriendschap en hoog agting. Jk heb die steeds getoont in alle gelegentheeden die mij daar toe zijn voorgekoomen, en ik zal dat ook bij voortduuring doen. Middelerwijl kan ik niet voor bij om hier aantemerken, dat ik gehoopt hadde 2640 hadde dat ook bij weederkeering het Kaneel schillen in uw k: M. landen op den aller p vriendelijksten voet zoude zijn begunstigd. Jnsteede van dien zijn komp:s kaneel schil= lers zelfs op de bepaelde plaetsen de Jongste in twee Jaeren belet hun werk naer gewoonte onverhindert te doen. De Doorluchtige komp: heeft daer door groote schaede geleeden en ik vertrouwen daer om te meer, dat uw K: M: voor den aenstaende zoo goed zal zijn, daer in op een meer toerijkende wijze dan tot hier toe is geschied, zal voorzien. De gelukkige regeering van uw K: M: strekke een reeks van Jaeren tot geluk en welvaert van het beroemd Kandiasch Rijk en van uw K: M: getrouwe onderdaenen als meede tot bevestinging van de nauwe vriendschap en bontgenootschap met uw K: M: opregte Nederlandsche vrienden, waer uijt wederzijdsche bloeij noodwendig vloeij „en moet. Jk bidde God dat Hij uw K: M: wil nee= „men in zijn genaedige bewaering en aan uw K: M: wil schenken de beste zijner Zeegeningen, en hebbe de eere met allen eerbied en hoog agting, tezijn /:onderstond:/ Doorluck — „tigste en Groot Machtigste Monarch. uwer 1 e uwer Keizerleike Majesteits zeer Gehoor= „zaeme Dienaer /:was geteekend:/ W: J: van de Graaf /:in margine Kolombo den 17:e Februarij Anno 1790. Accordeert Wijbrands V Eiklerk hoor a den 221 ds rk No: 25: 2641 Memorie ofte specifikatie van de geschen „ken die van weegen de Generaele Neder„ „landsche oost- Jndische kompenie„ onder opzigt van den Heer M=r Johan„ „nes Adrianus Vollenhove Koopman en fiskaal van Kolombo en een meede lid van den raed van den wel Edele Groot Achtb: Heer Gouverneur alhier gaende in ambassade na het aenzienelijke hef van Kandia wor „den opgezonden om aan den Door= g „luchtigsten en Groot machtigsten Monarch Trie Rasadie Raja singe, met behoorlijk res„ „pecht gepresenteerd te worden naemelijk. In Een Kas N:o: 1 Een stel Inlandsch goud kleed bestaande in 1 tolband 2 stukken voor een rok 1 de kleed of Sadra 1 stuk voor een broek 1 middelband. In twee Kassen N:o 2 en 3. twee p:s goud geborduurde dodies of fijne neteldoe= ken, lang 12 breed 6 Kobidois ieder uijt Een stuk sonder naad In Een Kass N:o 9: Een p:s Chelamet goude hoofden N:o 1. In een Kas No. 5. rie „ Chela met goude hoofden N:o 2. In een Kas N:o: 6 Chaloe met goude hoofden N:o 1. No: 25: 2641 Memorie ofte sperifikatie van de geschen „ken die van weegen de Generaele Neder„ „landsche oost, Jndische kompenie„ onder opzigt van den Heer M=r Johan„ „nes Adrianus Vollenhove Koopman en fiskaal van Kolombo en een meede lid van den raed van den wel Edele Groot Achtb: Heer Gouverneur alhier gaende in ambassade na het aenzienelijke hef van Kandia wor „den opgezonden om aan den Door- „luchtigsten en Groot machtigsten Monarch Trie Rasadie Raja singe, met behoorlijk res„ „peckt gepresenteerd te worden naemelijk. In Een Kas N:o 1 Een stel Inlandsch goud kleed bestaande in 1 tolband 2 stukken voor een rok 1. de kleed of Sadra 1. stuk voor een broek 1 middelband. In twee Kassen N:o 2 en 3. twee p:s goud geborduurde dodies of fijne neteldoe= ken, lang 12 breed 6 Kobidois ieder uijt Een stuk sonder naad In Een Kass :o 9: Een p:s Chelamet goude hoofden, N:o 1. In een Kas No. 5. Drie „ Chela met goude hoofden N:o 2. In een Kas N:o: 6: Chaloe met goude hoofden N:o 1. en „ eng 9 2641 Memorie ofte specifikatie van de geschen „ken die van weegen de Generaele Neder„ „landsche oost, Jndische kompenie„ onder opzigt van den Heer M=r Johan„ „nes Adrianus Vollenhove Koopman en fiskaal van Kolombo en een meede lid van den raed van den wel Edele Groot Achtb: Heer Gouverneur alhier gaende in ambassade na het aenzienelijke hef van Kandia wor „den opgezonden om aan den Door= „luchtigsten en Groot machtigsten Monarch Trie Rasadie Raja singe, met behoorlijk res„ „peckt gepresenteerd te worden naemelijk. In Een Kas N:o: 1 1 zegge Een stel Inlandsch goud kleed bestaande in 1 tolband 2 stukken voor een rok 1. de Kleed of Sadra 1 stuk voor een broek 1 middelband. In twee Kassen N:o 2 en 3. 2 d=o twee p:s goud geborduurde dodies of fijne neteldoe= „ken, lang 12 breed 6 Kobidois ieder uijt Een stuk zonder naad In Een Kass N:o 9: 1 zegge Een p:s Chelamet goude hoofden, N:o 1. In een Kas No. 5. 3 zegge Drie „ Chela met goude hoofden. N:o 2. In een Kas No 6: Chaloe met goude hoofden N:o 1. 1 „ Een „