VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3890

Ceylon · 648 pages · 92 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3890_0288 view scan ↗

English

can leave and that consequently, so far from home, nothing should be undertaken that might have doubtful outcomes, you must nevertheless, in your outward dispositions, make an appearance as though the actual intention tends toward attacking the enemy as soon as he might cross the borders, in order thereby to instill as much confidence as possible in the Company's inhabitants that they have nothing to fear from the approach of the Kandians, and that if they conduct themselves dutifully, they may expect the protection of the Company's arms. According to the latest and most certain tidings had here, all is quiet in the 7 Korles and the 3 and 4 Korles, without any extraordinary movements being perceived there any further. It also appears that the hindrances to the Company's inhabitants to move freely in these regions have been lifted, or at least are presently left unenforced. This seems to give some ground to think that the Court will let matters drift; nevertheless, no reliance must be placed upon that, and work must consequently proceed diligently. This must however be done with composure, and without the manner in which these things are executed being able to cause all too great an anxiety among our inhabitants and bring them to the suspicion that the Kandians are expected at once. We 4659. We remain for the rest, after greetings, underneath: Honorable and Valiant Pious. Your Good Friends, signed: W:r J: van de Graaff, M: P: Raket, D: C: von Driberg, m de Papavicini, J: Reintous, A: Camlant, and J: As Vollenhove. In the margin: Kolombo, the 16th of February 1791. Lower: P: S: A copy of this is enclosed herewith, in order to be sent by you at the earliest to Captain Ullenbeek. We shall do this in the future with all letters requiring secrecy, so that you need not have them copied at Nigombo. Also goes herewith for your consideration a map of the Silauw lands. The requested muskets for the sepoys have been sent with the bark de Chinsura, and the old muskets must be sent back hither. Agrees. Wybrands First Clerk 7 4660. Today, the 18th of February 1791. Appeared before me, Benedictus Lambertus van Zilker, provisional merchant and Secretary of Police here, Don Bastiaan Setaenge, Saffremadoe of the guard to the Right Honorable Noble Lord Governor, Koddikare Don Ioean, Sassermadoe of the Attepattoe of the Honorable Colombo Dessave, who, at the requisition of the Right Honorable Noble Lord Governor, and upon the translation of the Mohottiar and first Sinhalese interpreter at the Secretariat of Police, Don Daniel Perera, related: That on the 31st of January last they departed from here for Kandia with a letter from the Honorable Colombo Dessave Fretz for the Dessave of the Three and Four Korles, and that they had to tarry at Sitavaque for six days until, according to custom, notice of their arrival was given to the Court and permission was obtained to be allowed to proceed further. That after obtaining this permission, accompanied according to custom by two Appuhamies of the Three Korles, they proceeded as far as Gannoruwa, from where the aforesaid two Appuhamies went ahead to Kandia to give notice of their arrival. That these two Appuhamies, returning to Gannoruwa the next day, had, according to custom, taken them along in the evening and brought them to the house of the Dessave of the Three and Four Korles, to whom they had delivered the letter brought along from the Honorable Dessave Fretz. That said Dessave thereupon, according to custom, had inquired of them after the well-being of the Lord Governor and of the Honorable Colombo Dessave, whereupon they gave the ordinary answer and mutually, in the name of the Lord Governor and of 4661. of the Honorable Dessave, had inquired after the well-being of the King and of the Court dignitaries, whereupon they likewise obtained the ordinary answer. That the Dessave of the Three and Four Korles had subsequently told them that he would read the letter and give a further answer, and that they meanwhile could go stay in the resthouse, as they had indeed done. That on the third day after their arrival there, they were called again by the aforesaid two Appuhamies in the evening and brought to the house of the Dessave of the Three and Four Korles, who had told them that the first matter mentioned in the letter delivered by them contained: That the Lord Commander of Jaffanapatnam had reported to Kolombo that two Kandian fugitives had arrived there, who claimed that they wanted to go to Siam, and that His Honor had caused them to be arrested, but that one of them had escaped from arrest, and that thus only one of them was still under arrest; and that he, the Dessave, was very pleased with this given communication; and that as far as concerned the second article of the said letter, namely the question whether the aforesaid remaining detainee should be sent up to the Court, it would be very good if he were sent and handed over to the Mohottiar of the Three Korles. That the aforesaid Dessave of the Three and Four Korles had subsequently asked them what the reason was that the commandos had been sent to Hangwelle, and that they had answered thereto that during their stay at Sitavaque they had also

Dutch transcription

„laaten kan en dat mits dien te verker van huijs, niets met worden ondernoomen, wat van twijfelagtige uijtkomsten kunnen zijn, moeten UE: niet te min is UE: uijterlijke de „sitien een vertoon maaken als of het werkelijke voorneem daar heen strekt, om de vijand te attakeeren, zoo dra hij over de limieten mogt koomen ten einde aan 'skomp:s ingeze „nen daar door zoo weel mogelijk vertrouwen in tebbesemen dat ze voor de aannadering der kandianen niets te vre „sen hebben, en zoo zi zig pligtmatig gedraagen ze der te „scherming: van komp:s wapenen te wagten hebben. Na de Jongste en meest verzeekerde tijdingen die men hier heeft, is in de 7. korles, en 3. en 4. korles alles in stilte, „der dat men daar verder eenige buijten gewoon beweeg„ „gen verneemt. Ook schijnt dat de beletzelen aan skomp ingezeekene om in deeze streeken vrijelijk te verkeeren zijn opgeleeven, of ten minsten tans buijten uijtvoering wor„ „den gelaaten. Dit schijnt eenige grond te geeven, om te den „ken dat het Hoff het bij drijven laaten zal, niet te min moet daar op geen staat worden gemaakt en moet mits dien vlijtig worden voortgewerkt. Dit moet nogtans ge„ „schieden met bedaardheid, en zonder dat de wijze waar op die dingen worden uijtgevoerd, al te groote ongerustheid de onze ingezeetenen verwjekken kan en hun doen koomen in het vermoeden als of de kandiaanen te eersten wierden verwagt. Wij 4659. Wij blijven voor het overige na groete /:onderstond:/ Eerzaame en Manhafte vroomen. UE: Goede vrienden /:geteekend:/ W:r J: van de Graaff, M: P: Raket, D: C: von Driberg, m= de Papavicini, J: Reintous, A: Camlant en J: As Vol„ „lenhove /:in margine:/ kolombo den 16:e februarij 1791. /:lager:/ P: S: Een kopij deeses gaat hier ingeslooten om door UE: ten eersten te kunnen worden gezonden aan kapitain Ullenbeek. We zullen dit is den aanstaande doen van alle brieven die geleim houding vereijssche op dat UE: niet noodig heeft zo op Nigombo te laaten verschrij„ „ven. Nog gaat hierneevens tot UE: speculatie, een kaart van de silauwsche landen. De gevraagde geweeren voor de sipahis zijn gezonden met de bank de Chinsura, en moeten de oude geweeren herwaards 72 worden terug gezonden. Akkordeert. Wybrands Egklerk ie 7 4660. Heeden Den 18. Februarij 1791:- Compareerde voor mij Benedictus Lam bertus van Zilker, P=l koopman en Se= kretaris van Politie alhier Don Bastiaan Setaenge Saffremadoe van de guarde aan den wel Edelen groot achtb: Heer gouverneur Koddikare Don Ioean, Sassermadoe van de Attepattoe van den E. kolombosche dessave Dewelken ter requisitie van den wel Edelen groot agtb: Heer gouverneur, en op de vertaaling 40 van den Moholiaar en eerste Singalee sche tolk ter secretarije van Politie Don Daniel Perera relateerden Dat ze den 31. Iannuarij I=o L: zijn vertrek= ken van hier na kandia, met een brief van den E. kolombosche Dessave Frets voor den Dessave van de Drie en vier korles, en dat ze te sitevaque zes dagen hebben moeten vertoeven, tot dat vol= gens gewoonte, van hunne komst aan 2 E 't Hoff kennis gegeeven, en verlof bekoom was om verder temoogen gaan. Dat ze na 't bekoomen van dit verlof verzel na gewoonte van twee Appoehamies van de drie korles, zijn voortgegaan tot na gan„ neroewe, van waar de voorsz: twee appo hamies voor uit na kandia waaren ge= gaan om van hunne komst kennis te geeven. Dat deeze twee appoekamies 's anderen daags op ganneroewe terug komende hun volgens gewoonte 'savonds hadden meede genoomen en gebragt ten huijze van den dessave der drie en vier korles, aan wien zede meede genoomene brief van den E. dessave fretz hadden overgegeeven. Dat ged: Dessave hun daar op, volgens ge= bruijk had gevraegd naar den welstand van den heer gouverneur, en van den E„ kolombosche dessave, waar op Ze 't ordi= naer antwoord gegeeven, en wederkeerig uit naam van den heer gouverneur; en van 4661. van den E. dessave, hadden gevraagd naar den welstand van den koning en van de Hofsgrooten, waarop ze meede 't ordinaire antwoord hadden bekoomen Dat de dessave van de drie en vier korles hun vervolgens had gesegt, dat hij den brief zoude leezen en nader antwoord geeven, en dat ze intusschen zig, in 't rusthuijs konden gaan ophouden, zoo als ze dat ook hadden gedaan: Dat ze den derden dag na hunne komst al= daar, weeder door de voorsz: twee appocha¬ mies 'savonds waaren geroepen en ge= bragt ten huijsze van den dessave van de drie en vier korles, die hun had gezegd dat den eerste zaak die bij den door hun bestelden brief vermeld was, behelsde. Dat de heer Commandeur van Jassa= napatnam na kolombo had berigt berigt, dat aldaar waaren aangekoomen twee vlugtende kandiaanen, die voor gaven dat ze na Ciam wilden gaan„ en dat zijn E. hun had doen arresteerd dog dat een daar van uit 't arrest was ontvlugt, en dat dus maar een hunner nog in arrest was. en dat hij Dessave over deeze gegeevene Communicatie zeer verblijd was; en dat wat 't tweede articul van gem: brief aanging, namentlijk de vraag of de voorsz: overge¬ bleevene arrestant na 't Htof zoude worden opgezonden, 't zeer goed zoude zijn, zoo hij gezonden en overgegeeven wierd aan den Mohotiaar van de drie korles. Dat voorsz: dessave van de drie en vier kor= les hun vervolgens had gevraagd, wat de reeden was, dat de Commandos na Hangwelle waaren gezonden, en dat ze daar op hadden geantwoord, dat ze ook geduurende hun vertogt op sitavaque hadden

NL-HaNA_1.04.02_3890_0295 view scan ↗

English

had learned that detachments had arrived at Hangwelle, but that they did not know the reason for it. That the said Dessave had subsequently asked them how things were with the mutiny that had arisen here in the korles, and that they had answered that everything was now quiet and back to the old footing, to which the Dessave had replied that it was very good that everything was at peace. That the Dessave had further asked where Madoegodde Appoe was, and that they had said he was under arrest in kolombo, but that he lacked nothing, and upon further inquiry by the dessave as to where he was arrested, they had answered, in a guardhouse close to the Slave Island, to which the dessave had replied that he asked about it for no other reason than out of curiosity. That the Dessave had also asked them why the Honorable Dessave fretz had gone into the country, and they had answered that, while they were at Sitavaque, they had indeed heard that the Honorable Dessave fretz had gone into the country, but that the reason for it was unknown to them. That they were finally, according to custom, presented with gifts of linen, and subsequently received permission to depart, whereupon, having stayed that night in the rest house, they departed from kandio the next morning, accompanied by the two previously mentioned Appoehamees, who, according to custom, escorted them as far as sitavaque, and that they, the narrators, having subsequently departed from Sitavaque, arrived back here the next day, or actually this morning. The narrators further testify that, while at gannenoewe, they had seen that daily various inhabitants, in parties of three to four, and also of six to seven heads, went to kandia with firearms, and that these people had told them that these firearms were being brought to the Court, where they were marked and given back to the owners. Lastly, the narrators declare that they inquired among various persons how matters stood with the first state adigaer, and that they received the answer that there was no change concerning him, but that everything was still on the old footing, and that he went to the King at the Court twice daily according to custom. That both on their way there and on their return, they had seen no other rest houses along the road than those that had always been there before, and that they had also not heard that new rest houses were being built elsewhere, although they had inquired about it. Thus related in the castle of kolombo on the day aforesaid, and in the presence of the clerks Pieter Hendrik Willem Fremke and Johannes Milianus wilhelmus Lourensz, who have signed the minute of this, together with the narrators, the interpreter, and me, the Secretary. Below stood: Which I attest. Was signed: B: L: van Zitter, Secretary, First Clerk. No. 17. Hijbrands Agrees Extract of a letter dated 15 February 1791 from Negapatnam, written by Mr. Dormieux. Although it is still only a rumor, I consider myself obliged to communicate it confidentially to Your Right Honorable, so that it might not come unexpectedly, should it be found to be true, which is asserted. It is said that the English packet mentioned in my accompanying letter could contain the report that Spain only wanted to return the captured English vessels and cargo, and absolutely refused all other demanded satisfaction; that both the English and the combined Spanish and French fleets were cruising in the Channel; that an English fleet under Admiral Bickerton was coming out to the East Indies; and that a war between England, Spain, and France, in which we will certainly also be involved, was inevitable; finally, that the English army under Lord Cornwallis, which had broken camp on the 2nd of this month to march directly to Tipu's lands, as was said, was still staying at Navangoolie, presumably to wait for Pondicherry. Regarding Tipu's army, I refer to the enclosed report. And as soon as I learn anything more of these matters, I shall not fail to communicate it to Your Right Honorable. A letter from Pondicherry dated the 12th reports that about 500 horsemen are at the Red Hills, and that the enemy army is located west of there, extending in a line from Tindivanam and Vikravandi to Gingee. His force consists of 15,000 horsemen, 10,000 bodyguards, 12,000 loeties, and 45,000 infantry with howitzers etc.

Dutch transcription

4662. hadden varnoomen, dat 'er Commandos te Hangwelle waaren gekoomen, dog dat ze de reeden daar van niet wiste. Dat gem: Dessave hun vervolgens had ge= vraagd, hoe 't was met de muijterij, die hier in de korles was ontstaan, en dat ze daar op hadden geantwoord, dat 't nu alles stil en weder op den ouden voet was, waar op de Dessave had gerepliceerd dat 't zeer goed zij dat alles in rust was. Dat de Dessave voorts had gevraagd, waar Madoegodde Appoe zig bevond, en dat ze hadden gezegt, dat hij te kolombo in arrest zat, dog dat hem egter niets ontbrak, en op de nadere vraage van den dessave, waar hij gearrest was, hadden de geantwoord, in een wagt digt bij 't slaaven Eiland, waar op de dessave had gerepliceerd, dat hij om geen andere reedenen daar na vroeg, dan alleen uit nieuws= nieuwsgierigheid. Dat de Dessave hun nog had gevraagd waarom deE: Dessave fresz: in 't land was gegaan, en za hadden daar op geantwoord, dat ze te Sitavaque zijnde wel vernoomen hadden, dat deE: Dessave fretz in 't land was gegaan, maar dat de reden daar van hun onbekend was. Dat ze eijndelijk volgens gewoonte met lijwaaten zijn beschonken, en vervol= gens verlof hadden gekreegen om te vertrekken, zoo als ze ook dien wagt in 't rusthuijs vertoefd hebbende, Jan„ deren daegs morgen van kandio ver¬ trokken waaren, begelijd door de hier vooren vermelde twee Appoehamees, die hun volgens gewoonte tot sitavaque ton hadden verzeld, en dat zij relatanten ver= 4663. vervolgens van Sitavaque vertrokken Zijnde sanderen daegs of eigentlijk heeden mor¬ gen alhier terug gekoomen zin. Betuijgende wijders de relatanten dat ze te gannenoewe zijnde hadden gezien, dat er dagelijks verschijde inwoonders, bij partijen van drie â vier, ook wel van ses â zeven koppen, met geweeden na kandea e; gingen, en dat deeze luijden hun hadden gezegt, dat die geweezen wierden gebragt na 't. Hof, alwaar dezelven gemerkt en weder aan de eijgenaars terug gegeven wierden. laatstelijk verklaaren de relatanten zig bij deezen en geenen te hebben g'informeerd, hoe 't stond met den eersten rijksadigaer, en dat ze ten antwoord bekoomen hadden, dat 'er omtrend denzelven geene verandering ^ maar alles nog op den ouden voet was, en dat hij daegelijks volgens gebruijk twee maalen naar 't Hof bij den kooning ging. Dat ze ook zoo wel in 't heenen gaan, als in t terug koomen, langs den weg geene geene andere rusthuijzen gezien hadden, de die 'er tevooren altijd zijn geweest, en dat ze ook niet hadden vernoomen, dat er elders nieuwe rusthuijzen wierden ge¬ maakt, schoon ze daar na geinquireerd hadden. Aldus geaalateerd in 't kasteel kolombo ten daage voorsz: en ter presentie van de klerken Pieter Hendrik Willem Frem„ ke en Johannes Milianus wilhelmus Lourensz:, die de minute deezes, nevens de relatanten, den tolk en mij Secretaris hebben onderteekend. /:onderstond:/ J welk getuijgd /:was getekent:/ B: L: van Litter Se HEgklerk No. 17. Hijbrands Akkordeert 4664 Extract Missive de dato 15 februarij 1791 van Negapatnam door den Heer Dormieur geschreeven. Schoon 't nog maar een gerugt is, Acht ik mi verplicht om het Uwel Ede Achtb: in vertrouwen meede te deelen, op dat 't niet onverwagt houde voorkoomen, wierd het eens waar bevonden het welk geweerd word men wil dat het Engelseh pakket in mijn verzellende brief vermeld, het bericht konde behelsen dat ipanjen maar de genomene Engelsche vaartuijgen en lading wilde terug geeven, en alle andere g'eischte voldoening volstrekt weigerde, dat howel de Engelsche als de vereenigde spaansche en fransche vloot in 't kanaal kruiste; dat een Engelse Vloot onder Admiraal Bichetton naar Oost indien uit nuam, en dat een en oorlog tusschen England, spanjen en frankwijk waar in wij zeeker ook betrokken zullen weezen. onvermijdelijk was; eindelijk dat het Engelsch Legen onder Lood bornwalbis, dat den 2e deezer opgebrooken was, om gelijk geregd wierd direkt naar Tihoes Landen te Marcheeren, zich nog op navangoelie dphieuw, vermoedelyk om dse Pondielery aftekoomen, weegens Tihoesleger gedrag ik mij aan het ingeslooten bericht. En zoo wat ik iets meer van 't een en ander verneem hal ik niet in gebreeke blijven om het Uwel Edele Achtb te bedeelen Een brief van Pondicherij gedagteekend den 12e meld dat omtrent 500 nuiters aan de roode heuvels zijn, en het vyandlyk legentig wertwaards van daar bevind, en in eene linie van Toudewanam en Vickeravandi tot Senjie uitstrekt Zijn macht bestaat uit 15000 Ruiters 10000 lijfquarda, 12000 loeties en 45000 Inlanterij met Howeleds &cr

NL-HaNA_1.04.02_3890_0300 view scan ↗

English

making together, a sack, that he has planted his flags in the direction of the road to Moedelaer, which signifies that his army will march in that line or region, and that Tipoe intends to send a force to the Tanjoor lands in order to seize and destroy the grain crops. Some of the inhabitants of Tirvidi have been seized in order to extort money from them. The writer advises the person to whom he writes to send his family etc. without delay to Pondicherij. That the enemies have made no incursion into the French villages. He hears that the English army is around Banjewaram, and reports the capture of Permahoil. All this is gathered from the reports of Tipoe's people, who are possibly just as ignorant as we are of the operation in motion, and they have undoubtedly exaggerated his cavalry force to three times its actual number; we have no Pattamas as news today. Extract from a letter from the Honorable Mr. Simons, Chief at Sadras, to Dormieux at Nagapatnam, dated 5 February 1741. The main bands are still roaming about here. I have had a visit from them twice, but they have done no harm, only setting fire to our stonemasons' village, Arriadeherij. We are sitting here as good as trapped, and the Tappals with letters from 28 January to the 3rd of this month from Madras arrived here only this morning. The southern letters have not passed through here in several days. Your Honor knows that Permacovil has been taken and razed. God knows how matters stand with Moedeloer. Was signed below: Remains of Your Honor the Honorable Sir, 4665. very humble and obedient servant, was signed: Dormieux. We are daily disquieted here by the troubling news of the approach of Tipoe's army, by whom the French reports say that Moedeloer is besieged, but the English have no report of it. Since the road from here to Madras is unsafe, no letters or couriers are received from there, thus also no news, and one remains ignorant of the success or adversity of the English armies to the north and on the Malabar Coast. Departs on 11 February Just now the Madras Tappas arrives with the joyful news that the roads are clear again, and that Tipoe's army has followed that of the English, which on the 20th of this month, 42 thousand strong under Lord Cornwallis, marched directly to Tipoe's country. Also that a packet from England via Bombay has arrived at Madras, with the declaration of war between England and Spain, and with the report that a considerable fleet of the English under Lord Howe was cruising in the Channel. Finally, that Bidenoer has been conquered by the Bombay army united with the Mahrattas. The European news also reports the peace concluded between Sweden and Russia; having advanced this far, I received a French letter from Karikal, of which the following is an extract: I declare to you that we have reports from a person in correspondence with the enemy of the English that Tipoe is ten degrees from Tandivanon (this is not to say specifically where he actually is) to betake himself hither. Penjie and Permahoil have been razed. It is said that Moedeloer has been taken No. 18 taken. We are preparing to see very many unfortunates, and we believe from the transport of the Regent of Tanjoor. Nevertheless, it is said that the English General has made proposals of peace. I truly do not know what I should think of these contradictory reports; they make us very perplexed. Mr. Bantewisscher arrived here today with the lady, his beloved, from Pondicherij, from where they departed on the 9th. Then the outposts were still there, and one spoke of a war between the English and French united with Spain. So that I fear that the French news is true. Agrees, Wijbrands, clerk. 4666. Report from the Kandyan territory We, Francisko Pieris and Don Domingo, both Bellale Lascarins and inhabitants of the village of Kattepittie, declare that, pursuant to the highly esteemed order of the Honorable Mr. Daniel Ditlof Count of Ranzow, merchant and Chief of Nigombo and Silauw, we went fourteen days ago to the King's country and inquired accurately into what is going on there; being at Soenparne, a day's journey from Kandia, we learned the news mentioned hereafter, containing: That the brother of the King, Hastaane Hamdroe, has dreamed that in Nillambe Noivere there was a pit, which afterward, having been discovered, was found full of powder, lead, and sulfur. That Leeuke Dessave has obtained under his command the peoples of the districts of the 7, 4, and Kalamagoel Korles. Also that the King has sent 2 persons to Kattergam who were foretold by the God of Kattergam that it would be good to let the people descend after the Sinhalese New Year and after the washing of the head. Also that the brother of the King is to come down with 500 Javanese as far as Attapitti in order there

Dutch transcription

&=a nitmakende te hamen, Een Lak, dat hij zijne vlaggen, in de itreck van den weg naar moedelaer geplant heeft, het welk beduid dat zyn leger in die linie of streek hal marcheeren, en dat Tipoe een macht naar de Tanjoedsche Landen meend te zenden, om het graan gewasch te bemachtigen en vernielen, Eenige der ingezetenen van Tirvidi zijn opgevat om geld van hen aftekiedsen, De schrijven raad den perzoon aan, aan wien hij schrijft om Zyne familie &=a zonder intstel naar Pondicherij te zenden. Dat de vijan„ =den geen inwaad gedaan hebben, in de fransche Dorsien, Hij hoort dat het Engelsch legen omtrent banjewaram is, en meld de verovering van Permahoil. Dit is alles vergadert int de benietsten van Tipoes volk welk mogelijk al howel onhundig is, als wy zijn, van het werk in beweeging en ongetwyfeld hebben zij zin macht van Ruiterij driemaal meer vergroot, dan het eygentlyk getal is, wij hebben heeden geen Hathars ahs Meines. Extract uijt eenen brief van den Wel Edelen Heer Simons opperhoofd te Sadras aan Dormieux te Nagapatnam, gedagteekend den 5e februarij 1741. De hoofbenden hwerven nog hier zondom, Ik heb tweemaal van haar een bezoek gehadt, dog hebben geen kwaad gedaan, eenelijk hebben hij ons steenhouwers dorp Arriadeherij in den Brand gestooken, Wij hitten hier zoo goed als ingeslooten, en de Jappals met brieven van den 28 Ianuarij tot den 3 deezer van Madras zijn heeden morgen eerst hier aangekoomen. De Zindsche brieven zijn in eltelyke dagen hier niet gepasseerd. Per- macovil weet UwE ds is genomen en geslegt. God weet hoe het met moedeloen gesteld is: /onderstond:/ komt vand UwE de Achtbaare heer 4665. heerootmoedige en Gehoorsaame Dienaar /:was geteekend:/ Dormieux. Wij worden hier dagelijkContrust met de behommerende tijding van de Annadering van Tipoesleger, door wien de fransele tydingen zeggen, dat hoedeloer belegerd is, doel de Engelschen hebben er geen naricht van Vermits de weg van hier naar Madras onveilig is ontfangt men geene brieven nog Courieds van daar, om ook geen nieuws, en blyft onkundig van den voor of teegenspoed der Engelsche legets om de Noord en op de Malabaarsche Rust. gaat af den 11 februariy Zoo eeven komt de Madrasche Tappas aan met de blijde tyding dat de wegen weder verlig zijn, en dat sipoes leger dat der Engelsche gevolgd is, welk den 2oe deezer 42 duizend sterk onder Lord boverwallis direkt naar Tipoes land gemarcheerd is. Ook dat een pakket uit. Engeland over Bombay te madras aangebracht is, met de deelen natie van Oorlog tussehen Engeland en spanjen, en met het benieht dat een Aanzienlijke vloot der Engelschen onder Lord Howe in het kanzal mruiste, Eindelyk dat Bidenoen door het Bombaaisch leger vereenigd vereenigd met de Maharatteds Veroverd i1. — Het Eurosusche Nieuws meld ook den vreeden tusschen hweeden en Ruilamd gemaakt, dus vergevorderd zijnde ontfing ik een fransche brief van karikal waar van het volgende Een Extract is. Slb verklaar U dat wij berichten hebben van een perzoon in briefwisseling met den vijand der Engel= =schen dat Zipoe tien graden van Tandivanon /dit is om niet eygentlijk te zeggen waar hij eijgentlijk is:/ om ziels hindwaards te begeeven. Penjie en Permahoil zyn geslegt. men hegd dat moedelser genomen No. 18 genoomen is. Wij schikken ons om zeer veele ongelukkigen te hien, en wij gelooven vant het vervoer van den Pegit van Tampe Nochtans hegd men dat de Engelsche Generaal voorstellen van vreede gedaan heeft. Ik weet inderdaad niet wat ik van deeze teegenstijdige berichten hal denken, hij maaken ons heer verleegen. De Heer Bantewwisscher is heeden hier gearriveerd met Me= juffrouw Zyn Beminde van Pondicherij van waar zy den ge vertrekken. Toen waaren de uiterder nog, en men iswak en van een oorlog tusschen de Engelschen en franschen met spanjen Vereenigd. Zoo dat ik voees dat het fransch nieuws waar is Akhordeert Wijbrands iklerk 4666. Berigt uit het kandiasche Wij Francisko Pieris en Don Domingo bijde bellales laska rijn en inwoonders van het dorp kattepittie verklaaren dat wij ons ter zoer g'Eerde ordre van den welEdelen Weer Daniel Ditlof Graaf van Ranzow, koopman en opperhoof van Nigombo en silauw nu veertien dagen geleeden na 'Tko- nings land hebben begeven en na 't geene wat daar in omme gaat ons nauwkeurig g' informeert, te Soenparne een dag reise van kandia weezende hebben we het na= temeldene nieuws vernomen; inhoudende Als dat de broeder van den koning Hastaane Hamdroe heeft gedroomt, dat in Nillambe noivere een kuijl was, dewelke daar na ontdekt zijnde vol met kruit, lood en sulpher was bevonden. Dat Leeuke Dessave de volkeren van de landschappen van de 7. 4. en kalamagoel korles onder zijn kom- mando heeft gekreegen. zomeede dat de koning 2. perzoonen na kattergam gezonden heeft dewelke door den God van kattergam voorzegt wierden, dat het goed zoude weezen om na het fingaleesche nieuwe Jaar en na het wassen van het hoofd het volk te laaten afzakken. Ook dat de Broeder van den koning met 500: Ja= vaanen staat aftekoomen tot na Attapitti omme al- met ms

NL-HaNA_1.04.02_3890_0304 view scan ↗

English

there to drill the people of the Seven and Four Korles in the use of arms. And that the rumor goes that 800 Frenchmen are about to land at Naalande, and that 2 Frenchmen were already in Kandia and were drilling a number of people. That furthermore it had been ordered that all the Sinhalese must each be provided with a musket, and that having asked for the reason of the preparations, they had received as an answer that this is actually being done to go seek out the prince and to take possession of a district which has been promised to them several times and yet not given. All that we have declared here, we attest to having heard, and as we have been assured, contains the truth. Beneath stood: Nigombo, the 17th of February 1791. Was signed with two crosses and written around them: this cross is made by Francisko Pieris and this by Don Domningo. Lower stood: in my presence, signed: P: G: Boeth, authorized. In the margin: for the translation and in our presence, signed: J: D: vander Laan and C. Koelmijen, sworn interpreter. Beneath stood: Agrees, signed: J: G: Boeth, authorized. Agrees. Wijbrands First clerk No. 19. Secret. 4667. Gale To the Right Honorable Lord Peter Sluijsken Commander of the city and lands of Gale, Mature, etc., along with the Council. Right Honorable Lord and Special Good Friends, The overseer at Berlepanaterre, Christiaan Ritmuller, has informed me by letter of yesterday's date that for 4 to 5 consecutive days he has learned from several people that the Kandyans are having all the rest houses prepared, that all the weapons are being repaired, that all the people in the villages bordering on the Morruakorle are being gathered together in the village of Mattoeganwelle, and finally that the lascars who have stood guard in the village of Wallalgodde, and who usually consisted of 3 to 4 men, have been reinforced to twelve men, all of which is being carried out with very great haste; but that he, the overseer, has not been able to find out why this is being done or where that assembled force must march. I consider myself obliged to bring this report to the knowledge of Your Right Honorable. I have the honor to remain with very great respect, Beneath stood: Right Honorable Lord and Special Good Friends, Your Right Honorable's obliged friend and obedient servant, was signed: W: A: Berghuijs. In the margin: Mature, the 23rd of February 1791. Beneath stood: Agrees, signed: A: J: van Zitter, sworn clerk. Agrees. Wijbrands First clerk f58 No. 20 4668. To my good friend, A rumor has circulated here that you were to resign from the post of Maha Mudaliyar, over which I have been very grieved because I have placed all my trust in you; I request on this occasion that you do not leave your post. In the letter that the Mudaliyars or Appuhamies recently brought from there to the Court, a phrase appears as if the detention of the people who leave the King's country to cross over to the opposite shore is being done pursuant to a request made by the Court itself. There has been a great desire to begin a war against the Company soon, but since commandos have been sent here and there, that urge has somewhat diminished. They are now only occupying themselves with slowly continuing the preparations already begun, without it appearing that they have the intention of proceeding to immediate hostilities. Translation of an autograph but unsigned letter from the First Royal Adigar to the Maha Mudaliyar. It is said here that it is forbidden there to bring muskets and sulfur hither, yet this still happens. The Dissave of the Four Korles seeks to watch my movements and to find out everything, and sometimes reports matters that are unbelievable and untrue. The said Dissave has sent a man to Colombo and had 50 lbs of sulfur brought from there. That same man will now come down again to fetch sulfur and also to see if he cannot persuade some Javanese to come here. The aforesaid man is not very dark, but somewhat yellowish of color, tall of stature, and thin of body. He has a rather large wart sitting on the eyebrow of his right eye. It would be well if the Company stationed some Javanese on the boundaries of the Three and Four Korles and the Seven Korles. These could keep quiet by day and by night venture here and there into the King's country and plunder the houses of the inhabitants. Otherwise, the Company has nothing but expenses by the sending of commandos. One ought somewhat to show that one is willing to use force. Until the people who have been dispatched to the French are back, it is certain that nothing will be undertaken from here. I am in need of two suits of clothes for two captains and six suits of clothes for six soldiers, as well as 10 skins of red leather. It would be well if these were sent to me. The payment of the money for the areca nut delivered last year from the Three Korles and Saffregam can remain deferred a bit for now, but I request that you send me the money for the small quantity of areca nut delivered on my own account. No. 21. Translation of another slip of paper that was enclosed in the letter. The persons named Peroemaal, Kondoja, Narajena, Arrienettoea, Walgjoedanettoea, Wenkette Krisna, and Walleil Hare Goeroewaija have departed from here with some goods and are presently in Jaffna to go to the Coast; if nothing can be discovered from what they have with them, it would be well that orders were sent to have them return again to Kandia. Agrees. First clerk Wijbrands

Dutch transcription

aldaar het volk van de zeven en vier korles in de wapenhandel te doen oeffenen. En dat het gerugt gaat dat 800. franschen op Naalande staan aan land te koomen en dat 2. franschen zig bereeds op kandia bevonden en een aantal van voll leerden exercieren. Dat verders belaft was dat alle de f:ingaleeschen ieder van een geweer moet voorzien weezen en dat ze na de rede van de toebereidselen gevraagt hebbende ten aendwoord bekoomen had, dat zulx eigentlijk gedaan word om de prins te gaan opzoeken, en een landstreek welke haar verscheide maalen beloofd en nogtans niet gegeven is, in bezit te neemen. Al het geen wij hier verklaart hebben, attesteeren wij gehoort te hebben en zoo als men ons verzekert heeft de waarheid behelft /:onderstond:/ Nigombo den 17. februarij 1791. /:was getekend:/ met twee kruijsen / en daaromme beschreeven dit kruijt is gestelt door francisko Pieris en dit door Don Domningo /:lager stond: /. in mijn kenniss /:getekend:/ P: G: Boeth geanth: /:in margine:/ voor de vertaaling en in ons presentie /:getekent:/ J: D: vanderlaan en C koelmijen gesn: tolk (onderstond) Akkordeert /:getekend:/ J: G: Boesh: geanth: Akkordeert. Wijbrands Egkeerk No: 19. sekreet. 4 6R8 4667. Gale Aan den E: E: achtbaaren Heer Peter Sluijsken kommandeur der stad en landen van Gale Mature &c=a, nevens den Raad. E: E: Achtbaare Heer en Bijzondere Goede vrienden De opzichter te Berlepanaterre Christiaan Ritmuller heeft mij bij brieve van gisterigen datum bedeelt, dat hij 4: â 5: daagen achter den anderen van verscheide men„ „schen heeft vernoomen, dat de kandiaanen alle de Rust= 7 „huijzen laaten klaarmaaken, dat alle de wapens worden gerepareerd, dat al het volk, dat in de dorpen, die aan de Morruakorle grensen, bij den anderen word verzameld in het Dorp Mattoeganwelle en eindelijk dat de laskorijns, die in het Dorp wallalgodde de wagt hebben gehad en welke gemeenlijk in 3: â 4: man hebben bestaan, versterkt zijn tot Twaalf man, welk een en ander met zeer veel haast word te werk gesteld, doch dat hij opzichter niet heeft kunnen te weeten weeten, krijgen waarom zulx geschied of waar na toe dat verzameld volk moet vertrekken. Jk achte mij verplicht dit bericht uE: E: achtb: ter kennis ter brengen Jk heb de eer met zeer veel hoog achting te blijven /:onderstond:/ E: E: achtb: Heer en Bijzondere Goede vrien den: uw E: E: achtb: dienstschuldige vriend en gehoorzaame Dienaar /:was geteekend:/ W: A: Berghuijs /in margine:/ Mature den 23: Februarij 179: /: onderstond:/ Akkordeert/:gete kend:) A. J: van Zitter Gezw: klerk Akkordeert Hijbrands lijklerk ƒ58 No: 20 4668. Aan mijnen goeder vriend Hier heeft een gerucht geloopen dat uw: van de post van Maha Modeliaar zoude afgaan, waarover ik zeer bedroefd ben geweest om dat ik al mijn vertrouwen op uw: gesteld heb, verzoek ik bij deeze gelegentheid uw post niet te verlaaten. Bij den brief, die de Modeliaars of Appoehamies onlangs van daar aan het Hof gebragt hebben, komt er een woord voor, als of het aanhouden der luiden, die uit 's konings land gaan om na de overwal te ver„ trekken, geschied ingevolge van een verzoek door het Hof zelve gedaan. Ain is groote lust geweest, om spoedig een oorlog tegens de komp: te beginnen, dog zedert dat 'er kommandos hier en daar na toe gezonden zijn, is die drijft onge„ meer verminderd. Men houd zig nu alleen beezig met de reets begonnene preparatien daartoe lang„ zaam voorttesetten, zonder dat het scheint, dat Translaat van een eigenhandigen dog ongetekenden brieff van den eersten Rijks Adigaar aan den Maha Modliaaa men 21. men het voorneemen heeft om tot daadelijkked tekomen. Hier word gezegt, dat het daar verbooden is om gewee ren en swavel herwaarts te brengen, dog dit ge„ schied nogtans. De Dessave van de vier kordes zoekt, mijne gangen gaade te slaan, en agter alles te koomen, en brengd zoontijds zaaken aan, die ongelooflijk en onwaar gem: Dessave heeft een Man na kolombo gezonden en van daar 50: lb: swavel laaten haalen. Die zelfde Man zal nu weder afkoomen om swavel te haalin en ook om tezien of hij niet eenige Javaanen ka bepraaten om hier te koomen. voorsz: Man is niet zeer swart, maar iets geelagtig van keleur, hoog van gestalte, en mager van lighaam Wij heeft een tamelijk groote vaat zitten op de wijnbraau van zijn regter oog. Het zoude goed zijn indien de komp: eenige javaanen liet plaatzen op de limieten van de drie en vier korles en zeven korles- Deeze zouden zig bij dag kunnen zin. 4. 669. kunnen stil houden en zig snagts hier a daar in 's konings land begeeven en de huizen der inwoon„ deren plunderen. De komp: heeft anders door het zen„ der van kommandos niets anders dan onkosten. Men diend eenigzins te toonen, dat ma geweld gebruiken wil. Tot dat de luiden die afgezonden zijn na de fransen, terug zijn, is het zeker dat van hier niets zal worden ondernoomen. Ik den verleegen om twee stellen kleederen voor twee kapi„ teins en ses stellen kllederen voor ses soldaaten, als mede om 10: vellen rood leer. Het zoude goed zijn 20o mij die gezonden wierden. De betaaling van het geld voor de voorleede jaar gelee„ verde arreek uit de drie korles en saffregam, kan vooreerst nog wat uitgesteld blijven, dog het geld voor de wijnige arreek, die voor mijn eigen reekening geleeverd is, verzoek ik mij te zenden. Translart No. 21. Translaat van een ander suippertje papier, dat in den brief geslooten waa De perzoonen genaamt Peroemaal, kondoja, Na„ rajena, Arrienettoea, walgjoedanettoea, wen„ kette krisna, en walleil hare goeroewaija eij„ met eenig goed van hier vertrokken, en bevinden zig tans te Jaffena om na de kust te gaan, 2oo men niets kan te weeten krijgen uit het geen ee bij zig hebben, zoude het goed zijn dat 'er ordre gezonden wierd om hen weder te laaten terug keeren na kandia. Akkordeert Egklerk Hijbrands

NL-HaNA_1.04.02_3890_0315 view scan ↗

English

4670. Kolombo To the Right Honourable, Noble, and Respected Sir, Willem Iacob van de Graaff, Ordinary Councillor of Dutch India, Governor and Director of the island of Ceylon and its dependencies. Right Honourable, Noble, Respected, and High Ruling Sir, Herewith I have the honour to present to Your Right Honourable Respected Sir the translation of the short contents of the ola which I received from kandia from the ratteraale of Hewahette, and of which I informed Your Right Honourable Respected Sir yesterday morning. The bearer of the ola testified that he is a servant of the aforementioned ratteraale, and that he departed from kandia 7 days ago. He produced that ola in my presence, after I had brought him indoors, from the tassel of the pouch in which he keeps his betel and areca, while shedding tears; and upon the question why he was weeping, he answered me that this was done out of fear, since his master and he would lose their lives if it became known in kandia that this ola had been delivered to me; whereupon I reassured him with the assurance that I would keep the matter very secret. He furthermore orally related to me sufficiently what is written in the ola. Regarding the ola, it is noticeable that it is very poorly written, and that it simply mentions "the king of kandia," whereas the Kandians are otherwise always accustomed to say or write "our God and king." For which reason my interpreter mohandiram doubts whether that ola truly comes from that ratteraale of Hewahette. I have furthermore given orders to my interpreter mohandiram to watch the movements of the Kandian, and a second one who arrived with him—though he appears to have no knowledge of the mission—and to question him somewhat further. And he reported to me that yesterday they went briefly to the bazaar to purchase some small items, and went from there back to the lodging that I had arranged for them; likewise that he was not able to speak to the second one separately, since the first one was always present; and that the first one had furthermore given him such an account as appears from a statement which I also have the honour to present herewith to Your Right Honourable Respected Sir. I have furthermore the honour to be, with all due respect, Lower down stood: Right Honourable, Noble, Respected, and High Ruling Sir! Your Right Honourable Respected Sir's obedient servant, Was signed: D. T. Fretz In the margin: Heelfts— 8a 4571. Hulftsdorp, the 1st of March 1791. Agrees. Sijbrands First Clerk 4672. Short translation of the contents of an unsigned ola brought to the Dessave of kolombo by a Kandian, who declares that he is a servant of the writer of that ola, the ratteraale of Hewahette. It is made known to the Dutch Gentlemen, being very faithful, that a letter has been sent to call upon the Nabob, the English, or the French for help, and for that reason there is delay. Besides this, Pallewahale dajoe (the king's brother) will go to kattergam, and on that expedition will proceed directly to Mature to wage war. We shall give notice of the arrangements that are made here. War will arise. Because the king of kandia does not wish to take us into consideration, we shall remain with the Dutch Gentlemen. The Javanese have refused, and have been sent away. The inhabitants of the provinces speak among themselves, that since the Headmen do them injustice, they will join whichever side they deem fit. Oedoegaempaha adigaar (the second Adigar of the Realm) is ill. This has been written by the brother of Gallegodde poeeetje raale, being head of the country of Hewahetta. Kolombo, the 28th of February 1791. NB. The ola, which was tucked into the tassel of the bearer's betel pouch, is very poorly written, and the Kandians are always accustomed to call their king God as well, which has not happened in this ola, for which reason it is greatly doubted whether that ola truly comes from that ratteraale. Agrees. Wijbrands First Clerk 4673. Oral account given to the interpreter Mohandiram of the said dessave by the Kandian who brought an ola from the ratteraale of Hewahette from kandia to the Dessave of Kolombo; namely: That a month ago 8 naikers were sent via Trincomalee, across the sea, to request aid from a foreign nation, be it English, French, or whomever they can persuade. That a nephew of Malla Mohandiram was sent across the sea earlier than those naikers. That in kandia more than 20,000 men are being drilled by 2 Europeans who arrived there 2 to 3 years ago, of whom 400 are Javanese and 500 Moors and the remainder are Sinhalese. Likewise that uniforms have been given to them, and that they are divided into troops, which each have separate names, such as English, French, and Javanese. That some of these soldiers are provided with paddy and money, namely 3, 4, 5, up to 7 larins at 16 stivers each per month. That the king's brother has departed for kattergam, and that he will gird the sword there, and then go to Mature. That the king's goods have been transported from the present palace to Hanguranketa and Meda Mahanuwara, and that everything around Hanguranketa has been mined.

Dutch transcription

4670. Kolombo Aan den WelEd. Gestr: Groot achtb: Heer Willem Iacob van de Graaff Ordinair Raad van Nederlandsch India, Gouverneur en Direkteur van het eijland Cailon nevens dies onderhoorigheeden. Weledele Gestr: Grot achtb: Hoog gebiederde Weer: Niernevens heb ik de eere uweledele Groot achtb: aantebieden, het franslaat korten inhoud van de ola, die ik van kandia van den ratteraale van Weewahette ontvangen; en waar van ik uwelEd: Gestr: Groot achtb: gisteren morgen kennis gegeven hebbe. De brengen van de ola, heeft beteugt, ten dienaard te zijn van voorsz: ratteraale, en dat hij voor 7. daagen van kandia wat vertrokken, hij heeft die ola in mijne tegenswoordigheid, na dat ik hem binnenskamers gebragt had, uijt de kwast van het zakje, waarin hij zijn betel en arreek bewaart, onder het storten van taaanen, gehaalt; en op de vraag waarom hij schraide, heeft hij mij ge- antwoord, dat zulks uijt vrees geschiede, wijl zijn waer, en hij, het leven zouden verliesen wanneer het te kandia bekend wierd, dat die ola aan mij bestelt was; waar, op ik hem ge- geruest gesteld heb, met de verzeekering dat ik die zaak zeer geheim houden zoude: hij heeft mij voorts genoegzaam mondelings verhaalt, het geen in de ola staat. Bij de ola valt optenerken, dat hij zeer slegt geschreeven is, en dat daar bij eenvourdig voorkomt, de koning van kandia„ daar de kandiaanen aenders altijd gewend zijn om te zeggen, of te schrijven, onze Godt en koning. Alwaarom mijn tolk mohandiaam in twijffel trekt of die ola wel werkelijk van die natteraale van Woewahette komt. Ik heb voorts last gegeven aan mijn tolk mohandiraen om op de gangen van den kandiaan, en nog een tweede die met hem gekoomen is, dog van de kommissie geen kennis schijnt te hebben te letten, en hem nog wat verder uijttehooren; en hij heeft mij gerapporteerd, dat zij gisteren eventjes op de bassaar zijn geweest om eenige kleenigheeden te koopen, en van daar weeder na het logemant zijn gegaan, dat ik hun hebbe laaten be zorgen; zoo meede dat hij den tweeden niet heeft kunnen appart te spreeken krijgen, wijl den eersten altijd daar bij was; en dat den eersten hem verder nog zodanigen verhaal had ge- daan, als blijkt bij eene opgave die ik de eere hebbe uwelEd: Gestr: Groot achtb: almeede hier bij aante presenteeren. Jk heb voorts de eere met al verscheeldigt ontzag te zijn. /:onderstond:/ Weledele Gestr: Groot achtb: Hoog gebiedende Weer! uwel Edele Gestr: Groot achtb: Gehoorzaamen D. T. Fretz /:in margine:/ Dienaar /:was getekend./ Heelfts— 8a 4571. Muljsdorp den 1. maart 1791. Akkorderat. Sijbrands S Egklerk 4672. kort Traanslaat inhoud van een ongetekende ola bij den Dessave van kolombo gebragt door een kandiaan, die verklaart een dienaar te zijn van den schrijver dier ola, den ratteraale van Hewahette. Aan de Heeren Hollanders werd bekend gemaakt, als zeer getrouw zijnde, dat 'er een brief gezouden is, om den Nabab, de Engelschen, of de franschen tot hulp interoepen, en daarom talmt het, biiten des zal Pallewahale dajoe (des konings broeder) na kattergam gaan, en op die togt direkt na Mature gaan om te oorlogen. van de schikkingen die hier geschieden, zullen wij kennis geeven. Oorlog zal 'er ontstaan. Om dat de koning van kandia ons niet wil in aanmerking neemen, zullen wij blijven aan de Heeren Hollanders. De Javaanen hebben gewijgert, en hun afgezonden. De inwoonders van de landschappen spreeken onder elkander, Dat wijl de Hoofden haar onrechten doen, zij hun zullen voegen aan welke kant zij het goedvinden. Oedoegaempaha adigaar (de tweede Rijksadigaar) is ziek. dit is geschreeven door de broeder van Gallegodde poeeetje raale, zijnde hoofd van het land Hewahetta. Kolombo den 28: februari 1791. —. NB. de ola, die in de kwast van des brengers betellak inge- worden was, is zeer slegt geschreeven, en de kandiaanen zijn altijd gewend om hunnen koning, teffens Godt te noemen, het het geen bij deeze ola niet is geschied, alwaarom zeer getwijffeld word, of die ola wel van die natteraale komt. Akkordeert. Wijbrands Egklerk 4673. Mondeling verhaal van den Randiaan die een ola van den ratteraale van Weewahette van kandia aan den ko- lombosshe desJave gebragt heeft, aan den tolk Mohandiram van gemelde sessave gedaan; als: Dat voor een maand 8. naikers over Tainkonomale zijn gezonden, over zee om bij een vreemde natie het zi Engelsche, fransche, of wie zij maar kunnen persucadeeren, hulp te verzoeken. Dat een neef van Manla Mohand=m vroeger dan die aaikers over zee is gezonden. Dat te kandia meer als 20'000. man g'exerceert worden door 2. Europeeschen die voor 2. à 3. Jaar daar aangekoomen zijn. waar van 400. Javaanen en 500. mooren en des:t rest srigaleesen zijn. zoomeede dat 'er monteeringen aan hun zijn gegeven, die dat ze in troupen verdeelt zijn, die ider by apparte naamen hebben, zoo als Engelschen, franschen en Javaanen Dat aan sommige dier soldaaten nelij en geld:s verstaekt word, en wel 3. 4. 5. tot 7. laneinen â 16. stvr: ider 's maands. Dat 'skonings broeder na kattergam vertrokken, en hij al- daar het zwaard dingorden, en dan na Mature gaan zal. . Dat 'tkonings: goederen uijt het tegenswoordige paleis getaans- porteert zijn na t'angeranketti en Medde mahanoere en dat rondom Wangerantetten alles op gemuint is

NL-HaNA_1.04.02_3890_0324 view scan ↗

English

and batteries have been made. That it is said in kandia that the king's brother had been to kolombo, but that no credence could be given to this, since he was not missed in kandia, but had been present. That a priest, because he had brought an ola to kolombo, had his hands and feet bound and was laid in the sun, and had suffered several other mistreatments. That an ola which poentjeraale of Mature had sent to his brother the ratteraale of Hewahette was intercepted at the gravet, and that the king was displeased thereupon with that ratteraale, but that the matter was settled after an inquiry. That the Court dignitaries are still busy taking up the weapons and having them put in good order, and that many muskets were purchased in the Company's territory. That there were about 100 cannons in kandia, which were being cleaned. That gunpowder is being made day and night. That the lads are everywhere busy searching for the dung of bats, from which saltpeter was boiled. That there was a mountain where sulfur was found and collected (NB: the place where the mountain is, he says he does not know). That 4674. That the brother of the king, the second Adigaar, and kettekoembere Willeme are strongly pressing for war, but that the other court dignitaries are indifferent. kolombo the 1st of March 1791. Agreed. Dijbrands clerk No. 22 1622 4675. Kolombo. To the Right Honorable, Highly Esteemed, and Worshipful Lord, Willem Jacob van de Graaff Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon and its Dependencies. Right Honorable, Highly Esteemed, Worshipful, High-Commanding Lord! I have the honor to inform Your Right Honorable and Highly Esteemed Worship that while the draft reply received from Your Right Honorable and Highly Esteemed Worship to the ratteraale of Hewahette was being translated into Sinhalese, I held a conversation with the servant of that ratteraale, and on that occasion, as I fancy, convincingly discovered that the ola sent to me was dispatched with the prior knowledge of the second First Adigaar, and thus of the party that is said to be so very much in favor of war. The well-foundedness of this idea of mine rests mainly on the following points: 1. Because he let slip that the second First Adigaar was a good friend of the ratteraale of Hewahette, and that it might well happen that the latter would show the ola that I wrote in reply to the former. 2. Because, when I told him that there were many sensible gentlemen in kandia who, I trusted, would surely take care that the good inhabitants were not burdened with a ruinous war, since the same, if contrary to all expectation it should break out, would be continued on the side of the Company with all might in the strongest manner, and that it certainly 1682 4676. 1. would not stop at the taking of kandia, but that we would then go further, he asked me what we would prefer most, war or peace, whereupon I answered him that we far preferred the latter to the former, since humanity required this and it served to promote the happiness and well-being of the subjects of both His Majesty and the Company, and the Company always had the care for the prosperity of the inhabitants of this island as its goal, and desired nothing from His Majesty except only to peel cinnamon in the forests; and as he thereupon asked whether we did not desire more lands, I said no, as long as friendship continued to subsist between the Court and the Company, but that in the contrary case, the Company would certainly not give back the lands it might conquer in the war, but would retain them. 3. Because he, the Kandyan, when I asked him whether he would be able to conceal well enough the ola that I would deliver to him for conveyance, and which turned out to be rather larger than the one he had brought me, without running the danger that the same would be discovered on him during an inspection, made not the slightest objection thereto. 4. Because he, the Kandyan, was very forthright in his entire conduct and showed no sign of fear, except only that upon his arrival, amid weeping, he orally testified that his life and that of his master were at stake in the matter if it were discovered that he had brought me that ola. 5. Because both Kandyans made not the slightest objection to coming to me in broad daylight and standing 1682 4677. in front of my door for a very long time. I further said such things to the Kandyan as, I think, can serve to promote tranquility, and can bring the Kandyans to reflection in their evil intention, if it should really be their earnest design; such as, among other things, that we were expecting more troops from all sides, that we could obtain help from the English as our friends and allies, and that the Court must abandon its thoughts on Puttalam and the other coasts, since the Company would never cede them, etc. I trust that my confidential conversation with that Kandyan will have a good effect, and that he will return very soon with some reply, just as he himself said he expected, with this addition, that his master had more servants, but certainly none

Dutch transcription

en batterijen gemaakt zijn. Dat 'er gezegt word te kandia, dat 'skonings broeder te ko= lombo was geweest, dog dat men daar aan geen geloof konde slaan, wijl hij te kandia niet gemist, maar pre„ sent geweest was. Dat een priester, wegens dat, hij een ola na koloenbo gebragt had, de handen en voeten gebonden, en in de zou gelegt was, en meerdere mishandelingen ondergaan had Dat een ola die poentjeraale van Mature aan zijn booeder de ratteraale van Waeahette had gezonden; aan de gravet agterhaalt zij, en dat de koning daar op misnoegt was over die aatteraale, dog dat de zaak na onderzoek bijgelegt was. Dat de Hofsgrooten nog bezig zijn om de wapens op te- neemen, en doen in goeden staat brengen, en dat 'er veele geweeren in 'skomp.:s gebied ingekogt waaren: Dat 'er omtrent 100. kanons te kandia. waaren, die schoon- geeaakt wierden Dat 'er dag en nagt buskruijt gemaakt word. Dat de paatjes overal bezig zijn om de veijligheid van de fleermenissen te zoeken, waar van salpeeter gekookt wierd. Dat 'er een blag was waer swavel gevonden, en verzameld wierd C: NB3. de plaats waar de berg is, zegt: hij, niet te weeten:) Dat „ h 4674. Dat de broeder van den koning, den tweede Edegaan, en kettekoembere Willeme sterk op den oorlog aandringen, dog dat de overige hofsgrooten onverschillig zijn. kolombo den 1. Maart 1791. Akkordeert. Dijbrands gkeerk No. 22 1622 4675. Kolombo. Aan den wel Edelen Gestr: Groot Achtb: Heer. Willem Jacob van de Graaff ordinair Raad van nederlandsch Jndia, Gouverneur en Direkteur van het eiland Ceilon nevens dies onder= „hoorigheeden. Wel Edele Gestr: Groot Achtb: Hoog Gebiedende Heer! Jk heb de eere uwelEd: Gestr: Groot Achtb: te berich= ten, dat ik inmiddels dat het van uwelEd: Gestr: Groot Achtb: ontvangene opstel van antwoord aan den ratteraale van Weewahette in 't singa„ lees overgezet wierd, met den Dienaar van die ratteraale eene zaamenspraak gehouden, en bij die geleegentheid, zoo ik mij verbeelde, overtuij= „gende ontdeket hebbe, dat de aan mij gezonde ola ola met voorkennis van den tweeden Rijksadiga en dus van de partij die men zegt zoo zeer voor den oorlog tezijn, afgeschikt is. De gegron „heid van dit mijn denkbeeld steunt hoofd zaa„ kelijk op de volgende artikels. 1:, om dat hij zig heeft laaten ontvallen dat de tweede Rijks adigaar een goed vriend van den ratteraale van Heewahette was, en het wel konde gebeuren dat den laasten de ola die ik in antwoord schreef aan den eersten kwam te vertoonen. 2:/ om dat, toen ik hem zeide dat 'er veele ver„ standige Heeren te kandia waaren die ik. vertrouwde dat wel zouden zorgen dat de goede ingezeetenen niet met een verderf felijken oorlog beswaard wierden, wijl den zelven, wanneer hij buijten alle verwach„ „ting mogte een begin neemen, aan de zeide der komp=e met alle macht op het sterk„ „ste zoude voortgezet worden, en het dan zeeker 1682 4676. 1. zeeker niet zoude blijven bij het inneemen van kandia, maar dat wij dan verder zouden gaan, hij mij gevraagt heeft, wat wij wel het liefste hadden, oorlog dan wel vreede, waar op ik hem tot antwoord gaf, dat wij het laaste verre prefereerden boven het eerste, wijl zulks de menschlievendheid vorderde, en tot bevordering van het geluk en wel zijn„ der onderdaanen zoo van Z: M: als van de komp=e strekte, en de komp=e de zorg voor de welvaart van de ingezetenen dezes 't Eilands steeds ten doel had, en van Z: M: i= niets begeerde als alleen om in de bosschen„ kanneel te schillen, en alzoo hij hier op vroeg of wij dan geen meerdere landen begeer„ den, zoo zeide ik van neen, in zoo verre de vriendschap bleef subsisteeren tusschen het Hoff en de komp=e, dog dat bij het tegendeel, de komp=e de landen die ze in den oorlog kwam te veroveren, ook gewisselijk niet te te rug geeven maar behouden zoude. 3. / om dat hij kandiaan, toen ik hem vroeg of hij de ola die ik hem ter bestelling over„ geven zoude, en die vrij grooter viel dan die hij mij gebragt had, ook wel genoeg zoude konnen verbergen, zonder gevaar te loopen dat denzelven bij hem, bij visitatie ont„ dekt wierde; geen de minste zwaarigheid daaromtrend maakte. 4; om dat hij kandiaan in zijn geheel gedrag ƒ zeer vrijmoedig geweest is, en geen blijk van schroom heeft getoond, dan alleen dat hij bij zijne aankomst onder het schreien mon= deling betuijgt heeft dat het leven van zijn Heer en Hem met de zaak gemoeit was, indien het ontdekt wierd dat hij mij die ola gebragt had, 5./ om dat de beide kandiaanen geen de minste zwaarigheid hebben gemaakt om bij den helderen dag bij mij te koomen, en al heel lang ha2 4677. lang voor mijn deur te staan. Jk heb voorts den kandiaan verder zodanige din= gen gezegt als tot bevordering van de rust, zoo ik meen, konnen dienstig zijn, en de kan„ diaanen in hun kwaad voorneemen, zoo het werkelijk mogte hun ernst zijn, tot naden„ ken kan brengen; zoo als onder anderen dat wij van alle kanten meerder volk te ver„ wachten hadden, dat we van de Engelsche als onze vrienden en bondgenooten hulp kon= den krijgen, en dat het Htoff de gedagten moest laaten vaaren op Putulang en verdere stran= den, wijl de komp=e die nimmer zoude af„ staan . &c=ra Jk vertrouwe dat mijne vertrouwelijke zaamen- spraak met dien kandiaan van goed effect zal zijn, en dat hij wel haast met eenig antwoord weeder zal koomen, gelijk hij zelfs zeide te vermeenen, met deese bijvoeging dat zijn Heer wel meerder dienaars had, maar wel geen

NL-HaNA_1.04.02_3890_0332 view scan ↗

English

would employ no other than him in this commission, both for his fidelity and because the matter, which required great secrecy, should not be entrusted to any others. I trust that Your Right Honourable, Valiant, Highly Esteemed Worship will find my conduct in accordance with the interests of the Company, and thus will deign to honour the same with favourable approbation; while in that flattering confidence I have the honour, with all due respect, to call myself. Below stood: Right Honourable, Valiant, Highly Esteemed, Highborn Sir: Your Right Honourable, Valiant, Highly Esteemed Worship's obedient Servant. Was signed: D: T: Fretz: In the margin: Buitendorp, the 2nd of March 1791: Agrees. Wijbrands First Clerk No. 23. 4678. Report from the Kandyan territory. I, Louis Fernando, fisherman, lascorijn and inhabitant here, went on the very esteemed orders of the Honourable Sir Daniel Ditlof Count of Ranzow, merchant and chief at Negombo and Chilaw, to the King's country to inquire into what is taking place there. At Attapittie, one day's journey from Kandy, I learned that the Udagampaha Adigar is drilling 700 Malays in arms, and their drill masters are themselves Malays. The Maduetta or Bodyguard is also being drilled, and all firearms are being marked at the Mangal Manduwa, and the brother of the King has been to Kataragama and returned; he himself is the person who is to come down to wage the war. Two of the King's friends and a Magola Mohandiram departed for Madras to ask for auxiliary troops from the English, and the same Magola Mohandiram arrived at Nalanda with some vessels, and 3 detachments have already been put ashore and are currently at Nalanda. The rest houses have been prepared at the places mentioned below, namely Ganoruwa, Walgowagoda, Attapittie, Idamalpane, Ruwanwella and Sitawaka, and to hang them with white linen they await they await further orders. The bridges at Attapittie and Idamalpane have not yet been fully made, and on The paddy storehouses of the principal grandees of the Four Korales an arrest has been placed; and the paddy may not be sold. All that I have declared I have heard and have seen nothing else except that the rest houses at Attapittie and Idamalpane are prepared. Below stood: Negombo, the 1st of March 1791. Lower stood: To my knowledge, J. G. Boetz: authorized. In the margin: for the translation, C: Koeleijer, sworn interpreter. Below stood: Agrees. Was signed: J: G: Boetz, authorized. Agrees. Wijbrands First Clerk No: 14 4679. The following is my report: That the Atapattu vidane and a kangany arrived a few days ago in the Jagampattuwa, which is subject to Kandy, and have ordered the inhabitants That each village must keep 100 amunams of paddy in readiness, so as to be able to deliver it immediately when requested, a half village half, and so in proportion. Each village must also keep 100 bags in readiness, and they have also ordered the inhabitants that they must not continue to live so close to our borders, but to move deeper inland. Also, each village must deliver 4 firearms to Kandy, a half village 2, and so in proportion. The vidane and kangany must convey the aforesaid orders through the entire Seven Korales, and they are the servants of the Disava of the Seven Korales. Mawatagama is the son of the former Disava of the Seven Korales and is currently Disava in his place. Below stood: Chilaw, the 27th of February 1791. Was signed: U. Elenbeek. Below stood: Agrees, J: G: Boetz, authorized. Was signed. Agrees. Wijbrands First Clerk No: 15 4680. 1 To the Honourable D. W. van de Graaff Esqr. Counsellor Extraordinary of the Supreme Council at Batavia and Governor of Ceylon &ca. &ca &ca. at Colombo We have the honor to inform you that His Highness the Nabob of the Carnatick has re- ported to us that some Difficulties have arisen between him and the representatives of the Honourable Dutch East India Company, respecting their Proportion of the Pearl and Chank Fisheries, and as we are very desirous of interposing our Good offices in Compromising these Differences in an equitable manner for both parties, we beg leave to request you will be pleased to trans- mit to us Copies of the Titles on which your Honourable Sir Military Department rights right to the Pearl and Chank Fisheries, and your Claims to certain Exemptions and Privileges of trade in the Tinnevelly Country, are founded, in order that we may be enabled to form a just Judge- ment on the question in dispute. We have the honor to be with Great Esteem, Honourable Sir, your most obedient Humble Servants, signed: W. Medows J. Hudleston C. Oakeley Fort St George 29th January 1791 Military Department To the Honourable J: W: van de Graaff, Extraordinary Counsellor of the High Council at Batavia and Governor of Ceylon etc. etc. etc. Colombo We have the honour to inform Your Honour that His Highness the Nabob of the Carnatic has made known to us that some differences have arisen between him and the commissioners on behalf of the Dutch East India Company concerning their proportion or share in the pearl and chank fisheries, and as we are very desirous to offer our good offices to settle these differences in a just manner for both parties, we therefore take the liberty to request Your Honour to transmit to us copies of those proofs on which Your Honour's right to the pearl and chank fisheries, as also the claim that Your Honour makes to certain exemptions and privi- leges in trade in the Tinnevelly district, are founded, in order thereby to be enabled to form a correct idea of the matter in dispute. We have the honour to be with much esteem, below stood: Honourable Sir, Your Honour's very obedient and humble Servants, signed: W: Medows, J: Hudleston, C: Oakeley. In the margin: Fort St. George, 29 January 1791. Wijbrands Honourable Sir! Agrees. First Clerk No: 26

Dutch transcription

geen ander als hem in deese kommissie zoude gebruijken, zo, om zijne getrouwheid als om de zaak, die groote geheim houding vereischte, aan geen meerdere aan te vertrouwen. Jk vertrouwe dat uwel Ed: Gestr: Groot achtb: mij ne handelwijze overeenkomstig met de be= langens van de komp=e zal bevinden, en dus dezelve met gunstige approbatie zal gelieven te vereeren; terweil ik in dat streelend vertrouwen de eere hebbe met al verschuldigt ontzag mij te noemen. /:onderstond:/ wel Edele Gestr: Groot Achtb: Hoog Geb: Heer: uwel Edele Gestr: Groot Achtb: gehoorzaamen Dienaar. /:was geteekend:/ D: T: Fretz: /: in margine:/ buljd dorp den 2: Maart 1791: Akkordeert. Wijbrands Egklerk No. 23. 1hala 4678. Berigt uit het Kandiasche. Ik Louis fernando vissers laskoaijn en inwoonder alhier, ben op zeer g'eerde ordre van den welEdelen Heer Daniel Ditlof Graaf van Ranzon koopman en opperhoofd te Ni= gombo en silauw na 'skonings land geweest, omme te verneemen wat daarinne omeme gaat. se Attapittie een dag reise van kandia, heb ik vernoomen dat oedoeganepaha adikare 7o0. malaijers in de wapenen oeffent, en de dailmeesters van hun, zijn zelfs maleijers. De Madoeette of Lijfwagt woord ook g'exeaseert en op mangel mandoea worden alle geweeren gemerkt, en de Broeder van den koning is na kaddergamme geweest en te rug gekoomen, Wij zelfs is die perzoon die aftekoomen staat, omme den oorlog te voeren. Twee van 'skonings vrienden en eenen Magola Mohandiraer zijn na Maderapuure vertrokken omme hulptroepen van „de Engelschen te vragen, en dezelfden Magola Mohandiaam is met eenige vaartuigen te Nalande gekoomen en 3. kom- mandos zijn bereets aan land gezet en bevinden hun tans te Nalande. De rusthuijsen zijn gemaakt op de natemeldene plaatsen, als Ganoroee, Walgoawodde, Attapittie, Idemalpane, Roe- anelle en Sitavaque, en omme die met wit linne te bekleeden, wagt wagt men tot nadere ordre De briggen te Attapittie en Pdemalpoure zijn nog met ge„ heed gemaakt, en op De Nelij pattaijes van de voornaamste grooten van de vier korles is aroest gelagt; en de nelij mag niet verkogt worden. Al het geene ik verklaard hebbe heb ik gehoord en niets anders gezien als dat, de reesthuijsen te Attapittie en Idemalpane gereed gemaakt zijn. /:onderstond:/ Nigombo den 1. Maart 1791. /:lager stond:/ in mijna kennis J. G. Boetz: g' auth: /:in margine voor de vertaaling C: koeleijer gesw. tolk /:onderstond:/ Akkordeert /. was getekend:) J: G: Boeft g' auth: Akkordeert. Wijbrands SEgklerk 6 No: 14 1. 688 4679. Wet volgende is mijn berigt Dat de Attoepattische vidaan en een kangaan, voor eenige dagen in het Jagampattoese /: dat onder kandia staat:/ zijn gekoomen, en hebben aan de ingezetenen belast. Dat ider dorp 100: maditen rijst moet in gereedhoud houden, als die gevraagd wierden ten eersten te konnen levaren, eenhalve doap de helfte, en zoo na rato. Ook moet ider dorp 100. schuljs in gereedheid houden, en hebben ook de ingezetenen, belaft dat ze niet zoo digt bij onze limieten moeten blijven woonen, maar dieper in het land te gaan. ook moet ider dorp 4. geweeren na kandia leeveren, een half dorf 2. en zoo na rato. De voorgemelde ordre moeten de vidaan en kangaan door de heele 7. korl brengen, en zij zijn de bediendens van den Dessare den 7. korles. Miegatinmi /: is de zoon van de voorige Dessave den 7. koals. /en tans in desselfs plaats desjare /:onderstond:/ silanr den 27. de- bruarij 1791. /:was getekend:/ UElenbeek /:onderstond:/ Akkordeert J: G: Boetz geath: /:was getekend. / Akkordeert. Dijbrands Seiklerk 1. 682 No: 15 4680. 1 To the Honsrabl D. W. van de Graaff Esqr. Counsellor Eatsraordinary of the hipremse Council at Batavia and Governer of Ceylon & ca. & ca & ca. at Columbo We have the honor to inform yord that his Highness the Nabob of the Carnatick has re= ported to us that soure Difficulties have arisen between him and the representatives of the Houble Duteh Eent India Company, respecting" their Proportion of the Perl and Chank Fishedien, or and as we are very desiront of interposing dun Good offices in Compromnsing these Differences. in on equitable mannen for bott parties, we begleave to requert you will be pleared to trans= mut to us Copies of the Titles on which your Houble Sir Militaire Departament rights right to the Perl and Chant Feirheries, and your blaims to centain Exemptions and Priviledge of trade in the Tirnevelly Country, are founded in ooder that we may be en abled to form a jint Jndge= ment on the quertion in duspute We have the honor to be with Great Eteem Houble Sir yous mois bedient Humble Servant Wdm sigued/ Medors Hudlertors Orkelen Fot & George 29t January 1791 ant 1hede 4681. Militair depantement Aan den Edle J: W: van de Graaf: send ernaap Raad, Extra rdinair van den Hooge Raad te Batavia en Gouverneur van Ceilon &c=a &r=a &h=a Columbo Wij hebben de Eere uw Ed: te berigten als dat zijn Hogheid den Nabab van de carnatic ons te kennen heeft gegeeven, als dat 'er eenige verschillen tusschen hem, en de gekommitteerdens van weegens de Hollandsche oost Jndische Comp:e ontstaan zijn aangaande hunne propontie ofte deel in de paaal en Chankos visscherijen, en vermits wij zeer begeerig zijn, om onze goede diensten te bewijzen om deeze verschillen op een regtvaardige wijze voorbeide de parthijen afte doen, zoo neemen wij daarom de vrij„ „heid uwEd: te verzoeken om aan ons Copijen dier bewijszen toetezenden waar op uw Ed. regt op de paarl den Chankos visscherije, zoomeede de aanspraak die uwEd: maakt op zeekere uijtsluijtingen en voor„ „regten in den handel in de Jirnewelij landschap, gevestigd zijn, om daar door in staat gesteld te worden en Juijste idee te formeeren de zaak in verschil„ Wij hebben de Eere met veel agting te zijn /:onderstond:/ Edele Heer, uw Ed: zeer geh: en ned: Dienaaren /:geteekend:/ W: Medows, J: Hudlestors, C: Oakelij /:in margine:/ fort S:t George 29. Januarij 1791. Hijbrands Edele Heer! Akkordeert. Vegklerk No: 26

NL-HaNA_1.04.02_3890_0351 view scan ↗

English

4682. I inform you that the following court dignitaries are preparing to depart from here next Monday, namely, the second Court Adigar to Matele and Noewere kalauwe, the Dessave of oewa to oewa, and the Dessave of welasse and Bintenne to his Dissavonies. That they go to such remote places, without also going to the four korles, seven korles and Paffregain, is solely to see what the Dutch intend to undertake, and with no other purpose. There appears to be no desire at all to wage war. By pretending to have some power to use force, they wish to try whether they can recover the beaches through such deception. It is solely with these thoughts that they occupy themselves, for they know very well that if discord should ever arise, it will be difficult to set matters right again. Translation of an unsigned letter to the Maha Modliaar. The reply to the letter written by the Dessave is still being delayed. It is therefore not good to keep writing anew each time now. The Dessave of the four korles has received nine suits of clothes, but I have not yet received anything. I therefore request that the requested clothes and the little money be sent to me with Nendoerenne Mohandiram. Agrees, First Clerk Hijbrands No 27 4685. 4683. Register of the following accounts, letters and translations of the successive reports received from the Kandyan territory and from the subordinate offices, concerning the movements and preparations in the Kandyan territory. No 1. copy of a letter written by assistant sinning to the Lord Dessave of Colombo, dated 2nd of this month. 2. copy of the summary of an ola letter written by the kankani of the ordoekalafattoe of the Mapittigamkorle to the Dessave of Colombo on the 2nd of this month. 3. copy of a letter written by the bookkeeper van Brattau from Minuangodde in the Alloetkoerkorle to the Dessave of Colombo, dated 3rd of this month. 4. copy extract from the letter written by assistant sinning to the Dessave of Colombo on the 3rd of this month. 5. copy of a report from the Kandyan territory, provided by the fisher lascorin Apponso Loesee at Nigombo on the 5th of this month. 6. copy of a declaration provided by the Sinhalese kodea at silau, dated 5th of this month. 7. copy of a translation of a Malabar ola written by the Moor Agamadoe sulle to the resident at Lilau, dated 6th of this month. No 8. No 8. copy extract from a letter written by assistant sinning to the Dessave of Colombo, dated 6th of this month. 9. copy of a translation of a Malabar ola written by the resident of Silau Alie Jambie to resident Ripsema, dated 7th of this month. 10. copy of a declaration provided by Schiemaen Aukat in Mallenaijken at Silau, on the 8th of this month. 11. copy of an account provided by the cinnamon peelers Temahandige kalloeameestrie and Roeanpoere Donasie on the 8th of this month at Colombo. 12. copy of a translation of a Malabar ola from a certain person sent out by the chief of kalpettij, dated 1st of this month. 13. copy extract from a letter written by the bookkeeper von prattaa under date 10th to 11th of this month to the Dessave of Colombo. 14. copy of a declaration provided by an inhabitant of wissenaive at silau on the 13th of this month. 15. copy extract from a letter written by assistant sinning to the Dessave of Colombo, dated 16th of this month. 16. copy of an account given by a certain Kandyan and a lime-burner lascorin of the Alloetkoer korle at Hulftsdorp, dated 17th of this month. No. 27 4685 4684. No 17. copy extract from a letter written by assistant sinning to the Dessave of Colombo, dated 18th of this month. 18. copy of an account provided by two Moors named Judoe kandoe Marikaen Kader Poelle and Awvoeker Mira kanie at Hangewelle, on the 18th of this month. 19. copy of a declaration provided by an inhabitant at silau upon his return from the gravet of Gerende at silau on the 21st of this month. Colombo, 25 March 1797. Also No 20. Extract from a letter written by assistant sinning to the Dessave of Colombo this day. Hijbrands First Clerk No. 27 4685. Colombo To the Honorable, Commanding Lord Diederich Thomas Fretz Senior Merchant and Dessave of the Colombo Lands. Honorable, Commanding Lord, I have the honor most respectfully to inform Your Honorable Worship that the spies sent to the Kandyan territory have not yet returned; however, I have understood from a Kandyan from the four korles of the village Dettegamme, who has friends in this korle: That 4 days ago an order had gone out from the court to appear armed at the court, though only one person from each family, and they would subsequently be distributed there among 4 dessaves who would depart with them, the 1st to the place wewwetten, the 2nd to kuru-utti, the 3rd to Ruangwelle, and the 4th did not know for certain where to, though had heard that he would march up the road to wellepodde heenapolle. That up to the present day firearms and powder are still being brought from the Company's lands to the Court, he himself

Dutch transcription

4682. Ik laat uw weeten dat de volgende Hofsgrooten gereedheid maaken om aanstaande maandag van hier te vertrekken, teweeten, de tweede Rijks Adigann na Matele en Noewere kalauwe, de Dessave van oewa na oewa, en de Dessave van welasse en Bintenne na zijne Dessavonien. Dat ze na zulke afgeleegene plaatzen gaan, zonder ook te gaan na de vier korles, zeven korles en Paffregain, is alleen om te zien wat de Hollanders voor„ neemens zijn te beginnen, en met geen ander oog„ merk. Om te oorloogen schijnt 'er geheel geen lust teweezen. Met zig aantestellen als of men eenige magt heeft om geweld te gebruiken, wil men probeeren, of men door zulk een bedrog de stranden kan terug krijgen. Het is eenelijk met deeze gedagten dat men zig bezig houd, want men zeer wel weet, dat wanneer 'er eens on„ ƒ eenigheeden mogten ontstaan, het moeijelijk Translaat van een ongeteekenden brief aan den Maha Modliaar. eeel zal zijn om de zaaken weder te regt te brengen Het antwoord op den brief door den Dessave geschreev word nog uitgesteld. Het is daarom niet goed, op om nu telkens weder op nieuw te schrijven. De Dessave van de vier korles heeft negen stellen kleederen gekreegen, dog ik heb nog niets ontfangen Jk verzoek daarom de gevraagde kleederen en het wijnige geld aan mij tezenden met Nendoerenne Mohandiram Akkordeert Egklerk Hijbrands No 27 4685. 4683. Register der ondervolgende Relaasen, brieven en translaaten van de sukcessive ingekomene berigtenuijt het candiasohe en van de onderhoorige kantooren, betreffende de beweegingen en toerus„ „tingen in het kandiasche. N:o 1. kopia brief door den assistent sinning aan den Heer Kolombosch Des Jave geschreeven ged:t 2:e deeser. 2. kopia korten inhoud van een brief ola door den konaal der ordoekalafat„ „toe van de Mapittigamkoule, aan den Dessave van Kolombo geschreve op de 2. dezer. „ 3. kopia brief door den boekhouder van Brattau van Minuangod de uijt de Alloetkoerkoule aan den Dessave van kolombo geschreeven, ged: 3. deezer, „ 4. kopia extrakt uijt de brief door den asistent sinning aan den dessave van Kolombo op den 3:e deezer geschreeven. „ 5. kopia berigt uijt het kandiasche, door den vissers laskorijn Appon„ „so Loesee te Nigombo verleend op den 5. deeser „ 6. kopia deklaratoir door den Zingalees kodea te silau verleend ged:t 5. deeser. „ 7. kopia translaat Mallabaarsch ola door den moor Agamadoe sulle aan den resident te Lilau ge„ „schreeven ged:t 6. deezer. N:o 8. N:o 8. kopia extrakt: uijt een brief door den assistent sinmin„ aan den DesJave van Kolombo of„ „schreeven, ged: 6 deeser. 9. kopia translaat Mallabaarsch ola door den inwoond er van Silau Alie Jambie aan den resi„ „dent Ripsema geschreeve, ged:t 7: deesen „ 10. kopia deklaratoir door Schiemaen Aukat in Mallenaijken te Silau verleend, op den 8. deeser 11. kopia relaas door den kanneel schillers Temahandige kalloea„ meestrie en Roeanpoere Donasie op den 8. deeser te kolombo verleend. 12. kopia translaat Mallabaarschola van een zeekeren perzoon dezo het opperhoofd van kalpettij uijtge „zonden, ged: 1. deezer „ 13. kopia Extrakt uijt een brief door den boek houder von prattaa onder dato 10. tot, 11. deezer aan de Dessave van kolombo geschreeven. „ 14. kopia deklaratoir door een ingezeetene van wissenaive te sitau verleend op den 13. deezer „ 15. kopia extrakt uijt een brief van den assistent sinning aan ƒ den dessave Vae kolombo geschreer gd 16. da„ „zek „ 16. kopia verhaal van zeekeren kandiaenen een kalk brandere laskorijn van de Alloetkoer korle te Hulftsdorp gedaan, No. 27 ged: „ „ 4685 468¼. ged: 17. deeser. desJave van kolombo geschreeven, ge„ „dateerd 18. deezer. „ 18. kopia verhaal door twee mooren in naamen Judoe kandoe Marikaen Kader Poelle en Awvoe„ „ker Mira kanie te Hangewelle verleend, op den 18. deezer. „ 19. kopia deklaratoik door een inwoonder te silau met zijn te rug komst van de gravet van Gerende te silake verleend op den 21: deeser N:o 17. kopia extrakt uijt een brief van den assistent sinning aan den Kolombo den 25. Maart 1797. Nog N:o 20. Extrakt uijt een brief, van de assistent sinning aan den Dessave van koloembo geschreeven op heeden. Hijbrands Egklerk No. 27 4685. Kolombo Aan den wel Edelen Gebiedenden Heer t Diederich Thomas Tretz opperkoopman en Dessave der kolom„ „bosche ommelanden. Wel Edele Gebiedende Heek Heb de eere Uwel Ed: Geb: eerbiedigst te berigten, dat de na het kandiasche gezondene spions nog niet weeder te rug gekoomen zijn, egter van een kandiaan uijt de vier kould van het doup Dettegamme die vrienden in deeze koul heeft, heb verstaan. Dat voor nu 4. daagen ordre van het hof was uijtgegaan om met de wapens aan het hoff te moeten verschijnen, dog maar uijt ider familie een kop en vervolgens aldaar zouden worden verseeld onder 4. dessaves die met hun den 1. zouden vertrekken na de plaats wewwetten den 2. kuru-utti, den 3:e na Ruangwelle, en den 4:e niet zeeker wiste waar na toe, egter vernoomen hadde dat de weg op na wellepodde heenapolle zoude opmarcheeren. Dat tot heeden den dag nog geweiren, en Pulver uijt skomp:s land na het Hofg worden gebragt, thij zelfs

NL-HaNA_1.04.02_3890_0360 view scan ↗

English

even 10 days ago had seen that a Kandyan with 4 pieces of firearms, and another with a quantity of silver, had departed for the Court, who were rewarded in the best manner by the king for their trouble and faithfulness. That from the day of the arisen revolt until today, another 10 to 12 persons from the Matara district came back and forth to the Court, and after having brought some news to the king, departed again without speaking to anyone else; they indeed appeared to be headmen, but went under the name and garb of Lascorins. As soon as the two sent thither shall have returned, I shall have the honor to report what is learned to Your Noble Command. These korale inhabitants, as far as I see and understand, seem not to have the slightest suspicion yet. Wherewith, with the deepest awe and all respect, I have the honor to remain, below stood: Noble Commanding Lord, Your Noble Command's obedient servant, was signed: J: C: Sinning. in the margin: Moegoeroegampelle, the 2nd of March, 1791. below stood: Agrees, signed: D: T: Fretz. Agrees. Wijbrands, clerk. No 1. 4686. Short contents of an ola letter written by the korale of the Oedakalapattoe of the Kapittigamkorle on the 2nd of March 1791 to the Disava of Colombo. From the spies I have understood that an order from the Court has been sent to the lesser headmen of the Seven Korles, to make the inhabitants who live along the roads from Kandy up to the ferries of the river Maha Oya send their goods and women to other villages, and to keep 50 torches ready in each house; likewise not to allow any goods to pass from the other side of the Maha Oya to this side, nor from this side to the other side; and that the Moors were called up to Kandy. below stood: Agrees, was signed: D: T: Fretz. Agrees. Wijbrands, clerk. No 2. 4687. Colombo To the Noble Commanding Lord, Diederich Thomas Fretz, Senior Merchant and Disava of the Colombo Outer Lands. Noble Commanding Lord. Just now the man who was sent to Wisenawe arrives; he says that he did not dare to go higher than Pidroewelle, 3/4 mile from Wisenawe and 1/2 mile from Kurunegala, because higher up all the people were seized and enlisted. He has heard that at Kurunegala the rest houses for the Disava were prepared with walls, and 10 other small rest houses of olas. That the Moorish Madige Disava was at Allogalledeniya and was busy daily seizing and enlisting a thousand men who looked the best, and would arrive yesterday at Wisenawe, and with him all the Moors of the Seven Korles. That 2 days before, the korale of Bagewalane having returned home from the Court, the emissary went thither with some linen, and had understood from that korale that one of the king's family and a Battani had departed for the coast to request help, and before their return nothing would be begun; at the Court 60 blacksmiths were making firearms and bullets; on the other side of Balana 200 Moors dressed like Javanese were drilling, and 100 Vellalas in European clothing; and that he, the korale, having already sold 160 parras of paddy, still had a remainder of 120 amunams, which having sold, he would depart again for the Court; however, whether and when the Disava would come downwards, one could not say, at least it was not probable before the Sinhalese New Year; that the Kandyans feared a prince would be brought over via Puttalam, with whom an agreement on this side was supposedly made to help him gain possession of the throne under the surrender of the Seven and Four Korles and the Sabaragamuwa Korle; and for those reasons all inhabitants along Kirindimawette were ordered to remove themselves one mile to both sides; that the Kandyan people, and especially the Moors, would rather move to take up residence on this side; also Boeroegame Mohottala was allegedly nominated as Disava of Puttalam, and Halpe Appuhamy and a Madugodde Appuhamy were residing at the Court. below stood: Agrees with the letter written to me on the 3rd of March 1791 by the bookkeeper C: van Braam from Minuwangoda out of the Alutkuru Korle, was signed: D: T: Fretz. Agrees. Wijbrands, clerk. No 3. 4688. Extract from a letter written by the assistant Sinning on the 3rd of March 1791 from Moegoeroegampelle to the Disava of Colombo. I have the honor to report most respectfully to Your Noble Command that the confidant sent to the Four Korles has returned, and what was seen and heard by him there is as follows: That in the region of Wisenawe and Kurunegala not the slightest preparation of any kind had been made, indeed even the rest houses were unusable and the roads impassable, nor had the slightest order been received there, except only that they knew there that daily gunpowder was being stamped in Kandy and firearms put in order. Further, That in the village of Kekunegalagare a Disava over the Moors had arrived, who gathered and drilled all young Moorish men there; he had wanted to go thither to see how many were assembled, but was prevented from doing so with the statement that no stranger was allowed to come there. Nor did they know that more Disavas were about to come down. That he had seen 12 men dressed in military fashion with 2 firearms going from house to house begging. But could not say what nation they were, and they also did not speak Sinhalese. I have just now understood from one of the inhabitants of this korale that he had heard from his friends out of the Kandyan territory that a quantity of cannons, gunpowder, and bullets were brought below Mount Balana. below stood: Agrees, was signed: D: T: Fretz. Agrees. Wijbrands, clerk. No 4.

Dutch transcription

zelfs voor nu 10. daagen hadde gezien dat een kand „een „aan met 4. stuks geweeren, en een ander met quanti„ „leijd Sulver waaren na het Hoff vertrokke, welke van den koning voor hunne moeite en getrouwheid op het best Ewaaren beloond Dat ek van den dag der ontstaane revolte tot heeden toe „nog 10. â: 12: : perzoonen uijt, het matureese heen en weeder na het Hoff kwaamen, en na eenig nieuws aan den koning gebragt te hebben, zonder met iemand anders te spreeken weeder vertrokken, ze wel scheenen hoofden te zijn, maar onder den naam en gewaat van Laskorijns gingen. zoo spoedig als de twee daarnatte gezondene zullen zijn terug, gekoomen zal ik de eere hebben het te verneemene aan Uwel Ed: Geb: te berigten. Deese korls inwoonderen in zoo verre ik zie een verstaa, schijnen nog geen de minste argwaan te hebben. waarmeede met diepst. ontzag in alle eerbied, de eere hebbe tehijn„ /:onderstond:/ Wel Edele Gebiedende Weer uwe Ed EGb: gehoorzaame dienaar /:was geteekend:/ J: C: Sinning /:in margine:/ Moegoeroegampelle den 2:e Maarst, 1791. /:onderstond:/ Akkordeert /:geteekend:/ D: T: Fretz. Akkordeert. Dijbrands Veiklerk N=o 1. 4686. korten inhoud van een brief, ola door den koraal der oedakalapattoe van de kapittigamkoul op den 2. Mart 1791: aan den Dessave van kodombo geschreeven. van de spions heb ik verstaan dat 'er een ordre van het Hoff aan de mindere hoofden van de 7. kouls gezonden is, om de ingezeetenen die langs de weegen van kandia tot aan de verplaatsen van /: de rivier (Mahooije woonen, hunne goederen, en vrouwens na andere doopen te dolen senden, en in ieder huijs 50. sjoelassen klaar te hou„ „den zoomeede om geene goederen van de overkant /:van Mahooijl /( na deese zeide; nog van deese kant na de overzeide te laaten passeeren, en dat de Mooren na kandia opgeroepen waaren. /. onderstond:/ Akkordeert /:was geteekend:/ D: T: Fretz: Dijbrands Akkordeert. H Egkeerk No 2: 4687. Kolombo Aan den Wel Edelen Gebieden den Heer Diederich Thomas Fretz opperkoopman en Dessave der kolom„ „bose ommelanden. Wel Edele Gebiedende Heer. zoo even komt de man die na Wisenawe gezonden is, hij zegt dat niet hooger heeft durven koomen dan op pidroewelle ¾. meil van witnawe en ½. meil van kornagelle wijl hooger op al het volk gevat en opgeschreeven wierd. hij heeft # gehoord, dat te kornagelle de rusthuijsen voor den Dessave met muuren en 10. andere kleine rusthuijsen van olassen vervaardigt waaren. dat de moorse mandije dessave te alloe galledenije en beezig was, dagelijks een duijzend men„ „schen die het best uijtzaagen op tevatten en op te schrijven, en gisteren te wisnale, zoude arriveeren, en met hem alle mooren van de 7. koule. dat 2. daagen, bevoorens de konaal van Bagewalane van 't hof te huijs gekoomen zijnde, hij gezondene dat heen met eenig linnen gegaan; en van dien koraal verstaan had, dat een van konings familie en een Battanij na de kust om hulp te verzoeken, vertrok„ „ken was, en voor hun terug komst niets begonnen wier, aan £ 't Hof 60. Smeeden geweeren en kogels- maakten, aan de overkant van balane 200. mooren als Javaanen gekele exerceerden, en 100. wellales in europeese kleeding en hij koraal 160. parras nelij reeds verkogt hebbende, nog een restant van 120. amm:s hadde, die hij verkogt hebbende weeder na het Hoff zoude vertrekken; dog of en wanneer de Dessave afwaards zoude koomen, me„ niet konde zeggen althans het niet waarschijnlijk was voor 't singaleese nieuwe Jaar; dat de kandiaanen vreesde„ over Puttelang een prins zoude overgebragt worden met welken deezer zijds een akkoord zoude gemaakt zijn, monder afstand van de 7. en 4. korles en de habere gomme koul hem tot de throon bezit te helpen; en om die reedenen alle ingezeetenen „ver langs kirindimawette een mijl,„ weederzijds geordonneerd waa „ren zig te moeten verwijderen; dat het kandiase volk en voor al de mooren zig liever deezer zijds ter woon begeeven wilden, ook zoude boeroegame mohottale tot dessave van Putulang genomineerd zijn, en zig aan het woff hallewe appoehamij, een eenen madoegodde appoelamij bevinden /:onderstond:/ Akkordeert met de aan mij op den 3. Maart 1791. ge„ „schreeven brief door den boekhouder C: van Bratau van Minuangdode uijt de Alloetkoerkoul /:was getee„ „kend :/ D: F: Fretz: Akkondeert. Hijbrands Legklerk No 3. 4688. Jk heb de eere aan uwel Ed: Geb: eer biedigst te berigten. Dat de na de vier kouls gezondene vertrouwling weeder is terug gekoomen, en het door denzelven aldaar gezien en gehoord hebbende is als volgt: Dat 'ek in de streek van wissinaie en kornagel geen de minste gereedheid tot het een een ander gemaakt was, Ja zelfs de rusthuijsen onbekwaam, en de weegen ongang „baak waaren, ook aldaar geene de minste ordre ontvangen was, eenelijk dat ze daar wisten dat ek daagelijks sselver te kandia gestampt, ge„ „weiren is ordre gebragt worden. verders Dat 'er in 't doup kekoenegalagaare een Desseve over de mooren was aangekomen, die alle Jonge Moorsche Manschappen aldaar vergaderde en Exerceerde, hij daarnatoe hadde willen gaan om te zie hoeveel ver„ „zameld waaren, 't hem belet was met 't zeggen dat 'er daar geen vreemdeling mogte koomen. ook niet wisten dat er meer Desjaves stonden afte koomen. Dat 12. Malitaik gekleede mannen met 2. geweeren van huijs tot huijs hadde zien gaan beedelen. Dog niet te konnen Extrakt uijt een brief door den as„ „sistent Sinning op den 3: Maart. 1791. van Moegoeroegampelle aan den Dessave van kolombo geschreeven. zeggen O: zeggen wat natie het waaren, en ze ook geen zingalees spraaken. Jk heb zoo even van iemand deeser koals inwoonderen ver „staan dat aan zijne vrienden uijt het kandiasche hadde gehoord dat een partij kanons, Pulver, en kogels beneeden berg Balane waaren gebragt /:on Akkbrdeert /:was geteekend / D: T: Fretz. „derstond:/ Akkordeert. Wijbrands likeerk N=o 4.

NL-HaNA_1.04.02_3890_0375 view scan ↗

English

4689. I, Apponso Loesee, fisher lascorijn and inhabitant of Kalpettij, declare that by the respected order of the right honorable Mr. Daniel Ditloff Count of Ranzow, merchant and chief of Nigombo and Silauw, I have been to the King's country in order to gather accurate information there on what is going on. At Malawille, 2 miles from Kandia, having met an acquaintance of mine, a certain Kiridenne Mohotiaar, and asked what news was circulating in the interior of Kandia, he related to me: That in Kandia 300 Javanese, both old, young, and other gathered folk under the name of Javanese, were being drilled, and that also six Europeans were training a large number of people from the Saffergam, Matelle, and Owerkorle in arms; and that the minor chiefs of the korles were ordered each to deliver a Company's musket, and failing to deliver it, would be punished for it, and that two who had delivered none had already been punished. That the same Mohotiaar was at Warkapolle and had under his direction to build rest houses at the 2 places, namely where he was and at Toembeliadde, and that he, the declarant, himself saw that at Warkapolle the ground was being leveled for the erection of rest houses, and that timbers were being carried to the aforesaid 2nd place in order also to erect rest houses there. That the aforesaid Mohotiaar had also told him that two Mohotiaars, as well as 2 Doekgannes, had departed for Nalande, and the rumor was that the French would arrive there; and also it was expressly forbidden, on pain of death, that anyone should speak of war. And further a rumor went that on the 11th day of this new moon four Dessaves were to come down, but that their arrival meant no war, and that the King had also ordered not to cause any molestation to anyone, whether his own or the Company's subjects. What I have declared, I have heard and seen; further I have learned nothing other than what is stated above. Underneath stood: Nigombo, the 5th of March 1791. Was signed with a cross, and around it was written: this cross was made by Apponso Loesee. Lower down stood: to my knowledge, C. Boetz, authorized. In the margin: for the translation, J. D. van der Laan. Underneath stood: Agrees, signed: J. C. Boetz, authorized. Agrees. Hijbrands, First Clerk. No 5. 4690. The Sinhalese Kodea of Ponnankanie in the Silauw district declares that he departed from here to Konnewa, on this side of Wissenawe; from there to Karvendawewe, on this side of Wissenawe; from there to Wissenawe; from there to Kornegalle; from there to Wegodde; from there to the Garwette, where there was an order that no one was allowed to proceed further into the Kandian country. There was a lascorijn guard of 1 Arraatje and 6 lascorijns, and he thus turned back; declaring further what he learned at the aforementioned places, as follows: At Konnewa, where he stayed one night, he learned nothing. Having departed from there in the morning, he arrived at 10 o'clock at Wissenawe, 2 miles from Konnewa. There he learned that the Moorish Dessave, Madige Dessave, had been there 4 days before his arrival, and as far as he could ascertain, the aforesaid Dessave had issued no orders there and also accomplished nothing, but departed from there to Kakonoekbelle, a small village on this side of Wissenawe, where he still is; and he gave orders there that all the Moors in that vicinity had to come to him, and he wrote down their names and then let them depart to their dwellings. Further states that he had heard at Wissenawe that shortly before, there had been about 100 head of Malays and Sepoys there who were sent back to Kandia, and thus he saw no Malay or Sepoy. Also that there is a large paddy warehouse there, into which the new paddy is brought and stored; this warehouse has stood for a series of years and had fallen into decay, but is now repaired again; from it the old paddy that is inside is sold to the inhabitants. At Kornegalle a large rest house with wattle walls has been made for the Dessave of the 7 Korles, along with 15 small huts of olas. No Malays, Sepoys, or Caffres are there. There he, the declarant, was also asked what he had come there to do, so he excused himself and said that he had only come with some dried fish to sell it there, whereupon they said nothing further to him. Also, during his presence there, Geroekamme Motiaar arrived from Kandia with a retinue of 20 head and departed for Maandapattoe, a village in the 7 Korles; however, he, the declarant, could not find out what he will have to do there. At Wegodde he heard that at Kaligastotte, near Kandia on the river, a square battery is being made, for which the timbers and all further necessities were being brought there. Further, that the King's youngest brother, who is presently at Kadergam to put on the sword and enter the King's service, was to return within a month. There he, the declarant, was also asked whether it was true that a strong detachment was placed at Silau and whether they had brought the prince along, to which he, the declarant, testified to know nothing about it. Also, several Sinhalese told him, the declarant, that it was not good now to be able to undertake anything, but that first their New Year had to pass and they had to wash their heads. At Wandragalle, a village on this side of Koernagelle, several prisoners were under arrest in the More Mandoe, of whom some of minor offenses were released and the others sent up to Kandia. Silauw, the 5th of March 1791. Was signed: Ulenbeek. Agrees. Hijbrands, First Clerk. No 6.

Dutch transcription

4689. Jk apponso Loesee vissers Laskorijn en inw: te kalpettij ver„ klaare dat ik op g'eerde ordre van den wel Edele Heer Da„ „niel Dilloff Graaf van Ranzonr, koopman en opper„ „hoofd van Nigombo en Silauw na 's konings land geweest ben, om aldaar het geene wat daar te omme gaat nauw „keurige informettie te neemen. Te Malawille 2. mijlen van kandia het volgende van eenen kiri„ „denne Mohotiaak, die een kennis van hem was ontmoet en gevraagd, wat 'er in het binnenste van kandia nieuws omme „ging, hem verhaald hadde; Dat in kandia 300. Javaanen zoo oude, Jonge en andere opgerapt volk, onder de naam van Javaanen, g'exerceerd wierden, en dat ook zet Europeesen een grootaant al volk, uijt de saffergam, Matelle en owerkor„ „le, in de wapenen oeffenen, en dat de mindere hoofden van de korles belast was, ieder een komp:e geweer te leeveren, en „dat niet Leeverende, daar over zal gestraft worden, en dat 'er reeds twee, die geene geleeverd hadde, gestraft zijn geworden. Dat dezelve mohotiaak hem op warkapolle bevond, en onder hadde, op de 2. plaatsen, als op die waar hij was, en te Toem„ „beliadde rust huijsen zoude maaken, en dat hij declarant zlfs gezien heeft dat de warkapollen de grond, tot 't opzetten van rusthuijse geplaneerd wierden, en dat 'er houtwerken na de Berigt uijt het kandiasche gem: gem: 2.:e plaats gedraagen wierden, omme daar van ovk rusthuijsen, op te zetten. Dat gem: Molotiaar hem ook gezegt hadde, dat twee Mohotiaars, als ook 2. doekgannes, na Nalande, ver„ „trokken waaren, en het gerugte was, dat de fransen daar zouden aankomen, en ook erpres verbooden was, dat niemand op straffe van de dood, iets van oorlog spreeken moeste, En verders een gerugte ging, dat den 11. dag van deeze nieuwe malan vier dessaves stonden aftekoomen, dog dat hunne komste geen oorlog te beduijden hadde, en dat de koning ook belast hadde aan niemand zoo wal zijne, als komp:s onderdaanen, eenige moleste te doen. 'T geene ik verklaard hebbe, heb ik gehoord, en gezien, ver„ „ders niets vernoomen, als 't geene wat vermeld staat Com „derstond:/ Nigombo den 5:e Maart 1791. /:was getee„ „kend:/ met een kruijs, en omme 't zelve stond geschreeven, dit kruijs is gesteld, door apponso Loesee /: lagerstond:/ ie mijn kennis /:C: Boetz geauth: /: in makgine:/ voor de vertaaling J: D: van der Laan /:onder„ „stond:/ Alkolideert /:geteekend:/ J: C: Boetz geautt: Akkondeert. Hijbrands Hegklerk : No 5: 4690. Den Zingalees kodea van ponnankanie in 't Silause dis„ „trikt declareert dat hij van hier vertrokken is na konne„ „wa /:op deese sijde van wissenair :/ van daar na karven„ „dawerve /: op deese sijde van wissenaire :/ van daar na wissenaie, van daar na kornegalle, van daar na wegodde, van daar na de garwette, alwaar ordre was, dat niemand verder in 't kandiase mogte gaan daar was een laskorijns wagt van 1. arraatje en 6. las„ „korijns, en is dus terug gekeerd= declareerende verders wat hij op de voornoemde plaatsen vernoomen heeft als. Te konnawr daar hij een nagt gebleeven is heeft hij niets vernoomen, smorgens van daar vertrokken zijnde is hij te 10. uure gearriveerd of wissenaur /: 2. mijlen van konnawr. /daar heeft hij vernoomen dat de Moorse dessave Madige desJave 4. daagen, voor zijn komste, aldaer is geweest, en voor zoo verre hij konde verneemen heeft gem: Dessave geene ordres aldaar uijtgegeeven en ook niets verrigt, maar is van daar vertrokken na ka„ „konoekbelle /: een kleen dorp op deese sijde van wissena„ „we / daar hij zig nog bevind, en heeft aldaar ordre ge„ „geeven dat alle de mooren daar om streekt bij hem moesten koomen, en heeft hunne naamen opgeschreeven en dan na hunne wooningen laaten vertrekken. Legt verders dat hij te wissenawe gehoord had, dat 'er kort bevoorens aldaar omtrend omtrend 100. koppen Maleijers en Lipalies zijn gewest die na kandia zijn, terug gezonden, en dus w: geen Malaijer of sipaaij, heeft gezien. ook dat ek aldaar een groot Nelij pakhuijs is, waarin de nieuwe Nelij ingebragt en bewaard word; dit pakhuijs heeft al een reekst van Jaaren gestaan en was vervalle dog nu weeder gerepa„ „reerd, / uijt deselve word de oude Nelij die daar in is aan de ingezeetenen: verkogt. Te kornegalle is een groot rusthuijs gemaakt met wartje muuren voor de dessave van de 7. koules met nog 15. kleene hutten van olassen, geene Maleijers, sipaaijen of kaffers zijn daar, daar is hem Reklarant ook gevraagd watt hij daar is komen doen, zoo heeft hij zig verschoond en gezegt dat hij maar gekomen was, met wat karwaat om die zaldaar te verkoopen, waar op ze hem niets verders hadden gezegt. ook is bij zijn aanweesen aldaar van kandia aangekomen geroe„ „kamme motiaar met een gevolg: van 20. koppen, een na Maandapattoe vertrokken /:een dorp in de 7. korles:) dog hij declarant heeft niet konnen te weeten krijgen wat hij aldaar zal moeten doen. Te Wegodde heeft hij gehoord dat te kaligastotte /: bij ka „dia aan de virer:/ een vierkante batterij gemaakt word waar toe de houtwerken en al het verder benoodig„ daar 4691. daar wond na toe gebragt, verders dat's konings Jong„ B „ste broeder die tans te kadergam is, om het swaart aan„ „te doen en in den dienst van den koning te gaan, binnen een maand stond terug te koomen. Daar is hem decla„ „rant ook gevraagd geworden of het waar was dat te silau een sterk kommande was geplaatst en of ze de prins hadde meede gebragt, waar op hij decla„ „rant heeft betuijgd daar niets van bewust te zijn. Ook is hem declarant van verscheide singaleesen gezegd, dat thans niet goed was om iets te konnen onderneemen, maar dat eerst hunne Nieuwe Jaar moeste gepasseerd zijn en zij het hoofd hadden gewasschen. Te wandragalle /: een dorp aan deeze zijde van koerna„ „gelle:/ waaren verscheidene gevangenen in de More Mandoe in arrest, waar van eenige van minder misdaad gelargeerd zijn en de anderen na kandia opgezonden. Silauw den 5:e Maart 1791. /:was geteekend:/ UElenbeek. Akkordeert. Hijbrands D Eeklerk 1 No 6

NL-HaNA_1.04.02_3890_0383 view scan ↗

English

4692. Translation of a Malabar ola addressed to the Resident at Silauw. The Moor Agamadoe Poelle, resident at Silauw, currently arrested at Wissenaur, informs the Resident that at his request to the Madige Dessave, who is at Wissenawa, it was agreed that he would be allowed to go to Silauw to fetch food for the fellow arrested Moors, Jboe and his brother from Silau, and the four Sinhalese from Kolombo, and that he has come here for that purpose. He further says that Tammerage was taken from their custody under arrest up to Kandia, where they asked him whether he had not borrowed paddy from the gentleman stationed at Silau, and whether the Prince who covets the throne is at his house. To this Tammerage answered that these are all untruths; thereupon his house was searched, but as they did not find the Prince in it, he was presented with a fine hanger and furthermore told to just return to his place of residence. To this Tammerage answered that three Moors from Silauw had come to him with their cattle to sow his fields and tobacco gardens, as well as four Sinhalese from Kolombo to buy up cattle; that these persons, along with the cattle, had all all been arrested, so he requested to also release these people together with the cattle from their arrest. Tammerage, who has not yet returned from upcountry, has written this to us in an ola. Furthermore, the Madige Dessave is still at Wissenawa, but why he has come there, I do not know. All Moors appear before him; he has not the slightest armed force with him. But this I do know: that a Lascarin was dispatched by the Dessave to Moennesaram to seek out a Jogi and inquire whether the Prince is in the Silau district. The Lascarin had not yet returned at my departure, but as soon as he returns, our case will be investigated by the Dessave. We do not yet know why we were arrested and what our accusation is. I have brought my cattle that had been arrested back to Silau, and tonight, according to my promise, I will go back to Wissenawa with food, and hope to provide further information on everything within a few days. The Kandyans are very fearful that the military from Silau and Puttelang will attack them. At the end of the ola was signed with a cross, and around it was written the name of Agamadoe Pulle. Underneath stood: 4693. Underneath stood: Silau, 8 March 1791. Was signed: for the translation, Petrus Ripsema. In the margin: for the translation, D. J. Ramenaike. Underneath stood: Agrees. Signed: C. Boet, sworn clerk. Agrees. Ysbrands First Clerk. 30. No. 7. 4634. Extract from a letter written by the assistant Sinning on 6 March 1791 from Moegoeroegangpelle to the Dessave of Kolombo. All the news made known to me from the Kandyan country, although they are very different and conflicting, I have the honor to report to Your Most Honorable; having again understood from the Mohandiram Kiribandare that he had heard from his friends from the Kandyan country who came to him today: That gunpowder and bullets were packed in bags and mats to be transported by elephants to places where it would be further ordered. That they had not yet come down from Mount Balane, but that such was appointed today to happen after the lapse of 23 days. That a kind of gun carriages or bare wheels had been prepared for the cannons. That the King's uncle had departed with a Moor to the English to request assistance, who until today were still with the English, and that a letter had been sent by them to the Court instructing them to put everything in readiness for war, and that the English would come to their aid by sea. That for this time they would give no quarter, with the warning that those who had friends in Company's territory should make it known to them so they might save themselves in time. That 700 men were being exercised at the Court in different uniforms, and that by two Europeans, one company after the other. That the King's brother had departed with 4 Dessaves to Kattergamme for sacrifices. This Mohandiram Kiribandare assures me that this can be taken for the truth, because his friends had heard it from a Nayake who was daily at the Court and in the presence of the King. Was signed: J. C. Sinning. Underneath stood, signed: D. T. Fretz. Agrees. First Clerk. Agrees. Ysbrands. No. 8. 4695. Alie Tambie, resident of Selau, makes known that I have been to Kandia, up to the village Wissenaire, where the Madige Dessave is present; all peoples who fall under him must appear before him, but why he has come, I do not know; he has no armed men with him. The Kandyan inhabitants in that place are in the utmost fear that the Europeans who are at Silau and Puttilang will attack them. The former Dessave was ordered to go down, which he refused, and for that reason he was dismissed. And in his place another has been appointed, who was likewise ordered to have to go down, whereupon he said that if the King and the other Adigars also go, he will then go as well, but otherwise not; about which there is currently a great dispute at the Court. Furthermore, the Kandyans are in the greatest fear because the road from Tammerawille to the border is being cleared, as they now firmly say that the Dutch will attack them along that road. These particulars I have heard myself from the Kandyans, so this report regarding these matters is completely true. Translation of a Malabar ola addressed to the Resident at Silau

Dutch transcription

4692. Translaat Mallebaarsche ola gerigt aan den Resident te Silauw. De Moor Agamadoe Poelle inwoonder te silauw, thans gearresteerd op Wissenaur, geeft den Resident te kennen, dat hij op zijn verzoek aan Madige dessave, die op wisse„ „we is, is g'akkordeert geworden om na Silauw te moo„ „gen gaan, om kost te haalen, voor de meede g'arresteer„ „de mooren Jboe, en zijn broeder van Silau, en de vier zin„ „galeesen van kolombo, en dat hij ten dien eijnde, na dit heen gekomen is, zegt verder dat Tammerage bij hun uijt arrest na kandia opgebragt is, alwaar ze hem ge„ „vraagd hebben, of hij van de heer die op silau legt geen Nelij geleend heeft, en of den Prins die den troon begeerd ie zijn huijs is, waar op Tammerage geandwoord heeft, dat het alle onwaarheeden zijn hier op is zijn Huijs gevi„ „senteerd, dog wijl te den prins daar in niet gevonden hebben, is hij met een fraaije houwer beschonken gewor„ „den, en verders hem gezegt, maar weeder na zijn woon„ „plaats te gaan, waar op Tammerage geandwoord heeft, dat ik 3. mooren van silauw bij hem gekomen waaren met hunne beesten, om zijn velden en tabaks gales te bezaijen, zoo meede vier zingaleesen van kolombo om bresten op te koopen, dat deese operzoonen neevens de beesten alle alle gearresteerd waaren, dus hij verkogte om deeze va „schen neevens, de beesten meede uijt hun arrest te beom„ „den, die heeft Tammerage die nog van boven niets te rug gekoomen is, ons bij een ola geschreeven. Voorts is madige dessave nog op wissenaue, dog waar hij daar gekomen is, weete ik niet alle mooren koomen voor hem, hij heeft geen de minste gewaapende ma„ bij zig, dog dit weete ik dat 'er door den Dessave een Laskorijn na moennesaram afgezonden is, om een Jogie optezoeken, en te verneemen of den prins zig in het Silause bevind, den Laskorijn is bij mijn ver„ „trek nog niet terug gekoomen, dog zoo dra hij teru komt zal onze zaak onderzogt worden, door den dessave; wij weeten nog niet waarom wij g'arresteerd en wat onze beschuldiging is, ik heb mijn gearreste geweest zijnde beesten weeder na silau tterug ge„ „bragt, ten gaa heeden avond volgens mijn belofte, met kost weeder na wissenawa, en hoope binnen korte daagen van alles nader kennisse te gee„ „ven. De kandiaanen zijn zeer bevreesd, dat de Militairen van Silau en Puticlang hun overvallen, zullen, aan 't slot der ola /:was geteekend:/ met een kruijs, en omschreeven de naam van Agamadoe pulle /:onderstond:/ a 4693. /:onderstond:/ Silau den 8:e Maart 1791. /:was geteekend:/ voor de translatie Petrus Ripsema ter zijde /: voor de vertaaling D: J: Ramenaike, /:onderstond:/ Akkondert / geteken:/ C„ Boet gent Akkordeert Dijbrands egkeerk 30. No 7 7: 4634. Extrakt uijt een brief door den assistent sinning op den 6. Maart 1791: van Moegoeroeg ampelle aan den dessave van kolombo geschreeven. Alle de uijt het kandiase mij bekend gemaakte nieuw „wigheeden schoon dezelve zeer differente en verschil„ „lend zijn hebbe de eere aan uwel Ed: Geb: te berigten als weeder van den Mohandiram kiribandare heb verstaan dat van zijne vrienden uijt het kandiase wel„ „ke heeden bij hem gekoomen, hadde vernoomen. Dat sulver en kogels waaren gepakt in zakken en matten om door Eliphanten te vervoeren op plaatsen waar het nader zoude worden geordonneerd. Dat nog niet beneeden de berg Balane waaren gekoomen maar zulks heeden bestemt was na verloop van 23. daagen. Dat eene zoort van affuijten of bloote wielen voor de kannons waaren aangemaakt. Dat de oom van den koning met eene moor waaren na de engelsen vertrokken om hulp te verzoeken , welke tot heeden toe nog bij de engelsen waaren en door g hun een brief na het hoff te zijn gezonden om alles tot den oorlog in gereedheid te moeten brengen, en dat de de engelsen tot hun hulp van Zeekant zouden koomen. Dat voor ditmaal geen pardon zouden geeven met de w „schouwing, aan die geene die vrienden in 's komp:s t hadden te moeten bekend maaken, om land, zig bij tijds te redden. G Dat 700. koppen aan het Htof in differente monteering wierden g'Lerceert en dat door twee Europeesen de eene kompanie na de andere Dat 's konings broeder met 4: dessaves na kattergam „me ten offer waaren vertrokken. Deese Mohandiram, kiribandaare betuijgd mij dit voor waarheid te kunnen houden, wijl het zijne vrienden, van eenen Naijke, die dagelijks aan het hof en ten presentie van de koning was hadde geloord /:was geteekend:/ I: C: Sinning /:onderstond /:geteekend :/ D: T: Fretz: Akkordeert Egklerk Akkordeert. Hijbrands No. 8. 4695. Alie Tambie inwoonder van Selau, geeft te kennen, dat na kandia geweest ben, tot het doup wissenaire, alwaer de Madoege DesJave, present is,„ alle volkeren die onder hem slaan, moeten voor hem komen, dog waarom hij gekomen is, weet ik niet, hij heeft geen gewapende manschappen bij hem, de inwoonders van kandia in die plaats zijn in de uijterste vrees, dat de Europeesen die te silase en Puttilang zijn, hun aanvallen zullen, den geweesen dessave is geordonneerd geweest, om na be„ „needen te gaan, die dit geweigerd heeft, en daarom afgezet is, En in zijn plaats is een ander gesteld, die meede geordonneerd is om na beneeden te moeten gaa, waarop hij gezegt heeft, als de koning en de andere adigaars meede gaan, dat hij als dan ook gaan zal, maar anders niet, waarover tans een groote strijd aan het Hoff is; wijders zijn de kandiaanen in de grootste vrees, om dat de sweg va Tammerawille tot de Limiet schoon gemaakt word, wijl ze nu vast zeggen, dat de Hollanders, hun langs die weg aanvallen zullen, deese zaakelijkheeden heb ik zelfs gehoord van de kandianen, dus dit Rapport hier omtrend als volkoomen waar Translaat Mallebaarse ola gerigt aan den Resident te Silau zijnde,

NL-HaNA_1.04.02_3890_0392 view scan ↗

English

being, was granted and signed by me, below at the end of the ola was signed in Malabar characters, the name of Alie Tambie, the 7th of March 1741. Below was written: for the translation was signed: Petrus Ripsema, in the margin: for the translation signed: D: J: Ramenaike. Below was written: Agrees was signed: J: G: Boelk authorized. Agrees. First clerk Wijbrands. 4606 96 at No. 9 Vek No. 9. 4696. Scheman Arkat and Mallenaijken, sepoys, declare that they have been from here to Pandanigodde close to Kornegalle, and have learned the following: At Mandalapalle, situated on the road from Putulang to Kandy, that Koemara Wannie, who when Putulang was under the Kandyans was wannie there, and had now been placed under arrest for 5 years on account of his debts, has been released from his arrest and set at liberty upon the promise that, if the King would assist him with the necessary people as well as otherwise, he would manage to regain Putulang from the Company; but that up to now no people or other assistance had been given to him, though the talk is that after 7 days of the current month he would go to Putulang. At Pandanigodde, on the same road, it was asked of them where they came from and what business they had there, upon which they said that they came from Silau to look for a master who could cure the eye of one of the declarants, which, having had sore eyes, is entirely blind. Whereupon they were further asked why so many Europeans, Malays, and sepoys are stationed at Silauw, and why the batteries there are being so heavily supplied and repaired. Repaired, whereto they had answered that the people certainly must have been sent there because it is now a post of the Company, and that the batteries or fortifications, likely being decayed, are being rebuilt. Thereupon it was further asked of them how many troops might be there, and they had answered that many troops were stationed there, but that they could not give the number thereof. Furthermore, the declarants have learned from some inhabitants who according to custom had brought rice to Kandy what they had actually seen or heard in Kandy; whereupon they said that there was great talk there that a prince, with the assistance of the Company, would come to Kandy to rule the place and to serve to the great benefit of the Company, and that they therefore had to put everything into effect, if possible, to defend the King; yet if that did not happen, they would leave the Company and its inhabitants unmolested. They also learned there that the son of the Mohandiram of Makoladennie has been sent by the King to the opposite coast to request auxiliary troops from Hyder or Tippu Sultan; but because the Sultan would only give him 8 to 900 men, 4697. he has returned without having brought anyone along; but that he has again been ordered by the King to go once more to the Sultan, which however has not happened, for some reasons that they have not been able to ascertain. Below was written: Silau, the 8th of March 1791. Was signed: J: W: Uldenbeek. Below was written: Agrees. Was signed: J: G: Boetz authorized. Agrees. Wijbrands First clerk No. 10. 4698. 1791. Today, the 8th of March, appeared before me, Benedictus Lambertus van Zitter, junior merchant and Secretary of Policy here, Semahandige Kalloea Meestria and Roeanpoere Donasie, both cinnamon peelers and inhabitants of Wellitotte, who, at the requisition of the Right Honorable Lord Governor, and upon the translation of the Mohotiar and first Sinhalese interpreter at the Secretariat of Policy, Don Daniel Perera, related as follows: The first relator, that he and the second relator, having been ordered by the Mudaliyar and first interpreter of the Mahabadde to proceed to Kandy and ascertain what is going on there, about 15 days ago had gone with the second declarant through the Seven Korales as far as the village of Mitenwalle, where, in order not to give any suspicion to the Kandyans, he left the second relator behind and subsequently proceeded alone to Kandy, and stayed there for two days. That, being there, he had seen that a party of Javanese, Moors, and Sinhalese, who all wore short trousers of white linen and were estimated to be three to four hundred men strong, were being drilled in the manual of arms twice a day by two Europeans. That That he has seen that the firearms of some people who arrived daily from the country were recorded in a square before the court by some Mohotiars, Mohandirams, and Aratchies, and returned again to the owners. That he has also seen that in a mandapa close to the court, work was being done by 30 to 40 blacksmiths, who it was said came in turns from the villages, to clean firearms and chop bullets from iron. That he has also seen that in the same mandapa gunpowder was being made, and that 7 to 8 stamping blocks were used for that purpose. That he has also seen in the houses of both the First Adigar and of the Dissave of Matale that work was being done by 5, 6, to 10 blacksmiths to clean firearms and chop bullets from iron. That nevertheless work on all these things was done only in the morning, and that too without all too great haste, and that he had noticed in general that the commotion in the Kandyan territory is now much less than when he, before the sending out of the detachments, had been there on the order of the aforesaid Mudaliyar. That he learned that while he was in Kandy, the brother of the King was present there, but that he had heard nothing of the chopping of

Dutch transcription

zijnde, door mijn verleend en geteekend is, onder aan het slot der ola /:was geteekend:/ met mallabaarsej Letters, de naam van Alie Tambie, den 7. Maart 1741 /:onderstond:/ voor de translatie /:was geteekend: Petrus Ripzema, /:ter zijde /: voor de vertaa„ „ling /:geteekend:/ D: J: Ramenaike /:onderstond:) Akkordeert /:was geteekend:/ J: G: Boelk geantl: Akkordeert. Eyklerk Wijbrands 4606 96 bij n9 Vek N=o 9. 4696. Scheman Arkat en Mallenaijken; Sipaijs de„ „clareeren dat zij van hier na Pandanigodde (:digt bij korna galles:/ zijn geweest, en hebben thet volgende Ver„ „noomen. op Mandalapalle /:leggende op de weg van Pitulang na kandia :/. dat koemara wannie /: die toe ptetulang onder de kandianen was aldaar wannia is geweest, en nu 5. Jaaren weegens zijne schulden, in arrest had ge„ „zelts:/ op belofte dat (:indien de koning hem met het noodige volk als anderzints wilde assisteeren:/ hij Pululang weeder van de Comp:e zoude weeten te krij„ „gen, uijt zijn arrest in vrije voeten is gesteld, maar dat tot als nog aan hem geen volk of andersints was gegeeven, dog het gesprek is, dat hij na 7. daagen van de loopende maand na Putulang zoude gaaen op Pandanigodde /:op dezelfde weg:/ Tis hun gevraagd, waar zij van daar kwamen, en wat zij daar te verrigten hadden, waar op zij gezegt hadden, dat zij van silau quaamen om een meester opte zoeken die de eene declarants oog /:die door gehad hebbende zeer oogen ten eenemaal onzigtbaat is:/ zoude geneezen, waarop hun verder gevraagd is, waarom zoo weel Europeesen, maleijers en sipaijers op silauw geplaatst zijn, en waarom de batterijen aldaar zoo sterk worden voorzien en gera„ „pareerd „pareerd, waarop zij geand woord hadden, dat het volk zeekerlijk daar moet gezonden zijn, wijl het meerde een plaats van de komp:e is, en dat de batterijen of fortificatie denkelijk vervallen zijnde weeder worden opgebouwt, daar op wierd hun nog gevraagt hoe vel volk dat daar wel zoude zijn en zij ten andwoord hadden gegeeven, dat daar veel volk lag, dat zij het getal daar van niet konnen opgeeven. Wijders hebben de declaranten van eenige inwoonders die rijst na gewoonte na kandia hebben gebragt vernoomen, wat zij dog in kandia gezien of gehoord hadden, waarop zij zijde dat 'er aldaar een groot gesprek was, dat een prins met assistentie van de komp:e na kandia zoude koomen, om de plaats te beheerschen, en tot groote voordeel van de komp:e te strekken, en dat zij daarom alles moesten e 't merk stellen, om zoo het mogelijk, was de koning te verde„ „fendeeren, dog indien zulx niet geschied, zoude zij de Comp e en zijne ingezeetenen, ongemollesteerd laatsen: ook hebben zij aldaar nog vernoomen, dat de zoon wan den Mohandiram van Makoladennie door den ko„ na „ning o de overwal gezonden is, om van den haijder of liepo sullan hulft troepen te verzoeken, dog wijl de sultan hem stegts 8. a: 900. koppen woude geeven, is 4697. is hij weeder terug gekoomen, zonder iemand te hebben met de gebragt; maar dat hem door den koning weeder belast is, dat hij nogmaals na de sullan moeste gaan, dat dog niet geschied, om eenige reede„ „nen die zij niet hebben konnen te weeten kreijgen /:on„ „derstond:/ Silau, den 8. Maart 1797. /:was ge„ „teeken:/ J: W: Uldenbeek /:onderstond:/ Akken„ „deert /:was geteekend:/ J: G: Boetz geauth: Akkordeert. Wijbrands Egreerk N=o 10. 4698. 1791. Heeden den 8. Maart Compareerde voor mij Benedictus Lambertus van setf Zitter, p:l koopman en secretaris van Politie alhier Semahandige kalloea meestria en Roeanpoere Donasie bij de Canneel schillers en inwoonders van wellitotte. Dewelke ter requisitie van den Wel Ed: Groot Agtb: Heer Gouverneur, en op de vertaaling van den Moholiaar en eerste singaleesche tolk ter secretarije van Politie Don Daniel Perera, relateerden als volgt De eerste relatant, dat hij en den tweeden relatant, door den modliaak en eerste tolk van de Malabadde gelast zijnde, om zig na kandia te begeeven en te verneemen wat daar omgaat, nu omtrent 15. daagen geleeden, met den twee„ „den declarant, door de zeeven korles gegaan was tot aan 't dorp Mitenwalle, alwaar hij, om geen agter„ „dogt aan de kandianen te geeven, den tweede relatant terug gelaaten, en zig vervolgens alleen na kandia be„ „geeven, en aldaar twee daagen vertoefd had. Dat hij daar zijnde had gezien, dat een parthij Javaa„ „nen, mooren en zingaleesen, die alle koute broeken van wil linnen aan hadden, en naar gissing drie a: vier hondert man sterk waaren, door twee Europee„ „schen twee maal 'sdaags in den wapenhandel wierden geexcerseerd. Dat Dat hij gezien heeft dat de geweeren van eenig volk, dat dagelijks uijt 't land aanquam, op een plaats voor 't hoff, door eenige Mohotiaars, mohandriams en arraat„ „jes opgeschreeven, en weeder aan de eijgenaars terug gegeeven wierden. Dat hij ook gezien heeft dat'er in een mandoe digt aa 't hoff, door 30. â: 40. smeeden, die gezegt wierd dat beurtelings uijt de dorpen quamen, wierden gewerkt, om geweeren schoon te maaken en koegels te kappen van ijzer. Dat hij ook gezien heeft, dat in dezelfde mandoe kruijt wierd gemaakt; en dat daartoe 7: a: 8. stamp blokken gebruijke meue„ Dat hij ook in de huijzen van de bij de rijksadigaak en van den Dessave van Matule heeft gezien, dat 'er door 5. 6. tot 10. smeeden gewerkt wierd, om geweeren schoon te maaken en koegels te kappen van ijzer. Dat nogtans aan alle deeze dingen alleen des voormidsags„ en zulx ook met geen alte groote voorvaarendheid, ge„ „werkt wierd, en dat hij over 't algemelen had bespeurd, dat de beweeging i 't kandiaasche tans veel minder is, dan toen ƒ7 hij, nog voor 't uijtzenden van de detachementen, op onder van voorsz: modliaar daar geweest is. Dat hij vernoomen heeft, dat terwijl hij zig in kandea be„ „vond, de broeder van den koning daar aanweezende was, dog dat hij niets had vernoomen, van 't kappen van te

NL-HaNA_1.04.02_3890_0401 view scan ↗

English

4699. of a road to kattergam, notwithstanding he has special knowledge of the people who live in the villages near the Court, and almost daily people go from kandia to kattergam and return. That he had indeed learned from some servants of the dessave of the four korles that this dessave was about to come down to the low lands, but that they spoke differently about the time thereof, as one said this would happen after the new moon, and yet others after the full moon. That after a two-day stay in kandia, he went from there again to Mitenwalle, and from there with the second relator returned through the four korles to kolombo, where they arrived the day before yesterday in the afternoon. The second relator confirmed the statement of the first relator, so far as concerns his account regarding their departure from here through the Zeven korles, his remaining behind at Mitenwalle, and their return here through the Vier Corles. Furthermore, both relators declared the following: That on the journey there and back they found nowhere any newly built rest house, but that they are all old rest houses that stand there, and are mostly unfit and uninhabitable. That besides the aforesaid troops, whom the first relator saw drilling in kandia, they found nowhere any people gathered, and had also not heard that people had been summoned. That they had found the people on this side of the mountain Ballane in great anxiety, out of fear that the detachments sent from here would march into the king's lands, and that these people complained that just as they had lost everything in the previous war, now a similar fate was to be feared. That it is an almost general saying among the inhabitants in the king's lands that all the movements and preparations being made in the kingdom do not come from the king, but from his aforementioned brother, who is said to possess great wealth. Thus related in the castle kolombo, on the day aforesaid, and the minute of this has been duly signed by the relators, the interpreter, and me, secretary. Underneath stood: Which testifies. Was signed: B: L: van Zitter, secretary. Agrees. Hyjbrands, clerk. No 11. 4700. Translation Malabar ola On the 11th of March 1791, a certain person who was sent by the Honorable Chief of kalpettij to inquire what is going on in kandia, returned and related the following: That it has been determined there to provide wages to 300 men of the mandoewas, 150 men Javanese and caffres, and 200 Rajputs, or noblemen, and vairagis or pilgrims, being together 750 men. That the two soldiers who left the service at kalpettij are there, and one of them serves as a drummer, and the other drills the people, some of whom make do with sticks for lack of muskets. That the dessaves of the four korles and of Uva were ordered by the king to go to the low lands, to have the people assembled, and to bring them along, as they were also ready to depart; that they are also ordered, as soon as that people arrives from the lands, to go to make war toward Putulang; but that some local chiefs replied, we are not able to go make war at the harbor of Putlang, but when the white men come out of their places into our districts, we can wage war against them. That five cannons have been placed on gun carriages, and forty to fifty pieces lie without carriages. That he, observing all of these, had come down from the mountain, and there had met 200 men from the seven korles, all armed with muskets, who had gone to the Kandian territory; this was also seen and recounted by one of our people. Agrees. Wijbrands, clerk. No 12. 4701. Extract from a letter written by the bookkeeper C: von Pratan under date of 10 to 11 March 1791 from keheelwelle to Hulftsdorp to the Right Honorable Born Lord Dessave D: T: Fretz. Section 18. There are some people here who are willing to undertake to go to kandia, but they request 4 to 5 fine pieces of cloth and 16 to 24 silver rupees; if those could be procured, I shall try to bribe one or other of the lesser Kandian chiefs. Section 19. Today here at keheelwelle I spoke with a coolie kangany from nalawalane, who testifies that he came home from the court the day before yesterday, and that there all the blacksmiths of the entire Kandian territory were making muskets and bullets, and a great multitude of people was drilling, but that this was being done with no evil intent against the Company, but only to counteract the rumor that the Company, under pretext of bringing a prince to kandia as had happened before, sought to seize even more land; although, upon my counter-question whether they could really think the Honorable Company did not possess enough land already, the Honorable Company thought otherwise, that he knew nothing of the mission to the coast, but if it were true, to

Dutch transcription

4699. van een weg na kattergam, niet teegenstaande hij bezondel kennis heeft aan de luijde, die in de dor„ „pen na bij 't Hof woonen, en 'er genoegzaam dage„ „lijks volk van kandia na kattergam gaat en te rug komt. Dat hij wel van eenige bedienden van den dessave van de vier korles had vernoomen, dat deeze dessave na de beneeden landen stond aftekoomen, dog dat ze omtrend den tijd dier van verschillende spraaken, wijl de eene zijde dat dit na de nieuwe maan, en weeder andere dat 't na de volle maan zoude geschieden. Dat hij na twee daagen verblijf in kandia, van daar weeder gegaan is na Mitenwalle, en van daar met den tweeden relatant, door de vier korles terug gekreerd is na kolom„ „bo, daar te eergisteren agtermiddag zijn aangekomen. De tweede relatant Confirmeerde zig met den eersten rela„ „tant, voor zoo verre betreft zijn verhaal, weegens hun vertrek van hier door de Leeve korles, zijn terug blijvente Atitencoalle, en hun terug komst alhier door de Wier Corles. Voorts verklaarden bijde de relatanten nog 't volgende: Dat ze op de heen en terug rijze nergens eenig nieuw aangelegd rusthuijs hebben gevonden, maars dat 't alle oude rusthuijken zijn, die ek staan, en meest onbequaam en onbewoonbaak zijn. Dat nde 2 - Dat ze buijten de voorsz: manschappen, die de eerste relatent. in kandia heeft zien excerceeren, nergers eenig volk ver„ „zameld hebben gevonden, en ook niet hadden vernoomen dat 'er volk opgeroepen was. Dat ze 't volk aan deeze zijde van den beng Ballane in groote bekommering hadden gevonden, uijt bedugting dat de van hier gezondene detachementen isskonings landen zouden rukken, en dat dit volk zig beklaagd, dat gelijk 't in den voorigen oorlog alles had verlooren nue ook een diergelijk tot te weezen was. Dat 't een bij na algemeen Legge onder de ingezeetene in 'skonings landen is, dat alle de beweegingen en toeberijdzelen, die in 't rijk worden gemaakt, niet ko„ „me van den koning maar van desselfs voormelde broeder, die naar gezegd word een groot vermoogen heeft. Aldus Gerelateerd in 't kasteel kolombo, ten dage voorsz:, en is de minute deezes door de relatanten, den tolk a mij secretaris behoorlijk onderteekend. /:onderstond:/ 'T welk Getuijgt /:was geteekend:/ B: L: van Zitter secretaris Ackoudeert. Hyjbrands N:o 11. loklerk 4700. Translaat Mallabaarsch ola Den 11:e Maart 1791. is een zeekere perzoon die toegezonden was door 't E: opperhoofd van kalpettij om te verneemen wat 'er omgaat in kandia, terug gekoomen en heeft verteld, 't volgende, Dat aldaar bepaald is, om gagie te, verstrek„ „ken aan 300. koppen, van de mandoewas, 150. koppen Javaa„ g „nen en kaffers, en 200. Rasepoetres, of Edellieden, en wai„ „rawis of pelgrims, zijnde te zaamen 750. koppen. Dat de twee te kalpettij uijt den dienst gegaane zoldaaten, aldaar bevinden, en daarvan een als tamboer dienst doet, en de ander 't volk Exerceerd, waarvan eenige met stokken behelpten, bij gebrek van geweeren. Dat de dessaves van de vier korles ten orwe, door den ko„ „nine gelast waaren, om na de beneede landen te gaan 't volk bij een te doen verzamelen, en meede te brengen, gelijk zij ook gereed waaren te vertrekken, dat ze ook gelast zijn, zoo dra dat volk uijt de landen aankomt, # te beoorloogen na Putulang te gaan: dog dat eenige landshoofden ten andwoord gediend hebben, wij zijn niet in staat aan de haven van Putlang gaande te woorloogen, maar wanneer de blanke menschen uijt hun plaat„ „sen in onse distrikten koomen, kunnen wij daar teegen e krijg voeren. Dat i in and Dat vijff kannons op de affuijten gesteld zijn, en veertig a: vijftig stuks zonder affuijten leggen Dat hij alle deselve beschouwende van de berg afgekomen was, om laag, en aldaar ontmoet had, 200. mannen uijt de zeeven korles alle gewapend met geweere, na 't kandiase gegaan, ook is dit door een van ons volk gezien en verhaald Akkordeert. Wijbrands VEiklerk t a: ons No 12. 4701. Extract uijt een brief door de boekhouder c: von Pratan: onder dato 10. tot 11. Maart 1791. van keheelwelle na Hulftsdorp aan den wel Edelen Geb: Heer Dessave D: T: Fretz geschreeven. §: 18. het zijn hier eenige menschen die aanneemen willen om tot kandia te gaan, verzoeken egter 4. â: 5. fijne kaat, „jes en 16.: â: 24. silvere ropias als die konden bezorgt wor„e E „den, zal ik tragte de een of andere van de mindere kandiase hoofde om te koopen. §: 19. heeden heb ik hier te keheelelle eenen koerie kangaen van nalawalane gesprooken, die betuijgt, dat eergiste „ren van 't hoff te huijs gekoomen, en dat aldaar alle de smeeden van 't geheele kandiase gebied geweiren en koegels maakten, en een groote meenigte volk drie„ „te, maar dat zulks met geen quaad oogmerk teegens de komp:e geschieden, dan alleen de strijk teegen te gaan, dat de Comp:e onder voorwand van een prins na kandia te brengen gelijk bevoorens geschied was, nog meer land zogte inteneemen, schoon, op mijn teege vraagen of ze wel denke konden, D:E: komp:e nog niet land ge„ „noeg bezat :/ DE: Comp:s anders dagte, dat hij van de zending na de kust niets wist, maar het waar was tot

NL-HaNA_1.04.02_3890_0408 view scan ↗

English

to cover, 3 guns had been brought hither from elsewhere, the ambassador having been ordered several times by the king to come down, but had refused to do so because there was said to be a prince in Colombo, and if they spoke to him and had to bring him along, they ran the risk of being degraded to Rodiyas, and therefore, as soon as the court was convinced that no prince would come there, the ambassador would come down; and the talk at court was that next month, March, the prince would appear there, and if he did not come then, the embassy, however difficult it might be, would proceed; that the court was now extremely afraid and embarrassed, also because during one of their embassies, when the prince was supposed to have been at Bentota, after a previous present to the Batavia of 3 rixdollars of tobacco, having obtained an opportunity for conversation, it appeared he was no prince; that no one had wished to join the prince, except a certain Rajasinghe, who was thereupon arrested for that reason, and because on that occasion four other Sinhalese from the Company's territory, who were also placed under arrest, had been there to buy coconuts; that the change of Dessaves had originated with the Sabaragamuwa Dessave, who had also performed the service of Adigar, because he did not wish to meddle in matters of war, but was content with his single Dessavony. That 2 of the rebels from this side were at the court, wanting to lead the people as chiefs, and the Kandyan court was only seeking to prepare itself to prevent the entrance of the Company's troops and the prince. I promised that man that if he would come to me at Minuwangoda in 4 to 5 days, I would assist him with what he thought he needed, and even if in time he wished to come and live here, he could count on one advancement or another, and on next Wednesday I will send a man to the 2nd post before Kandy, but that man requests 2 fine katty, salted fish, and 8 rupees for the expedition of 5: 18. Was undersigned: Agrees, signed: J: G: Renker authorized. Agrees Sybrands Sworn Clerk No. 13: An inhabitant of Wissenawe, but formerly a resident of Chilaw, who came down from there yesterday to buy up some karvadu, declares that Madige Dessave, a chief over Karaiyars and Moors, who recently had all the Moors registered without having given them any orders, has now, after the Vaniya of Nogere departed for Kandy, summoned all the Moors to him again, and having selected the most capable men among them, recommended to them that they should always keep themselves in readiness so that when they are given guns they can set out on the march, without having told them further when and where they will have to proceed. Further, in Wissenawe there is no news or rumor of any disputes, nor are any further preparations being made for anything; and that the king's brother has departed for Kataragama is known to all, but whether he has returned and departed for the Court, the declarant does not know, as this is unknown to him; but Urugamuwa Mohottiar, who is the chief of Madapattoo and who is currently in Kandy, has sent his brother to Wissenawe to govern the place, but he too has issued no orders relative to any disputes. Furthermore, it was related by a Sinhalese that the brother of Urugamuwa Mohottiar, according to a rumor in Wissenawe, would go to the borders of Chilaw and summon the Commandant of the fort of Chilaw there to inquire whether the prince who was at Colombo has now been brought to Chilaw, and why the place is garrisoned with so many people and the fortifications are being renewed. Chilaw, the 13th of March 1791. Agrees Sworn Clerk Sybrands No. 14: Extract from a letter from the Assistant Sinning under date of 16th of March 1791 from Mugurugampola written to the Honorable Dessave D: L: Fretz. I have the honor most respectfully to inform Your Honor that I arrived back here yesterday, and found everything still in good order, and That the borders of the Seven Korales are truly closed, and not those of the Four Korales, but for no one else than for Yogis and Malabars, and the Kandyan inhabitants, like ours, are allowed to pass unhindered. The former priest sent to Wissenawe to the Moorish Dessave has not yet returned; probably he will arrive today, whereupon I will have the honor to impart the received report to Your Honor. Before the arrival of the physician kindly sent by Your Honor, another man died of the smallpox, and, as I hear, the other people suffering from that disease are on the mend; the inhabitants rejoice greatly that Your Honor was pleased to send those people to their aid. It is heard here that an embassy will go down from the court to Colombo, but not yet for certain, which will probably also be learned through the person sent. To all appearances, I still persist that nothing will come of the Kandyan war, and this all the more because one hears here from various people that the Kandyans have an indescribable fear of the Company. Was undersigned: Agrees, signed: J: G: Renker authorized. Agrees Sybrands Sworn Clerk No. 15:

Dutch transcription

tot dekken 3. geweeren elders herwaards gebragt waaren, de ambassadeur verscheiden maalen door de koning belast geweest zijnde, om aftekoomen, dog zulks gewei„ „gert hadden, om reedenen te kolombo een prins zoude zijn, en zoo ze hem spraaken en meede brengen moesten, gevaal liepen tot rodias verlaag te worden, en daarom „zoo dra het hoff overtuijgd was dat geen prins daar zoude koomen, de ambassadeur zoude afkoomen, en 't gesprek aan het hoff ging, aanstaande maand Ma de prins daar zoude verschijnen, en zoo hij dan niet kwar de ambassade zoo moeielijk het ook zoude zijn, voort„ „gang zoude neemen; dat het hoff tans uijtterst bang en verleegen was, ook bij eene van hunne ambassa des„ toe de prins te benlotte zoude geweest zijn, hen na voor „gaande present aan den Batavia van 3. rd. s tabak, ge„ „leegendheid tot gesprek bekoomen hebbende gebleeke was het geen print was; dat niemand bij de prins zig hadde willen voegen, dan alleen zeeker rajasinga die toen daarom gearresteerd was, en wijl bij die gelee„ „gendheid nog vier andere singaleese van komp:s gebied, o „„die meede in arrest gezet waaren koekeesten te koopen daar geweest waaren, , dat de verae „dering van Dessaves door de haberegomme dessave die teffens adikaars dienst had waargenoomen, was voort gevloeit, wijl hij zig met oorlog zaaken niet had de 4702. „de willen bemoeijen, maar zig met zijn eene dessavonie vergenoegt. Dat 2. van de revolteurs deeser zijden aan 't hoff waaren, om het volk als hoofden te willen, en zig 't hof e kandia alleen zogte gereed te maaken, om den indhang van komp:s troupen en den prins te beletten. „ mij Jk heb die man belooft zoo over 4. â: 5. dagen bij„ te Mi„ „nuangodoe wilde koomen met het hij meende noo„ rok „dig te hebben te zullen assisteeren, en zelfs zoo hij met der tijd hier wilde koomen woonen op de eene en andere e bevordering konde staat maaken, en op aanstaande woensdag zal ik een man tot de 2:e post voor kandia zenden, maar die man verzoekt 2. fijne kaatjes, ge„ „zouten vis, en 8. ropias te uijtvoer van 5: 18. /: onder„ Atkondeert /:geteekend:/ J: G: Renker g'auth: „stond:/ Akkordeert Sijbrands Vlijklerk N=o 13: 4703. Een ingezeeten te wissenawe, dog bevoorens een inwoonder te Silau, die gisteren van daar afgekoomen is, om wat karwadt op te koopen, declareerd dat Madige dessave een hoofd over Carreassen en mooren, welke on„ „langs alle de mooren heeft laaten opschrijven, zonder aan hun eenige orders te hebben gegeeven, heeft nu na dat de wannia van Nogere makandia vertrok„ „ken is, alle de mooren weeder bij hem laaten koomen en de geschikste mannen onder huen uijtgezogt hebbende hun gerecommandeerd dat zij zig altoos moesten ge„ „reed houden om wanneer hug geweeren wierden gegee„ „ven zij dan op den marsch konnen begeeven, zonder aan hun verders gezegt te hebben wanneer een waar na toe zij zullen moeten begeeven, verders is te wisse„ „nawe geen tijding of gerugt van eenige oneenighee„ „de en ook word er verders geen aanstalt tot iets ge„ „maakt en dat des konings broeder na kadergam vertrokken is, is alle bekend, dog of hij weeder terug gekoomen en naar het Hoff vertrokken is, weet de de„ „clarant niet, alzoo zulks hem onbewust is, maar oeroegakamma Motiaap, welke hoofd is van Maar„ „dapattoe en die tans in kandia bevind, heeft zijn broeder na wissenawe afgezonden om de plaats te bestieren, dog deese heeft ook geene ordres betrekkelijk tot eenige eenige oneenigheeden uijtgegeeven Verders is door een Zingaleesch verhaald dat de broeder waer orroegakamma Motiaal /:volgens gerugt te mis„ „senaive:/ na de limieten van Silau zoude gaan en aldaar den Commandant van het fort van silauw, laaten roepen om te verneemen of de prins die op ko„ „lombo was nu te silau is gebragt en waarom de plaats met zoo veel volk bezet is en de fortifikatien vernieuwd worden. Silauw den 13.: Maart 1791. Akkordeert Egklerk Hijbrands N=o 14: 4704 Extrakt uijt een brief, van den assistent sin„ „ning onder dato 16:e Maart 1747: van Moegoe„ „roegampelle aan den wel Ed: Geb: Heer Dessave D: L: Fretz geschreeven. Ik uE de eene Uwel Ed: Geb: eerbiedigst te berigten dat gisteren weeder, alhier ben arriveerd, en nog alles ien goeden staat heb bevonden, en Dat de Limieten van de 7. korl werkelijk zijn geslooten, en van de 4. korl niet, dog voor nieman anders daare voor Jogies en Mallabaaren en moogen de kandiase ingezeetenen gelijk de onse ongelindend passeeren De na Wissename bij den Moorsen Dessave gezondene gew: priester is nog niet weeder terug, denkelijk zal denselven heeden koomen, als wanneer de eere zal hebben het te ontvange „ne berigt aan Uwel Ed: Geb: te, bedeelen. voor de komste van den door Uwel Ed: geb: gunstelijk ge„ „zondene meester is er weeder een man aan de spokken overleeden, en zijn, zoo als ik hoor, de overige aan die ziekte leggende menschen aan de beeter kant, de ingezeetenen verheugen zig zeer dat uwel Ed. Geb: die luijden tot hunne hulp hebben gelieven te zenden. de Men hoort hier dat een ambassade van 't hoff nia kolom„ „bo zal afgaan, dog nog niet voor vast, 't welk ook ook denkelijk door de gezondene zal te weeten krijgen Na den schijp blijf ik tot als nog persisteeren dat van den kandiasen Voorlog niets zal koomen, en dit te meer wijl men hier van verscheidene luijden hoor dat de kandiane eene onbeschryffelijke vreese voor de komp: hebben. /:onderstond:/ Akkordeert /:getee„ „kend:/ J: G: Renker g'auth: Akkonderhet Wijbrands eiklerk N. o. 15:

NL-HaNA_1.04.02_3890_0419 view scan ↗

English

4705. That the order had been given to the following court dignitaries to depart on the 7th day after the upcoming full moon to the places named next to them, namely: The Dessave of the Seven Korles to Koernagalle The Four Korles to Attapitti Of Saffregam to Baddoegisdere Oewa to Baddoelenoere Matule to Goddepolenoere That Amberdaan, and two coolies, after their return from Colombo to Kandy, had died of smallpox. That fifteen days ago a Moor, who had come from Trincomalee to Puttalam, on the accusation of a certain fact unknown to him made to His Royal Majesty by the second state adigar, had been impaled at Ampitiya, half a mile from Kandy, after having been held under arrest for one day. Report of a lime-burner lascarin of the Aloetkoer Korle, made to me, Dessave: That ten to twelve days ago he had returned from the Seven Korles, where he, at the house of a certain Kalloe Aratje, who lived two miles from the Chilaw boundary, had delivered lime as usual and had stayed for a few days, and that he had seen there a certain Doek Ganeapoelamy, and other respectable persons, accompanied by about fifteen individuals, who had all arrived there from Kandy, and at that time many inhabitants had also appeared before them. That he had understood that they had come to inquire and see whether it were true that at Tammerawille and at Galelle in the King's territory, fortresses and batteries were about to be built by the Company, in order, if this were happening, to protest against it and to oppose it, but that, because after eleven days' stay they had discovered nothing of the kind, they had departed again for Kandy. Report of a certain Kandyan who recently arrived from Kandy, and is currently still in Colombo. Colombo, the 17th of March 1791. Signed: D. T. Fretz. Agrees. Sybrands First Clerk Number 16. 4706. Extract from a letter written by the assistant Sinning under date of the 18th of March 1791 to the Right Honorable Lord Dessave Diederich Thomas Fretz. I have the honor most respectfully to inform Your Honor that I have understood the following from the returned former priest: That he had been with the Moorish Dessave in the village of Hindoewe, twenty-two hours from the boundary of this Korle, and the Dessave had immediately said to him, it seems to me that you are a spy, to which he had answered yes, because he could not fail to bring what he learned to the knowledge of his masters. Dessave: well, what news have you heard then, and where? He answered: that he had been in the Hapitigam Korle to give some medicine to his acquaintances, and thus had been present at the settlement of complaints, and had overheard that I, through the interpreter Mohandiram along with the other headmen, had said: the Kandyans make so many preparations for war, and this for no other reason than because they are afraid of a prince who is in Colombo; but if those people only knew that this prince had already long ago been sent away by the Company not only from this island, but so far away that he would never ever come back to the Company's, much less into the King's land, and that this sending away of that Yogi had taken place solely to set the court at peace and tranquility, they would desist from all these unnecessary preparations for war. The Dessave asked whether this had really come from my mouth, to which he answered yes. The Dessave said: if this is true, to which, however, little belief will be given, because it has already been reported several times by the Company to the court, and yet it is still doubted, everything would be forgotten today, and that he, the Dessave, would report this to the court. That he had further understood from the Dessave that the King's brother along with all the headmen had been to Kataragama, and the office of king had been transferred to him, which, however, was as yet known to no one else than to him, the Dessave. That he had already sent four hundred men to the court, among whom were Moors and fishers, and had received orders again to send up another four hundred men. But that he did not know how to bring them together, and for that reason was traveling about. That he could not say whether they would begin before their New Year, and if they were to begin, it would not take place in the Colombo Dessavony, but rather on the side of Matara. That 4707. That nearly one hundred men from the Matara Dessavony had gathered at the court. Upon wanting to send this master again, the same declares to me that he is afraid of being recognized; therefore I shall send him along with another man, but each separately, to the Four Korles. Both Korales of this Korle assure me they well know that a great multitude from the Seven Korles, should a war arise, would come to our aid, because they already had some signs of this. In the hope that Your Honor will be pleased to come to the Korle in the next few days to give the necessary orders, I shall postpone requesting them until that time. Below stood: Agrees, signed: J. G. Renker, authorized. Agrees. First Clerk Sybrands Number 17.

Dutch transcription

4705. Dat de ordre gegeeven was aan de volgende hofsgrooten om de 7:e dag na de aanstaande volle maae na de daar „neevens genoemde plaatsen te vertrekken; als De Dessave der 7. korls na koernag alle „ 4. Korls na attapitti Van Saffregam na Baddoegisdere oewa na baddoelenoere Matule „ goddepolenoere Dat amberdaan, en 2. koelies, na hunne terug komst van kolombo te kandia, aan de kinderplokken overlee„ „den waaren. Dat voor 15. daagen een moor, die van Trinkonomale op Putulang was gekoomen, op het aangeeven van zee„ „ker, hem onbekend, feit aan Z: k: M: door den twee„ „den rijksadigaar, te Ampittije ½. meil van kandia, na een dag in arrest gezeeten te hebben, gespit was. verhaal van een kalk baanders Lascorijn van de alloetkoerkoule, aan mij dessave gedaen„ Dat hij voor 10. â: 12. daagen, terug was gekoomen uijt Verhaal van zeekeren kandiaan die dee„ „ser daagen van kandia gekoomen is, en zig tans nog te kolombo bevind. de de 7. koels, alwaar hij ten huijse van eenen kalloe ara „je, die 2: meilen van de silbruuwse limiete woonde, n gewoonte kalk geleeverd, en zig eenige daagen opgeho „den had en dat hij daar gezien had eenen Doek ga„ „nog „neapoelamij, en uwre aanzienelijke perzoonen, ver „zeld van omtrend 15. koppen, die alle van kandia aldaer waaren aangekoomen, en toen ook veele ingezeetenen bij hun waaren, verscheenen. Dat hij verstaan had, dat zij gekoomen waaren om te verneemen en te zien, of het waar zij, dat te tamme „rawille, en te Galelle in 's konings land, fortressen e Batterijen door de komp. e stonden gebouwd te worden ten einde, zoo dit geschiede, daarteegen te protesteer en zulks teegen te gaan dog dat zij, wijl te na 11. daar vertoevens daarvan niets ontdekt hadden, weedern kandia vertrokken waaren. Kolombo den 17:e Maart 1791. /:was geteekend :/ D: T: Fretz. Akkordeert. Hijbrands liklerk No 16. 4706. Extrakt uijt een brief door den assistent Sinning onder dato 18:e Maart 1791. aan den Wel Edelen Geb: Heer Dessave Diederich Thomas Fretz geschreeven. Jk heb de eere aan uwelEd: Geb: eerbiedigst te berigten dat van de terug gekoomen gew: priester het volgende heb verstaan. Dat bij den Moorsen dessave in 't dorp Hindoewe 22. uur van deese kouls Limiel was geweest, den dessave aan hem ten eersten had gezegt mij dunkt dat gij een spion bent, hij geandwoord hadde van Ja, terwijl niet konde nalaaten 't welk vernoomen aan zijne gebieders ter kennisse te brengen. Dessave wel wat nieuws hebt gij dan gehoord en waarb:ds Dat in de hapittigamkorl waare geweest om eenige medicijn aan zijne bekenden te geeven, en dusdanig bij het afdoen der klagten waare geweest, een toe hadde gehoord dat ik door den tolk molandiram met de overige hoofden hadde gezegt, de kandiaanen maaken zoo veele omstandigheeden tot den oorlog, en dit om geene andere reeden dan wijl te bang zijn voor eenen op kolombo zijnden prins, maar wisten zij luijden dat dien prints al voor langen tijd door de komp:e niet alleen van dit Eijland maar zoo vverre was verzonden dat hij nooijt nog nimmer werder na skomp. s skomp:s nog veel minder in konings land zoude ke „men, de dat deese verzending van die Jogie alleenig wa geschied om het hoff in rust en vreede te stellen, ze zouden va alle deese onnoodige toerusting tot den oorlog afzien„ De Des Jave of dit werkelijk eeft mij mond hadde gelond geandw: van Ja. Den Dessave zoo dit waar is, waa „aan er egter wijnig geloof zal geslaagen worden, wij het alreeds eenegemaalen door de komp:e aan het koff: is berigt, en 'er dog nog daaraan getweiffeld. word, zoude op heedigen dag alles zijn vergeeten, en dat hij Des„ „save dit aan het hoff zoude berigten. Dat van den dessave verder hadde verstaan dat'skoning broeder neevens alle hoofden te kattergamme waaren geweest, en de dienst van koning aan hem was overgega„ „ven, 't welk egter nog aan niemand anders dan aan hem dessave bekend waare. Dat alreeds 400. koppen na het hoff hadde gezonden, waar onder mooren en wissers en weeder ordre hadde van nog 400. koppen te mooten opzenden. Dog die niet wiste tet zaa „men te brengen en om die reeden rondrijste. Dat niet konde zeggen of ze voor hun nieuwe Jaak zyjnde beginnen, en zoo te mogten beginnen zulks in de kolom„ „bose dessavonie niet zoude geschieden, maar wel aan de kant van Mature. Dat 4707. Dat 'ek bijna 100. koppen uijt de Matureesche DesJavonie aan thet hoff vergaderd waaren. Deesen meester weeder te willen zenden betuijgd mij den „zelven van bang. te zijn om te worden erkend dierhal„ „ven zal ik hem neevens nog een ander man, dog ider Capart na de vier wales zenden. De beide koraals deeser korl betuijgen mij wel te weeten dat eene groote meenigte uijt de 7. koals, zoo er een oorlog mogte ontstaan; ter onzer hulp zouden koomen, wijl abreeds eenige teeken daarvan hadden. Jn hoope dat uwel Ed: Geb: eerster daagen zal gelieven na de koul te koomen, om de noodige ordres te geeven zal ik het om die te verzoeken tot die tijd uijtstellen. /:onderstond:/ Akkordeert /: geteekend: J: G. Renker geauth: Akkordeert. Eyklerk Sijbrands N=o 17.

NL-HaNA_1.04.02_3890_0427 view scan ↗

English

4708. Account of the two Moors, Audoe Kandoe Marikar Kader Poelle and Awoeker Mira Kanie, the latter a soldier, who went from here on 1 March on reconnaissance to the Kandyan territory and returned on the 17th of this month; each having given his account separately. Audoe Kandoe Marikar Kader Poelle says: That he with his companion first went from here to Colombo, purchased some bazaar spices and some linens there, and subsequently went through the Raigam Korle to Madabepane. That he met a Chetty there who holds a lease there, which Chetty he knows very well, and whose brother, named Niclaas Poelle, is in Colombo with the Maha Mudaliyar. That he requested this Chetty to be allowed to pass the gravet there and to go further into the country in order to sell the goods they had brought with them. That this Chetty had answered him that no Moors, Chetties, or fakirs were permitted to pass by order of the king. That he had very earnestly begged this Chetty to let them pass, as they were poor people and only wished to sell those goods in order to earn their livelihood from it. But all in vain. That afterwards a Moor, who stays there with two or three other Moors, had shown them a path by which they arrived in Saffregam. That while they were cooking their evening meal there at a certain place in a certain hut, several persons from Kandy had arrived there in the meantime to buy from their goods. That they had heard these persons relate that the king had summoned the people from Saffregam and confronted them with the accusation that he had learned they were conspiring with the Dutch to place a certain Brahmin, who had stayed in Colombo, on the throne of Kandy. But that those people on the contrary had attested never to have had any such thing in mind. Whereupon the king had caused them to be brought to the great temple and had the chief priest administer 141 the oath of purgation to them, after which he had said to them: "Go! Just be on your way again." From that place they had gone across the river to Kalalpitiya, where he, the declarant, had a brother living; that he had asked this brother of his what was going on there, whether the Kandyans wished to begin a war, etc. That this brother had related to him that a certain Wingeraire Naike, a brother-in-law of the king, had gone to Tanjore with a letter from the king; that the King of Tanjore had sent this Wingeraire Naike with the letter to the Nawab Mahometh Ali, and the latter had sent him further to Tipu Sultan. That since then the son of this Wingeraire Naike had returned with a letter, which contained: that they must keep all their men and weapons ready, but begin nothing yet before and until they should receive a letter from him, and when they then heard that ships were arriving, they should then also assemble their men and march out. That he, the declarant, subsequently had wished to go to Wisnawe, but that his brother had dissuaded him from this and said: "You cannot go there, they will not let you pass, and at Wisnawe there is even a Moorish Dessave named Tchego, and there are 300 men who are armed and equipped like sepoys, whose captain is a Palliadive, though," he added, "they are quartered quietly near a Nelij Magat." Furthermore, he had heard that in all korles a certain number of men had received weapons, with orders to be able to assemble together at the first command. That he subsequently returned via Sittawakka, where he heard that the resthouse was being prepared for the reception of an ambassador. He also says that he heard from the people, both in Saffregam and in the Three and Four Korles, that they all say: "However it may turn out, such a nation as the Dutch we will never get again." That he had further strengthened them in this opinion, saying: 4709. "That nation whom you call upon for help will take away your own country," and that the Sinhalese had answered him that this might well become true, and that they wished rather to remain as they presently are. Below was written: The present declaration was made in my presence, subsequently drafted by Monsieur Thierbach, Hangewelle, 18 March 1791. Was signed: P. F. de Meuron. Awoeker Mira Kanie, soldier, relates the same as the previous declarant, and adds that he heard that 32000 weapons, both muskets as well as bows and arrows, had been distributed, but that the people had to keep quiet in their houses and do their work as if nothing were afoot, but be able to assemble together at the first command. He also says he learned that there were also said to be two hundred Malays under the command of a certain Javanese Mohandiram. The matter of Wingeraire Naike he relates in the following manner: That this Wingeraire Naike went with a letter and presents from the King of Kandy to the King of Tanjore to ask for help; that the latter is said to have answered: "I cannot accept this letter nor the presents; I shall send them to the Nawab Mahometh Ali, under whom I stand." That Wingeraire Naike, having come to Mahometh Ali and delivered the letter, the latter is said to have answered: "The King of Kandy has previously already asked me for help once, and after I had promised it to him, he retracted his word again; such people I help no more." That thereupon Wingeraire had sent his son back to Kandy with a letter in which he reported these experiences of his and requested a speedy answer in return. That the king, after receiving that letter, had assembled the court dignitaries and asked their opinion in this regard. That 104t

Dutch transcription

4708. „ Verhaal van de twee mooren, audoe kandoe Marikae Kader Poelle en awoeker, Mira kanie; de laaste soldaat, welke den 1 Maart van hier op kundschap na het kandiasche gebied gegaan en den 17. deeses terug gekomen zij; hebbende ider zig verhaal separatim gedaan. Audoe kandor Marikar kader Poelle zegt: Dat hij met zijn makker van hier eerst na kolombo gegaan, aldaar eenige bazaars specerijen en wat lijwaaten opgekogt en vervolgens door de Raigam koule na: Mar„ „bepane gegaan is. Dat hij ald dat eenen Chittij aangetroffen, die daar eene pagt: heeft, welken Chittij hij zeek wel kend, en diens:t broeder genaamd Niclaas poelle te kolombo bij den Malamodiaar is. Dat hij aan dien Chittij verzogt heeft om de gravet aldaar te moosgen passeeren en verder in 't hand te gaan, om hunne meede gebragte waaren te verkoopen. Dat deeze Chittij hem geandwoord hadde; dat daar geene Mooren, chittijs of fakiers passeeren mogten uijt ordre van den koning. Dat hij dien Chittij zeer instantig gebeeden hadde, om hen te laaten passeeren, dat zij arme lieden waaren, en alleen die goederen wilden verkoopen om hun leevens onderhoud daar uijt te vinden. Dog alles te vergeefsch. Dat na„ „dephand, een Moor, die zig met nog twee of drie Maoren aldaar ont„ „houd, hen een weg geweezen hadde, waar door zij in de saffre„ „gam gekomen zijn. Dat zij aldaar op zeekere plaats in zeeker Meijs hun avond kost kokende, inmiddels, verscheide perzoonen van kandia aldaar gekomen waeren, om van hunne waaren te kopen. Dat zij dee„ „se perzoonen hadden hooren verhaalen, dat de koning het volk uijt de saffregam ontbooden en hen voorgehouden hadde; dat hij vernoomen had, dat zij met de hollanders te zaamen sepanden, om zeekeren bramine die „ op ol om bo opgehouden hadde, op de troon van kandiate zetten: Dog dat die Menschen in teegendeel betuijgd hadde, nooijt iets diergelijks in den zig gehad te hebben. Waarop de koninghen i den grooten Tempel hadde laaten brengen en door den opper priester den 141 den Eed van zuijvering hadde laaten afneemen, waarnaa hij hen ge„ „zegt hadde; „ Iade! gaat maar week uwe weg. - — van die plaats afwaaren zijd over de Rivier na kalalpittij gegaan, alwaar hij declarant een broeder woonen hadde; aht hij aan deez „was. zijnen broeder gevraagd hadde, wat 'er toij gaande „ of de kandir „nen oorlog beginnen wilden. &c=a Dat deeze hem verhaald hadde Dat eenen wingeraire Kaike, een zwaager des konings, na Tansja „ouk gegaan was met een brief van den koning: Dat de koning van Tansjaduk deezen wingeraire Naike met den brief naa den Nabab Malometh ali, en 1deeze week na Jipoe sultae gezonden hadde. Dat zeedert de zoon van deezen wingeraire Neikel: terug gekomen wa met een brief, welke behelsde; dat zij hunne volkeren en wapens alle moesten gereed houden, dog nog niets beginne voor en al eer zij n een brief van Htem zouden ontvangen hebben, en wanneer ze dan hoordel, er scheepen aankwamen, als dan zouden zij hun volk ook bij een trek „ken en opmarcheeren. — Dat hij declarant vervolgens na wisnam hadde willen gaan, dog dat zijn broeder hem zulks afgeraaden en gezegt had Gij kunt daar niet gaan, men laat u niet passeeren, en op wisnawe is zelf een Moorsche Dessave met naame Tchego, en daar zijn 300. Ma die gewapend en gemonteerd zijn als siparis, wier Capitalen eenen Pallia „diven is, dog voegde hij ter bijk zij leggen daar stil bij een Nelij Magat Verders hadde hij gehoord, dat in alle corles zeeker getal Menschen wapens ontvange hadde, met bevel op de eerste ordre zig bij elkand te kunnen trekken. — Dat hij vervolgens over sittawakka terug geke is, alwaar hij gehoord heeft, dat het Rusthuijs in gereedheid gebrag wierd tot den ontvangst van een ambascadeur. Nog zegt hij, van het wolk, zoo wel in de saffregam als in de drie en vr orles gehoond te hebben, dat ze allegaar zeggen. — toe het ook uijtvan moge, zulk eene Natie als de hollanders krijgen wij nooijt weer= Dat hij hen in dit gevoelen nog meer versterkt hadde, zegende Die 4709. Die Natie die gijlieden te hulp roept, zal uw eijgen land wegneemen = en ƒ dat de singaleesen hem geandwoord hadden, dat dit wel waar konde worden; en dat zij liever wenschten te blijven zoo als te thans zijn. /:onderstond:/ La presente declaration â: ete faite en ma presence en suitte redigee par Monsieur Thierbach Hangewelle Le 18. Mars 1791. /:was geteekend:/ P: f: de Meuron. Awoeker Mira Kanie, soldaat, verhaald het zelfde als de voorige, en voegt 'er nog bij, dat hij gehoord, dat 'er 32000. wapens, zoo alen ge„ „weeren als voogen en sijen uijtgedeeld waare, dog dat zig het volk stil in hunne huijzen moest houden, en hun werk doen als of er niets gaan„ „de was, dog op de eerste ordre te kunnen bij een trekken. Nog zegt hij ver„ „noomen te hebben, dat 'er ook twee honderd Maleijers zouden zijn, onder commando van zeekeren Java, Mohandiram. Het geval van wingeraire Naike verhaald hij op de volgende wijze. Dat deeze wingeraire Naike met een brief ten presenten van den ko„ „ning van kandia na den koning van Tansjaout gegaan is, om hulp te vraagen; dat deeze zoude geandwoord hebben. — Jk kan dien brief nog de presenten aanneemen; ik zal ze na den Nabab Mahometh- Ali zonden, onder wien ik staa = Dat Wingeraire Naike bij Malometh Ali gekomen en den brief overgegeeve hebbende, Deeze zoude geandwoord hebben: = De koning wan kandia heeft mij te vooren heeds eens om hulp gevraagd, en na dat ik het hem beloofd had, heeft hijzijn woond weer ingetrokken; zulke luijden help ik niet meer. — Dat daarop winge „raire zijne zoon na kandik terug gezonden hadde met een brief, waar„ „ien hij dit zijn weedervaaren melde en om spoedige andwoord terug ver„ „zogte. Dat de koning na den ontvangst van dien brief de Hofs-grooten vergaderd een hunne Meening dien aangaande gevraagd hadde Dat 104t ƒ

NL-HaNA_1.04.02_3890_0430 view scan ↗

English

That the court grandees would have answered thereto: we shall not do as the late king and the adigaar and retract our word; it is now our serious intention. That thereupon the court grandees, along with the king, had sent back an ola signed by all to Mohemith ali; that subsequently the latter had sent this ola on to Tipo sultan, and that an answer was received in return containing: that from Tipo Sultan 6000 sipaehils on six ships, along with 50 French ships, would appear before Kolombo, and when they received news thereof, they would also advance with their people; but until then they would keep quiet. Aipoeker Mira kanie further relates that he had spoken very confidentially at Zebbe omme with a certain dismissed koraal while chewing betel. That the latter had said among other things: if the Hollanders wait until that promised help arrives, then they are lost, for then they will be attacked by sea and land at the same time and get between two fires; but if they advance and leave the inhabitants in peace with their possessions and do them no harm, but on the contrary treat them well, they would be able to advance unimpeded to Kandia. Awoeker Mira kanie also states, like the others, that the inhabitants all lament if the promised help should come; for, they say, such a people as the Hollanders will never come to Ceilon again. [Underneath stood:] same note as elsewhere. Dangewelle, 18 March 1791. [Signed:] P: F: de Meuron. No 18. Agrees. Dijbrands, Sworn Clerk. 4710. An inhabitant at Silau declares that he has been as far as the gravet at Gezinde, and there he learned that everyone who comes with merchandise to and from Kandia could freely pass the road, but that it was forbidden to allow all vagabonds or jogies to go up to Kandia. At Allewet otte, Karioelletotte, Kelewalten totte, and Nalawalane totte, olas are tied to sticks indicating that no one may pass the road, and this was done by the koraale of Kalla moene. He further says he heard from the servants of Migas wewe Motlaak, who is currently at Kandia, that the king of Kandia changes his place of residence every 2 to 3 days, and that the Dessaves and other court grandees go daily to the king's palace as usual, so that no one can know where the king is staying; he usually goes to Mannoewere, Angaran kattoe nogere, and Tompara nogere. However, all the king's treasures are at Angarankattoe, and the king's brother will gird on the sword at their New Year, which is in the coming month. Madige Dessave now lives at Tarrana moelle, and he has salt and karwaat brought up from Putulang to Wissenawe by pack animals. At Kadigamme, the interpreter of Silau and the koraale of Monnesaram visited the koraale Oeroegamme (who is there to collect the iron as usual and send it up to Kandia), and after having stayed there with him for one night, they departed again. The koraale Migas wewe, who lives at Keregalampattoe, is having his possessions transported away to Nerawalpittie. Furthermore, there is no other news, but it is said that after the New Year, when the king's brother will have girded on the sword, some changes will be made in the Kandian territory. Silau, 21 March 1791. [Signed:] J: W: Uillenbeek Agrees. Dijbrands, Sworn Clerk. 104t No 19. 4711. I further have the honour most respectfully to inform your Honour that this morning I learned from an inhabitant of this korle, being a former vidaan: That he had understood from a Kandian priest living near the court, who had come to lodge with him, the vidaan, for a day: That the people of Vedoenone, Fattimoore, and Kattabahaij had refused the king and his brother to march into war against the Company for them, because they had nothing against the Company, and they also had experience from the previous war, when by the king's order they had been plunged into misfortune with their wives and children, and that if another king should come who deserved to be one, they would also respect him as their king; further saying that the Court now showed great affection to the Moors and placed great trust in them, and could also go to war with them, as they wanted nothing to do with it. Shortly after this, the same was brought to my knowledge in the same manner by a fellow inhabitant of this korle; however, in order to be fully convinced of this, I shall see whether the confidant sent to that side reports anything about it upon his return. Extract from a letter written by the assistant Sinning from Moegoeroegampelle, 25 March 1791, to the Colombo Dessave, Mr. Fretz. Agrees. Dijbrands, Sworn Clerk. No. 20. Examined Tsjeff Gn Staats No. 28 4712. That since my last respectful letter of 25 February, I have learned the following with certainty: That on this side the gravets are closed and the entrance and exit to the Kandian territory are obstructed; nevertheless, there are narrow passages enough to go back and forth, which are currently being used. The Dessaves of Willetje and Tammankadewen have arrived in their districts, and they are having all the muskets and soldiers registered and having the latter gather in separate groups. They are trying to have muskets bought up from the inhabitants in the Company's land. Rest and guard houses are also being erected there and rice is being collected. I am also told (without being able to state it with certainty) that a new road through the forests on the side of Panoa is being cut, and that in other places the narrow passages have been made inaccessible. I shall try to obtain accurate information regarding this. Extract of a letter dated 3 March 1791, written from Batikaloa to Kolombo. Military Department. Agrees. Wijbrands, Third Sworn Clerk.

Dutch transcription

Dat de hofsgrooten daar op zouden geandewoord hebben n wijzulln het wiet maaken als de overleede koning en de adigaar en ons woord weer terug trekken; het is nu onze ernstige Meening. Dat daarop de hofs „grooten met den koning eene bla door alle onderteekend terug gezon„ „den hadden na Mohemith ali: Dat vervolgens deeze die ola wog aan Tipo sultae gezonden hadde, en dat daarop eene andwoord terug ontvangen was behelsende. Dat er van Tipo Sultan 6000. sipae „hils op zes scheepen met nog 50. faansche scheepen voor kolombo zouden verschijnen, en wanneer zij daarvan de tijding kreegen, zouden „zij met hun wolk ook aanrusken; maar tot zoo lang zg stil houden Aipoeker Mira kanie verhaald verder, dat hij te zebbe omme met zeekeren, afgezetten koraal onder het kauwen van een betel zeer vertrou „welijk gesprooken hadde. Dat deeze onder anderen gezegt zoude hube =als: de hollanders wagten, tot dat die beloofde hulp aankomt, dan zijn =ze verlooren, want dan worden ze ter zee en te land te gelijk aangelast; = en komen tusschen twee vuuren; maar als te oprukken en laaten de Jn„ =„wooners met vreede in hunne bezittingen en hen geen leed doen maar i =„gendeel wel behandelen, zoo zouden ze onverhinderd tot kandia toekunnen kom Awoeker Mira kanie Legt ook als de andere, dat de Jnwooners het zig allemaal beklaagen, indien de beloofde sulp mogte komen; want zeggen ze, zoo een volk als de Hollanders, komt op Ceilon nooit weer /:ond „stond:/ meme note que d'autre part. Dangewelle de 18. ' Mars 1791. /:was geteekend:/ P: F: de Meuron. No 18. Akkordeert Dijbrands lijklerk 4710. Een inwoonder te silau declareerd dat hij geweest is tot aan de gravette te Gezinde en aldaar vernam hij dat een ieder die met negoties na en van kandia koomen wijlijk de weg konden passeeren, dog dat er verbooden was om alle landloopers of Jogies na kandia te laaten opgaan Te allewet otte, karioelle„ totte, kelewalten totte, nalawalane totte, zijn, op stokken Hlaa„ „ren gebonden dat niemand de weg mag passeeren en dit is ge„ „daan door de koraale van kalla moene. Verders zegt hij geloord te hebben, van de dienaaren van Migas wewe Motlaak die tans op kandia is, dat de koning van kandia al om de 2 â: 3. daagen van verblijf plaats veran„ „derd, en dat de Dessaves en verdere hofsgrooten dagelijks na 't paleijs van de koning na gewoonte gaan, op dat niemand weeten kan, waar zig de koning ophout, hij gaat gemeenlijk na Mannoewere, Angaran kattoe nogere en tompara nogere. dog alle de schatten van de koning zijn op angarankattoe, en 's konings broeder zal op hunne nieuwe Jaar, dat in de aanstaande maand is, het swaart aandoen. Madige dessave woond nu op tarrana moelle en hij laat door draag beesten sout en karwaat, van Putulang na wissenawe opbrenge„ op kadigamme is bij de korale oeroegamme /:welke daar is om 't ijzer na gewoonte intesaamelen en na kandia op„ „tezenden :/ de tolk van Silau en de koraale van Monne„ „saram 1841 N „saram geweest en na een nagt daar bij hem verbleer„ te hebben, zijn ze weeder vertrokken. de koraale Migas wewe die te keregalampattoe woon„ laat zijne bezittingen weg transporteeren na nera „walpittie. Verders zijn 'er geen andere tijdingen, maar word gezegd, dat na 't nieuwe Jaar, wanneer 's koningst broeders 't zwaarg zal hebben omgedaan, eenige veranderingen in het kandiase zal worden gemaakt. Silau den 21. Maart 1791. /:was geteekend:/ J: W: Uillenbeek Akkondeert. Dijbrands Egklerk 104t N=o 19. 4711. aam Heb overigens de Eere „ uw wel Ed: Geb:, eerbiedigst te berigten. Dat vreeden morgen van een deezer corlt ingezeetenen zijnde een gew: bidaan heb vernoomen. „ Dat denzelven van eenen kandiasen priester aan 't stoff woonagtig welke bij hem vidaan voor een dag was komen logeere hadde verstaan Dat het volk van vedoenone, fattimoore, en kattabahaij aan den koning, en desselfs broeder hadden geweijeerd voor hun teegen de komp:e in den oorlog te trekken, wijl ze op de komp:e niets te zeggen hadden, en ook proet van den voori„ „gen oorlog hadden, doen ze door 's konings order met hun„ „nen vrouwen en kinderen in 't ongeluk waaren gestoord, en dat ze zoo 'er een ander koning mogte koomen, die t me„ 7„ „riteerde te zijn, hem ook zouden respekteeren als hunnen koning met het verdere zeggen dat het Hoff tans groote liefde aan de mooren betoonde, en op die Een groote vertrou„ „wen stelde, en ook met huen in den oorlolg konde trekken, je er niets meede te doen wilde hebben. kort hierna is mij het zelfde door eenen meede inge„ Extrakt uijt een brief geschreeven door den assistent Sinning van Moegoeroe„ „gampelle den 25. Maart 1791. aan den heer kolombosche Dessave Fretz. „zeetenen 10at „zeetenen deeser korl op de zelfde wijze ter kennis gebragt, egter om volkoomen hiervan te konnen worden overtuijgd) zal ik zien of de na die kant gezondene vertrouweling bij zijn terug komst niets daarvan meld. Akkordeert. Dijbrands Egklerk No. 20: Nagezien Tsjeff Gn Staats No. 28 4 712. Dat ik zeedert mijne laasten Eerbiedigen schrij= ven van den 25: Februarij, het volgende met zeekerheid heb vernoomen. Dat aan deese kant de Gravetten geslooten zijn en de in en uijtgang na het kandiaansche be= lemmert: zijnde niet te min enge passagien genoeg om over en weder te gaan, welken tans gebruijkt worden. De Dessaves van Willetje en Tammankade„ „wen, zijn in hun Distrikten afgekoomen, en zij laaten alle de geweeren en het krijgs= „volk opschrijven en de laaste bij appar= te hoopen trekken. zij tragten ge„ weeren in 'skomp=s land bij de Jnwoon= „ders te doen opkoopen. Rust en wagt Huijzen worden ook daar opgezet en rijst ingezaameld. Nog word mij gezegd (:zonder dat ik het met zeekerheid kan opgeeven :/ dat een nieuwe weg door de bosschen aan de kant van Panoa Extrakt Missive de dato 3=e Maart 1791: van Batikaloa na kolombo geschreeven. Militair Departement. word word gekapt, en dat op andere plaatsen de nauwe passagie ontoegangkelijk gemaakt. Hier omtrend zal ik tragten zekuur kundschap te krijgen. Akkordeert Wijbrands D Egklerk

NL-HaNA_1.04.02_3890_0442 view scan ↗

English

Checked Beukman No: 29 4713. Extract from a private letter written by the Chief of Battikaloa Burnand to the Right Honourable Lord Governor at Kolombo, 11 March 1791. Since my respectful letter of the 6th of this month, I have received further reports from virtually all parts of the lands under Battikaloa, as well as from all Kandyan provinces bordering upon it: these reports mention absolutely nothing of any unfriendly conduct or manner of dealing by the Kandyans towards the Company's subjects. Access to and from Kandy is currently unhindered; and if it had been prevented in some places, this was only for a short time until the operations of the conscription of military forces were completed. The Kandyan chief Madie bidaen, of whom I made mention in several of my previous letters, lets me know that he will come to Battikaloa again, and will bring back a slave of mine who deserted two years ago. Another Kandyan chief unknown to me, who presents himself as the Dissava, sends me two pieces of fine linen, with the request to have them dyed red for him here. Nevertheless, the rumors that the war will begin after the Sinhalese New Year are no less common; and even that a Nabob will give assistance to the Kandyans; how well-founded this latter may be, I could not determine. Agrees First Clerk Wijbrands Checked Widel No 30 4714. Malabar Separate and Secret To the Noble Lord Johan Gerard van Angelbeek, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director over the Company's establishments on the said coast, at Cochin. Noble, Stern, Valiant, Wise, Prudent, Most Discreet Lord. In the uncertainty of what outcome affairs with Kandy might have, and considering that acting solely on the defensive would give Kandy too great an advantage over us if it should come to a rupture with the Company, and could at the same time serve to inspire very faint-hearted thoughts in our own inhabitants, the first undersigned Governor proposed in our council to designate for the time being a corps of 500 men, for which the field equipment is being prepared, in order that, as soon as Kandy might make a move whereby the peace is broken, to have the same march onto the King's territory and soil, whenever circumstances can in any way permit, and therewith first establish a post at Roeanelle; and His Honour thereby disclosed to the council that, in such an event, it is his intention to place himself in person at the head of that corps. If affairs should come to that, the presence in this Government of so experienced and able a Minister as Your Honour would be of the very greatest weight for the interests of the Company, and we have therefore resolved, upon the proposal of the first undersigned Governor, as soon as Kandy makes movements from which one can deduce with sufficient certainty that the Court truly intends to proceed to actual hostilities with the Company, to request Your Honour to come over to Ceylon for a short campaign, in order to consider and implement together with us all such measures as will then be necessary and can serve the best service of the Company, and to preside in our council during the absence of the Governor, as well as, if in the meantime any human frailty should befall His Honour, to assume authority over Ceylon until Their High Mightinesses shall have made further provisions regarding it. We very much hope that the circumstances of Your Honour's own Government will, in the aforementioned case, permit coming over to Ceylon in accordance with the intention of our aforementioned resolution, of which we have the honour hereby to give Your Honour preliminary notice, with the very polite request to direct affairs in the meantime and until our further writing in such a way that Your Honour can cross over hither as soon as we make a request to that effect. 4715. In the latter part of this month or the beginning of April, it will presumably be possible to determine with much certainty whether or not it will come to actual hostilities with Kandy. We shall by that time keep a sloop ready to sail for the conveyance of our letters to Tuticorin, to be brought from there to Cochin. With Kandy, affairs still remain in the same uncertainty; to our further letter dispatched on 23 February, which accompanies this in copy along with the letter to which it serves as an answer, we have thus far received no reply, and although everything in the lowlands still remains quiet up to now, one nevertheless hears that in Kandy they continue with the making of gunpowder and bullets, the drilling of a number of troops, and the registering of the muskets of the inhabitants. So far, however, as one can rely on the authenticity of a report we received today from Kandy, everything for the present would be no more than threatening to see what effect it might have towards advancing their hopes of recovering the coastlines. For the rest, after friendly greetings, we remain, Noble, Stern, Valiant, Wise, Prudent, Most Discreet Lord, Your Honour's affectionate friends and servants. Was signed: W. J. van de Graaff, A. P. Falck, D. C. Von Drieberg, C. van Angelbeek, J. Reintous, B. L. van Ziller, A. Jamlant, and J. A. Vollenhove. In the margin: Colombo, 16 March 1791. Lower: P.S. The copies of the aforementioned further letters exchanged with Kandy have already been presented to Your Honour with our letter of 25 February last. Agrees. Wijbrands First Clerk Checked Widel

Dutch transcription

Nagezien Beukman No: 29 4713. Extrakt uijt een Partikuliere brief geschreeven door het opperhoofd van Battikaloa Burnand an den Dorck Heer Gouverneur te kolombo den 11: Maart 1791. zeedert mijne eerbiedige brief van den 6. deezer, heb ik nader berigten gekreegen van genoegsaam alle deelen der landen onder Battikaloa; zoo meede ook van alle kandiaa„ „se landschappen die daar aan grensen: Deeze berigten melden hoe genaamd niets van eenige onvriendelijke gedrag en handel wijze van de kandiaanen omtrend de komp:s onderdaanen. De toegang na het kandi„ „aanse over en weeder is tans onbelemmerd; en zoo het op eenige plaatsen verhindert is geworden, is ge„ „worden, is dit alleen voor een tijd lang geweest tot de oppe„ „ratien van de opschrijving van het Bkrijgs volk g'andigt was Tnhet kandiaanse hoofd Madie bidaen, waar van ik bij verscheiden van mijne voorige brievens melding gedaan heb, laat mij weeten dat wij weederom op Battikaloa zal komen, en een van mij over twee Jaaren gedrosste slaaf terug zal brengen. Een ander aan mis onbekende kandiaan„ „se Hoofd/ die zig voor den Dessave uijt geeft:/ kend mi twee stux stix uwr fijne lijwaate, met verzoek dezelve voor hem hier rood te laaten verwen. Daar meede al zijn de gerugten dat den oorlog zal beginnen na het zingaleese Nieuwjaar niet minder alge „meen; en zelfs dat een Nabab de kandianen hulp zal geeven; toe gegrond dit laatste kan weezen kon ik niet opmaaken. Akkondeert VEgklerk Wijbrands Nagesien widel No 30 4714. Mallabaar Appart en sekreet Aan den Edelen Heer Johan Gerard van Angelbeek Raad Ordinair van Neederlandsch Jndia, Gouverneur # en Direkteur over 'skomp:s etablissementen ter gem: kuste Te koetsiem Edele Erntfeste Manhafte wijze Voorzienige zeer Diskreete Heek. Jn de onzeekerheid wat uijtkomst de dingen met kandia zoude kunnen heb„ „ben, en in aanmerking dat alleen deffensief te ageeren, kandia zoo het met de komp: tot een usturs koomen mogte, te groote awantages op ons geeven zoude en teevens zoude kunnen strekken om aan onze eige ingezeetenen heel twijffelmoedige gedagten te inspireeren, heeft de ert ondergeteekende Gouverneur in onze vergadering voorgesteld, om voor eerst te bestemmen een koups van 500. Man, waar voor de weld equipagie word gered gemaakt, ten einde zoo dra kandia een stap mogte doen, waar door de vreede verbrooken word, het zelve, wan„ „neet de omstandigheeden het eenig zints kunnen toelaaten, te laaten marcheeren op 's konings grond en bodem, en daar meede voor eerst post te vallen op Roeanelle en heeft zijn Ed: daar bij ter vergadering opening gedaan, dat het is zulke eengeval deselfs vooneemen is om zig aN zig in perzoon te stellen aan het hoofd van dat korps. zoo de dingen daar toe koomen, zoude de presentie van een zoo ewaare en eundig Minister als uwel Ed: in dit Gouvernement voor de belevn„ „gen: van de komp: van het allen groose gewigt zij, en hebben wear mits dien op de propositie van den eerst ondergeteekende Gouver„ „neur beslooten, om zoo dra kandia beweegingen maakt waar uijt men met genoegzaame zeekerheid testemmen kan, dat het Hof werkelijk het oogmerk heeft om met de komp:e te koomen tot daanr „delijkheeden, uweEd: te verzoeken om voor een springtogt na ceilon te willen overkoomen, ten eijnde met ons te zaamen te bezaamen en te werk te stellen alle zoodanige maatreegelen, als dan zullen noodig # zijn en strekken kunnen te meesten dienste van de komp:e en om gedui„ „rende de afweezigheid van den Gouverneur in onze vergadering te ^ mitsgaders presideeren, om zoo zijn Ed: intusschen iets menschelijks mogte overkoomen, het gezag over Ceilon te aanvaarden, tot dat Hunne Hoog Edelh: daar over nader zullen hebben beschikt. We hoopen heel zeer dat de omstandigheden valn uwe Ed: eijgen Gouverna „ment, het int voorsz: geval zullen kunnen toelaaten, om naar Ceulo overtekoomen vereen komstig, met de intentie van voorsz: onze Resolutie waar van we de eere hebben uwel Ed: door deezen voor„ „loopend 4715. „loopend kennis te geeven, met zeer gedienstig verzoek, om intus„ „schen en tot ons nader schrijven de dingen daar heen te willen diri„ „geeren, dat uwel Ed: zoo dra we daar toe verzoek doe, na her„ „waards overstappen kan. Jn het laast van deeze maand of begien van April zal men het ver„ „moedelijk met wij veel zeekerheid kunnen bestemmen, of het met „ kandia tot daadelijk heeden zal koomen, of niet. we zullen teegens dien tijd een sloep zijlvaardig houden ter overbrenging van onze brieven na Tutukonijn, om van daar te worden overge„ „bragt na Zoetsiem. Met kandia blijven de dingen nog ie deselfde onzeeker heid open nade„ „ ren brief dien 23:e febr: afgevaardigt, die met den brief waar op ze in andewoord diend, deeze in kopij verzeld; hebben we tot nog toe gen andwoord ontfangen, en schoon wel in de beneeden landen alles tot nog toe ie stille blijft hoort men nogtans dat in kan„ „dia word voortgevaaren met het maaken van kruijt en koegels, het exerceeren van een partij volk, en het op schrijven der geweeren van de ingezeetenen. Voor zoo verre men nogtans op de egtheid van een berigt, dat we heeden uijt kandia ontfangen hebben, staat maaken kan, zoude alles voor het tegens woodige niet Meek 16 No. 31. meer zijn dan drijgen om te zien, van wat effect dat zijn kan, ter bevordering van hunne uijtzigten tot het terug krijgen der Stranden. Wij blijven voor het overige na vriendelijke grote /:onderstond:/ Edele Erntfeste Manhafte wijze voorzienige zeer Discreete, Heer. Uwel Ed:s D: W:r Vriend en Dienaaren /: was ge„ „teekend:/ W: J: van de Graaff, A: P: Paket, D: C: Von Driberg, C: van Angelbeek, J: Reintous, B: L: van Ziller, A: Jamlant en J: A: Vollenhove /:in margine:/ Kolombo den 16:e Maart 1791. /:lager:/ P: S: De kopijen van voorschr: met kandia gewisselde nadere brieven, zijn reeds uwel Ed:s aangebooden bij onzen brief van den 25:e februarij Jongstleeden. Akkonseert. Wijbrands Egklerk agekie Witel

NL-HaNA_1.04.02_3890_0451 view scan ↗

English

4716. Translation of a Sinhalese ola, brought by the Kandyan to the Honorable Dessave Fretz. Nothing is asked of our Sinhalese Chiefs, but rather of the Nayakkars who are currently present and profess themselves to be friends of the King. The Moors, Nayakkars, and the King, having deprived the inhabitants of some lands according to their pleasure, say that they must take over the Districts, and with the intention of going to the opposite shore, they have now, three months ago, under the pretext of being criminals, been allowed to depart there from the Court; Besides this, maintenance is being provided from the Dispensary for 14800 Lascorins, and one hears that the foreigners have come ashore at Batikaloa. The Sinhalese have not been unfaithful from the beginning. Here follow some words that are unclear and seem to say that the King places no trust in the Sinhalese and that this will lead to misfortune in case these things become known. According to your judgment we can point out the roads, and the war is about to happen, yet you must not fear it, and we shall provide all possible assistance. Two Mohandirams have departed for the Uva, and the Dessave of Uva has also set out on his journey thither at a favorable hour. Before this writing the prominent Chief of the Country, Lekam of the Atapattu, Lekam of the Kuruwe, and Mohandiram of the Artillery, and besides these the Grand Adigar of the Five Upper Lands also occupies the offices of Kottalbadde, Baddabadde, and the Dessave's office of Matale. Since the offices have been granted to us by the Court, we cannot remain without performing that which is commanded of us; therefore we are going to the Country that has been assigned to us, against which you must harbor no ill thoughts toward us, and we can be helpful in that which you think would be proper and good. We cannot stop the war, yet we shall provide a good opportunity for it. This writing to the Honorable Dessave of Colombo. The Nayakkars are trouble-seekers against the Dutch Gentlemen and against us; therefore we shall employ a ruse, if about 100 Pagodas and Linens to the value of 50 rix-dollars might be sent, which will be sent with copper money. It is well to deliver to the bearer of this the morisses, headdresses with gilded work, tuppeties, kayolies of ane adi, and blue ginghams. Beneath stood: for the Translation, Colombo, the 21st of March 1791. Was signed: D. D. Perera. Agrees — Hijbrands First Clerk Examined J. Beukman No. 32. 4718. Further account of the Kandyan given to Karolus Mohandiram, with the request to tell it to me, Dessave. That the Lord 2nd Adigar had further instructed him to say that he could cause the Javanese who were in Kandy and stood under his authority to cross over to the Company, if one would be served thereby and did not wish to punish them, and that he, while he was now in his Dessavony and the Javanese found themselves in Kandy, could effect this all the better without making himself accountable for their absence, and that this absence, together with what he, the Adigar, along with those who agree with him, would further put into operation, could well bring the King to reflection and cause him to incline toward peaceful sentiments, in order to settle the matter with the Company. To the question put by the Mohandiram as to why he, the Kandyan, had not stated that matter upon his arrival and whether the Javanese would gladly wish to come hither, he answered that he had kept that matter to tell it upon his departure, and that the Javanese would very gladly wish to cross over. Colombo, the 22nd of March 1791. Agrees. Hijbrands First Clerk Examined [illegible] No. 33 4719. Translation of a Sinhalese letter ola written under date of 5 March 1791 by the Mudaliyar of the Hewagam Korale, Wijayawardhana Bandaranayake, to the Right Honorable Lord Dessave. That he, the Mudaliyar, had sent spies into the King's territory to ascertain what was going on there, and upon their return had learned the following from them: That the high priest Moratota Unnanse, the First Adigar of the Realm Pilimatalauwe Ralahamy, the Dessave of the Four Korales Leuke Ralahamy, and the Basnayake of the temple villages Atteregama Ralahamy, say: When we, Kandyans, wage war with the Dutch Gentlemen and should destroy them, then we Kandyans can obtain no other good and faithful people than these Dutchmen; and thus that undertaking is not right. That the Second Adigar of the Realm Erawwawala Ralahamy, the Dessave of the 7 Korales Dumbara Ralahamy, and the Mohandiram of Udunuwara Kotuwegedara Ralahamy have joined the King's brother and say that they could not bear the haughtiness of the Dutch Gentlemen, and however it might turn out, they would not rest without doing their utmost. That on account of the disagreement between these two factions the matter is still delayed. That people have been sent out to seek assistance, and that if they should obtain assistance, the war would then begin. That he, the Mudaliyar, had learned these aforementioned tidings from his dispatched spies, as well as from some of the King's people; as also that no new resthouses were being built in the King's territory, as he, the Mudaliyar, had previously been informed, but only that the old resthouses were being repaired, under the statement that this was being done for the Colombo Embassy. Hulftsdorp, the 9th of March 1791. Beneath stood: translated by: Signed: J. G. Renker. Agrees. Dijbrands First Clerk Examined A. Wele No. 34.

Dutch transcription

4716. Translaat Pingaleesche ola, door den kandiaan aan den E: Dessave Fretz: toegebragt. van onze singaleesche Hoofden word niets gevraagt, maar de Naijkers die thans present zijn en zig voor Konings vrienden opgeeven. De Moo= ren, Naijkers en den koning na hun believen eenige Landerijen van de Jngezeetenen ontnoo= men hebbende zeggen dat zij de Distrikten moeten afneemen en met voornemen om na den overwal te gaan hebben nu voor drie maanden onder voorgaave van misdadigen te zijn daar heen uijt het Hof laaten vertrekken; Buijten des word uijt Dispens de Maintemen= „tos verstrekt voor 14800: Laskorijns en hoort men dat de uijtlanders zijn op Batikaloa aan land gekoomen. De singaleesen zijn van den beginne af, niet ontrouw geweest. Hier volgen eenige woorden die onduijdelijk zijn en schijnen te zeggen dat /:de koning geen vertrouwen in de singaleesen ## stelt en dat tot ongeluk zal strekken, ingevalle deese dingen rugbaar wierd:/ Naar uwes goed= dunken kunnen wij de weegen aantoonen en den oorlog staat te geschieden egter moeten uwes daar voor voor niet vreesen en zullen wij de mogelijke hulpe be„ wijsen. Twee mohandirams zijn na de oewa vertrok „ken en is ook de Dessave van oewa op een goed uur na derwaards op de rijze begeeven. voor dit geschrift den voornamen Hoofd van het Land, Leekame van de attepattoe, Leekame van de koeroewe en Mohandiram der artillerij en behalven dien de groot Adigaar van de vijf boven Landen mee de bekleed de diensten van kottalbadde Baddehebadde en Dessaves dienst van Maatele wijl door het Hoff de bedieningen aan ons vergunt is, kunnen wij niet blijven zonder te ver= rigten het geen dat ons word bevoolen mids dien gaan wij naar het Land, dat ons toegevoegd is, waar teegen uwes moeten geen quaade gedagten op ons neemen en kunnen wij behulpzaam weesen in het geen dat uwes denken dat zoodanig behoorde goed tezijn. wij konnen den oorlog niet stutten egter zul „len wij daartoe de goede geleegendheid geeven. Dit geschrift aan den E: Dessave van kolombo. De Naijker zijn quaad=zoekers van de Heeren Hollanders en van ons, daarom zullen wij een list in het werk stellen, zoo aan 100: Pagooden en Lijwaaden van rd=s 50: mog „te worden gezonden dewelke met kooper geld zal gezonden 4 717. 8. gezonden worden. Wet is goed aen de nevens deesen komende aftegeeven, de moerissen, hoofddoeken met verguld werk, Toepeties, kaijolies van aane adij en blaauw gingams /:onderstond:/ voor de Translatie kolombo den 21: Maart 1791: /:was geteekend:/ D: D: Perera. Akkordeert — Hijbrands Egkeerk mee Nagezien J Beukman No: 32. 4718. Dat den Heer 2=de adigaal hem nog gelast had te zeggen, Dat hij de Javaanen die te kandia waaren, en onder zijn gezag stonden, konde doen, tot de komp:e overgaan, indie men 'er meede gediend was, en huer niet wilde straffen, en dat hij nu, terwijl hij i zijn Dessavonij was, en de Javaanen hun te kandia bevonden, zulks te beeter konde bewerk stelligen, zonder zig verandwoordelijk te maaken weegens hunne absenteering en dat deeze absenteering, het geen hij adigaar neevens de geene die het met hem eens zijn, verder zoude te werk stellen, den koning dan wel tot nadenken zoude kon„ „nen brengen, en tot vreedzaame gevoelens doen over„ „hellen, om de zaak met de Comp. e bijteleggen. Op de gedaane vraag door den Mohandiram, waarom hij kandiaan die zaak niet bij zijne komst had gezegt, en of de Javaanen gaarne zouden willen dit heen koomen, heeft hij geandwoord, Dat hij die zaak bewaard hald om ze bij zijn vertrekt te Nader Jerhaal van den kandiaan aan karolus Mohandiram gedaan met verzoek om het aan mij Dessave te zeggen. zeggen zegen, en dat de Javaanen Ziergaarne zouden willen overkoomen Maart 1791. kolombo den 22:e Ackordeert. Hijbrands Eyklerk len NagAten ondel No. 33 4719. Translaat singaleese brief ola geschreeven onder dato 5. Maart 1791. door den Modliak van de Hinakoal wieje wardene Bandernaike, aan den Wel Ed: Geb: Heer Dessave Dat hij Modliaa spions in het konings landgesonden om te verneemen, wat aldaar ommegaat, en bij derzelven terug komste van hun het volgende vernoomen had. Dat de hooge paiester Morrottotte oewanse, de eerste Rijkladi„ „gaak Pillimadallauwe ralehamij, de Dessave van de vier koules Leoeperalehamij, en de Pasnaike van de tempels dorpen Atteregammeralehamij, zeggen: wanneer wij /: kandianen:/ met de heeren hollanders oorloogen, en ze mogten vernielen, dan konnen wij kan„ „dianen /geene andere goede en getrouwe luijden krijgen dan deese /:hollanders. /; en dus is dat onderneemen niet regt. Dat de tweede Rijksadigaar Eara oewa welerale hamij, de DesJave van de 7. koul Dombererale hamij en de Mohandiram van oedoenoeere kettekoemboere rale„ „hamij, hun bij de broeder van den koning gevoeg, en zeggen, Dat zij de grootsheid van de Heeren hollanders niet konden verdraagen, en hoedanig het ook mogte uijtvallen, zoo zouden zij niet rusten zonder hun best te doen. Dat Dat weegens de oneenigheid dier twee parthijen de Zaak als nog talmt. Dat 'er volkeren uijtgezonden zijn om hulp te zoeken, en dat wanneer ze hulp mogten krijgen, de oorlog da zoude beginnen. Dat hij Modliaat deese vermelde tijdingen van zijne uijtgezondene spions, als ook van eenige konings volkeren vernoomen had; gelijk ook dat 'er geene nieuwe rusthuijsen ie 'skonings land, zoo als hij Modliaar bevoorens berigt was, gemaakt wierden, maar dat eenelijk de ouden rusthuijsen wierden verbeeterd, onder het zeggen dat zulks geschiede voo de kolombose Ambassade. Hultts- dorp den 9:e Maart 1791. /: onderstond:/: getranstateerd door /: geteekend: J: G: Renker. Akordeert. Dijbrands Egklerk Nagetien A Wele No: 34.

NL-HaNA_1.04.02_3890_0463 view scan ↗

English

Report of the Sinhalese carpenter named Mara Marakkele Pattebendige Salman Perera, inhabitant of Morottoe, who arrived yesterday from Kandia, and who had previously also once been sent to Kandia by the Maha Modliaar at the request of the present Second Adigar of the Realm to make a cabinet, and who had stayed there for 18 months at that time. That he, having been ordered 18 days ago by the Maha Modeliaar to go to Kandia, was detained on his journey thither at the gravet at Kattoegamnawe in the Four Korles at the foot of Mount Ballane, but that the lascars there, upon his testimony that he came from Saffregam and was going to the Second Adigar of the Realm, let him pass, without however being willing to grant this to two other people who had gone along with him. That upon coming to the Adigar, he had said that two people who had come with him were detained at the gravet, and that thereupon an order was sent to let the same also go to Kandia. That the Second Adigar had asked him why he had come there, and he had answered that because he had twice sent for him and he had also heard that he had been appointed Adigar, he had now come to see him and to await his orders. That the Adigar had then said that he would now get no permission to go back for two years, and because he wished to inform the King of his arrival, he was to go along with him to the Court; but upon his answer that he would do everything the Adigar ordered him, he had commanded him to remain in his house. That the Adigar, after his return from the Court, had told him that he had informed the King of his arrival and asked him whether he intended to return soon, upon which he had answered that he would do as the Adigar ordered. That the Adigar had further asked him who in the Company's lands among the native Chiefs was the greatest and most capable, and upon his answer that it was the Maha Modeliaar at Colombo, he asked him whether he also sometimes went to the said Modeliaar; that he had said yes, whenever he had anything to arrange with him or to complain about. That the Adigar had replied to that, then it is certainly the Maha Modeliaar himself who has sent you, and you must therefore tell me the truth, whereupon I will let you return; if not, I will have you arrested, and even severely punished if it were anyone else; but that he had denied this. That the Adigar had subsequently said to him, I praise you for keeping the secret so well; you must however upon your return not boast that you have deceived me, for I know very well that you have been sent here by the Modeliaar. I give you full freedom to go and see everything that is being done here, as all our actions are not conducted in secret but publicly. That the Adigar had asked him how large the military force of the Company on Ceilon was at present, and he had answered that he did not know with certainty, but according to what he had heard, the troops, both Europeans and Malays, might be counted at 27000 heads. That the Adigar had told him thereupon that such rumors were also heard there, adding that people were embarked at one place on the island and put ashore again at another place as if troops were being brought in from other countries. That after a three days' stay in Kandia he departed with the Second Adigar of the Realm for Matele, situated 3 miles from there, and that on that occasion the Dessave of Oede Noewere, the Hewahette Raterale, Dannegamme Lekam Mahatmea, and the Mohandiram of the stable, all relatives of the Adigar, accompanied the Adigar and escorted him as far as Kattoegastotte; that also about 150 Sinhalese and 400 Javanese with two mestizos departed with the Adigar, but that a part of these people and the aforesaid two mestizos returned again to Kandia to receive their pay. That the Adigar, arriving at Hoelangamme, halted there, and that he had called him into his bedchamber and, having made him sit on a mat next to him, had told him the following: I have found that you are a man who knows well how to keep secrets, and therefore I disclose to you the greatest secrets that I have. Say to the Maha Modliaar that it is thus much better and more advantageous for the Company, for the inhabitants, for the Lord Governor, and even for the Maha Modliaar, that matters be settled without stirring up trouble, and that therefore the Maha Modeliaar, with the prior knowledge of the Lord Governor, might write him an ola, of which he can give notice to the King. That he had thereupon asked what the ola should contain, and that the Adigar had answered him that the Maha Modliaar would well know that. That the Adigar had subsequently said to him that when the Maha Modliaar was at Gale, he had always maintained friendship with him and was separate from him, and that the Modliaar had previously also written some letters in the name of the Lord Governor to him, but that the correspondence now stood completely still; that it would be very bad if the Dutch came to war with the Sinhalese, but that he, the Adigar, was ready, in case a foreign enemy had to be attacked, to join the Dutch with the forces he has with him, in order to make war against the enemy together with them. That the Adigar had also said to him that he is the man who can carry out everything at the Court; that he would remain there and not go further

Dutch transcription

4720. Relaas van den singaleesen timmer„ „man gen:t Mara Marakkele Pattebendige Salman Perera, i„ „woonder van Morottoe, gisteren van kandia gekoomen, en die bevoorens ook eens op verzoek van den teegen„ „woordigen tweeden Rijks adigaak door den Mala Modliaak is gezon„ „den na kandia om een kas te maa„ „ken en te dier tijd daar 18. maanden is geweest. Dat wij nu 18. daagen gelieden door den Maha Modeliaar ge„ „last zijnde om na kandia te gaan op zijne rijze na derwaards is opgehouden aan de gravet te kattoegam„ „nawe in de vier korles van den voet van den berg Balla„ „ne, dog dat de laskorijns aldaar, op zijne betuijging dat hij van de saffregam kwam, en na den tweeden RijkPadigaar ging, hem hebben laaten passeeren, zon„ „der dat ze dit egter hebben willen toestaan aan twee andere luijden, die met hem waaren meede gegaan. Dat wij bij den Adigaar koomende hadde gezegt, dat twee luijden met hem meede gekomen, aan de gravet waaren opgehouden, en dat daarop ordre ge„ „zonden „zonden is, om deselve ok na kandia te laaten gan Dat de tweede Adigaar hem hadde gevraagd, waar wij daar was gekomen, en wij hadde geandwar dat wijl bij hem twee maalen hadde laaten roepe en wij ook gehoord had, dat wij was aangesteld tot Ar „gaak, hij nu was gekomen om hem te zien, en zijne onders aftewagten. Dat de Adigaar toen hadde, gezegt, dat wij nu in geen twee Jaaren zoude verlof krijgen om terug te gaan, en wijl wij van zijn komst aan den koning wilde kennis geeven wij met hem zoude meede gaan na het Hof; de op zijn andwoord, dat hij alles zoude doen wat den E „gaak hem belasted, Wij hem hadse geordonneerd in zijn Huijs te blijven. Dat de Adigaar na zijn terug komst van het Hof h hadde gezegt, dat wij den koning van zijn komst „de kennis gegeeven, en hem gevraagd, of hij voorm „mens was om schielijk weeder terug te keeren wa „op. wij hadde geandwoord van te zullen doen na de orders van de Adigaak. Dat de Adigaar hem wijders hadde gevraagd wie ten ien 'skomp:s land onder /de inlandsche Hoofden de groot „ste en bekwaamste was, en op zijn andwoord dat het was de Mala Modeliaak te kolombo, vroeg wij h of 4721. of wij ook zomtijds bij gem: Modeliaar ging; dat Wij had gezegt van Ja, wanneer wij zomtijds iets bij hem te verrigten of te klaagen had. Dat de Adigaat daarop hadde gerepliceerd, dan is het zeeker de Ma„ „ha Modeliaak zelfs die uw gezonden heeft en gij moet mij daarom de waarheid zeggen wanneer ik u zal laaten terug keeren, zoo niet, zal ik u laaten arresteeren, en zelfs zwaar straffen zoo het iemand an„ „ders was; dog dat wij dit hadde ontkend. Dat de Adigaal, hem vervolgens hadde gezegt, ik prijs u om dat gij het gelum zoo wel bewaard, gij moet u egter bij u terug komst niet beroemen, dat gijn mij misleijd hebt, want ik zeer wel weet, dat gij door den Modeliaar hier gezonden zijt. Ik geeve die volkoomen vrijheid om alles wat hier gedaan word, te gaan zien, wijl alle onze verrigtingen niet ge„ „heim maar soubliek getracteerd worden. Dat de Adigaar hem hadde gevraagd hoe groot de krijgs„ „magt van de Comp:e op ceilontans is, en wij hadde geand„ „woord, dat wij dat met zeekerheid niet wist, maar vol„ „gens het geen wij gehoord hadde, de troupes zoo Europee„ „^ en mogten gerekend wierden op „sen als Malisers 27000: koppen. Dat de Adigaar hem daarop hadde gezegt, dat men daal ook zulke gerugten hoorde, met bij voeging, dat men men op de eene plaats va het Eeland volk inschupten en het op een andere plaats weeder aan hand zettede als of er troupes van andere landen wierden aangebragt. Dat hij na drie daagen verblijf in kandia met den tweede Rijks adigaar is vertrokken na Matele 3. mijlen van daar geleegen, dat bij die geleegendheijd de Dessa„ „ve van oede noewere, Hewahette Raterale, Danné„ „gamme Lekam Mahatmea, de Mohanderam van de stal, alle nabestaanden van den Adigaat, met den Adigaar zijn meede gegaan, en hem hebben uijge „lijde gedaan tot kattoegastotte, dat ook met den Adigaar zijn vertrokken omtrend 150. singaleeschen en 400. Javaanen met twee mixtiesen dog dat een ge„ „deelte van dit volk en voorsz: twee mitsiesen wee „der na kandia zijn terug gekeerd om hunne be„ „zolding te ontfangen. Dat de Adigaat te Hoelangamme koomende daar half heeft „ gehouden, dat wij hem daar in zijn slaap„ „kamer geroepen en hem op een mat naast zijn de hebbende laaten zitten, hem het volgende hadde gezegt: ik hem ondervonden dat gij een man zijt die de geheimen wel weet te bewaaren, en daarom ze ik u de grootste geheimen die ik heb openbaar zeg aan den Mala Modliaak, dat het alzoos stel een 4722. en voordeeliger is woor de Comp„ , voor de ingezeetenen, voor den Heer Gouverneur, en zelfs voor den Mara Modliaar, dat de zaaken worden afgedaan zonder re meek te verwaaren, en dat dierhalven de Mala Mode„ „liaak aan hem met voorkennis van den Heer Gouver„ „neur een ola, wil schrijven, waarvan wij aan den ko„ „ning kan kennis geeven. Dat wij daarop had gevraagd wat de ola moeste in „houden, en dat de Adigaar hem hadde geandwoord, dat de Mara Modliaar dat wel weeten zoude. Dat de Pigaak hem vervolgens hadde gezegt, dat toe„ de Maha Modliaar op Gale was, hij met hem altoos vriendschap hadde onderhouden, en dan hem was gepara„ „teerd, en dat de Modiiaak bevoorens ook eenige brieven uijt naam van den Heer Gouverneur aan hem hadde geschreeven, dog dat nu de korrespondentie geheel stil stond; dat het heel slegt zoude weezen, indien de Hollan „ders met de singaleesen ie oorlog raakten, maar dat wij Adigaat gereed was, ingevalle men een vreemde vijand moeste attakeeren, om zig met zijne bij zig hebbende magt te voegen bij de Hollanders, om met he te zaamen den vijand te beoorloogen. Dat de Adigaal hem ook hadde gezegt, dat wij de Man is die alles aan het Hof kan uijtvoeren; dat Hij daar zoude blijven an niet verder

← previousnext →