VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3891

Ceylon · 858 pages · 160 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3891_0643 view scan ↗

English

5010. Honorable Sir! Paragraph 89. During the cultivation of the Girrewais, one had to struggle with the very same difficulty, as can be seen in the memorial left behind by Commander De Jong as outgoing Dissave of Mature, from which it also appears that the inhabitants of the other korles and Pattoes were not only invited, but even compelled, to carry out that cultivation. Paragraph 90. Everyone knows what a blessed province the Gerrewais currently is and what advantages it affords to the Honorable Company and to the public, and if one wishes to be unbiassed and unprejudiced, one must admit that the Mahampattoe promises considerably greater prospects. Paragraph 91. As proof of this, and of what can be made of this region if it is properly managed, the revenues from the paddy crop of the concluded financial year 178/9 may serve, which, according to the attached extract from the lease rolls of that financial year under No. 7, amounted to 775: 35¼ ammunams, or 6206. 3/22 parras, whereas the average of earlier years scarcely amounted to 501 parras. Paragraph 92. And yet it is easy to understand that nothing noteworthy for improvement could have been accomplished there in that short time, and that the increase in these revenues did not derive its origin from any newly established fields, but solely from the precaution that the fields already made suitable and cleared with little effort were worked and sown at the proper time, and the occupants were supported with some small provisions and seed corn in order to encourage them and enable them to do this work. Paragraph 93. The second matter to be examined is: whether I was to blame for the rebellion. Paragraph 94. Mr. Sluijsken nowhere says this in express words, but indicates it in an intricate manner in more than one place, and to that end brings forward in particular two accusations that deserve closer examination, the first of which occurs in Paragraph 171 and consists of this: That for some time the execution of punishments for committed crimes, both by women and men, had not been determined according to the ancient customs of the country, and that equal punishment had been meted out to prominent and lowly persons alike, whereby many respectable families were needlessly dishonored. While the second entails: that I did not have sufficient knowledge the people of the Girrewaijpattoe would have had to be the first of all to revolt, because some among them had departed with their Mudaliyar for Baddegierie a month earlier to perform some necessary preliminary work. A sensitive heart had to be moved to see these people mourn and lament their loss. Paragraph 80. While on the contrary a reasonable attentiveness 5011 Honorable Sir! sufficient attentiveness in the management or else did not have sufficient knowledge practiced of the Dissavony. Paragraph 95. The first charge, which Commander Sluijsken further urges in his secret report, Paragraph 179½ to Paragraph 182, and applies to me, I have already fully refuted at the session of the 21st of August last in the Council of Policy, and on the contrary have proven, with seven reports submitted to the Honorable Commissioners Frets and Lambart from the most prominent Chiefs of the Dissavony, that not only did my executions of punishment take place according to the customs of the country, but also that I did not impose greater or heavier punishments than previous Dissaves. Paragraph 96. These declarations were handed over to Commander Sluijsken by the aforementioned Commissioners, but his honor not only paid no heed to them, but further repeated his accusations against me and aggravated them not a little in his secret letter of the 20th of October last, where in Paragraph 3 he answers, or rather asks: whether, if he had wished to be malicious, he could not have presented me in his report as a cruel person and tyrant who mistreated his subordinates in an inhuman manner; then that I possessed no knowledge of the country, then again that I allowed myself to be misled by the native chiefs. Paragraph 103. I was thirty years old when I became Dissave, and thus advanced to that age which for treated Your Right Honorable private secret letter and shall indicate of favorable the same in Governor to speak of Your Honor all of 15. off with this Council. 5048 Right Honorable I letter

Dutch transcription

5010. Achtbaaren Heer! §89. Bij de bekwaammaaking vande Girrewais heeft men met die zelfd zwaarigheid te worstelen ge„ „had gelijk, zulx te zien is bij de nagelaetene Memorie van den Heer kommandeur De Jong als afgaande Dessave van Mature, alwaak ook blijkt, dat tot die bekwaemmaeking de inge„ „zetenen van de andere korles en Pattoes niet alleen uitgenoodigt, maar zelfs gedwongen zijn. §. 90 welk een gezeegende provintsie tans de Gerre„ „wais is en welke voordeelen die aan de Ed: Maat„ „schappij en aan het algemeen geeft weet een ieder en zoo men onbevooroordeeld en onvoor ingenoomen wil zijn, zal men moeten bekennen, dat de Ma„ „hampattoe vrij grootere voor uitzichten beloofd. §. 91. Tot een bewijs hier van en wat van dit landschap kan gemaakt worden, zoo het zelve behoorlijk besteerd word, moogen strekken de inkomsten van het Nelie gewas van het afgeslootene Boekjaar 17 9/8. die blij„ „kens bij gevoegd extrakt uit de verpachtings, volle van dat boekjaar sub N:o 7. bedraegen hebben amm: ^ de selven 775: 35¼ of par:s 6206. 3/22. terweil ^ geslaegen va„ vroegere jaaren door den anderen geslaegen, maak par:s 501. schaars hebben bedraegen. §. 92. En echter is het ligt te begrijpen, dat nog niets naamwaardigst ter verbeetering aldaar in dien kor„ ben; dan dat ik geene landkunde beseeten hebbe, dan weer, dat ik mij door de inland„ sche hoofden heb laaten mislijden §: 103: Jk was dertig jaar oud toen ik Dessave word, en dus tot dien ouderdom gevordeael, die voor „ten C uwel Edele Gestren„ parte secreete brief en en zal duijde„ n van gunstige ^dezelve in gouverneur van UE te sreeken alle van 15. aaff met dees Raad. 5048 E Agtbaare lk - brief ten teid heeft kunnen verrigt worden, en dat de vermeendering van deeze inkomsten niet hunne oorsprong ontleend hebbe uit eenige nieuwe aangeleg„ de velden, maar alleen uit de voorzorge dat de reets bekwaem gemaakte en met weinig moeite gezuiverde velden ter behoorlijker teid bewerkt en bezaaid en de bezittens met eenige geringe leevensmiddelen en zaadkoorn onder steund waaren ten einde henl: tot dit werck aantemoedigen en in staat te stellen. §. 93. Het tweede stuk het welk te onderzoeken vaet, is: of ik aanden opstand schuld gehad hebbe. §: 94 De Heer sluijsken, zegt dit nergens met uitge„ „drukte woorden, dog geeft dit op meer dan eene plaets op eene ingewikkelde wijze te kennen en brengt daar toe inzonderheid twee beschul„ digingen ter baan die nader onderzoek ver„ dienen waar vande eerste voorkomt bij §. 171. en hier in bestaat. Dat men zeedert eenigen teid de straf oeffe„ ningen over begaane misdrijven, zoo door vrou„ „wen, als mannen niet had bepaald naar slands al oude gebruiken en dat aan voornoemen en „geringen een gelijke straffe was toegedeeld, waar door veele fatsoenlijke familien buiten noodzaeklijkheid onteerd waeren. terweil de tweede behelst. dat ik geene toereikende kennis gehad omen het volk van de gianewaijpattoe het eerste waaken Een gevoe„ van alle zoude hebben moe„ lig hart moest „len revolteeren, wijl eenige onder hun eene maand be„aangedaen worden voorens met hun Moddeliaar deeze menschen naar Baddegierie vertrok„ ken waeren, om eenig noodig hun verlies te zien voor afgaand werk te verrig„ betreuken en bejam„ „ken. §. 80. Terweil het daaren teegen menen. eene billijke oplettendheid ƒ 5011 Achtbaaren Heer! „volgoende oplettentheid in het of anders geene ^ toereikende kennis gehad bestier vande Dessavonie beoeffend hebbe. §. 95. De eerste aanklagte die de Week kommandelik sluijsken bij dit zijn geheim rapport 5. 179.½. tot „naader §. 182. „ weeder aandringt en op mij toepast, heb ik reets ter sessie van den 21. aug:s Jong:s Leeden in Raede van Polietsie ten volle wederlegd en daar en teegen met zeeven aan de E: gekommit„ „teerden Frets en Lamlant overgelegde rapont„ „ten vande aanzienlijkste Hoofden der Dessavo„ nij beweezen, dat niet alleen mijne straffoef„ „feningen volgens slands gebruiken geschied zijn maar dat ik ook geene meendere of zwaerdere straffen opgelegd hebbe, dan voorige Dessaves. §. 96. Deeze verklaeringen zijn, door meerm: gecomm: aanden Heer kommandeur sluijsken ter hand gesteld, dog zijn agtb: heeft daar op niet alleen geen acht gegeeven, maar zijne beschuldigingen teegen mij naeder herhaeld en niet weinig verzwaerd bij zijn secreeten brief van den 20. ' 8ber: J:oL: waak hij op §. 3. antwoord of liever vraegt. of hij indien hij boosaandig had willen zijn mij bij zijn raport niet had kunnen voorstellen als een wreedaart en Dwingeland die zijne on„ „dergeschikte op een onmenschelijke wijze mis„ ano oor op rgoy ben; dan dat ik geene land kunde beseeten hebbe, dan weer, dat ik mij door de inland„ sche hoofden heb laaten mislijden 4: 103: Jk was dertig Jaar oud toen ik Desjave word, en dus tot dien ouderdom gevordeael, die voor „handeld uwel Edele Gestren„ harte secreete brief Een en zal duijde n van gunstige ^dezelve in gouverneur van VE: tecreete alle van aaff met dies Raad. 5040 E Agtbaare lk „ brief

NL-HaNA_1.04.02_3891_0646 view scan ↗

English

...acted, about which women and children had complained to him that their kin had perished through ill-treatment. Section 97. Against this I observe, in the first place, that the Lord Commander himself says that this might be a malicious accusation, in which I will not contradict him. Section 98. Yet, since this accusation is nevertheless presented by way of questions, the suspicion might still be raised that I had at times been guilty of such cruelty, the more so because the Lord Commander shortly thereafter asked the second question: whether I could not have sent some inhabitants who had been punished towards Colombo, in order to present proofs of the cruelest treatments to Your Honourable, Valiant, Highly Esteemed Worships. And therefore I observe against this, in the second place, that this accusation is brought without the slightest proof. Section 99. Since, however, all accusations must be proved by their authors; since I had already completely refuted this accusation in the Council of Policy on 21 August and demonstrated against it, with the declarations of the principal Chiefs then submitted, that in the matter of administering punishment, which in itself is necessary, I have never exceeded the customs of the country or the bounds of reasonableness; since, moreover, the Lord Commander was expressly enjoined by Your Honourable, Highly Esteemed Worships by letter of 17 September to bring forward everything he had against me: he was indeed obliged, in his aforementioned answer, to produce a single case to prove this grievous accusation, and to indicate the person, place, time, and cause. Section 100. For only then could I have specifically answered for myself, and only then would Your Honourable, Highly Esteemed Worships and my further superiors have been able to make proper inquiry into it. Section 101. But since it is of the highest importance to me that this matter also be investigated in the most thorough manner, I request Your Honourable, Highly Esteemed Worships once more, and further, that Commander Sluijsken be ordered to submit within a specified term his proofs of this harsh accusation and to indicate the persons, time, and place, as well as the reasons, to whom, when, where, and why such punishment was inflicted. Section 102. The second accusation entails that I had no knowledge or otherwise no sufficient attentiveness in my office, and is repeated by the Lord Commander in various papers and in different places, each time sketched with some variation: now, that I came into office too young; then, that I possessed no knowledge of the country; then again, that I let myself be misled by the native chiefs. Section 103. I was thirty years old when I became Dessave, and thus advanced to that age which is deemed capable for all offices and services. At that age, the Noble Lord Falck (of blessed memory) was called to be Governor of Ceylon, and the Noble Lord De Ly (of blessed memory) was chosen as Dessave of Mature. Section 104. When I became Dessave, I had not previously held any other country service and therefore could have no knowledge of country affairs from experience or practice; however, I had been in the Government for seven years, and thus had sufficient opportunity and time to gain knowledge of country affairs, both through interaction with experts on the country and through reading useful secretariat papers that deal with this subject, in which the entire country service is circumspectly and clearly prescribed. Section 105. Nor is that knowledge so difficult to acquire as many who possess no other merits or abilities imagine. Section 106. Indeed, the Gentlemen De Ly, Burnant, De Coste, and Rose were appointed Dessaves in brief succession after one another, without having previously held any country services. Section 107. But the further decision of the question that concerns my person alone, whether I was competent or incompetent in the office, depends on the examination of how I have administered the same, and of that the Trade Books and Annual Compendiums may bear witness, and I venture to take a fair attentiveness...

Dutch transcription

„handeld had waar over vrouwen en kinderen bi hem geklaegd hadden, dat hunne bloed oo door mishandeling waar om 't leeven gekoomen. §. 97. Wier teegen merke ik aan in de eerste plaets dat de Heer kommandelik zelve zegd: dat dit eene boos„ aardige beschuldiging zijn zoude, waar in ik hem niet wil teegen spreeken, §. 98. Doch wijl deze beschuldiging niet te minvraagen derwij„ „ze word voorgesteld zo zoude daar door nogtans het ver„ „moeden kunnen opgewekt worden dat ik mij somteids aan zulke wreedheid had schuldig gemaakt, te meer wijl de Heer kommandeur kort daar na de tweede vraag had ik niet eenige Jngezeetene, die afgestraft wae„ „ren, kolombo waerds hebben kunnen zenden om uwel Ed:e Gestr: Groot agtb: vande wreedste behandelingen bewij„ „zen voortestellen. en daarom merke ik hier teegen inde tweede plaets aan: dat deeze beschuldiging zonder het minste bewijsword §. 99. Wijl echter alle aanklagten door haare autheuren moeten beweezen worden, wijl ik deeze beschuldiging reets in Raa„ de van Polietsie op den 21:' aug:s volkoomen weederlegd en teegen dezelve met de toen ingediende verklaerin„ gen der voornaamste Hoofden aangetoond had, dat ik in het stuk der straf oeffening die op zig zelve noodzaekelijk is noit de lands gebruiken of paalen van reedelijkheid te buiten gegaan ben, wijl den weer kom„ „mandeur daar en boven door uwel Ed: Groot Agtb: bij brief vanden 17:' 7ber: uitdrukkelijk g'injungeerd was, alles intebrengen, wat hij ten laste van mij had: zoo was hij dog wel verpligt geweest bij zijn doed. ingebragt. 16 voorm: oen gegeeven uit het volk van de giarewaijpattoe het eerste waaken Een gevoe„ van alle zoude hebben moe„ lig hart moest „len revolteeren, wijl eenige onder hun eene maand be„aangedaen worden voorens met hun Moddeliaar deeze menschen naar Baddegierie vertrok„ „ken waeren, om eenignoodig hun verlies te zien voor afgaand werk te verrig„ betreuken en bezam„ „ken. §. 80. Terweil het daaren teegen, meren. eene billijke oplettendheid 5016. Achtbaaren Heer! verwijdering niet begeerde, maar integendeel op mijn verblijk gesteld was en de Hier kommandeur deese stukken in handen had, zoo moet men veron„ derstellen, dat hij bij het zamen stetten zijner klagte deese omstandigheid over het hoofd gezien heeft, wijl anders de bellijkheid en rechtvaardig„ heid van een Gebieder vereischt zouden hebben, deselve die ter mijner ontschuldiging zoo zeer e i „ te alleceeren, als omtrend de 5012 voorm: antwoord een enkeld geval tot bewijs van deese aprie„ vende beschuldiging bij te brengen ende persoon, plaats, teid en oorzaek aantewijsen, § 100: want als dan eerst zoude ik mij daar op speciaal heb„ ben kunnen verantwoorden, en als dan eeft zouden inwel„ Edelen Groot agtb: en mijne verdere gebieders in staat geweest zijn daar na behoorlijk ondersoek tedoen. §: 101: Dan dewijl er mij ten hoogsten aangeleegen ligt, dat ook dit stuk op 't Gevondigste ondersogt werde: zoo versoeke ik uwelEd: Groot agtb: andermaal en nader dat de heer Commandeur sluijsken ge„ last worde, om binnen een bepaald termijn zijne bewijsen van dese harde beschuldiging intedienen ende persoonen, tijd en plaatse mitsgaders de reedenen aantewijsen, aan wie, wanneer, waar en, waarom zulke staaf -offening gepleegd zijn §: 102. De tweede beschuldiging behelst. dat ik geene kundigheid of anders geene genoegzaeme oplettendheijd in mijn ampt gehaed hebbe en word door den Heer Commandeur bij verscheijdene papieren en op verschillende plaatsen gerepeteerd en telkens met eenige variatie afgeschelst, dan eens, dat ik te Jong in het ampt gekoomen ben; dan dat ik geene landkunde beseeten hebbe, dan weer, dat ik mij door de inland„ sche hoofden heb laaten mislijden §: 103: Jk was dertig Jaar oud toen ik Dessave word, en dus tot dien ouderdom gevordeael, die voor harte secreete brief ten en zal duijde n van gunstige dezelve in uwel Edele Gestren„ gouverneur alle van aaff met dies Raad. 5048 E Agtbaare van VE tecreete 1 brief : was, „handeld had waar over vrouwen en kinderen bi hem geklaegd hadden, dat hunne bloed ^er door mishandeling waar om 't leeven gekoomen. §. 97. Hier teegen merke ik aan in de eerste plaets dat de Heer kommandelik zelve zegd: dat dit eene boos„ aardige beschuldiging zijn zoude, waar in ik hem niet wil teegespreeken, A at 1 Nr dalabuadiaina niet te min wraaren der wind alle ampten en bedieningen bequaam geoordeeld word; Jndien ouderdom werd de Edele Heer falck /:L: M: / tot gouverneur van Ceijlon beroepen, do Edele Heer De zi /: L: M:/ tot dessave van Mature verkooren. §. 104: Jk had toen ik Dessave wierd voor af geen anderen land dienst bekleet en kost dus van land zaeken geene kundigheijd uijt ondervinding of praklijk hebben, dog ik was niets zeeven jaaren in 't Gouver„ nement geweest en had dus geleegendheid en tijd ge„ noeg gehad van de Landzaake kennis te krijgen zoo wel door omgang met landkundigen als door het leesen van nuttige secretarij papieren die van deese materie handelen en waar bij de heele land dienst omstandig en -duijdelijk voorgeschee §: 105. ook is die kundigheijd zoo moeijelijk niet te verkrijgen als meenige die geen andere minites of bequaam„ heeden besetten, zig wel verbeelden. § 106: Jmers de Heeren Delij, Burnant, de Coste en Rose zijn in een korte lijd-bestek agter malkander tot dessaves aangesteld geweest, zonder voor of eenige land diensten bekleet te hebben. §: 107: Dog de nadere beslissing van de vroge die mijn persoon alleen betaeft, of ik bequaam of onbequaam in het ampt geweest ben, hangd van het onder„ soek of hoedanig ik het zelve bediend hebbe, en daar van mogen de Negotie boeken en Jaarlijksche Compenduums getuijgenis geeven, en ik bevrijmoe„ eene billijke oplettendheid en ven word. dige

NL-HaNA_1.04.02_3891_0649 view scan ↗

English

5016. Honorable Sir! did not desire my removal, but on the contrary was set upon my staying, and the Lord Commander had these documents in hand, one must assume that, in composing his complaint, he overlooked this circumstance, because otherwise the equity and justice of a Ruler would have required him to cite this, which served so greatly to my exculpation, just as well as [illegible] to respectfully request Your Right Honorable, under whose administration I have held my office, to give such testimony regarding my performance of duties, zeal, and faithfulness, as well as regarding my complete defense, to the Most Noble Government of India and to the Noble Right Honorable Lords Majors in the Netherlands, as they in conscience shall find to be proper. §: 108: But the Lord Commander brings forward proofs of my ignorance or rashness, which thus deserve a brief examination. §. 109. The first argument consists, according to 3: 2., in this: that with sufficient knowledge or attentiveness I would have known how matters stood in the interior of the country; that, knowing this, I could have seen to it that the inhabitants were properly treated, in which case no such great discontent could have resided among the people without my having been informed of it before its outbreak. §: 110: This proof is applicable to all Country Regents under whose administration an uprising has arisen, about whose knowledge and attentiveness nothing could be said, and who nevertheless experienced the displeasure that under their administration the people entrusted to their care broke out into rebellion. [illegible] secret letter [illegible] of favorable [illegible] the same in Your Right Honorable Governor [illegible] 5013. Council. with this [illegible] 5010 Honorable [illegible] of Your Honor secret letter had treated, about which women and children had complained to him that their blood relatives had lost their lives through mistreatment. §. 97. Against this I note in the first place that the Lord Commander himself says that this would be a malicious accusation, in which I do not wish to contradict him, §. 98. Yet because this accusation nevertheless [illegible] §. 111. That proof is applicable to the Lord Commander Sluijsken himself as Cinnamon Captain, who, after having already held two country offices, in the Year 1777 experienced the displeasure that the Chalias revolted under his administration. § 112. Furthermore, if it is firmly established that he who possesses sufficient local knowledge and attentiveness is always able to discover the counsel of rebellion among the people and to smother it in its origin, how does it happen then that the Lord Commander Sluijsken failed to discover the rebellion in the Matara Dessavony? After all, the supervision over the Dessavony constitutes a principal part of his office, and he held it for fully four months before the eruption of the rebellion, and thus had enough time for its discovery. §. 113. No one, however, will accuse all previous Dessaves under whose administration a rebellion arose, and much less Lord Sluijsken under whom the Chalias revolted, of ignorance or inattention in the service; and thus it appears that the entire argument proves too much, and consequently proves nothing. § 114. The second proof of my ignorance the Lord Commander places in this: That I intended to populate a remote wilderness like Baddegieren, whereas in the [illegible] a reasonable attentiveness [illegible] 5016. Honorable did not desire my removal, but on the contrary was set upon my staying, and the Lord Commander had these documents in hand, one must assume that, in composing his complaint, he overlooked this circumstance, because otherwise the equity and justice of a Ruler would have required him to cite this, which served so greatly to my exculpation, just as well as was done regarding the accusation against me. § 129. It also seems to have escaped the memory of the Lord Commander that the people [illegible] 5014 in the surrounding and adjacent lands there was still enough to be done, which might well have been carried out beforehand. §. 115. Whether my proposal made for the restoration of the neglected and dilapidated sowing fields, and the accompanying demonstration of the means serviceable thereto in the Mahampattoe, were made out of ignorance or rather with expertise, may be judged by those who have properly examined my detailed Memorial of August 31, 1789, submitted thereon to the Lord Commander and Council of Galle. § 116. It does not behove me to decide this question, but let me be permitted to allege against it: 1st/ that the aforementioned memorial was sent to the Lord Commander and Council of Galle of that time, and was examined and approved by that assembly, as well as favorably presented to Your Right Honorable. 2nd/ that Your Right Honorable—after it, with the enclosures, was circulated among the Honorable Members and thus after mature consideration—also approved it and recommended the execution thereof. 3rd/ that Lord Sluijsken, being present here at that time as the elected Commander of Galle, had this memorial at his house for reading before it served in the assembly, and had enough time to examine and study it, to which he was all the sooner obliged since it contained a project that was to be executed in his command; and that His Honor not only attended the assembly of September 19, 1789, when it was deliberated upon, but also the first [illegible] of Your Honor secret letter [illegible] shall clearly [illegible] of favorable the same in Your Right Honorable Governor [illegible] 5040 of Honorable Sir! [illegible] with this Council. [illegible] letter

Dutch transcription

5016. Achtbaaren Heer! verwijdering niet begeerde, maar integendeel op mijn verblijf gesteld was en de Hier kommandeur deese stukken in handen had, zoo moet men veron„ derstellen, dat hij bij het zamen stetten zijner klagte deese omstandigheid over het hoofd gezien heeft, wijl anders de bellijkheid en rechtvaardig„ heid van een Gebieder vereischt zouden hebben, deselve die ter mijner ontschuldiging zoo zeer „ te uit te allegieren, als omtrend de dige mij bij deesen uwelEd: Groot agtb:, onder weeker bestier ik mijn ampt bekleedt hebbe, eerbie„ dig te versoeken, mij nopens mijne ampts betrag„ „ting, ier vlijt en trouwe, mitsgaders nopens mijn kelijke defentie inea geheel„ Hoog Edele Regeerinig van Jndien en bij de bij de „ Edele Hoog agtb: Heeren Majores in nederland zodanig getuijgenis te geeven, als hoogst deselven in gemoede bevinden zullen te behooren. §: 108: Dog de Heer Commandeur brengt bewijsen van mij„ ne onkunde of onbesonnenheid ter baen, die dus een kort examen verdienen. §. 109. Het eerste arngement bestaat volgens 3: 2. daar en dat ik bij genoegzaame kundigheijd of oplet„ tendheijd zoude geweeten hebben, hoe het en het bin„ neuste van het land gesteld was, dat ik dit weetende had kunnen zoogen, dat de inge„ seeteren, behoorlijk behandeld wijrden, wanneer geen zo groote misnoegheid bij het voek zoude hebben kunnen resideeren, zonder dat ik voor dies uitbraeke daar van onderigt geweest woore. 4: 110: Dit bewijs is applikabel op alle Landaegenten; onder welker besteer een opstand ontstaan is, op welker kundigheijd en oplettendheijd niets te zeggen veel, en die echter het disaggre„ ment smaakten dat onder hun besteer het volk aan hunne zorge toevertrouwd tot aproer oversloeg harte secreete brief en en zal duijde„ n van gunstige ^dezelve in uwel Edele Gestren„ gouverneur 3: 111 van 5013. Raad. met dies aaff 5010 E Agtbaare ek van VE te Creete brief „handeld had waar over vrouwen en kinderen bi hem geklaegd hadden, dat hunne bloed ^ ver door mishandeling waar om 't leeven gekoomen. §. 97. Wier teegen merke ik aan in de eerste plaets dat de Heer kommandelik zelve zegd: dat dit eene boos„ aardige beschuldiging zijn zoude, waar in ik hem niet wil teegespreeken, §. a8. Doeh wijl deze beschuldiging niet te minvraagen der win §. 111. Dat bewijs is applikabel op den Heer Commandeur sluijs„ ken zelve als kanneel Capitain, die na reets twee lands„ diensten bekleed te hebben in het Jaar 1777: het dis aggrement smaakte dat de sij allias onder zijn bestier revolteerden §112. wijders indien het vast gaat, dat de geene, die genoeg„ zaam Landkuude en oplettendheid bezit, altijd in staat is, het raad van opvoer onder het voek te ontdekken en in zijne opkomst te smooren hoe komt het dan, dat de Heer Commandeur sluijsken den opvoer inde matureesche Dessavonije net leedig ontdekt heeft Jmmers maekt het toezigt over de dissaronije eene voornaamstuk van zijn ampt uit en hij heeft het zelve ruim vier„ maanden voor 't uijtbaasten van het oproer bekleet en dus tot dies ontdekking teids genoeg gehad. 1. 113. Niemand zal egter alle voorige Dessaves, onder welker bestier een oproer ontstaan is, en nog veel minder den Heer sluijsken onder wien de sjallias gerefloteerd hebben van onkunde of on„ achtzaamheijd in den dienst beschuldigen en dus blijkt dat het heele aagument te„ veel en bij gevolg niets bewijst § 114. Het tweede bewijs van mijne onkunde steld de Heer Commandeur daar in Dat ik eene veraf geleegene woesteijne als Baddegierien meende te bevoek planten, daar in de eene billijke oplettendheid Com 5016. Agtbaare verwijdering niet begeerde, maar integendeel op mijn verblijk gesteld was en de Hier kommandeur deese stukken in handen had, zoo moet men veron„ derstellen, dat hij bij het zamen stellen zijner klagte deese omstandigheid over het hoofd gezien heeft, wijl anders de bellijkheid en rechtvaardig„ heid van een Gebieder vereischt zouden hebben, deselve die ter mijner ontschuldiging zoo zeer diende, zoo wel te allegeeren, als omtrend de beschuldiging tegen mij geschied is —. § 129. ook schijnt het den Heer kommandeur in't het geheugen geraakt te zijn, dat de volkere „ „ make aannehadde battoe en 5014 om= en bijleggende landen nog genoeg te doen viel, het welk wel voor af had moogen verrigt worden. S. . 115. of mijn gedane voorslag tot het herstellen vande verwaar„ loofde en vervallene zaaivelden ende bijgevoegde aanwijzing der daar toe dienstige middelen inde Mahampattoe, uit onkunde, dan wel met kundigheid gedaan zijn moo„ gen de geenen beoordeelen die mijne omstandige Memorie vanden 31. aug=s 1789. daar over aan den Heer kommandeur en Raad van Gale ingediend behoor„ lijk onderzogt hebben. § 116. Mij voegd het niet deeze vraag te beslissen, dog het zij mij geoorloofd daar teegen te allegeeven. 1:e/ dat voorm: memorie aan den heer kommandeur en raad van Gale vandien tijd gesonden, en door die vergadering geexamineerd en goedgekeurd, mitsgaders aan uwel Edele Groot Agtb: gunstig voor gedraagen is. 2. / dat uwel Edele Gooot Achtb: dezelve / na dat ze met de bijlaagen onder de Heeren Leeden wondgeleesen was en dus :/ na rijpe overweeging meede goedgekeurt ende uit„ voering daar van aanbevoolen hebben. 3. e / dat de heer sluijsken. dier teids als geeligeerd komman„ deur van Gale hier present zijnde dese memorie voor dat zij in vergadering diende ter lekture aan zijn huis, en teids genoeg gehad heeft deselve te onderzoeken, en te besludeeren, waartoe hij te eerder verplicht was, wijl dezelve een ontwerp behelsde het geen in zijn kommandement zoude uitgevoerd wor„ den, en dat zijn Achtb: niet alleen de vergadering van den 19. September 1789. wanneer daar over gewoond gebesoigneerd werd, bijgd, maar ook de eerste van VE: te Creete harte secreete brief Een en zal duijde„ n van gunstige dezelve in uwel Edele Gestren„ gouverneur 5040 van Achtbaare Heer! aaff met dees Raad. lk. brief

NL-HaNA_1.04.02_3891_0652 view scan ↗

English

§ 117. had acted, about which women and children had complained to him that their blood relatives had perished through mistreatment. § 97. Against this I note in the first place that the Lord Commander himself says that this would be a malicious accusation, in which I do not wish to contradict him. § 98. But since this accusation nevertheless [illegible] § 111. That proof is applicable to the Lord Commander Sluijsken, who gave his advice and vote on everything and approved the memorial without reservation, and I believe I may derive from this public and official approval a very emphatic argument in my favor and toward the refutation of the ignorance attributed to me. Yet I go further: Commander Sluijsken arrived as Commander at Gale fully four months before the expedition to Baddegierie was to be undertaken; he was fully informed of this plan. If he knew, therefore, that this enterprise was not well-considered, that it proceeded from ignorance, that it tended to the detriment of the service, that harmful consequences could arise from it—in a word, if he had any reasons to disapprove of that undertaking—he would have been obliged by virtue of his oath and office to suspend that expedition, and meanwhile to present to Your Right Honourable Excellencies the harm which he foresaw therein. Concerning the addition by the Lord Commander that there was still plenty to do in the surrounding lands, I take the liberty to declare further that in the Dissavony of Mature, which I nevertheless diligently traveled and attentively examined, no region— § 118. [illegible] 5016. did not desire my removal, but on the contrary was attached to my stay, and the Lord Commander had these documents in hand, one must assume that in compiling his complaint he overlooked this circumstance; for otherwise the fairness and justice of a ruler would have required him to cite what served so much toward my exoneration just as well as was done regarding the accusation against me. § 129. It also appears to have escaped the memory of the Lord Commander that the peoples of the [illegible] Girreway Pattoe and 5015. I know of no region where such substantial improvements could be made, with so much prospect of profits for the Company and at such low costs, as in the Mahampattoe, where the first beginnings of my labor, which at that time could only be limited to the clearing of some old sowing fields, have already been blessed with 5812 parras of paddy, whereas the annual revenues before that time barely amounted to 500 parras, as I have already had the honor to demonstrate previously and to prove with extracts from the lease rolls. § 119. It is further alleged as a proof against me that the discontented declared more than once that they would not return to peace and to Commander Sluijsken before I had departed from Mature. § 120. According to the much-honored Government letter of 17 September last, Commander Sluijsken was written to: That it had nowhere appeared to Your Right Honourable Excellencies that this declaration had been made in such a manner that one could, with sufficient reason, attribute it to the bulk of the populace. § 121. In reply to this missive, Commander Sluijsken says in § 14 of the separate secret letter of 20 October: [illegible] Honourable Noble Valiant Lord Governor and Honourable Council! [illegible] that these declarations appeared to him more than once in such a manner that he had to attribute them to the general public. § 122. I do not wish to deny that here and there among the mutineers the removal of my person was spoken of. I have already demonstrated this at length in a memorial dated 15 June 1790, in which the causes of the continuation of the revolt were indicated, and therein openly stated everything that took place in that regard to my knowledge. I attach a copy of this Memorial under the annexes hereof under No. 8 herewith, behind which is annexed the ola letter from the lesser headmen of the Belligamkoale and the accompanying report from the deliverers thereof, as well as the report of the Mudaliyar of Ilangakoon regarding his discontinued journey to the Kandebadde Pattoe; since these documents are spoken of in that memorial and no copies of them were attached to the original, because the Honourable Fretsz and Samlant, to whom it was addressed, were aware of the first two documents and the third document was only delivered to me after the submission of the memorial. § 123. Yet because evidence appears in that Memorial and letter that a part of the people did not desire my removal—

Dutch transcription

§ 117. „handeld had waar over vrouwen en kinderen d hem geklaegd hadden, dat hunne bloed oer riqu door mishandeling waar om 't leeven gekoomen. §. 97. Hier teegen merke ik aan in de eerste plaets dat de Heer kommandelik zelve zegd: dat dit eene boos„ aardige beschuldiging zijn zoude, waar in ik hem niet wil teegen spreeken, §. 98. Doeh wijl deze beschuldiging niet te minvraagen der win §. 111. Dat bewijs is applikabel op den Heer Commandeur Sluijs „ „ „ van allen zijnadlis en vctum gegeeven mitsgaders de memorie zonder reserve geapprobeerd heeft en ik meene van deese opentlijke en afficieele goedkeu„ ring een zeer nadruk-lijk argument ten mijnen voordeele en tot weeder legging van de mij toegeschree„ vene onkunde te moogen afleeden. Dog ik gae verder; De Heer sluijsken quam als kommandeur te Gale, wel vier maanden, voor dat de tocht naar Baddegierie zoude onder„ noomen worden, hij was van dit ontwerp vol„ koomen onderuicht; wist hij derhalven, dat deese onderneeming niet wel overlegd was, dat ze uit onkunde geschiede, dat ze tot nadeel van den dienst strekte, dat en schaadelijke gevolgen uit konde voortkoomen, met een woord had hij eenige reedenen die onderneeming aftekeuren, zoo was hij eeds - en ampts-halve verpligt geweest, dien tocht te stuaken, en inmiddels het nadeel, het welk hij daar in voorzag, aan uwel Edele Groot Achtb: voor te stellen. omtrend het bijvoegzel vanden heer kommandeur dat in de om en=bij- liggende landen nog ge„ nog te doen viel. Gebruike ik nog de vrijheidt te verklaaren dat ik in de Dessavonij van Mature, die ik echter vlij„ tig bereeft en met oplettendheid onderzogt heb, geen §118. landstreek ch I „ 5016. verwijdering niet begeerde, maar integendeel op mijn verblijk gesteld was en de Hier kommandeur deese stukken in handen had, zoo moet men veron„ derstellen, dat hij bij het zamen stellen zijner klagte deese omstandigheid over het hoofd gezien heeft, wijl anders de bellijkheid en rechtvaardig„ heid van een Gebieder vereischt zouden hebben, deselve die ter mijner ontschuldiging zoo zeer diende, zoo wel te allegeeren, als omtrend de beschuldiging tegen mij geschied is —. § 129. ook schijnt het den Heer kommandeur in't het geheugen geraakt te zijn, dat de volkere ithireerehe Erannebadde pattoe en 5015. landstreek kennen, daar zulke aanzienlijke verbee„ teringen, met zoo veel voor uitzicht van winsten voor de komp=e en met zoo geringe kosten, zoulen kunnen gemaakt worden, als in de Mahampat„ toe waar de eerste beginselen van mijnen arbeid, die zig toen, nog maar alleen tot het zuiveren van eenige oude zaaivelden koft bepaelen, reets met 5812. parras nelie zijn gezeegend geweest, insteede dat de Jaarlijkse inkomsten voor dien teid naauwlijx 500: parras bedraegen hebben, zoo als ik reets de eere gehad heb, hier voor„ waards aantetoonen, en met extrakten uit de verpachtings rollen tebewijzen. § 119. Noch word als een bewijs teegen mij geallegeerd dat de misnoegden meer als een verklaard heb„ ben niet eerder tot rust en bij den heer sluijs„ ken te sullen koomen voor dat ik van Matire zoulle vertrokken zijn N120. volgens veel ge-eerde Reeginings brief van den 17=e 7ber: J„o leeden is den Heer Huijsken aange„ schreeven. Dat 't uwel Ed: Groot Achtb: nergens voorgekoomen was, dat deese verklaaring gedaan was op eene wijze, dat men die met genoegzaame grond kon stellen op reekening van het gros van het volk: §121. Jn antwoord op deese aanschrijving zegd de Heer Htuijsken bij §. 14. aparte fecrete van den 20. oktober: van VE: tesreete parte secreete brief ten en zal duide n van gunstige ^dezelve in uwel Edele Gestren„ gouverneur 50 48 dat Achtbaare Heer! aaff met dees Raad. Agtbaare ek brief „handeld had waar over vrouwen en kinderen de hem geklaegd hadden, dat hunne bloed oer vrigu door mishandeling waar om 't leeven gekoomen. §. 97. Heer teegen merke ik aan in de eerste plaets dat de Heer kommandelik zelve zegd: dat dit eene boos„ aardige beschuldiging zijn zoude, waar in ik hem niet wil teege spreeken, §: 28. Doeh wijl deze beschuediging niet te minvraagen derwin §. 111. Dat bewijs is applikabel op den Heer Commandeur sluijs„ „ 1 „ 7 Dat deeze verklaaringen hem meer als eens voorge„ koomen zijn, op eene wijse, dat hij ze stellen moest op reekening van het algemeen. 122: Jk begeere niet te ontkonnen, dat hier en daar onder de muijtelingen vande verwijdering van mijn persoon gesprooken is. Jk„ dit reets bij eene memorie de dato 15. Junij 1790. waar bij de oorsaeken van de voortduuring van de revolte aangeweesen zijn, in het breede vertoond, en daar bij alles wat daaromtrend met mijn voorweeten plaats gevonden heeft, onbewimpeld opgeeven. ik voege een kopij van deese Memorie onder de beijlaegen deeses sub: N=o 8. hiernevens, waar agter geannoxeerd tevinden is de brief ola vande min„ dere hoofden van de Belligamkoale en het daar bij behoorend Rapport vande overbrengers der„ zelve als - ook het rapport van den Modliaan of langakoon weegens zijne gestaakte reise na de kandebadde pattoe, alsoo van deese stuk„ ken bij die memorie gesprooken word en waar van geene kopijen bij het origineel gevoegd zijn, wijl de E:s Fretsz en Samlant aan welken ze ge„ rigt was, vande twee eerste stukken kennis hadden en het derde stuk eerst na het overgeeven van„ de memorie aan mij besorgd is geworden §. 123. Dan dewijl bij die Memorie en brief bewijzen voor„ komen, dat een gedeelte van het volk mijne verwijdering ch „ „

NL-HaNA_1.04.02_3891_0655 view scan ↗

English

Honorable Sir! did not desire my removal, but on the contrary was set upon my staying, and the Commander held these documents in his hands, one must assume that in drafting his complaint he overlooked this circumstance, since otherwise the equity and justice of a Ruler would have required that those things which served so greatly to my exoneration should have been alleged just as well as what was done regarding the accusation against me. § 124. It also seems to have slipped the Commander's memory that during the revolt the people of the Matara Gangaboda Pattu and Weligam Pattu, the Baygams, and the Four Gravets appeared before me, for otherwise his Honor would not have failed to make known this notable circumstance—by which the pretense that the displeasure against me had to be blamed on the common people is most clearly refuted by the speaking actions of the people themselves—as my fair excuse, all the more since his Honor himself declares at D. 14 what I have said in particular about the paddy revenues fully proves that the headmen have, taken on the whole, fulfilled their duties and that I therefore had every reason to treat these headmen with friendliness. § 143. I could here, without exceeding the bounds of discretion, add further and more specific indications, both regarding the work of the plantations and of my actions concerning a large quantity [illegible] of Your Most Honorable [illegible] private secret letter [illegible] and will clearly [illegible] of favorable [illegible] the same in [illegible] Governor [illegible] with this [illegible] Council. 50 40 Honorable [illegible] letter readily to believe that ill-disposed persons played their part in this. § 125. But how the Commander could or dared to allege the decision of Your Most Honorable Lordship to have me come up to Colombo as a proof of his assertion that the displeasure against me had been general is quite incomprehensible, since Your Most Honorable Lordship himself declared in the letter written to the Honorable Commissioners on 21 June last, that my transfer did not take place because anything to my debit had occurred to Your Most Honorable Lordship in my administration, but solely upon the assumption of the possibility that the chief leaders of the insurrection might at times have a secret fear that their many and far-reaching outrages, even if forgiven, would be less forgotten by a Dissave under whose eyes they were committed than by a new Dissave to whom their persons are less known, and who was no eyewitness thereof, and thus to deprive them of even the appearance of to the Kandaboda Pattu, as these documents are mentioned in that memoir and of which no copies were attached to the original, because the Honorables Fretsz and Tamlant, to whom it was addressed, had knowledge of the first two documents, and the third document was delivered to me only after the submission of the memoir. § 123. Yet since in that Memoir and letter evidence appears that a portion of the people did not desire my removal, 5017 A126. any reason that might keep them back from returning to their duties. Now I should say a word or two about the three annexes which he produced with his separate secret letter of 20 October as so many proofs of this general desire of the people. § 127. The first two documents consist of two reports furnished by his emissaries, and the third is a translation of a Sinhalese letter provided with three illegible signatures and written, as it were, in the name of all the large and small inhabitants of the Matara Dissavony gathered together, to his Honor. § 128. From both the first reports themselves it appears that the informants mentioned therein went no further than Hakmana, and that consequently what they declare cannot in any way with fairness be charged to the account of the bulk of the people, but only—even assuming the truth of these reports to be entirely true—as the opinion of those few people who were together there at that time, as it is known, and what I have said in particular about the paddy revenues fully proves that the headmen have, taken on the whole, fulfilled their duties and that I therefore had every reason to treat these headmen with friendliness. § 143. I could here, without exceeding the bounds of discretion, add further and more specific indications, both regarding the work of the plantations and of my actions concerning a large quantity [illegible] private secret letter [illegible] and will clearly [illegible] of favorable [illegible] the same in [illegible] Your Most Honorable [illegible] of Your Honor to secret [illegible] Governor [illegible] further [illegible] Honorable Sir! [illegible] with this [illegible] Council. 5010 Honorable [illegible] letter

Dutch transcription

5016. Achtbaaren Heer! verwijdering niet begeerde, maar integendeel op mijn verblijk gesteld was en de Hier kommandeur deese stukken in handen had, zoo moet men veron„ derstellen, dat hij bij het zamen stetten zijner klagte deese omstandigheid over het hoofd gezien heeft, wijl anders de bellijkheid en rechtvaardig„ heid van een Gebieder vereischt zouden hebben, deselve die ter mijner ontschuldiging zoo zeer diende, zoo wel te allegeeren, als omtrend de beschuldiging tegen mij geschied is —. § 124. ook schijnt het den Heer kommandeur in't het geheugen geraakt te zijn, dat de volkere vande Matureische Gangeb addepattoe en welke baddepattoe, de Baijgams ende vier gravetten, staande het oproer voor mij ver„ scheenen zijn, want anders zoude zijn achtb: niet gemankeert hebben, deeze no„ tabele omstandigheid waar door het voor„ geeven: dat men het misnoegen teegen mij op ree„ kening van het gemeen moest stellen. op het duijdelijkste met spreekende daaden van het volk zelve wederlegd word tot mijne billijke verschooning mede bekend te stellen, alles te meer wijl zijn Achtb: bij D. 14. zelve verklaard. van de nelij inkomsten in 't bijz onder gesegd hebbe, bewijsen ten vollen, dat de hoofden aan hunne plig„ ten over 't geheel genoomen voldaan hebben en dat ik dus alle reedenen had om deese hoofden waet vriendelijkheid te behandelen §. 143. jk zoude hier zonder de paalen van Distrcetsie te buij„ ten tegaan meerdere en nadere aanwijsing kunnen voegen, zoo omtrent het werk der plantagien, als van mijne verrigtingen nopens een groote hoevielheid van VE: tesreete uwel Edele Gestren„ parte secreete brief en en zal duijde„ n van gunstige dezelve in wel gouverneur pel aaff met dees Raad. 50 40 Agtbaare k brief wel te willen gelooven, dat quaadgezinde kier onder hunne rol gespeld hebben. § 125. Maar hoe de Heer kommandeur het besluit van uwel Edele Groot Agtb: om mij naar kolombo telaaten opkoomen, heeft kunnen of durven allegeeren tot een bewijs van zijn voorgeeven. dat het misnoegen teegen mij algemeen ge„ weest zij, is vrij onbegrijpelijk, daar uwel Edele Groot Achtbaare zelve bij den brief aan E: gekommitteerden van den 21. Junij J„ E: ge„ schreeven verklaard hebben. dat mijne verplaatsing niet geschiede, om dat uw wel Edele groot Agtb: in mijn bestier iets ten mijnen laste was voorge„ koomen, maar alleen in veronderstelling van de moogelijkheid, dat de Hoofd beleiders van den opstand somtijds een geheime vrees konden hebben, dat kunnen veele en verregaa „de baldaadigheeden schoon vergeeven, minde zouden worden vergeeten bij een dessave onder wiens oog zij zijn gepleegt, dan bij een nieuwe dessave bij wien hunne persoo„ nen minder zijn bekend, en daar van geen oog=getuijgen geweest is, en om mits dien aan deselve te benemen, zelfs den schein van na de kandebadde pattoe, alsoo van deese stuk„ ken bij die memorie gesprooken word en waar van geene kopijen bij het origineel gevoegd zijn, wijl de E:s Fretsz en Tamlant aan welken ze ge„ ruigt was, vande twee eerste stukken kennis hadden en het derde stuk eerst na het overgeeven van„ de memorie aan mij besorgd is geworden §.:. 123. Dan dewijl bij die Memorie en brief bewijzen voor„ komen, dat een gedeelte van het volk mijne oenuroort wegoo op eenige verwijdering 5017 A126. eenige reeden, die hun zoude kunnen terug houden om weder tot hunne plichten te keeren. Thans diene ik nog een woord of wat te zegge„ van de drie bijlaagen, die hij bij zijnen appar„ ten sekreete van den 20. oktober als zoo veele bewijzen van deese algemeene begeerte van het volk geproduceerd heebt. § 127. de twee eerste stukken bestaan in twee Relaea„ sen door zijne uitzendelingen verleend en de derde is een translaat singaleese brief old met drie onleesbaare handteekeningen voorsien en als het waare uit naam van alle de groote en kleene tesaamen vergaderde Jnwoonders van de matureesche dessavonij aan zijn Achtb: geschreeven. §. 128. uit de beide eerste relaasen zelve blijkt, dat de relatanten daar bij vermeld, niet verder geweest zijn, dan op Hteekman, en dat bij gevolg het geen zij verklaaren, geen zints met billijkheid kan gesteld worden, op reekening van het gros van het volk, maar alleen /: de waarheid van deese relaasen ten vollen aangenoomen zijnde :/ als het gevoelen van die weinige menschen die aldaar toen bij den anderen geweest zijn alsoo het bekend is, en van de nelij inkomsten in 't bijzonder gesegd hebbe, bewijsen ten vollen, dat de hoofden aan hunne plig„ ten over 't geheel genoomen voldaan hebben en dat ik dus alle reedenen had om deese hoofden wet vriendelijkheid te behandelen §. 143. jk zoude hier zonder de paalen van Distrcetsie te buij„ ten tegaan meerdrre en nadere aanwijsing kunnen voegen, zoo omtrent het werk der plantagien, als van mijne verrigtingen nopens een groote hoevielheid parte secreete brief en en zal duijde„ n van gunstige ^dezelve in uwel Edele Gestren„ van VE te sreete gouverneur nader pel Achtbaare, Heer! aaff met dees Raad. 5010 Agtbaare lk brief

NL-HaNA_1.04.02_3891_0658 view scan ↗

English

§. 130. it further appears from §. 43. of the secret report that when Mr. Cuijcken arrived at Mature, the peoples of the various provinces kept to their own districts. §. 129. The third document is an anonymous writing stamped with three illegible characters, of which no one knows how it came into the world, which therefore, against a man of blameless conduct who holds a public character, can serve as no accusation. Regarding the two accounts, I merely observe that the narrators are dependents of those whom Mr. Sluijsken himself declares to be my enemies. Of greater weight, I hope, will be found in this matter the translated reports and letter-packets that were sent hither in succession from Gale by letters of 13, 17, and 24 December of the past year, as well as 6 and 12 January of this current year, to the number of 15 pieces, in which the inhabitants of the Mature Gangaboda and Weligam Korale, the lordship of Belligam, the collective jandoses and fishermen, the inhabitants of the Four Gravets, of the Adigar and of the wood-hauling service, as well as the most prominent chiefs of the people, the collective craftsmen, the washers, to the Kandebodapattu, as these documents are mentioned in that memorial and of which no copies were attached to the original, because Messrs. Frietsz and Tamlant, to whom it was addressed, had knowledge of the first two documents, and the third document was only delivered to me after the submission of the memorial. §. 123. But since evidence appears in that memorial and letter that a portion of the people my removal Honorable Sir! washers and smiths of the kottal and the Wellebadda, the laborers of the fortification works, and the chief and the lesser chiefs of Morrua Corle, not only praise my administration in every respect, but also express their desire that I might anew be appointed as their chief and resume my post as dissava of Mature. §. 131. To the accusation that I had placed too great a trust in some native chiefs, of whom in §. 182 are named the mudaliyars Jinnekoon, Goenaratna, and of the Wellebadde Pattu, and had associated too familiarly with them, as well as that I had not always employed the first interpreter, the mudaliyar Pangakoon, I shall briefly observe the following. §. 132. The mudaliyar Goenaratna was known to me as a drunkard, though otherwise as a person who treated his subordinates well. The mudaliyar Jinnekoon is too wealthy to draw from him those services that his abilities, which are very great for a native, would otherwise allow; his riches make him lazy, and he must constantly be encouraged to his duties. But the mudaliyar of the Wellebadde Pattu promises to be a perfect chief, and during his short administration of a few months has given me much satisfaction, as he is untiring and knows no arrogance; yet his abilities had by no means reached such maturity that one could place any other trust in him than that he executed what was commanded of him with zeal and promptness. §. 133. From this assessment of the said chiefs, everyone will naturally be able to understand that concerning them, no more than ordinary trust could have taken place. That trust which Mr. Sluijsken disapproves of, I placed solely in the mudaliyar De Saram and in the second interpreter Mohandiram, concerning which two persons I expressed myself at length in my secret letter from Mature to Gale, dated 24 April, to be found under No. 9 among the annexes hereof. §. 134. And although the mudaliyar De Saram is accused of being one of the main causes of the latest revolt that arose, I must nevertheless still testify that he is a man among the natives of extraordinary merits, who from the very beginning that I took the administration of the Mature [illegible] to the Kandebodapattu, as these documents are mentioned in that memorial and of which no copies were attached to the original, because Messrs. Frietsz and Tamlant, to whom it was addressed, had knowledge of the first two documents, and the third document was only delivered to me after the submission of the memorial. §. 123. But since evidence appears in that memorial and letter that a portion of the people my removal as I have specifically stated regarding the paddy revenues, fully prove that the chiefs, taken on the whole, have fulfilled their duties, and that I thus had every reason to treat these chiefs with friendliness. §. 143. I could here, without overstepping the bounds of discretion, add further and closer indications, both regarding the work of the plantations and of my actions concerning a large quantity [illegible] of Your Right Honorable to create your Right Honorable and Respected private secret letters and will clearly of favorable the same in governor a Council. Honorable letter.

Dutch transcription

§. 130. nader komt te blijken uit het §. 43. van het goheim rapport, dat toen de Heer Cuijcken op Mature quam de volkeren van de onderscheide pro vintsien zig in hunne eigene destrikten opheilden §. 129. . - . Het, derde produkt is een naamloos met drie onlee„ baare karakters destempeld geschreft, waar van men niet weet, hoe het inde wereld gekoomen is, het welk dus teegen een man van een onbesprooken gedrag en die een publiek narakter bekleed, tot geene beschuldiging kan strekken. Nopens de twee relaasen merke ik eenlijk aan, dat de relatanten afhangelingen zijn van hun, die de heer Hluijsken zelfs verklaard mijne vijanden te weesen. van meer gewigt hoope ik dat ten deesen zullen bevonden worden de Translaat rapporten in brief olassen die successive van Gale bij brieven van den 13. 17. in 24. december A:o pass=o mitsgaders 6. en 12. Januarij J„o leeden ten getallen van 15. stux herwaards gesonden zijn, waar bij de In„ woonders van de Matureesche Gange en welle„ badda pattoe Buijgams, de heerleekheid van Belligam, de Gesamentlijke Jjandos en visfens, de inwoonders van de vier gravetten, van de Adiganij en van den Houtsleep, als meede de aansien lijkste hoofden des volks, de gesamentlijke ambagtstieden, de was, na de kandebadde pattoe, alsoo van deese stuk„ ken bij die memorie gesprooken word en waar van geene kopijen bij het origineel gevoegd zijn, wijl de E:s Frietsz en Tamlant aan welken ze ge„ rigt was, vande twee eerste stukken kennis hadden en het derde stuk eerst na het overgeeven van„ de memorie aan mij besorgd is geworden §.:. 123. Dan dewijl bij die Memorie en brief bewijzen voor„ komen, dat een gedeelte van het volk mijne genganoort vego sens verwijdering 5018. Achtbaaren Heer! sers en Smeeden van de kottal= en de wallebadda, de Aaindes van de fortifikatie werken, en het hoofd en de mindere hoofden van MorruaCoale, niet alleen mijn bestier alzints prijsen, maar ook hun verlangen daar stellen, dat ik op nieuw tot hun hoofd mogte worden aangesteld en mijn post als dessave van mature herneemen. §: 131: op de beschuldiging dat ik een al te Grot ver„ trouwen. op eenige inlandsche hoofden, waarvan bij §. 182. genoemd worden de Mobliaaas Jinne„ koon goenaratna en van de welle badde pattoe ge„ steld had en te familiaar met henlieden omge„ gaan was, als meede dat den eersten Jolk den Modliaan Pangakoon, niet altoos g'emloijeerd had, zal ik kort het volgende aanmerken. §132. De Modliaar Goenevetna was bij mijbekent voor een doonkaart, hoewel anders voor een mensch die zijne ondergeschikte wel behandelde, de Modliaar Jinnekoo is te rijk, om van hem die diensten te trekken, die anders zijne kun„ digheeden, die voor een inlander zeer groot zijn, zouden toelaaten, zijne rijkdommen maa„ ken hem luij en hij moet gestaadig tot zijne pligten aangemoedigt worden. Dog de mod„ liaar van de wellebadde pattoe belooft zeeker van de nelij inkomsten in 't bijzonder gesegd hebbe, bewijsen te vollen, dat de hoofden aan hunne plig„ ten over 't geheel genoomen voldaan hebben en dat ik dus alle reedenen had om deese hoofden wet vriendelijkheid te behandelen §: 143. jk zoude hier zonder de paalen van Distrcetsie te buij„ ten tegaan meerdere en nadere aanwijsing kunnen voegen, zoo omtrent het werk der plantagien, als van mijne verrigtingen nopens een groote hoevielheid van VE: te Creete uwel Edele Gestren„ parte secreetse brief fen en zal duide„ n van gunstige dezelve in gouverneur een pel aaff: met dees Raad. 5040 E Agtbaare ek. 20 brief een volmaakt hooft en heeft in zijn koot de„ stier van weijnige maanden mij veel genoe„ gen gegeeven, alsoo hij onvermoed is en geene troisheid kend, dog zijne geschiktheeden waaren geenzints nog tot die rijpheid gekoomen, dat men in hem eenig ander vertrouwen konde stellen, dan dat hij dat, wat men hem ge„ bood met iever en paomtheid uitvoerde §: 133. uit deese schats van gem: Hoofden zal een ieder natuurlijk konnen beguijpen, dat omtrend hun geen meer dan een gewoon ver„ trouwen heeft plaats konnen hebben - Dat vertrouwen, 't welk de Heer sluijsken mis„ billijkt, heb ik alleen gesteld en den Modli„ aan De saaam en in den tweeden Joek Mohandiram, over welke twee menschen ik mij in het breede hebbe verklaard bij mijn secreeten brief van Mature na Gale in dato den 24. april, tevinden onder N:o 9. bij de bij lagen deeses §134. En of schoon de Modliaar De saram als een van de hoofd oorzaaken van de laaste ontstaan revolte beschuldig word, zoo moet ik des niet temen als nog betuigen, dat hij een man onder den inlander es van bij zondere verdiensten die van den beginne of aan dat ik 't bestier van de Matureesche gevongamen na de kandebadde pattoe, alsoo van deese stuk„ ken bij die memorie gesprooken word en waar van geene kopijen bij het origineel gevoegd zijn, wijl de E:s Frietsz en Tamlant aan welken ze ge„ rigt was, vande twee eerste stukken kennis hadden en het derde stuk eerst na het overgeeven van„ de memorie aan mij besorgd is geworden §.:. 123. Dan dewijl bij die Memorie en brief bewijzen voor„ komen, dat een gedeelte van het volk mijne verwijdering

NL-HaNA_1.04.02_3891_0661 view scan ↗

English

5019. Matara dissavany have taken over, both through his conduct and through his zeal and the good order that he maintained among his subordinates, has earned esteem. Section 135. It is also thanks to his help and zeal that I have succeeded so happily in my efforts to bring the entire dissavany, which had fallen into poverty, to a peak of prosperity and fortune that it has never known before, to which may testify the revenues of the paddy crop since my arrival in Matara compared with those of earlier years: the highest that they have ever yielded, as far as the books reach, was 63582:1/4 parras in the book year 177.3/4, and in the last year of my administration they amounted to 102630:1/2 parras, thus 39048:1/4 parras more than ever before. Section 136. This indication alone may serve as proof whether this Mudaliyar was worthy of my trust or not, and whether I succeeded poorly in my choice by choosing this man above others to consult with him about the Company's and the people's interests, in which, and indeed in nothing else, my trust consisted. what I have said above about the paddy revenues in particular fully proves that the chiefs on the whole fulfilled their duties, and that I therefore had every reason to treat these chiefs with friendliness. Section 143. I could, without overstepping the bounds of discretion, add further and more detailed indications here, both regarding the work of the plantations and of my actions concerning a large quantity of Your Honor's secret Right Honorable private secret letter One and will clearly of favorable the same in Section 137 governor Honorable Sir! 50 1/0 pel aaff with this Council. Honorable I 60 letter Section 137: what appears in Sections 184, 185, and 186 regarding the familiar interaction with the native chiefs is so obscure that one does not really know what should actually be understood by this familiar interaction with the native chiefs. Section 138: from what appears in Section 184, one would almost have to assume that this only refers to the freedom these chiefs had with me to speak with me in private. Section 139. For it is hardly possible that Mr. Sluysken would want or be able to accuse me of having maintained any private interaction or social gatherings with the chiefs, since it is certain that no dissava could ever have concerned himself less with them in this regard, since in my three-year administration I did not set foot in the house of any of the native chiefs, except only with the interpreter Mohandiram, on the occasion that he was very ill and wished to speak with me, and the native chiefs were also not received by me except once every year according to ancient custom. Section 140. How this conduct now deserves the name of a familiar interaction, and that through this behavior the chiefs have now become so familiar that they not only refrain from their customary marks of honor to persons of the first rank among the Europeans, but also seem to wish to make almost no distinction between their superiors, I confess to the Kandebadde Pattu, as these documents are mentioned in that memoir and of which no copies were attached to the original, because the Honorable Messrs. Fretsz and Tamlant, to whom it was addressed, had knowledge of the first two documents, and the third document was delivered to me only after the submission of the memoir. Section 123. But since in that memoir and letter evidence appears that a part of the people my mentioned is presented very removal 5824. 5020. to obtain instruction. subject would want to use to obtain the necessary Honorable Sir! Section 158. It further appears from the declaration of this aaff Segu himself, which is cited in the aforementioned resolution governor and is included among the annexes of this under No. 11, that he was ordered only a single time by with this the Commander in the beginning Council. of the unrest; or actually on April 17 very willingly not to understand. Section 141. For I have never had the slightest indication that the chiefs during my administration failed in any respect in the respect owed to me or others; the general and, I dare say without hesitation, the unusual zeal that these chiefs on the whole showed in the performance of their official duties during my administration is much more a striking proof of their awe for Section 142. By the resolution of August 21 of last year, Your Honorable Council was pleased to allow that a brief indication of the country's products and revenues during my administration, compared against what was received in earlier years, might be inserted. This indication alone and what I have said above about the paddy revenues in particular fully proves that the chiefs on the whole fulfilled their duties, and that I therefore had every reason to treat these chiefs with friendliness. Section 143. I could, without overstepping the bounds of discretion, add further and more detailed indications here, both regarding the work of the plantations and of my actions concerning a large quantity Your Honorable private secret letter and will clearly of favorable the same in 5040 pel me sche 40 of Your Honor's secret letter ek Honorable

Dutch transcription

5019. Matureesche dessavonij heb overgenoomen zoo door zijn gedaag als door zijnen iever ende goede order die hij onder zijne ondergeschikte bchield, hield, achting verdiend heeft. § 135. Aan zijne hulpe en iever heb ik het meede te„ danken dat ik zoo gelukkig geslaagd ben in mijne poogingen om de geheele in aamoede ver„ vallene Dessaronij tot een top van voorspoed en geluk te bringen die zij voor deese nimmer ge„ kend heeft, waarvan getuijgen mogen de in„ komsten van het nelg gewas zeedrrt mijne komste te mature met die van vroegere jaaren vergeleken: het hoogste wat deselven ooit opgebaagt hebben, zoo verre de boeken rijken is 63582:¼ parras geweest in het boek„ Jaar 177.¾ en in het laatste Jaar van wijn besteer hebben ze 102630:½ paara bedraagen dus 39048:¼. parra meer dan ooit bevoorens. §. 136: Deese aanwijsing alleen mag strekken, tot een bewijs of deese Modliaar mijn vertrouwen waar„ dig geweest is of niet, en of ik qualijk in mij„ ne keuse geslaagd ben, met deesen man bo„ ven anderen uittekiesen, om met hem over 'sComp:s en 'svolks belangen te raad pleegen, waar in en wel in niets anders mijn vertrou„ wen bestaan heeft. van de nelij inkomsten in 't bijzonder gesegd hebbe, bewijsen ten vollen, dat de hoofden aan hunne plig„ ten over 't geheel genoomen voldaan hebben en dat ik dus alle reedenen had om deese hoofden wet vriendelijkheid te behandelen §. 143. jk zoude hier zonder de paalen van Distrcetsie te buij„ ten tegaan meerdrre en nadere aanwijsing kunnen voegen, zoo omtrent het werk der plantagien, als van mijne verrigtingen nopens een groote hoevielheid van VE teCreete wel Edele Gestren„ parte secreete brief Een en zal duijde„ n van gunstige dezelve in 1. 137 gouverneur Achtbaaren Heer! 50 1/0 pel aaff met dees Raad. Agtbaare lk 60 brief 1: 137: wat vorkomt bij 1: 184: 185. en 186: van de facm„ liaarse ommegang met de inlandse hoofden is zoo duister dat men niet wel weet, wat eigentlijk door deese familiaaren ommegang der inlandscche hoofden moet worden verstaan. §138: uit het geen bij §: 184: voorkomt, zoude men„ bij na moeten veronderstellen, dat dit alleen ziet op de vrijheijd die deese hoofden bij mij hadden, om mij in 't partikulier te spreeken §. 139. want het is niet wel mogelijk dat de heer sluijsken mij zoude willen nog kunnen be„ schuldigen eenige partikuliere ommegang of geselschappen met de hoofden te hebben gehouden, alsoo het seeker is dat nimmer een dessave zig ten deesen minder met hun heeft kunnen bemoeijen, alsoo ik in mijn drie jaarig bestier bij geene van alle de inlandsche hoofden„ een voet aan huijs gezet heb, dan alleen bijde tolk Mohandiram, ter geleegendheijd hij zeer ziek was en mij wenste te spreeken ende inlandsche hoofden ook bij mij niet ontvangen zijn als alle jaar eens volgens al oud gebruijk §140: Hoedanig nu dit gedaag de naam verdiene van een familiaar ommegang en dat door dit gedrag de hoofden thans zoo familiaar geworden zijn dat ze niet alleen zig van hunne gewoone eerbewijsen aan percoonen van den eersten rang onder de europeesen onthouden, maar ook bij na geen onderscheijd tusschen hunne meerdere schijnen tewillen maaken bekenne ik na de kandebadde pattoe, alsoo van deese stuk„ ken bij die memorie gesprooken word en waar van geene kopijen bij het origineel gevoegd zijn, wijl de E:s Fretsz en Tamlant aan welken ze ge„ rigt was, vande twee eerste stukken kennis hadden en het derde stuk eerst na het overgeeven van„ de memorie aan mij besorgd is geworden §:. 123. Dan dewijl bij die Memorie en brief bewijzen voor komen, dat een gedeelte van het volk mijne gewooggen woort voorge zeer verwijdering 5824. 5020. onderricht te bekoomen. subject zoude willen bedienen om het noodige Achtbaaren Heer! § 158: Het blijkt verder uit de verklaering van deesen aaff segoe zelve, die bij evengem: resolutie galle- gouverneur geerd is, en onder de bijlaagen deeses sub N:o 11. — overgaat dat hij alleen een enkeld maal door met dees de Heer Kommandeur gelast is in den begin Raad. „ne der onlusten; of eigentlijk den 17. april zeer gaarne niet te beguijpen. §. 141. want ik heb nimmer de minste blijk gehad, dat de hoofden geduurende mijn bestier in eenige opzigten in het aan mij of anderen verschul„ digt respect gemankeerd hebben, de algemee„ ne en ik durve geruest zeggen de ongewoone iever, die deese hoofden over het geheel genoo„ men in hunne ampts verrigtingen geduurende mijn bestier, getoond hebben, is veel meer een spreekend bewijs van hen ontzag voor §142. Bij de resolutie van den 21. augustus J:o Leeden hebben uwelEdele Groot agtb: wel willen toe„ staan, dat eene korte aanwijsing van slands„ producten en inkomsten geduurende mijn be„ stier, vergeleeken tegens het geen in vroegere Jaaren is ingekoomen, mogt werden g'insereerd. Deese aanwijsing alleen en 't geene ik hier booven van de nelij inkomsten in 't bijzonder gesegd hebbe, bewijsen ten vollen, dat de hoofden aan hunne plig„ ten over 't geheel genoomen voldaan hebben en dat ik dus alle reedenen had om deese hoofden wet vriendelijkheid te behandelen §. 143. jk zoude hier zonder de paalen van Distrcetsie te buij„ ten tegaan meerdrre en nadere aanwijsing kunnen voegen, zoo omtrent het werk der plantagien, als van mijne verrigtingen nopens een groote hoevielheid uwel Edele Gestren„ parte secreete brief ren en zal duijde„ n van gunstige dezelve in 5040 pel mij sche 40 van VE teCreete brief ek Agtbaare

NL-HaNA_1.04.02_3891_0664 view scan ↗

English

Section 137. What appears under paragraphs 184, 185, and 186 concerning the familiar intercourse with the native chiefs is so obscure that one hardly knows what should actually be understood by this familiar intercourse with the native chiefs. Section 138. From what appears under paragraph 184, one would almost have to assume that this refers solely to the freedom which these chiefs had with me, the quantity of waste lands which I had made fit and cultivated during my administration, as well as the work on dams and watercourses to promote agriculture and various other matters. I believe, however, that the demonstration of the profits which the Matara Dissavony has yielded annually to the government since the arrival of the Honorable Governor Falck, which is annexed hereto under Number 18, and the indication of the products collected under my administration according to the resolution of 21 August, and there according to the disposition of Your Right Honorable Worship to be found on page 6 of the aforementioned secret report, will sufficiently defend me in this matter, as it appears therefrom that the years of my administration significantly surpassed all preceding ones, and will plead our case in the most undeniable manner, freeing us of any ignorance or negligence in the administration of the country. Section 144. Finally, it is also imputed to me as a failing in my administration that I did not sufficiently employ the first Joek and Mooliaaa glangakon in his office as Joek. Section 145. How the Commander could make this into a point of accusation is entirely incomprehensible to me, since His Honor knows my natural aversion to persons of a dissolute and debauched way of life so well and cannot possibly be unaware that pangakon is a drunkard, concerning which I appeal to all of Matara and Galle, where this is notorious, and further to Your Right Honorable Worship, to whom this must be known from general report, and in particular to the testimony of the fellow members, the Honorable Faetz, Raket, and Samlant, who will have experienced this sufficiently during their presence in the Dissavony. Section 146. I now come to the complaints of the Commander against me concerning slight regard and assumed mistrust of His Honor and the Council at Galle, regarding which I declare beforehand that I never had the intention to offend His Honor or to withdraw myself from due subordination, and that I sincerely regret that His Honor has taken several of my actions, entirely contrary to my intention, as evidence of contempt, mistrust, and disobedience. Section 147. And since I already, at the session of 12 August last, put forward the most necessary points for my defense regarding the particular cases where according to His Honor's opinion I had failed, I shall answer them here with the greatest possible brevity. Section 148. The first accusation is why I declined a commission from the Galle Council. And my answer to this is because the Commander had left it to my choice whether I wanted to have that commission or not; the extract from the letter of the Commander of 18 April 1790 proves this fully with these words: If Your Honor, however, does not find it advisable the means of going in person to the mutineers or indeed necessary that I shall send a command, or else according to the custom of former days a couple of members of the Galle Council to quiet the mutineers and hear their complaints, then write to me with the utmost speed and I will come to your assistance in the best manner. Section 149. Could I therefore think that the Commander would take it ill of me, let alone reckon it as a fault, that I courteously declined it in my reply, which was dispatched that very same day, the more so because I communicated to His Honor the reasons why I declined it and requested a commission from Colombo.

Dutch transcription

4. 137: wat vorkomt bij 4: 184: 185: en 186: van de facm„ liaare ommegang met de inlandse hoofden is zoo duister dat men niet wel weet, wat eigentlijk door deese familiaaren ommegang der inlandsche hoofden moet worden verstaan. §138: uit het geen bij 5: 184: voorkomt, zoude men„ bij na moeten veronderstellen, dat dit alleen ziet op de vrijheijd, die deese hoofden bij mij hadden, hoeveelheid van woeste landen die ik geduurende mijn bestier heb laaten bekwaam maak en be„ bouwen als mede 't werk omtrent dammen en waterleijdinge ter bevordering vanden lande„ bouw en meer andere zaaken. Jk denk echter, dat de aantooning van de winsten die de Matureese Dessaronij zedert de Compte van den Edele Heer Gouverneur Falck aan de regeering Jaarlijks heeft opgeworpen, die onder N:o 18: hiernevens gevoegt werd ende aanwijsing van de onder mijn de„ stier ingesoamelde producten bij resolutie van den 21: aug:s en aldaar bij de dispositie van uwelEd: Groot agtb: op 1: 6: van het meerm: geheim rapport tevinden mijn ten deese genoeg zullen verdeedigen, door die daar bij blijkt, dat de Jaaren van mijn bestier alle voorigen mear „kelijk overlooften hebben en wij op de onweeder„ spreekelijkste wijse zullen vrij plijten van on„ kunde of nalaatigheijd in het land besteer §. 144. Eindelijk word mij ook als een misslag in mijn bestier aangereekend Dat ik den eersten Joek en Mooliaaa glanga„ kon niet genoeg in zijn ampt als toek gebruijkt heb: §. 145. toe de Heer Commandeur dit tot een stuk van beschuldinging heeft kunnen maaken, is mij hooft onbegrijpelijk, door dien zijn achtb: mijn notuurlijk afheer van mensche van een liederlijke verwijdering en 5824. 5021 subject zoude willen bedienen om het noodige Agtbaare onderricht te bekoomen. § 158: Het blijkt verder uit de verklaering van deesen aaff segoe zelve, die bij evengem: resolutiie galle- gouverneur geerd is, en onder de bijlaagen deeses sub N:o 11. — overgaat dat hij alleen een enkeld maal door met dees de Heer Kommandeur gelast is in de begin Raad. „ne der onlusten; of eigentlijk den 17. april en losbandige wijse van leeven zowtel kend en onmoo„ gelijk ignoreeren kan dat pangakon een Doonkoard is, waaromtrent is mij beroepe op heel Mature en Gale daar dit notoir is, en nader op uwel Ed: Groot agtb:, aan wie dit uit het algemeene ge„ rucht bekent moet zijn, en inzonderheijd op het getuijgenis van de meede leeden dE: faetz: Raket en Samlant, die dit geduurende hun aanweesen inde dessavonij genoeg zullen onder„ vonden hebben. §: 146: Tans kome ik op de klagten van den heer kommandeur tegen mij over kleen achtigen en opgevat mistrouwen tegen zijn achtb: en den daad te Jale waar omtrent ik voor af ver„ klaare dat ik nimmer het oogmerk gehad hebbe, zijn agtb: te beleedigen, of mij van de schuldige subordinatie te onttoekken en dat het mij hartelijk leed doet dat zijn agtb: ver„ scheijdene mijner verrigtinge geheel tegen mijne intentie als bewijsen van minachting, mistrou„ wen en ongehoorsaamheijd opgenoomen heeft. §. 147. En wijl ik reets ter sessie van den 12. aug:s J:'zeede op de bezondere gevallen, waare ik volgens het gevoelen van zijn achtb: gemankeerd zoude heb„ ben, to't noodigste tot mijne verantwoording hebbe bij gebragt, zoo zal ik deselve, hier met de meest mogelijke beknoptheijd beantwoorden §: 148: De eerste beschuldiging is waarom van VE te sreete uwel Edele Gestren„ parte secreete brief fen en zal duijde„ n van gunstige ^dezelve in Achtbaaren Heer! pel . 61 1 e k 70 ƒ brief 50 1/0 §. 137: wat voorkomt bij 1: 184: 185. en 186: van de facm„ liaare ommegang met de inlandse hoofden is zoo duister dat men niet wel weet, wat eigentlijk door deese familiaaren ommegang der inlandsche hoofden moet worden verstaan. §138: uit het geen bij §: 184: voorkomt, zoude men„ bij na moeten veronderstellen, dat dit alleen ziet op de vrijheijd, die deese hoofden bij mij hadden, waarom ik voor een kommissie uit den jaalsch raad badankt heb. en mijn antwoord hier op is om dat de heer Comman„ ^vorge deur het in mijne keuse gelaaten had, of ik die Commissie wilde hebben op niet het extrakt uijt den brief van den heer Commandeur van den 18: april 1790: bewijst dit ten vollen met deese woorden vind uwelEd: echter det middel /:om in persoon bij de muijtelingen te gaan :/ niet geraaden, of wel nodig dat ik een Commande tal zenden, van wel anders na gewoonte van vroegere dagen een paar leeden van den Jaalschen raad, om de muijtelingen te stillen en hunne klagten aantehoo„ aen, dan schrijft mij ten spoedigsten en ik zal uw op de beste wijze te hulp koomen. §149. kon ik dus denken dat de heer Commandeur het mij mij qualijk neemen, laat staan tot een verbae„ ken aanreekenen zoude, dat ik daar voor be„ leefdelijk bedankte bij mij antwoord, het welk dien eijgenste dag nog afgevaardigd werd te meer wijl ik zijn achtbaare de reeden meede deelde, waar„ om ik daar voor bedankte en om een kommissie van kolombo versogt 1: 450 verwijdering

NL-HaNA_1.04.02_3891_0667 view scan ↗

English

to obtain instruction. Paragraph 158: It further appears from the declaration of this very segoe, which was allegated with the aforementioned resolution, and is transmitted among the annexes hereof under No. 11, that he was only ordered a single time by the Commander in the beginning of the disturbances, or properly on the 17th of April, to go to Mature and see what truth there was to the news that some mutineers had banded together there, but then could not proceed further than Polwatse. would wish to employ this subject to obtain the necessary information. Paragraph 150: In order to demonstrate this most clearly, I shall insert the passage from this letter of mine here verbatim: This uprising is of a completely different nature than the previous ones, as there are indications that must make me think that these people have been made to believe things by secret enemies of Your Honour and of me, which defeat themselves. It is also for that reason that I, both in my name and in that of my Chiefs, to whom I have made known Your Honour's favorable offer to send a commission from Gale hither, request to be pleased instead to petition the venerated Ceylon Government for a Commission, either from the Noble Political Council or from the Court of Justice at Colombo, and that Their Honours may come hither as soon as shall be practicable, and this at the expense of the native Chiefs themselves, who request a thorough investigation of this matter, in order that it may become apparent who the instigators of this uprising are, and so that the guilty may be punished to the exculpation of others. Herewith I request at the same time that these Gentlemen may be ordered to conduct a thorough investigation into my conduct during my administration here. To investigate the complaints that might come in against me, with all accuracy, conscientiously and strictly. Likewise, I request that a good interpreter may come with these Gentlemen Commissioners, who has no kinship here at Mature with the native Chiefs. Honourable Sir! Extract of a letter written from Mature to Gale on the 19th of April 1790. Paragraph 137: What appears under 184, 185, and 186 regarding the familiar intercourse with the native chiefs is so obscure that one does not really know what ought properly to be understood by this familiar intercourse with the native chiefs. Paragraph 138: From what appears under 184, one would almost have to assume that this refers solely to the liberty that these chiefs had with me, why I, before a commission from the Galle Council... The second accusation is: what reasons moved us not to accept the junior merchants Van Schulea and Devos in the capacity of Commissioners of the Galle Council and to refuse the obligatory honors. Paragraph 152: My answer to this is: according to the just-cited letter of the 19th of April from the Commander, I cannot think that His Honour would send the aforementioned junior merchants as commissioners, since he had left this to my free choice and I had declined it. Paragraph 153: According to a further Galle letter of that date, these junior merchants were also not sent to Mature, but to Belligam. Paragraph 154: However, I by no means rejected them; but merely opposed the unusual state with which they marched to Mature, because this was without precedent and contrary to custom, and I gave notice thereof on that very day to the Commander and Council by letter of the 20th of April 1790, expressly mentioning at the same time that this occurred from no private motives, and that I had been so scrupulous in this matter partly to preserve my authority under the then prevailing circumstances, and partly because I had received no written order regarding the rendering of greater honors. Paragraph 155: If I have erred in this regard, this happened solely out of ignorance that commander's honors had to be given to junior merchants who were sent on a commission from Gale, and I hope that the same will be pardoned me all the sooner, because this rule previously, so much as...

Dutch transcription

5024. onderricht te bekoomen. § 158: Het blijkt verder uit de verklaering van deesen aaff segoe zelve, die bij evengem: resolutiie galle- gouverneur geerd is, en onder de bijlaagen deeses sub N:o 11. — overgaat dat hij alleen een enkeld maal door met dees de Heer Kommandeur gelast is in den begin Raad. „ne der onlusten; of eigentlijk den 17. april naar Mature te gaan en tezien wat 'er waere van de tijding, dat daar eenige muntelingen tezaamen gerot waaren, dog „verder toen niet „ als Polwatse heeft kunnen subject zoude willen bedienen om het noodige §150: Am dit ten klaarsten te doen zien, zal ik de passagie uijt deesen mijnen brief hier woordelijk inlijven Deese opvoer is van een geheel anderen aart, dan de voo„ „ Cier: rige also er indien zijn, die mij moeten doen denken, dat deese menschen door heemelijke vijanden van uE: agtb: en van mij, dengen wijs gemaakt zijn, die zig zelven te niet doen. Het is ook uit dien hoofde dat ik uE: agtb: zoo uit mijn naam, als uijt die van mijne Hoofden aan de welke ik uE agtb: gunstig aanbod, om na herwaards een commissie van Gale tezenden, bekent ge„ maakt heb, versoeke van in dies plaatse en Commissie, 't zij van den Edelen politicken raad of van de justitie te kolombo, bij de gevene„ veerde Ceijlonse regeering tewillen versoeken en dat hun E: na herwaards soo spoedig moogen koomen als doenlijk zal zijn, en dit wel op kosten van de inlandse Hoofden zelfs, die een nauw keurig ondersoek van deese zaak versoek, ten einde het alij„ ken moge wie oorzaaken zijn van deese opvoer en op dat de schuldigen tot excu„ van VE: te sreete uwel Edele Gestren„ parte secreete brief en en zal duijde„ n van gunstige dezelve in 5022 Achtbaaren Heer! Extrakt brief van Mature naar Gale geschreven den 19. April 1790. pel s an „8 E Agtbaare Elk 60 brief 5040 §: 137: wat voorkomt bij 4: 184: 185. en 186: van de faem„ liaare ommegang met de inlandse hoofden is zoo duister dat men niet wel weet, wat eigentlijk door deese familiaaren ommegang der inlandsche hoofden moet worden verstaan. § 138: uit het geen bij 5: 184: voorkomt, zoude men„ bij na moeten veronderstellen, dat dit alleen ziet op de vrijheijd, die deese hoofden bij mij hadden, waarom ik voor een kommissie uit den jaalsch pel van anderen mogen gestraft worden Hier bij versoeke ik tevens, dat aan deese Heeren mag worden gelast, om een nauw keeerig ond soek tedoen na mijn gedaag geduurende mijn be„ stier alhier De klagten die teegens min mogten inkoomen niet alle nauw keurigheijd gemoedelijk en op het sche te ondersoek. Jnsgelijks versoeke ik dat met deese Heeren gecommitteerden een goede toek mag komen, die geene verwandschap alhier op Mature met de inlandsche hoofds heeft §1 4: De tweede beschul deging is welke reeden wij bewoogen hebben de ondercoop lieden van schulea en Devos niet in de Gali„ tijd van Commissarissen van den gooeschen naad te accepteeren en 't verpligte honeur le„ § 152. Mijn antwoord heer op is volgens even aangehaalde brief van den 19: apr van den Heer Commandeur kan ik niet denk dat zij achtb: de voornoemde onder„ kooplieden als gecommitteerden zoude zenden wijl hij dit in mijne vrije keuse gegeeven en ik daar voor bedankt had. § 153 „ 1 bew ijse 5824. onderricht te bekoomen. Achtbaaren Heer! §158. Het blijkt verder uit de verklaering van deesen aaff segoe zelve, die bij evengem: resolutie galle- gouverneur geerd is, en onder de bijlaagen deeses sub N:o 11. — overgaat dat hij alleen een enkeld maal door met dees de Heer Kommandeur gelast is in den begin Raad. „ne der onlusten; of eigentlijk den 17. april naar Mature te gaan en tezien wat 'er waere van de tijding, dat daar eenige muntelingen tezaamen gerot waaren, dog „verder toen niet „ als Polwatse heeft kunnen subject zoude willen bedienen om het noodige §153: volgens nadere Jaalschen baiev van dien datum, wierden deese onderkooplieden ook niet noar Ma„ ture, maar naar Belligam gesonden. § 154. Echter heb ik henlieden geenzints gerefuseerd; maar eenlijk mij geoposeerd teegen de ongewoone staatsie waarmeede deselve naar mature optrekten, om dat dit buijten exem„ pel en teegen het gebruijk was en ik heb daar van dien eigensten, dag aan den heer Comman„ deur en raad kennis gegeeven bij brief van den 20. april 1790: en daar bij tevens uitdruk„ kelijk aangehaald, dat dit uit geene paati„ kuliere inzichten geschied en ik in dit stuk zoo scrupaleur geweest was, eens deels om in de doenmalige omstandigheeden mijn ge„ zog tedoen bewaare en andere deels om dat ik geen aanschrijven omtrent het geeve van meerder honneur ontvangen had. §: 155 modien ik hier omtrend mitsgelast heb, zoo is dit alleen gescheed uit egnoratie dat aan onderkooplieden die van Gale in Con„ missie gesonden wierden kommandeuas hon„ neur moest gegeeven worden, en ik hoop, dat mij deselve te eerder zal gepardoneerd worden, om dat deese degel voorheen, zoo veel van VE: te sreete uwel Edele Gestren„ parte secreete brief ren en zal duijde„ n van gunstige ^dezelve in E Agtbaare 5023. 5040 iK „ 6 Elk brief

NL-HaNA_1.04.02_3891_0670 view scan ↗

English

4. 137: What appears in 4: 184: 185: and 186: regarding the familiar intercourse with the native chiefs is so obscure that one does not really know what ought to be understood by this familiar intercourse with the native chiefs. §138: From what appears in 5: 184: one would almost have to assume that this refers solely to the freedom which these chiefs had with me, which is why I, before a commission from the Galle, [illegible] established and also nowhere observed, and because I, as I received the order the following day by the Galle missive of 21 April, that the said commissioners should receive the honors due to those whom they represented, duly obeyed it, and promised the commander of the militia and artillery to give them the commander's honors during their stay, and upon their departure for the country to call the garrison to arms, form the escort, and salute with the cannon from the ramparts. § 156. The third accusation concerns the Moor Segoe, who was arrested by me at Mature and subsequently sent under arrest to Colombo by order of Your Right Honourable Grandeur. § 157. My answer to this is recorded in detail in the Colombo resolution of 12 August 1790, on page 16, and from that entry it appears that this so-called Moor is a slave boy of an inhabitant of Mature, and I add that he is a vagrant, a thorough-going and utterly vile subject, and thus it was impossible for me to think that the Governor would wish to make use of such an utterly low and foul subject to obtain information. § 158. It further appears from the statement of this same Segoe, which is annexed to the aforementioned resolution and is forwarded among the annexes hereof under No. 11, that he was ordered only a single time by the Governor, in the beginning of the unrest, or actually on 17 April, to go to Mature and see what truth there was in the report that some rebels had gathered there, but that he could then proceed no further than Polwatte, and the next day reported this to the Governor, and that when he went to Mature the last time and was arrested there, he had received no orders from anyone. §159. For the rest, this Moor was not apprehended on my own authority, but by order of Your Right Honourable Grandeur, and sent under arrest to Colombo, though I readily confess that I gave no notice thereof to the Governor and Council. §160. But this was not omitted intentionally, but solely caused by a multitude of pressing occupations with which I was overwhelmed at the time to punish fairly the lack of zeal in timely preparing what was necessary for the detachment at Gandure and Dickwelle, and for the fact that he moreover did not properly entertain Your Honors and suite at those places. § 180. To this I received on the 28th the following reply: The conduct of the Modliar of the Wellabaddepattoo is of such a nature that we have resolved to disapprove the manner in which this matter was decided by Your Honor, just as it is disapproved. [illegible] Honourable, Right Honourable Sir! [illegible] with which I was overwhelmed, concerning which I made my apologies in the letter of 20 May, which is to be found among the annexes under No. 1. I trust that this is all that can be required of me in such a case. §161. The fourth accusation concerns the titular Mohandiram Daha Naike. This man was a titular Mohandiram, was used on occasion for various services and executions, and could thus be of use to me in the unrest that had arisen. As he was in Galle, I wrote the following to the Governor and Council by letter of 19 April: According to what I hear, the titular Mohandiram Daha Naike is in Galle, and since I could occasionally make use of his services on this occasion, I request Your Honors, if he is in Galle, to order him to depart hither immediately. §162. The answer the following day, in the postscript, [illegible] Segoe, who [illegible] was arrested and subsequently sent under arrest to Colombo by order of Your Right Honourable Grandeur. § 157. My answer to this is recorded in detail in the Colombo resolution of 12 August 1790, on page 16, and from that entry it appears that this so-called Moor is a slave boy of an inhabitant of Mature, and I add that he is a vagrant, a thorough-going and utterly vile subject, and thus it was impossible for me to think that the Governor would make use of such an utterly low and foul subject.

Dutch transcription

4. 137: wat voorkomt bij 4: 184: 185: en 186: van de faem liaare ommegang met de inlandse hoofden, is zoo duister dat men niet wel weet, wat eigentlijk door deese familiaaren ommegang der inlandsche hoofden moet worden verstaan. §138: uit het geen bij 5: 184: voorkomt, zoude men„ bij na moeten veronderstellen, dat dit alleen ziet op de vrijheijd, die deese hoofden bij mij hadden, waarom ik voor een kommissie uit den jaalschen 11d ik weet wagens vastgesteld en ook nea„ gens geobsorveerd is, en om dat ik zoo daar ik daags daar aan bij Gooesche missive van den 21. april de order ontveng dat gemelde gecommitteerden het honneuw zouden hebben dat de geene toequam die zij representeerde. daar aan behoorlijk heb gehoorsaamd, en aande kommandant van de militie en Arthellerij beloft, hen geduurende hen verblijff kom„ mandeurs honneur te Geeven, en bij hun ver„ trek noor het land 't Guarnisoen inde wa„ pens te trekkn, 't aanket te foomeeren /en vande wallen met het Canon te saluceeren §: 156. De derde beschuldiging, betreft den moor segoe, die door mij te mature g'arres„ teerd en vervolgens op order van uwelEd: Groot agtb: tin arrest naar Colombo ge„ sonden is. § 157. Mijn antwoord hier op is omstandig aangetee„ kend bij Bolombose resolutie van den 12. aug:s 1790: op 5. 16: en bij die aanteeke„ ning blijkt, dat deese zoo genoemde Moor een een slaven Jong van een inwoordic te moture is, en ik voege en bij dat hij een swerven, een doorhaand en aller slegtst subject is, en ik dus ommogelijk kost denten, dat de Heer kommandeur zig van zulk een allerbeederlijkste en vuijlst subject „ 5024. onderricht te bekoomen. § 158. Het blijkt verder uit de verklaering van deesen aaff segoe zelve, die bij evengem: resolutiie, galle- gouverneur „geerd is, en onder de bijlaagen deeses sub N:o 11. — overgaat dat hij allen een enkeld maal door met dees de Heer Kommandeur gelast is in de begin Raad. „ne der onlusten; of eigentlijk den 17. april naar Mature te gaan en tezien wat 'er waere van de tijding, dat daar eenige tezaaren gerot waaren, dog muntelingen „verder toen niet „ als Polwatse heeft kunnen komen, en sranderen daags daarvan aan den Heer Kommandeur rapport gemaekt heeft, en dat hij toen hij de laaste keer naar Mature gegaan en daar gearresteerd, is, van niemand eenige last ontfangen heeft §159. voor het overige is deese moor door mij niet op eigen gezag, maar op bevel vauwel„ Edele Groot agtb: opgevat en in arrest naar Kolombo gesonden, dog ik bekenne gaarne hiervan aan de Heer Komman- „deur en raad geene kennis te hebben gegeeven §160. Dan dit is met geen opzet nage= laaten, maar eenlijk veroorzaakt door een meenige dringende bezigheeden waarmeede ik diertijds als over- subsect zoude willen bedienen om het noodige „nige iever in 't nodige voor 't detachemrent op Gandure en deekwille vroegtijdig te lae„ ten in gereedheid brengen en over dat hij daar en boven hun Ed: en gevolge op die plaatsen niet na behooren onthaald heeft, na billijk„ heid te straffen. § 180. Hier op ontving ik den 28. ' het volgende antwoord Het gedrag van den modliaar van de willebadde„ „pattoe is van dien aart, dat wij beslooten hebben de wijse waar op deese zaak door uw E: is be„ slist, te disapprobeeren gelijk gedesapprobeerd van VE: tesreete parte secreete brief len en zal duijde„ n van gunstige dezelve in uwel Edele Gestren„ „kropt Achtbaaren Heer! 5040 is E Agtbaare ek brief „kropt was, waarover ik bij brief van den 20. Maij, die onder de bijlaagen sub N. o 1 tevinden is, mijn erkus gemaekt heb„ ik vertrouwe dat dit alles is, wat in zulk een geval van mij gevergd kan word §161. De vierde beschuldiging betreft de titulair Mohandiram Daha Naike„ Deese Man was titulair Mohandiram wierd bij voorkoomende geleegenheid, tot deese en geene diensten en exploiten gebruikt en kon mij dus in de opgekomene onlusten van nut zijn: wijl hij zig te Gale be= „vond: zoo schreef ik aan den Heer kon„ mandeur en raad bij brief van den 19: — april het volgende: volgens ik hoor bevind zig de Titulair Mohandiram Daha Naike te Ga„ le en vermits ik van hem in deese geleegenheid zomtijds eenige dien= sten zoude kunnen hebben, zoo versoeke ik uE: agtbaare, hem zoo hij te Gale is, ten eersten na herwaards te doen vertrek„ §162. Het antwoord was sdaags daaraan bij het post schriptum jegoe, die voor geog woon teerd en vervolgens op order van uwel Ed: Groot agtb: tin arrest naar Colombo ge souden is. § 157. Mijn antwoord hier op 'is omstandig aangetee„ kend bij Bolombose resolutie van den 12. aug:s 1790: op 5. 16: en bij die aanteeke„ ning blijkt, dat deese zoo genoemde Moor een een slaven Jong van een inwoordic te moture is, en ik voege er bij dat hij een swerven, een doonhaand en aller slegtst subject is, en ik dus enmogelijk kost denten, dat de Heer kommandeur zig van zulk een allerbiederlijkste en vuijlst De subject ken.

NL-HaNA_1.04.02_3891_0673 view scan ↗

English

Honorable Sir! The titular Mohandiram Daha Naike is not known here, unless it is the one who was promoted by Your Honor at the request of the undersigned Commander; this person has already departed back thither about a month ago. Paragraph 163. I leave it to the judgment of Your Right Honorable Greatness and my other high superiors whether I could conclude from this answer that this man was a favorite of the Lord Commander, and even much less that he was sent by the Lord Commander to inquire into the state of affairs, and whether, on the contrary, this answer that he had already departed from Gale about a month ago did not entirely exclude this supposition. Paragraph 164. It was, rather, very natural that this answer from Gale, that he had already departed for Mature about a month ago, must have already brought him under suspicion because of this absence of his during those days when the rebellion began everywhere, which suspicion was increased not a little by rumors and reports that he had wandered around everywhere in the korles among the rebels; and since upon his arrival at Mature he was unable to account sufficiently for his absence, he was placed by me at the Main Guard as a suspect person. Paragraph 165. On 29 April, I was thereupon written to from Gale: Your Honor must send the titular Mohandiram Daha Naike hither, if he is not needed there and can be spared. Paragraph 166. And since he was then under arrest for his suspicious conduct, which had to be investigated by the Honorable Commissioners of Your Right Honorable Greatness, I simply wrote this in reply, unable to think that I would do wrong therein. Yet now this is construed by the Lord Commander as an intentional disobedience to his orders, and satisfaction is demanded for it. Paragraph 167. I confidently leave it to the judgment of Your Right Honorable Greatness and my other high superiors whether the Gale communication, with these words: Your Honor must send Daha Naike hither if he is not needed there and can be spared, contains an absolute order, or whether rather the added clause, if he is no longer needed there and can be spared, had to be taken by me as an authorization to detain him in such a case; and whether I thus not only had the freedom from the Lord Commander and Council to detain that man if he was needed there, but was even obliged to do so, since his presence was absolutely required for the investigation into his suspicious conduct. Paragraph 168. The pardon that followed upon this halted this investigation; otherwise it might possibly have come to light that this Daha Naike had fanned the fire of rebellion not a little, and particularly incited the natives. Paragraph 157. My answer to this is circumstantially recorded in the Colombo resolution of 12 August 1790 at section 16; and from that record it appears that this so-called Moor is a slave boy of a resident of Mature; and I add that he is a vagrant, a thorough rogue, and a most base subject, and I thus could not possibly think that the Lord Commander would make use of such a most despicable and foul subject. to punish fairly for lack of zeal in having the necessities for the detachment at Gandure and Deekwille prepared early, and moreover for not having properly entertained Their Honors and suite at those places. Paragraph 180. Hereupon I received on the 28th the following answer: The conduct of the mudaliyar of the Willebadde Pattu is of such a nature that we have resolved to disapprove the manner in which this matter was decided by Your Honor, as it is hereby disapproved. [illegible]

Dutch transcription

5025. De titulair Mohandiram Daha Nai= Achtbaaren Heer! ke is hier niet bekend, ten zij het aaff: de geene is, die door uw E: op ver- gouverneur „zoek van den ondergeteekende kom= met dees „mandeur bevorderd is, deese perzoon is reets voor omtrend een maand na derwaards terug vertrokken. §163. Jk laat uwel Edele Groot Agtb: en mij ne verdere hooge gebeeders oordeelen, of ik uit dit antwoord kost besluijten, dat deese man een gunstling van den Heer kommandeur was, en nog veel min- „der, dat hij door den Heer Komman- deur gesonden was, om zig naar den toestand van zaaken te erkondigen, en of niet in teegendeel dit ant= „woord: dat hij reeds voor omtrend eene maand van Gale vertrokken was, deese veronderstelling ten eenemael exkludeerde. §164. Het was, veel meer zeer natuurlijk dat dit antwoord van Gale: dat hij reets voor omtrend een maand naar mature vertrokken was, hem„ wegens deese zijne afweezig „heid, in die daegen dat de „nige iever in 't nodige voor 't detachement op Gandure en deekwille vroegtijdtig telae„ ten in gereedheid brengen en over dat hij daar en boven hun Ed: en gevolge op die plaatsen niet na behooren onthaald heeft, na billijk„ heid te straffen. § 180: Hierop ontving ik den 28.:' het volgende antwoord Het gedrag van den modliaar van de willebadde„ „pattoe is van dien aart, dat wij beslooten hebben de wijse waar op deese zaak door uw E: is be„ „slist, te disapprobeeren gelijk gedisapprobeerd van VE te Creete uwel Edele Gestren„ parte secreete brief len en zal duijde„ n van gunstige dezelve in oproer is Raad. 5040 T Agtbaare Elk brief tee„ oproer overal begon, reets moest in verdenking brengen, die niet weinig vermeerderd wierd door geruchten en berichten, dat hij over al in de korles bij de rebellen rond gesworven had„ en wijl hij zig bij zijne aankomst te Mature niet voldoende nopens zijne afweezigheid wist te verant„ woorden, zoo werd hij als een suspekt perzoon door mij aan de Hoofwacht §165. Den 29. april werd mij daarop van Ga- le aangeschreeven. UE: moet den titulair Mohandiram Daha Naike, zoo hij daar niet be- noodigd is en gemist kan worden, dit §166. En wijl, hij toe, en arrest zat overzijn suspekt gedrag, het welk door de E: gekommitteerden van uw wel Edele Groot agtb: moest onderzocht worden, zoo schreef ik dit eenvoudig en antwoord, niet kunnende denken, daarin te zullen misdog. Doch tans word dit van den heer kommandeur als een op het= telijke ongehoorsaamheid heen zenden. teerd en vervolgens op order van uwel Ed: Groot agtb: tin arrest naar Colombo ge sonde is. § 157. Mijn antwoord hier op 's omstandig aangetee„ kend bij Bolombose resolutie van den 12. aug:s 1790: op 5. 16: en bij die aanteeke„ ning blijkt, dat deese zoo genoemde Moor een een slaven Jong van een inwoordig te motiere is„ en ik voege en bij dat hij een swerven, een doorhaard en aller slegtst subject is, en ik dus enmogelijk koft denten, dat de Heer kommandeur zig van zulk een allerbiederlijkste en vuijlst aan subject gezet. 5026. aan zijne beveelen uitgelegd en daarover satis„ faksie ge=eischt § 167. Jk laat het gerust aan het oordeel van uwel Edele Groot Achtb: en mijne verdere hooge gebieders, of het Gaalsche aanschrijven met deeze worden: uwEd:e moet Daha Naike dit heen zenden, zoo hij daar niet benoodigt is en gemist kan worden. een stellig bevel behelft, of niet veel meer de bijge„ voegde klausule, zoo hij daar niet meer noodig is en gemist kan worden;, door mij moest ofgenomen worden voor een qualifikatie, om hem in zulk een val aantehouden? en of ik dus niet slegts vaij„ „heid van den Heer kommandeur en Raad had om dien man aantehouden, als hij daar noodig was, maar zelve daartoe verpligt was, wijl zijne teegenwoordigheid tot het onderzoek naar zijn suspekt gedrag volstrekt vereischt werd. § 168. Het daarop gevolgde pardon heeft dit onderzoek ge„ stuit, anders zoude mogelijk aan den dag gekoomen zijn dat deeze Daha Naike het vuur van oproer niet weinig aangeblaa„ =zen en inzonderheid de Jnlanders ofege„ stookt „nige iever in 't nodige voor 't detachemont op Gandure en deekwille vroegtijdig telae„ ten in gereedheid brengen en over dat hij daar en boven hun Ed: en gevolge op die plaatsen niet na behooren onthaald heeft, na billijk„ heid te straffen. § 180. Hierop ontving ik den 28. ' het volgende antwoord Het gedrag van den modliaar van de willebadde„ „pattoe is van dien aart, dat wij beslooten hebben de wijse waar op deese zaak door uw E: is be„ slist, te disapprobeeren gelijk gedisapprobeerd van VE te sreeke uwel Edele Gestren„ parte secreete brief ten en zal duijde„ n van gunstige dezelve in gouverneur met dees Caaff Achtbaaren Heer! is Raad. 5040 Agtbaare lk brief d: e lle

NL-HaNA_1.04.02_3891_0676 view scan ↗

English

instigated to complain about me, and thus to bring about my downfall. The fifth accusation, that I had given so little report on the state of the Dessavony, was examined by Your Right Honourable Sirs in the meeting of the 20th of August; whereupon, following the inspection of the letters, it was found that I neglected nothing in this regard, on which account I conform to that resolution or marginal disposition of section 14. Section 170. What His Honour further says regarding this in the secret letter of the 20th of October relates principally to the Honourable Commissioners Fretz and Samlat, for whom I am not responsible; and it appears in abundance, by my letter of the 25th of May written to Gale, that I gave a report of the changes among the headmen made by the aforementioned Commissioners. Section 171. The sixth accusation entails that I, having been ordered twice to send the Modliar of the Wellebaddepattoe to Gale, [illegible] and subsequently was sent under arrest to Colombo by order of Your Right Honourable Sirs. Section 157. My answer to this is circumstantially noted in the Colombo resolution of the 12th of August 1790, on pages 5, 16; and from that note it appears that this so-called Moor is a slave boy of a resident of Mature; and I add to this that he is a vagrant, a hardened and most wicked subject, and I thus could not possibly think that the Lord Commander would make use of such a most vile and filthy subject. 69 5027. to send him up, had not complied with this order. Section 172. This case deserves a detailed clarification. The Gale Commissioners, the junior merchants Van Schuler and De Vos, had complained about this Modliar to the Lord Commander and Council at Gale for neglect of duty and for having shown little zeal in procuring the necessities for the detachment at Gandere, and because he had also not properly entertained Their Honours. These complaints were also made to me, whereupon I reprimanded the aforementioned Modliar to the satisfaction of the aforementioned Commissioners. Section 173. Meanwhile, I received the following order by letter from Gale dated the 26th of April: The Modliar of the Wellebadde Pattoe, about whom the Honourable Van Schuler and De Vos have complained, must forthwith be sent over hither in a secure manner, and we shall expect this native headman here tomorrow. Section 174. This Modliar was at that time very useful, or rather indispensable, in his district. He alone maintained the subordinates in obedience, rest, and peace. 175. Even after the rebels had been in his Pattoe [illegible] zeal in having the necessities for the detachment at Gandure and Deekwille made ready early, and to punish him equitably for having, in addition, not properly entertained Their Honours and retinue at those places. Section 180. To this I received the following answer on the 20th: The conduct of the Modliar of the Willebaddepattoe is of such a nature that we have resolved to disapprove of the manner in which this case was decided by Your Honour, as it is disapproved. [illegible] Right Honourable Sir! [illegible] Council 50 40 Right Honourable I 40 letter d: and had tried to bring the inhabitants to rebellion as well, he managed to keep virtually all inhabitants, save for a few, in obedience to the Company, and to keep the rebellion out of that entire province. 176. The sending of this headman to Gale would therefore have dragged ruinous consequences in its wake for the country and the people, and would have brought the whole pattoe into rebellion. 177. Furthermore, the reason for the summons lapsed, as the aforementioned Commissioners were satisfied with the demanded satisfaction. 178. I therefore wrote the following in reply to Gale: Concerning the Modliar of the Wellebaddepattoe, I have the honour to refer both to the letter from the Honourable Commissioners of yesterday and to the accompanying note of the conference held with the aforementioned Honourable Commissioners, hoping that while Their Honours are satisfied with the satisfaction given to them by the headman, who is one of the most suitable persons that can be found, of which he now delivers a striking proof through the good order that prevails in his pattoe, notwithstanding that the rebels have also been there, and all inhabitants likewise to [illegible] and subsequently was sent under arrest to Colombo by order of Your Right Honourable Sirs. Section 157. My answer to this is circumstantially noted in the Colombo resolution of the 12th of August 1790, on pages 5, 16; and from that note it appears that this so-called Moor is a slave boy of a resident of Mature; and I add to this that he is a vagrant, a hardened and most wicked subject, and I thus could not possibly think that the Lord Commander would make use of such a most vile and filthy subject. rebellion subject 178.

Dutch transcription

stookt heeft over mij te klaagen, en zoo doende mijnen val te bewerken. De vijfde beschuldiging dat ik zoo weinig bericht van de gesteldheid der dessavonij gegeeven had is door uwel Edele Groot. Achtb in de vergade„ „ring op den 20. aug=s onderzocht; wanneer bij het nagaan der brieeven bevonden is, dat ik in deeze niets verzuimd heb, weshalven ik mij aan die resoluitsie of marginaale dispositie off § 14. gedraage § 170. Het geen zijn achtb: hier omtrend nader zegt bij sekreeten brief van den 20 oktober, ziet wor„ naamlijk op de E: gekommitteerdens Fretz en samlat, daar ik niet verantwoordelijk voor den en ten overvloede blijkt, bij mijn brief van den 25 Maij naar Gale geschreeven, dat ik van de door gem:e gekommitteerden gemaakte veranderin„ =gen onder de hoofden bericht gegeeven hebbe. §171. De sesde beschuldiging behelft dat ik tot twee keeren toe gelast zijnde den Mode„ liaar van de welle baddepattoe naar Gale op te zenden teerd en vervolgens op order van uwel Ed: Groot agtb: in arrest naar Colombo ge sonde is. § 157. Mijn antwoord hier op s omstandig aangetee„ kend bij kolombose resolutie van den 12. aug:s 1790: op 5. 16: en bij die aanteeke„ ning blijkt, dat deese zoo genoemde Moar een een slaven Jong van een inwoordig te moture is„ en ik voege en bij dat hij een swerven, een doonhtaand en aller slegtst subject is, en ik dus onmogelijk kost denten, dat de Heer Kommandeur zig van zulk een aller biederlijkste en vuijlst subject 69 5027. opr te zenden, aan deeze order niet voldaan had: § 172. Dit geval verdiend eene omstandige opheldering. De Gaalsche gekommitteerden, de onderkooplieden van schuler en devos, hadden deezen modliaar bij den Heer kommandeur en Raad te Gale verklaagd over verzuimnis in den dienst en beweezene weinige iever in het bezorgen van het nodige voor het Detachement te gandere en over dat dezelve hun Ed:s ook niet naar behooren onthaald had. Deeze klagten werd ook aan mij gedaan, waarop ik gem: Modeliaar tot genoegen van gem: gekommitteerden korrigeerde § 173. Middelerwijle ontving ik bij brief van Gale van den 26. april de volgende order De modeliaar van de wellebadde pattoe, waarover de E: van schuler en deros zig beswaard hebben, moet ten eersten op een sekuure wijze na her„ waards worden overgezonden, en zullen wij dit inlandsche Hoofden morgen hier verwachten. § 174. Deeze Modeliaar was dier tijds in zijn de strikt zeer nuttig ^ liever onontbaekelijk. hij alleen hield de onderhoorigen in gehoorzaamheid, ruist en vreede. 175. zelfs, na dat de muitelingen in zijne Pattoe geweest „nige iever in 't nodige voor 't detachement op Gandure en deekwille vroegtijdig telae„ ten in gereedheid brengen en over dat hij daar en boven hun Ed: en gevolge op die plaatsen niet na behooren onthaald heeft, na billijk„ heid te straffen. § 180. Hierop ontving ik den 20:' het volgende antwoord Het gedrag van den modliaar van de willebadde„ „pattoe is van dien aart, dat wij beslooten hebben de wijse waar op deese zaak door uw E: is be„ slist, te disapprobeeren gelijk gedesapprobeerd van VE te Creete uwel Edele Gestren„ parte secreete brief len en zal duijde„ n van gunstige dezelve in waaren gouverneur aasf Achtbaaren Heer! is met dees Raad. 50 40 t Agtbaare ik 40 brief d: waeren en getragd hadden de Jnwooners meede tot op roer te brengen, west hij genoegzaam, alle Jngezee „tenen op eenige weinigen na, tot gehoorzaamheid agde komp:e aantehouden het oprwver uit die heele provintie te weeren. 176: De opzending van dit hoofd naar Gale, zoude dus voor Land en volk verderflijke gevolgen na zig gesleept en de heele pattoe aan het rebelleeren gebragt hebben. 177. Daar en boven verveel de oorzaak van het op ontbod, door dien voormelde gekommitteerden met de ralangde satisfaksie voldaan waaren: 7k. schreef derhalven het volgende in antwoord naar Gale. Nopens den Modeliaar van de nelle baddepattoe heb ik de eer mij te gedraagen zoo aan het schrijven van E kommissarissen van gisteren, als aan de nevens gaande aanteekening van de gehoudene konferentsie met gem E: kommissarissen, verhoopende ik, dat terweil hun E: voldaan zijn met de aan hun gegeevene satisfaksie door het hoofd/: die een der geschikste menschen is die er gevonden kan worden en waarvan hij thans een sprec„ =kend bewijs uitleeverd door de goede onder die en zijn pattoe heerscht, ongeacht de muitelingen ook al„ =daar geweest zijn, en alle ingezeetenen meede tot teerd en vervolgens op order van uwelEd: Groot agtb: in arrest naar Colombo ge sonde is. § 157. Mijn antwoord hier op 's omstandig aangetee„ kend bij Bolombose resolutie van den 12: aug:s 1790: op 5. 16: en bij die aanteeke„ ning blijkt, dat deese zoo genoemde Moor een een slaven Jong van een inwoordic te motire is„ en ik voege en bij dat hij een sweaven, een doorhaard en aller slegtst subject is, en ik dus onmogelijk kost denten, dat de Heer kommandeur zig van zulk een allerbiederlijkste en vuijlst oproek subject 178.

NL-HaNA_1.04.02_3891_0679 view scan ↗

English

Honorable Sirs, to send him to Gale was accompanied by the clause, "unless Your Honor absolutely cannot spare him at this moment, the judgment of which we leave for the present to Your Honor"; and that, being in my conscience convinced that the entire province would revolt if I removed him from there, by virtue of this clause I not only had the freedom, but was even obliged to retain him. § 206. The further complaints concern the Moor Segoe and the titular Mohandiram Dahanaik, who sought to incite rebellion; however, all inhabitants, with the exception of an insignificant number, remained faithful to their duties, and as soon as the mutineers left their district, they returned again to their dwelling villages. [illegible] his dispatch to Gale will no longer be required, especially as his presence in his district is of the highest necessity. § 179. Since the passage from the conference, to which I refer in this letter, reads verbatim as follows: lastly, the Weecken Commissioners declared that they were treated in every respect by the Lord Dessave with the utmost politeness and courtesy, and also that they were very well satisfied with the assistance rendered in their commission, as well as with the honorable satisfaction which His Honor provided them by justly punishing the Modliaar of the Wellebaddepattoe for his neglect of duty and his demonstrated lack of zeal in timely preparing the necessities for the detachment at Gandure and Diekwille, and moreover for not having properly entertained Their Honors and their retinue at those places. § 180. Upon this, on the 28th, I received the following reply: "The conduct of the Modliaar of the Willebaddepattoe is of such a nature that we have resolved to disapprove the manner in which this matter was decided by Your Honor, as is hereby disapproved; [illegible] and this Modliaar must still be sent hither, unless Your Honor absolutely cannot spare him at this moment, the judgment of which we leave for the present deferred to Your Honor." § 181. Since I was now in my conscience convinced that peace in the Wellebaddepattoe was maintained solely by the authority of this Modliaar, and that sending him to Gale would cause that province to revolt as well, I was indeed obliged in my conscience to let him remain in his pattoe; all the more so since the order of my superiors to send him was accompanied by this clause: "unless Your Honor absolutely cannot spare him at this moment, the judgment of which we leave for the present deferred to Your Honor." § 182. I could therefore never have thought that my retention of this Modliaar out of extreme necessity—and thus within the terms of the aforementioned clause, and in order to shield an entire province from the poison of rebellion and preserve it in peace and loyalty to the Company—would be imputed to me as a transgression and an act of disobedience; all the less so since the judgment as to whether the said chief could be spared was left to me. § 183. That I, moreover, was not mistaken in my judgment regarding the necessity of that man has been proven in the clearest manner by the outcome: for as long as he was left in his district, the peace and loyalty of the inhabitants were preserved there, but as soon as he was subsequently dismissed from his office, the entire province likewise broke into open revolt. § 184. I have treated this event in such detail, partly because among all the accusations it would be the most important if it were well-founded, and partly because Mr. Sluijsken has derived yet another new complaint against me from it, namely: § 185. The seventh accusation: "That I had set myself up as a judge over this Modliaar, who in the persons of Commissioners Schuler and Devos had insulted the entire Government of Gale, and this after notice of this case had already been given to Gale." § 186. The case itself was described in detail just now. The repeatedly mentioned commissioners lodged their complaint about it with me, and I corrected the Modliaar for it by condemning him to a fine of twenty-five rix-dollars to the poor, and at the same time ordering him to beg the pardon of the said commissioners; and this to the complete satisfaction of the offended parties, who, as shown by what was recorded at the conference, were fully satisfied with this redress. § 187. I therefore still do not understand to this hour how I [illegible]

Dutch transcription

5032. E Agtbaare naar Galo te zenden verzeld was met de klau„ sule ten zij uw E: hem dit moment volstrekt, „lijk niet missen kan, waer van wij de beoordee„ ling voor 't tegenwoordige aan uw E: overlaeten: en dat ik in gemoede overtuijgd zijnde, dat de heele provincie revolleeren, zoude als ik hem daer van daan nam, uijt hoofde van deeze klausule niet slegts vrijheid had, maar zelve verpligt was hem aantehouden § 206. De verdere klagten betreffen den moor segoe en titulair mohandiram Dahanaik, die oproer hebben zoeken te beweegen, echter alle inwoon„ „ders op een niet noemwaardig getal na, aan hunne pligten getrouw gebleeven en zoo dra de muitelingen hun distrikt verlaaten hebben weder in hunne woondorpen terug gekoomen zijn:/ des„ selfs op zending naar Gale niet meer zal ver„ uischen, temeer zijne presentie in zijn dis„ trikt ten hoogsten noodzaakelijk is. § 179: Jerweil de passasie uit de konferentsie, waarop ik mij in deesen brief beroepe, woorde„ lijk aldus luidt laastelijk verklaarden de Wee„ ken kommissarisse door den Heer dessave in allen opzichte met de maeste politesse en en beleefdheid behandeld en ook zeer voldaan te zijn over de assistentie in hunne kommis„ „sie beweesen als meede over de honorable satisfaksie, die zijn Ed: hen heeft besorgd door den wellebaddepattoe modliaar over zijne verzuimnisse in den dienst en beweesen wei„ „nige iever in 't nodige voor 't detachement op Gandure en diekwille vroegtijdig telae„ ten in gereedheid brengen en over dat hij daar en boven hun Ed: en gevolge op die plaatsen niet na behooren onthaald heeft, na billijk„ heid te straffen. §180. Hier op ontving ik den 28. ' het volgende antwoord Het gedrag van den modliaar van de willebadde„ „pattoe is: van dien aart, dat wij beslooten hebben de wijse waar op deese zaak door uw E: is be„ slist, te disapprobeeren gelijk gedesapprobeerd van VE: te Creete uwel Edele Gestren„ parte secreete brief ten en zal duijde„ n van gunstige dezelve in 5028. aasf gouverneur met dees Achtbaaren Heer! 5040 is de 21. 6 Raad. elk brief waeren en getragd hadden de Jnwooners meede tot oproer te brengen, west hij genoegzaam, alle Jngezee„ „tenen op eenige weinigen na, tot gehoorzaamheid aan de komp:s aante houden, het oproer uit die heele provintie te 176: De opzending van dit hoofd naar Gale, zoude dus voor Land en volk verderflijke gevolgen na zig gesleept en de heele pattoe aan het rebelleeren gebragt hebben. § 177. Daar en boven verveel de oorzaak van het op ontbod, is bij deesen en moet deese modeliaar ^ als nog naar herwaards worden gesonden, ten zij uwE: hem op dit moment volstrekkelijk niet missen kan, waar van wij de beoordeeling voor 't teegenwoordige aan uw E: gedefereerd laaten. §181. wijl ik nu in gemoede overtuigd was, dat de rust in de wellebaddepattoe alleen door het ge„ zag van deesen Modeliaar staande gehouden we en dat de opzending van denselven naar Gale oorsaak worden zoude, dat die provintsie meede revolteerde: zoo was ik dog wel in gemoe „de verpligt denselven in zijne pattoe telaaten verblijven, te meer, wijl de order van mijne gebieders om hem optezenden, verseld ging va deese klausule ten zij uw E: hem op dit moment volstrekt niet missen kan, waarvan wij de beoordeeling van het teegenwoordige aan uw E: gedefereerd §182. Nimmer had ik dus kunnen denken, dat mij de aanhouding van deesen modliaar uit hooge nood„ zaakelijkheid en dus in de termen van meerm klausule en om een heele provinsie voor het gif des oproers te beveiligen en in rust en getrouwen„ heid voor de Comp: te bewaaren, tot een verbreeke en als eene ongehoorsaamheid zoude aange„ reekend worden, alles te minder, wijl de be„ oordeeling op gem: hoofd gewest kan worden aan mij was overgelaaten. §183. Dat ik mij voor 't overige in mij oordeel over man de noodzaakelijkheid van dien „ niet bedrooger hebbe weeren. 1 „ „ „ laaten 5032. 5029. Agtbaare naar Gale te zenden verzeld was met de klau„ sule ten zij uw E: hem dit moment volstrekt„ „lijk niet missen kan, waer van wij de beoordee„ ling voor 't tegenwoordige aan uw E: overlaeten: en dat ik in gemoede overtuijgd zijnde, dat de heele provincie revolleeren, zoude als ik hem daer van daan nam, uijt hoofde van deeze klausule niet slegts vrijheid had, maar zelve verpligt was hem aantehouden § 206. De verdere klagten betreffen den moor segoe en titulaia mohandiaam Dahanaik, die hebbe, is door de uit komst op 't klaaaste bewee„ zen want zoo lange hij in zijn distrikt ge„ laaten wierd, bleef daar ook de rust en getrou„ „wigheid der ingeseetene gekonserveerd, dog zoo dra hij zedert van zijn ampt gedimoveerd wierd sloeg de heele provincie meede tot oproer §184. Jk. heb deese gebeurtenis zoo omstandig verhan„ deld, eensdeels wijl zij onder alle beschuldegin„ „gen de wigtigste zijn zoude in dien ze gegrond waaren, en anderen deels, wijl de heer sluijsken daar van daar nog een nieuwe klagte tegen mij afgeleilt heeft teweeten. § 185. De zeevende beschuldiging Dat ik mij tot rechter over deesen modliaar ge„ steld had die in de kommissarissen van schuler en devos de geheele Gaalsche Regee„ ring beleedigd had, en dit wel na dat reeds naar Gale van dit geval was kennis gegeeven. §186. Het geval zelve is zoo aanstonds omstandig beschreeven Meermelde gekommitteerden deeden daar over hun beklag bij mij en ik konrigeer„ de den modeliaar daar over door hem in eene boete van vijf en twintig rd:s aan de ramen te kondemneeren en tevens opteleggen meermelde gekommitteerden om exkuus te versoeken en zulx ten vollen genoegen van de beleedigden, die blijkens het aangeteekende bij de konferentsie, met deese salisfaksie ten vollen voldaan waaren § 187: Jk begrijpe dus tot deeser uure nog niet hoe ik van VE te sreete uwel Edele Gestren„ parte secreete brief fen en zal duijde„ n van gunstige dezelve in Caaff gouverneur met dees Achtbaaren Heer! 50 40 dit „ „ - 6 Raad. elk over wed me 24 brief

NL-HaNA_1.04.02_3891_0682 view scan ↗

English

were and had tried to incite the inhabitants to revolt as well, he knew well enough how to keep all inhabitants, save for a few, in obedience to the Company and to keep the rebellion out of that entire province. 176: The dispatch of this chief to Gale would therefore have brought ruinous consequences for the country and the people, and would have caused the entire pattu to rebel. 177. Furthermore, the reason for the summons lapsed, this case should have been handled differently, or could have been handled better. Section 188. Had I dismissed the complaint, I might with reason have been accused of an unwillingness to give satisfaction to the committee members. Section 189. But now that I have settled the same promptly to full satisfaction, and thus not only spared the Galle Council the trouble thereof, but also thereby brought it about that the aforementioned former mudaliyar could remain in his district and maintain peace and quiet therein, I thought I had earned gratitude rather than ingratitude thereby. Section 190. I hope hereby to have satisfactorily refuted the direct accusations; however, since the report also contains remarks concerning the poor condition of the Matara fortifications, which indeed are not directly aimed at me, but which might cause my high superiors in Batavia and in the Netherlands to form the idea that the same were neglected by me, I request permission to present the following regarding this matter: Section 191. At folio 60 of the report it states: I found twenty-four pieces of artillery of various calibers, of which eleven were lying on the ground without gun carriages, one was unserviceable, and of the rest almost all gun carriages were defective. Honorable Sir! to send to Gale was accompanied by the clause: unless your Honor cannot absolutely spare him at this moment, the judgment of which we leave for the present to your Honor: and that I, being conscientiously convinced that the entire province would revolt if I took him away from there, by virtue of this clause not only had the freedom, but was even obliged to detain him. Section 206. The further complaints concern the Moor Segoe and the titular mohandiram Dahanaik, who were defective. The entire supply of gunpowder consisted of only 1600 lb, and the other ammunition goods were also completely inadequate; the supply of muskets consisted of only eight pieces; the cashbox was empty, and in the warehouse nothing was to be found except a quantity of paddy sufficient for four months. Section 192. Whoever reads this and does not know that the dissava of Matara monthly reports the short strength of the garrison and the balances of money, gunpowder, and provisions to the Commander of Gale, and that already in a petition from Lieutenant Beijer of 12 December 1789 to the Commander and Council at Gale it was reported that several ammunition goods and cannons were unserviceable and unnecessary for Matara, among which were found nine cannons that had no carriages, must naturally suspect me of negligence. Section 193. At Section 61 of the report it further states: I went to inspect the redoubt of Eck and found this fortification completely overgrown with brushwood and lying on the ground therein were only two pieces of cannon without carriages. Section 194. Whoever reads this and does not know that the poor condition of this fortification was repeatedly reported to my superiors in the compendia of 1785/6, 1786/7, 1787/8, and 1789, could also suspect me of negligence in this regard. were and had tried to incite the inhabitants to revolt as well, he knew well enough how to keep all inhabitants, save for a few, in obedience to the Company and to keep the rebellion out of that entire province. 176: The dispatch of this chief to Gale would therefore have brought ruinous consequences for the country and the people, and would have caused the entire pattu to rebel. Section 177. Furthermore, the reason for the summons lapsed, Section 195. I am quite willing to believe that Mr. Sluijsken omitted these two circumstances in his report in good faith, because the same was addressed to your Right Honorable Sirs, who are aware of them. But since these papers must also come under the inspection of my other superiors in Batavia and in the Netherlands, where these two circumstances cannot be so generally known, I thought it necessary to allege the same here, to prevent the aforementioned remarks from being interpreted to my detriment. Section 196. I now respectfully request permission to make some concise remarks against the secret letter of the Commander Sluijsken of 20 October last, in so far as it contains accusations against me. Section 197. Your Right Honorable Sirs had enjoined him by secret letter of 27 September prior to explain himself further on several points appearing in his secret report, and in particular also to prove his accusations against me. Section 198: Instead of complying with this, his Honor has repeated the previous accusations anew, and in even harsher terms, without producing the slightest proof thereof.

Dutch transcription

waeren en getragd hadden de Jnwooners meede tot oproer te brengen, wist hij genoegzaam, alle Jngezee„ „tenen op eenige weinigen na, tot gehoorzaamheid aan de komp:e aante houden het opaiver uit die heele provintie te weeren. 176: De opzending van dit hoofd naar Gale, zoude dus voor Land en volk verderflijke gevolgen na zig gesleept en de heele pattoe aan het rebelleeren gebragt hebben. 177. Daar en boven verveel de oorzaak van het op ontbod, „ 8 „ aak dit geval anders had moeten of beter had kunn behandelen. § 188. Had ik de klagte afgeweesen zoo zoude men mij met reeden, hebben kunnen beschuldigens, van onwilligheid, om aan de gekommitteerdens satisfactie te geeven. § 189. Maar nu ik deselve knaphandigen ten vollen genoegen afgedaan en dus niet alleen, aan den gaalschen raad de moeite daar van bespaard, maar ook daar door bewerkt had, dat de meerm modeliaar geweest in zijn distrikt blijven en de rust en vreede daarin onderhouden kost meende ik daar door eer dank dan ondank verdiend te hebben. § 190. Jk hope hiermeede de direktes beschuldigingen voldoen„ de wederleyd te hebben, dog wijl bij het berigt nog aanmerkingen over den slegten toestand van de Ma„ tureesche fortifikaatsie zijn voorkoomen, die we niet direkt teegen mij gerigt zijn, dog die mijn hooge gebieders te Batavia en in Neederland zoude kunnen in het denkbeeld brengen, als of deselven door mij verwaarloost waaren zoo versoeke ik verlof, daaromtrend het volgende te moogen voorstellen §191. Bij ƒ 60. van het berigt staat Jk vond vier en twintig stukken geschut van verschillend kaliber, waar van elf zonder af„ „fuijten, op de grond lagen een onbequaam was en van de overige meest alle affuijten ge„ „brekkig „ 5032. Achtbaaren Heer! naar Gale te zenden verzeld was met de klau„ sule ten zij uw E: hem dit moment volstrekt, „lijk niet missen kan, waer van wij de beoordee„ „ling voor 't tegenwoordige aan uw E: overlaeten: Caaff en dat ik in gemoede overtuijgd zijnde, dat gouverneur de heele provincie revolteeren, zoude als ik met dees hem daer van daan nam, uijt hoofde van deeze klausule niet slegts vrijheid had, maar zelve verpligt was hem aantehouden § 206. De verdere klagten betreffen den moor segoe en titulaia mohandiram Dahanaik, die brekkig waaren De heele voorraad van bus„ „kruijt bestond slegts in 1600 lb: en de overige ammonitie goederen waaren ook gantsch niet toerijkend, de voorraed van geweeren bestond slegts in agt stux, de geld kas was ledig, en in 't pakhuijs niets als een partij nelij voor vier maanden toerijkende te vinden §. 192. Die dit leest en niet weet dat de dessave van Mature maendelijks de korte sterkte van het guarnisoen en de restanten van geld, buskruit en provisien aan den Heer Kommandeur van Gale opgeeft, en dat reeds bij een addres van den Luitenant Beijer van den 12. December 1789. aan den Heer Kommandeur en Raad te Gale op„geeven is, dat verscheidene ammo„ „nitie goederen en kanons onbequaam en voor Ma„ „ture onnoodig waaren, waaren onder zig negen uwel Edele Gestren„ kanons bevonden die geene affuiten hadden, moet mij natuualijker wijze van onachtzaamheid ver„ parte secreete brief §193 Bij § 61. van het bericht staat verder ten en zal duijde„ Ik ging de redoute van Eck bezigtigen en vond n van gunstige deeze sterkte ten eenemaal met ruigtens be„ „groeid en daer in slegts twee stukken kanons ^dezelve in zonder affuiten ter aarde leggen. §194. Wie dit leest en niet weet dat de slegte gesteldheid deezer sterkte bij de kompendicurs van 1785/6. En 178 6/7. 178 7/8. en 1789. telkens aan mijne gebie„ „ders opgegeeven is, zoude mij hier omtrend ook van onachtzaamheid kunnen verdenken. — „denken. 5030. 9 van VE te Creete Ik „ 1 Raad. 5040 Agtbaare elk. brief Ma„ d„ dank en en koft meeden waeren en getragd hadden de Jnwooners meede tot op roer te brengen, west hij genoegzaam, alle Jngeze „tenen op eenige weinigen na, tot gehoorzaamheid aad komp:s aante houden, het oproer uit die heele provintie le weeren. 176: De opzending van dit hoofd naar Gale, zoude dus voor Land en volk verderflijke gevolgen na zig gesleept en de heele pattoe aan het rebelleeren gebragt hebben. §177. Daar en boven verveel de oorzaak van het op ontbod, „ 1„ „ 1 § 195. Jk wil gaarne gelooven dat de heer sluijsken deeze twee omstandigheeden bij zijn bericht ter goeder trouwe heeft overgeslaegen, om dat het zelve gericht was aan uw wel Edele Groot Achtb: die daer van kennis draagen: Dog wijl deeze papieren ook onder 't oog van mijne verdere gebieders te Batavia en in Nederland koomen moeten, daer deeze twee om„ standigheeden zoo algemeen bekend niet kunnen zijn: zoo heb ik gemeend, dezelven hier te moeten allegeeren, tot voorkoming, dat meermelde aan merkingen niet ten mijnen laste mogten uijtge „legd worden. §. 196. Thans verzoek ik eerbiedig verlof nog eenige be„ „knopte aanmerkingen te mogen maaken teegen den sekreeten brief van den Heer Kommandeur sluijsken van den 20:' oktober Jongstleeden, voor zoo verre dezelve beschuldigingen tegen mij behelst § 197. Uw wel Edele Groot Achtb: hadden hem bij sekreete letteren van den 27. Zeptember bevoorens geinjun„ „geerd, zich over verscheidene posten bij zijn sekreet„ rapport voorkomende, nader te expliceeren, en in„ „zonderheid ook zijne beschuldigingen tegen mij te bewijzen. §198: Jn steede van hier aan te voldoen, heeft zijn Agtb: de voorige beschuldigingen op het nieuw, en in nog hardere bewoording herhaald, zonder het al„ „lerminste bewijs daer van bij te brengen: Dan 6

NL-HaNA_1.04.02_3891_0685 view scan ↗

English

Honorable Sir, to send to Gale was accompanied by the clause, unless Your Honor can absolutely not spare him at this moment, the judgment of which we leave to Your Honor for the present; and that I, being convinced in my conscience that the entire province would revolt if I removed him from there, by virtue of this clause not only had the freedom, but was even obliged to retain him. Section 206. The further complaints concern the Moor Segoe and Titulaia Mohandiram Dahanaik, who... Section 199. But since these have already been refuted here above, I shall, in order to avoid needless repetitions, confine myself only to the following brief indications: Section 200. In his marginal answer to 12, he repeats his accusation of ignorance in land matters and his former reasoning that I could otherwise have foreseen and prevented the uprising. Section 201. This accusation is refuted here above, Section 102 et seq., by demonstrating that an uprising can break out under the most knowledgeable land rulers without their being able to know or prevent it beforehand, and I have confirmed this with the example of Commander Sluijsken himself, to whom this occurred as Head of the Mahabadde in the year 1717. Section 202. To the question in what the insult and slight consisted about which he complained, he comes forward with several questions in which his former complaints are dredged up, but proven with nothing. Section 203. The first consists in that I declined the Galle commission and requested a commission from Colombo, regarding which it has been shown here above, Section 148 et seq., that His Honor left it to my choice, and I thus made use of a freedom that he himself had given me. [illegible] were and had attempted to bring the inhabitants also into rebellion, he managed to keep virtually all residents, except for a few, to obedience to the Company, to ward off the rebellion from that entire province. 176. The dispatch of this chief to Gale would therefore have dragged ruinous consequences for land and people in its wake and brought the whole pattu into rebellion. Section 177. Furthermore, the reason for the summons lapsed... Colombo, regarding which it has been shown here above, Section 148 et seq., that His Honor left it to my choice, and I thus made use of a freedom that he himself had given me. Section 204. The second consists in that I had not wished to permit the commissioners to enter Mature with beating drums, against which it was already argued in Section 159 that up to that time this was contrary to custom and without precedent, but that as soon as the Commander informed me that commander's honors had to be shown to these junior merchants, I complied with that in obedience. Section 205. The third concerns the Mudaliyar of the Wellebaddepattu, regarding whom it has already been shown in Section 177 that this man was properly corrected upon the complaints of the commissioners made to me, and the commissioners were fully satisfied with the satisfaction given to them, for which reason the ground for his summons lapsed, and this man was at that time very necessary in his district to keep the inhabitants in check; that the second order to send him to Gale was accompanied by the clause, unless Your Honor can absolutely not spare him at this moment, the judgment of which we leave to Your Honor for the present; and that I, being convinced in my conscience that the entire province would revolt if I removed him from there, by virtue of this clause not only had the freedom, but was even obliged to retain him. Section 206. The further complaints concern the Moor Segoe and Titulaia Mohandiram Dahanaik, who are likewise already answered in Section 156 and Section 161 et seq. Section 207. I leave it to the judgment of Your Right Honorable and my further high superiors whether I have not been treated very harshly by Commander Sluijsken, who seeks to make me culpable because I declined a commission that was put to my own choice by himself; because I gave no commander's honors to junior merchants before this was ordered to me; because I retained a man who was summoned to Gale because it was left to me to judge whether he could be spared, and I was convinced in my conscience that his removal would drag the revolt of an entire province in its wake, just as the outcome has since then only too clearly proven the latter. fetch, as he had heard, but that the mutineers had made him turn back. Section 217. In addition, I also annex hereto an authentic copy of the declaration of Captain Commandant Baron von Prophaloer... [illegible]

Dutch transcription

5032. Achtbaaren Heer! naar Gale te zenden verzeld was met de klau„ sule ten zij uw E: hem dit moment volstaekt„ „lijk niet missen kan waer van wij de beoordee„ „ling voor 't tegenwoordige aan uw E: overlaeten: aaff en dat ik in gemoede overtuijgd zijnde, dat gouverneur de heele provincie revolleeren, zoude als ik met dees hem daer van daan nam, uijt hoofde van deeze klausule niet slegts vrijheid had, maar zelve verpligt was hem aantehouden § 206. De verdere klagten betreffen den moor segoe en titulaia mohandiram Dahanaik, die § 199. Dan dewijl dezelven hier voorwaards reets wederleygd zijn, zoo zal ik om nodeloose herhaalingen te ver„ mijden, mij alleen tot de volgende korte aanwij„ „zingen bepaalen § 200 Bij zijn maaginaal antwoord op 12: herhaald hij zijne beschuldiging van onkunde in land zal „ken en zijn voorig raisonnement, dat ik an„ „ders den opstand had kunnen voorzien en voor„ koomen. „ 201. Deeze beschuldiging is hier voorwaards § 102: it segg: wederleid, door te betoogen, dat onder de kundigste land regenten een opstand, kan uit„ baasten, zonder dat zij het voor af hebben kunnen weeten of beletten, en ik heb dit be„ „vestigd met het voorbeeld van den heer kommandeur sluijsken zelven, wien dit als Hoofd der Mahabadde in het Jaer 1717. is overgekomen §. 202. op de vraage Waar in de hoon en kleenachtig bestond waer over hij klaagde, komt hij ter baan met verscheidene vraagen, waar in zijne Er voorige klagten opgewaamd, dog met niets beweesen worden. §. 203 De eerste bestaat daer in, dat ik voor de gaalsche kommissie bedankt en am eene kommissie van van VE te Creete uwel Edele Gestren„ parte secreete brief fen en zal duijde„ n van gunstige ^dezelve in 5031. kolombo e der en om„ kunnen moeten aan uijtge„ den ken „„ 1 d Raad. 5040 t Agtbaare lk brief waeren en getragd hadden de Jnwooners meede tot oproer te brengen, west hij genoegzaam, alle Jnge zee „tenen op eenige weinigen na, tot gehoorzaamheid aande komp:s aante houden, het oprver uit die heele provintie le weeren. 176: De opzending van dit hoofd naar Gale, zoude dus voor Land en volk verderflijke gevolgen na zig gesleept en de heele pattoe aan het rebelleeren gebragt hebben. § 177. Daar en boven verviel de oorzaak van het op ontbod, 1„„d kolombo verzogt heb, waer omtrend hier voor„ „waards §n 148: et segg: aangetoond is, dat zijn Acht„ „baare het aan mijne verkiesing gelaaten en ik dus van eene vrijheid gebruijk gemaakt had„ die hij zelve mij gegeeven had. § 204. De tweede bestaat daar in dat ik aan de gekom„ mitteerden niet had willen toestaan, met slaande tamblijntjes binnen Mature te komen, waar tegen bij 5 159. reets betoogd is, dat dit tot dien tijd toe tegen het gebruijk en zonder voorbeeld was, dog dat ik zoo dra de heer kommandeur mij bekend maakte, dat aan deeze onderkooplieden kommandeurs honeur beweesen moest worden, daer aan met gehoorzaamheid voldaan heb § 205. De derde betreft den modliaar van de welle„ „baddepattoe, waer omtrend reets bij § 177: aangeweesen is dat deeze man op de klagten van gekommitteerden aan mij gedaan behoor„ „lijk gekoorigeerd was en gekommitteerden met de hun gegeevene satisfactie volkoomen, voldaan waaren, weshalven de reeden van zijn op ontbod verviel, en deese man dier teids in zijn distrikt zeer noodzaaklijk was om de ingezietenen in toom te houden; dat de tweede order om hem naer d 4 5032. Wyl Achtbaaren Heer! naar Gale te zenden verzeld was met de klau„ „sule ten zij uw E: hem dit moment volstrekt „lijk niet missen kan waer van wij de beoordee„ ling voor 't tegenwoordige aan uw E: overlaeten: Caaff en dat ik in gemoede overtuijgd zijnde, dat gouverneur de heele provincie revolteeren, zoude als ik met dees hem daer van daan nam, uijt hoofde van deeze klausule niet slegts vrijheid had, maar zelve verpligt was hem aantehouden § 206. De verdere klagten betreffen den moor segoe en titulaia mohandiram Dahanaik, die meede reeds bij § 156. en § 161. at. sagg: beand„ woord zijn. §207. Ik laat het aan het oordeel van uw wel Edele Groot Achtb en mijne verdere hooge gebieders, of ik niet door den heer kommandeur sluijsken hard heel haad behandelt ben, die mij zoekt misda„ dig te maaken, om dat ik voor eene kommissie bedankt heb, die door hem zelve aan mijne keuse gesteld was, om dat ik aan onderkooplie„ „den geen kommandeurs honneurs gegeeven heb„ voor dat mij dit bevoolen was, om dat ik een man die naar Gale ontbooden word, aangehouden heb„ om dat het aan mij gelaaten was te oordeelen of hij te missen was en ik in gemoede overtuigd was dat zijne verwijdering de revolte van eene heele provincie na zig. sleepen zoude, zoo als de uijtkomst dan ook dit laatste zeder maer al te zeer beweezen heeft. haalen, zoo als hij gehoord had, dog dat de muijtelingen hem hadden doen te rug keeren §: 217: Ten overvloede voege ik hier nog bij een autentick afschrift van de verklaring van den Kapitain kommandant Baron von Prophaloer van VE te sreete uwel Edele Gestren„ parte secreete brief ten en zal duijde„ n van gunstige dezelve in die: Acht had elk. t Agtbaare Raad. 50 40 brief

NL-HaNA_1.04.02_3891_0688 view scan ↗

English

§ 208. Because the Lord Commander, in his secret letter of 5 August 1790, had stated that he could have said not only more, but indeed much more, which could bring no small amount of unpleasantness upon me, and since a conscientious ruler does not use such harsh language against his subordinate in a public report without pressing reasons and without solid evidence, the very unfavorable suspicion had naturally to be aroused against me here that I must really have overstepped my bounds in my office or made myself guilty of some excess or other. § 209. In order to defend my honor and good name, I was therefore compelled to request, at the session of 12 August last, that His Honor might be ordered to state everything he had or knew against me without reserve. This was consequently enjoined upon him by Your Right Honorable Great Worships by letter of 27 September, and in order to comply with this order, a portion of the aforementioned secret letter was also sent, in which a multitude of accusations are again brought up against me. Regarding these, however, the Lord Commander is much to be praised for indicating straightaway in the beginning to what class these accusations belong, with these words: "Surely I would have been able to say more, and even much more, if I had wanted to be malicious." ...baddepattoe, concerning which it has been shown that this man, upon the complaints made to me by the commissioners, had been properly corrected, and the commissioners were completely satisfied with the satisfaction given to them, for which reason the ground for his summons lapsed, and this man was at that time very necessary in his district to keep the inhabitants in check; that the second order to fetch him... § 210. This more or much more is subsequently presented by His Honor in questions, which indeed have the nature of accusations, yet they mostly revolve around the old matters with which his first report was already filled, such as the expedition to Baddegierie, my ignorance in local affairs, and cruelty toward the subordinates, the case of the modliar of the Wellebaddepattoe, etc., without providing the least further proof, and which have been refuted in detail hereinbefore. For this reason, I shall pass over them in silence and only answer as necessary to the following question, which contains a new accusation: "Could I not have shown how Mr. van Angelbeek brought Messrs. Fretz and Samlant into the greatest danger by having detachments march out thoughtlessly, whereby the inhabitants were brought into unrest and these commissioners, who were in Hakman to pacify the people, were placed in the greatest danger?" § 211. The case of which the Lord Commander makes mention here is described in detail by the commissioners Fretz and Samlant themselves in their letter of 13 May 1790. I can therefore act no more impartially than to let that letter itself speak. ...to fetch, as he had heard, but that the mutineers had made him turn back. § 217. In addition, I also append hereto an authentic copy of the declaration of the Captain Commandant Baron von Propholoe... Right Honorable Sir! Last night at 12 o'clock the mutineers were in a state of commotion and made a great disturbance, and because that noise continued by shouting, calling to each other, running, and beating the drums, we wanted to send some people to ascertain what was going on after all, but nobody wanted to go at first, everyone was afraid. But finally our Matara attepattoe aratie and Kolombo kangaan went down the mountain to find out what was going on, and they came to tell us that a detachment of Easterners had arrived in the Baijgams, with the second interpreter Mohandiram and his father the Mohandiram of the Baijgams, over which the mutineers were raging terribly, and shouted to us that the whole family of the Baddekornege had to be sent under arrest to Gale, or else things would not go well, and so forth. We thereupon resolved to go down the mountain to the plain near the people, but we sent messengers ahead to inform them thereof, with a notice that some chiefs might come to us, whereupon a whole group appeared, who confirmed what was mentioned hereinbefore; while asking whether that was a way of doing things, at a time when we were here, and so forth. We sought to pacify them, but they insisted that the Baddekornege family be taken into arrest, which we had to promise. Meanwhile the uproar continued throughout the night and... ...baddepattoe, concerning which it has been shown that this man, upon the complaints made to me by the commissioners, had been properly corrected, and the commissioners were completely satisfied with the satisfaction given to them, for which reason the ground for his summons lapsed, and this man was at that time very necessary in his district to keep the inhabitants in check; that the second order to fetch him...

Dutch transcription

§ 208. Wijl de Heer kommandeur bij zijnen secreeten brief van den 5:' augusto 1790. gesteld, had, dat hij niet alleen meer, maar zelfs veel meer zoude het ben kunnen zeggen, het geen niet wijnig onaang „naamheeden aan min zoude kunnen toebrengen en een gemoedelijke gebieders zo een harde taal zonder dringende reedenen en zonder bondige be„ wijzen teegen zijnen onderhoorigen in een open„ „baar bericht niet voeren zal zoo moest hier door natuurlijker wijze teegen mij het zeer ongun„ stig vermoeden verwekt worden, dat ik mij werk „lijk in mijn ampt-moest te buiten gegaan of aan deeze of geene Excessen schuldig gemaakt § 209 Jk was derhalven om mijne eer en goeden naam te verdeedigen, genoodzaakt, ter sessie van den 12:' aug: Ileeden te verzoeken, dat zijn Achtb: mogte gelast worden alles wat hij ten mijnen laste had of wist zonder reserve optegeeven, dit is hem der halven door uw wel Edele Groot Achtb: bij brief van den 27. september geinjungeerd, en om aan dit bevel te voldoen, is een gedeelte van even gem: secreeten brief meede gerigt, waer in weederom een meenigte be„ schuldigingen teegen mij ter baan gebragt worden, waer omtrend egter aan den Heer Kommandeur zeer te prij„ „zen is, dat hij zelfs staax in den beginne aan wijst, in wat klasse deese beschuldigingen t' huijs hooren„ met deese woorden. zeekerlijk zoude ik meer en zelfs veel meer hebben kunnen zeggen, indien ik boosaardig had willen zijn. baddepattoe, waer omtrend rien oy„ aangeweesen is dat deeze man op de klagten van gekommitteerden aan mij gedaan behoor„ „lijk gekoorigeerd was en gekommitteerden met de hun gegeevene satisfactie volkoomen voldaan waaren, weshalven de reeden van zijn op ontbod verviel, en deese man dier teids in zijn distrikt zeer noodzaaklijk was om de ingezietenen in toom te houden; dat de tweede order om hem naer hebben Dit 5033. § 210. Dit meer of veel meer word vervolgens door zijn achtb: in vraagen voorgesteld, die in der daad de natuur van beschuldigingen hebben, doch de„ aaff „zelven roulleeren meest alle over de oude dinge„ waarmeede zijn eerste bericht reeds aange„ gouverneur vuld was, als de tocht naar Baddegierie, met dees mijne onkunde in landzaaken en wreedheid Raad. teegen de onderhoorigen, het geval van de mod„ „liaar van de wellebaddepattoe enz:, zonder het minst nader bewijs bij te brengen en die hier voorwaards omstandig gerefuteerd zijn weshalven ik dezelven met stilzwijgen over„ slaan en alleen het nodige antwoorden zal op de volgende vraag die een nieuwe beschul„ „diging behelst. zoude ik niet hebben kunnen aan wijzen hoe de Heer van Angelbeek de Heeren Fretz en Samlant in het grootste gevaar heeft ge„ bragt, door onoverlegd kommandos te laeten uitmarcheeren, waer door de ingezeetenen in onrust en deeze kommissarissen, die zig ter bevrediging van het volk te Hakman be„ vonden in het grootst gevaar zijn gebragt § 211. Het geval waar van de Heer kommandeur hier gewag maakt, is omstandig beschreeven door E. gecommitteerde Fretz en samlant zelve bij hunnen brief van den 13:' maij 1790. Ik kandus niet onpaathijdiger handelen als dat ik dien brief zelve laat spreeken haalen, zoo als hij gehoord had, dog dat de muijtelingen hem hadden doen te rug keeren §: 217: Ten overvloede voege ik hier nog bij een autentick afschrift van de verklaring van den Kapitain Kommandant Baron von Propholoe Gepasseerde uwel Edele Gestren„ parte secreete brief ten en zal duijde„ n van gunstige dezelve in van VE: te sreete Achtbaaren Heer! die: t t Agtbaare lk ƒ brief 5010 Gepasseerde nacht om 12. uure waaren de munt „lingen in repen roer en maakten een groot geweld, en wijl dat leeven aanhield door sche wen, elkander toe te roepen, te loopen en tam blijnties te slaan, zoo wilden wij eenige min„ schen zenden, om te laaten verneemen wat er dog te doen was, maar niemand wilde eerst gaan alles was bevreest, dog Eindelyk ging onze matersen attepattoe aratie en koloen bosche kangaan den berg af, om te verneemen wat er te doen was, en zij kwaamen ons zeggen dat een komando oosterlingen in de Baijgams gekoomen was, met den tweeden tolk mohandi„ ram en zijn vader den mohandiaam der Baij gams, waer over de muijtelingen geweldig aan „gingen, en ons toeschreeuwde, dat de heele familie van de Baddekornege naer Gale in arrest moest gezonden worden, of dat het niet goed gaan zoude en wat dies al meer zij: wij resolveerden daer op om de berg af naar de flakte bij het volk te gaan dog wij zouden boodschappers voor uit om hun daer van te verwittigen, met waarschouwing, dat eenige hoofden mogten bij ons koomen waer op een heele parthij verscheenen, die het hier vooren vermelde bevestigden; onder het vragen of dat een manier van doen was, op een teid dat wij hier waaren en wat dies meer zij wij zochten hun te bevreedigen maer zij ston„ den er op, dat de Baddekornegesche familie in arrest genoomen wierden, het geen we belooven moesten intusschen kontinueerde het opvoer de geheele nacht door en baddepatcoe, waer onnoem aangeweesen is dat deeze man op de klagten van gekommitteerden aan mij gedaan behoor„ „lijk gekorrigeerd was en gekommitteerden met de hun gegeevene satisfactie volkoomen voldaan waaren, weshalven de reeden van zijn op ontbod verviel, en deese man dier teids in zijn distrikt zeer noodzaaklijk was om de ingezietenen in toom te houden; dat de tweede order om hem na naer

NL-HaNA_1.04.02_3891_0691 view scan ↗

English

5034 Honorable Sir! After daybreak, we sent word to the headmen to come to us in order to be able to confer with them about what had occurred. They then came with a party of people and complained strongly and earnestly, protesting that they no longer knew what to think, as we were present here to provide them with justice, yet commandos were being sent out from Mature. They laid the blame for this on the second interpreter C: s: and strongly insisted that he be taken into custody and punished, which we indeed had to promise to the furious people. We also again embraced this opportunity by showing them that had we been in Mature, we could have prevented such things, and that it was therefore best for us to set out on the journey thither, as the olas could then also be transported and handled more quickly, and even interpreters and writers could come from Gale for that purpose. They agreed to both points and promised to provide us with coolies as far as the Baijgams, but not to Mature, as no one wished to go there. We also immediately dispatched an open order by an ola that the headmen who had arrived with easterners in the Baijgams or thereabouts should depart at once with them to Mature. § 212. It is by no means surprising that Commander Sluijsken, who had boasted of having more, and indeed far more, against me, and now being summoned by Your Right Honorable Worships to submit this without reserve could bring nothing forward other than reheated accusations, eagerly made chase after this letter in order at least to fabricate a new accusation and brand me, in the eyes of my high rulers, as a rake and a man devoid of policy and caution. § 213. Yet from this letter itself it is clear that the aforementioned commissioners, in the case described in detail therein, ran no danger, and above all did not run the greatest danger, because the raging rebels laid the blame not on them, but on the second interpreter mohandiram of the Wellegadde pattoe, whereas it has been demonstrated that this man had been properly corrected upon the complaints of the commissioners made to me, and the commissioners were fully satisfied with the satisfaction given to them, for which reason the justification for his summoning lapsed, and this man was very necessary in his district at that time to keep the inhabitants in check; that the second order to fetch him, as he had heard, [illegible] but that the mutineers had made him turn back. § 217. For good measure, I add here an authentic copy of the declaration of the Captain Commandant Baron von Prophalow [illegible] 5035 § 214. It is therefore an arbitrary and unfounded conclusion when the Commander says that the commissioners were brought into the greatest danger by me, and thus in this respect alone this accusation cannot withstand the test of impartiality. § 215. But beyond this there is yet another small circumstance in my favor, which was very cautiously passed over in silence by the Commander and therefore ought to be cited by me, namely: That not a single word of the entire affair is true. § 216. This appears from the subsequent letters of the aforementioned commissioners of the 14th and 16th of this month, from which I request permission likewise to insert here the relevant extracts. Extract letter dated 14 May 1790, written by the aforementioned gentlemen to Hakman, as above: "During this conversation we received a letter from the Honorable Disava van Angelbeek of yesterday's date, accompanied by an attestation granted by the Honorable Captain Baron von Prophalow, whereby we were assured that no commandos have been sent out into this disavony since our arrival, other than for the relief of a corporal and three privates at Belligam; so that the alarm of the mutineers regarding the arrival of commandos in the Baijgams and the Wellegadde pattoe is false and must probably have been caused by wicked scoundrels. We shall investigate this as much as possible; in particular, upon arriving in the Baijgams we shall make inquiries there, as the mutineers were notified by an unsigned ola in the name of the aratchy of the Baijgams that a commando had arrived. Regarding that false rumor, we conferred in a fitting manner with the headmen and lower ranks of the mutineers who were present with us, and urged them no longer to believe things so easily and take them to heart without full assurance. They were also somewhat embarrassed about the matter and gave sufficient [illegible]"

Dutch transcription

5034 Achtbaaren Heer! na dat het dag was lieten wij de hoofden weeten om bij ons te koomen ten eijnde hun over „van het voorgevallene te konnen onderhouden, zij kwaemen dan ook met een partij volk en klaegden sterk en serieus onder betuijging dat zij nu niet meer wisten, hoe zij 't hadden, alzoo wij hier present waaren om hun regt te bezorgen en van Mature kommandoos uitgezonden wirden, waar van hij den schuld op den tweeden tolk C: s: leijden en ten sterksten aanhielden, dat zig in arrest genoomen en gestraft mogten werden het geen, wij wel aan de woedende menschen moesten toezeggen wij amplekteerden ook wederom deese geleegenheijd door hun te vertoonen, dat wanneer wij te Mature waaren geweest, wij zulks hadden hunnen beletten en het daarom best was, dat wij daar heen op reise gingen, als wanneer de olas ook schielijker konden handen ge transporteerd worden en daar toe zelfs stol„ „ken en schrijvers van Gale koomen konden. zij advoueerden het een en ander en be„ loofden ons koelies tezullen bezorgen tot naar de Baijgams, maar niet naer Mature, wijl niemand daar heen gaen haalen, zoo als hij gehoord had, dog dat de muijtelingen hem hadden doen te rug keeren §: 217: Ten overvloede voege ik hier nog bij een autentick afschrift van de verklaring van den Kapitain kommandant Baron von Prophaloe van VE: te sreete uwel Edele Gestren„ parte secreete brief fen en zal duijde„ n van gunstige dezelve in gouverneur wilde: die: in wij l hier gen d zij: on lk t Agtbaare Raad. met dees aaff: 50 40 brief wilde. wij zonden ook ten eersten een open order bij een ola af, dat de hoofden, die met oosterlingen in de Baijgams of daar om streeks gekoomen waaren, ten eersten met deselve naar Mature moesten vertrek §: 212. Hot is geenzints te verwonderen dat de heer kommandeur Sluijsken, die zig beroemd had, meer en zelfs voel meer ten mijnen laste te hebben en nu door uwel Ed: groot agtb: gesumineerd zijnde zulx zonder reserve op tegeeven niets anders als opgewarmde beschuldigingen wist ter baen te brengen, op deesen brief greetig Iagt maakte om ten minsten eene nieuwe beschuldiging te fabriceeren en mij, in het oog van mijne hooge gebieders, als een losbol en een man zonder beheid en voorzigtigheijd, te brandmerken §: 213. uit deesen brief zelve blijkt egter klaer, dat ge melde gecommitteerden in het daar bij omstan „dig beschreevene geval, geen gevaar en voor al „hebben niet 't grootst gevaar geloopen, hebben, door dien de razende rebollen de schuld daar van niet op honl: maar op den tweeden toek mohandirau„ logden en van hem en zijne familien wraek cischten. badde pacoe, waer ooraem aangeweesen is dat deeze man op de klagten van gekommitteerden aan mij gedaan behoor„ „lijk gekoorigeerd was en gekommitteerden met de hun gegeevene satisfactie volkoomen voldaan waaren, weshalven de reeden van zijn op ontbod verviel, en deese man dier teids in zijn distrikt zeer noodzaaklijk was om de ingezeetenen in toom te houden; dat de tweede order om hem §: 214. naer ken. 5035. §: 214: Het is derhalven eene wille keurige en ongecun- deerde gevolg trokking wanneer de heer Comman dour regd, dat de gecommitteerden door mij in het grootst gevaar gebragt zijn, en dus kan reeds in dit opzigt deese beschuldiging den loets van onpartijdigheijd niet veelen: §: 215. Dog daar is buijten dos nog een kleene omstan digheijd in mijn voordeel, die door den heer Com mandeur zeer voorzigtig met stilpwijgen is overgeslaegen en dus wel door mij diend aange- haeld teworden teweeten:/ Dat aan het heele geval geen een waar woord is. §: 216. Dit blijkt uit de nadere brieven van voorm: ge dier kommitteerden van den 14:' en 16. deeser maand waar iat ik verlof verzoek de daar van spree kende Extrakten insgelijks hier te infereeren. Extraktmissive de dato 14. Meij 1790. door evengem: Heeren van Hakman geschreeven aan als vooren. onder dit gesprek kreegen wij een brief van den E: dessave van Angelbeek van gisterigen datum verzeld van een attest door den E: kapi= haalen, zoo als hij gehoord had, dog dat de muijtelingen hem hadden doen te rug keeren §: 217: Ten overvloede voege ik hier nog bij een autentick afschrift van de verklaring van den Kapitain Kommandant Baron von Prophalber van VE tesreete uwel Edele Gestren„ parte secreete brief ren en zal duijde„ n van gunstige ^ dezelve in gouverneur ten: die: Achtbaaren Heer! Caaff met dees Raad. 50 40 t Agtbaare lk ƒ brief bij wij verzeekerd wierden, dat er geen kom mandos zeder onse komst in desse dessavonij uitgezonden waaren, dan ter aflossing van een korporaael en drie gemeenen te Belligam zoo dat het allarm der muijte „lingen weegens het aankoomen van kom= mandos in de Baijgams en de wellehadde pattoe valsch is en waarschijnlijk door quaede schurken moet veroorzaekt zijn, waar na wij zoo veel doenlijk onderzoek zullen doen, inzonderheijd zullen wij ons in de Baijgams koomende daar na infor meeren, wijl de muijtelingen bij een ongetee- „ een „kende ola op de naem van de arraetje der Baijgans geadverteerd zijn, dat er een kom mando gekoomen was. over dat valsche geruegt hebben wij de hoofden en mindere der muijtelingen die bij ons present waaren op een gepaste, wijze onderthouden en hun aangerekommandeerd om niets meer zoo ligt te gelooven en ter harte te neemen, zonder volkoomen verzeekering zij waaren over die zaek ook wat verleegen, en gaven genoegsaam „tain Baron van Rophalon verlaend, waa baddepanoi, waer vooen aangeweesen is dat deeze man op de klagten van gekommitteerden aan mij gedaan behoor„ „lijk gekoorigeerd was en gekommitteerden met de hun gegeevene satisfactie volkoomen voldaan waaren, weshalven de reeden van zijn op ontbod verviel, en deese man dier teids in zijn distrikt zeer noodzaaklijk was om de ingezietenen in toom te houden; dat de tweede order om hem geen. naer

NL-HaNA_1.04.02_3891_0695 view scan ↗

English

5040. Honorable Sir! had assistance of people, as he was not a first head of the corle, and thus could not always obtain as many people for his service as he very likely needed. He never complained to me about this; meanwhile it is certain that 5036 received no answer other than that they excused themselves with the received ola, which however, while we required it of them, they said they did not have in their hands. Extract of a letter dated 16 May 1790, written by the aforementioned Gentlemen of Mature to as above. In the Baygams we questioned the aratchy Wiemelle Goenejegene regarding the ola that the mutineers had received, and in which it was stated that this aratchy made known to them that a commando had arrived in the Taygams; but he denied having written such an ola or knowing anything about it, and testified that there was no commando either, but only the mohandiram of the Baygams had been in that district to collect his paddy, as he had heard, but that the mutineers had made him turn back. Section 217: For good measure, I add hereto an authentic copy of the declaration of the Captain Commandant Baron von Rophalon, granted [illegible] whereby we were assured that no commandos had been sent out in this dessavony since our arrival, except for the relief of a corporal and three privates at Belligam, so that the alarm of the mutineers on account of the arrival [illegible] testifies that around that time no commandos were sent out. Section 218: And now I leave it respectfully submitted to the impartial judgment of Your Right Honorable and my further high rulers what this accusation is to be held for, which is nevertheless the only new one that the lord Commander, who had so unreservedly boasted of having much, even very much, to my charge, was able to bring forward, after he had been enjoined by Your Right Honorable to state everything he knew without reserve. Section 219: I trust therefore also that Your Right Honorable upon investigation will find that I have never intentionally insulted the lord Commander and he thus had no reason to complain about me and to demand satisfaction from me, and furthermore that the accusations which His Honor has brought against me are unfounded and devoid of all truth, and that I concerning this at the final decision 5037. decision of all these frivolous complaints and accusations shall be declared acquitted. I have the honor to be with all respect and high esteem, below stood, Right Honorable high ruling Sir and Honorable Sirs, Your Right Honorable and Honorable's faithful and obedient servant, was signed, C. van Angelbeek, in margin, Colombo the 6th of May 1798. Agrees, Sybrands Vijkelerk Council. 5040. Honorable Sir! had assistance of people, as he was not a first head of the corle, and thus could not always obtain as many people for his service as he very likely needed. He never complained to me about this; meanwhile it is certain that he did and executed much more than the two latter ones. In the beginning he had not the least regarding his plantations [illegible] 5038. No 1. Galle To the Right Honorable Sir Cornelius Dionysius Kraijenhoff, Governor of the city and lands of Galle, Mature etc. etc. Honorable Sir The papers accompanying this, which I have the honor to present to Your Honor, consist of an instruction granted by me to the sergeant and Postholder of Tangalle, Hendrik Brinkman, for the surveying of the Magampattoo; the report of the said Postholder of what was performed by him to that end, with the drawings added and produced by him thereto; and a memorandum from me accompanying the very same report, wherein according to my best ability I point out the means to make this province, which has hitherto been entirely overlooked, [illegible]

Dutch transcription

5040. ¶ Achtbaaren Heer! assistentie aan volk gehad heeft, alzoo hij geen eerste, hoofd van de horl geweest is, en dus ook niet altoos zoo veel volk tot zijn dienst heeft konnen krijgen, als hij veel ligt noodig gehad heeft. Hij heeft hier over zig bij mij nooijt geklaegd, intusschen is het zeeker dat 5036 e geen antwoord dan dat zij hun met de ontvangene ola verschoonden, die zij echter, terwijl we hem requireerden, zeiden niet in hunne handen te hebben. Extrakt missive de dato 16:' Maij 1790. door voorm: Heeren van Mature geschreeven aan als als vooren. In de Baijgams stelden wij den arraetje Wiemelle Goenejegene te reeden, weegens de ola die de muijtelingen ontvangen hadden, en waar bij stond, dat die arraetje hun bekend maekte, dat er een kommando in de Taijgams was gekoomen, dog hij ontkende een dusdanige ola te hebben geschreeven of iets daar van teweeten, en betuijgde dat er ook geen kommando maar alleen den mohandiram der Baijgams in dat distrikt zij geweest, om zijn Nelie afte= haalen, zoo als hij gehoord had, dog dat de muijtelingen hem hadden doen te rug keeren §: 217: Ten overvloede voege ik hier nog bij een autentick afschrift van de verklaring van den Kapitain Kommandant Baron von Prophabeer van VE: te creete uwel Edele Gestren„ parte secreete brief ten en zal duijde„ n van gunstige ^ dezelve in gouverneur die: 8 Raad. met dees raaff: 5040 t Agtbaare eek. t brief „tein Baron von Rophalon verleend, wa bij wij verzeekerd wierden, dat er geen kom mandos zeder onse komst in desse dessavonij uitgezonden waaren, dan ter aflossing van een korporaal en drie gemeenen te Belligam zoo dat het allarm der muijte lingen weegens het aankomen vaor bruar die getuijgd dat om dien tijd geene komman dos uitgezonden zijn. §: 218. En nu laat ik het aan het onpartijdig oordeel van uwel Ed: groot agtb: en mijne verdere hooge gebieders eerbiddig gedesereerd waar voor deese beschuldiging te houden zij, die egter de eenigste nieuwe is welke de heer kommandeur dig zig zoo volmondig beroemd had, nog veel zelfs heel veel, ten mijnen lasten te hebben, heeft weeten te voorschijn te brengen, na dat hen, door uwel Ed: groot agtb: geinsungeerd was alles wat hij wist zonder reserve op te „geeven. §: 219: Jk vertrouwe derhalven ook dat uw wel Ed: Groot agtb: bij onderzoek bevinden zullen dat ik den heer Commandeur nooit met opzet beleedigd hebbe en hij dus geen reeden gehad heeft over mij te klaegen en van mij satis faktie te vraegen, en voorts dat de beschul„ „digingen, die zijn agtb: teegen mij ingebragt heeft ongesundeerd en van alle waarheijd ont bloot zijn, en dat ik over zulx bij de finaele decisie. naer 5040. ¶ Achtbaaren Heer! assistentie aan volk gehad heeft, alzoo hij geen eerste, hoofd van de horl geweest is, en dus ook niet altoos zoo veel volk tot zijn dienst heeft konnen krijgen, als hij veel ligt noodig gehad heeft. Hij heeft hier over zig bij mij nooijt geklaegd, intusschen is het zeeker dat „ 5037. lot decisie van alle deese friwvoole klagten en beschiel digingen zal vrij verklaard worden. Ik. heb de eere met alle eerbied en hoogachting „te zijn /:onderstont:/ wel Ed: groot agtbaere hoog gebiedende heer en wel Edele heeren uwerwel Ed: Groot agtb: en Edele getrouwe en Gehoorzaeme Dienaar /:was geteekend:/ C: van Angelbeek /:in margine:/ kolombo den 6: Maij 1798: —. uwel Edele Gestren„ parte secreete brief ten en zal duide„ n van gunstige ^dezelve in raaff gouverneur Akkordeert Sijbrands Vijkelerk d Raad. met dees 50 40 H Agtbaare elk. van VE te reeten ƒ brief vagezien bij wij verzeekerd wierden, dat er geen kom mandos zeder onse komst in desse dessavonij uitgezonden waaren, dan ter aflossing van een korporaael en drie gemeenen te Belligam zoo dat het allarm der muijte „tain Baron van Rophalon, verleend, w Metre H lingen weegens het aankomne vaor bruaa naer 5040. t Achtbaaren Heer! assistentie aan volk gehad heeft, alzoo hij geen eerste, hoofd van de horl geweest is, en dus„ ook niet altoos zoo veel volk tot zijn dienst heeft konnen krijgen, als hij veel ligt noodig gehad heeft. Hij heeft hier over zig bij mij nooijt geklaegd, intusschen is het zeeker dat hij veel meer gedaen in uitgevoerd heeft dan de beijde laesteren. In den beginne heeft hij omtrent zijne plantagies geen het minste in 1 en rett „ wel mar ver aan me 503. 8. No 1. Gale Aan den E: E: Achtbaaren Heer Cornelius Dionijsius Kraijenhoff, gezaghebber der stad en Landen van Gale Mature etc: etc: t Agtbaare E: Achtbaare Heer De deezen verzellende papieren die ik de eere hebbe uw E: E: agtb: aantebieden bestaen in eene instruktie door mij op den sergeant en Posthau„ „der van Tangaals Hendrik Brinkman ver „leend, tot het opneemen van de Magampattoe Het rapport van gem: Posthouder van het door hem verrigtede ten dien eijnde met de daar bij door hem gevoegde en vervaardigde teekeningen, en eene memorie van mij ten gelijde van even- gem: rapport waar bij ik na mijn best vermoo„ gen aanwijze de middelen om deese tot nu toe geheel, buijten aanmerking geweest zijnde van VE te Creete uwel Edele Gestren„ parte secreete brief ten en zal duijde n van gunstige ^dezelve in „gouverneur provintie: raaff met dees Raad. elk. t brief 3 50 1/40

NL-HaNA_1.04.02_3891_0700 view scan ↗

English

having seen Captain Baron van Rophalon, granted, whereby we were assured that no commandos had been sent out since our arrival in this Dessavony, except for the relief of a corporal and three privates at Belligam, so that the alarm of the mutineers regarding the arrival of [illegible] to bring the province back into a more flourishing state and to populate it. I shall not detain Your Right Honourable regarding the contents of this report and the repeatedly mentioned report of the Postholder Brinkman herewith, as I have attempted in the report itself to treat everything with the utmost clarity. Only, it has seemed proper to me to speak here in somewhat more detail about those who have engaged themselves to establish a certain number of plantations for the benefit of the Honourable Company. With my report Your Right Honourable will find a note of those among them whose time has now already expired, and who have not fulfilled their engagements. The first, second, third, fifth, and sixth entered into these engagements in order to obtain the offices presently held by them, the seventh to be exempted from his compulsory services, and the fourth to retain his offices which he already held. Nothing is certainly fairer than that those who voluntarily bind themselves to something and on account of this engagement of theirs request and obtain a favour, are punished if they 5040. Right Honourable Sir! Right Honourable had assistance in men, as he was not the first head of the Korale, and thus could not always obtain as many men for his service as he may well have needed. He has never complained to me about this; meanwhile it is certain that he has done and carried out much more than the latter two. In the beginning he made not the least effort regarding his plantations, but rather gave himself over to a 5039. if they do not fulfill their promise, and especially if that punishment is imposed upon them which they themselves have determined. The first, second, third, fifth, sixth, and seventh have thus not the least reason for complaint, not only that the fine which they agreed to pay in case they did not fulfill their promise and engagement is collected from them, but also if their present offices are taken from them, since this condition is also expressly stated in their deed of engagement. The first three have failed so shamefully in fulfilling these engagements of theirs as is only possible, and that which they have accomplished in satisfaction thereof is not worth mentioning, especially by the second and third. The first, being the Mohandiram and second head of the Morwa Korle, Abedewakere Wirekoon Maberne, has, instead of 50000 cinnamon trees, 15000 areca trees, and 15000 cardamom plants which he was to plant, planted no more than 4025 cinnamon, 7030 areca, and 110 cardamom saplings, all still of Your Honour to speak Your Right Honourable separate secret letter and will clearly of favourable the same in Governor 50 40 Jonge raaff with this Council. each. c letter having seen whereby we were assured that no commandos had been sent out since our arrival in this Dessavony, except for the relief of a corporal and three privates at Belligam, so that the alarm of the mutineers regarding the arrival of Captain Baron van Rophalon granted, was young saplings; the second, the Maha Vidane Mohandiram over the fishermen, Duvenoewere Wiedaviere Goeneratne, has instead of 70000 cinnamon planted only 3264 cinnamon trees. The Maha Vidane of the fishermen of Deondure, Deminoewere Jajewiere Goenewardene Wikkremeratne, instead of 25000 cinnamon trees has planted only 4526 ditto. I am therefore compelled hereby to request that these three persons may not only be condemned to the fine which they agreed to pay on account of their negligence and omission in fulfilling their engagement, but that they may also be removed from their present offices, and I have the honour to make this request especially regarding the last two headmen over the fishermen, as they lacked neither people nor subordinates, and thus also no means to fulfill their promise. More grounds for excuse has the first, the Mohandiram and second head of the Morwa Korle, as it is certain that he had less assistance S 5040. Right Honourable Sir! assistance in men, as he was not the first head of the Korale, and thus could not always obtain as many men for his service as he may well have needed. He has never complained to me about this; meanwhile it is certain that he has done and carried out much more than the latter two. In the beginning he made not the least effort regarding his plantations, but rather gave himself over to dissolute conduct; at present he has completely reformed himself in this regard, and at the same time commenced the work of the plantations; besides that which he has planted, there are still to be found in his plantations 5000 cinnamon saplings and 3000 ditto areca on the beds, and pursuant to his likewise contracted engagement he has delivered the promised 3 amunams of cardamom gratis to the Honourable Company. Were I not afraid of incurring the displeasure of Your Right Honourable and of the Esteemed Ceylon Government against me on account of the bad example, Your Right Honourable separate secret letter and will clearly just as to lay. of favourable We qualify Your Honour herewith to authorize the Honourable Dessave van Angelbeek to execute the aforesaid Plan of his for the improvement of the Magampattoe just as it lies. Your Honour must thereby to the said Honourable van Angelbeek, of Your Honour to speak Governor that out raaff with this Council. Right Honourable each. 50 40 letter

Dutch transcription

vagezien Mne „tein Baron van Rophalon, verleend, m bij wij verzeekerd wierden, dat er geen kom mandos zeder onse komst in deese dessavonij uitgezonden waaren, dan ter aflossing van een korporaal en drie gemeenen te Belligam zoo dat het allarm der muijte lingen weegens het aankoomen van bran provintie weeder in eenen bloeijender staat te brengen en te bevolken. Jk zal uw E: E: agtb: over den inhoud van deese memorie en het meermeld Rrappord van den Posthouder Brinkman bij deesen niet ophouden alzoo ik bij de memorie zelfs getragt hebbe alles met de meeste duijde lijkheijd te verhandelen Alleenig, zij het mij geoordeelt hier bij wat meer uitvoerlijk te spreeken over hun die zig verbonden hebben om een zekere getal van plantzoenen ten voordeele van de Edele komp: aanteleggen. Bij mijne Memorie zal uw E: E: agtb: eene notitie vinden van zodanige onder hun welkers tijd tans reeds verstreeken zijn, en die aan hunne verbintenissen niet voldaen hebben de eerste, tweede, derde, vijfde, en sesde hebben deese verbintenissen aangegaen, ter verkrij„ „ging van de door hen tegenswoordig bekleed wer„ Dise sevende zon van hunne verpligte dienste dende diensten ^ bevrijd te zijn ende vierde om hunne diensten die zij reeds bekleeden, te behou„ den Niets is zeeker billijker, dan dat zij die zig vrijwillig tot iets verbinden en uit hoof de van deese hunne verbintenis een gunst verzoeken en verkrijgen, gestraft worden, als zij 5040. t Achtbaaren Heer! H Agtbaare assistentie aan volk gehad heeft, alzoo hij geen eerste, hoofd van de horl geweest is, en dus„ ook niet altoos zoo veel volk tot zijn dienst heeft konnen krijgen, als hij veel ligt noodig gehad heeft. Hij heeft hier over zig bij mij nooijt geklaegd, intusschen is het zeeker dat hij veel meer gedaen in uitgevoerd heeft dan de beijde laesteren. In den beginne heeft hij omtrent zijne plantagies geen het minste merk. armrekt maar veel meer zig aan een 5039. zij hunne belofte niet nakoomen, en inzonder heijd zoo hun die straffe opgelegd wordt die zij zig zelver hebben bepaalt. De eerste, tweede, derde, vijfde sesde en sevende hebben dus geene de minste reedenen, van klagte, dat hun niet alleenig de boete, die zij aangenomen hebben om te betaalen ingevalle zij hunne belofte en verbintenis niet nakwaemen, worden afgenoomen, maar ook indien hun hunne presente diensten worden ontnoomen wijl deese voorwaarde ook, wel Expresselijk bij hunne akte van verbintenis bekent staat. De drie eersten hebben het zoo schandelijk in het nakoomen van deese hunne verbintenissen laaten leggen, als het maar moo- „gelijk is, en het geene zij in voldoening van deselve hebben verricht is niet noemers waardig voor- naementlijk door de tweede en derde de eerste zijnde de Mohandiram en tweede hoofd van de marria korle Abedewakere wirekoon Maberne, heeft instoede van 50000: kanneel boomen 15000. arreeks boomen en 15000. kardemom stoelen, die hij moeste aan planten niet meer aangeplant dan 4025 kanneel 7030. arreek en 110. kardemon, plantjes, alle nog van VE te sreete uwel Edele Gestren„ parte secreete brief ten en zal duijde„ n van gunstige ^dezelve in „gouverneur 50 40 Jonge: raaff met dees Raad. elk. c brief vagezien Mine bij wij verzeekerd wierden, dat er geen kom mandos zeder onse komst in desse dessavonij uitgezonden waaren, dan ter aflossing van een korporaal en drie gemeenen te Belligam zoo dat het allarm der muijte lingen weegens het aankoomen van brun „tain Baron van Rophalon verlaend, wa Ionge plantzoenen: de tweede, de Mahairdaa„ mohandiram over de vissers, Duvenoewere wiedaviere Goeneratne heeft insteede van 70000: kanneel maar 3264: kanneel boomen aangeplant. De Mahavidaen van de visfers van deondure, De minoewere Jajewiere Goenewardene wikkreme- ratie instoode van 25000. kanneel boomen maar 4526. 8 —. aangeplant. Jk ben dus genoodsaekt bij deese te verzoeken, dat deese drie perzonen niet alleenig de boete die zij wegenteise hunne nalatigheijd en verzuijmenis in het nakoomen van hunne verbintenis aangenoomen hebben te betaalen moogen gekondemneerd worden maar dat zij ook uit hunne presente, diensten moogen gestelt worden, en dit verzoek hebbe ik de eere inzonderheijd te doen omtrend de twee laeste hoofden over de vissers, wijl het hun aan geen volk en ondergeschikten ge= mankeert heeft en dus ook aan geene mid- delen om hunne belofte natekoomen. Meer reedenen van verschooning heeft de eerste de mohandiram en tweede hoofd van de Morwa- korle wijl het zeeker is, dat hij minder assistentie S 5040. ¶ Achtbaaren Heer! assistentie aan volk gehad heeft, alzoo hij geen eerste, hoofd van de horl geweest is, en dus ook niet altoos zoo veel volk tot zijn dienst heeft konnen krijgen, als hij veel ligt noodig gehad heeft. Hij heeft hier over zig bij mij nooijt geklaegd, intusschen is het zeeker dat hij veel meer gedaen in uitgevoerd heeft dan de beijde laesteren. In den beginne heeft hij omtrent zijne plantagies geen het minste werk gemaekt, maar veel meer zig aan een liederlijk gedrag overgegeven thans heeft hij zig hier omtrent ten vollen gebeetert, en tevens het werk der Plantagien aantevangen behalven het geene hij aangeplant heeft, zoo zijn en zijne plantagies nog te vinden 5000. kanneel plant„ „jes en 3000. d. —. arreeks op de beddings, en hij heeft ingevolge zijne ingelijks aangegaene verbintenis de beloofde 3. anmonams kardeman, voor niet aan de Edele Comp: geleeverd zoo ik niet bevreesd waare het ongenoegen van uw E. E: agtb: en van de greerde Ceilonse regeering teegens mij te verwekken, weegens het kwaed voorbeeld, uwel Edele Gestren„ parte secreetse brief ten en zal duijde„ zoo als te leggen. n van gunstige Wij qualificeeren uE: mids dien, om den E: des- save van Angelbeek te authoriseeren, om voorsz: ^dezelve in zijn Plan ter verbeetering van de Magampattoe te Executeeren zoo als het legd. uE: moeten daar bij gemelden E: van Angelbeek, van VE te sreeke „ gouverneur dat uit: raaff met dees Raad. H Agtbaare elk. 50 40 brief

NL-HaNA_1.04.02_3891_0704 view scan ↗

English

that too great a leniency in this matter would give to others, thus I would take the humble liberty to request Your Right Honourables and the esteemed Council of Ceylon to grant the said Maberne Mohandiram, upon payment of the fine of 400 rixdollars undertaken by him, another year of respite for the fulfillment of his undertaken engagement, under this express condition that if by then he shall not have fulfilled it in full, he shall immediately and without any further proposals be dismissed from his present service. The fifth and sixth have, in proportion to their means and the peoples under their command, accomplished considerably more than the three persons just mentioned. The fifth, being the Kattebende Don Simon Molewiere, has of the undertaken 14800 cinnamon and areca trees as well as pepper vines planted 1918 cinnamon, 3142 areca, and 5 pepper vines; and the sixth, the Pattikere or cattle-herders' Vidaan Jantie Perera Abegoenewardene, of the 25000 cinnamon and areca trees, 2758 cinnamon, 392 areca, and 12 pepper vines; I have the honor in particular to do regarding the two last headmen over the fishermen, since they have had no lack of people and subordinates, and thus also no lack of means to fulfill their promise. More grounds for excuse has the first, the Mohandiram and second headman of the Morwakorle, since it is certain that he had less assistance. Honourable Sir! Right Honourable Council. These people are fully prepared to pay the fine undertaken by them, the first of 100 rixdollars and the second of 50 rixdollars, but have very urgently requested of me to be allowed to retain their present services, as they would otherwise be completely ruined; this humble prayer of theirs I have the honor to recommend most favorably to Your Right Honourables, as they are genuinely indigent people; since it is, however, no more than fair that they fulfill the engagement once entered into by them, I thus request that a new term of another three years may be granted them for its completion, as it is not well possible for them with the meager means they have at hand to accomplish this work sooner, and under this condition that if they shall then not have fulfilled this engagement of theirs, they shall then immediately be dismissed from their services. The seventh are four brothers who live in my maintenance village and, in order to be exempted for one year from their obligated services in the village, Your Right Honourable separate secret letter and shall clearly as to lay. of favorable We hereby qualify you to authorize the Honourable Dessave van Angelbeek to execute his aforementioned plan for the improvement of the Magampattoe just as it lies. You must thereby to the said Honourable van Angelbeek, of Your secret Governor out. Council. each letter had bound themselves under a fine of 50 each to plant in that year 10000 cinnamon and areca trees as well as pepper vines; instead of one year, I have now left them free for three years from those services which they were otherwise obligated to perform for me or for the village, in the hope that they would fulfill their promise and the Honourable Company would thus be advantaged; instead of answering to this indulgence, however, they have planted no more than 2810 cinnamon trees and 25 pepper vines. To that end, I have already caused the stipulated fine to be paid, which rests with the present vidaan of the maintenance village, so that if my humble proposals for the restoration of the Magampattoe are approved by the esteemed Council of Ceylon, it may be used to restore this province and otherwise to deal with it as the aforementioned venerated Government shall be pleased to command regarding the remaining fine monies of those whose engagements have already expired. Entirely different is the case of the headmen over the Tamblinjeros of the Attepattoe than of all the persons mentioned here before. These headmen over the Tamblinjeros were already headmen when they entered into their engagements; they did not bind themselves to the plantations undertaken by them because they received a favor, but they bound themselves to this because other envious persons sought their posts, offering to make some plantations for the Honourable Company. Their entered engagement is therefore by no means a free and unconstrained action, but an act of or out of fear. One of these headmen has, out of fear, fled the country with his family; at least, I have not been able to discover him up to now. The other, on the other hand, has agreed to pay the fine of 200 rixdollars because they have not fulfilled their engagement, as having instead of 70000 cinnamon and areca trees as well as pepper vines, as to lay. We hereby qualify you to authorize the Honourable Dessave van Angelbeek to execute his aforementioned plan for the improvement of the Magampattoe just as it lies. You must thereby to the said Honourable van Angelbeek, Your Right Honourable separate secret letter and shall clearly of favorable the same in of Your secret out. Governor with this Council. letter

Dutch transcription

dat eene te groote toegevendheijd in dit stuk aan andere zoude geeven, zoo zoude ik de oodinge dige vrijheijd gebruijken uw E: E: agtb: en de g'eerde Calonsche regeering te verzoeken gemelde Ma= berne Mohandiram, onder het betaelen van de door hem aangenoomene boete van rd:s 400: nog een Iaar Leijds te vergunnen ter volbrenging van zijne aangenoomene verbintenis, onder, deese expresse mits, dat als bij die dan, niet ten vol„ len zal hebben volbragt, hij dan ten eersten en zonder eenige nadere voorstellen van zijne presenten dienst zal vervallen. De vijfde en sesde hebben na evenreedigheijd van hun vermoogen en van de onder hun staende volkeren vrij meer uit gevoerd dan de zoo evenge melde drie perzoonen. De vijfde zijnde de Cattebende Don Simon Molewiere heeft van de aangenoomene 14800. kanneel en arreeks boomen, als meede peeper ranken 1918. kanneel 3142: arreeks en 5. peeper ranken aangeplant en de sesde de Pattikere of veehoeders Vidaen Jantie Perera, Abegoenewardene van de 25000: kanneel en arreek bomen 2758. kanneel 392: arreek en 12. peeper ranken; ik de eere inzonderheyd te doen omtrend de twee laeste hoofden over de vissers, wijl het hun aan geen volk en ondergeschikten ge= mankeert heeft en dus ook aan geene mid= delen om hunne belofte natekoomen. Meer reedenen van verschooning heeft de eerste de mohandiram en tweede hoofd van de Morwa- korle wijl het zeeker is, dat hij minder Deese. assistentie 5041 Achtbaare, Heer! H Agtbaare Deese menschen zijn ten vollen bereijd van de op zig genoomene boele de eerste van rd:s 100: en de tweede van rd:s 50. te betaelen, maar hebben, zeer instantig bij mij verzogt om hunne presente diensten temoogen behouden, wijl zij anders geheel ge ruineerd zijn, deese hunne oodmoedige beede hebbe ik de eere uw E: E: agtb: op het gunstigste voortedraegen wijl zij wezendlijk behoeftige menschen zijn, wijl het egter niet meer dan billijk is, dat zij hunne eens aangegaene verbintenis volbrengen, zoo verzoeke ik dat hun tot dies volbrenging een nieuw ter mijn van nog drie Iaaren mag verleend worden, wijl het hun niet wel moogelijk is met de weijnige middelen, die zij aanhanden hebben dit werk eerder te vervullen en onder die mits zoo zij, als, dan deese hunne verbin „tenis niet tezullen zijn nagekoomen, dat zij als dan ten eersten van hunne diensten zullen voorvallen. De sevende, zijn vier broeders die in mijn dispens dorp woonen en om van hunne verpligte dienste in het dorp bewijd te zijn, voor een Jaar uwel Edele Gestren„ parte secreete brief ren en zal duijde„ zoo als te leggen. n van gunstige Wij qualificeeren uE: mids dien, om den E: des- Save van Angelbeek te authoriseeren, om voorsz: ^dezelve in zijn Plan ter verbeetering van de Magampattoe te Executeeren zoo als het legd. uE: moeten daar bij gemelden E: van Angelbeek, van VE: tecreete gouverneur zig. uit. Caas met dees Raad. 5040 elk brief zig verbonden hebben gehad op eene boete van 50: in dat jaar aante planten, 10000: kanneel en arreeks boomen als meede peeper ranken, in steede van een Jaar heb ik hun die diensten die zij anders verpligt waaren voor mij of voor dorp te verrigten nu drie Jaaren vrij gelaaten, in hoope dat zij aan hunne belofte zoude voldaen, en de Edele komp: dus zoude bevoor= deeld worden zij hebben egter insteede van aan deese toegevendheijd te beantwoorden, niet meer aangeplant dan 2810. kanneel boomen en 25:-. peeper ranken. Ik hebbe ten dien eijnde de gestelde, boete reeds doen betaalen, die onder den presenten vidaan van het dispens dorp berust ten eijnde zoo mijne nedrige voorstellen ter her- stelling van de Magampattoe door de gieerde Ceilonse regeering goedgekeurt worden te gebruiken tot het weeder in staet brengen van deese pro- vintie en anders brengen van deeze provintie, en anders om daarmeede te handelen zoo als welgemelde gevenereerde regeering omtrent de overige boete gelden van hun welkers verbin- in die eere in wnaerheyd te doen omtrend de twee laeste hoofden over de vissers, wijl het hun aan geen volk en ondergeschikten ge= mankeert heeft en dus ook aan geene mid- delen om hunne belofte natekoomen. Meer reedenen van verschooning heeft de eerste de mohandiran en tweede hoofd van de Morwa- korle wijl het zeeker is, dat hij minder tenissen: assistentie 5042. Achtbaaren Heer! H Agtbaare „tenissen reeds verstrecken zijn zal gelieven te beveelen geheel anders is het geval van de hoofden over de Tamblinjeros van de attepattoe dan van alle de hier bij tevooren gem: perzoonen. Deese hoofden over de Jamblinseros, waaren reeds hoofden toen zij hunne verbintenissen aangingen, Raad. zij hebben zig dus tot de door hun aangenoomen aanplantingen niet verbonden wijl zij een gunst verkreegen, maar zij hebben zig hier toe verbon= „den, wijl andere wangunstige hunne diensten verzogten onder aanbieding van voor de Ed: Comp: eenige aanplantingen te zullen doen hunne aange- „gaene verbintenis is dies in geenen deele eene vrije en onbedwongene handelwijze, maar een daed van of uit vreese een van deese hoofden heeft zig uit vreese met zijn familio uitlan„ dig gemaakt ten minsten hebbe ik hem tot nu toe nog niet konnen ontdekken, de andere daar in teegen heeft aangenoomen de rd=s 200: -. boete wijl zij aan hunne verbintenis niet nagekoomen zijn, als hebbende zij insteede van 70'000: kanneel en arroiks boomen als meede zoo als te leggen. Wij qualificeeren uE: mids dien, om den E: des- Save van Angelbeek te authoriseeren, om voorsz: zijn Plan ter verbeetering van de Magampattoe te Executeeren zoo als het legd. uE: moeten daar bij gemelden E: van Angelbeek, uwel Edele Gestren„ parte secreete brief manten en zal duijde„ n van gunstige ^dezelve in van VE tesreete peeper: uit: Caaff gouverneur met dees 5040 eek. brief

← previousnext →