Inventory 3910
Japan · 526 pages · 274 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
397 the 27th of February 1790. I also gave my consent to it, however under this express desire, that Radien Hadjie had to appear here before me in Sourabaija in person, not only to make the request to me, but because I was also desirous to converse with him orally about one thing and another regarding his affairs, and among other things the reasons why he had absented himself so very quietly from Batavia to Balij, without beforehand having requested permission thereto from Their High Excellencies according to obligation; and because I persisted in it, that this Raden Hadjie should not depart further from Grissee, without beforehand having been here according to duty and obligation, I sent some cruising vessels to Grissee to have his vessel watched, so that it would not undertake the journey in secret, toward which he had already on a certain night given indications that he intended to do so, by letting his vessel drift off and on to Poelo Menaar, in order to follow in person with a yawl or chiampang, and thus, after he had been provided with what was necessary, to make off; but perceiving that he was being watched by the cruisers, being subsequently in Grissee, where a good lodging on shore had been provided for him at his own request, he took the decision to retire to the uplands on a certain night, abandoning his wife and son, as well as vessel and goods, and thus to absent himself once again in quiet and through a shameful desertion from the Company; but the Javanese Emperor and Sultan, being informed of this, had him searched for in their districts and sent to Samarang, where he was also sent to Batavia by the Lord Councillor of the Indies, as well as Governor and Director of Java, at the disposal of Their High Excellencies, who subsequently also gave authorization to have his vessel and goods left behind in Grissee sold to the highest bidder, in order as much as possible to stretch toward payment of the debts that he had left behind in Batavia upon his desertion. This being the true account, just as it occurred with Raden Hadjie, and upon which Your Highnesses can rely, it surprises me not a little how Your Highnesses can pose it as very unfounded, as if one had thereby sought to break the friendship between the Company and Your Highnesses and to destroy the contract, in which indeed not the slightest semblance nor proof is to be found, for besides that one had as little called Radeen Hadjie to Grissee, but he appeared there out of his own motives, as that one had the intention to do him any harm, Their High Excellencies would surely and certainly have concerned themselves with him no longer, if Raden Hadjie had remained in Balij, and, not returning under the Company's resort, had not made himself guilty once again without necessity of a shameful desertion, which conduct even the Javanese princes as well as his own brother-in-law, the Panumbehan of Madura, have detested, and therefore also by order of the just-mentioned princes, as said before, he was apprehended and sent to Samarang. Whether Your Highnesses now have reason with cause to think that one seeks to break the friendship and destroy the contracts by sending Raden Hadjie to Batavia, I leave to the further consideration of Your Highnesses, for if this were so, then the envoys recently sent by Your Highnesses to Batavia would not have been received and welcomed so kindly and with so much grace by Their High Excellencies the High Indian Government, about which those envoys, even upon their return here, have made known their contentment, which in my judgment is a sufficient proof that the Company has no intention to break the friendship without necessity, as little with Your Highnesses as with others, nor to destroy the contracts, which on the contrary always
Dutch transcription
397 den 27:e februarij 1790. „vende gaf ik er ook mijne toestemming toe, onder deese ex„ „presse begeerte egter, dat Radien Hadjie hier bij wij te sourabaija in persoon moest verschijnen, om niet alleen het versoeck bij mij te doen, maar wijl ik ook begeerig wag hem over het een en ander mondelijks, betreffende sijne zaaken, en onder anderen de redenen waarom sig so seer in stilte van Batavia naar Balij geabsenteert had, te onderhouden, sonder alvoorens na gehoudenisse daartoe van Hunne Hoog Edelheeden permissie te hebben versogd; en om dat ik 'er op persisteerde, dat dien Radem Hadjie niet weeter van Griffee vertrekken soude, sonder alvoorens na pligt en gehoudenisse hier geweest te sijn, sond ik eenige kruijssers vaartuiygen na Griffee om sijn vaar„ „tuyg te doen gade verlaan, dat niet in vertelte de reijse quam aanteneemen, waartoe hij bereids op sekere nagt blijken had gegeeven, dat van voornemen was sulx te doen, door doen hij sijn vaartuijg tot af en aan poelo Menaar had laaten afdriven, om in persoon met een Jol of Chiampang te volgen, en so, na dat hij van het noodige was voorsien ge„ „worden, de verpat te setten; doch bespeurende dat hij door de kruijssers bewaakt wierd, neemd hij vervolgens te Grisset sijnde, alwaar men hem op sijn eijgen ver„ „foek aan de wal een goed vrogif besorgd had, het besluijt om sig op seekere nagt na de bovenlanden te retireeren, met agtertaling van sijn Bijwijl en soon, mitsgaders vaartuijg en goederen, en sig duf daardoor andermaal in stilte en door eene schandelijke desertie van de Compagnie te absenteren; dog der Javasche keijser en Sutthan hier van verwittigd wordende, hebben hem in hunne divertricten laaten opsoeken en naar samarang gesonden alwaar hij ook door den Heere Raad van Jndie, mitsgaders gouverneur en directeur van Java, na Batavia is ge„ „sonam ter dispositie van Hunne Hoog Edelheeden die vervolgens ook qualificatie hebben gegeeven om fijn te Gris„ „see agtergelaaten vaartuijg en goederen voor het meest biedende te doen verkoopen, om so veel doenlijk was te vertrekken en betaling van de schulden, die hij bij sijn defertie te Batavia agtergelaten had„ Dit het suijver verhaal sijnde, so als het sig niet den Raden stadje heeft toegedragen, en waarop uw Hoogheiden staat maken kunnen, vervondert het mij niet weijnig hoe uw Hoogheeden vert veer onge„ „grond kunnen posseeren, als of men daar door getragt had de vriendschap tusschen de Compagnie en uw Hoogheeden te breken en het Contract te vernieligen, waarin immers geen het minste schijn nog blijk te vinden if, want behalven dat men Radeen Hadjie so min naar Grifsee geroepen had, maar daar uijt eijgen moliven is ver„ „verheren, als dat men het oogmerk gehad heeft hem enig leet aan te doen, souden vast en seker Hunne Hoog Edelheeden sig den selven niet meer hebben laten aangelegen leggen, indien Raden stadjie te Balij was verbleven, en sig niet weder onder 's Comp„s report begevende, sig andermaal sonder noodsakelijkheid aan eene schandelijke de„ „sertie had schuldig gemaakt, welke handelwijs selfs de Javase vorsten so wel als sijn eijgen behuwd broeder, den panumbehan van Madura hebben versoeijd, en daarom onk op order van evengem: vor„ „sten als voorsegd opgevaten naar Samarang gesonden is, of nu uw Hoogheiden reden hebben met grond te denken, dat men door het senden van Raden Aadjie na Batavia de vriendschap tragt te breeken en de Contracten te vernietigen schlp laat ik aan de nadere Consideratie van uw Hoogheden over, want was dit so, dan souden de onlangs van uw Hoog heeden naar Batavia gesonden gesanten door Hunne Hoog Edelheden de vertoge Indiasche Regeering niet so vriendelijk en niet so veel gra„ „tia ontfangen en gerecipieerd geworden sijnde, waar over die sendelingen selfs bij hem terug komvertie alhier hun Contentement hebben te konnen gegeeven, dat mijn ver bedunkens een genoegsame blijk is, dat de Compagnie geen voornemen heeft om de vriendschap so min met uw Hoogheden als niet anderen, buijten noodsakelijkheijd te breeken, nog de Contracten te vernietigh, die ter Contrarie altoos die
English
303 the 27th of February 1790. to make a commitment to her, while in her mind treaties with the Company are regarded as sacred, unless those with whom they were contracted give reason to the contrary. As for the claim of Your Highness amounting to 2000 round mats upon the said Radeen Hassie, I do not know how that could be paid, unless Radeen Hatsie left cash or goods behind in Bali upon his departure for Banjarmassing, for those which he left behind in Grissee will not amount to anywhere near that much. As regards, on the other hand, the claim of 280 reals, which Gusty Madee says he has upon a Sumanap juragan Bappa Crimina, residing in Veroka, I have conferred with the Sumanap Resident about this and, upon payment, will deliver the cash to the bearer of Your Highness's missive, to whom I shall also grant a pass to Rembang for the repair of his vessel and also to buy a new small one if an opportunity presents itself, with the liberty also to dispose of his cargo consisting of massoi and cotton. Thanking you for returning one of the Company's inhabitants, who had lost his vessel and cargo in Salemparang, one is at all times inclined and prepared to offer all possible assistance to shipwrecked persons and other unfortunate people. Copy of the translation of a Javanese letter written by Raden Aioe of Bali to the Panumbahan of Madura. Presented at Sourabaija the 11th of December 1789. After the assurance of my most humble respect, let this serve to communicate that I have had the honor to receive Your Highness's very esteemed missive, brought by Your Highness's emissaries Juragan Ababjang and Perrang Cafap, and serving as a humble answer thereto, I humbly thank Your Highness for the communication regarding Raden Hadjie, and I console myself with the fate that has befallen him, thinking that it is the will of God, who thereby wished to test the creation of His hands, and that to conduct oneself submissively therein is nothing more than our duty. To the friendly invitation of Your Highness to return to Madura, I humbly ask to be pardoned, while I submit to my brother's consideration how man and wife who love each other are attached to one another, and thus that it would surely not be proper for me to leave home without a husband; but I will consider doing so when my husband has returned, and that Your Highness will also be pleased to write to the rulers in Carang Assam. In the meantime, I thank Your Highness, as well as my dear mother the Ratoe Waijagh, many times for the tokens of love shown to me, and I ask that my humble compliments be conveyed to Her Highness, embracing her. The Panumbahan of Madura having not only informed me of the return of the emissary whom His Highness had dispatched with a letter to Bali Carang Assam to his sister, the wife of Radein Hadjie, but having also forwarded to me the answer of this sister of his, I take the liberty of presenting the translation thereof, containing among other things a refusal to comply with the friendly invitation of her brother the Panumbahan to come over to Madura before her husband Radein Hadjie had obtained permission to return to Bali; over which unexpected answer the Panumbahan, according to the report of the emissaries, had become somewhat more indifferent toward his said sister than before, and that His Highness would first deliberate whether he would make any further effort toward her return. But this is indeed my request: to ask my dear brother to intercede with His Honor in Batavia for whatever may serve toward the return of Radeen Hadjie to Bali, because I do not know in what manner my husband has sinned against the Hollanders. Extract of a missive from the Administrator of Sourabaija to the Governor of Java, dated 14 December 1789.
Dutch transcription
303 den 27:e februarij 1790. „ment aan haar te ma„ „ke, terwijl haar in gedag„ bij de Comp„s ls heijlig worten aangemerkt, vranders de sulke met wien men deselve heeft aangegaan geen reeden daartoe geven. wat voorts de prententie van uw Hoogheeden groot 2000. ronte matten, op meerin Radeen Hassie betreft, so wael ik niet waar uijt die soude kunnen worden voldaen, so anders Radeen Hatsie by sijn vertrek na Banjermassing gene Contranten nog goederen te Balij heeft agtergelaten, want die welke denselven te grifsee heeft agtergelaten op verre na so veel niet sullen bedragen. Wat daarenteegen aangaat de pretentie groot 280. vaalen, die den Heere Gusty Madee segd te hebben op een sumanaps Juragan Bappa Crimina, woonagtig te veroka, hier over heb ik den ser„ „manaps Resident onderhouden en sal bij voldoening de Contanten aan den brenger van uw Hoogheidens Missive ter hand stellen aan win ik teffens een pas sal verleenen na Rembang tot ver„ „tionmaring van sijn vaartuijg en om teffens een nieuwe te ringen inkopen sero er daartoe geleegenheijd is, met vrijheijd ook sijn lading bestaande in Massai en Cappas van de hand te mogen setten. -. Voor de lering sending van een van 's Compt, ingeseten, die sijn vaar„ „tuijg en lading te salemparang verlooren had, bedankende, is men ten allen tijde geneegen en volvaardig ook ook aan veroortgelijke en andere ongelukkige alle mogelyke adsistentie te bieven Copia Tranplaat Jav: Brief, door de Rademn Aioe stadjie van Balij, geschreeven aan de Panumbalen; van Madura. Verthoond te sourabaija den 11:' december 1789. Na versekering van mijn ootmoedijst respect, so laat ik eise tot Communicatie dienen, dat ik de eer gehad hebbe, wel te ont„ „fangen uw Hoogheids seer g'eerde Missive, aangebragt par uw Hoogheijds sendelingen Iuragan Ababjang en Perrang Cafap, en daarop en nedrig antwoord dienende, bedanke ik uw Den Panumbahan van Madura mij niet alleen gennis gegeeven hebbende, van de terugkomptie van den sen„ „deling, die sijn Hoogheijd met een brief na Balij Carang As„ „sam afgevaardigd had, aan desselfs sufter de vrouw van Radein Hadjie, maar mij ook te gelyk toegesonden hebbende het andwoord van dese sijn suster, so neem ik de vrijheijd het translaat daar van aan tebieden, behelpende onder anderen verwijering om op de vriendelijke uijtnodiging van haar Broe„ „der den fanumbahan ter overkomste na Madura, voor en al eer haar Man Radein Hadjie vrijheijd soude hebben er„ „langd, om weder naar Balij terug te keeren, over welk onverwagt andwoord den Panumbahan, volgens het te kennen geeven der sendelingen, wat onverschilliger tee„ „gens gedagte sijn sufter geworden was, als bevoorens, en dat sijn Hoogheijd sig eerste beraaden soude, of tot de terug kompte van deselve verder moeijste soude aan wenden, „Hoogheijd ootmoedig voor de gegeeve Communicatie aangrande t Aan de vriendelijke uitnodiging van uw Hoog Radeen Hadjae, en getrooste mij, aan het noodlot hem overje heid om op Madura terug „komen, als denkende, dat het de wille gods is, die daar meede oldoen insteere oodmoedig het maaksel sijner handen had willen probeeren, en dens dat om oversulks mij te willen pardonneeren, terwijl daarin onderwerpelijk te gedragen, niet meer als onse plijt ik mijn broeder in Consi„ „deratie geeve, hoe dat man„ e vrouw die elkander liefde toedragen aan een gekleefd Maar dit is dog mijn versoek: aan mijn waarde broeder om is, en dus dat het immers bij sijn Edelheijd te Batavia te willen bewerke, het geen dat niet soude passe, wanneer ik zonder man van huijs tot de terugkeering van Radeen Hadjie op Balij kan dienen gaa maar zal zulks zien als mijn man weder te want ik niet weete waarin mijn man sig teegens de stol„ rug zal gekomen zijn, en uw Hoogheid om ons ook „landere gesondigd had. — aande vorsten te Carang Assam zal gelieve te schrijve; Intusschen bedanke ik uw Hoogheid zo wel als mijn waarde moeder de Ratoe Extract Missive van den Gesaghebber van Soura waijagh veelmaals, voor de aan mij beweesene blijke „baija, aan den Heer Iavas gouverneur get„t 14: december 1789. van Liefde, en versoeke mijn needrig Compli„ Hooghuijd. # — i. ten ben omhalsende.
English
the 27th of February 1790. to show to her, perhaps she will thereby come sooner to decide on coming over, than if she sees that so much trouble is being taken for it, provided otherwise Ratoe waijah, mother of Raden Aijoe Hadjee, also consents to it. This happening in such a manner and the wife of Raden Hadjie remaining and lingering on Bali, I shall have no opportunity to make her the proposal for the redemption of the goods pawned at Batavia by her husband. or else leaving the letter unanswered, not further Copy of the Account of a certain person named Panumbakan Toengoel woeloeng. Given the 28th of January 1790. The deponent relates that about five years ago, always between the Thursday and Friday night, a spirit named Toengoel woeloeng appeared to him, which then ordered him to give medicines to sick people, for which reason he, the deponent, has also done so from that time on, and being very successful in practice, acquired great esteem, but this not yet satisfying him, the deponent, he made known to several persons that he, the deponent, had communion and intercourse with a spirit, the consequence of which was that everyone showed reverence to him, the deponent, and called him kiaij Toengoel wooloong, the name the spirit was called. That about three months ago he, the deponent, was fetched by two persons and brought to a certain Raden Cromo Djoijo, alias Pangerang Wiro Mongolo, who formerly came from Ceylon and has long been residing in the village of Pacoenten subordinate to Djokjokarta, who, as the deponent had already heard, was gathering a crowd of people together in the village of Toengko under grobogang. That when he, the deponent, being somewhere about eight o'clock, arrived in the said village of Toengko, he was immediately requested to go and sit by the said Raden Cromo Djoijo, who had a white umbrella above his head, and was told that he had been summoned by him into his gathering, which according to his, the deponent's, estimation was at that time 300 men strong, to ask him, the deponent, for advice as to whether it was expedient, according to the approval and the desire of the assembly, to attack and drive away the Company at the coastal areas, since he, Raden Cromodjoijo, did not yet deem it advisable, to which he, the deponent, answered that he could not give his consent thereto, because the Company was at present still far too mighty and powerful. That on this occasion the deponent came to know the following persons who strongly urged to attack the Company, namely Headman Troeno Diwongso carrying a green umbrella and residing in the village of Toenko under Grobogang, having with him four persons, namely Jesso Diwongso, Siengo diwongso, so diwongso, and Belaar, all armed with pikes, Headman Radjoeng Coessoemo, alias Bapa kadim, of the village of Tandjong belonging under the second regent of Pati, having with him two persons, named Siengs Goeno, and so diwongso, Headman Moro Coessoemo of the village of Patoeman under Grobogang, accompanied by a person named Siengo Troeno, Headman Notto Caissoemo of the regency of Djiepang, having with him four persons, namely Pirto Djoijo, Merte djoijo, soero Toeno, and Tjitro troeno, Headman Castodjoyo of the village belonging under the second regent at Demak 31
Dutch transcription
den 27:e Februarij 1790. - aan haar te vertooren, veebligt dat sij daardoor eerder komt te besluijten tot de overkompste, dan dat sij fiet, dat 'er daar toe so veel moeijte word gedaan, so anders Ratoe waijah„ moeder van Radem Aijoe Hadjee, meede daarin Consenteerd. Dit so geschiedende en de vrouw van Radamn Hadjie op Balij blijvende & remoreeren, sal ik geen geleegenheijd hebben, om haar de propositie, ter inlossing van de te Batavia door haar man verpande goederen, te doen. — dan wel de brief onbeantwoord babende, sig niet verder Copia Relaas van zeekeren vergenaamde Pa„ „numbakan Toengoel woeloeng. gegeeven den 28:' Januarij 1790. —. Den Relatant verhaalt, dat nu Circa vijf Jaren geleeden er tusschen de Donderdag en vrijdagj nagt, altoos een geefst ge„ „naam t Toengoel woeloeng aan hem verscheen, en die hem dan gelaste, aan vseseke menschen medicynen te moeten geeven, wej„ „halven hij Relatant sulx dan ook van die tijd af heeft gedaan, en in de practijk seer gelukkig sijnde, een groote agting ver„ „wiers, dan het welk hem Relatant nog niet vergewoegende, so gaf hij aan eenige persoonen te konnen, dat hij relatant met een gerft gemeenschap en ongang had, het welk van gevolg was dat een ider hem Relatant een bewres en noemde kiaij Toengoel woo„ „long gelijk den geeft genaamd was. - Dat nu Circa drie Maanden geleeden hij Relatant door twee perso„ „nen was afgehaald en gebragt bij seekeren gadan Cromo Djoijo /:aliaf:/ Pangerang Wiro Mongolo die voor deesen van Ceylon gekomen en lanf woonagtig is in de onder Djokjokarta sortrerende de versa Pacoen„ „ten :/ dewelke hij relatant reedf gehoord had, in de devesa Toengko onder grobogang een menigte menschen bij malkander vrmelde Dat thomn bij Rclalant /: sijnde / aergous omsetruk / agt uaen:/ en gemelde devesa Toengko aanquamd hij ten eersten door gemelde Radeen Soemo Djoijo die een wille paijong boven sijn Hoofd had, was versogt om de gaan sitten en gesegt, dat hij door hem in sijn vergadering (:die na sijn Relalantser gissing toen ter tyd 300. man sterk was:) was beroepen om hem Relatant Raat te vraagen, of het dienstig was volgens het goedvinden en de begeerte der vergadering de Compagnie aan de vertranden te overvallen en te verdrijven, aangesien hij Radain Cromodjoijo sulx voor als nog niet geraaden vond, en waar op hij Relalant antwoorde sijn toestemming daermede niet toetekunnen geeven, overmits de Comp„e tegenwordig nog al te magtig en vermogend was. Dat hij Relatant byj de geleegendhiend de volgende personen die verterk aandrangen om de Comp„e te overvallen quam te kennen, als Hoofd Troeno Diwongso dragende een groene payong en woonagtig in de dasa Toenko onder Grobogang, bij sig hebbende vier persoonen, als Jesso Diwongso, Siengo diwongso, so diwongso, en Belaar alle gewapend met pieken, Hoofd Radjoeng Coessoemo, (:alias:) Bapa kadim, van de onder den tweede regent de Paltij gehoorende dissa Tandjong, bij sig hebbende twee persoonen, genaamd, Siengs Goeno, en so diwongso, Hoofd Moro Coessoimo van de dessa Patoeman onder garbogang verselt van een persoon genaamd Siengo Troeno. Hoofd Notto Caissoemo van het regentschap Djiepang bij sig hebbende vier persoonen, als. Pirto Djoijo, Merte djoijo soero Toeno, en. Tjitro troeno, Hoofd Castodjoyo vm de onser den weden regenf te Dama J: gehoorende de Ja 31
English
the 27th February 1790. village, Badejan, having with him two persons named To widjoyo, and So widjoyo, Chief Proyo, being Mantri of the villages Djatie, Padjamoeran, Rcheep, Sidayjoe, Iager Goenoeng, Sambang, all belonging under Grobogang, who promised to gather one or two hundred armed men together in the village Porang Paring under Damak. Furthermore, the Deponent also heard that it was decided to attack the regency Tjingkal on the 16th of the light Rabioelakir. Just as the Deponent also heard that it was decided, in order that the Company would be expelled, to appoint princes and regents along the whole of Java, namely: Radeen Cromo djoyo alias Pangerang Anom to prince at Djoejocarta. Radeen So Koessoemo, who is absent and was at the mountain Cawo, to prince at Soura Carta. Singo diwongso of the village Toengko under Grobogang, to regent of Grobogang. To Palvij of the village Bratean under Grobogang, to regent of Waroe. Wiro Leksono, of Djipang, who has 30 men on horseback and armed with pikes with him, to Regent of Djipang. Kabinorang of Grobogang, to Regent of Seselo. Diepo Mengollo of the village Gaboes under the Second Regent at Pattij, to regent at Damak. Prouiro Leksono of Djipang, to regent at Samarang. Radjoeng Koessoemo alias Bappa Kadim of the village Tanjong under the second regent of Pattij, to regent at Pattij. Moro Koessoemo of the village Saloeman under Grobogang, to regent at Coedoes. Cassan of village Kemaijaran under Grobogang, to regent at Tsingkalsewoe. Troeno Diwongso of the village Toengko under Grobogang, to regent at Joana. So Diwongso and So Koessoemo, of the village Toengko under Grobogang, to regents at Japara. Denkok, to regent at Rjembang. Singo Goeno of the village Panalongang under the first regent at Pattij, to regent at Cassum. Soero Sentiko, of Pattij, to regent at Padjang Coengang. Kerto Diwongso of the village Toengko, further Grobogang, to regent at Toeban. Soero Widjoyo, to regent at Sidaijoe. Mojo Soeto, of the village Paccal under the 1st regent at Pattij, to regent at Grissee. Certi Goeno of the village Panamboean, under the 1st regent at Pattij, regent at Lamongang. Panumbahan Bodo, of the village Kejongo Kerewod whom the Deponent does not know, to regent at Sourabaija. Radeen Bagoes, son of Radeen Cromo djoyo alias Pang Anom, to regent at Madura. Singo Goeno of the village Saijoe, under Japara, to regent at Blongang. Radeen Santrie of the village Saloeman under Grobogang, to regent at Passourouang. Wiro Troeno of the Regency Kamagetang, to regent at Caliwoengoe. So Troeno of the village Padjabran, under the First regent at Pattij, to regent at Candal. Singo Bongso of the village Tangillis, under the first regent at Pattij, to regent at Batang. Radeen Bagoes Topeeng, son of Radeen Cromo Djoyo alias Pangerang Anom, to regent at Paccalongang. Radeen Bagus, Son of Radeen Cromo djoyo alias Pangerang Anom, to regent at Wiradessa. So Troeno of the village Babadan, under the First regent of Pattij, to regent at Samalang. Radeen Wiro diwongso, son of Raden Cromo doijo alias Pangerang Anom, to regent at Tagal. Furthermore, the Deponent related that each of the abovementioned persons, who all equally strongly longed and desired to expel the Company, had nevertheless, on the dissuasion of the said Radeen Cromo djoijo alias Pangerang Anom, and on the dissuasion of him, the Deponent, canceled it and parted, each subsequently proceeding to their residence, as the Deponent also had done; but that coming to the Regency Tjingkalssewoe where he, the deponent, as stated above, was residing, he, the deponent, was seized by the people of the village Kemaijahan and brought to the Regency. The Deponent further says that he has assumed the name of Panumbahan for the reason that everyone called him such because of his learning in Medicine, and also that he, the Deponent, has already been separated for circa seven months from his wife named Ombok Oerip, who was also sent up by the regent of Tjingkalsewoe, without having kept any correspondence or intercourse with her since that time, without more. Thus done and Related at the Government of Samarang on the date aforesaid. Below stood: a cross described set by Nolbo Gongso alias Panumbahan Toengoel Woelaeng. Lower: In the presence of me. Was signed: W. Wardenaar, scribe. The 8th March 1790. Having received news from Sourabaya regarding the death of the junior merchant and Sumanap's Resident Walter Marcus Stuart, I hereby give your High Noblenesses due notice thereof, and that I the command High Noble Severe Grand Honorable Gentlemen and Right Noble severe Gentlemen; To his High Nobleness, The High Noble Severe Grand Honorable Gentleman Mr. Willem Arnold Alting, Governor General along with The Right Noble Severe Gentlemen Councillors of the Dutch Indies at Batavia
Dutch transcription
313 den 27„e february 1790. dessa, Badejan, bij sig hebbende twe personen genaamt To widjoyjd, en so widjoyo, Hoofd Proyo, synde Mantrie van de dessaf Djatie, Pa„ „djamoeran, Rcheep, Sidayjoe, Iager Goenoeng, Sambang alle onder gaobogang gehoorende, de welke beloofde een of twee Hon„ „dert gewapende Manschappen in de dessa Porang Paring onder Damak by malkanderen te sullen brengen. —. voorts hoorde hij Relatant ook dat besloten wierd om op den 16. van het ligt Kabioelakier het regentschap Tjingkalf enve afflopen. gelyk hij Relatant ook meede hoorde dat beslooten wierd, om dat de Compagnie verdreven soude wesen tot vorsten en ffegenten langs geheel Iava aanhe„ „stellen, te weeten. Radeen Cromo djoyo (:alias:) Pangerang Anom tot vorst te Djoejocarta. Cadeen So Coessoemo, diet absent urf en sig aan de berg Cawae bevon„ tot vorst te soura Carta. fingo diwongso van de dessa Toengka onder grobogang, tot regent van grobogang To Palvij van de dessa Bratean onder Grobogang, tot regent van warre. wiro Peksono, van djiepang die 30. man te paard en gewaepend met pieken, bij sig heeft, tot Regent van Djupang. Kabinorang van grobogang, tot Regent u Deselo. - Diepo Mengollo van de dessa gaboef onder den Tweeden Regent te pattij, tot regent te Damalc Prouiro Leksono van djipang, tot regent te samarang Radjoeng Coepsoemo (:alias:) Bappa Kadim van de dessa Tanjong onder den tweden regent van paltij, tot regent te Pattij MoroCoepsoemo van de dessa Saloeman onder grooogang, tot regent 4 Cordus. Cassan van dessa kemaijaran onder grobogang, tot regent te Tsingsalsewoe Troeno Duvong so van de dessa Toengko onder grobogang tot regent t Joana. so Diwongso en so Koessoemo, van de drsa Toenko onder grobogang tot regenten te Japara. Denkok, tot regent te Rjembang. sings goeno van de desse Panalongang onder den eersten regent te Voorts verhaald den Relatant, dat een ijder van de bovengemelde persoonen, die alle eeven sterk verlangde en begeerde om de Compagnie te verdrijven, sig dog egter op afraading van ge„ „melde RCadeus Cromo djoijo (:aliaf:) Pangerang pattij tot regent te Cassum soerd, sentiko, van Pattij, tot regent te Padjang Coengang kerto diwongso van de dessa Toengko, verder grobogang, tot regent te Toeban„ soero widjoijd, tot regent te Sidaijoe, Moijo. Soeto, van de dassa Paccal: onder den 1„e regent te Palty, tot regent te grissee„ Certi Goeno van de dessa Panamboean, onder den 1„e regent te Pattij regent te Camongang Panumbahan Bodo, van de dessa kejongo kerewod (:dien den Pelatant niet kend:/ tot regent te Sourabaija. Radeen Bagues soon van rademn Cromio djoijo (:alia. )/ pang' Anom tot aegent de Matura. Siengo goeno van de divesa Saijoe, onder Japara, tot regent te glongang Radeen santrie van de dissa Saloeman onder Grobogang, tot re„ „gent te Passourouang. wiro Proeno van het Regentschap kama gettan; tot regent te Caliwoengoe. so Troeno van de dessa Padjabran, onder den Eersten regent te pal„ tij, tot regent te Candal. Singo Bongso van de dissa Tangillis, onder den eersten regent te pattij, tot regent t Balang. Cadeen Bjague Topeeng, soon van rateen Cromo Djoyo (:alias:/ Pangerang Anom, tot regent te Paccalongang. „Cadein Bagus Soon van Radem Cromo djoijo (:alias:) pan„ „gerang Auom, tot regent te wiradessa. so Proeno van de dessa Babadan, onder den Eersten se„ „gent van Paltij, tot regent te Samalang, Radeen wiro diwongso, soon van Raden Cromo do„ ijo (:alias:) Pangerang Anom, tot regent te Tagaf. pottij Anom 35 Den 8„e Maart 1790. - Anom, en op afraading van hem Relatant hadden laaten afseggen en gescheyden waaren, begevende sig een ider vervolgens na hun woonplaats, gelijk bij Rela„ „tant meede had gedaan; dog dat bij het Regentschap Tjing kalssewoe komende (:alwaar hij relatant als boven gesegt woonagtig was:) hij relatant door de volkeren van de dessa Kemaijahan was opgevat en na het Regent„ „schap gebragt. —. Den Relalant segd voorders dat hij de naam van Sa„ „numbahan heeft aangenomen om reden een yder. hem door sijn geleerdheijd in de Medicynen dufdanig noemde, als ook dat hij Ecelatant van syn vrouw genaamt Om„ „bok Oerip, die door den regent van Sjingk alsewoe„ mede is opgesonden, reeds Circa seven maanden if geppareert geweest, sonder met haar sedert dien tijd enige Correspondentie of gemeenschap gehouden te Aldus gedaan en Gerelateerd ten gouvernemente Samarang dato voor schreeven (:onderstond:/ een kruijf (omschruven/ gesteld door Nolbo Gongso (:alias:) Panumbahan Toengoel woelaeng (:lager:/ Inhennisse van mij (:wasgeteekend:) W:t wardenaar, scriba hebben, sonder meer. —. Van Sourabaya tijding ontfangen heb„ „bende weegens het overleijden van den onder„ „koopman en Sumanaps Resident Wal„ Per Marcus Stuart, so geeve ik uw Hoog Edelheeden daarvan bij deesen de verschuldigde kennis, en dat ik den Gesag„ Hoog Edel Gestrenge groot Achtb: Heeu„ en Wel Edele gestrenge Heeren; Aan sijn Hoog Edelheid. Den Hoog Edele gestrenge Groot Achtb: Heere M:r Willem Arnold Alting, Gouverneur Generaal geneevens De WelEdel gestrenge Heeren Raaden van Neederlandsch Indie„ Batavia te ƒ L. hebber
English
the 24th of March 1790 to instruct the commander of the Eastern Salient, following the example of the year 1780, to send the administrator thither, in order to assume authority there until the arrival of the person whom Your High Excellencies shall please to appoint as Resident. With due respect and true high esteem, I have the honor to call myself, title, lower, Your High Excellencies' very obedient and faithful servant, was signed, Jan Greeve, in the margin, Samarang, the 8th of March 1790. To His High Excellency The High Noble Severe Highly Esteemed Lord Mr. Willem Arnold Alting Governor General together with The Right Honorable Severe Lords Councillors of the Netherlands Indies. High Noble Severe Highly Esteemed Lord and Right Honorable Severe Lords. Respectfully referring to my recent respectful letter of the 8th of this month, I submit this to present to Your High Excellencies a petition sent to me by the commander of Sourabaija from the titular Merchant and Administrator there, Abraham Tobins, wherein he requests Your High Excellencies that, on account of ample expiration of time, he be discharged from his said service by the end of August next, in order to repatriate, retaining his rank and salary, with one of the ships of the first dispatch of this year together with his wife and children, with a further request for Your High Excellencies' favorable recommendation to the Lords Masters, in case he might not be able to become accustomed to the European climate, or should be compelled by misfortunes to return to these regions, then to undertake the voyage back to the Indies in his present rank of titular merchant, or else in that of junior merchant; upon all of which I take the liberty to request a favorable disposition from Your High Excellencies. And regarding the state of the rice crop, I now have the pleasure of being able to supply Your High Excellencies with somewhat more favorable reports than those of the first of this month, as the season has since changed noticeably for the better, so that, through the fertile rains that have fallen everywhere from time to time, the planting has everywhere been able to make good progress, and this favorable turn now again gives hope for an harvest which, although somewhat late, is nevertheless not unfavorable, if the present prosperous condition continues to hold, which is cordially to be wished. With due respect and true high esteem, I have the honor to call myself, title, lower, Your High Excellencies' very obedient and faithful servant, was signed, Jan Greeve, in the margin, Samarang, the 24th of March 1790. Batavia. The 13th of April 1790. To His High Excellency The High Noble Severe Highly Esteemed Lord Mr. Willem Arnold Alting Governor General together with The Right Honorable Severe Lords Councillors of the Netherlands Indies High Noble Severe Highly Esteemed Lord and Right Honorable Severe Lords! I have had the honor duly to receive Your High Excellencies' highly venerated separate dispatches of the 4th and the 29th of the past month of March, to which I take the liberty hereby to direct the due reply, and to report to Your High Excellencies, with regard to native affairs, that pursuant to Your High Excellencies' honored order, I have made an investigation concerning the five Javanese who, after the murder of the Palembang inhabitant Saijd Mloewy Baharoem, were said to have fled with a tjampang and to have arrived at Paccalongang, so that I have found that this did indeed take place, but instead of five, only three Javanese were in this
Dutch transcription
den 24. Maart 1790 „ven om, na het voorbeeld van den Jaare van sourabaija 1780, den administrateur derwaards te senden, ten eijnde aldaar het gesag waarte„ „neemen, tot de aankomst van de geene die uwe Hoog Edelheeden tot Resident vul„ „len gelieven aantestellen. —. Met de verschuldigde eerbied en waare hoogagting heb ik de eer mij te noemen. (:on„ „derstond:/ Titul (:lager:/ uwer Hoog= Edelheeden seer gehoorsame en getrouwe die„ „naar (:was geteekent:) Ian Greeve (:in„ „margine:/ Samarang den 8:e Maart 17190. -. „hebber van den Oosthoek sal aanschrij„ Aan sijn HoogEdelheijd Den Hoog Edele gestrenge groot Agtbaeren Heere M„r Willem Arnold Alting. Gouverneur Generaal Beneevens De welEdele Gestrenge Heeren Raadin van Nederlantsch Indie. Hoog Edele Gestrenge Groot Agtb: Heire Wel Edele Gestrenge Heeren. Mij in eerbied refereerende aan mijne Jongste eerbiedige van den 8. deser late ik deesen dienen om uwe Hoog Edelheeden aantebieden een door den sourabaias gezaghebber mij toegesonden Request van den titulair Moopman en Administrateur aldaar Abra„ „ham Tobins, waarbyj denselven aan uwe Hoog Edelheden versoekt om mits ruijme tijds expiratie teegen ultimo Augustus aanstaande uijt gem: zijnen dienst ontslagen te worden, iten eijnde, behoudens qualiteijt en gage miet eene der scheepen, van de eerste besending in dit Jaar benevens vrouw en Kinderen te repatrieeren, met verder versoek om uwe Hoog Edelheeden favorabel voorschrijven aan de Heeren Meesters, om ingeralle aan het duropisch Climaat niet mogte konnen gewennen, of door desastres genoodsaakt worden, weeder naar dese gewasten terug te keeren, als dan in zyne presente qualiteijt van tihulai verte Koopman Batavia 317 3 V3 Den 13e: Aperils 1740. gebruyke uwe Hoog Edelheeden een favorabele dispositie te Aangaande aen staat van het Rijst gewosch hub ik tans het genoegen uwe Hoog Edelheeden wat farorabeler berigten te mogen suppediteeren, als die van primo deser zijn geweert also het faijsoen sedert merkelijk ten goede is veranderd so dat, door de van tijd tot tijd allerwagen gevallene vrugtbare Regens de boplan„ „ting alomme een goede voortgang heeft konnen hebben, en depe gun„ „stige omme keer tans weder hoop geest op eene, of schoon, mat late, ei„ „ter niet onvoordeelige oogst, indien de tegenwoordige voorspoedige gesteldheid blijft aanhoorden dat hartelijk te wenschen is. Met verschuldigjde eerbied en ware hoogagting heb ik de eer eij te noemen /:onderstond:/ Titul /:lager:/ uwer Hoog Edelheeden Seer gehoorsame en getrouwe Dienaar /:was geteekent:/ Ian Treeve /m margine /: Samarang den 24. Maart 1790. —. koopman, dan wel in die van onderkoopman; de reijse weder Batavia. Aan zijn Hoog Edelheijd! Den Hoog Edele Gestrenge Groot Achtbaeren Heer, M„r Willem Arnold Alting, gouverneur generaal, De WelEdele gestrenge Heeren Raaden van Neederlandsch Indie Hoog Edele Gestrenge Groot Achtb: Heere en WelEdele Gestrenge Heeren! Ik heb de een gehad wel te ontfangen uwer Hoog Edelheeden see gevenereerde sparte Missives van den 4e en den 29:' der gepasseerde omaand Maart, waerop ik bij desen de vrijheijd neem het verschuldigd antwoord toetepassen, en uwe Hoog Edelheeden, ten aansien van de Inlandsche zaken, te berigten, dat ik ingevolge van Hoogst Derselver g'eerd bevel, ondersoek heb gedaan, na de vijf Javaanen, welke, na het vermoorden van den Palembangs In „woonder Saijd Mloewy Baharoem, omet een Chiampang gevlugt en te Paccalongang souden aangekomen syn, invoegen ik bevonden heb, dat ook dadelijk heeft plaats gehad, dog in steede van vijf sijn er maar drie Javaenen in deLit naar Indie aanteneemen, op welk een en ander ik de vrijheid versoeken En
English
321 12 April 1790. found on this vessel, who were also immediately taken into custody and condemned by the Council of Justice here to work here on the common works for the period of one year, locked in chains, since nothing else could be brought against them other than the stealing of some goods that they declared to have robbed from a vessel belonging to the Trengganu prince, in whose service they said they had been, but from where they had fled because that prince had sought to force them to act against his enemies. The aforementioned goods brought along by them, which consisted of some linens, small items, and also two small cannon pieces, were sold by the aforementioned Council of Justice at public auction, the proceeds of which, after deduction of the legal costs, amounting to 46 rixdollars and 28 stuivers, have been placed under sequestration in safe custody until further light might be obtained regarding this matter, in order to then restitute the same to whomsoever it belongs. Of these three Javanese, only two are presently still alive, while the third died in chains, and I have also immediately issued the necessary orders to keep these two still living men in careful and secure custody so that they do not escape, but rather that an investigation can now be conducted with them concerning the murder of the aforementioned Sayyid Alwi Baharoon, for which purpose they will be interrogated in the presence of the son-in-law of the murdered man, named Sayyid Muhsin Habshi, who arrived here during the drafting of this letter in order to claim whatever might still belong to his aforementioned father-in-law; I shall then further have the honor to inform Your Right Noblenesses of the outcome thereof. Meanwhile, I express my respectful thanks to Your Right Noblenesses for the information provided regarding the complaints lodged by the prince of Sambas concerning the detention here of a vessel belonging to him, and what has been communicated by Your Right Noblenesses to that prince in that regard, which I shall duly take as guidance and observation; while, in accordance with the honored order of Your Right Noblenesses, I have investigated as much as possible into what was stated by the aforementioned prince in his letter to the First Resident of Pontianak, but regarding which I cannot have the honor to report anything else to Your Right Noblenesses other than that the pretext of that prince, that he had no knowledge of the Company's prohibition against the purchase of vessels on the opposite coast, is a remark that I believe, subject to correction, is entirely beside the point here, since the detention of the prince's vessel took place solely to bring about
Dutch transcription
321 den 12: April 1790. dit vaertuijg gevonden, die ook direct in hagtenis genoomen en bij den Raad van Justitie alhie gecondemneerd sijn, om voor den tijd van een Iaer in de ketting gekloecken, hier aan de gewoone werken te arbeijden, also meen niets andere teegen hen wist inte„ „brengen, dan alleen het steelen van enig goed; dat sij verklaarden geroofd te hebben, uijt een vaerthuijg van den Tranganas vorst, in wiens dienst sij seijden geweest te sijn, dog van daer de vlugt te hebben genoomen, uit hoofde dien, vorst Een had soeken te dewingen, om teegen sijne vijanden te ageeren, sijnde de voor„ „seijde door hen medegebraigjte goederen, die bestaan hebben, in enige Lijwaeden; kleenigheiden en onk twee klen stukjes, bij aen voorm: Raad van Iustitie, par publicque vendutie, verkogt, welk provenu, na aftrek: der geregtelyke ongelden, ten bedragen van rd„s 46. 28. „ so lange van den sequestie in bewaarder hand is gi„ „geeven, tot dat men, omtrent dese saak enig nader ligt mogt hebben bekoomen, om hetselve dan aan de geene dis het Compateert, te restitueeren. Van dese drie Javaanen bevinden 'en sig thans maar nog twee in het Leeven, terwijl d d: derde in de ketting overleeden is, hebbende oik direct de nodige ordre gesteld, om deese nog in het leeven sijnde twee Boorwigtig en goede bewaaring te houden ten eijnde sij niet ontslippen, maar bij den nu ondersok ken worden gedaan nopens het vermoorden van voorm: Payd Mloewij Baharveen, waartoe sij sullen verhoord werden te „gen de schoonpon van den vermoorden, in naame Saijd Moe„ sin Chabassie, die onder het inrigten deser hier gearriveerd is, om het geene sijnen gem: schoonwader wij Competeeren mogt, intevorderen; sullende ik dan nader de eer hebben uwe Hoog Edelheeden den uijtslag hier van te bedeelen.— Ik zegge uwe Hoog Edelheeden ondertusschen enbeekig dank voor de gegeevene informatie, weegens de ingebragte Klagten door den vorst te sambas, omtrent het aanhouden alhier van een hem toebehoorend vaarthuijg, en het geen daar op door uwe Hoog Edelheeden aan dien vorst, desweegens is te kennen gegeeven, het welk ik mij dan ook tot schuldige narigt en ob„ servantie sal laten strekken; terwijl ik Conforim het g'eerd bevel uwer Hoog Edelheeden so veel mogelijk ondersoek heb gedaan, na het geen door voormelde vorst bij sijn schrij„ ven aan den pontianas eersten Resident is opgegeven, dog waar omtrent ik niet de eer kan hebben uwe Hoog Edelheeden iets anders te berigten, als dat het vorgeeven van dien vorst dat hij geen Mennis gehad heeft, van Compagnies verbrd tege„ den inkoop van vaarthuijgen aan de overwal, eene aanmer king is, die ik onder Correctie vermeene, dat hier geen„ sints te passe komt, vermits de aanhouding van 'spor„ sten vaartuijg alleen geschied is, om daardoor te weeg te worden brengen 321 den 12: April 1790. dit vaertuijg gevonden, die ook direct in hegtenis genoomen en bij den Raad van Justitie alhier gecondemneerd sijn, om voor den tijd van een Iaer in de ketting gekloecken, hier aan de gewoon werken te arbeijden, also men niets anders teegen hen wist inte „brengen, dan alleen het steelen van enig goed, dat sij verkloeren geroofd te hebben, uijt een vaerthuijg van den Tranganas vorst, in wiens dienst sij seijden geweest te sijn, dog van daer de vlugt te hebben genoomen, uit hoofde dien vort den had soeken te devingen, om teegen sijne vijanden te ageeren, sijnde de voor „seijde door hen medegebraijte goederen, die bestaan hebben, in eenige Lijwaeden; kleenigheeden en ook twee kleene stukjes, bij den voorm: Raad van Iustitie, par publicque vendutie, verkogt, welk provenu, na aftrek der geregtelyke ongelden, ten bedragen van rd:s 46. 28. so lange van om sequistin in bewaarder land is ge„ „geeven, tot dat men, omtrent dese saak, eig nader ligtn mogt hebben bekoomen, om hetselve dan aan de geene die het Compateert, te restitueeren. Van dese drie Javaanen bevinden 'en sig thans maar nog twee in het Leeven, terwijl dk d derde in de ketting overleeden is, hebbende oik direct de nodige ordre gesteld, om deese nog in het leeven sijnde tween Boorwigtin en goede bewaaring te houden ten eijnde sij niet ontslippen, maar bij hen nu ondersuk vaan worden gebane nopens het verwoorden van voorm: Paijd Mloewij Baharvemn, waartoe sij sullen verhoord werden toee „gen de schoonpon van den vermoorden, in naame Said Moe„ „sin Chabassie, die onder het inrigten deser hier gearriveerd is, om het geene sijnen gem: schoonwader nog Competeeren mogt, intevorderen; sullende ik dan nader de eer hebben uwe Hoog Edelheeden den uijtslag hier van te bedeelen.— Ik zegge uw Hoog Edelheeden ondertusschen eerbiekig dank voor de gegeevene informatie, weegens de ingebragte Klagten door den vorst te sambas, omtrent het aanhouden alhier van een hem toebehoorend vaarthuijg, en het geen daar op door uwe Hoog Edelheeden aan dien vorst desweegens is te kennen gegeeven, het welk ik mij dan ook tot schuldige narigt en ob„ „servantie sal laten strekken; terwijl ik Conform het g'eerd bevel uwer Hoog Edelheeden so veel mogelijk ondersoek heb gedaan, na het geen door voormelde vorst bij sijn schrij„ „ven aan den pontianas eersten Resident is opgegeeven, dog waar omtrent ik niet de eer kan hebben uwe Hoog Edelheeden iets anders te berigten, als dat het vorgeeven van dien vorst dat hij geen kennis gehad heeft, van Compagnies verord tegen„ den inkoop van vaarthuijgen aan de overwal, eene aanmer„ „king is, die ik onder Correctie vermeene, dat hier geen„ „sints te passe komt, vermits de aanhouding van 'spor„ „sten vaartuig alleen geschied is, om daardoor te weeg te worden brengen
English
the return of the vessel of the Juragan Intje Jamal, of which he had unjustly taken possession, whilst the purchase by him of the vessel of the Arab Saijd Oemar was mentioned for no other reason than to demonstrate thereby the indifference of the prince regarding the Company's friendship, which had now been so clearly proven by admitting and protecting that Arab, who, instead of carrying the loaded rice to Batavia, proceeded therewith to Sambas, and thus had forged his pass. Meanwhile, the aforementioned Juragan Intje Jamal, owner of the vessel detained at Sambas, has once again embarked on a voyage to Mampauwa, so that I have not yet been able to have him interviewed concerning what the prince at Sambas brings forward in his own justification regarding this detention, but which shall be done immediately upon his return, although the prince's statement, in my opinion, seems entirely devoid of truth, being contradictory to the report of the said Intje Jamal, who, I believe, would by no means have dared to embellish his story with such details had they not truly occurred in that manner, the more so because the detention of the vessel being certain, as now appears, it was always much better for him merely to recount the matter as it had occurred, rather than to take refuge in embellishments or untruths, since the falsehood must necessarily come to light at the first examination, and this would have been the very means to make his entire story suspect, and thus leave him entirely deprived of the so greatly desired return of his vessel. Yet, although this is now in my opinion the conclusion that must be drawn from the nature of the matter, I nevertheless believe it will be best to give no sign thereof to the prince of Sambas, but on the contrary to be satisfied with the information given, namely that the vessel and the goods have been delivered to the Imam there, in order to be handed over to the brother of the murdered Saijd Aloewij, who, as I have learned, is supposedly in Banjermassing, as his heir and proxy; and which said person, upon his return here, could then also, with the approval of your High Mightinesses, be sent to Sambas together with the repeatedly mentioned Intje Jamal, to receive the one and the other there from the Imam, upon which the vessel of the prince can then also be released again, or, if it is sold in the meantime pursuant to the authorization requested from your High Mightinesses, the proceeds thereof be restored to him. I do not doubt in the least that by this course of action everything will be settled again and the matter be concluded without further consequences, although it might well happen that the repeatedly mentioned Intje Jamal should thereby find some goods missing and also obtain no payment for the claim that he and the Juragan Intje Joesoep, also residing here, have upon the estate of the Chinese Intje Djiet, who was murdered at Sambas, which, however, can then well be overlooked, if only the other property is restored. The Commander at Sourabaija having recently sent to me for your High Mightinesses a missive received via Banjoewangie from the Gusti in Bali Karangasem, I take the liberty to present the same herewith to your High Mightinesses, together with a copy and translation of a letter written similarly by the said Gustis to the Commander at Sourabaija, from which it will appear to your High Mightinesses, as appropriate, how they express themselves in a very provocative manner, stating that they will not only no longer place any faith in what was reported to them by the Commander concerning Raden Hadjie upon their previously made request regarding the matter, but that they even do not hesitate to censure the conduct of your High Mightinesses concerning the said Raden Hadjie, on the ground that your High Mightinesses supposedly wrote to them repeatedly that your High Mightinesses would no longer concern yourselves with him, but would permit his stay in Bali, and that in that regard it would have been proper and in accordance with friendship if your High Mightinesses had sent him, Raden Hadjie, back to Bali, to present himself there first as a subject, whereupon they, the Gustis, would have sent him back to Batavia if one had so desired; adding that they, the Gustis, shall nevertheless not concern themselves with this at all, even if they were to lose the friendship of the Company through this matter, for there would then certainly be others, whom they call white persons, who would gladly enter into friendship with them, asserting that they had given no reason for the breach of friendship; of all which the Gustis also requested that notice might be given to your High Mightinesses, and also that they were not inclined to send any more letters to Batavia, but certainly to inform the Panembahan of Madura and the Sedajoe Regent of the matter, giving notice that the wife of Raden Hadjie with her children were in Bali Karangasem. Yet, although these Gustis hereby give clear proof of how little they care for the Company's friendship
Dutch transcription
Bline den 12:e Aprt 1790. brengen de terig gaw, van het vaartuijg van den Ianagan Intje Jamal, waarvan hij zig, op een onregtvaardige wijse had mee„ „ster gemaakt, terwijl van het koopen door hem van het waar„ „tuijg van den Arabia Saijd Oemar, om geen andere rerden gewag is gemaakt, als om daardoor aantetoonen de onverschilligheid van den vorst, omtrent Compagnies vriendschap, welke nu se duijdelijk was gebleeken, in het admitteeren en bescharenen van dien Arabier, welke in steede van de ingenomen Rijst naar Batavia te vervoeren, sig daarmeede naar Sambas begeven, en dus zijn Pas gefrandeert had. — Ondertusschen heeft sig voorschr: Juragan Jntje Samal eijgenaar van het te Sambas aangehouden vaartuijg, andermaal op een togt naar Mampauwa begeeven, dus ik hem voor als nog niet heb kunnen laten onderhouden over het geen den vorst te Sambas, weegens dese aanhouding, tot zijne verschoo„ „ning bijbrengt, dog het welk bij sijne terugkomst, ten eersten zal geschieden, alschoon des vorsten opgave, mijns bedunkens geheel van grond schijnt ontbloot te weesen, als strijdig zijnde met het Relars van gemelde Intje Iamal, die ik vermein, dat sig geensints sou hebben derven verstouten sijn verhaal met sulke omstandigheiden te bekleeden, indien, die niet, weesentlijk zo waaren voorgevallen, te meer daar de aanhouding van het vaartuijg seeker zijnde, so als nu blijkt, het voor hem althoos veel beeter was de zaak slagts so te verhaalen als die sig had toegedragen, dan sijn toevlugt te neemen, tot vercieringe of ouwarheeden, wan om de walsecheijd, bij het eerste onderpek; noodsakelijk moest te voorschijn komen, also dit dan Junst het middel soude sijn geweest, om zijn geheel verhaal verdagt te doen worden en hem dus ten eene„ „male verstooken te laaten van de so seer verlangde terug ga„ „ve van sijn vaarthuijg. —. Dan hoewel dit nu mijne bedunkens de Conclusie is, welke uijt de aard der zaake moet opgemaakt worden, vermeen ik egter dat het best zal sin, den vorst van Sam„ bas, niets daarvan te laten blijken, maar intergendeel genoegen te neemen met de gegevene informatie, dat het vaartuijg„ en de goederen aan den Jmnain aldaar sijn ter hand gesteld. om aan de Broeder van den vermoorden Saijd Aloewij /: die zo als ik vernomen heb, sig te Banjermassing zoude bevinden./ als desselfs Erfgenaam en gevolanagtigde, te werden overgegeven, en welde gemelde Persoon, bij terugkomst alhier dan ook met goedvinden van uwe Hoog Edelheeden, naar Sambas soude kunnen gesonden worden, tegelijk met meermelde Jntje Iarnal, om daer het een en ander van den Juam te ontfangen, als wanneer het vaartuijg van den vorste dan ook weeder sal kunnen gelargeert, of p het, ingevolge de van uwe Hoog Edelheeden versogte qualificatie, in tusschen word verkogt, dies proveerue aan Denselven gerestitueert werden. —. Ik twijffele genwints of door des handelwijs sal alles weder bijgelegd en de zaak, sonder verdere gevolgen, afgedaan tot kunnen vlinelandt kunnen worden, schoon het egter wel soude kunnen gebeuren, den 12:e April 1793: dat meermelde Intje Iamal daarbij eenige goederen quam te missen en ook geen betaling erlangde voor het gend: dat hij en dien meede hier woonagtigen Jaragan Intje besoep, uijt den boedel van den te Sambas vermoorden Chinees Intje Djiet te pretendeeren heeft, dog het welk men dan wel sal kunnen passeeren, indien maar het andere gerestitueert werd. — Door den gezaghibber te Sourabaija mij onlangs voor„ uwe Hoog Edelheeden toegesonden sijnde een over Banjor wangie, van de Gustij te Balij Carang Assam ontvangene Missive so neem ik de vrijhijd uw Hoog Edelheeden deselve hier neevens aantebieden, met en beneevens Copia Translaat van een inogelijx, door gemelde Gustijes aan den Gesaghisber te Son„ „rabaija geschr Brief, waaruijt uwe Hoog Edelheeden: des behoogende blijken zal, hoe dat deselve sig op een seer touihante wijse uijtlaten dat so niet alleen geen geloof meer sullen slaan aan het geen ken door den Gesaghebber, omtrent Sadain Hadjie op hun bevoorens desweegens gedaan ver„ soek berigt was maar ook zelfs sig niet ontsien de handel„ „wijs uwer Hoog Edelheeden, omtrent gedagte Radem Madjee te misprijsen op funtament, dat uwe Hoog Edelheeden aan hen quotijs souden geschreven hebben, dat Hoog deselve sig niet meer aan denselven souden laten geleegen leggen, maar het verblijf te Balij toetestaan, en dat het daaromtrent wel„ weglijk en met de vriendschap overeenkomende zoude zijn geweest, dat uwe Hoog Edelheeden hem Radeen Radjie weder na Balij hadden gesonden, om sig al„ „daar eerst als een onderdaan te vertoonen, wanneer sij Gustijs denselven naar Batavia soude hebben „terng gesonden indien men zulx begeerd had niet bij „voeging, dat zij Gustijs zig egter niets daar aan zullen laaten geleegen leggen, alwaere het ook dat sij door die zaak, de vriendschap van de Compagnie kwamen te verliesen, want dat er dan wel andere /:die zij blanke persoonen noemen:/ zouden zijn, die zig gaorne met hun in vriendschap souden willen inlaaten, als steurende, dat zij tot de verbreeking der vriendschap geene reedenen gegeeven hadden, van welk een en ander de Gustijs ook versogten dat aan uwe Hoog Edelheeden kennis mogt gegeaven worden, en ook dat zij niet geneegen wa„ „ren meerder brieven naar Batavia te senden, maar wel, om den Sanumbahan van Madura en den Sidagoes Regent van de zaak te verwistigen, met kennis geeving dat de vrouw van Radeen Hadjie met haare Kinderen te Balij Carang Assam waaren. — Dan hoewel dese Gustijs hier door duijdelijke blijken geeven hoe weyjnig sij sig aan Compagnies vriendschap laten 80
English
327 the 12th April 1790. left lying, and that they even, if they only had the power, might easily resolve to commit hostilities against the Company's garrisons, it is nonetheless in my opinion, in the condition in which Bali still finds itself with regard to their princes and their mutual interests through which they live in constant hatred and enmity, not to be presumed that their intentions will already extend so far now, although it is nonetheless a point of necessity, or at least of necessary caution, to be constantly on guard against them, which I have therefore also recommended to the Surabaya Authority, especially with regard to the eastern Balambangan region, as it, through its proximity in the event of any hostile intentions of the Gustis, would certainly be the most exposed to their attacks, the more so as this District has until now been so sparsely populated, for which reason I have also on that occasion suggested to the said Authority whether they could not encourage a Captain Bouton to further allow as many as possible of his countrymen, with wives and children, to come over, in order to populate both western and eastern Balambangan where the situation is most advantageous, and thus to cultivate those Lands through a Nation which, being foreign both to the Javanese and to the Balinese who are situated so nearby and have so often made pretensions to Balambangan, could always serve as a support to resist with seriousness and frankness such and other unreasonable desires as the Balinese Gustis maintain here with regard to Raden Hadjie, and attempt to obtain with a fairly bold threat, as being more assured that there will then be nothing to fear for the Balambangan region, because those new Colonists would stake and risk everything for the stay and the peaceful habitation of Regions that are as fertile as these, so that I also trust that this may meet with Your High Nobilities' esteemed approval, and that it will also please Your High Nobilities, if Captain Bouton finds this further population practicable, to grant authorization to give effect to this, whilst also with Your High Nobilities' approval a certain title of authority over his people could subsequently be granted to the aforesaid Captain Bouton, if he gives further evidence of ability. Meanwhile, I have authorized the Surabaya Authority 323 the 13th April 1790. authorized, to frame the answer that is to be given by him to the Gustis aforesaid substantially in such a manner that he namely cannot see why the Gustis, through this case, should lose the Company's friendship, although they value it so little, for the Company's friendship is not so wavering, and the Company therefore does not easily come to renounce the same except for weighty and lawful reasons, and that it moreover exceeds his power to make any disposition concerning the Company's friendship, being a matter of too great importance, although the Gustis presently regard it so slightly, making it known that he had therefore also sent a Copy of that Letter hither, and that the Gustis will thus soon receive an answer from Batavia, both to its contents and to the Letter which they have sent for Your High Nobilities, and will see from that that he has written nothing but the truth to them. Furthermore, I have the honor respectfully to inform Your High Nobilities that according to the report of the Djokjakarta First Resident van Ysseldijk, the Sultan's Mancanegara Regents, having worked on the fortress again this year for 90 days according to custom, the first Resident's house, constructed according to the Plan thereof approved by Your High Nobilities, has now been brought entirely under the roof and is so far finished that only the interior work is lacking, so that one will have to begin on the outbuildings. But since the said van Ysseldijk on that occasion also requested me to make a proposal to Your High Nobilities that the dwellings for the Bookkeeper and the Chief Surgeon which, according to the Plan, would come to stand on both sides of the said First Resident's House, may be excluded, because the same would take away the space for the slave quarters, stables, carriage house, kitchen, likewise the so necessary Wells, to such an extent that, regardless of the unhealthiness to be anticipated from the lack of draft in the house, it would be accompanied with nothing but great inconvenience to reside in this otherwise fine dwelling, so that this was also shown to me in detail by the said van Ysseldijk during my presence at Djokjakarta in the Year 1788; I therefore take the liberty of bringing this to the attention of Your High Nobilities herewith, and to request Highest Your esteemed decision thereon, while I can also inform Your High Nobilities that, on account of the unhealthy condition of the Hospital in the fort at the aforesaid Office, one has already for a long time been compelled to permit that the Hospitaler together with the sick take up their residence in a healthy and well-situated spacious Garden outside the fort, which has been surrendered for this use by the First Resident van Ysseldijk and where one has very fine accommodations for placing the sick, whereas the old Hospital is now occupied by the Artillerymen posted there, so that the dwelling of the Hospitaler in the fort is the less necessary, since he as well as
Dutch transcription
327 den 12„e April: 1790. — laten geleegen leggen, en dat sij selfs, so sij maar de magt hadden ligt tot het bedrijven van vijandelijkheiden teegens Comp„s besettingen, zouden besluijten is het egter ruijnis bedunkens, in de gesteldheijd waarin zig Balij als nog bevind ten opsigte hunner vorsten en derzel„ „ver onderlinge belangens waar door zij in een gestadige haat en vijandschap leeven, niet te vermoeden dat derse voorneemens zig nu reeds so verre zullen uijtstrekken schoon het des niet te min een poinct van noodsakelijkheijd ten minsten van de noodige voorsigtigheijd is teegen hen steeds op hoede te zijn het welk ik dan ook den sourabaijas Gezaghebber heb aanbevoolen, insonderheijd niet opsigt tot het ooster Balemboangangsche als het welke, door desselfs nabijheijd ingevalle van eenige vij„ „andelijke voorneemens der Gustijs, seeker het meeste voor hunne aanslagen zoude bloot ge„ „steld zijn, te meer daar dit District tot nog toe so weynig bevolkt is, als waarom ik van ook bij die geleegenheijd aan gemelde gezaghebber teevens in bedenking heb gegeeven, of un Capitaijn Bouton niet zouden kun„ „nen animeeren, om verder zo veel mooge lijk van zijne Landslieden, met vrouwen en kinderen over te laaten koomen, ten eijnde so wel wester als ooster Balemboangang daar, de gesteldheijd het voordeeligst is, te doen bevolken, en dus die Landen te Culliveeren door eene Natie die vreemd, so wel nu de Iavaan, als van de so nabij geleegene en so dikmaals op het Balem boangsche prentnk: gemaakt hebbende Balijers, althoos zoude kunnen dienen tot een stein om zig teigen sulke en andere onredelijke begeertens, als de Balijshe Gustijs hier met opsigt tot Raden Hadjie souteneeren, en met eene vrij stoute be„ „drijging, tragten te verkrijgen, met ernst en rondborstig„ „heijd te kunnen versetten, als meer verseekert zijnde, dat er voor het Balemboangsche als dan niet te dugten zal zijn, wijl die nieuwe Colomisten alles zoude veil hebben en opsetten voor het verblijf en de geruste bewooning van Land streeken die zo vrugtbaar zijn, als dese, in„ „voegen ik dan ook vertrouwe dat dit de g'eerde goed= „keuring uwer Hoog Edelheeden zal mogen wegdragen en dat het uwe Hoog Edelheeden tevens behagen zal, om als Capitain Bouton deese meerdere bevolking uitvoerlijk vind, qualificatie te verleenen, om zulx te laten gevilg nemen, terwijl dan ook met het goedvinden uwer Hoog Edelheeden aan voorschr: Capitain Boutora, indien hij verdere blijken geift van bequaamheijd, vervolgens seekere titul van gezag over de zijne soude konnen toegestaan werden. Ondertuschen heb ik den sourabaijas gesaghebber over gequualificeerd 323 den 13„e April 1790. gequalificeerd, om het andwoord, dat door hem aan de Guo„ „lijs voorm: staat te worden gegeeven, in het haffe sakelyke in„ „diervoegh interigten. dat hij namelijk niet kan zien waarom de gustijs, door dit geval, Compagnies vriendschap zouden moeten verliesen, schoon zij 'er so weijnig prijs opstellen want dat Comp=s vriendschap niet zo wankelbaar is; en de Comp„e er dus ook niet ligtelijk toekomt, om deselve opleseggen ten sij om gewigtige en wettige reedenen, en dat 't buijten des ook zijn vermoogen te booven gaat, eenige beschikking over Comp„s vriendschap te maaken, als een zaak van altegroote aangeleegenheijd zijnde, schoon de gustijn deselve tegenwoordig zo gering agten onder te kennen gave dat hij daarom dan ook Copij van die Brief had herwaards gezonden en dat de Gustijs dus zo wel op dies inhoud als op de Brief die zy voor uwe Hoog Edelheeden hebben gesonden eerlang, van Batavia antwoord ontfangen en daar uijt sien zullen dat bij hen niet dan waarheijd heeft geschreeven voorts heb ik de eer uwe Hoog Edelheeden eerbiedig te bedeele, dat volgens het berigt van den Dyocjocartash Eersten Resident van ijsseldijk, des sulthans Mantjana„ „garische Regenten, in dit Jaar weder, volgens den gebruijke 90. dagen lang aan het fortres gearbeijd hebbende, het eerste Residents huys nu, navolgens het door uwe Hoog Edelheeden daarvan goedgekeurd Plan, opgebouwd, ten eenemaale onder het dak gebragt en in zo verre klaar is, dat er alleen het binnen werk aan manqueert, dus men in' aan de bijgebouwen sal moeten beginne, Dan vernits gemelde van ysseldijk mij bij die geleegentheijd, tevens versogt heeft aan uwe Hoog Edelheeden voordragt te doen, dat de wooningen voor den Boekhouder en den oppermester die, volgens het Plan, aan weerskanten van gemelde Eerste Residents Huijs, souden koomen te staan, mogen worden g'excudeert, also deselve de plaats voor de slave vertrekken stallen, wagen huijs, Com„ buijs, item de so noodsakelijke Putten sodanig souden be„ „neemen, dat / ongeagt de ongesondheijd die er door gebrek aan dorstogt in het huijs, te voorsien is:/: het niet dan met veel ongemak soude verselt zijn, om in deese anders fraeije wooning te huijsvesten, invoegen dit een en ander ook door gem: van ijsseldijk bij mijn aanweesen te Dijakjokarta in den Jaare 1788. mij omstandig is aangetoond; so neem ik de vrijheijd sulx bij deesen onder het oog uwer Hoog Edelheeden te brengen, en Hoogst Derselver g'eerde dispositie daarop te versoe„ „ken, terwijl ik uwe Hoog Edelheeden tevens berigten kan, dat „men weegens de ongesonde gesteldheijd van het Hoopitaal in het fort ten voorsz: Comptoire, al seedert lang genoodsaakt is ge„ weest te permitteeren, dat den Hoopitalier neevens de zeeken hun ver„ overblijf houden in een gesonde en wel gestelde ruijme Thuijn buijten het. fort;: die door den Eersten Resident van ijsseldijk tot dit gebruijk is afgestaan en alwaar men seer schoone geleegenheijd heeft, tot het plaatsen van zieken waartegen het oude Hospitaal tans benrond wvord door de aldaar bescheijdene Arthilleristen dus de wooning van den Hospitalier in het fort te minder noodsakelijk is, daar hij sig zo wel als aan
English
331 the 12th of April 1790: as the Bookkeeper in times of ruptures, which would have to be of especially great importance for one not to reside safely under the artillery of the Fort, will also easily be able to manage in a smaller accommodation, for which there will always be an opportunity to make room for them. Lastly, I took the liberty of presenting herewith to your High Nobilities a letter from the Council of Justice under flying seal to the Residents at Palembang, containing a request for information regarding the drowning of a certain woman in the river of Palembang by the Arab Sech Sayt currently held here in custody, who however claims to have committed this on the orders of Pangeran Ratu, son of the Sultan there, wherefore I also insist that this dispatch, as there is currently no opportunity for it here, may be sent on swiftly from Batavia. With due respect and true high esteem I have the honor to call myself, underneath stood: Title, lower: your High Nobilities' very obedient and faithful servant, was signed: Jan Greeve, in the margin: Samarang the 12th of April 1790. Having duly received Brother's letter via Banyuwangi and per the Mantri Singa Praya, we have fully understood from its contents that the matter concerning Raden Haji is situated just as we received information thereof: that on his return voyage from Banjarmasin to Bali, both due to heavy storms and because his rigging had been damaged thereby, he had put into Gresik, where the Resident properly invited him upon his arrival, but that he subsequently made a decision to retire to the Upper Lands, wherefore the Javanese princes, being informed thereof, had him searched for in their districts and sent to Samarang, where he was also further forwarded to Batavia by the Honorable Governor to be at the disposal of Their High Nobilities. This then comprising Brother's information concerning Raden Haji, we briefly serve as an answer thereto, and that for the reason that we refer to the dispatch which we received from Brother's sovereign, the Lord Governor-General and the other Lords of the Council of the Indies, and also sent to Brother per our emissary Juragan Jamadil, from which it is sufficiently evident, Copy translation of Malay letter written by the Gusti Ngurah Made and Made, princes at Karangasem on the island of Bali, to the Commander of this Eastern Corner A. Barkey and received the 1st of April 1790. that 333 the 12th of April 1790 that Their High Nobilities had no longer wished to concern themselves with Raden Haji, but permitted him to settle among us on Bali, which dispatch we request back from Brother, which we shall keep among ours as a security, while Brother may meanwhile do this in order to inform Their High Nobilities of such, of which we did not think that the sending up of Raden Haji had been approved and accepted by the Honorable Lord, a man to whom full freedom is granted, because, taken impartially, this treatment does not accord with the laws of the righteous, but rather that it was proper that Their High Nobilities had sent Raden Haji back to Bali to present himself first to us, and also to his wife and children, because he has become a subject of ours; had it then been that Their High Nobilities had desired to have him under the jurisdiction of the Honorable Company again, then Their High Nobilities, in our opinion, could well have written this to us, in which case we certainly would not have failed to present Raden Haji with wife and children to Their High Nobilities via our emissaries, and which might conveniently have taken place for the maintenance of friendship, the more so since no evil has yet been detected in Raden Haji, and he has shown proof here of good conduct. But now Brother's practice being different, and indeed to bring Raden Haji into nothingness through the channel of the Gresik Resident, we cannot think otherwise from this than that all of the same must originate from Brother, the more so when we consider that the Gresik Resident would dare to undertake nothing except with Brother's approval, so that Brother and the Gresik Resident are both the cause of that which has befallen Raden Haji; and as regards Brother also informing us of having obtained qualification from Their High Nobilities to have the vessel and the goods of Raden Haji that were left behind at Gresik sold to the highest bidder, in order as much as was practicable to apply it in payment of the debts which he is said to have left behind upon his departure from Batavia, we do not believe such in the least, since we have already received 4 letters from Their High Nobilities, but found those debts mentioned in none of the same, nor that Raden Haji had committed anything evil at Batavia, which we must believe, since otherwise Their High Nobilities would not have tolerated permitting Raden Haji to stay here, but would certainly have concerned themselves with him; therefore we cannot wonder enough that Brother could form such practices to cast someone into nothingness who is holily innocent, has also been to Mecca, and who also no longer looked after any worldly goods. Regarding the money that is owed to us by Raden Haji, we do not think so much of that, even if it were that we obtain no compensation for it, because no worldly goods come into consideration with us, nor that we wish to show our Highness in his presence, solely regarding, and striving to pursue, the true justice, that with the laws of the righteous conduct holy
Dutch transcription
331 den 12„e April 1790: als den Boekhouder in tijde van reiptures, die al van bijsonder= veel belang soude moeten sijn, om onder het geschut van het Cor„ „tres niet veylig te woonen, ook gemalckelijk sal kunnen behelpen in een kleijnder verblijf, tot het welk hun interuijmen althoos wel geleegentheijd zal syn. Laatstelijk mam ik de vrijheijd uwE Hoog Edelheeden hier neevens aan tebieden een brief van den Paat van Iustitie onder Cachet ppolant aan de Residenten te Palembang, houdende versoek om informatie weegens het verdrinken van sekere vrouw in de rivier van Palembang door den hier in hegtenis zittende Arabier sech saijt, die sulx egter seyd bedreven te hebben, op ordre van Pangerang Ratoe, zoon van den sulthan aldaar, waarom ik dan ook instere dat dese Missive, wijl daartoe tans hier gen gelee„ „genheijd is, spoedij van Batavia mag werden voortgesonden. — Met verschuldigde Eerbied en ware hoogagting heb ik de eer mij te noemen, /:onderstont:/ Titul / lager:/ uwer Hoog Edelheeden seer gehoorsame en getrouwe dienaar /:was geteket Ian Greeve /:in margine:/ Samarang den 12. April 1790. Over Banjoewangie en per den Mantria Singa Praija wel ontfangen hebbende, Broeders Brief, so hebben wij uijt dies inhoud volkomentlijk verslaan, dat de saak om„ „trent sadeur Hadjie desdanig is geleege als wij daer van informatie hebben ontfangen, dat hij in sijn retour reijse van Banjermassing na Balij, so door vertormen, als om dat daar door sijne zijlagien ontramponeerd waaren geraakt, grissee was ingeloopen, alwaar den Resident hem bij kom„ „ste behoorlijk inviteerde maar dat hij vervolgens een be„ „sluijt had genoomen van sig na de Bovenlanden te re„ „tireeren, waarom de Iavasche vorsten hier van verwilligd wordende, hem in hunne districten hebben laaten op„ „soeken, en na Samarang, gesonden, alwaar hij ook door de Edel Heer gouverneur verder na Batavia was gerenvoijeerd ter dispositie van Hunne Hoog Edel„ „heedens; dit dan Broederf: informatie omtrend e Ca„ „sem Hadjie behelpende, f„o dienen wij daarop korte, „lijk in antwoord, en dat uijt reede wijl wij onse aan de Missive gedraagen, die wij van Broeders souverain den Heer Gouverneur Generaal en de verdere Heeren Jaarsen van Jndaas hebben ontfangen, en Bra„ „der ook per onse serendeling Juragan Jamadil toegesonden, dat daer bij genoegsaam is blijkende Copia Translaat Maleijosche Brief geschree„ „ven door de Guflys Moera Madee, en Madee vorsten te Carang Assam op het Eijland Jalij, Aan den gesaghebber deeser oosthoek A: Barkeij en ontfangen den 1„e April 1790. - „dat 333 dat Hunne Hoog Edelheedens sig niet meer aan den 12„e April 1790 Jadein Hadjel hadden willen laaten geleegen legen, maar hem toegestaan om sig op Balij onder ons te moogen ne= „derfelle, welke Missive wij van Broeder terug versoeken die wij als een vertyligheijd onder onser sullen laaten berusten, terwijl Broeder dit wel intusschen doen mag om van sulks Hunne Hoog Edelheedens te: verwiltigh, van wan wij niet hebben gedagt, dat de opsending van Padem Hadju door de Edele Heer, hadden goedgekeurd, en geaccepteert, een man aan wien valle vrijheijd is vergund, want dat; onpar„ „tijdig genoomen, deese behandeling niet met de wetten der verteijligen over een koomen, maar wel dat het voege„ „lijk was dat Hunne Hoog Edelheedens Radeen Matjia weeder naar Balij hadden gesonden, om sig bij ons eerst te verthoonen, en ook bij sijn vrouw en kinderen, door dien hij een onderdaan van onse geworden is was het dan dat Hunne Hoog Edelheedens hadden begeerd om hem weeder onder het resort van de E: Compagnie te hebben, dan hadden Hunne Hoog Edelheedens, ons bedunkens, dit onse wel hebben kunnen schrijven, wanneer wij als dan seekerlijk niet sullen hebben nagelaaten om Radem Hadjie met vrouw: en kinderen per onse sendelingen stun„ „ne Hoog Edelheedens aan te bieven, en welke ter onderhouding van de vriendschap gevogelijk had mogeng „schieden, te meer daar in sCaden Hadjie nog geen quaad is bespeurd, en hij hier blijk heeft gegeeven, van een goed gedrag. dan nu Broeders practyk anders sijnde, en wel om Radem Hadjie door het Canaal van den grisseer gCesident in het niet te krijgen, so kunnen wij daaruijt niet anders denken als dat alle deselve van Broeder moeten afkomstig sijn, te meer wanneer wij overdenken, dat den grissees Resident niets soude durven onderneemen, als met goedkeuring van Broe„ „der, so dat Broeder en den Grissees Resident beijde aan het geen Raden stadje was overgekoomen oorsaak sijn, en wat aanbe„ „langd, dat Broeder ons ook meld qualificatie van Hunne Hoog Edelheedens verkreegen te hebben, om het vaarthuijg en de goederen van RCadeen stadje die te grissee agtergelaaten sijn voor 't meestbiedende te doen verkoopen, ten eijnde so veel doenlijk was te vertrekken in betaaling van de schulden die hij bij sijn depart te Batavia soude hebben agtergelaaten, sulx gelooven wij in't minste niet, dewijl bereits '4: Brieven van Hunne Hoog Edelheedense hebben ontfangen, dog in geen van deselve die schulden gemeld hebben gevonden, nog ook niet dat Radem Hadjue iets quaade had bedreven te Batavia welke wyj moeten gelooven, dewyl anders Hunne Hoog Edel „heedens, niet soude hebben getolloreerd om radeen Hadjel hier tot verblijf te permitteeren, maar sig seeker aan hemn verouden laaten geleegen leggen, derhalven kunnen wij ons niet genoeg verwonderen over dat Broeder sulke practijken had kunnen formeeren, om iemand in 't nit te werpen die heij„ „ligen onschuldig, als ook te Mecka geweest is, en die mede na geene wereldsche goederen meer had omgesien. — Aangaande het geld dat wij bij Raden Hadjie te goed hebben, daar aan denken wij so seer niet, al waare het ook dat wij daarvan geen vergoeding erlangen, want geene weereldsche goederen bij onse in aanmerking koomen, nog ook niet dat wij inderse teegenfwoordigheijd onse Hoogheijd willen laaten sien, eenelijk beschouwende, en tragtende na te setten, het waare regt, dat met de wellen der gedrag heijlig H
English
vSlielandt the 30th of April 1790. - holy is matching, as having placed in everything full trust in the guidance of the saints, which is why we will therefore not care much if we thereby come to lose the friendship of the Company and that of Brother, because there will then surely be other White persons who will very gladly wish to engage in friendship with us, trusting that we have in no way given reason for this rupture, but the only reason will be that in the case of Raden Hadje we wished to proceed according to holy law, as being fearful of declaring someone innocent to be guilty before the one to whom we owe our prosperity. We request that notice of these various matters be given to Batavia, and also that we are not inclined to send further letters thither, but indeed to notify the Panumbahan of Madura and the Sedayu Regent of the matter, so as not to make them faint-hearted in their friendship with us, and also to report that the wife of Raden Hadjie with her son and daughter Mas Jokko and Mas Mantan are with us, since we are also descendants of Majapahit; meanwhile it is further pleasing to us that brother had granted our envoy Jamadil permission to purchase a new vessel and also to be allowed to replace the planks of his old vessel. —. /:below was written:/ End Written on Saturday the 28th of the light Jumadilawal in the Year Ehe 1203: or the 13th of February Anno Currente translated according to statement / was signed / Hr van Ligten, sworn Translator The pantjallang the Beschermer having arrived here from Joana a few days ago to depart further for Batavia, I make use of this opportunity to let pass over therewith, in secure custody and under the supervision of a corporal and four European private soldiers, to the respected disposal of Your High Excellencies, the leaders of the now completely dispersed conspiracy of the deceitful persons and rustlers who had banded together in the Grobogan district, mentioned in my submission of the 27th of February last, namely Raden Soero High Noble, Stern, Highly Honorable Lord, and Right Noble, Stern Lords! To His High Excellency, The High Noble, Stern, Highly Honorable Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General, Together with The Right Noble, Stern Lords Councilors of the Dutch Indies, Batavia. Koesoemo 33 the 30th of April 1790: Koesoemo and Panumbahan Toengal woelang, while I request that the said soldiers serving for their escort may, when convenient, be sent back to Java. Having recently been sent by the Authority in Surabaya the original letter written to him in Malay by the Gustis in Bali Karangasem, mentioned in my previous respectful letter of the 12th of this month, I therefore take the liberty to present the same herewith to Your High Excellencies, together with a further translation prepared here in Semarang, which appears to me to differ markedly from what was first sent over thereof by the Authority and also presented to Your High Excellencies in my said dispatch, both with respect to the expressions and the matter at which they seem to aim, as among other things it does not appear therein that the Gustis will not care even if the Company should wish to break off friendship with them, as appears in the Surabaya translation, but herein only the Authority is spoken of, and therefore what the Gustis immediately let follow must also be considered in that sense: namely, that there will then surely be other White people who will wish to engage in friendship with them. While from the Semarang translation it also seems ought to be inferred that the clause in which the Gustis say that they will no longer write to Your High Excellencies is only applicable to the case of Raden Hadjie, but in no way to other matters, since this condition is not added to it and it also does not appear in the entire letter that they wish to break off friendship with the Company; nor do they directly let follow upon this declaration that they do, however, wish to write to the Panumbahan of Madura and the Tumenggung at Sedayu, as stands in the Surabaya translation, but this comes entirely at the end, and is only a notification to make known this intention of theirs to the Authority. Translation
Dutch transcription
vSlielandt den 30:e April 1790. - heijligh is overeenkomende, als hebbende in alles vol„ komen vertrouwen gesteld aan de befliering der heijligen, waarom wij ons dus niet veel sullen laaten geleegen leggen, so wij hier door de vriendschap van de Compagnie, en die van Broeder sullen komen te verliesen, want dat er dan wel andere Blanke persoonen sijn, die sij met onver ok gaar „ne in vriendschap sullen willen laaten inwikkelen, als verteunende dat wij tot deese verbreeking geen sints reeden gegeeven hebben, maar eenelijk reeden sijn sal, door dat wij in de zaak van frCadeen Aadje na het heijlig regt hebben wil„ „len te werk gaan, als bevreept sijnde om iemand onschuldig voor schuldig te verklaaren, bij die aan wien wij onse wel„ „vaart te danken hebben. wij versoeken van dit een en ander naar Batavia te willen kennis gewen, en ook dat wij niet geneegen sijn, om meerder brieven darwaards te senden, maar wel om den fanumbahan van Madura en den fi„ „daijoes Regent van de saak te verwittigen, ten eijnde hun in de vriendschap met ons niet klynhartig te maaken, en ook leffong te melden dat de vrouw van Rademn Hadjie met haar soon en dogter maaf Jokko en Maas Mantan sig bij ons bevinden, dewijl wij meede afstammelingh van Maja Part sijn; Jnterschen dat het ons wijders aangenaam is dat broeder onse sendeling Jamadil permissie had verlend ter inkoop van een nieuw vaarthuijg en ook om sijn oud vaar„ „luijg van planken te mogen verwisselen. —. /:onderstont:/ Einde Geschreven op saturdag den 28„ e van 't ligt Joemavilawal in 't Jaar Estee 1203: ofte den 13. februarij A„o C„t (:vadenslager:) getranslateert:/ door mij volgens opgave /. was geteekent/ H„r van Ligten, gesw Translateur De Pantjallang de Geschermer voor eenige dagen van Joana hier gearriveerd sijnde, om verder naar Batavia te vertrekken, bedien ik mij van deese geleegendheijd, om daar meede, in goede verseeke„ „ring en onder opsigt van een Corporaal en vier ge„ „meene Europeesche Militairen, ter g'eerde dispositie van uwe Hoog Edelheeden, te laaten overgaan de bij mijne Submisse van den 27:e febr: l: l:, vermelde Hoof„ „den van het nu geheel verstrooijde Complot der sig in het Grobogangssche te saamen gerot hebbende Devee„ „pers en vrCust verveloorderf, naamenser RCadeur Soero Hoog Edele Gestrenge Groot Achtb. Heere, en Wel Edele Gestrnge Heeren! Aan zijn Hoog Edelheijd. Den Hoog Edele gestrenge groot Achtb. Heer. M„r Willem Arnold Alting, Gouverneur generaal. Beneevens De welEdele gestrenge Heeren Raaden van Nederlandsch Indie. Batavia. Coersoemo 33 den 30:e April 1790: Coepsoont en Panumbahan Toingal woelang, terwijl ik versoeke, dat de ged„e tot hun geleijde dienende i„ „litairen, bij geleegenheijd, weeder naar Iava mo„ „gen terug gesonden worden. Dinlangs door den Gesaghebber te Soura„ „baija, mij toegesonden sijnde, de origineele aan hem in het Maleijds geschreevene Brieff door de gustijs te Balij Carang Assam, ver„ „meld bij mijne voorige eerbiedige van den 12:e desser, so nem ik de vryheijd Uwe Hoog Edelheeden deselve hier neevens aantebieden, niet en beneevens een hier te samarang ver„ „vaardigd nader Translaat, het welk mij voorkomt merckelijk te differeeren van het geene door den Gesaghebber daar van eerst overgesonen en ook bij mijne gedagte Missive uwe Hoog Edelhee„ „den aangebooden is, so ten opsigte van de segswijsen als de saak waarop die schinen te doelen, gelijk onder anderen niet daarbij voorkomt; dat sij Gustijs er sig niet aan sul„ „len laaten geleegen leggen, alwaere het ook dat de Compagnie de vriendschap met haar wil „de afbraeken, gelijk in het sourabaijas in Translaat voorkomt, maar hier in word al„ „leen van den Gesaghebber gesprooken, en dus moet ook in die verin aangemerkt worden het geen er de Gustijf dadelijk op laten volgen: dat er namelijk dan wel nog andere Blanke men„ „schen sullen sijn, die sig met haar in vriend„ „schap willen inlaaten. Terwijl uijt het Samarangsche translaat ook schijnt te moeten worden opgemaakt, dat de periode, waarbij, de Gustijf seggen, dat se niet meer aan uwe Hoog Edelheeden sullen schrijven, alleen toepasselijk is op de saak van Radeen Ha„ „djie, maar geinsints op andere saaken, vermits deese bepaaling er niet bijvoegd if en ook in de geheele Brief niet voorkomt, dat sij de vriendschap met de Compag„ „nie afbreeken willen, ook laaten sij op dese betuijging niet direct volgen, dat se eg„ „ter wel schrijven willen aan de Panum„ „bahan van Madura en Tommongong te Sidaijoe so als in het Sourabaijas Translaat staat, maar dit komt geheel agter aan, en is alleen een konnef gewing om den Gesaghebber van dit hun voorneemen Translaat
English
to inform. the 20th of April 1790. All this, added to various other differences found between the two translations, has left me no choice but to inform Your High Excellencies of it, as is my duty. It is possible that, upon closer examination, the letter from the gustijs will be found to be composed in a less haughty and insulting manner than it appears according to the Sourabaija translation. In the meantime, I have also informed the commander at Sourabaija of this, with instructions to confer with the translator about this matter and to recommend greater attentiveness for the future, further with authorization to dispatch the letter in reply to the gustijs according to the draft communicated to Your High Excellencies, but at the same time to bring to the attention of the gustijs the mistaken conception they have formed of Radeen Stadje as being their subject, whereas the Company, although it wished to take no further trouble to get him into its hands, nevertheless by no means waived its lawful authority over him and its right to exercise this if he should find himself under the Company's territory. A few days ago a letter was also received here from the first resident at Pontiana, Klaagman, whereby he gives notice that the brother of the Saijd Aloewie Jbrahim who was murdered at Sambas, named Saijd Aloewie Segat, arrived at Pontiana and proceeded with a chiampang to Sambas, and there received his said brother's entire estate from a certain Hadjie Oenoes, the authorized agent of his said brother, together with the purchase price of the vessel detained there belonging to the Juragan Jntje Zemal who resides here, as the said Intje Iamal had supposedly sold this vessel to Hadjie Oenoes, but nevertheless later refused to accept the stipulated price, as Your High Excellencies, if you please, will be able to see in greater detail from the accompanying copy of the said Pontiana letter. the 30th of April 1790. How much this purchase price of the vessel amounts to in the meantime is unknown to me, since Resident Klaagman does not mention this and the aforementioned Sayd Alouwie Segat has also not yet arrived here; but when this occurs, I shall immediately have him pay out the money received to Jntje Iamal, with which he will have to be satisfied, since in my opinion nothing else can be accomplished for him in this matter anyway, as the ruler absolutely denies knowing anything of his goods or claims upon the estate of the Chinese Jntje Djiet. It is also for that reason that, in the hope of Your High Excellencies' favorable approval, I have already given orders to release the Sambas ruler's vessel again and to get it ready for the return voyage to Sambas, in order thereafter to be handed over to one or another of the ruler's subjects who is entitled to receive it, with sail and rigging and further accessories etc., just as it was found upon its seizure, with which the matter will then be settled without anything to fear from those consequences for which the Pontiana Resident otherwise seems somewhat apprehensive, since he says that the ruler of Sambas could cause enough trouble in that region by supporting our inland enemies there; although in my opinion this is by no means to be expected from him, partly on account of the inconvenience into which he would thereby plunge his kingdom, and partly because he actually has no reason to complain, since in the detention of his vessel merely his own example was followed, not even counting the just reasons for dissatisfaction that he has given the Company by admitting and supporting people who had shamefully defrauded their pass, although he now tries to feign ignorance of the orders that prohibit this, and therefore says in his letter to Resident Klaagman that if he had done wrong thereby, it was only because the Company wanted to prevent the people of Sambas from sailing to Java, as is expressed in the translation prepared here of the ruler's said letter, of which a copy in the Malay language was sent here by Resident Klaagman, and which I also submit, subject to correction, ought to be understood thus, instead of: that the Company had only forbidden those of Sambas to sail to Java, as is stated in the translation which Your High Excellencies were pleased to send me of this letter previously, and in which, besides this, I also find several other differences with the Samarang translation, wherefore I take the liberty of presenting the latter to Your High Excellencies herewith, to serve for Your Highest honored consideration. On that occasion, there was also sent here by the aforesaid Pontiana Resident Klaagman a letter from the former Panumbahan at Mampauwa, Adie Djaija Coipsoema, to his son Maas Djoeriet residing here, of which I have the honor to present the translation herewith to Your High Excellencies, containing a proposal that the said Maas Djoerit should come over to Mampauwa in person in order then to return here with a letter to me, or otherwise that he should send a vessel upon which he, the Panumbahan, would send an emissary.
Dutch transcription
333 te verwittigen. den 20:e April 1790. Dit een en ander, gevoegd bij verscheijdene andere differenten, die er tusschen de Twee transla„ „ten gevonden worden, hebben mij dus geen keuse overgelaten, om uwe Hoog Edelheeden, volgens plijk daarvan te informeeren. Mogelijk dat, bij nader ondersoek, bevonden sal worden, dat de brief der gustijs, minder trots en beleedigend is in „gerigt, als die volgens het sourabaijas translaat moet voorkomen. - Jk heb den gesaghebber te sourabaija intussen meede hiervan geinformeert, met last, om den Translaateur hier vaan over„ te onderhouden en voor het vervolg een meer „der oplettendheid aantebeveelen, met quali„ „ficatie voorts, om de brief in andwoord aan de gustijs, na het uwe Hoog Edelheeden daarvan bedeeld ontwerp, te laaten afgaan dog daarby de gustijs teevens onder het oog te brengen, het verkeerd begrip, dat sij sig van radeen stadje, als van hunne onder„ „daan geformeerd hebben, daer de Comp„e afschoon, se geen moeete meer begeerde Voor eenige dagen is hier ook een brief ontvangen van den pontianas eer„ „sten resident klaagman, waerbij deselve kennis geeft, dat de Broeder van den te sambas vermoorden saijd Aloewie Jbrahim, naamens saijd Aloewie segat, te Puntiana aangekoomen, en sij met een Chiampang naar sambas begeeven had„ mitsgaders aldaer van seekeren Hadjie de„ „noef, gewolmagtigde van gemelde sijnen Broeder, derselfs geheele nalatenschap had ontfangen, te gelijk met den ver„ „koopsprijs van het aldaer aangehoudene vaarthuijg van den alhier woonagtigen Ju„ „ragan Jntje Zemal, alsoo gemelde In¬ „tje Iamal dit vaarthuijg aan Hadjie Oe„ „noes, soude verkogt, dog egter naderhand ge„ „weijgerd hebben, de bedongen paijs te accep„ te doen om hem in handen te krijgen, eg„ „ter geeoints afsag van haer wettig gesag over denselven en het regt, om dit te oeffenen, als hij sig onder Compagnies gebeid soude bevinden. -. te „teuren e 34 den 30:e April 1790. - „teeren, inwegen Uwe Hoog Edelheeden des behargende, uijt het neevensgaande afschrift van gemelde Puntianase Brieff nader sullen kunnen beoogen. Hoeveel ondertusschen deese verkoops prijs van het vaarthuijg beloopt, is mij onbewust, vermits de Resident klaag„ „man sulks niet meld en oorschreeven sayd Alouwie Segat, ook nog niet alhier gearriveert is, dog wanneer sulx geschied, sal ik dadelijk het ontvangen geld door hem aan Jntje Iamal laaten uijtkeeren, waar „meede hij sig wel sal moeten te vreede houden vermits er omijns bedunkens in deesen tog niet anders voor hem sal uyt te voeren sijn, daer de vorst volstrekt ontkend, iets van desselfs goederen of praetenties op de boedel van den Chinees Jntje Djiet, te weeten. Het is dan ook om die reeden, dat ik in hoope van uwe Hoog Edelheeden gunstige welduijding reeds ordre heb gesteld, vmn het vaarthuijg van sambas vorst, weder te largeeren en in gereedheijd te brengen, tot de te rug reijse naar sambas, om daarna aan de een of ander van des vorsten onderdaanen, die tot den ontfangst geregtigd is, met seijl en trijl en verder toebehooren &c„a, soodanig als het bij het in beslag wennen bevonden is, overge„ „geeven te worden, waarmeede als dan de saak sal afgedaan syn, sonder dat er iets te vreesen is, van die gevolgen, waer voor den Pontemaras Resident anders eenigermaten bedugt schijnt te weesen, vermits hy segd, dat de vorst van sambas in die Contrijn verpels genoeg soude kunnen maaken door onse Bovenlandsche vijanden aldaer te ondersteunen, hoewel dit min ver bedunkens van hem geensints te voorsien is, eensdeelf uijt hoofde van de ongeleegenheyd waerin hij sijn Rijk hier door sou brengen, en ten anderen wijl hij ook eijgentlijk geen reeden heeft van klaagen, daar in het aanhouden van syn vaarthuijg alleen sijn eigen voorbeeld gevolgd, is, sonder nog eens te reekenen de regtvaerdige reedenen tot misnoegen, welke hij de Com„ „pagnie heeft gegeeven, door het admitteren om 343 den 30e April 1790. en ondersteuren van lieden vr. schaneelijk hunnen saf hadden gefraudeert, schoon hij sij nu tragt onkundig te houden, van de ordres die daar teegen leggen, en daarom in sijn Brief aan de Resisent klaagman segd, dat indien Hij daar door quaad had bedreeven, sulx dan alleen was, om dat de Compagnie be„ „letten wilde, dat het volk van Sambas niet op Java quam vaeren, gelijk sulx word uytgedrukt in het hier geformeerde Translaat van 's vorsten gemelde brief, waarvan daar den Resident klaagman Copia in de Ma„ „leijdsche spraak herwaards is gesonden en het geene ik ook onder Correctie vermeene, dat so moet verstaan worden, in steede van: dat de Compagnie alleen die van Sambas verbooden heeft, naar Java te varen, so als staat in het Translaat het welk uw Hoog Edel„ „heeden mij van deesen: Brief reeds bevor„ „rens hebben gelieven toet esenden, en waar in ik buijten deese ook nog verscheijdene andere defferenten met het Samarangs Tran„ „verlaat vinde, waarom ik de vrijheijt nee„ „me uw Hoog Edelheeden dit laatstgemel „de hier neevens aantebieden, om tot Heroogst der selver g'eerde speculatie te kunnen die„ Bij die geleegenheijd is door den voorschr Ponutianas Resident Hlaagman ook levrk „waards gesonden een Brief van den gewee„ „sen Panumbahan te Mampauwa Adie djaija Coipsoema, aan desselfs sig al„ „hier bevindende soon Maas Djoeriet, waar van ik de eer heb uwe Hoog Edelheeden hier neevens het Translaat aantebieden, belelsende een voorstel, dat gemelde Maaf djoerit in persoon naar Mampauwa soude overkomen om dan met een brief aan ij herwaards terug te keeren, af anders dat hij een vaartuijg soude senden, waarop hij Panumbahan een „nen. —. sendeling ik
English
345 the 30th of April 1790 can place an emissary; which latter proposal appears to me to be the safest, because in the first-mentioned case it is to be feared that Maas Djoeriet, arriving at Mampauwa, might possibly be murdered by his enemies or otherwise detained by his father, whereas now, by his stay here, he can keep his father somewhat in check. For that reason, with the pleasure of Your High Nobilities, I shall also permit the said Maas Djoeriet to write once more to his father with one of the traders returning to Mampawa or Pontiana and to admonish him to submit to the Company's arrangements, the outcome of which can then be awaited, as well as the letter and emissary which he says he wishes to send to me regarding this; and for which, I have meanwhile the honor to present herewith to Your High Nobilities a copy of a separate letter recently sent to me by the Surabaya Administrator I believe, sufficient opportunity can be offered him by the Pontiana Resident, with the traders departing hitherward, so that I shall also inform the said Haagman of these matters, in reply to what was communicated by him, regarding the still continuing troubles at Mampauwa, which it were very desirable for the Company's interest that they could be removed by an equitable settlement, the more so as one learns here that the expedition recently undertaken has turned out entirely unfavorable for our people. I from 348 the 30th of April 1790. from Passourouang's Commandant van Kijck dated the 10th of this month, whereby he makes known: that he has been obliged, during the expedition undertaken to the South coast of Java, both for the maintenance of the European and Native troops, item of Captain Bouton and his people as well as the captured Bugis, to purchase 4 Coyangs of Rice at 25 rds the Coyang, or together 100 rds, with the request therefore to be permitted to write off this small amount, as also a quantity of 1 13/30 vts of partly used or wetted live cartridges, item the 12 pieces of muskets and sidearms rendered unserviceable sent to Surabaya. from the said letter of the Passourouang Commandant van Kijck, Your I take the liberty respectfully to submit this request to Your High Nobilities; since one was absolutely compelled to purchase the aforesaid quantity of Rice, because at that time in the western Balemboang area rice was very scarce and nothing was to be obtained anywhere, while the unserviceableness of the live flintlock cartridges and muskets (which latter will possibly be repairable) was caused by the heavy rainy weather, whereby one had to discharge and reload the muskets almost day after day. arms Your C79 f 349 the 30th of April 1790. High Nobilities, if it pleases you, can also observe that he has indeed made all inquiries, both with Captain Bouton himself and others, concerning the previously mentioned Captain Cabo, but that none of them know anything to report about it, or have known that Captain Cabo at Manshar, wherefore it is to be assumed that the statement made thereof was either written in error or poorly translated. With due respect and true high esteem I have the honor to be (was signed:) Title: (lower:) Your High Nobilities' very obedient and faithful servant (was signed:) Jan Greeve (in the margin:) Samarang the 30 April 1790. Translation of a Malay Letter written by the Gustis Moera Made, and Made at Carrang Assam, To the Surabaya Administrator Anthonij Barkeij, presented at Samarang the 28th of April 1790. By the emissary of the Commandant at Banjoewangie, the Mantri Singo Proijo, we have well received Brother's letter, containing: that the matter concerning Raden Hadjie stands as follows, according to the reports thereof, namely that he, Raden Haden, having set sail from Banjermassing to return home to Bali, due to heavy and adverse winds whereby the rigging became unserviceable, had put into Grissee, and that the Resident there, upon his arrival, showed him all honor and also assigned him a lodging, from where he had taken flight to the Emperor's land at Cartasoera, and that the Emperor had therefore also had him, Raden Hadjie, sought out, and when he was found had sent him up to the Honorable Gentleman at Samarang, and by His Excellency further to the Lord Governor-General
Dutch transcription
345 den 30e April 1790 sendeling kan plaatsen; welke laatste propositie mij voorkomt, wel de veijligste te sijn, vermits in het eerst gemelde gual te vreesen is, dat Maas Gjoeriet te Mam„ „pauwa konmende, moogelijk door sijne vijanden sal vermoort af anders door sijnen vader aangehouden worden, daar hij nu door sijn verblijf alhier fijnen vader als in breijdel kan houden. -. Om die reeden sal ik dan ook met believen uwer Hoog Edel: „heeden aan gemelde Maas djacriet per„ „mitteeren; om met eene der naar Mampawa of pontiana terug Keerende vertandelaars, andermaal aan sijnen vader te schrijven en denselven te vermanen sig aan Compag„ „nies schikkingen te onderwerpen, waar van men dan den uijtslag kan afwagten en so ook van de Brief en fendeling, die hij segd deswee„ „gens aan mij te willen senden; en waartoe Jk heb intusschen de eenr uwe Hoog Edelheeden hier neevens aantebieden ein onlangs mij door den Sourabaijassch ge„ sayhebber toegesonden Copia Aparte Brief ik vermeene, dat door den Pontianasth Gesident hem genoeg geleegerheijd kan worden aan de hand gegeeven, met de her„ „waards vertrekkende Htandelaars, invoe„ „gen ik dan ook gemelde Hlaagman van dit een en ander sal informeeren, in and„ „woord op het door hem bedeelde, weegens de nog aanhoutende troubles te Mampau„ „wa, welke het vonr Compagnies belang seer te wenschen was, dat door een billij„ „ke schikking, komden uijt den weg geruijmt worden, te meer daer men hier verneemd, dat de laatst gedaane expeditie gantsch niet voordeelig voor de onse is uijtgevallen. ik van 3 oC den 30=e April 1790. van Passourouangs Commandant van Kijck de dato 10e deeser, waar„ bij deselve te kennen geeft: dat hij ver„ plijt is geweest, om geduurende de gedaane expeditie naar de Suijakant van Java, so tot onderhoud der Europeesen en Jnlandsche Manschappen, item van Capitain Bouton en sijn volkr als de gevangene Borgineesen, te moeten in„ „koopen 4. Coijangs Rijst teegen 25. rd„s de Coijang, of te saamen 100 rd„s, met versoek derhalven, om dit montantje te moogen afschrijven, so ook eene quan„ „tifeijt van 1 13/30. v„t diels verbruijkte of nat gewordene scherpe patroonen, item de naar sourabaija gesondene onbe„ quaam quaakte 12. p„s geweren en wapen„ uijt de gemelde brief van den Passou„ „rouangs Commandant van tfick & sullen „tuijgen Jk naem de vrijheijd ait ver„ „soek eerbiedig aan Uwe Hoog E„ „delheeden voortedragen; daar men tot den inkoop van de voorseijde quan „titigt Rijst atsolut genoodsaakt is geweest, door dien het thoen Juist in het wester Balemboangse heer schaars van Rijst en nergens iets te bekoomen was, terwijl het onbequaam „raken der scherpe snaphaan Patroonen en geweeden (welke laatste moogelijk wg te repareeren sullen sijn :/ door het sterk reegenagtig weer is veroorsaakt, waar door men genoegsaam dag aan dog de geweeren moest afbranden en weder laden. —. tuygen uwe C79 ƒ 349 den 30e April 1790. uwe Hoog Edelheeden de behaagende, ook kin„ „nen beoogen, dat hij wel alle navorschingen heeft gedaan, so wel bij Capitain Bouton selff als anderen, om„ „trent den bevoorens gewaagden Capitain Cabo, dog dat geene derselve desweegens iets weeten op tegeeven, of dien Capitain Cabo te Manshar gekent hebben, waarom het te stellen is, dat de daarvan gedaane opgave of fout geschreeven of qualijk getranpla„ „teert is. Met de verschuldigde eerbiet en waare hoog„ „agting heb ik de eer te sijn (:onderstond:/ Tilut:/ (lager:) uwer Hoog Edelheeden serr gehoorsaeme en getrouwe dienaar (:was geteekent:) Jan Greeve /:in margine:/ Samarang den 30 April 1790. Per sendeling van den Commandant te Ban„ „joewangie den Mantrie Singo Proijs, hebben wij Broeders brief wel ontfangen, behelsende: dat de saak omtrent Radeen Hadjie geleegen is, invoegen „de berigten daarvan sijn, te weeten dat hij Raden Hadjie van Banjermassing onder seijl gegaan weepende, om na Balij 'thuijswaards te keeren door swaare en verkeerde winden, waar door het tuijgagie onbequaam raakte te grissee was binnen geloopen en dat den Resident aldaar bij sijn aan„ „komst, den selven alle honneur beweaf en ook een Logies aantoonde, waar dat denselven van daar de vlugt na 's keijserf land te Cartasoe„ „ra had genoomen, en dat den keijser daarom hem Raden Hadjie ook his laaten opsoeken, en thoen denselven was gevonden aan den Edelheer te Samarang had opgesonden, en door Hroogst deselve voorderf aan den Heere Gouverneur Translaat Maleijdsche Brieff geschreeven door de guvlijs Moera Made, en Made te Carrang Assam, Aan den Sourabaijas Gesaghebber An„ „thonij Barkeij, vertoond te Samarang den 28:e April 1790. - generaal
English
30 April 1790. Governor General and the Council of the Indies was transported to Batavia. This being the essential content of Brother's letter of reply, we serve thereon briefly in answer that we refer to the letter sent to us by Brother's Lords and Masters the Lord Governor General and the Lords of the Council of the Indies at Batavia, and which we also offered to Brother for reading by our envoy Ingabij Joemadil. Therein was contained that the said Lord Governor General and the Council of the Indies no longer wished to concern themselves with him, Raden Hadjie, and permitted him to settle on Baly to reside, and which letter we now request back from Brother, as we wish to preserve the same among us as a sacred thing. Meanwhile, Brother may well mention that we take to heart the case of Raden Hadjie, who was declared by Brother's Lords and Masters to be a free resident of Balij, because the same was sent over by the Noble Lord at Samarang to the Lord Governor General and the Council of the Indies, and Their High Nobilities took pleasure therein. But if one had acted according to equity and divine laws, it would indeed have been proper that Brother's Lords and Masters had sent him, Raden Hadjue, back again to Balij, in order to show himself to us and to his wife and children, since the same was a subject of ours, and if Their High Nobilities had desired that we should send him, Radan Hadjie, to Batavia, then the very same should at least have written to us about it, and then we would certainly have sent him, Raden Hadjee, together with wife and children, over to Brother's Lords and Masters. These are our sincere views of worldly justice, and the more so because he, Raden Hadje, lived here on Balij in tranquility and peaceably, in accordance with the stipulation in the missive from Brother's Lords and Masters which we sent to Brother by our envoy Juragan Joemadil. Furthermore, it was also contained in Brother's missive that Their High Nobilities had given Brother qualification to sell by public auction the vessel and the entire cargo left behind by Raden Hadjie, in order to be able to pay his debts with the capital resulting therefrom, to which we reply that we cannot believe this, as we have received four letters from Brother's masters, among which is the one that was sent by us to Brother by our envoy Juragan Joemadil, and wherein in the least not. Then Brother presently possesses the skill, or is clever enough, to push everything onto the Resident of Grissee, but such can indeed not be possible, for the same would not dare to presume to undertake anything without Brother's prior knowledge, and thus both Brother and the Resident of Gresseer are together the cause of the occurrence.
Dutch transcription
den 30. April 1790. generaal en de Twaalf Rladen van Jndia naar Batavia was getransporteerd. Dit dus den wesentlyke inhoud van Broeders antwoord brieff sijnde, so dienen wij daarop Cortelijk in andwoord dat wij ons gedragen aan den Brief door Broeders Heeren en Meesters den Heere gouverneur generaal en de Heeren Twaalf raden van Jndie te Batavia, aan ons gesonden, en die wij Broeder ook per onsen sendeling Jngabij Joemadil ter lecture hebben aan„ „gebooden. Daar in waf vervat, dat gemelde Heere Gouverneur generaal en de Twaalf Raden van Jndi, sig niet meer aan hem Raden Hadjie, wilde laaten geleegen leggen, en hem permitteeren om sig op Baly met er woon te moogen nedersetten, en welke brief wij thans van Broeder te rug versoeken, also wij deselve onder ons als een heyligheijd willen bewaaren. — Jntusschen kan Broeder wel melding maaken dat wij ons de saak van Radem Madjue, die door Broeders Heeren en Meeslers tot een vrij inwoonder van Balij is verklaart aantrekken, overmits denselven door den Edelheer te Samarang aan den Heere gouverneur ge„ „neraal en de Twaalf Raaden van Jndie is overgeson„ „den, en Hunne Hoog Edelheeden door genoegen inneemen. Dog wanneer men volgens de billijkheid en de goodelijke wetten had gehandelt, so wd was het immers wel voeglijk geweest, dat Broeders Heeren en Meestaaf hem Radem Hadjue wederom na Balij hadden gesonden, ten eijnde om sig aan voorts was ook in Broeders Missive vervat dat Hun„ „ne Hoog Edelheeden Broeder qualificatie hadden gegeven om het nagelaten vaarthuijg en dief geheele lading van Radem Hadjie, per publicque vindetie te verkoopen, ten eijnde om met het daarvan komende Capitaal desselfs schulden te kunnen betaalen, waarop wij dienen, dat wij sulx niet kunnen gelooven, also wij van broeders meesters vier brieven /: waar onder ander bij is, die door ons„ Broeder per onse sendeling Juragan Joemadil is toege„ „sonden:) hebben ontvangen e en waar bij in 't minst Dan Broeder besit als nu de bequaamheijd, of is so slim om alles op den grissees Resident te schuijven, dog sulx Gan immers, niet mogelijk weesen, want den„ „selven soude sig niet durven onderstaan iets buijten Broeders voorkennisse te onderneemen, en dus is so wel Broeder als den gresseef Resident beijde oorsaak aan het geval. —. onf en aan sijn vrouw en kinderen te verthoonen, also denselven een onderdaan van onver was, en wan„ „neer dan Hune Hoog Edelheedens begeert hadden, dat wij hem Radan Hadjie naar Batavia souden senden, so moesten Hoogst deselve dog immers daar over aan olif schrijven, en dan souden wij ook voorse„ „ker hem Radem Hadjee beneevens vrouw en kinderen aan Broeders Heeren en Meesters overgesonden hebben. Dit sijn onse opregte denkbeelden van 'srwaerelds regt„ „vaardigheijd en sulx te meer, wermits hij Radem Hadje alhier te Balij in stelte en vreedsaam heeft gewoont, in overeenkomst de bepaling by de Missive van Broeders Hee„ „ren en Meesters die wij per onsen sendeling den Juragan Joemadil broeder hebben toegesonden. ons niet
English
358 the 30th of April 1790 it is not known that he left debts in Batavia or committed any evil in Batavia, which is evident, as he would otherwise not have been surrendered to our care and permitted to reside in Balij, and why then does Brother employ such abilities; as well as because he, Radem Hadju, is a person who lived a holy life and has been on a pilgrimage to Maca, and consequently, it is impossible, as Brother asserts, that he could have left debts, the more so because he was a man who no longer troubled himself with worldly matters and had his thoughts fixed solely upon the grave; yet we do not wish to express ourselves expansively on this matter, and whether Brother wishes to satisfy the money that we are owed by him, Radem Hadjie, or not, it makes no difference to us, for with us no worldly goods are taken into consideration, and we also do not wish to assert our greatness according to worldly customs, since we keep our God before our eyes, who is capable of clarifying and vindicating the contents of this our reply letter by letter. Thus, even if the friendship between Brother and us were to be broken by this, there will nevertheless be no lack of other white persons who uphold right and justice in this world; so long as we do not find ourselves guilty of having given cause and having acted unjustly, whereby the promised friendship and alliance between me and Brother as well as the Company is broken, and thus, if it is that Brother and the Company take such a resolution, it shall also not grieve our hearts, but we shall then leave the retribution to the Almighty, whom we fear. Seizing the opportunity that now presents itself here with the departure of the Malay Anachada Abdulla Achmith, belonging to Samarang, respectfully to reply to Your Right Honorable Noble Respected Sirs venerated missive dated 21 May. Copy of a letter written by the Puntianak Resident Klaagman. Your Honor will please not fail to send this our letter to Batavia, to Brother's Lords and Masters the Lord Governor-General and the Twelve Councilors of the Indies, as we shall write no more to them for the reason that Brother's unjust conduct is contained in this letter from the very beginning. Furthermore, we have also seen from Brother's letter that Brother had permitted our emissary the Iuragan Pamadil to purchase a new vessel and to be allowed to provide his old vessel with new planks, which was particularly pleasing to us, while we give notice to Brother that we wish to send a letter to the panambahan of Madura and the Tommongong of Siaaijoe, as we too are descendants of Madja Pait, and so that they may not be fainthearted in maintaining brotherhood with us, since we keep the panumbahan's sister, the Radan Aijoe, together with radeen stadjie's son named Maas djokko, and daughter named Maas Bantam, with us in Balij. Written at Carang Assam on Saturday the 28th of the light of djoemadilawal in the year 1703. was subscribed translated by me was signed Wm wardenaar. Almighty Anno as above
Dutch transcription
358 den 30e: April 1790 niet bekend is, dat hij op Batavia schulden heeft nagelaaten, of te Batavia eenig quaad heeft betreeven, het welk blijkt, also denselven, anders niet aan onser seou„ „den overgegeeven en gepermitteerd geworden sijn, sig met er woon te Balij te mogen ophouden, en dus waarom ge„ „bruijkt Broeder dan duverdanige bequaamheiden; gelijk ook also hij Radem Hadju een persoon is, die heijlig heeft geleeft, en na Maca in Bedevaart is geweest, en gevolglijk onmogelijk so als Broeder voorgeeft schulden kan nagela„ „len hebben, te meer daar hij een Man was, die sig aan geen waereldse saaken meer gestoord heeft, en sijn gedag„ „ten eeniglijk op 't graf gevestigt had; Dog wij wuillen ons hier niet wijdloopig over uijtlaten en of Broeder ons het geld dat wij by hem Radem Hadjie te goed hebben wil voldoen of niet, sulks kan ons niet ver„ „scheilen, want bij ons geen waereldsche goederen in aanmerking koomen, en wij ook onse grootheijd, invoegen swaerelds gebruijk niet willen in aanmer„ „sing doen koomen, door dien wij onse god voor oogen vertel„ „len die vermogend if den inhoud van deesen onsen and„ „woord brief aan Brief optekelderen en te regtvaardigen, Dus alschoon was het ook dat hier door de vriendschap tusschen broeder en ons verbrooken wierd, so sullen. er dog geen andere blanke persoonen manqueeren die het regt en de regtvaardigheijd op dese waerld hand„ haven; als wij onsr maar niet schuldig vinden reeden gegeeven en onbillijk gehandelt hebben, waar door de beloofde vriend en bondgenoodschap gebrooken word, tus„ „schen mij en Broeder als ook de Compagnie, en dus als het is dat broeder en de Compagnie dusdanig en besluijt neemen, so sal ons ook niet ter harte gaan maar wij sullen de vertraffe als dan aan den alver„ De geleegenheijd Capteerende die sig tans alhier is opdoen„ „de met het vertrek van de te Samarang tehuyjs horende Maleydsche Anachada Abdulla Achmith om eer„ „biedig te antwoorden op uwel Ed:e gestr: groot Adldbarens gevenereerde Missive de dato 21. Maij Copia Brief geschoeeven door den Puntianas Resident Klaagman. „mogende overlaten, wien wij vreesen. Deesen onsen brief gelieft uwelEd: niet in gebreeke te blyjven naar Batavia te senden, aan broeders Haeren en Meesters den Heere gouverneur Generaal en de Twaalf Raaden van Jndie, also wij aan Hoogst deselve niet meer sullen schryven om reeden, in deesen brief van den beginne af aan broeders onbellijken handelwijs vervat is. - voorts hebben wij uijt Broeders brief ook gesien, dat broeder aan onsen sendeling den Iuragan Pamadil gepermitteerd had, den inkoop van een Nieuw vaartuijg en om sijn oud vaartuijg met nieuwe planken te mogen voorsien, het welk ons bijsonder aangenaam is geweest, terwijl wij Broeder kennis gewen, dat wij aan den pannin„ „bahan van Madura, en den Tommongong van Siaaijoe een brief willen senden, also wij meede afstammelingen syn van Madja Pait, en op dat hij lieden niet klijnhar„ „tig sijn, met ons broederschap te houden, door dien wij des panumbahans suster de Radan Aijoe benevens radeen stadjies soon genaamt Maas djokko, en dogter genaamt Maas Bantam, bij ons te Balij houden: Geschreeven te Carang Assam op Saturtay den 28. van het ligt djoemadilawal in't Jaar 1703. (:onderstond:) getaanslateert, door mij (:was geteekent:) W„m wardenaar. „mogende A„o ps
English
355 the 30th April 1790. Arps, brought here by the Malay Maliem, so I take the liberty of notifying Your Right Honorable that, in accordance with Your Right Honorable's highly respected request, I directly sent a letter to the ruler of Sambas, in which I informed him of the detention of his vessel with the reasons thereof; furthermore requesting His Highness to give satisfaction, both regarding the detention of the vessel of the Malay Intje Jamal, with its cargo, and the withholding by the head of the Chinese there, Radeen Kapiei, of the debt of the murdered Chinese Intje Djiet to the Juragan Aesoop c.s. and the above-mentioned Intje Djamal, while I further brought to that Sultan's attention his improper conduct toward the Honorable Company, through the admission of and assistance rendered to the Arab Saijt Oemar, who had gone there clandestinely and contrary to orders. The ruler of Sambas having answered me in writing, I take the freedom to respectfully present a copy thereof to Your Right Honorable, and briefly note that since that time there has arrived at Mampawa the Arab Saijt Aloe Segat, brother of Saijt Brahim, who proceeded with a sampan to Sambas, where he received from Hadjee Oenoes, the attorney of his brother, the entire estate together with the sale price of the vessel of Intje, who had sold the same to the said Hadjee Oenoes, but later would not accept the stipulated price. This the said Saijt Aloe Segat declared to me himself, and the bearer of this, if asked by Your Right Honorable, could give clearer reports concerning these matters, as he received a letter concerning this from Hadjie Oenoes; but as this affair has not pleased that Sultan at all, and on this account he might well have made trouble by assisting our inland enemies, I have dispatched a copy of his reply to Their High Mightinesses, in the hope that it will be in conformity with Your Right Honorable's intention. A letter from Maas Joerip to the expelled Panumbahan Adij Jaija Coessoema having been left to me by my predecessor, I delivered it during my voyage upriver, and the answer was sent to me in October past, which I take the freedom to include herein, notwithstanding that the said Panumbahan will not listen to any terms of friendship, although I myself have gone twice to the Mampawa upriver regions and have conferred with him to that end; on the contrary, he daily harasses us with raids, but I hope with Heaven's assistance to prevent him from doing so within a few days, and possibly those upriver regions would already have submitted if, in the expedition made thither, I had not been impeded by the low water and the cowardice of the Mampawa Buginese. Wherewith shortening this, I assume the honor to subscribe myself with the deepest veneration and respect, Title Your Right Honorable's obedient servant, signed J. Klargman, Succadana the 29 March 1790. beneath Translate
Dutch transcription
355 den 30„e April 1790. Arp„s, door den Maleijer Maliem alhier aangebragt, so neeme ik de hardiesse hoogst deselve te notificeeren, dat ingevolge uwelEd„e gestr: Agtbarens hoog g'eerde versoek den vorst van Sambas direct eene missive heb toegesonden, waar bij hem informeerde van de aanhouding van desselfs vaartuijg met de reedenen van dien; verders sijn Hoogheijd versogte om voldoening te geeven, so weegens het aanhouden van het vaartuijg van den Maleijer Jntje Jamal, met dies lading als het terug houden door het hoofd der Chineesen aldaar Radeen Kapiei van het debet van de vermoorde Chinees Jntje Djiet aan den Juragan aesoop C: S: en den bovengemelde Jntje djamal, Terwijl ik dien sulthan al verder onder 't oog gebragt hebbe desselfs verkeerde gedaag omtrent DE: Compagnie, door de admissie van en beweesene bijsland aan den Arabiea faijt oemar, dewelke sig Clandestine en teegens de ordres derwaards had begeven. —. De Vorst van sambas mij schriftelijk hebbende ge„ „antwoord, so neeme de vrijheijd eene afschrift daarvan uwel Ed:e gestrenge g.:t Agtb: eerboedig te oppereeren, en kortelijks te noteeren, dat 't sedert dien tijd te Mampama is gearriveerd den Arabier Saijt Aloe segat broeder van saijt brahim, „dewelke met een siampang sig naar sambas heeft be„ „gewen alwaar hij van Hadpe aenoes gevolgnagtigde van sijn broeder ontfangen heeft, de geheele nalatenschap mede en beneevens de verkoops paijs van het vaartuijg van Jntje dewelke hetselv aan gemelde hadjee oenoes verkogt hadde, dag namaals de bedonge pais niet wilde accepteren, dit heeft mij gemelde sagt Aloe segat selfs ver„ „klaart en soude de brenger deeses uw Ede gestr: g:t Agtb: dies getimandeert wordende, omtrent het een en ander klaarder berigten kunnen gewen, also hij dien aangaande een brief van Hadjie oenoef ontfangen heeft, dan dit geval dien sul„ „than gansch niet hebbende behaagt, en hij om desen ooirt wel spels soude hebben kunnen marken, met ons bovenlandsche vijanden, te adsisteeren, se hebbe een Copia van desselfs antwoord aan Aun„ „ne Hoog Edelheedens gedepecheerd, in hoope hetselve Conformt uwer Hoog Ed: gestr: groot Agtb intentie sin sal. —. Door mijn predecesseur mij eene Missive van Maas Joerip aan den verdreeven Panumbahan Adij Jaija Coessoema, so hebbe deselve bij mijne ge„ „baane oplogt besorgd, en is mij in october passato t antwoord toegesonden, dewelke ik de vrijheijd neme deese te includeeren, niet teegenstaande ge„ „melde panumbahan naar geme reedenen van vriendschap wil luijsteren verchoon ik mij selfs twee maalen naar de Mampauwase bovenhanden hebbe be„ „gewen en de met denselven ten dien fine geabboucheert, daer en teegen hij ons over de Jakkers dagelijx, dan ik hoop met 's Heemels bysland hem hetselve binnen weijnige dagen te beletten ende mogelijk souden die bovenlanden alreeds gesubmitteerd sijn, indien ik in de gedaane Expeditie derwaards door het laije wa„ „ter en de lafhartigheijd der Mampauwsche bou„ „gineesen niet had verhindert geworden. waarmede dese bekortende, mij de eere aanmatigde met de dirpste veneratie en eerbied te subsinguaren (onderstond) Titul (lager:) uwel Ede gestr gt. Agtb: gehoorsame dienaar (:was geteekent) J: Klargman, /unnorg:/ Suntrana den 29 Maart 1790. benoes Translart „
English
357 Translation Malay Letter the 30 April 1790. written by the Sultan Oemoer Hika Modin son of Sultan Aboebakar Kamaloden, ruler at Sambas, to the Resident at Pontiana J Klaagman, exhibited at Samarang the 29 April 1790. I give my friend notice that I have received the letter and gifts sent to me by my friend from Their High Noble Eminences at Batavia, and for that express my thanks to my friend, as this has been to my satisfaction. My friend having also given me notice that the Noble Gentleman at Samarang had appointed the same as proxy in the matter concerning my sloop which was detained by the Noble Gentleman, to which I reply that I have never heard that the Company has prohibited buying any vessel on the opposite shore, and regarding this I have also never seen a Company command in writing, and thus if it is inferred from this that by purchasing that sloop I have done evil against the Company, this is solely because the Company wishes to prevent the Sambas peoples from sailing to Java, but which has nothing to do with us, and thus for that say thanks. The Chinese Jntje Djeet, about whom a rumor circulates that I had caused the same to be murdered, is himself an emissary of my son, and is indebted to the same for 30 thaijl of gold, and the same has also taken some goods from me to Selak. Thus how is it possible that the Company in all fairness can suppose that I have murdered that person, but if the Company nevertheless determines this as a fact, what shall one [illegible] Concerning the vessel and the money of Anachoda Djamat I know nothing in the least, since the Arab Sayd has placed all the money into the hands of the high priest, who for the delivery thereof awaits solely Sayd Aloewie, brother of the deceased Sayd, of whom the high priest is proxy or executor, and thus if it is the case that the aforementioned Anachoda Djamal has any claim to this, then he can come with Sayd Aloewie to Sambas to receive the same. Furthermore, that the aforementioned Jntje Djiet should be indebted for money to the Anachoda Djamal, the Anachoda Oesoep and his prahu crew, of that nothing in the least came to my knowledge during his lifetime, yea even up to his death, and I know solely that he has left debts, to wit: To my son 30 Thaijl of gold To Raden Cassim 400 Reals, To Anachoda Wahied 8 thaijl of gold, and to me also a little, but of which all of us have not received a single duit, yea even Raden Cassim, who is said to have the money of Jntje Djiet in hand, has also, as little as I or my son and all other persons to whom Jntje Djiet was indebted, received not a single duit. Thus if I have done any evil against the Company through this, I cannot help it, but then the sole reason thereof will be that the Company bears no affection toward us.
Dutch transcription
357 Translaat Maleijdsche Bank den 30: April 1790. geschreeven door den sulthan Oemoer Hika Modin soon van sulthan Aboe ba„ „kar Kamaloden, vorst te Sambas, Aan den Resident te Pontiana J Klaagman, vertoond de Samarang den 29 April 1790. - Ik geef myn vriend kennis, dat ik de door mijn vriend mij toegesondene Brief en geschinken van Hunne Hoog Edelheedens te Batavia ontvangen hib, en daarvoor mijn vriend, als sulx na mijn genoegen geweest, zijnde dank betuijge. — Myn vrrend wij ook kennis gegeeven hebbende dat den Edelheer te Samarang deselve als vol„ „magt had aangesteld in de saak aangaande mijn verloep die door den wdilheer aangehouden is, waarop 'ik diena dat ik nimmer gehoord hebbe, dat de Compagnie verboden heeft, dat men aan de overwal gem vaartuijg koo„ „pen mag, en ik dientweegen ook nimmer een Compagnies bevel schrift heb gefien, en duf als daaruijt word op„ „gemaakt dat ik met het koopen van diin sloep quaad het bedreeven teegen de Compagnie, so is sulx alleen om dat de Compagnie belatten wil, dat de ferambasche volkeren, niet op Java sullen varen, dog het welk den onsen opsigte niets te bedrijden heeft, en dus daar voor dank segge: — Den Chinees Jntje Djeet, waar omtrent een gerugt loopt dat ik den selver souden hebben laaten vermoor, „den, is selfs een sendeling van mijnen soon, en if aan den selven 30. thaijl goud schuldig, en ook heeft den sel„ „ven van mij enig goed medegenomen, na selak. Dus hoe is het dan moogelyk dat de Compagnie volgens billikheijd kan veronderstellen dat ik dien persoon vermoord heb, dog als de Compagnie sulx egter vast steld, wat sal men daer daer Aangaande het vaarthuijg en het geld van Anachoda Djamat weet ik in het minste niets, overmits den arabier sayd al het geld aan den opperpriester in handen gegeeven heeft, en dewelke ter afgave daarvan eeniglijk na saijd Aloewie wagt, Broeder van den overleeden saijd, van wien den opperpriester volmagt of Executeur is, en dus als het if dat gemelde Anaehioer Djamal daar van iets te pretendeeren heeft, dan kan hij metsaijt Aloewie na Sambas komen om sulx te ontfangen —. voorders dat gemelde Jntje Djiet aan den Anachoda Djamol, den Anachoda oesoep en desselfs Prauw volkeren gelidsoude schuldig weepen, daarvan is mij geduurende des„ selfs leeftyd Ja tot sijn dood toe in 't minste niets ter kennisse gekoomen, en weet eeniglijk oat hij schulden heeft nagelaaten, als. Aan mijn soon 30. Thaijl goud Aan Radem Cassim 400. Reaalen, Aan Anachoda Wahied B. thaijl goud, en aan mij meede een wijnig dog van het welk wij alle geen enkelde duijt ont„ vangen hebben Ja selfs Radeen Cassiin die gesegd word, het geld van Jntessiet in handen te hebben, heeft meede, so min als ik of mijn soon en alle andere persoonen, aan wien Jntje Sjiet schuldig was, geen Rorde buijt gekreegen. — Dios als ik hier door enig quaat teegen de Compagnie bedree„ „ven heb so kan ik sulx niet gebeteren, maar dan sal daarvan eenig„ „lijk ae reeden sijn, om dat de Compagnie voor wij geen genegentheijd tegen doen. —. loopt eer
English
359 no longer has any, and in that case I say to the Company the 30th of April 1790. If it is so that the Company wishes to do justice to persons who lend money to someone without giving notice thereof to the country's government, then there are also a multitude of my subjects who have brought money to Chinese, Moors, and Javanese at Samarang, without giving notice thereof to the country's government, about which I have never written, and thus the Company may be pleased to consider such. beneath stood: translated by me was signed: Wm Wardenaar sworn Translator Translation of a Malay Letter written by Sirie Padoeka Panumbahan Adie Djaija, currently residing in the district of Karangen, to his son Mardjoerik at Samarang, presented on the 29th of April 1790. The letter which my son has sent to me, has reached me in good prosperity. In this letter my son admonishes me that I should write a letter to the Noble Lord at Samarang, and truly, if my son desires this once, I desire such ten times. But how should I be able to accomplish this dispatch! For there is indeed no road left open for me to the outside. And if I were to send this letter with one or another indifferent person, then this would indeed not be suitable at all and the consequences thereof could possibly also be detrimental to me, which is also the reason that on that account I feel very sorrowful of heart. If it is therefore in any way possible, then it would be better that my son request permission from the Noble Lord to return to Mampauwa, as my son would then be able to return again on the very day of his arrival, so that my son may thus deliver the letter in person to the Noble Lord. But if it cannot happen that my son As I have been obliged, in the recent expedition undertaken by me against the pirates on the south side of Java, both for the maintenance of the Europeans and auxiliary troops with me, item Captain Bouton with his men, as well as the captured Bugis, to purchase from Basoeki and Lamatjang four coyangs of rice at 25 rixdollars per coyang, amounting together to 100 rixdollars, I very humbly supplicate authorization to write off that small amount on my consumption account, as I was brought to the necessity of having to make that purchase if I wished to complete the expedition, since right when we were there, in the whole of western Balemboangang there was a scarcity of rice, and in the forests and mountains, item on the southeast side, even less was to be had. Copy of a Separate letter written by the Passourouang Commandant A. van Rijck to the undersigned Governor of the Eastern Salient dated 10th of April 1790. I have furthermore nothing at hand, as a sign of life, and I accompany this sincerely with my heartfelt wish and prayer that the Almighty may grant my son a lasting salvation and blessing in this temporal life. Furthermore I request my son to send me some paper. One ream will be enough, along with some sealing wax. Written the 19th of the light of Shawwal in the year after the Mohammedan era 1203 beneath stood: translated by me was signed: T. J. Cothenbuhter secretary. returns to Mampauwa, then merely send a vessel to Mampauwa, in order that I may thus obtain passage for my emissary to the Noble Lord at Samarang. What concerns in the meantime the contents in my son's letter, namely that the present Noble Lord has hitherto always maintained my son and also provided him with money, on that account I am touched with the greatest joy, and praise Almighty God for this benevolence of the Noble Lord, which I shall never be able to repay, but hope that it may be rewarded to the Noble Lord by the Almighty. 2761 the 19th of May 1790 In like manner I also very humbly request to be allowed to write off the sharp musket cartridges, to the amount of 1 13/0 barrel, lost on the expedition through the crossing of the heavy rivers, ravines, and daily heavy rains, whereby the firearms of the auxiliary troops and Europeans had to be discharged and reloaded day after day, item the unserviceable firearms and weaponry sent hither for repair. Furthermore I still have to inform Your Right Honorable that I have made all careful inquiries and interrogations with Captain Bouton as well as with other private individuals concerning the pretended Captain Kabo, but none of them all know anything about him nor do they know any Captain Cabo on Manohar, so that the note was written incorrectly or else poorly translated. beneath stood: Title lower: Your Right Honorable's very humble servant was signed: A. van Rijck Certified Anthonij Barkeij At the same time that I received the news from Djoojocarta by a letter of the 5th of this month that the Sultan was seized by heavy fevers, from which subsequently a very alarming illness has arisen, thus in the midst of the preparations which I had directly begun to make in order to undertake the march to Djoojocarta with all haste with the military force that is at hand here, should it become necessary, in order to bring the succession to the throne, to the best of my ability, to a desired conclusion, notice was given to me from Souracarta by a letter of the 6th of this month that the Emperor had of his two brothers, the eldest Pangerang Ario Mattarm, with the name of Pangerang Mangcoeboemi, and the youngest Guste Timor, with the name of Pangerang Notto boemi, Right Honorable, highly Esteemed Lords, and Honorable Lords. To His High Nobility The Right Honorable, highly Esteemed Lord A. Willem Arnold Alting Governor-General and The Honorable Lords Councilors of the Dutch Indies. Batavia
Dutch transcription
359 meer heeft en in dien gevalle sig ik dan egter de Compagne den 30e: April 1790. Als het if dat de Compagnie, aan percoonen regt wil doen wedervaaren, dewelke geld aan ijmand leenen sonder daarvan kennis te geeen, aan verlands overigheijd, so sijn er ook een menigte van mijne onderdanen, die aan Chineesen Mooren en Javaanen te Samarang gebragt hebben, sonder 's lands overigheijd daarvan tannis te geeven, waarover ik min„ „mer geschreeven heb en dus gelieftn de Comp„e sulx te overweegen. (:onderstond:) getranslateert door mij (:was geteekent:/ W„m Wardenaar gesi Translateur Translaat Maleijdse Brief geschreeven door Sirie Padoeka Panumbahan Adie Djaija, sig thans ophou„ „dende in het landschap Karangen aan sijne soon Mars djoerik te Samarang vertoont den 29. April 1790. De Brief welke mijn soon mij toegesonden heeft, is mi in goede welvaart geworden. —. Jn desse brief vermaand mij mijn zoon dat ik aan de Edel Heer te Samarang een brief soude schrijven, en waarlijk indien mijn foon dit eenmaal begeert ik sulx wel tienmaal. — Dog hoe soude ik dese afsending kunnen bewerkstelligen! Er is immers voor mij geen weg meer na bungten overgebleeven. En so ik al dese brief eens met de een of ander onverschillig persoon wilde afsenden, dan soude ik sulx immers in het geheel niet passen en moogelijk soude ook de gevolgen daarvan nadeelig voor mij konnen sijn het welk dan ook re reeden is dat ik mij deswergens seer bedroeften van sarten gevoele Jndien het derhalven maar enigoints mogelijk is, dan soude het beler sijn, dat mijn zoon van de wel Heer verlof versoekt om naar Mampauwa terug te keeren, terwijl mijn zoon als dan den eijgensten dag van zijne aankomste weder sal kunnen terugkeren, op dat dus myn soon in persoon de brief aan de EdelHeer kan overbrengen, Dog indien het net geschreden kan, dat mijn zoon Also verpligt; ben geweest omme in de Jongste door mij ge„ gedane Expeditie van op de roovers aan de vruijtkant van Java so tot onderhoud der bij mij zijnde Europeesen en hulptroupen item, Capitain Bouton met sijn volk, als meede de gevangene brugi„ „neesen te moeten inkoopen van Basoeki en Lamatjang vier Coi„ Rijst a rd„s 25. p„r Coijang, bedrangende te zaamen rd:s 100: — so suppliceere seer ootmoedig qualificatie tot de afschrijving van dat montantje bij mijne Consumtie Reekening te meen, daar ik in de noodsakelijkheijd ben gebragt om dien inkoop /wilde ik de Expiditie volvoeren :/ te moeten doen, nademaal netto doen wij daar waaren, in het geheel wester Balemboangang een Maarschheid aan Eist, en er in de brssihen en gebergtenik item aan de zuijoftikant nog minder te krijgen was Copia Aparte bruf geschr: door den Passourouangs Commandant A: van Rijck aan den onderges: ge„ Daghebber van den oosthoek sub dato 10. April 1790. — Jk heb voorts niets aanhanden, tot een teken van Leven, en ons versella ak deesen eenrlijk met mijn hartelijken wensch en beede dat den Al„ „maijtigen mijn zoru een bestendig heijl en zeegen in dit tijdelijke schenken mag. wijders versoek ik mijn zoon mij wat Papier te senden. Een Riem sal genog zyn neevens wat Lacq Geschr: den 19. van het ligt sawal in het Jaar na de Mahorne„ „taanse tydreekening 1203 /onderstont:/ getranslateert door mij /: waaget:/ T: J: Cothenbuhter secretaris. — naar Mampauwa te rug kert, ver fend dan maar een vaarthuijg naar Mamppawa, ten eijnde ik dus plaats may erlangen, voor mijnen sendeling aan de Edel Heer te Samarang. — wat ondertusschen beloeft, het bedeelde in mijn seroons brief dat namelyk de teegenwoordige Edele Heer mijn zoon tot hier toe althoos onderhouden en ook van geld voorsien heeft, desweegens bij ik met de grootste blijdschap aangedaan, en loove den Almagtigen god voor dese weldadigheid van den Edele Heer, die ik nimmer sal kunnen vergelden, dog hoope dat door den Alimagtrijeg aan de Edele Heer mag beloond dank. naar gh worden ƒ 2761 den 19e. Mai 1790 Jn gelyker voage versoek ik ook seer ootmoedig om de op de Expeditie verlooren geraakte door het passeeren der swaare rivieren, Cawas en dagelijkse verterke reegens, naar door de geweeren dir hulptroupen en Europeesen; dag voor dag moest laaten afbranden en verlaaden, verbruijkte snaphaan patroonen scherpe ten bedragen van 1 13/0. vat meede te mogen afschryven, item de onbequaam geraakte gewesen en wapen tuijgen ter verbeetering naar herwaards gesonden. — Wijders heb ik nog da ar uw Ede Agtb: te bedeelen als dat ik alle nauwkeurige navorschingen en ondervraging bij Capitain Bouton so wel als bij andere particuliere heb gedaan omtrent den gepretendeerde Capitain kabo dog geen van alle weeter iets van of kennen ook geen Capitain Cabo, op Manohar, so dat het briefje fout geschreeven of wel qualijk getranslateert is (:onderstond:) Titul (:lager:) uwh. e Agtb: seer oodmordige dienaar (:was geteekent:/ A: van Rijck /(Accordeert Anthonij Barkeij De gelijker tijd dat ik bij een Brief van den 5:' deser, van Djoojocarta de tijding ontvang dat de sulthan door sware koortsen was overvallen, waar uijt vervolgens een seer bedenkelijke siekte is ontstaan, dus te midden de preparatien, die ik direct begonnen had te maken om„ met de Militaire magt, die hier aan handen is, so daar het nodig soude worden, met alle spoed, den optocht naar Djoojocarta te doen, ten einde de Throons successie, na best vermogen, tot een gewensht einde te brengen, wierd mij van souracarta bij een Brief van den 6„e hujus, ken„ „nis gegeeven dat de keijser, van sijne twee Broeders, de Oudste Pangerang Ario Mattarm, met de naam van Pangerang Mangcoeboemi, en de Jongste Guste Timor, met de naam van Pangerang Notto boemi, Hoog Edele gestrenge Groot Achtb: Heere, en wel Edele gestrenge Heeren. Aan zijn Hoog Edelheid Den Hoog Edele gestr. groot Achtb. Heer A: Willem Arnold Atting Gouverneur Generaal en De wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Neederlandsch Indië. Batavia had.
English
361 the 19th of May 1790 In the same manner, I also very humbly request permission to write off the gunpowder cartridges, amounting to 1 13/0 barrel, that were lost on the expedition due to crossing the dangerous rivers and ravines and the daily heavy rains, which made it necessary day after day to discharge and reload the muskets of the auxiliary troops and Europeans, as well as the muskets and weaponry that became unserviceable and were sent hither for repair. Furthermore, I have to report to your Right Worshipfuls that I have made all precise inquiries and interrogations of Captain Bouton as well as other private individuals concerning the alleged Captain Kabr, but none of them knows anything about him, nor do they know any Captain Cabo on Manohar, so that the note is either incorrectly written or poorly translated. It was subscribed: Title; lower: Your Right Worshipfuls' humble servant; was signed: A. van Rijck; Agrees: Anthonij Barkeij. At the same time that I received the news from Djocjakarta by a letter of the 5th of this month that the Sultan had been stricken by heavy fevers, from which a very critical illness subsequently arose; thus in the midst of the preparations that I had immediately begun to make in order, with the military force at hand here, if it should become necessary, to march with all speed to Djocjakarta so as to bring the succession to the throne to a desirable conclusion to the best of my ability, I was informed from Surakarta by a letter of the same month that the Emperor had honored his two brothers, the eldest Pangerang Ario Mattaram with the name of Pangerang Mangcoeboemi, and the youngest Gusti Timor with the name of Pangerang Notto boemi. To His High Honor, The High Noble, Right Honorable, Most Worshipful Lord Willem Arnold Alting, Governor-General, and The Right Noble, Honorable Councilors of the Netherlands Indies. at Batavia 305 the 19th of May 1790. This news, as unexpected as it was unpleasant, immediately caused me to realize that the Emperor was seizing this opportunity of the Sultan's dangerous illness to retaliate for the vexations that the Sultan, in the year 1788, during the previous Emperor's severe illness, had caused him regarding the aforementioned name that aroused so much jealousy; and that it would thus have been desirable if one had been able to prevent this newly performed renaming by means of a dissuasive representation, by reminding the Emperor of the previous unpleasantnesses and pointing out to him that these could arise anew therefrom if the Sultan should happen to recover from his illness. However, since the present case is not equal to that of 1788, because that name, which was also so much disputed at the time, has now been given not to a foreign prince, but to the Emperor's own brother, who, just like the monarch himself, is related by blood to the Sultan, and the Sultan might perhaps not have so much against it at present; I therefore requested information from the First Resident of Djocjakarta as to how he thought this would be received at the court of the Sultan when they obtained knowledge of it. To this I received an answer, by a letter of the 11th of this month: that he could not fail to assure that they were very distressed about it at the Djocjakarta court, and that the Prime Minister Danuredja as well as his adjunct Notto Indo foresaw nothing less from it than far-reaching unpleasantnesses and estrangement between the two courts; since on the one hand one was well aware that those who had presumed to advise the Emperor to take this step would also further strengthen that monarch with their counsel if a revocation of the name were insisted upon once again on behalf of the Djocjakarta court, or rather on behalf of the Company, and there was little hope that the Emperor could be moved to withdraw it again; and that on the other hand one was assured that, no matter how much the Emperor sought to put a gloss upon the matter by saying that it is the Sultan's own so-called grandson or a son of his late nephew the last deceased Emperor to whom that name has been granted and the Sultan can therefore not complain about it, this monarch would take this little into account, but would again consider this step as insulting to his person in the highest degree, and which it was therefore believed that he would not easily swallow. However, before I received this answer, two letters from the Emperor were sent to me by the First Resident of Surakarta, alongside a letter of the 11th of this month, stating that
Dutch transcription
361 den 19e Mai 1790 Jn gelyker vooge versoek ik ook seer ootmoedig om de op de Expeditie verlooren geraakte door het passeeren der sevaare rivieren, & Cawas en dagelijkse verterke reegens, waar door de geweeren der hulptroupen en Europeesen, dag voor dag moest laaten afbranden en verlaaden, verbruijkte swaphaar„ patroonen scheepe ten bedragen van 1 13/0. vat meede te mogen afschryven, item de onbequaam geraakte gewesen en wapen tuijgen ter verbeetering naar herwaards gesonden. — Wyders heb ik nog daar uw Ed:e Agtb: te beteelen als dat ik alle nauwkeurige navorschingen en ondervraging bij Capitain Bouton so wel als bij andere particuliere heb gedaan omtrent den gepretendeerde Capitain kabr dog geen van alle weeter iets van of kennen ook geen Capitain Cabo, op Manohar, so dat het briefje fout geschreeven of wel qualijk getranslateert, is (:onderstond:) Titul (:lager:) uwEd e Agtb: haar oodmordige dienaar (:was geteekent:/ A: van Rijck /(Accordeert Anthonij Barkeij Ie gelijker tijd dat ik bij een Brief van den 5:' desers, van Djoogocarta de tijding ontvang dat de sulthan door sware koortsen was overvallen, waar uijt vervolgens een seer bedenkelijke siekte is ontstaan; dus te midden de preparatien, die ik direct begonnen had te maken om„ met de Militaire magt, die hier aan handen is, so daar het nodig soude worden, met alle spoed, den optocht naar Djoojocarta te doen, ten einde de Throons successie, na best vermogen, tot een gewensht einde te brengen, wierd mij van souracarta bij een Brief van den d„o hujus, ken„ „nis gegeeven dat de keijser, van sijne twee Broeders, de Oudste Pangerang Ario Mattarm, met de naam van Pangerang Mangcoeboemi, en de Jongste Gusta Timor, met de naam van Pangerang Notto boemi, Hoog Edele gestrenge Groot Achtb. Heere, en wel Edele gestrenge Heeren. Aan zijn Hoog Edelheid Den Hoog Edele gestr. groot Achtb. Heer A: Willem Arnold Atting Gouverneur Generaal en De wel Edele Gestrenge, Heeren Raaden van Neederlandsch Indié. had. Batavia 305 had vereerd. den 19 Mai 1790. Deese, so onverwagte, als onaangename tijding, deed mij aanstonds in het begrijp vallen dat den klijser dees geleegenheid van die sulthans gevaarlijke siekte waar„ „nam om sig te represailleren over de verdrietelijkhee„ „den, welke de Sulthan, in het Jaar 1788, den vorige Keij„ „ser, in sijn sware sichte, over de voorm: so veel Jaloudre verwekkende naam, had aangedaan, en dat het dus wel te wenschen ware dat men met een dissuariet vertoog deese op nieuw gedaane baptisatie had konnen prevenieeren door den keijser de vorige onaangenaamheeden te erin= „neren en te aven opwerken dat die op nieuw daar uit souden konnen ontstaan, als de sulthan tot herstelling van sijne sichte mogt komen. Daar egter het tegenwoordig geval niet gelijk staat met dat van 1788; also die, toen ook so seer betwiste naam, nu aan geen vreemd Prins, maar aan des keijsers egte Broeder is gegeeven, die, eeven als de vorst selve, door het bloed, aan den sulthan vermaagschapt is, en dat mis- „schien de sulthan daar teegen tans so veel niet soude hebben; so requireerde ik van den Djoejocatas erste Resident infor„ „matre hoedanig hij meender dat sulkes aan het Hof van de sulthen soude worden opgenomen, als men daar 'er kennis van kreeg. Hier op kaeg ik, bij een Breef van den 11. des ten antword: dat hij niet konde nalaten te verseekeren dat men 'er aan het Djoojose Hof sier en peino over was, en 'er so wel door den Rijksbestierder Danoeredja als zijnen Adjunct Notto Indo, niets minder iit voorsien wierd als verregaande Onaangenaamheeden en verwijdering tusschen de twee woven, wijl men aan de eene kant wel bewust was dat de geenen die sig onderstaan had den keijser tot deese stap aanrading te doen, dien vorst ook wel verder met sijn raad soude ster„ „sten als 'er van weegens het Djoopoor Hop, of liever van den Comp, andermaal op eene naams vernietiging aangedrongen word, en 'er wijnig hoope was dat den keijser te beweegen soude zijn om deselve wederom intstrekken, en dat men aan de andere kant verseekerd was: dat hoe seer den keijser die saak een guimp sogt te geeven, niet te seggen dat het der sulthans eigen so genaamde kleenzoon of een zoon van wijlen zijnen Neep den laast overleeden Keijser is, aan wien die naam is toegevoegd en de sulthan er sig dus niet over beklagen kan, deesen vorst dit wennig in aanmerking soude neemen, maar deese stap wederom beschouwen als voor sijn Persoon in de hoogste Graav hoonende, en het welk men derhalven meende dat Wij niet ligt soude verduwen. dan alvorens ik dit andwoord ontving, wierden mij door den Eersten Resident van Souracarta, nevens een Brief van den 11. deesen, toegesonden twee Brieven van den Keijser als dat
English
362 the 19th of May 1790. one for Your High Noblenesses and the other for me, the latter of which contained the communication that His Highness's two brothers had been endowed with the new names cited here before; while I was informed that the first-mentioned serves Your High Noblenesses to the same purpose. Although from the writing of those letters about a matter which, in itself, is to be regarded of little importance, it became all too clear that the Emperor had resolved to proceed with firmness in this matter and that therefore that indulgence was not to be expected from him which his father showed to the Sultan in 1788; it nevertheless seemed necessary to me to make a trial whether something could be done in this matter without exposing the Company's dignity to an absolute refusal. With this aim, I first wrote to the First Resident of Surakarta by a letter of the last-mentioned date, that it were to be wished that he had been able to find an opportunity to advise the Emperor against giving the aforementioned name to his brother, as it had already caused so many unpleasantnesses in 1788; for people at the Yogyakarta court would not be pleased with it at all, even though the case is not identical to that of 1788. That although I could not foresee whether the Emperor, in such a case, would have as much indulgence for the Sultan as his late father then showed, it would nevertheless be a very good thing if one could sound out the Emperor's disposition in a proper manner. That a certain paper might perhaps serve that purpose, which had been sent to me by the First Resident of Yogyakarta with a letter of the 29th of April last, containing a proposal from the Sultan to remove and avoid all equality of names at both courts. And that I thus sent it to him, to present it to the Emperor at a suitable opportunity, and to ascertain His Highness's thoughts thereon, without it being necessary, however, to let it appear directly that the mediation of the Company has been requested in that regard, it being in itself an internal domestic matter which depends entirely upon the arrangement and pleasure of the mutual princes. Subsequently, I sent the translation of the Emperor's letter to the First Resident of Yogyakarta, in order to prove therewith, at a suitable opportunity, that it would be fruitless to make any stir about that name, because the Emperor showed all too clearly that he did not intend to give ear to any representations for the cancellation of that name. Yet this had scarcely occurred, or I received from him, with the letter of the 13th of this month, a certain writing addressed by 367 the Crown Prince of Yogyakarta to the aforementioned First Resident, the 19th of May 1790, and wherein that Prince virtually makes the inquiry whether the Emperor's brother was honored with the name of Pangeran Mangkubumi. Furthermore, he declares that he was very shocked upon receiving this news, and did not know how he ought to conduct himself. My intention then was to postpone for the present the answering of the Emperor's letter, in order to await first what that prince would answer regarding the Yogyakarta plan of mutual name changes, and to deduce from that at the same time his inclination toward any deference for the Yogyakarta Court and his great-uncle, the Sultan, while I could then in the meantime also be informed of the conference that the First Resident of Yogyakarta was to have with the Crown Prince and of the use that he would have made of the Emperor's letter, in accordance with my intention. Yet since I shortly thereafter received a letter from the First Resident of Surakarta dated the 13th of this month, in which he wrote that he would also have answered my separate letters of the 11th of this month at the same time, were it not that he was still awaiting my answer to the Emperor's letter; adding that he doubted very much whether the Emperor would proceed to the Yogyakarta plan of mutual name changes, because the Emperor had told him several times in conversation that he did not care about the Sultan, but that he was prince in Surakarta and the Sultan in Yogyakarta. Although I could now form no conception why the reply to that letter had to be postponed until I should have answered the Emperor, I nevertheless resolved to accommodate myself to this and thus prepared a letter, which was dispatched to the Emperor on the 15th of this month, the principal content of which is, that while on the one hand I indeed acknowledge His Highness's right to bestow such a name, I nevertheless seek to persuade him that it would therefore be all the more noble and praiseworthy for him if he, out of pure free will, could see fit to have that deference for the frailty of his great-uncle, out of consideration for his advanced years, which his late father showed in such a praiseworthy manner in the previous case for the preservation of peace and quiet. I have furthermore accompanied the same with a letter to the First Resident of Surakarta, wherein I recommend to him most emphatically to seize the best opportunities to bring the Emperor to such thoughts as are in accordance with the content of my letter to His Highness, so that all public displeasure and estrangement between the two courts, being most highly detrimental to the peace and quiet of Java, and consequently also to the Company's interests,
Dutch transcription
362 den 19„e Maij 1790. als eene voor uwe Hoog Edelheeden en de andere voor mij, welke laatste de Communicatie inhield dat zijn Hoogheids twee Broeders met de hier voor geciteerde Nieuwe Namen begiftigd waren; terwijl ik onderrigt wierd dat de eerstgem: aan uwe Hoog Edelheeden tot het selfer cinst is dienende. Hoewel nu uit het schrijven van die Brieven over eene zaak, die, op sig selven, van wijnig belang te agten zijn, maar al te duijdelijk bleek dat de keijser sig voorge„ „nomen had in deesen met fermiteit te werk te gaan en dat dus van Hem die toegevenheid niet te wagten- was, welke sijn vader in 1788: voor den sulthan heeft betoondn; so scheen het mij egter noodsakelijk een proef te neemen of io in deesen iets te doen soude sijn, sonder Comp:s waar„ „digheid te exponeeren aan een volstrekten weigering Met dit oogmerk schreef, ik eerst aan den soura„ „Cartas Eerste Resident bij een Brief van laatstgem: datum, wel te wenschen dat hij geleegenheid had konnen vinden den Reijser te ontraden de voorm: naam aan zijn Broeden te geeven, als in 1788 reier so veele Onaangenaam„ „heeden veroirsaakt hebbende; want dat men aan het D 7ocjose tot en gansch niet over gostigt soude sijn, schoon ook het geval niet gelijk staat met dat van 1788. Dat of schoon ik niet konden voorsien of de klijser, in sulk een ge„ „val, wel so veel toegevenheid voor de sulthan soude hebben, als wijlen sijn vader toen heeft betoond, het egter een seer goede zaak soude zijn indien men op een voegsame wijse, des keijsers gesindheid konde ondertasten. Dat daar toe misschien soude konnen strekken seker ge„ „scheift, het welk mij, door den 27acpocartus Eerste Resident, bij een Brief van den 29:e April Iongstleeden was toegesonden, en in sig bevaste een voorstee van den sulken om aan beide de Hoven alle gelijkheid van namen wegteneemen, en te verrijden. En dat ik hem het selve dus toesond, om het, bij een gepasten geleegenheid, den keijser aantebieden, en en de gedagten van sijne Hoog= „heid op te verstaan, sonder dat het egter nodig souden sijn, regt streeks, te laten blijken dat de bemiddeling van de Comp, daar omtrent is versogt, als sijnde op sig selve„ een huijshoudelijken zaak, die volkomen van de schikking en het goedvinden der wederseidre vorsten, afhangd. Vervolgens sond ik het Translaat van 's keijsers brief Aan den eersten Resident van Djocjocartos, ten einde bij een ge„ „paste geleegenheid daar meede te bewijsen dat het vrug= „teloos soude zijn over die naam enige beweeging te maken wijl de keijser maar al te klaar liet blijken niet voorne„ „mens te weesen aan eenigen vertoogen tot vernietiging van die naam, gehoor te geeven. Dan dit was nauwelijks geschied, of ik ontving van hem bij den Brief van den 13„e hujus, seker geschrift door den. als. 367 den kroonprins van djoepecarto aan gem: Eerste Resident den 19„e Mey 1790 geaddresseert, en waar bij die Prins quasie de waag doed: of des klijvers Broeder met de naam van Pangerang Mangsoeboemi was vereert. Voorts betuijd hij seer ver„ „schrokken te sijn bij het ontvangen van deese tijding, en niet te weeten hoedanig hij sig diende, te gedragen. Mijn voorneemen was toen om voor eerst nog uittestellen het beandwoorden van des keijsers Brief, ten einde alvorens aftewagten wat dien vorst soude andwoorden nopens het Djoegjose Plan van wederseidsche Naams verandering, ons daar iit tevens sijne gesindheid tot enige deference voor het Djogjose Hof en zijn Oudoom, den suilthen, op te maken, terwijl ik dan intusschen ook g'informeert soude konnen wor„ „den van de Conferentie die den Djocjo cartas Eersten Resident met den kroonprins stond te hebben en van het gebruijk dat hij van 's keijsers Brief, over eenkomstig mijne intentie, soude hebben gemaakt. Dain daar ik kort daar op van den souracaatas eerste Resident een Brief van dato 13=e deser ontving waar bij hy schreef: dat hij mijne aparto letteren van den 11. lugus meede wel te gelijk soude beandwoord hebben, was het niet dat hij nog was verwagtende mijn andwoord op des keijvers. Brief; met bijvoeging dat hij seer twijffelde of de keijser soude overgaan tot het 2jocjose Plan van 't wederseijdsche naams verandering, wijl de keijser hem diverse maalen discoursive had gesegd dat hij sig aan den Sulthan niet stoorde maar dat hij vorst was op Souracanta en de Sulthan op 270070. Afschoon ik mij nu geen denkbeeld konde maken waarom de rescriptie op dien Brief moest worden uitgesteld, tot dat ik den keijser soude g'andwoord hebben, so besloot ik igter mij hier na te schikken en bragt dus een Brief in gereed: „heid, die den 15. hujus aan de keijser is afgegaan en waar van de hoofdsakelijke inhoud is, dat ik aan den eene zijde wel erkenne het digt van zijne hoogheid om sulk een Naam te geeven, dog hem tragt te overreeden dat het daarom des te edelmoediger en loffelijken voor Hem soude zijn, so hij ii't lauter vrijwilligheid konde goedvin„ „den voor het swak van zijn oud oom uit consideratie voor zijne hooge Iaaren, die deference te hebben, welke wijlen zijn vader, tot behoud der rust en vreede, in het vorig geval, op sulk ten roem waardige wijse, heeft betoond. Ik heb deselve voorts doen verseld gaan van een krit aan den souracartas Eerste Resident, waar bij ik hem ten nadrukkelijkste recommandeers, de beste geleegenheeden waarteneemen, om den keijser tot sulke gedagten te brengen, als over een komstig zijn, met den inhoud van mijnen Brief aan zijne Hoogheid, op dat alle openbaar misnoegen en verwijdering tusschen de beide Hoven, als voor de rusten vreerde van Java, gevolglijk ook voor Comp:s belang, te hoogsten na„ dirc: „deelig
English
367 harmful might as far as possible be prevented and avoided. The 19th of May 1790. While this matter had thus also reached a state where the remainder would now solely depend on what both rulers would do to come to a mutual agreement regarding that bestowal of the name, whether by concession on the part of the Emperor, or a greater sense of fairness on the part of the Sultan: I subsequently found myself not a little surprised when, at the moment the two aforementioned letters were about to depart, I received a letter from Souracarta dated the 14th of this month, alongside which the First Resident sent me the translations of two writings from the Pangerang Mangcoenogoro, containing that by the chief Stralendorff it had been promised to him on two separate occasions, namely once in the year 1700 and the last in 1710 (according to the Javanese calendar), on the order and promise of Your High Nobilities, from a letter of the then Governor of Java, that upon the demise of the Sultan, he would succeed him as ruler of Djocjocarta, and that in the event of his prior death, the grandson of the said Pangerang was destined for it. Subsequently, on the 17th following, I received the originals of those writings, just as I have them, to offer the same, along with their translations, among the annexes of this letter to Your High Nobilities. Your High Nobilities will see from this that this Prince, basing himself on the promise which he claims was made to him for that purpose, seems firmly to flatter himself and to count upon the succession upon the demise of the Sultan. And since it could not be gathered from those papers to whom they were addressed, and no letter accompanied them, nor was anything written on the envelope, which was merely closed with a little sealing wax, without a signet, I immediately sent his orderly back with the message that I did not expect such treatment from him, as it was not in accordance with the respect he owes to the Company's Governor, and also could not answer papers from which it did not appear that they were addressed to me: of which particulars I immediately gave notice to the First Resident of Souracarta, so that he could be vigilant and on guard. Although general notions about the objectives and intentions of that Prince have for a long time been very divided, and I myself have not been able to imagine it as a certain thing that his ambitious views would extend so far, especially not since he saw his aim fail with regard to the Souracarta throne; nevertheless, I have not kept him free from all suspicion, at least in so far that, upon the vacancy of the Djocjo throne, he might well attempt to cause some commotion 31 the 19th of May 1790. in the hope that the confusion perhaps arising from it might yield something to his advantage. Your High Nobilities will find this confirmed in the letters which I wrote on the 8th of this month to the First Resident of Souracarta and his answer of the 10th following, as containing all the vigorous precautions which I thought might be somewhat suitable to keep that Prince in awe upon a vacancy of the Djocjo throne, should he attempt anything. However, since this was done solely out of precaution and against an eventuality assumed merely as possible, the matter in my opinion currently requires an entirely different consideration, as it is now certain that this Prince will behave as if he were a legitimate pretender to that throne, and that on account of a promise which he now claims was made to him repeatedly in the most solemn manner on behalf of the Company. Therefore, viewing the matter from this perspective which has now been so very much clarified, it appears to me that it will be quite difficult to keep Java in peace and tranquility if the succession to the Djocjo throne remains firmly tied to the demise of the Sultan. In order to appear in Djoejocarta with such a retinue as that with which the march to Souracarta was made in 1786, at least three days are required in the good monsoon and five days in the rainy season, assuming that notice of the illness is given in good time and that this illness lasts long enough to be able to make the necessary preparations in order to be ready to march as soon as it is deemed necessary. The Pangerang Mangcoenogoro has his people mostly with him in his campong and can in a short time put 4000 and even in two to three days more than 10,000 men under arms, while the distance from Djoejocarta is no further than 16 hours' walk. If now the Souracarta dragoons do not have the power to prevent his departure, and the Emperor should refuse or be backward in lending a hand thereto (an assumption that would not be an absurdity, especially not if the Sultan and his son the Crown Prince make too much of a commotion about the name of Mangcoeboemi and cause trouble for the Emperor on that account, the more so because at Souracarta on more than one occasion it has been questioned whether the cession of the Djocjo Empire is valid and binding): then that Pangerang would easily have time and opportunity enough among the Djocjo Princes and commoners (among whom not a few malcontents hide, both on account of the harsh rule of the Sultan and on account of the harsh character of the Crown Prince, whereas Mangcoenagoro on the contrary is very much beloved everywhere) to form such a
Dutch transcription
367 „deelig so veel doenlijk voorgekomen en vermeid mogen den 19e: Mei 1790. worden Terwijl dan deese affaire hier meede in dien stant was geraakt, dat het overige nu alleen soude depondeeren van het geenen de beide vorsten souden doen om sig onder„ „ling over die Naams-begiftiging te verdragen, het zij door toegeevenheid aan de kant van den keijser, of een meerder besef der billijkheid aan de zeide van den Sulthan: vond ik omij vervolgens niet wijnig gesurpreneert, toen ik, op het ogenblik dat de twee voorm. Brieven stonden af te gaan van souracanta een Brief van dato 14: desen ont„ „ving, waar nevens den eersten Resident mij toesond de translaten van twee geschriften van den Pangerang Mang„ „coenogoro, behelsende dat hem door het opperhoofd stra„ „lendorf tot twee onderscheidenen maalen, als eens in het „ 1700 en het laatste Jaar„ 1710 /: na de Javaanschen tijdreekening / op order en belofte van uwe Hoog Edelheeden, uit een brief van den toenmaligen gouverneur van Iava was toegesegd, dat hij bij het afsterven van den sulthan, denselven als vorst: van 2 poegocarte, soude succedeeren, in dat bij voor overlijden de kleenzoon van hem Pangerang daartoe bestemd was. Ik ontving vervolgens den 17:en daar aan de Origineelen van die geschriften, sodanig als ik de een hebben, deselven, benevens dies translaten, onder de bijlagen deses, uwe Hoog Edelheeden aantebieden. uwe Hoog Edelheeden sullen daar uit sign dat dien Prins sij fundeerende op de belofte die hij voorgeeft hem daar toe gedaan, vastelijk sig schijnt te vleijen niet, en reekening te maken op de successie bij overleiden van den sulthan. van vermits uit die Papieren met afteneemen was aan wrien deselve ingerigt waren, en en geen Brief bij was, ook niets geschreeven stond op de euveloppe, die slegts met een wijnig Lack toegemaakt was, souden signet, so sond ik zijn oppasser directs weder te rug met de bood „schap dat ik sulk een behandeling als niet over een„ „komstig met de eerbied welken hij aan 's Comp:s gouvern„ „neur verschuldigd is, van hem niet verwagte en ook niet antwoorden konden op Papieren waar iit niet bleek dat deselve aan mij ingerigt waren): van welk een en anders ik den souracartas eer te Resident ilico kennis gaf, om waaksaam en op hoede te konnen zijn. Hoe wel nu de algemeene begrippen over de oog „merken en bedoelingen van dien Prins, van voorlangen tijd seer verdeeld zijn geweest, en ik mij selve ook niet als een seekere zaak heb konnen voorstellen dat zijne staatsugtige vuies sig so verre souden uitstrekken, bijsonder met sedert dat hij zijn but, ten opsigte van den souracartasche Throon heeft dien missen; so heb ik hem nogtans niet buijten alle ver„ „denking gehouden, ten minsten in so verre dat hij bij de evacee„ „atie den 2 Jocjose Skroon, wel soude tragten wat beweeging te ver„ daar 31 den 19: mei 1790. veroirsaken in hoop dat de verwarring, daar uit misschien te ontstaan, iets ten sijnen voordeele soude mogen opleeveren. Dit sullen uwe Hoog Edelheeden bevestigd vinden in de Bruets die ik den 8 deesen geschreeven heb aan den souracantas eerste Resident en zijn andwoord van den 10„e daaraan, als bevattende alle de vigoureuse precautien, welke ik meende dat enig „sints geschikt konnen zijn, om die Prins, bij eene ontleekijing den Djoojose Ttrvon, in ontsag te houden, so hij iets mogt on„ „derneemen. dan daar dit alleen geschiedt is, uit voorsorg en tegen eenen, verlegts als mogelijk, onderstelde gebeurlijkheid, so vorderd mijns bedunkens de zaak tegenwoordig eene geheel andere beschouwing also het mu seeker is, dat dien Prins sig gedragen sil als ware hij een wettig pretendent van dien schroon, en dat wel uit hoofde van eene toesegging, welke hij, nu voorgeeft, dat hem, bij herhaling op het plagtigste, van wegens deComp„e daartoe is gedaan. De zaak derhalven uit dit, nu so sier opgehalderd ge„ sigte punt beschouwende, komt het mij voor dat het al vrij beswaarlijk sal sijn Iava in rust en vreede te houdens als de de Joojosa Kroons successie vast verbonden blijft, aan het afsterven van den sulthan. Om met sulk een trein, als waar meede in 1786. den op„ „tocht naar souracarta is gedaan, te Djoejocaita te ver„ „schijnen, worden er in de goede Mousson ten minsten drie en in de Negen tijd vif dagen vereischt, in onderstelling dat er tijdig genoeg kennis werd gegeeven van de siekte en deese lang genoeg aanhoud om de nodige toebereidselen te konnen maken, ten einde marssh vaardig te zijn so dra het nodig geoordeeld word. De Pangerang Mangcoenogoro, heeft zijn volk meest al bij sig in sijn Campong en kan in weinig tijds 4000. en selfs in twee â drie dagen meer dan 10'000. Man in de wapinen brengen, terwijl de afstand van Djoejocarta, net verder is als 16. uuren gaans Wanneer nu de souracartasche Dragonders het ver„ „mogen niet hebben om hem den uittocht te beletten, en den keijser eens wijgerd of agterlijk is daar toe de hand te leenen /:rets waar van de onderstelling geen ongerijmdheid soude sijn, voor al niet wanneer de sulthan en sijn zoon de kroonprins, wat veel beweeging maaken over de naam van Mangcoeboe„ „mi en de keijser der weigens moeite aandoen, te meer daar men te souracarta bij meer dan eene geleegenheid in twijftie heeft getrokken of den afstand van het Djoojose Rijk wel geldig en verbinderd is:/ dan sou dien Pangerang al ligt tijd en geleegenheid genoeg hebben, om onder de Djoojoor Princen en gemeenen /:waar onder niet wijnig misnoegden schuijlen, so wegens de harde regeering van de sulthan als wegens het bars Character van de kroonprins, terwijl Mangsoenagoro daar entregen over al seer bemind is :/ een sodanige