VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3910

Japan · 526 pages · 274 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3910_0210 view scan ↗

English

37 the 19th May 1790 to make such an advance that it would involve quite some difficulty to carry out the established succession to the throne, particularly if MangCoenogoro should take it into his head to obstruct, if not prevent, the passage, for which not many men would be required, now that the entire military force that could be employed for the march consists of not much more than two hundred heads, both officers and common soldiers. Yet suppose it succeeded, and one were able to complete the march without hindrance, or overcome the obstacles, then the succession to the throne would certainly still not take place smoothly if the Pangerang Mangcoenogoro were already at Djocjo and one had not been able to prevent his departure from Souracarta by force of arms and the awe thereof, for which certainly a fairly stronger garrison would be required than the regulation allows, and is presently there, without one possessing the means to reinforce it from here. I have considered myself obliged to provide such a detail of the circumstances that might occur. The dispute over the name of Mangcoeboemi, of which I knew nothing when I dispatched my letter of the 8th of this month to Souracarta, has caused the matter to assume an entirely different appearance; for I foresee that even this trifle will have consequences that could be of great weight, namely if one of the two princes remains obstinately on his position, and one could not make the sultan understand that he has no right to lay down the law to the emperor, and that this prince is not obliged to conform to his capricious desire and expose himself to contempt among his subjects, which would certainly be the case if he withdrew or changed that name. There would then, in my view, remain nothing else than a resignation of the throne during the lifetime of the sultan, who is beginning to recover again from his illness and can thus keep things going for some time yet, although through his great age and the infirmities of mind and body accompanying it, he is virtually no longer fit to govern. Yet to bring him to that abdication, this I also find a difficult matter, and I deem it only possible in case it might please your Excellencies yourselves to confer with that prince about this by a letter, and to persuade him to consider this measure as the only one adequate to cause the realm and the crown, of which the foundation was so laudably laid by him, to pass to his descendants in peace and tranquility, for which, as a compelling reason, mention could be made, merely in general terms, of the discovered intentions of those who intend to contest that throne with the intended successor upon his death, and that the Company 375 the 19th May 1790 might then perhaps not be able so quickly to prevent all disadvantageous plots, but that this will be able to occur with certainty if the resignation takes effect during his lifetime, as became evident in 1788 at Souracarta. Furthermore, he could be assured that the Company guaranteed that he would be treated with the proper consideration by his son, and would correctly receive what is necessary for his maintenance according to a regulation to be made. And if it might also please your Excellencies to refer the sultan to me, in order to give him disclosure of the weight of the reasons which moved your Excellencies to this precaution for the consolidation of the Djocjo realm, I would then have him shown the evidence of the claim made by Mangcoenogoro, once I receive it back from your Excellencies, and the Sourakarta doubt concerning the legality of the abdication, which meanwhile, on account of what has already happened and likely will further occur concerning the name of Mangcoeboemi, would certainly dismay him greatly and probably lead him to the decision to make use of that advice. If, however, contrary to expectation, the opposite should take place, then at least everything has been done from the side of the Company that its interest, and also that of the present and future princes of Djocjo, seems to demand, while one will then have to try to extricate oneself from the occurring events in such a manner and as well as shall be possible. And in case, prior to the receipt of such a letter, matters or opportunities should arise that are suitable to sound out the sultan on this subject with propriety, I would, if no prospect of consent presents itself, make no use of that letter. Since, then, this measure, according to my thoughts, which in all respects I submit to the wiser judgment of your Excellencies, is the only one from which one can hope to be able to maintain the established succession, and to preserve Java in that blessed tranquility and peace which, thank God, it enjoys to this day; it would nevertheless, in order to be of effect, have to have as a foundation a military force that is considerably stronger than that currently at hand here. The garrison of Souracarta would at least have to be reinforced to 300 to 400 Europeans, not counting the Bugis and Malays that one can assemble here. That reinforcement would have to be sent to Souracarta at the same time as one found oneself on the way with 300 to 400 men to carry out the work at Djocjocarta. Directly upon the arrival of these troops at Souracarta, one would first have to inform the emperor of the impending resignation, and that the arrived troops were destined to [illegible] Mang Coenogoro and

Dutch transcription

37 den 19e: Mai 1790 sodanigen aanrang te maaken dat het al vaij wat moeijte in sig soude hebben om de vast gestelde Trvons sucessie te volbrengen, voornamelijk wanneer MangCoenogoro op de gedagten quam om de pasjage te kelemmeren, so niet te beletten, waar toe niet veel volk soude worden vereischt nu de gansche Militaire Magt, die tot den optocht soude konnen worden gebruikt, nu niet veel meer dan Twee Hon„ „derd koppen bestaat, so aan officiers als gemeenen. Dan gesteld eens het gelukte dat men sonder hindernis de optocht konde volbrengen, off de beletschen te boven komen, so soude de shroons successie voor seeker met toegaan, so sig de Pangerang Mangsoenogoro reeds te Djoogo bevond en men niet in de mogelijkheid was geweest hem het vertrek van Souracarta, door de wapen „nen en het ontsag voor deselve te belitten, waartoe voor„ „seker een vrij sterken besetting soude worden vereischt als de bepaling toelaat, en tans daar is, sonder dat men het vermogen heeft die van hier te versterken. Ik heb mij verpligt geagt een dusdanig detail te doen van de omtlandigheeden die plaats souden konnen hebben. - Het different over de naam van Mangcoel demi„ waar van ik niets wist toen ik mijn Brief van den 8. deeser naar souracarta afsond, heeft de zaak een geheel andere gedaante te doen aanneemen; want ik voorsie dat selvs die beuseling gevolgen sal hebben die van veel gewigt sullen konnen zijn, te weeten als een reden der beide voorsten op sijn stuk blijft staan en men de sulthan niet kons doen begrij„ „pen dat hij geen regt heeft de keijser de wet te stellen en deesen vorst niet verpligt is sig na zijn grillige be„ „geerte te schikken en zig bij sijne onderdanen aan kleenag„ „ting te exponeren het welk seker het geval soude sijn als hij die naam introk of veranderde Waar soude dan, na mijn insien, niet anders res„ „teren dan eene resignatie van den Troon bij het leeven van de sulthan, die van zijne ziekte weder begint te her„ „stellen en het dus nog enige tijd gaande houden kan, hoewel door zijn hooge ouderdom, en de swakheeden van geest en Lichaam, daarmeede verseld gaande; genoegsaeme niet meer geschikt is om te Regeeren. dan om hem tot dien afstand te brengen, dit vinde ik meede een beswaarlijke zaak, en ik stelle deselve alleen mogelijk te zijn ingevalle het uwe Hoog Edelheeden mogt behagen selve dien vorst daar over bij een Brief te onderhouden en te overreeden dit middel aantemerken, als het enigste dat toereijkend is om het Rijk en de Kroon„ waar van de grondlegging door hem so loffelijk is ge„ „schied, op zijne nazaten in rust en vreede te doen overgaan, waar toe dan als een drang reeden, slegts in generaale termen soude konnen worden gewag gemaakt van de ontdekte vog„ „merken der sulken die voorneemens sijn dien shroon aan de bestemde successeur te betwisten bij sijn overleiden, en konin dat. 375 den 19:' Mai 1790 dat de Comp. dan misschien so spoedig niet in de moge„ „lijkheid soude zijn alle nadeelige aanslagen te beletten dog dat sulks niet seekerheid sal konnen geschieden als de re„ „signatio bij het Leeven gevolg heeft, gelijk in 1788 op sou„ „racarta gebleeken is. voorts soude hem versekerd konnen worden dat de Comp„e guarandeerde dat hij met de verrichte ligting door sijn zoon behandeld soude worden en volgens eene te makene bepaling, het nodige tot sijn onderhoud, rigtig sou„ „de ontvangen. En als het uwe Hoog Edelheeden den tevens mogt behagen den sulthan aan mij te renvoijeren om hem ope„ „ning te geeven van het gewigt der reedenen welke uwe Hoog Edelheeden tot deese voorsorg, ter bevestiging van het dJoojose Rijk permoveerden, den soude ik hem de bewijsen doen vertoonen van de gemaakte pretentie door Mangcoe„ „nogore /: also ik die van uwe Hoog Edelheeden te rug er„ „langde:/ en de souracartasche twijffeling over de wettigheid der afstand, die intusschen, wegens het reeds gebeurde en waarschijnelijk verder voortevallene over de naam van Mangcoeboemi, hem seker seer Ontsetten en denkelijk wel tot het besluijt soude brengen om sig dien raad ten nutte te maeken. so egter tegenverwagting, het tegenduel magt plaets vinden, dan is 'er ten minste van 'sComp zijde alles gedaen wat haar belang en ook dat der tegenwoor„ „dige en toekomende vorsten van Djocjo schijnt te vorderen, terwijl men dan sal moeten tragten sig uit de voorkomende gebeurtenissen, te reeden sodanig en so goed als mo„ „gelijk sal zijn. En ingevalle 'er voor den ontvangst van sulk een Brief, zaken of geleegenheeden mogten voorkomen, die geschikt zijn om der sulthen op dit sujet met voeg te konnen polsen, so soude ik, indien er sig geen apparentie voor de bewilliging opdoed, van die Brief geen gebruijk maken! wijl dan dit middel, na mijne gedagten, die ik, in alle oprigten aan het wijser oordeel van uwe Hoog Edeel„ „reeden submitteer, het enigste is, waar van men koopen kan de vastgestelde successie te sullen konnen handhavenen en Iava bij die geseegende rust en vreede te bewaeren, wilke het selve, Gode zij dank tot hiertoe geniet; so soude het selve egter, om van effect te sijn, ten grondvlag moeten heb„ „ben een militaire magt die vrij sterken is dan de tegens= „woordig hier aanhanden zijnde. De besetting van soura„ „carta soude ten minsten tot 3. â 400: Europeers moeten versterkt worden, ongereekend de Bougineeren en Maleijers die men hier bij een kan brengen. Die versterking soude te gelijker tijd naar Souracarta moeten gesonden worden, als men sig met 3. en 400. man op weg bevond om het werk te djoojoCarta te gaan verrigten. Direct bij de aankomst desen Manschappen te souraCarta, sou men eerst de keijser moeten informeeren van de aanstaande resignatie, en dat de aan„ „gekomene Trouper bestemd: waren om Mang Coenogoro gebeurtenisse en.

NL-HaNA_1.04.02_3910_0212 view scan ↗

English

the 19th of May 1790. and to keep his people in a peaceful state and make him renounce the unfounded claim he makes to the Djocjocarta Throne, while one ought to request the Emperor's assistance for this purpose, should it be deemed necessary, so as not to cause too great a stir by calling so many people to arms at once. Subsequently, one should notify Mangcoenogoro of that resignation and at the same time represent to him that his claims are unfounded, and the Company never gave orders for such a promise, simultaneously ordering him with due earnestness to keep quiet with his people and make no disturbance on pain of forfeiting the Company's favor and protection, with the threat also of its utmost wrath. If this is handled with firmness and he sees a sufficient force capable of inspiring awe, I might, in view of what happened in 1788, flatter myself that he will not dare to undertake anything and expose himself, along with his children, to total ruin. If, however, the contrary occurs, then the slightest step in transgression of the prescribed orders ought immediately to decide his fate, and once this is done, the aforesaid rest of his following will easily let themselves be subdued. And to proceed safely in this matter, it would be necessary to disclose all these measures to the Emperor and secure his approval beforehand, which I think would be easy to obtain, if only in the hope of thereby regaining possession of the lands that were ceded with their subjects by His Highness's father to Mangcoenogoro as an appanage, and regarding which there will otherwise be quite some trouble upon the demise of this Prince and the leaving behind of several sons and grandsons. While I now await on all this the esteemed pleasure and the definite orders of Your Right Excellencies, which I request may be sent to me as soon as practicable, as well as the necessary military reinforcements, since the valetudinary state of the Sultan makes this haste necessary, I shall in the meantime merely answer Pangerang Mangcoenogoro that I am surprised he did not disclose that promise to me when I was in Souracarta on two different occasions, and further that I have sent his writings to Your Right Excellencies. The lack of a sufficient force restrains me from giving a positive answer and directly denying him all hope, as would otherwise be best, and declaring that only the Crown Prince, provided he continues to give the Company as much satisfaction as has been the case hitherto, and no one else, shall be the successor; that this has always been the Company's intention, and it has never given orders to make him any promises in that regard. For I think, 37 319 the 19th of May 1790 if he were now to proceed to extremities, one might easily find oneself in the same circumstances with him again as those in which one was prior to the year 1757, which, besides the ruin of land and people, cost the Company quite some blood and treasure, without the combined power of the Company and that of the two Javanese Princes having been able at that time to bring that Prince to submission, and the disturbances could not be brought to an end other than by the cession of certain lands which he still possesses today for his maintenance. To this is added that the preservation of the rest and peace of Java has never been of so much importance to the Company as now, not only because of the difficulty of waging a costly war, but especially because it would at once terminate the favorable prospect that now presents itself of a considerable expansion of the cultures, not only of the coffee on the coasts, but also of the round pepper in the lands of the Princes, for which Their Highnesses, upon my inviting encouragement and representation of the advantage to accrue therefrom for Princes and subjects, have everywhere given the necessary orders, and from which, according to the calculation of the year 1743, within three and four years at least 10 to 12000 picols are to be expected, not counting what the coasts will be able to furnish, since pepper cultivation can so easily be combined with that of coffee, without in the least prejudicing the rice cultivation (this constantly remaining the main matter and the principal object), as I hope shortly to have the pleasure of submitting to Your Right Excellencies an ample report, both regarding that and regarding the state of the coffee culture and the means employed not only to increase considerably the deliveries of cotton yarns, but also to improve them in fineness as well as uniformity, along with the appearance of a good rice crop; the mentioning of both here serving merely as further confirmation of the necessity to preserve, by all possible means, but above all by a sufficient force, in these critical and dangerous circumstances, the rest and peace of blessed Java. And that the circumstances are indeed such, Your Right Excellencies will find further confirmed, among other things, by the letter from the Souracarta First Resident, dated the 15th of this month, from which and from a writing relative thereto from the Djocjocarta Crown Prince it appears most clearly that the Sultan, regardless and in spite of all the representations made to him, will absolutely not tolerate that the name of Mangcoeboemi be borne by another as long as he lives, though this (just as if he would then still have anything to command) may well take place after his death. I have therefore, pursuant to the proposal made in that letter, further ordered the Souracarta First Resident on the 17th of this month to try once more whether the Emperor, through a request on my part, might not easily

Dutch transcription

den 19e Mai 1790. en sijn volk in een pacificque staat te houden en te doen afsien van de ongegronde pretentie, die hij maakt op de Djocjoso Throon, terwijl men daar toe 'skeijvers bijstands soude behooren te versoeken, bij aldien die nodig mogt gevor„ „deeld worden, ten einde geen al te groote beweeging te mar„ „ken door te gelijk so veel volk in de wapenen te doen komen. Vervolgens soude men Manqvenogoro van die resig„ „natie moeten kennis geeven en tevens voorhouden dat zijne pretentien ongegrond zijn, en de Comp:e minmer order hueft gegeeven tot sulk een toesegging, hem tevens met de nodige ernst gelastende sig met sijn volk stille te houden en geen beweeging te maken op verbeurte van Comp: gunst en beschen„ „ming, met bedrijging tevens van haare uiterste granschap. Wanneer dit met fermeteit behandeld word en hij het gesigt heeft van een genoegsame magt die ontvag kan ver„ „wekken soude ik mij, wegens het gebeurde in 1788, wel mogen vleijen dat hij niet wagen sal iets te onderneemen en sig, nevens zijne kinderen aan een totaal bederf exponeeren —. Indien egter het tegendeel gebeurd, dan behoord de minstes sthap van overtreeving der voorgeschreevene beveelen, ommid„ „delijk zijn lot te beslissen, en als dit geschied is, sal de voorsz: rest of zijnen aanhang dig ligt laten bedwingen. En om hier in seeker te gaan soude het nodig zijn van alle die maatregulen aan de keijser opening te geeven en sig alvorens te versekeren van zijne goedkeuring die ik denke dat ligt te bekomen soude sijn alware het alleen op hoop van daar voor weder in het besit te geraken van de Landen, die met derselver onderdanen, door zijn Hoogheids vader, aan Mangcoenogoro, als een appanage„ zijn afgestaan, en waar over anders nog vrij wat te doen sal vallen bij aflijvigheid van deesen Prins en het nalaten van verscheide zoons en kleen zoons. Terwijl ik onu op dit alles het g'eerde goedvinden en de bepaalde orders uwer Hoog Edelheeden blijve inwagten, die ik versoek dat mij so spoedig einigsints doenlijk mogen toegesonden worden, zo meede de benodigde Militaire ver„ „sterking, wijl de valetudinaire staat aan den sulthan deese haast noodsakelijk maakt, sal ik den Pangerang Mang= „coenogoro intusschen eenelijk andwoorden verwonderd te zijn dat hij van die belofte niet tegen mij heeft laten blijken toen ik, tot twee differente maalen te souracarta ben geweest den voorts dat ik sijne geschriften aan uwe Hoog Edelheeden hebbe gesonden. Het missen van eene toerijkende magt, weer„ houde mij een positief andwoord te geeven, en hem, gelijk anders het beste soude sijn, direct alle hoop te ontseggen en te verklaren dat alleen den kroonpains so die de Comp:e so veel genoegen blijft geeven als tot hier toe geschied is en niemand anders successeur sal syn Dat dit altoos Comp:s intentie geweest is en zij nimmer last gegeeven heeft hem enige beloften dien aangaande te doen. want denke. 37 319 den 19e. Mai 1790 so hij tans tot extremiteiten overging, soude men als ligt weeder met hem in deselfde omstandigheeden konnen geraaken, als waar in men voor het Jaar 1757. is geweest en die de Comp:e, behalven de ruine van Land en volk, al vrij wat bloed en schatten gekost hebben, sonden dat de verenig„ „de magt van de Comp. e en die den beide Javasche vorsten toenmaals als instaat is geweest dien Prins tot onderwer„ „ping te brengen en men de onlusten niet anders heeft kon„ „nen doen eindigen als door den afstand van seekere landen, die hij tegenwoordig, tot zijn onderhoud, nog besit: Hier bij komt dat de Conservatie van de rust en vreede van Java voor de Comp:s nimmer van so veel aan„ „belang is geweest als nu, Niet alleen wegens het beswaar„ „lijke om een kostbaere oorlog te voeren, maar bijsonder, wijl daar door in eens soude Cesseeren het gunstig voor„ iitsigt, dat sig tans opdoed op een aanmerkelijke uijt= „brijsing der Cultures, niet alleen van de Cottij aan de stranden, maar ook van de ronde Peper in de Landen der vorsten, waar toe Hunne Hoogheeden, op mijne uitnodigende aanmoediging en voor oogen stelling van het voordeel, daaruijt voor vorsteen onderdaenen te proflueeren, allerweegen de nodige beveelen gegeeven hebben en waar uit na de bereekening van het Jaar 1743, binnen drie en vier Jaren ten minsten 10. â 12000. — picols te wagten zijn, ongereekend het geene de stranden sullen konnen fourneeren, daar den Peeper teelt sig so ge„ „makkelijk met die van de Costij laat verenigen, sonder de Rusz: Cultuur /: als steeds de hoofdsaeken en het voornaamste voorwerp blijvende :/ in het minste te prejudicieren, gelijk ik eerlang het ge„ „noegen hoop te hebben uwe Hoog Ed: een ampel verslug te doen, oo daarvan, als van de staat der Coffij Culture en de aangewende middelen om de leverantien van Cattoene gaarens niet alleen merkelijk te vermeerderen, maar ook te doen verbeeteren so in finheid als equaliteit, te gelijk met de apparentie van een goed renisseb: geschiedende de aanstipping van het een en ander alhier eenlijk tot meerden bevestiging van de noodsakelijkheid on door alle maar mogelijks middelen, dog voor al door een toereckenden magt, in deese Criticque en dangeneuss omstandigheeden, de rust en vreedse, van het geseegend Iava, te Conserveeren. En dat de omstandigheeden in de daad dusdanig zijn, sullen uwr Hoog Edelheeden onder anderen nader bevestigd vinden bij de Brit van den 270 kpocartas eerste Resident, de dato 15. deser, waar tut en uit een daartoe betrekkelijk geschrift van den Bjoogode kroonprins ten klaarsten blijkt dat de sulthan ongeagt en in weerwil van alle de vertogen die hem zijn gedaan, volstrekt niet dulden wil dat de naam van Mangioeboemi door een ander gevoerd word, so lang wy leeft, dog dat dit s:eeven als of hij dan nog wat te beveelen soude hebben:/ na zijn dood wel plaats kan vinden. Ik heb dus, na het voorstel, dat by die Brief gedaan word, nader den 17. kujus aan den souracartas Eerste Resident bevolen om naver eens te beproeven of de klijser, door een versoek mijnen tweegen„ „maakkelyk niet

NL-HaNA_1.04.02_3910_0214 view scan ↗

English

the 19th of May 1790. - not to dispose of anything regarding that name, but to arrange it according to the desire of the Sultan, namely that the name, as given, remains in existence, but is not openly borne as long as the Sultan lives, while conveying my expectation that the Emperor's brother, Pangerang Ario Mattaram, if this is presented to him somewhat amiably, will acquiesce in it, since his old name of Ario Mattaram is of higher significance than that of Mangkubumi, whereupon I hope to obtain a favorable reply before sending this. For the rest, I flatter myself with Your Right Honorables' esteemed approval of my actions and take the liberty of referring to the enclosures, which accompany this under a register, as time did not permit dealing with everything appearing therein in detail in this document. This morning, receiving the still missing news from Surakarta by a letter of the 18th instant, I see therein, to my regret, that no concession is to be expected from the Emperor, and on the contrary, great bitterness exists in that monarch against the Sultan. I add that letter in original among the enclosures herewith. Matters are therefore very dangerous from all sides, and one certainly has the worst to expect, if the Sultan does not finally understand that these may lead to the ruin of him and his realm. With the aforementioned letter, Your Right Honorables will also find some points of elucidation regarding a certain writing likewise sent to me by the Pangerang Mangkunegara and enclosed herewith in original among the enclosures. The contents thereof and of the reply of the Surakarta first Resident will further convince Your Right Honorables how very much that ambitious Prince is taken with his design and prospect regarding the Djocjo throne, and how he interprets everything in his favor toward that end. If matters had not, by a strange coincidence, converged at the very same moment, one would easily be inclined to believe that the Emperor is not ignorant of the far-reaching projects of Mangkunegara upon the Djocjo throne, and either approves them or will leave to chance whatever may come of it, under the supposition of always achieving one of these two aims, namely the humiliation of the Djocjo Court, or the downfall of Mangkunegara and the recovery of his lands ceded to that Prince; for whence else that bitterness might come and the absolute intransigence to continue opposing the Sultan, precisely at the moment of his severe illness, over a matter that affects him so closely, this I declare I cannot fathom. - Yet whatever the case may be regarding all this, I find myself only further strengthened in the conviction that the proposed resignation is the only means to maintain and preserve the peace and quiet and at the same time the security of the Company's possession of this blessed land, as residing chiefly in the so important division of the realm of 1755, that is, if the Sultan resolves upon it, and the Company does not lack armed force here. The orders given by Your Right Honorables by secret letter of the 1st of December 1772 are certainly very positive and allow no exception, either of person or persons, who might undertake, through force, through 381

Dutch transcription

den 19„e Mai 1790. - niet te disponeeren zij het omtrent die naam, na het verlangen van de sulthan te schikken, te weeten dat die naam wel, als gegee„ „ven, in weesen blijft, dog niet opentlijk gevoerd word so lang de sulthan leeft, onder te kennen gave van mijne verwagting dat Skeijsers Broeder, Pangerang Ario Hattaam, als hem sulks wat minsaam word voorgesteld, daar in wel berusten sal, wijl toct zijn oude naam van Ariv: Mattarm van hoger beteekenis is, als die van Hangcoeboemi, waar op ik hoop nog voor het afsenden deesen een favo„ „rabel answoord te mogen bekomen. Voor het overige vleijs ik mij met uwer HoogEd: geerd goed„ „keuring van mijne verrigtingen en neeme de vrijheid mij te refe„ „reeren tot de Boijloogen, welke onder een Register, deezen vervellen, terwijl de tijd niet heeft toegelaten alles wat daarbij voorkomt, om„ „standig in deesen te verhandelen. Heeden voormiddag de nog manquerende tijding van souracar„ „ta ontvangende bij een Brief van den 18„e deser, die ik daar ini't tot mijn leedweeren, dat 'er geen toegeevenheid van de keijser te wagten en er in teegendeee een groote verbittering bij dien vorst, tegen de sulthan, plaats vind. Ik voege die swief in Originali„ onder de Bijlagen hier neevens De zaken staan dus van alle kanten seer dangereus en men heeft gewisselijk untenstens te wagten, do de sulthan eindelijk niet bereft dat die tot ruime van wem, en zijn Rijk sullen kunnen uitloopen: Bij voorm: wanef sullen uwe Hoog Edelheeden ook ontmoeten enige poincten van elucidatie aangaande seker gechrift mij insgelijks door de Pangerang MangCoenogoro toegevonden en onder den Bijlaegen, in Originali, deesen bijgevoegd. Den inhoud daar van en van het andwoord van den Souracartas eerste Resident, sullen, uwe Hoog Edelheeden nader overtuigen hoe seer dien heersth sugtigen Prins met sijn ontwerp en uitsigt op den Djocjose shroon is ingenomen en hoe dat hij alles, daartoe, in sijn voordeel uitlegd. so de zaken sig niet, door een sonderlinge toevallig „heid, in het selfde tijdpunt verenigd hebben; dan soude men zig al ligt geneigd vinden te geloven dat de keijser niet onkundig is van de verre uitsiende projecten van Mangcvenogoro op de Djoojose Throon, en deselve, of goed= keurd, dan wel aan het geval sal overlaten, wat 'er van worden mag, in onderstelling van altoos een deeser beide oogmerken te sullen bereijken, te weeten de vernedering van het Djoojose Hof, of de ondergang van Mangcoenogoro, en de te rug krij „ging zijner aan dien Prins afgestaene Landen, want waar anders die verbittering van daan mag komen en de absolute onversette„ „likheid om sig tegen de sulthan, Juist in het tijdstip sijner sware siekte, over een stuk dat hem so ter wante gaat, te blijven aankan„ „ten, dit betuige ik niet te konnen brande worden bevroeden. —. Dan wat 'er ook van dit alles weesen mag, ik winde mij daardoorn slegts nader versterkt in het begrip dat de voorgestelde resignatie het enigste middel is om de rust en vreede en te gelijk de sekerheid van Comp:s possessie van dit geveegend Land, als voornamelijk reside„ „rende in de so aangeleegene Rijkssplissing van 1755. , te handhaven en te bewaren, te weeten als de sulthan er toe besluijt, en het de Comp: hier niet aan gewapende magt ontbreekt. De orders door uw Hoog Edelheeden gegeeven bij secreete Brief„ van den 1„e xber 1772 sijn seker seer stellig en laten geen uitsondering soo van persoon of persoonen, welke mogten onderneemen, door uest, door 381

NL-HaNA_1.04.02_3910_0215 view scan ↗

English

36 the 19th of May 1790. or other punishable means, to thwart the established Crown succession of Djocjocarta. But since the same provisions were given as a guideline in the event of death, I therefore request that I may obtain Your High Excellencies' special declaration in this regard, whether Your High Excellencies approve the resignation during his lifetime, as well as how I am to conduct myself in case it should ever appear that Mangkoenegoro is being supported by the emperor, or that, on the part of that court, the measures that will be devised to keep him in check are obstructed or thwarted. In order to lose no time and not to allow the designs that are feared to come to greater maturity, I have already in private ordered Djocjocarta's First Resident to sound out the sultan about the project on a fitting occasion, with a clear presentation of all the circumstances detailed in this letter, and if he proceeds to do so, then I intend to set out for Djocjocarta as soon as possible with the force mentioned hereinbefore, and there await the orders of Your High Excellencies and the requested reinforcement. This is my intention, I say, which is limited to the present circumstances, among others also that one can posit with some reason that the Solo garrison, strengthened with the emperor's aid, would be able to keep Mangkoenegoro in check, provided that no further events occur that contradict this; for in that case Samarang, where the burghers will have to man the watches, and perhaps also the coastal offices, would be risked for the benefit of the Djocjocarta realm, which would not accord with the Company's interest. I have the honor to call myself with due respect and true high esteem. Below stood: Title. Lower: Your High Excellencies' very obedient and faithful servant. Was signed: Jan Greeve. In the margin: Samarang, the 19th of May 1790. Furthermore, Your Honorable Rigorousness will already have perceived somewhat from my humble writings of the 9th current what my humble opinion is about what occurred at Solo, and since Your Honorable Rigorousness is now pleased to write to me about it yourself, I may not fail to assure that people here are very troubled about it, and both by the Raden Adipati and Notto Judo nothing less is foreseen from it than far-reaching unpleasantries and estrangement between the two courts. Being well aware on the one hand that he who dared to give the emperor the recommendation for this step will also further strengthen him with his advice if the cancellation of the name is insisted upon once again from this side, or rather from the Company, and there is little hope that the emperor will be moved to withdraw the same again; and on the other hand one is assured that however much that prince also seeks to give the matter a gloss, by saying that it is the sultan's own so-called grandson, or a son of the late emperor himself, who bears this name and he cannot complain about it, the prince will take little notice of this and will consider this step again as insulting to his person in the highest degree, which it is believed he will not easily digest. Extract of a Surakarta letter of the 11th of May. Having been handed two missives by the prince, one Extract of a Djocjocarta missive of the 11th of May 1790. I take the honor to inform Your Honorable Rigorous Respect that the emperor this morning has been pleased to honor his eldest legitimate brother, Pangeran Ario Mataram, with the name of Pangeran Mangkoeboemi, and His Majesty's youngest legitimate brother, Gusti Soero, with the name of Pangeran Noto Boemi. Extract of a Surakarta missive of the 6th of May, in the year 1790. Turn over. To

Dutch transcription

36 den 19 Maij 1790. of andere strafwaardige middelen, de vast gestelde Kroons-suc„ „cessie van D00jocarti, te veriedelen. Dan daar deselve bepaalde gegeeven zijn ten rigtsnoer in geval van overleiden; so versoek ik deesen aangaande uwer Hoog Edelheeden speciale verklaring te mogen erlangen, als Woogst Deselve de resignatie, bij het leeven, goedkeuren, als meede hoe ik mij te gedragen hebbe, ingevalle eens mogt blijken dat Hangoenogoro door de keijser onder„ „steund word, of wel dat men van weegens dat toot de maat„ „regulen, die er beraamd sullen worden, om hem in bedwang te houden, belemmerd of veriedeld. Den geen tijd te verliesen en de ontwerpen die men dugt niet tot meerder rijxheid te laten komen heb ik reeds in het particulier aan den D Joego Cartas Eerste Resident last gegeeven, den sulthan, onder eene duijdelijke vertoning van alle de in deesen Brief gedetailleerde omstandigheeden, bij een gepaste Occasie, over het project te polcen, en so hij er toe overgaat; dan beij ik voorneemens mij so dra enigsints mogelijk met de magt hier voor opgenoemd, naar DjoopCarte te begei„ „ven en aldaar de beveelen uwer Hoog Edelheeden en het versogte ren„ „fort aftewagten. Dit is mijn voorneemen /:segge ik :/ het welk sig be„ „paald tot de tegenwoordige Omstandigheeden onder anderen ook dat men met enige grond kan stellen dat de solooshe besetting, ge„ „sterkt niet 's keijsers hulp, Mangcoenogoro in ontsag konnen houden, dus als 'er nader geene gebeurtenissen voorkomen, die sulks ontraven, want is dat geval soude samarang alwaar de Burgers de wagten sullen moeten besetten, en misschien ook de strand Comptoiren geresi„ „quaert zijn ten behoeve van het Djoogocartaise Rijk, het welk met Comp„s belang niet soude overeenkomen. Ik heb de een mij met de verschuldigde eerbied, en ware hoog„ „agting te noemen. /:onderstond/ Titul /:lager:/ Uwer Hoog Edelhee„ „den seer gehoors. en getr: dienaer /:was get/ Jan Greeve /:in= margine / Samarang den 19:' Mai 1790 Voorts sal uwierd Gesta uyt myne Nedrige schrijvens van den 9=e onser bereeds enigsints boogt hebben, wat min gering ge„ voelen is, over het voorgevallene op Tolo, en daar uwelEd gestr: mij daar over nw selve gelieft te schriven, so mag ik niet nalaten te versekeren dat men er hier seer over en pene is en er so wil door den radeen depattij als Notto Judo, niets minder uit voorsien word als verre gaande onaangenaamheeden en verwijde ring tusschen de twee hoven. aan de eene kant wel bewust zynde dat den geene die sig onderstaan heeft om den keyser tot onse stap aanrading te doen, hem ook wel verder met zyne raad sterken sal, als er van de kant van hier, of liever van de Comp andermaal op de naams vernetiging aange„ drongen word, en er weynig hoope is den keyser te beweegen sal zyn om deselve weederom intetrekken, en aan de andere kant is men verseekert, dat hoe seer dien vorst de saak ook een glinp soekt tegeeven, niet te seggen, dat hit des sulthans eijge sogenaamde kleijnsoon of een soon van wylen, den keyser selve is, die dese naam draagt en hij er segens niet over kan beklagen, den vorst dit luttel in aanmer„ king neemen en onse stap weederom beschouwen sal, als voor zyn Persoon in de hoogste graad honende. het week men meend dat hy niet ligt verduuwen sal Extract Souracantasch Brief van den 11 Maij Mij door den vorst overhandigt zynde, twee Mussives een Extract D Joe Jocartasche Missive van den 11 Maij 1790. Ik neeme de eer uwelEd Gestr Achtb te bedeelen dat den keyser heiden morgen desselfs oudste egte broeder den Pangerang Ario Mattaam met de naam van Pangerang Mangcoeboenne in zyne majesteids Jongste egte broeder gustie Suuor met de naam van Pangerang Noto boenne heeft gelieven te vereeren Extract souracaatasche Missive van den 6. Maij a„o 1790 verte. aan

NL-HaNA_1.04.02_3910_0216 view scan ↗

English

383 the 19th of May 1790. or other punishable means, to thwart the established succession to the throne of Djocjakarta. But as these provisions were given as a guideline in the event of death, I therefore request to obtain Your High Nobilities' special declaration in this regard, whether You approve of the resignation during his lifetime, as well as how I am to conduct myself in case it should appear that Mangkoenegoro is supported by the Emperor, or that on the part of the latter the measures to be devised to keep him in check are obstructed or thwarted. Then, to lose no time and not to allow the designs that are feared to reach greater maturity, I have already privately instructed the First Resident of Djocjakarta, with a clear representation of all the circumstances detailed in this letter, to sound out the Sultan about the project at a suitable opportunity, and if he agrees to it, I intend to proceed to Djocjakarta as soon as possible with the force mentioned above and there await the orders of Your High Nobilities and the requested reinforcement. This is my intention, I say, which is limited to the present circumstances, among others also that one can state with some reason that the Surakarta garrison, strengthened with the Emperor's help, can keep Mangkoenegoro in awe, provided no further events occur that advise against this, because in that case Samarang, where the Citizens will have to man the guards, and perhaps also the coastal offices, would be risked for the benefit of the Realm of Djocjakarta, which would not correspond with the Company's interest. I have the honor to call myself, with due respect and true esteem, below stood Title, lower, Your High Nobilities' very obedient and faithful servant, was signed Jan Greeve, in the margin Samarang the 19th of May 1790. Furthermore, Your Honor will already have learned somewhat from my humble writings of the 9th of this month what my humble opinion is regarding what occurred at Solo, and since Your Honor is pleased to write to me about it yourself, I must not fail to assure that people here are very embarrassed about it, and both the Raden Adipati and Natakusuma foresee nothing less than far-reaching unpleasantries and an estrangement between the two courts. On the one hand, being well aware that the person who dared to advise the Emperor to take this step will also strengthen him further with his counsel if from this side, or rather from the Company, the revocation of the name is pressed again, and there is little hope that the Emperor will be moved to withdraw it again; and on the other hand, one is assured that however much that prince seeks to put a gloss on the matter, not to say that it is the Sultan's own so-called grandson or a son of the late Emperor himself who bears this name and he therefore cannot complain about it, the prince will take this little into consideration and will regard this step, in turn, as insulting to his Person in the highest degree, which it is thought he will not easily stomach. Extract of a Surakarta Letter of the 11th of May. Having been handed to me by the prince, two missives, an Extract of a Djocjakarta Missive of the 11th of May 1790. I take the honor to notify Your Honor that the Emperor this morning was pleased to honor his eldest legitimate brother, the Pangeran Ario Mataram, with the name of Pangeran Mangkubumi, and His Majesty's youngest legitimate brother Gusti Sugor with the name of Pangeran Notobumi. Extract of a Surakarta Missive of the 6th of May anno 1790. Turn over. To

Dutch transcription

383 den 19 Maij 1790. of andere strafwaardige middelen, de vast gestelde Rroons- suc„ „cessie van Doojocarti, te veriedelen. Dan daar deselve bepaalde gegeeven zijn ten rigtsnoer in geval van overleiden; so versoek ik deesen aangaande uwer Hoog Edelheeden speciale verklaring te mogen erlangen, als Voogst Deselve de resignatie, bij het leeven, goedkeuren, als meede hoe ik mij te gedragen hebbe, ingevalle eens mogt blijken dat Hangoenogoro door de keijser onder„ „steund word, of wel dat men van weegens dat toot de maat„ „regulen, die er beraamd sullen worden, om hem in bedwang te houden, belemmerd of veriedeld. Dan geen tijd te verliesen en de ontwerpen die men dugt niet tot meerder rijxheid te laten komen heb ik reeds in het particulier aan den 2 Joejo Cartas Eerste Resident last gegeeven, den Sulthan, onder eene ruijdelijke vertoning van alle de in deesen Brief gedetailleerde omstandigheeden, bij een gepasto Occasie, over het project te polcen, en so hij er toe overgaat; dan beij ik voorneemens mij so dra enigsints mogelijk met de magt hier voor opgenoemd, naar Djoepcarta te begee„ „ven en aldaar de beveelen uwer Hoog Edelheeden en het versogte ren„ „fort aftewagten. Dit is mijn voorneemen /:segge ik/ het welk sig be„ „paald tot de tegenwoordige Omstandigheeden onder anderen ook dat men met enige grond kan stellen dat de solooshe besetting, ge„ „sterkt niet 's keijsers hulp, Mangcoenogoro in ontsag konnen houden, dus als 'er nader geene gebeurtenissen voorkomen, die sulks ontraden, want in dat geval soude samarang alwaar de Burgers de wagten sullen moeten besetten, en misschien ook de strand Comptoiren geresi„ „quaert zijn ten behoeve van het Djoogocartase Rijk, het welk met Comp„e belang niet soude overeenkomen. Ik heb de een mij met de verschuldigde eerbied en ware hoog„ „agting te noemen. /:onderstond/ Titul /:lager:/ Uwer Hoog Edelhee„ „den seer gehoors. en getr: dienaer /:was get:/ Jan Greeve /:in= margine/ Samarang den 19:' Mai 1790 Voorts sal uweeEd Gesta uyt myne Nedrige schrijvens van den 9=e dnser bereeds enigsints hoogt hebben, wat min gering ge„ voelen is, over het voorgevallene op solo, en daar uwelEd gestr: mij daar over nw selve gelieft te schrijven, so mag ik niet nalaten te versekeren dat men er hier seer over en penne is en er so wil door den radeen depatti als Natto Judo, niets minder uit voorsien word als verre gaande onaangenaamheiden en verwijde ring tusschen de twee hoven. aan de eene kant wel bewust zynde dat den geene die sig onderstaan heeft om den keyser tot onse stap aanrading te doen, hem ook wel verder met zyne raad sterken sal, als er van de kant van hier, of liever van de Comp andermaal op de naams vernietiging aange„ drongen word, en er weynig hoope is den keyser te beweegen sal zyn om deselve weederom intetrekken, en aan de andere kant is men verseekert, dat hoe seer dien vorst de saak ook een glinp soekt tegeeven, niet te seggen, dat hit des sulthans eijge sogenaalde kleijnsoon of een soon van wylen, oen keyser selve is, die onse naam draagt en hij er segons niet over kan beklagen, den vorst dit luttil in aanmer„ king neemen en onse stap weederom beschouwen sal, als voor zyn Persoon in de hoogste graad honende. het week men meend dat hy niet ligt verduuwen sal Extract Souracantasch Brief van den 11 Maij Mij door den vorst overhandigt zynde, twee sussives een Extract 2 Joi Jocartasche Missive van den 11 May 1790. Ik neeme de eer uwel Ed Gestr Achtb te beduelen dat den keyser heiden morgen desselfs oudste egte broeder den Pangerang Ario Mattaam met de naam van Pangerang Mangcoeboenie in zyne majisteids Jongste egte broeder gustie Suuor met de naam van Pangerang Noto boenne heeft gelieven te vereeren Extract souracartasche Missive van den 6 Maij a„o 1790 verte. aan

NL-HaNA_1.04.02_3910_0217 view scan ↗

English

and 19 May 1790 to His Right Honourable and one to Your Esteemed Honourable, thus I take the liberty to present the same to Your Esteemed Honourable together with its translations. Copy Translation of a Javanese Letter written by the Susuhunan Pakubuwono at Surakarta Adiningrat to the Honourable Jan Greeve, Extraordinary Councillor of the Dutch East Indies and Governor and Director of this Coast, received at Semarang on 12 May 1790. I hereby inform Brother that I have given my younger brother Pangeran Ario Mataram the name of Pangeran Ario Mangkubumi, and my youngest brother Mas Sajidi the name of Pangeran Ario Bumi Noto, on Thursday the 22nd of the light half of Ruwah of this year Je. I request Brother's assistance in forwarding to Batavia my letter to my grandfather, the Lord Governor-General, while in the meantime I send Brother my many greetings. Written on Monday the 26th of the light half of Ruwah in the year Je 1716. Underneath stood: translated by me; was signed: W. Wardenaar, sworn translator. Copy of a Separate Letter written to the Surakarta First Resident Hartsinck, dated 11 May 1790. Acknowledging the communication in your letter of the 6th of this month, namely that the Emperor's brother Pangeran Ario Mataram has been honoured by the ruler with the name of Pangeran Mangkubumi and His Highness's younger brother Gusti Timur with the name of Pangeran Noto Bumi, I would nonetheless have wished that this had not occurred and that I had been able to find an opportunity to advise the ruler against it, on account of the unpleasantries that arose in 1788 over the first-mentioned name. For although the case here is not entirely the same as in 1788, and the Emperor has now given that name to his own brother, a right that, strictly speaking, cannot be contested to His Highness, I nevertheless believe I have reason to suppose that the court of Yogyakarta will not be pleased about it, and may very well suspect that Pangeran Mangkunegoro encouraged and persuaded the Emperor to do so. It would have been particularly desirable for the Emperor to have chosen a time other than that of the Sultan's present severe illness for this, although it is true that in 1788, despite the illness of the Emperor's father, the Sultan did not restrain himself from expressing his displeasure over that name so openly at the time. But although I do not know how the court of Yogyakarta will take this, and also cannot determine whether an application will again be made to the Company to bring about a change in this matter, and can just as little form a definite idea of whether the Emperor will have as much indulgence for the Sultan as his father was willing to demonstrate in 1788 for the sake of peace and quiet by retracting that name, it would nevertheless be a good thing if, with respect to the latter, the Emperor's disposition could be sounded out in a fitting manner. To this end, the document that I send herewith to you in the Javanese language and by translation in the Dutch language may perhaps serve, with the addition of a copy of a letter written to me on 29 April last by the Yogyakarta First Resident Van Ysseldijk. This document containing a certain plan of name changing which the Sultan would gladly see introduced at both courts.

Dutch transcription

387 en 19 May 1790 aan zijn HoogEdelheyd en een aan uweerd Gestr agtb soneem ik de vrijheid uweeEd Gestr Achtb deselve met en beneevens dies translaten aantebieden Copia Translaat Ja Brief geschr door den soesoe„ „hoenang Pacoeboeana & te soura Carta admingrat aan den welEd Gestr heere Jan Greeve raad Extra ord van Ned: Jndie mitsg=s Gouverneur en Directeur deeses Custe ontvangen te Samarang den 12 Maij 1790 Ik geef Baorder mits onsen kennis dat ik myn Jonger Broe„ der Pangerang Ario Mattarm de naam van Pangerang Anjo Mangcoe boenie, en myn klijnste Broeder Maas sadjiedie, de naam van pangerang Arj Boenne Notto heb gegeeven, op Donderdag den 22. van het ligt Roewah desis Jaars rhee Jk versoek Broeders helpe ter versending naar Ba„ taria van mijn Brief aan mijn Groot vader den Heere Gouverneur Generaal, Terwyjl ik Broeder intusschen vul„ maals groet Gesch op Maandag den 26. van het lyt Roewach in't Jaar rhee 1716. /onderstond/ getranslateerd door my /was geteekend W wardenaar gesw Translateur Copia Aparte Brief geschraanden soura Cartasch eerste Resident Hart„ smek ged 11 May 1790. Voor bedeeld houdende het gecommuniceerde bij us Brief van den 6. deeser namelijk dat skrijsers Boorder Pange; rang Ario Mattarin, door den vorst met de naam van Pangerang Mangcoeboenii en zijn Hoogheijds Jonger Broe„ der Guste Timor met de naam van Pangerang Notto boe„ inie is veread, had ik egter wel gewenscht dat sulks niet Dan of schoon ik niet wiet hoe het dJoejase stof sulks sal opneemen ons ook met bepalen kan of men weder bij de Comp aansoek sal doen om hier in verandering tewuge te brengen en ik mij reven so mm een vast denkbueld kan vormen of den keyser wel so veel toegeevenheid voorden sulthan sal hebben, als zyn vader en 1788. door het weder intrekken van die naam rust en vreedes halven wel heeft willen betoonen; so soude het egter een goede saak zijn, indien men, ten oplegte van het laatste op een voegsame wyse, des keysers gesindheid konde onder„ tasten. Heer toe sal misschien konnen strekken het ge„ schrift dat ik uE, in de Javaansche en bij translaat in de Nedentsche Taale hierneevens toesende met byvoeging van een Copij Brief, door den D JoeJocartas Eerste Resident van ysseldyck den 29. April Jongstleeden aan mij geschreeven — Dit geschrift behelsende seker plan van naams verande„ ring het geen de sulthan gaarne aan beyde de Hoven inge„ Insonderheijd waarhet tewenschen geweest dat de keijser hier toe een anderen tyd dan die van des sulthans tegenwoordige sware siekte had uitgerosen; hoe wel het waar is dat de sul„ than sig in 1788, om de siekte van 's keijsers vader, niet heeft gemenageert toenmaals so opentlyk zijn misnoegen over die naam tekennen tegeeven ware geschied en uk gelegenheid had konnen vinden den vorst dit te ontraden ter oirsake van de onaangenaamheiden, wel keer in 1788. over de eerst gem naam, zyn ontstaan. want hoe wel het geval hier Just met het selfde is als in 1788; en den keyser die naam als nu aan zyn eijgen Broeder heeft ge geeven, een regt dat zyne Hoogheid, strict genomen, niet be„ tuust kan worden; so meen ik reomen te hebben om te onder„ stellen dat men aan het DJoejose stof daar over niet gestegt sal zyn en veel ligt in het vermoeden vallen dat de Pangerang hang Coenogoro, oen keyser daar toe heeft geamieert en over gehaald. ware voerd) 6 ƒ

NL-HaNA_1.04.02_3910_0218 view scan ↗

English

38 the 19 May 1790 was and saw it followed in order thereby to avoid or remove all sameness of names, Your Honour might, on a suitable occasion, propose it to the Emperor, to learn His Highness's thoughts thereon. It will, however, not be necessary to let it appear that the mediation of the Company was requested to move the Emperor thereto, as this is otherwise a domestic matter, which entirely depends on the arrangement and approval of the princes. Awaiting Your Honour's information hereupon in due time, I remain, after greetings, /was signed/ Your Honour's good friend /:was signed/ Grieve /in the margin/ Samarang the 11 May 1790 Extract Letter from the Chief van Ysseldyck dated 29 April 1740 I have the honour most respectfully to inform Your Honourable Gestrenge that, by order of the Sultan, an annexed writing was handed to me by the prime minister Danve redja, wherein His Highness gives to understand that he would gladly see established a new regulation regarding the names formerly in use at the Cartasura court among the princely family, in accordance with the translation drawn up thereof and annexed hereto, and regarding which the said prince implores Your Honourable Gestrenge's powerful aid, to the end that a resolution corresponding with his intention may be taken at the Solo court. Copy Translation This my writing I, Raden Adipati Danuredja, give to my brother the Lord Chief Wouter Hendrik van Ysseldyk, containing the words of the Sultan, as follows: And now, Danuredja, I open my heart entirely to the Company and to my brother the Honourable Gentleman, as well as to my grandson the Emperor, regarding the names of my sons, my grandsons, and my subjects the regents, which are already very similar to those of Surakarta, which I do not like, since no two people can bear one name, especially when they differ in rank from one another, and wherein one might find reason to take offence. Danuredja, you shall make known to the Chief my intentions to elevate to princes my sons who have not yet been elevated as such, and I wish to introduce them as such under the names: Ki Nadinegoro under that of Pangeran Selarong, Ki Penganteng under the name of Pangeran Rio Panular, Ki Semadin under that of Pangeran Manku Kusumo, and Ki Sepharie under the name of Singosari. Because I have heard from Notto Indo that one of my grandsons at Surakarta is already named Pangeran Singosari, I shall change this last name of my son Sepharie to that of Pangeran Hade Kusumo; and as this report was not sufficient for me, I awaited further information from the Chief regarding the truth or falsehood of the report of Notto Indo, but since you have now answered that His Honour did not need to write to Surakarta, being well aware that the statements of Notto Indo can be taken for truth and that there is indeed a Prince in Solo who is called Singosari! As soon as I learned the answer of the Chief, this was enough for me, because I do not like to see my sons bearing names corresponding to those of my grandsons at Surakarta. Danuredja 7

Dutch transcription

38 den 19 May 1790 „werd en gevolgd sag om daar door alle gelijkheid van naamen te vermyden of wegteneemen, soude uE by een gepaste gelegenheid den keijser konnen aanbieden, om er de gedagten van zyne Hoog„ heid op te verstaan. Het sal egter niet nodig zyn te laten blijken dat de bemiddeling van de Comp is versogt om den keijser daar toe te beweegen, als zijnde buyten des een huis houdelyke zaak, wlke volmaakt van de schikking en het goedvinden der vorsten afhangd Hier op indertid uE informatie verwagtende blijve ik na groete /onderstond/ uE goede vriend /:was getekend/ / Grieve /inmargine/ Samarang den 11 May 1790 Extract Brief van het opperhoofd van Ysseldyck ged 29 April 1740 Eerbiedigst hebbe ik de eere uweeEd Gesta te bedeelen dat mij op ordre van den sulthan een hierneevens leggend geschrift door den ryxbestierder Danve redja is ter hand gesteld waar„ in zijn Hoogheid te verstaan geeft dat hij omtrend de van ouds aan het Parta soerasche staf ingebruijk geweest synde namen onder de vorstelijke famillie gaarne een nieuwe bepaling soude gevestigd zig, overeenkoomstig het daar van gefor„ meerde en hier neevens leggende Translaat en waar omtrand gemelde vorst uweEd Gestr vermogende hulpe Imploreert ten eijnde er aan het solosche stof eene met zyne intentie overeenkomstige resolutie mag genomen worden. Copia Translaat Dit mijn geschrift geeve ik radeen Aoepattij Deuveredja Aan mijn Bareder het Heer opperhoofd wouter Hendrik van ijs„ seldyk, inhoudende de gesegdens van den sulthan als En als nu Danoeredja, opene ik mijn hart in het geheel voor de Comp en voor mijn Brorder dat de Edelheer, als meede voor myn kleijn soon den keyser omtrend de naamen van mijne soous mijne kleijn soons, en myne onderdanen de regenten dewelke bereeds veel overeenkomstig zyn, met die van sou„ ra Carta, 't welk ik niet gaarin hebbe, also geen twee menschen een naam kunnen dragen, voor al als deselve in rang van elkanderen verschullen, en waar in't men reeden soude kunnen Danverdja gysult aan het opperhoofd bekent maaken myne voorneemens, om myne soons die nog niet tot Prins verheeven zijn, daar toe te verheffen, en ik hun als sodanig wildoen voor„ stellen onder de naamen, als ki Nadinegoro onder die van Pangerang Selarong, ki Penganteng onder den naam van Pangerang Rio Panoelar, ki semadin, onder die van Pangerang Mancoe Coesoemo, en ki sepharie onder de naam van singosarie Do wijl ik van Notto Indo ge„ hoord hebbe dat er bereeds een van myne kleynsoons op souracarta genaamt is Pangerang singosarie, p sal ik deese laatste myn soon sepharie veranderen in die van Pan„ gerang stade Eersoemo, aan also deese tyding my met voldoende is, hebbe ik afgewagt, de nadere informatie van 't opperhoofd, omtrend de eyt of anegtheid van het berigt van Notto Jndo, men uw als nu geantwoord heeft dat zyn Ed met na soura Carta behoefde te schryven, als wel bewust synde, dat de gesegdens van Notto Jndo voor waarheyd konnen gehouden worden en dat er op solo werke„ lyk een Prins is, die singo sarie genaamd word! Ter stond toen ik het antwoord van het opperhoofd vernam was my dit genoeg wyl ik niet gaarn sie, dat mijn soons de naamen dragen, overeenkomstig met myn kleynsoons te SouraCarta. Damoeredja opvatten 7

NL-HaNA_1.04.02_3910_0219 view scan ↗

English

389 the 19th of May 1790 conceiving of enmity or shame on either side. My wishes now, Danoeredja, are that if it pleases my Brother, the Noble Lord, and my grandson the Emperor, all names that correspond with each other shall be changed. Excepting the great and ancient names such as those of Pangerang Adipatti and Pangerang Ingabeij, as well as of the regency of Mangoennegoro; these both my grandson the Emperor and I shall retain, as the same serve as a remembrance of our old ancestors. And as regards the names that in my view ought to be changed, they are these: My grandson has a subject named Djayaningrat, who is raden adipatti, just as I also have a son-in-law who is named Djayaningrat. But because the subject of my grandson the Emperor is higher in rank than my son-in-law, I shall change this name, so that Djayaningrat has no reason to complain that there is another at my Court of much lesser rank and of the same name. My grandson the Emperor also has a subject named Djoyosamodro, whom I also have, and I shall change this one's name, because he is of lesser rank than the subject of my grandson the Emperor. My grandson the Emperor has a subject who is named Nottojudo, but because he is lesser than my subject Nottojudo, who here is a person of yours, Danoeredja, my grandson will then please to change this one for that same reason, and my subject shall retain his name. My grandson also has a subject named Margoeno who is lesser in rank than my subject Margoeno, and thus my grandson ought to change the name of his subject, and mine shall retain his name. My grandson the Emperor also has a subject who, like mine, is named Djoyowinotto, but because mine is higher in rank, my grandson shall change the name of his subject, and mine shall keep his name; however, if my grandson wishes to retain this name at his Court because both the Djoyowinottos are of one lineage and makes a request to me on that account, I shall then change my subject's name, and my grandson's subject shall then retain the name of Djoyowinotto. The contents of this, Tumenggung Danoeredja, is my complete desire, and if my Brother the Noble Lord consents to this, you may then write to Djayaningrat and arrange the contents thereof according to this writing without adding or omitting anything. And it is further my order to Danoeredja that you consult directly with the chief about this, because I mean well with my grandson the Emperor and wish to remove as much as possible everything that in time could give cause for dissatisfaction. If I should wish in the future to give a name to my sons, grandsons, or other subjects of mine, you shall then give notice thereof to Djayaningrat, which I likewise expect from Djayaningrat to you, if such occurs at Surakarta with my grandson the Emperor, in order thus to be able to ensure that the names that were in use among our ancestors remain in existence, yet are not used at both Courts at the same time. And finally, Danoeredja, when you have now come to an agreement with the chief regarding this and His Honour has found it agreeable to the Noble Lord, I request that my Brother the Noble Lord write to Chief Hartsinck about this.

Dutch transcription

389 den 19 Maij 1790 opvatten van vyandschap, of schaamte over en weer Mijne begeertens nu Danoered Ja zijn, dat als het mijn Broeder den Edelheer en myn kleijn soon den keijser behaagt, dat alle de naa„ „men die met elkanderen overeenkoomen sullen veranderd worden. Excepto de groote en oude naamen als die van PangerangiAoij Patty en Pangerang Ingabeij resmeede van het regentschap Mangoennegoro deese sullen myn klynsoon den keyser so wel als ik behouden, also deselve strekken tot gedagtenis van onse oude voorvaderen. En wat aangaat de naamen die na myne gedagten soude dienen veranderd te worden syn rese. Mijn kleijnsoon heeft een onderdaan genaamt d Jayanni„ gaat, die radien de patty is, gelyk ik meede een schoon soon hebbe die D Jaijaningaat genaamt is. Dog wijl den onderdaan van mijn kleijn soon den keijser meer in rang is, als mijn schoon zoon, so sal ik deese naam veranderen, op dat D Jayaningaat geen rnden heeft van sig te beklaagen, er een ander is aan mijn Htof van veel minder rang en van de selfde naam. Mijn kleijnsoon den keijser heeft meede een onderdaan genaamt DJoyo samodro, die ik ook hebbe, en sal ik deese sijn naam veranderen, wil hij minder in rang is, als den onderdaan van myn kleyn soon den keyser Mijn kleijnsoon den keyser heeft een onderdaan die genaamt is Notto Judo, dog wijl onse minder is als myn onderdaan Notto Jndo die hier Elwong is van u Danvered ja, so sal myn kleyn soon dese als dan om die selfde reeden gelieven te veranderen, en sal mijn onderdaan sijn naam behouden. Mijn klijnsoon heeft meede een onderdaan genaamt margoeno die minder in rang is, als mijn onderdaan margoeno, en ons diend mijn klyn soon de naam van zyn onderdaan te veranderen, en sal de mijne sijn naam behouden. Mijn kleynsoon den keyser heeft meede een onderdaan die als de myne genaamt is D Jojowinotto, maar wijl de mynen meer in ranger so sal myn kleyn soon de naam van zyn onderdaan veranderen, en de myne sal zyn naam houden, dog als mijn klynsoon deese naam aan zijn stoff wil houden omdat beyde de D Joyowinattos van een geslagt zyn en meij daarom versoek doed, so sal ik mijn onderdaan zijn naam veranderen, en myn kleyn soon syn onderdaan sal de naam van d Joijoninotto als dan behouden. Den inhoud van deese Temaet Danoeredja is myn voekomen begeerte, en als mijn Broeder de hoelheer hier in toestamnd, dan kund gij aan D Jaya ningrat schryven, en dies inhoud in rigten na dit geschrift sonder dat gy er iets by of afdoet En syn verder de ordre van mij agu Danoeredja dat gij di„ rect met het opperhoofd hier over raadpleegd, wijl ik het met mijn kleynsoon den keyser wel meen en ik so veelaes mogelyk is, alles wil wigneemen dat inder tyd reedenen tot misnoegen souden kunnen geeven! Aes ik in't ver„ volg nua mogt begeeren om mijn soons kleijn soons of andere mijner onderdanen een naam tegeenen, als dan sult gy er D Jayaningaat kennis van geenen, het welk ik meede van D Jayaningaat aan uw verwagt, als zulx op soura Carta by myn kleynsoon oen keyser gebeurt om dus danig te kunnen sorgen dat de naamen by onse voor onderen ingebruik geweest in wesen blyven, dog met aan beyde de Hooven tegelyk gebesigt worden En eijnde„ lyk Deuverded Ja als gij aan met het opperhoofd hier omtrend nu sal zyn overeengekoomen en zyn Ed heeft het net deEdelhier gevonden so versoek ik dat mijn Boorder de Edelheer hier over aan het opperhoofd Hartsmik schrift

NL-HaNA_1.04.02_3910_0220 view scan ↗

English

381 the 19 Maij 1790 writes / underneath / for the translation / was signed / 9 G vanden Bergh Extract of the letter from D Joe JoCarta from the First Resident van ysseldyck of 13 May 1790 The Crown Prince sent me the accompanying letter yesterday evening, in whose contents your Honour will please find that my fear of unpleasantness over what occurred at Solo was not unfounded. I had an audience requested this morning with the young prince to speak with him in person, and to present the interest that he above all has in Java remaining at peace, and in something being settled amicably. As soon as this visit is concluded, I shall have the honour of reporting its outcome. Copy of the Javanese letter, together with its translation This letter is written by me, Pangerang Adipatty Aman Coer Nogoro in the Mattaren, under my greetings to Brother the Chief van ysseldyck. After the customary preface. Chief, I now ask herewith whether the Emperor's brother Pangerang Ario Mattaam is currently honoured with the name of Pangerang Mangcoe brenne; I declare to be very alarmed upon the receipt of this news. Chief, I truly do not know how to conduct myself in this matter. Written on Wednesday the 27. Sakban in the Year Ree 1716, or the 12 Maij 1790. / underneath / for the translation / was signed / 35 vanden Berg For your kind notification I offer Brother my friendly thanks. But since I think that this has been done with the intention that Brother wishes to know my thoughts regarding this, I will also with the open-hearted sincerity of a true friend for Brother I have duly received the friendly letter written to me by Brother on the 26. of the light Roewah, in which Brother notifies me that Your Highness had given to the eldest of his brothers, Pangerang Ario Mattari, the name of Pangerang Ario MangCoeboee and to the youngest [illegible] the name of Pangerang Ario boem Notto. Copy of the letter written by the Lord Governor of Java to the Emperor Pacoeboeana de 4=e at Soura Carta dated 15 May 1790. I would have answered your Honour's separate letter of the 11 deeser today as well, were it not that I am still awaiting your Honour's reply to the Emperor regarding His Majesty's last letter, whereby he communicated to your Honour the name changes of both His Majesty's legitimate brothers that recently took place, although I very much doubt whether His Majesty will agree to our arrangement which the Sultan seems to want to introduce concerning the giving of names to the princes, since His Majesty has told me several times in conversation that he did not concern himself with the Sultan, for he was ruler here, and the Sultan at D Jocho. Extract of a letter from the First Resident of Soura Carta, Hartsinck, dated 13 Meij 1790. Extract leave open

Dutch transcription

381 den 19 Maij 1790 schrijft /onderstond/ voor het Translaat / was getk/ 9 G vanden Bergh Extract D Joe JoCartas brief van den Eerste Resident van ysseldyck van den 13 May 1790 Den kroonprins heeft my gisteren avond de nevensgaande „brief gesonden, in'tmekers inhoud uwelEd gistr sal geleeven te bevogen, dat myne vreese voor t aangenaamheeden over het voorgevallene op solo niet ongefundeert geweest is Jk hebbe heeden morgen bij den Jongen vorst belet laaten vragen om hem selve te spreeken, en het belang voor te stellen dat hy en boven alle by heeft, dat Java in rust blyft, en er iets in der minne opgevonden word. so dra deese visite is afgeloopen sal ik de eer hebben van dies uytslag bedeeling tedoen „Copia Javaansche Brief, benevens desselfs Trans„ Deese Brief schryve Mr Pangerang Adipatty Aman Coer Nogoro in de Mattaren onder my negroete aan Broeder 't opperhoofd van ysseldyck Nagewoone voorreeden. opperhoofd ik vaage nu bij deese of 's keijsers Broeder Pangerang Ario Mattaam tans met de naam van Pangerang Mangcoe brenne vereert is, ik betinge nu sier verschrokken te zyn byj de erlanging van onse tijding. opper„ hoofd ik weet my waarlyk hier in niet tegedragen Geschreeven op woensdag den 27. Sakban in't Jaar Ree 1716. ofte den 12 Maij 1790. /onderstond/ vonr't Translant /was geteekend/ 35 vanden Berg voor onse minsame kennis geeving segge ik Broeder vriendelyk dank. Dan vermits ik denke dat dies geschied is, met oogmerk om dat Broeder myne gedagten oesen aangaande winscht tenieten, welik die ook met de openhartige opregtheid van een waar vrueyd voor Broeder Ik heb wel ontvangen de vriendelijke Brief door Broeder aan mi geschreeven den 26. van het ligt Roewah, waar bij broever mij kennis geeft dat uwsHoogheid aan de oudste syner Broeders Pangerang Ario Mattari de naam van Pangerang Ario MangCoeboee en aan de Jongste thans schidig de naam van Pangerang Ario boem Notto had gegeeven Copia Brief geschr door den Heere Javas Gou„ vernent aan den Keyser Pacoeboeana de 4=e te Soura Carta ged 15 May 1790. Jk soude uwwe Ed Gestr. aparte letteren van den 11 deeser op heeden meede beantwoord hebben, was het net dat ik nog ben verwagtende, het antwoord van uwelEd Geste aan den Keyser op zyn Majisteeds laatste Brut waar by hoy uwel Ed Gestr de lantst plaats gehad hebbende Namens veranderinge van zyn Majesteyds beijde egte Broederen Communiceerd, schoon ik zeer twyffele of zyn majsteid tot onse schikkinge die den sulthan nopens het geeven der naamens aan de prinsen schynt tewillen invoeren zal overgaan, dewyl mij zyn Majesteyd by de verse maalen discoursive heeft gesegd dat hy sig aan den sulthan niet stoorde, want dat hij hier vorst was, en den sulthan op D Jocho Extract Brief van den Soura Cartas Eerste Resident Hartsinck ged 13 Meij 1790. Extract laat openleyven

NL-HaNA_1.04.02_3910_0221 view scan ↗

English

393 the 19 May 1790. to reveal If the name with which the eldest of Your Highness's brothers has been favored is the very same name and of the very same meaning as the name which Brother's father (whose highly praiseworthy memory shall always remain in the greatest esteem with me) gave in the year 1788 to the son of Pangerang Mangkoenogoro, then I could wish that Brother's choice had not been such. Brother will remember what a weakness His Highness the Sultan has for that name, and how difficult it is to make that aged monarch understand that his honor is not diminished when that name is bestowed upon one of the princes of Your Highness's court. Your Highness's father was fully aware of the right and the indisputable authority to do so, yet that wise and prudent monarch did not wish to make the peace and tranquility, which is so precious for Java, dependent upon a single name, and thus showed an indulgence toward the weakness of the Sultan which reflects the greatest honor upon Your Highness's father. I readily acknowledge that the present case is not identical to that of 1788, since it is not a distant relative, but Your Highness's own brother who has obtained this name. Yet, although Your Highness's brother is likewise related by blood to the Sultan, and one might therefore suppose that the monarch will not now have the same objections against the bearing of that name as in 1788, I may nevertheless consider the contrary to be certain, both from the writing of the resident of Djocjocarta and from a letter written to him by the Crown Prince of Djocjo, which I hereby present to Brother for reflection. I foresee that the Sultan will take the matter very much to heart; not so much as if Your Highness did not have the right to bestow that name upon Your Highness's brother, but it will be regarded as if Your Highness does not have for the Sultan, in his advanced age and sickly condition, that respect and indulgence which Brother's father demonstrated having for that monarch. And this will certainly fall heavily upon that royal greybeard, and perhaps cause great estrangement. There, Brother, are the reflections of my heart unfolded before Brother, in the language of sincere friendship and in accordance with the dictates of my duties. I do not in the least doubt the right that Brother possesses as a monarch, but I count upon Brother's wise discernment whether this matter would be worth the peace and tranquility of Java suffering thereby. The greatest monarchs of all times have considered it an honor to sacrifice something of their rights for the welfare of country and people. This has never diminished their glory, because it was done voluntarily as a kindness shown to humanity, but their name and fame have thereby increased, even to such an extent that their memory has always remained a blessing. These, as I may safely trust and can assure Brother, will also be the thoughts of Their High Excellencies the Governor-General and the Council of the Indies, when they see the letter which Brother has sent to me for transmission to Their High Excellencies; and it therefore remains recommended to Brother's wisdom and discernment to make such use thereof as he shall judge most conducive to the peace and welfare of Java and the satisfaction of the Company.

Dutch transcription

393 den 19 Maij 1790. openleggen By aldien aan de naam, waarmeede deoudite van uw Hoogheids Broederstans begunstigd is geworden deselfde naam en van die selfde beteekenis is, als de naam was die Broeder nader /wiens hoog loffelyke nagedagtens by my actoos inde groote te waarde sal blyven / in 't Jaar 1788. aan de soon van Pangerang Mangfoenogaro gaf, so soude ik wel wenschen dat de verkiesing van Broeder sodanig niet ware geweest Broever sal sig erineren welk een swak syne Hoogheyd den sulthan voor die naam heeft en hoe beswaarlyk het vald dien hoogbejaarden vorst in het begrep tebrengen dat syne agting er met bijleyd, wanneer die naam aan een der Pamon van uw Hoogheijds Htoff word geschonken uw Hoogheyds vader was van het regt en het on„ „betwistbaar vermoogen daar toe ten vollen bewust, dan dien wijse en ooorsigtige vors=t wilde de rust en vreede, welke voor Iava so dierbaar is van een enkele naam niet doen afhangen, en toonde dus voor het swak van de sulthan een inschikkelijkheid welke uw Hoogheyts vader de grootste eer aandied Ik erken volgaarne dat het teegenwoordig geval niet gelykstandig is, mit dat van 1788. also het geen vrund Pems maar uw Hoogheyds eygen Broeder is, welke deese naam heeft verkreegen. Dan hoe wel uw Hoogheyds Broeder meede door het bloed aan den sulthan vermaagschapt is, en men dus soude morgen onderstellen dat den vorst nu deselfde beven„ kingen tegen het voeren van die naam niet sal hebben als in 1788., so mag ik nogtans het Contrarie wel voorseker houden, so uyt het schrijven van het opperhoofd van ijsseleyck als uijt een Brief aan hem door den kroonprins van d'Joep geschreeven, en die ik Broeder by duze ter speculatie aanbiede Ik voorseer ons dat de sulthan het geval seer ter haate sal neemen; met so sier als of uw Hoogheyd het regt met had die naam te konnen schenken aan mwHoogheids Broeder, maars men sal het aanmerken als of uw Hoogheid voor den sulthan in zijn Hooge ouderdom en siekelijke staat, die agting en toegeevenheid niet heeft, welke Broeders vader betoond heeft voor dien vorst te hebben. En dit sal voor seker dien vorstelyke grijsnaad siertelijk vallen, en misschien groote verwijdering veroorsaken. zie daar Bareder de overdenkingen myn starten voor Broeder ontvouwd en de taal der opregte vriendschap en na het voorschrift mijner pligten. Ik trek geensints in twijffel het regt dat Broeder als vorst besit, maar ik maak als een rekening op Broeders wijs doorsigt of deese saak wil waardig soude zijn dat de anst en vreede van De allergrootste Monarchen hebben, 't sy van alle tyden tot een eer gragt van hare regten iets op te afferen voor de wel„ waard van Land en volk Dit heeft nimmer hare glari vermindert, om dat het vrijwillig gescheede als een weldaad aan het menschoom beweesen, maar haar Naam en roem is daar door vermeerdert, silfs sodanig dat haar nagedagte ins altoos in, segening is gebleeven: Dit sullen, gelyk ik gerust mag vertrouwen, en Broe„ der wil versekeren kan ook de gedagten zijn van Hunne Hoog Edelheeden den Heere Gouverneur Generaal en de Raaden van Frdiad, als Hargst deselve de Bruf, sullen besin die Broeder my ter versending aan Hunner Hoog Edelheiden heeft laaten toekomen, en het blijft dus aan Broeders wijs„ heid en doorsigt aanbevoolen daar van sodanig gebruik te maken als moettragheid voor de rust en wilvaart van Java en dat genoegen van de Comp het meest diensten sal oordeelen Java er door quam te lyden voorts Ik :

NL-HaNA_1.04.02_3910_0222 view scan ↗

English

395 the 19 May 1790 Furthermore, I serve in amicable reply to Brother's friendly letter of the 5th of the current month Ruwah that I by no means doubt that the Chief van Reede shall zealously exert himself to the utmost of his power to render his service to the Court of Brother to the satisfaction of your Highness, wherewith I add my cordial greetings to Brother. Below stood written at Samarang the 15 May 1790, was signed J. Greeve. Copy Separate Letter to the Surakarta First Resident Hartsinck dated 15 May 1790. Herewith I send Your Honour my answer to the Emperor's letter written to me regarding the giving of other names to His Highness's two Brothers; Your Honour will be able to ascertain the contents thereof and of this enclosure from the copies enclosed herewith. And whereas the matter may have consequences, I most emphatically recommend Your Honour to take advantage of the best opportunities to bring the Emperor to such thoughts as are consistent with the contents of my aforesaid letter, in order that all public discontent and estrangement between the two Courts, which would be highly detrimental to the peace and tranquility of Java and consequently also to the Company's interest, may be prevented and avoided. Wherewith after greetings I remain, below stood, Your Honour's good friend, was signed J. Greeve, in the margin Samarang the 15 May 1790, lower P.S. Upon closing this, I receive Your Honour's letter of the 14th of this month, together with two translations of writings which the Pangeran Mangkoenogoro intends to send to me. The contents thereof are certainly very dubious and prove all too clearly how necessary it has been to take rigorous measures Copy Translation Javanese writing coming according to the signet from Pangerang Mangkoenegoro received at Samarang the 19 May 1790. The authority on behalf of the Company at Solo, the Chief van Haakendorp, has come to the Pangeran Adipati Anom Mangkoenagoro, bringing the order and promises of His High Nobility the Lord Governor-General and the Right Honourable Lords Councillors of the Indies, which had been received from the Noble Lord at Samarang; saying that when the Sultan of Mataram should happen to pass away, the Pangeran Adipati Anom Mangkoenogoro would be chosen and appointed as Sultan in Mataram, but that if it were that he, Pangeran Adipati, were called away by God before that time and should die, then his grandson, the Pangeran Soerjo Mataram, his to preserve the peace of Java and to maintain the established order of succession to the throne, if the Sultan had died of the recent illness. But since that prince is now considerably better again and there is sufficient hope of recovery at least for some time, the best measures can meanwhile be devised to make Pangeran Mangkoenagoro desist from his ambitious designs and, when the time comes, to keep him in obedience. Furthermore, holding for informed the communicated details regarding the 2 Joetjoses Demang Merta Djudo and his faction, I have already given the necessary orders so that, if they take their retreat towards the Samarang district, they may if possible be apprehended there.

Dutch transcription

395 de 19 May 1790 voorts: deene ik nog in minsaam antwoord of Broe„ der vriendelijk Brief van den 5. van ht beijt Roewal dat ik geensints twyffele of het opperhoofd van Reede, sal hy na uiterste vermoogen zeijveren om zynen dienst aan het Htof van Broeder tot genoegen van uw Hooghid waartenee Heer by voege ik myne hartelyke groete aan Beoeder /onderstond/ gischr te Samarang den 15 Mey 1790 /was geteekend.) I Greeve Copia Aparte Brief aan den Samarcarti Eeerste Resident Hartsmck ged 15 May 1790. Hierneevens sinde Ak uE myn antwoord op Skeysers bat aan my geschreeven weegens het geeven van andere naamen aan zyn Hoogheyds beyde Broeders: sullende uh den inhoud daar van en van dees bilage Consteeren uit de hier nevens ingeslotened Copijen En vermits de zaak van gevolgen kan worden ss re„ Commandeer ik uE ten verdrukkelykste de beste gele„ genheeden waar te neemen om den keijser tot sulke gedagten te brengen, als over een komstig zyn met den inhoud van vooren mijnen Brief op dat alle openbaar misnoegen en verwydering tusschen de beyde stoven, als voor de rust en vreede van Java gevolglijk ook voor Campbelang, ten hoogsten nadulig; voorgekomen en vermyd morgen worden. waarmeede na groete blyve /onderstond/ uE goede vriend /was getz:/ GGrieve /in margine/ Samarang den 15. May 1790 /lager / P S: op het sluyten deser ontvang ok uE Brief van den 14. oeser, nevens twee Translaten van geschriften welke de Pangerang Mangfoenogoro„ voorneemens is aan my te senden. Den inhoud derselve is seker sier bedenkelijk en bewijst maar acteklaar, hoe nood sakelijk het is geweest vegourense mantregulij De overigheijd van weegens de Comp te Polo het opperhoofd van Haalendorf is bij oen Pagerang Adipatty Amang Coe„ nagoro gekoomen, meede brengende de ordre en beloften van zyn Hoog Edelheid den Heere Gouverneur Generaal en dewelEdele Heeren Raaden van Indea, die ontvangen was van oe Edelheer te samarang; seggende, dat als on zet han van de Mattari kwam aflyvig teworden dat dan den Pangerang Adepatty AmangCoenogoro tot Silthan in de Mattarin soude werden verkooren en aangesteld, dog dat als het was dat hij Pangerang Adepaten voor dien tijd door God opgeroepen wierd en te sterven kwam, dat dan zyn klyn zoon aen Pangerang soerjo Mattari desselfs Copia Translaat Javaansch geschrift komende volgens het signet van Pangerang MangCoenvegaro ontvangen te samarang den 19 May 1798. teneemen om de rust van Java te Conserveeren en de vast gestelde order van Throons opvolging te handhaven, inden de Sulthan van de Jongste siekte was gestorven. Dan daar dien vorst tans weeder merkelijk biter is en men. genoegsame hoop heeft op herstelling ten minsten voor eenigen tijd, so sal men intusschen nader de beste maat„ regulen konnen beramen om de Pangerang Aiang Coenajoro van zyne Regiersugtige antwerpen te doen afsien en als de tyd daar is, in devatie te houden wyders voor bedeeld houden de het gecommuniceerde omtrend den 2 Joetjose Demang Merta DJudo en zyn Com„ plot heb ik reeds de nodige order gesteed om S. deselve hunne retraite naar het samarang se neemen deselve aldaar des mogelyk magtig tewirden men ƒ te 6 :

NL-HaNA_1.04.02_3910_0223 view scan ↗

English

9 19 May 1790 according to the reckoning sixty years ago being according to our reckoning 60 years ago. would be successor and for us that it was to be wished that the Pangerang Adepattij would live long yet The order and promise of the Company were made and spoken in silence, under the Besar House on Tuesday morning at eleven o'clock on the second of the light of Djoemadilakir in the year Ehee 1700. /below stood/ translated by me /was signed:/ W. Wardenaar sworn Translator Copy Translation Javanese document coming according to the signet from the Pangerang MangCoenogoro received at Samarang on 17 May 1790. when the Lord Chief of Staalendorff came to the Pangerang Adipattij MangCoenogoro, his Honour brought along a letter from the Honourable Lord at Samarang containing that the Company meant uprightly with Pangerang Adipatty Amangcoe Nagoro together also with his children and children's children, and that if the Pangerang Adipattij did not distance himself from the Company, it was then firmly established that he, Pangerang Adipattij, when the Sultan of Mataram was no longer alive, would then in his place be chosen as Sultan in Mataram. This was promised under the Pendopo or the Besar House on Tuesday morning at eleven o'clock on the 26th of the light of Saphar in the year Djee 1710. /below stood/ translated by me /was signed:/ W. Wardenaar sworn Translator furthermore, as there is no address to be found on those papers, and also nothing is written on the envelope, which is merely closed with a little sealing wax, without a seal, I have regarded this as falling short of the respect and the reverence which he, the Pangerang, owes to me as Governor of Java. I have therefore immediately sent his orderly back (under the necessary admonition and threat of faithfulness in all cases/ Copy Separate Letter to the Surakarta First Resident Hartsinck dated 17 May 1790. At this moment the orderly of Pangerang MangCoenagaro brings me the original Javanese documents, of which your Honour has already sent me the translations, accompanied by yet a third Javanese paper, which one is busy translating. And as I have considered the contents thereof critical enough to be permitted to be presented to your Right Honourable, I have thus permitted him this, and after having first caused the accompanying translations thereof to be made, given the same back to him, which his Highness will send from here thither tomorrow by his orderly. Most respectfully I take the liberty to present hereby to your Right Honourable two translations of two Javanese documents, which were handed over to me this morning at the same time by the Pangerang Adypatty AmangCoenegoro for perusal, with the request that his Highness might send these documents himself through his own orderly to your Right Honourable. Copy Letter from the Surakarta First Resident Hartsinck dated 14 May 1790 Copy sent according to our f 39

Dutch transcription

9 19 May 1790 zyd ankening sesttig aren geleeden zynde volgens onse tydreekening 6 Jaaren geleeden. opvolger soude weesen en ons dat het tewenschen was dat en Pangerang Adepattij nog lange leefde De ordre en belofte van de Comp zijn instilte gedaan en gesprooken, onder het Bezaar huns op Dingsdag Smorgens ten elf uuren en tweede van het ligt D' Joema dilakier in 't Jaar Ehee 1700. /onderstond/ getranslateerd door mij /was get:/ w wardenaar gesw Translateur Coper Translaat Japvaansch geschrift ko mende volgens het signet van den Pange„ rang MangCoenogoro ontvangen te Sama„ bang den 17 May 1790. wanneer het Heer opperhoofd van Staalen dorff bij den Pangerang Adipattij MangCoenogoro is gekoomen se bragt zyn Edele een brief meede van den Edele Heer te Samarang beheesende dat hit de Comp met Pangerang Adipatty Amangcoe Nagoro beneevens ook met desselfs ook met deselfs kinderen en kinds kinderen oprigt meemden en dat als den Pangerang Adipattij zig van de Comp niet verwijderden, het dan vast gesteld was, dat hij Pangerang Adipattij, wanneer den sulthan van de Mattaam niet meer inleeven was, als dan in desselfs plaats tot sulthan in de Mattaam zoude werden verkooren Dit is beloofd onder de Thendappo of het Besaar Huys 'DDingsdags morgens ten hef uuren den 26. van het ligt saphaar in't Jaar DJee 1710. /onderstond getranslateerd door mij /was get:/ w warde„ naar gesn: Translateur dan daar er geen adres aan die Papieren te vinden is, en ook niets geschreeven is op het bonvert dat sligts met een wynig Lack, sonder zegnlis toegemaakt, heb ik sulx aangemerkt als tekort doende aan het respect en de eerbied welke hij Pangerang aan my als Javas Gouverneur verschuldigd is Ik heb dens zyn oppasser (onder de nodige vermaning en bedryging tot getrouwigheid in alle gevallen/ di reet lerng Copia Aparte Brief aan den Souracantasch Eerste Resident Hartsinck opd 17 May 1790. Op het ogenblick brengd de oppasser van de Pangerang Mang„ Coenogaro mij de origineele Iavaansche geschriften, waar van uE mij de Translaten reeds heeft toegesonden, verseld van nog een derde Javaans Papier, dat men bisegis te vertalen En daar ik om inhoud daar van bedenkelyk genoeg heb geagt om uwilEd gestragtb temoogen worden aangeboden, so heb ik hem sulx gepermitteerd, en hem deselve na eerst verseld gaande translaten daa van te hebben, laten formeeren werder terug gegeeven, die zijn Hoogheid op morgen door zyn oppasser van hier na verwaards sal versenden Eerbiedigst neeme ik de vryjheid uwelEd Gestr Achtb by deese te presenteeren twee translaten van twee Javaansche geschriften, die my op heeren morgen tergelyker tyjd, door den Pangeraing Ady patty AmangCoenegoro ter lectuure zyn ter handen gesteld, met versoek dat zyn Hoogheid deese ge„ schriften selfs door zyn eyge oppasser aan uweEd Gestr agtb mogte versenden. Copia Brieff van den Souracartasch eerste Resident Htaatsinck ged 14 many 1790 Copia gesonden volgens onsa ƒ 39

NL-HaNA_1.04.02_3910_0224 view scan ↗

English

309 The 19th of May 1790. sent with our message to the Pangerang, and that I could not reply to those papers because it was not apparent to whom they were addressed. I hereby notify you of this, so that you may always be on your guard and, with a watchful eye, be able to observe closely all the movements of that Prince, and if necessary take the required measures against his designs as the circumstances demand. With which, after greetings, I remain, was signed, Your good friend, was signed, I: Greeve, in the margin, Samarang the 17th of May 1790, lower, P.S. Furthermore, I also send you herewith an extract of the Djocjo letter of the 15th instant, in order to attempt whether the Emperor might not be disposed by a request on my behalf to arrange the matter regarding the name of Mangkoeboemi as appears therein; namely, that said name remains in existence indeed, but is not used openly as long as the Sultan lives, in which the Pangerang Ario Mattaram, if this is presented to him somewhat amiably, will likely acquiesce, as his old name is of greater and higher significance than the new one; upon all of which I await an answer as soon as possible. Copy of a separate letter to the same of the 8th of May 1790. According to the reports brought here yesterday evening from Djoejocarta, the illness of the Sultan is becoming very critical, and the end of that aged monarch is perhaps very near. This serves therefore not only to inform you thereof, as has already been done by the First Resident van Ysseldyck, but principally in order to instruct you further, in accordance with the verbal orders already given by me, that as soon as you have received the news from Djocjo that the demise has already occurred or is near at hand, you are in the first place to inform the Emperor thereof, as well as that the Crown Prince is destined to be the successor to the Crown; and subsequently also to give notice thereof to the Pangerang Mangkoenagoro, notifying him in my name and on behalf of the Company that it is firmly expected that he will take the necessary care that both his sons and his and their subordinates will refrain from all movements that could in any way tend to cause embarrassment among the easily frightened Javanese and could be the cause that the work of the Djocjocarta succession to the Crown could not be accomplished as quietly and peacefully as the Solo one in 1788. You must therefore notify that Pangerang that he will be held responsible to the Company for the conduct of his sons as well as for his and their subordinates. As a consequence thereof, it must also be brought to his attention that his example can best serve for their emulation, and that he will do most prudently, from the moment of our notification until the receipt of the news that everything has been properly accomplished, to remain within his dalem, in order to keep all the better a watchful eye over everything under his orders and to observe their behavior; while you may at the same time let him know that I am present in Djocjo with the same force that he saw in Solo in 1788, in order to bring the matter to a proper conclusion. Should he hesitate or, contrary to expectation, refuse to comply with this advisory request, you must immediately change it into an explicit order of the Company, the violation of which will bring down upon him and his children the Company's utmost wrath, and forfeit not only that mildness which he and they currently enjoy.

Dutch transcription

309 den 19 Maij 1790. gesonden met onse bordschap aan de Pangerang en dat ik op die Papieren niet konde antwoorden wyl het niet bleek aan wie ze geadresseert zyn Hiervan geeve ck uE kennis, op daat uE steeds op hoede kan zyn en met een waaksaam oog alle de gangen van dien Prins nauwkeurig sal konnen gade slaan en des noods teegen zijne ontwerpen de nodige maatregulen neemen na vereisch der omstandigheiden waarmede na groete blyve /onderstond/ uE goede vrend /.was get: / I: Greeve /in margine / Samarang den 17 May 1790 /lager / P: S voorts sendeik uE mede hier neevens een Extract DJoeJose Brief van den 15. dnser om eens te beproeven of den keyser door een versoek mynentweegen niet te desponeren zy het omtrend de naam van Mangsoeboeme sodanig als daar by voorkomt te schikken, teweeten dat die naam wel in weezen blyft dog niet opentlyk gevoerd word so lang de sulthan heeft waar in de Pangerang Ario Mattar aes hem dit wat minsaam werd voorgesteld ook wel be rusten sal, wyl zyn oude naam van meerder en hooger bete„ kans is als de nieuwe, op mek een en ander Mk so spoedig mogelyk antwoord verwagte Copia Aparte Brief aan aesingn van den 8. May 1790 volgens de berigten gisteren avond van D Joejocarta hier aangebragt, word het met de siekte van den sulthan seer bedenkelijk en misschien is het eynde van dien hoog be„ Jaarde vorst seer na bij Deese diend derhalven om uE niet alleen daarvan te informeeren / gelyjk bereeds door den Eersten Resident van ysseldyck gesched is/, maar voornamelyk ten eynde ub volgens myne reds by vgen monde gegeevene orders, nader aante bemelen om, so daa ul de tijding van D Jorp sal heb„ ben ontvangen dat het sterfgeval reeds daar of na bij is, daar van in de eerste plaats den keyser te informeeren, so muede„ dat de kaoon Prins bestemd is tot Raoons opvolger en vervolgens hier van ook kennis te geeven aan den Pangerang rhang Coenogaro met aansegging uit mijnen name en van weegens de Comp hoe men in de vaste verwagting is dat hij de nodige sorge sal dragen dat so wil zyne zoons, als zyne in hunne onderhorigen, sig sullen onthouden van alle bewugingen die enigsints konnen strekken om den ligt bevriesde Javaan in verlegenheid tebrengen en ons oirsaak souden konnen zyn dat het werk der D: Jorjase Rroons successie met so rustig en vruedig konde worden volbragt, als de solasche in 1788. uE moet dien Pangerang dus aan seggen dat hy aan de Comp verandwoordelijk sal zijn so wel onderhorigen Als een gevolg van dien moet hun meede onder het oog ge„ bragt worden dat zyn voorbeeld hun best ter navolging sal konnen strikken en dat hij ons het voorsigtigst sal doen van het ogen„ blick onser informatie af tot aan den ontvangst van tiding dat alles behoorlijk volbragt sal zyn, binnen zyn zalm te blijven om ons over alles wat onder zyne orders staat, des te biter een wakend oog te houden en derselver gedaag gade te slaan: Terwijl uE hem dan tevens wel mag laten blijken dat ik mij met deselfde magt, die hij in 1788 tesolo gesien heeft te Djoep bevinde om het werk tot een behoorlyk beslag te brengen Indien hy inbedenking mogt neemen of wel, tegen verwag„ ting, mogt wygeren aan deese raadgeevende, begeerte te voldoen, dan moet uE deselve direct veranderen in een uitdruk„ kelyk bevil van de Comp weeks overtreeding hem en zijne kinderen Comps uiterste graenschap sal op den hals haalen en niet eens dien milwaart die hij en zy tans voor het gedrag van zijne zoons als voor zyne en hunne nader genieten

NL-HaNA_1.04.02_3910_0225 view scan ↗

English

401 the 19 May 1790. currently enjoy. Your Honour must also warn him that his conduct will be closely watched, and that the slightest step will decide his future fate. Furthermore, in that case, Your Honour must inform the Emperor of this, and devise with His Highness, as sovereign and Lord of the Pangerang, such measures as are most suitable to keep him in obedience. And since the movements he might perhaps wish to make to his own ruin will not have so swift an absolute detrimental effect that one could no longer check them, there will always be enough time to inform me immediately of whatever happens and to request further orders, which will then be given to Your Honour according to the circumstances of the time. As soon as the Djoejocarta news is received in the meantime, the entire garrison must be put under arms, the posts doubled, and the artillery facing toward the side of Mangkoenegoro's Dalem loaded with live ammunition, in order to make use of it if necessary, or at least to inspire awe. From the dragoons, if judged necessary from the reply of the aforementioned Prince, a sufficiently strong patrol must be formed to prevent, with the prior knowledge and approval of the Emperor, all gatherings and the assembling of people, for which a detachment of the Emperor's Somtommers or Ampat poulos, if His Highness approves, could also be of service, even if only for the first and second days until Your Honour receives news of my arrival with the necessary force in Djoejocarta. Wherewith, after greetings, I remain, underneath, your good friend, was signed, J. Greeve, Samarang, the 8 May 1790. Copy of a letter from the First Resident of Souracarta, Baartsmit, dated 10 May 1790. Most submissively, I take the liberty to note the safe receipt of Your Right Honourable and Highly Esteemed separate letter of the 8th of this month, and serve in humble answer thereto that I will not fail, as soon as I receive news regarding the death of the Sultan from the Djoejocarta First Resident, to inform the Emperor and Pangerang Adipati Amangcoenegoro thereof, in the manner Your Right Honourable was pleased to prescribe to me in the above-mentioned letter, and at the same time to ensure, as much as is ever possible for me, that everything here remains in proper peace and quiet. Furthermore, if Prince Mangkoenegoro should refuse the advice mentioned in Your Right Honourable's letter above, I will not fail to convey this directly to him as an explicit order from the Company, and at the same time devise with the Emperor such measures as will be best to keep him in obedience. And if it should happen that any movement was made by that Prince, I will, according to Your Right Honourable's orders, immediately give notice thereof. Furthermore, as soon as I receive news regarding this death, I will have the garrison put under arms, double the posts, and have the artillery facing the side of Mangkoenegoro's dalem loaded with live ammunition, and also ensure, if it should be necessary, that a sufficiently strong patrol of dragoons and the Emperor's Tomtommers is likewise carried out. Lastly, I have the honour to inform Your Right Honourable that I have received news from the First Resident of Djoejocarta that the Sultan is somewhat better again, etc. Underneath: Title. Lower: Your Right Honourable's most humble and obedient servant, was signed, A. Baartsmit. In the margin: Sourakarta, the 10 May 1790. Copy of a report from the Secaitard Rhathenbulen dated 16 May 1790. Pursuant to the most venerated order of Your Right Honourable

Dutch transcription

401 den 19 May 1790. tans genieten uE moet hem dan ook waarschouwen dat men op zyn gedrag attent sal zyn en dat de minste stap zijn toekomend tot sal beslissen voorts moet uE in oitgeval, den keyser hier van kennis geeven en met zijn Hoogheid, als vorst en Heer van de Pangerang sodanige middelen beramen, als het geschikste zyn, om hem in ge„ hoorsaamhaid te houden: En vermits de bevugingen die hij, tot zyn verderf misschien mogt willen maken, so spoedig niet van die volstrekte nadelige uitwerking sullen zyn, dat men ze niet meer soude konnen stuiken, so sal er altoos tyds genoeg weezen mij ilico van het geene, er voor valt kennis tegeeven en nader orders te vragen die uE dan na tyds omstandigheiden sullen gegeenen worden. soora ondertusschen de Djoejose tyding ontvangen word moet het volle guarnisoen in de wapenen gebragt de posten ver„ dubbeld, en het geschut nade kant van Mang soenogoros Dalm niet scherp geladen worden om daar van des noods, gebruik te konnen maken; ten minsten ontsag inte boesemen. van de Dragonders moet /so men dit uit het ant„ „noord van voorm Prins oordeeld nodig te sijn / een ge„ noeg saame sterke patroullie geformeert worden om met voorkemis en goedvinden van de keyser alle te zaamenrottingen en het bij een vergaderen van volk te beletten, waar toe een Commando van 's keysers som„ tommers of Ampat poulos, so zyne Hoogheyd sulx goedvind, meede van dienst konnen zyn, al ware het maar voor den eersten en tweede dagen tot uE tijding bekomt van mijne aankomst met de nodige magt te DJoejoianta waarmeede nagroete blijve /onderstond / us goede vruend /was get:/ BGreeve Jinnarig / Samarang den 8 Iuay 1790 seer submist neeme ik de vayheyd, den goeden ontfangst van muerd Gestr agtb veel g'eerde aparte letteren van den 8. deeser tenoteeren, en diene daar op in nedrige antwoord, dat ik niet ingebreeke sal blyven so dra ik tyding omtrent 't afsterven van den sulthan door den 2 Joejer eerste Resident sal hebben ontfangen, den keyzer en den Pangerang Adij pattij Amangcoenegaro daar van te informeeren, invoegen en wierd Gestr agtb my by in hoofde onses gemelde letteren heeft gelieven aante schryven, en teffens so veel my maar immers mogelyk is sorgen dat hier alles in een behoorlyk rust en vrede blyft verders sal ik niet mankeeren als den Prins Mang Coenogoro de Raadgeevinge, in umeld gesta agtb hier boven gemelde letteren mogte wygeren, hem sulx direct aanteseggen als een uitdrukke„ lijk bevel van de Comp en teffens sodanige middelen beraamen met den keyzer rest best sullen syn, om hem in gehoorsaamheid En als het mogte gebeuren, dat er eenige beweeging, door dien prins gemaakt wierd, sal ik volgens uweerd G'eschagft beveelen direct daar van kennis geeven. wyders sal ik so dra tyding wegens dit sterfgeval sal hebben: bekoomen, het guarmsoen in wapenen laaten brengen; de posten verdubbelen en het geschut nade kant van mhangCoenogoras deelen met scherp laaten laven, en teffens sorgen,/ als het nodig sal zyn dat er een genoegsaam sterke Patroulle van dragon„ ders en Tomtommers vanden keyser mede gedaan. Laastelik neeme ik de eere inmeld G Agtb te bedeelen dat ik tyding van den eerste resident van d'oep heb gekreegen dat den sulthan weeder iets liter is. enZ: /onderstond/ Titul / lager unwelEdlGe Agtb seer med: g geh: d.:o /was get:/ A Bartsmik / in margine/ Soura Carta den 10 May 1790. Copie Berigt van den Secaitard Rhathenbulen ged 16 May 1790 Ingevolge de seer gevenereerde ordre van uweEdele Gestrenge te houden Copia Brief van den Souracartasch eersten Residt staat smik ged 10 May 1790 - „ .

NL-HaNA_1.04.02_3910_0226 view scan ↗

English

403 the 19 May 1790 Pangerang medsil at Foilangoe on behalf of Raden Tirto Coessoemo, being married to the sister of the present emperor's father, and conversed with him in a covert manner concerning the power and strength of the Pangerang Adipatti Mangkoe Nagoro, but he declared that he was unable to state it precisely, because during his stay at Soerakarta he had had no opportunity to investigate this accurately. He was nonetheless able to state that this Prince had at least 500 men constantly living in or around his Dalam who drew wages from him and whom he could call to arms at the first nod, whilst the said Raden Tirto Coessoemo also declared to me that there was no doubt that this number would, within a few hours, if that Prince so desired, readily increase to 3 or 4000 men, as he had everywhere, both in Soerakarta itself and in the villages, not even excluding those of Djokjo, a large following of all kinds of villains, vagrants, and other low people, among whom this Prince was held in high regard and who would follow him all the more readily because they had nothing to lose by it, but on the contrary always had advantages to expect from it. I the undersigned betook myself to the brother of the said Raden Pinto Coessoemo, who further declared that he had always heard that the people of Pangerang Adipatti Mangkoe Nagoro were very fond of him, both on account of the respect they bore him because of his previous military exploits and the good treatment and protection he always granted them, even though they might be the most abandoned villains or scoundrels, and also that the said Pangerang Adipatti Mangkoe Nagoro, whenever a rumor of the Sultan's illness spread, gathered his people and assembled them in his Dalam, although he, Raden Tirto Coessoemo, did not dare vouch for the truth of it all, as well as of all the above, since he had learned this not by his own investigation but only from the account of others, although he believed that there was little or nothing to doubt about it, because he had always heard it spoken of with the greatest certainty. Total 1. 1. 2. 1. 6. 1. 11. 17. 10. 1. 2. 186. 4. 243. underneath stood Samarang the 17 May 1790 was signed L. F. Vermeer Extract letter from the Djokjokarta First Resident van Ysseldyk of 15 May 1790 Furthermore, I have the honor to inform Your Right Honorable that they show themselves very dissatisfied here at court regarding the resolution taken by His Highness the Emperor to honor his brother Pangerang Ario Mataram with the name of Pangerang Ario Mangkoeboemi, and upon the report received thereof, the Crown Prince sent me the accompanying letter. Immediately after receipt of the same I paid a visit to His Highness, at which I urged with the greatest possible insistence, as well Cavalrymen - - - 1. 1. 1. 2. 4. 1. 2. 38. 50. Grenadiers - - - 1. 4. 3. 4. 40. 52. Infantrymen - - - 1. 5. 56. 6. 94. 4. 121. Artillerymen - - - 1. 1. 4. 14. 20. Brief strength of such troops as are to depart on detachment to the Upper Lands, namely: 24 Cannoneers Note: as there will then not be enough men remaining to man the guards at Samarang, one will have to employ the citizens for that purpose. 5 13 5 5 5 5 to doubt, because he had always heard it spoken of with the greatest certainty. I flatter myself to have fulfilled the high intentions of Your Right Honorable herein, and I have the honor to remain with the greatest respect and submission, underneath stood title, lower, Your Right Honorable's very humble and obedient servant was signed F. J. Rothenbuhler, Samarang the 16 May 1790. to doubt the E 5 5 Privates

Dutch transcription

403 den 19 May 1790 Pangerang medsil te Foilangoe namens Radien Pirto Coes„ soemo, synde getrouwd met de suster van des teegenwoordige keij„ sers vader, en denselven, op een bedekte wyjse, onderhouden over de magt en sterkte van den Pangerang Adipattij Mangcoe Nogoro dog denselven betuigde die niet Iuyst te kunnen opgeeven, vermits hij gedurende sijn verblijf te soura Carta geen geleegenheid had ge„ had sulx nauwkeurig nategaan.. Hij wistingj des net tenne te seggen, dat deen Pains ten min„ sten 500 Man gedurg en of randd om sijn Dalm had woonen die gagie van hem trakken en weke hy, op de eerste wink in de wafi„ nen kon brengen, terwyl gemn Radien Tirto Coessoemo mij tevens betuigde, dat er geen twijffel was, of dit getal soude binnen eenige uuren tijds, als die Prins sulx legeerde, wil tot 3 â 4000 man aangroeyen, also deselve alomme so te soura Carta selfs, al in de Negoryen, die van D'Joijo selfs niet uitgesonders een grooten aanhang had van allerleij Booswigten Landlapers en ander slegt volk, by meke die Prims seer gesien was en die des te gereeder hem soude volgen nadig se trij niets. wagten hadden. daarby te verliesen, maar in teegendeel actoos voorvuely te heb ik ondergeteekende my vervoejd by den Bareder van den Betuygende gedagte Radeen Pinto Coessoirno voorts dat hij actood gehoord heeft, dat het volk van Pangerang Adipattij chang„ Coe Nogoro Denselven seer geneegen is, so uit hoofde van de agting die se denselven, weegens syne voorige krijgsbedryven, toedragen, als de goede behandeling en de bescherming die hy Een steeds verleend al schoon se ook de overgegeeven oste booswigten of schelmen mogten zyn als meede ook dat geen Pangerang Aoipattij Manycoe Nagoro telkens, als sig een gerugt van 's sulthans ziekte verspreyd, syn volk bij een trekt en in zyn Dalm laat versamelen, sonder dat hij Radeen Pirto Coessoens egter voor de waarheid van act, so wel als van al het bovenstaande, derfde instaan, vermits hij sulx net bi eygen ondersoek maar alleen volgens het verhaal van anderen had schoon hij vermeende, dat er hier aan weyjnig of niet te Totaal 1. 1. 2. 1. 6. 1. 11 17. „ 10 1. 2. 186. 4. 243. /on der stond Samarang en 17 Meij 179 /:wat get/ L 4 vermeha Extract Brief van den D Josjorantasch Eersten Resident van ysseldyk van den 15 May 1790 wijders hebbe ik de eere uweEd Gestr ter kennisse te brengen, dat men sig hier ten stove seer te onvreede toont over de genomene resolutie van zyn Hoogheyd den Keyser, om zynen Broeder Pangerang ario Mal„ tarin te vereeren met de naam van Pangerang Ario Mangsoeboemi enden kroonprins, op het daar van ingekomene berigt, mij nevens gaande Brief heeft toegesonden Direct naden ontvangst derselve hebbe ik by zyn Hoogheid eene nosite afgelegd, waar by ik niet de my meest mogelyke aandrang so wel Cavalleristen - - - . . . . „ 1. 1. „ 1. „ 2. 4. „ „ 1. 2. 38. „ 50. Trenadiers - - - - - - - - - „ „ 1. „ „ „ 4. 3 „ 4. „ „ 40. „ 52. Jnfanteristen - - - - - -. 1. „ „ „ 5. „ 56 „ 6 „ „ 94. 4. 121. Arthilleristen - . . . . . . „ „ „ 1. „ 1 „ 4. „ „ „ „ 14. „ 20. Korte sterkte van zodanige Manschappen alser op Commando na de Bovenlanden staan te vertrekken teweeten 24 Contun N=te wyl er als aan geen volk genoeg sal „niers overblyven om te samarang dewagten te besetten, sal men de Burgers aantoe o moeten emploijeeren. 5 13 5 5 5 5 twyffelen was, wyl hy altoos met de grootste sekorheid daar van had hooren spreeken. Ik vleye my hierinne aan de hooge intentie van vrwelhd Gesta voldaan te hebben en vereere my ons met de meeste hoog agting en submissie te blyven /onderstond / Titul /lager / nwechd G seer ootmoedige en gehoort d=o /waas get/ F: I Rothenbuhler kC:s Janmarg:/ Samarang en 16 May 1790 twyffelen den E 5 5 Gemane

NL-HaNA_1.04.02_3910_0227 view scan ↗

English

405 the 19 May 1790. the 19 May 1790. I represented to the Prince and co-regent Notto Indo the interest he, more than anyone else, has in his father abandoning his obstinate ideas and desisting from a resolution that could lay the groundwork for severe discord; that it was indeed true that the Company, for as long as equity permitted, had always shown itself willing to settle the differences between the rulers and thereby maintain peace in Java, but that it was not capable of doing this alone if the rulers saw fit to take offense at the slightest occurrences and, far from cooperating in this, showed themselves indifferent to the fate of their country and subjects. That the step now taken by the Emperor appeared to me to be of a completely different nature than that of his late father, when a grandson of Prince Mangcoenagara was honored with that name, toward the destruction of which the Company had then wished to contribute its part because one could understand that the severe estrangement between this court and the said Prince gave His Highness more or less reason to act against that name; but that, since this name had now been given to a son of his late friend and a brother of the present Emperor, with whom I believed nothing other than that His Highness also lived in proper harmony, it would therefore be very unfair to make a commotion about this and to want to dispute the Emperor's right, all the more because this name had from of old belonged to the Soura Carta court and I could not imagine that Your Highly Esteemed would be persuaded to lend the Sultan a helping hand in this, and it was also clearly evident from various circumstances that the Emperor would not allow himself to be moved a second time to such an abolition of a name. That it was thus the Crown Prince's business to calm his father in case of feared stubbornness and to show that the Soura Carta court had infinitely more reason to complain about humiliations suffered in earlier times than the Sultan, and that, especially in his advanced age, it would be a most weighty matter that the minds of both sides be kept in proper calm, in order through this path to secure the throne for his descendants. After the Crown Prince had let me finish speaking very patiently, he replied roughly as follows: Chief, I gladly acknowledge that the Company, however much it is devoted to the interests of the rulers, is not capable alone of keeping Java at peace if there is no cooperation from our side. You are of the opinion that my father will complain wrongfully about this naming, and at first glance this does have some appearance of truth; yet I submit for your consideration whether the conduct of the Emperor is justifiable. It is not even two years ago that great unpleasantries almost arose over this name, had the Company not provided against it; the Emperor thus knew well that it could not be a matter of indifference to my father if this name were brought into the world again at Soura Carta. By virtue of his youth compared to my father, he would not have humiliated himself in the least if he had written here about it, and even if he considered himself unauthorized to do so, it was nevertheless his duty to write about it to the Company, and particularly to the Noble Lord Governor whom we after all recognize as our arbiter. But no; he has allowed himself to be led astray by advisers who aim at nothing other than depriving Java of its peace. If only this name had been given to the Emperor's younger brother who previously had none, one could understand it, but through the name court

Dutch transcription

405 den 19 May 1790. den 19 May 1790. den Prins als oen adsinct rijxbesteerder Notto Jndo, hebbe voor„ gesteld, het belang dat hy er meer als iemand, bij heeft dat zijnen vader syne stijfhoofdige idees laat vaaren, en afsiet van eene resolu„ tie die den grond soude kunnen leggen tot hoog gaande oneenigheeden dat het wil waar was, dat deComp so lang als de billijkheid haar sulx heeft toegelaten, sig altoos bereijdwildig getoont heeft om de verschullen tusschen de vorsten byteleggen en Java daar door by de rust te bewaren, dog dat sij hier in alleen, niet vermogende was als de vorsten konde goed vinden, sig over de minste passages te ergeren, en wel verre van in deese meede tewerken, sig tetoonde on„ verschillig te zyn over het lot van haar land en onderdanen. Dat de stap als nu door den keyser gedaan mij voorkwam, van een geheel andere aart te zijn, als die van wijlen zijn vader, toen er een kleynsoon van Prins Mangcoenagara met die naam vereert wierd, ten welkers vernietiging de Comp oes toen het hare wil heeft willen toebrengen om dat men konde begrypen dat de Hooggaande ver„ weijdering tusschen dit staf en gemelde Prins, zyn Hoogheid man of meer ruden gaf om teegens die naam te agieren dog dat daar deese naam als nu gegeeven was aan een soon van wylen zynen vaiend, en een Broeder van den teegenswoordige keyser met men ik niet anders meende of zijn Hoogheid leefde mede in eene gepaste eens gezindheid, het dus seer onbellijk soude zijn om hier overbeweeging temaken, en den keyser dieregt tewillen be„ twisten, temeer doar deese naam van ouds aan het soura car„ tasche stof eijgen geweest is en ik mij niet oorst voorstellen uweEd: Gestr soude te persuadueren zyn om den sulthan in onse de behulpsame hand tebieden, en het ook in't verscheijdenes omstan„ digheeven niet onduijdelijk op temaaken was, dat den keyser sig andermaal tot onse naams vermeetiging met Agt soude laaten beweegen. Dat het ons den karonpans syne sake was om zijn vader, ingevalle van gevriesde onversettelykheid tot bedaaren tebrengen en aantetoonen, dat het soura Cartasch stof oneyjndig meer reeden heeft om sig over in vroegere tijden ondergane vernederingen te beklagen als den sulthan, en het voor al in sijn Hooge ouderdom, een aller gewigtigst articul sal zyn dat de wedersijdsche gemoederen in behoorlijke Calute gehouden worden, om door deesen weg den Throon op zyn nageslagt gevestigd te krygen Nadat den Rroons opvolger my nu seer geduldig hadde laaten uitspreken antwoorde hij, omtrend in onser voegen opperhoofd ik beken gaarn dat de Comp hoe seer deselve de belangen van de vorsten ook is, toegedaan alleen niet in staat is om Iava in rust te houden, aeser van de kant van on niet in word meede gewerkt. gyj sit van gevoelen dat myn nader sig ten onregte over deese narins geeving sal beswaren, en dit heeft, ook in het eerste aan hen eenige scheyn dog ik geeve i in bedenking of het gedrag van den keyter terdelyk is stet is nog geen twee Iaaren geleeden dat er over deese naam by na groote onaangenaamheeden ontstaan waren. In dien de Comper niet in voorsien hadde, den keyser wist dus wil dat het mijn vader niet onverschillig konde zijn als deese naam op nieuws te soura Carta werd in de mireldge„ bragt, Hij soude uijt hoofde van zyne Ionkheijd in verge„ „lijking van mijnen vader, sig in het minste niet vernee„ dert hebben, als hy daar over eens na herwaards geschreeven hadde en al was het dat hyj sig sulks onbevregt agte so was het egter zyn pligt geweest om er over te schryven aan de Comp en wel bysonder aan de Edelheer Gouverneur wien wi dog erkonnen als onsen scheidsman. – maar neen; hij heeft sig laaten vervoeren door raed geevers die niets bedoelen als Java van de rust te berooren was het nog dat dese naam gegeven was, aan s keijsers Jongere Broeder die er bevorens geene hadde men soude het kunnen begrypen, dog door de Naam stof

NL-HaNA_1.04.02_3910_0228 view scan ↗

English

407 the 19 May 1790 name of ario Mattaram is higher than that of Ario Mangcoeboemie, and our latter one has nevertheless been exchanged for the former, one can deduce nothing else from this than that the emperor is intent upon insulting this court; which the Company cannot take amiss that my father will never tolerate. He acknowledges having received the throne from God and the Company, but now it is his and my affair to maintain ourselves, and to preserve the throne from molestation and insult. My trust is and therefore remains established upon the Company, and I demand of you, chief, that you shall represent the matter in the best manner to the Honorable. As I soon noticed that the Prince's statements were too well considered to act against them anew with any hope of success, I decided, with the notification that I would await the disposition of the sultan himself in order to then be able dutifully to give notice of the matter to your Right Honorable, whereupon not long thereafter a paper from that Prince, accompanying this, was handed to me, wherein he makes known to me the sentiments of his father, and your Right Honorable will perceive from the same that the ruler cannot bring himself to tolerate the name of Mangcoeboemie in another as long as he lives, but certainly after his death; which latter seems to be a consequence of what was secretly interposed by me, if at all events the emperor, though I do not imagine much of it, might perhaps be persuaded to retract that name for the present and preserve it for his brother until after the sultan's demise. This would be sufficient for the ruler's reassurance, which middle course appeared to me to be the only one to satisfy both parties, and subject to correction by your Right Honorable's highly Copy Translation Javanese document of the Djocjocarta Crown Prince wiser sentiment, it were very much to be wished that the Solonese first Resident Hartsinck had an opportunity to make this arrangement agreeable to the emperor as satisfactory to both parties, for which the relevant request of the sultan concerning the determination of the names might perhaps be able to provide an opportunity, supposing This my writing I give with my greetings, Pangerang Adepattij Anom Coenagara, to my brother the chief van Ysseldijck. Brother chief, you have asked me for the cause of the letter which I had sent to you on Wednesday in the month Ruwah in the year Je, concerning the name Mangcoeboemie which is found in Souracarta, about which you felt aggrieved, and would gladly have your thoughts made known to my father. I have communicated the same to my father and presented all your statements to His Highness, whereupon my father was silent for a while, without speaking, and thereafter answered: My son Depaty, your notification that at SouraCarta there is once again a Mangcoeboemie, and your presentation regarding the statements of the chief, have frightened my heart greatly, because in Solo there is again a name of Mangcoeboemie, about which, after all, there were histories not long ago. I have placed my complete trust in my brother the Honorable and the Company, together with my grandson the emperor,

Dutch transcription

407 den 19 May 1790 Naam van ario Mattarm hooger is als die van Arro Mang„ „coeboenne en onse laatste egter teegens de eerste verwisselt is, so kan men daar uijt niets anders opmaken als dat den keyser sig toelegd om dit stoff te beleedigen; het welk de Comp niet qualyk naemen kan dat myn vader nooijt sal gedoogen Hy erkend van God, en de Maatschappije de Rhaoon verkreegen te hebben dog als nu is het zijne en mine sake, om ons te hand„ „haienen, en den throon te bewaren voor overlast en belediging myn vertrouwen is in blyft dus op de Comp gevestigd, en vordere ik van u opperhoofd, dat bij de saak op de beste wyse aan de Edelheer sult voordraagen Daar ik nu wel dra bemerkte, dat des Prinsen gesig„ dens te seer overdagt waren om met hoope van anig succes daar teegens op nieuws te ageeren, besloot ik net te kennen geeving dat ik, afwagten soude de dispositie van den sulthan selve, om uwelEd Gestr als dan pligtelijk van de saake ken„ nis tekunnen geeven waar op wij dan ook niet lang daar na een onder hier neevens gaande Papier van dien Panns overhandigt is, waar, hi hij mi de gewelens van zijn vader bekent markt en inveerd G' uijt hetselve hoogen sal dat den vorst, het niet van sig verkrygen kan om de naam van Mangcoeboenne in een ander tedulden, so lang hij laft dog wel na zijn dood, welk laatste een gevolg schynt te zyn van het onder de hand door my geapponeerde, of nigenalle, den keyser /:schoon ik er my niet veel van voor„ stelle:/ al eens mogt te persuaduren zijn, om die naam voor het teegenswoordige nog intetrekken en voor zijn Broeder tebewaren, tot na des sulthans overleijden, dit ge„ nogsaam soude zyn tot svorsten gerust stelling, week middel weg my als de eenigste voorgekoomen is, om beyde de Parthijen te bevreedigen, en het onder Earrectie van uweeld Gestr hoog Dit myn geschrift geeve ik onder myne Groete Pangerang Adepattij Amans Coenagara aan mijn Broeder het opper„ hoofd van Ysseldijck Broeder opperhoofd uw heeft mij na de oorsaake gevraagd van de Brief die ik nu toegesonden hadde of woensdag inde maand Pakban in het Iaar Rhee, aangaande de naam Mangcoeboenne die er op souracarta plaats vind waar over uw sig beswaard vond, en gaarn soude hebben dat em gedagten aan myn varder bekend wierden gemaakt Ik hebbe het selve van aan myn vader bedeeld, en alle uw gelegdens zyn Hoogheid voorgedragen, waar op myn vader een poos tijd stil was, sonder te spreeken, en daar na antwoorde Myn soon Depaty uw bekentmaking dat er op souraCarta op nieuws weeder een Mangcaboenne is en uw voordragt omtrend de gesegdens van 't opperhoofd hebben myn hart sier verschrokken, wyler op solo werder een Naam van Mangcoeboenie is, waar over onlangs geleeden immers Historialen zyn geweest: Ik hebbe myn volkoomen vertrouwen op mijn Broeder de Edelheer en deComp Benevens myn kleynsoon den keyser gesteld ver Copia Translaat Javaans geschrift vanden D Jor Jocartas Kaoonprins wijser gevoelen sier te wenschen ware dat den solasche eerste Resident Hartsinck geleegentheyd hadde, om deese schikking als voor beyde parthijen voldoende aan den keyser smakelijk te maken waar toe het bewuste versoek van den sulthan omtrend de bepaling der Naamen misschien wel gelegenheid soude kunnen verschaften onderstellende 6

NL-HaNA_1.04.02_3910_0229 view scan ↗

English

May 19, 1790 assuming that no misuse of my name would be made. And as now there is again a name, Mangkubumi! As long as I live I will not tolerate it, but when I reach my end, then I leave it to whoever remains, whether my descendants in Djokjakarta or indeed my sons or grandsons in Surakarta bear this name, which I permit, and the name of my grandfather Pakubuwana when he acted as crown prince, Pangerang Puger, is also good if it is borne by my sons or grandsons; but I do not want the descendants of Mangkunegara ever to bear the name of Mangkubumi. Written on Friday the 29th of the light Pakban in the year three 1716 or the 14th of May 1790. Below stood: for the translation, was signed: J. B. van den Berg. Copy of a letter from the Surakarta First Resident Hartsinck dated May 18, 1790. Most respectfully I take the liberty to note the safe receipt of both of Your Right Honorable's always revered separate letters of the 11th and 15th of this month, with which I have also safely received a Javanese writing with its translation and a copy of a letter from the Djokjakarta First Resident written to Your Right Honorable, together with the letter from His Honor to the Emperor, and a copy of a translation of a writing from Djokjakarta's Pangerang Adipati Mangkunegara addressed to the aforementioned First Resident. I therefore have the honor in all respect to serve as an answer to both aforementioned letters that upon the handing over of Your Right Honorable's letter to the sovereign here, I had the opportunity to sound out the sovereign's thoughts regarding the change of names, and I have therefore represented to His Majesty in accordance with Your Right Honorable's highly esteemed letter that such could only lead to many unpleasantries and thereby the peace and tranquility of Java could be damaged, under which and other fitting terms I offered the writing of the Sultan regarding the arrangement of names to His Majesty for his reading, which writing the Emperor, to my greatest astonishment, gave back to me without even having read it, saying: I know already that such a writing has been prepared in Djokja, and I do not need to read it because the content thereof is already known to me, and I have no intention at all of conforming myself to the Sultan in such household matters, and he could have spared himself the trouble he took in that regard, for since I have never meddled in the slightest with the Sultan's court matters, I expect that he will likewise not do so in mine, and if one had wanted to introduce such a naming arrangement, this could have been done at my coronation, but I find nothing known of it in the entire contracts. Upon this, I nevertheless made my utmost effort in an appropriate manner to move the sovereign to accept this arrangement regarding the names, but I noticed, however, the more I spoke of it, the more embittered the sovereign became. I therefore take the liberty to herewith offer Your Right Honorable again the Javanese writing together with its translation and hope to have fulfilled Your Right Honorable's highly revered orders. Just at the closing of this, I received Your Right Honorable's letter of the 17th of this month, together with the copy of a Djokjakarta letter and a translation of the third writing, sent by Pangerang Adipati Mangkunegara to Your Right Honorable, so I requested an audience with the sovereign, who deferred me until tomorrow, when I shall inform Your Right Honorable whether the sovereign can be persuaded to allow His Majesty's brother to bear the name of Mangkubumi in such a way as is stated in the Djokja letter, in which regard I shall make my utmost effort. May 19, 1790 Copy of a translation of a Javanese writing coming according to the signet of Pangerang Adipati Mangkunegara at Surakarta or at Semarang, May 17, 1790. In the month of Dulkaidah, on Saturday the 2nd of the light of Dulkaidah, the chief Hartsinck and the Second Resident came to the house of Pangerang Adipati Mangkunegara, and being inside the chambers, they whispered something in Pangerang Adipati's ear regarding the behavior of the young Emperor, and said further that the Company placed substantial trust in Pangerang Adipati Mangkunegara alone, but on the Second Resident received a box with its accessories of gold as a present and subsequently requested to be allowed to go to Semarang. On Tuesday the 5th of the light of Dulkaidah, the chief Hartsinck sent the adjutant to Pangerang Adipati and let him know that he, the chief, that same morning had received a letter from the governor at Semarang, Mr. Greeve, in which it was stated that the Pangerang Adipati now had gained a great name with the Company and that the Company placed great trust in him, Pangerang Adipati; the Honorable Mr. Jan Greeve himself also previously placed a brotherly trust in Pangerang Adipati and now trusts Pangerang Adipati surely that he is considered by the Honorable gentleman as a forefather. The chief would gladly have met Pangerang Adipati himself, but was afraid that the Emperor might at times have an evil and disaffected heart toward him, Pangerang Adipati, and thus he only sent the adjutant. It happened still in the year Alip 1715, and from this until today in the year Ehe 1716, approximately one year has elapsed. Below stood: translated by me, was signed: M. Wardenaar, sworn translator.

Dutch transcription

d 19 Mai 1790 onderstellende dat er geen misbruyk van myn Naam ge„ maakt soude worden. En als nu is er weeder een Naam ManyCoeboenne! so lang als ik lewve sal ik die niet leijden, maar als ik aan myn eynde beg, dan laat ik 't aan die geene die overblyft over het sy dan dat mijn nageslagt op D Joejocarta dan wel myn soons of kleyjnsoons te soura Carta deese naam dragen, het welk ik permitteere, en is de naam van mijn grootvader Pakoeboeana wanneer hij als kroon prins geageerd heeft Panjerang Poeger ook goed als dnse door myn soons of kleynsoons worden gedragen; dog wel ik niet hebben dat het nageslagt van Rang Coenagara ovit de naam van Mangsoeboenne draage Geschreeven op vrydag den 29. van 't ligt Pakban in 't Jaar drie 1716 ofte den 14 May 1790 /onderstond/ voor het Trans„ laat / was get/ I: B van den Berg Copia Brief vanden SouraCartasch eersten Resident Hartsinck ged 18 May 1790. Eerbiedigst neeme ik de vrijheid den goeden ontfangst van beide uwelEd Gestr Achtb altoos gevenereerde Aparte lettere vanden 11 en 15. deeser te noteeren waar bij mij teffens wel geworden is een Javaans geschrift met dees translaat en een Copia Brief vanden d JoejoCartas eerste Resident aan uwEdGestr agtb geschreeven benevens hoogst desselfs lettere aan den keyser en een Copia translaat van een geschrift van den D Joejos Pangerang Aoepatty AmangCoenagaro, ingerigt aan even gem Eerste Resident Ik heb dierhalven in alle eerbeed de eere opbeide in hoofde dehs gemelde litteren in antwoord te deenen dat ik by over„ handingling van uweEd gestr Achtb lettere aan den vorst al„ hier, gelegenheid heb geheed om 's vorstens gedagten weegens de ver„ „anderinge der naamens te ondertasten, en heb dierhalven syn Hier op heb ik nog al op een voegsame wyse mijn uiterste best aangewend om de vorst tot 't aanneemen van deese schikkinge nopens de namens te beweegen, maar heb egter bemerkt hoe meer ik daar van sprak hoe verbitterder dat den vorst wierd Ik neeme dierhalven de vryheid inwilEd G agtb by deese weeder aantebieden het Iavaansch geschrift beneevens dies taanslaat en hoope aan uweerd gagtb hoog gevenereerde beveelen te hebben voldaan. so by 't sluyten deses hel ik de een uwweEd G agtb lettere van den 17: deeser te ontvangen, benevens de Copia van een D Joesjocartas Brief en een Translart van het derde geschrift, van den Pangerang Adipatten Majesterid invoegen uweeEd. J agtb hoog geeerde aanschryvens voorgeshed dat sulks maar konde strikken tot veel onaange„ naamheiden, en daar door de rust en vreede van Java soude kunnen worden beschadigt, onder wek een en andere gepaste termen ik het geschrift van den sulthan weegens de schikkinge der naa„ ment sijn Majesteid ter lectuure heb aangeboden, welk geschrift my den keyzer, tot mijn grootste verwondering sonder het selve eens te hebben geleesen weederom gaf seggende, ik niet al, dat er op d Josp een sodanig geschrift is opgemaakt, en ik hoef het ons niet te leesen want den inhoud daar van is mij bereeds bekent, en k ben in 't geheel niet van voornemens my in diergelyke huys houdelijke zaaken, naden sulthan terigten in de moeyte die hy daar omtrend heeft gedaan, heid hy wil kunnen spaaren, wart daar ik my nog nooijt 't minste met 't sulthans Hof-saaken heb bemoeyt verwagte ik dat hy sulx ten mynen op ligte ook niet endoed, en als men een diergelyke Naamens schikkinge had willen invoeren had dit kunnen geschieden by mijn kooning maar ik vind er by de heele Contracten niets van bekent Thansfoenagaro : Majesteid staan. 1 453 den 19 Mai 1790 chayda sulks is MangCoenagoro aan uweEd Geste agtb gesonden, so heb ik byj den vorst delet laten vragen die my tot morgen heeft uitgesteld, wan„ neer ik uwweeEdE agtb sal bedeelen of den vorst sal zyn te bemeegen om de naam van Mangsoeboenne sodanig door zyn Masjestends Broeder te laaten voeren, als by de DJoijose Brief bekend staat waaromtrend ik myn uiterste best zal aanwenden Copia Translaat Javaans geschrift komende volgens het signet van Pangerang Adipattij Mang Coenagoro te soura Carta onte te Samarang den 17 May 1790 — de sMaand sul op Zaturdag den 2. van het ligt Duechayda is het opperhoofd omtrend thiermaan Hartsinck en den tweede Resident ten Huijze van den Pange„ rang Adipattij Mangcoe nogoro gekoomen en hebben den Bange„ rang Adipattyj binnens kamers zynde iets in het ovr geluus„ terd, aangaande het gedrag van den Jongen Keijser en zyden voor„ ders dat de Comp een weesentlijk vertrouwen stelde in Iange„ rang Adipatty Amang Coenagoro alleenlyk, maar op den tweede Resident een kais met dns toebehooren van goud ten pre„ op dingsdag den 5. van het ligt Duechayda: heeft het opperhoofd Hartsinck den Adjusant bij Pangerang Adipattyj gesonden en laaten weeten, dat hij opperhoofd dien selfde morgen een brief had ontvangen van den hoeehen te samarang 'sGreeve waar in vervat stond dat den Pangerang Adipatty thans by de Comp een groote naam had gekreegen en dat de Comp op hem Pangerang Adepatty een gront vertroudwen stelde ook den Edelheer Ian Greeve selfs heeft voor deesen in Pangerang Adipatty een broederlijk vertrouwen gesteld, en ons vertrouwd den Pangerang Adipattij thans voorseken sint kreeg en den selven voorts versogt na Samarang temoogen gaan E houden Het opperhoofd had den Pangerang Aoipattyj gaarne selfs willen ontmoeten, dog was bevreest dat den keyser somwylen teegen hem Pangerang Adepatty een quaad en ongeneegen hart mogt hebben, en dus sond denselven eenlijk den Adsudant Het is geschied nog in het Jaar Aliff 1715. en deeser tot heeden int Jaar thee 1716. circa een Jaar verloopen /:onderstond/ getraslateerd door mij /was get: /: m warde„ naar geswoore granslateur voorsaker dat hy door den hdelhier voorvader word ge„ op gelieden 1 :

NL-HaNA_1.04.02_3910_0231 view scan ↗

English

413 Batavia, 27 May 1790. 27 May 1790. To the High, Noble and Right Honourable Master Willem Arnold Alting, Governor-General, together with the Right Honourable Councillors of the Netherlands Indies. To His High Honour, High, Noble and Right Honourable Master, Right Honourable Gentlemen. In continuation of the respectful report concerning the state of the inland affairs submitted to Your High Honours by letter of the 19th of this month, I now have the honour to present to Your High Honours in the original the Emperor's answer to my letter of the 15th of this month. From this answer, and an enclosed letter also in the original from the First Resident of Souracarta dated the 19th prior, Your High Honours will perceive that that prince has shown himself just as disinclined to suspend his brother's use of the name Mangoe Boemie until the Sultan's demise as he is to retract it entirely, while the renamed Prince Ario Mataram could also not be persuaded to give his consent thereto. I have given notice of all this to the First Resident of Djocjocarta, holding forth by letter of the 20th of this month that the Sultan will now have himself to blame if disadvantageous consequences arise for him and his realm from the unjust demand made, if he attempts to pursue it further by means of force; all the more so since the Emperor is already very displeased with the Sultan's coercive persuasions and has now, just as in 1788, addressed himself directly to the Company concerning this matter; and that the Company does not have it in its power to compel the Emperor, on whose side right and equity lie in this matter, to satisfy the Sultan's unreasonable desire, even assuming that the preservation of peace and quiet could induce it to do so as feudal lord and protector of both princes, but must now leave it to the event to see what the further consequences will be, so as to take such measures thereafter as will be deemed most expedient. While I write this, so far as is known to me, nothing else has occurred on the Sultan's part than that on the 20th of this month he caused it to be proclaimed from the Sitinggil / throne pavilion that none of his subjects should presume to address the Emperor's brother by the name of Mangoe Boemie at the Djocjocarta court, but in their conversations should hold him to be Pangerang Ario Mataram. The further reports 415 27 May 1790. reports which I expect before the dispatch of this letter will show whether matters have rested there since the Sultan was notified of the Emperor's disinclination to accommodate him. In my previous letter of the 19th of this month, I had the honour to inform Your High Honours of the reasons why I had sent back the attendant of Pangerang Mangkoe Nagoro with only a verbal message, without replying to his writings. And now I can add to this that this has had precisely the effect I anticipated, namely that he has become very embarrassed over it, just as he also offered me his excuses regarding this in the letter I have since received from him, which also accompanies this in the original. This gives, on the one hand, fair hope that this enterprising prince has not entirely lost all respect and that he can now be kept in check by a moderate force, just as well as in 1788. But as he, in the letter I subsequently received from him and which is likewise enclosed herewith in the original, repeatedly requests of me so strongly that I might write to him when I receive orders from Batavia, whether he obtains his wish thereby or not, which he says will ease his heart; so, on the other hand, one may be well assured that if it appears to him that he has nothing to expect from the Company, he will then resort to his own power; for Your High Honours will perceive from those letters that he strongly flatters himself regarding the Djocjocarta throne succession and most earnestly requests that the Company may indeed have compassion for him, trusting in the Company's justice and in Your High Honours, so that he will not so readily resign himself to it if that hope is denied him, however much he tries to make it appear as such in his latest letter so as not to arouse suspicion. My answer to the first-mentioned letter has been framed in the main as appears in my respectful letter of the 19th of this month, and I now have hope that he will let himself be pacified therewith until the matter of the resignation has been brought to maturity with the Sultan, and I shall have received the orders of Your High Honours along with the necessary military reinforcement. Regarding that resignation, I wrote in my respectful letter of the 19th of this month that I had privately charged the Resident of Djocjocarta, at a suitable opportunity, to persuade the Sultan to it; so that it must then be only that fear of the Company's arms by which he will be able to be bridled, consequently that the military force here will need to be considerably reinforced.

Dutch transcription

413 Batavia den 27 Maij 1790. de 27 May 1790 Den Hoog EdelGestrenge Groot Achtb Heer M„r Willem Arnold Alting Gouverneur Generaal Benevens Dewel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Indie Aan zijn Hoog Edelheijd Hoog Edele Gestrenge Groot Achtb Heer wel Edele Gestrenge Heeren. Ten vervolge van het eerbiedig verslag bij Brief van den 19. deeser weegens den staat der Bovenlandsche zaaken, aan uwe Hoog Edelheeden gedaan, heb ik tans de eer Hoogst Dezelve in originali aantebieden het andwoord van den keyser op mijn Brief vanden keyser op myn Brief van den 15 lujus in't welk antwoord, en eene meede in originali, daar nevens gevoegde Brief van den SoureCartis eerste Resident, gedateerd den 19. bevorens, uwe Hoog hdelheeden sullen ontwaren dat dien vorst sig eeven so ongeneegen heeft getoond om het voeren der aan zyn Broeder gegeevene naam van ManyCoeboenie tot eis sulthans afsterven op te schorten, als om dee geheel intetakken, terwijl ook den hernaamde Prins Ario Mattarm met heeft konnen worden overgehaald om daar „toe zyne bewilliging tegeeven van dit een en ander heb ik kennis gegeeven aan den eersten Resident van D' Jorsocaata, onder voorhouding, bij kinf van den 20: deeser dat de sulthan het nu sig selve sal tewysen hebben, indien er uit de gedane onbillijke vordering als hij deselve door middelen van geweld verder tragt door te daing voor hem en zijn Rik, nadulige gevolgen ontspruyjten, temeer daar den keijser, bereeds seer misnoegd is over des sulthans dwingende persuasien indat hy seg over deeze zaak tans weder eeven als in 1788. direct aan de Comp hueft geadres„ „seert; en dat daar oeCamp het niet in hare magt heeft den keijser aan weens zijde in desen het regt en de bil„ „lykheyd is tot voldoening aan de sulthans onreedelyke begeerte tenoodsaaken, gesteld al eens dat de Conservatie van de rust en vreede, haar als zeen- en schuits. Heer van beijde de vorsten daar toe konde permoveren, min nu aan het geval soude moesten overlaten wat verder de gevolgen sullen zyn om daar na sulke maatregulen teneemen als men het meest dienstig sal agten Terwyl ik dit Schryve is er voor so viel my bekend is aan de kant van den sulthan, nog niets anders gebeurd dan dat Hij op den 20. hujus van de Lamadahoer / Throons stand plaats heeft laten, bekend maken, dat niemand zy„ hier onderdaanen sig soude onder staan aan het DJoijoiantasch stof des keysers Broeder met de naam van Mang Coeboemi tenoemen, maar hem, in hunne gesprekken, souden hebben tehouden voor Pangerang Ario Mattarm De nadere berigten 3 eersten 415 den 27 May 1790 berigten, die ik voor het afsenden, deeser verwagte sullen, uitwijsen of het daar bij gebleeven is sedert men de sethan kennis heeft gegeeven van des keysers ongeneijgdheid om Aem tewille te zyn Bij mijn vorige van den 19: deeser had ik de eer uwe Hoog hdelheeden kennis tegeeven van de reedenen waarom ik de oppasser vande Pangerang Mans Coeno„ goro sonder op zyne Geschriften te antwoorden, slegts met een mondelinge boodschap had terug gesonden. Een tans kan ik er byvoegen: dat sulks Junst de uitwinking heeft gehad die ik er mij van beloofde, namelijk dat hij daar over seer verleegen is geworden, gelijk hy mij desweegens ook zyne excuses maakte bij de brief die ik sedert van hem hebbe ontvangen en deese, meede in originalie verseld. Dit geeft aan de eene zyde nog al hoop dat diens onderneemende Prins niet ten eenemaal alle ontzag verlooren heeft en dat hij door een tamelyke magt, nu eeven so welaes in 1788. in den toom sal tehouden zin. Maar vermits hij bij de Brief die ik nader van hem hebbe ontvangen, en misgelijks in originalie hierneevens gevoegd is, mij bij herhaling so sterk versoekt dat ik hem toeh schrijven mag als ik order van Batavia ontvang het zy dat hy daar door zijn wensch verkrigt of met, het welk, so hij sigd zijn hart verligten sal; so, mag men aan de andere kant sig wel versekerd houden dat als hem blijkt dat hij van de want uwe Hoog Edelheeden sullen uit die brieven ontwaren dat hij sig niet de D. Joejose Throons successie kragtigd vlyd en ten sterks te versoekt dat oeCamp met hem toch meede„ lijden mag hebben als vertrouwende op Comp=s regtvaar„ digheid en op uwe HoogEdelheeden, ons dat hyer net so ge„ „redelijk in berusten sal, als hem die hoop ontsegd word hoe seer hy ook tragt het in zyn laatste Brief als sodanig tedoen voorkoomen om geen argwaan te geeven —. Myn antwoord op eerstgem Brief is sodanig ingerigt als in het hoofd zakelyke by myne eerbiedige van den 19 deeser voorkomt en ik heb nu, hoop dat hy sig daar meede so lang sal laaten paaijen tot dat de zaak der resiguatie met den sulthan tot maturiteid sal zyn gebragt, en ik -. de beveelen uwer Hoog Edelheeden met de nodige Militaire versterking, sal hebben ontvangen. Nopens die rsignatie schref ik by myne eerbiedige van den 19. deser, dat ik den D'Junjocartas Resident in het particulier had opgedragen den suethan bij een gepaste Comp moesen niets tewagten heeft hij dan zyn eygen magt sal tebaat neemen; so dat het als dan alleen die vrees voor Comp. s wapenen sal moeten zijn, waar door hij sal konnen betengeld worden, gevolglijk dat het Militair vermoogen alhier aanmerkelyk sal deenen teworden gerenforceert Comp ou

NL-HaNA_1.04.02_3910_0233 view scan ↗

English

the 27 May 1790. the 27 May 1790. occasion to reflect thereon, from which a correspondence subsequently resulted, of which I respectfully present the copies herewith to Your High Nobles and which I request may not be taken into further consideration, other than merely to trace therefrom the manner of handling this delicate matter, as the negotiation by private letters was preferred solely because there is then less difficulty encountered in expressing one's thoughts, wherein, if such is done by Company letters, more peril and responsibility lies. Meanwhile, Your High Nobles will find therein, and from the document of the Sultan attached hereto in original which serves in answer to the remonstrance read and delivered to him, as well as also to be found in copy among the private correspondence, some ground to be able to expect that the objective might perhaps soon be achieved, although that document is very reserved and obscurely framed, wherefore I also in my answer to the latest letter from the First Resident of Djocjacarta dated the 26th of this month, inform the same: that it is best, if a suitable opportunity arises, simply to declare frankly to the Sultan that my thoughts are that a resignation to be made as soon as possible by His Highness and the subsequent elevation of the Crown Prince is the only means to maintain the established succession to the throne and at the same time to preserve peace and tranquility, at least that one will then be incomparably better able to frustrate all sinister plots and to devise the best means thereto, than if the throne becomes vacant by the demise of His Highness. Heretofore I said that the name of Mangkoeboemi had until now caused no noticeable stirrings on the Sultan's side; but from the two private letters since received from the First Resident of Djocjacarta of the 25th of this month Your High Nobles will find evidence that there is noticeable activity on both sides from both Courts and minds are not a little in ferment, so that it is feared that matters could easily come to acts of violence. After having now so emphatically exhorted both princes to compliance and to peaceful sentiments and having presented the disadvantage that is to be expected once the peace is broken, there presently remains nothing more than to most earnestly recommend the commanders constantly to employ everything within their power to prevent all attempts and aggressions, as is done continuously and repeatedly by me; for choosing a side is just as dangerous as rendering assistance to both at the same time, as could nevertheless very easily become the case if some of the Company's troops are present with each troop and ours are not in a position to prevent matters from coming to acts of violence. Also, in such an unfortunate state of affairs, one will indeed need the few troops there are, both to reinforce and garrison the forts at the Courts, the field posts, and likewise the coastal stations, as well as the Regencies; for the Javanese, once having proceeded to hostilities, will spare the districts of the Company just as little as those of the prince against whom he bears arms, as numerous examples thereof have occurred in previous wars. The necessity of then putting everything in order, combined with the indecisiveness of the Sultan whose intention is not yet fully known, has caused me also to postpone the intended march to Djocjacarta until now, with which I shall also continue for the present, unless matters, upon the explanation which the First Resident of Djocjacarta will now further submit to the Sultan regarding my intention, should change so noticeably in form that the resignation, upon the receipt of Your High Nobles' esteemed orders and the necessary military force, can be concluded, whereupon I shall proceed to the Court, if in the meantime no dissuasive events on the part of the Emperor as well as Pangeran Mangkoenagoro should have occurred. I hope that my actions may be found worthy of the esteemed approval of Your High Nobles, and should feel honoured to be, with the due veneration and true high regard, underwritten, Your High Nobles' very obedient and faithful servant, was signed, J. Greeve. In the margin, Samarang the 27 May 1790.

Dutch transcription

den 27 Maij 1790. den 27 May 1790. occasie des weegens te poesen, Heer uit is vervolgens eene Carrispondentie geresulteert, waar van ik de Copijen uwe Hoog Edelheeden hier neevens reverentelijk aanbiede en die ik versoeke dat niet verder in aanmerking ge„ nomen mogen worden, als om daar uit eenlyk de wyse van behandeling deeser netelige zaak nategaan als zynde de verhandeling bij particuliere brieven eenlijk gepraefe„ reert om dat 'er dan minder swarigheid gemarkt word met zyne gedagten van uittekoomen waar in, so sulks by Comp brieven geschied meer pericul en verandwoor„ ding geleegen is Ondertusschen sullen uwe Hoog Edelheeden daar ini't en uit het in originalie hier bij gevoegd geschrift van den sulthan, dat ten antwoord diend op het vertoog hem voorge„ leezen en overgegeven, mitsgaders meede onder de particuliere Correspondentie, in Copia tevinden enige grond ontmoeten om temoogen verwagten dat het oogmerk mitschien eerlang. sal konnen worden berijkt, hoe wel dat geschrift seer gere„ serveert en omster ingerigt is, waarom ik ook bij mijn antwoord op de laatste Brief van den D Joijocartas Eerste Resident van dato 26. hujus, den selven tekennen „geeve: best te weesen om als er een gepaste gelegenheid voor„ komt, aan de sulthan maar, rond un't te verklaren myne gedagten te zyn, dat eene so spredig mogelyk door zyne Hoog„ „ „heijd tedoene resignatie en daar op tevolgene verhetfing van de kroonprins het einigste middel is, om de vastge„ stelde Rhroons successie te hand haven en tegelyk de rust en vreede te bewaren, ten minsten dat men als dan ongelijk beter instaat sal zyn alle naaulige aanslagen te verredelen en daar toe de beste middelen te beramen, dan dat den Throon door het afsterven van zyne Hoogheyd ontledigd word. Hier voor seyde ik dat de naam van MangCoeboenne tot hier toe geen merkelyke bewugingen van des sulthans zijde had veroirsaakt; dog bij de sedert ontvangene twee particuliere Brieven van den DJoejcartas eerste Resi„ dent van den 25. deser sullen uwe Hoog Edelheeden blijken vinden dat men wedersyds van beyde de Hooven merke„ lyk in de weer is in de gemoederen niet wynig aan het gisten zin, so dat men vreest dat het ligt tot daaelijkhee„ den sal konnen koomen. Na de beyde vorsten nu so nadrukkelik tot toegeeven„ heijd en tot vreede lievende gevoelens vermaand en het nadul voorgesteld te hebben, dat er tewagten zy, als de rust eens verbroken is, resteerd en teegenwoordig niets meer als de opperhoofden ten ernstigste aantebeveelen om sterds alles wat in hun vermorgen is, aantewenden myne ter 417 413 den 27 May 1790. ter voorkoming van alle attentaten en aggressen, gelyk dit telkens en bij herhaling, door my geschied; want om partheij tekiesen, is eeven so gevaarlijk, als aan beyde tegelyk hulp te verleenen, so als nogtans seer ligt het geval soude konnen worden, als sig by ieder troupeinige van Comp:s volk bevind en onse niet in staat zyn te beletten dat het tot drdelijkheiden komt. ook sal men in sulk een ongelukkige toestand hit wynige volk dat 'er is, wel nodig hebben, so om de forsten aan de Hooven, als de veld: posten, en tevens ook de strand Comptoiren, so meede de Regentschappen te versterken en besetten, want de Javaan eens tot vijandelijkheeden overgegaan zijnde saleeven so min de districten van de Comp outsien, als die van de vorst tegen welke hy de wapenen voerd, gelijk daar van in de voorige oorlogen menig vuldige exempelen zyn voorgevallen. De noodsakelijkheid om als dan op alles order te stellen, gevoegd by de besluyjten loosheid van den sulthan wiens intentie nog niet volkoomen bekend is, heft mij aan ook de voorgenomen optocht naar D' Jorpocarta tot hier toe doen uitstellen, waar by ik ook voor eerst continueeren sal, of de zaaken moesten op de verkla„ ring weke den Djorjocartas eerste Resident, nu nader aan de sulthan, weegens mijne intentie Ik hoop dat mijne verrigtingen de g'eerde goed„ „keuring uwer Hoog Edelheeden mogen waardig bevonden worden, en zoude mij vereerd met de verschuldigde rene„ ratie en ware hoog agting te zyn /:onderstond / Tchil /:lager/ uwer Hoog Edelheeden seer gehoorsame en getrouwe dienaar /was get:/ I: Treeve /inmar„ „gine / Samarang den 27 Maij 1790. in sustenne, sal dien, so merkelijk van gedaan te ver„ „anderen, dat de resignatie, bij den ontvangst van inver„ Hoog Edelheeden g'erde beveelen, in de nodige militaire magt desselfs beslag kan geven worden als wanneer ik mij ten Hoove sal begeeven, so er intusschen geene ontradende gebeurtenissen so van weegens een keyjser aes van de Pangerang mang Coenogoro mogten weesen voorgekoomen

← previousnext →