Inventory 3921
Coromandel / Ceylon · 753 pages · 203 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
one would have to assume that he, the Commander, out of a lingering fear, took Fijbrands as a pretext so as not to complain directly against us, but that he appeals to our own testimony whether he had not in every case, when he believed himself slighted or aggrieved, laid bare his cares and concerns to us, and that he hopes this always took place with such respect and modesty as a servant owes to his fellow servants placed over him. Against our predecessors in the service, and against ourselves, he has likewise transgressed in a very deliberate manner in his writings concerning the management conducted in so useful a work as the cultivation of cinnamon and the clearing of the cinnamon forests. He has not only in his aforementioned writings spoken thereof in a very masterly tone, utterly unbecoming and even most improper for a subordinate, but he who, so to speak, at least in recent years never saw this work with his own eyes, at least not enough to be able to judge thereof in such a decisive manner as he has permitted himself, and who furthermore knew that the late Governor Falck, the present Governor, and we have handled and promoted all these important operations with exemplary zeal and fidelity, has not hesitated to advance conjectures, remarks, and even positive accusations that served greatly to keep Your Right Excellencies for a time in uncertainty as to whether our predecessors, we, and those employed by us in this work might not sometimes have been negligent, both in the beginning and in the continuation of an affair in which the Company is so essentially interested. That this agitation of Commander Sluijsken against this work, and the spreading of his opinions thereon, which soon became fairly generally known here, in no way contributed to the advantage of its progress, we have already taken the liberty to remark in our respectful and secret letter of 15 October 1790: 593. And if the quality of the cinnamon, commonly called garden cinnamon, produced both by cultivation and by the clearing of the forests, had not in such a convincing manner in the Netherlands contradicted the doubts that Commander Sluijsken sought to spread about it, Ceylon cinnamon would have fallen into considerable disrepute in Europe through his repeated indiscretions. It is well known how greatly an opinion once formed of a matter can sometimes affect things of that nature, and we therefore consider it a great fortune, even for the interests of the Company, that the report of the merchants Remtous and Samlant of the commission ordered by Your Right Excellencies themselves has finally been able to put an end to the doubts that the writings of Commander Sluijsken had already caused to arise concerning it, and at the same time served to remove all anxiety that Your Right Excellencies seemed to have conceived on that subject. In our respectful letter of 15 March, we informed Your Right Excellencies that Your Right Excellencies' order concerning Diwitoere given to him had been made known to Commander Sluijsken. What has been done since in execution of this commission, we do not know, however much we recently discussed it with Commander Sluijsken; but from our correspondence held concerning this commission with the Galle servants, which is attached hereto, Your Right Excellencies will see that the Commander requested of us that we should send him Captain Lieutenant of the [illegible] Toenander, and also that the Maha Modliaar of the Governor's Gate should come to Galle, or else appoint someone in his place, in order to make such demonstrations and accountings as he should deem necessary. Regarding his requisition for the Maha Modliaar, we pointed out to him in our letter of [illegible], as was also well known to him otherwise, that this man had bound himself to nothing else, nor to anything more, than to restore to the Company all that should be issued upon his proposals against receipts in cash and goods for the service of his enterprise, if after the expiration of 5 years it should be found that this work had not answered expectations and it were consequently judged that it was not convenient for the Company to have the same continued permanently on their Excellencies' account, provided that in exchange the lands would be granted to him in ownership, which
Dutch transcription
311 zoude moeten veronderstellen, dat hij kommandeur o't eene lange vreeze hem Fijbrands tot een dekmantel genoe men heeft; om zich niet direkt tegen ons te beklaagen, doch dat hij zich be„ roept op ons eigen getuigenis, of hij niet in allen gevalle, wanneer hij vermeende verklainrd of benaadheed te zijn, zijne zorge en bekommernissen aan ons had opengelegd, en dat hij verhoopt, dit altoos met zoodanig ontzag en bescheidenheid geschied is, ge lijk een dienaar aan zijne over hem gestelde meede die naaren verplicht is. Teegens onze voorlaaten in den dienst, en tee gens ons zelven heeft hij zich insgelijks op een zeer moedwillige wijze vergreepen, in zijne geschriften over het beleid, gehouden en een zoo nuttig werk, als is het aanplan„ ten van kanneel, en het schoonmaaken van de kaneel bosschen. Hij heeft niet alleen bij voorm: zijne geschrif„ „ten daar over gesprooken op een zeer meester- agtige, en aan een ondergeschikten te dien= den geheel niet voegende, en zelfs zeer on„ =bezaamelijke toon, maar heeft ook hij, die om zoo te spreeken, altans inde Jong„ ste jaaren dit werk nooit met eige oogen zag, ten minsten niet genoeg, om daar over te kunnen oordeelen, op zoo een beslessende wijze, als hij zich heeft gepermitteerd, en die daar bij wist, dat de hoog zaalige Heer gouverneur Falck de teegenswoordige Gouverneuren wij alle deeze aangelee„ gene verrichtingen met voorbeeldigen iever en trouwe hebben behaatigd, en be„ „vorderd, zich niet ontzien, gissingen en aanmerkingen, en zelfs stellige beschiel„ digingen te halaadeeren die zeer gestrekt hebben, om uw Hoog edelheeden een tijd lang van in 312 in onzeekerheid te houden of onze voorzaets„ wij en die door ons in dit werk zijn geem„ ploijeerd, met somtijds onachtzaam mogten zijn geweest, zoo in het beginnen als in het voortzetten van een zaak, waar bij de komp. e zoo essentsieele is geinteres „seerd: Dat dit woelen van den kommandeur sluijs„ „ken tegens dit werk, en het verbrieden van zijne gevoelens daar over, die spoedig en vryj al gemeen hier bekend wierden, voor al geen voordeel aan den voortgang daer van heeft toegebragt, hebben wij reets de vrijheid gebruikt aantemerken, bij onzen eerbie dig en brieff sekreeten brief van den 15 oktober 1790: 593. , en zoo niet de deugd van de kaneel, gewoonlijk genoemd tui„ kaneel, voortgebragt, zoo door aan plan ting, als het schoonmaaken der bosschen, op zoo een overtuijgende wijze in Nederland hadde weedersprooken de twijffelingen die de kom„ „mandeur sluijsken daar over heeft zoeken te verspreiden, zoude de Ceilonsche kaneel door zijne herhaalde in dis kreetsien in Europa in merkelijke opspraak zijn ge„ koomen Men weet, hee zeer een eens opgevatte opinie van een zaak ook op dingen van dien accrt somtijds werken kan, en wij achten het daarom voor een groot geluk ook zelfs voor de belangens van de komp:, dat het rapport der koopliedere Remtous en Samlant van de kommissie door uwe Hoogedelheeden, zelve geordonneerd, ande„ „lijk een einde heeft mogen maeken aan de twijffelingen die de geschriften van den kommandeur sluijsken daar over bereeds hadden doen ontstaan, en tevense heeft mogen strekken, om weg te neemen alle ongerustheid, die uwe wedersprooken. Hoog 313 Hoog edelheeden daar over scheenen te hebben op gerat Bij onzen eerbiedigen van den 15 Maart hebben wij uwe Hoog edelheeden bedeeld, dat aan den kommandeur sluijsken was bekend ge„ maakt uwer hoog Edelheden aan hem opge rene order omtrend Diwitoere. Wat in uit voering deezer kommissie zeeder gedaan, weeten wij niet hoe zeer weden kommandeur sluijsken nog onlangs daar we hebben onderhouden dog uit onze over deeze kommissie gehoudene korrespondentsie met de gaalsche bedienden, die hier ne„ vens gaat, zullen uw Hoogedelheeden zien, dat de kommandeur van ons heeft gere quireerd, dat wij hem den kaptijn luijten nant vande genee Toenander zouden toe„ zenden, en dat ook de Mahandodliaar van 'sGouverneurs Porta zoude koomen naar Gale, dan wel iemand in zijn plaats stellen, om te kunnen doen zodaanige aanwijzingen en verantwoordingen als hij zoude noodig oordeelg Nopens zijn requisiet om den Maha Modliaar hebben wij hem bij onzen brief van den . - - - - - aangeweezen zoo als hem dat ook buiten dien zeer bekend was, dat deze man zich tot niets anders, noch tot niets meer heeft verbonden, dan om aan de komp: te restitueeren, al het geen dat op zijne voorstellen op quitant sies in kontant en goederen ten dienste van zijne ondernee„ ning zoude worden afgegeeven, indien na verloop van 5: jaaren mogt worde bevonden; dat dit werk niet had be antwoord aan de verwachting en dien volgens wierd geoor„ deeld, dat het aan de komp: niet konveni„ „eerde, om het zelve bij voortduuring voor haar Ed:s reekening te laeten voortzetten, mits dat daar en teegen aan hem in eigen„ „dom zoude worden afgestaan de landen, om die
English
which he would have had prepared for sowing on the Company's account, under payment of the customary tax of a tenth of the crop, and that the question of what was most advisable for the Company in this alternative had to be decided solely by the work performed, without the indications or justifications of the Maha Mudaliyar contributing anything to it or detracting from it. We have furthermore pointed out to Commander Sluijsken that regarding the question which Your High Mightinesses also probably wish to see decided, namely whether it would have been better for the interests of the Company that the Diwiture district had remained in that desolate state as it formerly was, and whether consequently the Company has been served or disserved by what was carried out in that district, no surveys nor water-level measurements were necessary, and that it was therefore quite unnecessary to send him Captain-Lieutenant Foenander, who could not well be spared here. He has nevertheless continued to insist upon these demands and has, despite our positive order by letter of - - - - - to proceed with the commission assigned to him by Your High Mightinesses, refused up to four times to do so, unless we consented to his aforementioned demands, with the express addition by letter of 7 May that otherwise he would consider his commission finished for this time. His demand that we should send Captain Foenander to him, he based on what was written by Your High Mightinesses, namely that in this commission he could co-opt to himself such servants as he should think fit, and when we pointed out to him in our letter of - - - - - that this qualification from Your High Mightinesses visibly did not extend further than solely to the servants stationed in the Galle Commandment, he answered us by letter of 25 April that he thought just the opposite, giving as a reason for this that regarding the servants stationed in the Galle Commandment this concession from Your High Mightinesses was not necessary, because these are already placed under his orders besides that. Elsewhere in his letter of 16 April, he goes so far as to permit himself to bring to our attention that the permission of Your High Mightinesses to be allowed to co-opt whomever he wished had occurred in order to clear out of the way all obstacles that could be brought forward against the execution of Your High Mightinesses' intention and high command, and to prevent all hindrances in that regard. Your High Mightinesses will sense, without our needing to point it out, all the insult that lies enclosed in this writing. How: Your High Mightinesses, by giving this order, would have wished to place into the hands of the Galle Commander a means to curb us, his lawful authority! We do not think that there is an example, not only not in Ceylon but not even in the whole of the Indies, that any subordinate servant has dared to undertake anything of the like. The Secretary van Albedijl having been transferred by us to Tuticorin, the reasons for which have been communicated to Your High Mightinesses by the first-signing Governor in his separate letter of the 15th of this month, Commander Sluijsken, upon the notification of this transfer given to him by us, did not hesitate to reply by letter of - - - -, the original of which is annexed hereto, that since he was certain that this transfer was in no way to the advantage of Albedijl, and thus could not have been requested by him either, we therefore instead of that might restore van Albedijl again to his post, unless we could give him a better office in the Matara Dissavany. We wrote regarding this by letter of the 5th that what occurred concerning Albedijl in the aforesaid letter of the 2nd had scandalized us to such a degree that we especially warned the Commander in the most earnest manner to guard himself carefully in the future against such improper steps. Instead of this, the Commander answered by a letter of the 9th, which also is annexed hereto in original: that he thought he had not deserved the aforesaid reproach imparted to him; that he could not pass it over in silence; and that he respectfully declared that he could not understand what improper steps had been committed by him in his letter of the 2nd; that he believed he was bound by oath and duty to have to care for the well-being and the interests of the good servants subordinate to him; and that because Albedijl had been removed by us from his service outside of his request and choice, he requested, if we should persist in our resolution and if no more distinguished, weightier, and for him and his family more advantageous post should be destined for Albedijl, that his petition might then be brought before the eyes of Your High Mightinesses so that a favorable disposition for him and for van Albedijl might be obtained thereupon.
Dutch transcription
314 die hij voor reekening van de komp:e ter bezaan nig zoude hebben laaten bequaam maaken, onder het betaalen van de gewoone gerech„ tigheid van een tiende van het gewas, en dat de vraage wat in deze alternatieve de komp:e het meest aan teraed en was alleen door het gedaene werk moest worden beslist, zonder dat de aanwijzingen of verantwoordingen of van de Maha Modliaar daar bij eets afof toedraegen komde Wij hebben den kommandeur sluijsken voorts aangeweezen, dat noopens de vraage die uwe Hoog edelheeden ook waarschijnlijk ver„ „langen te zien beslift, of het naamlijk voor de belangens van de komp:e beter geweest waaren, dat het landschap Diwitoere waare gebleeven in dien woesten staat als het eertijds was, en of mits dien door het verrichte in dat landschap de komp:s dienst of ondienst gedaan is geene meetingen noch wat passing waaren, en dat het dus heel onnoodig was den kapiteijn Luytenamnt Toenander die hier niet wel te missen was„ hem toe te zenden. Hij is niet temin op deeze eisschen blijven aandringen en heeft niet tegenstaende ons stellig bevel bij brief van den - - - - - om met de kommissie hem door uwe Hoog edelheeden op gedraegen voorttevaaren, tot vier maalen toe geweigerd dat te doen, ten zij Wij in voorm: zijne eisschen bewilligden, met expaes„ se bijvoeging bij brief van den 7:' Mai dat hij anders zijne kommissee dit maal zoude houde voor afgedaan. zijnen eisch dat wij kaptijn Foenander aan hem zoude zenden, gronde hij op het geschree„ „vene door uwe Hoog edelheeden dat hij indeze kommissie tot zich konde assumeeren. zulke dienaaren, als hij zoude goedvinden, en toen wij hem deeden opmerken bij onzen noch brief 315 brief van den - - - - - - dat deeze qualifikaa sie van uwe Hoogedelheeden zich zigtbaar niet verder uitstrekte dan alleen tot de bedienden in het Gaalsch kommandement bescheiden antwoorde hij ons bij brief van den 25 April dat hij Juist het teegendeel dag geevende tot reeden daar van, dat nopens de Dienaaren in het Gaalsch kommandement bescheiden deeze uwe Hoog edelheeden kon„ cessie niet noodig was, wijl die reeds buijten dien onder zijne orders gesteld zijn. Elders bij zijn brief van den 16: April (:gaat hij zoo verre van zich te permitteeren, om ons onder het oog te brengen :/ dat het toe staen van uw Hoogedelheeden, om tot zich te moogen assumeeren wie hij wilde, was geschied om alle obstakelen die ter vol„ brenging van uwe Hoog edelheeden intent„ sie en hooge last konde worden ter derde gebragt, uit de weg te ruimen, en alle beletzelen den aangaande te voorkoomen. uwe Hoog edelheeden voelen, zonder dat wij het behoeven aantemerken, al het hoonende, dat er in dit schrijven legt op geslooten. Hoe: uwe Hoog edelheeden zouden door het geeven van deeze order in handen vanden Gaalscher kommandeur hebben willen stellen een middel om ons zijne wettige overheid te beteugelen. wij denken niet dat er een voorbeeld zij, niet alleen niet op Ceilon maar zelfs niet in ge„ heel Jndien, dat eenig subalterne bediende riets dier gelijkers heefd durven bestaen. De sekretaais van Albedijhl door ons verplaatse zijnde na Tutukorijn waar van de reedenen door den eerstgeteekende gouverneur aan uw Hoog edelheeden zijn bedeeld bij zijn apparten brief van den 15 deezer, heeft de komman„ deur sluijsken op de door ons aan hem gegeevene kennis, dezer verplaatsing zig niet ontsien bij brief vanden - - - dien die 316 die in origineel hier neevens gaat te antmo„ „den dat vermits hij verzeekert was dat deeze verplaatsing in geenen deele ten voor: deele van Albedijkl was, en dus ook hem niet konde zijn verzogt, wij daarom in steede dat van Albedijkl wederom in zijn post mogte worden hersteld, ten zij we hem een beter ampt konden geoven inde Matereesche Dessavoine. We schreeven hier op bij brief vanden 5: dat het geene nopens Albedijhl voortwam bij voorsz: brief van den 2 ons der maaten hadde ontstigt, dat we inzonderheid de komman„ deur op het ernstigste waarschouwden zig inden aanstaende voor zulke buijten slappen zorgvul„ dig te wagten. In steede van dien antwoorde de kommandeur bij een brief van den 9:e die ook in orgineel hier neevens gaat. dat de voorsz: hem toegedeelde repro„ che dagte niet te hebben verdiend, dat Hij die met stil zwijgen niet passeeren konde, en dat hij eerbiedig verklaarde niet te kunnen begrijpen, welke buijten stappen door hem bij zijn brief vanden 2: waaren begaan dat hij vermeende door eed en plicht verbonden te zijn om voor het wel zijn en de belangens zijner hem onderge„ schikte goede Dienaaren te moeten zorgen en dat wijl Albedijhl buijten zijn verzoek en verkiesing, uit zijn dienst door ons was geligt, hij verzogt, zoo ze bij ons besluit mogten blijven en dat ook aan Albedijhl geene aanzienlijker gewigtiger en voor hem en zijn famillie voordeeliger post mogte zijn gedestineerde, als dan zijn instantie mogte worden gebragt onder het oog van uw Hoog edelheeden ten einde daar op een guns„ tige dispositie voor hem en voor van Hij Albedijhl
English
to acquire anything. Yet the insolence which the repeatedly mentioned Sluijsken has now recently permitted himself in the case, dealt with in 3. and following, of the complaint ola from the Kandebaddepattoe, in the Galle general letter of the 29th of November of last year against the first signatory, surpasses everything. Notwithstanding it appears most clearly and undeniably that he received the aforementioned ola from the Kandebaddepattoe without informing us, or even without informing the Dessave of Mature, and that, however intricate his replies thereto have been from the beginning to the end, he has not dared firmly to deny this, he, the Commander, nevertheless continues in his just-mentioned letter, which still lies here alongside in the original, verbatim as follows: "With respect to the contents of the transmitted declarations, the first-undersigned Commander trusts that the accompanying one from our port servants will sufficiently show how contradictory the contents of the mutually conflicting declarations sent to us are. While he, the Commander, furthermore urgently requests not to be confronted any more with such self-contradicting, mendacious papers from base and common subjects, who easily allow themselves to be moved and persuaded by promises and threats to give false testimony. The first-signed Commander requests this as well by virtue of his distinguished character as for the trust that has been bestowed upon him therein, and in order to avoid all unpleasantnesses that such papers, should more of them appear, would cause both to Your Right Honourable, Right Worshipful and to him, the first signatory, and which could still rather easily be sought and scraped together in greater numbers, because that so heavily accused Maha Modliaar cum suis, who, if he is guilty in this, will attempt to make himself appear innocent by procuring false declarations and testimonies, just as such roguish tricks have repeatedly been practiced by the Maha Modliaar." The Commander here disputes our right to ask what he does in his office; he accuses us of confronting him with mendacious papers; he insinuates against the Governor (for he had the declarations taken at Mature) that he persuaded those people to give false testimony through promises and threats; he shields himself against us with his distinguished character and with the trust that has been bestowed upon him therein; and he threatens the Governor with unpleasant consequences if the investigation into this case is pursued further. And now the undersigned Governor respectfully defers it to the justice and equity of Your High Honours to grant him appropriate satisfaction for all these far-reaching insolences and insulting affronts which the Commander Sluijsken has permitted himself continually to inflict upon him, under which satisfaction he, however, humbly trusts and hereby respectfully requests that there may be explicitly included the order that Commander Sluijsken shall humbly beg his, the Governor's, forgiveness in the council meeting at Kolombo. Furthermore, the first signatory requests that it may graciously please Your High Honours completely to relieve him of this obstinate, unmanageable, and quarrelsome subject, so that he may henceforth discharge his office of Governor in peace and quiet; he requests this not only for his own sake, so that the heavy burden that is always associated with his office, and which in these precarious times and critical circumstances weighs doubly and is oppressive, may at least no longer be made even heavier by the vexations, chicaneries, and insults of a subordinate servant, but he also requests this for the sake of the Company's service and interests, which naturally suffer from such ceaseless obstinacy and insubordination. We commend Your High Honours and the interests of the Company to God's safe keeping and remain, with all respect and fidelity, (was underwritten:) High Noble, Right Worshipful, Far-Ruling, and Noble, Rigorous Sirs, Your High Honours' humble and most obedient servants, (was signed:) W. J: van de Graaf, M: P: Raket, D: C: von Drieberg, D: T: Fretz, J: Reintous, and B: L: van Zitter; (in margin:) Kolombo, the 27th of January 1792. Agrees, Corns: Johanns: Pelé, Sworn Clerk. No. 1, 2 & 3 Batavia Copy Secret To His High Honour, The High Noble, Right Worshipful, Far-Ruling Lord! On behalf of the State of the Free United Netherlands and the General Netherlands Chartered East India Company, Governor-General, The Noble, Rigorous Sirs, Councillors of Netherlands India, Mr. Willem Arnold Alting. High Noble, Right Worshipful, Far-Ruling Lord, Noble, Rigorous Sirs! We hope that Your High Honours will have received our humble secret letter of the 12th of this month, dispatched with the ship Zeeland, of which the duplicate lies here alongside, and by which we had the honour to inform Your High Honours that we have had to abandon the expedition to Kandia planned for this early year, because the number of 4,000 men destined for the march was taken so closely that it was utterly unadvisable with an army so considerably less than
Dutch transcription
317 Albedijhl teverwerven. Dog de brutaliteid die meermelde sluijsken zich nu jongst in het bij 3. – - . . - en volg baa der en verhandelde geval van de klagt ola uit de kandebaddepattoe, veroorloofd heeft bij gaalsche gemeene brief van den 29 November J:o L: tegen den eerstgeteekenden gaal alles te boven Niet tegenstaende het op het duidelijkste en on teegen zeggelijks te blijkt, dat hij de voors: ola uit de kandeb ad depattoe ontfangen heeft zonder onsen zelfs zonder den Desse„ van Mature daar van teverwettigen, en dat wij ook zelve toe ingewikkeld ook zijn antwoorden daarop van den beginne af tot het einde toe zijn geweest, dit niet stellig heeft durven ontkennen, vevolgd hij kommandeur niet te min bij evengem: zijn brief die nog in origineel hier neevens ligt, aldus woordelijk Ten opzichte vanden inhoud der overgezondene verklaaringen verfroem „trouwd den eerst ondergeteekende komman„ deur dat de neevens gaande van onze porta bediendens genoegzaam zal toonen, hoe contradictoir den inhoud der ons toegezondene elkander tegenspreekende verklaaringen zijn. Terwijl hij komman„ deur verders instantlijk verzoekt, niet meer gekonfronteerd te worden tegens dergelijke zich zelve kontradiceeren„ „de de leugen achtige papieren vam sleg „te en gemeene subjecten die ligtelijk door beloftens en dreigementen zich tot het geeven van vulsche getuigenis, „sen laaten beweegen en overhaalen. Den eerst geteekende kommandeur ver„ „zoekt zulx zoo wel uit hoofde van zijn aan zienlijk karakter, als om het vertrouwen dat hem daar in Ten is 318 is toegedeeld, en om alle onaangenaam„ heeden te ontgaan, die diergelyke papieren zoo 'er meerder voor quaamen zoo wel aan uwelEd: Gestr: Groot agtb: als hem eerst geteekende zoude veroorzaaken, en welke noch al ligtelijk meerder zoude kunnen tezaamen „gezocht en geraapt worden, door dien zoo sterk beschuldig de maha modliaar cuu suis, die zoo hij in deeze schuldig is, zal trachten zich voor onschuldig „te doen aanmerken door inminninge van valsche verklaaringen en getuige„ nissen, gelijk meermaalen door den maha modliaar dier gelijke fielte streeken zijn gepraktiseerd geworden De kommandeur bestierst ons hier het recht, om te vraagen maar 't geen hij doed in zijn amph hij beschuldigd ons, dat wij hem tegenleugen agtige papieren konfronteeren, hij insinuileerd =den Gouverneur /:want die heeft de verklaa„ „rings te Mature laaten beleggen:/ dat hij die menschen door beloften en driegementen tot het geeven van valsche getuijgenissen heeft overgehaald, hij schremd. tegen ons met zijn aanzienlijke character en met het vertrouwen dat hem daar in is toe„ gedeeld, en hij drijgd den gouverneur met onaangenaame gevolgen, indien het onder„ „zoek na dit geval verder voortgezet word. En nu laat de ondergeteekende gouverneur het aan den regtvaardigheid en billijkheid van uw Hoogedelheeden eerbiedig gedefereerd om hem te doen geworden een gepaste satisfactee voor alle deze verregaende brutaliteiten en honende in sultes die den kommandeur sluijsken zich gepermitteerd heeft hem bij aan houdent„ heid aan tedoen, onder welke satisfactie hij eeh„ ter needrig vertrouwd en bij deezen eerbiedig verzoekt dat uitdrukkelijk begreepen zijn moge de order dat de kommandeur sluijsken „rings hem 319 hem goeverneur in rolle vergaedering te kolombo ootmoedig zal om vergifnis verzoeken voorts verzoekt de eerst geteekende dat het uw Hoo gedelheeden gunstig behaagen mooge hem van dit weerbaastig onhandelbaar en wistgee„ rig subjekt ten eenemaal te bevrijden, op dat hy zijn ampt van Gouverneur voortaan in rust en vreede kan waarneemen, hij verzoekt dit niet alleen om zijn zelfs wille, wijl hem de zwaare last, die met zijn ampt altijd verkorege is, en die in deeze bedenkkelijke tijden en kretieque omstandigheeden dubbelweegt en drukkende is, ten minsten niet langer door de quellingen chicanes en in sultes van een onderhooreg dienaar niet noch zwaarder gemaakt worde maar hij verzoekt dit ook om de wille van 'skompenees dienst en belangens die bij zielke onophoudelijke dwaas drijvingen en insubornatien natuurlijker wijze komt te lijden Wij beveel en uw Hoog edelheeden en de belangens der maatschappij in godes vijlige hoede en blij„ „ven met alle eerbied en trouwe /:onderstond:/ Hoog edele Groot Achtbaare wyd gebiedende weer„ en wel Edele gestrenge Heeren uwer Hoog Edel heedens onderdanige en zeer gehoorzaeme Dienaeren /:was geteekend:/ w. J: van de Grang„ M: P: Raket, D: C: von Drieberg, D: T: Fetz, J: Reintous en B: L: van zitten /:in margine:/ kolombo den 27. Januarij 1792. Achordeert Corns: Johanns: Pelé gezeeklerk wij No. 1, 2 & 3 320 Batavia Cosie Sekreet Aan Zyn Hoog Edelheid Den Hoog Edelen Grot Achtbaaren wyd gebiedende Heer! weegens den staat der vrye vereenigde Neederlanden en de Generaele Nederlandscheen G'oetroyeerde Oost Indische Compe Gouverneur Generaal De wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands India M„r Willem Arnold Alting Hoog Edele Groot Achtbaare Wyd Gebiedende Heer Wel Edele Gestrenge Heeren! we hoopen dat Uwe Hoog Edelheeden wel zullen hebben ontvangen onz en needrige sekreete brief van den 12=e deeser met het schip Zeeland afgegaan waer van het duplikaet hier nevens legt en waerby we de Eere gehad hebben Uw Hoog Edelheeden te bedeelen dat we van de in dit vroegjaar voorge= =noomene expeditie na kandia hebben moeten afgie wyl het getal van 4000 man beslemd tot de getogt zoo knap genoomen is dat het volstrekt ongeraeden was met een Legertje zoo merkelyk minder als En
English
321 if we were to maintain that, we could not take the field to execute a major expedition to Kandia, for the posts that must serve to keep the communication open can be reduced as little as the detachments that are calculated for that purpose on the most frugal scale, and the corps to conquer Kandia and keep it in possession—for which according to the plan mentioned therein only 1876 heads remain if one marches out from Kolombo with the full number of 4000 heads—would turn out fully one-third less, which deficit in itself is already far too great, and becomes much more considerable still because our native troops for a large part would have had to consist of still untrained men. The letter from the King to the Governor of Pondicherry, mentioned in our secret letter dispatched with the ship Zeeland on the 15th of this month, has after long searchings finally been found enclosed in a small gold canister, and a translation thereof is enclosed herewith. In the same, the King requested the Governor of Pondicherry de Fresne to come quickly to his assistance at Trinkonomale; he acknowledges therein the receipt of a letter from Monsieur de Fresne, and says that a letter which he has meanwhile written to him could not be sent for fear that it would be intercepted by us, but that he would send it to him as soon as he arrives at Trinkonomale. The French are at this juncture quite powerless to give any effect to those things; nonetheless, one sees from these intercepted correspondences that the aim of the French Governor is, by inciting the King, at least to do all the mischief that is within his power. For the rest, referring ourselves with regard to the Court of Kandia to what has repeatedly been imparted by us in our aforesaid humble letters, we have the honor only to report here further that already two companies of the Regiment of Wurtemberg, numbering around 300 heads, have been sent by us to Trinkonomale via Mannaar through the Wannie. We commend Your High Excellencies and the interests of the Company to God's safe keeping, and remain with all respect and fidelity, was signed: High Noble, Grand Honorable, Widely Ruling Lord and Noble Severe Lords, Your High Excellencies' humble and most obedient 322 obedient servants, was signed: W. J. van de Graaff, M. P. Raket, D. C. van Drieberg, D. T. Fretz, C. van Angelbeek. In the margin: Kolombo, the 30th of January 1792. No. 1. Declaration granted by Attoekoorlege Gammege Dingie Appoe, Moelletiene Korle Hamgaan, and Mawerle Vidaaneraale, inhabitants of the Kandebaddepattoe, on the 5th of September 1791 at Mature before the members of the Landraad there, Jan David Rabinel and Augustus Christiaan Anthon van Ranzow. No. 2. Declaration executed by Gangbaddelege Moenesinge Kankaan, inhabitant of the Kandebaddepattoe, on the 15th of September 1791 at Mature before the aforesaid members. No. 3. Two deeds of the 29th of October and 14th of November 1791, whereby the aforesaid Register of papers mentioned in the secret letter to Their High Excellencies of today, from § 11 to 144. Agrees. Ijsbrandsz First Clerk No. 6 G 71 323 Attoekoorlege Gammege Ding Appoe, Moelletiene Koorle Hamgaan, and Mawerle Vidaaneraale, who granted the aforesaid declaration at Mature, reaffirmed it before the Merchant and Secretary of Police here, Benediktus Lambertus van Zitten, and stated various further circumstances. No. 4. Declaration executed by Galege Don Adriaan de Silva, commonly called Hintje Appoe, Moliotigje Magnus Saffermadoe Appoehamie, and Pollemoelle Appoe on the 13th of October 1791 before the Merchant and Secretary of Police, Benediktus Lambertus van Zitten. No. 5. Declaration by Simon de Silva Sammeresegre Goenewardene, titular Modliaar No. 8. Translation of an ola from Don Joan Abeyewickredene Dissanaike, second Modliaar of the Girrewaye, reaffirmed on the 14th of this month before the Merchant and Secretary of Police, Benediktus Lambertus van Zitten, and witnesses. No. 7. Translation of an ola from Dewatentrige Matthijs, Kangaan of the timber yard and resident at Gale, No. 6. Translation of an ola written by Don Simon, head of the Kandebaddepattoe, to the Commandeur Sluijsken on the 7th of January 1791, and the reply sent to them thereupon. and sworn Sinhalese translator at the Secretariat of Police and Justice at Gale, granted on the 24th of October 1791 before the aforesaid Secretary, and No. 9 324 No. 9. Letter written to Gale on the 15th of September, asking the Commandeur Sluijsken whether he had received, prior to the disturbances, a complaint ola from the inhabitants of the Kandebaddepattoe. No. 10. Letters written to Gale on the 22nd and 26th of September 1791, repeating the aforesaid question. No. 11. Letter written from Gale to Kolombo on the 25th of September in reply to the aforesaid question, stating that the names of the people who were said to have brought the ola to Gale were not to be found at their secretariat, and that they had therefore summoned the same from Mature. No. 13. Letter written from Gale to Kolombo on the 28th of September 1791 in reply to the aforesaid letter, stating that they were still awaiting the summoned persons. No. 14. Letter written to Gale on the 30th of September 1791, whereby two questions were submitted to the Commandeur for an answer. No. 15. Letter written from Gale to Kolombo on the 2nd of No. 12. Letter written to Gale on the 26th of September 1791, holding before the officials that in order to answer the aforesaid question asked, no investigations at the secretariat nor the summoned persons were necessary, and that they must answer those questions with yes or no. No. 12. October
Dutch transcription
321 als we daar toe houden hebben kunnen te veld brengen een hoofd expeditie na kandia te doen want de posten die tot het open houden van de kommunikatie moeten dienen, kunnen zoo min vermindert worden als de detechementen die daer voor op het allen muinigst bereekend zyn en konde dus het korps om kandia te veroveren en in bezit te houden en waer voor by het plan daerby vermeld maar 1876 koppen overschieten als men met het volle getal van 4000 koppen van kolombo uitmarcheerd, ruim een derde minder vallen welke deficit op zig zelven reets veel te groot is, en nog veel aanmerkelyker word wyl onze inlandsche troupen voor een groot gedeelte uit nog onge= =oeffend volk zoude hebben moeten bestaan. De brief van de koning aan den Gouverneur van Pondicherry vermeld by onzen nog met 't schip Zeeland afgegaane sekreete brief van de 15 deezes - is waar lang hoeken Eindelyk gevonden beslooten in een kleyn goud kookertje, en gaat daer van de vertaaling hier nevens. By dezelve verzocht de Koning de Gouverneur van Pondicheroy de Fresne omspoedig tot zyn bystand na Trinkonomale te koomen, wy be= =kend daar by de ontfangst van een brief van de Heer de Tresse, en Regt dat een briefje die hy hem tusschen by de geschreeven heeft niet heeft kunnen afgaan in't voeere dat ze by ons zoude worden geintercepteerd, dog dat by ze hem zoude toezenden hoo draa hy te wrinkono= =male komt. De Franschen zyn in dit tydt gewricht wel onmagtig om aan die dingen eenig gevolg te geeven niet te min niet men uit deeze geinter= cepteerde korrespondentien dat het oogmerk van de franschen Gouverneur is, om door de koning optestooken, ten minsten al het kwaad te doen dat in zyn vermoogen is. Ons voor het overige gedraagende noosiens het Hof van Kandia aan het geen doorgevens ons bedeeld is by voorsy: onze needrige brieven hebben we de Eere hier nog alleen te melden dat bereeds door ons na Trin konomale over Mannaar door de wannie gehouden zyn twee kompenien van het Regiment van Wuntenburg te naamen sterk min of meer 300 koppen Wyj beveelen uw Hoog Edelheeden en de belangens der maatschappy in Godes vylige hoede en blyven met alle Eerbied en trouw /onderstond:/ Hoog Edele Groot Achtbaeren wyd gebiedende Heer en wel Edele Gestrenge Heeren Uwer Hoog Edelheedens onderdanige en heer niet gehoofsaame 322 gehoorsaame Dienaeren /was geteekend:/ W: J: van de Graaff M P Maket D C van Drieberg. D' T Fretz C van Angelbeek /in margine:/ kolombo, den 30 January 1792. N:o 1. verklaering door Attoekoorlege gammege Dingie appoe, Moelletiene korle hemgaan en Mawerle vidaanetale, inwoonders van de kandebadde „pattre, den 5. september 1791. te mature voor de leeden van Eli„ den landraad aldaar Jan &lavid 1/1 Rabinel en Augustus Chris„ „tiaan Anthon van Ranzou verleend. N:o 2: verklaering door Gougbaddelege Moenesinge kankaan, inwoonder van de kande baddepattoe, den 15. september 1791. te mature voor evengemelde leden gepasseerd. N:o 3. Twee actens van den 29. october en 14. November 6791. , waar bij voormelde Register der papieren vermeld bij den sekreeten brief aan hunne Hoog Edelheeeden van lieden van §: 11. tot 144. Akkordeert. Dijbrands Heijnlerk Attoe- N: 6 G 71 323 Attoekoorlege Gammege Ding Appoe, Moelletiene Koorle Lang en Mawerle vidaaneraale lum voormelde te mature verleend verklaering voor den koopman en sekretaris van politie al„ „hier Benediktus Lambertus van zitten hebben gerekalleerd en nog verscheidene omstan„ „digheden hebben opgegeeven. N. o 4. verklaering door Galege Don Adriaan de Sielwa in de wandeling genaamt Hintje Aspae, Moliotigje Mag„ „nus Saffermadoe apprelia „mie en Pollemoelle Aspoe den 13. october 1791. voor den koopman en sekretaris van politie Benediktus Lamber tus van zitten gepasseerd. N. o 5: verklaering door Simon de zielver Samme„ resegre Goenewardene, titilair Molianderam N:o 8: Translaat ola van son Joan Abelirie wardene Dissanaijke tweede modliaar van de Girewaij, den 14. dezer voor den koopman en sekretens van politie Benediktus Lambertus van Zitten en getuigen gerekalleerd. N:o 7: Translaat ola van dewatentrige Matthijs aangaan van de houtslee„ „perij en inwoonder te Gale N:o 6: Transleat olie doar Dan Simon hoofd van de kande baddepattre aan den heer kommendeur sluijsken den 7. Januarij 1791. ge„ schreeven, en het aan hun daar op gezonden antwoord. en gezwaare singaleete tolk ter sekretarij van politie en Justitie te Gale, den 24. october 1791. voor evengemelden sekretaris verleend en No: 9 324 N:o 9 Brief na Gale geschreeven den 15. September, waar bij den kommandeur sluijsken gevraagd is, of hij voor de onlusten eene klagt ola van de ingezeetenen van de kande baddepattoe ontvangen had. N:o 10 Breefjen nwae Gale geschreeven den 22. en 26. September 1791. waar bij voorschreeve vraege herhaald is. N:o 11: Brief van Gale na kolombo geschreeven den 25. september in antwoord op voormelde vraege, houdende dat de naemen der luiden die de ola te Gale zouden gebragt hebben ten hunnen sekretarije niet tevinden wa„ „ven en dat ze daarom dezelve van Matiwe op ontboden hadden. N:o 13: Brief van Gale na kolombo geschreeven den 28: september 1791. in antwoord op evengemelden brief, houdende dat ze als nog de opantboodene perzoonen waren verwagtende. N:o 14. Brief na Gale geschreeven den 30: September 1791. waar bij aan den komman„ deur twee vraegen voorge, legd zijn ten beantwoording. N:o 15. Brief van Gale na kolombo geschreeven den 2: N:o 12: Brief na Gaele geschreeven den 26. September 1791. waar bij de bediendens voorgehouden zijn dat om te beantwoorden de voormelde gedaane vraege geene na„ speieringen op de sekretarije nog de opontboodene per„ zoonen nodig waeren en dat ze die vraegen met Jaof moeten neen beantwoord worden. N:o 12. octobeer
English
325 No 16. Separate letter from the commander of Gale dated 10 October 1791, stating that his Gate Mudaliyar had reminded him of a complaint ola against the deceased Mohandiram Manamperie. No 17. Letter written from Gale to Colombo on 12 October 1791, with which a copy translation of the aforementioned ola was transmitted. No 18. Translation of the ola mentioned in the aforementioned letter. No 19. Letter written to Gale on 16 October 1791, in which the original of the aforementioned ola was demanded. No 20. Letter from Gale of 20 October 1791, stating that the servants had had a search made for the original ola, but had not been able to find it. No 21. Letter written to Gale on 22 October 1791, in which the servants are ordered to make further inquiries into it and to demand a written report concerning it from the commissioners van Schuler and de Vos, and at the same time to transmit the bundle or bundles of translations of all olas, reports, etc. relating to the Matara rebellion. No 22. Letter from Gale of 27 October 1791, stating that the secretary pro interim Gratiaan was busy drawing up registers. 326 No 23. Letter from Gale of 27 October, in which a report was requested from Gratiaan as to why the demanded bundles have not yet been sent. No 24. Letter from Gale of 29 October 1791, with which the bundles were transmitted. No 25. Report from the acting secretary pro interim Gratiaan, containing reasons why the requested bundles were not sent sooner. No 26. Letter written to Gale on 2 November 1791, in which a written reply is demanded from the aforementioned Gratiaan and from the sworn clerk Breckman to several points that were stated to the servants in this letter. No 27. Letter written from Gale on 4 November 1791, with which the aforementioned requested answers were transmitted. No 28. Report from Gratiaan in response to the submitted points. No 29. Report from Breckman as above. No 29½. Note kept by the merchant and secretary of the Coalition Benedictus Lambertus van Zitter upon the receipt of the three bundles of translations, reports, etc. No 30. Letter written from Gale on 1 November, with which the demanded reports from the commissioners van Schuler and de Vos were transmitted. No 31. Two reports mentioned in the aforementioned letter. No 32. Letter to Gale of 16 November, in which the servants are ordered to ask in writing from the commissioners van Schuler and de Vos whether they had given notice of the aforementioned ola to the Dissava van Angelbeek, and if not, why they neglected to do so. 327 No 33. Letter written from Gale on 23 November, with which the aforementioned reports were sent. No 34. Two reports mentioned in the aforementioned letter. No 35. Note kept at Matara on 27 April 1790, from which it appears that the Dissava van Angelbeek, on the occasion that the commissioners van Schuler and de Vos were about to return to Gale, had asked them whether they also had any documents that they could communicate to him. No 36. Letter written to Gale on 26 November, in which, under transmission of the documents regarding the complaint ola delivered to the commander, the same was ordered to state why he gave no notice of the receipt of this ola, neither to the Government, nor to the Dissava of Matara. No 37. Letter from Gale of 29 November written in answer to the aforementioned letter, with which was transmitted an affidavit executed on 3 November by the mudaliyars at the commander's gate, Don Balthazar Dias and Wijetenaden. No 38. Affidavit just mentioned. No 39. Copy of resolution taken on 31 October 1791, goes in a separate bundle to the defense of the Dissava van Angelbeek. No 40. Letter to Gale of 17 August 1790, in which the views of Commander Sluysken are requested regarding the Matara Mudaliyars Ilangakoon, Gunaratne, and de Saram. 328 No 41. Letter from Gale of 24 October 1790, with which was transmitted the translation of the ola written by Madugodde Appu to Commander Sluysken. No 42. Translation of the aforementioned ola. No 43. Translation of the ola written by Commander Sluysken to Madugodde. No 44. Letter written to Gale on 26 October 1790, in which it is permitted that forgiveness of crime be promised to Madugodde Appu, provided that he duly proved his accusation. No 45. Letter from Gale of 30 October 1790, with which the arrival of Madugodde at Gale was communicated. No 46. Resolution taken at Gale on 1 November 1790 upon an incoming report from the members Marthieze, van Schuler, and van Albedijhl, concerning the interrogation of Madugodde. No 47. Letter written from Gale on 2 November 1790, with which the aforementioned resolution was transmitted. No 48. Letter written to Gale on 4 November 1790, in which the order in the letter of 26 October was repeated and the servants were ordered to comply therewith without any further delay. No 49. Letter from Gale of 6 November 1790, written in reply to the aforementioned letter. No 50. Letter from Gale of 9 November 1790, with which were transmitted the Gale resolution of 9 November 1790, with the documents belonging thereto. No 51.
Dutch transcription
325 N:o 16. Aparte brief van den kommandeur van Gale van den 10. october 1791. , houdende dat zijn E. o Porte modliaar denzelven hadde herinnerd aan een klagt olle tegens den over„ „leden moleandivam Manam„ „perie N:o 17: Breef van Gale na kolombo geschreeven den 12: octo„ „ber 1791. waar bij een kopij Translaat van voorm: ola overgezonden is. N:o 18. Granslaat ola bij evengem: brief vermeld. N:o 19. Brief na Gale geschreeven den 16. october 1791: waar bij het origineel van voormelde ola opge„ „eischt is N:o 22. Brief van Gale van den 27: october 1791. houdende dat den prointe„ „vin sekretaris Gratiaan beezig was registers teven„ N: o 21. Braeff na Gale geschreeven den 22: october 1791. waar bij de bedienden gelast zijn nadere naespeuringen daar na tedoen en van de gekommitteerdens van schulen en devos schreftelijk berigt daar omtrent te vorderen en teffens overte„ „zenden de bondel of bondels wanslaeten van alle alas, rapporten etc: betrekking hebbende tot de matu„ vesche opstand. N:o 20: Brief van Gale van den 20: october 1791. houdende dat de bedienden na de ori„ gineele de hadden laeten zoeken, zouden liet te hebben kunnen vinden. october 1791. waar bij de voor„ melde twee vraegen beant„ woord zijn. No 20 „vaardigen 326 N:o 23. Brief van Gale van den 27: october waar bij van Gratiaan berigt gevraagd is waarom de g'eischte bondels nog niet gezonden zijn. N:o 24. Breef van Gale van den 29. october 1791. waar bij de bondels overgezonden zijn. N:o 25. Berigt van den prointerim fungeerenden sekre„ taris Gratiaan houdende reden waarom de gevraagde bondels niet eerder gezonden zijn. N:o 26. Breef na Gale geschreeven den 2. November 1791. waar bij van evengem: gratiaan en van den gezwoore klerk Brechman Schrifte„ lijk antwoord gevraagd zijn op verscheide printen die aan de bedienden bij dezen brief zijn opgegeven. N:o 32: Breef na Gale vanden 16. November, waar bij de bedienden gelast zijn van de gekommitteerdens van schulen en de vos schriftelijk beregt te vraegen of ze van voorm: N:o 31. Twee Berichten bij evengemelde brieff vermeld. N:o 29. Bergt van Breckman als even N:o 29½ aanteekening gehouden door den koopman en sekretaris van Cooli„ „tie Benediktus Lambertus van zitter bij den ont„ vaugtt van de drie bondels Translaeten, Relaeten etc: N. o 30. brief vanden 1. November van Gale geschreeven waar bij overgezonden zijn de g'eischte berigten van de gekommitteerdens van schulen en devos N:o 28. Berigt van Gratiaan in beantwoording van de opgegevene pointen. N:o 27 Breef van Gadele geschreeven den 4. November 1791. waar bij de gevraagde antwoor„ „den evengem: overgezonden zijn! vaardigen op voorm: bondels. No. 27. ola 327 N:o 33: Brief van Gale den 23. November geschreeven waar bij voorm: berigten gezonden zijn. N:o 34. Twee Berichten bij evengem: brief vermeld. N:o 35: Aanteekening gehouden te mature den 27. april 1790: waar bij blijkt, dat de Detfane van Angelbeek, ten gelegentheid dat de gekommitteerdens van schuilen en devos na Gale stonden terug tekeeren, hun hadde gevraagd, of ze ook eenige stukken hadden, die ze liem konden kommuniceeren. N:o 36. Brief na Gale geschreeven den 26. November waar bij onder overzending van de stukken nopens de bestelde klagtolee aan den komman„ deur, denzelven bevoolen is optegeeven, waarom hij van den ontvangst van deze N.:o 40. Brief na Gale van den 17: aug. s 1790. waar bij de konsideratien van den heer kommandeur sluijs„ „ken gevraagd zijn nopens de matureesche Modliaars hinekoon, Goeneratrie N:o 39. kopia resolutie van den 31. october 1791 genomen gaat in een appart bondel op liel verweerschrift van den dessave van Angellieek. N:o 38. verklaering zo even vermeld. N=o 37. Breef van Gale van den 29. November in antwoord op evengemelden brief geschree„ „ven, waar bij overgezonden is een verklaering door de modliaars aan 's komman„ deurs portie Don Baltleazan Dias en waitenaden den 3. November gepasseerd. ola geen kennis gegeven heeft, nog aan de Regeering, nog aan den dessave van Matime. ola aan den dessave van Angelbeer hadden kennis gegeven en zo neen waarom ze liet hebben nagelaeten ola en 328 N:o 41. Brief van Gale van den 24. october 1790. waar bij overgezonden is liet Transleat van de ola door Madoegodde Appoe aan den kommandeur sluijsken geschreeven. N:o 42: Translaat van evengem: olae. N:o 43. Transleert van de ola door den kommandeur sluijsken aan madoegodde geschreeven. N:o 44. Brief na Gale geschreeven den 26. october 1790. maar bij toegestaan is dat aan Madoegodde appore uitwissing van misdaad word beloovd mits hij zijne beschuldiging behoorlijk bewees. N:o 45. Brief van Gale van den 30: october 1790. , waar bij bedeeld is de komst van Madoegodde op Gale N:o 50. Brief van Gale van den 9. November 1790 waar bij overgezonden zijn de Gaalsche resolutie van den 9. November 1790, met de daar toe gelworende stukken N. o 49. Brief van Gale den 6: November 1790: in ant„ woord op voorm: brief ge„ schreeven. N. o 48. Brief na Gale geschreeven den 4. November 1790: waar bij de ordre bij brief van den 26: october Aer„ haald is en de bediendens gelakt zijn om daar aan zonder eenig verder uitstel tevoldoen N: o 47. Brief van Gale den 2. November 1790 geschree„ „ven waar bij overgezonden is evengemelde resolutie. N:o 46: Resolutie genomen te Gale op den 1. November 1790: op een ingekoomen rapport van de leeden Marthieze, van Schiulen en van Albedijhl, wegens tiel verhoor van Madoegodde. en de Saram. N:o: 46 No. 57
English
329 Herebefore under No. 42: No. 51. Galle resolution of the 9th November just mentioned, together with the documents mentioned therein, consisting of: Copy of report of 31 October 1790 of the members Marthieze, van Schuler, and van Albedijke. Two records of 1 November 1790 held before the above-mentioned members concerning the interrogation of Madoegodde. Translation of Sinhalese complaint ola addressed by Madoegodde to the Commander Sluijsken. Translation of Sinhalese letter ola of the aforementioned Madoegodde. Two records of 6 and 7 November 1790 held before the aforementioned members concerning the further interrogation of Madoegodde. Translation of Sinhalese ola of Madoegodde and Baddewokke. Concerning the case of the mudaliyar of the Galle timber-hauling and the former mohandiram Mandenaike against the mudaliyar Don Baltheezar Dias: No. 53. Letter to Galle of 15 November 1790. No. 54. Ditto from ditto of 19 ditto 1790. No. 55. Ditto to ditto of 28 ditto 1790. No. 56. Ditto from ditto of 1 December 1790. No. 57. Ditto to ditto of 14 ditto 1790. No. 58. Ditto from ditto of 16 ditto 1790. No. 59. Ditto from ditto of 29 ditto 1790. No. 60. Ditto to ditto of 12 January 1791. No. 52. Petition from the mudaliyar of the Galle timber-hauling and from the former mohandiram of the Galle Attepattoe Mandenaike. Translation of Sinhalese ola of Don David. Translation of Sinhalese ola delivered by Don David, which Goeneratne, as he said, had written to the mutineers. Translation of Sinhalese ola of Abraham Perdoes. Translation No. 61. 330 No. 61. Report from the Galle Maha Mudaliyar Don Balthazar Dias. No. 62. Copy of resolution taken in the Council of Ceylon on 15 November 1790, containing the decision to have Madoegodde and Baddewokke transferred to Colombo. No. 63. Letters written from Matara to Galle on 4, 6, and 13 October 1790, stating that Baddewokke Aratje has behaved very mutinously. No. 64. Copy of resolution taken in the Council of Ceylon on 27 November 1790, containing the decision to have Madoegodde heard by the fiscal here before two members of the Court of Justice, and to have the accusations against the Matara chiefs investigated at Matara itself by two members from the Matara Landraad. No. 65. Letter written to Galle on 9 December, with which the aforementioned resolution was transmitted. No. 66. Extract letter dated 7 November 1790 written from Colombo to Galle, whereby de Moor was commissioned to Matara. No. 67. Letter written from Galle on 12 January 1791, with which was transmitted a translation of an ola. This translation is mentioned herebefore under No. 6, written by the head of the Kandebaddepattoe Don Simon to the Commander Sluijsken. No. 68. 331 No. 68. Letter to Galle on 15 January 1791 written in reply to the aforementioned letter. No. 69. Letter from Galle written on 20 January 1791 in reply to the aforesaid letter of 15 January. No. 70. Letter written to Galle on 27 March 1791, in which further explanation is requested concerning what they have written regarding the first clerk Fijbrands. No. 71. Letter written from Galle on 19 March 1791, in which the Galle servants request an equitable redress. No. 72. Letter written from Galle on 30 March 1791 in reply to the aforesaid letter written on 27 March. No. 73. Report of the first clerk Fijbrands of 11 April 1791 concerning his proceedings at Matara. No. 77. A bundle containing the Matara inquiry so far as it is completed, with a register belonging thereto. Goes in a separate bundle. No. 76. Letter written from Galle on 20 July 1791 in reply to the aforesaid letter of 5 May. No. 75. Two reports from the Lieutenant Dissave van Schuler and from the Landraad members Beijer and Brinkman regarding the conduct maintained by the first clerk Fijbrands in the commission at Matara. No. 74. Letter written to Galle on 5 May 1791, with which a copy of the aforementioned report was sent to the servants. No. 78. No. 78. Report from the merchant and fiscal Vollenhove, annexed two declarations given by Madoegodde Appu on 30 November and 2 December 1790. No. 79. Separate letter written to Galle on 25 December 1791, whereby Commander Sluijsken is ordered to state clearly what has given cause to the repeated complaining that no settlement of the complaints is pursued, and that the directives in his mandate ola are not complied with. No. 80. Letter from the Commander on 28 December 1791 written in reply to the aforementioned letter. Colombo, 27 January 1792. Today, the fifth of September 1791: Appeared before the commissioned members from the Honorable Landraad, Jan David Rabinel and Augustus Christiaan Anthon, Count of Ranzow, the persons to be named below: 1. Attoekoorlege Gammage Dingie Appu, 2. Moelletiene Korle Kankaan, 3. Maierle Vidaaneraale, all three inhabitants of the Kandebaddepattoe, of competent age and adhering to the Buddhist faith, who, at the requisition of the Right Honorable, Valiant, Highly Esteemed Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of Dutch India, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, declared upon the translation of the Reverend Don Louis, Proponent, to be true and truthful. Corns: Johannes Idé, sworn clerk, before
Dutch transcription
329 Wier voren onder N:o 42: N:o 51. Gaalse resolutie vanden 9. November evengemeld, neevens de stukken daar bij ven„ meld, bestaande in kopiee rapport van den 31. october 1190. van de lieden Marthieze, van Schuler en van Albedijke Twee aanteekeningen van den 1. November 1790: voor overge„ melde leden gehouden nopens het verhoor van Madoegodde Translaat singaleete klagt ola door Madoegodde aan den heer kommandeur sluijsken geregt. Translant singaleete brief ola van evengem: Madae„ godde Twee aanteekeningen van den 6: en 7. November 1790. voor evengemelde leden gehouden nopens het nader verhoor van Madoegodde. Translaat singaleete ola van Madoegodde en Badlde„ wokke. nopens de N o 53. brief na Gale van den 15 November 1790. zaak van den modliaar N:o 54: d:— van „ „ „ 19 do — 1790 van de Gaal„ N:o 55. do — na „ „. „ 28. d=o— 1790. sche twut„ sleep en N:o 56. d — van „ „ „ 1. December 1790. den gewezen N:o 57. do — 1a „. „. „ 14. d o —. 1790. Moleeudivam Mandenaike N:o 58. d — van „ „ „ 16. do 1790. tegen den N:o 59. do — „ „ „. „ 29 do — 1790: modliaar alon Balthee„ N:o 60 do —. na „. „. „ 12. Januarij 1791. Zar aias. N:o 52. Request vanden modliaar van den Gaalschen houtsleep en van den gewezen Mohandiram van den Gaalschen Attepattoe Mandenaike. Translaat Singaleete olie van &lon David. Translaat singaleete ola door Don David overgegeven, die Goeneratue /:zo hij zeide:/ aan de Muitelingen zoude geschreeven hebben. Translaat singaleese ola van Abraham Pridoes. Translaat No. 61. 330 N. o 61. Bericht van den Gaalschen Porta Modliaar &lan Balthakan dias. N:o 62. Kopia Resolutie genomen in raede van Ceilon op den 15. November 1790: houdende besluit om Madae„ „godde en Baddewokke na Kolombo te laeten overbren„ „gen. N: o 63. Brieven van Mature na Gale geschreeven den 4: 6: en 13. october 1790. houdende dat Bedde„ wokke Arvaatje zig zeer wederhorig gedraegen heeft. N: o 64. kopiae resolutie genomen in raale van Ceilon op den 27. November 1790: houdende besluit om nadoegoede te doen hooren door den fiskaal alhier voor twee leden van Justi„ sie en om de beschuldi„ „gingen tegens de Matuone„ N:o 65. Brief na Gale geschreeven den 9. december, waar bij evengem: resolu„ „tie is overgezonden. N:o 66: oxtrakt missive de dato 7. November 1790. van kolombo na Gale geschreeven, waar bij de Moor in kommissie gesteld is te stature. N o 67. brief van Gale geschreeven den 12. Januarij 1791. waar bij overgezonden is een Translaat ola doar Dit translaat is hier voren het hoofd van de kande„ baddepattoe son Simon aan den kommandeur sluijsken geschreeven onder N:o 6 vermeld. sche hoofden te statuve zelve te laeten onder zoeken door twee leeden uit den mati„ reschen landraad „schie No: 68 331 N:o 68: Brief na Gale den 15 Januarij 1791. in antwoord op evengemelde brief geschreeven N:o 69. Brief van Gale geschreeven den 20 Januarij 1791. op voorsz: brief van den 15: Januarij N:o 70: Breef na Gale geschreeven den 27. Maart 1791:, waar bij nadere explikatie gevraagd is nopens het geen ze omtrent den eersten klerk Fijbrands geschreeven hebben. N:o 71: Breeff van Gelle geschreeven den 19. Maart 1791. waar bij de Gaalsolie bedienden eene billijke herstelling verzoeken. N:o 72. Brief van Gale geschreeven den 30. Maart 1791: in antwoord op voorm: brief van den 27 Maart geschreeven. N:o 73. Berigt van den eersten klerk bij brands van den N:o 77: Een bondel houdende het maturesche onder„ zoek zo verre liet afgeloopen Gaat in een apparte bondel is, met een register daar bij gelworende N:o 76: Brief van Gale geschreeven den 20: Julij 1791. in antwoord op voorm: brief van den 5. Maij N:o 75. Jwee berichten van den luitenant dessave van schieler en van de landraads leeden Beijer en Brinkman over het gehou„ „den gedrag van den eersten klerk Zijbrands in de kommis„ „sie te Mature N:o 74 Brief na Gale geschreeven den 5. Maij 1791: waar bij kopij van evengem: Bericht aan de bedienden gezonden is. 11: april 1791. nopens zijne ver„ rigtingen te nature. 11 No. 78 N:o 78 Bericht vanden koopman en fiskaal vollenhove annex twee door Madoegodde appoe den 30: November en 2: december 1790: verleende declaratoiren. N:o 79. Aparte Breef na Gale geschreeven den 25: decem„ „ber 1791. waar bij den kom„ mandeur sluijtken gelast is duidelijk optegenen wat oorzaak gegeven heeft tot het herhaald klaegen dat men geene afdoening der klagten betragt en dat het voorschreevene bij zijn mandaat ola niet word nagekomen. N:o 80: Brief van den heer kommandeur den 28. decem„ „ber 1791. in antwoord of evengem: brief geschree„ „ven. Kolombo den 27. Januarij 1792: Heden den vijfden zeptember 1791: Kompareerde voor de E=s gekommitteerde Leden uit den Eerwaarden Landraad Jan David Rabinel en Augustus Christiaan Anthon Graave van Ranzow, de onder„ tenoemene perzoonen. 1: Attoekoorlege gammage Dingie appoe, 2: Moelletiene korle kankaan. 3: Maierle vidaaneraale, alle drie in- „wooners van de kandebaddepattoe, van Competente ouderdom en de Boedoese leer toegedaan. dewelke ter requisitie van den wel Edelen Gestrengen Groot Achtb: Heer Willem Ja„ cob van de Graaff, Raad ordinair van Nederlandsch Jndia, Gouverneur en Direk- „teur van het Eiland Ceilon met dies onder„ hoorigheeden; op de vertaalinge van den Eer„ waarden Don Louis, Proponent verklaar- „den waar ende waaragtig te weezen. Corns: Johianns: Idé gezeenklerk voor
English
First, the first deponent. That shortly before the unrest that recently arose in this Dessavony, he, together with the second and third deponents and in the company of Goubaddelle Moenesinge, former kangan of a rank of lascorins of the kandebaddepattoe, went to Gale with the intention to complain about Manamperie mohandiram, both for themselves and for many people from the kandebaddepattoe; they having taken and brought with them for that purpose a complaint ola written by Don Simon araatje and Neerlanpittie aratje in the name of all the people of the kandebaddepattoe. Which complaint ola they delivered to the sabandhar in the name of all the people, in order to hand it over in all their names to the Honorable Lord Commander. That the Honorable Lord Commander, having received this complaint ola, had it sent to the secretariat for translation. That they all subsequently stayed in Gale for some days; that he, the deponent, remained there ten to fifteen days. That while they were in Gale, he, the deponent, heard from the above-mentioned Goubaddelle Moenesinge and from the third deponent that the Honorable Lord Commander gave them some money. That he understood from the mouth of the second and third deponents and of the former kangan, Goubaddelle Moenesinge, that the sworn interpreter Simon mohandiram, or else a Mohandiram of Colombo, had interpreted to them in the name of the Lord Commander that the Honorable Lord Commander made known to them that he, the Lord Commander, could not help them with such a manner of complaining, but would do so if they gathered together. That when the Commission from the Council of Gale departed hither, he, the deponent, learned that the second deponent had supposedly departed hither with that Commission. The deponent also declares to have heard that a certain Adriaan Appoe, currently serving with Colonel van Driberg, frequently left Gale during the said revolt and went to the rebels, and was in secret conversation with Don Simon aratje and with Madoegodde Appoe. But the deponent declares that he indeed heard this, but had not seen it. The second deponent declares that before the unrest that recently arose in this Dessavony, he, with the first and the third deponent and with Goubaddele moenesinge, presented a complaint ola to the Honorable Lord Commander in the name of Don Simon aratje and Neerlanpittie aratje, signed by many people from the kandebaddepattoe. That Don Simon aratje and Neerlanpittie aratje had not gone along to Gale at the request of the Baddekorn, who had also urged the said aratjes to cut their names out of the complaint ola. The second deponent declares likewise that after the aforesaid complaint ola was sent to the secretariat to be translated, they all stayed in Gale for some days; that he, the deponent himself, stayed there fifteen days, and after the expiration of those days departed with the first declarant or deponent. That the third deponent had remained in Gale for some time longer with Goubaddelle Moenesinge. That these two last-mentioned persons related to him that they had eaten now and then with the Honorable Lord Commander, and that they had also received some money from the Lord Commander. That he, the deponent, also understood from the aforesaid persons that the Honorable Lord Commander had made known to them through one of the interpreters that he, the Lord Commander, could not help them on the basis upon which they had framed their complaints, but that he, the Lord Commander, would do so whenever they formed a gathering. That he, the deponent, was nevertheless not present at this statement. That when the Commission from the Council of Gale departed hither, he, the deponent, also came here with Goubaddelle Moenesinge. The third deponent declares that some time before the recent unrest, he had gone to Gale with the first and second deponents and with Goubaddelle Moenesinge, in order to present a complaint ola against Manamperie mohandiram to the Honorable Lord Commander; that on that occasion he, the deponent, made known to the Honorable Lord Commander that Don Simon aratje and Neerlanpittie aratje wrote this complaint ola together in their name and in the name of the other signatories.
Dutch transcription
333 voor af de eerste attestant. Dat hij kort voor de Jongst in deese Dessavo= „nij gereesen onlusten, nevens de tweede en der „de Comparanten en in gezelschap van Goubad= delle Moenesinge gewesen kangaan van een randje laskorijn van de kandebaddepattoe„ naar Gale gegaan is, met intentie, om zoo voor hun zelven, als voor veele vol= keren uit de kandebaddepattoe, over Manamperie mohandiram te klaagen: hebbende zij tot dat einde met zig mee„ de genoomen en gebragt een klagt ola door Don Simon araatje en Neerlan„ pittie aratje uit naam van al het volk van de kandebaddepattoe geschreeven. Wel: „ke klagt ola zij uit naam van al het volk hebben overgegeeven aan den sa„ „bandhar, om dezelve uit hun aller naam aan den Achtbaaren Heer Comman„ deur overtegeeven. Dat de Ed. Achtbaare Heer Commandeur deeze klagt ola over„ „genomen hebbende, dezelve naar het sekretarij ter vertaalinge overgezonden heeft gehad. Dat zij zig alle eenige da„ „gen vervolgens te Gale hebben opgehouden, dat hij attestant tien â vijftien dagen al= daar gebleeven was. Dat geduurende zij op Gale waaren, hij attestant van bovengedagte Goubad= delle Moenesinge en van den derden attes- „tant gehoord heeft, dat de agtbaare Heer kommandeur aan hun eenig geld ge= geven heeft. Dat hij uit den mond van den tweeden en derden deklarant en van den geweesen kangaan, Ponbaddelle Moenesinge ver„ ^ dat de seegetagg tolk Simon moh=m slaan heeft, dan wel eene Mohandiram van kolombo, hun uit naam van den Heer kommandeur zoude vertolkt hebben, dat de agtb: Heer kommandeur hun Heer deed 334 deed weeten, dat wij Heer kommandeur hun op zulk een manier van klagen niet konde helpen: edog zulks te zullen doen, indien zij tezaamen rotteden. Dat toen de Commissie uit den gaalschen Raad herwaards vertrokken was, hij attes= „tant vernoomen heeft, dat de tweede attes- tant, met die Commissie, na herwaards zoude vertrokken zijn. De attestant verklaard ook gehoord te heb- ben, dat eene adriaan appoe, tans dienen- „de bij den Heer kolonel van Driberg ge„ duurende de gedagte revolte, zig dikwils van Gale verwijderd en bij de revolteurs gekoomen is,en met Don simon aratje en met madoegodde appoe in geheim ge„ sprek geweest is. Dan de attestant ver„ klaard, dat hij dit wel gehoord, maar niet gezien heeft gehad. De tweede altestant verklaard dat hij voor de Jongst in deeze Dessavonij gereesen onlusten met de eerste en de derde attestant, en met Goubaddele moene„ „singe, uit naam van Don Simon aratje en Neerlanpittie aratje een klagt ola aan den achtbaaren Heer kommandeur gepresenteerd heeft, geteekend door veele volkeren uit de kandebaddepat„ „toe. Dat Don Simon aratje en Neerlan„ pittie aratje niet meede naar Gale gegaan waaren op het verzoek van den Badde„ korn, dat deeze ook bij gem: aratjes aan„ „gehouden heeft gehad om hunne naamen uit de klagt ola uit te snijden. De tweede attestant verklaard tevens, dat na dat de voorzeide klagt ola, om te vertaalen naar het sekretarij gezonden was, zij met hun allen zig eenige dagen te Gale hebben opgehouden, dat hij at„ testant zelve zig aldaar vijftien dagen de, heeft 8 335 heeft opgehouden, en na verloop van die dagen met den eersten deklarant ofte al „testant vertrokken is. Dat de derde attestant met Goubaddelle Moe: „nesinge nog eenigen tijd op Gale geblee „ven waaren. Dat deeze twee laatst= „gemelden hem verhaald heeft, dat zij nu en dan, bij den Achtbaaren Heer Commandeur gegeten hadden, dat zij ook eenig geld van den Heer Comman „deur ontvangen hebben. Dat hij attestant ook uit de voorzeide perzoonen verstaan heeft, dat de Agt„ „baare Heer kommandeur, hun door een der tolken zoude hebben laaten weeten dat hij Heer kommandeur op den voet waar op zij hunne klagten hadden ingerigt, hun niet konde hel= „pen, edog dat hij Heer kommandeur dit zoude doen, wanneer zij tot eene tezaamen rotting kwamen. Dat hij at„ „testant nogtans bij dit gezegde niet present is geweest. Dat toen de Commissie uit den Gaalsen Raad naar herwaards vertrokken is, hij attestant met Goubaddelle Moene„ singe ook hier gekoomen is. De derde attestant verklaard dat hij eeni- „gen tijd voor de Jongste onlusten, met den eersten en tweeden attestant en met Goubaddelle Moenesinge naar Gale gegaan was, ten einde om aan den Ed: Achtbaaren Heer kommandeur een klagt ola tegens Manamperie mohan- „diram te presenteeren; dat hij attestant bij die geleegenheid den Achtb: Heer kommandeur te kennen gegeeven heeft dat Don Simon aratje en Neerlan„ pittie aratje deeze klagt ola uit naam van hun en van de andere teekenaars tezaamen geschreeven 8
English
wrote it. But that when they had arrived at Mature, the Baddekorale had feasted and entertained the two aratchies, whereupon the said aratchies cut their names out of the aforementioned complaint ola; That he, together with the first and second deponent and Gonbaddelle Moenesinge, notwithstanding that the above-mentioned two aratchies had cut their names out of the complaint ola, nevertheless delivered the same to the Honorable Lord Commander, because they could no longer endure the injustice done to them. That the Honorable Lord Commander immediately sent this complaint ola to the Political Secretariat for translation, and also that the four of them subsequently stayed in Gale for some time, namely the first deponent ten days, the second fifteen days; but that he, with Gonbaddelle Moenesinge, had remained there to await orders until ten days after the Sinhalese New Year, the two of them together having stayed in Gale for a total of one month and five days. The deponent further declares that they had remained in Gale because the Honorable Lord Commander had ordered them to stay there until the ola should be translated. That he, the deponent, together with Goubaddelle Moenesinge, received at Gale for food at the expense of the Honorable Lord Commander two medits of rice, and at Belligam four medits; that they both had also received some copper money, without knowing the exact amount thereof, but that he, by estimate, enjoyed four and a half schellings for his share. Furthermore, he declares that an interpreter unknown to them, or whom he does not remember in the least, told him on behalf of the Honorable Lord Commander that they, without any fear or respect of persons, had to make known to him, the Lord Commander, all complaints and grievances, against whomever they might be, just as freely as children would do to their father, and that they therefore had to return to the place where the assembly was gathered, in order to collect and bring together there all the complaints they might still have. That they subsequently received a sannas to give to Don Simon, as they indeed did, together with a Dolemoelle appu and mohotti appu, to both of whom this sannas was also entrusted; but he, the deponent, declared that he did not know the contents of the sannas, but indeed that when they had brought the sannas to the mutineers, these insurgents wrapped it in a white linen cloth and placed it upon the head of someone, over whom two other persons carried a white outspread linen cloth, and thus brought it into the midst of the assembled crowd, being preceded by a banner, under the playing and beating of tom-toms and dawula drums. The deponent also declares that Don Simon aratchie and Neerlanpittie aratchie, coming with them from the Kandebaddepattoo to go to Gale, both remained here, and had only ordered them to deliver that complaint ola. The deponents, concluding these their statements given, which they testified to contain the pure and sincere truth, giving as reason of knowledge as in the text, being prepared to further confirm the attested matters, each for his own part, if required, with a solemn oath. Thus declared and passed within the Dessavony of Mature, date as aforesaid, in the presence of the aforementioned members. Was signed with a mark, around which was written: This is the mark of the first; another mark and around it written: this of the second; and another mark and around it written: and this of the third deponent. In the margin: In our presence, signed: J: D: Rabinel and A: C: A: G: van Ranzow. Lower: for the translation, signed: D: Louis proponent. In the middle: Known to me, signed: M: F: Palm, authorized members. Cornelis Johannes & de geza clerk Agrees. No. 1. Examined GV: Linde Today, the 15th of September 1791: Appeared before the undersigned honorable members from the Reverend Landraad, the Sinhalese Gongbaddellege Moenesinge kankaan, resident of Gongbadelle in the Kandebaddepattoo, aged 70 years, of the Buddhist doctrine, who, at the requisition of the Right Honorable, Valiant, Most Honorable Lord Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, upon the translation of the Reverend Don Louis, declared it to be true and truthful: That, just before the beginning of the recent disturbances, he arrived here from the Kandebaddepattoo in the company of Neerlanpittie and Don Simon aratchie, together with an
Dutch transcription
336 geschreeven heeft. Dog dat toen zij te Ma„ „ture gekoomen waaren de Baddekorn de twee aratjes gefesteert en getrakteert heeft gehad, waar op gemelde aratjes hunne naamen, uit de meergemelde klagt ola gesneeden hebben; Dat hij nevens de eerste en tweede attestant en Gonbaddelle Moenesinge, niet tegenstaan- „de de bovengem: twee aratjes hunne naamen uit de klagt ola gesneeden hadden, nogtans dezelve aan den Acht= „baaren Heer Commandeur hebben over„ gegeven. wijl zij het onregt aan hun aangedaan wierd, niet langer konden verdraagen. Dat de achtbaare Heer kommandeur dee„ „ze klagt ola ten eersten ter vertaalinge naar het sekretarij van Politie gezon„ „den heeft, zoo meede, dat zij met hun vieren vervolgens eenigen tijd op Gale zig opgehouden hebben, te weeten de eerste attestant, tien dagen, de tweede vijftien dagen: edog dat hij met Gonbad„ „delle Moenesinge daar gebleven was om order aftewagten tot tien dagen na het singaleese Nieuwe Jaar, hebben„ „de zij met hun bijden in het geheel een maand en vijf dagen hun te Gale opgehouden. De attestant verklaard al verder dat zij te Gale gebleeven waaren, om dat de achtb: Heer Commandeur hun gelast had aldaar te blyven tot dat de ola zoude getranslateert zijn. Dat hij attestant nevens Goubaddelle Moene„ singe te Gale voor reekening van den achtbaaren Heer Commandeur tot spijs twee mediten rijst en te Belligam vier mediten genooten heeft. dat zij bijden ook eenig koper geld ontvangen hadden zig zonder 8 337 zonder het regt bedraagen daar va te weeten, maar dat hij, naar gissing tot zijn aandeel vier en een halve schelling genooten heeft. Voorts verklaard hij dat een tolk hen onbekend, of die hij zig in het minst niet weet te herinneren hem uit naar van den Achtb: Heer kommandeur gezegt heeft, dat zij zonder eenige vrees of aanzien van perzoon, alle de klagten en beswaaren, ze mogte zijn tegens wie zij ook waaren, aan hem Heer kommandeur moesten te kennen geeven, even zoo vrijmoedig als kinderen dit aan hunnen vader zouden doen, en dat zij dierhalven weder moesten keeren ter plaatse daar de tezaamenrotting zig bevond, om aldaar alle de klagten die zij nog mogten hebben op te saamelen en by een te brengen. Dat zij vervolgens een samas hebben ontvangen om aan Don Simon te geeven gelijk zij dit ook gedaan hebben gehad ne„ vens eene Dolemoelle appoe en moho„ „tie appoe aan welke bijde deese sannas meede aanbevoolen was: dog hij attes= „tant verklaarde, den inhoud van den samas niet te hebben geweeten, maar wel dat toen zij de samas bij de muitelingen gebragt hadden, deeze oproerigen dezelve in een wit linnen doek omwonden en gelegd hebben op het Hoofd van iemand, over welke weder twee andere perzoonen een wit uitgespreid linnen droegen, en hebben het alzoo, midden onder het tezaa„ men gerotten hoop gebragt, zijnde voorgegaan van een vaandel, onder het speelen en slaan van tamblijnen een en 338 en aude birre. De attestant verklaard ook dat Don simon aratje en Neerlanpittie aratje met hun van de kandebaddepattoe koomende om naar Gale te gaan, bijde alhier gebleeven zijn, en aan hun eenlijk gelast hadden die klagt ola overtegeeven. 6 Eindigende de attestanten deeze hunne gegeeven verklaaringen, welke zij be„ „tuigden te behelsen de zuijvere en opregte waarheid, geevende voor reeden van weetenschap als in den text be„ reid zijnde om het geattesteerde, een elk de hunnes, des gerequireerd wor„ „dende, nader met solemneelen Eede te bevestigen. Aldus verklaard ende gepasseerd bin„ „nen de Dessavonij van Mature dato voorsz: ter presentie van voornoemde leeden. /:was geteekend:/ met een merk, daar omme geschreeven Dit is het merk van den eersten, nog een merk en daar omme geschreeven dit van den tweeden, en nog een merk en daaromme geschree„ „ven en deeze van den derden attestant /:inmargine:/ ons Present /:geteekend:/ J: D: Rabinel en A: C: A: G: van Ranzow /:lager :/ voor de vertaaling /:geteekend:/ D: Louis proponent /: in 't midden : /in mijn kennis /:geteekend:/ M: F: Palm geauth: leeden. Corn:s: Johianns: & dé geza klerk Ackordeert 8 No. 1. 339 Nagezien GV: Linde Heden den 15: September 1791: Kompareerde voor de ondertenoemene E. s leeden uit den Eerwaarden Landraad de singaleesch Gongbaddellege Moenesinge kankaan inwooner van Gongbadelle in de kan„ „debaddepattoe oud 70: Jaaren, van de Boedoese leer. dewelke ter requisitie van den wel Edelen Gestrengen Groot Achtbaaren Heer Wil= „lem Jacob van de Graaff, Raad ordi nair van Nederlands Jndia, Gouver„ „neur en Direkteur van het Eiland Ceilon met dies onderhoorigheeden, op de vertaalin- „ge van den Eerwaarden Don Louis ver„ „klaarde waar ende waaragtig te weezen: Dat hij even voor het aangaan der Jongste onlusten van de kandebaddepattoe alhier is aangekoomen in gezelschap van Neer„ „lanpittie en Don simon aratje nevens een
English
34 a large number of people from the aforementioned pattu, bringing with them a petition ola against the mohandiram of the said pattu named Manamperie, with the intention of presenting it to the Dissave of Mature: that when they wanted to appear with this petition ola before the aforementioned Ruling Lord Dissave, the Badekorale or second interpreter of the Porta begged both the aratchies, namely Neerlanpittie and Don Simon Aratchy, not to lodge any complaints against Manamperie, since he was married to his sister and was his brother-in-law, and it would bring shame upon him. That the said Badekorale subsequently entertained and feasted the said aratchies, until they both cut their names out of the petition ola. That he, the attestant, subsequently departed for Gale alongside the korale kankaan and the Mawerle vidane-rala, and arriving there, presented the said petition ola to the Right Honourable Lord Commander, both on their own behalf and in the name of the entire people of the Kandebaddepattu. That the Honourable Lord Commander, having heard them and received the petition ola, had the interpreter of the office tell them that he, the Lord Commander, could not help them through this manner of complaining, but rather, and that it would also be better, if the same complaints were presented by the multitude of the people or by all of them together. That the aforementioned Honourable Lord Commander then sent the petition ola to the office to have it translated, and ordered them to remain in Gale for the time being: that they could submit their complaints in all tranquility and do so without the least apprehension, just as children brought their complaints to their father. That he, the attestant, stayed in Gale for thirty-five days, and upon his departure from there received for his share from the Honourable Lord Commander two medites of rice and one rupee in money, and that Mawerrele vidane-rala also received two medites of rice and four and a half schellings. That he subsequently returned here with the said Mawerrele vidane-rala, Mohotie Appoe, and Dollemoelle Appoe, lascorins of the guard, with a sannas signed by the Honourable Lord Commander in order to deliver it to the rebels. Which sannas, upon arriving in the Kandebaddepattu, they delivered to Don Simon Aratchy, who carried it placed upon his head under a canopy of white linen, preceded by a banner with tom-toms and bera drums, to the place where the entire gathering was assembled. That he, the attestant, did not know the contents of that sannas. The attestant further declares that Don Simon, having arrived at the gathering with this sannas and having separated the people of each korale and pattu from one another, said to those of the Kandebaddepattu that he was reading this sannas to them in the name of the Honourable Lord Commander, by which they were forbidden to cause any harm or damage to the Honourable Company, as well as to the poor inhabitants. That they should enlarge the gathering, and could bring their complaints before him, the Honourable Lord Commander, and be as free as children bringing their complaints before their father: that they could be assured that their complaints would be properly investigated. The attestant herewith concludes this statement given by him, which he affirms to contain the pure and sincere truth, giving as reason for his knowledge as stated in the text, accepting and promising to confirm what he has attested, if required, further by solemn oath. Thus attested and done within the Fortress of Mature on the date aforesaid, in the presence of Messrs. Johan David Rabinel and August Christiaan Anthon Graave van Ranzow, members of the Honourable Landraad. Was signed with a mark, around which was written: This is the own hand mark of Moenesinge Kangaan. In the margin: Present before us. Signed: J. D. Rabinel and A. C. A. G. van Ranzow. Lower down: For the translation, signed: Don Louis, proponent. In the middle: Known to me, signed: M. F. Palm, authorized. Examined: Agrees. Cornelis Johannes Idé, sworn clerk. 343 Today, the 29th of October, Anno 1790. By order of the Right Honourable Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon and its dependencies, appeared before me, Benedictus Lambertus van Lier, merchant and Secretary of Police here: 1. Attoekoorlege Gammege Dingie Appoe, mayoral of the village of Toonbadde in the Kandebaddepattu. 2. Mallewrege Dingie Appoe, former korale kankaan of the village of Moelletiënne in the Kandebaddepattu. To whom, through the translation of Manuel Fernando, sworn Sinhalese interpreter at the secretariat of the Honourable Council of Justice of this Castle, the statement which they provided at Mature on the date of 5 October of the current year before the Landraad members Jan David Rabinel and August Christiaan Anthon Graave van Ranzow having been clearly presented again, they persisted therein, solely with the following changes, namely: By the first deponent: On the first paragraph, that he did not go along
Dutch transcription
34 een groot getal volk uit evengedagte Pattoe„ meede brengende een klagt ola tegens den mohandiram van even gem: Pattoe in naame Manamperie, met intentie om dezelve aan den Heer Dessave van Mature te presenteeren: dat toen zij met deeze klagt ola voor welgem: Gebiedenden Heer Dessave hebben willen verscheij= „nen de Badekorn of tweede tolk van de . - - . Porta, de bijde aratjes naamelijk Neerlan„ „pittie en Don simon aratje gebeden heeft, om geene klagten teegens Manamperie te willen inbrengen, alzoo deeze met zijn suster getrouwd en een swager van hem was, en het hem tot schande zouden strek- ken. Dat gem: Badekorn daar op gemel- „de aratjes onthaald en gefesteerd heeft ge„ had, tot zij bijde hunne naamen uit de klagt ola gesneeden hebben. Dat hij attestant vervolgens nevens den kor= „le kankaan en mawerle vitaaneraale naar Gale vertrokken is en gem: klagt ola aldaar koomende aan den wel Edelen Agtbaa= „ren Heer Kommandeur, zoo uit hun, als uit naamen van het gantsche volk van de kandebaddepattoe, hebben gepresenteerd. Dat de agtbaare Heer kommandeur hun gehoord en de klagt ola overgenoomen hebbende door den tolk van het comptoir aan hun heeft doen zeggen zoon zeggen dat hij Heer Kommandeur haar op deeze wijze van klaagen niet konde helpen, maar wel, en dat het ook beeter zoude zijn, wanneer dezelve klagten door de meenigte des volks of door haar alle voor„ gesteld wierden. Dat wel gem: achtbaaren Heer Kommandeur vervolgens de klagt ola naar het komptoir gezonden heeft gehad om het te translateeren, en aan hun lieden gelast dat zij zoo lange op Gale moeste blijven: Dat zij hunne klagten naar zeer zeer gerust konden inbrengen en zulks zon„ „der de minste beschroomdheid doen, gelijk kinderen hunne klagten aan hunnen vader voorbragten. Dat hij attestant vijf en dertig dagen zig te Gale opgehouden heeft, en bij zijn vertrek van daar, voor zijn aandeel van den agtbaaren Heer kommandeur genooten heeft twee me„ „diten rijst en een ropij aan geld, dat Ma„ werrele vitaaneraale ook twee mediten rijst en vier en een halve schelling gekree= „gen heeft. Dat hij vervolgens met gedagte Mawerrele vitaaneraale, Mohotie appoe en Dollemoel„ „le appoe laskorijns van de guarde, na herwaards is gekoomen, met een door den agtbaaren Heer kommandeur geteekende samas om dezelve aan den revolteurs overtegeeven. welke samias, zij in de kan„ de baddepattoe koomende over gegeeven hebben aan Don simon aratje, die dezelve op zijn Hoofd gelegd gedraagen heeft, onder een verhe„ „melte van wit linnen, zijnde voorgegaan van een vaandel met tamblijntjes en Berres, tot der plaatse daar de gantsche tezaamen rotting ver„ „gaderd waaren. dat hij attestant den inhoud van die samas, niet geweeten heeft. De attestant verklaard al verder, dat Don si„ mon met deeze samas bij de tezaamen rot„ „ting gekoomen zijnde, en het volk van ieder korl en Pattoe van elkander afgezonderd hebbende tot die van de kandebaddepattoe gezegt heeft, dat hij hun lieden deeze san- „nas uit naam van den Achtbaaren Heer kommandeur voorleide, waar bij aan hun verbooden word eenige schaade of nadeel aan dE: kompanie, zoo min als aan de arme ingezeetenen toetebrengen. Dat zij de te zaa„ „menrotting moesten vergrooten, en hunne klagten voor hem /:Achtbaaren Heer kom- aan mandeur 80 342 mandeur konden brengen:/ en zoo vrij zijn, even gelijk kinderen hunne klagten voor hunnen vader bragten: dat zij verzeekerd kon„ „den zijn dat hunne klagten behoorlijk zouden onderzogt worden. Eindigende de attestant hier meede deeze zijn gegeeven verklaaring, het welk hij betuigd de zuijvere en opregte waarheid te behel- „zen, geevende voor reeden van weeten„ „schap als in den text aanneemende en be„ loovende het door hem geattesteerde, des gerequireerd wordende nader met solem= „veelen Eede te zullen staaven. Aldus Geattesteerd ende gedaan binnen de Fortresse van Mature dato voorsz: ten bijweezen van DE=s Johan David Rabinel en August Christiaan Anthon Graave van Ranzon Leeden van den Eerwaarden Landraad. /:was getee„ kend:/ met een merk, en daaromme geschree„ „ven Dit is de Eijgen handige merk teeken van Moenesinge kangaan /:inmargine:/ ons Present /:geteekend:/ J: D: Rabinel en A: C: A: G: van Ranzon /:lager:/ voor de ver„ taaling /:geteekend:/ Don Louis proponent /:in 't midden :/ in mijn kennis /:geteekend:/ M: F: Palm geauth: „ven nagesien: Ackordeert. Corn:s: Johanns Idé 8 serspale gezeeklerk. 343 Heden Den 29. ' Otober Ao 1790. —. zijn ter order van den wel Edelen Groot Achtbaaren heer Willem Jacob van de Graaff, Raad ordinair van Nederlandsch India, Gouverneur en Direkteur van het Eijland Ceilon, met dies onderhoorigheeden, voor mij Benedictus Lambertus van Litter, koopman en sekretaris van Politie alhier gecompareerd. 1. Attoekoorlege Gammege Dingie appoe, ma„ „Joraal van het Dorp Toonbadde in de Kan„ „de baddepattoe. 2. Mallewrege Dingie Appoe, gew: Corle kang aan van het Dorp Moelletiënne in de Kande badde„ „pattoe Aan de welken ter vertaaling van Manuel Fer„ „nando, gezw: sing aleesche tolk ter sekretarij van den achtb. raad van Justitie deezes Casteels, weder duijdelik voorgehouden zijnde de verklaaring, die ze onder dato 5. 2ber: J=ao:, te Mature voor de Land„ raads Leeden Jan David Rabinel en August Christiaan Anthon Graave van Ranzow hebben verleend, bleeven zij daar bij persisteeren, al„ „leen met de volgende veranderingen, namelijk: Door den Eersten Comparant. op de eerste paraqraaph, dat hij niet meede gegaan S
English
344 had gone to deliver the complaint ola to the Jahabaanbaar Mudaliyar, but that his three companions had done so, while he had remained behind at their lodging place to prepare food for himself and his aforementioned companions. To the fourth paragraph, that he had not learned that Moelletiene Korle Kangaan, but indeed Mawerle Vidaaneraale and Moenesinge Kangaan, had gone along with the gentlemen of the Galle Commission to Matara. By the second appearer. To the second paragraph, that the first attestant had first returned to his pattu, and that he, the declarant, had returned about 12 days thereafter. To the fourth paragraph, that he himself, with Mawerle Vidaaneraale and Moenesonge Kangaan, had been present on the porch of the Honorable Commander when the Colombo Mohandiram of the gamekeepers, who was also standing on the said porch, said to the three of them that they could not be helped in this manner, but that such could happen if a collection were made, though the said Mohandiram had said this on his own accord and without naming the Honorable Commander in connection therewith. To the fifth paragraph, that not he, but indeed Mawerle Vidaane Raale with Moenesinge Kangaan, had gone along with the gentlemen of the Galle Commission to Matara. Subsequently, the following questions having been put to the appearers by me, the secretary, they answered thereto as noted beside each question. The first appearer says that another 5 to 6 other people also went along to Matara, among whom was also Kannewiere Kangaan. Whether there were any more people along. Yes. The first appearer says yes, that Don Simon Aratchi and Nierlanpittie Aratchi were with them, and their companions Mawerle Witaarne Raale and Moenesinge Kangaan also went to Matara. The second appearer also says yes. 345 Kannewiere Kangaan, inhabitant of the Diedinie Pattu, but he says that the names of the rest do not come to mind right now. The second appearer says that another 4 to 5 persons went along to Matara, but that he only knows by name Kannewiere Kangaan, mentioned above. Who wrote the complaint ola. The first appearer says that Nierlanpettie Aratchi had written the ola in his own house, and that he had learned from Mawerle Vidaane Raale and Moenesinge Kangaan that Don Simon Aratchi, who is of the kinsfolk of the aforesaid Nierlanpittie, had also been present there when their complaints were written down, but that when he, the declarant, submitted his complaint, Don Simon Aratchi had not been present there. That Nierlanpittie Aratchi had prepared the complaint ola from the individual complaints that various inhabitants had submitted to him, both in writing and orally, and that these complainants consisted of about 18 persons, among whom were also he, the declarant, and his three companions, namely Moelletienne Korle Kangaan, Mawerle Vidaaneraale, and Moenesinge Kangaan. That his, the declarant's, complaint actually consisted in this, that Manamperie Mohandiram had taken 8 Rds. from him in order to reinstate him into his office of Mayoraal and into possession of the lands belonging thereto, which he had taken away from him, the declarant, and assigned to Moenesinge Kangaan, but that this reinstatement had nevertheless not taken place. That Nierlanpittie Aratchi, having included this complaint of his in the general complaint ola, he, the declarant, because he can neither read nor write, signed this item on the ola with a mark, such as is set down here beside it by his own hand - - - - was signed with a mark. The second appearer says that Nierlanpittie Aratchi had written down the complaints of the people of Kandipittie Walle Kadde, under which district he and the first appearer also belong, and that Don Simon Aratchi had written down the complaints of the people of Pakman Walle Kadde, which he subsequently handed over to Nierlanpettie Aratchi, who thereupon joined the complaints of both districts together. That the complaint which he had submitted individually and indeed orally to Nierlanpittie Aratchi consisted in this, that the Mohandiram Manamperie had arrested him innocently, having taken a tuppatti from him, and that after Nierlanpittie had written down this complaint of his, he, the declarant, signed for it on the complaint ola with the mark that is set down here beside it by his own hand - - - - was signed with a mark. Who brought the ola to Matara. The first appearer says that Nierlanpettie Aratchi, after the complaint ola was prepared, had handed it over to Moenesinge Kangaan, who brought it to Matara to be presented to the Honorable Disawa van Angelbeek, but that, while he was still in Matara, he had learned from Moenesinge Kangaan that the then Baddekom or second interpreter, who is a brother-in-law of Manamperie Mohandiram, having entertained Don Simon Aratchi, Nierlanpittie Aratchi, and Moenesinge Kangaan with a meal, had persuaded them not to present the ola, and
Dutch transcription
344 gegaan was om de klagt ola aan den Iaban„ „daar modliaar overtegeeven, maar dat zijne drie makkers zulx gedaan hadden, terwijl hij in hun verblijf plaats was te rug gebleeven, om de kost voor hem en gem: zijne makkers klaarte maaken. Op de vierde paragraaph, dat hij niet vernoomen had dat Moelletiene korle kangaan, maear wel dat Mawerle vidaaneraale en Moenesinge Kangaan, met de heeren van de Iaalsche Commissie naar Mature waaren meede gegaan. Door den tweeden Comparant. op de tweede parraquaaph, dat de eerste attestant zich eerst na zijn pattoe had te rug begeeven, en dat hij declarant omtrent 12. dagen daar na te rug gegaan was. op de vierde Paragraapk, dat hij zelfs, met Ma„ „werle vidaanraale en Moenesonge kangaan, op de stoep van de Heer Commandeur present was geweest, toen de Kolombosche Mohandinam van de wildschutters, die meede op gem: Stoep stond, De eerste Comparant zegt, dat of 'er nog meer menschen zijn tot hun drien zeide, dat zij op deeze wijze niet nog 5. â 6 andere menschen meede meede geweest. konden geholpen worden, maar dat zulx zoude naar Mature sijn geweest, waar onder ook zich bevonden had Ja. De eerste Compeerant zegt Ja Ot Don Simon arraatje en De tweede Comparent zegt meede Nierlanpittie arraatje met hun, en hunne maknes mawerle Witaarne raale en Moenesinge kangaan, zijn meede geweest naar Mature. kunnen geschieden, indien er eene zeemenstotting ge„ maakt wierd, doch dat gem: Mohandiram dit had gezeid als uijt zich zelven en zonder den Heer Commandaur daar bij te noemen. op de vijfde paragraaph, dat niet hij, maar wel Maierle vidaane raale met Moenesinge nan„ „gaan, met de keeren van de Faalsche Commissie na Mature was meede gegaan. vervolgens door mij sekretaris de volgende vraagen aan de Compeeranten voorgehouden zijnde hebben zij daar op zodanig geantwoord, als bezijden elke waag word aangeteekend. kunnen Reennewiere 2. 345 Kannewiene Kangaan, inwoonder. van de Diedinie Patte, maar de naamen van de overige zegt hij hem nu niet te willen binnen De tweede Comparant zegt, dat nog 4. à 5. perzoonen zijn meede gegaan naar Mature, doch dat hij daar van allien bij naame kend Kannewiere kangaan, hier bo„ ven genoemd. Schieten. De eerste Comparant zegd dat wie de klagt-ola geschreeven heeft. Nierlanpettie arraatje de ola geschreeven had in zijn eijgen huijs, en dat hij van Mawerle vidaane raate en Moenesinge Kangaan vernoomen had, dat Don Simon arraatje, die van de maagschap van voorm: Neer„ lanpittie is, zich meede daar bij had bevonden, toen hunne klagten wierden opgeschreeven, dog dat toen hij Declarant zijne klagte had opgegeeven; Don Simon arraatje daar bij niet present was geweest. Dat Nier„ lanpittie arraatje de klagt ola had vervaardigt uijt de bij zondere klagten, die verscheij„ „de ingezeetenen zoo wel schrift„ telijk als bij monde aan hem hadden opgegeeven, en dat deeze klaagers uijt omtrent 18. koppen hadden bestaan, waar onder ook geweest zijn hij declarant en zijne drie makkers, namentlijk Moel„ „letienne korle kangaan, Ma„ weale vidaaneraale en Moe„ nesinge kang aan. Dat zijn de Clarants klagte eijgentlijk daar in had bestaan, dat Ma„ namperie mohandiram van hem 8. Rd: had genoomen, om hem weder te herstellen in zijn dienst van Majoraal, en in het bezit van de daar toe ge„ hoorende Landerijen, die hij van hem declarant afgenoomen en aan Moenezinge kangaan toegevoegd had, dog dat niet te min deeze herstelling niet present was 3. 3. was geschied. Dat Nierlan pittie. hebbende, van hem een toepetie ge„ arraatje deeze zijne klagte, bij de generaale klagt ola hebbende ingenoomen, hij declarant deze post bij de ola, wijl hij niet leezen nog schrijven kan, met een karac„ „ter had onderteekend, zodanig als die door hem zelvs hier ne„ De tweede Comparant zegt, dat Nierlanpittie arraatje had opge„ schreeven de klagten van de luijden van kandipittie walle kadde, onder welk district hij in de eerste Comparant meede gehooren, en dat Don Simon arraatje had opgeschre„ „ven de Klagten der luijden van pakman walle kadde, welke hij vervolgens had overgegeeven aan Nierlanpettie araatje, die daarop de klagten van beide districten had te zamen gevoegd. Dat de klagte die hij in 't bij„ „zonder en wel mondeling aan Nievlanpittie arraatje hadde opgegeeven, daar in bestond, dat de Mohandiaam Manam„ perie hem onschuldig geeresteerd „vens word gesteld - - - - /.:was geteekend:/ met een karaster. 4. De eerste Comparant regt: Wie de ola heeft overgebragt na Dat Nierlanpettie arraatje, Mature. na dat de klagt ola vervaar„ digt was, dezelve had overge„ geeven aan Moene dinge keen„ „gaan, die dezelve had overge„ bragt na Mature, om te wor„ den gepresenteerd aan den E: Dessave van Angelbeek doch dat hij nog te Noture zijnde van Moenesinge vangaan had vernomen, dat de toenmaalige Baddekom of tweede tolk, die een Zwageris van Manamperie Mohandiaam zoo wel Don. Simon Arraatje en Nierlan„ pittie arraatje, als Moenesin„ „ge kangaan op eene maaltijd onthaald hebbende, hen bewoogen had, om de ola niet te presenteeren, - - - - - - /:was geteekend:/ met een narakler noomen had, en dat na dat Nier„ „lanpittie dee ze zijne klagte kad„ „de opgeschreeven, hij declarant daar voor bij de klagt ola had geteekend met het teeken, dat door hem zelven hier nevens word gesteld hebbende en
English
347 and Nierlanpittie arraatje had removed from that complaint ola the leaves on which their specific complaints were written. That he had further heard from Moenedinge kangaan that the said second interpreter had requested Don Simon and Nierlanpattie arraatje to try to bring about that the other complainants also kept quiet, under the promise that he, the interpreter, would see to it that his brother-in-law Manamperie would return to them the money wrongfully taken. The second appearer says that Moenelinge kangaan had brought the ola over to Mature to present it to the Honorable Dissave van Angelbeek, but that while still in Mature he had learned from Moenelinge kangaan that the Baddekorn, having given a meal to Don Simon arraatje, had persuaded them not to present the ola, and that thereupon those two arraatjes had removed their complaints from the complaint ola. How long they remained at Mature. The first appearer says that they were at Mature for about eight days, and that then Moenesinge Kangaan, taking along the remainder of the complaint ola, had returned to the kandebaddepattoe in the company of him, the declarant, Moelletienne Korle kangaan, and Mawerle witaarne Raale, and having provided themselves anew with provisions, had gone straight from there through the Belligam Korle to Gale. The second appearer says, about 4 days; and that subsequently he, the first appearer, Moenesinge kangaan, and Mawerne witaarnele, taking along the remainder of the complaint ola, had returned to the kandebaddepattoe, but because they could no longer endure the unjust treatments of Manamperie Mohandiram, the four of them had gone through the Gangebaddepattoe and Belligam korle to Gale. What they did subsequently. The first appearer says that they had arrived at Gale about one and a half months before the Sinhalese New Year, and had taken up their lodgings in the garden of one Polwatte Sattambie. That two days after their arrival at Gale, his three companions had gone to the sabandhaar modliaar to hand over the complaint ola to him, while the declarant had remained at home to prepare food. That his companions, subsequently coming home, had said that the Sabandhaar modliaar had instructed them to come into the town the following day. That his said three companions had gone to the town the following day, and coming home had said to the declarant that the Sabandhaar modliaar had not come into the town that day. That his companions had gone to the town again the day after that, and coming home from there had told him that the complaint ola had been handed over to the Lord Commander, and that they had mentioned someone who had taken over the ola from them and handed it to the Lord Commander, but that it does not now occur to him whom they had named, namely the Interpreter of the Secretariat Simon or the Colombo Mohandiram of the gamekeepers, but that he nevertheless knows with certainty that they had named one of these two. That his companions had since gone to the town almost daily, and once upon their return home had told him that the ola had been delivered to the Office to be translated. That after a stay of about 6 to 7 days he had returned to the kandebaddepattoe, because their provisions began to run short, and that when he returned to the said Pattoe, everything was peaceful there and the rebellion had not yet begun. That about 5 days after his arrival in the kandebaddepattoe, one of his companions who had remained at Gale, namely Moelletiene korle kangaan, had also returned there, and that upon this declarant's question put to him as to how their complaint had turned out, the latter had related to him that he and his two other companions had been in the town several times without being able to obtain any answer, but that on a certain day when they had appeared before the Commandery, they had seen the Lord Commander walking up and down in the Hall, speaking with the mohandiram of the gamekeepers, and that thereupon having shown themselves to the Lord Commander, the said mohandiram, coming outside shortly thereafter, had told them that the Lord Commander could not help them in that manner, but that if they formed a gathering, they might then be helped. The second appearer says that they, according to his thoughts, had arrived at Gale about two months before the Sinhalese New Year, and had taken up their lodgings there in the garden of one Polwatte sattambie. That the day after their arrival at Gale, he, Moenesinge Kangaan, and Mawerne witaarne raale had gone with the complaint ola to the Sabandhaar modliaar, who had told them to come into the town the following day, and that the following
Dutch transcription
347 en Nierlanpittie arraatje raatje en Nierlanpittie arraatje de bladen, waarop hunne bij zon„ „dere klagten beschreeven waren van die klagt ola geligt hadden. Dat hij nog van Moenedinge kangaan gehoord had, dat gem: tweede tolk aan Don Simon en Nier lanpattie arraatje ver„ „zogt had, te willen bewerken dat ook de overige klaagers zich stil kielden, onder be„ „lofte dat hij tolk zoude zor„ „gen, dat zijn zwager Manam„ „perie het kwalijk genoomen geld aan hun te rug gaf. De tweede Comparant zegt dat Moenelinge kangaan, de ola had overgebragt naar Ma„ „ture, om dezelve te presentee„ „ren aan den E: Dessave van Angelbeek, dog dat hij nog te Mature zijnde van Moe„ „nelinge kangaan had ver„ „noomen, dat de Baddekorn aan Don Simon arraatje en dat daar op Don Semon ar„ een maaltijd gegeeven hebbende, hen bewoogen had om de ola niet te presenteeren, en dat daar op die twee arraatjes hunne klagten uijt de klagt ola hadden geligt. Hoe lang zij te Mature ge„ De eerste Comparant zegt omtrent agt dagen te Mature ge„ bleeven zijn. „weest zijn, en dat toen Moenesinge Kangaan, 't overschot van de klagt ola meede neemende, in gezelschap van hem declarant Moelletienne Korle nangaan en Mawerle witaarne Raale, na de kandebaddepattoe te nog gekeerd, en zich op nieu van ma„ inctementos voorzien hebbende, diacht van Daar door de Belligam Korle na Gale gegaan was. De twee de Comparant zegt, omtrent 4. dagen; en dat vervolgens hij, de eerste Comparant, Moenesinge kangaan. en Mawerne witaarnele, meede neemende het overschot van de klagt ola, na de kandebaddepattoe wa„ „ren te rug gekeerd, doch wijl zij de onrechtvaardige onrechtvaardige behandelingen van aan den declarant hadden gezegd, Manamperie Mohandiram niet langer konden verdraagen, waaren ze met hun vieren door de Gange„ baddepattoe en Belligam korle na Gale gegaan. De eerste Comparant zegt, dat ze wat zij vervolgens gedaan hebben omtrent ander half maand voor het singaleesch nieuwe Jaar te Gale waa„ „ren gekoomen, en hun intrek hadden genoomen in de thuyn van eenen Polwatte Sattambie. Dat twee daagen na hunne komst te Gale, zijne drie makkers naar den sa„ „bandhaar modliaar waren gegaan, om de klagt ola aan hem overte„ „geeven, terwijl de declarant thuijs was gebleeven om de kost klaarte„ maaken. Dat zijne makkers vervolgens t' huijs koomende hadden gezegd, dat de Saband haar mod„ „liaar hun hadde belast, om sande„ ren daags in de stad te koomen. Dat gem: zijne drie makkers den volgenden dag naar de stad waaren gegaan, en t' huijs komende dat de Sabandhaar modliaar dien dag niet in de stad gekomen was. Dat zijne makkers 'sdaags daar aan weder na de stad waren gegaan, en van daar t' huijs koomende aan hem gezegd hadden, dat de klagt ola aan den Heer Commandeur overgegee„ „ven was, en dat zij daar by iemand hadden genoemd, die de ola van hun overgenoomen en aan den Heer Commandeur ter hand gesteld had, dog dat het hem nu niet voorstaat wien zij hadden genoemd, namelyk de Tolk van de Tekretarije Simon of de Kolombosche Mohandiaam der wildschutters, maar dat hij echter met zeekerheijd weet dat zij een van deeze twee hadden genoemd. Dat zijne makkers zedert bij na dagelijks naar de stad waaren gegaan, en eens bij hunne thuijs komst aan hem gezegd hadden, dat de ola op het Cantoir was af„ gegeeven, om te worden getranslateerd. aan Dat Dat hij na een verblijf van om„ „trent 6. â 7. dagen, na de kan„ de baddepattoe was te rug ge„ „keerd, wijl hunne mainctemen„ „tos begonden te ontbreeken, en dat toen hij in gem: Pattoe te rug kwam; het daar alles in ruest en de opstand nog niet begonnen was. Dat omtrent 5 dagen na zijne komst in de kande badde pattoe„ aldaar ook te rug gekoomen was een van zijne te Gale ge„ bleevene makkers, naamelijk Moelletiene korle kangaan, en dat op zijn declarants aan hem gedaane vraag, hoe hunne klagte afgeloopen was, deeze aan hem hadde verhaald, dat hij en zijne twee andere makkers verscheide maalen waaren in de stad geweest, zonder eenig bescheid te kunnen erlangen, dog dat op zeekeren dag toen zij voor het Commandement verscheenen waaren, zij den neder hadden zien kuijeren, spaee„ „kende met den mohandivan der wildschutters, en dat zij daar op zich aan den Heer Commandeur vertoond hebbende, kort daar op gem: mohandiram buijten koomende, aan hun had gezegd, dat de Heer Commandeur hun op die wijze niet konde helpen, maar dat zoo zij een Samenrotting maakten zij dan zouden kunnen geholpen worden. De tweede Comparant zegt, dat Ze naar zijne gedagten omtrent twee maanden voor het Singoleesch nieuwe Jaar te Gale waren aangekoomen, en aldaar hun in„ „trek hadden genoomen in de thuijn van eenen Polwatte sat„ „tambie. Dat 'sdaags na hunne Komst te Gale, hij, Moenesinge Kangaan en Mawerne witaar„ „ne raale met de klagt ola waren gegaan bij den Sabandhaar modliaar, die hun had gezegd om 's anderen daags in de stad te koomen, en dat ze den Heer Commandeur in de Zaal op en Heer volgende
English
went to the town the following day, but that the Sabandhaar modliaar had not been in the town that day. That on going to the town again the next day, they had then also not found the Sabandhaar modliaar there, and that they had therefore handed the complaint ola to someone who was then standing on the porch of the Commandement, whom he conjectured to have been the mohandiram of the gamekeepers, and that he, the complainant, had seen that this man had handed the ola over to the Heer Commandeur, who was walking up and down in the hall, and that the Heer Commandeur had given it to a Sinhalese servant, who stood there before the door and whom he did not know, with orders to deliver it to the secretariat to be translated. That he and his aforementioned two companions had thereafter not been able to obtain an answer to their ola on several occasions, but that on a certain day, when they found themselves in front of the porch of the Commandement, the Mohandiram of the gamekeepers, who was then standing on the said porch, had told them that they could not be helped in that manner, but that such could happen if a gathering were formed. That the Heer Commandeur had on that occasion also walked in the hall, but that he had not seen that the aforementioned mohandiram had then gone inside, and thus also not whether he had spoken with the Heer Commandeur. That meanwhile the first deponent had departed directly for the kandebaddepattoe, and that about 10. days thereafter he, the deponent, had also returned thither, while Moenesinge Kangaan and Mawerne witaarne remained at Gale to await the answer to the submitted complaint ola. That when he returned to the kandebaddepattoe, everything there was at peace and the rebellion had not yet begun. That various residents had asked him upon his return to the pattoe how the complaint that was made had turned out, and that he had answered thereto that up until his departure from Gale he had been unable to get an answer, but that he had related the words of the aforementioned Mohandiram of the gamekeepers to no one other than, as he now recalls, only to the first declarant. Subsequently, the Mohandiram of the gamekeepers, Simon de Zilva, was presented to the second deponent in this matter, Malliwiege Dingie appoe, who recognized him as the same person of whom he had spoken above in his narrative under the designation of Mohandiram of the gamekeepers. Whereupon, the following questions having been put to the said Mohandiram by me, the Secretary, he answered thereto as is recorded below beside each question. Whether he knows the deponents mentioned herein, Attoekoorlege Gammege Dingie appoe and Mallewiege Dingie Appoe. The mohandiram says he does not know the second deponent other than that he has seen him here for three days, but that he thinks that while he was once at Gale he had seen a man like the first deponent standing before the Commandement to submit a complaint to the Heer Commandeur, though he cannot say when this actually happened, because he had been to Gale three times, namely first in the year 1789. when the Heer Kommandeur sluijsken went to Gale; the second time in the month of February 1790., and the third time he had departed from here for Gale on 13. April, and at the summons of the Heer Governor, departed from Gale on the 26. of the said month, and returned here on the 28., but thinks most likely that it was actually when he was at Gale the last time. Whether he did not speak with those people while standing on the porch of the Heer Commandeur at Gale. The Mohandiram says that he cannot remember having spoken with them. Thus re-read, persisted in, maintained, questioned and answered at the Castle of Kolombo, date as above. The original minute of this has been duly signed by the deponents, the sworn translator and me, the secretary. Underneath stood: Which I certify. Was signed: B: L: van Zitter, Secretary. Agrees. Corn:s: Johann:s: Idé, sworn clerk. No 3. Today, the 14: November Anno 1791. There appeared by order of the Right Honorable Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, before me, Benedictus Lambertus van Zitter, Merchant and Secretary of Police here, Mawerle witaarneraale poentje appoe, majoral and inhabitant of the village of Mawerle in the kandebaddepattoe, To whom, through the translation of Don Philip sammerkoon, second Sinhalese translator at the Secretariat of Police here, having been clearly read again the statement which he gave under date of 5: December last past at Mature before the Landraad members Jan David Rabinel and August Christiaan Anthon Graave van Ranzow, he persisted therein, only with this alteration to the fifth paragraph: that he and gonbaddelle Moenesinge, on the day before his departure from Gale to Mature, in the evening at promptly 7. o'clock, were called from their lodging place by a lascorijn of the Gale guard, brought to the town and led into a room inside the Commandement, where they had found the Heer Commandeur Sluijsken, having at
Dutch transcription
350 volgenden dog naar de stad zijn gegaan, dog dat de Sabandhaar modliaar dien dag niet in de stad was geweest. Dat ze sdaags daar aan weder naar de stad gaan„ „de, toen ook den Sabandhaar modl: daar niet gevonden had, en dat ze daaron de klagt ola aan iemand„ die toen op de stoep van 't Comman„ „dement stond, en die hij gist te zijn geweest de mohandiram van de wildschutters, hadden ter hand gesteld, en dat hij de Cla„ „vant gezien had, dat deeze Man de ola aan den heer Com„ „mandeur, die in de Zaal op en neder wandelde, had overgegee„ ven, en dat de Heer Comman„ „deur dezelve aan een Fingalee„ „sche bediende, die daar voor de deur stond, en dien hij niet kend, had afgegeeven, met last om ze ter sekretarije te bezorgen, om te worden getranslateerd. Dat hij en zijne voorsz: twee mak„ „kers zedert eenige keeren geen bescheid op hunne ola hadden kunnen bekomen, maar dat op ze„ „keren dag, dat ze zig voor de stoep van het Commandement bevonden, de Mohandiaam van de wildschitters, die toen op gem: stoep stond, aan hun had gezegd, dat ze op die wijze niet konden geholpen worden, maar dat zulx geschieden konde indien er eene Samenrotting wierd gemaakt. Dat de Heer Comman„ „deur by die geleegendheijd ook in de zaal had gewandeld, dog dat hij niet gezien had dat voormelde mohandiram toen naar binnen was gegaan, en dus ook niet of hij met den Heer Comman„ „deur hadde gesprooken. Dat intusschen de eerste Comparant nats na de kandebaddepattoe was vertrokken, en dat omtrent 10. dagen daar na hij Compa„ „rant ook derwaards was te naar de stad waren gegaan, dog naar rug 351 rug gekeerd, terwijl Moenesinge Kangaan en Mawerne witaar„ „ne te Pale bleeven, om dat be„ „scheid op de ingediende Klagt ola aftewagten. Dat toen hij in de kandebaddepattoe te rug Kwam, het daar alles in rust en de opstand nog niet begonnen was. Dat deeze en geene van de ingezeetenen hem, bij zijne te rug komst in de pattoe, hadden ge„ „vraagd. hoe het met de gedaane Klagte was afgeloopen, en dat hij daar op had geantwoord, tot zijn vertrek van Gale geen bescheid te hebben kunnen krijgen, dog dat hij het gezegde van voormelde Mohandiaan van de wildschut„ „ters aan niemand had verhaald„ dan alleen /: zoo het hem nu voor„ staat:/ aan den eersten declarant. vervolgens is de Mohandiram van de wild„ „schutters Simon de Zilva, vertoond aan Of hij de in deezen genoemde De mohandiram zegt den tweeden Comparant niet anders Comparanten Attoekoorlege te kennen, dan dat hij hem zedert Gammege Dingie appoe en drie dagen hier gezien heeft, Mallewiege Dingie Appoe maar dat hij denkt, dat terwijl Kendk hij zig eens op Gale bevond, een man den als de eerste Comparant voor het Commandement had zien staan, om een klagte aan de Heer Commandeur te doen, dog dat hij niet kan zeggen wanneer dit eijgentlijk gebeurd is, wijl hij drie rijzen op Tale was geweest, den tweeden Comparant in deeze Malliwiege Dingie appoe, dewelke hem erkende voor den zelf„ „den Perzoon, waar van hij hier vooren in zijn ver„ haal, onder de benaaming van Mohandiram der wildschitters, hadde gesprooken. Waar na aan gem: Mohaardiram de volgende vraagen door mij Sekretaais gedaan zijnde, heeft hij daar op g'antwoord, zoo als bezijden elke vraag hier on„ „der word aangeteekend. den namelijk 352 namelijk eerst in het Jaar 1789. toen de Heer Kommandeur sluijs„ „ken naar Gale ging; de tweede maal in de maand Februarij 1790. , en de derde keer was hij den 13. april van hier naar Gale vertrokken, en op het ontbod van den Heer Gouverneur, den 26. van gem: maand van Gale vertrok„ „ken, en den 28. hier te rug gekol„ „men, maar voor het naaste te denken, dat het eijgentlyk was toen hij zig de laaste maal te Gale bevond. De Mohandiram zegt dat of hij niet die menschen niet hij zich niet kan evinneren, gesprooken heeft, staande op de met hun te hebben gesprooken. stoep van den Heer Commandeur Aldus Gerecolleerd, gepersisteerd, sealte„ „neerd, gevraagd en beandwoord en het Casteel Accordeerd. Kolombo, dato voormeld. De munite deezes is door de Comparanten, den gezw: tolk en mij sekretaris behoorlijk onderteekend /:onderstond:/ 'T welk Getuijgd /:was geteekend:/ B: L: van zitten Sekretaris. Corn:s: Johanns: Idé gezweklerk Kolombo 2. te Zale! 353 Heeden Den 14: November Anno 1791. Js ter order van den wel Edelen Groot achtb: heer Willem Jacob van de Graaff Raad ordinair van nederlandsch Jndia Gouverneur en directeur van het Eijland Ceilon, met dies onderhoorigheiden, voor mij Benedictus Lam- bertus van Zitter, Koopman en secretaris van politie alhier gecompareerd Mawerle witaarneraale poentje appoe majoraal en inw: van 't dorp Mawerle in de kandebaddepaltoe Aan denwelken, ter vertaaling van Don Philip sammerkoon, tweede singaleeze tolk ter secre „tarij van Politie alhier, weder duijdelijk voorge„ houden zynde de verklaaring die hij onder dato 5: xber: I:leeden, te Mature voor de landraeds Leeden Jan David Rabinel en August Chris- „tiaan Anthon Graave van Ranzon heeft verleend, bleeff hij daar bi persisteeren, alleen met deeze verandering op de vijfde paragraepl dat hij en gonbaddelle Moenesinge sdaags voor hem vertrek van gale na Mature Javonds om straks 7. uure door een lascorijen van de Gaal- sche guarde uit hun verblijfpaats geroepen, na de stad gebragt en in een kamer binnen het Commandement geleid zijn, alwaar zij den heer Commandeur Sluijsken hadden gevonden, hebbende bij N:o 3.
English
with him a native servant, whom they had entertained with a meal at Gale, having heard him say that he was mohandiram of the gamekeepers, and who in fact is the man whom he, in his aforesaid statement, had called an unknown interpreter to him. That two more persons had been present in the same room, who sat somewhat further away, and whom he thinks were clerks, because they were busy with some papers. That the Lord Commandeur, gently patting him and Gonbaddelle Moensinge on the shoulders, had made known to them through the aforesaid mohandiram of the gamekeepers that they should not be afraid, but must go and tell the assembled crowd that they should make known in writing all their grievances, whatever they might be, fearlessly and just as boldly as children would do toward their parents, to the commissioners who were sent from Gale. The following questions having then been put to the Appearer by me, the secretary, he answered them as recorded beside each question: Why the aforesaid grievance ola was brought to Mature before it was brought to Gale. The Appearer says that the grievance ola had been brought to Mature to be presented to the Lord Dessave; but that the Baddekorle, having entertained Don Simon Arraatje and Nierlandpittie Arraatje with a meal, had persuaded them not to present the ola, because Manamperie Mohandiram was his brother-in-law, under the promise, however, that if the said Manamperie should once again give them reason to complain, he would then assist them in their complaint; and that thereupon Don Simon Arraatje and Nierlandpittie Arraatje had removed from that grievance ola the leaves on which their particular grievances were written. That the Appearer and several other people, about 50 men strong, had been present when the Baddekorle held the aforesaid conversation with the aforesaid arraatjes, and he, the Appearer, had thus also heard it, but that among the other people who were present he knows no one other than his three companions Attoekoorlege Gammege Dingie Appoe, Moelletiene Korle Kankaan, and Gonbaddelle Moenejinge, without however being able to say whether they too had heard the aforesaid conversation of the Baddekorle. Whether, besides him, the Appearer, Don Simon Arraatje, Nierlanpettie Arraatje, Attoekoorlege Gammege Dingie Appoe, Moelletiene Korle Kankaan, and Gonbaddelle Moensinge, still more people had been with them to Mature. The Appearer says that more than 20 men had also been to Mature, among whom were Rannewiere Kankaan, inhabitant of Girdinixpattoe, and Ratnaike Appoe, inhabitant of Parrepamoele, but he says he does not now remember the names of the rest. Who conveyed the general grievance ola to Mature to present the ola to the Honorable Dessave. The Appearer says that when they went to Mature, the same was in the hands of Nierlanpittie Arraatje; but that at Mature, as stated hereinbefore, after the particular grievances of Nierlanpittie Arraatje and Don Simon Arraatje had been removed from it. Who wrote the grievance ola. The Appearer says that each complainant had written down his own particular grievance himself, and that out of these particular grievance olas the general ola was compiled by Don Simon Arraatje and Nierlanpittie Arraatje, but that he does not know which of the two actually wrote this general ola, but that he handed his particular written grievance to Nierlanpittie Arraatje. That his grievance had contained: 1. That with permission of the former Lord Dessave, he had laid out a plantation of cinnamon, pepper, areca, and cardamom, but that Manamperie Mohandiram had not wanted to grant him the opportunity to take the necessary care of the aforesaid plantation, in which he had planted 9000 seedlings. 2. That having complained to the Mohandiram about the ill-treatment by the renter in collecting the tithe of the paddy harvest of certain fields and chenas sown by him to the extent of 12 amunams of sowing, he had not been able to obtain any justice therein. That this grievance of his being included in the general grievance ola, he had signed this entry on that ola with a character, such as is set down here alongside by himself. - - - - [was signed] with a character
Dutch transcription
bij zich een inlandsch bediende, die zi op Gale hudd maaltijd onthaald hebbende, hen De Comparant zegt de klagt hooren zeggen teweesen mohandiram van de wild schutters bewoogen had om de ola niet te en die eijgentlijk de man is dien hij in zyne voorsz: presenteeren wijl Mamperie mo„ hardiram zijn zwager was on- verklaaring een hem onbekend tolk genoemd had. Dat „der belofte nogtans; zoo gem: Ma- in dezelfde kamer zeg nog twee perzoonen hadden namperce hem nogmaals bevonden, die wat verder af laten, en die hij denkt schrijvens te zijn geweest, wijl zij met eenige papieren reeden tot klagen mogte geeven als dan hen in hunne klagte beezig waaren. Dat de heer Commandeur toen hem en gonbaddelle Moensinge zagtjes op de schouders te zullen atsesteeren; en dat daar op kloppende door voorm: mohandiram van de wildschut Don simon arraatje en Nier- „tert hun hadde doen aanzeggen, dat zij met bevreeff landpittie arraatje de bladen waar op hunne bij zondere klag. moesten weeten maar aan de zamengerotteden moesten gaan zeggen dat deeze alle hunne bezwaarnissen hoedanig ten beschreeven waaren van dien ook dezelve mogten weezen, onbeschroomd en even zoo wij klagt ola geligt hadden. „moedig als kinderen omtrent hun ouders souden doen Dat de Comparant en meer ingeschrifte moesten te kennen geeven aan de gecom- andere menschen, wel omtrent „mitteerdens die van Gale gezonden wierden een 50= koppen sterk present vervolgens door mij secretaris de volgende vraagen waten geweest, toen de Badde- aan den Comparant voorgehouden zynde heeft hij daar „koon het voorenstaande ge op zodanig geantwoord, als bezijden elke vraag pprek met de voorsz: arraetjes had gehouden en hij Comparant dus het zelve mede had aange- „hoord, dog dat hij van de andere menschen die daar bij waren niemand anders kend dan zijne drie mak- kers Attoekoorlege Gammege Din- gie appoe, Moelletiene Korle kam- =kaan en Gonbaddelle Moenejinge, sonder egter te kunnen zeggen of deese ook het voorsz: gesprek van den Baddekorn hadden aange. word aangeteekend Waarom de voorsz: klagt ola ola na Matura was gebragt voor dat dezelve na Gale om aan den heer desjave te worden gepresenteerd; dog dat de hode wierd gebragt te Matu „dekorn, Don simonarraatje en re gebragt was! Nierland poittie arraatje op eene maalteijd De hoord. of behalven hij Comparant Don De Comparant zegt dat nog meer dan voor gem: plantagie, waarin hij 9000. plantjes had geplant, de nodige zorg te draagen. 20. koppen mede naar Mature Simon arraatje; Merlanpettie 2. Dat hi aan den Mohandiram waaren geweest, waar onder ook arraatje Altoekoorlege Gam- geklaagd hebbende over de zig bevonden hadden Rannewieren kwaade behandeling van kang aan inw: van dirdinixpattoe mage Dingie appoe Moelletun en Ratnaike appoe inw: van Parre den pagter, in het heffen van ne korle kang aan en Gonbad= pamoele, maar de naamen van de de tiende van het nelij ge overigen zegt hij hen nu niet te delle Moensinge, nog meer „wasch van zeekere door hem bezaalde velden en sjenas„ menschen met hun naar mati ter groote van 12. amm =ve zijn mede geweest. zaaiens, hij geen regt daar op had kunnen verkrijgen. Dat deeze zijne klagte bij de Generaale klagt ola in „genoomen zijnde, hij deeze post bij die ola met een karachter had ondertee„ „kend, zoodanig als die door hem zelfs hiernevens word gesteld. - - - -. . /:was geteekend:/ met een karacter Wie de Generaale klagt ola De Comparant zegt, dat toen ze na Mature gingen, heeft overgebragt na Mature om de ola te presenteeren aan den E: Dessave dezelve was geweest in handen van Nier lanpittie arraatje dog dat na dat te Mature, gelijk hier vooren gezegt, daar uit geligt waaren de bijzondere klagten van Nierlanpiltie arraatje en Don Simon arraatje De Comparant zegt dat ider kla„ „ger zijne bijzondere klagte zelfs Wie de klagt-ola geschreeven had opgeschreeven, en dat uit deese bij zondere klagt olas de gene„ raale ola was geformeerd door Don Simon arraatje en Nierlaupittie arraetje dog dat hij niet weet wee van bijde eygentlyk deese generale ola geschreeven had maar dat hij zijn bijzonder klagt schrift aan Nier lanpittie arraatje had ter hand gesteld. Dat zijne klagte had behelsd 1. dat hij met verlof van den heer geweezen dessave trest, een plantagie had aangelegd van kanneel peper arreek en Cardamom, dog vat Ma. nampeace mohandiram hem geen gelegendheid had willen gevan heeft. voorgem de willen binnen schieten. 4.
English
How long they had remained in Mature, what they had done next, and what the rest of the complaint ola was, was delivered to Gonbaddele Moenesinga. The Deponent states that he had stayed in Mature for about four days, and that because there was no opportunity to present the ola to the Honorable Dessave, he, together with Attoekoorlege Gammage Dingie appoe, Moelletiene korle kangaan, and Gonbaddelle Moenesinge, taking the complaint ola with them, had returned to the kandebaddepattoe. However, because they had learned there that Mannamperee mohandiram had caused some people who had complained against him to be punished for it, the four of them, out of fear of a similar punishment, had gone through the Gangebaddepattoe to Gale. The Deponent states that they had arrived in Gale about thirty days before the Sinhalese New Year, and had taken up lodging in the garden of a certain Palwatte saltambie. That on the day after arriving in Gale, the three of them—as Attoekoorlege Dingie appoe had remained at home to prepare food for them—had gone to the Sabandhaar Modliaar to deliver the complaint ola to him. However, the said Modliaar had informed them that he had not been able to go out for five days on account of an earache and was still unable to go out, and that they should therefore bring the ola to the Lord Commander the following day, where they would certainly find someone who could act as interpreter. That accordingly, the next day in the afternoon, the three of them went to the city and before the Commandement, and saw that the Lord Commander was standing in the hall in front of the door, whereupon they handed over the complaint ola to the aforementioned Mohandiram of the gamekeepers, who was standing close to the door of the hall on the stoep, and who, having received the said ola from Gonbaddelle Moenesinge, handed it to the Lord Commander. That the Lord Commander, having had some articles of the said ola read out and translated by the said Mohandiram, had subsequently instructed him to deliver the same to the office to be translated, just as he had also seen the Mohandiram go to the office with it. That since then, they had gone to the city several times to ask for an answer to their complaint, but they were told to wait until the ola had been translated. That in the meantime, two of their companions had returned to the Kandebaddepattoe, namely first Attoekoorlege Gammege Dingie appoe, and 15 days later Moelletiene Koorle kangaan. That even before the departure of those two persons, the Deponent, together with the aforementioned Moelletiene Koorle kangaan and Gonbaddelle Moenesinge, had gone on a certain day to the Lord Commander to request a settlement, and that when their request was made known to the Lord Commander, who was standing on the stoep, by the aforementioned Mohandiram of the gamekeepers; that thereupon the Lord Commander, having spoken briefly with the said Mohandiram, this Mohandiram subsequently translated to them that the Lord Commander affirmed that indeed many complainants and many complaints were mentioned in the ola, but that since only the four of them had brought the ola, His Honor could not help them, but that if all the complainants banded together and then brought their complaints forward, they would in such case be fully helped. That he and Gonbaddelle Moenesinge had remained in Gale until news had arrived of the gathering of the inhabitants of the Maturese Dessavony, and that they then, by order of the Lord Commander, about eight days after the Sinhalese New Year, had gone along with the commissioners who were sent from Gale to the mutineers. That having arrived in Belligam, by order of the aforementioned commissioners, they went along with two persons named Mohotige appoe and Dollemoelle appoe, who were sent to convey a Sannas to the mutineers. That the aforesaid two appoes delivered the said Sannas to Don Simon arraatje, who was in the school at Bamberende, and that Don Simon arraatje had brought the same to the mutineers, who were encamped at a certain distance from the school. That the Deponent does not know whether the said ola was published there, because he and Moenesinge, along with the aforesaid two appoes, did not go along, but had remained behind in the school; but that Don Simon arraatje, returning to the school, had said to the bystanders that the Lord Commander was favorable to them, and that they should therefore strengthen the gathering and, without causing damage to the Company or to the inhabitants, hold themselves ready to make their complaints known to the Lord Commander. The titular Mohandiram and Sinhalese interpreter of the Gale Secretariat Simon de Silva Sammere Degere Goenewardene, and the former Mohandiram of the gamekeepers Simon de Zilva having been called inside and shown to the Deponent, he recognized the last-named as the one whom he had previously referred to under the designation of Mohandiram of the gamekeepers. That subsequently he and Moenesinge, along with the aforesaid two appoes, had departed from Bamberende, and on their return journey had met the aforementioned commissioners at Gandure, to whom they made a report of their mission; and that they had subsequently remained in the retinue of these commissioners until the same had arrived in Mature to return to Gale, and that when the said commissioners departed from Mature, he and Moenesinge returned to the Kandebaddepattoe.
Dutch transcription
Hoe lang zij te Mature wat zij vervolgens gedaan de rest van de klagtola was. afgegeeven aan Gonbaddele Moenesinga De Comparant zegt omtrent vier dagen te Mature geweest gebleeven zijn. te zijn, en dat wijl er geen ge „leegentheid was de ola aan den E. Dessave te presenteeren, hij nevens Attoekoorlege Gammage Dingie appoe Moelletiene korle kangaan en Gonbaddelle Moenesinge meede neemende de klagt vla„ na de kande baddepattoe was terug gekeerd, dog dat wijl zij aldaar hadden vernoo„ men, dat Mannamperee„ mohandiram sommige luide die teegen hem geklaagd had, den, daar over had laaten afstraffen, zij met hun vieren uit vrees voor een diergelijk straf, door de Gangebadde„ pattoe waaren gegaan na Gale„ De Comparant zegt, dat ze omtrent dertig dagen voor het singaleesch nieuwe Jaar te Geele waren gekomen, en hun intrek hadden genoo„ men in den tuijn van eenen Palwatte saltambie. Dat ze 's daags na de komst te Gale„ met hun drien, als zijnde attoekoorlege dingie appoe de kost te bereijden, naar den sabandhaar modliaar waeren gegaan, om de klagt ola aan hem overtegeeven, dog dat gem: modliaar hun had aangezegt, dat hij in geen vijf dagen wegens oor pijn had kunnen uitgaan en ook nog niet konde uitgaan, en dat ze daarom den vol„ „genden dag de ola moesten brengen bij den Heer Com„ mandeur daar zij wel iemand zouden vinden die voor tolk konde ageeren. Dat ze mits dien den volgen den dag 's agtermiddags, niet hun drien na de stad en voor het Commandement waren gegaan en gezien hadden dat de Heer kommandeur in de Zaal voor de deur stond, waar op zij de klagt ola hadden overgegeeven aan voorm: Mohandiram van de wildschutters, die digt aan de deur van de Zaal op de stoep stond, en gem: ola van Gonbad„ „delle Moenesinge overge„ „noomen hebbende aan den Heer Commandeur had ter hand. gesteld. te huijs gebleeven om voor hun Dat hebben. Dat de Heer Commandeur door gegeeven; dat daar op de heer Comman„ gem: mchandiram eenige arti „keelen van gem: ola hebbende doen leesen en vertolken, ver„ „volgens hem had belast dezelve op het kantoor afte geeven, om te worden ge „translateerd, zoo als hij ook gezien had dat de mohandiram daarmeede na het kantoor was gegaan. Dat ze zedert een en andermaal na de stad waaren gegaan, om bescheid op hunne klagte te vragen, dog dat hun was aangezegt te vertoeven tot dat de ola zoude zijn getranslateerd. Dat intusschen twee van hunne makkers na de kan de baddepattoe waaren terug gekeerd, namelijk eerst Attoekoorlege Gam„ mege dingie appoe, en 15. dagen daarna Moelletiene koorle kangaan. Dat nog voor het vertrek van die twee laiden, de Comparant nevens voorm. Moelletiene koorle kan „gaan en Gonbaddelle moene„ singe, op zeekeren dag bij de Heer Commandeur waeren geweest om afdoening te vraagen, en dat toen de ze hunne begeerte door voorm. mohandiram van de wildschut„ ters aan den Heer Commandeur die op de stoep stond, was te kennen „deur iets met gem: mohendiram gesprooken hebbende, deeze mohan„ „dirami vervolgens aan hun had ver„ „taald, dat de Heer Commandeur betuijgde dat er wel veele klagers en veele Klagten bij de ola vermeld waaren, dog dat wijl zij maar met hun vieren de ola hadden gebragt zijn E: van niet konde helpen, maar dat indien de gezaamentlijke kla„ „gers zamen- rotleden, en dan hunne Klagten voortbragter, zij in zulx geval volkomen zouden worden geholpen. Dat hij in Gonbaddel„ „le moenesinge op zale waaren gebleeven, tot dat er tijding was gekoomen van de Zamenrotting der ingezeetenen van de Matureische Dessavonij, en dat ze toen op order van den Heer Commandeur, na gissing agt daagen na het singa„ „leesche nieuwe Jaar met de gecom„ mitteerdens, die van Zale na de muijtelingen zyn gezonden, waaren meede gegaan. Dat ze te Belligam gegeeven gekoomen gekoomen zijnde, op ordre van toetebrengen, zig gereed moesten hou„ voorm: gecommitteerdens, zijn meede gegaan met twee perzoonen gen: Mohotige appoe en Dollemoelle appoe, die gezonden wierden om een Jannas overtebrengen na de muijte „lingen. Dat voorsz: twee appoes gem: Sannas hadden besteld, aan Don Simon arraatje, die zig bevond in de School te Bamberende, en dat don Simon arraatje dezelve had gebragt na de muijtelingen, die een zeker distantie van de School gelegerd waren. Dat de Comparant niet weet of gem: ola aldaar was gepubliceerd, wijl hij en Moenelinge, nevens de voorsz. twee appoes, niet meede gegaan, maar in de School te rug gebleeven waa„ „ren; dog dat Don Simon arraatje in de school te rug komende, tot de omstandegrs had gezegd, dat de heer Commandeur hun gunstig was, en dat ze daarom de zamenrot„ „ting versterken, en zonder de Comp: of de ingezeetenen schaade De titulaar mohandiram en Singaleesche tolk van de Gaalsche Tekoetarij Simon de Silva Sammere Degere Goenewardene, en de gew. Mohan„ „diram van de wildschutters Simon de Zilva binnen geroepen en aan den Comparant vertoond zijnde, heeft hij den laatst genoemden erkend voor den geenen, van den welken hij hier vooren onder de „den, om hunne klagten aan den heer Commandeur te kennen te geeven, Dat vervolgens hij en Moenesinge, nevens de voorsz: twee appoes, van Bamberende waren vertrokken, en op hunne terug rijs de voorm: ge„ Committeerdens te Gandure hadden ontmoet, aan wien ze verslag had„ den gedaan van hunne verrigting; en dat ze vervolgens onder het gevolg van deeze gecommitteerden waren gebleeven, tot dat dezelve te Mature waren gekomen om na Pale terug te keeren, en dat toen gem: gecommit„ teerden van Mature vertrokken, hij en moenesinge na de Randebad„ de pattoe terug gekeerd waren. toe te brengen benaaming
English
359 Today, the 13th of October Anno 1791. spoken under the title of mohandiram of the gamekeepers. Thus re-examined, persisted, amplified, questioned, and answered in the castle Colombo, date as aforesaid. The minute hereof is signed by the Appearer, the interpreter, and me, Secretary. Below stood: Which testifies. Was signed: B: L: van Zitter, Secretary Agreed. — Corns. Johanns: Idé There appeared before me, Benedictus Lambertus van Zitter, merchant and secretary of Police here, the following persons, who among others were summoned from Gale by letter of the 4th of this month, and arrived here yesterday, namely: 1. Gaalege Don Adriaan de Sielva, commonly called Sintje Appoe, son of a certain Polwatte Pattambie, resident of the village Magalle, within the Galetan four gravets, and Reformed. 2. Mohotige Magnus, Sappermadoe Appoehamie, resident of the village Miepe, under the Galetan Talpepattoe, and Christian, and 3. Dollemoelle Appoe, lascoryn of the Galetan guard, resident of the village Wikkede, and Christian. Who, at the requisition of the Right Honorable, Rigorous, and Highly Esteemed Lord Governor Willem Jacob van de Graaff, through the translation of the sworn interpreter at the secretariat of the Honorable Council of Justice, Manuel Jernando, declared it to be true. The No. 3. Sworn clerk The first deponent, that five or six and twenty days before the Matara inhabitants had revolted, there had arrived at Gale from the Matara Kandebaddepattoe: Gonvaddele, Moenesinge Kangalae, and three more persons whose names he does not know. That these people had stayed with him, as most travelers do, and that on that occasion he had learned from them that they had come with a complaint, but not what it consisted of. That the said people had since departed back to Mature on the day that the junior merchants Van Schuldt and De Vos set off thither in order to hear the complaints of the insurgents, namely about an hour and a half to two hours before their Honors' departure. He further testifies that the aforesaid people, during the entire time they stayed with him, went out in the morning and returned home at noon, and went out again in the afternoon and returned in the evening, but that he did not know where they had been, and also not whether they had made their complaint. The second deponent, that having once been summoned by the sabandaar modliaar at Gale, and wanting to go to him, he had met him at Magalle, being on the way with the junior merchants Van Schulek and De Vos, together with the sworn clerk Van Zitter, to go to the insurgents in the Matara dessavony. That the sabandaar modliaar had then informed him that he had been summoned because he had received orders to provide sensible appoehamies to the said junior merchants Van Schulek and De Vos. That in pursuance of this commission he had gone to Belligam, where the sabandaar modliaar had handed him, the deponent, over to the junior merchants Van Schulek and De Vos in the rest house, and that these gentlemen had then given him a sannas, which was addressed to the insurgents, with orders that he should read it. That he had done this and found that this sannas contained a communication that the junior merchants Van Schuldk and De Vos were arriving to hear the complaints of the insurgents, that those who had complaints must bring them before their Honors, and that justice would be done thereupon. That the junior merchants Van Schieler and De Vos had subsequently signed the said sannas and handed it over to him to bring to the insurgents. That he, having then testified to their Honors that he did not know the way to go to the insurgents, they, to show him the way, had assigned to him a person from the Matara Kandebaddepattoe named Mawerle Witaarneraale, who was then with their Honors, together with the lascoryn Dollemoelle Appoe, the third deponent in this, to lend him authority in his duties. That on the way he published this sannas everywhere the insurgents were, namely at Denepittie, the Belligam koule, in the Gangebaddepattoe, at Hakman, Kahawatte, Diekwelle, and at Bamberende, and subsequently at the last-mentioned place, where most of the insurgents were, had handed it over to a minor headman whose name is unknown to him. That this minor headman had delivered it to a person named Gallegamme Bitmerale, who was mostly among the insurgents, and that the latter had locked it away in a writing desk drawer. That at the desire of him, the deponent, to have proof that he had properly delivered the sannas, that same day in the afternoon around half past four, a closed ola was delivered into his hands on behalf of the insurgents by two persons whom he had heard called Ratmeherre Arraatje and Jodekandie Arraatje, with the request that it be delivered to the junior merchants Van Schuldk and De Vos, as he also did at Gandure, where That
Dutch transcription
359 Heden den 13:e oktober A:o 1791. benaaming van mohandiram der wildschutters heeft gesprooken. Aldus Gerecolleerd, gepersisteerd, geamplieerd, ge„ „vraagd en beantwoord in het kosteel Kolombo, dato voormeld. De minute dezes is door den Comparant, den tolk en mij Sekretaris geteekend. /:onderstond:/ 'T welk Getuijgd /:was geteekend:/ B: L: van Litter Sekretaris Accordeerd. — Corns. Johanns: Idé Compareerde voor mij Benedictus Lambertus van Zitter, koopman en sekretaris van Politie al„ „hier, de volgende perzoonen, die onder meerder bij brieve van den 4. e deeser van Gale ontbooden, e gisteren alhier aangekoomen zijn, namelijk 1. Gaalege Don Adriaan de sielve, in de wan„ „deling gen:t sintje Appoe, zoon van eenen Polwatte Pattambie, inwooner van het dorp Ma„ „galle, tinnen de Gaalsche vier graveten en gerefor„ „meerd. 2. Mohotige Magnus, Sappermadoe Appoehamie, inwoonek van het dorp Miepe, onder de Gaalsche Talpepattoe, en Christen en 3. Dollemoelle appoe, laskonijn van de Gaalsche guard„ inwoondr van het dorp Wikkede en Christen. Dewelken, ter requisitie van den welEdelen Gestrengen Groot Achtbaaren Heer Gouverneur Willem Jacob van de Graaff, op de vertaaling van den gezw: tolk ter sekretarij van den Achtb: Raad van Justitie Ma„ „nuel Jernando, verklaarden waaragtig te weezen. De No. 3. gezeeklerk De eerste attestant, dat vijf 2. ses en twintig daagen voor dat de Matureesche ingezeetenen waaren ge„ „revolleerd, uit de Matureesche kandebaddepattoe te Gale waaren aangekoomen Gon vaddele, Moe„ „nesinge kangalae, en nog drie perzoonen, die hij niet bij namen kend. Dat deeze luiden bij hem, gelijk de meeste rijzigers het doen, hadden gewoond, en dat hij bij die gelee„ 6 „gendheid van hun had vernoomen, dat z waren gekoomen met een klagte, dog niet waar in dezelve bestond. Dat gem: luiden het zeedert weder na Mature ver„ „trokken waren, op den dag dat de onderkooplieden van schuldt en de vos zig na derwaards begaaven, om de klagten van de gerevolteerden te hooren, en wel omtrend ander half â. twee uuren voor hun E: vertrek. Betuigende hij voorts dat voorm: luiden, in al den tijd dat ze bij hem woonden, des morgens uijtgegaan en des middags weder tehuis gekoomen, en weder des agtermiddags uitgegaan en des avonds te rug gekoomen waaren, dog dat hij niet wiste waar ze na toe ge„ „weest waren, dog dat hij niet wiste waar ze na toe geweest waren, en ook niet op ze hunne klagte gedaan hadden. De tweede attestant dat hij eens door den sabandaar modliaak te Gale ontbooden zijnde, en zich na hem willende begeeven, hem had aangetroffen op Magalle, op weg zijnde met de onderkooplieden van Schulek en de vos, neevens den gesw: klerk =van Zitter, om na de gerevolteerden in de Matu„ „reesche des savonij te gaan. Dat de sabandaar modliaar hem toen had aange „zegt, dat hij ontbooden was, wijl hij onder had bekoomen, om verstandige appoehamies aan gem: onderkooplieden van schulek en de vos te bezorgen. Dat hij i 't gevolg van deeze Commissie was gegaan naar Belligam, alwaar de sabandaar modliaat hem attestant in het rusthuis, aan de onderkooplieden van schulek en de Vos had overgegeeven, en dat toen deeze heeren aan hem hadden gegeeven en sannas, waaren, die die aan de gerevolteerden was gerigt, met last dat hij dezelve zoude leezen. Dat hij dit gedaan en bevonden had, dat die sannas eene Communicatie bedelsde, dat de onderkooplie„ „den van schuldk en de vos aankwamen om de klagten van de gerevolteerden aantehooren, dat de geene die klagten hadden, dezelven voor hun E:r moesten inbrengen, en dat daar op zoude worden recht gedaan. Dat de onderkooplieden van schieler en de vos vervolgens gem: sannas geteekend en aan hem overgegeeven hadden, om bij de gerevolteerden te vrengen„ Dat hij toen aan hun E:s betuigd hebbende, dat hij de weg niet wist om na de gerevolteerden te gaan, dezelven hem om den weg te wijzen hadden toege„ „voegd een perzoon uit de Matureesche kandebadde, „pattoe, gen:t Mawerle Witaarneraale, die zig toen bij hun E:s bevond, nevens den laskorijn Dolle„ „moellen apfore /: de derde attestant in deze:/ om hem aanzien bij te zetten in zijne vorrigting en. Dat hij deeze sannas onder wegen, over al daar zig de gerevolteerden bevonden, naamelijk te Denepittie, „de Belligam koule, in de Gangebasde pattoe, te Hakman, Kahawatte, Diekwelle en te Bambe„ „rende, gepubliceerd, en vervolgens dezelve op laast gem: plaats, alwaar de meeste gerevolteerden waa„ „den, aan een minderhoofd, wiens naam hem onbekend is, overgegeeven had. Dat dit minder hoofd dezelve had besteld aan een per„ „zoon, gen:t Gallegamme Bitmerale, die meeste bij de gerevolteerden zig bevond, en dat deeze deselve in een schrijflaade had weggeslooten. Dat op de begeerte van hem attestant, om een bewijs te hebben dat hij de sannas behoorlijk had besteld; den zelfden dag 's middags omtrend half vijf uuren, aan hem uit naam van de gerevolteerden, een gesloote ola was ter hand gesteld door twee perzoonen, die hij daar had hooren noemen Ratmeherre arraatje en Jodekandie arraatje, met begeerte dat dezelve aan de onderkooplieden van schuldk en de vos zal worden besteld, gelijk hij dezelve ook te Gandure„ Dat alwaar
English
362 where he had found their Honors on his return journey, he had handed it over. That about fifteen days before the junior merchants van Schulcken and de Vos had gone to Mature, he had once met the aforementioned Mawerle Witaarneraale in Gale outside the town, together with another kangan from the Maturese Kandebaddepattoe, and as these people were strangers, he had asked the said Witaarneraale what they were doing there and where they were going; and that the latter had then answered that they had come with a complaint against Mannamperie, head of the said Kandebaddepattoe. That on his journey to the rebels, he had met at Diekwelle the saffermadoe appuhamies Galgodelle Appu, inhabitant of the village of Boope, who has since died of the smallpox, and Nagawatte Lokuappu, inhabitant of the village of Watterekken, who asked him where he came from; to which he had answered them that he was going to deliver a sannas from the junior merchants van Schulcken and de Vos to the rebels; and subsequently these two saffermadoe appuhamies had told him that they had also delivered a sannas from the lord Galle Commander to the rebels at Diekwelle. That the said saffermadoe appuhamies had accompanied him to Bemberende, and thus had been present when he delivered his sannas and received the ola from the aforesaid two arachchies, and that they had subsequently come with him to Gandure, and had remained alongside him with the junior merchants van Schulcken and de Vos until their return to Gale, and therefore had also everywhere enjoyed maintenance as belonging to their retinue. The third deponent conformed fully with the second deponent as far as concerns the statements of what occurred while he accompanied him, with this change however, that he did not know the person of Gallegamme Bitmeraale, No. 4 363 Bitmeraale, who took delivery of the sannas of the junior merchants van Schulcken and de Vos from the minor headman. The deponents hereby ended their given declaration, which they affirmed to contain the pure and sincere truth, giving as reason for their knowledge as in the text, remaining thereby prepared to confirm the attested matters further, if required, by solemn oath. Thus declared in the Castle of Colombo, on the day and at the secretariat aforesaid, the original of this being signed by the deponents, the interpreter, and me, the secretary. Underneath stood: Which is witnessed by B. L. van Ziller, Secretary. Signed: Agrees. Sworn Clerk That on that occasion, together with the aforesaid Shabandar Mudaliyar, 3 to 4 strange Sinhalese had appeared before the Secretariat, whom the declarant presumes were the bearers of the aforesaid complaint, because a few days later they had come to ask him whether it was already translated, but that he did not know them nor had spoken anything else with them, and that he thinks they had since returned to Mature with the Galle Commissioners. That the declarant, when he received that ola, had no opportunity Today, the 24th of October Anno 1791. By order of the Right Honorable, Highly Esteemed Lord Willem Jacob van der Graaff, Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon and its dependencies, appeared before me, the Secretary, Simon de Silva Tammeresegoe Groenewardene, titu-lar mohandiram and sworn Sinhalese interpreter at the Secretariat of Policy and Justice at Galle, currently here present, of the Reformed religion, aged 59 years. Who declared that, to his best recollection, a few days before the news was received at Galle of the uprising of the Maturese inhabitants, the Shabandar Mudaliyar of Galle, coming there to the secretariat on a certain day, had handed an ola to him, the declarant, saying that it was a complaint ola from the inhabitants of the Kandebaddepattoe, and that the Lord Commander Sluysken instructed him, the declarant, to translate the same. Cornelis Johannes Idé Reviewed Wahlberg
Dutch transcription
362 alwaar hij hun E=s op zijne terug rijze had gevon„ „den, overgegeeven had. Dat omtrend vijftien dagen, voor dat de onderkoop„ „lieden van schuldk en de vos na Mature waa„ „ren gegaan, hij eens voorm: Mawerle witaar„ „neraalen te Gale buiten de stad had aangetrofen met nog een kangaan uit de matureesche kande, „baddepattoe, en wijl deeze luiden vreemdelingen waaren, haid hij aan gem: witaarneraale ge„ „vraagd, wat ze 'er deeden en waar ze na toegingen en dat deeze toen had geandwoord, dat ze waaren gekomen met een klagte teegen Mannamperie, hoofd van gem: kandebadde pattoe. Dat hij op zijne reize na de gerevotteerden, te Diek„ „welle had aangetroffen de saffermadoe appoehamies Galgodelle appoe, inwoonder van het dorp Boope, die zedert aan de kinderziekte is overleeden, en Nagawatte Lokocappoe, inwooner van het dorp watterekken, dewelken hun vroegen waar hij van daan kwam; waar op hij han had ge„ „andwoord, dat hij een sannas van de onderkoop„ „lieden van Schulek en de vos ging bestellen aan de gedevolteerden; en vervolgens hadden deeze twee saffermadoe appoehamies aan hem gezegt, dat ze ook een sannas van den heer Gaalsch komman„ „delik, aan de gerevolleerden te Diekwellen hadden be„ „zorgt. Dat gem: sappermadoe appoehamies hem na Bom„ „berende hadden verzeld, en dus present waaren ge„ „weest toen hij zijn sannas besteld, en de ola van „voorsz: twee arkaatjes ontvangen had, en dat zij vervolgens met hem te Gandure gekomen, en nevens hem bij de onderkooplieden van schulen en de vos gebleeven waren, tot derzelver terug keering na Gale, en mits dien ook over al, als tot dek„ „zelver gevolg behoorende, mainctementos ge„ „nooten hadden. De derde attestant Conformeerde zig ten vollen met den tweeden attestant, voor zoo verre, aangaat de opgaven van 't voorgevallene terwijl hij hem verzelde, met deeze verandering nog „tans, dat hij de perzoon van Gallegamme „lieden Bitmeraale N:o: 4 363 Bitmeraale, die de Cannas van de onder„ „kooplieden van schuler en de vos heeft over„ „genoomen van het minderhoofd, niet kende Eindigende hiermeede de attestanten hunne gegee„ „dene verklaring, die zij betuigden te behelsen de zuijvere en opregte waarheid, gevende voor reeden, van weetenschap als in den text, over zulx bereid blijvende het geattesteerde nadet, des vereischt werdende, met solemneele eede te bevestigen. Aldus verklaard in 't Casteel Kolombo, ten daage en sekretarij voormeld. zijnde de minute dee„ „zel door de attestanten, den tolk en mij sekretaris onderteekend /:onderstond:/ 'T welk Getuigd B: L: van Ziller Sek:s /:geteekend:/ Akkordeert. gezwklerk Dat by die geleegentheid met voorm Sabandaar mooli„ „aar, 3 a 4 vreemde singaleeschen voorde Secretarij waaren verscheenen, die de deklarant presumeert de brengers van voorsz klagt de zullen geweest zijn, wijl zy eenige daagen daarna hem waaren koomen vragen off dezelve reets getranslateert was, dog dat hy hen niet „kend nog ook met hun iets anders gesprooken had, en dat hij denkt dat zij met de Gaalsche Commissarissen zeedert na Mature waaren terug gekeerd Dat de Clarant toen hy die ola bekwam geen gelee Heden den 24 october Ao 1791 Is ter order van den wel Edelen Groot Achtb Heer Wil„ „lem Jacob van der Graaff Raad ordinair van Neer„ „lands Jndia gouverneur en Directeur van 't Eyland Cey„ „lon met dies onderhoorigheeden, voor my Sekretaris gecompareerd Simon de Silva Tammeresegoe Groenewardene, uit: =mokanderam en gesw sengaleesche tolk ter Sekreta„ „rij van politie en Iustitie te gale, thans en loco, ge„ reformeerd oud 5. 9 Jaaren Dewelke deklareerde, dat naar zyn best onthoud eenige dagen voordat op gale de tyding was ontfangen van den opstand der Matureesche Ingeseetenen, de Sabandaar modliaar van Gale op zeekere dag aldaar ter secretariy koomende een ola aan hen Deklarant hadde terhand gesteld, zeggende dat het eene klagt ola was van de Ingezeetenen van de kande baddepattoe en dat de heer Commandeur Sluysken hem Deklarant liet belasten dezelve te translateeren Corn Johann Idé gentheid Nagezien Wahlberg
English
364 had had the opportunity to translate the same at once, but that due to the lapse of time, he can no longer remember what hindered him in doing so, namely whether he himself then had other business, or whether the sworn clerks could not disengage themselves on account of other occupations. That he nonetheless took the aforesaid ola to the Lord Commander, and made known to the same that he had no opportunity to translate the ola, simultaneously asking whether His Honour wished that the work currently in hand should be finished first, or whether the ola had to be translated first. That the Lord Commander had answered thereto that both the work in hand and the translation of the aforesaid ola had to be done speedily. That the declarant, coming to the Secretariat with this answer, in order to know what kind of ola it actually was, had perused the same cursorily, and that he had then found that the same contained complaints against a then head of the Kandebaddepattoe, Mannamperi, and this was among other things stated therein, that the complainants did not dare to address themselves with these their complaints to the Honourable Dissave at Mature, because the brother-in-law of the said Manamperi was second folk at His Honour's porta. That the declarant subsequently put this ola aside in order to translate it as soon as the opportunity would allow, but that he cannot say with certainty whether a beginning had since been made with it, but that he That he thinks that the sworn clerk Bregman at the same time had given him the translations of the olas already translated at that time, to be handed over to the said Honourable de Vos, but that he cannot say this with certainty, nor whether a list or register of the delivered documents was provided to the same. That he, the declarant, had not received back the aforesaid delivered olas since, and that he also does not know whether the aforementioned Commissioners upon their return to Gale had delivered the same back to the Lord Commander, or rather to the Secretariat. That besides the aforesaid ola, more olas were received from the inhabitants of the Kandebaddepattoe, however knows well that on that occasion this ola was not translated in full, because meanwhile the rebellion had already arisen, and olas were brought in almost daily from the mutineers, which had to be translated at once. That meanwhile the junior merchants van Schuler and de Vos having been appointed as Commissioners to go to Mature to the mutineers, the last-named Honourable de Vos coming to the Secretariat on a certain day by order of the Lord Commander, had demanded all the Mature complaint olas, whether they were translated or not, and that thereupon the declarant (as he thinks, by order of the sworn clerk Bregman) had brought all the received complaint olas, among which was also the aforesaid ola from the inhabitants of the Kandebaddepattoe, to the house of the aforementioned junior merchant de Vos and handed them over to the same. 365 among others also one in which they requested that, upon the appointment of a new head for the aforementioned Pattoe, someone from that Pattoe itself might be taken for it, and none from Mature or elsewhere, as in the latter case they would have to contribute to build dwellings for him, and also as often as someone from the family came to visit him, would have to provide adukus, etc., but that all olas from the mutineers were not translated by him, the declarant, but that on account of the multitude thereof, and because he also meanwhile had to perform the judicial and other daily work, a portion of these olas were translated by the two interpreters of the Gale Landraad. That about 8 or 10 days before the declarant's departure from Gale to this place, the Lord Commander Sluysken, having summoned him, had ordered him to check among the olas kept at the Secretariat whether there was also one that might have been received from the Kandebaddepattoe shortly before the rebellion, from a certain Nierlangektije and Don Simon Aratchi, and that the declarant, having searched for it and found no such ola, gave notice thereof to His Honour, and at the same time reminded the same that all the olas that were received before the departure of van Schuler and de Vos were given along to the Honourable de Vos upon his departure to Mature, and that even the olas that were received after their departure, being translated, were also sent to Their Honours together with the translations; that thereupon the Lord Commander had ordered him to go and inquire whether the Honourable de Vos might have the aforesaid ola in his possession, and that the declarant, having addressed himself concerning this to the Honourable de Vos, His Honour had declared he thought that after the conclusion of the Commission all the received olas and papers were brought back to the Secretariat. That the declarant, having asked the sworn clerk Bregman about this thereupon, the latter had declared that to his knowledge no olas or papers were delivered to the Secretariat by the Honourable de Vos, and that he, the declarant, had reported this answer, both from the said de Vos and from Bregman, to the Lord Commander. To the question put by me, the Secretary, to the declarant, where and how the olas that were translated at the Gale Secretariat were kept; he declared that all olas of importance and that required confidentiality, thus also the Mature complaint olas and those of the Gale Korle, were kept in a locked cupboard, the key of which was in the custody of the sworn clerk Bregman, but that olas of less importance and that required no confidentiality were kept according to custom in an open cupboard. Thus declared in the Castle of Colombo on the date aforesaid. The minute of this being signed by the declarant and me, the Secretary. Underneath stood: Which bears witness. Was signed: B. L. van Pitter, Secretary. Agrees: Cornelis Johannes Idé, sworn clerk.
Dutch transcription
364 „gantheid heeft gehad dezelve ten eerste te translateeren dog dat hy mits verloop van tijd, zich nu niet Erenn „ren kan, waardoor hy daar in verhinderd was, naame „lyk of hy zelfs toen andere beesigheeden hadde, dan wel„ off de gezwr klerken door andere occupaatsien zig daar niet konden verleedigen Dat hy niet temin mets zich met voorsz ola by den Heer Commandeur begeeren, en aan denzelven bekent gemaakt te hebben, dat hy geen geleegentheid had de ola te translateeren, met afvraage teffens off zyn Ed begeerde, dat het onderhanden zynde werk eerst zer de affgedaan, dan wel dat de ola eerst moest getrans„ „lateerd worden Dat de Heer Commandeur daarop had geantwoord dat zoo wel het onderhanden zynde werk als de fran „latie van roorz ola beide spoedig moest gedaan worden Dat de declarant met dit bescheid ter secretar, koo„ „mende, om te weeten wat het eigentlyk voor een ola was dezelve ter loops had doorloopen, en dat hy toen had be„ „vonden, dat dezelve klagten behelsden teegen een taen„ maalig hoofd van de kan de badde pattoe Mannampert ade dit onder anderen daarby gezegd wierd, dat de klaagers zig met deeze hunnen klagten aan den E Dessace te Mature niet dorsten addresseeren, om dat de zwager van gem, Manamperie tweede volk was aan zyn Es forta Dat de deklarant vervolgens deese ola heeft weggelegd om zoodra de geleegentheid het zoude toelaaten dezelve te translateeren, dog dat hy niet zeeker kan zeggen off daar zee dert een begin aan gemaakt was, maar dat hij Dat hy denkt dat de gesw klerk Bregman ter zelver tijd de translaaten van de toen reeds getranslateerde olas aan hem had meede gegeeven, om aan gem E: de vos ter hand te stellen, dog dat hij dit niet met zeekerheid kan zeggen, en ook niet, off daarby aan denzelven een Lijst off Register was besorgd van de afgegeevene stukken Dat hy deklarant het zeedert voorsz affgegeevene olas niet had terug ontfangen, en dat hy ook niet meet off de voorm Commissarissen by hun terugkomst op Gale dezelve aanden Heer Commandeur, dan wel ter secre„ „tarij terug besorgd hadden Dat er behalve de voorsz ola, nog meer olas van de ingeseetenen vande kandebaddepattoe zyn ontfangen egter wel weet dat by die geleegentheid deese ola niet den vollen was getranslateerd, wyl en tusschen de opstand reeds ogtstalen was, en er by na dagelyks olas aange„ „bragt wierden van de muytelingen die ten eerste moes„ „ten worden getranslateerd Dat onderwylen de onderkooplieden van Schuler en de ros benoemd zynde als Commissarissen om na Mature tot de muytelingen te gaan, laastgenoemde E de vas op zee„ „kere dag ter Sekretarij koomende uyt order van den Heer Commandeur, alle de matureesche klagt olas, het zy „ze getranslateerd waaren dan niet, afgevorderd had, en dat daarop de deklarant (zo hy denkt op order van den gesw klerk Bregman / alle de ontfangene klagt olas waaronder ook was de voorsz ola van de Ingeseete„ „nen van de kande badde pattoe, ten huyse van voorm onder koopman de rosgebragt en aan denzelven overgegee„ egter Onder „ven had 365 onder andere ook eene, waarby zij versogten, dat bij de aanstelling van een nieuw hoofd voorgem Pattoe, iemand van die pattse zelve daartoe mogte genoomen word en en geene van Matire off elders, wyl zg in het laaste ge „val zouden moeten Contribueeren om voor hem wooningen te bouwen, en ook zoo dikwils iemand van de famielje hem kwam besoeken adoekoes ec=a maeten op brengen, dog dat alle olas vande muijtelingen door hem deklarant niet zyn getranslateerd maar dat weegens de meenigte daarvan, en wyl hy ook intusschen het Justitie en ander dagelyks werk moest verrigten, een party deeser olas door de twee tolken van den Gaalschen Landraad waaren ge„ „translateerd Dat omtrent 8 off s0 daagen voor des declarants ver„ trek van Gale na herwaardts, de heer Commandeur sluys„ „zen hem ontbooden hebbende, belast had om onder de olas op secretarij berustende na te gaan, off er ook eene was die kort voorden opstand zoude zyn ontfangen van de kande badde pattoe van sekere Nierlangektije en Don Simon arraatje, en dat de declarant daarna gesogt en geen diergelijke ola gevonden hebbende, daar van aan zyn Edele kennis gegeeven, en denzelven teffens winnerd had van Schuleren dat alle de olas, die voort vertrek vandeb de vos ontfan„ „gen waaren, aanden E de vos by deszelfs vertrek na Mature waaren meede gegeeven en dat zelfs de olas, die na hun vertoek ontfangen waaren, getranslateerd zynde, meede met de translaaten aan hun Ed waaren toegeson„ den, dat daarop de Heer Commandeur hem belast had om te gaan verneemen off deb deros de voorsz ola zomtijds ondersig had, en dat de declarant zig daar over aan den E deros geaddresseerd hebbende, zyn E betuijgd had te denzen, dat na 't eindigen van de Commissie alle de ontvangene olas en papieren ter sekretari waaren te rug gebragt. Dat de deklarant hier op den gesw klerk. Bregman, daar na gevraagd hebbende, deese betuygd had, dat zyns weeters, door den E deros geen olds off papai„ „ven ter sekretarij waaren bestelt, en dat hy deklarant van dit bescheid zo wel van des deros als van Bregman aan den Heer Commandeur rapport had gedaan Op de voage door my Sekretaris aan den declarant gedaan, waar en hoedanig de olas, die ter gaalsche Secretariy getranslateerd wierden worden bewaard; heeft hy betuijgd, dat alle olas van belang en die geheim„ houding vereyschten, dus ook de Mahireesche klagt olas en die vande gale korle bewaard zyn in een gesloote kas, waar van de Pleutel onder bewaaring was van den gezwoore klerk Bregman, dog dat olas van minder belang en die geen geheim houding vereischten volgens gewoonte in een opene kas wierden bewaard Aldus gedeclareerd int kasteel Colombo dato voor„ „meld Zynde de minute deeses door den deklarant en my Sekretaris onderteekend /onderstond/ t welk getuygd /was geteekend/ B L van Pitter Secretaris Ackordeert Corn:s Johiann:s Idé gezwklerk had &
English
27 366 WV D: Linde Translation Sinhalese Ola letter dated the 7th of January 1791, written by the Mohandiram and Head of the kandebaddepattoe wiedjesoendere Abenaijke, to the Right Honorable Lord Commander of Gale, Mature, etc. Examined After previous compliments. Concerning the insults and ill-treatment committed without distinction of persons against the inhabitants of the said pattoe by the Mohandiram Manamperie as head of the kandebaddepattoe in his time, as well as on account of gifts taken from them, some of them residing at Kandepittewalle hadde set out for Mature to submit their complaints regarding this to the Lord Dessave, but these people were frightened by the relatives of the said Mannamperie at Mature and hindered, so that they returned from Mature without having been able to accomplish anything therein. Some persons thereof went to Gale with their said complaints to Your Right Honorable, and while they were still there, the said Manamperie, intending to depart on the second day of the past Sinhalese New Year, ordered all the inhabitants of his pattoe to hold themselves ready, providing themselves with their own provisions, as strong as they were in each household, for Baddegierie. Upon which order—considering that land is very unhealthy and causes sickness and suffering, there also being particularly great heat whereby many people have died—the lascorins and inhabitants of the Kandepittewallehadde, together with the Gammeaatjele of Moelletiennie Dissanaijke Appoe, inhabitant of Galettoembe, and Maddemegawawatte koorle Mahatinea, put their heads together on the 1st of April 1790 and formed an assembly to submit their complaints further. The aforesaid Manamperie Mohandiram was informed of this by the second vidaan-arraatse of kandepittewalle hadde sammerewiekreme, who thereupon came to us at Hakman walle hadde to stay here; he had me, Dodampe Araatje, and nadiege Arraatje summoned, specially instructing me to go to the assembled people at kandepittewalle hadde and, having learned the reason for their displeasure, bring them to a halt, and after sending off some coolies for the Company's service, return to him, Manamperie Mohandiram. I replied to him thereupon that kandepittewallehadde was situated one and a half miles from Hakman, where we were at that time, and that I, being faithful to the Honorable Company and having sufficient capability for that purpose, would indeed go there, but that he, in this case notifying the Lord Dessave, should request two companies of Javanese, and that when these were sent, I would depart thither without fear and capture or disperse the conspirators. The said Mohandiram replied to me thereupon that we would write to the Lord Dessave about it. After the dispatch of this letter and while an answer was awaited, all the conspirators of kandepittewallehadde arrived at the borders of Hakman, of which arrival they sent us word; wherewith we informed Manamperie Mohandiram and asked him whether we should go to the said conspirators or not, to which he served in reply that we could go to them, but should try to remain free of any insults and communicate to him whatever occurred there, so that he could immediately inform the Lord Dessave thereof. For that reason, with the knowledge of the Lord Dessave, I also went to the aforesaid conspirators and faithfully ensured that no harm was brought to the Company's property, and not only that, but also secretly gave notice to the Lord Dessave of what happened there. Under these circumstances, Your Right Honorable arrived at Mature to bring the conspirators to a halt, and I not only served with an answer to all the letters and messages received from Your Right Honorable, but also by all kinds of remedies brought it about that the people belonging under Nine Districts came to a halt to the satisfaction of Your Right Honorable. As a reward for this, after Your Right Honorable had found that I was an upright and faithful servant of the Honorable Company, his lordship appointed me as head of this Pattoe. After my said appointment by the Dessave
Dutch transcription
27 366 WV D: Linde Over de door den Mohandiram Manam„ „perie als hoofd van de kandebaddepat„ toe in zijn tijd aan de Ingezeetenen van gem: pattoe, zonder onderscheid van perzoonen gedaane beleedingen en quaade behandelingen als ook wegens genoomene presenten van hun zijn eenigen derzelve woonende op Kandepittew alle hadde na Mature vertrokken om aan den Heer Dessave derwegens hunne klagten in„ tebrengen doch deeze Menschen zijn door Na voorgaande Komplimen„ Translaat Singaleesche Brief ola gedateerd den 7:e Januarij 1791. door den Mo„ handiram en Hoofd van de kandebaddepattoe wiedje soendere Abenaijke, geschree„ ven aan den weledelen Achtbaaren Heer Komman„ deur van Gale, Mature de Nagezien etca „ten. 127 367 de nabestaande van gem: Mannamperie te Mature in vreese gebragt en verhindert, dat ze zonder iets daar in te hebben konnen doen weder zijn vertrokken van Mature Eenige perzoonen daar van hebben zig be„ geeven na Gale met gem: hunne klagten bij uw weledele Achtbaare en terwijl zij zich aldaar nog bevonden heeft gem: Ma„ namperie om op den tweeden dag van het voorleeden singaleesch Nieuwjaar dach te vertrekken alle de Inwoonders van zijn pattoe aanbevoolen dat ze zig gereed moesten houden, hun van eige mond„ kost voorziende, zoo sterk als ze in elk huishouden waaren, naar Baddegierie op welk gebod, aangemerkt dat land heel ongezond en ziekten en zucht ver„ oorzaakt, als zijnde daar ook een bijzonder groote hitte waar door veele menschen zijn weggestorven; de Lasko„ rijns en ingezeetenen van de Kandepitte wallehadde benevens de Gammeaatjele van Moelletiennie Dissanaijke Appoe inwoonder van Galettoembe en Madde megawawatte koorle Mahatinea op den 1:e April 1790: de hoofden bij elkan„ de gestooken en eene tezaamen rotting gemaakt hebben om hunne klagten verder intebrengen. Htier van wierd voorm: Manamperie Mohandiram verwittigd door den tweeden vidaan„ Arraatse van kandepittewalle hadde sammerewiekreme, die daar op bij ons te Wakman walle hadde gekoomen om zig alhier ophoudende; heeft laaten ontbieden mij Dodampe Araatje en nadiege Arraatje mij in het bijzonder opdragende na kandepittewalle hadde bij de te zaamen gerotte Menschen te gaan en de reeden van hun misnoegen vernoomen hebbende hen tot stilstand te brengen en daar na eenige koelies tot 's komp:s diensten afgezonden hebben, de bij hem Manamperie Mohandi„ „ram terug te koomen. Ik heb Hem daar op geantwoord dat kandepitte„ wallehadde van Hakman, op welke laatst gem: plaatse wij ons als doen bevonden, ander halve Mijl verre geleegen was en dat ik als getrouw aan de E: komp: den zijnde 1368 zijnde en ten dien einde vermoogen genoeg hebbende wel daar na toe zoude gaan, maar dat hij aan de Heer Dessave in dit geval kennis geevende zoude verzoeken om twee kompenien Javaanen, en dat wanneer deeze gezonden wierden, ik zonder vree„ ze derwaards zoude vertrekken en de 'tzaamen rotters zoude opvatten of ver„ „jaagen. Gemelde Mohandiram heeft mij daar op geantwoord dat wij den Heer Dessave daar over zoude schrijven. Na het afgaan van dit schrijven en intusschen dat 'er antwoord op verwagt wierd zijn als le de tezaamenrotters van kandepitte„ wallehadde op de grenten van Wakman aangekoomen van welke komst zij ons hebben laaten kennis geeven, waar van wij Manamperie Mohandiram onderhout den en hem gevraagd hebben of wij bij gem: tezaamenrotters ons zouden be„ „geeven of niet waar op hij ten antwoord diende dat wij bij hun konden gaan maar tragten zouden buiten eenige affron ten te blijven en het geen daar voorvaet aan hem te bedeelen op dat hij den Heer Dessave daar van strax kennis konde geeven. om die reeden ben ik ook met meede weeten van den Heer Dessave bij voormelde te zaamen ratters geweest en heb getrouwelijk gezorgd dat aan 's komp:s eigendommen geen nadeel wierd toege„ bragt niet alleen maar heb ook van het geen 'er gebeurd is in het geheim den Heer Dessave kennis gegeeven. In deeze omstan„ „digheid is uw weledele Achtbaare te Ma„ ture aangekoomen om de tezaamen rat„ ters tot stilstand te brengen en ik heb op alle de van uw weledele achtbaare ontvangene schrijvens en boodschappen van antwoord gediend niet alleen maar ook door allerlij hulpmiddelen gemaakt dat het volk gehoorende onder Neegen Distrikten tot kontentement van uw weledele Achtbaare tot stilstand ge„ koomen is, Tot belooning van dien na dat uw weledele achtbaare bevon„ den had dat ik een opregt en getrouw Dienaar van DE: Komp: was, heeft hoogst dezelve mij aangesteld tot hoofd van deeze Pattoe. Na gemelde mijne Dessave aanstelling
English
appointment, I have performed all of the Company's services that are to be carried out, better and more completely than is done in the other korles and pattuwas, with zeal and a good heart. Relying also upon the general pardon granted by the esteemed Ceylon Government and your Right Honourable for the errors and committed offenses in past times. Things being in this posture, the Honourable Rabinel arrived here in order, with the prior knowledge of the Lord Matara Lieutenant Dissava, to inspect the Areca gardens in this pattuwa. Having stayed under this pretext for three days in the resthouse of Wakwella, His Honour departed for Kadawedduwa, and there a rumour was spread that in this very night a commando of Javanese was to come to seize me, on which account I moved from the place where I was staying to another, and being here, learned that the aforesaid rumour was untrue. After that, I went to the said Honourable Rabinel myself and presented myself, and answered truthfully to what he asked me; subsequently I supplied everything His Honour needed for expenses and maintenance, although no inspection was made nor any commission executed. All the inhabitants of the aforesaid Nine Districts made a commotion. When now the others are exempted from that and only those of the Kandebodapattuwa stand to be accused, I cannot know what is to befall those who are the cause of the beginnings thereof. Because it is not known whether the pardon favourably granted to us through the kind thoughts of your Right Honourable is for a few days or for certain, this causes a doubt and anxiety, and under these circumstances, many untruths from certain persons being heard, the hearts of all the inhabitants of this Pattuwa are uneasy, on which account they as well as I remain in fearful thoughts whether we shall be able to obtain permission to remain in the Lords' lands or not. Because we ourselves must remain here with our children without looking to another land, your Right Honourable, who has much compassion for mankind and can dispel their fear, is most humbly supplicated that the orders necessary for this purpose relating to this pattuwa alone may be issued. At the head of the ola stands 17 7. 91. and signed with an illegible signature, underneath stood, Galle, the 9th of January 1791, for the translation, signed, M: J: Gratiaen, first clerk, in the margin, for the translation, signed, L: De Silva, sworn Interpreter, lower, Agrees, signed, J: H: Brechman, clerk. Agrees. Answer to the Mohandiram of the Kandebodapattuwa, Wijeyesundere Abenayake. I have duly received your ola letter of the 7th of this month and understood its contents. Since I returned from Matara, everything has settled down to calm and peace and affairs to everyone's well-being, and because you have rendered me service in that matter, you have also been promoted to Mohandiram and head of the Kandebodapattuwa. The pardon requested and favourably obtained from the Ceylon Government is not for a few days, but for ever; neither you nor the inhabitants of the Kandebodapattuwa need worry about any evil through useless fear, if only your Honour takes care that the Company's services are properly performed and that your Honour's subordinates remain obedient and properly fulfill their duties. In particular, I recommend to your Honour that the orders of the Lord Dissava of Matara, or of him who is placed in authority there, be strictly carried out. I have learned that some people from the Kandebodapattuwa have been summoned to Matara and are required for an inquiry ordered there by the Ceylon Government; all such persons must go thither and state the truth without withholding, regarding what is asked of them, without having to be in the least afraid of anyone on that account, while the intention of the Ceylon Government and of us is absolute that everyone shall be treated according to justice and truth, and such persons who in time are found to have engaged in falsehoods shall certainly experience a great remorse in punishment for their falsity. Therefore I advise your Honour to remain ever faithful to the truth and obedient to the Hon. Company and country regents. Thus written and dispatched the 11th of January 1791. Was signed, P: Sluijsken. Lower, Agrees, was signed, J: H: Brechman, clerk. Agrees, sworn clerk, Corn:s: Johanns: Idé. No. 6. Examined, J Johnson. Shows with all respect Hewetantrige Matthees, former kangan of the timber dragging and inhabitant of Galle, that while he was present at his house, one Harmanus Pattangatijn at Galle, by order of the lord secretary here, called him and brought him to His Honour, and the said Honourable secretary secretly told him to inquire and report in secret and without letting anyone know, who arrested Dahanaike Mohandiram, for what debt, who bound the Moor and sent him to Colombo, and what debt he had incurred, what the mutineers are doing, where they reside, and what the intention of the Matara Dissava Van Angelbeek is, with the promise that if that were faithfully accomplished, he would then cause to be obtained from the Honourable Commandeur such a post as he shall come to request; that for six days thereafter he strived and obtained in all secrecy knowledge of the various matters, and faithfully reported to the aforesaid lord secretary. Translation of a Sinhalese ola, presented to the Right Honourable Lord Governor.
Dutch transcription
369 aanstelling, heb ik alle de komp:s dienste die 'er verrigt moeten worden. beeter en volkoomener als in de andere korles en pattoes gedaan word, waargenomen met uiver en een goed hart. Mij tevens ook verlaatende op de door de g'eerde Ceilonsche Regeering en uw wel edele achtb: verleende algemeene Pardon voor de fouten en begaane misdrijven in de voorleedene tijd. Die zaaken in deezer voegen staande is alhier aange„ koomen De E: Rabinel om met voor Kennis van den Heer Maturees Luite nant Dessave de Arreekt tinnen in deeze pattoe te bezichtigen. onder dee„ ze voorgaave drie daagen in het stuff„ huis van Wakman opgehouden hebben„ de vertrok zijn E: naar Kandepitte walle hadde en daar wierd een gerucht verspaeld dat in deeze zelfde hracht een kommando Javaanen stond te koomen om mij optevatten waarom ik van mijn plaats daar ik mij bevond naar een ander begeeven heb en hier zijnde ver„ noomen heb dat voorm: gerucht onwaar was. Daar na ben ik bij gem: E: Rabi„ nel zelfs gegaan en heb mij vertoond en op het geen hij mij gevraagd heeft, na waarheid geantwoord, vervolgens heb ik al het geen zijn E: noodig had tot guastos en onderhoud verstrekt. schoon geene be„ zichtiging gedaan of eenige kommissie waargenomen is. Alle de bewoonders van de voorm: Negen distrikten hebben een op schudding gemaakt, wanneer nu de anderen daar van uit„ „gezondert alleen die van de kandebadde „pattoe staan beschuldigd te worden, kan ik niet weeten, wat Een staat over te koomen, die oorzaak zijn aan de be„ „ginzels daar van wijl men niet weet ofte door uw weledele achtbaare goede gedagten aan ons gunstiglijk ver„ leende Pardon, voor eenige daagen of voor zeeker is, maakt dit eene twijf„ „telachtigheid en ongerustheid en in dee„ ze gesteldheid veele onwaarheeden van sommige perzoonen, aangehoord wor„ dende zijn de haaten van alle de inwoon„ was. ders 27 370 Nagezien J Johmbon „ders deezer Pattoe ongerust, weshalven zij zo wel als ik in vreezende gedachten verseeren of wij zouden konnen verwer„ ven om in der Heeren Landen te blijven of niet. om dat wij met onze kinderen hier zelve blijven moeten zonder naar een ander land omtezien werd uw welEdele achtb: die veel medelijden met Menschen heeft en hunne vreeze kan verdrijven, voetvalligst gebeeden dat de daar toe benoodigde beveelen betrekke„ lijk tot deeze pattoe alleen mogen afge„ vaardigd worden. Aan het hoofd der ola staat 17 7. 91. en ge„ teekend met een Inleesbaare handteeke„ „ning /:onderstond:/ Gale den 9:e Januari 1741. /: voor de overzetting /:geteekend:) M: J: Gratiaen, E: g: klerk, /:in margine:/ voor de vertaaling /:getekend:/ L: De Silva gezw: Tolk /:lager:/ Akhordeerd /:getekend/ J: H: Brechman, g: keerk: Akkordeerd Antwoord aan de Mohandiram van de kandebaddepattoe wiedje jes oen die Abenaijke Jk heb uw brief ola van den 7. deezer wel ontvangen en dies inhoud verstaan zedert dat ik van Mature ben terug gekoomen heeft zich alles tot rust en vreede en de zaaken tot een ieders welstond geschikt en om dat uw in dat geval mij dienst gedaan heeft is uw ook bevordert tot Mo„ „landiram en hooft van de kande„ baddepattoe. Wel van de Ceilonsche Regeering verzogt en gunstig verkreegen Pardon bestaat niet voor eenige daagen maar voor altoos uwe nog de ingezeetenen van de kandebaddepattoe behoeven door onnutte vrees zig niet te bekom„ „meren over eenig quaad wanneer uw E: maar zoogd dat 'skomp:s diensten naar behooren verrigt worden en dat uw E: ondergeschikten gehoorzaam blijven en hunne pligten betaamelijk volbrengen. Jnzonderheid Rekom„ mandeere ik uw E: dat de ordres van den Heer Dessave van Mature of van den geene die aldaar in het gezag gesteld is stiptelijk vol„ Corns: Jolianns: I dé gezeeklerk „bragt „bragt worden. jk heb vernouren dat eenige menschen van de Kandebaddepattoe te Mature op ontbooden en benoodigt zyn tot een door de Ceilonsche Regeering aldaar bestemd onderzoek, alle de zulken moeten na derwaards opgaan zon„ der agterhouden na waarheid op gee„ „ven het geen van hun gevraagd word zonder datze derwegens in het minst voor iemand hoeven bevreest te zijn terwijl de intentie der Cei„ lonsche Regeering en van wij vol„ strekt is dat een ieder na regt en waarheid behandelt worde en de sulken die door den tijd bevonden worden zig met leugentaal opge„ houden te hebben zullen zeeker een groot berouw in straffe over hunne valscheid ondervinden Dierhalven raade ik uw E: aan om steeld de waarheid getrouw en aan de Ed. komp: en landregenten gehoorzaam te blijven Aldus Geschreeven en afgezonden den 11.:e Januarij 1791. /was getekend/ P: Sluijsken /Lager / Accordeert /was geteekend/ J: H: Brechumn gklerk Accordeert gezueklerk Corn:s: Johanns: Idé No. 6 Nagezien J Johnson Heeft in alle Eerbied te kennen Hewetantrige Mat „thees, Geweesen kangaan van de houd sleperij en in„ woonder te Gale dat wijl hij bij hem in huis pre„ sent Geweest is, eenen Harmanus Pattangatijn te Gale uit ordre van den heer secretaris alhier, hem Geroepen en bij zijn E: Gebragt heb. mende, gem: E: secretaris hem hemelijk gesegt heeft, om in se kretesse en sonder iemand iets te doen weeten te verneemen en Berigten, wie Dahanaike mo= handiram g' arresteerd heeft, over wat schuld, wie den moor gebonden na Kolombo Gesonden, en wat schuld hij Gedaan had, wat de muitelengen doen, waar zij zig ophouden, en wat de intentie van den heer Matureese dessave van Angelbeek is met belofte indien daar aan Getrouwelijk wierde voldaan, als dan van den Ed: Agtb: heer Commandeur te zullen doen verwerven zodanigen dienst als hij zal komen te versoeken dat hij ses daagen lang daar na getragt en in alle Geheim het een en ander te weeten Gekreegen en den voorm: heer secretaris Getrouwelijk Translaat singaleese ola, Gepresenteerd Aan den WelEdelen Groot Agtbaare Heer Gouverneur. gerapporteerd
English
having reported, His Honour had ordered him for the second time to go and see in which places the mutinies were occurring and who the leaders thereof were, as well as to ask them whom they desired to come thither to hear their complaints and whether they would then settle down; and if they should mention the Lord Commandeur, to present to them the good qualities of the Lord Commandeur and to assure them that His Honour would come to Mature as soon as possible and would then give them the offices for which the principal among the mutineers would apply; and therefore that they should keep the mutiny strong until the arrival of His Honour, and should appear upon His Honour's arrival, and only then settle down. That the aforementioned Lord Secretary, giving him some provisions, sent him with that message to Madoegodde Appoe and other leaders of the rebels in order to deliver it to them secretly; which he also executed. And it having been said by Madoegodde Appoe and other prominent leaders that upon the arrival of the Lord Commandeur they would settle down, he had declared to them that the Honourable Lord Commandeur is a good, just, and merciful lord, and would duly investigate and willingly settle all the complaints, and likewise that the Honourable Lord Commandeur is a gentleman who speaks the truth. That, having thus tarried for eight days, presented this and that to them with entreaties, and won their hearts, he had returned and given notice thereof to the Lord Secretary; whereat His Honour, becoming very glad, said that within two days the Lord Commandeur will depart for Mature and he must go along too. That accordingly, two days thereafter, the Honourable Lord Commandeur and the Lord Secretary departed for Mature and he had gone along. And arriving there, the Lord Secretary had given him a message for the third time to deliver to the mutineers, saying that it was his fortune that the mutinies had occurred, and therefore to ensure that Madoegodde Appoe and other leaders of the mutineers should arrive in Mature, sparing no expenses thereto that he deemed necessary, which would afterwards be reimbursed to him, and he would furthermore be honoured with a great office. That he consequently borrowed successively Rd 105, bought wine and tobacco therewith, and went to the mutineers up to nine times on the order of the Lord Secretary, among which once in the company of the Appoe of the Lord Secretary; thus he went alone eight times in total, counting the two journeys from Gale, and nine times together with the journey with the Appoe, and delivered the messages just as he had been instructed by the Secretary, as well as brought the presents that the leaders of the mutiny gave him along, and delivered them in such manner divided to the Lord Commandeur and Secretary according to their desire. That thereafter, up to two times, he presented himself to the Honourable Lord Commandeur and took along Madoegodde Appoe, after which the mutinies were settled; and that in order to achieve that objective he had suffered many inconveniences, borne expenses, and thus fulfilled the orders of the Lord Secretary. All of which matters he had brought before the eyes of the Honourable Worshipful Lord Commandeur up to two times in writing and had requested to obtain a favour, but no reflection was made thereon, but he was referred to the Lord Secretary. But since he could thereby no longer remain at Gale, he took his refuge hither to bring all the aforesaid to the knowledge of Your Most Honourable, Most Noble Worship and to obtain a favour, just as after his arrival here he stayed for three days with the Rounde Modliaar, and thereafter through his favour was accommodated in a house close to him, where he had stayed for seven days, thus being present here for ten days in total without anything of these matters having been able to be made known; but now, by this means, all the same is not only brought before your eyes in all submissiveness, but it is also most earnestly prayed that it may please Your Most Honourable, Most Noble Worship favourably to honour him with the vacant post of Fisher Maha Vidane at Mature. Thus this ola is signed / was signed: / Matthees / underneath stood for the translation: / Kolombo the 10th of October Anno 1790 / was signed: / G: C: Andries, Sworn Clerk / in the margin for the translation was signed / D. D. Perera. Agrees, Cornelis Johannes de [illegible] Sworn Clerk. No. 7. Hewatantrige Matthees, former kangan of the woodcutters and inhabitant of Gale, has made known orally the following: That when he was with the mutineers at Kaldoewe for the second time from Gale, he had learned there that the Mohottiaal had arrived at Gammedijewalle with a sannas ola from the Lord Dessave of Kolombo, but he had not wished to proceed thither to present himself to the Mohottiaal, because he had been ordered to carry out the matters secretly. That when he arrived at the mutineers from Mature in the company of the Apoe of the Lord Secretary and sat talking, Madoegodde Appoe had stood up and gone away, but returning from there had met him on the bridge of Niegatte with a company of about 20 persons; and then Madoegodde Appoe told him to go pluck and eat young coconuts, whereto he, having gone a little distance away, had seen that Madoegodde Appoe held a conversation with the Appoe of the Lord Secretary and the former handed an ola letter to the latter, but it is not known to him what was written in that ola, nor what the conversation held between the two of them consisted of; but that upon his return
Dutch transcription
37 gerapporteerd hebbende, zijn E: hem voor de tweede man gelast had, om te gaan zien op welke plaatsen de mun rijen en wie daar van de hoofden zijn, mitsgaders hun te vragen wie ze begeerden dat aldaar aankomt om hunne klagten aante hooren en of zij dan stellen zoude en zoo zij mogten zeggen van de heer Commandeur hun dan voortestellen, de Goede hoedanigheeden van den heer Commandeur en te versekeren, dat zijnEd ten spoedigsten te Mature komen en als dan de bedieningen die de voornaamste der muitelingen sobliciteeren zullen, hun geeven zoude, en derhalven zij tot de komste van zijn Ed: de muiterij versterk houden en met zijn Ed: arrive verschenen en dan Eerst stellen moesten dat de voorm: heer secreta „ris hem Eenige kosten meede Geevende, met die Boodschap na Madoegodde appoe ende verdere hoof van de rebellen gesonden heeft, om deselve hun Gehe melijk te bestellen het welk hij ook verrigt en door madoegodde appoe en andere voorname hoofden gesegt zijnde, dat bij aankomste van den heer Com mandeur zij zig stellen zouden, hij hun verklaard had, dat de Ed: heer Commandeur een Goede, regtvaa dige en Barmhertige heer is en alle de klagten na behooren ondersoeken en Willijk afdoen zoude als mede ook, dat de Ed: heer Commandeur een Eer is die de waarheijd spreekt dat zodanig hij agt daagen lang vertoeft hun met beede dat een en ander voorge„ steld hun harten gewonnen hebbende terug Gekoomen en daar van aan den heer secretaris te kennen: Gegeven heeft waar over zijn Ed: zeer blijde geworden zijnde Ge„ segt heeft, dat binnen twee daagen den heer Commandeur na Mature vertrekken zal en hij mede Gaan moeste dat indiervoegen twee daagen daar na de Ed: heer Com„ mandeur en de heer secretaris na Mature vertrokken en hij meede gegaan was, en aldaar komende den 8 heer secretaris hem voor de derde maal een noodschap gegeven had om aan de muitelingen te bestellen, onder het zeggen, dat zijn Geluk, was, dat de muiterijen voorgevallen is en mits dien te zorgen dat madoe Godde appoe en andere hoofden van de muijtelingen te mature aankomen, souden daar toe te spaaren alle kasten die hij nodig agte, het welk hem daar na zoude vergoed en nog vereerd worden met Een Groote bediening dat hij dien volgende successive rd: Een hondert en vijf ten leen Genoomen daar voor wijn en tabak gekogt en tot Negen maalen toe op ordre van de heer secretaris naar de muijtelingen gegaan was, daar onder een maal als in . 373 in Geselschap van de Appoe van den heer secretar dus hij in 't geheel agt maalen alleen gegaan is me de twee reisen van Gale Gereekend en met de togt met den appoe samen negen maalen ende Boodschap pen besteld even als hem door den secretaris Ge„ „last waaren, mitsgaders de presenten die de hoof„ den der mounterijn hem meede Gegeven hebben aang bragt indiervoegen verdeeld aan den heer Comman„ deur en secretaris besteld had na de begeerte van hun dat hij daar na tot twee maalen toe zig aan de Ed: heer Commandeur vertoonden madoegodde appoe meede genoomen heeft waar na de munteryen gesteld is en dat hij om dat oogmerk te bereijken veele ongemakke geleeden kosten gedraan en zodanig de beveelen van de heer secretaris volbragt had alle welke zaaken hij tot twee maalen toe in geschil „te den Ed: agtb: Heer Commandeur onder oogen Ge„ bragt en versogt had, om een Gunste te verkrijgen, dag geen repleksie daar op Geslagen maar hem na de heer secretaris overgewesen is dan dewijl hij daar door niet langer op Gale had kunnen vertoenen zoo heeft hij zijn toevlugt herwarts genomen om alle het voorm: Uwel Edele Groot Agtb: ter kennisse te Brengen en een Gunste te verwer„ ven, Gelijk na zijne komste hier zig drie daagen bij de ronde modliaar opgehouden en daar na door desselfs Gunste digt bij hem En een huijs besteld is alwaar hij seven daagen had opgehouden dus tesamen, tien dagen alhier pre„ „sent is sonder van dese zaaken ieds hadde kou„ „nen worden te kennen gegeven, dog nu word mits desen alle het selve niet alleen in alle onderda„ nigheijd onder de oogen gebraagt maar ook op 't kragtigst Gebeeden, dat het uwel Edele Groot Agtb: Gunstig behagen mag hem te vereeren met de vakante dienst van vissers maha„ vidaan te mature Aldus word dese ola onderteekend / was ge„ teekend:/ Matthees /onderstond voor de transla tie:/ Kolombo den 10. Octoober Ao 1790 / was ge„ teekend:/ G: C: Andries Gesw Klerq inmargine voor de vertaling was Geteekend / D D perera„ Ackordeert Corn:s Johanns I de ter gezeeklerk No. 7. Hewatantrige Matthees geweezen, kang aan„ van de hout kapperij en inwoonder te Gale, heeft het volgende mondeling te kennen gegeeven. dat toen hij van Gale, voor de tweede maal bij de muite„ „lingen te kaldoewe geweest is, aldaar vernoomen had, dat de mohotiaal met een sannas ola van den heer ko„ „lombosche Dessave te Gammedijewalle aangekomen was, dog hij niet na derwaards had willen begeeven om aan de mohottiaak te vertoonen, wijl hem gelast is geweest, de zaaken hermelijk ter uitvoek te brengen. dat toen hij van Mature in geselschap van de apoe van den heer sekretaris bij de muitelingen aankwam en zat te praaten, Madoegodde affoe opgestaan en heenen gegaan was, dog van daar terug komende hem op de brug van Niegatte ontmoed had met een gezelschap van omtrend 20: kossen, en als toen Madoegodde appoe teegens hem gezegt heeft, om te gaan lanjes plukken en eten, waar toe hij een wijnig ver uitgegaan zijnde gezien had, dat Maddoegodde affoe met de appoe van de heer Sekretaris een diskoors voerde en de eerste aan de tweede een ola, brief ter hand stelde, dog hem niet, bewust is wat in die ola„ geschreeven stond, nog waar in de diskoers tusschen hun beiden gehouden bestond: maar dat met zijne terug komten