Inventory 3921
Coromandel / Ceylon · 753 pages · 203 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
257 ...that the secret had to be enclosed in the hilt of his knife, which was buried near a tree. We send herewith in copy the letters found therein, from which it appears that the Court of Kandy has indeed sent people to address themselves to the French government at Pondicherry, just as it addressed itself in the previous war to the English government at Madras. The letter from the King to the Governor of Pondicherry, which according to the contents of the aforesaid letters was written and dispatched at his instance simultaneously with these letters, has been lost and has not been able to be found up to now. Whether these are artifices employed by the Nayakkars to extract some money from the King, or whether the Governor of Pondicherry has truly involved himself with the Kandiyans, appears somewhat uncertain to us so far. We therefore also think it best to do, as long as no further proof thereof is at hand, to take no steps regarding this with the aforesaid French government to ask for clarification thereof; we are even somewhat inclined to think whether it is not best to ask nothing at all about it as long as one can maintain the appearance of ignoring those things, because the French are in no condition, and according to all human likelihood will not come for many years to be in a condition, to have anything to fear from them. Nevertheless, in order to risk nothing, seeing that these things, however improbable such still appears to us, could change unexpectedly, we shall have Trincomalee reinforced with a few more companies. We shall do this all the more to show the Court how idle their expectation is that the French could come from that side to their aid, with which idle hope the ill-disposed, so it seems, still constantly cajole the King. 252 For this reason, and in order to be all the more able to provide a stronger garrison to Trincomalee, we have resolved to retain here all three companies sent from the Cape, instead of only the company of Jägers as we first intended to do, which we hope will be favorably approved by Your High Nobilities. We commend Your High Nobilities and the interests of the Company into God's holy keeping, and remain with all respect and fidelity, (below stood) Right Honorable, Highly Esteemed, Widely Ruling Lord, Right Honorable, Strict Lords, Your High Nobilities' humble and very obedient servants. (was signed) W. J. van de Graaff, M. P. Raket, D. C. von Dreeberg, Js. Remtous, B. L. van Zitter and A. Camlemt. (in margin) Colombo, the 15th of January 1792. Paragraph 1. In our respectful secret letter of the 12th of this month, we already had the honor to inform Your High Nobilities of the receipt of Your High Nobilities' highly respected secret letters of the 27th of June, 23rd of August, and 4th of October of last year. We now proceed to the humble answering of the same. Paragraph 2. It was most agreeable to us that Your High Nobilities, on account of the reasons of our conduct given by us, could not and would not suspect us of any intentional designs to conceal the true state of affairs concerning the Matara disturbances from Your High Nobilities, and have been so good as to have remained satisfied therewith. Right Honorable, Highly Esteemed, Widely Ruling Lord and Right Honorable, Strict Lords. Batavia. To His High Nobility, the Right Honorable, Highly Esteemed, Widely Ruling Lord Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General on behalf of the State of the Free United Netherlands and the General Chartered Dutch East India Company, and the Right Honorable, Strict Lords Councillors of the Netherlands Indies. Copy Secret Agrees: Corns: Johannes Idé sworn clerk 253 Paragraph 3. Furthermore, we request permission regarding the conduct pursued by ourselves during this rebellion to be allowed to refer to our humble secret letter of the 27th of January 1791, knowing nothing to add to what we already had the honor to bring before the eyes of Your High Nobilities therein. It is not impossible that time will perhaps bring forth clarifications that will more completely vindicate and more and more justify our pursued conduct. Paragraph 4. We only take the liberty to remark here that, although we had written to the Galle servants by letter of the 25th of April that we would send a commission from here, the Governor nevertheless did not let this commission depart immediately, before the ola of the heads of the malcontents was received from Galle by letter of the 26th of April, in which they requested a commission from Colombo. The Disava Fretz and the Trade Bookkeeper Samlant did not depart before the 30th of April. Paragraph 5. For the rest, what the true causes of the rebellion were, and what caused it to endure for so long, are, we readily confess it, things that still appear very obscure to us up to now. That the Matara inhabitants had no reasons for it, and that they have been governed with all fairness, reasonableness, and appropriate gentleness, we think has already appeared very clearly, partly from our marginal notes of the 12th and 21st of August 1790 on the secret report of the Commander Sluijsken, and further from the Apology of the Disava...
Dutch transcription
257 „nen, dat in het heft van zijn mes, het wel bij een boom bedolven was, het geheim moest op „slooten weezen De brieffen daar in gevonden zenden wij in kopij hier nevens, waarbij blijkt, dat het Hof van kand werkelijk luiden afgezonden heeft om zig aan het fransche gouvernement te Dondicherij te addresseeren, even zoo als het zig in de voorgaende oorlog geaddresseert heeft aan het Engels gouvernement te Madras. De brief van den koning aande gouverneur van Pondicherij, die volgens den inhoud van de voorsz: brieven op zijn instantie met deeze brieven te gelijk geschreeven en afgegaen is, is ab„ sent geraakt, en heeft tot nog toe niet kunnen worden gevonden. of dit kunstenarijen zijn die de Naikers te werk sted „len om den koning wat geld afte plukken, dan wel of de gouverneur van Pondicherij zig wer„ „kelijk met de kandiaanen heeft in gelaaten komt ons tot Co toe wat onzeeker voor. wijden, „ken ook daarom best te zullen doen, om zoo lange daarvan geen meer bewijzen voor handen zijn der„ weegens geen trappen te doen bij het voorsz fransce gouvernement, on op heldering daarvan te vraagen; we zijn zelfs eenigermaaten geneigt te denk, of het niet best is, om daar naa geheel niet tevraegen zoo lange men den schijn kan houden dat men die dingen ignoreerd, wijl de franschen in geen „toestand zijn, en ook in veele jaaren na alle men„ schelijke apparentie niet koomen zullen om iets van hun te moeten dugten. om nogtans niets te waegen gemerkt die dingen ^als hoe onwaar schijnlijk zulks ook voor „ ons nog is op het onverwagst zouden kunnen veranderen, zullen we Trinkonomale met nog eenige kom„ penien doen versterken= we zullen dit te meer doen om het hof te doen zien, hoe ijder hunne verwag„ ting is, dat de franschen hun van dien komt ^hulp zouden kunnen te ^ sulp koomen, met welke ijdels komt hoop 252 hoop de kwaad gezinden zoo het schijnt den ko„ ning nog altoos paaijen hier om en om te meer in staat te zijn tot het gee „ven van een sterker Guarnizoen aan Trinkono„ male hebben we beslooten, om alle drie vande kaap gezondene kompenien in steede van alleen de kompene Jaegers, zoo als we eerst voor neemens waaren te doen, hier aantehouden, het geen we hoopen dat bij uw Hoog Edelheeden gunstig zal worden goed gekeurd. wij beveelen uw Hoog Edelheeden ende belangens der maatschappij in Godes rijlige hoede, en blijven Hoog met alle eerbied en trouwe /:onderstond:/ wel Edele Groot Achtb: wijd gebiedende Heer„ wel Edele ge„ strenge Heeren uwer Hoog Edelheden onderdaanige en zeer gehoorzaeme Dienaaren. /:was geteekend:/ W: I: van de Graaff M: P: Raket, D: C: von Dree„ berg, J:s Remtous, B: L: van Zitter en A: Cam„ „lemt /:in margine:/ kolombo den 15. Januarij 1792: §s. Bij onzen eerbiedigen sekreete brief van den 12:' dee„ „zer hebben we reeds de eere gehad uw Hoog Edelheeden te bedeelen den ontvangst van uw Hoog Edelheeden seer gerespecteerde sekreete brieven van den 27.:' Junij, 23:' aug:s en 4:' oktober J:o L:: we treeden tans ter nedrige beantwoording van dezelve § 2: Het was ons ten hoogsten aangenaam dat uw Hoog Edelheeden uit hoofde van de door ons gegeevene Hoog Edele Groot Achtbaare wijd Gebiedende Heer en wel Edele Gestrenge Heeren Batavia Aan zijn hoog Edelheid Den hoog Edelen Groot Achtbaaren wijd gebiedenden Heer M=r Willem Arnold Alting Weegens den staat der rije vereenigde Nederlanden en de Genereele Nederlandsche g:'oktroijeerde oost Jndische kompenie Gouverneer Generael„ De wel Edele Gestaenge Heeren Raeden van neederlands Jndia Copia Secreet accordeert Corns: Johianns Idé gezeeklerk reedenen 253 reedenen van onze behandeling, ons niet konnen nog willende verdenken van eenige op zestelijke oogmeaken, om de waare toedragt der zaeke betreffende. De Matureesche onlusten voor uw Hoog Edelheeden te verbergen; zoo goed zijn geweest van zig daar meede te hebben gehouden voor voldaen. § 3 voorts verzoeken we verlof nopens het door ons gehouden belen zelve, geduurende deezen opstand ons te moogen gedraegen aan onrzen nedrigen sekreeten brief van den 27. Januarij 1791, weetende niets te voegen bij het geen owe daar bij bereeds de eere gehad hebben onder het oog van uw Hoog Edelheeden te brengen. Het is niet omwooge„ „lijk dat de tijd misschien op helderingen zal voor tbrengen, die ons gehouden beleid meer volkoomen billijken en omeer en meer justif „ceeren zullen. §4: Alleen neemen we de vrijheid hier nog aantemer„ „ken, dat schoon wede gaalsche bediendens bij brief van den 25. April hadden aangeschree ven, dat we een kommissie van hier zouden zenden, de gouverneur nogthens deeze kommis„ „sie niet daadelijk heeft laeten vertrekken, voor dat van Gale bij brief van den 26: April ontvangen was, de ola van de hoofden der misnoegden, waar bij ze om een kommissie van kolombo verzogten. De Dessewve Fretz: en de Negotie boek houder sambant zijn iet voor den 30:' April vertrokken. § 5: wat voor het overige de waare oorzaeken vanden opstand zijn geweest, en wat dezelve zoo lange heeft doen voortd uuren, zijn, wij beken„ ^ het „nen dat gaarne, dingen die ons tot nog toe zeer duister voorkoomen. Dat de Materee„ sche ingezeetenen daar toe geene reedenen gehad hebben en dat dezelve met alle bil„ lijkheid, redelijkhijd en gepaste zagtheid, zijn bestierd, denken we dat reeds zeer klaar gebleeken is, gedeeltelijk uit onze marginael „le aanteekeningen van den 12 en 21: aug:s 1790. op het geheim rapport van den kommendaia sluijsken, en nader uit de Apologée vanden zenden Desseve eel 14
English
254 Dissave van Angelbeek submitted against that report, in which, in the first section, the allegations of the repeatedly mentioned Commander were examined one by one and concisely refuted, as if the inhabitants of Mature were truly oppressed by new burdens and various mistreatments, and were thereby driven to despair. § 6: Before we entirely depart from this matter or the revolt in Mature, however, we find ourselves obliged to present here in all deference what is necessary for our defense against the remarks which Your High Nobilities have made at 58: That you were informed through various papers concerning the violent and general complaints of the inhabitants about mistreatment and oppressions which were alleged to have been inflicted upon them, without being able to obtain redress and justice; That Sluijsken positively testifies that for many years great mistreatments and extortions have been committed. § 7: We declare and testify hereby that before the outbreak of the revolt, no complaints from inhabitants about mistreatment and oppression ever came before us, and Senior Merchants Fretz and van Angelbeek, as former Dissaves, declare this in particular. § 8: The grievances and complaints of the inhabitants with which they wished to excuse their rebellion, which were broadly argued by Commander Sluijsken in his secret report and at § 13, and somewhat lower in that paragraph where it was complained that people declared regarding inflicted mistreatments and oppressions, without being able to obtain a hearing or redress, revolve mostly around things that could furnish no well-founded reasons for complaints, and much less excuse the revolt, as we have already partly indicated in our marginal dispositions of 12 and 21 August 1790 on the aforesaid secret report, and which has since been done more closely and circumstantially by Senior Merchant van Angelbeek in his defense, of which the first section alone is directed at demonstrating this point by point, to which we respectfully refer. § 9: While with regard to the testimony of Commander Sluijsken: That for many years great extortions were alleged to have been committed: We request to be permitted to remark here, that no mention thereof is made in his entire report, which he especially would not have neglected to do if he had been able to produce any evidence of it. § 10: We are only obliged to make known here that some inhabitants of the Kandebadde Pattu, a good month before the revolt broke out, delivered a complaint ola to Commander Sluijsken at Gale, containing the complaints of many inhabitants from that district regarding the mistreatment and extortions of their chief, the Mohandiram Manamperie. § 11: When the undersigned Governor recently made a tour through the Maturese Dissavany, he inquired about this case in the Kandebadde Pattu, and the people who delivered this complaint ola to the Commander were then brought to him. These people provided two declarations regarding this before two Landraad members at Mature, which accompany this in copy, and which they have since reconfirmed at Kolombo before our Secretary of Police and witnesses, on which occasion they furthermore gave several circumstances, as appears from the acts of reconfirmation which also accompany this in copy. § 12: According to these declarations and acts of reconfirmation, these people, more or less a month before the Maturese disturbances broke out, brought the abovementioned ola containing complaints from them and other inhabitants of the Kandebadde Pattu about their then chief to Gale and delivered it there to the Commander. § 13: That these people were in Gale around that time is testified by the man with whom they lodged, popularly called Heintje Apoe, and another Gale resident named Moliotige Saganie, both of whom have provided declarations thereof which are attached hereto. This further appears from yet another declaration attached hereto from the Gale Secretariat interpreter Simon de Silva; it even appears from a translated ola attached hereto written by Don Simon to Commander Sluijsken on 7 January last, which was sent to us by the Gale servants with their letter of the 12th thereafter, solely, as will appear more closely below, because Don Simon thereby showed some anxiety whether the general pardon that was granted would also be kept forever. § 14: These people solicited for an answer at the Commander's door for more or less a month, and one of them named Gonbaddelege Moenesinge Kangaan declared that the Mohandiram of the Governor's field shooters—the same man of whom Commander Sluijsken speaks with so much praise in his letter of 20 October 1790, and complains so greatly that the Governor recalled to Kolombo this man attached to him—had said that
Dutch transcription
254 Dessave van Angelbeek teegen dat rapport ingediend, waar bij inde eerste afdeeling een voor een geexamineerd en bondig weder„ „legd zijn de voorgeevens van meermelden kommandeur als of de ingezetenen van nature werklijk door nieuwe lasten en ree„ „lerlij mishandelingen gedrukt, en daar door tot wanhoop gebragt waaren. § E: Eer wij echter van deeze materie of de revolte in mature geheel afstappen, vinden wij ons verplicht hier nog in alle eerbied het noodige tot onze defensie bij te brengen teegen de aanmerkingen die uwe Hoog„ edelheeden gemaakt hebben bij 58. Door verschijdene papieren onderricht te zijn weegens de geweldige en al gemeen klagten der ingezeetenen over mishande„ lingen en onderdrukkingen, die hen aem„ gedaan zouden zijn geworden, zonder redres en recht te kunnen verkrijgen dat sluijsken positief betuigd, dat zeeder veele jaaren groote mishandelingen en knevelaryen zijn gepleegd. §7: wij verklaaren en betuigen bij deezen, dat ons voor het uuit laasten der revolte nooit zijn tevooren gekoomen eenige klagten van in„ad gezeetenen over mis handelingen en verdruk„ „kingen en de opperkooplieden Fretz en van Angelbeek als geweezene Dessaves verklaaren. dit in het bezonder. § 8: De bezwaarnissen en klagten der mintelingen waarmeede zij haaren opstand hebben willen verschoonen die door den kommandeer sluijsken bij zijn gehein rapport in het en wat lager in die para graf klaagde dat men ^ verklaarde over aangedaane mishandelingen en onderdrukkingen, zonder gehoor of redres te kunnen be koomen. en e breede en bij § 13: 355 breede betoogd zijn, roulleeren meest over „dingen, die geene gegronde reedenen tot kla „ten kosten opleeveren, en veel min de revolte verschoonen, gelijk wij gedeeltelijk reeds aange weezen hebben, bij onze marginaale dispositi„ van den 12: en 21: aug:s 1790. op het voorsz: geheim rapport en het welk zeedert nader en om standiger gedaan is door den opperkoopman van Angelbeek bij zijn verweekschrift w van de eerste afdeeling alleen gericht is, om dit van post tot post aantewijzen wa aan wij ons in eerbied gedraegen. §9 Terwyl wij noopens de betuiging van den kom„ mandeur sluijsken: dat zeedert veele jaaren groote knevela rijen gepleegd zouden zijn: hier verzoeken temoogen aanmerken, dat daar van bij zijn heele rapport geen mentse gemaakt word, het geen bij voor al niet zoud nagelaaten hebben tedoen indien Wijdaar van eenig blyk had kunnen produceeren. § 10 Alleen zijn wij verplicht hier bekend te stellen dat eenige ingezeetenen van de kande„ „bad de pattoe een groote maand voor dat de revolte uitbrak een klagt ola aan den kommandeer sluijsken te Gale overgegeevene hebben, behelzende de klagten van veele ingezeetenen uit dat distrekt over de mishandelingen en knevelaaijn van hun hoofd de Mohan„ diram Manamperie § „1 Toen de ondergeteekende Gouverneur onlangs 3 ^deed een tour had ^ door de Matureesche dessa„ ronij heeft hij inde kandebadde pattoe na dit geval vernoomen en zijn toen bij hem gebragt de luijden die deeze klagt ola bij den kommandeur besteld hebben Deeze menschen hebben hier van voor twee landraats leeden te Mature verleend de twee verklaeringen, die in kopij hiernee„ eenige vens 256 vens gaan, en die zij zeder te kolombe hebben gerecolleerd voor onzen sekreetaris van Politie en ^nog getuigen bij welke geleegentheid zijn ^ doth verscheid omstandigheeden hebben op gegeeven blijkens de aktens van recollement die ook in kopij hier neevens gaen. § 12: volgens deeze verklaarings en aktens van rekolle„ ment hebben deeze menschen min of meer eene maand voor dat de Matereesche onlusten zijn uit gebrooken de hier boven gem: ola houdende klagten van hun en andere ingezeetenen van de kandebaddepattoe over hun toemaa„ „lig hoofd naar Gale gebragt en daar aan den kommandeur overgegeeven §13 Dat deeze menschen omstreep dien tijd te gale geweest zijn getuigd de mans waar bij zij gewoond heb inde wandeling genaamd Heintje apoe, en noch een gaalschen inwooner genaamd Moliotige saganie welke deide daar van verklaaringen verleend heb„ „ben die hier neevens leggen. Nog blijkt dit ui't noch eene hier nevens gaande verklaa„ „ring van de Gaalsche sekretarij tolk sim on de Silva- zelfs blijkt het uit een heerneevens leg„ gende translaat ola door Don Simon aan den kommandeur sluijsken geschreeven den 7: Januarij J:o Leeden die ons door de Gaalsche bediendens bij bref van den 12:' daar aan is toe gezonden alleen zoo als dat hier onder nader zal blijken, om dat Don simon daar bij eenige ongerustheid toonde of ook het gegeevene generaal Paadon voor altoos zouden worden gehouden. § 14: Deeze menschen hebben omimn of meer een maand aan 'skommandeurs porta om antwoord gesolliciteerd, en een hunner genaamd Gonbaddelege Moenesin „ge kangaan verklaard dat de Mohandiram van 's Gouverneurs weld schutters de zelfde man van wien de kommandeur sluijsken bij zijn brief van den 20:' october 1790 met zoo veel lof spreekt, en zich zoo zeer beklaagd dat de goe„ „verneur deezen aan hem geattacheerden man na kolombo heeft terug ontbooden, gezegd had. ring dat
English
that the Commander could not help them if they complained in this manner, but indeed, and that it would also be better if these same complaints were presented by the multitude of the people or by all of them together. Or as two others, by the names of Moeletine Korle Kangaan and Mawerle Vidane Rale, have stated: that the Commander could not help them with such a manner of complaining, but would do so if they gathered together. § 15: One certainly ought not to give more credit to these and other things than the matters deserve, and it is even with difficulty that one can concede the mere possibility of this answer. And § 16: It is just as difficult to believe what a certain Bewetantriege Matthijs, kangaan of the woodcutters and resident of Gale, has stated in an ola, the translation of which is attached hereto; he was sent multiple times to the mutineers by the secretary of Abbedijl on the orders of the Commander, as the Commander himself has declared, and as mentioned in the Governor's separate letter of 15 October 1790: that the said secretary had ordered him to go to the mutineers and ask them whom they desired to come there to hear their complaints, and whether they would then quiet down; and if they should say the Commander of Galle, to then present to them the good qualities of the Commander and to assure them that His Honour would come to Mature as soon as possible, and would then grant the offices for which the principal mutineers should apply, and that they should therefore keep the mutinies reinforced until the arrival of His Honour, and appear together with His Honour, and only then quiet down. § 17: That during the revolt in the Maturese Dissavony there were conversations that Commander Sluijsken was soon to arrive there, and that the ringleaders would then have all their requests granted, was made known in recent days to the Governor by the second Mudaliyar of the Girrewaij, Don Joean Abesiriewardene Dissanaike, who behaved rather badly during this revolt, and whom the Governor therefore, for the sake of prudence, thought necessary to remove for some time from the Maturese Dissavony, under the pretext that he still had to render some account regarding his past administration in the Magampattoe, of which he was formerly the head. § 18 He says in this ola, which seems to have been written with the intention of demonstrating that he is not as guilty as is alleged against him, as Your High Honours will see from the annexed translation thereof, that having gone on the orders of the Dissave Van Angelbeek to the mutineers to admonish them to cease, he had learned from the two Don Simons, of whom one has since been head of the Kandebadde Pattoe and the other of the Magampattoe, that because they had received word that the Commander of Galle and Mature would come, hear their complaints, and grant their requests, they intended to keep the gathering going. § 19 Without admitting that at least the ringleaders of the revolt were deterred by some motive, whether with or without reason, from coming to a standstill, whatever fair proposals were made to the rebellious people, one is at a loss to find a plausible reason why the well-intentioned efforts to pacify the people made by two such capable and brave servants as Dissave Faetz and the Trade Bookkeeper Camlant, who are known as such among the Natives, could not succeed, despite their having done everything that can be expected of good and experienced servants, and that subsequently, so to speak, the very same means produced the desired effect. § 20: When one compares the mandate ola issued by them with the mandate ola given by Commander Sluijsken, one finds in the essentials so little difference between the one and the other, as was demonstrated regarding the principal points in our secret resolution of 12 August 1790, that one is inclined to say to oneself: what, indeed, are the reasons that the one mandate ola could not satisfy the people, and that the other was received and approved with such great signs of joy and contentment? One is hesitant even to venture an opinion on the matter. § 21: Because this case is nonetheless of the utmost importance, we considered ourselves obliged to investigate it thoroughly, and to this end, by letter of 15 September last, we asked Commander Sluijsken whether, prior to the unrest, a complaint...
Dutch transcription
257 dat de kommandeur hen op deeze wijze ge„ klaagen niet konde helpen, maar wel„ en dat het ook beeter zoude zijn, wanneer dezelve klagten door de meenigte des volks of door haar alle voorgesteld wierd. of gelijk twee anderen in naamee Moeletine korle kangaan en Mawerle vit aan Rale hebben opgegeeven. dat de kommandeur op zulk eene m „nier van klaagen hun niet konde helpen, doch zulx te zullen doen, indien zij tezaemen rosteden. §15: Men behoord zeeker aan deeze en geene dingen geen meer krediet te geeven, dan de zaeken ver dienen en met omoeite kan men zelfs al„ „leen de mogelijkheid van dit antwoordgels ren. en § 16: Even zoo moeijelijk is het te gelooven, het geen eenen Bewetantriege Matthijs kang aan vande houdsleeperij, en inwoonerte Gale die door den sekretaris van Abbedijhl op last van den kommandeur, zoo als deeze dat zelfs heeft verklaard, temeer maalen bij de muntelingen is gezonden en vermeld is bij 's Gouverneurs apparten brief van den 15oC„ „tober 1790. heeft op gegeeven bij een ola, waar van het translaat hierneevens gaat: dat gem: sekretaris hem had gelast om te gaan bij de muitelingen en hem te vraagen wie zij begeerden, dat aldaar aanquam om hunne klagten te hooren, en of zij dan stillen zouden, en zoo zij mogten zeggen den gaalschen kommandeur hun dan voor tehouden de goede roeda„ nigheeden van den kommandeur en te verzeekeren, dat zijn Ed: ten spoedigsten te Mature komen en als dan de bedieningen, die de voornaamste muitelingen solliciteeren zullen, hun 1„ die geeven 11 b 258 geeven zoude en dat dierhalven zij tot de komst van zijn Ed: de muiterijen ver„ „sterkt houden, en met zijn Ed: aarroe verschijnen en dan eerst stillen moesten §: 17: Dat er geduurende den opstand inde Matu„ reesche Dessavonie gesprekken geweest zijn, dat de kommandeur sluijsken daar ttond „tekoomen, en dat de belhamels dan alle hunne verzoeken zouden ingewelligd krij„ „gen, is deezen daagen aan den Gouverneur bekent gemaakt door de tweede Modhaer van de Girrewaij Don Joean Absiriewar„ dene Dissanaike, die zig in deezen opstand vrij wat slegt gedraegen heeft, en die de Gouverneur daar om voorzigte heijds halven gemeent heeft voor een tijd lang uit de Matureesche Dessewond te moeten verwijderen, onder pretext dat hij nog eenige reekenschap doen moest uit hoofde van zijn gehoudene admini „stratie in de Magampattoe, waar wij eertijds hoofd geweest is. § 18 Hij zegd bij deeze ola, die zoo het schijnt geschree„ ven is met oogmerk om aantewijzen dat wij niet zoo schuldig is als men hem na„ geeft, zoo als uw Hoog edelheeden dat zien zullen bij het hier nevens leggende translact daer van, dat wij op last van den Dessave van Angelbeek gegaan zijnde bij de min„ telingen om hem tot stelstand te vermaanen hij vande twee Don sim ons waar vande eene zeedert geweest is hoofd vande kande bad de pattoe, en de andere van de Magam pattoe, hadde vernoomen, dat zij terwijl ze te weeten hadden gekreegen dat de kom„ mandeur van Gale en Nature zoude koo„ „men, hunne klagten aanhooren en himn„ „ne verzoeken doen geschieden, voorneemens waaren om de zaamen rotting gaende te houden. „stratie zonder el e §ig zonder te admitteeren dat ten minsten de balham„ mels van den oproer door eenig motief het zij dan met of zonder reden, zijn te rug gehouden om tot stilstand te koomen, wal billijke voorstellen ook aan het oproerige volk zijn gedaen, is men verleegen een dragelijke reden te vinden, waarom de welmeenende poogingen tot het in rust brengen van het volk, van twee zoo kundige en braen dienaaren als zijn de Dessave Faetz ende Negootsie boekhouder Camlant die daar voor bij den Jnlander bekend zijn, niet tee„ genstaende zij alles hebben gedaan wat men van goede en ervaarene dienaaren verwachten kan, niet hebben kunnen slaagen en dat naderhand, om zoo te spreeken dezelfde middelen de verlangde oui't werking hebben gedaan. §20: Wanneer men de mandaat ola door hun uit gevaardigt vergelijkt teegens de maand §21: wijl dit geval niet temimn van het uitterste ge„ wigt is, zoo hebben wij gedagt verpligt te zijn het zelve grondig te onderzoeken en wij hebben tot dit einde bij brief van den 15:e September J:o Leeden den kommandeur sluijs„ onlusten „ken gevraagd, of hij voor de ^ eene klagt mand aat ola door den kommandaer sluijs„ ken gegeeven vind men in het hoofd zaeke„ „lijke zoo weinig onderscheid tusschen de een en den ander, zoo als dat omtrent de voornaamste stukken is aangeweezen bij onze sekreete resolutie van den 12: aug:s 1790: dat men geneigd is tot zich zelven te zeggen wat zijn doch, de reedenen dat de eene mandaat ola het volk niet heeft kunnen voldoen, en dat de andere met zoo groote teekenen van vreugde en wel tevreedenheid is ontfangen en goed gevonden: men is beschroomd om daar in maar alleen een opinee te durven hebben mandaat ola
English
had received an ola from the inhabitants of the kandebadelepattoe, and we repeated those questions in our letter of the 22nd following, since we had received two letters from Gale without an answer having been given thereto. §22. To this further letter we received as an answer, by a letter of the 25th, that the names of the people who were supposed to have brought to Gale the ola about which we had inquired could not be found at their secretariat, and that they had therefore summoned them from mature. §23. In a letter of the 26th, we pointed out to the servants that in order to answer the question we had put to them in our letter of the 15th, namely whether the commander, a few days before the gathering in the Matureesche Dessavonie, had received a complaint ola from the inhabitants of the kandebadde pattoe and His Honour had dispatched a sannas to the kandebadde pattoe, no investigation at the secretariat nor the presence of the persons whom they had summoned from mature were necessary, that the commander himself must know how this matter stood, and that we wished to have these questions answered with yes or no. §24. To this we received, by letter of the 28th, once again a very unsatisfactory answer, containing only a repetition of the preceding letter, namely that the commander could not state with certainty whether the persons mentioned in our letter of the 15th had brought to Gale the complaint ola about which we had asked them, and that they were still awaiting these persons whom they had summoned, and who had not yet arrived. §25. This answer was therefore just as unsatisfactory as the first; we pointed this out further to the servants by letter of the 30th, and in order to cut off all further dilatory answers, we directed the commander to answer plainly and directly with yes or no: 1. whether he, the commander, before the outbreak of the unrest in the Matureesche Dessavonie, had received a complaint ola from the kandebaddepattoe; 2. whether he had dispatched a sannas; §26. and that if so, the complaint ola in original and a copy of the sannas must be sent to us. §27. On the 2nd of October we received in answer thereto: 1. that it was not possible for the commander to state with certainty whether he had received a complaint ola from the kandebaddepattoe before the outbreak of the unrest in the Matureesche Dessavonie, but that as far as he recalled, no such ola had been delivered to him at that time; 2. that he knew for certain that he had not dispatched any sannas at that time. §28. In a separate letter written by the commander alone on the 10th of October, he says that his maha modliaar, upon the questioning he had put to him, had reminded him of an ola that had contained several complaints against the late Mohandiram Manamperie, the investigation of which he had entrusted to the commissioners van Schuler and de Vos, and that he now sent a translation of this ola, in case it might perhaps be the ola about which we had inquired by letter of the 15th of September, adding that he believed he knew for certain that this ola was brought there only after the revolt in the Matureesche Dessavonie was already underway. The translation of the ola, however, was not sent to us with this letter; we received it only with a letter of the 12th. §29. When we thereupon, by letter of the 16th, demanded the original of this ola, the servants wrote to us that they had caused a search to be made for it without having been able to find it, but that if it were yet found, they would send it to us. §30. We ordered them by letter of the 22nd of October to make further investigations into it, and that since this ola had been given to the commissioners van Schuler and de Vos, they should order each of them to make a written report concerning the same. §31. In this same letter we furthermore demanded the bundle or bundles of translations of all received olas, reports, and declarations, and of all dispatched answer olas, sannas, and mandates relating to the Matureesche uprising. §32. The aforesaid bundles, which we had ordered to be delivered to us with the utmost speed and as they were, were sent to us only with a letter of the 29th. The servants said that they would have sent them to us sooner had they not waited for Captain Mitman, who was about to march to Colombo with a detachment of sepoys, in order to profit from this secure opportunity. §33. The acting secretary Gratiaan, on the other hand, in a report that we had demanded of him, attributed the failure to send the requested bundles more promptly to the fact that the registers could not have been got ready earlier, as the servants at Gale had themselves stated in their letter of the 27th, in which they said that Gratiaan was still busy preparing the registers. The untimely preparation of the registers wrote
Dutch transcription
260 ola van de ingezeetenen vande kandebadelepat„ toe ontfangen had, en wij hebben die vraagen, wijl wij Leder twee brieven van Gale ontvingen zonder dat daar op geanrtwoord wierd, her„ haald bij onzen brief van den 22: daar aan. §22: Op dit nader schrijven ontringen we bij een breef van den 25: tot antwoord dat de naemen der luiden die de ola waarna we hadden ge„ vraagt, te gale zouden hebben aangebragt ter hunner sekretarij niet te vinden waaren, en dat ze daarom dezelve van mature op„ ontboden hadden. §23: Bij een brief van den 26. heil den we de bediendens. voor, dat om te beantwoorden de vrage die we„ hun bij onzen brief van den 15: gedaan had„ „den, of naementlyk de kommandeur eenige daagen voor de zaamen rotting inde Ma„ tureesche Dessaronie hadden ontvangen een klagt ola van de inwoonders uit de kandeb adde pattoe en zijn E: een sannas na §25 Dit antwoord voldeed mits dien al: zoo wijnig als het eerste, we hielden dit de bediendens nader voor de kandebadde pattoe hadde afgevaardigt, geene na speuring op de sekretarij nog de presentsie der perzoonen die ze van mature hadden op ontbooden noodig waaren, dat de kommandeur zelve moeste weeten wat heer van was, en dat we deeze vraagen wilden beant„ woorden hebben met Ja of neen §24. Hier op ontfingen we bij brief van den 28=te ander„ maal een zeer onvoldoende antwoord, houdende alleen een herhaaling van den voorgaenden brief, dat naamentlijk de kommandeur met geen zeekerheid konde opgeeven of de per„ zoonen vermeld bij onzen brief van den 15: de klagt ola waarna we hun hadden gevraagt, te gale hadden aangebragt en dat ze als nog waaren verwagtende deeze perzoonen die ze had den op ontbooden, en nog niet waaren gekoomen. de 83 263 bij brief van den 30=sten en om alle verdere uit„ stellende anttwoorden aftesnijden, lijden wede kommandeur op om onbewimpelden recht streeks met ja of neen te beantwoorden: 1/: of hij kommandeur voor het uitbaasten van de onlusten inde natureesche Dessavoine een klagt ola uit de kandebaddepattoe ont„ fangen hadde 2:/ of bij een samas hadde afgevaardigt. 126. En dat zoo ja ons de klagt ola: in origineel en een kopij van de sannas moeste worden toe„ gezonden. §77. Den 2:' October ontringen oe daar op tot antwoord: 1:/ dat het de kommandeur niet mogelijk m was met zekerheid op te geeven of wij voor het uitbaasten van de onlusten in de Maete reesche Dessavonie, een klagt ola uit de kandebad depattoe ontvangen had dog dat zoo veel hij zig te binnen bragt hem geen dier gelijke ola te dier tijd besteld 2:/ dat hij zeeker wist te diertijd geen som„ „nas afgevaardigt te hebben §25 Bij een apparte brief door de kommandeur alleen geschreeven den 10: october zegt wij, dat zijn posta Modliaar op de ondervraagingen die hij hem hadde gedaen, hem hadde hermnead aan een ola die verscheide klagten hadden ingehouden tee„ gens den overleedenen Mohandiram Manam perie waar van hij het onderzoek hadde opge„ -draagen aan de gekommitteerdens van schuler en deros, en dat wij nu een translaat van deeze ola zond, of het zom tijds mogte zijn ^de „ola waar na we bij brief van den 15 Sebtember hadden gevraagd, met bij voeging, dat hij zee„ „ker vermeende te weeten, dat die olr eerst na dat de revolte inde Matureesche Desservonie reeds aan de gang was, aldaar aangebragt was. het translaat van de ola wierd ons nog „tans bij deezen brief niet gezonden we ont„ fingen het eerst bij een brief van den 12=te 2:/ dat Toen was. 262 §29 Toen owe daar op bij brief van den 16: het originee van deezen ola op eischten schreeven ons de bediendens dat ze daar na had den doen zoeken, zonder het te hebben kunnen vinden, dog dat zoo het nog gevonden wierd, ze het ons zouden stuuren. 130 We gelasteden hun bij brief van den 22: ok„ „tober om daar na nadere na speicringen e te doen, en dat wijl deeze ola was meede gegeeven aan de gekommitteerdens van schuler en devos, Ze een elk hunne moeste gelasten om nopens dezelve te doen een schriftelijke bericht. § 31 Bij deezen zelfden brief eischten wy voorts op de bondel of bondels translaaten van alle. ontvangene olas, rapporten en verklaaringen en van alle afgegaene antwoord olas, sannas en Mandaaten, tot de Materesche op stand be„ trekking hebbende. §32. De voorsz bondels die we had den gelast ons ten §33. De prointerum fungeerende sekretaris Grati„ „aan, schreef daar en teegen bij een bericht dat we van hem g'eischt hadden, het niet spoediger zenden van de gevraagde bondels. daar aan toe, dat de registers niet vroeger hadden kunnen worden in gereedheid gebragt zoo als de gaalsche bediendens dat zelve hadden op gegeeven bij hunnen brief van den 27=ten waar bij ze zeiden dat gratiaen met het vervaardigen van de registers nog beezeg was. Het niet tijdigen vervaardigen der registers allerspoedigsten en zoo als ze waaren bezorgen wierden ons eerst gezonden bij een brief van den 29.:' De bediendens zijden dat zij ze ons eerder zouden hebben gezonden, zoo ze niet gewagt had den na kappettijn Mitman, die met een detachement sipayen nako„ „lombo stond te maacheeren, ten einde van deeze secuure geleegentheid te kunnen profiteeren. allerspoedigsten schreef R:
English
Gratiaen attributed this to the fact that several documents had been missing from the bundles, as they should have followed one another according to the folios or numbers. That these papers had had to be searched for, and that even then two documents were still missing in one of the bundles. § 34. On account of this careless handling, we wrote on the 2nd of November to Galle that a written answer on several points, which we specified to the servants with this letter, had to be requested from the mentioned Gratiaen and also from the sworn clerk Bregman. § 35. The Galle servants sent us what they had reported on this by letter of the 4th thereafter. From that of Gratiaen it appeared, among other things, that 13 sheets had been cut out of bundle No. 5. § 36. Gratiaen further says in this his report that when the bundles were demanded, he had informed the commander of the documents that were missing from them, who had answered him that if these absent sheets were not at the secretariat, they might sometimes be found with him; that the sworn clerk Bregman, having since asked him for a statement of the missing sheets, had taken along the bundles in which they were missing, and had brought them back to him that same day with the missing 13 sheets, which were now newly sewn back into it; from a note kept by our secretary upon receipt of the bundles it also appears that the aforesaid bundle No. 5 had then recently been sewn anew again. § 37. Bregman said in his reply that he did not know by whom the cutting out of the sheets had been done, and that he knew nothing else about it other than that he had had to have copies made of them, and said further that he knew nothing of the two documents that are now still missing in bundle No. 4 and have also not been found since, which was only discovered during the making of the registers. § 38. The reports demanded by letter of the 22nd of October from the commissioners Schuler and Devos the servants sent us by letter of the 1st of November; from these reports it appeared that Commander Sluisken, upon his departure for Mature, had given the commissioner Devos a complaint ola against Manamperie to be investigated by them, which they said they had not been able to do for lack of opportunity. § 39. To the special question put to them, whether they had given notice of this ola to the Dissava Van Angelbeek, and if not, why they had neglected to do so, Devos replied in his report in a somewhat complicated manner, and said that he could not say that with any certainty; Schuler said that being in Mature he had not thought about this ola at all, because it was in the custody of the junior merchant Devos, to whom the commander had handed it, who had also been spoken to about it separately by the commander, and presumably also instructed as to what had to be done with it. § 40. We had the aforesaid two questions put to the commissioners all the more because the Dissava Van Angelbeek, according to a note kept at Mature on the 27th of April 1790, on the occasion that they were about to return to Galle, had explicitly asked them whether they had any documents that they could communicate to him, and that they had then only given him some other documents for reading, without having imparted the Kandebaddepattu ola to him. § 41. Regarding the ola brought to the commander by the above-mentioned people from the Kandebadde Pattu a considerable time before the Mature revolt, the Galle secretariat interpreter stated in an explanation given on the 24th of October 1791 that it contained, among other things, that the complainants had not approached the Dissava of Mature because the second interpreter of the Dissava was a brother-in-law of Manamperie, about whom they complained. Nothing of this is furthermore found in the translation of the complaint ola mentioned above sent to us, and of which, according to the Galle servants' report, the original could not be found, although the junior merchant Devos says he returned the original olas to the Galle secretariat. § 42. Nor does one find therein anything of the special complaint of the above-mentioned deliverers themselves, which they say they had inserted into the ola brought by them. § 43. By a letter of the 26th of November we sent to Galle the documents from which it appears that a complaint ola from the inhabitants of the Kandebaddepattu about their then Chief Manamperie was delivered to Commander Sluisken more or less a month before the outbreak of the latest revolt in the Mature Dessavony, and as no notice of this ola was given to us nor to the Mature Dissava at that time, much less any copy sent, we ordered the commander to state distinctly why he had given no notice of the receipt of this ola either to us or to Mature, in order that the complaints
Dutch transcription
263 schreef gratiaen toe daar aan, dat verscheide stukken in de bondels hadden ontbrooken, zoo als ze volgens de folios of nommers op malkanderen moesten volgen. Dat deeze pa„ peeren hadde moeten worden opgezogt en dat toen nog in een der bondels mankeerenden twee stukken. §34. Mits deeze slordige behandeling schreeven wesden 2: november van na Gelle dat van gem: Gratiaen en zoo ook vande gesw: klerk Boegman moette worden gevraagd schriftelijk antwoord op ver„ scheede pointen, die we de bediendens bij deezen brief opgaven. §35. Het geen deeze daarop bericht hadden, zonden ons de gaalsche bediendens bij brief van den 4=de daaraan. uit dat van gratian bleek onder anderen, dat uit de bondel N:o 5. waeren om't gesneeden geweest 13. vellen. § 36: Gratiaen zegt wijders bij dit zijn bericht, dat toen de bondels waaren op g'Eijscht hij de komman„ deur hadde kennis gegeeven van de stukken die daarin ontbraaken, die hem had de g'antwoord dat zoo deeze absente vellen niet op de sekreterij waeren, ze wel bij hem zomtijds zouden gevonden worden; dat de gesw: klerk Bregman hem zeedert een opgave van de ontbreekende vellen ge„ vraagt hebbende de bondels waar in ze ont„ braaken dhad de meede genoomen, en ze hem dien zelfden dag hadde terug gebragt met de mankeerende 13: vellen die nu op nieuw daarbij waaren ingenaaijd, uit een aantee„ kening door onzen secretaris bij ontvangst der bondels gehouden blijkt ook dat voorsz: bondel N:o 5 toen onlangs wederom op nieuw was in genaaijd. §37. Bregman zeide bij zijne beantwoording, dat hij niet wist door wien het uitsnijden vande vellen was gedaan, en dat hij daarvan niet anders wist dan dat wij daar van kopijen deua had 264 had moeten laeten schrijven, en zijde wij„ ders, dat wij niets wist van de twee stukken die nu nog mankeeren in de bondel N=o 4: en ook zedert niet gevonden zijn, het geen eerst was ontdekt bij het maaken van de registers. §38: De bij brief van den 22: october: g:' eijschte berichten van de gekommitteerdens van schuler en de„ ros zouden ons de bediendens bij brief van den 1: November, uit deeze berichten bleek dat de kommandeur sluisken aan den gekommitteerde devos bij zijn vertrek na Mature een klagt ola teegens Manamperie hadde meede gegeeven om door hun te worden onderzogt, het geen ze zeiden mits gebrek aan geleegentheid niet te hebben kunnen doen. §39. op de aan hun gedaane speciaale vraage, of ze„ van deeze ola aan den Dessave van Angel„ „beek hadden kennis gegeeven, en zoo neen waarom ze het hebben nagelaaten, ant„ „woorde de vos bij zijn bericht op een wat ingewikkelde wijze, en zijde, dat hij dat met geen zeekerheid zeggen konde van schuler zeide, dat hij om deeze ola te Mature zijnde geheel niet hadde gedagt, wijl ze onder berus„ „ting was van de onderkoopman de ros, aen wien de kommandeur ze hadde ter hand gesteld die ook afzonderlijk door den komp „mandeur daar over was onderhouden, en -denkelijk ook aan bevoolen, wat daarmeede moeste worden gedaen. §40: voorsz: twee vraagen hadden we te meer aan de gekommitteerdens laaten doen om dat de desselve van Angelbeek blijkens een aantee„ „kenings te Mature gehouden op den 27: April 6 1790 hun ter geleegentheid dat ze na geele stonden terug te keeren, ex paes hadde afge„ vraagd, of ze ook eenige stukken hadden, die ze hem konden kommuniceeren, en dat ze haar toen alleen eenige andere stuk=kenster „woorde lectura 265 lectuaa hadden gegeeven, zonder hem de meer kande baddepatse ola te hebben bedeeld. §41 Nopens de ola door de hier boovengem: linden uit de kandebadde pattoe een tijd lang voor de Mater „sche revolte aan den kommand:r gebragt, heeft de gansche sekretarij tolk bij een verklaa„ „ning gegeeven den 24. october 1791 op gegeeven dat ze onder anderen hadde ingehouden dat de klaagers zig niet bij den Desseve van Ma„ „ture hadden vervoegt om dat de tweede tolk van den Dessave een Swaager was van Manamperie, waar over ze klaagden. heer van vind men voorts bij het aan ons gezondene translaat van de klagt olae hier boven vermeld, en waer van volgens der gaalsche bediendens bericht het orgin neel niet heeft kunnen worden gevonden, schoon de onderkoopman Devos, zeijt, de oorspronke„ „lijke olas op de gaalsche sekretarij te hebben terug bezorgt. 142: Nog vind: men daarbij niets van de speciaale klagte van de hier bovengem: overbrengers zelve, die ze zeggen dat ze bij de ola door hun overgebragt hebben doen insereeren. §43. Bij een brief van den 26. November hebben we na Gale gezonden de stukken waaruit— komt te blijken dat een klagt ola vande ingezeetenen uit de kenndebaddepattoe over hun toenmaalig Hoofd Manamperie min - of meer een maand voor het uitbreeken van de jongste revolte in de Matureesche Dessavonie aan den kommandeur sluijs„ ken besteld is geworden, en alzoo van deeze ola aan ons nog aan de Maturees die Des „serve dier tijd geen kennis gegeeven is, veel min eenig kopij is toegezonden, bevoolen we den kommandeur daarbij destinktelijk op te geeven, waarom hij van den ontvangst van deeze ola nog aan ons nog na Maturo geen kennis gegeeven had, ten einde de Nog klagten E
English
the complaints contained therein could be investigated at once, why he had detained the people who had brought this ola to Gale for as long as appeared to have occurred, and what answer he had given them, with further orders to the Commander to state clearly, regarding the remaining points appearing in the aforementioned documents and belonging thereto, what was known to him thereof. Section 44. Instead of complying with the requisites mentioned in this letter, Commander Sluijsken answered by letter of 29 November in a rather haughty tone: that according to his best recollection, notice was given by them to Kolombo of all received complaint olas as well as the other events on the occasion of the latest revolt at Mature, as was also done with regard to the ola in which those of the Kandebaddepattoe complained against Manamperce, as soon as the translation or that which was stated in it had come to the knowledge of him, the Commander. Section 45. He further added thereto that if the Modliaar of his gate, son of the Mahamodliaar, who could and should have known best the weight of the contents of this ola presented by him, had given a detailed report thereof and had urged more strongly for its prompt translation, the report thereof would certainly have been able to be sent sooner to Kolombo and Mature, as has happened more often and always in such cases. Section 46. The declaration of the Modliaar, upon which the Commander relies, says that the ola of which the Commander speaks was brought to Gale 15 or 20 days before the riot in the Maturese Dessavonie by Gonbad Delege Moenesinge Kangaan (one of those who declared at Mature to have conveyed the complaint ola from the Kandebaddepattoe to the Commander at Gale) and some other people mentioned in this declaration of his; that by order of the Commander he began to read it, and that when he did so, and indeed after he had made known to the Commander something of the complaints appearing in the said ola, His Honour had said thereupon that it was not necessary to read it any further, and that thereupon the ola was delivered by the Commander to the interpreter, with orders to translate it into Dutch. Section 47. Even the aforementioned ola that was sent to us in translation, and even if one would wish, notwithstanding what has been remarked above concerning it, among other things from the declaration of the Gale interpreter, to pass it off as the same ola that was brought by the aforementioned people from the Kandebaddepattoe about a month before the Maturese unrest, was not translated before 8 May, as appears from the translation itself, and was only then sent to the Commissioners Fretz and Damlant. To us directly it was not communicated at all. Section 48. And although we do not desire to deduce any other or further consequences from this case, it appears at least from this that Commander Sluijsken, who asserts in more than one place in his writings that Senior Merchant van Angelbeek did not have sufficient knowledge of what was going on in his Dessavonie and imputes this to him as a crime because the necessary means were not devised in time thereby, even he, as he could not deny, was informed very many days before the Maturese uprising, through the ola received from the Kandebaddepattoe, of the dissatisfaction of the inhabitants of that pattoe against their head Manamperie, and that he not only devised or took no action against it, but that he even kept this complaint ola in his possession, without informing us and even without informing the Dessave of Mateere thereof. If the necessary measures had been put into effect in time upon this information, much evil might perhaps have been prevented thereby. Section 49. That we caused Dessave van Angelbeek to exchange offices with Senior Merchant and Chief Administrator Rakel solely to attempt finally everything that could in any way contribute to pacifying a party of wild and rioting people, and not because we held him guilty of anything, we have already had the honour to inform Your High Noblenesses in our respectful [illegible]. And as for the accusations that appear against him in the secret report of Commander Sluijsken, at the first sight thereof the spirit in which they were brought forward by Commander Sluisken is immediately revealed, and we therefore did not think that this could or ought to be a reason not to admit to these deliberations a servant of good name and reputation, who could be of great service to us in providing clarifications during the deliberations on this report.
Dutch transcription
266 ^ voegde klagten daar bij vervat ten eersten konden worden onderzogt, waar om hij de luiden die deeze ola te gale hadden aangebragt zoo lang aldaar hadde opgehouden, als bleek te zijn geschied, en wat bescheid hij hun gegeeven had, met verdere last aan den kommandeur om nopens de overige pointen bij de voorsz: stukken voorkoomende en hiertoe behoorende duidelijk opte geeven, wat hem daer van bekend was. §44. Jnsteede van aan de bij deezen brief vermelde requisiten te voldoen, antwoorde de komman„ „deur sluijsken bij brief van den 29:e november op een vrij hoogen toon: dat naar zijn best onthoud door haar van alle aangekoomene klagt olassen zoo wel als het verdere voorgevallene ter geleegentheid der laatste revolte op Mature, naar kolombo is kennis ge„ geeven, gelijk meede betrekkelijk de ola waar bij teegens Manamperce door die van de kandebaddepattoe geklaagd wierd, geschied is, zoo dra de translaatsie of het geene bij dezelve vermeld stond, hem komman„ deur was ter kennisse gekoomen. §45: Hij ^ voegts er vervolgens bij dat indien de Modliaak van zijn porta ^tiel zoon van den Mahamodliaar, die ^ best het gewigt der inhoud van deeze door hem aangeboodene ola, konde en moes te weeten, daar van breedvoerig berigt gedaen, en „sterker op de spoedige vertaaling van dien had aangedrongen, het berigt daar van zeeker spoediger zoude na ko„ „lombo en Mature kunnen verzonden zijn, gelijk in zulke gevallen meerder en al„ „toos heeft plaats gehad. §46. De verklaaring van de Modliaar waar op zig de kommandeur beroept zegt, dat de ola waarvan de kommandeur spreekt 15: of 20: daagen waarbij voor 267 voor de zaamenrotting inde Materescha Dessa„ ronie te Gale is aangebragt door gonbad delege Moenesinge kangaan (:een der geene die te Mature verklaard hebben de klagt ola uit de kandebaddepattoe te gale aan den kom„ „mandeur te hebben overgebragt:/ en nog eeni„ „ge luiden bij deeze zijn verklaaring genoemd dat hij op order van den kommandeur dezelve heeft beginnen teleezen, en dat toen wij zulx deede en wel na dat wij iets van de ^aan bij gedagte ola voorkoomende klagten van den kommendeur had teverstaen gegeeven, zijn E: daarop gezegt had, dat het niet noodig was dezelve verder te leezen, en dat daarop de ola door den kommandeur was afgegeeven aan den tolk, met last om ze overtezetten, in het neederduijts. §47: zelfs de voorsz ola die ons in translaat gezonden is, en zoo men ook die niet tegenstaende het geene omtrent dezelve hier booven is aangemerkt onder anderen uit de ver„ klaaring van de Gaalsche tolk, wilde doen, door gaan voor de zelfde ola die door de voorsz: luijden uit de kandebaddepattoe omtrend een maand voor de matureesche onlusten is aangebragt, is, zoo als dat uit het trans„ „laat zelve blijkt, niet getranslateerd voor den 8: May, en is eerst toen aan de gekom„ mitteerdens Fretz: en Damlant gezonden. Aan ons direct is ze in het geheel niet gekommuniceert. §48: En schoon we ook uit dit geval geene andere of verdere gevolgen begeeren afteleiden, zoo blijkt ten minsten daar uit dat de kommandeur sluijsken, die op meer dan eene plaats in zijne geschriften beweerd, dat den opperkoopman van Angelbeek geen genoeg zaame kennis gehad heeft van het geen in zijne Dessavonie omging en hem dit tot misdaat toereekend, wijl daar door niet. 268 niet in tijds zijn beraamd de noodige middele„ zelfs, zoo als hij dat niet heeft kunnen ont„ „kennen, zeer veele daagen voor den Materee„ „schen opstand door de olacuit de kandebad„ „de pattoe ontvangen is onderrigt geweest van het misnoegen der ingezeetenen van die pattoe tegens hun hoofd Manamperie, en dat hij daar teegen niet alleen niets heeft beraamd of te werk gesteld, maar dat bij zelfs deeze kragt ola heeft onder zig gehouden, zonder ons en zelfs zonder den Dessave van Mateere daar van te onder„ „rigten. Jndien op deeze informaatsie in tijds waare tewerk gesteld de noodige maatreegelen, hadde misschien daar door veel knaads kunnen worden voorkoomen. §49. Dat wij den Dessuve van Angelbeek met den opperkoopman en hoofdadministrateur Rakel van ampten hebben doen verwessele„ alleen om eindelijk alles te beproeven wat eenigsints zoude kunnen medewer„ „ken tot het in rust brengen van een par„ „tij woest en zamen gerotte volk en net om dat wij hem aan iets schuldig hiel„ „den, hebben wij reets de eere gehad uw Hoog Edelheeden bij onzen eerbiedigen van En wat aangaat, de beschuldigingen, die tegens hem voorkoomen, bij het geheir =rapport van den kommandeur sluijs„ „ken, op het eerste gezicht daar van ontdekt zig aanstonds de geest waar meede die door den kommandeur sluisken zijn ter baan gebragt, en wij dogten dus niet, dat deeze een reeden konde of behoorde te weezen, om een dienaar staende ter goeder naam en faam, en die ons bij de deliberaatsien over dit rapport in het geeven van op helderingen van veel dienst zijn konde niet toe te laaten bij deeze den. - - - - - - - - - - - - - . te bedeelen wat deliberaatsien 16
English
269 deliberations, in which no decisions were taken on the question of whether he, van Angelbeek, was guilty or innocent of the accusations brought against him by the commander Sluijsken. For this reason we also believed that we should raise no objection to granting the aforementioned van Angelbeek sight and copy of the aforementioned report, the more so because the accusations against van Angelbeek appearing therein are so widely scattered throughout it and at times so closely interconnected with what precedes and follows, that it would have been difficult to draw extracts from it sufficiently intelligible for van Angelbeek to be able to defend himself against them, and we do not think, be it said with deep respect, that having permitted such a thing could in the future in any respect deter from such commissions any servant who, when office and duty require him to give an account to his superiors of the conduct of his subordinates, does so with all sincerity and truth, solely out of duty and for the well-being of the service, for such a person needs not shun the light, and the truth will gain much more by such an inquiry, whereas he who abuses his office and standing to falsely slander honest servants deserves no indulgence. However, since we hold ourselves fully assured that these and the further reproaches appearing in paragraphs 4 to 13 concerning the handling of this case have arisen solely from the firm assumption that the accusations against van Angelbeek existed in truth and, to use Your High Honours own words, one could not and ought not to assume that the commander Sluijsken would have been foolish or malicious enough to cite matters and events in his secret report of whose existence or ground he was not convinced, and yet that the substantial untruth of those accusations was proven most clearly by the repeatedly mentioned van Angelbeek in his written defence, as was circumstantially pointed out in our resolution drawn up thereon on 31 October of last year, to which we respectfully refer, we shall, in order not to repeat this needlessly, depart from it, trusting that our conduct maintained in this matter will thereby be sufficiently justified. The Matara mudaliyars Jinnekoon, Goeneratne and de Saram were not summoned by us, as seems to have been wrongly represented to Your High Honours. Commander Sluijsken had described particularly these three mudaliyars in his secret report as very dangerous; they belonged therefore especially among those whom he held, if not proven completely guilty, at least to lie under the strongest suspicion, and against whom he believed that not only the most cautious but at the same time the strongest measures ought to be taken. On account of this so significant warning from commander Sluijsken, that even the strongest measures against these suspect persons seemed necessary to him, we asked him in our secret letter of 17 August 1790 for his considerations regarding the measures which he judged necessary in this matter, and how these could and should be put into effect in the most capable and cautious manner. In this connection, we made him observe regarding these headmen so greatly suspected by him that, if they were truly guilty, fear might at times lead them to new criminal steps, knowing that they could not be considered to be included under the general pardon, and that those who were acquainted with their committed crimes had already made reports thereof, for what so many people now already lacked was already no longer a secret. We wrote to him in addition that it would therefore be desirable if one could at least remove the principal accused headmen from the Matara Dissavany in a suitable manner. That to summon them directly to Colombo would arouse too great a suspicion among them if they were truly guilty, and that we therefore would make known to the aforementioned mudaliyars Jinnekoon, Goeneratne and de Saram in a confidential manner that the Governor desired to speak with them in person and that it would consequently be pleasing to him if they came to Colombo for a short excursion. For this reason we finally wrote to the commander that, in order to favour this aim, he might authorize the Dissava Raket by a secret letter that, whenever the aforementioned mudaliyars requested leave to make a short excursion to Colombo, he might grant them that, unless there might be weighty reasons which made it necessary for the present that they remained a little longer in the Matara Dissavany; however, because commander Sluijsken had some objections against it, we acquiesced therein, so
Dutch transcription
269 deliberaatsien, waarbij op de vraage of hy van Angelbeek aan de accusaat„ „sien door den kommandeur sluijsken tegen hem uitgebragt schuldig of onschul„ „dig was geene besluijten genoomen zijn. Hier om hebben wij ook gemeend geene Zwaa„ „righeid te moeten maaken om aan gem: van Angelbeek van het voorm: rap„ port visie en kopij toe te staan, te meer de beschuldigingen teegens van Angelbeek daar bij voorkoomende daarin zoo zeer zijn verspreid en somtijds zoo zeer wat het voorgaande en volgende te zaemen hangen, dat het moijelijk zoude zijn geweest daar uit extrakten te trekken ver„ staanbaar genoeg op dat van Angelbeek zich daar op konde verantwoorden, en wij „denken niet het zij in diepe eerbied ge„ zeyd, dat zulx te hebben toegestaen in den aanstaende in eenig opzicht van zulke kommissien zoude kunnen afschrij„ „ken eenig dienaar; die wanneer ampt en plicht van hem vorderen, dat hij vande Conduites van zijne onderhoorigen aan zijne superieuren bericht moet geeven zulx doed met alle oprechtheid en waar„ heid, alleen uit plicht en tot wel zijn van den dienst, want een zulke behoefd: het licht niet te schuwen, en de waar„ „heid zal veel meer bij zulk een onderzoek gewinnen terwijl de geene die zijn ampt en aanzien misbruikt om eerlijke dien ae„ ren valschlijk te calumnieeren geene schooning verdiend. Dan dewijl wij ons volkoomen verzeekerd houden dat deeze en de verdere bij § 4: tot 13: voorkoomende reproches over de be„ handeling van dit geval alleen zijn voorsz: gekoomen uit de vaste veronderstel= „ling, dat de beschuldigingen tegen van zulke Angelbeek Angelbeek in waarheid bestonden en /:om uw Hoog Edelheedens eigenwoorden te gebruiken:/ men niet kost of mogt veronderstellen, dat de kommandeur sluijsken. dwaes of quaad aardig genoeg zoude geweest zijn, om bij zijn geheum rap„ „port aan te haalen zaaken en gebeurtnissen van welker bestaan of gegrondigt hij niet overtuijgd was, en dat op zittelijke onwaar heid van die beschuldigingen echter door meer„ „melde van Angelbeek bij zijn verweerschrift ten klaarsten beweezen is, zoo als dat om„ standig aangeweezen is bij onze daar op getrokkene resoluutsie van den 31: ok„ „tober J:o L: waar aan wij ons hier in eerbied gedraagen, zoo zullen wij om deeze niet noo„ deloos te claageeren; daar van afstappen vertrouwende dat ons in deezen gehouden gedrag daar door genoeg doende zal ge„ justificeerd worden. De matereesche modliaaas Jinnekoon, Goene, „ratne en de Iavam zijn door ons niet op„ „ontboden gelijk dat uw Hoogedelheeden ver„ keerdelijk schijnt te zijn aangedient. De kom„ mandeur sluijsken hadde voor al deze drie Modliaars bij zijn geheim rapport beschreeven als zeer gevaarlijk, ze behoorden dus inzon„ „derheid onder de geenen die hij hield indien niet volkoomen schuldig beweezen tenminsten =te leggen onder de sterkste suspicie, en tegens dewelke hij meende, dat niet alleen de voor„ zigtigste, maar ook tevens de sterkste maar„ regelen omoesten worden genoomen uit hoofde van deeze zoo nadenkelijke waar„ schouwing van den kommandeur sluijsken dat hem zelfs de sterkste maatregelen teegens deze verdagte luiden noodig scheenen vroegen we hem bij onzen sekreeten brief van den 17:e aug:s 1790. zijne konsideraatien, nopens de maatreegelen die hij in dezen noodig noodig oordeelde en hoedanig die op de bekwaamste en voorzigtigste wijze zoude kunnen en dienen teworden te werk gesteld Hier bij deeden owe hem noopens deeze bij hen zoo zeer verdagte hoofden, opmerken, dat zoo ze werkelijk schuldig waaren, de vreeze hun zomtijds tot nieuwe misdaedige stappen zoude kunnen brengen, weetende dat ze niet geagt konden worden te zijn begreepen onder het generaal pardon, en dat zulke die hun„ ne gepleegde missaaden bekend waaren daar van bereeds opgavens gedaen hadden want dat het geene zoo veele menschen nu al misten, reeds geen geheim meer was. We schreeven hem daar bij dat het daarom wel te wenschen waare, dat men ten minsten de voornaemste der beschuldigde hoofden op een schikkelijke wijze uit de Matureesche Dessavo„ „nij konde verwijderen. Dat om hun direct te onop breiden na kolombo bij hun zoo ke wer„ kelijk schuldig waaren te groote agterdogt zouden verwekken en dat we daarom de voorsz: Modliaars, Iinnekoon, Goenerat„ „ne en de Saram op een vertrouwelijke wijze zoude doen bekend worden, dat de Gouverneur verlangde hun in perzoon te spreeken en dat het hem mits dien welge„ vallig zijn zoude dat ze voor een spring„ „togt na kolombo kwaamen. Hier om schreeven we eindelijk den kommandeur aan, dat hij om dit oogmerk te begunstigen by een sekreete brief den Desjave Raket mogte qualificeeren, om wanneer de voorsz: mo„ dliaars om verlof verzogten tot het doen van een springtogt na kolombo, hun dat te mo„ „gen toestaen, ten zij var 'er, gewigtige reede„ „nen mogten zijn, die het voor eerst nood zae„ „kelijk maakte, dat ze nog wat inde Mate„ „resche Dessavonie bleeven dan wijl de kommandeur sluijsken daar teegens eenige bedenkingen hadde, hebben wij daar in berust „kelijk zoo
English
Thus, we have also given no orders, as your former Honours seem to assume, to gather evidence against the aforesaid or other Matara native chiefs, of whom Commander Sluijsken had given such a dangerous description. We only asked for the Commander's considerations as to whether, in his view, there was any objection to having evidence gathered under an oath of secrecy regarding the matters laid to their charge; and because he also advised against that, we likewise acquiesced in it. The investigation that has taken place since was not conducted against the opinion of the Galle servants, as your High Honours still seem to have been led to believe. Commander Sluijsker together with the Galle Council even most strongly advised in favour of it and its continuation. They even began the investigation themselves, and we were urged by them to continue it in such a manner that we could, so to speak, not avoid it. They already began to take the liberty of making remarks, as your High Honours will see below, which were nothing less than suspecting us of seeking to suppress the truth. The Galle servants, who sent us the ola written by Madoegodde Appoe to the Commander, and mentioned in our respectful letter of 27 January last, in their letter of 24 October 1790, urged with great emphasis in this letter the necessity of granting Madoegodde Appoe pardon for his crime anew. They noted in this letter as a motive for this, among other things, that if he proved his accusations, one would get to know the authors of the revolt, and that if he did not prove them, he should be punished according to the severity of the laws, and be deprived of the opportunity to do further harm. In a Resolution of 1 November 1794, the Galle servants say that it was of great importance to the Company to know the ill-disposed persons who had recently brought the inhabitants to a revolt and unlawful assembly, and that it was also entirely equitable that Madoegodde Appoe, who undertook to prove his accusations concerning the authors of the revolt, should be provided with those means which he claimed to need, the more so because one might trust that peace in the country had been restored to such an extent that an investigation of matters would no longer have any bad consequences among the Company's subjects. In our letter of 26 October 1790 written to Galle, in which we permitted that Madoegodde Appoe might be promised pardon for his crime, provided he properly proved his accusations, we instructed the servants that as soon as Madoegodde Appoe arrived in Galle, he should immediately and without any delay be heard before two members of the Council of Policy, who were to order him to state distinctly at once: 1. The points of accusation which he might have to bring against each of the persons accused by him, but that, on the contrary, the desired effect would be that, after having convincingly identified the root of the evil and having eradicated it as harmful, one might hope for lasting peace and the quiet dwelling of the inhabitants. 2. That he should likewise immediately state not only the witnesses by name whom he had to prove each point of his accusations, but that he should also state what each of these witnesses could testify with regard to each of these points. Meanwhile, Madoegodde Appoe arrived in Galle following the ola that Commander Sluijsken had written to him pursuant to our aforementioned qualification, as appears from the servants' letter of 30 October 1790. By letter of 2 November 1790, the Galle servants sent us a copy of the Resolution taken the day before upon an incoming report from the members Maatheze van Schuler and Van Akbedijhl. The report itself was not sent to us, but from the Resolution we easily saw that our very positive orders given hereinabove had not been properly executed, as also clearly appeared from the report of the aforesaid commissioners, which we have since demanded. Madoegodde Appoe, says this Resolution, had, upon the announcement of the aforesaid commissioners, continued to persist in his accusation against the Maha Mudaliyar of Colombo and the Matara Mudaliyars De Saram, Goeneratne and Tinnekoon, who were now solely mentioned in this Resolution, and had sought thereby that several lesser chiefs from the Matara Disavany named by him might be summoned, in order to be placed in the opportunity to further repeat, elucidate and prove his accusations, while he at the same time however
Dutch transcription
Zoo hebben ook geen last gegeeven gelijk uw vorg„ Edelheeden schijnen teneemen tot het inwinnen van bewijzen teegens de voorsz: of andere Matureesche inlandsche Hoofden waar van de kommandeur sluijsken en zoo gevaarlijke beschrijving hadde gedaen. We hebben alleen de konsideratien van den kom mandeur gevraagt, of cr na zijn inzien eenige bedenkelijkheiden was om van de dingen die hun wierden ten laste gelegt, onder den eed van geheim houding bewijzen te doen inwinnen en wijl wij ook dat ontried, hebben we daar in insgelijks berust. Het onderzoek dat zeedert is geschied, is niet ge„ „daan teegens het gevoelen van de Gaalsche bediendens, gelijk uw Hoog Edelheeden nog in die gedagten schijnen te zijn gebragt. De kommandeur sluijsker met den gaalschen Raad heeft zelfs daar toe en tot het voort„ zetten daar van op het sterk st geraeden. ze hebben het onderzoek zelfs begonnen, en zijn we tot het doen voortzetten daar van door hun gedrongen op eene wijze dat we het om zoo te spreeken niet ontwijken konden ze begonnen zig reeds te veroorlooven dat het maken van aanmerkingen zoo als uw Hoog Edelheeden dat hier onder zien zullen die niet minder zijde dan dat ze ons verdagt hielden dat we de waarheid zogten =te onderdrukken. De gaalsche bediendens die ons de ola door Ma„ doegod de appoe aan den kommandeur ge„ schreeven, en vermelt bij onzen eerbiedigen brief van den 27: Januarij J:o leeden, toe zon„ „den bij brief van den 24:' okctober 1790. dron„ „gen bij deezen brief met groote nadruk„ aan op de noodzaekelijkheid, om Madoegod „de appoe op nieuw uitwissing van mis„ „daad te geeven. ze merkten bij deezen brief als een motief daar toe Ze C toe, onder anderen aan, dat wanneer wij zijn besch beschuldigingen bewees, om en de auteur van de revolte zoude leeren kennen, dat zoo Wij ze niet bewees, wij na de strengheid der wetten moeste: worden gestraft, en buij „ten de geleegentheid worden gesteld om meer kwaad te doen. Bij een Resolutie van den 1: November 1794 zeggen de Gaalsche bediendens, dat er de komp: veel aangeleegen lag, om de kwaadlag om de kwaadgezinden te kennen, die de ige zeetenen nu olangs tot een opstand en zaa„ „menrotting gebragt hadden, en dat het ook allezins billijk was; dat aan Madoegod „de appoe die aannam zijne beschuldigingen noopens de auteurs der revolte te bewijzen, die middelen te verschaffen die wij voorgaf noodig hebben, te meer men vertrouwen mog dat de rust in het land zoo verre hersteld was, dat een onderzoek van zaaken geene kwaade gevolgen meer bij 'skomp:s onderdaanen Bij onzen brief den 26: 8ber: 1790, na Gaele geschree„ „ren, waar bij we hebben toegestaen dat aen - Madoegod de appoe om't wissing van misdaad mogte worden belooft omits wij zijne beschul„ „digingen behoorlijk bewees, schreeven wede bediendens aan dat zoo dra Madoegodde appoe te gale aankwam wij daadelijk en zonder eenig uitstel moeste worden gehoord voor twee leeden uit de Raad van Politie, die hem moesten aanbevoolen om ten eersten distinktelijk op te geeven. 1: de pointen van beschuldiging die wij tee„ „gens een elk der door hem beschuldigde onderdaanen zoude hebben, maar in teegendeel van dat gewenscht effekt zoude zijn, dat men na de cwortel des kwaads overtuigend gekend, en als schaadelijk uitgeroeid te heb„ „ben, op een aanhoudende rust en vreedige inwooning der ingezeetenen zoude moogen hoopen. zoude perzoonen l perzoonen hadde in tebrengen. 2:/ dat wij ins gelijks aanstonds zoude moeten opgeeven niet alleen de getuigens bij naame die hij hadde ten bewijze van elk point„ zijner beschuldigingen, maar dat hij ook zoude moeten opgeeven wat een elk deezer getuigens net betrekking tot een elk deezer pointen getuigen konde Middelerwijl kwaen Madoegod de appoe op de ola die de kommandeur sluijsken inge„ „volge van voorsz: onze kwalificatie, aan hem geschreeven hadde te gale blijkens der bediendens brief van den 30: oktober 1790. Bij brief van den 2: November 1790: zouden de gaalsche bediendens ons een afschrift vande Resolutie 'sdaags te vooren genoomen op een ingekoomen rapport van Leeden Maatheze van Schuler en van Akbedijhl. Het rapport zelve wierd ons niet gezonden, dog uit de rezolutie zaagen we ligtelijk, dat onze hier boven gegeevene zeer stellige beveelen niet na behooren waaren uitgevoerd, zoo als dat ook uit het rapport van de voorsz: ge„ kommitteerdens, dat we zeedert op geeischt hebben duidelijk bleek. Madoegodde Appoe, zegt deeze Resolutie, was op de aankondiging van voorsz: gekommit„ „teerdens, blijven persisteeren bij zijne beschul„ „diging teegens de Madia Modliaar van ko„ lombo en de Materesche Modlidars De Sa„ „ram, Goeneratne en Tinnekoon die nu by deeze Resolutie alleen genoemd wierden en hadde daar bij gezogt dat verscheijde door hem genoemde mindere Hoofden uit de Materesche Dessavonie mogten op ont„ „booden worden, teneende daar door in de geleegentheid te koomen, zijne beschul„ „digingen nader te kunnen herhaalen, op hel deren en bewijzen terwijl hij tef„ dog tens
English
had also requested that, for as long and until these persons named by him had come up from Mature, he might for the present be excused from providing any further statement of what he had to say, since in order to be able to give proper clarifications of matters he still needed other persons whom he had also named. Nevertheless, and notwithstanding our positive orders mentioned above, both concerning the accusations made by Madoegodde Appoe and regarding his statement of the witnesses to prove them, the servants decided by their resolution of 21 November 1740, in order to be able to conduct a most meticulous investigation into the causes and motives of the latest riot and unlawful assembly of the people in the Maturese Dissavony, to have all the persons requested by Madogoda Appoe or otherwise required, summoned and brought up to Gale successively and according to what the investigation of matters should require. They now seemed so intent on conducting without delay the investigation of the accusations of Madoegodde Appoe against various native chiefs, which the Commander not long before had judged so very dangerous and had strongly advised against, that without awaiting our answer, they immediately summoned a whole party of people specified by Madoegodde Appoe from Mature. Hereupon we wrote to the servants by letter of 4 November 1790 that we found it extremely blameworthy that they had seen fit to leave unexecuted our positive orders given by letter of 26 October prior. We repeated the order given therein and instructed the servants to comply with it and have it complied with now immediately and without any further delay. In addition, we gave the servants orders that if Madoegodde Appoe, in order to comply with this order, should excuse himself further or ask for a further delay, he must immediately be transferred to the criminal prison, and that this must likewise take place if the accusations that he made, as well as his statements to prove those accusations, were not of such a nature that upon them could be founded the investigation of the accusations brought in by him against many prominent native Chiefs, namely that they had been the causes both of the latest revolt in the Maturese Dissavony and of the continuation thereof. We further wrote to the Gale servants in our aforesaid letter that until such time as Madoegodde Appoe should have complied with what we had ordered and this should have become evident in their meeting, no people specified by Madoegodde Appoe from the Maturese Dissavony or from elsewhere were to be summoned or heard. In reply to this letter the servants wrote to us by letter of 6 November that they could not see that they had acted wrongly, and followed this with the reply: Madoegodde Appoe raised difficulties about stating his accusations broadly and distinctly without the assistance of some more persons. Yet this statement was ordered by Your Right Honourable Sirs in the aforesaid letter. We decided to have the necessary persons come up, not only to obey dutifully, but also because, in addition to this, we had to assume that on a forced declaration from Madoegodde Appoe not the slightest reliance could be placed, and further that if he were forced immediately to relate his accusations in detail and prove them, he could easily say in the sequel, whenever one might convict him of some contradiction, that these contradictions had arisen because he had been given neither time for deliberation nor the requested assistance. If we have failed, they added very insolently, it must be because, in order to discover the truth of Madoegodde Appoe's allegations, we have summoned some persons from the Maturese Dissavony for that purpose. Subsequently the Gale servants, by letter of 9 November 1790, sent us their Resolution taken the same day, and would therewith send us the documents that are mentioned in this letter and Resolution of theirs, with the promise of some more documents which we have also received since. From all these documents it appeared that Madoegodde Appoe, now having been heard several times, had done little else than persist in his accusations made formerly and appearing in the report of the secretary Van Albedijk, bound behind the secret report of Commander Sluijsken, and further to repeat the general accusations that appear in his aforementioned ola written to Commander Sluijsken, and further to repeat the general accusations that appear in his aforementioned ola written to Commander Sluijsken. To Madoegodde Appoe was promised erasure of
Dutch transcription
teffens verzogt hadde om zoo lange en tot dat deeze door hem opgenoemde per„ „zoonen van Mature opgekoomen waeren van de verdere opgaave van het geen hij te zeggen hadde, voor het teegenwoordige te moogen verschoond blijven wijl hij om behoorlijke ophelderingen van zaaken te kun „nen geeven daar toe nog andere persoonen /:die hij meede genoemd hadde:/ noodig hadde. Niet te min en onaangezien onze stellige beveel hier boven vermeld, zoo noopens de gedaene beschuldigingen door Madoegod de appoe als omtrend zijne opgave der getuigens omdie te bewijzen, beslooten de bediendens bij hunne resolutie van den 21: 9ber: 1740. — om na de oor„ zaaken en beweegreedenen van den laatsten oproer en zaamen rotting des volks inde Ma„ tereesche Dessavonie een allernaaukeurigst on„ derzoek te kunnen doen, alle de door Madogoda Appoe verzogte of anderzints benoodigde per„ „zoonen, successive en na maate dat hij onderzoek van zaaken zoude vereischt worden telaeten op ontbieden en opkoomen na Gale. ze scheenen nu zoo ingenoomen om onverwijlt te doen het onderzoek der beschuldigingen van Madoegodde Appoe teegens verschijde inlandsche hoofden, dat de kommandeur met lang te vooren zoo zeer gevaarlijk geoordeelt en niet groote nadaak ontraaden hadde dat ze zonder =ons antwoord aftewagten, een heele partij luijden door Madoegodde appoe op gegeeven„ aanstonds van Mature op ontbooden. We schreeven: hier op de bediendens bij brieffvanden 4: November 1790: dat we het ten hoogsten sewalijk vonden, dat ze had den kunnen goed„ vinden om onuit gevoerd te laaten onze stellige beveelen, gegeeven bij brief van den 26:e oktober daar te vooren. we herhaalden de ordre daar bij gegeeven, en gelasteden de bediendens om daar aan nu „zoonen aanstonds aanstonds en zonder eenig verdrr uit stel te voldoen en telaeten voldoen. Hier bij gaaven we de bediendens last, dat zoo Mado„ god de appoe om te voldoen aan deeze ordre, zig verder verschoonen, of om naader uit stel vraagen mogte, wij aanstonds moeste worden overgebragt in kannineele gevangenis, en dat dit insgelijks, moeste geschieden indien de beschuldigingen die hy kwam te doen zoo wel als zijne opgevens om die beschuldigingen te bewijzen, niet waaren van dien aart, dat daar op konde worden gefondeert het onder„ zoek der beschuldigingen door hem teegens veele voornaame inlandsche Hoofden ingebragt dat ze namentlijk geweest waaren oor= zaaken zoo van den jongsten opstand inde Materesche Dessavonie als van de voortduuring daar van We schreeven de Gaealsche bediendens bij voorsz: onzen brief nog aan dat tot zoo lange In antwoord op deezen brief schreeven ons de be„ „diendens bij brief van den 6: November, dat =ze niet konden zien kwalijk te hebben ge„ handelt en lieten daar op antwoordelijk volgen. Madoegodde appoe maakte zwaarig„ heid zijne beschuldigingen om't gebreid en distinctelijk op te geeven, zonder be„ hulp van nog eenige perzoonen. dohter was deeze opgave door uwel Edele Gestrenge Groot Achtb: bij voorsz: brief gelast. wij beslooten de noodige perzoonen te laaten opkoomen, niet alleen om pligtschuldig te gehoorzaamen, maer Madoegod de appoe aan het geen we hadden aan bevoolen zoude hebben voldaan en dat dit in hunne vergadering zoude zijn ge„ bleeken, geene luijden door Madoegodde appoe opgegeeven uit de Materesche Dessavonce of van elders moesten worden op ontbooden of gehoort. Madoegodde appoe ook ook wijl nog boven dien veronderstellen moesten, dat op eene afgedwongene ver klaaring van Madoegodde, appoe, geen de minste staat te maaken was, en voorts dat indien bij gedwongen wierd om onmiddelijk zijne beschuldigingen onit gebrad te verhaalen en te bewijzen, hij ligtelijk in het vervolg wanneer men hem van eenige contradictie mog overtuigen, zoude kunnen zeggen dat deeze kontradikties voortgekoomen waaren, wijl men hem geen teid van beraad nog de gevraagde hulp gegeeven had. zoo wij geveild hebben, voegden ze er zeer in„ solvent bij moest het weezen, wijl wij„ om de waarheid van Madoegod de appoe zijne voorgaaven te ondervinden daar toe eenige perzoonen uit de Matireesche Dessavonie hebben op ontbooden vervolgens zouden ons de Gaalsche bediendens bij brief van den 9: November 1790. hunne Resolutie den zelfden daggenoomen en zouden ons daar bij de stukken, die bij deeze hunnen brief en Resolutie vermelt zijn met toezegging van nog eenige stukken die we ook zee dert ont„ fangen hebben. uit alle deeze stukken bleek dat Madoegod de appoe nu te meermaalen gehoort, wij nig anders had„ „de gedaan dan te persisteeren bij zijne beschul„ =digingen eertijds gedaan en voorkoomen bij het bericht van den sekretaris van Albedijkl, ingebonden agter het geheim rapport van den kommandeur sluijsken en voorts te het haalen de algemeene beschuldigingen die voorkoomen bij zijn hier boven gem: ola aan den komman„ deur sluijsken en voorts te herhaalen de al„ gemeene beschuldigingen, die voorkomen bij zijn hier boven gem: ola aan den kommandeur sluijsken geschreeven. Aan Madoegodae appoe was toegezegt uitwissing brief gl van
English
of his crimes, provided he proved his accusations. Instead of doing so and specifying the witnesses with those particulars as we had prescribed, he had only named a series of Matara lesser headmen and other residents and said that these could testify to the truth of the accusations he had made, without indicating the specific facts that each of them could testify to. Nevertheless, the Galle servants had judged in their aforementioned resolution that the specifications and statements made by Madoegoode appoe were of such a nature that according to the rule of law the investigation of the accusations made by him against various native headmen could be founded upon them, and they wrote that they were now only awaiting our orders to begin immediately therewith. From the foregoing, your Right Excellencies see that we, far from having made any infringements upon the repeated pardon given to Madoegodde appoe, on the contrary have given him every opportunity that he could reasonably demand to prove his accusations against the native headmen while standing on free footing, and that Badewokke Arraatje also had every opportunity to do so. That he has not done this is also evident from the above, and we dare think that it would not have agreed with the intention of your Right Excellencies that, upon such vague accusations made by such a rogue, a succession of people from the Matara Dessavony would have been harassed. If we had allowed the Galle servants to proceed, the headmen accused by Madoegadde appoe would soon also have had to come up to Galle to be heard and to answer to the accusations, and all this could not have happened without causing great stir and commotion in the Matara Dessavony. We saw too many difficulties in this, and these difficulties, we will not conceal it, we found the greater because in this same Galle resolution there also followed the violent decision to have the Galle Porta Modliaar Balthazar dias, son of the Maha Modeliaar of Colombo, placed under military arrest, and that solely on the basis that the Modliaar of the Galle Timber Hauling and a former Mohandiram of the Galle Attepattoe, Mandanaijke, at that time arrested within Galle as suspect persons, had stated in a petition, solely in general terms and without indicating any particulars whatsoever, that the aforementioned Modliaar of the Porta of the Commander had himself orchestrated and caused the gathering of some residents in the Galle Korle occurring around the time of the Matara disturbances, and that they would prove this accusation within forty days, provided this Modliaar were taken into arrest. In this Galle resolution, it is indeed put forward as a further motive for this decision and in support thereof, that the aforementioned Modliaar of the Timber Hauling at Galle and Mohandiram Mandanaijke had been arrested at the verbal request of the aforementioned Modliaar and Shabandar, who had accused them of having made themselves guilty of the rebellion of the residents and treason, without as yet—although this Shabandar, says the resolution, had undertaken to do so and had had more than three months' time for it—producing the least evidence or probability of his accusations. Yet, apart from the fact that the resolution itself does not in the least say from what this would appear, or how and where this was supposed to have happened, neither appearance nor proof thereof could be shown to us when we asked for it, as your Right Excellencies will see from the letters exchanged thereon with the Galle servants of 15, 19, 20 November, 1, 14, 16, and 29 December. Among other things, your Right Excellencies will see from our letters written to Galle on 14 December 1790 and 12 January 1791 that we repeatedly ordered the servants that the Galle Porta Modliaar—who, it appeared to us, had never yet been heard on what we have indicated above as appearing to his charge in the Galle resolution of 9 November 1790—should be heard, without this having been complied with. In a report from this Modliaar, which he submitted at Galle and which was sent to us by the Galle servants by letter of 1 December 1790, he says among other things that on 14 August he was informed by the Korale of the Gangabaddapattoe and some good residents that various people named in this report of his, along with some residents of the villages lying next to Mapelegam, were making movements toward rebellion. That he had given notice thereof to the Commander Sluijsken, who had asked him what was best to be done in that regard; that he had thereupon requested that to the aforementioned Modliaar and the Mohandiram Madenaijke all
Dutch transcription
van zijne mis daaden, mits wij zijne beschuldi„ gingen bewees= Insteede van dat te doen en de getuigens optegeeven met die bepalingen als we dat hadden voorgeschreeven, hadde hij alleen een reeks van Materesche min„ dere hoofden en andere ingezeetenen genoemd en gezegt dat deeze zouden kunnen geteuigen de waarheid van zijne gedaane beschuldigin„ „gen, zonder aan te wijzen de bezondere feiten die een elk van hun zoude kunnen getuigen. Niet temin hadden de Gaalsche bediendens bij hun„ na voorsz Resolutie geoordeeld, dat de op„ gavens en verklaaringen door Madoegoode appoe gedaan van die aart waaren, dat na stijl van regten daar op konde worden gefon deerd het onderzoek der beschieldigingen door hem teegens verscheijde inlandsche kaff„ „den gedaan, en ze schreeven, dat ze nu alleen onze orders waaren afwagtende om daar meede daadelyk te beginnen uit het voorenstaende zien uw Hoog Edelheeden dat we verre van eenige inbreuken te hebben gedaen op het herhaald gegeeven pardon aan Madoegodde appoe, hem daer en teegen alle geleegentheiden die hij billijk vorderen konde gegeeven hebben, om staande op vrije voeten zijne beschuldigingen teegens de inlandsche hoofden te bewijzen en dat ook Badewokke Arraatje daartoe alle geleegentheid gehad heeft. Dat wij dit niet heeft gedaen is ook uit het bovenstaende blijkbaar, en owe durven denken dat het met de intentie van uw Hoog edel„ „heeden niet zoude zijn overeen koomen dat op zulke in rago gedaene beschuldigingen, door zulk een deugniet, ouit de Materesche Dessavo„ ne zoor een reeks van luiden zouden zijn geschied„ zoo we de Gaalsche bediendens hadden laeten voortgaen spoedig zouden ook de door Madoegad meede e de 279 „de appoe beschuldigde Hoofden naar Gale hebben moeten op koomen om te worden gehoort en zig op de beschuldigingen te verantwoorden, en dit alles konde niet geschieden zonder groot op„ „zien en opschuldeing in de Matureesche Dessaro nie te maaken. we zaegen Hier in te veel zwaarigheeden en deeze zwaa„ rig heeden we willen het niet ontveinsen, vond we de grooten, wijl bij deeze zelfde gaals Resolutie nog voorts wam het violent besluijt om de Gaalsche Porta Modliaan Baltha„ „zar dias, zoon van den Maha Modeliaar van kolombo telaeten neemen in Militair arrest, en dat alleen op fondament dat de Modliaar van de Gaalpchen Houtsleep, en een geweezen Mohandiram van de gaalsche Atte pattoe Mandanaijke ter dien tijd bij de binnen Gale gearresteerd als susspekte perzoo„ nen bij een Rekwest alleen in algemeene woorden en zonder eenige bezonderheeden hoe genaamt aantewijzen hadden opgegeeven dat voorsz: Modliaaa van de Porta vanden kommandeur de zaamen rotting van eenige in gezeetenen in de Gale kool voor gevallen om streeks de tijd vande Matereesche on„ „lusten zelfs hadde aangelegd en veroor„ zaakt en dat ze deeze beschuldiging binnen veertig daagen zouden bewijzen, mits deeze modliaar wierde genoomen in arrest. Bij deeze Gaalsche resolutie word wel als een nader motief tot dit besluit en tot onder„ steuring daar van bij gebragt dat de voorsz: Modliaar van den houtsleep te gale ende Mo„ handiaam Mandanaijke op mondeling ver„ zoek van den voorsz: Modliceaa en sabandaer 9' arresteerd waaren, die hun hadde beschul„ „digt zig aan den op roer der ingezeetenen en land verraad schuldig gemaakt te hebben zonder als nog hoe wel deeze sabandaar, zegt de Resolutie zulks aangenoomen en daar hoe toe 280 toe meer dan drie maenden tijd gehad hadde de minste bewijzen of waarschyn lijkheid van zijne beschuldigingen te pro„ duceeren. Dog behalven dat de resolutie zelve niet had allerminste zegt waaruit dit zoude blijken, of hoe en waar dit zoude zijn ge„ „schied; heeft ook schijn nog blijk daar van aan ons kunnen worden getoont, toenwe daer na hebben gevraagt, zoo als uwe Hoog Edelheeden, dat zullen zien bij de daarover gewisselde brieven met de gaalsche bediendens van den 15. 19:' 20: 9ber: 1: 14: 16: en 29:' xber: 12: onder anderen zullen uw Hoog Edelheeden zien uit onze, brieven den 14: December 1790 en 12 Januarij 1791: na Gale geschreeven dat wede bediendens bij herhaaling gelast hebben, dat ze de Gaalsche porta Modliaar die het ons bleek dat nog nooit was ge„ 1790. gehoord op het geene orre hier boven heb„ ben aan geweezen dat hij de Gaalsche re„ solutie van den 9:' 9ber: 1790: ten zijnen laste voorkomt zoude worden gehoort zonder dat daar aan is voldaen. Bij een berigt van deze Modliaar dat wij te Gale heeft in gedient en ons door de Gaalsche bediendens bij brief van den 1: xber: 1790 is toegezond en zegt wij onder anderen dat hij op den 14 aug=s door den koraal van de Gangebaddepattoe en eenige goede in„ gezeetenen was bericht dat verscheijde luc„ „den bij dit zijn bericht genoemd met eenige ingezeetenen van de dorpen naast Mapelegam liggende beweegingen maeken tot oproer. Dat hij den kommandeur sluijs„ „ken daar van hadde kennis gegeeven, die hem hadde gevraagt wat daar omtrent best te doen was, dat wij daarop hadde verzogt dat aan den voorsz: modliaar en den Mohandiram „hoord Madenaijke alle
English
Madampe might be ordered to summon from the country several suspected persons mentioned in his report, at which point he thought that matters would settle into a standstill on their own. That this Moodliar and Mohandiram having testified that they were unable to do so, the Commander had thereupon ordered him to go in person to Mapalagama and seize the chiefs of the gathered mobs, which he had undertaken to do. That having assembled 200 men for that purpose, he had gone to the Commander and requested permission to depart for Mapalagama, and that on that occasion he had requested that the aforementioned Moodliar and Mohandiram be confined within the city of Galle until his return, so as not to be obstructed by them in his intentions. That in the meantime the Captain of the School of Schuler had returned from Colombo to Galle, and that thereupon the Commander had ordered him, the Moodliar, to halt the journey to Mapalagama, whereupon he had withdrawn his aforementioned request concerning the aforementioned Moodliar and Mohandiram, and requested, since his journey to Mapalagama was halted, not to confine them within the city. That the following day the Commander had told him that he would nevertheless do so, as indeed actually happened since then by express order of the Commander. For this reason, and for such further motives as stand recorded in our resolution of 15 November 1790, we resolved that same day to have Madugodde Appu transferred from Galle to Colombo, and also one Badewokke Aratchi, who, as appears from the Matara letters of the - - - - - and the - - - - - written to Galle on the occasion when Madugodde Appu again sought to cause trouble and unrest in the Matara Dissavany, behaved very rebelliously, and when the Dissava of Matara sent men to fetch him, retreated to Galle to Commander Sluysken, and had since also set himself up as a co-accuser with Madugodde Appu against the repeatedly mentioned native chiefs in this matter. We sent that same day the necessary orders to Galle, and further ordered the servants to halt all further investigations at Galle into what was stated both by Madugodde Appu and by Badewokke Aratchi. By a further secret resolution of 27 November we resolved to have Madugodde Appu examined by the Fiscal of Colombo before two members of the Council of Justice, and to have the accusations against the Matara chiefs investigated at Matara itself by two members of the Matara Landraad. The second Warehouse Keeper De Moor already had his hands full enough with the commission that we assigned to him by our letter of 7 November 1790 written to Galle. He could not attend to this commission and at the same time assist in the Landraad commission for the aforementioned investigation, without one or the other of these duties suffering thereby. To keep the records in this investigation, it was necessary to take someone who had some skill in that kind of work. A better and more capable servant to assist as secretary on this commission than our first clerk Fijbrands we did not know, whom we therefore appointed for that purpose by our aforementioned resolution. But also besides and apart from these considerations, and independently of the same, neither we nor our predecessors in the service ever believed that on such occasions we had to restrict ourselves so strictly that we could not, in individual cases where we deemed it necessary, employ a servant of the Main Office. The paddy farming leases of the Giruway were many times held by servants sent expressly from here to Matara for that purpose. In the year 1757, not to cite any further examples, the Government sent from here a commission of three servants to investigate certain complaints of the inhabitants of the Giruway. The former Director-General, the Honorable Mr. Moens, was even one of these commissioners, and thus the Galle servants have not had the least reason to complain about it. We sent our aforementioned resolution to the Galle servants by letter of 9 December with orders to send a complete copy thereof to the Lieutenant Dissava Van Schuler, who at that time exercised authority at Matara in the absence of the Senior Merchant Raket. By this same letter, we prescribed very circumstantially to the Galle servants the order that we understood should be observed in this investigation, and regarding which we request to be permitted to refer to the letter itself. By a letter of 12 January last, they sent us
Dutch transcription
281 Maadamaijke mogte worden gelast om verschen verdagte perzoonen bij zijn bericht vermelt uit het land op te ontbieden wanneer hij dagte dat de zaaken zig van zelve tot stelstand zoude schikken, Dat deeze modliaar en Mohandiaam betuijgd hebbende dat niet te kunnen doen, de kommandeur hem daar op gelast hadde om zelve te gaen na Mapelegam, en de Hoof„ „den van de te zaamen gerotte volkeren op te vatten het welk hij hadde aangenoomen te doen. Dat hij ten dien einde 2oo man verzaameld heb„ bende bij den kommandeur was gegaen, en verzogt hadde om na Mapelegams te moogen vertrekken, en dat hij bij die geleegentheid hadde verzogt, dat de voorsz: Modeliaer en Mohandiram tot zijn terug komst mogten worden gebannen binnen de stad Gale, ten einde door hun in zijne voorneemens niet te worden getraverseerd, Dat middeler„ wijl de kapitain van de kool van schuler van kolombo te gale was terug gekoomen en dat daar op de kommandeur hem Modeliaar hadde gelast om de rijze wa„ Mapelegam te staaken waar op hig heed. „de ingetrokken voorsz: zijn verzoek nopen den voorsz: Modliaar en Mohandiaam en verzogt wijl zijne rijze na Mapelegam gestaakt was, om ze niet te bannen binnen de stad. Dat sdaags daar aan de kommandeur hem hadde gezegt dat hij het nogtans doen zoude, zoo als dat zee dert op expresse last van den kommandeur ook werkelijk is geschied. Hier om en om zodanige verdere motieven als by onze resolutie van den 15 November 1790. staen aangeteekend beslooten ove dien zelfden dag Madoegod de appoe rem Gale na kolombo telaeten overbrengen. , en ook eene Badewok„ wijl „ke 282 „ke Arraatje, die zoo als dat blijkt uuit de Maturees de brieven van den - - - - - . . . en den - - - - - na Gale geschreeven „ter geleegentheid dat Madoegod de Appoe op nieuw de Matureesche Dessavonij heeft zoaken en onrust tebrengen zig zeer weeder hoorig gedraegen heeft, en toen de Dessave van Mature volk zond, om hem op te haalen, zig na Gale bij de kommandeur sluijsken hadde geretireerd, en zig ook zeedert als een meede beschuldiger met Madoegodde Appoe tegens de in deezen meerm:e in„ „landsche hoofden hadde opgeworpen. te zenden nog dien zelfden dag de noodige orders na Gale, en gelastenen de bediendens wij„ „ders, om alle verdere onderzoeken zoo wel na het op gegeevene door Madoegod de appoe als door Nadewokke aaraatje te gale te staaken. Bij een naadere sekreete Resolutie vanden 27: De tweede Pakhuijsmeester de Moor hadde zijn handen reeds volgenoeg met de kommissie die wij hem opgedraegen hebben bij onzen brief van den 7:e 9ber: 1790: na Gale geschree„ „ren. Hij konde deeze kommissie niet waar„ neemen en tegelijker tijd assisteeren bij de landraads kommissie tot het voorsz: onder„ „zoek, zonder dat de eene of de andere dezer verrigtingen daar door kwams telijden: November beslooten we Madoegodde appoe te doen hooren door den fiskaal van kolombo voor twee leeden uit den Raad van Justitie en om de beschuldigingen tegens de Maturee„ v „sche hoofden te mature zelve te laeten on„ derzoeken door twee leeden uit de Matureesze landraad. Tot het houden der aanteekening in dit onder„ zoek was het nodig iemand te neemen, die eenige bedreeventheid hadde in dat slag van werk. November Peter 283 Beter en bekwamer bediende om als pennevoerder bij deeze kommissie te assisteeren dan onze eerste kleeek Fijbrands, owisten owe niet, die we daar om bij voorsz: onze resoluctie daa toe hebben benoemd. Maar ook buijten en behalven deeze konsideratien en onafhanke„ „lijk van dezelve konsideratien en onafh kelijk van dezelve, hebben wij nog onze voor zaaten in den dienst, nooijd gemeend dat m ons in zulke geleegentheeden zoo naauw hoe „den te bepaalen dat we niet in enkelde geval „len waar in we dat noodig vonden zouden gebruiken een bediende van het Hoofd kantoor De nelie verpagtingen, van de Girewaij zijn meenig maal gehouden door bediendens van hier expres daar toe na Mature gezonden. In het jaar 1757: om geen meer andere voor„ „beelden aan te haalen, zond de Regeering van heer een kommissie drie bediendens om onderzoek te doen op zekere klagten van de ingezeetenen der gireway. De Heer oud Directeur na generael de Edele Heer Moens is zelfs een van deeze ge„ kommitteerdens geweest, en hebben dus de gaalsche bediendens geen de minste reeden gehad om zig daar over te beklaagen. we zouden voorsz: onze resolutie aan de Gaelsche bedeendens bij breef van den 9:' De„ „cember met last om daar van een volledig =afschrift te zenden aan den lit: Dessave van schuler, die ter dier tijd amts absentsie van de opperkoopman Raket te Ma„ ture het gezag werde. Bij deeze zelfde brief schreeven we de gaalsche bediendens heel omstandig voor de ordre die we ver„ stonden dat in dit onderzoek zoude worden in agt genoomen, en waar omtrent we verzoeken ons aan de breef zelve temoogen gedraegen. Bij een brief van den 12: Januarij J:o L: zonden van ons
English
us the Galle servants a copy translation of an ola written by the Head of the kandebad de pattoe, Don simon, to the Commander. The Junior Merchant Rabinel, mentioned therein and who was stationed at Mature, had been sent on a commission to the kandebad depattoe by the Lieutenant Dessave van Schuler. This, it seems, reawakened the uneasy mind of this surrender virtue and gave rise, as is evident from the ola itself, to the question he poses therein, and of which the servants speak in this letter of theirs, whether the general pardon would be maintained forever. Of the Mature inquiry nor of Fijbrands is anything at all said in this ola; nevertheless, the Galle servants took occasion, without speaking of what Don Simon himself had stated as a reason for his uneasiness, to make the remark in their aforementioned letter that the inquiry being conducted by the Mature Landraad Members, and the conduct in this matter of the first clerk Fijbrands, as it appeared to them, contributed not a little to the uncertainty in which some inhabitants in the Mature Dessavony were said to find themselves. Don Simon spoke only of himself and some inhabitants in the kandebaddepattoe. By letter of 15 January we wrote to them that we could scarcely understand how the aforementioned inquiry recommended by us could raise the slightest doubt among any inhabitants who had taken part in the late rebellion, as to whether the granted general pardon would stand forever. It was well known that the inquiry did not take place against the inhabitants, but against the chiefs who were accused of having led them into rebellion, and it therefore did not concern those who had received the remission of crime, how this inquiry might turn out. Nevertheless, and because the maintenance of the country's peace had to take precedence over all considerations, and we wished to have nothing hazarded in this matter, we also wrote to the Galle servants in this same letter that if they judged that this inquiry could raise the slightest unrest among the Mature inhabitants, we authorized them to order the Lieutenant Dessave van Schuler to cause it to cease. Regarding what the servants in their aforementioned letter had remarked about Fijbrands in particular, we wrote to them that we did not know how we were to understand that, as the inquiry had been entrusted not to Fijbrands but to two Landraad members, and we ordered them to explain themselves more closely on that account. From the letter of the Galle servants of 20 January received in reply thereto, it appears very clearly that they have no other grounds than the ola of Don Simon regarding the doubts, as they said, of some Mature inhabitants, about which they had addressed us in their letter of the 12th. They said in this letter that in order to believe these doubts, one had to accept what Don Simon had said in his aforementioned ola in that regard. They were thus themselves still uncertain whether these doubts of the inhabitants actually existed in fact, and notwithstanding that, they now added, as in the same breath, that they believed these doubts were principally to be attributed to the arrest, the sending to Colombo, and the imprisonment there of Madoegodde appoe and Baddewokke Arraatje, to whom, besides the general pardon, a second pardon had been given on condition that they would state and prove everything, as the public, they added, assumed they had done as far as they were permitted. If one accepted the word of Don Simon, they further said, one might, in their view, also well assume that the inquiry then being conducted at Mature provided not a little fuel to this fear; and they further remarked that by all appearances it could almost impossibly lead to discovering whether the accused chiefs are really guilty or not, because as long as these chiefs remained in their full prestige and power, and were not arrested or suspended as had occurred on other occasions, it was very natural that they could persuade hundreds of the inhabitants, whom they were supposed to have once led into an insurrection, to testify in their favor. They continued by saying that this inquiry was not received by the inhabitants according to its true intent, and instead of answering directly what we had written to them in our letter of 15 January regarding our first clerk Fijbrands, the servants further said
Dutch transcription
284 ons de gaalsche bediendens een kopij trens„ laat van een ola door het Hoofd vande kandeb ad de pattoe Don simon aanden kom „mandeur geschreeven De onderkoopman Rabinel daar bij genoemt en welke te mature bescheiden was door den luijt: Desseve van schuler in kommissie gezonden naar de kandebad depattoe. Dit wekte zoo het schijnt het ongerust gemoed van dezen overgegeeve deugt met op nieuw op en gaf aanlijding zoo als dat uit de ola zelfs blijkt, tot de vraage die hij daar bij doed, en waar van de bediendens bij deze hunnen brief spreeken of het generaal pardon voor altoos zoude worden gehouden van het Matureesche onderzoek nog van Fijbrands word bij deeze ola geheel niet gesprooken, niet te min naamen de Gaalsche bediendens zonder te preeken van het geen Don Cunon zelve hadde op gegee„ Bij brief van den 15. Januarij schreeven we hun, dat we naauwelijks konden begrijpen hoe het vorsz: door ons aanbevoolen onderzoek de minste twijffe„ „ling bij eenige ingezeetenen die aanden laatsten opstemd deel gehad hadden; konde verwekken, of het gegeeven generaal pardon voor altoos zoude stand houden. Het was zeer bekend dat het onderzoek niet ge„ „ven tot een reeden van zijne ongerustheid, daer uit aanlijding tot de aanmerking die ze bij voorsz hunnen brief maaken dat het onderzoek dat door de Matureesche land„ raads Leeden gedaen wierd, en het gedragin deezen van den eersten klerk Fijbrands zoo het hun voorkwam, niet wijnig toedroeg tot de in zeekerheid waar in eenige ingezeetenen in de Materesche Dessaronij zo te zijden zig =bevonden. Don simon sprak alleen van Hem in eenige ingezeetenen inde kandebaddepat„ „ren „schiede „toe deel 285 schiede teegens de ingezeetenen „gens de ingezeetenen maar teegens de hoofd die beschuldigd wierden hen tot den opstand te hebben verleid, en het interresseerde mits deen zulken die uitwissing van misdaad hadde, niet hoe dit onderzoek zoude kunnen uit tevallen. Niet temin en wijl de behoudens van 'slands rust boven alle konsideratien gaan moest, en we indit stuk niets wilden hebben gehaadadeerd, schreeven mede gaalsche bediendens bij deezen zelfden bree aan, dat zoo ze oordeelden dat dat onder„ zoek de minste ongerustheid bij de Matur „sche ingezeetenen konde verwekken, we hun kwalificeerden den luitenant Dessave van schuler te gelasten om het tedoen staaken. Nopens het geen de bediendens bij voorsz: hunnen brief omtrent Fijbrands in het bezonder hadden aangemerkt schreeven we hun, dat we met wisten, hoe we dat moesten verstaen, dat niet aan Sijbrands maar aan twee landraadsleeden het onderzoek was opge„ draegen, en we gelasteden hun om zig der weegens naarder te verklaaren. Bij der gaalsche bediendens brief van den 20: Januarij daar op in antwoord ontfangen, blijkt het heel klaar, dat ze geene andere -gronden hebben dan de ola van Don Simon noopens de twijffelingen zo zij zijden van eenige Matereesche ingezeetenen, waar over ze ons bij hunnen brief van den 12=den hadden onderhouden. te zeggen bij deezen brief, dat men om deeze twijffelingen te gelooven, moeste aanmee„ „men het geen Don simon bij voorsz: zijn ola derwegens hadde gezegt. te waaren dus zelve nog onzeker of deeze twijffelingen der ingezetenen met der hadden daad 286 daad bestonden, en des niet teegenstaen„ „de voegden zeer als meenen adem nu dog bij dat ze vermeenden dat deeze twijffelingen voor namentlijk moesten worden toegeschreeven aan het arresteeren en op zeggen na kolombo en gerangen houden aldaar van Madoegodde ap„ „poe en Baddewokke Arraatje, waar aan buijten het generaal pardon nog een twee de pardon gegeeven was, onder voorwaarde dat ze alles zouden opgeeven en bewijzen gelijk het algemeen voegden ze daar bij ver onderstelde dat ze; zoo veel hun toegelaaten was, hadden gedaen. Indien men aannam het zeggen van Donsi„ „mon zeiden ze wijders, mogte men naar hun inzien ook wel veronderstellen, dat het onderzoek dat toen te Ma„ „ture gedaen wierd, niet wijnig roedsel aan deeze vreeze toebragt, en ze merkten wyders aan, dat het zelve maar den aan„ „schijn bij na onmoogelijk daar heen lijden konde om te ondervinden, of de beschueldig„ „de hoofden werkelik schuldig zijn dan niet, wijl zoo lange deeze hooffden bleeven in hun„ „ne volle aanzien en vermoogen, en niet gelijk bij andere heed plaats gehad gecer„ „resteerd of gesuspendeerd weerden het zeer natuurlijk was, dat ze honderden der ingezeetenen, die ze verondersteld eens zijden ze tot een oproer gebragt hebben kunnen persuadeeren, om in hun voordeel te getuigen. ze vervolgden met te zeggen dat dit onderzoek bij de ingezeetenen niet wierd aangenoo„ „men, naar de intentie daar van, en in„ „steede van regt streeks te beantwoorden het geen we hun bij onzen brief van den 15:e Januarij geschreeven hadden nopens onsen eersten klerk Fijbrands, zijden de wijders bediendens
English
servants, who at first had only spoken of the personal conduct of Fijbrands, now that his arrival with a separate and specially brought interpreter, accompanied by the Governor's guard lascars who were under the Maha Mudaliyar, and which first clerk, as they said according to rumors, led or directed this entire investigation according to his judgment, certainly gave no small cause for reflection among the community. Upon these bare doubts and simple assumptions, they proceeded not to say that one knows well, or at least would it not be impossible, or rather is it not even assumed, that these chiefs, on account of their relationship with the Maha Mudaliyar—who, if one accepts the depositions or merely calls them into doubt, is also guilty—are protected, and that That these papers could in no way serve to determine whether the inhabitants had conceived any anxiety over this investigation, and whether for that reason it was advisable to cease this investigation, is not necessary to remark. It was certainly not from these papers that the groundlessness or well-foundedness of the statement of Don Simon—that there was some anxiety concerning the general pardon among the inhabitants of the Kandebodapattu department, or as the servants had copied from his ola to make it somewhat heavier, among the inhabitants of the Matara Dessavony in general—could or should be judged. Because the servants in their aforesaid letter had not given the explanation requested by us in our letter of 15 January concerning what they had written about Gijbrands in their letter of the 12th, we asked them for this further explanation by letter of 27 March, and repeated the order given to them on that matter by letter of 15 January. We did this all the more because the servants, however little they had demonstrated concerning Fijbrands, wrote in their letter of 19 March that they requested that we would grant them a reasonable redress, among other things on account of the insult and contempt they had suffered through the investigation of the first clerk Fijbrands at Matara. We therefore ordered them now to point out to us clearly and plainly in what manner he had supposedly misbehaved personally. To this they wrote us by letter of 30 March that what they had written concerning Fijbrands was by no means intended to judge Fijbrands personally, as they knew no better than that his moral character deserved the esteem of all right-thinking persons. They said, in an exceedingly impertinent manner, as a reproach against us and just as if we had ordered it, that they merely thought it was not well-guided conduct that Fijbrands directed the investigation at Matara, and that, they added, he presented himself at Matara followed by the Governor's guard lascars, of whom the Maha Mudaliyar is chief. He took, they said, the trouble to go even to the houses of some native chiefs. The native, they continued, judges by the outward appearance and often wrongly, so that the inhabitants who might wish to complain and bring further accusations against the Maha Mudaliyar or his faction could easily be deterred thereby and by the sight of the guard lascars, out of fear that the said lascars would watch them and give notice of everything to their Chief, whereby they could imagine falling into trouble. And with this, they said they hoped to have shown sufficiently modestly and, as they believed, entirely plainly what they thought they were permitted and obliged to call into question concerning the conduct of Fijbrands. The accusation which the servants now brought against Gijbrands upon the aforesaid further inquiry thus consisted, besides a repetition that he had directed the investigation at Matara, solely in this: that he had taken the trouble to go even to the houses of some native chiefs. For as regards the servants' opinion that he ought not to have presented himself at Matara with such a terrifying state, it will be sufficient here merely to remark that this state, described by the servants as so very imposing, consisted only of two lascars from the Governor's native guard, to carry by turns his talipat, a kind of parasol,
Dutch transcription
287 bediendens, die eerst alleen van het perzoneel gedrag van Fijbrands gesproe „ken hadden, nu dat zijn komst met een afzonderlijk en expres meede gebra tolk en gevolgt van 's gouverneurs quar laskorijns, die onder de Maha Modliaar stonden, en welke eerste klerk gelyk ze zijden dat volgens de gerugten dit geheel onderzoek na zijn oordeel lijde of bestierde zekerlijk niet wijnig nadenking gaf bij gemeente. op deeze bloote twijffelingen en enkelde veron„ derstellingen gingen ze voort niet te zeggen wel weet of ten minsten zoude het niet onmogelijk zijn. of neen niet zelfs ver„ ondersteld dat deesze hoofden om de wille van de vermaagdschappen met de Maha modliaar die zoo men het gedeponeerde aanneemt of maar slegs in twijffel taekt, meede schuldigis geprotegeert zijn, en dat Dat deeze papieren in geen opzigt strekken konden om te bevorderen of de ingezeetenen over dit onderzoek eenig ongerustheid hadden opge„ „vat, en of het uit dien hoofde geraeden was dit onderzoek te staaken, is niet noo„ „dig aan temerken. het was zeekerlijk niet uit deeze papie„ „ren dat moeste of konde beoordeeld worden de gegrondheid of ongegrondheid van het de /: door ons gezondene.:/ eerste klerk voegden ze er zeer insolent bij gezonden is om hun te regt te helpen Nopens het geene wij geschreeven hadden om het onderzoek te staaken, zoo ze dat tot de voort duuring van 'slands rust noodig von„ „den, schreeven ze ons, dat ze dit aan onze dispositie moesten overlaeten, inzonderheid wijl hun de papieren van het onderzoek die ze hadden gevraagd, niet waaren toe„ gezonden. de zeggen 288 zeggen van Don Simon dat 'er nopens het „generaal-pardon eenige ongerustheid was bij de ingezeetenen van de kandebad depar„ „toe, of gelijk de bediendens om het nog wat te verswaaren uit zijn ola hadden over„ „geschreeven, bij de ingezeetenen van de Matureesche Dessavoine in het algemeen. wijl de bedienden bij voorsz: hunne brief niet hadden gegeeven de door ons bij brief van den 15: Januarij gevraagde explicatie no„ pens het geen ze omtrent Gijbrands ge„ „schreeven hadden bij hunnen brief van den 12=den, vroegen we hun deeze explikatie naaden bij brief van den 27: Maart en herhaalden den last hun op dat stuk bij breef van den 15: Januarij gegeeven. We deeden dit te meer, om dat de bediendens hoe zeer ze ook noopens Fijbrands niets hadden aangeweezen, bij hunnen brief vanden 19:e Maart schreeven dat ze verzogten, dat we hun wil den laaten toe koomen eene bel„ „lijke herstelling onder anderen, weegens de hoon en klijnagting die ze door het onder„ zoek van den eersten klerk Fijbrands te Mature hadden ondergaen. we gelaste den hun daarom nu ons noopens hems duidelijk en onbewimpeld aan tewijzen, waar in hij zig perzoneel kwalijk zoude hebben ge„ draegen. Hier op schreeven ze ons bij brief van den 30„ Maart dat het geen ze noopens Fijbrands geschreeven hadden geenzins bedoelde om Fijbrands personeel te beoordeelen, wijl ze niet beeter wisten of zijn zeedelijk ka„ rakter verdiende de agting van alle wel den kenden. ze zeiden op een verre gaande impertenen te wijze als een verwijt teegens ons en even als of we dat bevoolen hadden dat ze alleen vermeenden dat het geen wel bestierd ge„ „drag 289 drag was, dat Fijbrands het onderzoek te maeture bestierde, en dat voegden ze erby Wij zig Just te Mature vertoonde gevolgd door 's Gouverneurs quaade las korijns, waar van de Maha Modliaar hoofd is. Bij gae„ zij den ze, zig de moeyte om zelfs ten Hee van eenige inlandsche hoofden te gaen. Den inlander vervolgden ze oordeeld na het uitt „lijke en dikwils verkeerd, dus de ingezeeten die teegens den Maha Modliaar of Zijne fac „le mogten willen klaagen en meerdere beschuldigingen inbrengen, ligtelijk hier door en door het gezigt van de Guarde luskorijns konden afgeschaikt worden, uit vreeze dat gedagte laskorijns op hun zouden letten en aan hun Hoofd van al„ „les kennis geeven waar door ze zig konden voorstellen in verdreet te kunnen geraeken en hier meede zijdenze te hoopen genoeg. „zaam bescheiden en ook zoo ze vermeenden geheel onbewimpelt te hebben aan geweezen wat ze aangaende het gedrag van fijbrands in bedenking meenden te moogen en te moeten trekken, De beschuldiging die de bediendens op de voorsz: naadere vraage nu teegens Gijbrands inbragten bestond dus, buijten een herhaa„ ling dat hij het onderzoek te Meeture bestierd hadde, alleen hier in, dat hij zig de moeite gegeeven had om zelfs ten huize van eenige inlandsche hoofden te gaen, want wat aangaat dat hij naar der bediendens meening, zigte Matiere niet had de behooren te vertoonen met zoo een schrik inboezende statie daar op zal het genoeg zijn hier al„ „leen aan te merken, dat dit naar der bediendens beschrijving zoo zeer imposeeren„ de statie alleen heeft bestaen in twee las„ korijns van s Gouverneurs inlandsche wagt om bij beurten zijn talpat /: een zoort van geheel sonnescherm:/
English
to carry a parasol, which, according to an ancient custom, is granted not only to the first clerk of our secretariat, but also even to all sworn clerks, as is well known to the former Director General, the Honorable Mr. Moens, who himself was first clerk and afterwards secretary. Mainly on account of these positive accusations, that Fijbrands had taken the trouble even to go to the house of some native chiefs, and in order to place him at the same time in a position to clear himself properly, he was ordered to report in writing what his proceedings at Mature were. Fijbrands complied with this in a report of 11 April, and the indications he gave therein, and also the reports that have since been required at his request by our letter of 5 May written to Gale, both from the Lieutenant Dessave van Schuler and from the Landraad members Lieutenant Beijer and Bookkeeper Brinkman, by whom the repeatedly mentioned investigation at Mature was conducted in this matter, show very clearly that his conduct maintained in this commission was irreproachable. Herewith Fijbrands requested us that the Commander and Council of Gale might be required to state: 1. what it is supposed to mean, that he directed the investigation at Mature. 2. what it is supposed to mean, that he took the trouble even to go to the house of some native chiefs, and to specify particularly to which chiefs he went. We complied with this request by letter to the Galle servants of 5 May, sending them therewith a copy of the report of Fijbrands and instructing them to give a clear and specific explanation concerning the aforementioned two questions. To this we first received an answer by a letter of 20 July. To the first question the servants answered in the margin of the report of Fijbrands, which is inserted in this letter: that notwithstanding that in our letter of 15 January it was stated literally that the conduct of this investigation was assigned not to Fijbrands but to two Landraad members, the first clerk Fijbrands nevertheless actually acted as spokesman during this investigation, presented what was necessary to those who were heard, and put the questions that arose; that they therefore believed they were entitled to say that he directed the investigation, and that if any doubts still remained concerning this, they requested that the Landraad members Beijer and Brinkman might declare upon oath about it. Not only the aforementioned Landraad members, but also the Lieutenant Dessave van Schuler, when the servants wrote this, had already sent to Gale their reports mentioned above, in which they completely cleared Fijbrands, from where they were sent back to us. To the second question and to what Fijbrands had said in his report, that on the occasion when the native chiefs were asked whether they wished to be included in the general pardon and consequently claim the same, the Modliaar Jllangakoon and the Mohandiram of the Four Gravets Bandaanaijke, having been unable to appear due to illness, the Lieutenant Dessave van Schuler commissioned the aforementioned Landraad members to go alongside him to the house of the aforementioned two native chiefs, they said: that Fijbrands, according to his own declaration, had been to the house of the Modliaar Jllangakoon and the Mohandiram Bandernaijke, which they believed, considering Fijbrands had so much influence in the investigation, ought not to have taken place, precisely because these chiefs were accused, and the common people could not know whether this visit was a mark of courtesy or took place for other reasons or in the service, and thus could easily be misunderstood by the common people, which is full of suspicion, and frighten, or at least deter, from bringing forward the truth, those who regarded this as a friendly visit and who had something to complain of or testify against the accused chiefs, imagining that Fijbrands, who also acted as spokesman in the investigation, was partial to the side of the accused chiefs. From all the foregoing it appears very clearly that it was the opinion of the Galle servants that, just as Madoegodde Appoe and Badewokke Arraatje had already both been arrested, being convicted of being guilty of the grossest crimes, especially the former, who has deserved the heaviest and capital punishment, so also should have been arrested, or at least suspended,
Dutch transcription
290 sonnescherm. /. te draegen en welke volgens een oud gebruik niet alleen aan de eersten klerk van onze sekretarij, maar ook zelfs aan alle gezwore klerken worden toe„ gestaen zoo als dat den Heer oud Directeur Generaal de Edele Heer Moens, die zelfs eerste klerk en naderhand sekretaris geweest is, zeer bekend is. voor naamentlijk uit hoofde van deze stellige beschuldigingen, dat Fijbrands zig de moeijte gegeeven had om zelfs ten huize van eenige inlandsche hoofden te gaen, en om hem teevens inde geleegentheid te stellen van zig behoorlijk te kunnen zui„ veren is Uijt gelast om schriftelijk te be„ richten wat zijne verrigtiegen te Matur zijn geweest Fijbrands heeft hier aan voldaan bij een bericht van den 11:e April, en de aan„ wijzingen die hij daar bij dood, en ook de berichten die zeedert bij onzen brief den 5:e Maij na Gale geschreeven om zijn verzoek ge eischt zijn, zoo van den luit: Dessave van schuler als van de Landraadsleeden de Luit: Beijer en de boekhouder Brink„ „man door wie het in deezen meerm:ne on„ derzoek te Mature gedaen is, toonen zeer duidelijk aan, dat zijn gehouden gedrag in deze kommissie onberespelyk geweest is. Hier bij heeft Gijbrands ons verzogt, dat de kommandeur en Raad van Gale omogten worden opgelegd om te verklaaren. 1:/ wat het zeggen zal, dat wij het onderzoek te mature heeft bestierd. 2:/ wat het zeggen zal, dat wij zig de moeijte gegeeven heeft om zelfs ten huijze van eenige inlandsche Hoofden te gaan, en speciaal op tegeeven bij welke Hoofden Hij gegaan is. Aan dit verzoek hebben we voldaen bij brief de aen 291 aan de gaalsche bedienden van den 5 Maij zonden hun daar bij een kopij van het bericht van Fijbrands en gelasteden hun, om noopens de voorsz: twee Vra „gen te geeven een duidelijke en speciaal explicaatie. Hier op ontfingen we eerst antwoord bij een bre„ van den 20: Julij. op de eerste vraage an woorden de bediendens in margine van het bericht van Fijbrands, dat bij deeze brief is geinsereerd dat niet teegenstaende bij onzen brief van den 15: Januarij woordelijk stond dat het doen van dit onderzoek niet aan Fijbrands maar aan twee landraadslee „den was op gedraegen, de eerste klea Fijbrands egter bij dit onderzoek eigentlijk het woord gevoerd, de geen die gehoord zijn het noodige voor gehouden, en de voorgekoomene vraag gedaan had, dat ze dus meenden met regt te moogen zeggen dat hij het onderzoek bestierd heeft, en dat zoo hier omtrent nog eenige twijf „felingen overbleeven te verzogten dat den land raads leeden Beijer en Brinkman zig daar over onder eede mogten verklaaren. Niet alleen de voorsz: landraads Leeden maar ook de lit: Dessave van schuler hadden toen de bediendens dit schreeven reeds hunne berichten hier booven gemeld waer bij ze Fijbrands op het volkomen te zuivere na Geele gestuurt van waar ze ons weedaen toegezonden. op de tweede vraage en op het geene Fijbrands bij zijn bericht hadde gezegt, dat ter geleegend„ heid dat aan de inlandsche Hoofden is ge„ vraagt of ze wilden begreepen zijn in het generaal pardon, en mits dien het zelve „gedaan H reklameeren 292 reklameeren de Modliaar Jllangakoon ende Mohandiaam van de veer gravetten Bandaanaijke door ziekte niet hebbend kunnen kompareeren, de Luit: Dessave van schulet voorsz landraads leeden ge„ kommitteerd heeft om nevens hem ten hui van voorsz: twee inlandsche Hoofden te ge zijden ze: dat Fijbrands volgens zijne eige ver„ klaaring ten huize van Plangako Modliaer en de Mohanderam Bander naijke geweest ^ was, het welk ze, aan gezien Fijbrands zoo veel invloed bij het onderzoek had, vermeenden dat niet had behooren te geschieden en wel daar om„ wijl deeze hoofden beschuldigd waaren en het gemeen niet weeten konde of dit bezoek een beleeftheids betuiging was doen wel om andere reedenen of in den dienst geschiede, en dus ligtelijk bij het gemeen dat vol dag waar is, verkeerdelyk konde opgenoomen worden en die geene, die zulks als een vreendelijk bezoek aanmerkten, en die iets tegens de beschuldigde Hoofden te klaagen ofte getuijgen had, afschrikken ten minsten afleiden de waarheid voor te brengen, als zig verbeeldende dat Fijbrands die bij het onderzoek ook het woord voerde, de partij der beschuldigde hoofden toe gedaan was. uit al het voorenstaende blijkt zeer duidelijk dat het der gaalsche bediendens meening was, dat gelijk Madoegodde appoe en Badewokke Arraatje bereeds bijde overtuijd van schuldig te zijn aan de grofste mis„ daaden inzonderheid de eerste die de Zwaarste en kapitaalste traffe verdiend heeft g'arresteerd waaren, ook had de moe„ „ten worden gearresteerd of ten minsten gemeen gesuspendeerd
English
suspended the native chiefs accused by them, notwithstanding that the servants in this very same letter, in which they advocate this view, had not dared to venture against these accused chiefs anything more than the mere supposition of the possibility that they were guilty. When one combines these notions with the above-mentioned Resolution against the mudaliyar of the Galle Gate, and when one reflects further upon the great prejudice of Commander Sluijsken against the aforesaid Maha Mudaliyar, as many proofs thereof appear in his writings, and finally that he had already declared the accused Matara native chiefs, if not proven completely guilty, at least to lie under the strongest suspicion, they found no difficulty in summoning an entire party of inhabitants from the Matara Dessavony to Galle, and that they also would soon, one easily sees how things would have turned out if one had let the Galle servants have their way, and whether we therefore did well or ill to cause the investigation at Galle to cease, and to summon Madoegodde Appoe with Badewokke Aratje from Galle. The extreme spitefulness of the servants is further demonstrated very clearly. According to their Resolution of 1 November 1790, as we have indicated above from it, one might trust that peace in the country had been restored to such an extent that an investigation of matters would no longer have any bad consequences among the Company's subjects, but would much rather have very desirable effects, they would have found no difficulty in tackling the accused Matara chiefs, just as they had already found no difficulty in taking the decision to place Gate Mudaliyar Dias, the first and most distinguished chief of the Galle Korale, under military arrest, without anything having yet appeared to the man's charge, and notwithstanding that it appears much more that he has conducted himself honestly and faithfully, is very evident. All these things, according to the notions of the Galle servants, could happen very safely without disturbing the peace of the country and without having any bad consequences among the Company's subjects, provided it remained their work to act therein as they pleased; but as soon as we had ordered the servants to stop the investigation at Galle and to have the investigation against the accused Matara native chiefs carried out at Matara itself by two members of the Landraad, everything changed from then on. Don Simon had said that among him and certain inhabitants from the Kandebaddepattoo there was some anxiety whether the general pardon would be maintained. The servants altered the causes that were made. The anxiety that Don Simon had attributed to the arrival of the Junior Merchant Rabiuel, they attributed to the investigation taking place at Matara, and that which Don Simon had said only of certain inhabitants in the Kandebaddepattoo, they sought to transfer to the inhabitants of the entire Matara Dessavony. They even admitted that in order to believe that such an anxiety existed, one had to accept what Don Simon had said; and notwithstanding this, in order to vent their spleen over their visible dissatisfaction that we did not allow them to deal as they pleased with the native chiefs accused by Madoegodde Appoe and associates, they have dared to permit themselves, concerning that which was said to be, or at least could be, the causes of a fabrication of which they themselves admitted they were still uncertain whether it actually existed, a great multitude of such impertinent, and we may well add, insolent remarks, that we do not believe an example thereof is to be found anywhere. That we, before we had the investigation instituted at Matara, had the native chiefs asked whether they wished to be included in the general pardon, happened solely out of an excess of caution, and in order to avoid even the appearance of doing anything that could be considered in the least to run counter to this granted pardon. We did this more for the sake of the public, who perhaps, if we had not done this, might have conceived some anxiety over an investigation relative to the late Matara disturbances, than for the sake of the accused chiefs themselves, to whom we therefore also had the question of whether they wished to be included in the general pardon put with the greatest discretion and all possible tokens of trust in their honesty and uprightness, as Your Right Honourables will find in our Resolution of 27 November 1790. That we for our part have never held these people guilty appears from our Resolution of 27 November 1790, in which the great improbability of the accusations brought against them was pointed out in great detail.
Dutch transcription
293 gesuspendeerd de inlandsche hoofden door hun beschieldigd, niet teegenstaende de bediendens bij deezen zelfden brief, waar bij ze dit gevoelen voorstaen, teegens dees beschuldigde hoofden niet meer hadden durven hazardeeren dan veronderstelling alleen van de mogelijkheid, dat zo schuld waaren. Wanneer men deeze gegrippen kombineerd met de hier booven gemelde Resolutie te „gens den modliaat van de gaalsche Porte en dat men daar bij na denkt de groote vooringenomenheid van de kommande „sluijsken teegens den voorsz: Maha modaa zoo als daar van in zijne geschriften meenige blijken voorkoomen, en eindeli dat hij de beschuldigde matereesche in„ „landsche hoofden bereeds hadde verkla indien niet volkoomen schuldig beweesen ten wijnigsten te leggen onder de sterkste su te vonden geene zwaarigheeden om een heele partij ingezeetenen uit de Matereesche Dessavonie op te ontbieden na gale, en dat ze ook spoedig pisciestiet men ligt, waar op de dingen zouden zijn oitgeloopen, zoo wel de gaalsche be„ „diendens had den laaten begaen, en of ne mits dien wel of kwalijk gedaan hebben het onderzoek te Gale te doen staaken, en Ma„ doe godde appoe met Badewokke Araaatje van Gale op te ontbieden Nog blijkt zeer klaarlijk de verregaende wre„ velmoed van de bediendens. volgens hunne Resolutie van den 1:e November 1790: zoo als we dat hier boven daar uit hebben aan gewee„ zen mogte men vertrouwen dat de rust inhet „land zoo verre hersteld was, dat een onderzoek van zaaken geene kwaade gevolgen meer bij 'skomp=s onderdaanen zoude hebben, maar veel meer van zeer gewenschte effekten zoude pitir geene fe zijn 294 geene zwaarigheid zouden gevonden hebben om de beschuldigde Matereesche Hoofden aan te pakken, zoo als ze reets geen zwaar heid gevonden hadden het besluit te neemen om den Porta Modliaar Dias het eerste en aanzienlijkste hoofd van de Gale korl zonder dat er nog iets tot smans lasten was geblee „ken en niet tegenstaende het veel meer blijkt dat wij zig eerlijk en trouw gedraegen heeft te laaten neemen in militaire arrest, is zeer blijkbaar Alle deeze dingen konden naar der gaalsche be„ „diendens begrippen zeer vijlig geschieden zonder 'slands rust te Htooren en zonder dat het eenig kwaade gevolgen meer bij 'skomp„s onderdaan zoude hebben, mits het hun werk bleef om dan in na welgevallen te handelen, dog zoo dra we de bediendens bevoolen hadden om het onder„ „zoek te geele teden staaken, en het onderzoek teegens de beschuldigde Matureesche inlands Hoofden te Mature zelfs te laaten doen door twee Leeden van den Landraad, verander„ „de alles van toen. Don Simon hadde gezegt dat 'er bij hem een zommige ingezeetenen uit de kande badde „pattoe eenige ongerustheid was of wel het generaal pardon zoude worden gehouden. De bediendens veranderden. de oorzaaken het gemaoelt. De ongerustheid die Don =Simon hadde toegeschreeven aan de komste van de onderkoopman Rabiuel scheeven ze toe aan het onderzoek dat te Mature geschiede, en het geen Don Simon had de gezegt van alleen van zommige ingezeetenen in de kandebaddepattoe, tragten ze over tot de inge„ zeetenen van de geheele Matereesche Dessaronce. ze zelfs bekenden dat men om te gelooven dat er zulk eene ongerustheid was, moeste aan„ „neemen het geen Don Simon hadde gezegt, en des niet tegenstaende, hebben ze om hun Hoofden ed 295 moed te koelen over hunne zichtbaare te onvreedentheid, dat we hun met de door Mad „godde appoe c: S: beschuldigde inlandsche hoofden niet na wel gevallen. hebben laaten omspringen, zig durven permitteeren overh geen te zijden te weezen of ten minsten te kin „nen zijn de oorzaaken van een gewrochd waar van ze zelfs bekenden nog onzeeker te zi of het niet der daad bestond, een groote menigte van zoo impertinente, en we moogen'er wel, bij voegen, brutaale aanmerkingen, dat we niet gelooven dat daar van ergens een voor „beeld tevinden is. Dat we de inlandsche Hoofden voor dat we het onderzoek te Mature deeden aanstellen hebben doen vraagen of te wilden begreepen zijn in het generaal pardon, is alleen geschid uit een overmaat van voorzegtigheid, en om zelfs den schipn te vermijden van iets te doen, dat tegens dit gegeeven pardon in het minst zoude kunnen g'agt worden aan te loopen We deeden dit meer om de wille van het pu„ bliek, dat misschien zoo we dit niet gedaen hadden eenige ongerustheed zoude hebben kunnen op vatten, over een onderzoek rela„ lief tot de laatste Materesche onlusten, als om de wille van de beschuldigde Hoofden zelve, aan wien we daarom ook, de waage of ze in het generaael pardon wilden zijn begreepen, met de grootste beschijdentheid en alle mogelijke blijken van vertrouwen en hunne eerlijkheid en braafheid hebben doen voorstellen, zoo als uw Hoog Edelheeden dat vinden zullen bij onze Resolutie van den 27:' November 1790 — Dat we voor ons deeze luiden nooijt schuldig gehou„ den hebben, blijkt uit onze Resolutie van den 27:' November 1790: waar bij heel omstandig is aangeweezen de groote onwaarschijnlijkheid van de teegens hun ingebragte beschuldigingen, zouden zij
English
They all are people of good name and reputation, all in such advantageous circumstances that, so to speak, they have nothing more to wish for than to remain what they are and to keep what they possess. How could one, without the clearest evidence, think of such people that they would so lightly risk ultimately losing their heads on the scaffold or, at the least, being obliged to spend the rest of their lives despised and scorned as great villains by all right-thinking men. Their accusers, on the other hand, are all people who in the Matara unrest deserved the highest punishment, and who preserved their forever-stained lives only through the necessity in which we found ourselves of having to proclaim a general pardon. On account of the unrest that has since arisen with Kandy, we have caused the further investigation of these accusations to be suspended both here and in Matara, as appears from what is recorded in our secret resolution of 4 February 1791. If we had not been compelled to do that, we are very confident that the innocence of the accused chiefs would ultimately have been demonstrated in the clearest manner; and also to remove all doubts that might still remain with Your High Excellencies as to whether the accused chiefs could really be considered guilty of the crimes charged against them, and to see the contrary thereof, in so far as there was opportunity to demonstrate that up to the time the investigation had to be suspended, which may serve to provide the greatest reassurance to Your High Excellencies, we take the liberty of sending herewith the Matara investigation so far as it has been concluded, and the report of the Colombo Fiscal with two depositions belonging thereto. Madugoda Appu and Badewokke Aratchi, whom upon their arrival here in Colombo we caused to be placed in military arrest, each in a separate room near a military guard, have remained so until now. Had the investigation been able to proceed, undoubtedly both the one and the other would not have been able to escape the punishment which they have justly deserved. They are both dangerous, especially Madugoda Appu, and we strongly advise against risking setting them at liberty again. They are both great villains who deserve no consideration, and we are strongly of the opinion, if Your High Excellencies should approve, that both ought to be sent for the rest of their lives to the Cape of Good Hope or else to Robben Island, if Your High Excellencies should so prefer. Madugoda Appu has more than once deserved the death penalty, and even if Badewokke Aratchi, who is certainly less guilty, might not have deserved to be punished with death, he has undeniably deserved the punishment next to death. The further pardon granted to Madugoda cannot be taken into consideration against this, as far as he is concerned, for it was granted on condition that he should prove his accusations, which he has not done and cannot do. Don Simon has continually behaved like a rascal. Not only has he not fulfilled his promise to make substantial plantations in the Kandaboda Pattu, where he was appointed as chief, but he has never even heeded any orders or commands during all the time that he was chief in this pattu, until he ran away after having previously tried in vain to disturb the peace of the Matara Dissavony once again. Regarding what Your High Excellencies have observed, that Sluijsken repeatedly complains that no settlement of grievances is pursued and that what was prescribed in his mandate ola is not being complied with, we have communicated with him by a separate letter of [illegible] and ordered him to state clearly what had given rise to this repeated complaining. Instead of answering that directly, he stated in his letter of the 28th that in order to comply with the aforementioned order he would have to make a repetition of everything that has happened since 15 June 1790, what this refers to, we profess not to know. The statement of the First Adigar of the Realm cannot be regarded as anything other than the language used in Kandy by the emissaries sent by the rebels; and that this man consequently speaks only according to what he had heard from them. If he had proper knowledge of affairs, there would have been no reason for the advice he gives against sending military detachments to seize and plunder the inhabitants, since during the Matara uprising no military forces were used to restore peace among the inhabitants. Then, what in the most undeniable manner contradicts the statement that for many years great mistreatments and extortions
Dutch transcription
296 Zij alle zijn luiden staande ter goeder naam en faam alle in zoo goede voordeelige om standigheeden, dat ze om zoo te spreeken niet meer te wenschen hebben dan te blijven het geen ze zijn en te behouden het geen ze bezitten. Hoe zoude men van zulke luiden zonder de aller duidelijkste blijken kunne denken dat ze zig zoo ligtvaardig zouden waagen om eindelijk hun hoofd op het scha„ „rot temoeten verliesen of ten minsten als groote fielten de rest van hun leeven veragt en versmaad bij alle weldenkende Menschen temoeten toebrengen. Hunne beschuldigers daar en teegen zijn Alle luijden die inde Matureesche onlusten de hoogste straffe hebben verdiend, en hun voor al toos geschandvlekt leeven alleen behouden hebben door de noodzaakelijkheid waar in we geweest zijn om een generaal pardon temoet en laaten afkondigen. Om de wille van de onlusten zeedert met kan„ dia ontstaen hebben we het verder onder „zoek deezer beschuldigingen zoo hier als te Mature doen staeken, blijkens het aan„ geteekende bij onze sekreete resolutie van den 4: februarij 1791: zoo we niet genoodzaakt geweest waaren om dat tedoen, houden we ons zeer ver„ zeekert, dat de onschuld van de beschuldig „de woofden eindelijk ten duidelijksten zoude zijn gebleeken, en om ook wegtenee neen alle bedenkingen die er bij uw Hoog Edelheeden nog zoude kunnen zijn overgeschooten, of ook de beschuldigde Hoof„ „den werkelijk zouden kunnen g'agt worden schuldig te weezen aan de hun ten laste „gelegde misdaaden, en dat het tegendeel daar van te zien, zoo verre der geleegentheid geweest is dat te doen blijken, tot de tijd toe dat het onderzoek heeft moeten worden gestaaktn gestaakt, hoogst dezelve tot merkelijke ge rustheid kan strekken, gebruiken wederrijt hiernevens te zenden het Materesche onder zoek zoo verre het afgeloopen is, en het bericht van de kolombosche fiscaal met twee deklaratoiren daar toe gehoorende. Madoegod de appoe en Badewokke arraatje die we met hun komst hier te kol ombo„ elk in een appart vertrek kort bij een Militair wagt hebben doen zetten in mi„ „litair arrest, zijn tot nog toe zoo gebleeken. hadde het onderzoek kunnen voortgang hebben, zoude ongetwijffeld den een zoo wel als de anderen de straffe die de regtmaatige verdiend hebben, niet hebben kunnen ont „gaan. gevaarlijk zijn ze bijde, inzonderheid kadoe god de appoe, en we ontraaden heel zeer het te waagen om hen wederom op vrije voeten te stellen het zijn bijde groote fielten die geen konsideratie Don Simon heeft zig bij voortduuring als een deug niet gedraagen. Niet all een heeft verdienen, en we zijn zeer van gevoelen indien uw Hoog Edelheed en dat mogten kunnen goed vinden, dat ze bijden voor al hun leeven behoorden te worden gezonden na de kaap de goede Hoop„ dan wel na Rosegijn, zoo uw Hoog Edelh: dat mogten verkiesen: Madoegodele appoe heeft meer als eens de dood straffe verdiend, en zoo ook Badewokke Arraatje, die zeekerlijk minder schuldig is, niet mogte ver„ „diend hebben om met de dood te worden gestraft„ heeft wij buiten tegenspraak verdiend de straffe naast de dood- het aan Madoegod de verleende naadere paadon kan hier teegen zoo veel hem aangaat, niet in aanmer„ king koomen, want het zelve is verleend onder konditie dat wij zijne beschul digingen bewijzen zoude, het geen wij niet heeft gedaen en niet kan doen verdienen Peden hij 298. hij niet voldaan aan zijn belafte van in de konde bad de pattoe daar hij tot hoofd was aan gesteld aanzienlijke aanplantingen te doen, maar hij heeft zig zelfs nooit aan eenig ouders of beveelen gestoort, geduurende al den tijd dat hij in deeze pattoe hoofd geweest is, tot dat wij is weg geloopen nadat wij alvoorens vrugteloos hadde beproefd, of wij de Maturee „sche dessavone, andermaal in onrust brengen „konde. Over het geene uw Hoog Edelheeden hebben aan gemerkt dat sluijsken herhaald klaagd dat men geene afdoening der klagten betragt en dat het voorgeschreevene bij zijn mandaat ola, niet word na gekoomen, hebben wij hem bij een apparte brief van den - - - . . . . . - . onderhouden en gelast duidelijk op te geeven wat oorzaak gegeeven hebben tot dit herhaald klaagen. Jn steede van daar op regtstreex te antwoorden heeft hij bij brief van den 28: daar op gezegt, dat hij om te voldoen aan de voorsz: last een herhaaling zoude moeten doen van alle het gebeurde zeedert den 15:' Junij 1790. waar op dit ziet betuigen we niet teweeten. Het zeggen van den eersten Rijks Adigaar kan men niet anders houden, dan voor de taal, die de afgezondenen door de oproerigen, in kandea gevoerd hebben; en dat deeze Man mitsdien spreekt alleen na het geene hij van deeze hadde hooren zeggen. zoo hij behoorlijke kennis van zaaken gehad hadde, waser geen reeden voor den Raad die hij heeft tegens het afzenden van militaire kommandos om de ingezeetenen te vatten en te prlunderen, wijl geduurende den Matereschen opstand geene Militairen zin gebruikt om de ingezeetenen tot rust te brengen. Dan het geene op de ontegenzeggelijkste wijze weeder spreekt het gezegde dat 'er zedert veele jaaren groote mishandelingen en dat knevelarijen ƒ
English
extortions were committed, is the obedient, quiet, and proper conduct of the Company's inhabitants, and that they have thus far nowhere given any ear to the repeated solicitations of the Kandyans, contrary to all examples of former times. With what possibility could one expect that from people left exposed to abuses, oppressions, and extortions, without being able to obtain redress or justice for their violent and general complaints. Furthermore, the faithful conduct of the native chiefs in the present situation, and among whom especially excel the chiefs who are so heavily accused by Commander Sluijsken, is also the best answer that we know how to give to what Commander Sluijsken has ventured to say, on the occasion when we asserted that they have great influence at the Court of Kandia, that there is said to be an ola which would prove that plans are being laid whereby the Company would suffer greatly, if it were not speedily provided against. During all the time that the Senior Merchant and Chief Administrator Raket held authority at Mature, no evidence whatsoever has come before us that could in any respect justify the far-reaching indiscretions that Commander Sluijsken has allowed himself on the subject of the said Senior Merchant and Chief Administrator Raket and on our choice to appoint him as Dessave of Mature. That we first left the trade bookkeeper Samlant at Mature for a time, and afterwards appointed him from writer to lieutenant dessave, was solely because of the great amount of work that occurred at that time at Mature. All the documents mentioned herein under 5 are transmitted under the appendices under a separate register. The Kandyan Court. The Javanese in Kandia are for the most part either remnants or descendants of a party of Easterners who deserted from the Company in the war of the year 1760 to 1765, or came into Kandyan hands in another manner, and who have repeatedly and in vain been reclaimed from the Court, or such as have deserted from the Company from time to time since then; however, those who do this are mostly Ceylon natives, descendants of Eastern soldiers. Of actual Easterners, one very rarely sees that they desert to the Kandyans. Of exiles outside the chain, it is also very rare that they are missed. It is even rare of those who are in the chain; of these, nevertheless, it does happen now and then that one runs away from the paddies when they sometimes go somewhat high up the river. That we, simultaneously with the dispatch of our first letter to the Court, caused Putelang and Kalpitiya to be evacuated, and also placed a military post at Wangewelle, was likewise done to remove all fear of Kandia from our own inhabitants; and the latter being thereby checked in their great advance, this has produced this good result among our inhabitants, that since then, apart from the case of Don Simon, nothing has been heard anywhere in our dessavony of the slightest movement to give compliance to the Kandyans. The Madura Kingdom. Because the English during the past year have had many other and more serious occupations, our great lack of money, whereby trade on the Madura coast had to stand almost completely still for a whole time, has slipped through fairly unnoticed; and the bad impressions that this might have made, we hope will be noticeably removed because we will now, with the received gold, be in a position to pursue trade with greater vigor. The Military Commission. The enlargement of the armory will for the present remain postponed, and we shall, as far as necessary, only somewhat repair the old armory; also, until the number of troops that will be determined for Ceylon is known, we shall ask for no more muskets than will be found to be strictly necessary. The browning of the muskets was found fairly good, as appears from the report received thereof, which is transmitted among the appendices. The salaries of our national subaltern officers have not been placed by us on the same footing as those of the Regiment de Meuron, but on the contrary, the emoluments of the subaltern officers of this regiment have been placed on the footing of the national troops. In addition, as for the national captains commanding a company, because their emoluments, the free-worker money included therein, were somewhat higher than the emoluments of the captains of the Regiment de Meuron, we have reduced their free-worker money as much as was necessary to make them equal to one another. Regarding all the proposals of the gentlemen of the Military Commission, we shall dutifully conduct ourselves according to Your High Excellencies' honored
Dutch transcription
299 knerelaaijen zyn gepleegd, is het gehoor „zaam stil en betaamelijk gedrag van 'skom ingezeetenen, en dat ze tot nog toe nergen eenig gehoor gegeeven hebben aan de herhadd aanzoeken der kandiaanen tegens alle exempelen van voorgaende tijden. Met wat mogelijkheid zoude men dat kunnen verwagten van luijden overgelaaten aan mis„ handelingen, onderdrukkingen en kne„ relarijen, zonder op hunne geweldige en al„ gemeene klagten redres z of recht te kunnen verkrijgen. voorts is het getrouw gedrag der inlandsche Hoofd in de presente, geleegenheid, en waar onder inzonderheed uit munten de Hoofden, die door den kommandeur sluijsken, zoo zwaar zijn beschuldigt, ook het beste antwoord dat we weeten te geeven op het geen de kommandeur sluijsken ter geleegentheid dat wij beweerd, dat ze groote velaten aan het Hof ram kandia hebben, gehazaadeert heeft te zeggen, dat 'er een ola zoude zijn die zoude bewijzen, dat 'er plans leggen, waar door de komp:e E veel zoude lijden, zoo 'er niet spoedig in voorzien wierd Geduurende al den tijd dat den opperkoopman en Hoofd administrateur Raket te Mature het gezag gevoerd heeft zijn ons wergens eenig blijken voorgekoomen, die in eenig op„ zigt zoude kunnen justificeeren, de verre gaande in diskreetien die de kommandeur sluijs „ken op het sujet van gem: opperkoopman en hoofd administrateur Raket en op onse verkiesing met hem tot Desseve van Ma„ „ture te benoemen zig heeft veroorlooft. Dat we eerst de negotie boekhouder samlant een tijd lang te Malure gelaaten hebben, en naderhand van schiber tot luijtenant des„ „save hebben benoemt, is alleen geweest, om het veele werk dat 'er ter dier tijd te rel Mature gl 300 Mature voorviel„ Alle de stukken in deezen vermeld van 5 gaan onder de bijlreegen onder een appart register over Het kandiasche Hof. De javaanen in kandia zijn meestendeels of nog overgebleevene of afkoomelingen van een paatij oosterlingen die in den oorlog van het Jaar 1760. tot 1765: vande kompene gedeserteerd, of op eene andere wijze inder kandraanen handen gekoomen zijn, en welke te meermaalen te ver„ geefs van het Hof zijn gereklameerd, of zulke die zeedert nu en dan van de komp: gedeserteerd zijn, dog dit dat doen, zijn meerendeels Ceij= lonse inboorlingen, afkoomelingen van oostersche zoldaeten. Van werkelijke oos„ terlingen ziet men het zeer zeldzaam dat ze tot de kandiaanen overloopen. van Bannelingen buijten de ketting is het ook zeer zeldzaam dat ze gemist worden. Het is zelfs zeldzaam van zielke die inde ketting zijn van deeze nogtans gebeurd het nu en dan wel eens dat 'er een weg„ „loopt vande padies als die zomtijds de riveer wat hoog opgaan Dat we te gelijk met het afzenden van onzen eersten brief naar het Hof, Putelang, en keel„ pettij hebben doen vertrekken, en ook een Mili taire post gelegt hebben te wange welle, es tevens geschied om onze eige ingezeetenen alle alle vreeze voor de kandia te beneemen en deeze daar door gestuit zijnde in hunne groote vaart heeft dit en bij onze ingezee„ tenen dit goede voortgebragt, dat men zedert buijten het geval van Don simon nergens in onze dessavonie iets vernoomen heeft van de minste beweeging om de kan„ di aanen beval te geeven. Het Madureesche Rijk. wijl de Engelsen ge„ duurende het jongste Jaar veele andere en Het meer 5 303 meer ernstige bezigheeden gehad hebben, ons groote geld gebrek waardoor den hand op de Madureesche kust een heelen tijd bijna geheel heeft moeten stil staan, nog al taemelijk ongemerkt doorgeslipt, end kwaade impressien die dit mogte hebben gedaen, hoopen we dat merkelijk zullen worden weggenoomen door dat de zal niet het ontvangen goud, tans in staat zijn handel met meer nadruk door te zetten. De Militaire kommissie. De vergrooting der wapen kaamer zal voor eerst blijven uit gesteld, en zullen we de oude wapen kamer voor zoo veel het noodig is, alleen wat dan repareeren ook zullen we tot dat men weet het getal troupes dat voor Ceilon zal worden bepaald, geen meer gewe „ren vraegen dan zal worden bevonden vo strekt noodig teweezen. Het druineeren der geweerden is taemelijk goedgevond blijkens het daar van ingekoomen rapport dat onder de bijlaegen overgaat. De tractementen van onze Nationaele subal„ „terne officieren zijn door ons niet gebragt op den voet van die van het Regiment rem Meuron, maar zijn daar en teegen de emo„ lumenten van de subalterne officeeren van dit Regiment gebragt op de voet van de Nationaale troupes. Heer bij hebben wede Nationaale kaptijns, hebbende een kompa„ „nie, wijl die hunne emolumenten, het vrijwerkers geld daar onder gereekend, wat hooger waaren dan de emolumenten van de kapiteins van het Regiment van Mee„ „ron hun vrijwerkers geld zoo veel het noodig was om ze aan malkanderen egaal te stellen vermindert. We zullen omtrent alle de voorstellen van de Heeren van de Militaire kommissie ons schuld„ pligtig gedraagen na uw Hoog Edelheeden blijkens H g' eerde
English
honored recommendation. Thus far, very little has been done that can be considered to constitute any new burden for the Company; we only hope that Your High Mightinesses will favorably accommodate the fact that, pursuant to and in accordance with what these Gentlemen deemed necessary, we have had the gunpowder mill built at Colombo, as proposed by their High Mightinesses' honors as a necessity, of which a broader report is made in our general description dispatched simultaneously with this. We felt all the more compelled to take this decision on account of the Kandyan unrest. Our ordinary gunpowder mill generally can only grind for a few months in the year due to lack of water; last year, so to speak, it had to stand entirely idle, and we did not know to what extent Your High Mightinesses would be able to provide us with the necessary powder from Batavia. Foreign Nations. At Trincomalee, there were a few English warships or frigates in the course of this year out of urgent necessity. At Colombo, only the French royal frigate the Resolution was in the roads for about 24 hours. Upon its offer to salute, the officer who came ashore for that purpose was informed that the salute would be answered with an equal number of shots by the national war brig de Vlieg, then lying in the Colombo roads ready to sail for Tuticorin. This officer went on board with this answer, without making any objections against it. The French frigate nevertheless did not salute that day. It only did so the next morning, after the national brig had departed from the roads. The Governor left this salute unanswered. Shortly thereafter, an officer came ashore with a compliment from the captain, stating that he thought no report had been made to the Governor that the frigate had saluted the castle; whereupon the Governor answered him that it had indeed been reported that the frigate had fired, but that, having expected the salute yesterday, he had considered this firing all the less to be a salute; however, since the captain now made it known that it was a salute for the castle, he would give orders to thank for it with an equal number of shots, as was done, and thereupon the aforesaid frigate immediately set sail. The Servants. On 31 October last, we deliberated further upon the secret report of Commander Sluijsken of 31 August 1792, as well as upon his secret letter of 20 October received since then, and upon the defense written by the Senior Merchant and Dissava of Matara, van Angelbeek, to and against what appears regarding him in the aforesaid secret report and secret letter, which we have already had the honor to transmit to Your High Mightinesses with our respectful letter of 20 July last, § 176. On the same day, subject to the approval of Your High Mightinesses, we made a final disposition thereon, and, in order to avoid excessive prolixity, we request permission humbly to refer to the resolution adopted by us thereon, a copy of which is enclosed herewith. Your High Mightinesses will see therefrom that Commander Sluijsken has not only failed to prove the accusations repeatedly brought against the aforementioned van Angelbeek, but that he has not even taken the trouble properly to investigate a single one of them, and that, on the contrary, the said van Angelbeek has refuted all of them one by one on very plausible grounds, and in addition has demonstrated from the aforesaid letter of the Commander himself that he imputed palpable untruths to him, which, what is more, he himself knew to be untruths when he wrote this letter. We have therefore conscientiously deemed it necessary fully to acquit the Senior Merchant van Angelbeek of all the accusations brought against him by Commander Sluijsken, as we have done, and we respectfully trust that Your High Mightinesses will not only fully approve this our disposition, but also correct the Commander for his culpable conduct in this matter according to his deserts, and compel him to give proper satisfaction to the Senior Merchant van Angelbeek regarding the aforesaid matter. That Commander Sluijsken has also lost sight quite considerably of the respect and deference owed to us has already been noted by Your High Mightinesses yourselves in your very respected secret missive of 24 June last, § 14. Had it happened only once or twice, we would, rather than troubling Your High Mightinesses with complaints, have passed it over in silence; but it appears that Sluijsken, especially since he has been Commander of Galle, has made it his aim to vex the first-signatory Governor through continual chicanery, insolence, and conduct.
Dutch transcription
302 g'eerde aanbeveeling, Tot heer toe is er zeer wijnig gedaan dat kan geagt worden te sterken tot eenige nieuwe last voor de komp:e, alleen hoopen, we dat uwe Hoog Edelheeden gunstig zullen inschikken, dat we ingevolge en over eenkomstig met het geen deze Heeren hebben noodiggeagt, op koloms hebben doen bouwen de kruitmoolen door Hen Hoog Edele gestr: als noodzaakelijkheid voor„ gesteld en waar van breeder verslag gedaen word bij onze generaale beschrijving die met deezen te gelyk afgaat. we hebben te meer gemeend tot dit besluit te moeten treeden om de wille van de kandeasche onlusten. on „ze gewoone kruit moole hem doorgaan maar eenige wijnige maanden in het Jaar maalen door gebrek aan waater voorleeden jaar heeft ze om zoo te spreeken geheel moeten stil staan, en we westen niet in hoe verre uw Hoog Edelheeden ons van Batavia van het noodige kruijt zouden kunnen voorzien. Vreemde Natien. De Trinkonomale zijn eenige wijnige Engelsche oorlog scheepen of faegatten in den loop van dit Jaar geweest uit Hoofde van hooge noodzaakelijkheid Te kolombo is alleen voor omtrent 24: uuren op de Reede geweest het frans konings fregat de Resolutie. op zijn aanbeoding om te zullen -salueeren, is de officier die daar toe aan de wal kwam aangezegt, dat voor het saluit met gelijke schooten zoude worden bedankt van slands Brik van oorlog de vlieg, toen leggende op de kolombosche reede zijl vaardig na Tutukorijn. Deeze officier ging met dit antwoord na boord, zonder daar teegen eenige objektien te maeken. het frans fregat salueerde nogtans dien dag niet Het deed het eerst 'franderen drags 'smorgens, na dat 'slands Brik van de Reede vertooscken was van De 303 De gouverneur liet dit saluut onbeantwoord. kort daarop kwam een officier aan dewal met een kompliment van den kapitain, dat hij dagte dat aan den gouverneur geen rapport zoude zijn gedaan dat het fregat het kasteel hadde gesalueerd, waarop de gouverneur hem heeft g'antwoord dat er wel rapport gedaan was dat het fregat had de geschooten, dog dat hij het saluut gis ter ver„ wagt hebbende, dit schieten daar omte minder voor een salut genoomen, dat wijl nogtans de kapitain nu lief, weeten dat het een salut was, voor het kasteel, Wij ordre zoude geeven om met gelijke schooten daar voor te bedanken, zoo als is geschied en is daar op het voorsz: fregat aemstond onder zijl gegaan De Dienaeren Wij hebben den 31: oktober J: L: nader gedelibee„ „reerd over het geheim rapport van den kommandeur sluijsken van den 31:e aug:s 1792 als meede over zijn zeedert ontvangene sekreeten brief van den 20: oktober daar aan en over het verweer schrift vanden opperkoop„ man en Dessave van Mature van Angelbeek op en teegens het geen nopens hem bij voorsz: geheim rapport en sekreeten brief voor komt, dat wij bereets de eere gehad hebben, bij onze eerbiedigen brief van den 20: Julij J:o L: § 176. aan uwe Hoog Edelheeden toe te zenden. Ten zelven dage hebben wij de approbaatsie van uwe Hoog edelheeden, daar op finaal gedispo„ „neerd, en verzoeken verlof, ter vermeidering van al te groote wijdhoopigheid, ons aan onze daar op genoomene resolutie, die in kopij heer„ neevens gaat, nedrig te mogen gedraegen. uw Hoog Edelheeden zullen daar bij zien, dat de kommandeur sluijsken de beschuldigingen, bij herhaaling tegens voorm: van Angelbeek uit gebragt niet alleen niet heeft beweezen, kommandear maar le 304 maar dat hij zelfs de moeite niet genoomen heeft, om een enkelde daar van behoorlijk te onderzoeken, en dat daar en teegen gem: van Angelbeek alleen dezelven stuk voor stuk op zeer aanneemlijke gronden heeft wederlegd, en daar bij uit de voorsz: brief van den kommandeur zelve aangeweezen dat hij hem tastbaare onwaarheeden heeft te laste gelegt, die hij wat meer is, zelve west dat onwaarheeden waaren, toen hij deezen brief schreef: Wij hebben daarom in gemoede gemeend, den opperkoopman van Angelbeek volkoomen te moeten vrijspreeken van alle de doorden kommandeur sluijsken tegens hem uit„ gebragte beschuldigingen, gelijk wij hebben gedaen, en wij vertrouwen eerbiedig dat uw Hoogedelheeden niet alleen deeze onze dispo„ sietsie ten vollen zullen approbeeren, maar ook den kommandeur over zijne in dezen gehoudene strafwaardige handel wij ze meer verdienst korrigeeren, en konstringeeren zullen om aan den opperkoopman van Angelbeek ter zaake voorsz behoorlijke satis faktsie te geeven. Dat kommandeur sluijsken ook tegen ons vrij wat verre uit het oog realooren heeft den eerbied en de bescheidenheid, aan ons verschuldigd, is door uwe Hoog Edelheed„ zelve reeds aangemerkt, bij Hoogst der„ zelver zeer gerespecteerde sekreete missive van den 24: Junij Jongstleeden 514: waare het echter slegts een of twee maal gebouwt zoo zouden wij, liever dan uw Hoog edelheeden met klagen tevermoeijlijken, zulx met stil swijgen gepasseerd hebben, doch het schijnt dat sluijsker in zonderheid zeedert dat wij kommandeur van Gale is, het daar op heeft toegelegd om den eerst getee„ kenden Gouverneur door geduurige chicanes„ gehoudene insolentien :
English
705 insolences and insults make life rather weary, and in this he continually proceeds with an insolence for which we are assured that until now no examples have been found in any government, except that the Governor, at the session of 31 October of the previous year, when the defense of the Senior Merchant van Angelbeek was deliberated upon, and thus the secret Galle letter of 20 October 1790 also had to come under deliberation, in which the first subscriber was insulted and treated in an unheard-of manner, reserved the right to explain himself further on this matter in a separate demonstration of the insolent conduct of the repeatedly mentioned Commander. He finds himself compelled to do this now, and at the same time respectfully to claim the protection of Your High Excellencies against such scorn and mistreatment; and although he very easily understands that such a representation cannot be at all pleasant to Your High Excellencies, he nevertheless very respectfully hopes that Your High Excellencies will not blame him for the unpleasantness necessarily accompanying such a reading, but rather the person who has virtually forced him to it, all the more because not only his reasonable personal satisfaction, but also the welfare of the government and the master's service require that a Governor be maintained in his office, honor, and dignity against willful insults from his subordinates. We begin then reasonably with the case which in particular moved the Governor to this step, or rather to the above-mentioned reservation, this being the case of the Moor Segoe. 306 It had been written to him up to two times that the Governor had summoned this Moor under arrest to Colombo. He thus knew that the Disava van Angelbeek had done nothing in this matter other than obey an order which he was not permitted to leave unexecuted, and nevertheless he did not hesitate, on this question, by letter of 17 September 1790, section 2, wherein the insult done to him about which he complained consisted, to grieve anew over this case with these words: was it not a bitter humiliation for me that the Moor Segoe, whom I had caused to be detained at Ambalangoda because he was transported past this fortress by force without my prior knowledge, had to be transported further to Colombo? And as if this great indiscretion were not yet enough, he proceeds at the end of this same letter to request, notwithstanding he knew, as has already been pointed out here above, that the Moor Segoe had been arrested by order of the Governor and sent to Colombo, that the questions regarding this Moor appearing at the end of his secret report might be brought one by one for the deliberation of the Ceylon Government, namely: whether the Senior Merchant van Angelbeek or someone else arrested the Moor Segoe. On what basis this Moor was arrested. Why no notification of the arrest of this Moor, who was an inhabitant of Galle and thus did not belong under the Matara jurisdiction, was given to him, the Commander, or to the Galle Council. 307 Why this Moor was sent to Colombo, and no notification of this dispatch reached him. What statements this Moor made at Colombo. On what basis this Moor was released again. Commander Sluysken thus requests nothing less in his aforesaid letter than that the Governor, upon his request, should be interrogated on articles in our assembly, and furthermore adds thereto the impertinent request that the resolutions to be made thereon might be sent to him, as he most pleasantly imagined that he would obtain a reasonable satisfaction. Commander Sluysken, who knew this beforehand, or at least ought to have known it, has nonetheless dared to permit himself this impertinent reply and these insults directed straight at the Governor. No less scornful is the following. In the secret report, section 84, the Commander had appealed to a spy, and added thereto that he would not gladly [illegible] That it is nothing new or unusual that the Governors of Ceylon, whenever they see fit, whether alone or together with the Council, issue direct orders to Matara, is proved by a multitude of cases, or one hundred twenty-six examples, which we have had extracted merely from the period of the gentlemen Schreuder, van Eck, and Falck for the consideration of Your High Excellencies, and which are transmitted among the appendices.
Dutch transcription
705 insolentien en insultes het leeven better moede temaaken en hier in gaat hij ge staadig voort met een insolentie, waar wij verzeekerd zijn, dat tot nu toe ingee„ gouvernement voorbeelden gevonden zijn, halven de gouverneur ter sessie van den 31: oktober JZ: toen over de verantwoording den opper koopman van Angelbeek gedelibere wierd en dus ook ter deliberaatsie moest koomen de sekreete Gaalsche brief vanden 20: oktober 1790: waar bij de eerst geteekend op een ongehoorde wijze geinsulteerd en gehoord is, aan zich gereserveerd heeft, om zich daar over bij een aparte aanwijzing van het insolente gedrag van meermelte kom„ „mandeur nader te verklaaren. Hijrind zich genootzaakt dit thans te doen, en tevens de maintenue van uw Hoog edelheed teegens zulke hoon en mishandeling eerbie„ dig te reklameeren, en of schoon hij zeer ligt begrijpt, dat zulk een vertoog uw HoogeEdelheeden gansch niet aangenaeam kan zijn, zoo hoopt hij echter zeer eerbie„ „dig, dat Hoogst dezelven de verdriete„ „lijkheeden, die met zulk eene lectura noodzaakelijk gepaard gaan niet aan hem zullen wijten, maar wel aan de geene, die hem daar toe als genoodzaakt heeft, temeer wijl niet alleen zijne bellijke personeele satisfactie maar ook het wel„ zijn van het gouvernement en 'smees„ „ters dienst vereischen dat een gouvernaer in zijn ampt eere en waardigheid tegen moetwillige in sieltes van zijne onder„ hoorigen gemaintineerd worde. Wij beginnen dan billijk niet het geval, het welk den gouverneur inzonderheid tot deezen stap of liever tot de boven gemelde reser„ ratie, bewoogen heeft zijnde zulx het geval van den Moor Segoe ligt Jol 306 Tot twee maalen toe was hem aangeschreeven, dat de gouverneur deezen moor in arrest hee ontboden naar kolombo. Hij wist dus, dat de Dessaven van Angjes „beek daar in niets had gedaen, dan op te volgen eene order, die hij niet mogte onuit gevoerd laaten, en nochtens heeft hij zich niet ontzie, op deeze vraage, bij brie van den 17: September 1790: §Z:, waarin bestond de hem aangedaane hoon, waar over hij klaagde, over dit geval opnieuw te doleeren, met deeze woorden. was het geen bittere verklijning voor mij dat de moor segoe, dien ik, om dat hij zonder mijn voorkennis deeze vesting met geweld voor bij getrans= porteerd wierd, te Amblan godde hed laaten aanhouden, verder naar kolombo moest getransporteerd worden En of deeze groote onbescheiden hed nog niet genorg of de opperkoopman van Angelbeek dan wel anders wee den moorsegoe„ gearresteerd heeft. op welk fundament deezze moor gearresteerd is. waarom van hem kommandeur of aan den Gaalphen Raad van het arresteeren van deezen moor, die een was, gaat hij aan het einde van deeze zelfden brief voort, met te verzoeken niet teegenstaende hij wist, zoo als dat hier boven reets aangeweezen is dat de Moorsegoe ter order van den Gouverneur was gearresteerd, en naar kolombo ge„ zonden, dat een voor een ter deliberatie van de Ceilonsche Regeering mogte worden gebragt onder anderen de vraegen dee noopens deezen moor voorkoomen aan„ het endt van zijn geheim rapport, te„ weeten was inwooner 307 inwooner van Gale is, en dus niet ond de Materesche Junischiktie gehoord; ge kennis gegeeven is. waarom dieze moor naar kolombe is gezonden, en hem van deze zending geen aanschrijving toegekoomen is welke verklaaringen die ze moor te ko „lombo gedaan heeft. op welke fundament deeze moor wederom ontslaagen is. De kommandeur sluijsken verzoek dud niet minder bij voorm:e zijnen brief dan dat de gouverneur ter zijner reque sie in onze vergaedering zoude worden op artikelen gehoord, en voegd vervolg noch daar bij het impertinent verzoek dat de daar op tevallene besluiten hem mogten worden toegezonden wijl hij zich op het aangenaamste voorstelde, eene bil„ „lijke voldoening te zullen erlangen. De kommandeur sluijsken die dit eerst, often minsten had behooren teweeten, heeft zich des niet temin dit impertinent antwoord, en deeze insultes direkt op den Gouverneur gericht durven permitteeren Niet minder hoonende is het volgende. Bij het geheim rapport §84. had de komman„ deur zich beroepen op een spion, en 'er bijge voegd, dat hij den zelven niet gaarne aan Dat het niets nieuws noch ongewoons is, dat de Gouverneurs van Ceilon, wanneer zij zir het goedvinden, het zij alleen of met den Raad te zaemen, direkte beveelen stellen naar Mature, bewijzen een menigte van gevallen, of honderd ses en twintig voorbeelden die wij alleen uit het tijd bestek van de Heeren schreeder, van wek en Falck tot spekulatie van uw Hoog edelheeden hebben laaten uit„ „trekken, en welke onder de bijlaagen over„ „gaan Dat eenig
English
not wishing to expose nor being able in fairness to expose to any danger, as he had experienced on another occasion, he therefore requested to be excused from naming him. Regarding this, an explanation was requested from him in our letter of 17 September, and in his marginal reply, paragraph 15, he permits himself the following insolent language. Since the Moor Segoe, after Your Right Honourable, Right Respected had been well informed that he had been sent out by me as a spy, was nonetheless transported bound and tied to Colombo and put into prison: thus I certainly had to fear that this might also happen to a second of my spies, and it is for that reason that I requested not to name his name, since I have guaranteed this man against all bad consequences. In such a malicious manner, the Commander seeks to reproach the Governor for having the Moor Segoe arrested because he was his spy, and attaches the blame to the Governor as if those who served him as a spy were mistreated by the Governor. The Moor Segoe was arrested on the Governor's order because in the beginning of the disturbances he was wandering around at Mature and thereby made himself suspicious, and by no means because he was a spy of the Commander, which he did not know, nor could know, since the pretext of the Commander that this Segoe, when he was arrested, had been sent by him to Mature as a spy, is contradicted and finally denied by this Moor himself in his declaration of 26 June 1790, saying in substance: That the Lord Commander had ordered him on 17 April 1790 to go to Mature and inquire about the mutineers, that he had departed that same day and returned because the bridge at Polwat had been broken down and the rebellious people were assembled at Dennepettie, of which he had made a report the following day to the Lord Commander. But that when he went to Mature the last time and was arrested there, he had received no order from anyone, but had only gone to fetch his sister. Anyone easily sees the insult in this, and that contained within it lies the accusation that the Governor had the Moor Segoe seized because he was a spy of the Commander, and that he would deal likewise with all other spies of him, the Commander. And lest anyone should still doubt this, he even says this and that in the continuation of that marginal reply: It is hitherto unknown to me that the Moor Segoe was seized for any other reasons than that he was arrested as a spy in the Dissavony; if this occurred for any other reasons, then I would have wished to have known such, in which case my fear of naming a second spy would have found no place. We have already indicated above that the Commander Sluijsken, in his letters written together with the Council concerning Madoegodde Appoe and Fijbrandsz, has indulged in a multitude of very improper remarks. Regarding the incident with Fijbrandsz, we shall let another single example follow here for further demonstration of the Commander's far-reaching spitefulness. Fijbrandsz, in his report of 11 April of which mention was made above, had stated that the Commander, when he on his return journey from Mature was in Galle and at the house of the Commander, had taken him aside and added to him: that he should think nothing of what he, the Commander, had written to Colombo about Fijbrandsz, as his Honour had nothing against him and well knew that he had to execute his received orders, but he, the Commander, being unable to write of the conduct of the Government, had therefore written of the conduct of him, Fijbrandsz, in order to display beneath it the conduct of the Government. The Commander, to whom this report was sent as indicated above, and in order above all not to let any opportunity pass by in which his spitefulness could give free rein and attack the Governor in a disrespectful manner, adds to that letter: that from the report of Fijbrandsz, he has not dared to deny that conversation with Fijbrandsz. Apart from a lot of things irrelevant to this question, he answered thereto: that the former conversation with Fijbrandsz did not completely remain in his memory, and that, if he had known that it was Fijbrandsz's intention to convey his private conversations with him to the Governor, and that Fijbrandsz would dare to do so, as had now appeared, he would have kept notes of his sayings.
Dutch transcription
308 eenig gevaar willende noch met billijk„ heid mogende bloot stellen, gelijk hij bij andere geleegenheid ondervonden had, dus verzocht verschoont te moogen blijven van hem te noemen. Hier over werd hem bij onzen brief van den 17: september er plikaat„ sie gevraagd, en bij zijn marginaale omt„ „woord § 15. permitteerd bij zich de volgende insolente taal. wijl de moor segoe, na dat uwel Edele Gestr: Groot Achtb: wel onderricht was, dat hij door mij als spion uitge„ zonden was, noch gebonden en gevleu„ geld na kolombo getrensporteerd, en in de gevankenis gezet is: zoo moest ik zeeker vreezen, dat dit ook wel een tweede mijner spions kost overkoomen, en het is daarom, dat ik verzocht heb zijn naam niet te moogen noemen, wijl ik deezen man voor alle quaade gevolgen heb geguarandeerd. op zulk eene malicieuse wijze zoekt de kom= „mandeur de Gouverneur te verwijten, dat hij den moor segoe heeft doen arresteeren om dat hij zijn ppion was, en wrijft de gou„ verneur de blaame aan als of die geenen die hem als spion dienden door de gouverneur mishandeld wierden. De Moor segoe is op 't gouverneurs bevel gearresteerd, om dat hij in het begin van de onlusten te Ma„ „ture rond zworf, en zich daar door suspekt maakte, en geensins om dat hij een spion van den kommandeur was, het geen hij niet west, nooch weeten konden, wijl het voorgegven van den kommandeur dat deeze segoe, toen hij g'arresteerd wierd, door hem naar Matie„ „re als ppion gezonden was, door de zenmoor zelve bij zijn deklara toir van den 26:' Juni 1790: word teegengesprooken, en finaal ont„ „kent, zeggende in substantie. gevolgen Dat 309 Dat de Heer kommandeur hem den 17 A 1790. gelast had, na Mature tegaen, en na de muitelingen, te verneemen, dat hij dien zelven dag vertrokken, en wederom gekoomen was, wijl de brug bij Polwat afgebrooken, en het opvoerige volk te Den nepettie vergaderd was, waar van hij sanderen daags aan den Heer komman deur rapport gedaan had. Doch dat toen h de laatste maal na Mature gegaen, en daar ge arresteerd was, hij van niem and eenigen last ontvangen had, maar alleen gedaan was, om zijne zuster afte haalen. Een elk Liet ligt het hoonende daarvan, en dat daar in opgeslooten legt de beschuldiging dat de Gouverneur den moor segoe heeft laaten opvatten, om dat hij een spion van de kom„ mandeur was en dat hij eeven zoo met alle andere speons van hem kommandeur zoe We hebben hier booven reets aangeweezen dat de kommandeur sluijsken in zijne baie ven met den raad te zaamen geschreeven over Madoe god de appoe en Fijbrands zeg een mee„ nigte zeer onbetaamelijke aanmerkingen heeft veroorlooft. Nopens het voorgevallene met Fijbrands zullen we hier nog een enkeld staaltje laaten volgen ter verdere aanwij„ de omspringen. En of hier aan noch iemand mocht twijffelen, zoo zegt hij zelfs dit en dat het vervolg van dat marginaal antwoord. Mij is tot noch toe onbekend, dat de moor segoe om eenige andere reedenen, dan dat hij als spion in de Dessavonij gearres teerd is, opgevat is; Js dit om eenige an„ der reedenen geschied, dan wenschte ik wel zulx geweeten te hebben, wanneer mijne vaeeze om een tweeden spion te noemen geen plaats zoude gevonden de zing hebben. 310. zing van 'skommandeurs verregaande waevel„ „nwed. Fijbrands hadde bij zijn bericht vanden 11: April waar van hier boven gesprooken is gezegt dat de kommandeur toen wij op terug reize van Mature zig te gale en ten huize van den kommandeur bevond, hem apaat genoo„ nen en toe gevoegd had. dat hij niets moest denken, nopens het geen hij /: kommandeur:/ over / Fijbrandsz na kolombo geschreeven had, alzoo zijn achtb: niets tegen hem had en wel west, dat hij zijne ontvangene orders moest uit voeren, maar hij kommandeur niet kunnende schrijven het gedrag van de Regeering, daar om had geschreeven het gedrag van hem Fijbrands om daar onder het gedrag van de Regeering te vertoonen. De kommandeur aan wen dit bericht zoo als dat hier booven is aangeweezen gezonden is, En om voor als geene geleegentheid telaaten voor bij gaan, waar bij zijn wreevelmoedig„ heid den teugel kon vieren, en de Gouverneur op een oneerbiedige wijze aan te randen, laat hij bij dien brief volgen: dat men quit het rapport van Fijbrands heeft dat gesprek met Fijbrands niet durven ontkennen. Behalven een partij tot deeze questi niets doende dingen, heeft hij daar op geantwoord. dat hem de voorm konversaatsie met Sijbrands niet volkoomen meer oorstond, en dat, zoo hij geweeten had, dat het Fijbrands zijn voorneemen was, om zijne partikuliere gesprek„ „ken met hem aan den gouverneur overtebrengen, en dat Fijbrands zoo bestond, gelijk het nu gebleeken was„ hij van zijne gezegdens zoude aantee„ kening gehouden hebben. heeft zoude e el