VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3921

Coromandel / Ceylon · 753 pages · 203 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3921_0550 view scan ↗

English

Honor, as well as a prosperous journey to Gale. To which the commissioners replied with a counter-compliment, wishing that your Honor's deliberations and undertakings may be attended and crowned with the best success. Herewith ending this conference. Thus recorded at the Fortress Mature on the date and in the presence aforesaid. Below stood: Known to me, was signed P. A. Moor, secretarial clerk. Lower: Agrees, signed P. A. de Moor, secretarial clerk. Agrees: Cornelis Johannes Ide, sworn clerk. 438 Number 35. Number 22. The first undersigned Commander says in respectful reply to your Right Honorable, highly esteemed, much respected letter dated the 26th of this month, that to the best of his recollection, notice was given by him to Colombo of all incoming complaint olas, as well as of all further occurrences on the occasion of the recent revolt at Mature, as was also done regarding the ola in which complaint was made against Manamperie by the people of the Kandebaddepattoo, as soon as the translation, or that which was stated in the same, came to his knowledge, the first undersigned Commander. Extract of a letter dated 26 November 1791, written from Colombo to Gale: We send your Honor herewith seven copies of statements, gathered both at Mature and here, from which it appears that the complaint ola of the inhabitants of the Kandebaddepattoo against their then Head, Manamperie, was delivered to Commander Sluijsken about a month before the outbreak of the recent revolt in the Mature Dissavony; and as at that time no notice of this ola was given either to us or to the Mature Dissave, much less any copy sent, Commander Sluijsken must distinctly explain why he gave no notice of the receipt of this ola either to us or to Mature, in order that the complaints contained therein might be investigated immediately; why he detained the people mentioned in the above-mentioned statements who brought the ola to Gale for so long a time there, and what answer he gave them; with further orders to the Commander to clearly state regarding the remaining points appearing in those statements and pertaining hereto, what is known to him about them. Agrees. Extract of a letter dated 29 November 1791, written from Gale to Colombo: Number 21. The first undersigned Commander says in respectful reply to your Right Honorable, highly esteemed, much respected letter dated the 26th of this month, that to the best of his recollection, notice was given by him to Colombo of all incoming complaint olas, as well as of all further occurrences on the occasion of the recent revolt at Mature, as was also done regarding the ola in which complaint was made against Manamperie by the people of the Kandebaddepattoo, as soon as the translation, or that which was stated in the same, came to his knowledge, the first undersigned Commander. Had the Mudaliyar of this gate, son of the Maha Mudaliyar, who best could and should know the importance of the contents of this ola presented by him, given a detailed report thereof and pressed more strongly for the prompt translation thereof, the report thereof would certainly have been sent more promptly to Colombo and Mature, as has more frequently and always taken place in such cases. With respect to the contents of the transmitted statements, the first undersigned Commander trusts that the enclosed from our gate servants will sufficiently show how contradictory the contents of the mutually conflicting statements sent to us are. Wherefore the Commander further urgently requests not to be confronted any more with such self-contradicting and lying papers from base and common subjects, who are easily moved and persuaded by promises and threats to give false testimony. The first undersigned Commander requests this, as well on account of his distinguished character as for the trust that has been bestowed upon him therein, and to avoid all unpleasantnesses that such papers, if more should emerge, would cause both to your Right Honorable and to him, the first undersigned, and which could easily be sought and gathered together in greater numbers by the so heavily accused Maha Mudaliyar cum suis, who, being guilty in this matter, will attempt to make himself appear innocent by obtaining false statements and testimonies, just as such villainous tricks have frequently been practiced by the Maha Mudaliyar. All will develop, the first undersigned Commander trusts, appear most clearly, and be brought to light when the Bandara, as well as the Korale Mudaliyar and the Mohandiram Mandenaike, are given the opportunity to prove their accusations against the Maha Mudaliyar recorded under date of 21 December of last year and by resolution dated 9 November of the past year. Which the Commander respectfully believes he may say cannot but be in keeping with the interests of the Honorable Company. Agrees: Cornelis Johannes Ide, sworn clerk. 439 Number 37. 440. Today, 3 November 1791, appeared before me, Michiel Justinus Gratiaen, acting pro tempore secretary of police and justice of this Commandery of Gale, in the presence of the witnesses to be named hereafter, Don Balthazar Dias Abejesinge Siriwaardene, aged 33 years and of the Reformed religion, and [illegible] aged 65 years, interpreters at the gate of the Commander, the honorable Commander of Gale, who declare under solemn affirmation that they well remember and recall that for the Mature Dissavony [illegible].

Dutch transcription

E: tevens een voorspoedige Rijze naar Gale. Her welk de heeren kommissarissen met een tegens pliment beantwoorden onder toewensching dat Ed:s raadslagen en onderneemingen met de beste geningen mogen agtervolgd en bekend worden. Neemende hiermeede deze konferentie een einde Aldus aangetekend ter Fortresse Mature dat en in Presentie voorsz: /:onderstond:/ Mij bekend /:was geteekend/ P: A: moor geh: Tek:s /:Lager/ Akkord i /geteekend:/ P a deiWoorgehe Akkordeert Corns: Johanns: Pdé gezweklerk 438 No: 35 No. 22. Den eerstgeteekende Commandeur zegd in eerbie„ „dig andwoord op uwel Ed: gest: groot achtbaare veel gerespecteerde letteren in dato 26: deezer dat naar best onthoud door hem van alle 437 wel als van Extract Missive de dato 26. ' No ter geleegend„ vember Ao 1791. van Kolombo na Cature naar gelijk meede Gale gesz: Wij zenden UE: hiernevens zeven stuks kopij verkla„ tegens Mannom„ pattoe geklaagd „ringen, zoo te Nature als hier ingewonnen, nstatie, of uijt dewelke komt te blijken, dat de Klagt stond, hem Ola van de ingezetenen van de Kandebadde„ „patto tegen hun toenmalig Hoofd, Manamperie, jas ter ken„ min of meer een maand voor het uijtbreeken Loon van de van de Jongste revolte in de Maturesche Dessavonie aan den Heer Kommandeur Sluijs„ t' der inhoud ne ola, konde „ken besteld is geworden, en alzoo van deeze ola aan ons nog aan den Materesen Dessave dvoerig berigt ter dier tijd geen kennis is gegeeven, veel min vertaaling 't berigt daar eenig kopij toegezonden, zoo moet de Heer Kommandeur Sluijsken distinktelijk opgee 60 en Mature zulke gevallen „ven, waarom hij van den ontvangst van deze rd. ola nog aan ons nog na Mature geen kennis zondene ver„ rgeteekende van onze por„ Extract missive de dato 29:e November 1791. van Gale na kolombo geschreeven gegeeven No. 21. „ta gegeeven heeft, ten einde de Klagten daar vervat, ten eersten konde worden onderzogt waarom hij de luiden bij de bovengem: ver „klaringen vermeld die de ola te Gale hebb aangebragt zoo lange aldaar heeft opgeho „den, en wat bescheid hij hun gegeeven hee„ met verdere last aan den Heer Kommanda om nopens de overige pointen en hiar toe bekeende bij die verklaringen voorkoomend en hier toe behoorende duijdelijk optegeeven, wat hem daar van bekent is. Accordeert. Den eerst geteekende Commandeur zegd in eerbie„ „dig andwoord op uwel Ed: gest: groot achtbaare veel gerespecteerde letteren in dato 26: deezer dat naar best onthoud door hem van alle aangekoomene klagt olassen, zoo wel als van al het verdere voorgevallene ter geleegend„ „heid der laatste Revolte op Mature naar Colombo is kennis gegeeven, gelijk meede betrekkelijk de ola waar bij tegens Mannom „peri door die van de kandebaddepattoe geklaagd wierd, geschied is, zoo dra de translatie, of het geene bij dezelve vermeld stond, hem eerst geteekende Commandeur was ter ken„ „nisse gekoomen. Mad de Modliaar deezer porta, zoon van de Mahamodliaar, die best het gewigt der inhoud van deeze door hem aangeboodene ola, konde en moeste weeten, daar van breedvoerig berigt gedaan, en sterker op de spoedige vertaaling van dien aangedrongen, zoude het berigt daar van zeeker spoediger naar Colombo en Mature kunnen verzonden zijn gelijk in zulke gevallen meerder en altoos heeft plaats gehad. Ten opzigte van den inhoud der overgezondene ver„ „klaaringen, vertrouwd den eerst ondergeteekende Commandeur, dat de nevensgaande van onze por„ Extract missive de dato 29:e November 1791: van Gale na kolombo geschreeven Corns: Johanns: Idé gezeeklerk „ta No. 35 No. 22. „ta bediendens genoegzaam zal toonen hoe Con „dictoir den inhoud der ons toegezondene elkan „ren tegenspreekende verklaaringen zijn. Term hij Commandeur verders instantelijk verzoekt meer geconfronteerd te worden teegens dergelijk zig zelve Contradicteerende en leugenachtige p „pieren, van slegte en gemeene subjecten die ligtelijk door beloftens en drijgementen zigt het geeven van valsche getuigenissen laten be „weegen en overhaalen. Den eerstgeteekende Co „mandeur verzoekt zulks, zoo wel uit hoofd van zijn aanzienlijk caracter, als om het vertrouwen dat hem daar in is toegedeeld en ov alle onaangenaamheeden te ontgaan die dier „lijke papieren, zoo 'er meerder voortkwaamen, zo wel aan uwwel Ed: gest: groot achtb: als hem eert geteekende zoude veroorzaaken en welke na al ligtelijk meerder zoude kunnen te zaame gezogt en geraapt worden, door den zoo sterk „schuldigde Mahamodliaar Cum suis, die zoo in deeze schuldig is, zal tragten zig voor ons „dig te doen aanmerken, door inwinninge van val „sche verklaaringen en getuigenissen, gelijk meermaalen door den Mahamodliaar, diergelijk fielte streeken, zijn gepractiseerd geworden. Alles vertrouwd den Eerst ondergeteekenden Comme „deur, zal zig ontwikkelen, ten duidelijksEen bli „ken en aan den dag gesteld worden, wanneer den „kende Bandare als meede de Corl modliaar „wis en de mohandiram Mandenaike, geleegend Accordeerd. word gegeeven, hunne beschuldigingen tegens den Mahamodliaar bij aanteekening in dato 21: xber: J:o Leeden en bij resolutie in dato den 9: Novem„ „ber anno passato te bewijzen. Het welk hij Com„ „mandeur met eerbied vermeend te moogen zeg„ „gen, niet dan met de belangens der Ed: Maat„ „schappij strookende is gezeeklerk Corns. Johianns Idé word 439 No. 37 440 Maas Heden den 3. November 1791. Kompareerde voor mij Michiel Justinus Gratiaen poom terum fungeerenden sekretaris van politie en Justitie deeses Gaalsen kommandements ten bijweesen van de naar tenoemene getuigen Don Balthazar Dias Abejesinge Siriwaa „dene oud 33. Jaaren en Gereformeerd en p 65. Jaeren tolken de laatste in de rta van den kouman deua welEdelen ken Nom„ van Gale, vaarachtig wel voorstaat en voor de de maturee Moensier allewie Jaaroegei Poentje

NL-HaNA_1.04.02_3921_0555 view scan ↗

English

No. 37 440 Maas No. 36. Today, the 3 November 1791. Appeared before me, Michiel Justinus Gratiaen, acting pro tempore Secretary of Police and Justice of this Galle Commandment, in the presence of the witnesses to be named hereafter, Don Balthazar Dias Abejesinge Siriwaardene, 33 years of age and Reformed, and Aromaselen waitenaden, 65 years of age and heathen, both Mudaliyars and interpreters, the first in the Sinhalese and the latter in the Malabar languages at the port of the Honorable Commander of Galle. Who, at the requisition of the Honorable Peter Sluijtken, Commander of the city and lands of Gale, Matura Etc., declared the following to be true, namely: The first deponent: That he well recalls that fifteen or twenty days before the recent gathering in the Matura Dissavony, Goonbaddele Moensienge kangaany, moeletiene Mallewie kangaany, and Maarwele witaaroegei Poentje Appoe, all inhabitants of the kandepadde pattoe, together with several Sinhalese from the said pattoe, arriving at Gale, presented a complaint ola against the then overseer of the kandebaddepattoe, Manampe, to the Honorable Requirant. That His Honor had thereupon ordered the deponent to read that ola and to explain its contents to him; That the deponent then also did so, and indeed, after he had explained something of the complaints appearing in the said ola to the Honorable Requirant, His Honor had thereupon said that it was not necessary to read that ola further. That His Honor subsequently summoned the Secretariat interpreter, Simon de zelva, to him and handed over that ola to him, with orders to have it translated into Dutch immediately. That His Honor had then also ordered the deponent to instruct the aforesaid persons to remain at Gale until the ola should be translated. That 15 or 20 days thereafter, or on the evening before the Honorable Political Members van Schuler and de Vos departed on commission to Mature for the first time, the Honorable Requirant ordered the Deponent to tell the aforesaid three persons, who were then standing in front of the Commandment, that the aforementioned ola had been delivered into the hands of the said Honorable commissioned political members, and that they could therefore go to Mature together with them. That the deponent has since that time, and indeed up to the date hereof, not seen the aforesaid ola, nor has he heard anything whatsoever about it or its translation. The second deponent: That several days before the recent gathering in the Matura dissavony, four to five Sinhalese, whose names the deponent says he does not know, arriving from Mature, had handed an ola over to the first deponent in this matter. That the first deponent, having then presented the same to the Honorable Requirant, His Honor had ordered him, the first deponent, to read that ola and to explain its contents to His Honor. That the first deponent, having then also read that ola a little, His Honor had thereupon ordered him, the first deponent, to have the said ola translated at the Secretariat. That on that occasion the Deponent had not seen the Secretariat interpreter Simon de silva in the Commandment, and that the Deponent also knows nothing further whatsoever of the matter. Herewith the deponents ended their statement given, which they affirmed to contain the upright and pure truth, giving as reason for their knowledge as in the text, remaining prepared as such to confirm the attested further by oath. Thus declared in the city of Gale on the day and at the Secretariat aforesaid, and in the presence of the clerks Cornelis Arnoldus Prins and Johannes Hendrik van Hoven, who signed the minute hereof alongside the deponents and me, the secretary. Below stood: Which I certify. Was signed: M: J: Gratiaen, Sec. pro tem. Below stood: Agrees. Signed: M: I: Gratiaen, Sec. pro tem. Agrees, Corns: Johannes: Idé, sworn clerk. Examined. 41. 2 No: 38 843 Gale Wansberg To Mr. Peter Sluijsken, Commander there. Valiant, Prudent, Discreet: We have received Your Honor's letter of the 31 July together with Your Honor's secret report of that same day, containing an account of Your Honor's proceedings in the Matara Dessavonie. Also, by the first undersigned Governor, a separate letter received at the same time, written separately by Your Honor to His Honor on the 5 of this month, has been communicated in our meeting. Our resolutions upon Your Honor's aforesaid secret report we shall dispatch to Your Honor as soon as possible, and this is provisionally only in reply to that which appears in Your Honor's aforesaid separate letter and in Your Honor's secret report concerning very many native headmen in the Matara Dessavonie who appear to Your Honor, if not proved completely guilty, at least under the strongest suspicion

Dutch transcription

No. 37 440 Maas No. 36. Heden den 3 November 1791. Kompareerde voor mij Michiel Justinus Gratiaen poom „terem fungeerenden sekretaris van politie en Justitie deeses Gaalsen kommandements ten bijweesen van de naar tenoemene getuigen Don Balthazar Dias Abejesinge Siriwaa „dene oud 33. Jaaren en Gereformeerd en Aromaselen waitenaden oud 65. Jaeren en heiden beiden modliaars en tolken de eerste in de singaleesche en de laatste in de mallabaarsche taalen aan de porta van den Wel Edelen achtb: heer Gaalsche Komman deuâ Dewelken ter requisitie van den welEdelen achtbaaren Heer Peter Sluijtken Nom„ mandeur der stad en landen van Gale, Matura Etc: verklaarden waarachtig te zijn, het volgende teweeten De eerste attestant Dat 't hem wel voorstaat dat vijftien of twintig daegen voor de Jongste zaemen rotting in de maturee „sche desjavonij Goonbaddele Moensien„ „ge kangaan, moeletiene Mallewie kangaan en Maarwele witaaroegei Poentje gezi Nagezien 441 Maas Poentje. Appoe, alle inwoonders van de kan depadde pattoe met nog eenige singalee sen van gem: pattoe op Gale koomen de eene klacht ola tegen den toenmaeligen op zegte van de kandebaddepattoe Manampe die aan den welEdelen agtbaaren heer Requirant gepresenteerd hadden. Dat zijn welEdele achtb: daarop den attes„ tant bevoolen had om die ola te leesen en dies Jnhoud aan denzelven te ver„ staan te geeven; Dat toen de attestant ook zulks deede en wel na dat hij iets van de bij gedagte ola voorkoomende klagten aan den wel Edelen agtb: Heer requirant had te verstaan gegeeven zijn welEdele achtb: daarop gezegd had, dat het niet noodig was die ola verder te leesen. Dat zijn wel Ede le achtbaare vervolgens den tolk te sekretarij Simon de zelva bij zich ontbooden en hem die ola afgegeeven had, met last om die ten eersten in het Nederdints te laaten overzetten, Dat zijn welEdele achtbaare toen den attes„ tant ook gelast had om voorsz: persoo„ nen aantezeggen om zoo lang op Gale te blijven tot dat de ola zal zijn over„ gezet. Dat 15: of 20. daegen daar na of des avonds voor dat de E: politicque leeden van schuler en de vos voor de eerste mael in Commissie na Mature ver„ trokken zijn, de wel Edele agtbaere heer requirant den Attestant gelast heeft om aan voorsz: drie persoonen, die toen voor het kommandement stonder te zeggen dat voormelde ola aan even gemelde E: gecommitteerde politike leeden ter hand gesteld was en dat zij dus met hun E: te gelijk na Ma„ ture gaan kouden. Dat de attestant het zedert en wel tot dato deeses voorsz: ola niet gesien het noch Nagezien Maal noch ook iets hoegenaamds daar van op van dies Translaat vernoomen heeft. De tweede attestant dat eenige daegen voor de Jongste zaemen rotting in de matu„ „veesche dessavonij, vier a vijf singalee sen wier naemen de attestant zegd niet te weeten van Mature koomende eene ola aan den eersten attestant in deesen overgegeeven had. Dat de eerste attestant toen deselve aan den welEde„ len agtb: heer requerant aangeboode hebbende, zijn welEdele achtb: hem eersten attestant bevoolen had om die ola te leesen en dies inhoud aan zijn wel Edele achtb: te verstaan te geeven Dat de eerste attestant ook toen die ola een weinig geleesen hebbende, zijn welEdele achtb: daar op hem eersten attestant bevoolen had gedagte ola ter sekretarije te laeten translacteere Dat de Attestant bij die geleegenheid: de sehretarije tolk Simon de silva in het Commandement niet gezien had, en dat hem Attestant ook hoe genaamd niets verder van de zaek bekend is. Eindigende de attestanten hier meede huin„ ne gegeevene verklaering die zij betuig„ den te behielsen de opregte en zuivere waarheid geevende voor reeden van weetenschap als in den text over zulx bereid blijvende het geattesteerde na„ der met eede te bevestigen. Aldus verklaerde in de stad Gale ten daege en ter sekretarije voorsz: en ter presentie van de klerken Cor„ nelis Arnoldus Prins en Johan„ nes Hendrik van Hoven de mi„ nute deses nevens de attestanten en mij sekretaris hebben ondertee„ kend /:onderstond:/ 'T welk: Getuigd Dat /was /:was getekend:/ M: J: Gratiaen Promt sek: /:onderstond:/ akkordteert /:geteken M: I: Gratiaen pavint Sec: Accordeert Corns: Jolianns: Idé gezevklerk Maal Nagezien 41. 2 No: 38 843 Gale Wansberg Aan den Heer Peter Sluijsken kommandeur, aldaer Manhafte voorzienige Diskrete: We hebben ontvangen uE: brief van den 31. ' Julij nevens uE: geheim rapport van dien zelfden dag, houdende verslag van UE: verrigtingen in de Ma„ „teresche Dessavonie. ook is door den eerst on„ „dergeteekende Gouverneur in onse vergadering gekommuniceerd eene daar meede tegelijk „aparte ontvangene brief; door uE: aan zijn Ed: af„ „zonderlijk geschreeven den 5. ' deezer. onze besluijten op voorsz: uE: geheim rapport zullen we uE: ten eersten toeschikken, en is deze bij voorraad alleen in antwoord van het geene bij voorsz: uE: apparten brief en bij uE: geheim rapport voorkomt weegens zeer veel inlandse hoofden in de Materese Des„ „sewonie, die uE: voorkomen indien niet volkomen schuldig beweezen ten wijnigste onder de sterkste sufficie Maas Nagezien Nagezien

NL-HaNA_1.04.02_3921_0560 view scan ↗

English

464 suspicion lies, and regarding which you are of the opinion that the most cautious and strongest measures must be taken. We have deliberated maturely on this subject in our meeting, and decided, before determining anything in this regard, not only to ask beforehand, as is hereby done, your consideration regarding the measures that you deem necessary in this matter, but also how these could and should be put into effect in the most competent and cautious manner. If these chiefs, knowing that they cannot be considered to be included in the general pardon, are truly guilty of such crimes as are charged against them, it could lead them anew to criminal steps, when they know that those who are aware of the crimes they committed have already given an account thereof. The various people who have already deposed against them, as well as those who appear in this Disposition as having knowledge of the things related therein, will presumably make no great secret of it. That which is known to so many people, if indeed these depositions are true, is already no longer a secret. It would therefore be desirable that at least the principal of the accused chiefs could be removed from the Matara Dessavony in a suitable manner, in order meanwhile to be able to investigate the documents that lie to their charge. The native chiefs who we think, on the grounds of the received documents, should be removed from the Matara Dessavony the sooner the better, are in particular the Mudaliyars Tinnekoon, Goeneratne, and De Saram. To summon them directly to Colombo would, if they are truly guilty, arouse too great a suspicion in them. We have therefore decided to let it be made known to them in a confidential 445 manner that the Lord Governor desires to speak with them in person, and that it will therefore be pleasing to His Honour if they come to Colombo for a pleasure trip. You must therefore write in a secret letter to the Honourable Dessave Raket that when the aforesaid three Mudaliyars request His Honour to make a pleasure trip to Colombo, he may permit them to do so, unless there should be weighty reasons that made it initially necessary for them to remain a while longer in the Matara Dessavony, which must then be announced to them in a discreet manner, by way of a deferring answer, and of which notice must then be given to us at once. And as it is of the highest necessity, on account of the great weight of the matter, that proper evidence be gathered of everything that might lie to the charge of the aforesaid chiefs, we have furthermore decided to ask your considerations as to whether in your view there would be any objection to having judicial depositions gathered immediately under oath of secrecy, while these matters are still fresh in memory, with the tender of an oath; if so, in what according to your view those objections would consist, and if not, then to authorize you, as we authorize you hereby, to begin at once with the gathering of that evidence, whether at Galle or at Matara, provided that it is done before two members from the Galle Council of Justice and a sworn clerk. In this case, there must in the first place be gathered: 1. A deposition both from the bearer of the ola letter that is signed by twelve Sinhalese signatures, and from the people who have signed it, 446 in so far as they are known, or might yet become known. 2. A deposition from Don Dias Wieresinge Aetjele and from Don Diogoe Wikkreme, former Arachchi, who made the report under 30 July 1790 and signed it. 3. A deposition from Madoegodde Appu. Furthermore, you must also have depositions gathered from all the people who appear in the aforesaid ola letter, report, and statement of the secretary Van Albedijhl, containing the account given to him by Madoegoddege Appu; as also from all such persons who, during the perusal of the aforesaid documents, might yet be stated to have knowledge of these things. All those who are interrogated in the manner aforesaid must be instructed not only to answer truthfully to all that will be asked of them, but also that they must state all that might further be known to them concerning these things, whatever it may be or to whose charge it might be, and thus without distinction or respect of persons. To that end, copies must be handed to the Judicial Commission that will interrogate these people of the aforesaid translated ola letter signed with twelve Sinhalese signatures, of the report made by Don Dias Wieresinge Aetjele and Don Diogoe Jayewikkreme, and of the statement of the secretary Van Albedijhl, speaking of the narrative made to him by Madoegodde Appu; with orders to put the necessary questions from them to the deponents to clarify what is stated in these papers, and particularly the questions that we have deemed necessary to specify below, namely: To the twelve signatories of the ola letter: 1. How they know, and with what they can prove, that the unlawful assembly was instigated by the former Muhandiram and overseer of the Kandebodde

Dutch transcription

464 suspicie leggen, en waar omtrent uE: van begrip is, dat de voor zigtigste en sterkste maatregelen moeten worden genomen we hebben op dit onderwerp rijpelijk in onze ver„ gadering gedelibereerd, en beslooten om alvoorens. derweegens iets vast te stellen, voor af niet al„ „leen te vraagen, gelijk geschied bij deezen, uE: konsideratie nopens de maatregelen die uE: in deezen nodig oordeeld, maar ook hoedanig die op de bekwaamste en voorzigtigste wijze zoude kunnen en dienen te worden tewerk ge„ „steld. zoo deeze hoofden, weetende dat ze niet kunnen geagt worden te zijn begreepen in het generaal parb werkelijk schuldig zijn aan zulke misdaa„ „den, als hun worden ten laste gelegt, zoude het hun op nieuw kunnen brengen tot mis„ „dadige stappen, wanneer ze weeten dat zulke die hunne gepleegde misdaaden bekent zijn„ daar van bereeds opgave gedaan hebben De verscheidene luiden, die teegens hun bereeds hebben gedeponeert, zoo wel, als de geene die bij deeze Dispositie voorkomen als kennis daaa„ „gende van de dingen, die daar bij worden verhaeld, zullen daar van vermoedelijk geen groot geheim maaken Het geene dat aan zoo veele menschen bekent is, zoo anders deze depositien waer zijn is reeds geen geheim meer. Het waare dus wel te menschen, dat men ten minsten de voornaemste der beschuldigde hoofden op eene schikkelijke wijze uit de materesche Dessavonie konde verwijderen om intusschen de stukken die ten hunne laste leggen, te kunnen onderzoeken. De inlandse hoofden die we uit hoofde van de ont„ „vangene stukken denken; dat hoe eer zoo beeter uijt de Materesche Dessavonie dienen te worden verwijdert zijn inzonderheid de Modliaars Tinne„ „koon, goeneratne en de saraen om hun direkt te opontbieden na kolombo, zoude, zoo ze werkelijk schuldig zijn te groote agterdogt bij hun verwek„ „ken. we hebben daarom beslooten om hun op een hebben vertrouwelijke 445 vertrouwelijke wijze te doen bekent worden, dat de Heer Gouverneur verlangt hun in: perzoon te spreeken, en dat het zijn Edele mids dien wel gevallig zijn zal, dat ze voor een spangtogt na kolombo koomen. UE: moet derhalven bij een sekreete brief aan den E: Dessave Raket aanschrijven, om wanneer de voorsz: drie Modliaars zijn E: verzoeken, om een springtogt te doen na kolombo, hun dat temogen toestaan, ten zij er gewigtige ree„ „denen mogten zijn, die het voor eerst nood- „zaakelijk maakten, dat ze nog wat in de Maturesche Dessavonie blijven, het geen hun als dan op een beschijdener wijze, bij weege van een uitstellend antwoord, moet worden aangezegt, en moet ons als dan daar van ten eersten worden kennis gegeeven. En wijl het om het groot gewigt der zaake ten hoogsten nodig zij, dat van alles wat er mogte zijn ten laste van de voorsz: Hoofden, behoorlijk bewijzen worden ingewonnen, hebben we voorts nog beslooten UE: konsideratien tevraagen, of er na UE: inzien eenige bedenkelijkheid in zoude steeken, om daar van onder den eed van geheim houding, nu aanstonds en terwijl die zaaken nog in versgeheugen zijn te doen inwinnen geregtelijke verklaringen onder aanbieding van eede, zoo Ja, waer in die bedenkingen naer UE: inzien zouden bestaan, en zoo neen, als dan uE: te qualificeeren, gelijk we uE: qualificee„ „ven door deezen, om met 't inwinnen van die bewijzen ten eersten te doen beginnen, het zij te Gale of te Mature, mits dat het geschiet voor twee leeden uit den Gaalschen Raad van Justi„ „tie in een beamptschrijver. In dit geval moeten in de eerste plaats worden in„ „geevonnen 1. Een verklaring zoo wel van den brenger van de brief ola, die door twaalf singaleese handteeke„ „ningen is onderteekend, als van de luijden die ze bewijzen onderteekend 446 # Eene verklaaring van Don Dias Wieresinge Aebijele en van Don Deogoe wikkreme gew: Arraetje, die gedaen hebben het relas onder 30 Juli 1790. en onderteekend hebben, in zoo verre ze bekend zijn, of nog mogten bekend worden. 2. „ /3. Een verklaring van Madoegodde appoe. Voorts moet uE: ook verklaanigen doen inwin„ „nen van alle de luiden, die voorkomen bij de voorszz: brief ola, relaas en berigt van de se„ „kaetaris van Albedijhl, vervattende de opgeve door Madoegoddege appoe aan hem gedaan; als meede van alle zulke, die bij het beleggen van de voorsz: stukken nog mogten worden opgegeeven, van deze dingen kennis te hebben. Alle de geenen, die invoegen voorsz: worden verhoord, moet worden gerecommandeerd om niet alleen na waarheid te antwoorden op al het geene hun zal worden gevraagt, maer dat ze ook moeten opgeeven al wat hun verder aangaande deese dingen mogte zijn bekent; het zij wat of ten laste van wien het ook zoud mogen weesen, en dus zonder onderscheid of aanzien van perzoon Ten dien eijnde moeten aan de Justitieele Commissie, die deeze luijden zullen verhooren, worden ter hand gesteld Copijen van de voorsz: getransla„ „teerde brief ola met twaalf singaleese hand„ „teekeningen onderteekend, van het relaas door Don Dias wieresinge Aatjele en Don Diogoe Jajewikhaeme gedaan, en van 't berigt van den sekretaris van Albedijhl, sprekende van het verhaal door Madoegod de appoe aan hem gedaen; met last om daer uit de nodige vraagen aan de deposanten te doen, tot opheldering van het geen bij deeze papieren word opgegeeven, en wel inzonderheid de vragen, die we nodig geoordeeld hebben hier onder specialijk aan= „tewijzen namelijk: Aan de twaalf onderteekenaars van de brief ola 1. Hoe zij weeten, en waar meede zij bewijzen kunnen dat de zamenrotting is aangestigt, door den gew: Mohandiram en op ziender van de kandebad„ Ten „de

NL-HaNA_1.04.02_3921_0563 view scan ↗

English

447 of the pattu Ekenaike Amerekoon, and the former priest Nirelampeti arachchi. 2. Which people are they who mistreated the Mohandiram and head of the Kandebaddapattu Manamperie, because he made every effort to calm the gathered crowd and satisfy them. 3. How they know and can prove that the aforementioned Ekenaike Ammerekoon subsequently betook himself to the Mudaliyars Tinnekoon, de Saram, and Goeneratne, and came to an agreement with them. 4. To state clearly, regarding what the said Ekenaike Ammerekoon agreed with these three Mudaliyars? How they are informed of this agreement! And what proofs they can produce thereof. 5. Specially to name the lesser headmen to whom Ekenaike Ammerekoon announced that if the inhabitants undertook the expedition to Baddigirie, they would certainly all perish and be massacred, and who were persuaded by him under all kinds of fair promises to encourage the rebellious people, in order to make the uprising greater. 6. Whether Ekenaike Ammerekoon did this verbally or in writing? If verbally, on what occasion, at what place, and how the lesser headmen came together for that purpose? But if in writing, who currently holds this writing in custody. 7. What kind of a first report or complaint ola it is, regarding which they, the signers of the letter ola, say that it was drawn up by the said Mudaliyar himself and sent to them, the rebels? Who actually is the Mudaliyar who drew up this first report or complaint ola? By whom the same was brought to the rebels, and which persons signed the same. 8. Which arachchis and kangaans are they who were continuously 448 sent by the aforesaid Mudaliyars to the discontented, with verbal and written orders that enticed them to become more and more active? As well as with whom the aforesaid written orders currently rest. 9. Why Don Siman arachchi and Allekaparuma can testify thereof, and of many more other things, better than other people? And what those many more other things consist of, of which they say that these two persons could bring them to light if only they are summoned and questioned. 10. How they know that the letter ola which seemed to have been written by the Honorable Disava van Angelbeek to the Mudaliyar of the Gangabaddapattu De Saram, to bring up the people to Baddegama, was drawn up not by the said Honorable Disava, but by De Saram himself. What was the content of the other complaint or report ola, and of the sealed letter ola, which was also drawn up by De Saram and sent to Don Simon Arachchi along with the letter ola written in the name of the Honorable Disava? And with whom these three olas currently rest. 11. Which headmen are they who, during the presence of the discontented at Matara, by entertaining them well, kept them in their interests and persuaded them not to complain about them. To Don Dias Wieresinge Achchi, first informant in the report of the 30th of July, must be asked: 1. Which inhabitants of the Gangabaddapattu are they who requested him to draft the complaint ola of 26 articles of which he speaks in this report, and where the draft of the said complaint ola is. 2. To name the Mayorals and others who signed the said ola and sent the message to the absent lesser headmen 449 to come and sign that ola as well. 3. To state the names of the nine signers of the said ola whom the Korale Arachchi Don Joean Sammeresinge Dissenaike cum suis caused to be arrested, as well as the names of the three of the nine persons whom the said Arachchi cum suis caused to be punished. 4. When he, the informant, was released again from the prison where the aforementioned Korale Arachchi cum suis had caused him to be locked up, and when he arrived at Galle to complain about it; as well as why he did not lodge this complaint with the Honorable Disava of Matara. 5. From whom he learned that during the disturbances at Matara, the Mudaliyars of the said Disavany had had a continuous correspondence with the gathered mobs, that the letter olas were brought back and forth in the evening? As well as to name which Mudaliyars they are who had this correspondence, and who the people are who brought the letter olas back and forth. To Don Diogoe Jajewikkreme, second informant in the aforesaid report, must be asked: 1. Which inhabitants of the village Karregodde Uyangodde requested him to draft a complaint ola against the Mudaliyar De Saram. 2. What those complaints consisted of, and where the draft of this complaint ola is. 3. To state the name of the jaggery maker who made known to him that the Vidane of Attualie and some other people were coming down to arrest him for drafting the aforementioned ola. 4. Which people they are who, after he had evaded the aforesaid Vidane and his retinue by flight, upon his return to his native village,

Dutch transcription

447 „de pattoe bekenaike Amerekoon, en de gew. priester Nirelampeti arraatje. 2. welke luijden het zijn, die den Mohandiram en hoofd der kandebaddepattoe manamperie qua „lijk hebben behandeld, om dat hij alle moeit heeft aangewend, om de verzamelde menigte l bedaaren te brengen en te vreeden te stellen. 3. Hoe zij weeten en bewijzen kunnen, dat voorm Eer „naike Ammerekoon zig volgens bij de Modee „aars Tinnekoon, de Saram, en goeneratne ver„ „voegt heeft, en met hun overeengekomen is. 4. Duijdelijk optegeeven, waar omtrend gem: beke„ naike ammerekoon met deeze drie modliaars is overeengekomen ? hoe zij van deeze overeen- „komst onderrigt zijn! en welke bewijzen zij daar van kunnen produceeren. 5. specialijk te noemen de mindere Hoofden, aan wien Eekenaike Ammerekoon aangekon„ „digd heeft, dat indien de ingezetenen de togt na Baddigirie ondernaamen, zij zekerlijk alle zouden vergaan en vermeld worden, en die door hem onder allerhande schoone beloften zijn gepersuadeerd, om de rebellige volkeren te hebben aanmoedigen, om de opstand gooter te maaken. 6. of Eekenaike Ammerekoon dit mondeling of schriftelijk gedaan heeft? indien monde„ „ling, bij welke geleegentheid, op wat plaats en hoe de mindere hoofden ten dien eijnde bij den anderen zijn gekomen? dog indien schrifte„ „lijk, wie dit geschrift tans in bewaring heeft. 7. Wat het voor een eerste rapport of klagt ala is, waar van zij tekenaars den brief ola seggen, dat ze door gem: Modliaar zelve opgesteld en bij hun kerrelles gezonden is. ? wie eijgent= „lijk de Modliaar is, die deeze eerste rapport of klagt ola opgesteld heeft ? door wien de„ zelve aan de Keraelles toegebragt is, en welke perzoonen dezelve geteekend hebben. 8. Welke aaraatjes en kangaans het zijn, die ge„ alle „duurig 448 „duurig door voorsz: Modliaars aan de mis„ „noegden zijn gezonden, met mondelinge in schriftelijke orders, die hun verleiden om meer en meer aan de gang te geraaken? zo mede onder wien de voorsz: schriftelijke or„ „dres thans berusten. 9. Waarom Don Siman arraatje en Allekaper ma daar van, en van nog veel meer andere dingen, beeter dan andere luiden kunnen getuigen? en waar in bestaan die veel meer andere dingen, waar van ze zeggen, dat deeze twee menschen die voor den dag zouden hunne brengen, indien ze maar opgeroepen en onde „vraagt worden. 10. Hoe zij weeten dat de brief ola, die door E: gei Dessave van Angelbeek aan de modliaaas de gangebaddepattoe /:De saram :/ geschrewen scheen te zijn, om de volkeren na Baddegiae op tebrengen; niet door gem: E: Dessave, maar door de saaam zelve opgesteld is. wat de int wasa de andere klagt of rapport ola, en van de verzegelde brief ola, die meede door de saram opgesteld, en nevens de brief ala, die uijt naam van den E: Desseve was geschreeven, aan Don Simon Arraatje gezonden zijn. ? en onder wie deze drie olassen tans berusten. 11. welke hoofden het zijn, die de misnoegden bij hun aanweezen te Mature door ze wel te onthaalen, in hunne belangens gehouden en ver & hebben „leid„ om niet over hun te klaegen. Aan Don Dias wieresinge aatjele, eerste relatant bij het relaas van den 30. Julij, moet gevraagt worden 1. welke inwoonders van de gangebadde pattoe het zijn, die hem verzogt hebben om de klagt ola van 26. artikels, waar van hij bij dit relaas spreekt, optemaaken, en waar het klad van gem: klagt ola is. 2. optenoemen de Majoraals en anderen die gem: ola geteekend, en aan de afweezige mindere was Hoofden 44 hoofden de boodschap gezonden hebben, om ook die ola te komen teekenen 3. optegeeven de naamen van de negen teekenaers van gem: ola, die de koole aaraatje Don Joean sammeresinge Dissenaike C: s: heeft laaten op „vatten, zomeede de namen van de drie van op negen perzoonen, die gem: arraatje C: S: heeft laaten straffen. 4: wanneer hij relatant uit de tronk, waar voorm: korlaaraatje C: S: hem had laaten sluijten, weder ontslaegen is, en wanneer hij te Gale aangekomen is, om daar over te klaag zoo meede waarom hij deeze klagte niet heeft ingebragt bij den E: Maturese Dessave 5. van wien hij vernomen heeft, dat geduurend de onlusten te Mature, de Modliaaas van ge Dessavonij eene geduurige correspondentie m de tezaamen gerotte volkeren gehad hadden, dat de brief olassen des avonds over en wede gebragt waaren ? zo mede bij naame opten men, welke modliaaas het zijn, die dese Correspondentie gehad hebben, en wie de luij„ „den zijn die de brief olassen over en weder gebragt hebben. Aan Don Diogoe Jajewikkreme, tweede relatant bij voorsz: relaas, moet worden gevraagt 1. welke inwoonders van het doop karre godde oeJan„ „godde hem verzogt hebben, om eene klagt ola ten laste van den modliaar de saram te ver„ „vaardigen. 2. waar in die klagten bestaan hebben en waer het klad van deze klagt ola is. 3 optegeeven de naam van de Jagerero, die hem heeft bekend gemaakt, dat de vidaan van attoealie en eenige andere volkeren afkwa„ „men, om hem over het vervaardigen van voorm: ola optwatten 4. welke luijden het zijn, die na dat hij de voorsz: vidaan en zijn gevolg door die vlugt ontwee„ „ken was, bij zijne terug komst in zijn woondoop „men zig

NL-HaNA_1.04.02_3921_0566 view scan ↗

English

showed discontent toward him, scolded him, and threw stones at him. The following questions must be put to Madoegodde appoe: 1. Who it is that pressed all the inhabitants into service for the cinnamon and other plantations, and whether his statement that the inhabitants worked thereon without reward must be understood of those who served on the plantations of the Company, or rather of those who served on private plantations, and in both cases, if it is known to him, to name such plantations in which the inhabitants had to work without reward. 2. To name, if not all, at least one of such inhabitants who, having brought their grievances regarding excessive injustices before the Honorable Dessave, instead of obtaining justice, were moreover punished and whipped, and also, if it is known to him, to state the cases in which the Chiefs were always found to be in the right. 3. Who it actually is that wanted to send all the inhabitants to Baddegirie, and if the orders given for that purpose, whether orally or in writing, are known to him, to give a detailed account thereof, as well as who holds the written orders dispatched for that purpose in custody. 4. How he knows that the inhabitants had wanted to depart for Baddegirie, with the intention of starting a general insurrection there and forcing the Dessave to comply with their wishes; and which lesser chiefs they were who opposed this and instructed them to submit their complaints collectively before their departure for Baddegirie. 5. To state the names of the mudaliyars and chiefs at Mature to whom the aforesaid lesser chiefs gave notice of the state of mind of the people. 6. How he knows and can prove that these mudaliyars and chiefs thereupon let the aforesaid lesser chiefs know to just start the insurrection and accomplish the revolt, but above all not to begin with any trifle, but rather to bring about a general gathering. 7. Whether he can prove that the mudaliyars Tinnekoon and De Saram played the principal role in this. 8. Which other mudaliyars they are of whom he says that the messages sent by them into the country, just as by Tinnekoon and De Saram, most encouraged the inhabitants to carry through with the revolt. 9. To state the names of those who carried these messages back and forth, if the people are known to him, and if the messages were sent in writing, to state in whose custody those writings are. 10. To state how he knows and can prove that the mudaliyars De Saram and Goeneratne, having been sent into the country by the Honorable Dessave van Angelbeek to bring the discontented to a halt, stayed very quietly and peacefully in the house of the deceased Japa mudaliyar at Kaddoewe, and that there came to them Baaredouwe Cool arachchi of the Belligam-cool, Gobagodde Siribaddene arachchi of the Gangebaddepattoe, and Attoerlije Poentje vidane, who spoke in secret for a long time with the said two mudaliyars. 11. Whether he could also state, and moreover prove, what the subject was of the aforesaid secret conversation. 12. Which lesser chiefs they are to whom the mudaliyar De Saram said in confidence to make the gathering as large as possible and to persist with their complaints as strongly as possible; and which lesser chiefs they are from whom he, Madoegodde appoe, heard this. 13. How he knows that the mudaliyar De Saram conducted correspondence with the discontented; and whether he also knows to whom these letter olas were actually addressed and by whom, Indoeroegege Wedde, they were delivered. 14. From whom he learned that the mudaliyar De Saram wrote to Siribaddene arachchi and Poentje vidane that if he, Madoegodde appoe, made much fuss, to just shoot him through the head. 15. How he knows and can prove that the Colombo Maha Mudaliyar also, during his presence at Mature, had an understanding with the discontented peoples, and that he made use of the priest Welligamme Oenanse for that purpose. 16. To state the circumstances of this understanding, as far as they are known to him. 17. Who very strongly requested him, Madoegodde appoe, to direct the peoples of the Belligam-cool and the Gangebaddepattoe; and in what the injustices consist that, out of discontent, made him accept the direction over the aforesaid peoples. 18. How he knows that the mudaliyars De Saram and Tinnekoon are in an understanding with the Court of Kandy, and that they sent to ask the king for help. 19. To state the particulars thereof, namely regarding what and since when that understanding has taken place, what kind of help they requested, regarding what and against whom this help was requested, as well as by what means the understanding and the help were requested, namely by letters or oral messages, and finally who the bearers of these letters and messages were. 20.

Dutch transcription

450 zig op hem misnoegd betoond en hem uit„ „gescholden en met steenen gegooid hebben. Aan Madoegodde appoe moeten de volgende vaar „gen worden gedaan. 1. Wie het is, die de inwoonderen met alle man geprest heeft aan de kanneel en andere aanplan „tingen en of zijne opgave, dat de inwoonders daar aan zonder belooning hebben gewerkt, moeten verstaan worden van zulken, die in plantagien van de Comp: dienst gedaan heb „ben, dan wel van de geenen die in partike „liere plantagien hebben gediend, en in bei gevallen, zoo het hem bekend is, optenoemen zulke plantagien, waerin de ingezeetenenz der belooning hebben moeten werken 2. optenoemen indien niet alle, ten minsten een van zulke ingezeetenen, die hunne beswaar overtoenemende onregtvaardigheeden, bij den E: Dessave ingebragt hebbende, in steede van regt te erlangen, nog boven dien gestraft en geko „tijd zijn, en ook zoo het hem bekend is de gevallen optegeven, in welken de Hoofden altoos gelijk gekreegen hebben 3. wie het eigentlijk is die alle de inwoonderen na Baddegirie had willen zenden zoo hem bekend zijn de ordres die daar toe, het zij mon„ „deling dan wel schriftelijk, gegeven mogte zijn, daer van eene omstandige opgave te doen, zomeede wie de daar toe afgevaardigde schriftelijke ordres in bewaring heeft. 4. Hoe hij weet, dat de ingezeetenen na Baddegi„ „rie hadden willen vertrekken, met voornemens om aldaar een generaale opstand te maaken, en den Dessave te dwingen hun zinlijkheid te volgen? en welke mindere hoofden het zijn, die dit teegen gegaan en hun aangezegd heb„ „ben om voor hun vertrek na Baddiginie hunne klagten gemeenschaplijk intebrengen. 5. optegeeven de naamen van de modliaans en hoofden te Mature, aan wien de voorsz: mindere „tijd hoofden 451 hoofden van de gesteldheids des volks hebben kennis gegeeven. 6. Hoe hij weet en beweizen kan, dat deese Mod„ „liaars en hoofden daar op, aan de voorsz: min „der Hoofden hebben laaten weeten, om maer de opstand te maaken, en de revolle te volbren„ „gen, dog voor al met geen klijnigheid te begin „nen, maar wel eene generaale te samen rot„ „ting te bewerken. 7. of hij bewijzen kan dat de modliaans Tinne„ „koon en de saram de voornaamste rol hier bij gespeeld hebben. 8. welke overige modliaans het zijn, waar van hij zegt, dat de boodschappen door hun, even als door Tinnekoon en de saram, in het land gezonden, de ingezetenen wel het meest aang „moedigd hebben, om de revolte door tesetten. 9: optegeeven de namen van de geenen, die deze boodschappen over en weder gebragt hebben, „dien de luijden hem bekend zijn, en zoo de boodschappen schriftelijk zijn gezonden, opte„ geven onder wiens berusting die geschriften zijn. 14. optegeeven hoe hij weet en bewijzen kan, dat de modliaars de saaam en goeneratne, door den E: Dessave van Angelbeek in het land gezonden zijnde om de misnoegden tot stilstand te brengen zig heel stil en gerust in het huijs van den overleedene Japa modliaar te kaddoewe hebben opgehouden, en dat daer bij hun gekomen zijn Baaredouwe Cool arraetje van de Belligam- cool gobagodde siribaddene arraatje van de Gangebaddepattoe, en attoerlije poentje vi„ „daan, die een langen teijd in het geheim met ged: twee modliaars hadden aangesproken. „ of hy ook 11. „ welke zoude kunnen opgeeven, en daer en booven bewijzen, wat het onderwerp was, van voorsz: geheim gesprek 12. welke mindere hoofden het zijn, aan de wel„ ken de modliaar de saram in vertrouwen gezegt heeft, om de samenrotting maar zoo groot boodschappen als 452 als mogelijk te maaken en met haere klagten op het sterkte aantehouden. en welke mindere hoofden 't zijn van wien hij Madoegodde appoe die verstaan heeft 13. Hoe hij weet dat de Modeliaar de saaam met de misnoegden brief wisseling gehouden heeft ? en of hij ook weet aan wien eigentlijk deese brief olassen gerigt, en door Indoeroegege wedde be„ „steld zijn. 14. van wien hij vernomen heeft, dat de modliaer de saram aan sivibaddene aaraatje en Poentjes vidaan geschreeven heeft om zoo hij Madoegoo„ „dege appoe veel spel maakte, hem maer voor de kop te schieten. 15. Hoe hij weet en bewijzen kan, dat ook de kolombose Mahamodliaar bij zijn aanwezen te Mature een verstandhouding met de mis„ „noegde volkeren gehad heeft, en dat hij zig daar toe bediend heeft van de priester wel „ligamme oenanse. 16. optegeven de omstandigheeden van deze ver„ „standhouding, voor zoo verre hem die bekend zijn. 17. Wie hem madoegodde appoe seer sterk verzogt heeft, om dog de volkeren van de belligamcaal en de gangebaddepattoe te bestieren ? en waar in de onregtvaardigheeden bestaan die heen uit misnoegheid, het bestier over de voorsz: volkeven hebben doen aanvaarden .18. Hoe hij weet dat de Modliaaas de Saram en Tinne„ koon met het Hof van kandia in verstand„ „houding zijn, en dat ze aan de koning om hulp hebben laeten verzoeken. 19. optegeven de bezonderheden daar van, namelijk waar over en zedert wanneer die verstand houding plaats heeft ? hoedanige hulp, zij verzogt hebben. en waar over en tegen wien deze hulp verzogt is zo meede door welke middelen de verstand hou„ „ding en de hulp verzogt is, teweten door brieven of mondelinge boodschappen en eindelijk wie de brengers dezer brieven en boodschappen zijn. 16 20

NL-HaNA_1.04.02_3921_0569 view scan ↗

English

20. Why Pointje Appoehamie and several others have been as envoys to the Court of Kandia; who sent them thither; whether they also had any letter-olas to deliver; by whom these olas were written and signed, and in whose possession the drafts thereof remain. 21. By whom the answer from the Kandian Court was brought, whereby the discontented were encouraged to proceed, and that if they obtained no justice from the Company, they would receive speedy help and assistance from the Court. 22. To whom this answer was delivered; whether the same occurred verbally or in writing, and if in writing, in whose custody it now is. 23. Why he, in his letter to Don Simon Aratchy and to Rajepakse Dissanaike to exhort them to submission, adduced among other things as a motive that the Dessave was away. 24. Which Mudaliyars they are who have always taken care to prolong the uprising, and who for that purpose have secretly caused it to be made known to the people that four Dessaves of Kandia would come down and bring many people with them to free them from the Company and all obligations. 25. By whom these secret messages were brought to the people. 26. Which chiefs of the insurgents, during the conspiracy, went by night and unseasonable hours to the Mudaliyars Sinnekoon and De Saram and others to receive orders on how one ought to behave, and who these others whom he does not name actually are. 27. To explain clearly what he means by his statement that the dismissed chiefs residing in Galle ought to have been removed from the way because they did not belong to the family. 28. What proof he has for his statement that De Saram was the most malicious person and instigator who had brought much evil upon the people, and wherein this evil consists. 29. How he can prove that the Mudaliyar Goeneratne carried out many commissions among the insurgents to sustain the rebellion. 30. Whether he intended to indicate anything particular with his statement that the aforesaid Baredoewe Kool Aratchy was in Galle these days, and now and then visited the Porta Mudaliyar Don Balthazar Dias; and if so, to explain the same clearly. 31. Who told him that this Baredoewe Korle Aratchy presented thirty amunams of paddy to the Colombo Maha Mudaliyar Dias for Diwitoere. The proofs, olas, etc., which the deponents state to be in their own custody or in that of others, must be demanded from them, and the witnesses to whom they might appeal to prove their statements must also be summoned and interrogated thereupon. The old custom, which has been in disuse for some time and was among other things prescribed by letter of the 24th of October 1757, that the native chiefs must appear here in person to request their absolute confirmation from us, we shall cause to be reintroduced. It would even be pleasing to us if this could take place with the Matara chiefs who were appointed upon your recommendation and whose acts are being sent with the general letter that goes off simultaneously with this one; even if, so as not to arouse any suspicion among them, your Honour were to tell them or have them told upon delivering the acts that they are expected in Colombo for the aforesaid purpose, but that there is nonetheless no hurry, and that they may do this as each one's convenience best permits. It must nevertheless not take place if your Honour believes to have reasons that ought to advise against it for this time. For the rest, after greetings, we remain, Valiant, prudent, discreet, your Honour's good friends. Was signed: W. J. van de Graaff, C. D. Kraijenhoff, J.s Reintous, and B. L. van Zitter. In the margin: Colombo, the 17th of August 1790. Agreed, Cornelis Johannes Idé, Sworn Clerk. Number 40. Right Honourable, Valiant, Highly Esteemed and Sovereign Lord, To the Right Honourable, Valiant, Highly Esteemed Lord Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, together with the Council at Colombo. Yesterday evening we received an ola from Madoegodde Appoe, who is in the King's territory at Haberehadde, a village situated one hour's walk from the Galle Gangebadde Pattu and two hours' walk from the Morua Korle, wherein he among others accuses the Maha Mudaliyar Abesinge, the Matara Mudaliyars Jinnekoon, De Saram, and Goeneratne, and the Mohandiram of the Four Gravets of having engineered the latest conspiracy in the Matara Dessavony, and that he undertakes to prove this.

Dutch transcription

453 20. waerom pointje appoehanie en meer andere, als afgezondene aan het Hof van kandia geweest zijn. wie hun derwaerts gezonden heeft. of ze ook eenige brief olas in bestelling gehad hebben door wie deze olas geschreeven en geteekend zijn, en onder wien de kladden daer van berusten. 21. door wien het antwoord van 't kandiase Hof aen„ „gebragt is, waar bij de misnoegden aangemoe„ „digd wierden, om maar voortevaeren en dat ze geen regt van de komp: bekomende van 't Hof spoedige Htulp en bijstand zoude erlangen. 22. Aan wien dit andwoord toegebragt is. " of het zelve mondeling of in geschrifte is geschied en indien schriftelijk, onder wiens berusting 't tan 23. Waerom hij in zijn schrijven aan Don Simon arraatje en aan Rajepakse Dissanaike, om hun te vermaanen tot onderwerping, onder an„ „deren als een motief heeft bijgebragt, dat de Dessave weg was. 24. welke Modliaar het zijn, die altoos gezorgt heb„ „ben de opvoer nog langer aantehouden, en die ten dien eijnde in 't geheim aan het volk hebben laaten bekend maaken, dat vier des Javes van kandia zouden afkomen, en veel volk mede brengen, om hun van de komp: en alle verplig„ „tingen vrijtemaaken 25. door wien deze geheime boodschappen aan het volk zijn gebragt. 26. welke hoofden der muntelingen, geduurende de samenrotting, bij nagt en ontijden bij de modliaers sinnekoon en de saram en andere zijn geweest, om orders te ontvangen hoe men zig gedragen moest en wie deze andere die hij niet noemt eigentlijk zijn. 27. Duudelijk te expliceeren, wat hij meent met zijn zeggen, dat de zig te Gale bevindende gedemitteerde Hoofden, hadden moeten uit den weg geruumt worden, om dat zij niet tot de familie behoorden! 24. 28 is. 454 28. wat bewijs hij heeft voor zijn zeggen, dat de saram de grootste kwaadgezinden en opstoker geweest is, die 't volk veel kwaed had toegebragt en waar in dit kwaad bestaat. 29. hoe hij beweizen kan, dat de modliaar Goene„ „ratne veele bestellingen bij de muntelingen gedaan heeft, om de opstand te onderhouden. 30. of hij met zijn zeggen dat de voorsz: Baredoe„ „we kool arraetje dezer dagen te Gale was, en nu en dan bij den porta modliaar Don Bal„ „thazaa Dias kwam iets bezonders heeft wil „len aanduiden. ? en zoo ja, zulx duidelijk te ex„ „pliceeren. 31. wie hem gezegt heeft dat deze Baredoewe korlavraetje, dertig amm: nelie aan den kolom„ „bose maha modliaar Dias voor Diwitoere pre„ „sent gedaan heeft. Aan de bewijzen olas etc=a die de deposanten opgee„ „ven, dat onder berusting van hun zelve, dan De oude gewoonte die een teid lang in onbruik geweest is, en onder anderen is aangeschreeven bij brief van den 24. ' oktober 1757. dat de inlandse Hoofden in perzoon moeten hier komen om hunne absoluutie bevestiging van ons te ver„ „zoeken, zullen we wederom doen invoeren, en het zoude ons zelfs welgevallig zijn indien dit met de maturese hoofden die op uwe voor„ „dragt zijn aangesteld en maar van de actens gezonden worden bij de gemeene brief die met deeze tegelijk afgaat, konde geschieden, alwas het ook, om geen agterdogt bij hun te verwekken, dat uE: hun bij het overgeven der actens zeide of deed zeggen, dat ze ten wel van andere zijn, moeten van hun worden afgevordert, en moeten ook de getuijgen, waer op zij zig mogten beroepen, om hunne opge„ „wen te bewijzen, worden ontboden en daer over verhoort. wel einde schreet. 457 455 Colombo o Nagezien Wichlberg einde voorsz: op kolombo worden verwagt dog dat dit nogtans gem haast heeft, en dat ze dit kunnen doen na mate een elks geleegent„ „heid dat best toelaten kan Het moet nogtan niet geschieden zoo uE: vermeend reeden te heb„ „ben die dat voor ditmaal nog behooren te ontroeden. Wij blijven voor het overige na groete /:onder„ stond:/ Manhafte voorz: Diskreete uw E: Goede vrienden /:was geteekend:/ W: J: van de graaff, C: D: Kraijenhoff, J:s Reintous en B: L: van Zitter /: in margine kolombo den 17. ' Augustus 1790. Accordeerd „ Corns: Johanns: Idé gezweklerk No: 40 Wij hebben gisteren avond een ola van Madoegod„ de appoe, die zig in 'skonings land te Habere= hadde een dorp en uur gaans van de gaelsche gange badde pattoe en twee uuren gaans van de morriakorle geleegen, ontvangen, waar bij hij onder anderen den Mahamodliaar Abesinge de Matureesche modliaars Jinnekoon, de Sa= „ram en Goenaratie en de Mohandiram van de vier Gravetten beschuldigd, van de laetste zaemenrotting in de matureesche dessavonie bewerkt te hebben, en dat hij aanneemt dit Wel Edele Gestrenge Groot Achtbaare hoog gebieden de Heer. Aan den wel Edelen Gestrengen Groot agtb: Heer Willem Jacob van de Graaff, Raad ordinair van nederlands Jndia, Gou= verneur en direkteur van het Eiland Ceilon met dies onderhoorigheeden, neevens den raed te:

NL-HaNA_1.04.02_3921_0572 view scan ↗

English

to prove, if a pardon ola were given to him for his offenses committed up to now. We send Your Honorable, Worshipful, Rigorous, Most Worshipful an extract of Madoegodde's olas, and most respectfully request to be favored with the highest orders thereof, while we, submitting to wiser views, most respectfully suppose that on account of the gravity of the accusations made by him, Madagoddeappoe, against our primary headmen, one must forgive his offenses committed up to now and allow him to come over to Gale without fear. If he proves his accusations against the said headmen, we shall then come to know the authors of the revolt; if he does not prove this, he must then be punished according to the severity of the laws and placed beyond the opportunity to do any further harm. In both cases we suppose that, under promise of forgiveness for what has past, one must let him come, specifically to Gale and not to Mature or Colombo, so that he may find no reasons to say that one brought him to a place where, according to his assertion, his adversaries are held in high esteem. The bearer of Madoegodde's olas relates that he was very inclined and already prepared to come to Gale at the invitation of Baddewokke Aratchi, but that he had learned that a party of the Company's Chalias had arrived at Stiindoeme to ambush him; that Madoegodde Appu had thereupon investigated whether this report was true, and having found that an entire party of Chalias provided with cutlasses, pikes, and other firearms had indeed gathered at Stiindoeme, had resolved first to await the reply to the aforesaid olas before ever going to Gale. We most respectfully request that Your honors send us orders as soon as possible, as one cannot rely on the intentions of Madoegodde Appu, and he might easily change his plan if he is given much time to deliberate. With the greatest respect we have the honor to be, Underneath stood: Honorable, Rigorous, Most Worshipful, High Commanding Lord, Your Honorable, Rigorous, Most Worshipful's humble servants. Was signed: B.r Sluijsken, M.r van der Spar, N. B. Marth, J. J. D. De Estandau, C. L. B. van Abbedijhl. In the margin: Gale, 24th October anno 1790. No 41 Translation of a Sinhalese letter ola, addressed to the Honorable Worshipful Lord Commander of the city and lands of Gale, Mature, etc., by the Mohotti Mohandiram of the guard, Madoegodde Don Simon Wierekoon Wiedjesinhe Dissanaijke. Agrees. Corns. Johannes S., sworn clerk. After preceding compliments, the following is made known. By order of the Mudaliyar of the Gangebaddepattu, the Maha Mudaliyar of Colombo, the Mudaliyar of the Belligam Korale, and the Mudaliyar Tinnekoon, the inhabitants of the ten korales in the Matura Dissavony gathered together and appointed me as Head over them. However, thereafter Your Honor and the Lord Secretary came to Mature, and a message was brought to me in their names, namely that whatever I might request would be granted to me. Because this was promised to me, I first, and subsequently also the other inhabitants and Headmen of the said ten korales, came down and appeared before the Lord Commander. Thereupon, under promise of receiving a good Mohandiram's post, a cutlass, gold and silver buttons, and other clothing, I also went along to Gale. But of these goods promised to me, I was given only a coat and three rixdollars in cash, without the post requested by me, and with which I was kept lingering for two months. There is an old proverb: "Through ambition one's livelihood is lost." Thus, because a cutlass was slung over my shoulder, I also lost the livelihood that I previously sought in agriculture. Formerly the promises of the ruling gentlemen, as is still fully true today, were honored, but the port interpreters have now caused what was promised by Your Honor not to be given to me. And since those interpreters have not yet died or been dismissed from their posts, I think it was merely deceit. A Mudaliyar is a Dissava to the Sinhalese, so that I now bear the name of Madoegodde Don Simon Wiezekoon Widjesinge Dissanaijke Moediaanse Kalehamie. Notwithstanding this, my primary request to Your Honor and the Worshipful Council of Justice, as well as the Honorable, Rigorous, Most Worshipful Lord Governor of the Island and the Gentlemen Councillors of Policy, is to forgive me all my past debts and, if Your Honors should detect any further wrongdoing from me in the future, not to send me elsewhere by ship, but to have me pay monetary fines in proportion to my debts. If I receive a signed paper to this effect from all those gentlemen, I shall then, having the order thereto from Your Honor, come over thither to prove the foregoing. I request at the same time to grant me the Mudaliyar's post of the Belligam Korale, with the accommodations previously belonging thereto, a

Dutch transcription

451 456 te bewijsen, in dien hum een pardon ola voor zijn misdrijven tot nu toe begaen, gegeven werd, wi zenden wwel Edele agtb: gestrenge groot agtb: een afschrift van Madoegoddes olas toe, en versoeken eerbiedigst met hoog derselver beverlen begunstigd teworden, terwijl wij met onderwerping aan wij de gevoelen eerbiedigst veronderstellen, dat men hen om het gewigt der beschuldigingen van hem Mada goddeappoe teegens onse eerste hoofden, zijne mi „dreijven tot nu toe begaen vergeeven en toecta moet zonder vreese na Gale overtekoomen Bewijst hij zijne beschuldigingen teegens d melte hoofden, dan zullen wij de autheurs der revolte leeren kennen, bewijst hij dit niet dan moet hij na de strengheijder wetten gestraft en buijten de geleegentheijd gesteld worden om meeder knaad te kunnen doen, in beijde gevallen veronderstellen wij, hat hem onder belofte van vergiffenis voor het gepasseerde, moet laaten gekoomen en wel na Gale en met na Mature of Colombo ten eijnde hij geene reedenen vind te kunnen zeggen „laats dat men hem op een plaats heeft „ koomen, waar /:volgens zijne stelling:/ zijne teegen parthij zig in aanzien bevinden De brenger van Madoego ddes olas verhaeld dat hij zeer geneegen en reeds rusvaardig was, op de uitnodiging van Baddewokke arraetje na Gale te konnen, dog dat hij vernoomen had, dat een parthij 'sComp:s sjaliassen te stiin doeme gekoomen waaren, om hem op tevalten dat madoegodde appoe hier op had laaten zien of deese narigt, waar was, en dat hij bevonden hebbende dat een heel parthij sjaliassen voorzien van Houwers, pieken en andere geweeren te stin doene werklijk vergaderd waaren, beslooten had om eerst het andwoord op de hier voorsz: olas aftewagten, voor en al eer hij na Gall zoude gaan. Wij verzoeken zeer eerbiedigst ons zoo spoedig mo= gelijk derselver beveelen toetesenden, wijl Gale: men 450 457 kageken. vevspall. men op de voorneemens van Madoeg: appoe geen staat kan maeken, en hij ligtelijk van projekt zoude kunnen veranderen indien hem veel teijd tot beraed gegeven word. Met de eeste eerbied hebben wij & eere te zijn /:onderstont:/ wel Ed: gestrenge groot agtb: Hoog Gebiedende heer uwel Ed: gestrenge groot agtb: onderdanige dienaaren /:was geteekend:/ B=r Sluijsken, M:r van der spar, N: B: Marth J: J: D: De Estandau C: L: B: van Abbedijhl /:in margine:/ Gale den 24:' 8ber: anno 1790. No 41 Naa voorgaande komplimenten word het volgende te kennen gegeeven. Op order van de Modliaar van de Gange baddepattoe, de Maha=Modliaar van kolombo, De Modliaar van de Belligamkorle en d' Modliaar Tinne, koon zin de ingezeetenen van de tien korles in de Matureesche Dessavonie zaamen gerot en hebben mij tot „ Hoofd daar a benoemd. Dog daarna is uwel Edele Achtb: en den Heer Sekretaris op Mature gekoo„ „men en mij is uijt derselver naam eene boodschap gebragt, namentlijk dat mij het geen ik verzoeken mogte zoude gegeeven worden. wijl mij dit toegezegd was ben ik vooraf en vervolgens ook de andere ingezeetenen en Hoofden van gedagte Translaat Singaleesche brief ola, gericht aan den wel Edelen Achtb: Heer kommandeur der stad en landen van Gale, Mature &:a door den Mohoti Mo„ „handiram van de guarde Madoegodde Don Simon wiere koon Wiedjesinhe Dissanaijke. akkordeert. Corns. Johannes S de gezeeklerk tien 451 „458 tien korles afgekoomen en zijn bij de Heer Commandeur verscheenen. Daar op ben ik, onder belofte van een goede Mohandirams dienst, een houw goude en zilvere knoopen en andere kleederen te zullen hebben meede na Gale gegaan. Dog van deeze aan me toegezegde goederen is mij enkeld een Rok en drie rd:s: aan kontant ge „geeven, zonder den door mij ver„ „zogten dienst en waarmeede twee maanden lang ben draa„ „lende gehouden. Er is een oud spreekwoord; Door Eergierigheid gaat de broodwinni verlooren dusdaanig heb ik, wij mij een houwer omgehangen is mijn bestaan dat ik voor deeze in den landbouw zogte ook verloor bertijds wierden de beloften van de Heeren Gebieders gelijk ook tans nog volkoomen bewaarheid dog de porta tolken hebben nu bewer „stelligd, dat mij het beloofde door uwel Edele Achtb: niet ge „worden is. En vermits die tolken nog niet gestorven of van hunne diensten afgezet zijn, zoo denk ik dat het maar bedrog geweest Een modliaar is een dessave voorde sin„ „galeesen, zoo dat ik thans de naam heb van Madoegodde Don Simon Wieze „koon widjesinge Dissanaijke Moediaanse Kalehamie, niet teegenstaande dit is mijn voornaamst verzoek aan uwel Edele Achtb: en de Achtb: raad van Justitie mitsga¬ „ders de wel Edele Gestr: Groot achtb: Heer Eijlonsch Gouverneur en de Heeren Raaden van Politie om mij alle mijne voorgaande schulden tevergeeven en wanneer hun wel Edelens in het vervolg weder eenig kwaad van mij mogten ontwaaren mij dan niet te scheep na elders teverzenden, maar na maate mijner schulden mij geld boetens te laaten betaalen Jndien ik hier van een getee„ „kend papier van alle die Heeren ontvange zal ik dan van uwel Edele Achtb: daar toe order heb bende, na derwaards overkoomen om het voorenstaande te bewijzen. Jk versoek teffens, mij de Modli„ „aars dienst van de Belligam „korle, met de bevoorens daar toe gehoorende akkomodessan Een te willen

NL-HaNA_1.04.02_3921_0575 view scan ↗

English

to want to give. Thus was this writing dispatched on Saturday the 23rd of October 1790 in the morning at seven o'clock by the Mohandiram named in the heading of this document. It was signed with an illegible signature. Beneath stood: for the translation, Gale, the 2nd of November 1790. It was signed: J: A: de Vos. In the margin, for the translation: signed: S: de Zilva, sworn interpreter. Beneath stood: agrees. Signed: C: L: B: van Albedijhl, Secretary. No: 42 Draft ola To Madoegodde Appoe A few days ago I duly received the letter-ola that you sent to me. You have made known to me that you are inclined to come up to Gale and to show who the authors of the latest disturbances and revolts in the Matara Dessavony have been, provided that a signed certificate reaches you that what has passed would be entirely forgiven you by the esteemed government of these lands and no longer held against you. I have given notice of this your desire to the Governor and Council at Kolombo, and His Right Honourable, Most Worshipful and the further esteemed Government has, out of exceptional generosity, decided and granted to me the full power thereto graciously to pardon and forgive you the irregularities committed up to now, as they are pardoned and forgiven you by this, without the same ever turning to your prejudice, provided that you keep your promise and show who the authors and the first motives of the latest disturbances in the Matara Dessavony have been. If you do this in an altogether undoubted manner and your conduct henceforth and in the future accords with the duties of a good subject, you may also hope for further tokens of favour. Pursuant to the above, I shall wait for you for eight days counting from tomorrow morning. However, I want to warn you at the same time that in case you do not appear in the course of these eight days, you may then expect to be regarded forever as an unfaithful and rebellious subject of the Honourable Company, and that you will then also not escape the well-deserved punishment. May Heaven give you the good thought soon to present yourself here at Gale as a repentant and henceforth faithful subject of the illustrious Company, as this is the only way to save your wife and children from an everlasting misery. Gale, the 28th of October 1790. It was signed: P: Sluijsken. Beneath stood: Agrees. It was signed: J: W: Bechman, sworn clerk. Agrees. Corn:s Johann:s Idé sworn clerk Examined. 459 To the Valiant, Prudent, Discreet Peter Sluijtken, Commander, along with the Council there. Corns: Johanns: Idé, sworn clerk. 460 Although it is scandalous to engage further with such an abandoned scoundrel as is Madoegodde Appoe, we have nevertheless, upon your letter of the 24th of this month, decided to step over this consideration, and to authorize you, as is done by this, in accordance with your proposal in this your letter, to let Madoegodde Appoe come up to Gale under promise of forgiveness for what has passed, provided that he proves his accusations, as he undertakes to do, and provided that he arrives at Gale within a short term that must be set for him, the determination of which we leave deferred to you. As soon as he shall have arrived at Gale, that must be communicated to us, and he must then immediately and without any delay be heard before two members from the Political Council, who must instruct him first distinctly to state: 1. The points of accusation which he has to bring in particular against each of the persons accused by him. 2. That he must immediately state not only the witnesses by name that he has in proof of each point of his accusation, but also that he must distinctly state what each of these witnesses, with regard to each of these points, can testify. Until the term that you shall set for Madoegodde Appoe shall have expired, which term must be communicated to us as soon as possible, we permit that our orders given by letter of today may remain suspended insofar as you shall deem necessary. You must send us as soon as possible a copy of the ola that is to be dispatched to Madoegodde Appoe. Furthermore, full translations must be sent to us of the two olas of which only the brief summary was communicated to us alongside your aforementioned letter of the 24th. For the rest, after greetings, we remain, Beneath stood: Valiant, Prudent, Discreet. Your Good Friends. It was signed: W: J: van de Graaff, C: van Angelbeek, J: Reintous, B: L: van Zitter, A: Samlant, J: A: Vollenhove. In the margin: Kolombo, the 26th of October, Anno 1790. Agrees. Corns: Johann:s Idé sworn clerk No 4 Wahlberg Examined No: 43. Colombo Secret. To the Right Honourable, Most Worshipful Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director of the Island of Ceilon with its dependencies, along with the Council. Right Honourable, Most Worshipful, High-Commanding Lord, We have the honour to inform Your Right Honourable, Most Worshipful that Maddegodde Appoe has just arrived here at noon. First of all, we shall have this vagabond make such statements before two Political members as by Your Right Honourable, Most Worshipful 462

Dutch transcription

tewillen geeven. Aldus is deeze geschreevene afgezonden op Zaturdag de 23. oktober 1790. 's morgens om seeven uuren door den in den hoofde deezes genoemden Mohandiram (:was geteekend:/ met eene onlees „baare handteekening (:onderstond: voor de overzetting Gale den 2. November 1790. (:was geteekend:) J: A: de vos (bezijden voor de vertaaling (:geteekend:/ S: de zilva gezw: tolk (:onderstond:/ accordeert /:geteekend:/ C: L: B van Albedijhl Sekreds: No: 42 Concept ola Aan Madoegodde appoe Jk heb voor eenige daegen wel ontvangen de briev ola die gij mij toegezonden hebt gij hebt mij te ken= „nen gegeeven geneegen te zijn om na Gale op te koo= „men en aantetoonen wie de auteurs van de laaste onlusten en revoltes in de Matureesche Dessavonie geweest zyn mits, dat uw een geteekend bewys toe- komen, dat uw door de geeerde regeering deser landen, het gepasseerde ten heele maale vergeeven en niet meer toe gereekend zoude worden Jk heb: van dit uw verlangen aan den heer Gouver =neur en Raad te kolombo kennis gegeeven en zijn uwel Edele Gestr: Groot agtb: en de verdere ge eerde Regeering heeft uit bijzondere Edelmoedig= „heid beslooten, en aan mij daar toe de volle magt verleend uw de tot nu toe begaane ongeregeld heeden gratieuselijk te pardonneeren en te vergeeven, gelijk uw gepardonneerd en ver- „geeven zijn door deezen zonder dat deselve uw oort tot praejuditie zullen komen, mits dat gij uw belofte gestand doet en aantoond wie de auteurs de eerste beweegreedenen van de laaste onlusten in de Maturesche Dessavonij geweest zijn. Doet gij dit op eene allezints ontwijffelbaare wijze en dat uw gedaag voortaan en in den vervolge met de pligten van een goed onderdaan overeenstemt accordeert, Corn:s Johann: Idé gezeklerk mragt Nagezien. Feett 459 S L Sreel Tale nagesien terspall. moogt gij ook op verdere gunst bewijzen hoo „pen. Jngevolge het voorgeschr: zal ik agt daegen lang van Aan Den Heer morgen vroeg af aangereekend na uw uittien. Per „wil ik uw teffens waarschouwe dat bij aldien gij in den loop van deeze agt dagen niet komt op daegen gij uw als dan moogt voorstellen van voor altoos als een ongetrouw en rebellig onderdaan van de Edele Comp: te zullen worden aangemerkt dat gij als dan de wel verdiende straffe ook niet zult ontloopen De hemel geeve uw de goede gedagten van iw spoed als een berouw hebbend en voortaan getrouw ende „daan van de doorlugtige komp: hier op gale tev toonen gelijk dit de eenigste weg is om uw vrouw en kinderen van eene altoos duurende Elende te redden october Gale den 28. ' 9ber: 1790. /:was geteekend:/ P: sluijsken /:onderstond:/ Akkordeert /:was geteekend:/ J: W: Bechman gklerk. Akkordeert Schoon het schandelijk zij zig verder en telaeten met zoo en overgegeeve bootwigt als is Madoe„ godde Appoe, hebben we nogtans op uwe brief van den 24:' deezer beslooten over deeze konside„ ratie heen te stappen, en uE: te autoriseeren, ge„ lijk geschied bij deeze, om Madoegodde Appoe, over eenkomstig met uE: voorstel bij deese uwe brief, te laeten opkoomen na Gale, onder belofte van vergiffenis voor het gepasseerde mits bij zijne beschuldiginge bewijst, gelijk hij dat aanneemt te doen, en mits dat hij te Gale komt binnen een kort termijn dat hem moet worden gesteld, en waar van we de bepaaling aan uE: laaten gedefereerd. zoodra hij te Gale zal zijn aangekoomen, moet ons dat worden bedeeld, en moet bij als dan dadelijk Manhaften voorzienigen Deskreeten Peter Sluijtken Kommandeur, Nevens De Raad Aldaar Corns: Johanns: Gdé gezwklerk V 460 461 en zonder eenig uitstel worden gehoord voor twee leeden uit de raad van polietsie, die hier moeten aanbeveele om ter eerste distenkite lijk op tegeven 1:/ de poinkten van beschuldiginge die hij te gens een elk der door hem beschuldigde persoonen in het bezonder heeft intebrengen 27 dat hij aanstonds zal moeten opgeven niet alleen de getuigens bij naamen die hij heeft, ten bewijze van elks point zijner beschul„ diginge, maar ook dat hij distinktelijk zal moeten opgeven wat een elk deezer ge„ tuigenis, met betrekking tot een elk deezer pointen, getuigen kan Tot dat zal zijn verloepen het termijn dat uE aan Madoegodde Appoe zullen stellen, en welk ter mijn ons ten eersten moet worden bedeeld, staan we toe dat onze orders gegeven bij brief van heden mogen blijven opgeschort in zoo verre uE dat zullen nodig vinden UE: moeten ons te eersten toezende een kopij der ola die aan Madoegodde Appoe staat te worden afgevaardigt. Nog moeten ons word gezonden volleedige translaaten van de twee vlasse, waar van ons nevens voorsz: uwen brief van den 24.:' alleen den korten inhouds bedeeld. wij blijven voor het overige na groete /:onderstond:/ Manhaften voorzienigen Diskreeten. uwE: Goede menden /:was geteekend:/ w: I: van de Graaff, C: van Angelbeek, I. Reintous, B: L: van Zitter, A: Samlant, J: A. vollenhove, /:in marginee:/ Kolombo den 26.:' oktober A:o 1790. Ackordeert Corns Johann:s Idé gezeeklerk No 4 Wahlberg Nagezien No: 43. Colombo Sekreet. Aan den wel Ed: Gestrengen groot agtb: heer Willem Jacob van de Graaff, Raad ordinair van nederlands Jndia, Gou- verneur en direkteur van het Eiland Ceilon met dies onderhoorigheeden neevens den raad Wel Edele Gestrenge Groot Achtbaare Hoog gebiedende Heer Wij hebben de eere uwel Edele gestrenge groot agtb: te bedeelen dat Maddegodde afpoe zoo even op den middag alhier aange- koomen is. Ten eersten zullen wij door deesen vagabond voor Twee Politique leeden zodanige opgaeven laaten doen, als door uwel Ed: gestrenge groot: 462

NL-HaNA_1.04.02_3921_0580 view scan ↗

English

Right Honourable, as ordered by letter of the 26th of this month. We further attach hereto a copy of the ola sent the evening before last to Maddegodde Appoe and call ourselves with the highest esteem, below stood, Honourable, Rigorous, Right Honourable, High Commanding Lord, Your Honourable Rigorous Right Honourable's humble servants, was signed, P: Sluijsken, M: van der Spar, P:r Staens, N: B: Martheze, J: J: D: D: Estandau, A: E: De Lij, C: L: Baron van Albedijhl, in the margin, Gale the 30th of October 1790. Agrees. Cornelis Johannes Idé, Sworn Clerk No: 95 .46. 3 Examined. Fretz Monday the first of November 1790: Present The Honourable Right Honourable Lord Commander Peter Sluijsken, The Honourable Administrator Mattheus van Der Spar, The Honourable Master of Equipage Lucas Aems, The Honourable Pay Bookkeeper Nicolaas Bernardus Martheze, The Honourable Purveyor Christiaan Frederik Willem De Ranitz, The Honourable Fiscal and Cashier Jean Jacque David D' Estandau, The Honourable First Warehouse Master Master Andreas Everhardus De Lij, The Honourable Overseer of the Gale Corle Pieter Willem Hendrik Adriaan van Schuler, The Honourable Shopkeeper and Commissioner of the Areca Pieter Devos, and The Honourable Secretary Carel Ludewich Baron van Albedijhl Absent The Honourable Major and Commander of the Militia Joan Lodewijk Schedek na Mathiae The meeting being opened, the Lord Commander made known that he had convened it solely in order to take into deliberation the present state of affairs concerning the recent unrest and unlawful gathering of the people in this Commandement. Hereafter were first read a Report dated the 31st of October last and a note kept today by the Honourable members Marthezen, van Schuler, and van Albedijhl, whereby by Resolution taken in the Council of Gale it became apparent that the said members of this meeting presented and announced to the Mohandiram Maddegoode Appoe that the government of this Government has forgiven and pardoned his irregularities committed up to now, on the condition that he, Maddegodde Appoe, proves and substantiates his accusations made against certain native chiefs whom he named as authors and secret leaders of the recent uprising in the Maturese Dessavonij. That said Maddegodde Appoe, upon this announcement by the said members of this government, persisted in his accusations that the Maha Mudaliyar of Colombo and the Maturese Mudaliyars De Saram Goeneretna and Jennekoon brought about the recent revolt in the Maturese Dessavonij, and requested that several minor chiefs from the Maturese Dessavonij named by him might be summoned, in order thereby to be in a position to further repeat, elucidate, and prove his accusations, while he at the same time requested, until these persons named by him have arrived from Mature, to be excused for the present from giving further statements of what he has to say, because to be able to give proper elucidations of matters he still requires other persons, whom he has also named, for that purpose. The foregoing having been extensively deliberated upon and it being noted that it is of too much importance to the Honourable Company that the government know the ill-disposed who recently led the inhabitants into an uproar and unlawful gatherings; furthermore that it is in all respects reasonable that Maddegodde Appoe, who undertakes to prove his accusations regarding the authors of the revolt, be provided with those means which he claims to need for this, the more so because one may trust that peace in the country has been restored to such an extent that an investigation of matters will no longer have any bad consequences among the Company's subjects, but on the contrary will have the desired effect that, after the root of the evil has been convincingly recognized and rooted out as harmful, one may hope for continuing rest and peaceful dwelling of the inhabitants. And it was approved and resolved, in order to be able to conduct a most thorough investigation into the cause and motives of the recent uprising and unlawful gathering of the people in the Maturese Dessavonij, successively to summon and have come up from the country all the persons requested by Maddegodde Appoe or otherwise needed, according to what will be required by the investigation of matters. Furthermore it was decided to also have the declarations made on the 19th and 20th of October last by Don Samuel Abewardene, Aratchi of the Kodituwakku Mandade at Mature, commonly called Baddewoeke Aratchi, before the gentlemen members Martheze, De Lij, and van Albedijhl, proved and substantiated by them, in order through this investigation likewise to become informed as soon as possible of the true state of things. Hereafter the Lord Commander gave the meeting to consider whether it would not be necessary actually to arrest and detain Maddegodde Appoe and his friend Baddewoekke Aratchi, since one could not be apprehensive and fearful enough that these two persons, who are known to the world as sly and cunning fellows, might possibly get it into their minds to take flight again; that His Honour had up to now had these two persons guarded, but that His Honour did not find it advisable to take this upon his own account any longer, because it might easily happen that the members of this Government were of a better opinion, with which His Honour would then also very gladly conform. Hereupon it was remarked by the members of this meeting that one certainly could not be vigilant enough to prevent the aforementioned Maddegodde Appoe and Baddewokke Aratchi from absenting themselves again. That one however, according to the nature of the matter, cannot assume that these two persons.

Dutch transcription

groot agtb: bij brief van den 26:' deeser gelast is. Wij voegen voorts bij deese een Copia van de aan Maddegodde appoe eergisteren avond afgezondene ola en noemen ons met de me „te hoog agting /:onderstont:/ wel Edele G strenge groot agtb: hoog gebiedende Heer uwel Ed: gestrenge groot agtb: onderdanige Dienaaren /:was geteekend:/ P: Sluijsken M: van der Spar, P:r Staems, N: B: Mark J: J: D: D: Estandau, A: v: De Lij, C: L: B van Albedijhl /:in margine:/ Gale den 30: 8ber: 1790. Akkordeert. Corns: Johianns: Idé gezeeklerk No: 95 .46. 3 Nagezien. Fretz Maandag den Eersten 9ber: 1790: Present 8 en wel Ed: Achtbaaren Heer Commandeur Peter Sluijsken, en E: Administrateur - . Mattheus van Der Spaa en E: Equipagiemeester Lucas Aems den E: zoldij boekhouder Nicolaas Bernardus Martheze den E: Dispencier Christiaan fred:k willem De Ranitz: den E: fiskaal en Cassier Jean Jacque David D' Estandau den E: Eerste pakhuis meester M:r Andreas Everhardus De Lij en E: opsienden den GaleCorle Piter willem hierd:k Adriaan van Schulea en E: winkelier en Commissaris van den arreek Pieter Devos en en E: secretaris Carel Ludewich Baron van Albedijkl Absent K den E: Majoor en Commandant van de Millitie Joan Lod:n schede na Mathiae De vergadering geopend zijnde, gaf de Heer Commandeur te kennen, deselve alleen belegd te hebben ten einde ter deliberatie teneemen de teegenwoordige gesteldheid van zaaken raakende de laaste onlusten en zaamenrotting des volks in dit Commandement Hierna wierden eerst geleesen een Rapport in dato den 31: 8ber: J:o weeken en een aanteekening op heden gehouden van dE: Leeden Maathezen van Sohuler en van Albedijkl, waar, bij Resolutie Genoomen in Raade van Gale kwam op 464 kwam te blijken dat gedagte leeden deeser verga dering den Mohanderam Maddegoode appoe h ben voorgehouden en aangekundigd dat de regeer deeses Gouvernements hem zijne tot nu toe beg ne ongereegeldheeden heeft overgegeeven en gepr donneerd, onder die - mits dat hij maddego appoe zijne beschuldigingen gedaan teegens eenig inlandse Hoofden die hij als autheers en hei lijke aanvoerders van de laaste opstand de Matureesche Dessavonij heeft opgegeeven bewijst en waarmaakt. Dat gemelde maddegoode appoe op deese aan „kundiging van gem: Leeden deeser regeering bij „ van Holon zijne beschuldigingen dat de Maramodlia en de Mateereesche Modliaars de Jaran Goen retna en Jennckoon de laaste revolte in de Matureesche Dessavonij bewerkt hebben is blijven persisteeren en versogt heeft, dat verscheide door hem genoemde minder hoofden uit de Matereesche Des savonij mogten op ontbooden worden, ten einde da door in de geleegendheid te konnen zijn beschuldiginge nader te kunnen herhaal opheldeaen en bewijsen, terwijl hij teffen versogt heeft, om zoo lange en tot da deese door hem opgenoemde persoonen van Mature opgekoomen zijn, van de ver„ dere opgave van het geen hij te zeggen heeft voor het teegenwoordige temoogen verschoond blijven, wijl hij om behoorlijke, opheederingen van zaaken te kunnen geeven daar toe nog andere persoonen /:die hij meede genoemd heeft:/ nodig heeft over het voorenstaan„ de wijdloopig gedelibareerd en aangemerkt zijnde dat het de Edele Comp: teveel ge„ leegen legd, dat de regeering de kwaad„ gesinden kenne, die de ingeseetene nu onlangs tot een opvoer en zaamenrottingen gebragt hebben. voorts dat het allezints billijk is, dat men Maddegodde appoe, die aanneemt zijne beschuldinging no„ pens de autheurs der revolte te bewij„ „sen, die middelen verschaft die hij voor geeft hier toe noodig te hebben, temeer wijl men vertrouwen mag, dat de aust in het land zoo verre hersteld is, dat een ondersoek van zaaken geen kwaade gevolgen meer bij sComp:s onderdaanen. zal hebben maar inteegendeel van dat gewenschte effect zal zijn dat men na de wortel det kwaads overtuigend ge„ kend en als schadelijk uijt geroeijd te van hebben 465 hebben, op eene aanhoudende rust en vree„ dige inwooning der ingeseetenen zal moogen hoopen. En is goedgevonden en verstaan om na de oor„ zaak en beweeg reedenen van de laaste opza een zaamenrotting des volks inde Matura sche dessavonij een aller nauw keugigste onder soek te kunnen doen, alle de door Madda„ „godde appal versogte of anders benoodig de persoonen successive, en na Mate die hij het ondersoek van zaaken zullen vereist worden uit het land te laaten op„ ontbeeden en opkoomen. voorts is beslooten om ook de den 19. en 20: 8ber: J:o leeden, door Don Samuel Abewardene arraatje van de koditae„ akkoe Mandae te Mature in de wande„ ling Baddewoeke arraatje genaamt voor dh: leeden Maatheze De zij en van Albedijke gedaane verklaaringen door hun te laaten bewijzen en waarmaaken te einde door dit ondersoek als meede ten spoedigsten was het moogelijk van de weesentlijke gesteldheid der dingen onder uiijt teworden. Wlerna gaf de Heer Commandeur de vergd „ring in overweeging, of het niet noodsaakelijk zoude zijn om waddoegodde appol en zijn vreend Baddewoekke arraatje werkelijk te arrestee„ ren en vast te zetten, aangesien men niet ge„ nog bevreesd en bedugt konde zijn dat deese twee persoonen die bij de waereld voor door sleepe en slunne knaapen bekend zijn, moe„ gelijk in haare gedagten zoude kunnen krij„ „gen om weeder de vlugt teneemen dat zijn Edele tot nu toe deese twee mensden had laaten bewaaken, dog dat zij Edele niet geraaden vond om langer dit voor eige reekening teneemen, wijl het ligte„ lijk konde gebeuren dat de leeden deeser Regeering van een beeter begrip waaren, waarmeede zijn Edele zig als dan ook zeer gaarne zoude conformeeren Hier op wierd bij de leeden deesen vergadering aangemerkt. dat men zeeker niet waakzaam genoeg konde zijn om te beletten, dat voornoemde Maddegoode appae en Baddewokke arraatje zig weeder mogten opsenteeren. Dat men egter volgens de natuur der zaak niet kan veronderstellen dat deese twee per„ ding soonen.

NL-HaNA_1.04.02_3921_0584 view scan ↗

English

persons will absent themselves, because they have come up to Gale of their own accord and voluntarily. That the reasons for their coming to Gale can be none other than that wandering through the country they did not consider their person and life secure, or that by reporting what they know to say concerning the latest disturbances they seek to advance their welfare, in both of which cases they will certainly prefer to remain here in Gale rather than absent themselves and once again surrender to an uncertain, wandering life. That in view of the aforesaid, one may be certain that Maddegodde appoe and Baddewoekke arraatje, at least for the present, have no thoughts from which they could resolve upon an impending flight. That in order to acquire these thoughts, such would certainly have to happen on the advice of others. That in order to advise them of this and to induce them thereto, certainly no one is interested except those whom they have accused or who are of the party of the persons accused by him; since it is evident that those who are not on the side of the persons accused by him have taken all trouble and done their best so that this Maddoegoode appoe has come up to Gale. That Maddegodde Appoe will well understand that those persons are no friends of his who might wish to advise him to an impending flight, since he must certainly realize that if he absented himself again, no Pardon would then be to be hoped for him, but on the contrary his life would even be exposed to the greatest danger. That therefore, in the view of this assembly, there is nothing that will make Maddoegodde appoe and Baddewokke arraatje decide to take flight, other than the lack of sufficient proofs to substantiate their accusations. That one may nevertheless trust that they consider themselves very certain in that regard, because they would probably not have come up otherwise, the more so as this is the condition of their Pardon. That if, however, during the investigation of matters, it should become in any way doubtful that the said Maddoegodde appoe and Baddewokke arraatje might be able to prove their statements, one will then immediately be able to resolve to arrest them and lock them up. That finally it is very probable that if Maddegodde appoe and Baddewokke aaraatje are treated in an outwardly favorable manner, this will be an encouragement for all those who might have anything to declare regarding the latest revolt. Whereas, on the contrary, if these two men were now to be locked up, this might easily make a bad impression on the remaining inhabitants and cause fear, and even make the witnesses of Maddegodde appoe and Baddewokke arraatse apprehensive to declare the truth sincerely, if Maddegoode appoe and Baddewaeke aaraatje should happen to have any, for fear that they as witnesses might also be arrested and rounded up. And for the reasons aforesaid, it has been resolved and agreed to let Maddegodde appoe and Baddewokke arraatje both go about freely and at their own pleasure in Gale, under such surveillance and supervision whereby one may consider oneself sufficiently assured that these two persons cannot take a single step without the Lord Commandeur obtaining the necessary knowledge thereof for his information. Thus resolved in the city of Gale on the day aforesaid. Was signed: P: Sluijsken, M: v: Der Spar, L: Aems, N: B: Martheze, C: F: w: De Ranits, J: J: D: D Estandau, A: E: de Lij, P: w: Fr: A: van Schulea, P: De Vos, and C: Z: B: van Albedijke. Below stood: Conforms. Signed: J: H: Brechman, sworn clerk. Colombo. Secret. We have the honor hereby to present to Your Right Honorable, Rigorous, and Highly Esteemed Sir our secret resolution of yesterday, whereupon we most promptly look forward to your honored decision, in order to be in a position best to follow your honored intention as far as practicable. Right Honorable, Rigorous, and Highly Esteemed Sir, High-Commanding Lord. To the Right Honorable, Rigorous, and Highly Esteemed Lord Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, together with the Council. Conforms. Corns: Johann:s Idé, sworn clerk. In order to be able to complete properly and without delay the investigation which we resolved upon regarding the latest revolt among the inhabitants, we have already given orders to the Honorable Dessave Raket to send up at once some persons whom Maddegodde appoe has named. However much we might now also suppose, seeing that Baddewokke araatje and Maddegodde appoe are here in Gale, that sending soldiers into the country is no longer necessary, we nevertheless request to be further favored with Your Right Honorable, Rigorous, and Highly Esteemed Sir's orders in that regard. We also take the liberty, trusting in a favorable interpretation, most respectfully to request Your Right Honorable, Rigorous, and Highly Esteemed Sir to be pleased to send the servants destined for Mature and to the assistance of the Honorable Dessave thither as soon as possible, as we suppose that such will be of great use in the present state of affairs, now that a meticulous investigation into the origin of the revolt is being conducted, in order to confirm more and more in the minds of the inhabitants that one wishes to examine their interests and promote their welfare. With the highest sentiments of respect, we have the honor to be, Below stood: Right Honorable, Rigorous, Highly Esteemed, High-Commanding Lord, Your Right Honorable, Rigorous, and Highly Esteemed Sir's humble Servants, Was signed: P:r Sluijsken, M:s van der Spar, N: B: Martheze, A: E Delij, C: L: B: van Albedijhl. In margin: Gale, the 2nd of November, anno 1798. Conforms. Corns: Johanns: Idé, sworn clerk. No: 47 Wahlberg Checked

Dutch transcription

466 soonen zig zullen absenteeren uit hoofde do ze uit hun eigen, en vrij willig na gale opg „koomen zijn. Dat de reedenen van hunne komste na Gale„ andere kunnen zijn dan of dat ze zig het land zwervende met betrekking to hun persoon en leeven, niet zeeker agt of dat zij door het opgeeven van het geen zij aangaande de laaste onlusten te zeg weeten hunne welvaard tragten te bevorde in welke beide gevallen zijn zeeker lie hier te Gale zullen blijven dan zig te absen teeren en op het nieuw aan een onzeeker omsweavend leeven overtegeeven. Dat aangezien het voorschreevene men ze verseekeren mag, dat Maddegodde appoe Baddewoekke arraatje ten minsten voor teegenwoordige geene gedagten hebben waa uijt zij tot eene aanstaande vlugt zoud kunnen besluijten Dat om deese gedagten te verkrijgen zulk zeekerlijk op aanraading van anderen de moeten geschieden. dat om hun dit aanteraaden en om hun hier toe tebeweegen zeeker niemand geinteres„ „seerd dan de geenen die zij beschuldigd hebben of die van de paathij der door hem beschul„ digde persoonen zijn; wijl het gebreeken is, dat de geene die niet van de kant daar door hem beschuldigde persoonen zijn, zig alle muijte gegeeven en haar best gedaan hebben dat deese Maddoegoode appae na Gale is opgekoomen. Dat Maddegodde Appoe wel zal beguijppen, dat die geenen geen vrienden van hem zijn, die hem tot eenen aanstaanden vlugt mogten willen aanraaden wijl hij zig zeeker moet voorstellen, dat indien hij zig weeder absenteerde als dan voor hem geene Paa„ don meer te hoopen is maar dat inteegen„ deel zijn leeven zelvs aan het grootste ge„ vaar geexponneerd word. Dat dies na het inzien deeser vergadering niets is dat Maddoegodde appoe en Bad„ dewokke arraatje zal doen besluiten de vlugt teneemen, dan het gebrek van Dat toerijkende 467 toerijkende bewijsen om hunne beschuldigen waartemaaken. Dat men egter vertrouwen mag dat zij zig dien aangaande heel zeeker agten wijl zij w scheinlijk anders niet zouden opgekoomen zijn temeer wijl dit de Conditie van hun Baadon is. Dat indien egter geduurende het ondersoek van zaaken het eenigzints twijffelagtig mog„ te worden dat gem: Maddoegodde appoe en Baddewokke arraatje haare opgaaven mog„ ten kunnen bewijsen, men als dan ten eersten „ zal konnen besluijten om hun te arresteer en raff te zetten. Dat eindelijk het zeer waarscheinlijk is, dat indien Maddegodde appoe en Bad„ dewokke aaraatje op eene uijterlijk guns„ tige wijze behandeld worden. dit eene aan„ moediging zal zijn, voor alle de geenen die iets nopens de laatste revolte mogten te verklaaren hebben. Daar inteegendeel wanneer deese beide menschen nu mog„ ten vast geset worden dit ligtelijk eenen verheerden indruk bij de overige inge„ seetenen zoude kunnen maaken en vrees veroorsaaken en zelvs de getuigens van Maddegodde appoe en Baddewokke arraat„ „se besoagd maaken. om de waarheid, indien Maddegoode appoe en Baddewae„ ke aaraatje bij geval eensgelijks mogte hebben, opregt te verklaaren, uit vrees„ dat zij getuigen ook mogte gearresteerd en opgepakt worden. En is uijt hoofde van het voorsz: goed „gevonden en verstaan Maddegodde appre en Baddewokke arraatje beijden vrij en na hun eijgen ver„ te gale te laaten rond gaan, kiesing onder sodaanige oppassingen en toezigt, waar door men zig genoegzaam mag verseekerd houden dat deese beijde per„ soonen geen enkelde stap kunnen doen zonder dat de Heer Commandeur seeteren daar 468 Colombo. Sekreet. daar van tot desselvs naaigt de noodige kennis verkrijge. Aldus geresolveerd in de stad Gale ten dage voorsz: /:was geteekend:/ P: Sluijsken M: v: Der Spaa, L: Aems, N: B: Martheze, C: F: w: De Ranits J: J: D: D Estandau, A: E: de Lij, P: w: Fr: A: van Schulea, P: De Vos en C: Z: B: van Albe dijke /:onderstond:/ accordeert:/ geteekend:/ J: H: Brechman g' kleuk: Wij hebben de eere uwel Edele gestrenge groot agtb: bij deesen aantebieden onse sekreete resolutie van gisteren, waar op wij hoog desselfs g'eerde dispositie ten spoedig „sten te gemoed zien, om in de geleegen= „heijd te zijn hoog derzelver g'eerde intentie best doenlijk te kunnen opvolgen Wel Edele gestrenge Groot Agtb: Hoog Gebiedende Heer Aan den wel Edelen Gestrengen groot agtb: heer Willem Jacob van de Graaff Raad ordinair van nederlands Jndia, gou„ „verneur en direkteur van het Eiland Ceilon met dies onderhoorigheeden neevens den raed. Accordeert Corns: Johann:s Idle gezeeklerk om: 469 Om het onderzoek waar toe wij aangaende de Laeste ofstand onder de ingezeetenen besloot hebben behoorlijk en zonder uitstel: te ku nen volbrengen hebben wij reeds aan den E: dessave Raket order gegeven, om eenige perzoonen die Maddegodde appoe opgenoemd heef ten eersten op tesenden. Hoe zeer wij tans ook aangezien Baddewokke araatje en Maddegodde appoe hier te gale zijn, zoude moogen veronderstellen dat het zenden van militairen in het land niet meer noodig is, verzoeken wij egter uwel Edele gestrenge groot agtb: beveelen dien aangaende nader vereerd teworden. Ook neemen wij in vertrouwen van gunstig wel duijding de vrijheijd uwel Ed: gestrenge groot agtb: eerbiedigst te verzoeken om de voorMature en ter assistentie van den E: Dessave bestemde dienaaren hoe eer zoo beeter derwaards te willen zenden, alzoo wij veronderstellen, dat zulks in de tegenwoordige gesteltheijd van zal Akkordeert. „ken nu een naukeurig onderzoek na de oor- „sprong der revolte gedaen word van veel nut zal zijn, om de Jngezeetenen meer en meer in het denkbeeld te bevestigen dat „men hunne belangens wil onderzoeken en hunne welvaard behartigen. Met de beste geaoelens van eerbied, hebben wij de eere te zijn /:onderstont:/ wel Edele gestrenge groot agtb: hoog gebiedende heer uwel Edele gestrenge groot agtb: onderdanige Dienaaren /:was geteekent:/ P=r Sluijsken, M:s van der Spar, N: B: Martheze A: E Delij, C: L: B: van Albedijhl /:in margine:/ gale den 2:' 9ber: anno 1798: Corns: Johanns: Idé gezeeklerk „ken: No: 47 Wahlberg Nagezien

NL-HaNA_1.04.02_3921_0589 view scan ↗

English

No. 46. Copy Book. Secret Revised Gale To the Gentleman Pieter Sluijsken, Commander, Together with the Council There Valiant, Prudent, Discreet, We find it in the highest degree reprehensible that you could have seen fit to leave unexecuted the positive orders given to you in our letter of 26 October last concerning Madoegodde Appoe. We reiterate the same hereby, and order with the greatest gravity that you comply with them and cause them to be complied with immediately, and without any further delay. If Madoegodde Appoe further excuses himself in this regard, or should dare to ask for a further postponement, he must immediately be transferred to the criminal prison. This must likewise happen if the accusations he makes, and what he presents to prove those accusations, are not of such a nature that according to the rule of law the investigation into the accusations brought by him against many prominent native chiefs, which would allegedly be the causes both of the recent uprising in the Maturese Dessavonie and of the continuation thereof, can be founded upon them. Meanwhile, it must be adequately ensured that Madoegodde Appoe does not escape, and if that cannot happen in any other manner that completely secures his person for you, he must without delay be placed under military arrest. As soon as Madoegodde Appoe shall have made his declarations, you must immediately examine the same in your assembly, and decide thereupon as you shall find to be of the best service to the Company. Until this shall have occurred, no people named by Madoegodde Appoe from the Maturese Dessavonie or elsewhere must be summoned or heard. As far as Baddewokke Aratje is concerned, if no other measures can be taken against him that assure you he cannot escape, he must also immediately be placed under military arrest, just as we ordered in our letter of 26 October last. From those who delivered the ola to Madoegodde Appoe, a copy of which we received with your letter of 30 October last, a statement must be taken as to when they left, along which road, and whereto, and whether they met Madoegodde Appoe before he arrived in Gale, and if so, where and when, as well as whether they delivered the ola to him, and if so, where and when, and who were present there. This statement must be forwarded to us at the earliest opportunity. Also, upon receipt of this, there must be sent to us the report and the note of the members of the police mentioned in your resolution of the 1st of this month. Because the dispatching of commandos into the field had only the objective of preventing Madoegodde Appoe from further insulting the Company on its own territory, and to capture him if possible, whether alive or dead, and because these reasons have now lapsed, it goes without saying that these commandos do not need to be maintained. We await an answer to this at the earliest. For the rest, after greetings, we remain, underneath stood: Valiant, Prudent, Discreet, Your Good Friends, was signed: W. J. van de Graaff, C. van Angelbeek, B. L. van Zitter, A. Samlant, and in the margin: Colombo, 4 November Anno 1790. Agrees, Corns. Johannes Idé To the Right Honorable, Highly Esteemed, and Worshipful Lord, Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of Netherlands India, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, together with the Council. Right Honorable, Highly Esteemed, Worshipful, High-Ruling Lord, We had the honor of receiving your Right Honorable, Highly Esteemed, and Worshipful letter of the 4th of this month, from which we discover with great sorrow that we have been negligent in complying with your Right Honorable, Highly Esteemed, and Worshipful positive orders given to us in the letter of 26 October last regarding Maddegodde Appoe. We request on that account a favorable excuse, and take the liberty [illegible]

Dutch transcription

No. 46. C: Bouck. Aan Den Heer Nagezig Gale Pieter Sluijsken, Kommandeur, Nevens Den Raad Aldaar Manhaften voorzienigen Diskreeten wij vinden het ten hoogste kwaalijk, dat UE. hebben kunnen goetvinden, om onuitgevoert te laaten gte stellige beveelen, aan uE: gegeeven bij onzen brief van den 26:' otober J:o leede nopens Madoe„ godde Appoe, wij herhaale dezelve door deezen, en gelasten met de grootste ernst, om daar aan nu aanstonds, en zonder eenig ver„ der uitstel, te voldoen en telaeten voldoen zoo Madoegodde Appoe zig derwegens verder verschoont, of om nader uitstel waegen mogt, moet hij aanstonds worde overgebragt in Cra„ mineele gevangenis. Dit moet insgelijks geschiede; in die de beschul„ diginge die lig doet, en 't geen lig opgeeft om die beschuldiginge te bewijsen niet is van dien aart, dat naar stijl van rechten daar op Sekreete kon 470 471 kan worden gefundeert 't onderzoek der schuldiginge, door hem teege veele voor naame inlandsche hoofde ingebragt, di zo naamelijk zoude zijn de oorzaeken, zoo van den Jongsten opstand in de Materesche Des vonie, als van de voortduuring daer van Jn tusschen moet op eene toerijkende wijze worden ont„ gezorgd, dat Madoegodde Appoe niet„ komt en zoo dat niet anders geschieden kan op een wijze, die uE: volkomen van zijn perzoon verze„ kert, moet hij zonder uitstel worden genoomen in militair arrest. Zoo dra Madoegod de Appoe zijne opgaven zal hebben gedaen, moeten uE: dezelve ten eersten in uE ver goedering examineere, en daar op zodanig be„ sluiten, als uE: ten meeste dienste van de komp zullen bevinden te behooren. tot zoo lange dat dit zal zijn geschied, moeten geen luiden door A doegodde Appoe opgegeeven, uit de Materete Dassavonce of elders worden op ontbooden, nog gehoord wat Baddewokke arraatje aangaat, zoo ook tege hem geene andere maatregels kunnen worden ge„ nomen, die uE: verzeekere dat sig niet kan ont„ koomen, moet hij ook te eerste worden gesteld is militaire arrest, zoo als we dat aange„ schreeven hebben bij onsen brief van den 26. ok tober J:o leeden. van de geene die de ola aan Madoegodde Appoe, waar van we de kopij bij uwe brief van den 30. ' ok„ tober pleeden hebben ontvangen, hebben weggebragt, moet eene verklaaring genoomen worden, wanneer te zijn vertrokken, langs welke weg en waar na toe, en of ze Madoegodde Appoe, voor dat hij te Gale is aangekoomen, hebben ontmoet, en zoo ja, waar en wanneer, als meede of te de ola aan hem lee„ steld hebben, en hoofd, waar en wanneer, en wie daar lig present zijn geweest Deze verklaaring moet ons ten eerste worden toegehouden. ook moeten ons op den ontvang deezes worden toegezonden 't rapport en de aanteekening van de leeden van politie, vermeld bij uE: resol. van den 1=' deeser wijl 't zends van kommandos in 't land alleen te oog„ merken had, om te voorkoomen dat Madoegod de Appoe de Komp:, op haar eige grond gebeed niet verder beleedigde; en om hem des moogelik op„ tevatten, 't zij levendig of dood, en dat deeze rede„ nen nu zijn vervalle, spreekt 't van zelve, dat deeze Kommandos niet behoeve te worden gehouden. we verwagten hier op ten eerste antwoord wij blijven voor 't overige na groete /:onderstond:/ Manhaften voorzienigen Diskreeten uE: Goede vriende /: was geteekend:/ w: J: van de Graaff, C: van An„ gelbeek, B: L: van Zitter, A: Samlant /: en„ van Nt. „morgiere:/ 472 Colombo Sekreet Nagezien Wechlberg margieee.:/ holembo & 4. November A. o 1790. Ackordeert Corns: Johianns Idé Aan den wel Edelen Gestrengen Groot agtb: heer Willem Iacob van de Graaff, Raed ordinair van nederlands Jndia, gou= „veeneur en direkteur van het Eiland Ceilon met dees onderhoorigheeden neevens den raad. wel Edele Gestrenge Groot Agtb: Hoog gebiedende Heer Wij hebben de eere gehad te ontvangen uwel Ed: gestrenge groot agtb: g'eerde sekreete brief 11 van den 4. ' deeser waar bij wij met zeer veel leedweesen ontdekken nalatig te zijn geweest in het nakoomen van uwel Ed: gestrenge groot agtb: stellige beveelen bij brief van den 26: 8ber: Jongst leeden aangaende Maddegodde appoe aan ons gegeven, wij verzoeken desweegens om eene gunstige verschooningen neemen om. gezueklerk

NL-HaNA_1.04.02_3921_0592 view scan ↗

English

in order to obtain the same, to take the liberty hereby to detail what the motives of our conduct regarding this Madoegodde appoe have been since his last return to Gale. By your same already mentioned letter of the 26th of October last, we were ordered to have Madoegodde appoe give his accusations, and the proofs thereof, distinctly. This was demanded of the said Madoegodde appoe by specially commissioned members from our council, precisely as was ordered by your Honour, as the enclosures hereto under numbers 1 and 2 indicate. Madoegodde appoe having testified to the said commissioned members that, in order to show and verify everything clearly, he needed several persons from the Maturese dessavony, we encountered no difficulties in summoning some of these persons from Mature, in order thereby to place Madoegodde appoe in a position to be able further to state and prove his accusations. Madoegodde appoe raised difficulties about stating his accusations extensively and distinctly without the assistance of some other persons. However, this statement was ordered by your Right Honourable Sir in the aforesaid letter. We decided to have the necessary persons come up, not only out of a sense of dutiful obedience, but also because we moreover had to presume that not the least reliance could be placed on an extorted declaration from Madoegodde appoe, and furthermore that if he were forced to relate his accusations extensively and immediately, We cannot understand, with submission to wiser judgment, what bad consequences our conduct could have, and we could also not imagine that we would make ourselves guilty of disobedience through our resolutions, which were taken with the best intentions for the true welfare, as we now experience with regret. and to prove them, he might easily in the future, if one were to convict him of some contradiction, say that these contradictions had arisen because he had been given neither time for deliberation nor the requested assistance. If we have erred, it must be because, in order to discover the truth of Madoegodde appoe his assertions, we have for that purpose summoned some persons from the Maturese Dessavony. We could not possibly presume that we were acting wrongly in this, because by your Right Honourable Sir's letter of the 17th of August last, when peace had only recently been restored in the dessavony, it was already recommended to us also to summon and interrogate the witnesses to whom Madoegodde appoe might refer in order to prove his statements. Which order we now rightly believe we may apply, as your Honour, in your letter of the 26th of October written regarding Baddewokke arraetje, positively orders us to conduct a most accurate investigation into everything that has been stated and that can serve toward any clarification of what occurred during the recent unrest at Mature; which investigation, according to our humble view, insofar as the obligatory considerations of the Gale government may extend, cannot well be properly accomplished without apprehension unless the persons appearing therein as witnesses are also heard and interrogated. We shall, this very day, have the recommended statement to be made by Madoegodde appoe begun by him alone, and have him placed in criminal arrest without any objection or deliberation if he asks for any further delay, which is not to be expected, since he requested yesterday to be allowed to submit in writing what he had to say, which has also been granted to him. Meanwhile, every possible care shall be taken, and as written, your Right Honourable Sir will have perceived from our resolution of the 1st of this month, it will be ensured that neither Madoegodde appoe nor Baddewokke arraetje can remove themselves from here. Regarding the decisions to be taken on the declarations of Madoegodde appoe and Baddewokke arraetje after they shall have been completed, we request your Right Honourable Sir to be pleased to instruct us for our guidance: 1. whether the witnesses who appear herein may be summoned and interrogated. 2. if Baddewokke arraetje and Madoegodde appoe actually prove their statements with witnesses, and thereby demonstrate the authors of the latest revolt, how we shall have to conduct ourselves with regard to the persons accused by them. The persons who brought Madoegodde appoe the ola from the undersigned Commander will pass the recommended declarations this very day, and we shall have the honour of presenting the same to your Right Honourable Sir at the earliest opportunity. We attach hereto the report and the notes kept and submitted concerning Madoegodde appoe. Herewith we hope to have answered your Right Honourable Sir's honoured letter of the 4th of this month; we most respectfully request to be provided with your Honour's honoured remarks, and call ourselves with the greatest sentiments of high esteem, below stood, Right Honourable Sir, high-commanding Lord, your Right Honourable Sir's humble servants, was signed, P:r Sluijsken, L: Scheede, M: van der Spar, L:s Aams, N: B: Martheze, J: J: D: De Egtendau, A:r C: De Lij, C. L: B: van Albedijhl. In the margin, Gale the 6th of November 1790. Lower, P: S: We also offer your Right Honourable Sir herewith the two full translations of both olas written by Madoegodde appoe to the undersigned Commander himself.

Dutch transcription

473 om deselve temoogen verkrijgen de vrijheijd bij deese te detailjeeren welke de motieven van ons gedrag nopens deesen Madoegodde appoe zeedert zijne laatste terug komste op gale geweest zijn. Bij hoog derselver reeds gemelde brief van den 26.:' 8ber: Jongst Leeden, zijn wij gelast, om Mado „ godde appoe disctinktelijk zijne beschuldi„ gingen, en de bewijsen van dien optelaaten geeven. Dit is door Expres gecommitteerde leeden uit onsen raed van gem: Madoegodde appoe g'eischt en wel zodanig als door hoog deselve gelast is, gelijk de bijlaegen deeser onder n:o 1. en 2: aanwijzen Madoegodde appoe aan gem: gecommitteerde Leeden betuijgd heb= „bende, dat hij om alles duijdelijk aantewij „zen en waar temaeken verscheijde perzoonen uit de Matureesche dessavonij nodig had, hebben wij geen swarigheeden ontmoet om eenige deeser perzoonen van Mature op te on bieden, ten eijnde daar door Madoegodde appe in de geleegenheijd te dringen zijne beschul digingen, nader te kunnen opgeeven en bewijsen Madoegod de appoe maekte zwaarigheijd zijne beschuldigingen uijtgebreijd en dis- tinktelijk oplegeeven zonder behulp van nog eenige perzoonen. Echter was deese opgaeve door uwel Edele gestr groot agtb: bij voorsz: brief belast. wij beslooten de noodige perzoonen telaaten opkoomen, niet alleen om pligtschuldig te gehoorzaemen maar ook wijl wij nog bodven dien veronder stellen moesten dat op eene afgedwongene verklaring van Madoegodde appoe geen de minste staet temaeken was, en voorts dat indien hij gedwongen wierd om onmiddelijk zijne beschuldigingen uitgebreijd te verhaelen Wij kunnen met onderwerping aan wijzer ge= voelen niet begrijpen welke kwaede gevolgen ons gedrag zoude kunnen hebben, en wij konden ons ook niet voorstellen ons aan ongehoorzaem= „heijd door onse besluijten die met de beste intentie voor het waare wel zijn genoomen zijn, te zullen schuldigmaeken, gelijk wij nu met leedweesen ondervinden wij en: 474 en te bewijsen hij ligtelijk in het ver „volg wanneer men hem van eenige Contra diktie mogt overtuijgen, zoude konnen zeggen dat deese Contradikities voortgekoomen wae„ „ren, wijl men hem geen tijd van beraed nog de gevraegde hulp gegeven had. zoo wij geveild hebben moest het weesen, wijl wij om de waarheijd van Madoegodde afpoe„ zijne voorgaeven te ondervinden daar toe eenige perzoonen uit de Matureesche Dessa „vonie hebben op ontbooden. wij konden ons omnogelijk veronderstellen, hier door kualijk te handelen, wijl ons door uwel Ed: gestrenge groot agtb: bij brief van den 17:' aug:s Jongst leeden toen de rust in de dessavonij eerst kortelings hersteld was, reeds aanbevoolen word om ook te getuijgen waar op zig Maddegodde appoe mogt beroepen om zijne opgaeven te bewijsen op te ontbieden en te verhooren. welke order wij nu met regt meenen applicabel temoogen maeken, wijl hoog deselve ons bij derselver brief van den 26:' 8ber: nopens Baddewokke arrae„ geschreeven stellig gelasten om na alles wat opgegeven is en tot eenige ophelderingen van het voorgevallene in de Jongste onlusten temature strekken kan, telaeten doen een allernaukeurigst onderzoek; welke onder= zoek dat naar ons nedrig inzien, in zoo verre de verpligte bedenkingen van de gaelse regeering zig moogen strekken, zonder bedugd „heijd kan geschieden niet wel gelijk behoord kan worden volbragt, zonder dat de daar bij als getuijgens voorkoomende perzoonen meede gehoord en ondervraegd worden. Wij zullen nog heeden de aanbevoolene door Madoe godde appoe te doene opgaeve door hem alleen laaten beginnen en hem sonder eenige bedenking of overweeging in Crimineel arrest laaten brengen, zoo hij eenige verder uitstel vraegd, het welk niet te denken is, wijl hij gisteren verzogt heeft, het geen hij te zeggen had in geschrifte temoogen overgeeven, het geen hem ook geaccordeerd is. Alle mogelijke zorge zullen intusschen, en gelijk geschreeven: uurl: 475 uwel Ed: gestrenge groot, agtb: bij onse resolutie van den 1:' deeser ontwaard hebben, bevessend worden dat nog Madoegodde appoe nog Badde „wokke arraetje zig van hier kunnen verwij- „deren. Aangaende de teneemene besluijten op de verklae„ ringen van Madegodde appoe en Baddewokke arraetje na dat die zullen zijn volbragt ver= zoeken wij uwel Ed: gestrenge groot agtb: ons tot onse narigt ons tewillen onderrigten. 1. of de getuijgens die hier bij voorkoomen moogen worden op ontbooden en verhoord. 2: wanneer Boddewakke arraetje en Madoegedde appoe werkelijk met getuij „gens haere opgaeven bewijsen, en de au theurs van de laetste revolte daar door aantelhoonen hoe wij ons omtrent de door hun beschuldigde perzoonen zullen hebben te gedraegen. De perzoonen die Madegodde appoe de ola van den ondergetekende Commandeur gebrag hebben, zullen nog heeden de aanbevoolene verklaringen passeeren en wij zullen de eere hebben uwel Ed: gestr: groot agtb: de selve ten eersten aan te bieden. wij voegen bij deese het rapport en de aantekenin- gen nopens Madoegodde appoe gehouden en overgelegd. Hiermeede hoopen wij uwel Ed: gestr: groot agtb: g'eerde letteren van den 4:' deeser beantwoord te hebben, wij verzoeken eerbiedigst ons hoog der selver g'eerde aanmerkingen te willen laaten toekoomen, en noemen ons met de meeste ge „voelens van hoog agting /:onderstont :/ wel Edele gestrenge groot agtb: hoog gebiedende heer uwel Ed: gestrenge groot agtb: onderdanige dienaaren /:was geteekent:/ P:r Sluijsken, L: scheede, M: van der Spar L:s Aams, N: B: Martheze, J: J: D: De Egtendau A:rC De Lij C. L: B: van Albedijhl /:in margine/ gale den 6:' 9ber: 1790. /:lager:/ P: S: wij bie den uwel Ed: gestr: groot agtbaare ook bij deesen aan, de twee volleedige trans- laaten die beijde olassen, door Madoegodde appoe aan de ondergeteekende Conmandeur „selve. geschreeve:

NL-HaNA_1.04.02_3921_0595 view scan ↗

English

476 Colombo Secret Examined. Terspalls Written and demanded by His Excellency by letter of the 26th of October last past. Agrees, Cornelis Johannes Velé To the Right Honourable, Valiant, and Highly Esteemed Lord Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of Dutch India, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, together with the Council. Right Honourable, Valiant, Highly Esteemed, High-Commanding Lord, Pursuant to Your Right Honourable, Valiant, and Highly Esteemed Lordship's order by letter of the 4th of this month, we have caused Madoegodde Appoe to be further interrogated by two members of our assembly, and by the same such statements have been made as are noted in the enclosures hereto under Numbers 1 and 2, and as a translation 477 of an ola, Number 3, submitted by the said Madoegodde Appoe, indicates. We have brought these statements into deliberation today at a meeting held expressly for that purpose, in order to consider whether the same are of such a nature that, according to the rule of law, the investigation of the accusations brought against many prominent native chiefs by Madoegodde Appoe and Baddewokke Aratchy could be founded upon them. Since Madoegodde Appoe persists in his accusation, and says that upon further investigation of matters the same shall be stated and proved point by point, we have, in view of the weight of the matters, resolved to propose to Your Right Honourable, Valiant, and Highly Esteemed Lordship, as is respectfully done by this letter, that permission be granted to begin a formal investigation into that which Madoegodde Appoe has stated and shall further state. We are all the more moved to this since, apart from what has been stated by Madoegodde Appoe and Baddewokke Aratchy, other accusations have also come in, which make the suspicion probable that some among the native chiefs may be guilty. Your Right Honourable, Valiant, and Highly Esteemed Lordship will find this in the enclosures under Numbers 4, 5, and 6: the first being the translation of an ola submitted by Don David, former Vidane Aratchy of Attoerlije, containing some accusations against the Mudaliyars of Matara, Illangakoon and Goeneratne; the second, a translation of a Sinhalese ola which the just-mentioned Don David declared was written by Goeneratne Mudaliyar to the gathered and rebellious inhabitants; and the third, the summary of an ola submitted yesterday by a Mataran Sinhalese named Abraham Paidoes. Apart from the aforesaid papers, people are busy having olas translated that are not yet ready to be presented to Your Right Honourable, Valiant, and Highly Esteemed Lordship; these olas were delivered to the undersigned Commander by Don Simon Mohandiram of the Kandebaddepattoo, 478 and along with them he sent some other olas which, if it is true that our chiefs are the authors thereof, clearly prove their understanding with the mutineers. We hope that Your Right Honourable, Valiant, and Highly Esteemed Lordship, in view of the aforesaid, will be pleased to approve our resolution for a formal investigation, to begin which investigation we await Your Right Honourable, Valiant, and Highly Esteemed Lordship's honoured orders, and, in the confidence of a favourable interpretation, we further inquire: 1st: Whether the witnesses appearing in this investigation shall be summoned, and 2nd: How we shall have to conduct ourselves toward the chiefs who are under suspicion. We also present herewith to Your Right Honourable, Valiant, and Highly Esteemed Lordship the copy of a petition by those arrested within the fortress upon the accusation of the Shabandar Mudaliyar Don Balthazar Dias that they had stirred up the rebellion among the inhabitants in the Galle Corle—namely, the Mudaliyar of the Galle Corle and Timber-dragging, and the former Atapattu Mohandiram Mandenaike—wherein they declare that the said Shabandar Mudaliyar, and not they, engineered the conspiracies of the inhabitants, undertaking to prove this within fourteen days, provided the said Shabandar Mudaliyar be placed under military arrest. We have also taken the aforesaid petition into deliberation in our assembly, and considering that it is nothing but equitable and thoroughly just to grant the request of the petitioners, since they submit themselves to the rigour of the laws in default of proof, and they themselves were also arrested upon a similar accusation of the Shabandar Mudaliyar, we resolved to have the said Shabandar Mudaliyar arrested, in order to afford his accusers full opportunity to prove and substantiate their statements within fourteen days, as they have undertaken, just as he, the Shabandar, has also been in a position to do for three months now, without, however, having yet produced it. However, we thought it best to defer the execution of this resolution until we shall have received Your Right Honourable, Valiant, and Highly Esteemed Lordship's honoured approbation or pleasure concerning it. We pray Your Right Honourable, Valiant, and Highly Esteemed Lordship to send us your orders as soon as possible, and to be assured of the respect with which we subscribe ourselves, Right Honourable, Valiant, Highly Esteemed, High-Commanding Lord, Your Right Honourable, Valiant, and Highly Esteemed Lordship's humble servants. Was signed: P. Sluijsken, L. Scheede, M. van der Spar, N. B. Martheze, A. P. Delly, C. L. B. van Albedijk. In the margin: Galle, the 9th of November, anno 1790. Agrees, Cornelis Johannes Idé, Sworn Clerk

Dutch transcription

476 Colombo Sekreet nagezien. Terspalls geschreeven en door hoog deselven bij brief van den 26:' 8ber: Jongst leeden opg'eischt Akkordeert Corns: Johanns: Velé Aan den wel Ed: gestrengen groot agtb: heer Willem Jacob van de Graaff, Raad ordinair van nederlands Jndia, gou- „verneur en direkteur van 't Eiland Ceilon met dies onderhoorigheeden neevens den raed. Wel Edele Gestrenge Groot Agtbaere Hoog gebiedende Heer Ingevolge uwel Edele gestrenge Groot agtb: bevel bij brief van den 4:' deeser, hebben wij Madoegodde appoe door twee leeden uit onse vergadering naader laaten verhoo= ren en door denselven zijn zodanige opgaeven gedaen, als bij de bijlaegen deeser onder n:o 1: en 2: aangeteekend is, en een Translaet gezeeklerk No ola: 477 ola n:o 3: door gemelde Madoegodde appoe inge= diend aanwijst. Deese opgaeven hebben wij heeden ter deliberatie gebragt en een Expres ten dien eijnde gehouden bijeenkomst om te overleggen, of deselve van dien aart zijn, dat, naar stijl van regten daar of zoude konnen worden gefundeerd het onder zoek der beschuldigingen door Madoegodde appoe en Baddewokke arraetje teegen veele voornae„ „me Jnlandsche hoofden Jngebragt. wijl Madoegodde appoe bij zijn beschuldiging blijft persisteeren, en zegd dat, bij verder on= derzoek van zaeken, deselve post voor post zullen aangegeeven en beweerd worden. zoo hebben wij aangezien het gewigt der zaeken beslooten uwel Ed: gestrenge groot agtb: voort te stellen, gelijk eerbiedig geschied door deesen om een formeel onderzoek temoogen laaten beginnen van 't geen Madoegodde appoe op gegeven heeft, en nog verder opgeeven zal. wij zijn hier toe te meer bewoogen wijl uit „gezondert 't geen door Madoegodde appoe en Baddewokke araetje opgegeven is, nog andere beschuldigingen ingekoomen zijn, die de suppitie, dat eenige onder de inlandsche hoofden schul„ „dig kunnen zijn, waarschijnlijk maeken. Dit vind uwel Ed: gestrenge groot agtb: bij de bij „laegen onder n:o 4. 5. en 6: zijnde het eerste het translaat van een ola door Don David geweese vidaen arraetjes van attoerlije overgelegd inhou- „dende eenige beschuldigingen teegens de mod:s van Mature Jllangakoon en Goeneratne Het tweede een Translaat singaleese ola, die even gem: Don David verklaard heeft, dat door Goe neratie mod:r aan de zaemen gerotte en oproerige Jngezeetenen zoude geschreeven zijn. En het derde de korte inhoud van een ola gisteren door een Matureesche singalees Abraham Paidoes ge naemd overgegeven uitgezondert de voorsz: parpieren is men bezig om olassen te laaten translateren die nog niet gereed zijn om uwel Ed: gestrenge groot agtbaere te kunnen worden aangebooden deese olassen heeft Don Simon Mohandiram van de kande„ en: baddepattoe: 478 badde pattoe aan de ondergetekende Commandeur bezorgd en daar bij eenige andere olassen gesonden die, indien het waar is dat onse hoofden op stel„ „lers daar van zijn, duijdelijk hunne verstand „houding met de muijtelingen bewijsen. Wij hoopen dat uwel Ed: gestrenge Groot agtb: aangezien het voorsz:, ons besluijt, tot een formeel onderzoek, zullen gelieven te approbeeren welk onderzoek te beginnen wij uwel Ed: gestrenge, groot agtb: g'eerde order verbijden, en in vertrouwen van gunstige welduijding nader vraegen 1:e of de getuijgens, bij dit onderzoek voorkoomende zullen op ontbooden worden en 2:e Hoe wij ons teegen de in suspitie leggende hoofden zullen hebben te gedraegen. Wij bieden uwel Edele gestrenge groot agtb: bij deesen ook aan het afschrift van een request door de, op de beschuldiging van den saban= „daar modliaar Don Balthazar Dias, dat zij de oproer onder de ingezeetenen in de Galacorle zoude verwakt hebben, binnen de vesting gearresteerde, de Modliaar van de Gale korle en Houtsleep, en de geweese attepattoe Mohandiram Mandenaike, waar bij zij ver „klaeren dat gemelte sabandaar Modliaar en uit zij, de zamenrattingen der ingezeete „nen bewerkt heeft, aanneemend, dit binnen voertien daegen, te bewijsen mids ged: saban daar modliaar in militair arrest genoo= men worden Wij hebben het voorsz: request ook in onse vergadering ter deliberactie getrokken, en uit aanmerking, dat het niet dan billijk en hoofft regtvaardig is, het verzoek der supplianten toetestaan wijl zij zig bij mankementen der be„ wijsen, aan de strenge der wetten onderwerpen, en hij zelve ook op een diergelijke beschuldi„ ging, en keld van den sabandaar Modliaar gearresteerd zijn, beslooten om gem: sabandaar Modliaar te laaten arrestenren, ten eijnde zijne beschuldigers volkoomen in de gelee= „genheijd testellen, hunne opgaeven, binnen veertien daegen gelijk zij aangenoomen hebben, vasting: te: te bewijsen en waartemaeken, even gelijk hij Salandaar ook, nu drie maenden lang, zonder egter als nog uitte koomen, in de gelee genheijd geweest is. De Executie van dit besluit hebben wij egter best gedagt uittestellen tot dat wij de swee „gens uwel Ed: gestrenge Groot agtb: g'eerde appro „batie, of welbehaegen daar op zoude hebben ontvangen. Wij bidden uwel Ed: gestrenge Groot agtbaere ons ten spoedigsten derselver beveelen toete senden en verseekerd te sijn van de eerbied waarmeede wij ons neemen /:onserstont:/ wel Edele gestrenge Groot agtb: hoog gebiedende hee uwel Ed: gestrenge groot agtb: onderdanige dienaaren /:was geteekent:/ P=r Sluijsken L: scheede, M: van der Spar, NaB3:t Marth A: P: Delij„ C: L: B: van Albedijkl /:in magine:/ Gale den 9:' 9ber: anno 1790. accordeert Corns. Johanns: Idé gezeeklerk

NL-HaNA_1.04.02_3921_0599 view scan ↗

English

No. 50. 479 Checked. Tuesday the 9th of November 1790. Present. The Honorable Commander Peter Sluijsken, The Honorable Major and Commandant Iohan Lodewijk Scheede, The Honorable Administrator Mattheus van der Spar, The Honorable Master Attendant Lucas Atems, The Honorable Pay Bookkeeper Nicolaas Bernardus Martheze, The Honorable Purveyor Christiaan fredrik Willem de Ranitz, The Honorable Fiscal and Cashier Jean Jacques David d' Estendau, The Honorable First Warehouse Master Master Andreas Everhardus de Lij, The Honorable Shopkeeper and Commissioner of Areca Pieter de vos, The Honorable Secretary Carel Ludewich Baron van Albedijhl. The meeting being opened, the Lord Commander made known that His Honor, pursuant to an order obtained from the revered Government of Ceylon by letter of the 26th of October and reiterated by letter of the 4th of this month, had caused Madoegodde appoe to be questioned by two specially commissioned members from this meeting, in order to distinctly state: 1. The points of accusations which he has to bring specifically against each of the persons accused by him. 2. The names of the witnesses whom he has as proof of each point of his accusations, and what each of these witnesses can testify with regard to each of these points. Resolution Taken in the Council of Galle. That His Honor had called this meeting to examine the received documents containing what was stated and declared by Madoegodde appoe, in order to ascertain whether that which was stated and declared by Madoegodde appoe is of such a nature that, according to the style of law, the investigation of the accusation brought by him against many prominent Native Chiefs may be founded upon it, namely that they were the causes of the beginning and continuation of the recent revolt in the Maturese Dissavony. Thereupon were read: A report from the Honorable members Martheze and van Schuler of the 31st of October last; Two notes from the said Honorable members of the first of this month; A translation of a Sinhalese complaint ola addressed by Madoegodde appoe to the Lord Commander; A translation of a Sinhalese letter ola, also written by the said Madoegodde appoe to the Lord Commander; Two notes kept by the Honorable members Martheze and D' Estandau on the 6th and 7th of this month; and A translation of a Sinhalese ola from the said Madoegodde appoe and Baddewokke arraatsje handed over to the aforementioned Honorable members Martheze and D' Estandau. The aforementioned papers having been resumed with attention, it was noted that Madoegodde appoe: 1. Remains persisting in his accusations. 2. That he desires an investigation of the matters. 3. That he names more than thirty persons who should testify to his statements. And thereupon it was judged with unanimity of votes that the statements and declarations made by Madoegodde appoe are of such a nature that, according to the style of law, the investigation of the accusations made by him against various Native chiefs can be founded upon them. And taking into consideration here in addition that which was declared by Baddewokke arraatje, and other accusations that have come in, as among others by: A translation of a Sinhalese ola submitted by Don David, former vidaan arraatje of attoerlize, together with; A translation of a Sinhalese ola, which the aforementioned Don David declares was written by the Maturese Mudaliyar of the Belligam Corle, Goeneratne, to the mutineers, in order to encourage them to continue the revolt; and A Sinhalese ola, marked by a certain Abraham

Dutch transcription

No. 50. 479 nagesien. serspalb. Dingsdag den 9:e November 1790. Prezent. de E: E: Achtbaare Heer Commandeur Peter Sluijsken, „ E: Majoor en Commandant Iohan Lodewijk Scheede, „ E: Administrateur - - Mattheus van der Spar E: Equipagiemeester - Lucas Atems E: zoldij boekhouder Nicolaas Bernardus Martheze E: Dispencier Christiaan fredrik Willem de Ranitz E: fiskaal en Classier Jean Jacques David d' Estendau E: Eerste Pakhuismeester M:r Andreas Everhardus de Lij E: winkelier en Commissaris van den Arreek Pieter de vos E: sekretaris Carel Ludewich Baron van Albedijhl De vergadering geopend zijnde, gaf de Heer Commandeur te kennen, dat zijn Ed„ ingevolge erlangde order der g'eerde Ceilonsche Regeering bij brieve van den 26. oktober en herhaald bij brief van den 4: deezer, door twee expresse gecom„ „mitteerde leeden uit deeze vergadering, Madoegodde appoe had laaten afvraagen om distinctelijk optegeeven. 1. De poincten van beschuldigingen die hij teegens een elk der door hem beschuldigde persoonen in het besonder heeft intebrengen 2. / De naamen der getuigens die hij heeft ten bewijze van elk poinct zijner, beschuldi„ „gingen, en wat een elk deezer getuijgens met be„ „trekking tot een elk deezer pointen getuigen kan„ Resolutie Genoomen in Raade van Gale Dat O op 480 Dat zijn Edele deeze vergadering had laaten beleggen, om de ingekoomene stukken, inhou „dende het opgegeevene en verklaarde door Madoegodde appoe te examiineeren, ten einde te ontwaaren of het geene door Madoegodde appol opgegeeven en ver„ „klaard was, van dien aard is, dat naar stijl van regten daarop kan worden gefui „deerd, het onderzoek der beschuldiging, door hem teegen veele voornaeme Jnlandsche Hoofden ingebragt, dat zij namelijk zoud zijn de oorsaaken van den beginne en de voortduuring van de Jongste opstand in de Matureesche Dessavonie. Hierna wierden geleesen, Een raport van dE:s leeden Martheze van Schuler van den 31. ' oktober J:o leed Twee aanteekeningen van ged:e E:s leeden van den eersten deezer Een Translaat singaleesche klagt ola„ door Madoegodde appoe, aan den Heer Commandeur gerigt. Een Translaat singaleese brief ola, meed door gemelde Madoegodde appoe aan den Heer Commandeur geschreeven. Twee aanteekeningen, gehouden bij dE leeden Martheze en D' Estandau den 6. en 7. deezer. en Een Translaat singaleese ola van ged: Madoegodde appoe en Baddewok arraatsje, aan evengemelte, E:s leeden Martheze en D' Estandau overgegee De voorschreevene papieren met aandagt geresumeerd zijnde is aangemerkt, dat Madoegodde appol. 1. ) Bij zijne beschuldigingen blijft persisteeren. 2. ) Dat hij een onderzoek van zaaken begeerd. 3. ) Dat hij meer als dertig persoonen opnoemd, die zijne, opgaaven zou„ „den moeten getuigen En is daarop met eenparigheid van stemmen geoordeeld, dat de opgaaven en verklaringen door Madoegodde appaegedaan van dien aard zijn, dat naar stijl van regten daarop kan worden gefundeerd het onderzoek der be„ „schuldigingen door hem teegen ver„ „scheide Jnlandsche hoofden gedaan. En hier bij nog in aanmerking ge„ „koomen zijnde, het geen door Bade„ „wokke arraatje verklaard is, en andere beschuldigingen die ingekoomen zijn, gelijk onder anderen, bij Een translaat singaleese ola, door Den David geweese vidaan arraatje van attoerlize overgelegd met en benevens. Een translaat singaleese ola, die evengemelde Don David verklaard, dat door den Maturesche Modliaar van de Belligam Corle, Goeneratne, aan de Muijtelingen zoude geschree„ „ven zijn, om hun tot het voorzetten van de revolte aantemoedigen, en Een singaleese ola, door eenen Abra„ aangemerkt „ham

NL-HaNA_1.04.02_3921_0601 view scan ↗

English

... produced by him, in which the Matara chiefs and those accused by Madoegodde are also accused. And other matters besides. It was approved and understood, after the conclusion of this meeting, firstly to dispatch a letter to the esteemed Ceylon Government, respectfully requesting them to initiate a formal investigation into what has been stated and declared by Madoegodde Appu and what remains to be stated and declared by them. Furthermore, to inform the aforementioned Government at the same time that Don Simon Mohandiram of the Kandebaddepatto has sent several palm-leaf manuscripts to the Lord Commander, which are currently being translated, and which, if true as indicated by the said Don Simon that the Matara chiefs are the authors thereof, clearly prove the good understanding of these chiefs with the rebellious inhabitants. Hereafter was read a petition from the arrested Mudaliyar of the Galle Korale and timber extraction, and the also arrested former Mohandiram of the Galle Atapattu Mandenayke, both detained within this fortress, in which the petitioners declare that the native Shabandar and Port Mudaliyar of the Lord Commander, upon whose accusation that they caused the recent rebellion among the inhabitants in the Galle Korale they were arrested, himself incited this rebellion and caused the unlawful assembly of the inhabitants; which accusation against the said Shabandar Mudaliyar they, the petitioners, undertake to prove within fourteen days, provided, and not otherwise, that the said Shabandar Mudaliyar be arrested in one of the military guardhouses here; subjecting themselves to the severity of the laws should they be unable to substantiate their accusations. This having been extensively deliberated upon and noted that justice and equity require accepting and granting the request made in the aforementioned petition: 1. Because the petitioners in this matter were arrested upon a verbal request of the Shabandar Mudaliyar, who accused them of being guilty of the rebellion of the inhabitants and high treason, without as yet—although this Shabandar undertook to do so and has had more than three months' time for it—producing the slightest evidence or probability of his accusation. 2. That the petitioners, of whose persons one is assured, undertake to prove within 14 days that not they, but the said Shabandar caused and committed the rebellion and consequently the high treason; subjecting themselves to the severity of the laws if they do not substantiate these accusations after the said Shabandar Mudaliyar shall have been arrested. And 3. That this assembly finds no reason to give less credit to the said petitioners, the said Korale Mudaliyar and Mandenayke Mohandiram, as persons of considerable respect and standing in good name and reputation among the inhabitants, than to the said Shabandar Mudaliyar, whom they so firmly accuse of rebellion and high treason. Thus, subject to the prior approval of the esteemed Ceylon Government, in order not to take any step in this weighty matter that could bring about any bad consequences and the displeasure of the aforementioned Government, it has been approved and resolved to have the said Shabandar Mudaliyar arrested in one of the military guardhouses here, in order to afford his accusers the opportunity to prove their statements within 14 days after the said Mudaliyar shall have been arrested, just as the said Shabandar Mudaliyar has now been in this position for fully three months. Finally, it was also resolved, pending further orders from the esteemed Ceylon Government regarding the prevailing unrest, to conduct no formal investigations or inquiries, either in the Matara Dissavany or in the Galle Korale; however, for the sake of prudence and to give no one any reason for grievance, to accept all palm-leaf manuscripts, declarations, and writings that any of the inhabitants might come to present. Thus resolved in the city of Galle, on the day aforesaid. Was signed: P. Sluijsken, P. L. Scheede, M. van der Spar, L. Aems, N. B. Martheze, F. W. de Rantz, J. F. David D'Estandau, A. E. de Lij, P. de Vos, and C. L. Baron van Albedijhl. Underneath stood: Agrees, signed: C. L. Baron van Albedijhl, Secretary. Agrees: Cornelis Johannes Idé, sworn clerk. Pursuant to your Honorable and Right Worshipful esteemed command, we have summoned before us the Galle Guard Mohandiram Madoegodde Appu. We informed him that the esteemed Government of these lands, out of extraordinary generosity, had resolved to pardon and forgive him for all his irregularities committed up to now, provided he proves and substantiates his accusations against certain persons whom he has named as authors and secret instigators of the recent unlawful assembly in the Matara Dissavany. Upon this notification of ours, the said Madoegodde Appu persisted in the accusations made by him, requesting that the persons to be named by him from the Matara Dissavany might be summoned, at which time he believed the truth of his accusations would undoubtedly become apparent. Honorable and Right Worshipful Ruling Lord, Peter Sluijsken, Commander of the city and lands of Galle and Matara, etc. To the Honorable and Right Worshipful Lord

Dutch transcription

481 ham Priedoes overgelegd, waar by de Maturesche en door Madoegodde a beschuldigde Hoofden meede beschuldig worden. En andere dingen meer Is goedgevonden en verstaan na het eindigen deezer vergadering, ten eerste een brief aan de g'eerde Ceilonsche Re „geering aftevaardige, en hoog deselven te versoeken om een formeel onderzoek te laaten beginnen van het geen door Ma „doegodde appoe opgegeeven en verklaard en door hun nog staat opgegeeven en verklaard te worden. Wijders om welgemelde Regeering teffen kennis te geeven, dat door Door Simon Mohandiram van de kandebaddepatto eenige vlassen aan den Heer Commande gesonden zijn, die men beezig is te tran „lateeren en die, indien het waar is, ge„ lijk ged:e Donr Simon heeft aangeduid dat de Matureesche hoofden daarvan de opstellers zijn, duidelijk de goede ver„ „standhouding deezer hoofden met de opvoerige ingezeetenen bewijzen. Hierna is geleesen een Request van de binnen deese vesting gearresteerde Modliaar der gale korle en houtsleep en de meede binnen deese vesting gearres „teerde geweeren Mohandiran, van de Gaalsche attepattoe Mandenayke, waarbij de supplianten verklaaren, dat de Jnlandsche sabandaar en port Modliaar van den Heer Commandeur op wiens beschuldiging, dat zij de laatste opvoer onder de ingezeetend in de Gale korle bewerkt hebben zij gearresteerd zijn, zelvs deeze opreer aangelegd en de zaemenrotting der ingezeetenen veroorsaakt heeft; welke beschuldiging teegen gemelde sabandaar Modliaar, zij /:supp=te / aanneemen binnen de veertien daagen te bewijsen, mids, en anders niet, de ged:e Sabandaar Modliaar in een der militaire wagten alhier ge „arresteerd worden; zig onderwerpende aan de strenge der wetten, indien zij hunne beschuldigingen niet kunnen waar maaken. Hierover wijdloopig gedelibereerd en aangemerkt zijnde, dat de regt „vaardigheid en de billijkheid ver„ „eischt het versoek bij voorschreeven request gedaan te accepteeren en te accordeeren. 1. ) Wijl de supp=ten in deezen op een mondelijk versoek van den sa „bandaar modliaar gearresteerd zijn, die hun beschuldigd heeft, zig aan den opvoer der ingezee„ „tenen en land-verraad schuldig gemaakt te hebben, zonder als nog, hoewel deeze sabandaar zulx aangenoomen en daartoe meer als drie maanden teid gehad heeft, de minste bewijzen of waarschein „lijkheid van zijne beschuldiging te produceeren. 2. Dat de suppte. van welken persoonen men verseekerd is, aanneemen binnen 14. daagen te bewijzen, dat niet zij in maar 482 maar ged:e sabandaar de oproer en gevolg het landverraad veroorsaak en bestaan heeft; zig onderwerpend aan de strenge der wetten, indien deeze beschuldigingen niet wa maaken, naar dat ged:e sabandaar A „dliaar zal gearresteerd zijn. en 3. ) Dat bij deeze vergaedering geene reedenen resideeren, om aan gem suppten. den ged:e korl modliaar en Ma „naike Mohandiram, als luiden van v aansien en bij den ingezeetenen ter ge naam en faam staande, minder gelo geeven dan aan ged:e Sabandaar Modli dien zij zo stellig van opvoer en lan „verraad beschuldigen. zo is, op voorafgaande aprobatie eg„ van de g'eerde Ceilonsche Angeerin ten einde in deeze gewigtige zaak geen stap te doen, die eenige kwaaa gevolgen en het misnoegen van w „gemelde Regeering zoude kunne na zig sleepen, goedgevonden, en staan ged:e Sabandaar Modliaar een der militaire wagten alhie te laaten arresteeren, ten einde zijn beschuldigers in de geleegenhei te stellen, hunne opgaaven binne 14. daagen, naar dat ged:e Modl zal gearresteerd zijn, te kunnen wijzen, gelijk gemelde sabandaar „aliaar ook nu ruim drie ma „den lang in deeze geleegenh geweest is. Eijndelijk is nog beslooten om tot nader order der g'eerde Ceilonsche Re„ „geering betreklijk de geheerschd hebbende onlusten, zo wel in de Matureesche Dessavonie als in de Gale korle geene formeele onder zoe„ „ken nog naspeuringen te doen; egter voorzigtigheids halven en om niemand eenige reeden van beswaaren te geeven, alle de olassen verklaringen en geschriften te accepteeren, die den een of den ander der ingezeetenen mogte koomen aante bieden: - Aldus Geresolveerd in de stad Gale, ten daage voorschreeve (:was geteekend:) P: Sluijsken, P: L: Scheede, M: van der Spar„ L: Aems, N: B: Martheze, F: W: de Raniz, J: f: David D' Estandau, A: E: de Lij, P: de vos en C: L: Baron van Albedijhl (:onderstond:/ accordeert (:geteekend) C:L: B: van Albedijhl sekret„s accordeert Corn:s Johann:s Idé gezeeklerk Eijndelijk 483 Jngevolge uwel Edele Achtb: g'eerd bevel hebben wij den gaalsch guarde Mo „handiram Madoegodde Appol voor ons laaten koomen. Wij hebben hem voorgehouden dat de g'eerde Regeering deezer landen uijt een byzondere edelmoedigheid beslooten, had, hem alle zijne ongereegeldheeden, tot nu toe begaan te pardonneeren en te vergeeven mits hij zijne beschuldigingen teegen eenige perzoonen die hij als autheurs en heijmelijke aan „voerders van de laaste te zaamen rotting in de Matureesche dessavonie heeft opgegeeven bewijst en waarmaakt. op deeze onze aankondiging is gedagte Madoegodde appol bij de door hem ge „daane beschuldigingen blijven persis „teeren met verzoek dat de door hem optenoemene perzoonen uijt de Maturee„ „sche Dessavonie mogten op ontbooden worden, wanneer hij vermeende dat de waarheid zijner beschuldigingen ontwijf „felbaar zouden koomen te blijken. Wel Edele Achtbaare Gebiedende Heer. Peter Sluijsken kommandeur der stad en landen van Gale, en Mature &ra Aan den Wel Edelen achtb: Heer voor

NL-HaNA_1.04.02_3921_0604 view scan ↗

English

484 For the rest, this Madoegodde has given us an account of various matters that already appear in his previous depositions and transmitted olas, and which we have therefore, in order not to waste time uselessly and not to detain your Right Honourable with matters already known, deemed unnecessary to repeat here. Since we have not been able to accomplish much today, it being Sunday, and time has also already elapsed given that Madoegodde Appoe has detained us with the mere repetition of his earlier statements, we shall begin tomorrow morning the investigation assigned to us according to the rules and examine the said Madoegodde Appoe extensively, and have him state distinctly, pursuant to the order of the High Government at Colombo: 1. The points of accusation that he has to bring against each of the persons accused by him in particular. 2. The witnesses he has to prove the stated points, and further what each of his witnesses can testify regarding each of the points. For the rest, we judge, subject to wiser counsel, it necessary that all the persons to whom Madoegodde Appoe appeals for proof of his statements should be summoned hither, especially since he insists thereon, and it also appears to us that the truth of his depositions depends mainly on the testimony of others. Agrees. With all high esteem we call ourselves, at the foot: Right Honourable Lord, Your Right Honourable's humble servants, was signed: N. B. Martheze, P. W. F. A. van Schuler, and C. L. B. van Albedijhl, secretary. Beside Galle, the 31st of October 1790. lower: for the translation from the Sinhalese into the Dutch, was signed: S. de Zilva, sworn interpreter. at the foot: agrees, signed: C. L. B. van Albedijhl, secretary. Cornelis Johannes Idé, sworn clerk. With 485 Note kept on the first of November 1790 by the Honourable Political members Nicolaas Bernardus Martheze, pay bookkeeper, Pieter Willem Ferdinand Adriaan van Schuler, superintendent of the Galle Korle, and Carel Lodewijk Baron van Albedijhl, secretary. The Mohandiram Madoegodde Appoe having been admitted, it was announced to him to state distinctly before the present express commissioners the points of the accusations that he has against the Mudaliyars mentioned in his olas, de Saram, Goeneratne, Tinnekoon, and the Maha Mudaliyar of Colombo, and specifically against each of these native chiefs in particular, with the instruction to begin with the statement of his accusations against the 486 the Mudaliyar de Saram, as he is mentioned first in his olas. Hereupon this Madoegodde Appoe declared that he would do all this, but that he requested that the said chiefs might appear so that he might declare in their presence what he has to say. He was answered hereupon that his request to summon these chiefs would be taken into further consideration, but that in the meantime he should state beforehand what he knew to say. Hereupon he, Madoegodde Appoe, declares that the Mudaliyar de Saram had so much power and influence over the gathered mobs during the latest disturbances in Matara, that he had them assemble and disperse as he saw fit. That he, Madoegodde Appoe, would prove all this in the presence of the said Mudaliyar, if the necessary lesser chiefs were summoned, to wit: The second Mudaliyar of the Girrewapattoe four Bilmerales of the same four Vidane Arachchies of the four rest houses of the Girrewais Attenejale Lokoe Mahatmea of the Girrewai Don Simon Mohandiram of the Kandebaddepattoe The Mohandiram of the Gangebaddepattoe, commonly called Attoedawe Mohandiram The Vidane Arachchi of Hakmanwellekadde The Vidane Arachchi of Apperakkewallekadde Batdenie Appoe, inhabitant of Hebbeliejepalle Wittesinge Kaddoewe, Vidane Arachchi of Paaletoewe Paaletoewe Aatjele Malimadde Lienne Aatjele Malimadde Rannewiere, vidane Malimadde Mannahe all The 487 The Pedea of Belligamkorle Vidane Arachchi of Marembe writer of Belligamkorle High Priest Wellegamme Oenanse, inhabitant at Makandure Kodditoeakkoe Arachchi of Poehoelwelle former schoolmaster of Kowatte, inhabitant at Owittegammwe Paredoewe Lokoegeij Arachchi Irreboeddoegodde Abetoenge Arachchi The Arachchi of the Jagreros of the lascorins, inhabitant at Navandenne Poentje Vidane of Dennegamme Parrepollegeij Arachchi at Welbaddepattoe Japa Vidane Rale of Bamberende; declaring further that he, Madoegodde Appoe, wishes to be excused from stating what he has to say before and until the persons named by him are present, and that the persons named by him may appear before and until the said Mudaliyars are summoned, because otherwise these witnesses of his, out of fear of these chiefs, might easily be afraid to testify to the events according to the truth. Finally, after having encouraged him again to state, even if only in writing, what he knows to say concerning the latest disturbances in the Matara Dissavony, he answers that he will declare and state everything orally, but that he is now alone and for the stating of his accusations still needs several other persons whom he has also named to be summoned, declaring at the same time that if his request is granted granted, and the named persons appear, he will then distinctly state and prove everything that he has said and still knows to say. Thus noted on the day written above, was signed: N. B. Martheze, P. W. F. A. van Schuler, and C. L. B. van Albedijhl, secretary. in the margin: for the translation from the Sinhalese into the Dutch, was signed: S. de Zilva, sworn interpreter. at the foot: agrees, signed: C. L. B. van Albedijhl, secretary. Agrees. Cornelis Johannes Idé, sworn clerk.

Dutch transcription

484 voor het overige heeft deeze Madoegodde a ons een verhaal gedaan, van verscheijd zaaken die reeds bij zijne voorige deposi en overgezondene vlassen voorkoomen, en die wij dus, om, niet nutteloos de tijd te verspillen en uwel Edele Achtb: met ree bekende zaaken op te houden onnoodig „oordeeld hebben hier te herhaalen. Wij zullen, wijl wij heeden /:zondag zijnde niet veel hebben kunnen uijtvoeren, en tijd ook reeds verloopen is aangezien M „godde appol ons met de enkelde repel van zijne vroegere opgaaven opgehoude heeft, morgen vroeg het ons opgedraa„ onderzoek na de regel beginnen en d gemelde Madoegodde appoe uijtgebre afvraagen en hem ingevolge order derg Regeering te kolombo distinktelijk laat opgeeven. De poinkten van beschuldigingen hij teegens een elk der door hem besch „digde perzoonen in het bijzonder he in te brengen. 2.) De getuijgens die hij heeft om de opg „vene poincten te bewijzen en voorts een elk zijner getuijgen met betrekk tot een elk der poincten getuijgen k voor het overige oordeelen wij met onde „werping aan wyzer gevoelen noodig dat alle de perzoonen waar op Macho godde appoe zig tot bewijs zijner opgaan beroept herwaarts dienen opgeroepen worden, voor al wijl hij daarom aanho en het ons ook toeschijnt dat het bewa „heeden zijner depositien van het getuijgens va „deren hoofdzaakelijk dependeerd. accordeert. Met alle hoogachting noemen wij ons (:onderstond:/ Wel Edele Achtb: Geb: Heer. uwel Edele Achtb: onderdaanige dienaaren (:was geteekend:/ N: B: Martheze, P: W: F: A: van Schuler, en C: L: B: van Albedijhe sekretaris /: bezijden Gale den 31. oktober 1790. (:lager:/ voor de overzetting uit het singalees in het Nederduijtsch (:was getee „kend:/ S: de Zilva gezw: tolk /:onderstond:/ accordeert (:geteekend:/ C: L: B: van Albedijhl sekretaris. Corns: Johanns: &dé gezwklerk Met 485 Aanteekening gehouden den eersten 9ber: 1790. bij d'E:s Politike leeden Nicolaas Bernardus Martheze zoldij boekhouder Pieter Willem Ferdinand Adriaan van Schuler, op ziender der Gale Korle, en Carel Lodewijk Baron van Albedijhl sekretaris De Mohandiram Madoegodde appol toegelaaten zijnde wierd hem aangekondigd om voor de pre„ „sente - expresse gecommitteerdens distinktelijk optegeeven de po „inkten van de beschuldigingen die hij heeft teegen de bij zijne vlassen vermelde Modliaers de Saram, Goeneratne, Tinne koon en de Mahia Modliaar van kolombo en wel van elk dezer Jnlandsche Hoofden in het bezonder, Met aanduijding om te beginnen met de opgaave zijner beschuldigingen teegen de 486 de Modliaar de Saram als he eerst bij zijne olas genoemd Hierna betuigde deze Madoegoa Appoe dat dit alles te zullen do dog dat hij verzogt dat ged: Hoofden mogten opkoomen om haare teegenwoordigheid te verklaaren het geen hij te ze „gen heeft. htem wierd hierop geandwoord da zijn verzoek om dese Hoofden op te ontbieden nader in overw ging zoude genoomen worden dat hij intusschen het geen hij te zeggen wist. maar voor af zoude verklaeren. Hierop declareerd hij /: Madol „godde appoe:) dat de Modliaa de Saram in de laatste onlust te Mature zo veel vermooge en invloed op de zaamen gerot volkeren heeft gehad, dat hij dezelve heeft laaten te zaam koomen en uyt malkanderen gaan, zo als hij dit goed vond. hij /:Madoegodde appoe:/ dit alles in teegenwoordigheid van ged=te Modliaar zoude bewijsen, indie de noodige minder Hoofden worden opgeroepen, teweeten: De tweede Modliaar van de Gireuripatto „ vier Bilmerales - - „ - „ d:o „ vier vidaan, arraatjes van de vier rusthuizen van de Girrewais Attenejale lokoe Mahatmea van de Girewaij Don Simon Mohanderam van de kandebaddepattoe De Mohandiram van de Gangebadde pattoe in de wandeling Attoedawe Mohandiram genaamt. De vidaan Arraatje van Hakman walle kadde. De vidaan Arraatje van Apperakke walle kadde Batdenie Appoe inwooner van hebbelieje palle. Wittesinge kaddoewe, vidaan arraatje van Paaletoewe Paaletoewe Aatjele Malimadde lienne Aatjele Malimadde Rannewiere vidaa Malimadde Mannahe alles De 487 De Pedea van Belligamkorle vidaan Arraatje van Maremb schryver van Belligamkorle Hooge Priester Wellegamme oenanse inwooner te Makau kodditoeakkoe Arraatje van Poehoelwelle geweesene schoolmeester van ko „ watte inwooner te owitte gamm „we Paredoewe Lokoegeij Arraatz Trre boeddoegodde Abetoenge Arvaatje De Arraatje van de Jagereros van laskorijns, inwooner te Navande Poentje vidaan van Dennegamm Parrepollegeij Arraatje te wel „baddepattoe Japa vidaan rale van Bamberendo verklaarende voorts dat hij Ma „godde appoe van het opgeeven vand het geen hij te zeggen heeft, voor e al eer de door hem opgenoemd perzoonen teegenwoordig zijn, me verschoond blijven, en dat de zoo hem opgegeevene perzoonen m# gen opkoomen, voor en al eerde ge Modliaars opgeroepen worden, wijl anders deeze zijne ge„ tuijgens uit vrees voor dese hoofden, ligtelijk zoude kun „nen bedugt zijn de voorge „vallene zaaken na waarheid te getuigen. Eijndelijk na hem weder te „hebben aangemoedigd, om al was het ook maar in geschrifte optegeeven het geen hij betrek „kelijk de laatste onlusten in de Matureesche dessavonie te zeggen weet. Andwoord hij dat hij alles mondeling zal verklaa¬ „ren en opgeeven, dog dat hij nu tot alleen is en het opgeeven van zijne beschuldigingen nog eenige andere perzoonen noodig heeft, die hij meede genoemd heeft om opgeroepen te worden onder betuijging teffens dat indien hem zijn verzoek word Modliaar. toegestaan toegestaan, en de genoemde perzo „nen opkoomen hij als dan alle wat hij gezegd heeft en nog te zeggen weet duijdelijk zal opgeeven en bewijsen. Aldus aangeteekend ten dage voorschreeven (:was geteekend: N: B: Martheze, P: W: F: A: van Schuler en C: L: B: van Albedijhl Sekrets (:in „margine:/ voor de vertaaling uijt het singalees in het Nede „duijtsch (:was geteekend:) S: de Zilva gezw. tolk (:onderstond accordeerd (:geteekend:) C: L: B: van Albedijhl sekret:s accordeert. Corns: Johanns: Idé gezwklerk

NL-HaNA_1.04.02_3921_0609 view scan ↗

English

488 Held on the 1st of November 1790, before the Honorable Members of the Political Council: Nicolaas Bernardus Martheze, Pay-Bookkeeper; Pieter Willem Ferdinand Adriaan van Schuler, Overseer of the Galle Korle; Carel Lodewijk Baron van Albedijhl, Secretary. The Mohandiram Madoegodde Appoe was summoned, and after the notes of the 30th of October, held at the house of the Governor Sluijsken, were checked and found to be in order, the following questions were put to the said Madoegodde Appoe. Note. 1st question. Why, after he had arrived here in Galle with the Governor of Matara, he departed again. Answer. That he stayed with the gathering for five months; that he thereafter came to the Governor and went to Galle again; that he also stayed in Galle for one and a half months, and subsequently returned to the countryside on leave, when at the house of Baddewolke Arraatje, one Adriaan Kangaan, a Lascarin, came to warn him to flee, because he was about to be seized. 489 2nd question. Why, after he had received so many good assurances from the Governor, he was disturbed by what Adriaan Kangaan said and did not inform the Governor, by an ola or otherwise, of the assertions of Adriaan Kangaan. Answer. That he had no trusted person whom he could send to Galle; but that he later found a nephew of Baddewolke Arraatje and also sent him. 3rd question. Whether he was dissatisfied upon his last departure from Galle, and whether he believes he had reason to complain. Answer. That he was not dissatisfied; that, however, the Dutch gentlemen formerly were always accustomed to keep their promises, as now as well, but that, as it appears to him, the gate servants now brought some hindrance thereto. Question. Who the gate servants are that he believes are also the cause that the Dutch gentlemen do not, as they are accustomed, fulfill their words and promises. Answer. The Salandaer, Ilangakoon, and the Maha Mudaliyar, which he believed with reason, since Don Simon Arraatje was promoted directly upon his arrival, and he only one and a half months after his arrival here in Galle; and that he attributes this favoring of Don Simon Arraatje to the fact that Don Simon Arraatje, upon his arrival here, appeared before Saman with presents, two man-loads, with the Salandaer Mudaliyar, which he, Madoegodde Appoe, was unable to do. 4th question. Why, when he was warned to flee, he did not inform the Disawa thereof. Answer. That he was afraid to go to Matara. 490 5th question. To go, because the headmen of the Gangaboda Pattu, Weligam Korle, Kandaboda Pattu, and the Four Gravets were coming into the country with commandos to seize him. 6th question. Why he fled before the commandos who came into the country, and did not let himself be seized and brought in, if he was convinced in his heart that after his last departure from Galle he had done no evil. Answer. That he did not wish to undergo the disgrace of being brought in bound and shackled, and that he himself later let the Governor know through his people that he was inclined to come to Galle. 7th question. Why he recently fled back into the country again from Mapalagama, although he had been told by an Arraatje of the Governor's Guard to come to Galle without fear. Answer. That this was also his intention, and he would have gone to Galle with this Arraatje, but that he was met by a Galle Korle Kangaan and a Korle Arraatje who told him not to go any further, as it was dangerous for him, and that those who sought to bring him to Galle sought to pursue their own advantage thereby. 8th question. Why he declared that he had become a Mudaliyar in the King's service, that he had received a sannas from the Court, that two Disawas were about to come down from Kandy, and other things besides. Why, coming from the side of the Galle Korle, he wrote olas to the inhabitants of the Gangaboda Pattu and Talpe Pattu to join him. Answer. That he wrote no olas to the inhabitants, but only a single ola to the Korle Kangaan, which ola was signed by him, in which he indicated that he wished to speak with this Korle Kangaan.

Dutch transcription

488 gehouden den 1. November 1790. voor DE: Politique Leeden Nicolaas Bernardus Martheze zoldij Boekhouder Pieter Willem Ferdinand Adriaan van Schuler of zien „der der gale Korle. Carel Lodewijk Baron van Albedijhl Secretaris. De Molandiram Madoegodde Appoe wierd voorgeroepen en na dat de aanteekeningen van den 30: 8ber: ten huijse van den heer Commandeur sluijsken gehouden, gere„ „holleerd, en ankord bevonden, was, zijn aan gemelde Madoegodde Appoe de volgende vraegen gedaan. Aanteekening. Waerom hij na, dat hij hier te sale met de heer Commandeur van Mature aangekoomen was weder vertrokken is. Antwoord. Dat hij zig vijf maenden lang bij de zaemenrotting heeft opgehoude, dat hij daar na bij de heer Com„ mandeur gekoomen en weder na gale gegaan is, dat hij zig te gale ook anderhalf maand heeft opgehouden, en vervol„ gens met verlof na het Land terug is gekeerd, wanneer hem ten huijse van 1. ) vraag. 489 27 Vraege. Waerom hij na dat hij zoo veel goede verzeeke „ring van de heer Commandeur gehad heeft, zig aan het gezegde van Adriaan Nangaan heeft gestoord en niet aan den heer Commandeur door een ola als andersins van de voorstellen van Adriaan Aangaan heeft kennis gegeeven. Antwoord. Dat hij geen een vertrouwd perzoon gehad, heeft, om na Gale te kunnen zenden: edog dat hij nader „ hand een Neeff van Haddewolke Arraatje gevo „den en ook gezonden heeft. 3. / Vroege. off hij bij zijn laatste vertrek van gale onvergenoegd geweest is, en of hij meend dat hij reede gehad heeft zi te kunnen de klaegen. Antwoord: Dat hij niet onvergenoegd geweest is, dat egter de holland sche keeren van te vooren altoos haere belofte plagt natekoomen, gelijk nu ook, dog dat gelijk hem voorkomt de parta be„ Waerom hij toe menhem geweerschouwd heeft, om te moeten vlugten, daer van niet aan den heer Dessoarve heeft kennis gegeeven. Antwoord. Dat hij benng geweest is na Maturke c.) vraege. vraege me de porta bediendens zijn die hij meend dat ook„ „ zoek zijn, dat de heeren hollanders niet gelijk zij gewoon zijn haer woorden en beloften na koomen. Andwoord. De Sasandaer, Jlangakoon en de Mahamod- „liaet, het welk hij met reeden gedagt heeft, wijl Dan Simon Arraatje direkt bij zijne komste bevondend is, en hij eerst anderhalf maand na zijn komste hier te gale en dat hij deese begunstiging van Don Simon Awvaatje toeschrijft wijl Don Simon Arraatje bij zijn arrivement Bovr Saman Alhier met pehiendoens twee mrans„ dragten, bij den salandaer Mooliaer gepar„ „resseerd heeft, 't welk hij Madoegodde Appoe niet heeft kunnen doen. bediendens daer aen nu eenige kinder toekragten. van Baddewolke Arraatje, eenen Adriaan Kang geen Laskorijn is koomen waerschouwen, om te moeten vlugten want dat hij stond afgevat te worden diendens tegaen 490 6) vraege 9) vraege. tegaen, wijl de hoofden van de Gange bodde pattoe, Bjel „ gam korle, kande baddepattoe en de vier gravetten met Commandos in 't Land kwamen om hem aftevatten Waerom hij voor de Commandos die in 't land kwaar gevlugd is, en zig niet heeft laeten afvatenen opbreng„ indien, hij in zijn hart overtuigd was na zijn laast vertrek van gale, geen kwaed gedaen te. hebben. Antwoord. Dat hij niet gaerne die schande heeft willen onder„ „gaen om gebonden en gevleugeld opgebragt te worden, en dat hij naderhand zelve door zijn volk aan de heer Commandeur heeft laten weeten, dat hy geneegen was na Gale te koomen. 7. / Vraege. Waerom hij nu onlangs van Mapligam weeder terug in 't land gevleugd is, daer hem tog door een Arraatje van sCommandeurs guarde ge„ zegd was, zonder vrees na zale te koomen. Antwoord. Dat hij dit ook van sins was en met deeze akkaatje na gale zoude gegaan Waerom hij zig uijtgelaeten heeft dat hij modliaer in skonings dienst was geworden, dat hij een Tannas van 't hoff, heeft gekree„ „gen, dat er twee Dessaves van kandia stonden aftekoomen en andere dingen meer. waerom hij aan de kant van de gale korle koo= „mende olassen aan de Jngekeetenen van de gange„ baddepattoe en sillehadde geschreeven heeft om zig bij hem te voegen. Andwoord. Dat hij geen olassen aan de ingekeeteng geschreeven heeft, maer alleen een enkelde ola aan de Coul kangaan welke ola door hem geteekend is waer bij hij te kennen heeft gegeeven dat hij dese Corl kangaen verlangde te spreeken. 8 Vraege zijn, dog dat hem een gaelsche korl hangren en een karl ar„ raatje zijn teegen gekoomen die hem gezegd hebben van niet verder meede te gaen, want dat zulks gevaerlijk voor hem was, en dat de geenen die hem na Gale zogten te brengen hiermeede haer eijge voordeel zogten te doen zijn Antwoord

NL-HaNA_1.04.02_3921_0612 view scan ↗

English

491 14th question. 10th question. What the Lord Commander ordered him when he last departed from Gale. Answer. That the Lord Commander gave him permission to go home, and told him at the same time by no means to stay away longer than eight days at the most. Whether he does not see in hindsight that he would have done well to listen to the Lord Commander and remain at Gale. Answer. That he now indeed sees that he would have done better if he had stayed here, but that he had gladly wished to see his wife and children, and had also firmly imagined that the door servants were deceiving him. What kind of commission that was which he told the Captain of the Cinnamon yesterday that he had received from the Lord Commander when he last departed from Gale. 12th question. Answer. Answer. That all those things are lies and untruths and that he never said this. Answer. That he did not say this, but rather that he had now returned on the message of the Lord Commander, and that he had only said this out of fear of not being detained. Thus recorded on the day aforementioned. Was signed: N: B: Martheze, E: W: F: A: van Schulet, C: L: B: van Albedijkl, Secretary. In margin: for the translation from the Sinhalese into the Dutch, was signed: S: De Zilva, sworn clerk. Below stood: Agrees. Was signed: C: L: B: van Albedijkl, Secretary. Corns: Johannes Idé Yesterday Agrees Sworn clerk Yesterday 492 Translation of a Sinhalese complaint ola addressed to the Right Honorable Lord Commander of the city and lands of Gale, Mature, etc., together with the twelve Councilors, by the Mohoti Mohandiram of the Guard, Maddoegodde Don Simon Wierekoon Wiedjesinge Dissanaijke. Regarding the following, it is requested that proper justice be done. In order to prevent the journey to Baddegirie for the construction of a dam, the Mudaliyars of the Gangebaddepattoe and the Belligam Corle had given orders to organize an unlawful gathering, after which the inhabitants of the Belligamcorle, Gangebaddepattoe, the twelve charcoal-yielding villages, Kandebaddepattoe, Seignory of Belligam, Wellebaddepattoe, Kattoene, Oedaebokke, and Morruakorle jointly departed for the Giroewaijpattoe, where Ginnekoon Mudaliyar was staying in the rest house of Mahawatte, and from there, after first having given the order to the people of his pattoe for an unlawful gathering as well, departed for Sangale. I thereupon went with an estimated 100 persons from the Gerrengaijpattoe into the Magampattoe, and having caused the people there also to assemble together, 493 we returned together to the Girrewaijpattoe to the large band, after all the people of the ten Corles had gathered here. They deliberated on who could best be chosen as a head, and it was unanimously approved to appoint me, Maddoegodde Don Simon Appoe, as Mohandiram over the aforementioned ten Corles, so that all complaints would be investigated and settled by me, after which a certain person who had served with the Mudaliyar of the Belligamcorle, namely Singele Appoe, was also assigned to me as my clerk. A complaint ola was drawn up against their Mudaliyar by the collective vidanes and mayorals of the Gangebaddepattoe, but this ola was forcefully taken from the Vidane Aratchi of Kallitdoek and the Natjele of Balitoeve in the rest house of Attoealie, and delivered to the aforementioned Mudaliyar, after the said two persons had first been mistreated and locked in the trunk. The reason why this complaint ola was seized and given to the Mudaliyar must therefore be investigated. The Mudaliyars of the Belligam Corle and Gangebaddepattoe, having arrived at the house of the Mudaliyar Illangakoon in Malimaede, summoned the chiefs and the other people of the assembly to them and told them to break open the doors and windows of that house, to damage the house itself, and to drive them, the Mudaliyars, out of it, so that they, the Mudaliyars, might not become suspects; which was also carried out. The Maha Mudaliyar of Colombo, having arrived at Mature under the pretext of settling the matters of complaint, had me informed through the priest Welligamme Oenanse, who resides in the temple at Mahawatte, to strongly reinforce the unlawful gathering and to complain about the Lord Dissave, the three persons from the house of Baddekoon, and the head of the Kandebaddepattoe, as many injustices had been committed by them. At the instigation of the aforementioned Maha Mudaliyar, his good friend, the Aratchi of the Belligamcorle and inhabitant of Parredoewe, had written in a certain complaint ola that henceforth no Mudaliyar and Mohandiram services should be given to the fishermen and Chalias, and moreover that it may be forbidden to them Mudaliyar

Dutch transcription

491 14. / vrage 10. / vraege. wat de heer Commandeur hem gelast heeft toen hij de laatste heer van gale vertrokken is. Dat de heer Commandeur hem verlop geeven na huijs te gaen, hem teffens gezegd heeft, om voor al niet langer dan of zijn hoogst agt dagen uijt te blijven. of hij nu van agteren niet ziet, dat hij wel zoude gedaan hebben, om na de heer Commandeur te luijst „ren en op gale te blijven. Antwoord. Dat hij nu wel in Liet beter gedaen te zullen hebben indien hij hier gebleeven was, dog dat hij gaerne zijn vrouw en kinderen heeft willen zien, en zig ook vast voorgesteld heeft dat de porta de „dienden hem bedroogen. Wat dat voor een Commissie is geweest die hij 127 vraege Antwoord. Antwoord. Dat al die dingen leugens en onwaer zijn en hij dit nooijt gezegt heeft. Antwoord. Dat hij dit niet gezeyd heeft maer wel dat hij nu op de boodschap van de heer Commandeur terug was gekoomen en dat hij dit ook maer ge„ „zegd heeft, uijt vrees om niet opgehouden te worden. Aldus Aangeteekend ten dage voorschreeven /:was geteekend:/ N: B: Martheze, E: W: F: A: van schulet, C: L: B: van Albedijkl secretaris /: innar„ „gine:/ voor de vertaeling uijt 't singalies in het Nederduijtsch /:was geteekend:/ S: De Zilva gezw: klerk /:onderstond:/ Accordeert /:was geteekend:/ C: L: B: van Albedijkl: Se kretaris Corns: Jolianns: Idé gisteren aan de Capitain van de kaneel gezegd heeft, dat hij de laatste keer van gale vertrek„ „kende, van de heer Commandeur gehad heeft. Ackorteert gezueklerk gisteren 492 Translaat singaleesche klagt ola, gerigt aan den wel Edelen Achtb: Heer Commandeur den stad en Landen van Gale Mature etc:a benevens de twaalf Raads Heeren, door den Mohoti Mohandiram der Quarde Maddoegodde Don Simon wierekoon wiedjesinge Dissa„ naijke op het volgende word versogt goed Recht tedoen. Tim de reise na Baddegirie tot het aanleggen van een dam te beletten hadden de Modliaaas van de Gangebaddepattoe en de Belligam Corle orders gesteld, om eene zaamenrotting opterigten, waar„ na de inwoonders van de Belliganicorle, Gangebaddepattoe, twaalf hoolgeevende Dor„ „pen, kandebaddepattoe, Heerlijkheid van Belligam, wellebaddepattoe, kattoene, oedae„ bokke en Morruakorle gezaamentlijk na de Giroewaijpattoe vertrokken zijn alwaer Ginnekoon Modliaar zig in het Rusthuis van Mahawatte bevond en van daar na al„ voorens aan het volk van zijne pattoe, tot eene zaamenrotting ook de order gegeeven hebbende na sangale vertrokken is. Jk ben daar op met na gissing 100. koppen, van de gerrengaijpattoe inde Magampattoe ge„ „gaan en het volk aldaar, meede hebbende doen te 493 te zaamen ootten, zijn wij gezaamentlijk der na de girrewaij pattoe bij de Groote bende „rug gekoomen, alhier na toen al het volk v de tien Corles vergaderd: men raadpleegde wie het best tot een hoofd te verkiesen was, en een paarig wierd goedgevonden wij Maddoegoede D Simon Appoe tot Mohanderam over voorm: tee Cooles aantestellen, ten einde door mij alle klagten teworden ondersogt en afgedaan, wa na mij ook zeekeren bij de Modliaar van de Belligamcorle gediend hebbenden persoon van Singele Apsoe tot mijne schrijver toe gevoegd wicrd. Door de gezaamentlijke viedaans en Maijaaas van de gangebaddepattoe is teegen hunne Modliaar een klagt ola vervaardigd dog des ola is den vidaan arraatje van kallitdoek en de Natjele van Balitoeve in het rust huis van Attoealie met geweld afgenoo„ men, en aan voorm: Modliaaa na al„ voorens ged:te twee persoonen mishan„ delt en in de tronk geslooten te hebben ter hand gesteld. Om welke reeden dese klagt ola afgenoomen en aan den Modliae gegeeven is diend dus ondersogt teworden De Modliaaas van de belligam Corle en gange baddepattoe in het huis van den Modliaar Jllangakoon te Malimaede ge„ koomen zijnde, hebben zij de Hoofden en de andere volkeren van de zamenrotting bij zig op ontbooden en Hun gezegt, om de Deuren en vengsters van dat huijs open te breeken en het huis zelvs ook te schenden en Hun Modliaars daar uit te verjaagen, op dat zij Modliaar niet mogten suspect worden; het welk ook volbaagt is. De Maha-Modliaar van Colombo, onder voorwending van de klagt zaaken aftemaa„ ken, op Mateire aankoomende, heeft hij door den priester welligamme aennanse, die woonagtig is in den sempel te Maka„ witte, mij laaten zeggen, om de zamenrot„ ting zeer te versterken en over den heer Dessave de drie persoonen uit den huise van Bad„ de koon en het hoofd van de kandebaddepat„ toe; als door deselven veele onregten te zijn geschied, te klaagen. op instigatie van voorm: Maha-Modliaea heeft zijne goedere vriend, den arraatje van de Belligamcorle en inwoonder van Parre„ doewe bij zeekere klagt ola laaten schrij„ ven, om voortaan aan de vissers en sjandos geene modliaaas en Mohandirams diensten te geeven, mitsgaders dat hun mag belet Modleaaa worden

NL-HaNA_1.04.02_3921_0615 view scan ↗

English

the use of palanquins and sombreros is granted. The unlawful assembly was not instigated by our authority or willingness, but indeed upon the enticement of the Mudaliyar of the Beligam Korale, Jinnekoon Mudaliyar, and the Maha Mudaliyar of Colombo, in order to make complaints against the Lord Dessave, the three persons of Baddekoon, and the Head of the Mandebaddepattoo. Formerly, the entire Island of Ceylon never rose in any revolt all at once, and the Gentlemen themselves will easily be able to understand that this has now occurred through the doing of the Chiefs. After we were restored to office by an equitable justice of Your Honorable and the Council, and had departed back to our dwellings, the Mudaliyars of the Gangabaddepattoo and Beligam Korale, together with the Mohandiram of the Four Gravets, under the pretext of having orders to that effect, wished to have me arrested, which is why I took myself out of the way. But intending afterwards to present myself to Your Honorable, and having also arrived in the village of Mapalagama under the Galle Gangabaddepattoo, I was told by the Korale Kangaan of Makoewawa and a Korale Aratchi that the Vidane of Mapalagama, Diekwatte Lienne Appu, and Jattellematte Aratchige Madduma Appuhamy, by order of Your Honorable and the Guard Mudaliyar, were arriving with people to arrest me, wherefore, in order not to get caught in the trap, I turned back again, to find myself now presently in the King's territory. Therefore, and in order that I may come over without fear, I request Your Honorable and the Honorable Council of Justice, together with the Right Honorable, Valiant, Most Honorable Lord Governor of Ceylon and the Gentlemen Councilors of the Politie, to forgive me my past debts and, if in the future I do any wrong again, not to banish me by ship to elsewhere, but according to the measure of my offenses to make me pay monetary fines. I also request to be pleased to grant me the Office of Mudaliyar of the Beligam Korale, alongside the old lands determined thereto. Was signed with an illegible signature. Below stood: for the translation, Galle, the 2nd November 1790. Was signed: Joh: And:s De Vos. In the margin: for the translation, signed: S: D: Silva sworn Interpreter. Below stood: agrees. Was signed: C: L: B: van Albedijhl, secretary. Agrees. Corns Johanns: Idé, sworn clerk. Record Kept on 6 November 1790: Before the Honorable Political Members: Nicolaas Bernardus Martheze, Pay Bookkeeper; Joan Jacque David de Estandau, Fiscal; and Carel Lodewijk Baron van Albedijhl, Secretary. Madduma Godde Appu having been called forward, he was asked through the translation of Simon De Silva, Mohandiram and Interpreter at the Secretariat of Police and Justice: 1st Question: Who actually are the persons whom he accuses of being the cause of the beginning and the progress of the late unrest in the Matara Dessavony? Answer: The Mudaliyars De Saram, Gooneratna, Ginnekoon, Illangakoon, and the Maha Mudaliyar of Colombo; furthermore, the Mohandiram of the Matara Four Gravets and the former Head of the Kandebodapattu, Ekenayake Mohandiram. 2nd Question: Wherein consist his points of accusation against the Mudaliyar De Saram? Answer: That what he has to say concerning the Mudaliyar De Saram also relates to the Mudaliyar Gooneratna, and that he therefore requests that he may make his declaration against the two of them together. 3rd Question: Wherein then consist his points of accusation against these two Chiefs together? Answer: That these two Mudaliyars have brought the inhabitants to an uprising and unlawful assembly by inciting the lesser chiefs and, through these lesser chiefs, also causing the people to be brought to rebellion. That, this having been accomplished, the lesser chiefs gave notice thereof to the Lord Dessave, and that these Mudaliyars conducted themselves exactly as if nothing of the matter was known to them, whereupon the Lord Dessave sent each Mudaliyar to his pattu in order to bring the inhabitants to peace. That both of these chiefs departed with their lesser chiefs to their pattus, and there, instead of working for peace, by sending the lesser chiefs to both of the assembled mobs, they encouraged the inhabitants and brought them to the point of making the uprising and revolt greater and stronger. That even a banner painted with two lions was brought to the rebels by a certain Japa Rala, an inhabitant of Akuressa, in the name of Mudaliyar Gooneratna in order to make use thereof, with the notice that this banner had already been brought down from Kandy long ago. That the assembled mob also made use of this banner, marching around with it, having departed with this banner to the Giruway Pattu and subsequently returned again. That after the return from this march to the Giruway Pattu, the Lord Dessave sent both the Mudaliyars De Saram and Gooneratna to the rebels, who were also at Malimbada at the house of Illangakoon Mudaliyar, where both of these Mudaliyars [illegible]

Dutch transcription

494 worden 't gebruijk van palenkeins en sal„ „pats De zaamenrotting is niet op onse authoritei of gewilligheid, maar wel op de aanlok„ king van den Modliaar van de belligam„ „Corle; Jinnekoon Modliaar en de Maha„ Modliaar van Colombo opgeregt ten einde over den Heer Dessave, de drie persoonen van Baddekoon en het Hoofd van de Man„ de baddepattoe te doen klaagen. Eertijds is nooijt het geheel Eijland Ceelon te„ gelijk in eenig opstand geraakt, en dat zulks tans, door toedoen van de Hoofden is geschied, zullen de Heeren zelven ligtelijk kunnen begrijpen. Na dat wij door eene aegtvaardige Justi„ tie van uweeEd: Achtbaare en den raad in bedieninge gesteld en na onse woon„ doopen terug vertrokken zijn, hebben de Mod„ liaars van de gangebaddepattoe en Bel„ ligamcoale mitsgaders de Mohandi„ van van de vier gaavetten, onder voor„ „gave van daar toe orders te hebben mij willen laten opvatten waarom ik mij uijt de weg gemaakt heb. Dog mij daarna bij uwelEdele Achtbaare willende begeeven en ook in het dorp Mapelgam, onder de Gaalsche Gangebaddepattoe, koomende wierd mij door den Corl kangaan van Macoewawe en eenen Corl arraatje gezegt, dat den vidaan van Mapelgam Diek„ watte Lienne Appoe en Jattelematte Aaraatjege Maddoema appoehansie op order van uwel Edele Achtb: en den quardo Modliaar, met volk aankoo„ men, om mij optevatten, weshalven ik, om niet in de knip te geraaken, weder terug gekeerd ben om nu tans in konings gebied bevinden. Dierhalven, en op dat ik zonder vrees mag over„ koomen versoek ik uwelEd: Achtb: en de Achtb: raad van Justitie mits„ „gaders de wel Ed: Gestr: Groot Achtb: Heer Ceilons Gouverneur en de Heeren Raaden van Politie mij mijne voor„ „gaande schulden te vergeeven en wanneer ik in 't vervolg weeder eenig kwaad bij doe, mij als dan niet te scheep na elders doe, te versenden; maar namaate mijner sche den geldboetens tedoen betaalen. ook versoek ik mij de Dienst van Modliaar van de BelligamCorle, neevens de oude akker dessan daar toe bepaald, tewillen toevoegen was getekend met een onleesbaare handte kening /:onderstond /: voor de oversetting Gale Den 2: 9ber: 1790: /was geteekend: Joh: And:s De Vos /:inmarginie /: voorde vertaaling /:geteekend /: S: D: Silva gesw Colk /:onderstond /: accordeert /: was ge„ teekend /: C: L: B: van Albedijkl, seco Accordeert Corns Johanns: Idé gezweklerk 495 Antwoord :vraage welk eigentlijk de persoonen, zijn De Modliaars De Param, Goe„ die hij beschuldigd oorzaak van neretna, Ginnekoon, Jllanga„ de begin en den voortgang der Laaste koon, en de Maha modliaar van onlusten in de Maturesche Dessa„ Kolombo, voorts de Mohandi„ vonij, te zijn. ram van de Matureesche vier„ gravetten en het geweese Hoofd van de kandebosde pattoe, Eke„ naijke Mohandiaam 2. vraag beschuldigingen teegens den Modli„ aan De Saram Antwoord liaar de saram te zeggen heeft ook betrekkelijk is op de Mod„ liaar Goeneratna en dat hij dus versoekt dat hij zig teegens hun bijde tegelijk mag verklaaren waar in bestaan zijne poinchen van Dat het geen hij omtrent de Mod„ Aanteekening Gehouden den 6: November 1790: voor dE: Politike Leeden. Nicolaas Bernardus Martheze Zoldijboek„ houder Ioan Jacque David de Estandau fiskaal en Nassiea Carel Lodewijk Baron van Albedijhl secretaris Maddoegodde Appoe voorgeroepen zijnde wierd hem ter vertaaling van Simon De Silva Mo handeram en Tolk ter secretarij van politie en Justitie gevraagd. Antwoord 496 3 vraag waarin dan bestaan zijne Poincten van beschuldinging teegens deese bij de Hoofden tezaamen. Antwoord Dat deese twee Modliaars de „geseetenen tot een opstand en teza men rotting gebragt hebben, do de minder woofden op te stooken en door deese minder Hoofden, het volk ook tot opvoer te laaten bren Dat dit volbragt zijnde de mind Hoofden, daar van aan de Heer De Jare hebben kennis gegeeven, en dat deese Modliaans zig gedraagen hebben, juist als of hun niet van de zaak bekend was, waar de heer dessave elk modliaaa na zijn pattoe gesonden heeft om ingeseetenen tot rust te brengen. Dat deese bijde woofden met haar mindere Hoofden na haare Patt vertrekken zijn, en aldaar in ste van de vreede te bewerken door de mindere Hoofden met He bijde tezaamen gerotte volker te zenden de Jngeseetenen aan gemoedigd en daar heeng bragt hebben, om de opstand Dat de tezaamenrotte volkeren zig ook van dit vaandel bediend hebben daarmeede rondtoekkende zijnde met dit vaandel na de Girrewaij pattoe vertrokken en ver„ volgens weder terug gekoomen. Dat na de terug komst van deese togt van de Girrewaij pattoe de Heer Dessave de byden Modliaaas de Saaam en goeneaatne bij de muijtelingen gesonden heeft die ook te Malimad„ de geweest zijn ten huise elan„ gakoon Modliaaa Alwaar deese bijde Modliaars was. revolte grooter en sterken te maaken. Dat zelvs een vaandel met twee Leuwen beschilderd uijt naam van Goenaaetne Modliaar om zig daar van te bedienen door eenen Jaapa. Raale inwoonder van Akkeuasse bij de Muijtelingen gebragt is, met aanzegging dat deese vaandel rheeds voor lange tijden van kandia afgebragt revolte de

NL-HaNA_1.04.02_3921_0619 view scan ↗

English

that the lesser chiefs each individually have had people come before them with the announcement not to take any notice of their arrival, and adding that they should merely defile the house in which they were, drive away their Modliaar, and subsequently strengthen the gathering and rebellion as much as possible. That by the mutineers, by order of the Attoekoale Arraat of the Belligam Corle, the second person after the Modliaar of this province, but also on the side of the head of the mutineers and Rannewan vidaan of Malienedde, vidaan to both of these chiefs, addukoos and behindoens have been provided, and that the mutineers, or actually by the Oedia of the Belligam Corle, decorated the aforementioned dwelling house of these Modliaars with white linen. That the lesser chiefs and leaders of the mutineers, in order not to arouse suspicion, have been with these and other chiefs at Mature at night and untimely hours; and that the confidants and servants of those chiefs were sent to the mutineers by day, likewise in order not to give suspicion. That these messages served and were carried out to strengthen the gathering and to persuade the inhabitants that they should complain about the Lord Dessave and the four dismissed chiefs currently residing at Gale. That some majorals and other inhabitants of the Mature Gangebaddepattoe have prepared an ola in which they brought forward many complaints against the Modliaar de Saram, but that this Modliaar, in view of his influence and understanding with the mutineers, brought it about that by the mutineers themselves, or actually by Bopagoda Siribaddene Arraat, Attoealije poentje vidaan, and Parredoewve Roepesing Arraatje, this ola was taken away from the drafters and deliverers, being Paletoewe Aatjell and kadetoewe wittesinge vidaan, and that these people, after being mistreated, were put in the jail by the mutineers. That this is clear proof of the good understanding of the aforementioned chiefs with the mutineers. Thus recorded on the day aforesaid. Was signed: N: B: Martheze, J: J: D: D'Estandau, and C: L: B: van Albedijhl, secretary. Below: For the translation, signed: S: D: silva, sworn interpreter. Underneath: Agrees. Was signed: C: L: B: van Albedijke, secretary. Agrees, Corn:s Johanns Idlé, sworn clerk. Note Kept on the 7th of November 1790 before the Honorable Political Members Nicolas Bernardus Martheze, Jean Jacques David DEstandau, and Carel Ludewich Baron van Albedijhl. Maddegodde Appoe being called forward, there was read to him in the translation of the sworn interpreter Simon De Zilva that which he declared yesterday. He fully persisting therein, after which he was asked: 1st Question: What he has to say further and separately against the Modliaars De Saram and Goeneratne. To this question Maddoegodde appoe presented an ola, stating further in answer: That he and Baddewekke arraatje had treated in that ola the points of accusations and the testimony thereof against the above-mentioned chiefs; requesting to have that ola translated and its contents judged; and if anything should subsequently be lacking or be needed for any clarification, he will then very gladly give that clarification. Hereafter the said ola was once more presented to the aforementioned Maddegodde appoe, and he was asked whether this is indeed the very ola which he intended to hand over. This being answered in the affirmative by him, it was discovered that this ola had not yet been signed, whereupon Maddaegodde appoe readily signed it. Subsequently Baddewokke arraatje was called forward, who likewise declared himself to be the author and instigator of that ola, and also signed the same. Hereafter all the leaves of this just mentioned ola were attached to one another and sealed and provided with the signatures of the Honorable commissioned members to ensure that no substitution or falsification could take place therewith. The foregoing having been discussed, it was resolved immediately to have the ola submitted by Maddaegodde appoe translated in order to discover whether the intention of this investigation was fully satisfied thereby. With the notification to Maaddegodde appoe and Baddeweke arraatje to consider and reflect well, and further to be ready to give truthful clarification to the questions that would be put to them after the completed translation of the ola submitted by them, and further that if they should recall anything that had not been treated in the aforementioned ola, and yet served the matter, to report the same immediately. Wherewith this meeting was ended for the present. Thus recorded on the day aforesaid. Was signed: N: B: Martheze, J: J: D: D: Estandau, and C: L: B: van Albedijhl. Beside: For the translation, signed: S: D: Silva, sworn interpreter. Underneath: Agrees. Was signed: C: L: B: van Albedijke, secretary. Agrees, Corn:s: Johanns: Idé, sworn clerk.

Dutch transcription

497 de mindere Hoofden elk af„ zonderlijk voor zig hebben laaten koomen met aankundeging om weegens hunne komste geen ag dogt te krijgen en met bijvoeging dat zij maar het huijs waarin zij waaren moesten schenden, hun Modliaaas wegjaagen en vervolgens de zaamenrotting en op roer zo veel mogelijk ver„ „sterken Dat door de Muijtelingen op ordea van de Attoekoale Arraat van de Belligam Corle de tweede persoon na de modliaaa van dese provintie; edog meede van de kant aan het Hoofd der Muijtelingen en Rannewan vidaan van Malienedde, vidaan aan deese Bijde Hoofden Addoe„ koes en behindoens verstaekt zijn en dat deese modliaaas bovengem: woonhuijs door de muijtelingen op eigentlijk door de Oedia van de Belligam Corle met wit linnen vercierd is geworden. Dat de mindere Hoofden en aan„ voerders der muijtelingen /:om geen susputie te verwekken:/ bij nogt en ontijden bij deese en andere Hoofden te Mature geweest zijn; en dat de vertrouwlingen en Dee„ naaren van die hoofden bij dog om meede geen susputie te gee„ ven bij de muijtelingen gesonden wierden. Dat deese boodschappen dienden en bewerkstellig- wierden. om de samenrotting te ver„ sterken en de jngeseetenen te per„ suadeeren dat zij over de Heer Dessave en de tans zig te Gale bevindende vier gedemiteerde Hoofden zouden klaagen. Dat eenige Majoraals en an„ dere ingeseetenen van de Ma„ tureesche Gangebaddepattoe een ola vervaaadigd hebben waar bij zij veele klagten teegen de Mod„ liaar de Param hebben inge bragt dog dat deese Modl:s aangesien es zijne 498. zijne invloed en verstand houding met de muijte„ lingen bewerkt heeft dat door de muijtelingen zelv of eiggentlijk door Bopagd de Siribaddene Arraat Attoealije poentje vidaa en Parredoewve Roepesing Arraatje deese ola van de opstellen en overbrengers zijnde Paletoewe Aatjell en kadetoewe wittesinge vidaan is afgenoomen. en deese lieden na misha delt te zijn bij de muijt lingen in de tronk zijn gesta Dat dit een duijdelijke bewijs is van de goede verstand houding van gem: Hoofde met de muijtelingen. Aldus aangeteekend ten dage voorsz: / was„ geteekend:/ N: B: Martheze, J: g: D: D' Estan„ dau en C: L B: van Albedijkl secretaris /: lager /: voor de vertaaling /:geteekend /: S: D: silva Gesw: soek /:onderstond /: accordeert /: /:was geteekend /: C: L: B: van Albedijke secretaris Accordeert Corn:s Johanns Idlé gozenklerk Aldus 499 wat hij nog meer en afzon„ deelijk teegen de Modliaars De Saram en Goeneratne te zeggen heeft. 1: /wvraage op deese vraage presenteerde Maddoegodde appoe een ola zeggende voorts tot antwoord. Dat hij en Baddewekke arraatje bij die ola de poinc„ ten van beschuldingen en de ge„ tuigenis van dien, teegen de op„ genoemde Hoofden verhandeld hadden; versoekende, die ola tewillen laaten translateeren, en dies inhoud te beoordeelen; en zoo er vervolgens nog iets mogte Aanteekening Gehouden den 7: November 1790: voor dE: Politique Leeden Nicolas Bernardus Martheze Jean Jacques David DEstandau en Carel Ludewich Baron van Albedijhl Maddegodde Appoe voorgeroepen zijnde wierd hem ter vertaaling van de geswoore Jolk si„ mon De: Zilva voorgeleesen het geen hij gisteren verklaard heeft. Blijvende hij daar bij volkoomen persisteeren waar na hun gevraagd is. mankeeren. 500 Hierna wierd gedagte ola gem: Maddegodde„ appoe nog eens voorgehouden, en hem gevraag of det wel werkelijk deseve ola is die hij ver meend overtegeeven. Het welk door hem met beantwoord zijnde, wierd ontdekt dat deese old nog niet geteekend was, waarop Maddaegod appre gereedlijk handteekende. vervolgens wierd Baddewokke aaraatje voor geroepen die zig meede als auteur en opsteeker van die ola verklaarde, en deselve ook handt„ kende Hierna wierden alle de blaaden deeser even ge ola aanmalkander gehegd en versegeld en met de handteekening van de E: gecommitteerde leeden voorsie om verseekerd te zijn dat daar meede geene verruijling of vervalsing ploat zoude kunnen vinden over zal het voorenstaande gesprooken zijnde wierd beslooten de door Maddaegodde appaeo gelegde ola ten eersten te laaten translateeren ten einde te ontwaaren of daar bij volkoomen aan de intentie van dit ondersoek voldaa Accordeert gezwe klerk was. Met aankundiging aan Maaddegodde appae en haddeweke arraatje van zig wel te bezinnen en na tedenken en voorts gereed te zijn om op de vraagen die hun na volbragte vertaaling van de door hun overgelegde ola zoude gedaan worden na waarheid opheldering tegeeven voorts dat zoo zij zig nog iets mogten te binnen brengen dat bij gem: ola niet verhandelt was, en egter ter zaake diende, zulks als dan ten eersten te Be„ regten waarmede deese bij eenkomst voor teegenwoordig geëndigd wierd Aldus aangeteekend ten daage voorsz: /:was geteekend:/ N: B: Maatheze; J: J: D: D: Estandau en C: L: B: van Albedijkl„ /:beseiden:/ voorde vertaaling /:geteekend /: S: D: Silva gesw: Colk: /onderstond:/ accordeert /:was geteekend:/ C: L: B: van Albedijke secretaris mankeeren of tot een of ande opheldering noodig zijn, hij dan die opheldering zeer gaarn zal geeven. was. Corn:s: Johanns: Idé

← previousnext →