Inventory 3921
Coromandel / Ceylon · 753 pages · 203 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
Copy That the Colombo Maha Mudaliyar Abesinhe covertly incited the Mohandiram of Marakadde Sammerendijke, Billegalle Aratchi, and Gajeman Aratchi, alongside many other inhabitants of the Girrewaypattoe, and caused many complaints to be lodged against the Disava Mr. Burnat in order to stain his Honor's name, to wrench the office of Sowing Master of the Girrewaypattoe from the said Mr. Burnat, and to bestow it upon Tinnekoon Mudaliyar, who is married to a niece of the aforementioned Abesinhe Mudaliyar; which could still be confirmed by the said Mr. Burnat, the aforementioned Sammerendijke Mohandiram, and the two aratchies. The aforementioned Abesinhe Maha Mudaliyar at that time repeatedly summoned me, Ellegierije Widane Pattirennahe, and Attoekoorle Aratchi of the Belligam Korle, secretly conferred with us, and caused several complaints to be lodged against the now deceased Mudaliyar of the Bellegam Korle Dissanayke, whereby he was relieved of his post and the sister's son of the said Maha Mudaliyar was appointed in his stead as head of the Bellegam Korle; this likewise could be confirmed by the said Mr. Burnat and the persons named at the beginning of this article. The same Maha Mudaliyar also suborned several persons and caused complaints to be lodged against the Mohandiram of the Matara Four Gravets and Second Interpreter Translation of a Sinhalese ola submitted by Don Simon Dissanaijke Madoegodde Mohandiram Appuhamy on the 7th of November 1790 and presented to the Honorable Lord Commander of Galle and the Council No. 3 at the Gate of the Disava, who had arrived there from Colombo and was placed in those services. Against the Malabar Interpreter of Matara, the Mohandiram of Kattoene Oedoebokke Abejesegere, and the servant of the aforementioned Disava Mr. Burnat named Tangalle Vidane, whereby these people suffered great damages and were ruined; of these ruses and deceptions the aforementioned Disava Mr. Burnat will also bear full knowledge. All these things the Colombo Gate Mudaliyar put into operation in order to place the power solely into the hands of his brother-in-law, the Mudaliyar Illangakoon at Matara at the Gate, and to obtain for the latter's brother-in-law the office of Mohandiram of the Four Gravets of Matara. That such matters were put into operation will be known to the gentlemen themselves, and what the said Maha Mudaliyar has now carried out regarding the conspiracy arriving from Colombo at Matara, the gentlemen will have gathered from what I have already written and stated. Mr. Disava van Angelbeek having assumed the government at Matara, kept the people under control and properly regulated the land. The native headmen and relatives of the Colombo Maha Mudaliyar at Matara, having thereby no opportunity to follow their own inclinations and advance their advantage, but on the contrary seeing the latter diminish, conspired among themselves and, out of the good intention and the trouble which the said Disava was taking to cultivate the land of Baddegene and bring it into a good state, sought a pretext from which they could brew some mischief against his Honor. They made the inhabitants fearful by representing to them the dangers and ill consequences that were to befall them when they should depart for the said region of Baddegurie; but on the other hand, with much deceit, they led the Disava to believe that they were very inclined to assist and carry out all the arrangements and deliberations designed to prepare the said land of Baddigorie and bring it into a good state. Furthermore, they put into the minds of the people the idea that the Disava and the Second Interpreter of Matara, by carrying out the work at Baddigirie, sought only to gain a good name, but that at the same time there was no means for these people to resist or escape the dangers to which they were being subjected. Thereafter, these headmen, with much cunning and deceit, informed the Disava that if all the service-bound people in the Matara Disavany were brought together at once and the work of Baddegirce was undertaken, it could then be brought to a speedy end so that they could afterwards be dismissed and return home; and that they, the headmen, were very willing to proceed thither together and have that work performed to the satisfaction of the Disava, just as they also made themselves ready to travel along. In this circumstance, all the inhabitants were anxious, when at the instigation of the headmen they conspired together to obtain their freedom, as to how the consequences thereof might turn out; and keeping themselves distressed with fear and dread over this, the aforementioned headmen seized precisely this opportunity to manifest their grudge or hatred and envy by telling the said inhabitants that to escape their distress, dread, and fear, they had no other recourse than to insist that the originators of the supposed evil over them, about which they felt aggrieved—namely the Disava, the Second Interpreter, and three others of the latter's family—be removed from their land, so that in the future they might also remain free from similar burdensome circumstances. This the said headmen wrote quite secretly to the lesser headmen subordinate to them whom they thought to be their faithful good friends, and they not only had this done through others of their trusted acquaintances, but also communicated it by word of mouth. And in this manner this thorny matter took its beginning and course, since otherwise, as the gentlemen will be able to judge for themselves, it could not possibly have existed. 58
Dutch transcription
501 Copie Dat den Kolomboschen Mahamodliaar Abesinke op een bedekte wyse den Mohandiram van Marakadde Sammeren „dijke, Billegalle Arraatje en gajeman Arraatje neevens nog veele andere Jngeseeting van de Gerre wayp attoe op gestookt en veele klaaten heeft laaten Inbrengen teegen den Heer Dessave Burnab om daar door zyn Edn naam te bevlekken en den danst van Zaaymeesterschap van de Gerrewaypattoe gem Heer Bur„ nat te ontvringen en aan Tinnekoon Modliaar toete voegen die met een Nicht van voorn Abesinhe Modliaar getrouwt is, zoude door gemelden Heer Burnat den voormelden Sammeren „dijke Mohandiram en de twee arraatjes als nog konnen bewaarheid worden Voorm Abesinhe Mahamooliaar, heeft ter dier tyd= verscheide reijsen tot zig laaten koomen, mij Ellegierije widane Pattirennahe en Attoekoorle Arraatje van de Belligam Korle, met ons geheymelyk affgesprooken en teegen den nu reeds overleedenen Modlaar van de Bellegan Korte Dessanayke laaten inbrengen verscheide klagten, waar door hij van zyn dienst is op geligt en de susters zoon van gem Mahamooliaar, in deplaats gesteld als hoofd van de Bellegam Korle, dit zoude Ins gelyks door gemelden Heer Burnat en die in het begin deeser artikel genoemde persoonen konde bewaarheid worden Deselfde Mahamooliaar heeft ook verscheide persoonen ingegeeven en klagten laaten inbrengen teegen de Mohandi„ „ram van de Maturesche vier gravetten en Tweede volk Translaat Singaleesche ola overgelegd door Don Simon Dissanaijke Madoegod de Mohandira m Appochamij op den 7e November 1790 en gegeduceerd aan den wel Edelen Achtbaaren Heer Gaals Commandeur en de Raad No 3 502 aande Porta van den Heer Dessave die van Colombo aldaar aangekoomen en in die diensten gesteld was Teegen den Mallalaarsche Falk van Mature den Mohandiram van Kattoene oedoebokke Abejese gere en den Dinaar van van voorn Heer Dessare Burna genaamt Tang alle vidaan waardoor deese Mensche veel schaaden geleeden en geruineerd zyn geworden, van de Listen en bedriegerijen zal den voormelde Heer Dessare Burnat meede volkoomen kennis draagen Alle deese dingen heeft den kolomboschen Porta Modlia in het werk gestelt om de magt alleen inhanden van 2 Zwager de Modlaar Jllangakoon te Mature aande Po te geeven en des laastgenoemdens wager den dienst „kohandiram der vier gravetten van Mature te doen ob neepen — dat zulke zaaken zyn int werk gesteld zull de Heeren selve bekend zijn en wat gemelden Mahamod nu om de tezaamenrotting te sullen van kolombo afko de op Mature uytgevoerd heeft zullen de heeren ontwa hebben uyt t geen ik reeds geschreeven en opgegeeven het De Heer Dessave van Angelbeek inde regeering op Mature getreeden zynde, heeft het volk en teugel gehouden en het land wel geregeld. De Jnlandsche Hoofden en na staanden van de Kolombosche Mahamooliaar te mat daar door geen geleegentheid hebbende om naar hun sin te te gaan en hun voordeel te bevorderen, maar ter Contrare het laaste ziende verminderen hebben onderhun affgespro en uyt het goed voorneemen en de moeijte die wel gemelde su Dessave was aanwendende om het Land van Baddegene bebouwen en in een goede staat te brengen, zelve een grond zogt, waar uyt zijn zyn wel Edele eenig, kwaad zoude konn brouwen. zy hebben de Inwoonders vreesigtig gemaakt door hun voortestellen de gevaaren en slechte gevolgen, da hun stonde overtekoomen wanneer zy na gedagte Pan„ van Badde gurie zouden vertrekken; dog aande andere zyde hebbe zy den Heer Dessave met veel bedrog Laaten merk als off zy zeer geneogen waaren om meedehalpig te weeek en uyttevoeren alle de schikkingen en overlegginge, be„ „raamd om ged' Land van Bad:digorie bekwaam, te maa „ken en in een goede staat te brengen. voorts hebbe zij 't volk int denkbeeld gebragt dat de dessave en de Tweede Tolk van Mature door het uytteroeren werk op B'addi „girie alleen zogte een goede naam te behaalen maar dat er ook teevens voor dit volk geen middel was, om teegente gaan off te ontkoomen de gevaaren aan welke zij onderwor„ „pen wierden daar na hebben deese, hoofden met veel List en bedrog den Heer Dessave te kennen gegeeven dat wanneer al het dienstbaar volk in de Matureesche Dessaronie te gelyk by een gebragt, en het werk van Baddegirce onder handen genoomen wierd, het selve als dan spoedig zoude konnen ten einde gebragt worden, om hun daar na te konnen Laaten afdanken en terugkeeren, en dat zij hoofden zeer gewillig waaren te saamen Derwaardts te begeeven, en ten genoegen vande Heer Dessave dat werk te laaten verrigten zo als zy zig daar toe ook gereed gemaakt hebben om meede op reis te gaan, Jn deese omstandigheid waaren al de inwoonders besorgd, wanneer zy op instigatie van de Hoofden te saamen rotte den om hunne vryheid te bekoomen hoe de gevolge daar van zoude konnen uytvallen en zig met vrees en angst hier over bekommerd houdende, hebben de voorn Hoofden Iuyst de geleegentheid getroffen om hun wrok off haat en nyd aan den dag te stellen door gem Inwoonders te onderhouden dat ze van hunne bekommernissen angst en wees te ontkoomen geen ander uytweg hadden dan om aantehouden dat de oorsaakers van het vmeend kwaad over hun lieden waar over zy zig beswaard vonden, Namentlyk De Dessave de Tweede Tolk en nog drie anderen van des laatst gem famielje uyt hun land wierde weggenoomen, op dat ze voor het vervolg ook van diergelijke hun beswaarende omstandigheeden zoude bevryd blijven Dit hebben gem Hoofden aan de mindere onder hun sorteerende Hoofden die zy dagte hunne getrouwe goede vrienden te wiese„ heel geheijm aangeschreeven, en zy hebben ook door andere van hunne getrouwe bekenden Laaten doen niet alleen maar ook by monde laaten weeten, en zodaanig heeft deese neetelige saak haar begin en gevolg genoomen daarzy op een andere wyse zoals de Heeren Het van zelve zullen konnen beoordeelen, anders onmogelyk bestaan konde 58
English
could. Since the inhabitants would not have dared to rise up so deliberately and strongly had they been devoid of the help and protection of the aforementioned Chiefs. However, if it were once supposed that we acted arbitrarily and of our own accord, then we would also be able to raise a gathering again whenever we merely wished, and on this authority, contrary to the laws of the Company, boldly keep ourselves hidden without appearing before the Lord rulers. In this last revolt, when the Modliaar of the Gangebaddepattoe and the Bellegamkerle Modliaar went to the mutineers for the second time to quiet them, they instigated the lesser chiefs of the Belligamkerle and Gangebadde Pattoe to have the house of Illengakoon Modledaar, situated in the village of Malimadde, partially demolished, in order to remove any suspicion of guilt from both these Modleaars. Thus, that house was also partially demolished, and taken away from there on that occasion was a Toefpeti cloth and a lamp, which, having been carried a little further from there, were again delivered to a certain Rameurezege Raleasssoe, who was an inhabitant of the garden in which the aforementioned house of the Modlaar Ilangakoon at Malimadde stood. This will be learned from the aforementioned Rammeurie upon further inquiry. The lesser chiefs of the Bellegamkerle prepared a kattepron with a tent and provisions inside, and sent it to their Modliaar at Mature with Naindes, in order that he should come to them there, as he, the Modliaar, subsequently went to them at Malimadde, into the house of the aforementioned Illangakoon Modliaar, where the said lesser chiefs met with him in the night and settled their matters very secretly, after which the said Modlaar returned again to Mature. These lesser chiefs thereafter went to the mutineers, and they revolted more strongly than before. This shall, upon inquiry and a judicial examination, clearly and satisfactorily be proven, both from the said lesser chiefs of the Belligam Kerle and from those of the other Pattoes; if these are further investigated, the same will be stated and proven point by point. Thus this was written and submitted on the 7th of November 1790, signed at the top of the ola with two Sinhalese signatures. Underneath stood: Gale, the 8th of November 1790. For the translation, it was signed: M: I: Gratiaen, Sworn Clerk. In the margin: For the translation, signed: Pae Silva, Sworn Interpreter. Underneath stood: Agrees. It was signed: C: L: B: van Albedijks, Secretary. Translation of a Sinhalese report ola from Dors David, Vidaan Arraatje of Attoerlieje, presented on the 18th of November 1790 to the Honorable Lord Commander of Gale, containing: Agrees. Sealed. Corns. Johanna. On the day that the Lord Grand Dissave of Kolombo and the Lord Samlant arrived at Mature to bring the mutineers in the said Dissavony to a standstill, the Moddelaars of Mature were together at the house of Jlangakon Moddeljaar. Having closed the front door, Clangacon Moddeljaar brought up that the Kolombo Grand Dissave was a man who knew all clever practices and skillful maneuvers, and who therefore, whatever it took, would cause a cessation to come among the people. The Belligamkorle Moddeljaar thereupon continued that the Lord Samlant was an even greater and cleverer person, very venomous and pragmatic, so that if these two cunning men therefore brought matters to a standstill through their management, it would look bad both for them, the Modliaars, and for the inhabitants. After this conversation, messages and orders were sent that very night to all the places where the mutineers were staying. On the day that all the mutineers of nine hamlets gathered together and proceeded to Mature to calm down, all the Mature native chiefs arranged feasts in their houses, and the mutineers and their chiefs were received by them and fully entertained. All the native chiefs were gathered again at Jlangacon Modliaar's, and when they sat down at the table and were merry, Jlangacon Modliaar spoke in this manner: I cannot speak as much Dutch as the Baddekorn and the second interpreter Mohandiram, yet that Dutch has had to bow under the Sinhalese of JlangaCon Modliaar. Thereupon the Gale Sabandaar Modliaar, who was also sitting at the table, said: That it was aimed at one, fired at another, and hit a third; nevertheless, dear uncle—proceeding toward the said Jlangacon Modliaar—when the old Abesinhe causes anything to sprout, usually two or three matters arise from it. The Belligam Corle Modliaar Goeneratne, making himself heard in this manner, said: with more conversations of this kind we do ourselves no benefit at all here; and the Sabandhaar Moddliaar of Gale answered him moreover: That on this Cijlon there was no one at all who knew or could untie the knots of the bald head Abesinhe. But shortly thereafter he said: Ah, let all this remain as it is, let us eat, with which this conversation was somewhat broken off. Of these matters I can produce witnesses, and I can besides this
Dutch transcription
503 konde Terwyl de Inwoonders zo opsettelyk en ster niet zoude hebben durven opkoomen, indien zy ontblood m geweest van hulp en bescherming der voorn Hoofden Indien egter eens ver onderstelt mogte worden dat wy willek rig en uyt ons eige te werk gegaan zin, dan zoude wy ook wanneer wij maar begeerden, alweeder een saamenrotting kon oprigten, en op dit gesag teegen de wetten van de Comp: zonder on voor de Heere gebieders te vertoonen, stoutmoedig ons kunnen sch houden Jn deese laaste Revolte toen de Modliaar vande gangebaddep desaram en de Bellegamkerle Modliaar voor de tweldereis by des ters geweest syn om hun te doen stullen hebben zy de mindere ho „den vande Belligamkerle en gangebadde pattoe geinstigeerd het huys van Illengakoon Modledaar geleegen in het dorp M. alimad de voor een klyn gedeelte te laaten affbreeken, om weg teneemen eenig ver moeden van schuld op deze beide Modleaars, zodanig wierd: ook v een klyn gedeelte dat huys affgebrooken en van daar by die geleegendze weggenoomen, Een Toefpeti kleedje en een lamp die een weijnig verder van daar weggebragt zynde weeder overgegeeven wierden aan eene Rameurezege Raleasssoe welke een inwoonder was vande thuyn waar in voorn huys van de Modlaar Ilangakoon op M limadde sond, Det zal van voorm Rammeurie by nadraag Bri vernoomen worden De Mindere Hoofden vande Bellegamkerle hebbe een katteprond met tent en wet binnen gereed gemaakt en aan hun Modliaar na M affgesonden met Nain des op dat hy by hun zoude koomen daar zyn ren zo als hy Modliaar daar op gegaan is bij hun op Malima in het huys van voorn Illangakoon Modliaar al waar gem m dere hoofde by hem inde nagt vergaderd en hunne zaaken zeer geheijm affgehandeld hebben, waar na gem Modlaar weeder geretourneerd is na Mature, deese mindere Hoofden zyn daar na gegaan by de muytelingen en zy hebben sterker als te vooren gerevott dit zal by navraag en een rechterlijk ondersoek zo van gemm re hoofden van de Belligam Kerle als van die der andere korte Pattoes genoegdoende en klaarlyk koomen te blijken zo de zul nog verder inondersoek genoomen worden zullen dezelve post post aan gegeeven en beweerd worden Aldus is deese geschreeven en overgelegd den 7e November 173 aan het hoofd der ola geteekend met tweesingeleesche handte ker /onderstond / gale de 8e November 1790 (voorde Tranlatie /was geteek M: I: Gratiaen Eg klerk /in margine / voor de vertaaling /geteekend Pae Silva gesa Tolk /onderstond Accordeerd / was geteekend/ C: L: B: van Albedijks Set en daage dat de Heer Groot dessave van kolombo en de Heer Samlant te Mature aankwaamen om de Muijtelingen in ged=te Dessavonij tot stilstant te brengen zijn de Moddeljaars van Mature bij elkander geweest ten huijze van Jlan „gakon Moddeljaar. De voordeur toege „slooten hebbende, haalde Clangacon Moddeljaar op dat den kolomboschen Groot Dessave een Man was die alle slimme praktijken en behendige draijerijen kent en die daarom hoe „daanig het ook zij maaken zoude dat er een stilstand onder het volk kwam. De Belligamkorle Moddeljaar vervolgde daar op dat de Heer Samlant een noch grooter en slimmer perzoon was, zeer fenijnig en Praktijklijk, dat wanneer deeze beijde sluwverts Translaat Singaleesche bericht ola van Dors David vidaan Arraatje van Attoerlieje op den 18. November 1790. aan den wel Edelen Achtbaeren Heer Gaals kommandeur gepresenteerd, houdende. Ackordeert gezeeklet Corns. Johanna derhalven „ 6 1. ƒ057 504 derhalven door hun belijd de zaaken tot stilstand bragten, het zoo wel voor hun Modliaars als de ingez „tenen slegt uijtzien zoude. Na dit gesprek zijn in deeze zelvde nach bootschappen en orders gezonden na alle de plaatzen alwaar zig de muijtelingen ophielden. op den dag dat alle de Muijters van neegen gehugten te zaamen verg „derd en tot bedaaren te koomen te Mature zig begeeven hebben, hebben alle de Matureesche Jnlandsche Ho „den in hunne huijzen, gastmaalen aangerigt en de Muijtelingen en hunne Hoofden zijn bij hun ont¬ „vangen en volop getrakteerd. All Jnlandsche Hoofden zijn bij Jlang con Modliaar weeder vergaderd geweest, en toen zij zig aan tafel begaaven en vrolijk waaren sprak Plangalon Modliaar in deeze voegen. zoo veel Hollands kan ik niet spreeken als de Badde korn en tweede tolk Mohandiran nochtans dat Hollands, heeft zig onder het singalees van JlangaCon Modliaar moeten bukken; daar op zijde de gaalse sabandaar Modliaar, die ook meede aan tafel zat. Dat het gemikt was op een, losgeschooten op een ander, en geraakt was op een derde, des niet temin lieve oom„ /:teegen gem: Hangacon Modliaar voortgaande : / als den ouden Abesinhe wat doet spruijten gemeenlijk daar uijt twee à drie zaaken voort. De Belligam Corle Mo aliaar Goeneratne zig daar op hooren laatende in deezervoegen zijde met meer gesprekken van deezen aard doen wij ons hier in het geheel geen voordeel en de saban„ „dhaar Moddliaar van Gale ant „woorde hem daar booven, Dat op dit Cijlon in het geheel niemand was die de knoopen kende of ontbinden konde van den kaalen kop Abesinhe dog kort daarop zijde hij Ach laat dit alles zoo blijven, laat ons eeten, waarmeede dit gesprek eenigzints afgebrooken wierd. van deeze zaaken kan ik getuygen bijbrengen en ik kan ze buijten onder dien 2.
English
507 505 examined. verified with an oath by such signed Don David, vidana Aratchi of Attoerlije at the end of the ola was signed: D: Daawit underneath: Galle the 18 November 1740. for the translation was signed M: J: Gratiaan sworn clerk, for the translation signed: S: de Zilva sworn interpreter. underneath: agrees signed: C: L: B: van Albedijk secretary agrees Just as a light that is lit in a dark room illuminates and gladdens it, so it illuminates and gladdens us, and our hearts continually hover day and night in joy that you have respected our words with satisfaction and have fulfilled our agreement on the occasion when you made the new year's appearances. That which we have devised for three years is now well accomplished, but because the conspiracy falters and weakens from day to day, which will drag our ruin along with it, we are now your enemies. With all this, the conspiracy must be daily sustained and strengthened, until the Dissave, his son the second Joke Badde Corle, the two Mohandirams of the Bajgams and Kandebaddepattoo, and the Mudaliyar Ola written to Attoe Corle Aratchi, Roepesinge Corle Aratchi and all other lesser chiefs of the Belligam Corle. Translation of a Sinhalese letter Corns: Johannes de Haar sworn clerk 55957 506 Mudaliyar of the Wallebadde Pattoo from there shall be dismissed. If the conspiracy should weaken in any way, it will be just as if someone walking over a bridge, having reached the middle of it, the bridge collapses. And with all our trouble and labor just as much will be gained as if someone wrote on the water. When we come to you with orders to work the cinnamon, you must merely drive us away, and of this you must let nothing appear to the chiefs of the Gangebaddepattoo. However many commandos the Dissave might send down, you must nevertheless not be afraid, for we shall certainly see to it that not a single Javanese is allowed outside the fortress. Thus written by the Attepattoo Mudaliyar together with Abejeseriwardene Goeneratna Mudaliyar of the Belligam Corle. At the top of the ola was written: 17 2/3 90: was signed: with some Dutch letters which indistinctly appear to signify Goeneratne. underneath stood: for the translation Galle the 1 November 1790: was signed: B: van Albedijk. Beside it: for the translation signed: S: D: Silva sworn interpreter. underneath: Agrees was signed: C: L: B: van Albedijke secretary. Agrees Corn: Johannes Bde was signed. sworn clerk I, the undersigned, having stayed for some months in Baddegierie, news was brought to the Resident residing there that all the inhabitants of the Korales and Pattus of the Matara Dessavony had conspired against the Company to come to Baddegierie to break down the houses and forcefully take away the Company's goods and also to do harm to the aforementioned Resident. Upon which news the said Resident, handing me a letter to take to Matara, I went down with it as far as the Maha Lewaja, where I encountered Don Simon Loku Aratchi and Attenejalle Loku Appuhami with a following of 500 men, who detained me and took me along to Translation of a Sinhalese ola submitted by Abraham Priedoes, son of the late first schoolmaster of the Matara Great School Adriaan Priedoes, dated 7 November 1790: addressed to the Honorable Commandeur of Galle and Matara alongside the Council. 507 508 the resthouse situated at Oedowelle. Here they halted for a day, and I had the opportunity to ask of the said two persons for what reason this rebellion occurred, to which they replied that this matter did in no wise proceed from any desire or caprice of such humble people as they were, but that it was a plot of the Colombo Maha Mudaliyar and his relatives, the chiefs of Galle and Matara, to stain the good name of the Dissave van Angelbeek and to bring down the Baddekorle along with his family, and that the venom of this devised scheme would serve to undermine the lives and the possessions of those people, and therefore they said this uprising was sufficient to be able to execute it. After I had stayed with them for a few days, I left there and proceeded to Matara, where of all the matters that were known to me, I gave notice to Mr. van Angelbeek as well as to the Colombo Dissave who was then present there. Thereupon the Dissave van Angelbeek sent me to the places where the mutineers stayed to inform myself of the state of their affairs, as I indeed did on several occasions and reported my experiences. On one journey that I made on that expedition, I was lodged at the house of Dedowegodde Appu, who is a close relative of Maddowegodde Mohandiram, and on that day I caught sight of two faithful servants of Ilangakoon Mudaliyar, named Hoenoege Sobia, inhabitant of Matara, and Narangelle Pinkellege Abe, inhabitant of Narangelle, who went to the conspirators and secretly conferred with their chiefs, after which those of the Belligam Corle
Dutch transcription
507 505 nagesien. serspall. dien met een Eed bewaarheeden over „zulk geteekend Don David, vidaan Araatje van Attoerlije aan het eijnd der ola (:was geteekend:/ D: Daawit /:onderstond:/ Gale den 18. November 1740. voor de overzetting /:was geteekend M: J: Gratiaan Egklerk /: voor de ver „taaling /:geteekend:/ S: de Zilva gezw: tolk. (:onderstond:) accordeert (:geteekend:/ C: L: B: van Al bedijk sekret:s accordeert Gelijk een Ligt dat men in donkere kaamer op„ strekt dezelve verligt en vervoorlijkt, zoo ver„ ligt en vervroolijkt het ons, en onse haaten sweeven geduurig bij dagen bij nagt in vreugde dat hij lieden, onse woorden niet vergenoegen hebt gerespecteerd en onse afspaaak bij gelee„ gendheid dat hij lieden de nieuwe jaars parressen gedaan hebt zijt nagekoomen. Het geen wij zeedert drie Jaaren ontworpen hebbe is nu wel bewerkstelligd, dog wijl de saamenrotting van dag tot dag vervalt en vervlauwd het welk onse auine zal na zig sleepen, zijn wij nu uwlieder vijanden Met dit alles moet de te zaamenrotting doge„ lijks verneederd en versterkt worden, tot dat de Dessave, zijn zoon de Tweede Joek Badde korn, de twee Mohandirams van de Baijgams en kandebaddepattoe, en de Mod„ ola geschreeven aan Attoe„ Corle Arraatje, Roepesinge Corl Aaraatje en alle verdere mindere hoofden van de belligam Corle Translaat Cingaleesche Briev Corns: Johiann:s: & de haar gezeeklerk 55957 506 Modliaaa van de wallebadde pattoe uit darve zullen afgeschaft zijn Jndien de te zaamenrotting eenigsints mogte ve vlauwen, zal het just weesen als of iemand over een bruggaande en in het midden derzelve ge„ koomen zijnde, de brug in stort. en met alle onse moeijte en arbeijd zal juijst zoo veel gewonnen weesen, als of iemand op het waater Schaeef wanneer wij bij uw lieden koome, met order om de steeftand te bewerken moet Gijlieden ons maar wegjaagen, en hier van Mtaet Gij aan de Hoofden van de Gangebaddepattoe niets laaten blijken. Hoeveel Commandos de Dessave ook mogte laaten afkoomen, moet Gijlieden egter niet be„ vreest worden, want wij zullen wel maaken dat daar van geen enkelde Javaan buijten de foataesse gelaaten worde. Aldus geschreeven door de altepattoe mobl: te zaamen met Abejeseriwardene Goe neratna Modliaan van de belligam„ Corle /: aan het Hoord der ola stond: 17 2/390: /:was getekend:/ met eenige nederduijsche Letters /: die ondeudelijk Doeneratne schrijven te beteekenen /:on derstond:/ voor de Craaslatie Gale den 1: 9ber: 1790: /:was geteekend /: B: van Albedijhl /: be„ zijden:/ voorde vertaaling /:geteekend /: S: D: Silva gesw: soek /:onderstond /: Accordeert /:was geteekend /: C: L: B: van Albedijke secretaris. Accordeert Corn: Joliamns: Bdé /:was getekend./ gizeeklerk Ik ondergeteekende mij eenige maanden te Baddegerie opgehouden hebbende, wierd aan den aldaar bevindenden Resident de tijding ge„ bragt dat alle de ingeseetenen van de Cor„ les en Pattoes der Matureesche Dessavonij teegen de Compenie te zaamen gespannen hadden om op Baddegierie te koomen de Huij„ „sen aftebreeken en sComp:s goederen met ge„ weld weg teneemen en den Resident eevengemeld almeede quaed te doen. op welke teiding gem: Resident mij een Briev ter hand stellende om na Mature te brengen, ben ik daarmeede tot de Maha Lewaij afgekoomen, alwaar ik aan„ trot nepeteirre Don Simon Lokoe Aaraatje en attenejalle Lokoe Appoehanie met een gevolg van 500: Manschappen die, wij aanhielden en meede naamen naar Translaat singaleesche ola overgelegd door Abraham Prie„ does zoon van den overleeden Eer„ „sten schoolmeester van de Matu„ reesche Groote School Adriaan Triedoes in dato 7: 9ber: 1790: ingerigt aan den wel Edelen Acht„ baaren Heer Commandeur van Gale en Malure nevens den Raad, het je 507 508 het Rusthuis geleegen te oedoemallelle. Heer nieuw den zij een dag halt. en ik had geleegend„ heid om van gem: twee persoonen te vraagen om wat reeden deese oproer geschiedde op welke zij antwoordeden dat deese zaak geen zints voortquam uijt eenige zin of willeken „righeid van sulke geringe menschen, gelijk zzij waaren maar dat zij een aanleg was. van den Colomboschen Porta modlijaar en zijne Nabestaanden de Hoofden van Gale en Mature om de goede naam van den Heer Dessare van Angelbeek te bevlekken en de Baddekorne nefens zijne famillie ten on„ der tebrengen en dat het venijn van dit uitgedagt middel strekken zoude om het leeven en de besittingen van die menschen te ondermijnen en dus tijden zij was deese opvoer bestand genoeg om te konnen uijtvoeren Na dat ik mij eenige daagen bij hun opgehouden had heb ik mij van daar geabsenteerd en na Mature begeeven, alwaar ik van alle de zaaken die mij bekend waaren, de Heer van Engelbeek zoo wel als den Heer kolomboschen Dessave die zig doen al„ daar bevond kennis gegeeven heb. Daar op heeft de Heer Dessave van Angelbeek mij gesonden na de plaatsen daar de muijtelingen zig ophielden om na de gesteedheid van hunne zaaken te invormeeren, zoo als ik ook een en andermaal dit gedaanen van mijn weedervaaren berigt gedaan heb. op op een rijs dat ik die togt gedaan heb„ was ik gelogeert ten huijse van Dedoe„ godde appoe die een naast bestaande is van Maddoegoode Mohandiram en op die dag heb ik tesien gekreegen twee trouwe dienaaren van Jlangakoon Modliaaa met naamen Hoenoege Sobia inwooner van Mature en Narangelle Pinkellege Abe, inwooner van varangelle die bij de te zaamenrotters zig begeeven en met hunne Hoofden geheimelijk afgesprooken hebben, waar na die van de Belligam„ van Angelbeek Coole
English
509 gathered in Carle and the Gangebaddepattoe and proceeded to the house of Ilangakoon Modliaar at Malimadde, of which they broke open a room door and, having gone inside, notwithstanding that there were several other valuable goods, took from an old chest a broken lamp and two old jackets, which, however, having gone not far from there, they sent back again to the same house; this I saw myself. On the occasion that I was with this mob at the village Meddeoejangodoe and stayed there, I saw a servant of the Modliaar Sinnekoon, who lives with him and was faithful to him, arrive there, named Moedaegammoewe Abejegoenawardene Koddekara Arraatje, who also conferred very secretly with the said rebels, after which it seemed very clear to me that their guard grew stronger and increased more than before. The reason for this having been asked by me of Wallambe Arraatje, he served me with the answer that Sinnekoon Modliaar, through the just mentioned messenger, had let them know that as long as the Dessave Mr. van Angelbeek remained at Mature, they, the mutineers, had to proceed without ceasing and not keep quiet. Furthermore, the said Walaambe Arraatje told me that the named Koddikare Arraatje was to go the next morning with the same message to the largest gathering of the mob at Hakman in the Giraewaij pattoe. The same great evildoer Moedoegammewe Goenawardene Koddikare Arrootje departed from Meddeoejangoode to Hakman and spoke in the manner as before with the heads of the mutineers and brought the whole crowd from there to the place named Nagahaghame situated at Meddeoejangoode, where they halted. 510 and keeping together here, they posted guards at all the places situated outside the four gravets of Mature and made themselves stronger than before. A confidant of the Modliaar Ginnekoon who lives with him, named Koeroendoewatte Kankanea, I saw myself, being at Meddeoejangoode, go on the road to the Kandebaddepattoe, from which, foreboding nothing good, I asked the vidaan of Hebbelejepalle, the nearest situated village of Hakman, why he, Koeroendoewatte Kankanea, had gone on that path; who gave me as answer that he was carrying writings from Ginnekoon Modliaar concealed in a bundle of greens called bredo in Portuguese, addressed to the largest gathering of the mutineers at Hakman according to the agreement and permission of the Colombo Maha Modliaar and all other Mature chiefs who are his relatives, in order to strengthen the mutineers and set them in motion even more. On the occasion that Ilangakoon Modliaar traveled by order for the second time to Hakman to pacify the mutineers, he arrived in the evening at Oekgodde in an abandoned house of the deceased Modliaar Pattijnaike, where he had the mutineers come to him, and with Wallambe Arraatje and Haddeweldoewe Poentje Arraatje jumped indoors during the night, and after that, the just mentioned two arraatjes coming outside, had some rows of roof tiles removed from the same house; the Modliaar likewise coming outside thereafter said, If you will not permit me to proceed to the rest house of Hakman, then I shall immediately return to Mature. Furthermore, just before he departed from there on his journey to Mature, the Modliaar said to the bystanders, The drawn bow must by no means be slackened. 511 Having said this, he departed from there, as I came to know. That the instigators of these disturbances are the aforementioned Maha Modliaar and his doubly related favorites, the principal Mature native chiefs, through many tricks and deceit, will appear from all circumstances and the foregoing account to all wisdom-loving gentlemen and all people in many ways. In this island of Ceylon, which provides so many rich revenues to the Honorable Company, many beautiful arable lands are presumed, and in the middle springs a fountain that has a vein of brackish water, and to this water may be compared the aforementioned Modliaar and his family, the Mature native chiefs, who destroy the inhabitants. May Your Honorable Worships and the other gentlemen please further take such measures according to their wise policy that the strong flood of that water be stopped and the poor inhabitants be preserved. Thus this is written and presented on the 7th of November 1790 by Abraham Paiedoes. Was signed with an illegible signature. Below: On the first of this month I wrote an ola of this content and presented it to the Colombo Chief Administrator Mr. Christiaan van Angelbeek. Underneath stood: Gale the 9th of November 1790. For the translation, signed M. G. Gratiaen, First Sworn Clerk. Beside, for the translation, signed S. D. Silva, sworn interpreter. Underneath stood: Agrees, signed C. L. B. van Albedijk, Secretary. Cornelis Johannes de [illegible] Honorable Agrees
Dutch transcription
509 Carle en de Gangebaddepattoe zig versaameld en na het huijs van 7 langakoon Modlicier op Malimadde begeeven hebben, van het welke zij een kamer deur hebben op engebroo„ „ken en binnen deselve gegaan zijnde, niet tee„ genstaande, er verscheide andere naamwaar„ „dige goederen waaren, uit een oude kist heb„ ben meede genoomen een gebrooke lanp en twee oude baatjes, welke zij egter niet verre van daar voortgegaan zijnde wee„ der na het zelvsde Huijs hebben terug gesonden, dit heb ik zelvs gezien. ser geleegendheid dat ik met deese tezaamen, rotting na het doop Meddeoejangodoe ben geweest en mij aldaar opgehouden heb, zag ik een Dienaar van den Mod„ liaaa sinnekoon, die bij hem zelvs woond en hem getrouw was daar aankoomen met naamen Moedaegammoewe Abeje„ goen ale ardene koddekara Arraatje, die almeede met gem: weerspannelingen zeer geheim geconfereerd heeft, waar na het mij zeer duidelijk scheen dat hunne wacht sterken en meer als te vooren tenam. De reeden daar van door mij van wallargn de Arraatje gevraagd zijnde diende Mij mij tot antwoord dat sinnekoon Modliaaa door eeven gemelden afgesondenen had laaten weeten zoo lang de Heer Dessave van Angel„ beek op Mature bleef, zij muijtelingen zonder ophouden moesten voortgaan en zig niet stel houden. Noch heeft mij ge„ melde walaambe Aaraatje gezegd, dat benoemde koddikare Aaraatje sanderen daags smorgens met deselvde boodschaap stond tegaan, na de goootste hoop van de tezaamen rotters te wakman in de Girae„ waij pattoe Deselvde groote Quaaddoender Moedoegam„ mene goenawaadene koddikare aarootje vertrok - van Meddeoejangoode na hak„ man en spaak invoegen als vooren met de Hoofden der muijtelingen en bragt de heele hoop van daar tot de plaatt gen:d Nagahaghame geleegen te Mende de Jangoode alwaar zij halt hielden zeer een 3 510 en hun alhier zig bij elkander houdende heb„ ben zij op alle de plaatsen geleegen buijtende de vier gravetten van Mature wagten uijt„ geset en zig hun sterken gemaakt als tevooren: Een vertrouweling van den Modliaaa Ginne„ koon die bij hem zelvs woond genaamd koe„ roendoewatte kankanea, zag ik zeeve, mij op Mendede Jangoode bevindende, op de weg gaan na de kandebaddepattoe, waar van ik niets goeds voorspellende gevrar heb aan den vidaan van hebbele jepalle het naast geleegen dorp van Hakman, waar om hij koeroendoewatte kang aan die apaeg was opgegaan die mij daar op ten andwoord gaf, dat hij schrijvens meede nam van Ginnekoon Modliaar verschooten in een bon„ del groente genaamd bredoe Portugees ge„ richt aan de Grootste hoop der Muijters optbakman volgens afspaak en toelaating van den kolomboschen Porta Modliaar en alle andere Malureesche toofden die zijn nabestaan den zijn om de Muijters te versteaten en ze nog meerder aan de gang te brengen. sen geleegendheid dat Gangakoon Modliaar voor de tweede reis op order naar Hakman t reisde om de suijtelingen tot bedaaren te brengen is hij savons te oekgodde aangekoomen en een verlaaten huijs van den overleeden en Modliaar Pattijnaike alwaar hij de muij„ ters bij zig heeft laaten koomen, en met wallarmbe Arraatje, en haddewel doewe Poentje Araaatje in den nagt binnens kamers gesprongen heeft en daar na hebben even gemelde bij de aaraatjes buiten koomen„ de eenige rijen dakpannen van het zelvde huijs laaten wegneemen; De Modliaar insgelijk daar na buijten koomende heeft gesegd, zo Gijlieden mij niet toelaaten wil dat ik mij naar het uijthuijs van Wakman begeeven dan zal ik ten eersten weederkeeren na Mature. e voorts heeft hij modliaar even voordat hij op reis na Mature van daar gong aan de omstanders gezegd den gespan„ meerder nen„ 511 spannen Boog moet in geenen daage slappen worden. Dat hij dit gezegd hebbende van daar is ver trokken ben ik teweeten gekoomen. Dat de oorzaakers van deese onlusten zijnde Porta Mahamodliaar voormeld en zijne in een dubbelde bestrekking Nabestaande Lievelingen, de Matureesche voornaamen Jnlandsche hoofden, door veele listen en bedaag zal uit alle omstanden en het hier vooren verhaalde blijken aan alle wijsheid„ lievende Heeren en alle menschen op veeler„ lijwijse. Jndit Eijland Ceilon, welke zoo„ veele Rijke inkomsten: aan de Edele Com„ penie verschaft, zijn verondersteld ver„ le schoone Zaaijlanden en in de midden springt een fontijn dat een aadrr heeft van brak water en bij dit waater kunnen vergeleeken worden voormelde Modliaaa en zijne famillie de Matureesche Jnlandsche Woorden, die de ingeseetenen destrueeren uwel Edele gezieklerk Achtbaare en de verdere Heeren gelieven voorts naar hun wijs belijd zoodanige maa reegelen teneemen dat de sterke vloed van dat water opgehouden ende aame ingeseetenen be„ houden worde. e Also is deese geschreeven en gepresenteerd den 7: 9ber: 1790: Door Abraham Paiedoes /was geteekend:/ met een onleesbaare hand„ teekening :/ Lager Den eersten deeser heb ik een ola van deesen inhoude geschreeven en aangebooden aan den Heer Colomboschen Hoofdadministrateur M:r Christiaan van Angelbeek /:onderstond:/: Gale den 9: 9ber: 1790: voorde oversetting /:geteekend:/ M: g: Gratiaen E: g: Clerk (: beseiden voor de vertaaling /:geteekend:/ S: D: Selva gehr: soek: /onderstond: accordeert /: ge„ „teekend:/ C: L: B: van Albedijkl fecr: Corns: Johanns: dé Achtbaare Accordeert
English
No. 57 Dom Joan Anthonij Alwies Abesisiriewiekkieme Jasewerdene Modliaar of the timber cutting, Simon De Zilva Sammeresegere Moddenaijke, former Attepattoe Mohandiram of the Gale Korle, your Right Honourable obedient servants, reverently show how in the month of August last, an uprising and assembly of dissatisfied inhabitants having taken place in the Gangebaddepattoe of Galle, the suppliants were accused by the Shabandar Modliaar as being the leaders thereof, were subsequently summoned from their dwelling and banished here within the city, and that indeed upon the assurance given to your Right Honourable by the Shabandar Modliaar in the absence of the suppliants that he would soon bring to light and satisfactorily prove the accusation that the suppliants engineered the commotion. That the suppliants, however much they consider themselves in their conscience entirely innocent and free of this highly abominable conduct, nevertheless, to save their honour and office, have patiently endured the arrest imposed upon them in the city for three months, without the Shabandar Modliaar having proven anything against the suppliants during that time, according to his promise. And as the suppliants now believe they are fully informed of the true circumstances and origin of the disturbances in the Gale Korle, and thus consider themselves obliged, as good and faithful servants of the Honourable Company, to give notice thereof—the more so because their arrest causes great damage and dishonour, and it is also necessary to uncover the truth regarding the aforementioned commotion in the country, of which they are unjustly accused—the suppliants therefore now find themselves obliged to report to your Right Honourable that not they, the suppliants, but the aforementioned Shabandar Modliaar himself took part in that assembly and incited the people thereto. Therefore, the suppliants most urgently request that, for the welfare of the interests of the Honourable Company and its subjects, they may be permitted to prove the aforesaid within fourteen days, and that the suspected Shabandar Modliaar be arrested in one of the military guardhouses, just as the first-named suppliant was also detained in the city, and that the matter then be investigated; being very willing to submit themselves to the laws of the land if the suppliants do not prove their accusation against the said Shabandar, for which, however, it is necessary that he be arrested. Which doing, etc. Was signed: D. J. A. Alwies and S. de Zilva. Below stood: Agreed. Was signed: C. L. B. van Albedijhl, Secretary. Right Honourable Ruling Lord! To the Right Honourable Lord Peter Sluijsken, Commander of the city and lands of Gale. Matara, etc. Agreed. Cornelis Johannes Idé, sworn clerk. No. 52 Secret G. V. D. Linde Examined. Madoegodde Appoe, in his further examination, did not fully satisfy the intention of our letter of 26 October last. We have therefore, as well as in consideration of the fact that if the accusations which he, Baddewokke Arraatje, and other persons bring against the Maha Modliaar and some of the principal native chiefs of Matara could be proven, a criminal action must be instituted against the accused, and that a judicial inquiry is required for this purpose, resolved to have the further inquiry in this matter conducted judicially, and to have this judicial inquiry take place before the court here, since the principal accused, being the Maha Modliaar, belongs to the Governor's Gate here. You must therefore immediately send the aforementioned Madoegodde Appoe and Baddewokke Arraatje here under a military escort commanded by a valiant, provident, and discreet European officer, who must be ordered by written instruction to take and ensure sufficient care that they do not escape en route, under penalty of being held liable for it. The necessary coolies, if they cannot otherwise be obtained quickly, may be hired. All further investigation, both into what was reported by Madoegodde Appoe and by Baddewokke Arraatje, must accordingly be ceased there. Before we can judge the equity of your decision to have the Shabandar Modliaar arrested, you must have the Modliaar of the Gale Korle and the former Mohandiram Mandenaike state in writing the circumstances of their accusation against the aforementioned Shabandar Modliaar, namely how they know that he engineered the assemblies of the inhabitants in the Gale Korle, and this statement must be sent to us immediately. For the rest, after greetings, we remain, valiant, provident, and discreet, your good friends. Was signed: Jacob Graaf, P. M. C. Verder, W. J. van de Graaff, C. van Angelbeek, Reintous, B. L. van Zitter, and A. Samlant. In the margin: Colombo, 15 November 1788. To the Lord Peter Sluijsken, Commander, together with the Council there, Galle. Examined. Agreed. Cornelis Johannes Idé, sworn clerk.
Dutch transcription
No. 57 Dom Joan Anthonij Alwies Abesisirie wiekkieme Jasewerdene Modl: van de houtkasperij Simon De Zilva Sammeresegere Modde„ naijke, geweezene Attepattoe Mohandiram bij de van de Gale Korle, uwel Ed: Achtb: ge„ hoorsaeme Dienaeren, vertooiren reverente„ lijk hoe in de maend aug: pass:o in de Gaal„ sche Gangebaddepattoe een opstand op zaemenrotting van mis noegde Jngezee„ „terren plaats gehad hebbende, de supplian„ ten als de aenverders daarvan door de sabandaan Modliaar beschuldig, ookvol¬ gens van hunne woon ontbooden en alhier binnen de stad gebannen zijn en dat wel„ op de in der supplianten vacie door den sabandaar Modliaar aan uwel Edele Achtb gedaane verzeekering, dat hij de beschuldi„ ging dat de supplianten het sproer bewerkt hebben eerlange zoude in het ligt brengen en satisfactoien bewijsen Dat de suff:w hoe zeer zij ook zig in hunne ge„ WelEdele Achtbaare Ge„ biedende Heer! Aan den wel Edelen Achtb Heer Peter Sluijsken Kommandeurn der stad en Landen van Gale fo. Mature Ect: moed - 512 513 moed vrij keuren van dit ten hoogste abo„ minabel bestaan en dus geheel onschul„ dig, hebben zij nogtans, tot deelen van hunne Eer en ampt het hun opgelegde ar„ rest in de stad om drie maenden lang geduldig ondergaan zonder dat de sa„ bandaar Modliaar tegen hun in aldien teid volgens aannaeme door Hun, in aldien tede volgens aanmaera iets ten laste der supf:ten geprobeerd had. En alle de suppten. van den waaren toedragt, en oversprong der onlusten in de Gale korle nu volkomen onderrigt meenen te zijn en zig dus verpligt reekenen als gade en getrouwe Dienaeren van dE: komp: daarvan kennis tegeeven te meer hun„ ne arrest tot groot schade en dishou„ neur strekt en het ook nodig is de waar heid te ontdekken van op gem: slands be„ „weeging, waermeede zij ten onrechten be„ tigt zijn zo vinden de supplianten tans verpligt uwel Edele Achtb: te be„ rigten dat niet zij supften. maar de voorm: Sabandaar Modliaan zelfs aan die tezaemen rotting deel genomen en daartoe de volkeren opgewekt heeft, dierhalven verzoeken de supp=lten zeer kragt didig dat tot welzijn van de belangen der Ed: komp en haare onderdaanen het gezegde binnen veertien dagen te mogen probeeren, en dat de in suspitie leggen„ „de Sabandaar Mod:e in een der Militaie wagten gelijk de eerst gem: suppten. ook gezeeten stad, gearresteerd en dan de zaak maar onderzogt worden, zullende zuh zeer gaarne aan slands wetten onderwerpen, indien de supp:ten hun beschul„ diging teegen gem: sabandaar niet be„ wijzen waartoe egter noodzaekelijk is dat hij gearresteerd word /onderstond/ T welk Doende Eck: /:was geteekend/ D: J: A: Alwies en C: deZilver /onderstond:/ Akkordeerd /was geteekend/ C: L: B: van Albedijhl Tek:s zuch Akkordeert Corns: Johiann: Idé gezeeklerk N. 52 secreet GV D Linde Nagezien Madoegodde appoe heeft in zijn nader verhoor niet volkomen voldaan aan de intentie van onzen brief van den 26. ' 8ber: J:oL:, hebben wij daarom zoo wel als uit aanmerking dat indien de beschulde„ gingen, die hij Baddenokke arraatje en ander luiden, tegen den Mahamodliaar en eenige der voornaemste matureesche inlandsche hoofden voort„ brengen, beweezen konden worden daar uit eene crimineele actie tegen de beschuldigde moet wor„ den g'institueerd, en dat daar toe een geregtelijk onderzoek nodig is, beslooten, om de verdere en„ queste in deeze zaak Justitieel te laeten doen en om deeze justitieeele enqueste te laeten ge„ schieden, voor den geregte alhier, wijl de voor„ naemste beschuldigde, zijnde de Mahamodli„ aar aan 's gouverneurs porta alhier thuis hoord— uE: moeten derhalven voorm: Madoegodde appoe en Bade„ wokke arraatje ten eersten dit heen zenden, onder eene Militaire escorte gekommandeert door een Manhaften voorzienigen Diskreeten! Aan den Heer Peter Sluijsken kommandeur Nevens den Raad aldaar Europees Gale 514 515 Nagezien Europies officier die bij eene schriftelijke instruc„ tie moet worden gelast om toerijkende sorg te drae gen en te doen draegen, dat ze onderweegen niet komen te ontsnappen, sub pene van daar voor aanspreekelijk te zullen zijn. De nodige koelias zoo die niet anders spoedig te krijgen zijn mo gen worden ingehuurt Alle verdere onderzoek, zoo wel naar 't oprgegeevene door Madoegodde appoe als door Baddewokke arraatje moet mits dien aldaar worden ve„ staakt. Alvoorens wij oordeelen kunnen over de billijkheid van uE: besluit, om den sabandaar modliaar te laeten arresteeren, moeten uE: door den mod„ liaar van de Gale korle en den gew: mohan„ diram Mandenaike, schriftelijk doen opgee„ ven de omstandigheeden van hunne beschuldi„ ging tegen voorm: sabandaar modliaar, na„ melijk hoe zij weeten dat hij de zaemen rot„ tingen der ingezietenen in de galekorle be„ werkt heeft, en moet deeze opgaeve aan ons ten eersten worden toegezonden. Wij blijven voor 't overige na Groete /:onderstond:/ Manhaften voorzienigen Diskreeten. uE: goede vrienden. /: was geteekend:/ Jhcob: Graar P. M. C. terder w J: van de Graaff, C: van Angelbeek Reintous, B: L: van Zitter en A: Samlant /:in margine:/ kolombo den 15:' 9ber: 1748. Akkordeert W. Corns: Jolianns: Idé gezenklerk
English
516 No: 53. We have charged and ordered the Mudaliyar of the Galle Korale and the former Mohandiram Mandenaike to provide in writing their accusation against the native Shahbandar and Posta Mudaliyar of the first undersigned, namely how they know that he caused the unlawful assemblies of the inhabitants in the Galle Korale. Upon this our order, a petition was presented yesterday towards the evening by the said Korale Mudaliyar and former Mohandiram, of which we hereby offer the copy to Your Right Honourable, Highly Esteemed. In this petition, the said accusers of the Shahbandar Mudaliyar request that they may remain excused from providing the circumstances and the proofs of their accusations, until such time as the said Shahbandar is arrested according to their submitted request, alleging that they fear their secret might become known, whereby they would possibly be deprived of the opportunity to make good their assertions. Requesting further that the said Shahbandar may yet be arrested and that a double punishment may be imposed upon them if they do not prove their accusations clearly. Upon the handing over of the aforementioned petition, the undersigned Commander repeated to them with all earnestness the order of Your Right Honourable, Highly Esteemed regarding the making of a statement of their accusations against the Shahbandar Mudaliyar, but they requested that their petition be sent to Your Right Honourable, Highly Esteemed, and to await your orders, under repeated protestation that Extract Secret Letter dated 19 November 1790, written from Galle to Colombo. they cannot reveal their secret before and until the Shahbandar Mudaliyar is arrested, after which they will gladly do so, or else, in default thereof, submit themselves to the severity of the laws to be punished like all false accusers and disobedient subjects of their authority. We request Your Right Honourable, Highly Esteemed to deign to favour us with your further orders regarding the request to arrest the Shahbandar Mudaliyar. Agrees, Cornelis Johannes Pelé, sworn clerk. Examined, 517 G. De Linde. No. 54. To the Honorable, Valiant, Provident, Discreet Peter Sluijsken, Commander together with the Council there at Galle. We expect a report from you as to whether the commission decreed by your resolution of 20 July last, to the junior merchants Martheze and De Lij to investigate the complaints that a party of native inhabitants of Matara have lodged against the four dismissed Matara headmen who are presently at the Court, has not yet been executed, and what the hindrance is that this investigation could not yet be brought to a conclusion. In order to be able to dispose of the further petition of the Mudaliyar of the Korale and the former Mohandiram Mandenaike with knowledge of the matter, we require more information regarding what transpired in the Galle Gangaboda Pattu than has been given to us up to now. 518 We have indeed seen from several of your letters and resolutions that the people of the said pattu have been in commotion, and especially from your secret resolution of 4 September, that their principal complaint was against the Korale of the same pattu and the Vidane of Mapalagama, and that you had decided to commission the aforementioned junior merchants Martheze and De Lij to investigate all accusations concerning the rebellion and unlawful assembly of the people of Mapalagama and thereabouts, against whoever they might be laid, with all further complaints of the said discontented inhabitants of the Galle Korale; but further or broader report on what the grievances of these inhabitants consist of, and what has become of the aforementioned ordered investigation, we do not have. You must therefore give us a more detailed report of this rebellion in the Galle Korale, and of the complaints of the inhabitants, and send therewith all papers relative thereto, whether complaint documents, reports, or whatever it may be, together with the resolutions taken by you thereupon, so far as they have not yet been sent to us. Specifically, you must inform us how the accusation of the Shahbandar Mudaliyar against the two aforementioned petitioners, namely the Mudaliyar of the Korale and Mandenaike, was brought forward, and whether the said Shahbandar Mudaliyar has since been heard upon it. The resolution taken to arrest the said Mudaliyar of the Korale and Mandenaike must likewise be sent to us. Up to now nothing else has appeared to us concerning this than what occurs in your aforementioned resolution of 4 September, whereby it was ordered [illegible].
Dutch transcription
516 No: 53. Wij hebben den Modliaag van de Gale Corle en den ge- :weeze mohandiram Mandenaike gelast en aanbevoolen om schriftelijk op tegeeven hunne beschuldiging tegen den Jnlandsch sabandaar en Posta Modliaar van den eerst ge- „teekende, namentlijk hoe zij weeten dat hij de zamenrot- „tingen der ingezeetenen in de Gale Corle bewerkt heeft, op deeze onze order, is door ged:e Corl modliaer in ge= =weeze Mohandiram, gisteren teegen den avond een ad= „dres gepresenteerd, waar van wij uw wel Ed: Gestr: groot achtb: het afschrift bij deezen aanbieden. Bij dit addres verzoeken gemelde beschuldigers van den sabandaar Modliaer, dat zij mogen g'excuseerd blijven van het opgeeven der omstandigheeden, en der bewijzen, hunner beschuldigingen, tot teid en wijle ged:e sabandaar volgens hun gedaane verzoek g'arresteerd is voorgee= =venda, dat zij bevreesd zyn, dat hun geheim mogte be= =kend worden, waar door zij mogelijk buijten de gelegen- „heid zoude gebragt worden hunne voorgaven te kunnen gestand doen. Verzoekende wijders dat ged:e sabandaar als nog mag gearresteerd worden en dat men hun eene dubbelde trafse moge opleggen, zo zij haar beschuldigingen, niet tonneklaar bewijzen Bij het overgeeven van evengem: addres heeft de onderge- „teek: kammandeur, hun de order van uwel Ed: gestr: groot agtb: aangaande het doen van eene opgaeve harer be„ schuldigingen tegens den sabandaar modliaan, met alle ernst herhaeld, dog zij verzogten hun addres uwelhd: Gestr: groot agtb: toete zenden, en desselvs order in te wagten, onder herhaelde betuijging dat Extrakt Sekreete Missive de dato 19, 9ber: 1790: van: gale na kolomba ge= schreven zij zij hun geheun, niet kunnen openbaaren, voor en al eer de sabandan Modliaar gearresteerd is, waarna zij zulks gaerne zullen doen, dan wel bij gebrek van dien zig aan de strenge der wetten onderwerp om alle valpche beschuldigers en haare overheido gehoorzaeme onderdaenen gestraft te worden Wij verzoeken uwel Ed: gestr: groot agtb: met hoog desselvs nadere beveelen, nopens het verzoek om de sabandaar modliaar te arresteeren te willen be „gunstigen. Akkordeert Corns: Johianns: Pdlé gezueklerk Nagezien 517 G: DLinde No. 54 Aan den Heer Sale Wij verwachten van uE: bericht, of de bij uE: resolutie van den 20. Julij Jz: gedecerneerde Commissie, op de onderkooplieden Martheze en de Lij, om onder zoek te doen na verklagten, die een parthij na „turesche ingezeetenen hebben ingebaagt tegen de vier gedemitteerde Matureesche hoofden, welke zich tans a Costi bevinden, nog niet is uitgevoerd, en wat er aan haapere, dat dit onderzoek nog niet heeft kunnen worden ten einde gebragt. Om op 't nader advres van den Modliaar der Korle en den gew: mohandiran Mandenaike, niet kennis van zaaken te kunnen disponeeren hebben wij, nopens het voorgevallene in de Manhaften voorzienigen Diskreten. Peter Sluijsken kommandeur nevens den raad aldaar. gaalsche 518 gaalsche gangebaedepattoe, meerder onder rigting nodig dan ons tot nog toe is gegeeven wij hebben wel bij verschijde uwer brieven en reso lutien gezien, dat 't volk van gem: pattoe beweeging is geweest, en speciaalijk bij uE sekreete resolutie van den 4. 7ber, dat hunne voornaemste klagte was tegen den konaal van dezelfde paltoe en den vidaan van Mapelga en dat uE: hadden beslooten voorm: onder kooplieden Martheze en de zij te Committeer om alle beschuldigingen aangaende den opstand en tzamenrotting van 't volk van Mapelgam en daaromstreeks, tegen wil die ook mogten leggen, met alle ver =dere klagten van de gemelde misnoege jngezeetenen van de Gale Korle te onder „zoeken; doch verder of breeder naricht waarin de beswaeren deezer Ingezeeten bestaan, en wat van 't voorsz: aan =bevolen onderzoek geworden is, hebben we niet. uE: moeten ons derhalven van deezen opstand in de Gale korle, en van de klagten der Jnge= zeetenen, een uitvoeriger bericht geeven, en daarbij toezenden alle daar toe relative pa- pieren, het zij klagtschriften, berichten of wat het zij, nevens uE daarop genomene resolutien, voor zoo verre die ons nog niet zijn toegezonden. speciaalijk moeten uE: ons onderrigten, hoedanig de beschuldiging van den sabandaar Modliaar, tegen de twee voorsz: supp=ten, namelijk de modliaar van de korle en Mandenaike, is voortgebragt, en of gem: sabandaer Modliaar daarop zedert is gehoord. het besluit genomen tot het in arrest neemen van gem: modliaar van de korl en mandenaike moet ons insgelijks worden toegezonden. Tot nog toe is ons daar van niets anders gebleeken, dan het geen voorkomt bij uE: voorsz: resolutie van den 4. 7ber: waarbij bevolen iripas.
English
Examined Mues 51 In passing it is noted that both these accused and the korale of the Gangebaddepattoe were banished within the fortress. For the rest, after great (:was written underneath:) Valiant, prudent, discreet, Your Honours' good friends (was signed:) W: C: van de Graaff, C: van Angelbeek, Z: Reintous, B: L: van Zitt, and A: Lamlant (in the margin:) Colombo the 28th November 1790. Agrees: Corns: Johanns: Idé Sworn Clerk Extract of a Secret Letter dated 1 December 1790 written from Gale to Colombo. The accusations of the native Shahbandar Dias against the Korle Mudaliyar and the Mohandiram Mandenaike are of a completely different nature from those of the inhabitants against their chiefs. These accusations against the Mudaliyar of the Korle and the Mohandiram Mandenaike were presented with the greatest emphasis by the Shahbandar Mudaliyar to the undersigned Commander; and it is upon his urgent insistence and request that these two accused were immediately, and without the least delay, arrested at the risk of him, the Shahbandar Mudaliyar; and this because the said native Shahbandar most forcefully assured and took it upon himself to prove clearly that these two native chiefs were actually still busy inciting and gathering the inhabitants, and that the rebellious inhabitants would immediately be pacified once these two chiefs were first arrested, their family in the country, such as Ponnanperoeme Aratchi and a brother of Mandenaike, also summoned and intimidated, and their influence upon the minds of the people thereby removed. 520 No political resolution was taken for the arrest of the said Mudaliyar of the Korle and Mandenaike Mohandiram; it was merely done, as just stated, by the undersigned Commander upon the urgent request of the Shahbandar Mudaliyar, who represented all delay in this matter as dangerous. The first-signed Commander wrote about this on the 14th and 22nd of August and 8th of September of last year to the Right Honourable, Respected, Highly Esteemed Governor, and also brought it generally to the attention of the undersigned. In view of the gravity of the matter, this arrest could hardly be postponed, much less refused, since the Shahbandar who requested it acted with the greatest urgency and took it upon himself to account for it and to prove his accusations as clear as day. The said Shahbandar Mudaliyar having since been charged more than once to come forward with the proofs of his accusations against the Korle Mudaliyar and Mandenaike Mohandiram, namely that they and their families brought about the rebellion and gathering of the people in the Gale Korle, has finally submitted a paper, of which we hereby send the copy to Your Right Honourable, Respected, Highly Esteemed, and from which Your Honour will perceive that little or nothing worthy of note is treated therein, except only that he, the Shahbandar, tries to excuse himself that these chiefs were not arrested at his express request. The aforementioned Korle Mudaliyar and Mandenaike Mohandiram still continually insist that the Shahbandar Mudaliyar may be arrested at their risk, while they complain in an almost pitiable manner that they are denied an administration of justice which was so strictly exercised against themselves, and that upon the first verbal request made in their presence by their adversary, further declaring that they cannot consider themselves responsible in the event of any further delay in this matter. We take the liberty, respectfully and trusting in a favorable interpretation, to present this matter further to Your Right Honourable, Respected, Highly Esteemed's honored attention; while we await Your Honour's pleasure in this regard, and at the same time humbly remark that, according to our humble understanding, every assembly concerning matters of the administration of justice must always remain consistent, and that this, according to our humble understanding, was omitted solely out of special policy with regard to the Shahbandar Mudaliyar. Furthermore, with regard to this command in general, we presume that, in our humble view, the accusations against the Shahbandar Mudaliyar as well as against the Matara chiefs, his relatives, of that Shahbandar nature
Dutch transcription
Nagezien Mues 51 erepassant word aangemerkt, dat deeze bijde beschuldigden en de koraal van de gangebaddepatioe, binnen de vesting waeren gebannen. wij blijven voor het overige na groote (:onderstond:) Manhaften voorz: Disk UE: Goede vrienden (was geteekend:) W: C: van de Graaff, C: van Angel- =beek, Z: Reintous, B: L: van Zitt en A: Lamlant (in margine:/ Kolombo den 28:' November 1790— Akkordeert Corns: Johanns: Idé gezeeklerk Extrakt sekreete Missive de dato 1. December 1790. van Gale na Kolombo geschreeven. De beschuldigingen van den Inlandsche Sabandaar Dias, teegen den Koul Modliaar en de Mohandiaam Mandenaike, zijn van een geheel anderen aart, als die der ingezeetenen tegen hunne Hoofden. Deeze beschuldigingen, teegen den Modliaar der Koule, en den Mohandiram Mandenaike, wierden door den Sabandaar Modliaar met de grootste nadruk aan den ondergeteekenden kommandeur voorgesteld; en het is op zijn dringend aanhouden en verzoek, dat deeze twee beschuldigde dadelijk, en zonder de minste leid verzuim, op resiko van hun sabandaar Modliaar, gearresteerd zijn; en wel wijl gem: Inlandsche sabandaar op het krag„ tigste verzeekerde en op zig nam dit duidelijk te bewijzen, dat deeze twee Inlalandsche Hoofden werkelijk nog beezig waaren, om de ingezee„ „tenen optestooken en zaamenterotten, en dat de re„ „bellige inwoonderen ten eersten tot rust zoude koomen, wanneer deeze twee Hoofden maar eerst gearresteerd. haere in het land zijnde familie als Ponnanperoeme arraatje, en een broeder van Mandenaike ook opgeroepen en bevreesd ge„ maakt, en daar door hun invloed op de gemoe„ „deren des volks benoomen zoude zijn. Tot No 520 Tot het arresteeren van gemelde Modliaar van de Korle en Mandenaike Mohandiram, is geen poli„ tiek besluit genoomen; alleen is zulks gelijk even gezegd door de ondergeteekende Kommandeur ge„ „daan, op het kragtige verzoek van den sabandaer Modliaar, die alle uitstel in deezen als ge„ vaarlijk voorstelde, den eerstgeteekende kom„ „mandeur heeft op den 14. ' en 22.:' Aug:s en 8:' 7ber: J:o L:, aan den wel Edelen Gestr: Groot Achtb: Heer Goeverneur hier over geschreeven, en ook aan de ondergeteekendens in 't generaal zulx ter kennis gebragt. Dit arrest konde aangezien het gewigt der zaaken niet wel uitgesteld, nog minder geweigerd worden, wijl de sabandaar die daer„ „om verzogte, de grootste haast maakte, en op zig nam, hetzelve te verandwoorden en zijne beschuldigingen sonne klaer te be„ „wijzen Gedagden Sabandaer Modliaar zeedert dien meer als eens opgelegd zijnde, met de be„ wijzen zijner beschuldigingen teegen den korl„ Mobliaar en Mandenaike Mohandiram, na„ „mentlijk dat zij de oproer en zamenrotting des volks in de Gale Korle, zoo wel als door Hunne familien bewerkstelligd hebben op te koomen; heeft eindelijk een papier ingediend, waar van wij uwel Edele Gestr: Groot Achtb: bij deezen het afschrift toeschikken, en waar bij Hoog dezelve zullen ontwaaren dat 'er weinig of niets opmer„ „king waardigs bij verhandeld word, als alleen dat hij sabandaer zig tragt te verschoonen; dat deeze Hoofden niet op zijn expres verzoek waaren gearresteerd geworden. 1 Meerged: Korlmodliaar en Mandenaike Mo„ handiram, houden als nog geduurig aan dat de Sabandaer Modliaer voor hun resike moo„ gen gearresteerd worden, terwijl zij zich op eene bij na medelijdenswaardige wijze beklagen, dat men hun eene regts oeffening weigerd, die aan hun zelve zoo strekt en wel op het eerste, en in hunne teegenwoordigheid gedaan mondelijk verzoek, van hun tegen partij geoeffend is, onder betuiging voorts dat zij zig bij een langer uitstel hier omtrent niet verantwoordelijk kunnen reekenen. Wij neemen, eerbiedig en in vertrouwen van gunstige welduiding de vrijheid uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: deeze zaak nader Hoog derzelver g'eerde opmerking voortestellen; terwijl wij hoog desselvs welbehaagen dien aangaan„ „de tegemoed zien, en teffens needrig aanmerken, dat naar onze geringe begrippen elke verga„ „dering in zaaken de regtsoeffeningen betreffende, zig altoos gelijk moet blijven, en zulks, uit bezondere staatkunde omtrent de sabandaer Modliaer naer onze geringe begrippen alleen is agter gebleeven. Voorts veronderstellen wij nog betrekkelijk dit kommandement in 't generaal, dat na ons nedrig inzien, de beschuldiginge teegens den saban„ „daer Modliaer, zoo wel als teegens de Maturee sche Hoofden zijne nabestaande van dien Sabandaer aard
English
521 nature that they ought first to be placed under civil arrest, at which time the grounds of the accusations would also immediately develop; we do not presume to judge whether policy permits this, and it is therefore that we would gladly wish to have an ample instruction from Your Noble, Valiant, Highly Honorable Worships regarding how we must conduct ourselves if yet further accusations against the said Chiefs are submitted. Agreed. Since the address of the Mudaliyar and native Shahbandar Dias of the 19th of November last, which was sent to us alongside your secret letter of the 5th of this month, is addressed to the junior merchants Martheze and De Lij, who were appointed by Your Honor as a committee by resolution of the 4th of September 1777, in order, according to the proposal made for that purpose by the Commander, to investigate all accusations concerning the rebellion and unlawful gatherings of the people at Mapelgam etc., we think we cannot doubt that these same junior merchants were also appointed by Your Honor as a committee to investigate what has been brought forward to the charge of the aforesaid native Shahbandar, among other things in your secret letter of the 1st of this month; for otherwise we cannot comprehend why this address should have been presented to the aforesaid junior merchants. Your Honor must therefore inform us when the aforesaid junior merchants were also appointed to this committee by Your Honor, and what instruction was specifically given to them, and if this was done by a resolution, as was done in assigning the committee to them regarding the rebellion at Mapelgam mentioned above, the resolution adopted for that purpose must be sent to us. Herewith, Your Honor must request a written report from the aforesaid junior merchants regarding what they have accomplished in this committee up to this point. In this report, it must be clearly indicated: when they began this committee of theirs; what they, pursuant to the instruction given to them therein, put before the Shahbandar Mudaliyar, and when; if they only asked him the oral question of what objection he specifically has to bring against the former Mohandiram of the Atapattu Mandenaike, who is under arrest within Galle, as the Shahbandar states in his aforesaid report, they must state why they did not also ask him the same question with respect to the Korale Mudaliyar; herewith they must state whether they also specifically interrogated him on the points of accusation that appear in your aforesaid secret letter of the 1st of this month; if that did not take place, they must state the reasons why it was omitted by them. In this latter case, this must still take place, and the reports to be received therefrom must be sent to us as soon as possible. From the aforesaid report of the Shahbandar Mudaliyar, it has not appeared to us to make it seem necessary that the Korale Mudaliyar and Mandenaike remain banished within; and if there are therefore no other reasons that require this precaution, we do not see why they could not be released, which we nevertheless leave deferred to Your Honor's discretion. For the rest, after greetings, we remain. Below stood: Valiant, Prudent, Discreet, Your Honor's good friends. Was signed: W. J. van de Graaff, C. van Angelbeek, D. C. von Drieberg, J. Reintous, P. L. van Litter, A. Caml, J. A. Vollenhove. In the margin: Colombo, the 14th of December 1790. Agreed. The Mudaliyar and Native Shahbandar Dias addressed his petition of the 19th of November last to the junior merchants Martheze and De Lij, because he was ordered to state and present his accusations, namely that the Korale Mudaliyar and Mandenaike Mohandiram, with their friends, had incited the rebellion in the Galle Korale, to these junior merchants who were commissioned to investigate this matter. The accusations on the contrary by the Korale Mudaliyar and Mandenaike Mohandiram against the said Mudaliyar and Shahbandar Dias have not yet been investigated, because the said accusers, as is known to Your Noble, Valiant, Highly Honorable Worships, demand that before and prior to their coming forward with the details of their accusations and the proofs thereof, the said Shahbandar be arrested beforehand just as they are. And since our resolution of the 9th of November last has not yet been approved, or any other arrangement determined regarding the proposal of the Korale Mudaliyar and Mandenaike Mohandiram, this matter has therefore also not yet been able to be investigated. Concerns Secret Letter dated 16 December 1790. written from Galle to Colombo. Cornelis Johannes Idé, sworn clerk Further - To the Gentleman Peter Sluysken, Commander, alongside the Council there, Galle. Cornelis Johannes Idé, sworn clerk No. 56 Examined and 522 Examined Elzevier Furthermore, in this entire matter concerning the rebellion in the Galle Korale, nothing has been done other than what appears in the documents and papers which we had the honor to present to Your Noble, Valiant, Highly Honorable Worships with our letter of yesterday. Your Noble, Valiant, Highly Honorable Worships are pleased to order that, in case the junior merchants Martheze and De Lij may have been appointed by us to investigate the accusations against the Shahbandar Mudaliyar appearing in our secret letter of the 1st of this month, the said Shahbandar Mudaliyar, even if such may not have happened yet, must still be specially interrogated on the points of accusation brought against him. From this we think we must most respectfully deduce that Your Noble, Valiant, Highly Honorable Worships desire an investigation of this matter; and since, in order to conduct this investigation, the accusers demand that the said Shahbandar be arrested, we therefore respectfully request the same to please inform us whether our resolution of the 9th of November last has been approved. Pursuant to the authorization of Your Noble, Valiant, Highly Honorable Worships, the Korale Mudaliyar and Mandenaike Mohandiram shall still be released today from their fortress arrest. Agreed. Cornelis Johannes Idé, sworn clerk No. 58
Dutch transcription
521 aard zijn dat ze voor eerst Civiel behoorde ge„ arresteerd te worden als wanneer zig ook de ge„ grondheeden der beschuldigingen ten eersten zouden ontwikkelen: wij vaagen niet te beoordeelen of de staatkunde dit permitteerd, en het is daarom dat wij hieromtrend gaarne een ample voorschrift van uwel Edele Gestr: Groot Agtb: wenschen te hebben; hoe wij ons gedraagen moeten, indien er nog meerder beschuldigin„ „gen tegens ged:e Hoofden inkoomen. Akkorteerd. wijl 't addres van den Modliaer en inlandsch sabandaer Dias van den 19. 9ber: VZ:, dat ons nevens uwen sekreeten brief van den 5. dezer is toegezonden, is gerigt aan de onderkooplieden Marthe- ze en de zij, die door uE: bij resolutie van den 4. 7ber: 77: in commissie zijn gesteld, om volgens de propositie door den heer Commandeur daar toe gevaan, te onderzoeken alle beschuldigingen aengaen- de de opstand in samenrottingen des volks te Mapelgam rC. o, dinken we niet te kunnen twijffelen dat ook deeze zelfde onderkooplieden door uE: gesteld zijn in Commissie, om te onder- zoeken 't geene voorkomt ten laste van den voorsz: inlandsche sa- bandaar, onder anderen bij uwe sikreeten brief van den 1. dezer; want we anders niet begrijpen kunnen, waarom dit addres aan voorsz: onderkooplieden zoude zijn gepresenteerd. uE: moeten ons mits dien berigten, wanneer voorsz: onderkoop- lieden ook tot deeze Commissie door UE: zijn benoemd, en wat last aan hun bepaaldelijk gegeeven is, en zoo dit ge- schied is bij eene resolutie, gelijk gedaan is het aan hun opdraegen der Commissie, nopens den opstand te capel- =gem hier boven vermeld, moet de resolutie daar toe genomen ons worden toegezonden. wier bij moeten uE: vraegen schriftelijk berigt van de voorsz: onder kooplieden, van 't geene ze tot hier toe in deeze Commissie hebben verrigt. hij dit berigt moet duidelijk worden aengeweezen. wanneer ze met deeze hunne Commissie begonnen zijn wat ze ingevolge van den aan hun daar bij gegeeven last, den sabandaer modliaer hebben voorgehouden, en wanneer! zoo ze hem alleen hebben gedaan de mondelinge vraag„ wat beswaar hij namelijk tegens den binnen gale gearresteer= Manhaften, voorz: Diskoeeten Peter Sluijsken kommandeur, nevens den raad aldaar Gale Aan den Heer Corns: Johanns: Idé gezwklerk No: 56 Nagezien en 522 =den gew: Mohandiram van de Attepattoe Mandenaike in brengen heeft, zoo als de sabandaer dat zegt bij voorsz: z berigt, moeten ze opgeeven, waarom ze hem ook niet dezelfde vraeg gedaan hebben, met betrekking tot de korle modliaar. ? wierbij moeten te opgeeven, of zo hen ook spetiaal hebben ondervraegd op de printen ver beschuldiging, die bij voorsz: uwe sikreeten brief van den 1. dezer voorkomen. ? zoo dat niet is geschied, m ten ze opgeeven de redenen, waarom dat door hun nagelaeten. Jn dit laetste geval moet dit als nog geschieden, en moeten ons de daarvan intekomene be rigten, ten spoedigsten worden toegezonden. Bij voorsz: berigt van den sabandaer modl: is ons nie voorgekomen, dat 't schijnt noodzakelijk temaeken, da de Korlmoel en Mandenaike binnen gebannen blijve en zoo 'er mits dien geen andere redenen zijn, die deeze voorzorg vereisschen, zien we niet, waarom ze niet zouden kunnen worden ontslaegen, 't geen we nogtans aan uE: beleid laaten gedefereerd. wij blijven voor 't overige na groete. /:onderstond:/ Man voorz: Diskr: uE: goede vrienden /:was geteekend W: J: van de graaff, C: van Angelbeek, D: C: von Driberg, J: Reintous, P: L: van Litter, A: Caml „J: A: vollenhove /:in margine:/ kolombo dn 14. de cember 1790 Akkordeert De Modliaar en Inlands Sabandaar Dias, heeft zijn addres van den 19:' November J:oL:, aan de onderkooplieden Martheze en de Lij gerigt, wijl hij gelast was, zijne beschuldigin„ „gen, namentlijk dat de Koul Modliaar, en Mandenaike Mohandiram, met haare vrien„ „den de opstand in de Gale Korle verwekt had„ „den, aan deeze onderkooplieden die gekom„ „mitteerd waaren om deeze zaak te onderzoe„ „ken, optegeeven en voortedraagen. De beschul„ „digingen daar en leegen van den Kool Mod„ „liaar en Mandenaike Mohandiram teegen gemelde Modliaar en sabandaar Dias zijn nog niet onderzogt, wijl gedagte beschul„ „digers, gelijk uwel Edele Gestr: Groot Agtb: bekend is, begeeven dat voor en al eer zij met het detailje haarer beschuldigingen en de bewijzen van dien willen uitkoomen gemelde sabandaar voor af gelijk zij gearresteerd worde. En wijl onze resolutie van den 9. ' 9ber: J:L: nog niet geapprobeerd is, dan wel daar om„ trent eenige andere schikking op het voor„ stel van den Koul Modliaar en Mandenai„ „ke Mohandiram bepaald zijn, zoo heeft deeze zaak dan ook nog niet kunnen onderzogt worden. Betrakt Sekreete Missive de dato 16. December 1790. van Gale na Kolombo ge„ „schreeven. Corns: Johanns Idé gezwklerk Voorts - Nagesien Elzevier Voorts is in deeze geheele zaak aangaand den opstand in de Gale Korle, niets gedaa dan het geen voorkomt bij de stukken en papieren die wij de eere gehad hebben uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: bij onze brief van gisteren aantebieden; uwel Edele Gestr: groot Agtb: gelieven te ge lasten dat ingevalle de onderkooplieden Martheze en de Lij, door ons mogten zijn benoemd om de beschuldigingen teegen den Sabandaar Mobliaar, voorkoomende bij onze sekreete brief van den 1. deeze te onderzoeken, gedagte sabandaar Modli „aar ook indien zulks nog niet geschied mogte zijn, als nog speciaalijk moet worden ondervraagd, op de poinkten van beschuldigingen teegen htem ingebragt. H uit meenen wij eerbiedigst te moeten opma „ken dat uwel Edele Gestr: Groot Agtb: ee onderzoek van deeze zaak begeerd, wijl om dit onderzoek te doen de be„ schuldigers verlangen dat gedagte saba daar gearresteerd worden zoo verzoek wij Hoog dezelven eerbiedig, ons, tew „len onderrigten of onze resolutie va den 9. ' 9ber; J:oL: geapprobeerd is. Ingevolge uwel Edele Gestr: Groot Agt kwalifikatie zullen nog heeden den koul Modliaar, en Mandenaike Mohandiram uijt hun vesting arrest ontslaagen werden. Akkordeerd. Corn:s: Johianns: Idé gezeeklerk No: 58
English
No. 57. Maas Gale The Korle Mudaliyar and Mandenaike Mohandiram, who on your Right Honorable Great Venerable instruction of the 14th of this month and as we communicated to the same by letter of the 16th following, have been released from their fortress arrest, urgently insist that the Shabandar Mudaliyar Don Balthazar Dias may be forced to prove the accusations brought against them, namely that they had a share in the rebellion in the Gale Korle, or else that fair satisfaction and compensation may be granted to them for the arrest they suffered and damages endured, and that the said Shabandar may moreover be punished for his false accusations; while they both also continue to insist on being given the opportunity to show and prove that not they, but the said Shabandar is guilty of the rebellion of the inhabitants, for which purpose they still request that he may be arrested. Extract of a Secret Letter dated 29th December 1790, written from Gale to Colombo. To Mr. Peter Sluijsken, Commander together with the Council there. Checked G: f: anderlen The intention of our secret letter of the 14th December of the past year was not that the Shabandar Mudaliyar should be examined on the accusation of the Korle Mudaliyar and the said Mohandiram Mandenaik, but rather that he should be heard on what he himself, according to your secret letter of the 1st of the said month, brought forward to Commander Sluijsken regarding the aforementioned Korle Mudaliyar and the former Mohandiram. The reasons presented in your letter of the 16th following are by no means of such a nature that they should hinder the execution of our orders given in our aforementioned letter, and we therefore further charge you hereby still strictly to fulfill and cause to be fulfilled what was recommended in our aforementioned letter of the 14th December, and to that end to have a full copy thereof delivered to the junior merchants Martheze and de Lij, in order that, so far as it concerns them, it may serve for their guidance and that they may regulate themselves accordingly. For the rest, after greetings, we remain, Valiant, Prudent, Discreet, Your good friends, was signed: W: J: van de Graaff, C: van Angelbeek, J:s Reintou and B: D: van Litter. In the margin: Colombo, the 12th January 1791. Agrees. Corns: Johanns: Idé, sworn clerk. No. 59 No. 60. Checked Fledderius To the Right Honorable Gentlemen Nicolaas Bernardus Martheza, Junior Merchant and Holdi Bookkeeper, and Mr. Andreas Everardus de Lij, Junior Merchant and First Warehouse Keeper, both appointed to this Commandment. Right Honorable Gentlemen, In response to your Honors' esteemed verbal question as to what objection the undersigned has to bring against the former Mohandiram of the Atapattu Mandenaike, who is arrested within this city, the undersigned most respectfully submits: That on the 19th August of the past year, being informed by the present Korale of the Gangaboda Pattu by an ola letter, as well as verbally by some of the good and faithful inhabitants of the said Pattu, that the eldest brother of the aforementioned Mandenaike, his uncle the former Korle Arachchi Nallaperoema, the former Vidane of Maplegam, the former clerk of the said village, and the two sons of the arrested Willegodde Appu, accompanied by many inhabitants of the villages lying near Maplegam, proceeded with beating tom-toms to the forest of the village of Oedoegamme, and there the Korle Kangany of the Gangaboda Pattu
Dutch transcription
No. 57. Maas Gale De Koul Modliaar en Mandenaike Mo„ „handiram die op uwel Edele Gestr: Groot Achtb: aanschrijving van den 14. ' deezer pr van den 14:' en gelijk wij Hoogst Den zelven bij brief van den 16. daar aan bedeeld hebben, ar modliaaa uit hun vestings arrest ontslaagen schuldiging van zijn, houden zeer dringend aan dat handiram de Sabandaer Modliaar Don Baltha„ zoude worden „zar Dias mooge genoodzaakt worden de tegen hun ingebragte beschuldigin uwen sekree„ „gen namentlijk dat zij aan den aand, ten op„ oproer in de Gale Korle zouden deel ra en gew: mo„ hebben te bewijzen dan wel dat hun weegens de door hun ondergaane toon ur Sluijs„ arrest en geleedene schaade eene bil„ „lijke satisfaktie en vergoeding mag brief van gedaan van dien aard ##i meerm: brief gegeevene beveelen behooren te verhinderen en wij gelasten uE. derhalven door deezen nader, om als nog stiptelijk te voldoen en te doen voldoen Extrakt Sekreete Missive ienigen de dato 29. ' xber: 1790. van Gale na Kolombo geschree„ „ven. Aan den Heer Peter Sluijsken. kommandeur nevens den Raad aldaar aan shier 523 524 . Maas Gale Nagesien G: f: anderlen gedaan, en gedagte sabandaar nog boven dien over zijne valsche beschu „digingen gestaaft worde; Terwijl zij bijden ook nog aanhouden om in d geleegenheid te moogen gesteld wor van te kunnen aanloonen en bewijzen dat niet zij maar gedagte saban„ „daar aan den opcoer der ingeze „tenen schuldig is waar toe zij al nog verzoeken dat hij mooge ge „arresteerd worden. Akkorteerd. De intentie van onzen sekreeten brief van den 14:' xber: J:r L:, was niet dat de sabandaar modliaar zoude worden g'examineerd, op de beschuldiging van den korl modliaar en den gew:de Mohandiram Mandenaik, maar wel dat hij zoude worden gehoord op 't geen hij zelve, volgens uwen sekree„ ten brief van den 1.: ' van gem:e maand, ten op„ zigte van voorsz: Korl Modliaaa en gew: mo„ handiram, bij den Heer Commandeur Sluijs„ ken heeft ingebragt. De reedenen, die voorkomen bij uwen brief van den 16. daar aan, zijn geenzints van dien aard dat ze de uitvoering van onze bij meerm: brief gegeevene beveelen behooren te verhinderen en wij gelasten uE. derhalven door deezen nader, om als nog stiptelijk te voldoen en te doen voldoen Manhaften Voorzienigen Diskreeten Aan den Heer Peter Sluijsken. kommandeur nevens den Raad aldaar Corns: Johanns: Idé gezeeklerk aan 524 aan 't aanbevoolene bij meerm: onzen brief van den 14:' december, en ten dien einde een volleedig Copij daar van te laaten afgeeven aan de onder kooplieden Martheze en de Lij, om zoo verre hen aangaat, te strekken tot hun narigt en zig daar na te rigten. Wij blijven voor het overige na groete /:onderstond Manhaften voorzienigen Diskreeten UE: goede vrienden /:was geteekend:/ W: J: van de Graaff, C: van Angelbeek, J:s Reintou en B: D: van Litter /:in margine:/ Kolom bo den 12. ' Januarij 1791. Accordeert. Corns: Johanns Idé gezeeklerk 525 Nagezien Fleoderius No. 60. eren. linge vraagt sekende teegen en gewezenen Mandenaike kende Eerbiedigst n presenten koraal fola, zoo wel, Jngezeetenen igt zijnde, dat Vandenarke zijne Pallaperoema, i, de gewezene e Zoonen van poe, verzeld van veele jnwooners van de naast Maplegam leggende dorpen, zich, met slaande Tamblintjes na het bosch van het dorp Oedoegamme begee„ „ven en aldaar de Korl Kangaan van de Gange„ Aan de Wel Edele Heeren Nicolaas Bernardus Martena onderkoopman en Holdi Boekhouder en M:r Andreas Everardus de Lij¬ Eerste Pakhuijs„ dezen Kommande„ „bodde pattoe, No: 59 525 Nagezien Wel Edele Heeren Op uwer weledelens geagte Mondelinge vraagt wat beswaar Namelijk de ondergetekende teegen den binnen deeze stad gearresteerden gewezenen Mohandiram van de Attepattoe Mandenaike in te brengen heeft! diend de ondergetekende Eerbiedigst Dat hij op den 19. ' Aug:s J:o Leeden door den presenten koraaal van de gangeboddepattoe, bij een brief ola, zoo wel, als door Eenige der goede en trouwe Jngezeetenen van gemelte Pattoe Mondeling berigt zijnde, dat de oudste Broeder van voorm: Mandenarke, zijne Oom de gewezene Kool Arraatje Nallaperoema, de gewezene vidaan van Maplegam, de gewezene schrijver van gedagte dorp en de twee zoonen van den Gearresteerden Willegodde Appoe, verzeld van veele Jnwooners van de naast Maplegam leggende dorpen, zich, met slaande Tamblintjes na het bosch van het dorp Oedoegamme begee„ „ven en aldaar de Korl Kangaan van de gange„ Aan de Wel Edele Heeren Nicolaas Bernardus Martheza onderkoopman en Holdi Boekhouder M:r Andreas Everardus de Lij„ onderkoopman en Eerste Pakhuijs„ „meester Bijde ten deezen Kommande„ mente Bescheijden „bodde pattoe, Fledderius en
English
526 bodde pattu, who were working with 60 to 70 heads at the timber-felling stations for the service of the timber transport, and having brought him to Maplegam, had punished him as well as the vidane of that village and his two sons and locked them up in the prison, he, the undersigned, according to his duty, reported the aforementioned news immediately to the Honorable Commander, as the Honorable Mr. van Schuler was then in Colombo; that His Honor then asked him, the undersigned, what was best to be done regarding this. That he, the undersigned, thereupon requested that the Korale Mudaliyar and the former Atapattu Mohandiram Mandenaike be ordered, the former to summon here the two sons of his faithful servant Willegodde Appu and the latter his brother and uncle, with the assurance that the rebellious mob would then immediately quiet down and go their way, since the aforementioned heads of the assembled people, who had no compulsory services to perform and who have not the slightest reason to complain about oppression on their own timber felling, must certainly have staged this uprising solely to find pleasure in it, to cause trouble for others, and to disturb the gentlemen and poor inhabitants in their common peace. That the Honorable Commander then summoned the Korale Mudaliyar and the former Atapattu Mohandiram and asked the former whether Willegodde Appu is his servant, and whether he could have his two sons come here. Who, having answered no to that, His Honor repeated the said question to him once again, to which he then replied that it is indeed true that Willegodde Appu is his servant, but that he could not summon his sons here! Whereupon the second-named, being asked by His Honor whether he could summon his brother and uncle here, replied that he could not do so; that the Honorable Commander then having ordered him to write an ola to both of them, he replied that he would indeed do so according to His Honor's order, but that he doubted very much their coming over. That thereafter the Honorable Commander ordered him, the undersigned, to proceed in person to Maplegam and to apprehend the aforementioned heads of the assembled people, which he also very willingly undertook to carry out. 527 That the undersigned, having gathered together the following day two hundred capable and loyal inhabitants from within the Four Gravets, went at six o'clock in the evening to the Honorable Commander and requested His Honor not only to give him permission to depart with the people to Maplegam and apprehend the principal ringleaders, but also to confine the Korale Mudaliyar and the former Atapattu Mohandiram within the town until the return of the undersigned, in order thereby to deprive them of the opportunity to give notice to the aforementioned leaders of the departure of the undersigned thither, so that, if they do not flee, they can at least do no harm to the undersigned; yet the undersigned did not make this request to cause them any harm or shame thereby, nor out of hatred or envy; whereupon His Honor said to wait a little while until Mr. van Schuler, who was expected from Colombo at that very moment, had arrived here. That shortly thereafter, Mr. van Schuler having arrived from Colombo directly at the Commander's, His Honor, having spoken with him, announced to the undersigned that he must stop his journey to Maplegam and that Mr. van Schuler would depart for Diepegodde to investigate the complaints of the inhabitants of Maplegam, and furthermore, that if the said inhabitants did not obey His Honor's orders and would not come before His Honor and lodge their complaints, the undersigned would then be permitted to depart for Maplegam with the aforementioned people; whereupon the undersigned also requested His Honor not to confine the Korale Mudaliyar and the former Atapattu Mohandiram within the town, but to let them depart with Mr. van Schuler for Diepegodde, just as His Honor also gave them permission that evening to go to their homes outside the town. That the following day the Honorable Commander, having ordered the undersigned that, if the inhabitants of the Gangaboda Pattu did not go to Mr. van Schuler at Diepegodde and lodge their complaints there, he should then depart for Maplegam with the people of the Four Gravets to apprehend the principal heads of the rebels, also said that in the meantime the Korale Mudaliyar and the former Atapattu Mohandiram would be confined within the town, just as His Honor also had both of them confined within. The undersigned trusts to have complied herewith with the intention of Your Honors, and in that resulting hope has the honor to be with all high esteem, stood below, Honorable Gentlemen, Your Honors' faithful and obedient servant, was signed, D. B. Dias. In the margin, Galle, 19 November 1793. Stood below, Agreed, was signed, J. H. Brechman, sworn clerk. Agreed. Corns. Johanns. Idé sworn clerk
Dutch transcription
526 bodde pattoe, Die met 60. â 70. koppen aan de stellingen ten dienste van den houtsleep, stonden te werken, opgevat en na Maplegam gebragt he „bende, hem, zo wel als den vidaan van dat dorp en zijne twee zoonen gekastijd en in den Tronk opgeslooten hadden, hij ondergeteekende volgens zijnen pligt, voormelte tijding ten Eersten bij de wel Edelen Achtb:r Heer Kommandeur, alzoo de wel Edele heer van Schuler, zich toen op Kolombo bevond, aangebragt heeft; Dat zijn welEdele Achtb: hem ondergetekende toen gevraegd heeft, wat daar omtrend het bes te doen was. Dat hij ondergeteekende daar op verzogt heeft om den Korl-Modliaar, en den geweezenen Attepattoes Mohandiram Mandenaike te ordonneeren, den Eersten on de twee zoonen van zijnen trouwen dienaar willegodde Appoe en den Laatsten om zijn Broeder en Oom, dit heen te ontbieden, met verzeekering dat als dan de oproerige hoop ten Eersten zoude stillen en haares weegs gaan, alzoo de voorsz: hoofden van de tezaamen g rotte volkeren, Die geene verpligte diensten te verrigten hadden en die op hun eigen houtse t geene de minste reeden van Klaagen over ond drukking hebben, dus zekerlijk deeze op „ding zouden aangelegd hebben, om eenelijk h vermaak daar in te scheppen, anderen in verdri te helpen en de heeren, en arme ingezeetenen in hunne gemeene rust te stooren. Dat de wel Edele Achtb: Heer Komman deur toen den Korl Modliaar, en den geweezenen Attepattoe Mohandiram ontbooden en den Eerstgenoemden gevraagd heeft, of willegodde Appoe zijn die „naar is, en of hij zijne twee zoonen na herwaards konde laaten opkoomen. Dewelke daar op van Neen gezegd hebbende, zijn wel Edele Achtb: hem andermaal gemelte vraag herhaald heeft, dat hij toen geantwoord heeft, dat het wel waar is dat willegodde Appoe zijn dienaar is, dog dat hij zijne zoonen dit heen niet kon ontbie„ „den! waar naa de tweede genoemde door zijn wel Edele Achtbaare gevraagd zijnde, of hij zijnen broeder en oom dit heen konde laaten oproepen, hij daar op geandwoord heeft, van zulx niet te konnen doen; dat de welEdele Achtb: heer Kommandeur toen hem gelast hebbende om eene ola aan hun bijde te schrijven hij daar op geantwoord heeft, dat hij, wel vol„ „gens zijn wel Edele Achtbaare order zulx doen zoude, maar dat hij zeer veel aan hunne overkomst twijffelde Dat daar na de wel Edele Achtb: heer Kommandau hem ondergetekende gelast heeft, om zich in perzoon na Maplegam te begeeven en de voorsch: hoofden der tezaamen gerottene te volkeren 527 volkeren op te vatten, 't welk hij ook heel gewillig aangenoomen heeft ter uijtvoer te brengen. Dat de ondergetekende sdaags daar aan tweehonderd bequame en Trouwe in woonders van binnen de vier gravetten bij den anderen vergaderd hebben „de, zich des avonds ten ses uuren bij den wel Edelen Achtb:r heer Kommandeur begeeven en zijn wel Edele Achtb:re verzogt heeft om niet alleen hem verlof tegeeven om, nevens het volk na Maplegam te vertrekken en de voornaame Belhamels opte vatten, maar ook om den Kools-Mobliaar en den gewesene Attepattoe Mohandiram, tot des ondergeteken „dens terugge komst binnen de stad te bannen ten einde hen daar door geleegendheijd te bena„ men, om aan voorschreeve hoofden naricht va des ondergetekendens vertrek na derwaart tegeeven, op dat zij, zoo ze zich niet fuga „tief stellen, ten minsten geen Leed aan den ondergetekenden kunnen doen; dog de onder„ geteekende heeft dit verzoek niet gedaan o hen daar door eenig Leed of schande toe te boe nog ook uijt haat of Nijd, waarop zijn wel Edele Achtb=re gezegt heeft om een wijn te wagten tot dat de heer van Schuler„ Die op dat Moment van Kolombo. verwagt wierd, alhier zal zijn gekoomen. dat Kor daar op de heer van Schuler van Kolombo, en wel direct bij den heer Kommandeur gekoomen zijnde, zijn wel Edele Achtb: met zijn E: gesprooken heb„ „bende den ondergetekenden aangekondigd heefd dat hij zijne rijse na Maplegam moest staaken en dat de heer van Schuler naa Diepegotde ter onderzoek van de klagten van de Jnwoo„ ners van Maplegam zoude vertrekken, mitsgaders ook, dat zoo gemelte Jnwooners de orders van zijn Edele niet gehoorzaamden en bij zijn wel Edele niet koomen en hunne klagten inbrengen wilden, dat als dan de ondergetekende zoude gepermitteerd worden om met voorschreve volk na Maplegam te vertrekken: wanneer de ondergetekende ook zijn wel Edele Achtb:e versogt heeft om den Korl-Modliaar en den geweezenen Attepattoe Mohandiram niet binnen de stad te bannen, maar met den heer van schuler na Diepegoede te laaten vertrek„ „ken, gelijk zijn wel Edele Achtb: ook hem dien abond verlof gegeven heeft, om na hun„ ne woningen buijten de stad te gaan Dat sdaags daar aan de wel Edele Achtb: heer Kommandeur den ondergetekenden gelast heb„ „bende om, zoo de Jnwooners van de gange bodde „pattoe zich niet bij den heer van Schuler op Diepegodde begeeven en hunne klagten daar inbrengen inbrengen wilden, als dan met het volk van de vier gravetten ter opvatting van de voorne me hoofden der Rebellen na Maplegam te vertrekken, ook teffens gezegt heeft in tus„ schen den Korle-Modliaar en den gewesen Attepattoes Mohandiram binnen de Stad zouden gebannen worden, gelijk zijn wel Edel Achtb: ook hun bijden heeft laaten binnen De ondergetekende vertrouwd hier meede aan de Jntentie van uwel Edelens te hebben voldaan en heeft in die volgende hoop de eer met alle hoog agting te zijn /:onderstond:/ wel Edele Heeren uwer weledelens Trouw schul„ „digen en gehoorzaamen dienaar /:was getek:/ D: B: Dias. /:in margine:/ Gale den 19. No„ „vember 1793. /:onderstond:/ accordeerd /: was „getekend:/ J H: Brechman. gesw klerk Accordeerd. Corns: Johanns: Idé gezwklerk bannen
English
528. Monday the 15th of November 1790. Present The Right Honorable Lord Governor Willem Jacob van de Graaff The Honorable Chief Administrator - - - Mr. Christiaan van Angelbeek Diederich Thomas Fretz The Honorable Disava - - - Johannes Reintous The Honorable Warehouse Master Benedictus Lambertus van Lier The Honorable Secretary Abraham Samlant The Honorable Trade Bookkeeper Gerrit Engel Holst and Absent The Honorable Pay Bookkeeper Johannes Adrianus Vollenhove, The Honorable Fiscal - the first due to indisposition and the last occupied with Justice. Having deliberated further upon the secret letters and enclosures received from Gale dated the 5th, 7th, 10th, and 15th of October last, as well as upon a letter since received dated the 9th of this month with the enclosures received therewith, containing the report of the officials regarding their actions taken pursuant to what was written to them by secret letter of the 26th of October last concerning Madoegodde Appoe and to what extent he has complied with what was instructed in that letter, it is taken into consideration in the Secret Resolution, Adopted in the Council of Ceylon. No. 61. 529. Taken into consideration: 1. That to Madoegodde Appoe, upon the recommendation of the Gale officials, by the aforementioned letter of the 26th of October, it was promised that he would be granted remission of his newly committed crimes if he proved his accusation, and that this promise was consequently made under the aforementioned express condition. 2. That he has now been heard twice at Gale, and in both of these interrogations did nothing other than persist in his accusations formerly made, which appear in the report of the secretary of Albedijl bound behind the secret report of Mr. Sluijsken, and furthermore to repeat the general accusations that appear in his ola written to Commander Sluijsken, instead of now providing those accusations in detail and proving them. 3. That as regards his accusations that appear in the aforementioned report of the secretary of Albedijl, it has already been noted thereon, according to what was recorded in the secret resolution of the 7th of September last, that if one were to act upon such accusations, no one henceforth would be certain of his honor, nor even of his life. 4. That he, in repeating his general accusations made in his abovementioned ola written to Mr. Sluijsken, indeed named a multitude of inhabitants from the Matara Disavany and said that these could testify to the truth of his made accusations, but that he has not named what the facts specifically consist of to the charge of each person, especially not with regard to the Maha Mudaliyar of the Governor's Gate, just as he has also not specified, as he was instructed to do, what the people named by him, upon whose testimony he relies, can each specifically testify, in order to be able to hear them thereon, and that thus these people cannot properly be questioned on such a statement without falling into a sort of inquisition. 5. That Madoegodde Appoe is a villain who for his crimes has repeatedly had to be punished and locked in chains. 6. That he behaved the most insolently of all the mutineers. That he pushed his insolence and extreme impudence so far that he openly dared to declare before the commissioners of this Government that he was the chief head and leader of the rebellion. That he even went so far that on that occasion he threw an ola written by the Honorable van Angelbeek to the rebels onto the ground in the most contemptuous manner and trampled it with his feet, and furthermore behaved in such a way that even the bulk of the rebels seemed to be ashamed of his extreme brutalities. 7. That after having received a general pardon along with all the other inhabitants of the Matara Disavany who had made themselves guilty in this rebellion, provided that he would behave in the future as befits obedient and good inhabitants, and after he, as an excess of kindness, had been favored with a post of Mohandiram in the Commander's guard, he again, as soon as he managed to get away from Gale, made every possible effort to incite another insurrection in the Matara Disavany. 8. That seeing he gained no support, he subsequently went to the King's country with the intention of going to Kandy and, according to the incoming reports, passed through Ruwanwella on the 19th of December to that end, from where he returned again on the 25th or 26th and took the road to Sabaragamuwa; after he, according to reports received since, was detained at Allapillij
Dutch transcription
528. Maandag den 15:' November 1790. Present Den WelEdele Groot Achtb: Heer Gouverneur Willem Jacob van de Graaff UE: Hoofdadministrateur - - - M:r Christiaan van Angelbeek Diederich Thomas Fretz: R: Dessave... - Johannes Reintous dE: Pakhuismeester Benedictus Lambertus van Litter UE: Sekretaris Abraham Samlant EE: Negotie boekhouder Absent Gerrit Engel Holst en AE: Zoldij boekhouder Johannes Adrianus Vollenhove, VE: Fiskaal - de eerste mids indispositie en de laaste g'occupeerd bij de Justitie. Nader gedelibereerd zijnde op de van Gale ont„ fangene sekreete: brieven en bijlaagen van den 5. 7. 10. en 15: october J:o L: als meede op een zee„ dert ontfangene brief van den 9:e deezer met de daernevens ontfangene bijlaegen, hou„ dende der bediendens berigt, nopens het door hun te werk gestelde uit hoofde van het hun aangeschreevene bij sekreete brief van den 26.: ' october J:E: nopens Madoegddde appoe en in hoe verre deze aen het aange„ schreevene bij deze brief heeft voldaen, is in Secreete Resoluutsie, Genoomen in Raede van Ceilon. agtinge No. 61. op 520 agtinge genoomen. 1. Dat aan Madoegodde appoe op den voor dragt der Gaelse bediendens, bij voorsz: brief van den 26. ' october is toegezegt dat hem uitwissing van zijn op nieuw be¬ gaane misdaaden zoude worden gegeeven in Wij zijn beschuldiging bewees, en dat deeze toezig ging mids dien is gedaan onder voorsz: expresse voorwaerde 2: Dat wij te Gale, nu tweemaal is gehoord, en in bijde deeze verhooring niet andere heeft gedaan dan te persisteeren bij zijne be„ schuldigingen, eertijds gedaan, die voorkoom bij het berigt van den sekretaris van M bedlijl ingebonden agter het geheim rapport van den Heer sluijsken, en voorts te het haelen de algemeene beschuldigingen die voor koomen bij zijn ola aan de Heer Komman deur sluijsken geschreeven insteede van die beschuldiginge nu getailleerd optegeeven en te bewijzen 3. Dat wat aangaat zijne beschuldigingen die voorkoomen bij het voorschr: rapport van de Sekretaris van Albedhijl daer op volgens het aangeleekende ter sekreete resolu„ tie van den 7:e September J:L: reeds is aengemerkt dat zoo men op zulke beschuldigingen wilden aangaen, niemant voortaan van zijn eer en zelfs niet van zijn leeven zouden zeeker zijn. 4: Dat Wij bij het herhaalen van zijne alge„ meene beschuldigingen gedaan bij zijn hier boven gem:e ola aan den Heer Sluijsken geschreeven, wel heeft opgegeeven een me„ nigte ingezetenen uit de Materese Zes„ savonij en gezegt dat deze zoude kunnen getuigen de waarheid van zijne gedaane beschuldigingen, dog dat wij niet heeft genoemd waar in speciaal bestaan de fijten tot een elks laste speciaal niet met betrekking tot de Mahamodliaar van 'GGouverneurs porta, gelijk wij ook niet heeft opgage„ van opgegeeven zoo als hem dat is opgeleijd, wat de door hem genoemde luiden op wiens getuigenis wij zig beroept, een elk in het bijzonder getuigen kunnen, ten einde ze daar op te kunnen hooren, en dat dus volgens deeze 530 deze luiden op zulk een opgave niet regte lijk kunnen worden ondervraagd zonder vervallen in een zoort van inquisitie. 5. Dat Madoegodde appoe is en booswigt die om zijne misdrijven te meermaelen heef moeten worden gestaaft en in de ketting geklonken. 6. Dat Hij onder alle de muitelingen zig het alder insolenst heeft gedraagen. Dat Hij zijn insolentie en verre gaande onbeschaam heid, zoo verre heeft gepousseert, dat Hij teegens de kommissarissen van deze Regeering opentlijk heeft durven verklae„ ren, te weezen het eerste Hoofd en be„ stierder van den oproer. Dat Wij zelfs zoo verre is gegaan, dat hij bij die ge„ leegentheid op een aldersmadelijkste wijze heeft op de grond gesmeeten en met de voeten getrapt een ola door den E: van Angelbeek aan de oproerigen geschreeven en zig voorts der maaten gedraagen heeft, dat zelfs het gros der oproerigen, over zijn verregaande brutaliteiten zig scheenen te schaemen. 7. Dat Wij na met alle de overige ingezete„ nen van de Materese Des Javoni die zig in deezen oproed hadden misdaedig gemaekt, te hebben gekreegen generaal pardon, mids dat wij zig voor den aanstaende zou„ de gedraagen zoo als dat gehoorzaame en goede ingezeetenen betaemd, en na dat wij tot overmaat van goedheid, was begun„ stigd met een plaats van Mohandiram in 's Commandeurs garde op nieuw, zoo dra Wij zig van Gale heeft weeten weg te heeft maeken, alle mogelijke pogingen gedaan om andermaal een opstand in de Materese Dessavonie te verwekken. 8. Dat wij ziende geen bijval te krijgen ver„ volgens is gegaan na 'skonings land met het voorneemen om te gaan na Kandia en ook volgens de ingekoomene berigten den 19. ' xber: ten dien einde is gepasseerd te Roeanelle alwaar Wij den 5 of 26 ' weder is te rug gekoomen en den weg opgegaan na de suffregam; na dat Wij volgens zedert ingekoomene berigten, te Allapillij is te opgehouden
English
stopped by the King's guard post, which forbade him to proceed further without permission from the Court having first been requested and obtained. 9. That he subsequently returned to the Matara Dessavony, and there, accompanied by a party of other malefactors dressed in Kandyan attire, and one of whom has since been found to be a man who fled to Kandy due to theft 7 or 8 years ago, pretended to be a King's Mudaliyar. 10. That, after having made every possible attempt on this occasion to incite the people to rebellion, he then departed the Matara Dessavony and went to the borders of the Giruwa Pattu. 11. That he likewise caused many disturbances there, aimed, if possible, at bringing about an uprising in that quarter. 12. That he, according to received reports, told the Company's people sent to peel cinnamon to bring the cinnamon into two mandus that he had erected there, and according to a report from a koral-aratchi and a vidana-aratchi, summoned the Company's vidana and mayorals of Hiniduma to him and told them to serve the Company no longer, and that they must provide him with adukku and pehidum, as two Dessaves were about to arrive and he himself had been appointed their Chief by the Court of Kandy by samas, and five lascars of the Kattecurulle had been assigned to him by the Court. 13. That, on the contrary, the people accused by him are all persons of good name and reputation. 14. That, as regards particularly the Maha Mudaliyar of the Governor's Gate, he, so to speak, alone among the distinguished families remained faithful to the Company when, in the year 1761 in the Galle Korle, all the chiefs and with them everyone of any distinction had joined the rebellious people. 15. That the late Governor Schreuder, having appointed him Mudaliyar of the Gate at Galle instead of the Mudaliyar who had fled, subsequently rewarded him for various faithful services rendered to the Company on that occasion by presenting him with a gold medal and chain. 16. That he, after nearly 25 years as Mudaliyar at the Gate at Galle and now for over 5 years as Mudaliyar of the Governor's Gate, has, as far as is known, always served faithfully and honestly. 17. That the Matara Mudaliyars, all persons descended from the most prominent families of Ceylon, are placed in the most distinguished honorary offices, and moreover, with regard to their actual fortune, are in very favorable circumstances. That the Mudaliyar Tennekoon alone possesses a fortune of perhaps more than one hundred and fifty thousand rixdollars. 18. That, regarding people of such standing and of such wealth and the esteem in which they are all placed, it is difficult to conceive what could have moved them to take such criminal steps, by which they could gain nothing in their situation and, on the contrary, risked everything, put their honor and lives in jeopardy, and could imagine nothing other than ultimately dying on the scaffold. 19. That it is not the first time that those who had engaged in rebellions subsequently came forward with similar accusations against the most prominent native chiefs. That, among others, the father of the present Mudaliyar Ilangakoon can serve as an example, against whom, at the time he was Mudaliyar of the Commander's Gate at Galle, exactly such accusations were brought by those who had engaged in the uprising in the year 1758. 20. That this is not the place to review the proceedings conducted against him, which are moreover well known, and that although they were such that they afforded his accusers every opportunity in the most complete manner to pursue and prove their charges against him, after he was already sent out of the country, no one appeared further against him, from which the man's innocence subsequently became most evident. 21. That when one weighs all these considerations and additionally considers that the reckless manner in which Madugalle Appu behaved in the King's territory was bound to lead to his no longer being tolerated even in Kandy itself, one can, at least for the present, regard his accusations as nothing more than a final attempt, if possible, to save himself by placing the primary and principal blame for the disturbance upon the aforementioned chiefs accused by him, in order that he might thereby be held at least less culpable. 22. That, notwithstanding all this, the matter ought to be investigated further, if only to afford the native chiefs accused by him the opportunity to clear themselves of the blame imputed to them. 23. That it is therefore necessary that Madugalle Appu be further judicially examined, and that, since the principal of the accused is the Maha Mudaliyar of the Governor's Gate, whose place of residence is here in Colombo, and since the accuser must follow the court of the accused, Madugalle Appu must consequently be heard before the court of Colombo. Whereupon, after deliberation, it was resolved and decided by a majority of votes to summon Madugalle Appu from Galle, and that the Galle officials shall be instructed, in order that he may not escape a second time, to provide him with a military escort commanded by a European officer, who shall be ordered by written instruction to take sufficient care that he does not escape along the way. The Honorable Chief Administrator van Angelbeek being of the opinion that the investigation should take place in Galle, so that by summoning Madugalle Appu to Colombo his testimony might not
Dutch transcription
531 opgehouden door 's konings wagtpost die he# verbooden heeft verder te gaan zonder da er eerst verlof van het Hoff was gevraa„ en bekoomen 9. Dat Wij vervolgens wederom is gegaen, na de Matease Dessavonie en daar verzeld va een parthij andere boosdoenders gekleed in het Kandiaanse gewaad, en waar van eene, die zeederd is bevonden te weezen een Man die nu voor 7. of 8. Jaaren wegens diefstal na kandia gevlugt is, zig heeft uitgegeeven voor een konings Modliaax 10. Dat Hij na ter deezer geleegendheid op n alle mogelijke pogingen te hebben gedaan om het volk in oproer te brengen, vervo gens uit de Materese Dessavonij gewees is, en is gegaan na de grensen van de God Korle. 11. Dat wij daar insgelijks veele beweegingen heb gemaakt strekkende om waere het mog lijk een opstand aan die kant te verwil ken 12. Dat Wij volgens de ingekoomene berigt 'sComp:s volkeren gezonden om de kanneel a tedraagen, heeft gezegt om de kanneel te brengen in twee mandoes die hij daar liet opslaen en volgens een berigt van een koal avraatje en een vidaan arraatje, de sComp:s vidaan en Majoraals van Hine„ doeme bij zig ontbooden en hun heeft gezegd om de komp:e niet meer te dienen en dat ze aan hem addoekoes en pehin„ does moeten bezorgen, alzoo 'er twee Dessa„ ves stonden aftekoomen en wij zelfs door het Hof van Kandia bij samas tot hun Hoofd was aangesteld en hem door het Hof waaren toegevoegd vijf laskorijns van de Kattekorelle 13. Dat daar en teegen de luiden die door hem zijn beschuldigt alle menschen zijn staande ter goeder naam en faam 14: Dat wat de Mahamodhaar van 's Gouver„ neurs porta in het bijzonder aangaat, Wij om zoo te spreeken uit de aanzienlijke ge„ Plagten, alleen de komp:e getrouw gebleeven is„ toen in het Jaer 1761. in de Gale Korle alle de Hoofden en met hun alles wat eenig„ zints aanzienlijk was, zig bij het oproe„ rig volk hadde vervoegt. brengen Dat 532 15. Dat wijlen de Heer Gouverneur Schreude& na hem insteede van den gevlugten Modlia te hebben aangesteld tot Modliaar van de porta te Gale Hem zedert om te beloonen verscheide trouwe diensten in die geleegenthe aan de komp:e beweezen, naderhand nog schonken heeft met een goude penning en h ting. 16. Dat Wij na genoeg 25. Jaaren als Modliaaa aan de porta te Gale en nu ruim 5. Ja als Modliaar van GGouverneurs porta zoo veel men weel steeds trouw en eerlij heeft gediend. 17. Dat de Materese Modliaaas, alle luiden ge„ sprooten uit de voornaamste familien van Ceilon, zijn geplaatst in de aanzien lijkste eer ampten, en boven dien ten aanzie van hun reëel fortuin zijn in zeer gu stige omstandigheeden. Dat de Modliaar Tinnekoon alleen een vermogen heeft van misschien meer dan Honderdvijftig dui„ zend rd:s 18. Dat het van luiden van dien stempel en van dat vermoogen en het aanzien waar in 2e alle geplaatst zijn niet wel te beseffen is wat hun zoude hebben kunnen beweegen, tot zulke misdaedige stappen waar bij ze in hunnen toestand niets konde winnen en waar en tee„ gen ze alles waagden, hun eer en leven in de waagschaal stelde en zig niets anders konde voorstellen dan om eindelijk op het schavot te sterven. 19. Dat het niet de eerste mael is dat zulke die zig in oproeren hadden misdaedig ge„ maekt, vervolgens met diergelijke beschul„ digingen teegens de voornaamste inland„ se Hoofden zijn voor den dag gekoomen Dat onder anderen daer van ten voorbeeld, strek ken kan de vader van de teegenswoordige Modliaar Ilangekoon tegens wien ten tijde Wij Modliaar was van 'skommandeurs porta te Gale door de geene die zig in den opstand„en het Jaar 1758. hadden misdae„ dig gemaekt; even zulke beschuldigingen zijn voortgebragt. 20. Dat het hier de plaats niet is om optehaa„ len de teegens hem gehoudene procedures die boven dien te over bekend zijn, en dat schoon die zodanig zijn geweest dat ze zijne be„ alle schuldigers 533 schuldigers op de volkoomenste wijze geleegen heid gaeven om hunne beschuldigingen tegen hem voorttezetten en te bewijzen niemand dat wij reeds het land was uitgezonde teegens hem verder is opgedaagd, waar uit smans onschuld naderhand op het eidenst gebleeken is. 21. Dat als men alle deeze bedenkingen over weegt en daer bij bedenkt dat de baldadi wijze waar op Madoegodde appoe zig in 's konings land heeft gedraagen, moest v brenger, dat wij ook zelfs ie kandiase n verder zoude worden geduld, kan men ten minsten voor als nog zijne beschuldigd gen voor niets hoogers aanzien dan voor een laaste pooging om was het mogelijk zig nog te redden door de eerste en voornaem ste schuld van den opzoek te leggen op de voorsz: door hem beschuldigde Hoofde ten einde langs dien weg ten minste m der misdaedig te worden gehouden 22. Dat met dit alles de zauk verder dient te worden, onderzogt, al was het ook ma alleen om de door hem beschuldigde inland Hoofden daer door te brengen in de geleeg heid om zig te kunnen zuiveren van de hun aangewreevene blaam 23. Dat het mids dien noodig is dat Madoegodde affoe nader gerechtelijk word gehoord en dat wijl de voornaamste der beschuldigde is de Mara modliaad van 's Gouverneurs porta„ die hier te kolombo luis hoord, en dat de beschuldige at moet volgen den regt bank van den beschuldigde; Madoegodde appoe mids dien moet worden gehoord voor de regt bank van Kolombo. waer op na der liberatie bij meerderheid van stemmen is goedgevonden en verstaen, om Madoegodde appoe van Gale op te ontbieden en dat de Gaalsche bedienden daer bij zal wor„ den aangeschreeven om hem op dat wij ten tweede maal niet ontkomt, meede te geeven een Militair Eskorle gekommandeerd door een Europeesche officier die bij eene schrifte„ lijke instruktie zal moeten worden ge„ last am toerijkende zorg te draagen dat wij op de weg niet koomen te ontsnappen. zijnde den E: Hoofdadministrateur van Angelbeek van gevoelen dat 't onderzoek te Gale moet geschieden, op dat door het oproepen van Ma„ doegodde appoe na Kolombo zijne getuigen heid niel
English
not be deterred. Furthermore, it has been resolved to instruct the servants at Gale to halt the further investigation into this matter there. It being further taken into consideration that Madgodde Appoe will probably appeal to Bandewokke Arraatje, and that he too will have to be interrogated here: It has therefore been approved and resolved by a majority of votes to instruct the servants at Gale likewise to halt the investigation recommended according to the secret resolution of 26 October into the statements of the aforementioned Bandewokke Arraatje, and also to send him here with the same military escort and under the same recommendation to the officer. Against which the Honorable Van Angelbeek, for the same reason as mentioned above, was of the opinion that this person too ought to be left at Gale. The servants at Gale having reported in their secret letter of the 9th of this month that the Modliaar of the Gale Korle and the former Mohandiram Mandenaike, who were arrested within the fortress upon the accusation of the Sjabandaar Modliaar that they had incited the rebellion among the inhabitants in the Gale Korle, had made known by petition that the said Sjabandaar Modliaar himself, and not they, had brought about the gatherings of the inhabitants, undertaking to prove this within 14 days, provided that the said Sjabandaar Modliaar be taken into military arrest; and that they, the servants, because the Sjabandaar Modliaar, although he had had 3 months' time for it, had not proved his accusation against the petitioners, had decided to have him arrested, but to postpone the execution of this decision until they should have received the approval of this Government in that regard. This matter being deliberated upon and taken into consideration, that in the petition of the aforementioned petitioners nothing else is stated than that the Sjabandaar Modliaar had brought about the gatherings of the inhabitants, without any circumstances being specified from which one could judge the fairness of the servants' decision to have him arrested: It has therefore been approved and resolved to instruct the servants to have the aforementioned Modliaar of the Gale Korle and the former Mohandiram Mandenaike give a written account of the circumstances of their accusation against the aforementioned Sabandaar Modliaar, namely, how they know that he brought about the gathering of the inhabitants in the Gale Korle, and to send this statement here as soon as possible. Thus done and resolved in the Castle of Colombo on the day, month, and year aforesaid. Was signed: W. J. van de Graaff, B. van Angelbeek, D. I. Fretz, J. Reintz, B. L. van Zitten, and A. Samlant. Agrees, Cornelis Johannes de [illegible], sworn clerk. Examined. Honorable, highly Esteemed Sir and Special Good Friends, Yesterday evening the Modliaar of the Gangebaddepattoe de Saram came to me, bringing with him a person subordinate to them named Narandenieje Liennege Lokoe Appoe, who, in the presence of the Secretary De Moor, related to me that the evening before yesterday Madoegodde Appoe and Bandewokke Araetje—the latter accompanied by three to four persons whom he had taken along in his company while going to the King's land, as well as six Kandians, among whom one passed himself off as a King's Modliaar and one as an Arratje, besides four of their servants—had arrived in the charcoal-producing village of Happoegodde, after they had previously eaten their midday meal yesterday at a resting place or ambalang situated in the village of Deijandere in the Kandeboddapattoe. That the deponent saw them yesterday morning at the house of Bandewokke Arraetje in the aforementioned village of Happoegodde, where the said two Kandian chiefs, sitting on chairs, incited Madoegodde Appoe and Bandewokke Araetje to assemble people, asking them what they were waiting for any longer and why no order was issued to gather the people; whereupon the two last-mentioned sent out some men for that purpose, and the deponent, also receiving an order to appear before them, joined the crowd, and after tarrying there for a few moments, he departed yesterday morning around eight o'clock from Happoegodde. To the Honorable, highly Esteemed Sir, Commander of the City and Lands of Gale, Mature, etc., together with the Council. Peter Sluijsken G. V. D. Linde No. 62 Gale
Dutch transcription
53. 4 niet worden afgeschrikt. voorts is verstaen de Gaelsche bedienden te lasten om het verdere onderzoek in deeze zaak aldaer te doen staaken. Nog in agtinge genoomen zijnde, dat Mad godde appoe zich waarscheinlijk op dewokke arraatje zal beroepen, en hij die, meede hier in verhoor zal moeten men: Js derhalven bij meerderheid van stemmen goedgevonden en verstaan, den bedie te Gale te gelasten, om 't volgens sekreed rezol: van den 26. ' 8ber: aanbevoolen onder zoek, na de opgaves van gem:e Badden ke arraatje, insgelijks te doen staeken, hem ook met dezelfde militaire eskorte en onder dezelfde aanbeveeling aen den offe dit heen te zenden. waer en tegen dE: v Angelbeek, om dezelfde reeden als hier boven vermeld vermeende dat ook deezen te Gale moet worden gelaaten. Door de Gaelse bedienden, bij hunne voor sekreete brief van den 9:e deezer, berigt zin dat de Modliaar van de Gale Korle en de gew:e Mohandiram Mandenaike die op de beschuldiging van den sjaband Modliaar, dat ze 't oproet onder de in Zeelenen in de Gale korle zouden ver„ wekt hebben, binnen de vesting zijn gear„ resteerd, bij requeste hadden te kennen gegeeven, dat gemelde sjabandaar Modliaaa Zelve, en niet zij, de zamenrottingen der gezee„ inge binnen tenen bewerkt had, aanneemende dit 14. daagen te bewijzen, mids ged:e sjabandaar Modliaaa in militaire arrest genoomen worde; en dat zij bedienden, om dat de sjabandaar modli„ aar, schoon hij 3. maanden tijd daer toe had gehad, zijne beschuldiging tegen de sufften niet had beweezen, beslooten hadden hem te laeten arresteeren, dog de exekutie van dit besluit uittestellen, tot dat ze deswee„ gens 't goedvinden deezer Regeering zouden hebben ontfangen. Js daer over gedelibereerd en in agting genoo„ e men, dat bij 't request van de voorsz: supp=ten niet anders word gezegd, dan dat de Sjabandaar Modliaar de Zaamenrot„ tingen der ingezietenen had bewerkt, zonder dat daer bij eenige omstandigheeden zijn opgegeeven, waar uit men zoude kunnen oordeelen over de billijkheid van den bedien„ den besluit, om hem te doen arresteeren: Zeetenen e en is derhalven goedgevonden en verstaan, de e bedienden te gelasten, om door voorsz: Mod vee aer van de Gale korle en gew: Mohan ramn Mandenaike schriftelijk te doen op van de omstandigheeden van hunne beschu ging tegen voorme: Sabandaar Modliaa naamelijk, hoe zij weeten dat wij de zaamenrotting der ingezeetenen in de Gal Korle bewerkt heeft, en om deeze opgaave ten eersten herwaards te zenden. Aldus Gedaan ende Geresolveerd in het kasteel kolombo daage maand en Jaere voorsz: /:was geteekend:/ w: J: van de Graeesf b: van Angelbeek, D: I: Fretz, J: Reintr B: L: van Zitten en A: Samlant Achordeert Corns Johiann:s I de gezee klerk 535 Nagezien E: E: Achtbaare Heer en Bijsondere Goede vrienden - Gister avond is de Modliaaa van de Gangebaddepattoe de Caram bij mij gekomen, meede brengende een onder hun zorteerende perzoon gen:t Narandenieje Liennege lokoe appoe dewelke mij, ten bijweesen van den secretaris de Moor, verhaalde dat eergisteren avond Madoegodde appoe en Bande „trokke araetje, de laatste verseld van drie â vier persoonen, die hij naar 's konings land gaende in zijn geselschap mede geno= men had, zoomeede ses kandianen, waar onder zig eene voor een 'KConings modliaar en eene voor een arratje uytgeeven, nevens vier hunner bedienden in het kool geevende dorp Happoegodde aange- =komen waeren, na alvoorens zij gister op een rustplaets of ambelang geleegen in het dorp Deijandere in de kandebod= „dapattoe middagmaal gehouden te hebben. Dat de relatant hun gister morgen ten huyze van Bandewokke arraetje in voorm: dorp Happoegodde gezien heeft, alwaar gem: twee kandiasche hoofden op stoelen zitten de Madoegodde appoe en Bandewokke araetje aanbettede tot het bij den anderen brengen van volk, vraegende hun wat of zij langer stonden te wagten, en waarom er geen order uitgevaerdigd wierd om het volk te verzamelen, waarop de twee laastgem: ten dien einde eenige menschen op uitschikten en de relatant ook order krijgende om bij hun te verscheinen heeft hij zig bij de hoop vervoegd en na eenige ogenblikken vertoevens aldaar, is hy gister morgen omtrend agt uuren van Happoegodde Aan den E: E: Achtbaaren Heer kommandeur der stad en Landen van Gale Mature Etc=a Nevens den Raad. Peter Sluijsken vertrokken O GV:D Linde No. 62 Gale
English
536 departed to go and inform his chief, the Modliaer De Saram, of this; which he also did yesterday afternoon upon arriving at the house of De Saram in Mature; further testifying that when he departed from Wappoegodde at the said hour, already 40 heads had assembled together, besides the friends and nearest relatives of Bandewokke Aratje who are more or less 30 men strong, but that among those assembled, when he went away from them, there were no armed men, and that he, the deponent, well knows that most of the first-mentioned party were drawn to the gathering with reluctance. Upon this intelligence received, I consulted the Attepattoe Modliaar Jlangakoon alongside the Modliaer De Saram and Tillakeratne, the latter at present provisionally administering the Baigams, together with the Secretary De Moor, and on the personal offer and firm conduct of De Saram and Tillakeratne, assigned to the first-mentioned European corporal, together with the last-mentioned 6 ditto men, as well as a European and an Eastern corporal, and sent them out this morning in order to get the said ringleaders and, if possible, also some of their faction into our power, the said Modliaars having promised to take care that not the least disturbance be made in the country on this account, much less any nuisance caused to the inhabitants; and I have also sent the Mohandiram of the Four Gravets, head over the coal-producing villages, who was here due to an indisposition, to his designated post. I trust that Your Honorable Worships will be pleased favorably to approve this my conduct. Subsequently, the Modliaar Jlangakoon informed me that this morning he received a letter ola from the head of the Kandebadde Pattoe, the Mohandiram Don Simon, and its contents having been noted by us, I immediately sent the bearer of that ola, being one Kadewedoewe Ameresekere Wikkremesingere Aratje, back at once, and let the said Mohandiram know of the dispatch of men to apprehend the often-mentioned restless characters, and at the same time ordered them verbally (just as I have previously done in writing, and thus was surprised that he, Don Simon, came to ask me further for an order as to what he should do with the guests if they were to show up again in his pattoe) to do his utmost to capture them and send them bound hither. I have the honor herewith to offer Your Honorable Worships the summary of the said letter ola in translation, further requesting that I may be instructed with Your Worships' definitive orders how I am to conduct myself if, contrary to all expectation, the mutinous mob should increase, and whether Your Honorable Worships will be pleased to authorize me, in case the prominent native chiefs should ask me for a strong detachment up to 40 or 50 heads in number to disperse the mutinous gang, that I may assign the same to them under the command of a European officer. Awaiting a speedy reply to this, I further declare myself, with all sentiments of high esteem, (was subscribed) Your Honorable Worships' Sir and Particularly Good Friends, Your Honorable Worships' Duty-bound Friend and Obedient Servant, (was signed) M. P. Raket. (In the margin) Mature, the 4th of October 1790. (Below was written) Agreed. (Was signed) C. L. B. van Albedijhl, Secretary. Agreed. Corns. Johanns. Folc, sworn clerk. Examined. J. V. Spall. Secret Resolution September 1790. I respectfully accompany this with a copy of a letter from the overseer of the plantations, Riethmuller, dated the 8th of this month, wherein he informs me that Madoegodde Appoe, staying in the Morauakorle, is trying to incite the inhabitants, as well as a translation of a letter ola from the Mohandiram of the Four Gravets, dated previously, reporting essentially on a Singa-Cant 537 Gale To the Honorable, Worshipful Sir, Peter Sluijsken, Commander of the city and lands of Gale, Mature, etc., together with the Council. The Eastern troops and their non-commissioned officers sent out this morning for the apprehension of Madoegodde Appoe and Bandewokke Aratje having returned with their mission unaccomplished, I consider myself obliged hereby humbly to notify Your Honorable Worships thereof, and at the same time to present to the same the report received in this regard from the Modliaar of the Gangebaddepattoe, De Saram, consisting of a copy translation of his letter ola addressed to me, dated the 4th of this month. For the rest, I have the honor to declare myself, with all sentiments of high esteem, (was subscribed) Honorable, Worshipful Sir and Particularly Good Friends, Your Honorable Worships' Duty-bound Friend and Obedient Servant, (was signed) M. P. Raket. (In the margin) Mature, the 6th of October 1790. (Below was written) Agreed. (Was signed) C. L. B. van Albedijhl, Secretary. Agreed. Honorable, Worshipful Sir! Particularly Good Friends 538 Extract of a Secret Letter dated 13 October 1790, written from Mature to Gale. Examined. Corns. Johanns. Folc, sworn clerk. 539 J. V. Spall.
Dutch transcription
536 vertrokken om zulks zijnen hoofd de Modliaer DeCaram te „gaan, verwittigen; het geen hij ook gester nademiddag op Ma „re te huijze van de saram komende gedaan heeft; onder „tuiging wijders, dat toen hij ten gem: uure van wappoegodo vertrok in reeds 40. koppen bij den anderen gekomen waeren, b „halven de vrienden en naast bestaenden van Bandewokke „ratje die wel min of meer 30. man sterk zijn, dog dat onder de vergaderden, toen hij van hun weggang, geene gewapen mannen waeren en dat hij relatant wel weet dat van de eerstgem: party de meesten met teegenzin tot de zamen rotting getrokken zijn. op deeze erlangde teiding heb in den altepattoe mobliaar Jlanga koon nevens de modliae De Caram en Sillekeratne de laaste tans provisioneel waarnemende de Baigams, mitsg=s den sekretaris De Moor gekonsuleerd, en op de eige aanbieding en kragtige al =houding van desaram en Tillakeratne aan de eerst gem: d Edropeesche Corporaal mitsg:s de laast gem: 6: d=o manschappn nevens een Europeesche en een oostersche korporaal toegevoegd en ze heeden morgen op uit geschikt, om ged:t Roervinken en was het mogelijk ook eenigen van hun gespins in onze magt te krijgen, hebbende gem: modliaars beloofd te zullen soogen, dat daar over in het land geene de minste beweeging gedaan veel minder eenig overlast der Jnwoonderen toegebragt word„ en ik den mahandiram der vier gravetten in hoofd over de kool„ geevende dorpen, die zig weegens ziekelijken staat hier bevond, ook naar zin bescheiden post gezonden. Jk wil wi„ „trouwen dat uw E: E: agtb: deeze mijne behandeling gunstig= =lijk zullen gelieven te approbeeren vervolgens heeft den modliaar pangakoon mij te kennen ge- „geeven heden morgen een brief ola van 't holfs der kandebadse pattoe den mohandiram Don simon gekregen te hebben en van dier inhoud door wij kennis genomen zijnde, hit. ik den brenger van die ola, zijnde einen kadewr doewe amereserie wikkremejegere aractje ten eersten terug gepchikt, en ged:e mo= -handiaaur van de op uitzendinge van vvolk ter agterhaelin „ge van meerm: onrustige quanten kennis laeten geeven mitsg:s hun tevens mondeling gelasten /: gelyk ik zulx bevoorens ook schriftelijk gedaan heb, en dus verwonderdden dat hij Don simon mij nader om een order kwam te vraegen, wat hij met de gasten zouden aanvangen, indien zij weder in zijn pattor kwamen opdagen:/ ten einde zijn best aantewenden hun gevangen te krijgen en gevleugeld herwaards te schikken. De korte inhoud van gem: brief ola heb ik de Eer uwE: E: agtb: hiernevens in translaat aan te bieden, met verzoek wijders mij met 't hoogst derzelver stellinge order te minneeren hoe ik mij te gedraegen zal hebben indien de mintende hoop tegen alle verwagting kwam toetenemen en of uw E: E: agtb: mij zullen gelieven te qualificeeren ingevalle de voornaeme in — „landsche hoofden wij om een sterken kommando tot 40: â 50. koppen in getal kwamen te vraegen ten einde de muitende binde te verstrooijen dat ik hun zelve onder 't bevel van een Europee- =sche officier mogen toevoegen Hier op een spoedig antwoord te gemort ziende, noeme ik mij voorts met alle gevoelens van hoog agting /:onderstond:/ uw E: E: agtb: Heer en Bijzondere goede vrienden. uw E: E: agtb: Dienst schuldige vriend en gehoorzaeme Dienaar /:was geteekend:/ M: P: Raket /:in margine:/ Mature den 4. 8ber: 1790 /:onderstond:/ Akkordeert /:was getee= „kend:) C: L: B: van Albedijhl sekr:s Akkordeert i4 Corns. Johanns: Folc gezeerklerk nagesien. J: :V: Spall. Secreete Resolutie Ge„ 7ber: 1790. Jk laate deeze in Eerbied verzellen een kopij brief van den opziender der plantagies: Riethmuller ged=t p de Graaff 8. deeser, waar bij hij mij bedeeld dat Madoegodde 25 Fretz: Appoe in de Morauakorle zich ophoudende, de Jn- us =gezeetenen tragt te beroeren, zoo meede een translaat brief ola van den Mohandiram der vier gravetten ged=te us van Litter 71 bevozens meldende hoofdzakelijk van een singa-Cant 537 Gale Aan den E: E: Achtbaaren weer 2. Angelbeek Peter Sluijsken, kommandeur der stad en Landen van Gale, Nature E=te, Nevens den Raad. ls F: uis vollenhove indispositie had bij de Justi„ sekreete reso„ ingekoomen weeden morgen de ter opvatting van Madoegodde appoe en Bandewokke araetje uitgezondene oosterse manschap- den en ver„ pen en hunne onderofficieren onverrigter zaeke weder te rug gekomen zijnde, agte ik mij gehouden uw E: E: agtbaare al dezes daarvan mits deezen nedrig kennis te geeven en tevens hoogst dezelven aantebieden, het ten dien opzigte van den Modliaar der Adrianus gangebaddepattoe Desaram bekomen berigt, bestaande ven, voor in een kopia Translaat zijner brief ola aan mij gerigt ged=t 4. dazer. ustitie, nu overigens heb ik de eer mij met alle gevoelens van hoogagting te noemen /:onderstond:/ E: E: agtb: Heer en Bijzondere Goe- hem op zijn de vreenden. uw E: E: achtb: Dienstschuldigen vriend en gehoor„ coeme Dienaer /:was geteekent/ M: P: Raket /:in mar= ninandeur gine:/ Mature den 6. 8ber: 1790. /:onderstond:/ Akpordeerd /:was geteekend:) C: L: B: van Albedijhl sekretaris is daed is Akkordeerd. toegezegd, E: E: Achtbaare Heer! Bijzondere Goede vrienden van Ceilon. 538 Extrakt sekreete Missive de dato 13. Oktober 1790 van Mature na gale geschreeven nagesien Corns. Johiaan I de gezeeklerk DO op. 539 ent. serspall.
English
of Ceylon. 538 Extract of a secret dispatch dated 13 October 1790, written from Mature to Galle. September 1790. I respectfully accompany this with a copy of a letter from the overseer of the plantations, Riethmieller, dated the 8th of this month, in which he informs me that Madoegodde Appoe, residing in the Morauakorle, is attempting to agitate the inhabitants; as well as a translation of an ola letter from the Mohandiram of the Four Gravets, dated the 7th prior, reporting mainly about a Sinhalese from the family of Narandenieje scribaddinege who has been severely mistreated by Bandewokke Aratje, and whom I ordered to be brought here to interrogate him, but who has not yet been brought. Likewise, an account from a certain sederige Siman Appoe, dated the 9th thereafter, concerning the outrages that the said Bandewokke Aratje is committing in the coal-yielding villages. But since it appears to me that the headmen are unwilling to apply themselves to catch the two aforementioned disturbers of the peace, although I have ordered them to do so both verbally and in writing, and that it is merely a false pretext of the aforesaid informant that Bandewokke Aratje is preparing to appear before your Right Honourable, I judge that my proposal to station small commandos in the countryside will be the most direct means either to capture them or to keep them completely out of the Company's territory, or else, according to custom, under promise of a further pardon, to summon them by edict, and in case of non-appearance, to declare them outlaws. At the bottom stood: Agreed. Signed: I: W: Baechman, sworn clerk. 539 No: 63 Saturday the 27th September 1790. Present. The Right Honourable Lord Governor Willem Jacob van de Graaff, The Honourable Disava Diederich Thomas Fretz, The Main Warehouse Master Johannes Reintous, The Honourable Secretary Benedictus Lambertus van Lier, The Honourable Trade Bookkeeper Abraham Samlant. Absent: Mr. Christiaan van Angelbeek, The Honourable Chief Administrator, The Honourable Pay Bookkeeper Gerrit Engel Holst, Fiscal Johannes Adrianus Vollenhoven; the first two on account of indisposition, and the latter occupied at the Court of Justice. Madoegodde Appoe, mentioned in the secret resolution of the 15th of this month, having arrived here, it was approved and resolved after deliberation to have him further presented, through the Honourable Fiscal of this Government, the Merchant Mr. Adrianus Johannes Vollenhoven, before two members of the Council of Justice, with the statement that on his olas written to the Lord Commander Sluijsken, forgiveness of his misdeed was promised to him. Secret Resolution taken in the Council of Ceylon.
Dutch transcription
van Ceilon. 538 Extrakt sekreete Missive de dato 13. Oktober 1790 van Mature na gale geschreeven 7ber: 1790. Jk laate deeze in Eerbied verzellen een kopij brief van den opziender der plantagies Riethmieller ged=t n de Graaff 8. deeser, waar bij hij mij bedeeld dat Madoegodde 25 Fretz: Appoe in de Morauakorle zich ophoudende, de Jn- us =gezeetenen tragt te beroeren, zoo meede een translaat brief ola van den Mohandiram der vier gravetten ged=te us van Litter 7: bevorens meldende hoofdzakelijk van een singa-Cant lees uit de familie van Narandenieje scribaddinege ent. dze door Bandewokke arratje zeer mishandeld is en die ik geordonneerd heb, herwaards aftebrengen, om 2. Angelbeek hem te verhooren, maar nog niet afgebragt is, s F Jtem een relaas van eenen sederige siman appoe us vollenhove ged:t 9=e daar aan, weegens de geweldenarijen die ge= „dogte Bandewokke aratje in de koolgevende dorpen indispositie pleegt. Dan vermits het mij toescheind dat de hoof- ead bij de Justi„ „den zich niet willen toeleggen om gem: twee rust ver- =stoorders in de knip te krijgen, niettegenstaande ik het hun zoo mondeling als schreftelijk heb aan- sekreete reso„ bevoolen en dat het slegts een loose voorwending is engekoomen den en ver„ al de zes Adrianus ven, voor ustitie, nu hem op zijn ninandeur is daed is Secreete Resolutie Ge„ D0 op. 539 van toegezegd, nagesien. serspall. van voorsz: relatant dat Bandewokke aratje zij prepareeren voor uw E: E: agtb: te verscheinen zoo oordeele dat mijne voorstelling om klijne kom „mandos in het land te leggen het naaste mid del zal zijn, om hun of gevangen te krijgen of volstrekt uit 'scomp:s teractoir te houden dan wel om zo na den gebruijke, onder beloft van een nader pardon, bij Edikte intedagen, en bij non verscheininge vogel vrij te verklaeren (:on„ =derstond:/ Akkordeerd /:was geteekend:/ I: W: Baechman g:klerk toegezegd, sekreete reso„ ingekoomen den en ver„ zal dezes r Adrianus ven, voor Justitie, nu hem op zijn ninandeur is daed is 7ber: 1790. In de Graaff 45 Freth: rus us van Litter Cant. Cent. 2. Angelbeek lst:s cus vollenhove indispositie ead bij de Justi„ Secreete Resolutie Ge„ van Ceilon. Akkordeerte Corn:s Johann:s Idé gezeeklerk man D op. 539 No: 63 Zaturdag den 27:' Iber: 1790. Present. Den Wel Edelen Groot Achtb: Heer Gouverneur Willem Jacob van de Graaff, UE: Dessave. ... .Diederich Thomas Freth: . H: Palkhuismeester - - - - Johannes Reintous UE: Sekretaris - - - - - Benedictus Lambertus van Litter lb Karitig boekhouder - - - - - Abraham Samlant. Ent. 2 Angelbeek s V us vollenhove indispositie ead bij de Justi¬ sekreete reso„ ingekoomen „den en ver„ aal dezes Sr: Adrianus ven, voor Justitie, nu hem op zijn ninandeur is daed is toegezegd, Secreete Resolutie Ge„ noomen, in Raede van Ceilon. 21 op. 539 No: 63 Zaturdag den 27:' 7ber: 1790. Present. Den Wel Edelen Groot Achtb: Heer Gouverneur Willem Jacob van de Graaff, UE: Dessave. .. . . Diederich Thomas Freth: H: Pakhuismeester - - - - Johannes Reintous VE: Sekretaris - - - - . Benedictus Lambertus van Litter E: Negotie boekhouder. - - - - - Abraham Samlant. AbCent. M:r Christiaan van Angelbeek HE: Hoofdadministrateur lb: Zoldij boekhouder - - - - Gerrit Engel Holst: Fiskaal. . . . . . . . . Johannes Adrianus vollenhove dE. de twee eersten mids indispositie en de laatste g'occupeerd bij de Justi¬ Madoegodde appoe, vermeld bij sekreete reso„ lutie van den 15. ' dezer, hier aangekoomen zijnde, is na deliberatie goedgevonden en ver„ staan, om hem door den E: fiskaal dezes Gouvernements de Koopman Mr: Adrianus Johannes Johannes Vollenhoven, voor twee leeden uit den raad van Justitie, nu nader te doen voorhouden, dat hem op zijn olas, geschreeven aan den Heer Commandeur sluijsken, uitwissing van misdaed is Secreete Resolutie Ge„ noomen, in Raede van Ceilon. toegezegd, tie op. 539
English
promised, when he proves sufficiently in court his aforementioned accusations, namely that the Maha Mudaliyar of the Governor's Gate Nikolaas Dias Abesinge and other native Chiefs named by him were supposedly the causes both of the recent uprising in the Matara Dissavany and of the continuation thereof, and thus all under this express and definite condition, with the further announcement that if he does not fulfill this condition, proceedings will be instituted against him according to the laws and placarts of the land, especially according to the 3rd article of the advertisement of the 1st of July 1775, which shall have to be read out to him in the Sinhalese language. It has also been agreed, after this has been announced to him, to have him further informed by your Honour the Fiscal that he is now further summoned to make a full declaration of the specific and special facts that he has to bring in against each one of the aforementioned native chiefs accused by him, and that he must state not only the names of the witnesses he has to prove each point of his accusations, but that he will also have to state what each of these witnesses can testify regarding each of the points to be stated by him. Furthermore it has been agreed that as soon as this declaratory statement has been obtained from him, the aforesaid Fiscal must report these his aforementioned proceedings to this Government and submit along with it a copy of the aforesaid declaratory statement, in order to obtain thereupon the further disposition of this meeting. And an extract of this resolution shall be given to the Fiscal to serve for his information and to govern himself accordingly, and along with it shall be handed to him a copy of the aforesaid ola written by Madugodde Appu to the Commandeur Sluysken, whereby he undertakes to prove his aforesaid accusations, and a copy of the above-mentioned ola written to him in reply by Commandeur Sluysken, whereby erasure of crime has been promised to him on the aforesaid condition. Taking into consideration that the accusations made by Madugodde Appu and others against the Matara Mudaliyars Don Petrus Illangakoon, Mudaliyar of the Atapattu and first interpreter of the Dissava; Johannes Wijewardene Tillekeratne, Hunt and further Sowing Master of the Giruwapattuwa; Don Constantijn Tillekeratne, Gajanaike; Don Juan Gooneratne, head of the Weligamakorale; Don David de Saram, head of the Gangabaddapattuwa; and the Mohandiram of the Four Gravets named Bandarnaike; namely that they were supposedly the causes of the recent Matara uprising, should be investigated the sooner the better, unless these native chiefs might claim the general pardon that has been given without exception to all the inhabitants in the Matara Dissavany who made themselves criminal on the occasion of the recent Matara uprising, It has been approved and agreed that the Galle servants shall be instructed, as they are instructed hereby, to write to the Dissava of Matara, the Honourable Raket, and in his absence the Lieutenant Dissava, the Honourable Van Schuler, as soon as this resolution is received by them: 1. To summon the aforesaid chiefs to his house in the presence of two members of the Landraad, and to announce to them that they are accused of being the causes both of the recent Matara uprising and of the continuation thereof, and that this Government informs them of this accusation the more frankly because it cannot conceive what could have moved them, who are all sprung from the foremost families of Ceylon, whose ancestors as well as they themselves have hitherto served the Company honestly and faithfully, and who, as well as their ancestors, have been favored and overloaded with benefits by the Company on all occasions even above others, to such criminal steps; but that notwithstanding all this, the accusations that have been brought against them cannot remain uninvestigated, which is even necessary for their clearing before the public if they are innocent, and that this Government has therefore decided to have them asked whether they know themselves to be innocent and consequently desire that the accusations brought against them be investigated, or whether they desire to be included in the proclaimed General Pardon and consequently claim it, with the addition that this question is not put to them
Dutch transcription
540 toegezegd, wanneer hij in regten genoegdoende bewijst, zijne goederene beschuldigingen, dat na mentlijk de mahamodliaar van GGouverneurs porta Nikolaas Dias Abesinge, en andere in„ landsche Hoofden door hem genoemd, zouden zijn, de oorzaaken, zoo van den Jongsten opstand in de Ma tersche dessavonij als van de voorlduuring da van, en dus allen onder deeze expresse en bepaald voorwaarde, met aankondiging wijders, dat in„ dien hij aan deeze voorwaarde niet voldoet, tee gens hem zal worden geprocedeerd na de wette en plaknatten van den lande, speciaal na 't 3:e artikel van het advertissement van den 1:e Jul 1775. 't geen hem in de singaleesche taal zal moeten worden voorgeleezen Nog is verstaan, om na dat dit hem zal zin aangekondigd, hem door UE: fiskaal voorts te doen aanzeggen, dat hij nu nader ontbooden is, om te doen een volleedige deklaratie van de bij zondere en speciale fiiten, die hij heeft inte„ brengen teegens ien elk der voorsz: door hem beschuldigde inlandsche hoofden, en dat hij moet opgeeven niet alleen de naamen der getuigens, die hij heeft ten bewijze van elk point zij„ ner beschuldigingen, maar dat hij ook zal hebben optegeeven, wat een elk dezer getuigens, met betrekking tot een elk der door hem op„ tegeevene pointen, getuigen kan. Wijders is verstaan, dat zoodaa dit de klaratoir van hem zal zijn ingewonnen, dE: fiskaal voorn: van voorsz: sijne verrigtingen berigt zal moe„ ten doen aan deeze Regeering en daar nevens over„ leggen een Copij van voorsz: deklaratoir, ten einde daar op te erlangen de verdere dispositie van deeze vergadering: En zal van deeze resolutie worden Extrukt gegeeven aan den E: fiskaal, om te dienen tot zijn narigt en zig daar na te reguleeren, en daar nevens aan zijn E: worden ter hand gesteld, een Copij van de voorsz: olas, door Madoe„ godde appoe aan den Heer Commandeur sluijs„ ken geschreeven, waar bij hij aanneemd voorsz: zijne beschuldigingen te bewijzen, en een Copij van de hier boven gem: ola, door Commissideur sluijsken aan hem in den antwoord geschreeven; waar bij hem op de voorsz: voorwaarde uitwissing van mis„ daad is toegezegd. Jn agtinge genoomen zijnde, dat de beschuldigin„ gen door Madoegodde appoer en anderen gedaan, teegens de Materesche Modliaars Don Petrus Clangekoon, modliaar van de Attepasttoe, en eerste tolk van den Dessave Johannes Wijewardene Tirinekoon, Jaag en wijders Laaijmeester 541 Zaaijmeester van de Girewaij, Don Constan„ tijn Tillekeratne, gajenaik, Don Joean Goeneratne hoofd van de Belliganekoal, Don David de Saram, hoofd van de Gangebaddlepattoe, en de Mohandiram van de vier gravetten genaamt Bandarnaij ke, dat ze namentlijk souden zijn de oor zaaken van den Jongsten Materische opstand, hoe eer zoo beeter dienen te worden onderzogt, ten zij dat deeze inlandsche hoofden mogten reklameeren het generaal pardon, dat zon„ der uitzondering gegeeven is aan alle de ing zeetenen in de Materesche Dessavonij, die zig ter geleegendheid van den Jongsten Malere sche opstand hebben misdaedig gemaakt, Js goedgevonden en verstaan dat de Gaalsche bediendens zullen worden gelast, zoo als ze gelast worden door deezen, om zoodra deeze resolutie bij hun zal zijn ontvan„ gen, den dessave van Mature E: Rakel, en bij zijn absentie den luitenant Dessaa de E: van schuler aanteschrijven. 1. Om in presentie van twee leeden van den Land„ raad, bij zig aan huis te ontbieden de„ voorsz: hoofden, en hun aantezeggen dat ze worden beschuldigd van te zijn de oorzalke zoo van den Jongsten Matiaesen opstand, als van de voorduuring daer van, en dat deeze Regee„ ring hun te meer onbewimpeld van deeze beschuldiging doed informeeren, wijl ze niet bezeften kan, wat hun, die alle gesprooten zijn uit de eerste famielies van Ceilon, wiens voorvaderen, zoo wel als zij zelve, tot hier toe, de Comp:e eerlijk en getrouw gediend hebben, en die door de Comp:e zoo wel als hunne voorvaderen, bij alle gelee„ gendheeden zelfs boven andere zijn begunstigd en met weldaeden overlaaden, zoude hebben kunnen beweegen tot zulke misdaedige stappen, dog dat met dit alles de beschul„ digingen, die teegens hun zijn ingebragt„ niet kunnen blijven buiten onderzoek, 't geen zelfs nodig is tot hunne zuijvering voor 't publick, zoo ze onschuldig zijn,n dat deeze Regeering daarom beslooten heeft, om hun te doen afvraagen of ze zig onschul„ dig kennen en mits dien verlangen, dat de teegens hen ingebragte beschuldigingen worden onderzogt, dan wel of te begeeren te zijn begreepen in 't afgekondigde Generaal pardon„ en dat mids dien reklameeren, met bijvoeging dat deeze vraage niet aan hun word ge„ soo daen
English
done, not because this Government suspects or calls into doubt their uprightness and loyalty towards the Company, but solely because it has resolved to observe, and cause to be observed, sacredly and without making any infringement thereon, the General Pardon granted on account of what occurred in the Matara Dissavony, towards all those who claim it; and that consequently no legal investigation may be conducted against any inhabitants of the Matara Dissavony, of whatever state or condition they might be, without first putting this question to them; and that the same is put to them all the more because this Government considers that they would be offended if, without their expressly desiring it, one wished to include them in the aforesaid granted General Pardon, and by reason thereof omitted to investigate the accusations brought against them. 2. To cease immediately all further investigations against all such aforementioned native headmen who might claim the General Pardon. 3. To immediately cause to be further heard, before two members of the Matara Landraad, against those who declare themselves to be innocent and consequently not to require the General Pardon, both all those who have brought any accusation against them, and those whom these accusers have named as witnesses to the acts with which they charge these headmen; and likewise to cause to be heard before these two members of the Landraad all those who might further bring any accusation against these headmen, as well as their witnesses. Furthermore, it having been taken into consideration that the bookkeeper and second warehouse master at Galle, who serves as secretary of the Matara Landraad, besides this has more than enough duties in hearing and settling the pending complaints of the inhabitants, it is approved and understood that the Colombo first clerk of police, Gerrard Joan Sijbrands, shall serve as secretary to the above-mentioned Commission. And an extract of this resolution shall be sent Secret No. 64 Examined at Galle Peter G sent to the Galle officials, to serve for their information and to govern themselves accordingly, with orders to send a complete copy thereof to the Honorable Dissava or Lieutenant Dissava of Matara aforesaid, with orders likewise to let the same serve for his information and to govern himself accordingly. Thus resolved in the Castle of Colombo, day, month, and year aforesaid. Was signed: W: J: van de Graaff, D: T: Schetz; or Reyntous, B: L: van Vetter; and A: Samlant. Whereas the accusations made against the Matara native headmen by Madoegod de Appoe and others are of such a nature that they cannot be left uninvestigated, except in so far as the accused headmen might claim the General Pardon, which has been granted without exception to all inhabitants of the Matara Dissavonies who made themselves guilty of the recent rebellion, we have, at the session of the 27th of November last, taken such resolutions concerning this matter as appears more fully from the enclosed extract secret resolution, of which you must send a complete copy to the Lieutenant Dissava at Matara, the Honorable van Schuler, with orders to execute, and cause to be executed, our resolutions mentioned therein. To the Valiant, Prudent, and Discreet Mr. Sluijsken, Commander, together with the Council there. 543 Agrees Corn:s: Joh:an:n:s: Pdé First Clerk Sir Sro
Dutch transcription
542 daan, om dat deeze Regeering hunne bra heid en trouwe tegens de Comp:e verdenkt in twijffel trekt, maar alleen daar om, dat dezelve beslooten heeft het Generaal pardon, wegens 't voorgevallene in de Materesche Dessavonij gegeeven, heilig en z der daer op eenig inbreik te doen, naate„ koomen, en te doen nakoomen, omtrend all de geene die 't reklameeren, en dat 'er mits dien geen legaale onderzoek kan worden g daan teegens eenige ingezeetenen van de Ma teresche Dessavonij, van wat staat of aan ze zouden moogen weezen zonder voor af aan hun te doen deeze vraage, en dat de z ve te meer aan hun word gedaan, om dat deeze Regeering 't daer voor houd, dat 't hun zoude zijn beleedigd, indien men hun zonder, dat ze het expres begeere, begrijp wilde in 't voorsz: gegeeven generaal par„ don, en uit hoofde van dien naliet, om onderzoek te doen op de beschuldigingen teegen hun ingebragt. 2. Om teegens alle zulke uit de voorscha: in„ landsche hoofden, die 't Generaale pardon mog ten reklameeren, aanstonds alle verdere onderzoeken te staeken 3. Om tegens die geenen, die zeggen onschuldig te zijn, en mits dien 't Generaal pardon niet te behoeven, aanstonds voor twee leeden uit den matereschen landraad, nader te doen hooren zoo wel alle de geene, die teegens hun eenige beschuldiging hebben ingebragt, als de geene, die deeze beschuldigers hebben opgegeeven als getuigen van de feiten, die ze deeze hoofden ten laste leggen, en om insgelijks voor deeze twee leeden van den landaaad te doen hooren alle de geene, die verder nog eenige beschuldi¬ ging teegens deeze hoofden mogten inbrengen, zoo wel, als hunne getuigens. voorts in aanmerking genoomen zijnde, dat de boekhouder en tweede pakhuismeester te Gale„ die als sekretaris van de Matuaeesche Landraad fungeerd, buiten dien bezigheeden te over heeft, bij 't aanhooren en afdoen der onderhanden zijnde klagten van de ingezeetenen, is goedgevonden en verstaen dat Commissie zal bij de hier boven gem: fungeeren als sekretaris, de kolombosche eerste klerk van politie Gerrard Joan Sijbrands. En zal van deeze resol: worden extrakt om gezonden Sekreet No. 64 Nagezien be Gale Peter G gezonden aan de Gaalsche bediendens, om te dienen tot derzelver narigt en zig dat Aan Den Heer na te reguleeren, met last om daar van een volleedige Copij te zenden aan den E: dessave of luijtenant Dessave van Mar„ re voornoemd, met last om zig ook dezelve te laaten strekken tot narigt zig daer na te reguleeren. Aldus Geresolveerd in 't Kasteel Kolom „bo dage maand en Jaare voorsz: /: was„ „geteekend:/ W: J: van de Graaff, D: T: Schetz; of Reyntous, B: L: van Vetter; en A: Samlan wijl de beschuldiginge, die tegens de Matureesche Jnlandsche hoofde, door Madoegod de Appoe en anderen, zijn gedaan, van digaart zijn, dat te niet buijten onderzoek kunnen gelaaten worden, dan voor zoo verre de beschuldigde hoofden 't generaal pardon, dat zonder uitzondering gegeeven is aan alle ingezeetenen van de Matureesche Dessavonien die zich aan den Jongsten opstand hebben schuldig gemaakt, mogten reclameere, hebben we ter ses„ sie van den 27:' 9ber: J:o leeds, daaromtrent zoodanige besluijten genomen, als breeder blijkt bij 't inge„ sloote extrakt sekreete resolutie, waar van uE: een volleedig afschrift moeten kenden aan den luijtenant dessave te Mateere, de E van Schuler, met last om onse daar bij vermelde besluiten uittevoeren, en te doen uit voeren. Manhaften voorzienigen Diskreeten Sluijsken, Kommandeur, Nevens De Raad Aldaar. 543 Ackordeert Corn:s: Johianns: Pdé Jezerklerk Heer Sro
English
Herewith you must write to the said Honorable van Schuler, transmitting an extract hereof, ordering that, insofar as the aforementioned headmen declare that they do not desire to be included under the aforementioned general pardon, and that consequently the investigation ordered by us into the accusations brought against them must be carried out, he must choose for this purpose two members of the Landraad, who must conduct the entire investigation without substitution, and that he must prescribe to them to conduct this investigation in the following manner, namely: 1. That they must first hear the accusers who have accused such headman or headmen of having cooperated to cause the rebellion or to cause it to continue. That from the accusers who have made these accusations solely by an ola, report, or other private writing, they must take a formal declaration, wherein they must clearly state the facts, the persons who are guilty thereof, the circumstances where, when, and how committed, the persons or means used for that purpose, and the witnesses who have knowledge thereof. That such accusers who have been heard at Gale before two members of the Council need not give new declarations, but that the declarations which they executed at Gale must be read over to them, and that a record must be kept of this presentation, noting whether they persisted in the content of the presented declaration, and also any alterations they might desire to be made therein. 2. That they must subsequently hear the headmen against whom these accusations have been made, namely only such headmen who do not wish to be included under the general pardon, and that they must conduct this examination in the following manner, namely: To each headman, the facts laid to his charge must be presented one by one, without telling him who the accuser is, nor mentioning the names of those who were named by the accusers in the narrative of the case; on each fact in particular he must be asked what he has to say or remark upon it, and whatever he says, whether in his exculpation or to point out the falsehood of the accusation, must be clearly recorded. 3. That furthermore, all such persons as are named by the accusers in their declarations must be heard, with this distinction, however, namely: To those who were allegedly used by the headmen to write and deliver olas, to run errands, or to perform anything else, this must be specially presented and they must be asked what they have to say in response; if they deny it, a simple note must be made thereof, but if they confess it, they must then provide a declaration, detailing therein how the matter took place. To those who have been named by the accusers solely as witnesses who have knowledge of one fact or another, it must first only be told that they have been named by such accusers, mentioning their names, as witnesses who know that such headman or headmen, whose names must also be mentioned, cooperated in the recent rebellion, and that they are thus called to bear witness to the truth, with an admonition to state fearlessly what is known to them concerning it. Whatever they say in response must be written down, whether they speak of the incident itself of which the accusers stated they have knowledge, or of something else; however, in the latter case, that is, when they speak of something other than that of which they were supposed to have knowledge according to the statement of the accusers, the matter concerning which the accusers appealed to their testimony must be specially presented to them, and whatever they declare thereon must also be written down in the same declaration. 4. That if these witnesses in their declarations name still other people of whom the accusers did not speak, these further witnesses must likewise be heard in the same manner as prescribed in point 3. 5. That likewise, the witnesses whom the accused headmen might produce must be heard on such points as the headmen request that they may be heard upon. 6. That all depositions, declarations, and notes that are executed before the commissioned members of the Landraad in the manner aforesaid must be verified, and any alterations made upon verification must be noted therewith, and that herewith this commission must be considered finished, and the papers then sent to you for further delivery to us, without the commissioned members engaging in any confrontation whatsoever or against whomsoever it may be. For the rest, after greetings, we remain, underneath stood: Valiant, Prudent, Discreet, Your Good Friends, was signed: W. J. van de Graaff, J. Reintous, B. L. van Zitter, and A. Samlant. In the margin: Colombo, the 9th of December Anno 1791. Agrees: Cornelis Johannes Idé, Sworn Clerk Extract 13. The second warehouse master De Moor must for the present still be left at Mature; as long as he is there, he shall be a member of the Landraad of Mature and at the same time act as secretary of this Council. [illegible] his answer to the said ola, of which the copy also accompanies this, removed all doubt in this regard. Extract of a Missive dated the 7th of November 1790, written from Colombo to Gale. Agrees: Cornelis Johannes Idé No. 65
Dutch transcription
544 Hier bij moeten uE: gemelden E: van Schuler, onder toe zending van extrakt deezes, aanschrijven, om voo zoo verre de voortsw: hoofde verklaeren, dat ze niet begeeren onder 't voorsch: generaal pardon teworden begreepen, en dat mitsdien 't door ons bevoe onderzoek na de beschuldiginge; tegen hun inge„ bragt, gedaan moet worden, hij daar toe moet ver kiesen twee leeden van den land raad, die 't geheel on der zoek zonder verwisseling moeten doe, en dat hij hun moet voorschwijven, om dit onderzoek te do op de volgende wijse, naamelijk: 1: / dat ze eerst moeten hooren de beschuldigers, die zodanig hoofd of hoofden hebben beschuldigd, van meede gewerkt te hebben om de opstand te veroorzaeken, of te doen voortLuuren Dat ze van de beschuldigers, die deeze beschul diginge alleen bij een ola, relaas of ander onder„ handsch geschrift gedaan hebben, moeten afneem= de Klaratoir en behoorlijke forma, waar bij zij duidelijk moeten opgeeven de feite de perzoonen die daar aan schuldig zijn, de omstandigheeden waa wanneer en hoedanig begaan, de perzoonen of midde len daar toe gebruikt, en de getuige, die daar van kennis draege Dat zalke beschuldigers, die te Gale voor twee leden van den raad zijn gehoord, geen daklaratoiren op nien behoeve teverleenen, maar dat aan hun moeten voorgehouden worden de de Klaratoire, die ze te Gale gepasseerd hebben, en dat van deeze voor„ houding moet worden aanteekening gehouden waar bij moet worden aangeteekend, of zij bij den inhoud van de voorgehoudene de kleera„ toire hebben gepersisteerd, en ook de veranderingen die te mogten begeeren, dat daar in zullen ge„ maekt worden. 2. / Dat ze vervolgens moeten hooren de hoofden tegen wie deze beschuldiginge zijn gedaan, namelijk alleen zulke hoofde, die niet onder 't generaal pardon begreepen willen zijn, en dat ze dit verhoor moeten doen op de volgende wijse; teweete: Aan elk hoofd moeten een voor een worde voorge„ houden de feiten die hem ten laste zijn gelegd, zonder hem te zeggen wie de beschuldiger is, nog ook te noemen de naame van de geene, die door de beschul„ digert in 't verhaal van de zaak zijn opgenoemd: op elk dait in 't bijzonder moet hem worden gevraegd, wat sig daar op tezeggen of aantemerken heeft, en moet het geen lig zegd, het zy tot zijne veront„ schuldiging, of om de valkcheid der beschuldiging aantwijlen, duidelijk worden aangeteekend 3/ dat voorts moeten gehoord worden alle zulke pen„ zonen als door de beschuldigers in hunne dekla„ ratoiren zijn opgenoemd, met dit onderscheid woh„ tans; namelijk: moeten Aen 545 Aan de geene, die door de loofde zoude gebruikt zijn, om olas te schrijven en te bestellen, boodschappe te doe, of iets anders, te verrigten, moet dat spe„ ciaalijk voorgehouden en gevraegd worden, wat ze daar op te zeggen hebben! zoo ze het ontkennen moet daar van eenvoudig aanteekening ge„ houden worden maar zoo te het bekennen, moeten ze dan een de klaratoir verleeng, en daar bij om„ standig op geeven hoe de zaak zock tegedraegen heeft Aan de geene, die door de beschuldigen zijn opgegeeven alleen als getuigen, welke kenner hebben van 't een of ander feit, moet eerst eenelijk worden gezegd, dat ze door zodanige beschuldigen, de naam daar bij te„ noemen, zijn opgegeeven als getuigen, die weeten dat zodanig hoofd of hoofde, wier naeme daar bij moeten genoemd worden, meede gewerkt hebben aan ten Jongsten opstand, en dat zij dus geroepen zijn om getuigenis der waarheijd te geeve, met vermaening om onbeschroomd op te geeven wat hen daar van bekend is. Het geen ze daar op zeggen, moet worden opgeschreeven, het zij ze van 't geval zelve, waar van de beschuldigers hebben gezegd dat ze kennis draegen, of van iets anders spreeken; Doch in 't laatste geval, dat is wanneer ze van iets anders spreeken, dan van het geen ze volgens de op„ gaeve der beschuldigens kennis zoude draegen moet hen speciaal worden voorgehouden de zaak waaromtrent de beschuldigers zich op hun ge„ tuigen is hebben beroepen en het geen ke daar op verklaeren, moet meede bij dezelfde ver„ klaering worde opgeschrreven. 4: / dat indie deeze getuigen in hunne verklae„ vinge nog andere luiden opnoemen, waar van de be„ schuldigers niet gesproken hebben, deze nadere ge„ tuigen meede op dezelfde wijse moeten worden gehoord, als 13. voorgeschreeven is. ) dat insgelijks moeten worden gehoord de getuige, die de beschuldigde hoofde mogte opgeeven, op zulke poincten als zij hoofde verzoeken, dat zo gehoord moge worden. 9 dat alle verkaringen, de klaratoire en aantee„ keninge, die voor gekommitteerde landraeds„ leden, in voege voorsz: worden gepasseerd, moeten worden gerecolleerd, en de alteratie die bij recollement gemaekt worden, daar bij moeten worden aangeteekend, en dat hiermede deeze Kommissie moet gehouden worden voor g'eindigd, en de papieren dan uE: toege„ zoude, ter verdere bezorging aan ons, zonder dat de gekommitteerde leden zich moeten inlaats, om eenige konfrontatie hoe ge„ naamd, of tege wien het ook weesen mag tedoen. wij blijven voor het overige na groete /:onder„ stond:/ Manhafte voorzeenige Diskreten „tuigenis 45 UE: Goede vrienden /:was geteekend:/ W: J: v de Graaff, J: Reintous, B: L: van zitter, en A: Samlant /:in margine:/ Molembo den 9' December Ao. 1791. Atkordeert Corn:s Johann:s &dé Gezeerklerk 545 ertrakt deur heeft een n Hoofd van attoe, Don van wij de e Gestrenge 13. De tweede pakhuismeester de Moor moet nog voor eerst te Mature gelaaten deeze aante„ worden, zoo lang hij daar is, zal hij lidijkt niet on„ zijn van de Maturesche landraad, waar in zig en tevens fungeeren als sekretaris van dezen Raad. „de laaste vinden, of i de ge-eerde re generaa tand houden. het ons waar„ nderzoek :gezw: klerk aagd; De ia heeft in zijn antwoord op gedagte ola, waar van het afschrift meede deeze verzeld, gebragt alle twijffel hier omtrend uit den weg te gezeeklerk Gissive de 546 arij A:o 1791. Extract Missive Colombo ge„ de dato 7:' November 1790. van Kolombo na Gale geschreeven. Akkordeert. Corn:s: Johann: Idé ruijmen No. 65 „ 547
English
The undersigned Commander has received an ola from the Mohandiram and Head of the Mature Kandebaddepattoe, Don Simon, of which we take the liberty of presenting a copy herewith to Your Noble, Rigorous, Most Honorable: From the said ola it appears not unclearly the uncertainty in which some inhabitants who participated in the last revolt find themselves, as to whether the general pardon so favorably granted to them by the esteemed Government of Ceylon will hold good forever; to which uncertainty, as seems probable to us, the investigation and conduct in this matter by the sworn clerk Fijbrands contributes not a little. The undersigned Commander has, in his answer to the thought ola, a copy of which also accompanies this, managed to remove all doubt on this matter; and we heartily hope and wish that rest and peace in these lands may remain steadfast. Extract of a letter dated 12 January Anno 1791, written from Galle to Colombo. Examined Thoms Sires No. 66 We can hardly understand how the investigation that is being conducted at Mature in accordance with our secret letter of 9 December last can arouse the least doubt among any inhabitants who took part in the last revolt as to whether the general pardon granted on that account will hold good forever, as you maintain in your letter of the 12th of this month, seeing that on various occasions we have declared, and even before this investigation began have given clear proof, that it is our intention to observe the granted pardon safely and inviolate. If, nevertheless, you judge that the continuation of the aforesaid investigation may more or less unrest the inhabitants, and consequently could have some disagreeable results, we hereby authorize you to write to the Lieutenant Dessave of Schulea that he must cause this investigation to be broken off in the most fitting manner, and the first clerk Eijbrands must then return hither as speedily as possible. We do not know how we are to understand your remark in your aforesaid letter that the investigation and conduct in this matter of the first sworn clerk Drijbrands contributes not a little to the uncertainty in which the inhabitants waste away concerning the general pardon. The conducting of this investigation was not entrusted to him, but to two members of the Landraad. We therefore await your further explanation on that matter. Agreed Corns: Johanns: Felé sworn clerk Extract of a letter dated 15 January 1791, written from Colombo to Galle. Colombo Native Department Examined Feetz. No: 68 To the Noble, Rigorous, Most Honorable Lord Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of Netherlands India, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, alongside the Council. Noble, Rigorous, Most Honorable, High Governing Lord. In respectful reply to Your Noble, Rigorous, Most Honorable's esteemed letter of the 15th of this month, we most respectfully serve that if one assumes, as the ola written by Don Simon Mohandiram to the undersigned Commander and presented to Your Noble, Rigorous, Most Honorable by letter of the 12th of this month not unclearly demonstrates, that some inhabitants are in doubt as to whether the granted general pardon will hold good, which uncertainty and doubt we believe must be attributed primarily to the arresting, sending up to Colombo, and keeping imprisoned there of Madoegodde Appoe and Baddewokke Arraatje, to whom, besides the general pardon, yet a second pardon was given on condition that they would disclose and prove everything, as it is generally assumed that they have done as much as was permitted to them; one may, in our humble view, also well suppose that the investigation currently being conducted at Mature adds not a little fuel to this fear, since the same, by appearances, can hardly lead to discovering whether the accused Chiefs are truly guilty or not, because as long as these Chiefs remain in their full prestige and power and are not arrested or suspended, as has taken place elsewhere, it is very natural that they can persuade hundreds of the inhabitants, whom they are supposed once to have brought into a revolt, to testify in their favor. This investigation was thus not perceived among the inhabitants as certainly was the intention of the Government of Ceylon. The arrival of a first sworn clerk, with a separate and express interpreter brought along, and followed by the Governor's native lascars, of whom the accused Maha Mudaliyar is Chief or Commandant, directly from Colombo to Mature, whereas in this Commandement, as we trust, there are sufficient irreproachable and faithful people and thus this mission offends the trust of the Galle servants not a little, and which first sworn clerk, as rumor has it, directs or manages this entire investigation according to his judgment, certainly gives not a little reflection among the community; and who knows, or at least would it not be possible, whether one does not even assume that these Chiefs, for the sake of the brought [...]
Dutch transcription
545 De ondergetekende kommandeur heeft een Ola van den Mohandiaam en Hoofd van de Maturesche kandebaddepattoe, Don Simon, ontvangen, waar van wij de vrijheid neemen uw weledele Gestrenge Groot achtb: het afschrift bij deeze aante„ bieden: Bij gemelde ola blijkt niet on„ duidelijk de onzeekerheid, waar in zig eenige Ingezeetenen, die aan de laaste opstand deel gehad hebben, bevinden, of wel het hun zoo gunstig door de ge-eerde Ceilonsche Regeering gegeevene generaa le Pardon voor altoos zal stand houden„ tot welke onzeekerheid, gelijk het ons waar„ „schijnelijk voorkomt, het onderzoek en gedrag in deeze van den E: gezw: klerk Fijbrands niet wijnig toedraagd; De ondergetekende kommandeur heeft in zijn antwoord op gedagte ola, waar van het afschrift meede deeze verzeld, gebragt alle twijffel hier omtrend uit den weg te Extrakt Missive de dato 12:e Januarij A:o 1791. van Gale na Kolombo ge„ „schreevens. ruijmen 547 547 548 ruijmen; en wij hoopen en wenschen ha„ telijk, dat de rust en vreede in deeze landen moogen bestand blijven. i, hoe het on„ Mreeten brief Mature isseling aan „den laat„ 1, kan gegeeven oos zal sustineeren deezer, ver„ rendheeden dat dit onder vijs gegeeven tis, om 't geschonden tans oordeelen dat 't voortzetten, van voorsz: onder„ zoek de ingezeetenen min of meer kan„ Extraht Jissive de arij 1791. naar Gale Akkordeerd Corns: Jolianns: &dé gezeeklerk ontrusten e 547 548 Nagezien Thoms Sires No. 66 We kunnen nauwlijks begrijpen, hoe het on„ verzoek, dat volgens onzen sekreeten brief van den 9:e December J:ol: te Mature word gedaan de minste twijffeling aan eenige ingezeetenen, die aan den laat„ sten opstand veel gehad hebben, kan verwekken of 't derwegens gegeeven Generaal pardon voor althoos zal stand houden, gelijk UE: dat sustineeren bij uwen brief van den 12:e deezer, ver„ mits we bij verscheide gelegendheeden verklaard, en zelfs voor dat dit onder zoek begon een duidelijk bewijs gegeeven, hebben, dat het onze lintentie is, om 't gegeeven pardon vijlig en ongeschonden na tekoomen, zoo uE: nogtans oordeelen dat 't voortzetten, van voorsz: onder„ zoek de ingezeatenen min of meer kan Extrakt Missive de dato 15:e Januarij 1791. van kolombo naar Gale geschreeven. ontrusten - „ 547 ontrusten en mitsdien eenige onaan „genaame gevolge zoude kunnen heb„ ben, qualificeeren wij uE: door deeze om den Luitenant Dessave van schu„ lea aanteschrijven, dat hij dit onderzoek op de welvoeglijkste weijze moet doen afbreeken, en moet als dan de eerste klerk Eijbrands ten spoedigsten herwal terug koomens. wij weeten niet hoe we verstaan moeten uwE: aanmerking bij voorsz: uwen brief dat tot de onzeekerheid, waar in de inge„ zeetenen omtrend het generaal pardon verteeren, het onderzoek en gedrag in deeze van den eersten gezw: klerk Drij brands niet wijnig toedraagd. Het doen van dit onderzoek is niet aan hem, na aan twee leeden van den Landraad op „gedragen. Wij verwagten derhalven daar omtrend uE: nadere verklaaring. P. Akkordeerd Corns. Johanns: Felé gezeeklerk e „ Kolombo Inlandsch Departement Nagezien Feetz. No: 68 Aan den weledelen Gestrengen Groot achtb: Heer e Willem Jacob van de Graaff, Raad ordinair van Nederlandsch India, Gouverneur en Dierekteur van het Eiland Ceilon, met dies onder„ horigheeden Nevens den Raad. Weledele, Gestrenge, Groot achtbaare Hoog gebiedende Heer. In eerbiedige antwoord op uw wel edele Gestrenge Groot achtb: g'eerde brief van den 15:e deezer dienen wij eerbiedigst dat in„ dien men aanneemt, gelijk de door Don„ Simon Mohandiram aan de ondergete„ kende kommandeur geschreevene en uw weledele Gestr: Groot achtb: bij brief van den 12:e deezer aangeboodene ola niet ondindelijk aantoond, dat eenige in„ „gezeetenen in twijffel zijn of wel het ge„ „geeve Generaal pardon zal stand houden, welke 545 550 welke onzeekerheid en twijffel /: vermeenen wij :/ voornamentlijk te moeten toeschrijven aan het arresteeren, opzenden na Kolombo en gevangen houden aldaar van Madoe„ „godde Appoe en Baddewokke Arraatje waar aan buiten het generaal pardon nog een tweede pardon gegeeven is; onder voorwaarde dat ze alles zouden opgeeve en bewijsen gelijk het algemeen veron„ dersteld dat zij, zoo veel hun toegelaaten is, hebben gedaan; mag men na ons nedrig inzien ook wel veronderstellen dat het onderzoek, dat thans te Matur gedaan word, niet weinig voedzel aan deeze vreeze toebrengt„ aangezien het„ zelve, na den aanschijn bij na onmo„ „gelijk daar heen kan lijden om te ondervinden, of de beschuldigde Hoof„ den werkelijk schuldig zijn dan niet, wijl zoo lange deeze Hoofden in hun volle aanzien en vermoogen blijven en niet, gelijk bij andere plaats heeft gehad gearristeerd of gesuspendeerd worden, het zeer natuurlijk is, dat zij honderden der Ingezeetenen /:die zij verondersteld eens, tot een oproer ge„ „bragt hebben:/ kunnen persuadeeren om in hun voordeel te getuigens. Dit onderzoek werd dus bij de ingezeetenen niet aangenoomen gelijk zeekerlijk de intentie van de Ceilousche Regeering ge„ weest is. De komst van een eerst ge„ zwoore klerk, met een afzonderlijke en expresse meede gebragte tolk, en gevolgd van 's Gouverneurs quaade laskorijns, waar van de beschuldigde Mahamodliaar Chef of Kommandant is, dierekt van Kolombo te Mature, terwijl in dit kommandement ge„ lijk wij vertrouwen genoegzaame onbesprooke en getrouwe lieden zijn en dus deeze zending niet weinig het vertrouwen der Gaalsche Dienaaren krenkt, en welke eerste gezwoore keerk, gelijk het gerugt zegt, dit geheele onderzoek na zijn oordeel heid of be„ steerd, geeft zeeker niet wijnig nadeu„ king bij de gemeente; en wie weet of ten minsten zoude het niet mogelijk zijn! of men niet zelfs verondersteld dat deeze Hoofden, om de wille van de „bragt vermaag
English
551 relationship with the Mahamudaliyar Nicolaas Dias, who, whether one accepts the depositions or even calls them into doubt, is also guilty, are protected, and that the first sworn clerk was sent to assist them: this supposition would certainly be absurd and entirely contrary to the intention, yet among an uncivilized and credulous people, like the common Sinhalese who are not endowed with far-reaching faculty of judgment, it might well be acceptable and possible. Subject to wiser judgment, we repeat once again with all respect that we cannot believe that we may assure ourselves that the recommended inquiry, as long as the Headmen remain in their power and prestige, will reveal the truth to us; whether, however, this inquiry must be suspended, we leave to the honored disposition of your Right Honorable, Highly Esteemed, and Venerable, because we have unfortunately experienced that our decisions have now and then drawn his highest displeasure upon ourselves, and because this matter also otherwise does not require so much haste now that we could not first receive the pleasure of your Right Honorable, Highly Esteemed, and Venerable upon it. We are all the more compelled to resolve upon this because we may have no knowledge of the state of this inquiry: to our issued written order to Matara to send us a concise report of the essential state of this inquiry, the Lieutenant Dessave van Schuler replies to us that one cannot send such a report, because the inquiry would thereby be delayed, and further that some time would still elapse with the copying thereof. Upon this we wrote again to Matara that they should send us without delay all documents and papers just as they were. To this they answer again that the papers cannot be copied so quickly, and 552 and that the Honorable Fijbrands cannot surrender the minute drafts, whereby, contrary to the intention of the honored Ceylon Government, this commission would come to a complete standstill. Upon this we ordered Matara once more to send the papers hither at once and under penalty of disobedience, directing the Honorable Lieutenant Dessave, just as was clearly stated by your Right Honorable, Highly Esteemed, and Venerable in the letter of the 15th of this month, that the inquiry was not assigned to the first sworn clerk Fijbrands, but indeed to two Landraad Members, for which reason he, since the Honorable De Moor has other duties, as appears from the Resolution of your Right Honorable, Highly Esteemed, and Venerable of 27 November of last year, serves only as secretary to this commission: to this written instruction of ours, the Honorable van Schuler writes to us that the Honorable Fijbrands will not surrender the minutes of his papers, but will surrender copies, which however cannot be made because the clerks have other work. The Honorable van Schuler further notes in his letter that the Honorable Fijbrands will have to account for his conduct to the main office at Colombo, just as your Right Honorable, Highly Esteemed, and Venerable will please observe these matters from the accompanying copy of the letter from the Honorable van Schuler. We cannot and may not suppose that the Honorable Fijbrands was ordered by your Right Honorable, Highly Esteemed, and Venerable to maintain such conduct, because, this being so, one would also have to conclude that not the Landraad Members of Matara, but indeed the Honorable Fijbrands directs the commission; and since, according to the further letter of your Right Honorable, Highly Esteemed, and Venerable of the 15th of this month, the execution of this inquiry was assigned not to him, but to two members of the Landraad, and thus the papers of this commission, to which he is consequently only secretary, must rest under the responsibility of the Landraad Members, and not of him, the secretary; and since the Landraad Members may not refuse to deliver these papers to the commander of Matara for delivery to the Galle Government, who are their lawful superiors, we take the liberty to bring this conduct to the attention of your Right Honorable, Highly Esteemed, and Venerable, with a respectful request to please inform us whether the Honorable Fijbrands has not overstepped his bounds in this matter and assumed an authority that befits no commissioners, and even less the secretary, and whereby we have also been rendered unable to judge the state of this inquiry. Furthermore, we request to be honored with the approval of your Right Honorable, Highly Esteemed, and Venerable regarding the aforementioned inquiry. While we have the honor to be, with all sentiments of high esteem, was signed below: Right Honorable, Highly Esteemed, High-Commanding Lord! Your Right Honorable, Highly Esteemed, and Venerable humble servants, was signed: P. Sluijsken, J. L. Schorer, M. van der Spar, A. E. de Lij, C. C. B. van Albedijhl. In the margin: Galle, 20 January 1791. Agreed. Cornelis Johannes Idé, sworn clerk. No. 69 Extract of a letter written from Colombo to Galle, dated 27 March 1791. Our order given by secret letter of 8 February last, to have the papers of the conducted inquiries at Galle and Matara relating to actions in the recent disturbances sealed and stored away in the secret chest, relates solely to papers of the inquiries into such actions of the headmen and inhabitants whereby they made themselves guilty in the recent disturbances against the Company, as Lord of the land, because it is only these actions that we promised in the recently published pardon would be forgiven and forgotten; but the complaints of the people against the headmen, or against whomever else it may be, concerning personal wrongs, are not included therein, and thus the papers of the inquiries conducted into these complaints did not need to be sealed. You are therefore free to use the papers of 554
Dutch transcription
551 vermaagschapping met de Mahamode aar Nicolaas Dias, die zoo men het gedeposeerde aanneemt, of zelfs in twijffel trekt, meede schuldig is, geprote „geerd zijn, en dat de eerst gezw: klerk gezonden is om hun te regt te helpen: Deeze veronderstelling zoude zeekerlijk absurt en geheel strijdig tegen het oog„ merk, egter bij een onbeschaaft en ligt geloovig volk, gelijk de gemeene sin„ „galeesen die met gem verreziende beoordeelings vraagt begaaft zijn, wel„ aannemlijk en mooglijk zijn. Met onderwerping aan wijzer gevoelen, herhaalen wij met alle eerbied nog eens dat wij niet kunnen gelooven, dat wij ons moogen, verzeekeren dat het aanbevoolen onderzoek, zoo lange de Hoofden in hun vermogen en aanzien blijven, ons de waarheid zal ontdekken, of egter dit onderzoek moet gestaakt worden laaten wij aan uw weledele Gestr: Groot achtb: g'eerde disposietsie over, wijl wij ongeluklijk ondervonden hebben dat onze besluiten nu en dan Hoogst deszelfs misnoegen hebben wa zig getrokken en wijl deeze zaak ook sunst nu zo veel haast niet vereischt dat wij daar op niet eerst uw weledele Gestrenge Groot achtb: welbehagen zoude kunnen ontvangen. wij zijn temeer genoodzaakt hier toe te besluiten wijl wij van de gesteldheid van dit onderzoek geen kennis moogen hebben: op onze gedaane aanschrijving na Mature om ons een beknopt be„ „richt toetezenden van de wesentlijke gesteldheid van dit onderzoek antwoord ons de Luitenant Dessave van schu„ ler dat men een diergelijken bericht niet kan zenden, wijl daar door dit onderzoek zoude opgehouden werden, voorts dat met het nopieeren daar van nog eenige tijd zoude verloopen. wij schreeven hier op weeder na Mature dat men ons zonder uitstel zoude toe„ senden alle stukken en papieren zoo als ze waaren. Men antwoord hier op alweeder, dat de papieren zoo spoe„ „dig niet kunnen gekopieerd worden, nu en 552 en dat DE: Fijbrands de minuten niet kan afgeeven waar door tegens de inte sie van de g'eerde Ceilonsche Regeering deeze kommissie in zijn geheel zoude stil staan. wij gelasteden hier op nog maals na Mature om de papieren t eersten en op peene van ongehoorzaam heid herwaards te zenden, den E: duite vant Dessave aanschrijvende, gelijk door uw weledele Gestr: Groot achtb bij brief van den 15. e deezer duidelijk word gezegd, dat het onderzoek niet is opgedragen aan den eerst gezwoor klerk Fijbrands maar wel aan twee Landraads Leeden, waarom hij dus, wijl de E: De hoor ander bezigheeden heeft, blijkens uw wel Edele Gestr: Groot achtb: Resoluu sie van den 27:e November a:o pa bij deeze kommissie maar als per nnvoerder diend: op deeze onze aan „schrijving schrijft ons de E: van schu„ lea dat DE: Fijbrands de minute zijner papieren niet wil afgeeven, maar wel afschriften, die egter niet kunnen gemaakt worden, wijl de schriben„ ten andere werk hebben. DE: van schuler merkt voorts bij zijn brief aan dat de E: Eijbrands van zijn gedrag aan het hoofd kantooe kolombo zal moeten verant„ woording doen, gelijk uw weledele Gestr: Groot achtb: dit een en ander uit het ne„ vensgaande afschrift van des E: van schulers brief zal gelieven te ontwaaren, Wij kunnen en moogen niet veronder„ stellen dat de E: Fijbrands door uw wel edele Gestr: Groot achtb: gelast is, om een dier gelijken gedrag te houden, wijl men, dit zo zijnde, meede zoude moeten op„ maaken, dat niet de Land Raads Leeden„ van Mature, maar wel D E: Eijbrands de kommissie bestierd: en wijl volgens uw weledele Gestr: Groot achtb: nadere brief van den 15:e deezer het doen van dit onderzoek, niet aan hem maar aan twee leeden van den Landraad opgedra„ „gen is, en dus de papieren van deeze kommissie waar bij hij bij gevolg slegts pennevoerder is, onder de verantwoor„ kunnen „ding 553 nagesien. ding van de Land Raads leeden, en niet hem pennevoerder moet berusten, en deer Landaaads leeden niet moogen wijgere deeze papieren aan den gebieder van Mature ter bezorging aan de Gaalsche Regeering die hun wettige superieur te laaten volgen zoo neemen wij de vrijheid uw weledele Gestr: Groot achtb het gedrag in deeze onder het oog te bren„ met eerbiedig verzoek ons te willen onderrigten of DE: E ijbrands zich in deeze niet te buite heeft gegaan en z een authoriteit heeft aangematigd die geen kommissarissen, zelfs na minder den pennevoerder passen, en waar door wij dan ook binten staa zijn gesteld, over de gesteldheid van dit onderzoek te kunnen oordeelen. voorts verzoeken wij, nopens het voorschreeve onderzoek met uw welEdele Gestr: Groot achtb: goed vinden temogen vereerd worden. terwijl wij de eere hebben met alle gevoelens van hoogachting te zijn. /:onderston weledele Gestrenge, Groot achtb:, Hoog gebiedende Heer! uw weledele Gestr: Groot achtb: onderdaanige Dienaaren /:was getekend:/ P: Sluijsken, J: L: Schide„ M: van der Spar, A: E: delij, C: C: B: van Albedijhl /:in margine Gale den 20:e Januarij 1791. Akkordeerd Corns Joliann: Idé gezeuklerk wel Terspall No. 69 onze gegevene order bij sekreete brief van den 8: febr: J:o Leeden, om de papieren van de ge„ doene onderzoeken te Gale en nature, be„ trekking hebbende tot bedrijven in de Jongste onlusten, te laeten verzegelen en wegleggen in de sekreete kas, heeft alleen betrek„ king tot papieren van de onderzoeken van zulke bedrijven van de hoofden en ingezeetenen, waar door ze zig in de Jons„ te onlusten schuldig hebben gemaekt te„ gen de comp:, als Heere van den lande, wijl 't alleen deeze beduijven zijn, die we bij 't Jongst gepubliceerde pardon: hebben beloofd, dat vergeeven en vergeeten zullen zijn; maar de klagten van 't volk tegen de hoofden, of tegen wien 't ook an„ ders zijn moge, over perzoneel veronge„ lijkingen, zijn daar onder niet begreepen en hadden dus ook de papieren van de gedaene onderzoeken na deeze klagten, net behoeven verzegeld te worden. Het staet uE: derhalven vrij, om de papieren 27. ' Maart A. o 1791. van kolombo na Gale geschreven Extrakt Missive van den van 554