VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3922

Ceylon · 499 pages · 177 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3922_0363 view scan ↗

English

920 excused from this, because they had received these ten barrels of butter unopened and weighed only gross, which statement is also confirmed by the note on the Cochin bill of lading. Nevertheless, we will obtain the necessary statements from the ship's officers, as well as from the commander of the lighter vessel with which this butter was brought ashore at Gale, and from the dispensary master at Gale, in order to be certain that neither during the shipment at Cochin, nor while it was on board the ship, nor during the unloading at Gale, nor after this butter had already been brought into the Gale dispensary, was any fraud committed thereon. We send Your Honours the aforementioned statements in original herewith, with all the further papers speaking thereof, so that the further investigation regarding this can be conducted there. We have had the aforementioned mixture thrown away without otherwise having taken any resolution in this matter. To the same as before. We have duly received Your Honours' esteemed dispatches of 30 June, 6 July, and 8 August last, and the letters sent therewith for the Honourable Ordinary Councillor van Angelbeek have been properly delivered to His Honour. Herewith we transmit to Your Honours the Cape invoice of the garden seeds, which were brought with the ship De Gouverneur Generaal Mossel for Malabar, and two pay notes of 2 May and 8 August last, besides the three pay accounts mentioned therein. We add here also a letter packet for the Ministers at Surat, for which we request further transport. Remaining otherwise, after friendly greetings, underneath, as before, was signed: W. J. van de Graaff, M. P. Raket, C. van Angelbeek, J. Reintous, B. L. van Zitter, A. Samlant, and J. A. Vollenhove. In the margin: Colombo, 21 July Anno 1791. Lower: P.S. Herewith goes also a letter from the Honourable Ordinary Councillor van Angelbeek addressed to Your Honours. 921 To the same as before. Remaining otherwise, after friendly greetings, underneath: Honourable, Valiant, Prudent, Discreet, Your Honours' Willing Friends and Servants, was signed: W. J. van de Graaff, M. P. Raket, B. L. van Zitter, A. Samlant, and J. A. Vollenhove. In the margin: Colombo, 13 September 1791. We have duly received Your Honours' esteemed dispatches of 10 and 16 September last; as soon as we have disposed of the received reports concerning the Frisian butter sent with the ship Demerary, we shall give Your Honours notice thereof. The English ship Surat Castle could not make the bay of Gale, and consequently the troops sent therewith, for which we kindly thank Your Honours, were disembarked into the galiots; but the lamp oil sent therewith the Captain of the said ship took upon himself to sell in Bengal and to render account thereof to Your Honours, as appears by the enclosed copy of a letter written by him to the Gale Commander. Because we are at a great loss for cartridge paper, we request Your Honours, in reduction of the quantity demanded, to kindly send for the present 200 reams, or at least 100 reams, either by sea to Cape Comorin, or by land directly to Tuticorin for further conveyance to us. The Gentlemen Majors have promoted the gunner's mate François Christiaan van Spall to junior merchant, of which the act goes herewith, accompanied by the duplicate of our latest letter of 13 September, and a letter from the Orphan Masters at Gale to the Orphan Masters at Cochin. Remaining otherwise, after friendly greetings, underneath: Honorable, Pious, Discreet, Your Honours' Servants and Friends, was signed: W. J. van de Graaff, M. P. Raket, D. C. von Dubeirg, B. L. van Zitter, A. Samlant. In the margin: Colombo, 2 October Anno 1791. Lower: P.S. Herewith goes an invoice amounting to ƒ 595: 9. 922 To the same as before. We direct this solely to accompany the annexed papers, consisting of: An invoice amounting to ƒ 1109. 1. —. A memorandum amounting to ƒ 22. 5. 8. A pay note of 12 October last, and A letter from the Gale Orphan Masters to the Orphan Masters at Cochin, to which is also added the duplicate of our letter of 2 October last. Remaining otherwise, after friendly greetings, underneath: as before, was signed: W. J. van de Graaff, M. P. Raket, C. van Angelbeek, B. L. van Zitter, and A. Samlant. In the margin: Colombo, 5 November Anno 1791. To the same as before. The packet boat De Star and the scout vessel De Verwagting are now departing thither. In accordance with the plan of Their High Mightinesses' Commissioners, the Gentlemen Vaillant, Verhuell, and Gravestein, to send annually a detachment of the Ceylon troops to Cochin to remain detached there during the good monsoon, we have resolved to send thither two companies of European and two companies of Eastern infantry. In consequence thereof, distributed now across the aforementioned two vessels, go the companies of Easterners of Captains Wiera Mangala and Sassaro Wijjoijo, the first commanded by Lieutenant Johan Emanuel Vleeming and the latter by Ensign Louis Bove. The rolls of these men, on which their pay and weapons are also stated, go herewith, and half a month's rations for the voyage have been provided here for their benefit. The two companies of Europeans will follow at an upcoming opportunity. Herewith Your Honours receive the bills of lading of the cargo in the aforementioned two vessels, together with four Colombo and one Tuticorin expense accounts.

Dutch transcription

920 over verschoond, dat se deese tien var„ „ten booter ongeopend en alleen brito toegewoogen hadden ontvangen welke betuiging ook bevestigd word met de aanteekening bij het Rosiemsche kognossement Niet lemin hebben we zoo wel van de scheeps officieren, als van den gezag„ „hebber van het los vaartuig waar„ „meede deese booter te gale aan de wal gebragt is en van den dispen„ cier te Gale de noodige verklarin„ „gen daer inwinnen om verzeekerd te kunnen zijn dat nog bij den af„ scheep te koetsiem nog geduurende dat deselve aan boort van het schip was geweest dan wel bij de ontlossing te Gale, of na dat deese booter reeds Aan als vooren in het Galsch dispens was gebragt, daar aan eenig bedrog is gepleegd. Wij zenden u Edelens de voorschreeve verklaeringen in origineel hierne„ vens met alle de verdere papieren hier van spreekende op dat aldaar derweegens het verder onderzoek ka gedaan worden. Het voorsz: inneng„ zel hebben we laeten wegwerpen zou„ „der voor het overige in deeze zaek te hebben genoomen eenige disposi„ Wij hebben uwer Edelens g'achte mis„ sives van den 30. ' Juni, 6. ' Julij en 8. e Augustus Jleeden wel ontvangen, in de daar nevens toegezonden brie„ ven voor den Edelen heer Raad ordi„ nair van Angelbeek zijn aan zijn Edele behoorlijk besteld. Hiernevens laaten we uw Edelens toe„ koomen de kaabsche factuur van de tuin zaaden, die met 't schip de Gouverneur Generaal Mossel voor de Mallabaar zijn aangebragt, en twee Wij voegen hier nog bij een bij een brief paket voor de Ministers te souratta„ waar voor wij verder transport ver„ zoeken Wij blijven voor het overige na vriende„ lijke groete /onderstond / als vooren/ /was geteekend/ W: J: van de Graaff M: P: Raket, C: van Angelbeek, J: Reintous, B: L: van Zitter, A: Saurlant; en J: A: vollenhove Cirmar„ gine/ Kolombo den 21. Julij A:o 1791. /Laager / P:S:/ Wiernevens gaat nog een brief van den Edelen Heer raad ordinair van Angelbeek aan uw Ed:s gerigt. Zoldij „tie 921 Aan als vooren zoldij Notities van den 2. e Meij en 8. ' Augustus J:L: nevens de daar bij ver„ melde drie zoldij zeekeningen Wij blijven voor 't overige na vriendelij„ „ke groete /onderstond/ E: Manhaften, voorzienigen Deskreeten uw Edelens Dienstwillige vriend en Dienaaren /was geteekend/ W: J: van de Graaff„ M: P: Raket, B: L: van Zitter, A: Somlant en J: A: vollenhove (inmar„ September gene/ Kolombo den 13. e Auxvear 1791. Wij hebben uE: g'achte missives van den 10. ' en 16. ' 7ber: J:oLeeden wel ontvangen, zoodra wij over de ontvangene berichten, nopens de gezondene vriese boter met 't schip Demerarie, hebben gedisponeerd zullen wij uE: daar van kennis geeven. Het Engelsch schip Surat Castle heeft de baaij van Gale niet kunnen be„ zeijlen, en zijn mits dien de daarmee„ „de gezondene troupes, waar voor wij uE: vriendelijk bedanken, in de gal„ „jets ontscheept; doch de daarmeede gezondene lampolij heeft de Capitain van gem: schip aangenoomen in Ben gale te verkoopen en daar van reekenschap aan uE te doen, zoo als dat blijkt bij 't ingeslooten afschrift van een brief, door hem den den heer Gaalsch Commandeur geschreeven Vermits wij zeer verleegen zijn om pat„ „troon papier, verzoeken wij uE: om in mindering van de door d ge„ eijschte quantiteit, voor eerst 200: riemen, of ten minsten 100. riemen het zij over zee na de kaal kommo zijn, dan wel te lande direct na Jutukorijn te willen zenden ter verdere bezorging aan ons. De heeren Majores hebben den Constabel„ smaat francois Christiaan van spall tot onderkoopman bevorderd waar van de acte hier nevens gaat, verzeld van het duplicaat van onzen Jongsten brief van den 13. ' zeptember, en een brief van weesmeesteren te Gale aan de weesmeesteren â Costi Wij blijven voor 't overige na vriendelij„ ke groete /onderstond/ Eerzaeme vroome Diskreete Uw E: Dienste: vrienden /was geteekend/ W: J: van de Graaff, M: P: Raket, D: C: von Du„ berg, B: L: van Litter A: Samlant, reekenschap /inmaegind: aendersond 922 Aan als vooren. Aan als vooren /onderstond /in margine/ Kolombo den 2. ' october A:o 1791. / Laager/ P: S:/ Wier„ nevens gaat een factuur groot ƒ 595: 9. Wij regten deezen eenelijk ten geleijde van de nevens gaande papieren, bestaande in Een factuur groot ƒ1109. 1. —. Een Memorie groot ƒ 22. 5. 8. Een zoldij notitie van den 12. ' october J:2:en Een brief van de Gaalsche weesmeesteren aan de weesmeesteren â Costi„ waar bij nog gevoegd is 't duplicaat van onzen brief van den 2. ' october J Leeden Wij blijven voor 't overige na vriendelij„ „ke groete /onderstond/ als voorens /was„ geteekend/ W: J: van de Graaff, M: S: Raket, C: van Angelbeek, B: L: van Zitter, en A: Samlant, /inmargine/ Kolombe den 5. ' November A:o 1791. — De paket boot de star en 't schaalschip de verwagting vertrekken tans na derwaards over eenkomstig het plan van Hunne Hoog Mogenden Commissarissen, de Heeren vaillant, verhuell en Grave„ stein, om jaarlijks een detachement van de Ceilonsche troupes na koetsien te zenden, om geduurende de goede mousson aldaar gedetacheerd te blijven hebben we beslooten twee Compenrien Eu„ ropeesche en twee Comp: oosteische infanterij derwaards te zenden. Jn„ gevolge van dien gaan tans, over de voorsz: twee vaartuigen verdeeld, de Comp: oosterlingen van de Capi„ tains wiera Mangala en Sassaro wijjoijo, gecommandeerd de eerste door den luitenant Johan Emanuel vlaaming en de laatste door de vaandrig Louis Bove. De naam„ „lijsten van deeze manschappen, waarbij ook hun genot en wapenen bekend staan, gaan hiernevens, 23 is ten behoeve van dezelve alhier een half maand randzoen voor de rijze verstrekt. De twee Com„ „penien Europeeschen zullen bij eene nadere geleegentheid volgen. Hiernevens bekoomen uE: de Cognos„ sementen van 't gelaadene in voorm twee vaartuigen, nevens vier ko„ lombosche en een Tutukorijnsche Heeren onkostreekeningen

NL-HaNA_1.04.02_3922_0366 view scan ↗

English

To as before. Expense accounts of the aforesaid packet boat, all in duplicate. We are in great need of the following timber for our shipyard, namely: 150 pieces of teak planks of 2.1/2 inches 158 ditto of 2 ditto 100 ditto of 1 ditto, and 6 pieces of teak beams of 30 to 36 feet long, 16 to 18 inches thick; wherefore we kindly request your Honor to be so good as to accommodate us therewith as soon as possible. We further enclose herewith the duplicate of our letter sent recently to your Honor on the 5th of this month, and a pay memorandum of the 16th of this month with the pay accounts mentioned therein. Of the men of the aforesaid two eastern companies, some, mentioned by name in the two lists also enclosed herewith, have requested that of their salary as much may be provided monthly here to their wives as is recorded in the said lists, wherefore your Honor may please cause so much less to be paid to them there. With the bark de Kreeft, which is now departing from here, crosses the infantry company of Captain Koch, being one of the two European companies which, according to our letter of the 19th of this month, is ordered to remain detached there during the favorable monsoon. The roll of names of this company, which also indicates their entitlements, and the weapons and galley utensils they take along, is enclosed in this, and a half-month's rations for the voyage have also been provided to them here, along with such casks for storing the same as appears from the bill of lading also annexed hereto. For the rest, after friendly greetings, we remain, undersigned as before, in the margin, Colombo, the 23rd of November 1791. Postscript: We further add hereto a requisition for 50000 lb of saltpeter, with which we request to accommodate us at the first upcoming For the rest, after greetings, we remain, undersigned as before, in the margin, Colombo, the 19th of November Anno 1791. opportunity. To as before. Furthermore, enclosed herewith is a pay memorandum of today, with the annexes mentioned therein. With the aforesaid bark, the eastern soldier Sarang Joija, belonging to the company of Captain Wira Mangala that has departed thither, also travels thither, having received pay up to the ultimate of October and rice up to the ultimate of this month. Via Tuticorin we have received your Honor's letter of the 15th of October last. The eight chests with letters and papers mentioned therein were delivered to Galle even before the departure of the return ship de Draak, and we have ordered the employees there to act therewith in accordance with your Honor's request. We are now sending the ship de Doggersbank thither to collect a cargo of pepper and whatever else may be on hand for this government, and since this ship must depart for the Netherlands at the end of January, we request your Honor to be so good as to send the same back in good time. The second drawing master returns with this ship, and we also send with it the second company of Europeans mentioned in our letter of the 19th of this month, being of the Regiment de Meuron, commanded by Captain Gradman. The roll of names thereof is enclosed herewith, to which is also added a memorandum indicating what salary must be provided monthly to each officer, non-commissioned officer, and private, as well as up to when they have enjoyed it here. We further add hereto the duplicate of our letter of the 23rd of this month and of the requisition for saltpeter sent alongside it, together with the following papers of the aforesaid ship, namely: A bill of lading, A Batavia inventory, A ditto catalogue of medicines, Two Batavia expense accounts, A Colombo expense account in duplicate, and A Batavia certificate. The 50000 pounds of saltpeter requested in our aforesaid requisition are for our powder mills, and we therefore request that they be sent to us with our returning sloops, or otherwise by any other direct opportunity. We have no saltpeter in balance for our return ships, neither for those scheduled to depart in coming January, nor in next November, and we would therefore be greatly served if your Honor could find an opportunity to procure for us a good parcel of saltpeter for the ballasting of the aforesaid return ships. For the rest, after friendly greetings, we remain, undersigned as before, in the margin, Colombo, the 27th of November 1791. To the Noble Lord Johan Gerard van Angelbeek, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director over the Company's Establishment on the said Coast, together with the Council at Cochin. Noble, Honorable, Valiant, Wise, Prudent, Very Discreet Sir and Friends, We have had the honor to receive your Honors' esteemed missives of the 23rd of October, 7th, and 13th of November last, and thank your Honors kindly for the goods and men sent with the ship Christophorus Columbus, which arrived here yesterday. We request that the men disembarked there from the same be sent hither as soon as possible. Herewith we offer your Honors a requisition of necessities for this Government, which we request to satisfy as closely as possible, especially the wheat, as we have received none thereof from the Cape of Good Hope. Enclosed herewith are three packets of letters received for your Honors from the Netherlands, together with the duplicate of our letter of the 27th of November last, and a packet of letters for the Ministers at Surat, which your Honors will please forward thither at the first occurring opportunity, as well as a letter received from Cochin for the Noble Lord Governor van Angelbeek. For the rest, after friendly greetings, we remain

Dutch transcription

923 Aan als vooren onkostreekeningen van voorsz: paket boot, alle in tuplo. Wij hebben voor onze scheepstimmerwerf zeer nodig de volgende houtwerken, namelijk 150 p:s tekke planken van 2.½. d=m 158. „ d:o „ 2. do 100. „ „ 1. „ en 6. „ tekke balken van 30. â 36. voeten lang, 16. â 18. d=m dik weshalven wij uE: vrindelijk ver„ zoeken, ons daarmeede zoo spoedig het geschieden kan te willen gerie„ ven Nog voegen wij hier bij het duplicaat van onzen jongst aan uE: afgezondenen brief van den 5. dezer, en een zoldij Notitie van den 16. dezer met de daar bij vermelde zoldij reekeningen f van de manschappen van voorsz twee oostersche Compenien, hebben zommige met naamen vermeld bij de nog hiernevens gaande twee lijsten, ver„ „zogt, dat van hun traclement maan delijks alhier aan hunne vrouwen zoo veel mag worden verstrekt, als bij gem: lijsten bekend staat, was halven uE: aldaar zo veel minder aan hun gelieven te laaten voldoen. Met de bank de kreeft, die tans van hier vertrekt, vaart over de Comp: infan„ „terie van den Capitain Koch, zijnde een van de twee europeesche Compe¬ „rien, die volgens onzen brief van den 19. dezer, besteurd is om geduuren„ „de de goede mousson aldaar gede„ „tacheerd te blijven. De naam lijst van deeze Comp:, waarbij ook aangeweezen word haar genot, ende wapenen en Combuis goederen die zij meede neem gaat in deezen geslooten over, en is nog aan dezelve alhier een half maand randzoen voor de rijse ver„ „strekt nevens zodanige vaatwerken tot het bergen van 't zelve, als blijkt bij 't nog hiernevens gevoegd Cogpos„ ƒ „sement Wij blijven voor 't overige na vriendelij„ „ke groete /onderstond/ als vooren /in„ margine/ Kolombo den 23. ' 9ber: 1791. — /Lager / P:S:/ Nog voegen wij hierbij een eich van 50000 lb: salpeter, waarmeede wij verzoeken ons bij eerst voorko„ Wij blijven voor het overige na groete Con„ derstond / als vooren /inmargine/ ko„ „loubo den 19:' November Anno 1791. — mende 924 Aan als vooren mende geleegentheid tewillen gerieven. voorts gaat nog hier nevens eene soldij Notitie van heeden, met de daar by vermelde Bijlägen Met voorm: bark gaat ook naderwaards de oostersche soldaat Sarang Joija, ge„ hoorende tot de na derwaards ver„ „trokkene Comp. van den Capitain wi„ „ra Mangala, hebbende gagie tot ult:o october en rijst tot ult:o dezer genooten. over Tutukowijn hebben we ontvangen uw Ed:s brief van den 15: october Jongst„ leden. De daarbij vermelde acht kas„ „sen met brieven en papieren, zijn nog voor het vertrek van 't retourschip de Draak te Gale besteld, en wij heb„ „ben den bedienden aldaar gelast daar meede konform uw wel Ed:s verzoek te handelen. Jhans zenden wij 't schip de Doggers„ „bank naar derwaards, ter afhaal van een laading peper en het geen er verder voor dit gouverneuent aan handen mogte zijn, en wijl dit schip ultimo Januarij naar Neder„ land moet vertrekken, verzoeken wij uwel Ed:s 't zelve tijdig te willen terug zenden. De tweede Zekenaar gaat met dit schip terug, en wij zenden ook daarmede de bij onzen brief van den 19. ' dees„ zer vermelde tweede Kompaie Europeesen, zijnde van 't Regi„ ment van Meuron, gekomman„ „deerd door den Kapitain Grad„ man. De naamlijst daarvan gaat hiernevens, waarbij ook ge„ „voegd is eene Notitie, aanwijsende hoedanig traktement dan elk af„ „ficier, onder officier en gemeene maandelijks moet verstrekt woo„ den, zoomede tot hoe lange zij het hier genooten hebben Nog voegen wij hier bij 't duplikaat van onzen brief van den 23. ' deezer en van den daarnevens gezondenen Eisch van salpeeter, nevens de vol„ gende papieren van voormelde schip„ namelijk Een kognossement Een Bataviasche Jnventaris Een d=o kathalogus der medika„ „menten twee Bativiasche onkostreekeningen Een kolombosche onkostreekening in tieplo en Een Bataviasch Certifikaat De bij voorsz: onzen Eisch verzogte De 50000 ponden 925 50'000 ponden salpeter zijn voor onze kruidmolens, en we verzoeken daar „om dezelve aan ons te zenden met onze terugkeerende sloepen, dan wel bij eenige andere direkte gele„ gentheid. Wy hebben geen salpeter bij restant voor onze retourschepen zoo die in Januarij aanstaande staan te vertrekken, als in November naastkomende, en zoude ons mitd dien veel dienst geschieden indien uwel Ed gelegentheid konden vinden, ons een goede partij salpeter tot het ballaster der voorsz: retourscheepen te bezorgen Wij blijven voor het overige na vriendelijke groete /onderstond / als vooren /inmargi„ „ne / Kolombo den 27. ' November 1791. — Aan den Edelen Heer Johan Gerard van Angelbeek Raad ordinair van Nederlandsch Jndia, Gouverneur en Durekteur over 's Komp: Etablissement ter gemelde Kust Nevens den raad te Koelsiem Edelen Erntfesten Manhafter wijzen voor zienigen zeer DisKreeten Heer en Vrenden Wij hebben de eere gehad te ontvangen uwel„ Edelens g'achtemissives van den 23. ' Hiernevens gaan drie voor uwel Edelens uit Nederland ontvangene brief pakel„ „ten, nevens het duplicaat van onzen brief van den 27. November J:L:, en een brief paket voor de Ministers te souratta, het welk uwel Edelens bij voorkomende geleegentheid der waards gelieven voor tteschikken, zomede een brief van koetsien ont„ vangen voor den Edelen Heer Gou„ verneur van Angelbeek. Wij blyven voor het overige na vriende„ Oktober, 7. en 13. November JL:, en bedon„ „ken uwel Edelens vuindelijk voor de gezondene goederen en manschappen met het schip Christophorus Colom„ bus, 't welk gisteren alhier gearriveer is. De aldaar van 't zelve geligte manschappen verzoeken we zoo spoe„ „dig het geschieden kam herwaards te zenden. Wiernevens bieden wij uwel Ed: aan een Eijsch van benoodigheeden voor dit Gouvernement, waaraan wij verzoeken zoo na mogelijk te willen voldoen. specialijk de tarwe, wijl we daarvan niets van de Caab de Goede Hoop hebben ontvangen oktober „lijke

NL-HaNA_1.04.02_3922_0369 view scan ↗

English

To the same as before friendly greeting. Was signed: Noble, Stern, Valiant, Wise, Prudent, very Discreet Sirs and Friends, Your Honors' dutiful friends and servants, was signed: W: J: van de Graaff, M: I: Raket, J:s Reintous, and B: L: van Letter. In the margin: Colombo, 3 December Anno 1791. Lower: P.S. Since we are in need of people to complete the crew of the ships arriving from Batavia, it would be of great service to us if Your Honors could take into service two crews of good Moors there for us and send them hither. Since there is still a large remainder of cowhides at Galle, we request Your Honors not to send us any more of them for the time being, except what may already have been purchased, in so far as Your Honors cannot dispose of them. The Lords Principals, by General Letter of 11 December 1794, of which an extract accompanies this, have recommended us to take suitable measures to guard against short weights on the Malabar rice, wherefore we kindly request Your Honors to have the rice that will be sent to us in the near future shipped not in straw balls, but loose or in sacks, after it has been weighed net to the carriers. Also accompanying this is a pay note of today, with the debt accounts mentioned therein, together with the duplicate of our letter of the 3rd of this month, and of the requisition of necessities sent therewith. For the rest, after friendly greeting, we remain, was signed: as before. In the margin: Colombo, 17 December Anno 1791. The ship the Indus, which was destined by the High Indian Government for Cochin, and arrived here in the roads on the 17th of this month to discharge the troops and necessities sent with it for Ceylon, is now departing thither, and this is accordingly directed to serve as its accompaniment. Their High Mightinesses, by letter of 4 October last, of which an extract accompanies this, have ordered us to reinforce the crew of the said vessel, which is manned with only 60 Europeans, with another 25 European seafarers, and to write to Your Honors, as is done by this, to place on the aforementioned vessel, upon its return to Batavia, a crew of Moorish seafarers, who would be sent back from there in the coming year. Owing to the weakness of our European navy, we have not been able to place more than 17 hands upon it, to which we have further added 9 natives, whom we kindly request Your Honors to be so good as to send back hither at the first opportunity. These natives have been engaged at three rixdollars a month each, and the usual ship's provisions. Their muster roll accompanies this, and they have enjoyed payment here for this last half month at one and a half rixdollars each, which we have caused to be charged to the ship's expense account. Two of them, by the names of Jambien and Ponjo, have requested that henceforth half of their wages, or one and a half rixdollars a month, may be paid to their wives, and this will accordingly take place from the first of January next. Nevertheless, we request Your Honors to cause their full pay, just as that of the remaining seven, to be charged to the ship's expense account for all the time that they should have to remain on board. With this ship, as appears from the three accompanying copy muster rolls, Their High Mightinesses sent 50 convicts for Ceylon, but no more than 29 individuals were delivered here, among them two who are not known on the Batavia muster rolls, as appears from the Colombo muster roll also annexed hereto; and according to the statement of the ship's officers, there are still six individuals on board, whom we have left upon it in order to perform ship's service during the voyage to Cochin, and whom we accordingly request to have taken off there and returned hither at an opportunity. Just as we also kindly request Your Honors, regarding the convicts that are still missing, to demand sworn statements from the ship's officers as to where they ended up and to send them to us, which we did not have done here so as not to delay the ship. We further present to Your Honors herewith the duplicate of our last of the 17th of this month, and two letters received from Bengal for Your Honors. For the rest, after greeting, we remain, was signed: as before. In the margin: Colombo, 20 December 1791. Lower: P.S. Also accompanying this is the Colombo expense account of the ship the Indus in duplicate, amounting to ƒ49. 3. 8. Agrees: Hijbrands Eiklerk No: 22 438. Checked J: : Wouleast: Bengal. Surat Coromandel Some time ago, it was heard that in the Kandyan upper lands, and particularly in Kandy itself, quite some movements were being made that seemed to indicate hostile intentions. In addition to this, it was learned that several court grandees were preparing to come down to the King's lower lands west of the mountains, for which even resthouses had already been built here and there. To our inquiry after the reasons for this, the Court answered rather intricately, and brought forward at the same time certain demands, advanced by the same for several years past with more or less urgency according to the circumstances of the times, now more explicitly into discussion in such a manner as if the Court had resolved to press them through now with great emphasis. Upon making this inquiry, we took at the same time such measures as seemed necessary to us in this situation, in particular to preserve in the Company's possessions the

Dutch transcription

926 Aan als vooren „lijke groete /onderstond/ Edelen Erntp ten Manhaften wijzen voorziene zeer Deskreeten Heer en vrienden Uu wel Edelen Dienstwillige vriend en Dienaaren /was geteekend/ W: J: van de Graaff, M: I: Raket, J:s Rein tous, en B: L: van Letter /inmargin Kolombo den 3.:' December Anno 1791. /Lager:/ P: S: / Wijl we verlegen zijn om volk tot het voltallig maa„ ken van de Equipagie der van Batavia koomende scheepen, zoude ons veel dienst geschieden zoo uw wel Ed twee plaegen goede mooren aldaar voor ons konden in dienst neemen en herwaards zeeden. vermits te gale nog een groot restant is van koehuiden, verzoeken wij uwe Edelens ons daarvan voor eerst niet Aan als vooren dan meer tezenden, zal het geen reets ingekogt mogte zijn, voor zoo vere uwel Edelens zich daarvan niet kunnen ontdoen De Heeren Majores hebben bij Generaal le Missive van den 11. December 1794 waar van extract dezen verzeld, ons gerecommandeerd, door geschikte middelen te zorgen teegen de min„ wigten op de Mallabaarsche rijst weshalven wij uwel Edelens vrien„ delijk verzoeken, de rijst, die in den aanstaande aan ons word toege„ zonden, niet in stroo bollen, maar los of in zakken, na, dat ze de over„ voerders netto zal zijn toegewoogen te doen afscheepen. Nog verzeld deezen eene zoldij notitie van heden, met de daarbij vermelde schuldreekenigen, nevens 't dupli„ „caat van onsen brief van den 3. dee„ „zer, en van den daarnevens gezon„ denen Eisch van benodigheden. Wij blijven voor het overige na vrer„ delijke groete /onderstond / als voo„ ren /inmargine/ Kolombo den 17 December Anno 1791. 'T schip de Jndus, het welk door de Hooge Jndiesch regeering na koetsiem ge„ „destineerd, en den 17. deser alhier ter rheede aangekoomen is, ter afgaane van de daarmeede voor Ceilon ge sondere manschappen en benodig„ heeden, vertrekt thans na derwaarts middelen 927 en is deesen mits dien tot dies geleij „de gerigt Hunne Hoog Edelh: hebben ons bij mi sive van den 4. october Jleeden, waar van Extract deezen verzeld, gelast„ de Equipagie van gem: bodem, die slegts met 60. Europeesen bemand is, te versterken met nog 25. Euro„ peese zeevaarenden, en uwel Edelens aanteschrijven, gelijk geschied door deesen, om op voorm: bodem, bij re„ tour naar Batavia, te plaatsen Eene sloeg moorsche zeevaarende, die in het aanstaande Jaar van daa zoude worden terug gesonden. Mits de zwakheid van onze Europees marine, hebben we niet meer dan 17. koppen daarop kunnen plaatsen, waarbij wij nog hebben gevoegd 9. Jn„ landers, die wij uwel Ed:s vriendelijk verzoeken, bij de eerste geleegent„ „heid herwaarts tewillen terug zes„ den. Deeze jnlanders zijn aange„ noomen tegens drie rd:s s maands ieder, en de gewoone scheeps kost. hunne naamlijst verzeld deezen, en zijn hebben hier betaaling genooten voor deeze laatste halve maand, tegens een en een halve rd:s ider die wij op de scheeps onkost reek: hebben doen belasten twee hunnen, met naemen Jambien en Ponjo, hebben verzogt, dat voortaan de helfte van hunne gagie„ of een en halve rd:s smaands; aan hunne vrouwen mogte worden af„ gegeeven, en zal dit mits dien van p=mo Januarij aanstaande af geschie„ „den niet temin verzoeken wij uwe lEd: hun volle traclement even gelijk van de overige seven, op de scheeps onkost reek te doen belasten, voor al den tijd datze aan boord zou„ den moeten blijven Met dit schip hebben Hunne Hoog Edelh:, blijkens de nevens gaande drie Copij naamlijsten, 50. gecondem„ neerdens voor Ceilon gezonden dog hier zijn niet meer geleeverd dan 29. stuks, daaronder twee die op de Bataviase naaurlijsten niet bekend staan, gelijk blijkt bij de nog hiernevens gevoegde Co„ lombosche naamlijst, en volgens opgave van de scheeps overheeden zijn 'er nog ses stuks aan boord, die we daarop hebben gelaaten, om geduurende de reize na Koetsiem tegens scheeps „ scheeps dienst te doen, en die we mits dien verzoeken aldaar ten „len doen ligten, en bij geleegent„ „heid herwaards terug te zenden: gelijk we ook uw Edelens vriendelijk ver„ „zoeken nopens de nog mankeeren „de gecondemneerdens, van de scheep overheeden verklaaringen waar ze beland zijn te doen afvorderen, en beeedigd aan ons toetezenden; dat we om het schip niet op te houde hier niet hebben laten doen Wij bieden uw wel Ed:s hiernevens nog aan het duplikaat onzer laaste van den 17. ' deezer, en twee brieve van Bengale voor uw wel Ed:s ont„ vangen Wij blijven voor het overige na groete /onderstond / als vooren /inmargi in / Kolombo den 20. ' December 1791. /Laager / P:S:/ Nog verzeld deezen de Kolombosche onkostreekening van het schip de Jndus in tuplo, groot ƒ49. 3. 8. Akkordeert Hijbrands Eiklerk No: 22 438. 928 Nagezien J: : Wouleast: Bengale. suratta kormandel Een tijd lang geleeden hoorde men, dat er in de kandiasche boven landen, en inzonderheid in kandia zelve, vrij wat beweegingen gemaakt wierden, die hostile oogmerken scheenen aanteduij„ den. Hier bij vernam men, dat verscheide Hofs„ „grooten zig gereed maakten, om na skonings bene„ de landen bewesten het gebergte aftekoomen, waarvoor zelfs hier en daer reeds rusthuijsen gebouwt waeren. of onze vraege na de reedenen van dien, antwoorde het Hof vrij wat inge„ wikkeld, en bragt te gelijken tijd zeekere eisschen, door het zelve zeedert verschijde Jaeren, na maate van de omstandigheeden van tijden, met mindere of meerdere aandrang voortgebragt, nu naa der ter spraak op eene wijze, als of het Hof hadde voorgenoomen, die nu met groote na druk door te dringen. Bij het doen dee„ =zer vraage naamen we te gelijker tijd zoodanige maarthegelen, als ons in deeze geleegentheid noodig scheenen, inzonderheid om in sComp:s bezittingen de

NL-HaNA_1.04.02_3922_0373 view scan ↗

English

No. 22 938. Checked. to preserve the peace, as it has indeed remained undisturbed through this to this day, and which measures seem at least so far to have brought the Court to reflection, that it keeps itself quiet to this day without having committed any acts of violence against the Company. Even the best reports we have been able to obtain state that the threatening activities with which people in Kandia seemed for a time to be passionately busying themselves, have noticeably diminished there, and for the present would consist only in a few insignificant matters, so that we have many reasons to believe that these things will have no further consequences for the peace of the country. If, however, contrary to our hope and expectation, the outcome should be otherwise, we shall have the honor of informing your Honors thereof at once; for the rest, after friendly greetings, we remain, below was written: Your Honors' obedient friends and servants, was signed: W. J. van de Graaff, D. C. von Drieberg, C. van Angelbeek, J. Remtous, B. L. van Zitter, and A. Samlant; in the margin: Colombo, 15 April 1791. Agreed. Hijbrands, Clerk. 938. 29 929 Checked. Colombo No. 22 Checked. W. Beckman. To the Honorable Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, and also Governor and Director of that Island and its dependencies, together with the Council at Colombo. Noble, Honorable, Valiant, Wise, Prudent, Most Discreet Sir and Friends. The ship Christophorus Columbus, destined for Ceylon on behalf of the Amsterdam Chamber, appeared in our roadstead yesterday due to a shortage of drinking water and on account of the many sick who are mostly scorbutic, as appears from the enclosed copy of the reply to the speaking-letter. 938. Checked. letter. We hasten to give notice of this to Your Honor and Worships via the English post and shall, as soon as the ship is provided with drinking water and refreshments, immediately have it continue its journey to Ceylon, while the sick who are brought ashore will be sent over with the first opportunity. We have the honor to remain with much respect, below was written: Noble, Honorable, Valiant, Wise, Prudent, Most Discreet Sir and Friends, Your Honor and Worships' obedient friends and servants, was signed: J. L. van Spall, G. G. Gebhardt, J. W. H. van Rossum, J. A. Cellarius, [illegible] Haesten, Arnoldus Lunel, and J. A. Freasdijck; in the margin: Cochin, 7 November 1791. No. 22 Agreed. Hijbrands, Clerk. 938. No. 21½ No. 22 Checked. W. Beukman. Copy of received Secret and Separate Letters from Various Places in the Year 1791. Checked. Colombo. Separate. To the Right Honorable, Highly Venerable, High and Mighty Sir, Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon and the Coast of Madura, etc., etc., etc., together with the Council. Right Honorable, Highly Venerable, High and Mighty Sir. I have had the honor to receive Your Right Honorable, Highly Venerable, Most Respected separate letter of 19 December 1790; to which a respectful answer serves: that according to the calculation of the most knowledgeable people, the pearl fishery on the recently inspected seven banks, even if the oysters had reached full maturity, would not be worth 33500 rixdollars, for which the fishery was leased in 1787, and thus much less 50000 chakrams, at which it was valued by the merchants and money changers of 931 Tirunelveli. I have nevertheless, according to the order of Your Right Honorable, informed Mr. Torin that Your Right Honorable had consented to the holding of a pearl fishery if the merchants and money changers would bind themselves to give at least 50000 chakrams for it, since, if their calculation rested on good grounds, they ought to be able approximately to secure the calculated sum, which I also pointed out to Mr. Torin; but seeing that this proposal met with too much opposition and that we could not remain fixed on a calculation that according to our own grounds was erroneous, I further proposed to Mr. Torin that the lease of the fishery should not fall lower than a certain sum to be determined by both partners, not only to prevent the damage that we would presently suffer from the too low outcome of the lease, but chiefly because the pearl fisheries, which formerly were always considerable items, would fall completely into discredit through an all-too-low leasing, and that I, for our share, would think that the lease ought very nearly to equal the lease of the year 1787, which amounted to 33500 rixdollars, which make very nearly 16000 pagodas. Although the English Superintendent at Tirunelveli, Mr. Torin, [illegible] to the new manigars appointed by him, moderation and equity concerning, Mr. Torin answered this by an English letter dated the 3rd of this month, to which he attached a French translation, which I have the honor to present herewith to Your Right Honorable, along with the further letters exchanged. Your Right Honorable will see from this that Mr. Torin has requested the orders of the Government of Madras, and that he has only provisionally replied that, although he does not believe that his superiors desire a fishery unless it yields a considerable sum, he is nevertheless certain that they will never agree to restrictions such as we have proposed. I have the honor to remain in all respect and loyalty, below was written: Right Honorable, Highly Venerable, High and Mighty Sir, Your Right Honorable's humble and faithful servant, was signed: M. Mekern; in the margin: Tuticorin, 9 January Anno 1791.

Dutch transcription

N: 22 938. Nagezien de rust te bewaeren, zoo als die ook tot heeden dar door ongestoord gebleeven is, en welke maatrgt het Htoff ten minsten in zoo verre tot nadenken schijnen te hebben gebragt, dat het zelve zig titnag toe stil houd zonder eenige daadelijkheeden tegens de komp: te hebben bestaan. zelfs zeggen de beste berichten die we hebben kunnen inkrij dat de drijgende- verrigtingen waarmeede met in kandia zig een tijd lang driftig heeft ge„ scheenen beezig te houden, daar op merkelijk zijn verminderd, en voor het teegenswoordige nog alleen zouden bestaan in eenige wijnig beduijden de dingen, zoo dat we veele reedenen hebben te gelooven, dat deeze dingen geene ve =dere gevolgen zullen hebben op de rust deslands zoo nogtans teegens onze hoope en verwagting de uitkomst anders zijn mogte, zullen wede eere hebben uwelEd:s dat ten eersten te bedeelen; wij blijven voor het overige na vriendelijke groet /onderstond:/ uwer wel Edelens Dienstwillige vreend en dienaeren /:was geteekend:/ w: J: van de Sraag D: C: vonDrieberg, C: van Angelbeek, J: Rem„ =tous, B: L: van Zitter en A: Samlant /:inmargine Kolombo den 15. April 1791 Akkeideert Hijbrands Clerk 938. 29 929 Nagezien. Colombo N: 22 Nagezien W„ Beckman Aan den Edelen Heer. willem Jacob van de Graaff Raad ordinair van Nederlandsch Indien mitsgaders Gouverneur en Directeur van dat Eiland en deszelfs onderhoorigheeden Nevens den Raad te Edele Erntfesten Manhafte wijze voorzienige zeer Diskreete Heer & vrienden. Het schip Christophorus Columbus voor de kamer Amsterdam naar Ceilon gedesti„ „neerd, is gisteren op onze reede verscheenen weegens gebrek aan drinkwater en om de veele zieke die meest seurbutik zijn, zoo als blijkt bij de ingeslootene kopij van het antwoort op de verpraai„ brief kolombo. 938. Nagezien. brief. wij haasten ons om hier van aan uweledele gestrenge en E:s over de Engelsche post kennis te geeven en zullen zoo dra 't schip van drinkwater en verversing voorzien is, ten eersten de reize naar Ceilon laaten voortzetten, terwijl de zieken die aan de wal gebragt worden met de eerste geleegenheid zullen worden overgezonden. wij hebben de eere met veel achting te blijven /:onderstond/ Edele Erntfeste, Manhafte wijze voorzienige zeer Diskreete Heer en vrienden. uwer weledele Gestrenge en Edelens Dw: vrienden Dienaaren /was geteekend/ J: L: V Spall, G: G: Gebhaadt, J: w: H van Rossum, J: A: Cellauiz. . . . . . . . . Haesten, Arnold:s Lunel, en J:s A: Ereasdijck /in= margine/ koetsiem den 7. November 1791. — No: 22 Akkordeert Hijbrands VEgalerk 938. N:o 21½ No: 22 Nagezien, W Beukman kopia ontvangene sekreete en Apparte Brieven van Diverse Plaatsen In het Iaar 1791. Nagezien. Kolombo Appart Aan den Wel Edelen Groot Achtbaaren Hoog Gebieden den Heer Willem Jacob van de Graaff. Raad ordinair van nederlands indien gouverneur en direkteur van het Eijland Ceijlon en de kuste Ma„ „dure &a. &ma W=m Nevens den Raad Weledele Groot Achtbaare Hoog Gebiedende Heer Ik het de eere gehad te ontfangen, uwelEdele groot Achtbaare hoogst g'eerde apparte letteren van den 19. December 1790; waar op een eerbiedig antwoord diend: dat volgens de bereekening van de aller„ „kundigste menschen, de paarlvisserij op de on„ langs gevisiteerde seven bankjes, wanneer ook de oasters tot volleedige rijpheid waaren gekoo„ „men, geen 33500. rd:s, waarvoor in 1787. de visscherij verpagd is, zoude waardig zyn, en dus veel minder 50000. Sjakkerons; waar op de zelve door de koopluijden en wisselaars van 931 van Jirnevelli is gewardeert, ik heb echter, volgen het bevel van uwelEdele groot achtbaare aan de heer Torin kennis gegeeven, dat uwel Edele gro Achtbaaren in het houden van een paarlvisse „rijhad bewilligd, indien de kooplieden en wisselaar zig verpligten om daar voor ten minsten 50000. Sjakkerons te geeven, weijl, indien hunne reekening op goede gronden ruste, zij ten naasten bij de gekal kuleerde som behoorenden te kunnen verzeeke „ren 't welk ik aan den heer Torin ook heb doen opmerken; maar ziende, dat deeze voorstelling te veel teegenstand vond en dat wij ook niet zou kunnen bleijven staan op een bereekening, die vol gens onze eijgene gronden abusief was, het ik den heer torin nader voorgesteld, dat de pachtva de visscherij niet laager zoude loopen, dan tot een zekere sem die door beijde deelgenooten zoude worden bepaald niet alleen om voor te „koomen de schade, die wij bij 't alter laag lo „pen van de pacht voor 't teegenswoordige zouden lyden, maar voornamentlijk, wijl de paarlresscherij, die te vooren altoos aanmerkelijke artikelen zijn geweest door een al slaag verpag„ „ting geheel in diskrediet zoude koomen en dat Aan als vooren ik voor ons aandeel zoude denken dat de pacht heel na bij zoude moeten evenaaren de verpachting Hoewel de Engelschen Sup„ intendant te Ternevelle de heer Torin, aan de nieuwe door hem aangestelde mannigaars; moderaatsie en bellijkheid ten belange van het Jaar 1787. die bedraagen heeft 33: 500: rd=s die heel na 16000. pagooden uijtmaaken de heer Torin„ heeft hier op geandwoord bij een Enschen brief ge„ „dateerd den 3. deezer, waar bij hij een fransche ver„ „taaling heeft gevoed, welke ik de eere heb uwel Edele groot achtbaare met de verdere gewesselde brieven hier nevens aantebieden Uwel Edele Groot Achtb „baaren zal daar uijt zien dat de heer Torin de ordres van 't gouvernement van Madras gevraagd heeft, en dat hij alleen bij voorraad heeft geandwoord dat hoewel hij niet gelooft, dat zyn superieuren een visserij verlangen, indien dezelve niet een aanmerkelijk som opbrengt, hij Echter daar bij verzeekerd is dat de zelve nimmer zullen bewilli„ „gen restriksien zo als wij die hebben voor gesteld; ofk heb de eers in alle eerbied en trouwe te noemen /:onderstond:/ WelEdele Groot Achtbaare Hoog ge„ biedende Heer; uwelEdele Groot Achtbaare on„ „derdanige en getrouwe Dienaar /:was geteekend:/ M: Mekern /: in margiene:/ Tutukorijn den 9:' Januarij A=o 1791. — van van e

NL-HaNA_1.04.02_3922_0380 view scan ↗

English

recommended concerning us and the inhabitants subordinate to us, as the mannigaar of Meelder has made known to me personally, this has nevertheless not been able to bring about that the mannigaars entirely abandon their habits of turning every opportunity, whether lawful or unlawful, to the increase of their revenues; one noticed, however, a remarkable difference in the manner in which their demands were made, far more circumspection and less violence being used therein. Upon the first notice of the demands of the mannigaars, which were of little value, I attempted to clear them out of the way with him personally, and when this could not be done, to overlook minor matters; partly because complaints about such minor matters, when they occur too frequently, soon lose all force, and partly because I knew for certain that at the presentation of every complaint our rights and our competence to make such complaints would be examined most closely. In these my proposed rules, I believed I ought to confine myself solely to such minor matters as were not of such importance that they could exert a detrimental influence upon our privileges and prerogatives, and by no means to such deviations whereby our privileges would be entirely destroyed if we did not oppose them; in such cases I considered it my unavoidable duty to make reasonable representations against them, although, as I said a moment ago, I foresaw that this would imperceptibly pave the way to having our rights and privileges tested most closely, which, now that the administration of His Nabob's lands has come into English hands, must sooner or later inevitably happen regarding all our rights and privileges. The resident at Manapaar gave notice by letter of the 11th of December that the merchants of the Company at Manapaar had annually paid to the mannigaar of Kollesegerepatnam a parresse of one hundred twenty-five fanums, and that although the manigaars changed, they nevertheless paid this parresse no more than once a year; that the merchants had paid this parresse in the month of August to the new monigaar, and that the manigaar appointed shortly thereafter by Mr. Torin had demanded the very same parresse, and in order to press this demand had arrested four kannekappels of the merchants at Kollezegerepatnam; that the weavers in the same manner had annually paid to the new manigaar, but that because some of them found themselves in distress, they had offered a parresse of fifteen fanums, a sjla of seven or eight fanums, but that he had rejected this; that now the new manigaar appointed by Mr. Torin demanded a parresse of thirty fanums, and thus four times as much as these people had previously paid, and that the mannigaar, in order to compel the weavers to this payment, had caused four of them to be seized at the bazaar in Santangoddi, where they were present to buy yarn, and brought under arrest to Kollesegerepatnam; that furthermore the mannigaar of Kailpatnam had demanded from one of the Manapaar merchants who maintained his household at Kailpatnam a parresse of ten rix-dollars. We wrote thereupon to the residents at Manapaar that they should endeavor to make such obvious contradictions to the old customs intelligible to the manigaars themselves and arrange such matters with him personally, but they replied to us in answer that in this case nothing was to be done with the mannigaars, who claimed that in August the parresse had been paid to the mannigaars of the Nabob, but that they now demanded the parresse as mannigaars of the English Company, and that Mr. Torin had expressly ordered him to demand this parresse. Because, however, the kannekappels of the merchants were released upon their representation that if they were kept under arrest any longer the merchants would provide themselves with other kannekappels, and because it has occurred to us on several occasions that the mannigaars, when they see that their demands are not granted, abandon them of their own accord, I overlooked it for some time yet; but upon the further assurance that the mannigaars themselves insisted that a letter be written to Mr. Torin concerning this matter, and that we therefore had no change to expect from him, I represented to Mr. Torin, by letter of the 7th of this month, the unreasonableness of the demands of the mannigaars concerning the merchants and weavers, and added thereto several other complaints of lesser importance which I had held back until a convenient opportunity. Mr. Torin has hereupon

Dutch transcription

932 van ons en de ons ondergeschikte in woonders heeft aanbevoolen zo als de mannigaarts van meelder dit aan mij zelve heeft bekend gemaakt, heeft dit Egter niet kunnen te weegebrengen om de mannigaars geheel te doen afzien van hunne gewoonten om alle gelee„ „gendheeden tot vermeerdering van hunne inkomsten het zij wettig of onwettig, waar te neemen men be„ speurde echter een merkelijk onderscheid in de wijl op welke hunne eijschen wierden gedaan, zeijnde daar bij veel meer omzigtigheid en minder geweld gebruijkt, ik heb bij de eerste ontwaaring van de vorderingen der mannigaars, die van weijnig waarde waaren, getragd om de zelven met hem zelven uijt den weg te ruijmen en wanneer dit niet geschieden kund kleynigheeden als over 't hooft gezien eensdeels om dat de klagten over zulke kleynigheeden, wanneer de zelve te menig vuldig geschieden haast alle kragt verliezen en andersdeels wijl ik zeeker wist dat bij voorkoo„ „ming van Elke klagte onze rechten en onze be„ =voegdheid tot het doen van zulke klagten op het naukeurigste zoude worden onder zogd waar in deeze mijne voorgestelde reegelen heb ik ge„ meend mij alleen te moeten bepaalen tot zulke kleynigheeden die niet van dat belang waa„ „ren dat ze een nadeeligen invloed op onze voorrechten en pravelesien konden hebben en geen „zins tot zulke afweijkingen waar door onze„ prevelesien ten eene maal zouden worden ver„ nietigd indien wij ons daar teegen niet wilden verzetter in zulken gevallen heb ik gemeend het mijne omvermeijdelijke pligd te weezen daar „teegen zilvertoogen te doen schoon ik, zoo als billijke ik straks zeijde voor zag dat dit ongevoeligden weg zoude baanen, om onze rechten en pre„ relesien op 't nauwste te doen toetzen 't wel ke nu de administratie van S. ' Nababs lan„ „den in Engelsche handen is gekoomen om„ trend alle onze rechten en prevelesien vroeg oflaad, eenmaal zal moeten geschieden. De resident te Manapaar gaaren bij brief van den 11. December kennis dat de kooplieden van de kompenie te Manapaar Jaarlijks aan den mannigaar„ kollesegerepatnam hadden betaald een parresse van een hondert veijf en twintig fanums en dat schoon de manigaars verwisselde zy Echter deeze par„ „resse niet meer dan eenmaal in 't Jaar betaalen, dat de kooplieden deeze paresse in de maand Augustus aan den nieuwe mo„ „nigaar betaald hadden en dat de kort daar voorrechten op 933 't dat zij om dat eenigen van hen zig inmoeielijk heijd bevonden in de mraand Augustus een paretse hadden aangebaden van vyftien fanums manna op door den heer Torin aangesteld de man „gaar dezelve parresse had: ge Eijscht en om dee „ze Eijsch aan te dringen vier kanne kappels van de kooplieden te kollezegerepatnam ge „arresteerd; dat de weevers in zelvervoegen Jaar „lijks aan den nieuwe manigaar hadden betaal maar een sjla van zeven of agt vanumst 2 22 dat hij dit had afgeweezen, dat nu de nieuwe door de heer Torin aangestelde manigaar eijschte een parresse van dertig fanums en dus vier maal zoo veel dan deeze menschen te voo„ ren betaald hadden en dat de Mannigaar om„ de weevers tot deeze betaaling te noodzaaken vier van hen op de bazaar te Santangoddi daar ze zig bevonden om gaaren te koopen, had doen op„ „vatten en in arrest brengen na kollesegerepat„ „nam dat voorts de mannigaar van kaslpat„ nam van een der Mannapaarsche kooplieden die zijn huijshouding te kailpatnam had, gevor„ dert had een parresse van tien rijksdaalders wij schreeven hier op aan de residenten te Ma„ napaar dat zij zulke zigtbaare streijdigheeden teegen de oude gebruijken de manigaarszel„ „ven moesten tragten begreypelijk te maa„ „ken en zulke zaaken met hem zelven ar¬ rangeeren maar zy gaaven ons hier op ons tot andwoord dat in dit geval niets te doen was met de Mannigaars die beweerden dat in augustus de parresse betaald was aan de mannigaans van den Nabab; maar dat zij tans de parresse vorderden als mannigaars van de Engelsche kom „penie; en dat de heer Torin hem Expresselijk be„ „last had om deeze parresse te vorderen. weijl Ech„ „ter de kannekappels van de kooplieden op hun „ne vertooning dat indien zy langer gearresteerd wierden gehouden de kooplieden zig van an„ dere kanne kappels zouden voorzien, ontslaa „gen wierden en weijl het ons meermaalen is voor gekoomen dat de mannigaars, wan „neer zij zien dat hunne Eyschen niet wier „den in gewilligd dezelve uijt eijgen beweeging laaten vaaren heb ik het nog eenigen tijd ingezien, maar op de nadere verzekering dat de mannigaarts er zelfs op aan drongen om over deeze zaak aan den heer Torin te schreijven en dat wij dus bij hem geen veran„ dering te wagten hadden heb ik bij brief van den 7. deezer aan de heer Torin de onbel„ lijkheid van de Eysschen der mannigaarste omtrend de kooplieden en weevers voorge„ „steld en daar bij gevoegd, nog eenige ver scheijde andere klagten van mindere aan „belang die ik tot een bekwaame gelegen heid had te rug gehouden de heer Torin heeft doen hier

NL-HaNA_1.04.02_3922_0382 view scan ↗

English

To this he has not yet answered officially, but only notified me by a private letter that, after having properly investigated everything, he would inform me of his findings. In the meantime, the Manigaar Pietchandi Sittij has stepped down and been replaced by another, Pandaren Sittij, a much more moderate man, who shortly after his appointment paid a visit to the First Resident at Manapaar to settle everything that had occurred. He had already previously released the arrested weavers, and regarding the gift of the merchants, he declared he would be satisfied whether they wished to give him something, yes or no. At Tutukorijn, around the same time, an incident occurred which I could not pass over in silence without seeing a path cleared along which our entire authority would be trampled into the dust. A good month ago, the Mannigaar of Meloer forbade the carpenters who live within the town of Tutukorijn from working, giving as his reason that their tributes had not been paid. Upon investigation, I found that the carpenters indeed still owed a few fanums, for the payment of which I immediately gave orders. I also sent word to the Manigaar that whenever the workmen did not pay their tributes promptly, he only needed to let me know, and I would see to the payment, but that it was not proper for him to give orders within our jurisdiction, and especially such orders as would be the means of rendering the workmen completely unable to pay their tributes. The arrears of the tributes were paid, and the workmen continued their labor without hindrance. But about fourteen days thereafter, two carpenters within the town were unexpectedly seized by the people of the Manigaar and brought to Meloer, where they were put in prison. Thereupon I sent to ask the Mannigaar the reason for this undertaking, and at the same time pointed out to him that it conflicted with ancient customs and our privileges that he used said force within the town. To which the Manigaar replied that the carpenters had been summoned several times, one after the other, to work, but they had not come, and that he would punish them as he saw fit; just as he indeed strictly punished the two arrested carpenters and subsequently put them in chains. The remaining carpenters, having been heard on this matter, said that they had never failed to appear upon the summons of the Mannigaar to work, but that at present, since two of them had been severely punished without any reason, they were afraid to appear before the Mannigaar, fearing they would be punished in the same manner as their companions. That this reason given by the Mannigaar was now a pure pretext to extort money from these poor people contrary to former customs became very clear, since the Mannigaar, after having kept the two punished carpenters under arrest for about fourteen days more, released them, demanding from each an additional fine of twenty-four fanums because they had not obeyed the order not to work, and that the carpenters, who until now had only paid a tribute of seven fanums a month, should henceforth pay twenty-five fanums a month, saying that he had the power to demand as much tribute as he saw fit, and that he would have all the other workmen seized and punished in the same manner as he had done to the other two. Concerning this case, I complained at length in a letter of the 18th of this month and requested redress. Mr. Torin replied to this by a letter of the 20th that, without entering into particulars, he had to inform me that the Circar is not accustomed to consider the Parruas or other inhabitants of the town outside the walls of the fort of Tutukorijn as being excluded from its authority, even though their tributes have been paid, since, as tributaries of the Nabob, they are at all times subject to all summonses of the renters of Tuttikorijn; that he did not, however, wish to justify the conduct of the renter, since he was not at present informed of the reasons he had had for this punishment, but that he was solely speaking for the present of his right to do so if the occasion required it, promising that he would inform himself of the reasons of the renter and make the outcome known to me. Since this letter now rejects all our rights over the inhabitants of Tutukorijn, and even over the Parruas, and consequently over the town itself, in the same manner as was done by the English commissioners at the restitution of our possessions after the peace in the year 1785, I deemed that I ought not to remain silent on this. In a letter of the 23rd, I briefly pointed out to Mr. Torin that from time immemorial until now we have been in possession of the exercise of government, not only over the Parruas, but also over all other inhabitants of the town, without any competition with the servants of the Circar, the tributes alone excepted, regarding which we always took care that they were paid promptly, and were even sometimes paid in advance; and that, moreover, by the last treaty with the Nabob, His Highness had confirmed all our privileges.

Dutch transcription

932 hier op nog niet ministerieel geandwoord maar alleen bij een partukuliere brief kennisgege ven dat hij, na op alles behoorlyk onder „zoek te hebben gedaan mij van zijne bevin „ding zoude kennisgeeven op tussen is de ma ni gaar pietchandi sittij afgegaan en ver vangen door een ander Pandaren sittij en veel gemaatigder man die kort na zij„ ne aan stelling een visitte bij den Eerste resident te Manapaar heeft afgelegd, om al 't voorgevallene afte doen De gearresteerde weevers had hij reets te voo„ ren ontslaagen en omtrend de parresse der kooplieden verklaarde hij zig te vreede te zullen houden, of zij hem wat willen geeven Ja dan neen; Te Tutukorijn gebeurde omtrend de zelve tijd een geval 't welke ik niet konde met stil sweijgend haid voorbij gaan zonder een weg te zien baanen langs welke onze ge=heele authoriteid in 't voetzand zoude raaken een groote maand geleeden liet de Mannigaar van meloer de tim merlieden die binnen de stad tutuks zijn woonen, verbieden om te werken voor reeden geevende, dat hunne trubuten niet betaald waaren bij onderzoek bevinde ik dat ik dat de timmerlieden nog werkelijk ee„ nige weijnige fanums schuldig waaren tot welker betaaling ik aanstons last gaf ik liet te „vens aan den Manigaar seggen dat wanneer de werklieden hunne vributten niet promt betaalden, hij dit maar aan mij behoef„ de te laaten weeten, wanneer ik voor de betaaling zoude zorgen, maar dat 't hem niet betaamde om orders te geeven binnen onze JurisDiktie, en wel zulke ordres die 't middel zoude weezen om de werk „lieden in de volstrekte en mogelijkheijd te brengen hun triebuten te voldoen het agter stal van de tributen is betaald en de werklieden hebben hunnen ar„ „beid zonder verhinderinge vervolgd maar omtrend veertien daagen daar na wier„ den op 't onverwagst binnen de stad tweede timmerlieden door het volk van den Manigaar opgevat en na Meloer gebragd daar ze in gevangenis wierden gesteld ik liet hier op den Mannigaar voor vraagen 935 vraagen na de reeden van deeze ondernee„ „ming, en hem ter geliker teijd opmerken, d 't streeds teegen de oude gebruyken en onz prevelesieen dat hij gemeld gebruykte bi nen de stad, waar op de manigaar ant woorde dat de timmerlieden na den an „deren verscheyde maalen waaren geroe pen om te werken, maar ze niet wa „ren gekoomen en dat hij hen zoude stra „fen, zoo als hij 't goedvond, zoo als hij m „kelijk de twee gearresteerde timmer„ lieden strengelijk heeft laaten straffe en dezelve vervolgens in de ketting ke „ken de overige timmerlieden hier op ge hoord zynde, zeijden dat zij nooijt geme keert hadden, om op de ontbieding van den mannigaar om te werken, te ko „men, maar dat zij voor 't teegens woor„ „dige dat er twee van hun zonder eeni ge reeden strengelijk gestraft waaren bekommert waaren voor den man„ nigaar te verscheijnen, vreezende op gelijke wijze als hunne makkers te zullen worden gestraft dat nu deeze reeden van den mannigaar een lou„ „ter voor wendzel was, om deeze arme men„ „schen teegen de voorige gebruijken geld afte perzen, bleek zeer duijdelijk dat wijl de mannigaar na de twee gestrafte tim„ „merlieden nog omtrend veertien daagen gearresteerd te hebben gehouden dezel„ re heeft ontslaagen, Eyschende van Elck nog een boete van vier en twintig fa„ „nums om dat zij niet hadden gehoor„ „zaant de ordre om niet te werken en dat de timmerlieden die tot nu toe alleen een trubuet van zeven fanumsn smaands betaald hadden voortaan zou„ „de betaalen veyfen twintig fanurs smaands zeggende dat hij 't vermooge hadt om zo veel trubuet te vorderen als hij goedvond en dat hij alle de vver „rige werklieden zouden laaten opvat„ „ten en op de zelve weijze straffen zoo als hij de twee andere gedaan had over dit geval heb ik bij brief van den 18 deze te en 936 in 't breede geklaagd en om reparaatsie van zogd de heer Torin heeft hier op bij brief van de 20. geandwoord dat hij zonder te treeden in de particulariteiten mij moest invormeeren dat de Cercar niet gewoon is om de parruas of andere inwoonders van de stad, buyten de wallen van 't fort van tutukorijn te Considereeren als uijtgeslooten te zijn van deszelfs authoriteid schoon hunne tru„ „buiten ook betaald zyn vermits zij als trubutarissen van den Nabal ten allen teijden onder worpen zeijn aan alle beroepingen van de pagters van tutti korijn, dat hij Echter niet wilde Jus„ tificeeren het gedragt van den pagter vermits hij tans niet onderrigt was „bestraffing van de reedenen, die hij voor de „ zee versen tug hadt ge hadt, maar dat hij een„ „lijk voor 't teegenswoordige sprakt voor zyn recht om zo te doen, indien de ge„ „leegendheid het vorderde met belofte dat hy zich zoude informeeren na de reedenen van den pachter en mij den uijtslag bekendmaaken daar nu deeze brief alle onze rechten over de inwoonders van tutuko„ „rijn en zelfs over de parruas en gevolgelijk over de stad zelve verwerpt op de zelve weijze als dit geschied is door den Engelsche kommisarissen by de restituutie van onze bekittingen na den vreede in 't Jaar 1785. heb ik gemeend hier op niet te moogen zweijgen hebbende ik bij brief van den 23. den heer Jorin kor telijk voorgehouden dat wij zeedert on„ „heugelijke teijden tot nu toe waaren in de possessie van de oeffening van 't gou„ „vernemend niet alleen over de parruas maar ook over alle andere in woonders van de stad zonder eenige Concurentie „van den met de bedienden „ Cercar de tributen al„ leen uijtgezondert waar omtrend wij al„ droe „toos zorg dagen dat ze prompt betaald wierden en zelfs zomteyds bij voorraadt betaald waaren en dat daar bij het laas „te tracktaad met den Nabab zijn hoog „heid alle onze prevelesien had bevestigd den Wij 6

NL-HaNA_1.04.02_3922_0385 view scan ↗

English

we were well assured of the good disposition of our friends and allies, and in particular of Mr. Torin, that we would be protected therein; to this I have received a very extensive letter from Mr. Torin, dated the 25th of this month, in which he further contends that the Nabob has always contested the government which we claim to hold over the inhabitants, which, if it were so, would not prejudice our right, and that the Nabob under the word privileges certainly cannot have understood the power of government; and since in this letter, of which I have the honor to enclose an original herewith, other points also appear regarding which I am not fully provided with orders from your Right Honorable Worships, I thought it best to postpone the reply to the said letter until I shall be provided with your Right Honorable Worships' high commands concerning the exchange of the treaty with the Nabob and concerning the settlement of points over which a dispute has arisen for some time. From Mr. Torin's letter it will sufficiently appear to your Right Honorable Worships that the Nabob will very likely be restored to the government of his lands, and thus the question now seems to arise whether we shall negotiate concerning all these matters with the English government or rather await the restoration of the Nabob. On this question, which has much for and against it, I shall in particular await your Right Honorable Worships' high orders. Mr. Torin has in his said letter of the 25th further reported that no tappal has arrived from Madras for seven days now, and that the final disposition of the government of Madras concerning the pearl fishery might easily remain delayed for some days yet, but that since he was informed that their intention was to hold the fishery in this year, he would wish that I inform your Right Honorable Worships thereof and at the same time make the necessary preparations. Your Right Honorable Worships see from this that the English do not wish to bind themselves to any conditions to keep the lease at a fixed price, but seem to wish to let the lease drop as low as it will; and since your Right Honorable Worships, by a separate letter of 19 December last, were pleased to order that if Mr. Torin would not consent to a stipulation that the lease would not drop lower than around the amount of the recently held pearl fishery, I should in such case have to declare myself not qualified to proceed further, I request also in this regard to be provided with your Right Honorable Worships' further orders. After drafting this, I had the honor to receive your Right Honorable Worships' highly esteemed separate letter of the 14th of this month via Manaar, containing your ultimate decision to renounce the negotiation of 25 to 30,000 pagodas proposed by Mr. Buchanan. I shall properly comply with what your Right Honorable Worships have ordered me therein, but I at the same time take the liberty respectfully to show your Right Honorable Worships that, apart from a very small outstanding balance among the merchants, curators, and weavers for which linen is still being delivered by slow degrees, our entire remaining fund of money, apart from the fanams, currently consists of roughly 2,000 pagodas, which must most necessarily remain for the provisions; that I have absolutely no prospect of obtaining money on bill of exchange or on interest, because the English can now easily remit money among their own nation, and because it has even been announced by the last courier that at Madras one can obtain remitted money in a very advantageous manner at the counting house of Messrs. Amos and Borden; and the means and ways through which we have for some time obtained money on loan here have now been entirely taken away by the change of government, so that if your Right Honorable Worships do not devise means to provide us with money, the linen trade will have to come to a complete standstill until the arrival of our ships from the fatherland. That this is the most unfortunate thing that could befall us on this coast, I have repeatedly taken the liberty to show your Right Honorable Worships, as our exclusive trade right is thereby brought into the greatest jeopardy; for if we wish to maintain our right to the exclusive trade, we must at least keep the principal looms somewhat at work, and if we do not do this, we cannot with any reasonableness insist on the continuation of our right. We know how much this privilege of ours is an eyesore to the English, and that they will let no opportunity pass to undercut us therein. Mr. Torin, who is a very shrewd man, has the looms watched very closely. I request that your Right Honorable Worships favorably excuse my recounting this matter perhaps too often and at too great length, as I think I would fail in my duty if I did not repeatedly represent to your Right Honorable Worships the imminent danger of the loss of such a valuable privilege for the Honorable Company.

Dutch transcription

937 wij wel verzeekerd waaren van de goede dit posietie van onze vrinden en bondgenooten en in 't bijzonder van den heer Torin dat wij dan in zouden worden beschermd, hier op hebi„ een zeer uijtgebreijde brief ontfangen, van den heer Torin gedatteerd 25 deezer waar bij hij nader beweerd dat de nabab har het gouvernemend 't geen wij beweeren over van de ingezeeten te hebben, alteijd he teegen gesprooken 't geen indien 't zoo waa ons recht niet benaadeelen zoude en dato Nabab onder het woort prevelesien zekerlijk niet kan verstaan hebben de macht van het gouvernemend en vermits bij deesen brief die ik de eere heb een orrigineel hier bij te voegen ook andere punten voorkoomenw waar omtrend ik met vo „leedig voor zien ben van ordres van wm Edele groot Achtbaaren heb ik best ge „dagd om het antwoord, op den gemeld brief uijtte stellen tot dat ik van uwe Edele groot Achtb: hooge beveelen zal voorzien zijn oatrend de uijtwisselin van het traktaad met den Nabab en om„ „trend het regelen van punten waar over zeedert eenige tijd verschil is ontstaan bij den brief van den heer torin zal uwel Edele groot Achtb: genoegzaam bleijken dat de Nabab zeer waarscheijnlijk in de reegering zijner landen zal hersteld, lenden, en dus scheijnd tans de vraage ^wor te ontstaan of wij over alle deeze zaaken met de Engelsche reegeering zullen han „delen dan wel de herstelling van den Nabab zullen afwagten op deeze vra„ „ge die veel voor en teegen heeft zal ik in 't bijzonder uwel Edele groot Achtb: hooge orders afwagten. De heer Torin heeft bij zyn gemelde brief van den 25. verder gemeld dat er nu reeds zeeder seeven daagen geen tappal van madras was gekoomen en dat de finaale disposietie van het gouverne„ „ment van madras weegens de paarl visscherij ligtelijk nog eenige daagen onder weg zoude bleijven maar dat Van vermits E 938 vermits hij geinvormeerd was, dat der zelver intentie was om de visscherij om in dit Jaar te houden hij zoude wenschen dat ik hier van aan uwel Edele groot Achtb: zoude kennis geeven en te gelyk de nodige toe bereijdselen maaken uwel Edele groot Acht „baare ziet hier uijt dat de Engelschen zich aan geene kondietieen, en de pan op een bepaalde preijs op te houden willen binden maar de pagd scheijnen te willen laaten afloopen zoo laag al het wil en vermits uwelEdele groot Achtb: bij aparte brief van den 19 Decem „ber Jo Leeden heeft gelieven aan te be veelen om indien de heer Torin niet welde bewilligen in een vaststelling dat de pagt niet laager zoude loop dan omtrend 't bedraagen van de Jong gehoudene paarlresscherij ik in za danig geval zoude moeten verkla „ren niet gekwalificeerd te zijn om verders te kunnen gaan verzoek ik ook hier omtrend met uwel Edele Groot Achtb nadere ordre te worden voorzien Na het instellen deezes hebbe ik de eere gehad „te ontfangen uwel Edele groot Achtb: hoog g: „over Manaar eerde apparte letteren van den 14. deezer de „helzende hoogst der zelver besluijt om af„ te zien van de Negootieaatsie van 25. a 30000. pagooden, voor den heer Buchanan voorgesteld ik zal behoorlijk voldoen aan het geene uwelEdele Groot Achtb: mij daar bij heeft aan bevoolen maar ik neeme teevens de vreijheid uwel Edele groot Achtb: eerbiedig te vertoonen dat buijten een heele kleinrestand onder de koop„ lieden kuratooren en weevers waar over nog langzaamer hand lynwaat gelee„ „verd word, ons geheel restand van geld buijten de fanums tans bestaad in min of meer 2000 pagooden die hoogst nood zaakelijk voor de verstrekking dienen te bleijven dat ik volstrekt geen uijt zigd, om geld op wissel of op intrest te be „heb koomen weijl de Engelschen tans bij hunne naatsie zelve gemakkelijk geld kunnen ike overmaaken 930 14 1: d overmaaken en weijl zelfs bij den laaste Courier is bekend gemaakt dat men te madras op een zeer voordeelige wijze geld geremitteerd kan kreijgen ten komtor van de heeren Amos en Borden en wel de mitdelen en weegens waar door wy zeedert, eenige tijd alhier geld ter leen hebben bekoomen, door de verandering van reegeering tans geheel zijn wege noomen zoo dat indien uwel Edele Groot Achtb: geen middelen beraant, om ons van geld te voorzien de lijn waat handel geheel zal moeten stil staan tot de komst van onse sche „pen uijt 't vaderland dat dit 't alle ongelukste is 't welk ons op nzede ze kust weedervaaren konde heb is te meermaalen de vreyheijd gebruykt e „wel Edele Groot Achtb: te vertoonen wijl daar door onze exclusief hand recht in 't aller groots gevaar word „bragd want indien wij onze recht to den exclusiven handel willen maa tineeren dan moeten wij tinmenD de voornaamste weefgetouwen eeniger maa „te aan het werk houden en indien wij dit „dan kunnen niet doen kunnen „ wij met geen reede „lijkheid op de voorduuring van ons regt bleyven staan wij weeten hoe zeer dit ons prevelesie den Engelschen & in het oog staakt en dat zij geene geleegend „heijd zullen laaten voorbij gaan om ons daar in te onder kruijpen de heer torin die een heel sneedig man is laat heel na agt geeven op de weefgetrou„ wen ofk verzoek dat uwel Edele groot Achtb: gunstig gelieve in te schikken dat ik deeze zaak moogelijk te dikwels en te weijdloopig verhaale wijl ik denke dat ik aan mijn pligd zoude te kort doen indien ik uwel Edele Groot Achtb: het dreijgend gevaar van het van hat verlies van een zo kostelijke preve lesie voor de Edele Companie niet bij de herhaaling

NL-HaNA_1.04.02_3922_0388 view scan ↗

English

repeatedly brought to mind, and because I, I will not deny it, am in constant apprehension that I shall have to endure the shame and displeasure of seeing this happen in my own time. I have the honor to remain, with all respect and fidelity, Right Honourable Highly Commanding Lord, Your Right Honourable's humble and obedient servant, signed M: Mekern, in the margin Tutukorijn, the 29. January 1791. The day after sending my respectful secret dispatch of the 29. January, I received a letter from the Superintendent Mr. Torin, dated the 28. January, wherein he requested me in a rather high-handed tone for an order to the residents at Manapaar, in order to allow such linens as he wished to send to pass without hindrance. I found myself not a little embarrassed at the receipt of this letter, already at the beginning of the stagnation of our collection of linens, since, if Mr. Torin absolutely wished to export linens, I found myself without the power to be able or dare to prevent him. However, as I was informed that a parcel of linens was being prepared on Mr. Torin's account consisting of such sorts as were not reserved for the Company, and which have always been exported by private individuals, I wrote by letter of the 30. January to Mr. Torin that, before answering his proposal, I requested to have a statement of the quantity and the sorts he wished to transport. To this, Mr. Torin replied in a private letter of the 2. of this month that he did not know the quantity, and that he also did not believe that knowledge thereof was necessary for us, without mentioning the sorts, requesting once again the first-asked order. I also pointed out to Mr. Torin in a private letter dated the 4. of this month that granting an order without any reservation, allowing him to export as much linen as he wished without undergoing the customary inspection, would be tantamount to relinquishing our privilege of exclusive trade; but that, since he stated there was great urgency in the shipment, I requested him to submit his linens to the customary inspection, whereupon I would arrange that the inspection should take place with extraordinary decency and in a manner that would not hinder the dispatch, adding that this, for the present, would be the readiest means to satisfy Mr. Torin's desire without detriment to the privileges of our Company. I have moreover instructed the residents at Manapaar on this occasion not to have the inspection carried out strictly, and thus more as a proof that we are entitled to this inspection than to discover whether there were indeed linens among them that are reserved for the Company. Mr. Torin replied to this in a letter of the 5. of this month that, in a matter concerning himself personally, he could not dispute with me over our privileges, and that he had therefore ordered his servants to submit all his linens to our inspection, although he could not refrain from saying that this was a vexatious matter for the allies and friends of the Nabab, and that he did not believe the exclusive privilege to which I had appealed could be tolerated. In this manner, this matter has on this occasion been settled with a little connivance, without detriment to our privilege of exclusive trade. Mr. Torin does not yet seem to have noticed that our collection is entirely at a standstill. As soon as he notices this, he will certainly bring it forward as a new proof of the untenability of our exclusive trade right, and I fear that Mr. Torin will not only continue his commenced trade, but that he will also gain more followers among his nation, as the linens of this coast are drawn more and more due to the devastations on the Coromandel Coast. I humbly request that Your Right Honourable please provide me with definite orders as to how I shall further conduct myself in this regard, since, without the strict orders of Your Right Honourable, I find myself reluctant to undertake any act of force against the English, who now hold the government of the country itself in their hands, and from which I fear the consequences will always turn out to our disadvantage, as the power of the English, who are complete masters of these lands, so far exceeds our power that we cannot withstand them by force. By the last treaty with the Nabab, the export of fine linens and those not reserved by our Company remained free to the subjects of the Nabab, and now that the English are administrators of the country, their subjects also seem to be entitled to the same freedom as the subjects of the Nabab. I enclose herewith the letters exchanged with Mr. Torin, and I have the honor to remain, with due respect,

Dutch transcription

940 herhaaling voor oogen stelde, en weijl ik, ik wil het niet ontkennen in een geduurige be „kommering ben, dat ik de schande en het disp „sier zal moeten ondergaan om dit nog in m tijd te zien gebeuren. oft hebbe de eere met alle eerbied en trou„ „we te bleijven /:onderstond:/ Wel Edele Groot Achtbaare hoog gebiedende heer rowel „Edele groot achtbaare onderdanige en ge„ hoorzaame Dienaar /:was geteekend:/ M: Me „kern /:in margine:/ Tutukorijn den 29. Janu „arij 1791. Daags na het afzenden van myne eerbie digen secreeten van den 29. Januarij ontring ik een brief van den heer Superintenda torin gedateerd den 28. Januarij waar bij hij mij op een vreij hoogen toen verzogt om en ordre op de residenten te phanapaar, te Eijnde onverhindert te laaten pasee„ ren zoodaanige leijnwaaten, als hij ver zenden welde ik vond mij niet weijn verleegen op den ontfangst van de ze brief reets in het begin van t ste Aan als vooren staan van onze inzaameling van lywaaten wijl ik indien de heer torin volstrekt lynwaaten wilde uijtvoeren mij buyten het vermoogen vond om 't hem te kunnen of durven be„ „letten wijl ik echter onderrigt was dat er voor reekening van de heer torin een par tij lynwaaten wierden in gereedheid ge„ „bragd die in zulke soorten bestenden welke voor de kompenie niet gereserveerd waaren en die altoos door partikuliere zyn uijtgevoerd schreef ik bij brief van den 30. Januarij aan den heer torin dat ik alvoorens op zijne voorsteld te andwoor „den verzogt te hebben een opgave der quantiteid en de soorten die hij wil„ de verroeren waar op de heeren to„ „rin bij een partekuliere brief van den 2. deezer antwoorde dat hij de quar„ 8. „ titeid niet wist en dat hij ook os niet geloofde dat de kennis daar van voor ons noodzaakelyk was zonder van de zoorten te reppen verzoekende bij her„ haaling om de eerste gevraagde ordre Staan 1 941 osk. heb hier op ook bij een parte kulire b gedatteerd den 4. deezer an den heer torin doen op merken dat het verleenen va een ordre zonder eenige reservatie dat konde uijtvoeren zoveel lijwaaten al„ hij wilde zonder de gewoone visitatie te ondergaan eeven zoo veel zoude week als afte staan van onze preveleeke van de Exclusiven handel maar dat vermit hij zeijde dat er bij de verzending groot haast was ik hem verzogt dat hij zijn lywaaten welde onderwerpen aan de ge woone visitaasie wanneer ik zoude on der stellen dat de visitatie zoude ge„ „schieden met een buyten gewoone de „cintsie en op een weijze die de afscheef niet zoude verhinderen met bijvoeging dat dit voor het teegenswoordige het gereedste middel zoude weezen om aan het verlangen van de heer torm te voldoen zonder benaadeeling van de prevelesien van onze kompanie ik heb hier bij de residenten te Manapaar voorgeschreeven om ditmaal de visitaatsie niet naaukeurig te laaten geschieden en dus meer tot een be weijs dat wij tot nn sevrijs det wij tot deeze visitatie gerichtigd zijn, als om te ontdekken of er ook werkelijk lijwaaten onderwaaren die voor de kompenie gereserveert, zijn de heer torin heeft hier op bij een brief van den 5 deezer geandwoord dat hij in een zaak die hem zelfs aanging met mij niet kons „de twisten over onze prevelesien en dat hij daar om zyne dienaaren had bevoolen, om inspaktie alle zyne lywaaten aan onze Las te onderwerpen, schoon hij niet konde nalaaten te zeggen dat dit een verdrij tig stuk was voor de gealleeerde en vrienden van den Nabab en dat hij niet geloofde dat het exclusief preve„ „deke waar op ik mij had beroepen kende geleden worden op deeze weijze is dit maal met een weijnig oogluiking met prevelesie deeze 942 deeze zaak afgedaan zonder benadeeling van ons prevelisie van den exclusiven ha „del de heer torin de heer twain Scheind 't nog niet te hebben opgemerkt dat onze inlaameling geheel stil staad zodra hij dit opmerkt zal hij het voorzeeker tot een nieu beweijs aanvoe „ren van de onbestaanbaarheijd van ons exclusief handelrecht en ik vrees dat de heer torin niet alleen zijnen begon „nen handel zal vervolgen maar dat hij ook meer navolgers onder zijn natie zal kreijgen wijl de lijnwaaten van deeze kust meer en meer getrok„ „ken worden door de verwoestingen op kormandel ik verzoek ootmoedig dat uwel Edele Groot Achtb: mij met bepaalde beveelen gelieve te voorzien hoe ik mij ten deeze belange verder gedraagen zal wijl ik mij, zonder de Stipte bevelen van uwelEdele Groot Achtb: beswaard vinde om iets feij„ feytelyks te onderneemen teegen de Engel„ schen die tans de regeering van 't land zel„ „ven in handen hebben en waarvan ik vreese dat de gevolgen altoos ten on„ zen nadeele zullen uijtvallen alzo het vermoogen der Engelschen die volko„ „men meesters van deeze lande zijn ons vermoogen zo ver overtreft dat wij door geweld niet teegen hun kunnen bestaan bij het laaste traklaad met den Nabab is de uijtvoer van fyne lijnwaaten en die niet door onze kompenie zijn gereserveerd voor de onderdaanen van den Nabab vrij gebleeken en nu de Engelsche bestierders zijn van 't land scheijnen ook hunne onderdaanen tot dezelve vreijheijd gerechtigd te zijn als de on„ der daanen van den Nabab ofk voege hier bij de gewisselde brieven met den heer torin en ik heb de eer met verschuldigde eer telijks bied

NL-HaNA_1.04.02_3922_0391 view scan ↗

English

to call obedience and loyalty was signed Right Honorable and Highly Commanding Lord, Your Right Honorable’s humble and faithful servant was signed M: Meker. In the margin: Tuticorin, the 8th of February 1791. To the same as before. I have had the honor to receive Your Right Honorable’s most esteemed separate letter of the 7th of this month. Because the letter from Mr. Torin could by no means be left unanswered without in some measure acquiescing to his propositions, I replied to it as far as possible in general terms, with this single addition: that it had never appeared that the Nabob had disputed our jurisdiction over the Parruas and other residents of Tuticorin, but that even if this were so, it would not diminish a right that we had acquired through long-continued possession. To this letter, of which I have the honor to enclose a copy herewith, Mr. Torin has not replied further, nor has he sent the answer that he had promised to send after he had investigated the complaints that I had presented to him. But instead, Mr. Torin has informed me by a private letter that he deemed it unnecessary to write to me further officially concerning these matters, as My Lord Cornwallis had already written about it to Your Right Honorable, and I would therefore soon receive orders from Colombo. In the meantime, we are not disturbed in our possessions; the manigaar of Kulasekharapatnam has waived his demands on the merchants and weavers obtained from Manapaar, and the manigaar of Meeloer has also abandoned his demand for an increase of tribute and leaves the workmen and other inhabitants unmolested. Although Mr. Torin has not replied to me, we can nevertheless attribute the accommodating conduct of the manigaars to nothing other than his good disposition, and I would thus not think that for the present we could with reason complain about Mr. Torin. As soon as this is necessary, I shall, according to Your Right Honorable’s command, transmit a memorial pointing out the points about which we complain and the evidence on which our rights are grounded. The banker Kasinaden Taker, by a letter of the 26th of January, made a further request for the sequestered three thousand chakrams, and I had our interpreter present to him the evidence that Mr. Buchanan produced in support of his claim. Without entering into this, he further demanded the money under threat that he would otherwise complain at Madras. Whereupon I had the interpreter answer him further that he was free to complain wherever and however he saw fit, but that I could not release the money upon which a judicial attachment lay. Mr. Torin has also since spoken to me about the matter and informed me that the banker intended to complain at Madras if he did not receive his money. For this reason, I have suspended Your Right Honorable’s order to hand over the said three thousand chakrams to Mr. Buchanan until the further orders of Your Honor, which I respectfully request. Mr. Torin, by a letter of the 23rd of this month, which I have the honor to enclose herewith in the original, has asked for our decisive determination concerning the pearl fishery, adding that if the fishery were not immediately announced, he would from that moment relieve himself of any loss that the public in general might suffer. He further adds that the objections which I had previously raised against holding a fishery were weakened by the subsequent proposals to hold the fishery under certain restrictions to which the Circar is not bound. To this, I answered Mr. Torin by a letter of today that there were well-founded reasons to postpone the fishery for another year, and that we had only consented to the fishery to satisfy the desire of the Circar, under this very reasonable condition: that a sum should beforehand be determined by both parties to which the rent would amount, in order not to suffer too much loss from this untimely fishery and not to bring the fishery into discredit; that unable to proceed further without specific authorization from Your Right Honorable, I had requested your further orders, which I still await. I therefore request to obtain Your Right Honorable’s further orders as soon as possible, because time has advanced so far that we can no longer expect any dhonies, divers, and entrepreneurs from Ceylon, and that it will even be difficult to hold a fishery with the dhonies and divers of this coast. And especially I request a distinct order regarding the rent of the fishery up to a [illegible]

Dutch transcription

943 bied en trouwe te noemen /:onderstond:/ wel Edele Groot Achtbaare hoog ge„ biedende heer Uwel Edele Groot Achtbaare onderdanige en getrou„ „we Dienaar /:was geteekend:/ M: Meker /:in margiene:/ Tutukorijn den 8. february 1791 Aan als vooren Ik heb de eere gehad te ontfangen uwel Edele groot Achtbaare hoogst G' eerze aparte let „teren van den 7 deezer wijl de brief van den zeel torin volstrekt niet onbeandwoort konde wor„ „den gelaaten zonder eenigermaate in zijne stc „lingen te berusten heb ik den zelve zo veel mogelijk in ginneraal termen beand„ „woord met deeze enkele byvoeging dat het n nooijt was gebleeken dat de Nababonsrecht„ „gebied over de parruas en andere ingereste ne van tutukorijn zoude hebben afgekeerd maar dat dit ook zoo zeijde z niet zou de verminderen een recht 't geen wij door een langluurige possessie verkreegen hadden op deeszen brief waar van ik de eere hebbe een kappij hier nevens te voegen heeft de heer torin niet ver„ „der geandwoord en ook heeft hij niet ge zonden 't andwoord het geen hij belooft had te zenden, na dat hij de klagte die ik hem had voorgedraagen zouden hebben onderzogt maar in dies steede heeft de heer torin mij bij een parti„ kuliere brief kennis gegeeven dat hy het onnoodig oordeelde om mij verder over deeze zaaken ministerieel te schreijven wijl Mijlord Corvallis daar over reeds aan uwel Edele Groot Achtbaare had geschre„ „ven en ik diendweegen haast ordres van kolombo zoude ontfangen intussen, worden wij in onze possessien niet ge„ „. „stoord de manigaar van kollesegerpat„ „nam heeft van zyne Eijschen op de kooplieden en weever van Manapaar verkreegen 944 afstand gedaan en de manigaar van mee„ „loer, heeft ook van zynen Eijsch, om vermeerde „ring van trubut afgezzien en laat de werklig „den en andere inwoonders ongemoeijd scho ^ niet geantwoord heeft kunnen wij agter de heer torin mij de schikkelijkheijd vand manigaar aan niet anders als aan zijn goede schikking toeschreyven en ik zou „de dus niet denken dat wij voor 't teegens woordige met reeden over den heer to„ „rin zoude kunnen klaagen zo dra dit nodig is zal ik volgens uwelEdele Groot Achtbaare bevel, een memarie over zen „den aan weijzende de punten waar over wijklaagen en de bewijsen, waar op wij ons recht gezonden. De bankier kasinaden taker heeft bij brief van den 26: Januarij nader verzeek gedaan om de gearresteerde drie duijzen Sjakkerons en ik heb hem door onze tolk laaten voor houden de beweijzen die de heer Buchanan tot staaring van zijne pretentie, heeft voorgebragte hij heeft zonder zig hier op intelaaten, nader het geld geeijscht onder be„ dreijging, dat hij anders te Madras zoude kaa „gen, waar op ik hem nader door den tolk heb laaten antwoorden, dat hij zig vieijelijk konde beklaagen daar en zo hij het goedvond maar dat ik het geld niet konde afgeeven waar op een geregtelijk arrest lag de heer torin heeft mij ook zeedert nog over de zaak onder houden en mij verwettigd dat de bankier voorneemens was om zich te Madras te beklaagen in dien hij zijn geld niet kreeg ik heb om dee ze reeden de ordre van uwel Edele groot Achtbaare om de gemelde drie duyzend sjakker ens aan de heer buchaman af te geeven uijtgesteld tot de nadre ordre van de hoogste den zelve welke ik eerbiedig ver zoek. De heer torin heeft bij brief van den pretentie 23. 945 23. deezer welke ik de eere heb in ord geneel hier bij te voegen gevraagd onze disiciere dieterminatie over de paarl Ih scherij met bij voeging dat indien de vil scherij niet in midiatelyk wierd bekend ge maakt hij zich van dit oogenblik af orit „sloeg van 't verlies, 't geen 't publiek in 't ginneraal zoude lijden hij voegd daar ver „der bij, dat de ofjectien, die ik eerstmaa te teegen het houden van een risse reij bekragtigd, verzwakt waaren door de volgende proposietien om de visscherij te houden onder zeekere res„ triksen, waar aan de Cercar niet gebonden is, ik heb den heer torin hier op, by een brief van heeden geandwoord, dar er ge„ gronde reedenen waaren om de Vissche rij nog een Jaar uijt te stellen en dat wij alleen om aan het verlangen van den Cercar te voldoen in de visscherij had„ „den bewilligd onder deeze zeer billyke kondietie dat de vooren door Wederzeydse parteijen een som bepaald wierd tot hoe verre de pagd zoude afloopen om bij deeze onteijdige visscherij niet alteveelsche de te lijden en om de visscherij niet in diskrediet te brengen dat ik zonder spe „siaale kwalifikaatsie van uwelEdele groot Achtb: niet verder kunnende gaan hoogst des zelfs nader ordre heeft gevraagd die ik als nog verwagt ik verzoeke der halven uwelEdele Groot Achtbaare nadre ordre op het spoedigste te moo„ „gen erlangen wijl de tijd zo ver is in ge„ schooten dat wij geen tonies duijkers en antrepreneurs meer van Ceylon kan verwagten en dat het zelfs beswaar „lyk zal weezen om nog met de to„ nies en duijkers van deeze kust een fisscherij te houden enzonderheijd verzoeke ik een distinksie ordre op de pagd van de visscherij tot een we niet

NL-HaNA_1.04.02_3922_0394 view scan ↗

English

may not turn out to be a worthless sum, should your Right Honourable Greatness consent to holding a pearl fishery according to the proposal of Mr. Torin, I therefore request at the first opportunity a small reinforcement of militia, as the soldiers we presently have do not extend beyond the most necessary sentries in the fort. I have the honour to call myself with all respect and fidelity, (below stood) Right Honourable Great and Respected Sir, your Right Honourable Great and Respected Sir's humble and obedient servant, (was signed) M. Merkern. (In the margin:) Tuticorin, 25 February 1791. To the same as before. Since the dispatch of my respectful secret letter of 25 February, I have, at the proposal of Mr. Torin, had a meeting with his Honour at Alwatternevillie. My last letter of 25 February seemed to have very much convinced Mr. Torin of the fairness of our offers regarding the holding of a pearl fishery; at least he showed himself now much more manageable than before, saying that as long as we alone at Colombo and Tuticorin had held the lease, we could indeed have made such stipulations at the leases as we now proposed, but that this could no longer be done with propriety now that the lease was held for half on account of the Nabob, because once the lease was made public, it had to be leased out, even if the lease fell far below our expectations. I, on the other hand, said that this stipulation was now a necessity, as the season had already advanced so far that we would no longer be able to benefit from the dhonies, divers, and entrepreneurs of Ceylon, which latter had hitherto alone dared to undertake leasing the fishery, and that we consequently had to expect, through the lack of them, that the fishery would turn out to be a worthless sum, which would be equally detrimental to both parties. Mr. Torin said that he himself understood that time was so far spent that it could suffer no delay to begin the fishery immediately, if it were still to be held this spring, asking me decisively to that end whether I could consent to leasing the fishery without any restriction. Whereupon I showed Mr. Torin that I could accommodate the orders of my superiors as circumstances permitted, but now by no means transgress them; that if he thought the price of the last fishery, being about sixteen thousand pagodas, was assumed too high for the impending fishery, I would take it upon myself to moderate it to some extent, but that for no reason could I completely waive this restriction without express orders from the government of Ceylon, which I had requested but not yet received. This, said Mr. Torin, could be of no avail, as he could consent to no stipulation at the lease, adding that because I was not provided with orders to hold the lease without conditions, and because even if these orders should arrive in a few days, the season would already be too far spent to be able to finish the fishery even with the divers of this coast alone, and that because his instructions regarding this matter were none too clear, he would not press further for the holding of the fishery, but would inform his superiors that through my lack of authorization I had not been able to consent to holding a fishery without specifying the conditions, and that the proper time for holding a fishery had, through the delay in correspondence, expired too far to be able to hold a pearl fishery with hope of success yet this spring, he had had to abandon it and postpone the fishery until next year, to which I consented for our share, whereby this matter is settled for this year. I thought that the purpose of our conference had now been fulfilled, but Mr. Torin began to converse with me about matters of quite more importance, reading to me the contents of a letter written a few days ago by the government of Madras to your Right Honourable Greatness, adding that he was also instructed to confer with me about it. My answer was that because the correspondence on this matter had commenced between the governments themselves, I thought it would best be settled by the said governments, and that I, as a subordinate servant, did not consider myself authorized to act thereon without express authorization from the government of Ceylon, but

Dutch transcription

946 niet naamwaarde som zal moogen afloo„ „pen in dien uwel Edele Groot Achtbaare mogte bewilligen in het houden van een paarlvisscherij na het voorstel van den heer torin, zoo verzoeke ik bij eerste geleegend om een kleyne ver¬ sterking van Milietie wijl de mili„ teijren die wij tans hebben niet ver der rykt dan voor de aldernodig ste te schildwagten in 't ford Ik heb die eere in alle eerbied en troeuwe te noemen /:onderstond/ welEdele Groot Achtbaare hoogge biedende heer uwel Edele groot agt baare onderdanige en gehoorzaame Dienaar /: was geteekend M: Merkern /:in margiene:/ tutu korijn den 25 february 1791. Aan als vooren zedert het afzenden van mynen eerbiedi gen secreeten van den 25 februarij heb ik op voorstel van den heer torin een zaamen komst met zyn Edele gehad te Alwatter nevillie myne laasten: brief van den 25. februarij scheen de heer torin heel zeer overtuygd te hebben van de bellijkheijd van onze aan „biedingen, over het houden van een paar visscherij ten minsten betoonde hij zich nie veel handzaamer dan te vooren zeggen de dat wij zo lang wij te kolembo en te tutukorijn alleen de verpagting ge houden hadden, wel zulke stuptilaal „stelden „sien bij de verpagtingen als we nu voor hadden kunnen maaken maar dat dit niet meer met voeglyk tijd konde geschieden nu de verpagting gehouden wierd voor de helft voor ree„ kening van den Nabab wijl als de ver„ „pagting was publiek gemaakt dezelve de Moest verpacht worden schoon ook de pacht lief beneeden beneeven on„ ze begrippen ik daar en teegen zijde Zaa: Dat 947 dat deeze stipulaatsie tans te noodzaake„ „lijkheijd was, daar de tijd reeds zo ver was ver loopen dat wij niet meer zouden kunnen profiteeren van de tonies duijkers en en„ „trepeneurs van Ceijlon welke Laaste tot ni toe alleen het hadden durven ondernee„ „men om de visscherij te pagten en dat wij derhalven door het missen van de zelve te wagten hadden, dat de vis„ scherij tot op een niet- waardige som zoude afloopen 't geen voor beijde par„ „teijen even nadeelig zoude weezen de heer torin zeijde dat hij zelve begrap dat de tijd zo ververloopen was dat het geen uijtstel konde lyden, om de vis serij dadelijk te beginnen indien dezel „ve nog in dit voor Jaar zoude gehouden worden, vraagende mij ten dien Eijnde decesief af, of ik konde bewilligen in 't verpachten van de visscherij zonder eenige restriksie waar op ik den heer Torin vertoonde, dat ik de beveelen van mijnen suprieeren nageleegendheyd kon de verzogten, maar nu ten eene maa „le overtreeden, dat ik derven indien hij meende dat de preijs van de laas te visscherij zeijnde ongevaaren sestien duyzend pagoo den voor de ophanden zeij „de visscherij te hoog was genoomen ik het op mij zoude neemen om de maate zelve eeniger tijd te modereeren, maar dat ik om geene reedenen van deeze resstriksie geheel konde afgaan zonder Expresse ordre van het gouvernement van Ceylon die ik gevraagd, dog nog niet bekoomen had, dit konde zeyde de heer torin niets boaten, wijl hij in ge„ ne stipulaatsie bij de verpagting kon„ de bewilligen met bijvoeging dat wijl ik niet voor zien was met ordres om de verpagting zonder bepaaling te houden en wijl wanneer deeze ordre torin ook 948 ook in weijnige daagen mogte koomen, het Jaar geteijde reeds te verloopen zoude weezen om ook zelfs alleen met de duijkers van deeze kust, de vesscherij te kunnen Eijn digen en dat wijl zijne instruksien an trend dit stuk niet al te duijdelyk waa„ „ren hij op het houden van de visscherij niet verder zoude aandringen maar aan zyne supirieeren kennis geeven dat ik door gebrek aan kwalifikaa„ „sie in het houden van een vissche rij zonder bepaaling van de sei niet had kunnen bewilligen en dat de bekwaa„ „me tijd tot het houden van een vissche „rij door 't vertraagen van de korres pondentie te verwas verloopen om met hoope van succes nog in dit voorjaar een paarlvisscherij te kunnen hou „den hij daar van had moeten afzien en de visscherij uijtstellen tot het aan„ „staande Jaar waar in ik voor ons aandeel bewilligd heb waar door dan deeze zaak zoor dit Jaar is afgedaan. ok dagt dat aan 't oogmerk van onse konfe„ „rensie nu was voldaan maar de heer to„ rin begon mij te onderhouden, over zaaken van vreij meer aan belang leezende mij voor den inhoud van een brief door 't gouver„ nement van Madras, weijnige daagen ge „leeden aan uwel Edele Groot Achtbaare geschreeven met byvoeging, dat hij te„ „vens gelast was, om daar over met mij te confereeren mijn andwoort was dat wijl de korrespondentie over deeze Iaa zaak tusschen de gouvernement zelfs begonnen was ik dagt dat de zelve best door gemelde gouvernementen zou„ de worden afgedaan en dat ik, als een ondergeschikt dienaar, mij niet bevoegd agte, om zonder uijtdrukkelijke kwa„ lifikatie van het gouvernement van Ceylon, daar over te kunnen handelen aandeel maar

NL-HaNA_1.04.02_3922_0397 view scan ↗

English

but that for the present I could only say this, that the disputes between our Company and the Nabob were settled by a treaty concluded in the year 1788, under the mediation of Governor Campbell, who had at the same time taken upon himself the guarantee thereof. Mr. Torin acknowledged the validity of this opinion; but added at the same time that I, as local chief, was best suited to provide information concerning the rights and privileges which we exercised, but regarding which the government of Madras had many reservations as to whether the same were indeed exercised with good right and whether the manifold disputes that had taken place under the Nabob's reign had not arisen therefrom; that he also desired nothing more than to hold a friendly conversation with me about this, in order thereby, if possible, to get an idea of the true state of the dispute, while he believed he could assure me that the government of Madras was very well disposed to show all consideration for our equitable claims. Such a conversation, which could not be regarded as official, and which was not binding, I especially could not refuse to hold with Mr. Torin, with whom I had held several such friendly conversations over a period of some years, from which I had derived a great deal of benefit. I then replied that I was very sensible of the goodwill of the government of Madras, but that all disputes were settled by the last treaty. Mr. Torin then said that this treaty was directly contrary to an earlier treaty which the Nabob had concluded with Governor Campbell, who had paid no heed to it, and that not the slightest trace of the treaty to which we appealed was found in the government of Madras; asking further, supposing that the last treaty did not exist, what proofs we could produce for the rights and privileges that we exercised. My answer was that I did not think more proofs were necessary, and that we had been in peaceful possession from time immemorial, as sometimes through the passage of time one is not in a position to show the origin; that we were, however, very fortunate in our circumstances to be able to do this, because in a lawful war with the King of Spain and Portugal we had expelled the Portuguese from this coast and by the peace were confirmed in all the possessions that we had conquered; that we could certainly not demonstrate point by point all that the Portuguese had possessed, but that we had entered in good faith into the peaceful possession and rights which they had held, and that we had remained undisturbed in the possession thereof up to the present. All this was known to him, Mr. Torin said, but there had been certain arrangements between the Portuguese and the princes of Madura, from which their absolute dependence on the local sovereign was evident; we could not take from the Portuguese more than they themselves had possessed; we ourselves had also always been subject to the country's government; we had, as proof thereof, under the heathen government, had to give an annual gift to the prince by way of tribute, which upon the change to the Moorish government had been omitted; the Nabob, however, had always and steadfastly declared that he regarded the exercise of our privileges merely as a favor which he could take away from us whenever he saw fit, so that it followed from this that we had exercised all rights and privileges on this coast merely precario, and that the same could be taken away from us again at any moment. I said to Mr. Torin that we had no knowledge, and that in our papers no trace was found, of agreements between the Portuguese and the local princes, but rather that they had exercised sovereign authority; that we had never given any presents to the prince by way of obligation, but that in this century a very modest present had been given to him two or three times on occasions when the prince passed through Melur on his travels through the country and had sent his first minister to Tuticorin to pay a compliment to the chief; that neither under the heathen nor under the Moorish government had we ever lived in a state of dependence, and that I did not believe that any power in India could prove the validity of its possessions as well as we could. Finally I added that I could hardly imagine that the English nation, which was now in possession of a large part of Indostan, would wish to call into question the rights and privileges which we, after expelling the Portuguese, had possessed and exercised on this coast without being disturbed therein under the heathen and Moorish governments. All this, Mr. Torin said, would present no difficulty, for the government of Madras seemed to have the best disposition to maintain us in the rights and privileges which actually belonged to us, but we exercised rights which were incompatible with the dignity of the Nabob and his allies; that the Nabob and the English should not be allowed to transport any piece of linen from this coast without permission of the Dutch was altogether too intolerable a matter that could no longer take place; the English, as representing the Nabob, could certainly have no lesser privileges in this country than we; Mr. Torin asking further what proofs we could produce for these privileges.

Dutch transcription

949 maar dat ik alleen voor het teegenswor „dige dit konde zeggen dat de geschillen tussen onze Comperiie en den Nababr ren afgedaan bij een traktaat in he Jaar 1788. geslooten, onder de mediaa „sie van den heer Gouverneur Campbell die de gerantsie daar van teevens had op zich genoomen De heer torin erkende de gegrondheijd van dit gevoelen; maar voegde er teevens bij dat ik als plaat selik hooft het best geschikt was, om opening te geeven omtrend de rechten en prevelesien, die wij oeffenden, doch waar omtrend het gouvernement van Madras veel bedenkingen had op de zelven wel met goed recht wierden geoeffend en of daar uijt niet waa„ ren voort gekoomen de menig vul„ „dige geschillen die onder de Nababs reegeering hadden plaasgehaden dat hij ook niets meer verlangde als een viende lijke konversaatsie daar over met mij te houden, om daar door waar het moo„ gelijk een denkbeeld te kreijgen van den waaren staad des geschild terwijl hij meer de mij te kunnen verzeekeren dat het gouvernement van Madras zeer gedis poneert was, om alle oplettendheijd voor onze billyke pretentie te betoonen zulk een konversaatsie, die niet ministe„ rieel konde worden geacht, en die „konde ik voor al niet weijgeren te houden niet verbindende was „ met de heer torin met wien ik zeedert eenige Jaaren, verscheijdene zulke vrien de lijke konversaatsie had gehouden waar uijt ik heel veel niet had getrokken ik antwoorde dan, dat ik zeer gevoelig was voor de goede geneygdheijd van het gouvernement Van 950. van Madras; maar dat alle gese „len waaren afgedaan door het laat „te traktaad de heer torin zeyde toen dat dit traklaad recht streeks strue dig was teegen een vroeger tegede trak taad 't welke de Nabab had gesloo„ „ten met den heer gouverneur Camp„ „bell, die daar op geen acht had geslaa„ „gen en dat van het traktaal. waar op wij ons beriepen geen de minste bleijk wierd gevonden bij het gouvernement van Madras vraagende verder gesteld dat het laaste traktaad niet in wee„ sen was welke beweijzen wij kende voor „brengen voor de rechten prevelesien die wij oefsenden Myn andwoord was dat ik niet dagt dat er meer der beweij „dan „zen noodig waaren en „ dat wij ze dert een en geheuglyken tijd in het vreedigen bezit waaren geweest wijl men zon„ teijds door verloop van tijd niet in staad is om den oorsprong aantewijzen dat wij echter zeer gelukkig in de omstandigheijd waaren, om dit te kunnen doen wijl wij in een wettigen oor „log met den koning van Spanje en portu„ gaal, de portugeesen van deeze kust hadden verdreeven en bij den vreede bevestigd waa„ „ren in alle de bezittingen die wij veroverd hadden, dat wij wel niet van stuk tot stiek konden aantoonen wat de portie„ „geesen al bezeeten hadden, maar dat wij ter goedertrouwe getreeden waaren „en regten die zij hadden gehad en dat wij in de bezitting in de bezittingen daar van tot nu toe en gestoord gebleeven waaren Dit al„ „les was hem zeijde de heer Torin bekend maar daar waaren tusschen de por tugeesen ende vorsten van Madura zeekere schikkingen geweest, waar uijt hunne volstrekte afhankelykheijd vreedige aan 951 aan den Landsvorst. bleeke wij konde van de portugeesen niet meer afneemen dan zi zelve bezeeten hadden, wij zelve waa „ren ook altoos aan de landsre geeringo „derworpen geweest wij hadden ten blej „ke daar van onder de heijdensche reegen ring, bij weege van trubut een Jaarlyks gescherk aan den vorst moeten doen 't welk bij de verandering van de Moor „sche rebiese reegeering was agterwage gebleeven, de Nabab had echter al„ „toos en standvastig verklaard: dat hij de oeffening van onse prevelesien en keld als een gunst beschoude die hij ons konde ontneemen wanneer hij het goedvend zoo dat hier uijt vol„ „de dat wij alle rechten en pre„ veleesien op deeze kust, slegts piecario geoeffend hadden en dat de zelve elk oogenblik ons weeder kende ontnag„ „men worden iJk zeijde aan de heer to„ rin dat wij geen kennis droegen en dat bij onze papieren ook geen bleijk ge vonden wierd van over een komsten tus schen de portugeesen en de landswrsten maar wel dat zij een siverein ge„ zag gevoerd hadden, dat wij nimmer eenige geschenken aan den vorst bij weege van verpligting hadden gedaan waar dat hem in deezeeeu twee à drie maalen een zeer ma„ „tig geschenk was gedaan bij gelee„ „gendheijd, dat de vorst op zyne land„ reijsen te Meloer was gepasseerd, en zijnen eersten minister te tutukoryn had gezonden om een Compliment pretario 952 bij 't opper hooft afte leggen, dat wij nog onder de heydensche nog onder de Moor sche reegeering immer in een staad van afhankelykheijd hadden geleefd en dat ik niet geloofde dat eenige ma „gendheijd in india de deugdzaamheijd van zyn bezittingen, zo goed konde beweyzen als wij Eyndelijk voegde ik er nog bij dat ik mij kwaalijk zoo de kunnen verbeelden dat de Engel sche natie die tans in 't bezit was van een groote deel van de indos„ tan in tweijfel zoude willen trek„ „ken de rechten en prevelesien die wij na het verdreijven van de por tugeesen op deeze kust bezeeten en geoeffend hadden zonder daar in onder de heydensche en moorsche reegeerring te zijn gestoord dit alles zeijde de heer Torin zoude wel geen swaa„ righeijd hebben wet het gouvernement van van Madras scheen de beste disposietie te hebben om ons te maintineeren bij den rechten en prevelesien die ons werkelijk toekwaamen, maar wij oefsende rechten die onbestaanbaar waaren met den waardigheijd van den Nabab en zijne geallieerden dat de Nababen de En„ „gelschen geen stuk Lynwaaten van de ze kust zoude moogen vervoeren zou„ „der verlof van de hollanders, was een al 't onverdraaglijke zaak die tans geen plaats meer konde hebben De En„ gelscher als representeerende den Na „bab, konde wel geen minder prevele sien in dit land hebben, dan wij vra„ „gende de heer Torin wyders, welke be „weysen wij voor dit prevelesien konden zeyde voor —

NL-HaNA_1.04.02_3922_0401 view scan ↗

English

bring forward. To this I replied that the privilege of the exclusive trade was stipulated in a treaty with the old rulers of Madura, the original of which had been shown to Mr. Buchanan, and copies thereof had also been delivered to him. Our conversation having progressed thus far, I pointed out to Mr. Torin that he had not yet answered me, as he had promised, concerning several complaints I had made to him; that in the meantime at Manapaar several matters had been settled by the Manigaar with the Residents, but that there still remained unsettled the complaint of the washermen concerning some paddy that had been taken away by the former Manigaar Piechandi Sittij, and the complaint of the carpenters at Tutukorijn who, after being innocently arrested and beaten, were now still being called upon to pay a fine. Mr. Torin told me that, as far as the complaint of the washermen was concerned, the circumstances had escaped him, but that he would certainly need an hour to explain all the circumstances to me and to give some understanding of the matter, which was so intricate that he had found it difficult to judge. And that as far as the carpenters were concerned, whom the Manigaar claimed to have arrested and punished rightfully while we maintained the contrary, he could not answer until their disputes concerning the jurisdiction over these people were settled once and for all; that he had given such orders that he hoped such complaints would no longer occur, but that he would nevertheless write further to the Manigaar concerning the fine demanded from the carpenters. And since Mr. Torin privately promised me that, until the matter concerning the jurisdiction over the inhabitants of Tutukorijn—of which we have thus far only spoken—should be regulated by the governments, he would make no change in the customs that had been observed up to now, I also thought it best to leave it at this for the present. The Residents at Manapaard have informed me that Mr. Torin had shipped forty bales of linen at Kollesegerepatnam under the name of waddekas muster, being a sort of mooris of which our Company made no use, much of which was being transported to the Malabar; that during the shipment of this linen the same supervision was maintained as over all other linen exported by private individuals, so that Mr. Torin enjoyed no other privilege in this matter than being placed on an equal footing with the merchants of Malabar and other traders who come annually to buy a quantity of linen at Kollesegerepatnam; only we have instructed not to demand from Mr. Torin the shipping duty which is demanded from other private traders for the benefit of the servants. I also have the honor to call myself with all respect and fidelity, Right Honourable, highly commanding Sir, Your Right Honourable's humble and faithful servant. Was signed: M. Mekern. In the margin: Tutucorijn, 9 March 1791. To the above. I have had the honor to receive Your Right Honourable's most respected separate and secret letters of the 10th and 19th of this month, and shall take the orders contained therein for my guidance. In order to be able to comply with Your Right Honourable's order to provide a report on the statement of the Visitor-General Neun, and specifically regarding the alleged calculation of a certain ten thousand rupees in the year 1751, I request that the trade books of Tutucorijn of the aforesaid financial year 1753 as well as of the year 1768, together with the monthly cash accounts, may be sent here at the first opportunity, in order to be able to trace for which payment the alleged ten thousand rupees were used, and in what manner the payment was made. Secret. And whether any adjustments were made in the books later to the advantage or disadvantage, as without having performed this investigation beforehand I do not find myself in a position to comply with Your Right Honourable's highly respected order with full certainty. Mr. Buchanan has sent me, alongside his letter of the 7th of this month, a letter from the Nabob in which the same requests that I should pay the disputed three thousand chakrams to Mr. Buchanan, who at the same time requested me to hand over this money without further delay to his authorized agents at Palleamkotte, as will appear to Your Right Honourable from the enclosed copies of the letters from the Nabob and Mr. Buchanan; but whereas I have bound myself in writing to pay this money to the banker Casena den Taker and

Dutch transcription

953 voorbrengen hier op antwoorde ik dat dat het previlesie van den exclusiven del bedongen was bij een traktaar de oude vorsten van maduza waar van 't orrigeneel aan den heer Bu hanan was vertoond, en teevens kopen aan hem afgegeeven Hier meede onse konversaatke tot dit verre afgeloopen zeynde vertoonde ik aan den heer Torin dat hij mij nog „had niet geandwoord zo als hij belooft ka op verscheydene klagten die ik hem had gedaan dat intusschen te Mana „paar verscheydene zaaken door den Manigaar met den Residenten gere„ geld waaren maar dat er nog on afgedaan bleef, de klagte van den wasschers, over eenige nelie die een door den voorige manigaar Piechandi Sittij was afgenoomen en de klagte van de tim „merlieden te tutukorijn die na onschuldig gearresteerd en geslaagen te weesen nu nog „de aangesprooken wierden om een boete „ van „heer Torin zeijde my dat wat de klagte de wasschers betrof de omstandig heeden hem ontgaan waaren maar dat hij wel een uur zoude noodig hebben om mij al de omstandigheeden te verklaaren en eenige begrip van de zaak te gee„ „ven, die zodaanig geintrouulleerd was, dat hij zich beswaard had gevonden om er over te Jugeeren en dat wat betrof de timmerlieden die de mani „gaar zeijde, met recht te hebben ge arresteerd en gestraft terwijl wij het teegendeel beweerden hij daar op niet kende antwoorden voor dat zij geschied „len over de Jurisdictie van dit volk een maal waaren afgedaan dat hij zulke ordres had gesteld dat hij hoop te was dat 954 dat er zulke klagte niet meer zoude voorko „men maar dat hij echter over de boete die van de timmerlieden was gevordert nog nader aan den manigaar zoude schreijven, en wijl de heer torin mij daar bij in het par te kulier heeft belooft dat tot zo lange zaak over de Jurisdictie van de inwoon„ derens van tutukorijn, waar over wij tot nu toe alleen gesprooken hebben door de gouvernementen zoude weezen reguleerd hij geen verandering zoude maaken in de gebruijken die tot nu toe hadden plaats gehad, heb ik ook best gedagt om 't voor eerst hier bij te laaten. Deresidenten te manapaard heb„ ben mij kennis gegeeven dat De heer torin, veertig lynwaatspak „ken te kolle segerepatnam hadt afgescheept onder den naam van waddekas monster zeyn een soor t van moeris waar van onze Comp: geen gebruijk maakten het welk al veel werd vervoerd na de mallabaar dat bij den afscheep van dit lijnwaaten de zelve toezigt is gehouden als van alle andere lynwaaten die door partie kielieren worden uijt gevoerd zoo dat de heer torin in deeze geen andere voorrecht heeft genooten als dat gelijk gesteld met de kooplieden van mallabaar en andere handelaars die Jaarlyks een partij lynwaaten te kollese gerepatnam koomen koopen alleen hebben wij belast om van de heer torin niets te vorderen het het afscheepgeld 't welk van andere par tuculieren handelaars ten behoeven van de dienaaren word gevordert ook hebbe de eere met alle eerbied en trouwe te noemen /onderstond:/ Wel Edel le Groot Achtb: hoog gebieden de heer uwelEdele groot Achtb: onder danige en getrouwe Dienaar /:was„ geteekend M: Mekern (:in margiene:) Thtucorijn den 9 Maart 1791. van Aan Aan alkvooren of ik heb de eere gehad te ontfangen Uwel Edele Groot Achtb: hoogst g:'eerde apparte en secreete letteren van den 10 en 19 deeze en zal het daar bij aanbevoolene tot mij narigt laaten strekken Om te kunnen voldoen aan uwel Edele groot Achtb: bevel tot het geeven van berigt op het bericht van den heer Vesitateur generaal Neun, en spesiaal nopens de daar bij geal „ne aanweijzing der bereekening van zeeker tien duijzend ropijen in het Jaar 17 5/1 verzoek ik bij eerste geleegendheijd moogen worde herwaarts gezonden de negotie boeken van Tutucorijn van het voormelde boekjaar 17 3/3 als meede van het Jaar 176 8 met de maa delyksche kassareekening om daar bij te kunnen nagaan tot welke betaaling de geallegeerde tien duijzend ropijen ge bruykt zijn en op welke weise de betaaling geschied is Sekreet en of bij de boeken ook niet naderhand eenig redressen ten voordeele of ten nadeelen gemaakt zyn, alzoo ik zonder dit onder„ zoek: alvoorens te hebben gedaan mij niet in staad bevende om met volle zeeker„ heijd aan UwelEdele groot Achtb: Hoog g'eerde bevel te kunnen voldoen De heer Bukanan heeft mij nevens zijn brief van den 7: deezer toegezonden een brief van den Nabab, waar bij dezelve requareerd dat ik de kwestiense drie duyzend sjakke rons zoude betaalen aan den heer Buc hanan die mij tevens heeft verzogt om dit geld zonder langer uijtstel aan zijne volmagten te palleamkotte afteleggen zo als uwel„ Edele groot Achtb: zal bleyken by de over gaande kopijen van de brieven van den Nabab en den heer Buchanan maar ver mist ik mij schriftelijk verbonden heb om dit geld aan den bankier Casena den Taker en te

NL-HaNA_1.04.02_3922_0404 view scan ↗

English

956 to pay, and I myself cannot release myself from this obligation, I replied to Mr. Buchanan that I could do nothing in this matter without authorization, since at this time, when the Nabob is deposed from the government of his lands, his requisition would not justify me to the party, but that I would ask the orders of Your Right Honourable, as I have the honour to do herewith, specifically what answer I shall send to the Nabob, letting my answer to Mr. Buchanan also accompany this. For this reason I have suspended the order since received to offer the questionable three thousand chakrams to Mr. Torin until the further orders of Your Right Honourable; and since at the beginning of this matter I had already tried this remedy fruitlessly, as Your Right Honourable will be able to see in detail from the aforesaid letter of 20 November of last year. I also have the honour to be with all respect and fidelity. Was below: Right Honourable High Ruling Sir, Your Right Honourable's humble and faithful servant. Was signed: M. Mekern. In the margin: Tuticorin, 31 March 1791. To as before. The English superintendent at Tirunelveli, Mr. Torin, has sent to me with his letter of the 15th of this month a petition of the banker Kasi Natha Chetty presented to the Board of Revenue at Madras, whereby he requests their assistance to obtain the 3000 chakrams upon which an attachment was placed by Mr. Buchanan. Mr. Torin reports in his letter that the banker addressed himself to the government at Madras, but that he was first referred by them back to him. I have the honour to send Your Right Honourable a copy of the letter of Mr. Torin and of the petition of the banker, with the answer which I have given thereto. After this had already been written, I had the honour to receive via Mannar Your Right Honourable's most esteemed separate letter of the 10th of this month, and what was ordered therein with regard to the aforementioned 3000 chakrams shall be postponed until I have received further orders hereupon from Your Right Honourable, because by the payment of the money the matter would be taken out of its present state, and because a prompt answer hereupon can come now that at the end of this month or the beginning of next month all the sloops return to this coast. The enclosure for the Honourable Mr. van Angelbeek I send back herewith according to orders, since the letters brought with the Chinsura and Colombo have been properly forwarded. I have the honour to present herewith to Your Right Honourable the required answer to the report of the visitor-general Neun, and further to remain with all respect and fidelity. Was below: Right Honourable High Ruling Sir, Your Right Honourable's humble servant. Was signed: M. Mekern. In the margin: Tuticorin, 26 April 1791. 458 To as before. To as before. In compliance with what was recommended in Your Right Honourable's most esteemed separate letter of the first of this month, I sent to Mr. Torin a copy of the letter of the Nabob concerning the questionable three thousand chakrams and asked him whether the recommendation made therein by the Nabob can be complied with or not. The letter of Mr. Torin of the 11th of this month written in reply hereunto, I have the honour to present the original herewith. Your Right Honourable will see therefrom that Mr. Torin excuses himself from answering the question posed, because all the papers with the necessary information are now in the hands of the Board of Revenue, which will subsequently I have had the honour to receive Your Right Honourable's most esteemed separate letter of the 1st of this month; and according to what was recommended therein, I have had the Brahmin Sesanka Sastri transferred to the ship De Merari, in order to depart therewith to Galle and subsequently to Batavia: according to Your Right Honourable's order he has two servants with him, but in order to get him away with kindness I found myself under the necessity, merely for the voyage to Galle, to provide him with an Arachchi and three Lascars, whom I request may return as soon as possible. Furthermore, I attach hereto the account of the expenses which the said Brahmin has incurred here, which have increased greatly; because he had to be provided with clothes, which are expensive; because he, who previously lived only on milk, has changed his way of life and consumes all kinds of foodstuffs, and thus had to be provided with a quantity of necessities for the table; and because, in order to comply with Your Right Honourable's order to treat him as a man of stature and with kindness, I also found myself under the necessity to meet his daily extravagant demands to some extent. I have the honour to be with due respect and fidelity. Was below: as before. Was signed: M. Mekern. In the margin: Tuticorin, 10 May 1791. 959 hand them over to the Government to obtain their judgment regarding the claim of the banker, which will presumably be more satisfactory to Your Right Honourable than his opinion. From time to time notice has been given to me by the merchants that the English superintendent at Tirunelveli, Mr. Torin, was buying up cotton everywhere in the weaving villages upcountry and having linens manufactured, and now I have received report that at Vaippar and Sippikulam, a hamlet situated north of Vaippar, space is being prepared to store these linens and cotton, and to transport them from there to the Coromandel coast with vessels that are to come from Kayalpatnam, because we until now through lack of money in

Dutch transcription

956 te betaalen en ik mij zelve van deeze verbin tenis niet kan ontslaan heb ik aan den heer Buchanan geandwoord dat A in deeze zaak niets konde doen zonder autoriesaatie terwijl in deesen tijd, dat de Nabab ontset is van de reegeering zijner landen, zyne requisietie my niet zoude Justificeeren bij de partij maar dat ik de ordre van uwelEdele groot Achtb: zoude vraagen zoo als ik de eere heb bij deeze te doen in spesiaal welkand woord ik aan den Nabab zenden zal laatende myn andwoord aan den heer Buchanan meede hier nevens gaan hier om hebt ik het zeedert ontfangen bevel om de questieuse drie duijzend sjakker ons aan den heer Torin aan te bieden tot de nadere beve len van uwelEdeele groot Achtb: ge surcheerd en wijl in den beginne van deezen zaak dit middel reeds vrugteloos beproeft had zo als uwel Edele Groot Achtbaare in het breede zal kunnen zien bij den gem eenen brief van den 20 November 1=o Leeden ik olk hebbe de eere met alle eer bied en trouwe te zijn. /:onderstond:/ WelEdele Groot Achtbaare hoog gebiedende Heer Uwer wel Edele Groot Acht baare onderdanige en getrouwe Dienaar /:was geteekend:/ M Me„ „kern /:in margiene:/ Tutu Co„ „rijn den 31. Maart 1791. Aan als vooren De Engelse supper intendent te tir neville de heer touw- heeft mij ne vens zyne brief van den 15 deezer toegezonden een request van den bankier kasi na den taker gepre senteerd aan de vergadering van reeds re van revenuen te madrast waar bij der zelver assistentie verzoekt ter bekooming van de 3000 sjakkerons waar op door den heer Buchanan is arrest gelegt de heer toin meld in zyn brief dat de bankier zig aan het gouvernemend te madras heeft geardresseerd maar dat hij door het zelve eerst tot hem is over„ weezen Jk heb de eere u wel Edele groot Acht„ „baare toe te zenden kopij van den brief van den heer Torin en van het request van den ban kier met het andwoord het welk ik daar op heb gegeeven Na dat deeze reedts geschreeven was heb ik de eere gehad over man naar te ontfangen uwelEddele groote Achtb: hoogst geeerde ap„ „parte letteren van den 10 deezer en zal het daar bij aangeschreeven met „ betrekking tot de voorm: 3000 sjak „laaten kerons uijtgesteld „ werden tot ik hier op de nadere ordere van UwelEdele Groot Achtb: zal hebben ont fangen wijl de zaak door de uijt betaa„ „ling van het geld buijten zijn geheel zau„ de worden gebragt en wijl hier op spoe dig andwoord kan koomen nu in het laast van deeze maand of 't begin van de andere maand alle de sloeppen na dee ze kust te rug keeren de ingeslooten voor de Edele heer van angelbeekzende ik hier nevens volgens ordre te rug wijl de brie ven met de sChunsura en kolombo aan gebragt behoorlykt zyn voorgeschikt Ik hebbe de eere uwel Edle groot Achtb: hier nevens aan te bieden het gerequi reerd andwoord op het berigt van de heer visitateur generaal Neun en weri gens met alle eerbied en trouwe te bleijven /:onderstond:/ welEddele groot: Achtb: hoog geb: heer uwerwelEd groot Achtb: onder danige Dienaar /:was geteekend:/ M: Mekern /:in margiene:/ tutucorijn den 26 April 1740: uw Aan 458 Aan als vooren Aan als vooren d'Ter voldoening van het aanbevolen bij uw wel Edele groot Achtb: hoogst g'eerde apper te letteren van den eersten deezer heb ik aan den heer Torin toegezonden een kopij van den brief van den Nabab weegens de questieure drie duijzend stakke ronsen hun gevraagd of aan de aanbeveeling door den Nabab daar bij gedaan kan worden voldaan dan niet de brief van de heer toin van den 11. deezer hier op een ant woort geschreeven heb ik de eer een orrigineel hier nevens aan te bie den uwel Edele groot Achtb: zal daar bij zien dat de heer Torn zich verschoond om de voor gestelde vraage te and woorden ver mits alle de papieren nt de nodige in vormatie tans zijn in ganden van de vergadering van revenuen welke de zelve vervolgens Ik heb de eer gehad te ontvangen uwel Edele groot Achtb: hoogst g'eerde aparte letteren van den 1: deezer; en heb volgens het daarbij aanbevoolene, den Baamin ste sanka sarie op het schip De mera„ rij laaten overbrengen, ten einde daar„ meede na Gale en vervolgens na Ba- tavia te vertrekken: volgens uwel Edele Groot Achtbaare bevel heeft hij twee dienaaren bij zech, maar om hem met goedheijd wegtekrijgen heb ik mij in de noodzaakelijkheid gevonden, om hem enkel voor de reize na Gale, mede te geeven een Aaraatje en drie Laskorijns, die ik ver„ zoeke dat ten eersten mogen te nij koo- men. voorts voege ik hierbij de aanreekening van de ongelden, die gemelde Bramin hier heeft gemaakt, die zeer vergroot zijn; door dien hij van klederen heeft moeten worden voorzien, die wij aan kostdaar 4 kostbaar zijn; door dien hij, die te voren enkel van welk leefde van levens wijze veranderd is, en alderleij eet waaren gebruijkt, en dus van in partij benodigdheeden voor de tafel heeft moeten voor zien worden, en door dien ik om te voldoen aan uwel Edele Groot Achtb: bevel om hem als een man van aanzien en met goedheijd te behandelen, mij tevens in de noodzaakelijkheid heb bevonden om hem in zijne dagelijksche buij„ tenspoorige eijsschen eenigermate te gemoet te koomen Ik heb de eer met verschuldigde eerbied en trouwe te zijn /:onderstond:/ als vooren :/ was geteekend:/ M: Mekerr /: in margiene Tutukorijn den 10 Maij 1791. A 959 aan het Gouvernement zal overhandigen om daarop derzelver Jugement weegen de pre „tentie van den bankier te erlangen, welke voor uwelEdele Groot Achtbaare vermoede„ „lijk meer voldoende zal weezen dan zijne opcini. van tijd tot tijd is mij door de kooplieden kennis gegeven, dat de Engelsche supper intendant te tirnevilli de heer Torin over al in de weef dorpen boven in 't land katoen op kogt en lynwaaten laat aan „maaken en nu heb ik berigt ontfangen dat te Baipaar en Sepekolam een ge hugt geleegen benoorden Baijpaar plaats gemaakt word om deeze sijn „waaten en kattoen op te leggen, en van daar na de kust kormandel te ver„ voeren met vaartuijgen die van kail patnam slaan te koomen vermist wij tot nu toe door gebrek aan geld in

NL-HaNA_1.04.02_3922_0409 view scan ↗

English

having been in the absolute impossibility of collecting any linens, and since Your Right Honorable has recommended by secret letter of 10 March of last year to proceed with the same moderation regarding the private export of linens as was recently done at Kollesegerepatnam as long as our Company remains in the present moneyless state, we shall thus find ourselves under the necessity also to permit the shipment of linens at Baipaar and Sippikolan, if request thereto is made in the same manner as occurred at Kollesegerpatnam, and the linens are subjected to our inspection in like manner. But since previously no linens were shipped at Baijpaar or Sepikolan, and we thus have not exercised there the right to inspect the linens, and it appears very likely to me that Mr. Torin will maintain that he does not need our permission for the transport of linens from Baijpaar and Sipikolom, and does not need to subject his linens to our inspection, I request that Your Right Honorable please grant direct orders whether, if Mr. Torin ships and transports his linens without our permission and inspection, we must de facto seize the same, as I have provisionally recommended must happen if this case should occur before the receipt of Your Right Honorable's further order, as Your Right Honorable will see from the memorandum that I have left for the guidance of the Political Council and from the instructions that I have granted to the commander of the cruising vessel, copies of both of which instructions I have the honor to enclose herewith. Also, the first Resident of Kelkare has informed me that a private merchant from Madras had given a commission to the natives at Kilkare to provide linens for one hundred thousand pagodas, for which the money would be provided from time to time by wealthy money changers at Ramenadewaran. Because of all these encroachments upon our rights, I have found myself obliged to distribute the recently received rupees to the merchants in the best possible manner, the sooner the better, for the delivery of linens, although one and a half percent lower than the price set thereon by Your Right Honorable, as this small loss cannot outweigh the disadvantage brought upon us by the longer cessation of trade caused by our interlopers. Below stood: Right Honorable High Commanding Lord, Your Right Honorable's humble and faithful servant. Was signed: M:s Mekern. In the margin: Tutukorijn, 25 May 1791. I have also been honored with the receipt of Your Right Honorable's most highly respected secret letter of 16 June of last year, the contents of which I shall use for my dutiful guidance. Mr. Torin, English superintendent at Tirnevilli, informed me by a letter dated 27 June that six vessels lay ready at Baijpaar to sail with linens, cotton, and chaya roots; that his people, fearful of some hindrances from our side, raised objections to departing without passes, but that His Honor could find no reasons why we could cause any harassment to these vessels, yet that His Honor nevertheless found it equitable to give me notice of the departure so that I could give the necessary orders for their complete security. I simply answered Mr. Torin that I had given orders to let the six vessels pass unhindered, with the request that His Honor please be so good as to order his people to allow the linens being shipped to undergo the customary inspection, while I have given orders to conduct this inspection with extraordinary decency and in a manner that the voyage of the vessels would not be hindered thereby. And since the people of the vessels had insisted that they might be provided with passes, as appears from the translation of the Malabar written declaration ola of the names of the six vessels and of what they have laden, which Mr. Torin had transmitted alongside his letter, I added six license letters for the same. But Mr. Torin sent the same back to me by letter of 30 June, mentioning that His Honor could not understand that they were necessary; that after the intimation, His Honor had informed me of his intention to dispatch the vessels; that they now had orders to sail; and that His Honor trusted that I will have given my orders not to detain them if they have nothing on board other than natural products of the province of Tirnevilli suited for the capital. I wrote to Mr. Torin by letter of the 2nd of this month that I had solely sent the license slips along to reassure the people of the vessels that no

Dutch transcription

960 in de volstrekte onvermoogelikheid zijnde geweest om eenige inzaameling van lijk waaten te doen en vermist uwel Edele Groot Achtbaare bij secreete brief van den 10 Maart J:o Leeden heeft aan bevoolen om zolang onze Compenie in de presente geldeloosen staad bleijft verseeren om tren den partikuliere uijtvoer van lijnwaaten met de zelve gematigheijd te werk te gaan als onlangs geschied is te kolle segere pat nam zoo zullen wij ons in de noodzaake lijkheijd bevinden om ook den afscheep van lyn waaten te baipaar en sippe kolan- te moeten toestaan indien daar om op gelyke wijze als te kolle seger patnam is geschied, word verzoek gedaa en de lynwaaten op gelyke wijze te aan onze visitaatsie worden en der worpen maar vermist te vooren te baijpaar te sepikolan geen lynwaaten zijn gescheept en wij dus aldaar niet geoeffend hebben het recht om de lijnwaater te visiteeren en het mij zeer waarscheijn „lijk voor komt, dat de heer torin zal subtineeren, dat hij ons verlof tot het vervoeren van lijnwaaten van baijpaar en Sipikolom niet nodig heeft, en zyne lijn„ waater aan onze visitaatsie niet behoeft te onderwerpen, verzoeke ik dat uwel„ Edele groot Achtbaare directte beveelen gelieven te verleenen of wij, indien de hier Torin zonder ons verlof en visitaatsie syn waaten afscheept en vervoerd het zelve feytelyk zullen moeten aanhaalen zo als ik bij voorraad heb aan bevoolen, dat zal moeten geschieden, in dien dit ge„ „val voor den ontfangst van uwelEde Groot Achtb: nader order zal voor koomen zoo als uwel Edele Groot Achtb: zal zien bij de memorie die ik tot na rigt van den politieken raad heb na gelaaten en bij de instrukke die ik aan den 961 Aan als vooren den gezaghebber van de kruijstonie heb verleend van welke beyde in struksien ik de eere heb koperen hier nevens te voegen. Ook heeft de eerste Resident van kelkare mij kennisgegeeven dat een partuckiliere koop„ „man van Madras aan de inlanders te kil „kare kommissie had gevonden om voor kon„ „ Lijnwaaten dert duysend pagooden „ te bezorgen waar toe het geld door vermoogen de wisselaars te ra„ menadewaran van tijd tot tijd zoude worden bezorgd. om alle deeze onder kruijpingen in onze rechten, heb ik mij verpligd gevonden om de enlangs ontfangene ropeijen op de best mogelijkste wijze hoe eer hoe beeter aan de kooplieden tot de leveransie van lyn waaten aftegeeven schoon een en een haff percento lager dan den preij die door uwelEdele Groot Achtbaar daar op is gesteld wijl dit kleijn velie niet kan opweegen teegen het nadeel 't geen ons door 't langer staaken van den handel door onze onder kruijpers word toe„ gebragd. /:onderstond:/ WelEdele Groot Achtb: hoog gebiedende Heer UwerwelEdele groot Achtbaare onderdanige engetrouwe Dienaar /:was geteekend:/ M:s Mekern, /:in margiene:/ Tutukorijn den 25: Maij. 1791. ook heb mij vereerd gevonden met den ontfangst van uwel Edele Groot Achtbaare hoogstop eerde secreete brief van den 16. Junij J:o Lee„ „den welkers inhoud ik tot mijn schuldige naricht zal laaten dienen. De Heer Torin Engelsche supper intendent te tirnevilli gaf mij bij een brief gedatteerd 27. Junij kennis, dat er zes vaartuijgen, te baij „paar gereed laagen te zijlen met lywaaten katoen en saije wortels, dat zyn volk Be„ „dugt voor eenige hindernissen van onze zyde zwaarigheid maakten om te vertrek „ken, zonder passen, maar dat zijn E: gee„ „ne reedenen konde vinden waar door wij aan deeze vaartuijgen eenige molesten kon„ „den aanbrengen, dog dat zyn E: het Echter den billijke billijkt vond, om mij kennis te geeven van he vertrek op dat ik de nodige ordres konde stellen tot hunne volkoomene verzeeke „ringik heb de heer Torin en kelgeand woord dat ik ordres gegeeven had om de ses vaartuijgen en verhindert te laaten passeeren, met verzoek dat zyn E: zo goed gelieve te zijn zyn volk te belasten om de lynwaaten die afgescheept wier „den, de gewoonlyke visitaatken te laaten ondergaan terweijl ik ordre gesteld ge heb, om deeze visitaatsie te doen met buijten gewoone decentie en op een wijze dat daar door de reijse der vaartuijgen niet verhindert wierden en vermits het volk van de vaartuijgen daar op had aa gedrongen dat zij van passen mogten v „zien worden, bleykens het translaad van de mallabaarsche opgaave ola van de naamen der ses vaartuijgen en van geen ze gelaaden hebben, die de heer Torin„ nevens zijn brief had overgezonden zo heb ik er ses liecensie brieven voor de zelve bij gevoegd, maar de heer Torin zondmij de 8 zelve bij brief van den 30. Junij weeder te „rug, onder melding, dat zijn E: niet kon„ de begreijpen dat ze nodig waaren dat zijn E: na de intimatie mij van zyn E: had voorneemens „ kennis gegeeven, om de vaar afte zenden dat zij nu ordre hadden om te zeijlen en dat zyn E: vertroude dat ik aan mijn ordre zal gegeeven heb„ ben om ze niet op te houden als ze niet anders in hebben als natuuwlyke producten van het landschap tir nevil „li geschikt voor de hooft plaats ik schreef aan de heer torin by brief van den 2. deezer dat ik de licentie briefjes eene r s „lijk had meede gezonden om het volk van de vaartuijgen te verzeekeren dat Geen te

NL-HaNA_1.04.02_3922_0412 view scan ↗

English

they had no hindrance to expect from our side, of which it was apprehensive, and that for the rest I had already, in accordance with my first letter to His Honour, given orders not to prevent the vessels in their departure. I also take the liberty of enclosing herewith the two letters from Mr. Torin in original, along with the copies of the letters written by me in reply thereto, and of the translation of the Malabar ola sent over by Mr. Torin, containing a list of the names of the six vessels and of what they have laden. For the rest, I have the honour to remain with all respect and fidelity, (below stood:) Right Honourable Ruling Sir, Your Right Honourable's humble and faithful servant, A. van der Wall. (was signed:) Your Honour's servant, (in the margin:) Tuticorin, 14 July 1791. To the same as before. As soon as it had appeared from the inspection held of the pearl banks, the report of which was presented to Your Right Honourables with the general letter of 30 November, that in the coming spring a small pearl fishery could be held with good success, I offered to the English superintendent, Mr. Torin, a draft for a publication and at the same time a draft of the conditions upon which, in my opinion, the farming out ought to take place. Mr. Torin replied to this on the 5th of this month that he found many objections both to the publication and to the conditions, about which he wished to speak with me in person, and for which purpose he proposed a meeting at Alwarthirunagari. This meeting took place on the 13th of this month. Mr. Torin proposed on that occasion that, since the Nabob now shared for one half in the pearl fishery, he was certainly entitled to propose such arrangements as he deemed advisable to make the fishery yield the most; that Tuticorin was not the place to obtain the highest price at the farming out of the pearl fishery there, because Tuticorin itself had no wealthy inhabitants, and those who had a desire for this farming out in Madras and Tirunelveli would not come to Tuticorin; for which reason Mr. Torin proposed that the farming out should take place as well in Madras and in Tirunelveli as at Tuticorin. My answer to this was that at the previous pearl fishery held in the year 1787 the Nabob had made no other objections against holding the farming out at Tuticorin than only this, that the farming out should not be held at Colombo as was formerly customary; that in the treaty made since then it was stipulated that the farming out and all other arrangements in the pearl fishery should take place as was customary, and that it followed therefrom that the Nabob had acquiesced in the custom of holding the farming out of the pearl fishery solely at Tuticorin, where everyone had the liberty to come in person or to send his commissions as he saw fit. But Mr. Torin maintained that even if the Nabob or his servants had for once, for particular reasons that may then have existed, consented that the farming out should take place only at Tuticorin, this did not prevent him from making use of his right in the future that the farming out should also take place in his territories; to which Mr. Torin further added that, although he had complete confidence that the farming out at Tuticorin would be conducted faithfully, he nevertheless could not consent that the farming out should be held there alone. I then declared to Mr. Torin that I was not authorized to make any change in the once adopted method of farming out, but that I would forthwith make his proposals known to Your Right Honourables and request Your Highest's further orders in that regard. Mr. Torin pointed out to me that a good pearl fishery was currently at hand, and that corresponding over formalities in this manner might cause the best season to slip away, the blame for which would lie entirely on our side, since everything he proposed belonged to the Nabob according to strict law. I have considered hereupon that it cannot well be denied that the Nabob actually has the right to maintain that the farming out of the fishery be held in his territories just as well as in those of the Company; that the same cannot but serve to the benefit of the farming out, and thus of ourselves; and that one may reasonably assume that this method of farming out will be the last, and therefore never be drawn into a precedent, because it is now held as a certain matter that the Nabob will regain his territories within a very short time, and at a subsequent fishery His Highness will certainly have the half of the thonys that belong to him fish for his own account, in which case the Company can dispose of its half as it sees fit. Under these circumstances, I thought it best to arrange matters as well as possible so that the fishery might proceed in due time, provided only that the arrangements made contained nothing to the prejudice of our rights. I have hereupon further

Dutch transcription

963 ze van onze zijde heene kinderen. te wag„ „ten hadden waar voor het zelve beducht was en dat ik voor 't overige reeds volgens myn eerste brief aan zyn E: had ordre, gesteld om de vaartuijgen in hun vertrek niet te verhinderen ook neeme de vreyheijd de twee brieven van de heer Torin in orrigineel hier nevens te voegen met de kopeijen van de brieven door mij daar op in andwoord geschreeven en van de translaad malabaars ola die de heer torin heeft overgezonden b hebzende ophaare der naamen van de ses vaartuijgen en van 't geen zij gelaa„ „den hebben. Overigens heb ik de eere met alle eerbied en trouwe te bleyven /: onderstond:/ wel Edele Groot Achtbaare gebieden„ de heer, uwer wel Edele Groot Achtbaar onderdanige en getrouwe Dienaar A van der Wall. /:was geteekend:/ uE: uekenden /:in margie „ne:/ tutukorijn den 14. Julij 1791. — Aan als vooren zoo draa bij de gehoudene visitaatsie der paart banken, waar van het rapport aan uwel Edele groot Achtb: bij den gemeene brief van den 30 9ber: is aangebooden, was gebleeken dat in het aan staande voor Jaar met goed succes een kleijne paarlvisscherij konde worden gehouden, heb ok aan den Engelschen superintendent den heer Torin een Concept tot een pubilicatie en teevens een concept van de kondictien waar op na mijne gedagten de verpagting be hoorde te geschieden aan gebooden De heer Torin andwoorde hier op den 5: deezer dat hij zoo bij de publiekaatsie als bij de ko„ „duthien veele aanmerkingen vond waar over hij in perzoon met mij wenschte te sprae„ „ken, en waar toe hij een te zaamen komst voorstelde te Alwatiernevellij deeze te zaa„ „menkomst heeft den 13. ' deezer gevolg gehad de heer Torin stelde daar bij voor dat wijl de Nababtans voor de helft in de paarrisscherij deelde hij voor zeker gerechtigd was om zulke schikkingen 964 schikkingen voor te stellen als hij oordeelde raad „zaam te weezen om de visscherij op het meste l doen gelden dat Tutu corijn de plaats niet was om bij de verpagting aldaar der hoogsten preij voorde paarldisscherij te bekoomen, mijl tituco zijn zelve geene vermoogende in gezeeteren had en die lust hadden tot deeze verpagting te madras en terne ville niet na tutuco zijn zoude koomen waar om de heer Po„ „rin voorstelde dat de verpagting zo wel zou„ „de geschieden te madrasen te tirne ville abs te tutu corijn mijn andwoord hier op wa dat bij de voorige paarlvisscherij in het Jaar 1797. gehouden de Nabab geen andere ob„ jectien, teegens het houden van de verpag ting te tutinCorijn had gemaakt als al leen deeze dat de verpagting niet gelijk te vooren gebruykelyk was te kolembo zoude worden gehouden dat bij het ze„ dert gemaakte tractaat was gestipuleerd dat de verpagting en alle andere schikkingen in de paarlrisscherij zoude geschieden zoo als het gebruijkelijk was en dat daar uijt volgde dat de Nabab berust had in het gebruijk om de verpagting van de paarlresscherij alleen te houden te Tutucorijn daar een igelijk vreyheijd had om dezelve te koomen of zijne kommisssien te zenden zoo als hij het goed vind maar de heer Torin beweerde dat zoo de Nabab of zijne bedienden ook al voor een enkeldmaal om bij zonder reedenen die er toen hebben kunnen plaats gehad, had bewilligd dat de verpagting alleen te tutu Corijn zoude geschieden hem zulks niet belette om in het vervolg gebruijk te maaken van zyn recht, dat de verpagting ook in zijne lander geschiede, waar bij de heer Torin noch verder voegde, dat hoewel hij volko„ men vertrouwen stelde, dat de ver pagting te tutucorijn getrouwelijk geschiede, hy echter niet konde in bewelligen 965 kring bewilligen dat de verpag„ alleen aldaar zoude worden gehouden, ik verklaarde als toen aan den heer Torin dat ik mij niet gequalifice rond, om in de eenmaal aangenoomene wijse van verpagting verandering te maaken, maar dat ik, zyne voorstellen ten eersten aan uwelide „le Groot Achtb: zoude bekend maaken, en hoogst Deszelfs nadere orders daar omtrend vraagen, De heer Torin vertoonde mij dat er tans een goede paarlretscherij voor handen was, en dat op deeze wijze daar over for„ malieteiten te korrespondeeren de beste tyd zoude kunnen verloopen, waar van de schuld geheel aan onze zijde zoude wee zen, wijl al 't geen hij voorstelde volgens het strikte recht aan den Nabab toekwan„ Ik heb hier op overwoogen dat het niet wel is te ontkennen, dat de Nabab werkelijk het recht heeft, om te be weeren, dat de verpagting van de visscherij even zo wel in zyne land als in die van de Comp: word gehouden dat het zelve niet als ten voordeele van de verpagting en dus van ons zelve kan strekken, en dat men genoegzaam zeeker mag stellen, dat deeze wijze van verpagting de laaste zal wee„ „zen en dusnimmer tot een gevolg worden getrokken wijl men het tans ab een zekere zaak steld dat de Nabab binnen heel wijnige tijd zijne landen zal te rug erlangen en zijne hoogheijd bij een volgende visserij de helft van de tovies die hem kompateeren voor zeker voor eenige reekening zal laaten visschen wanneer de Comp: over haare helfte kan beschikken zoo als de zelve het goedvind in deeze omstandigheijd heb ik gedagt dat het best was, om de zaaken zo goed te schik ken als het mogelijk was op dat de visse rij bij tijds konde voortgang hebben in dien alleen de gemaakte schikkingen niets tot benadeelingen van onze rech „ten behelsden ik ben hier op nader als in

NL-HaNA_1.04.02_3922_0415 view scan ↗

English

966 and entered into negotiations with Mr. Torin, and we have agreed that the pearl fishery shall be publicly auctioned at Kolombo and at Tutucorijn on the 20th of January; that at Maaddras and Tirnevillia bids will be received by sealed tenders; and that Mr. Tori will come to Tutucorijn with these sealed tenders on the first of Fuburiarij and open them in my presence; and that whoever is found to have made the highest bid, whether at the public auction or by sealed tender, will be accepted as renters. To the publication that I have drawn up with Mr. Torin in the French language as aforementioned, I attach a copy hereto, along with a transcript of the lease conditions as settled by myself and Mr. Torin, in which it is stipulated regarding the provision of sureties that each party will be responsible for the payment of its own subjects who may become renters; and that thus the Dutch will be satisfied with the declaration of the Cercar that the highest bids have been made by a suitable person who has given sufficient security, while the Cercar will be satisfied with a similar declaration on the part of the Dutch; furthermore, the party to whom the renter is subject will be obliged to receive the payment from the renter and to divide it with the other party two months after the conclusion of the fishery. Furthermore, I have agreed with Mr. Toren to sign an act providing that all the aforementioned arrangements shall only take place for the upcoming pearl fishery, and thus not be drawn into precedent for the future, or in case it should happen that the respective principals might not be pleased therewith. Mr. Torin had already, by letter of the 29th of November, consented to hold the pearl fishery in accordance with the advice of our commissioners, with 60 tonies and 300 divers for the duration of 15 days, solely under these conditions: that the oysters which should then still remain would be fished up for the account of both parties. Which condition I directly accepted, with this addition: that I hoped Mr. Torin would only wish this if significant oysters should remain, and by no means in the opposite case, because we had hitherto been under the impression that it was harmful to the banks to scrape up too much, which is why hitherto, after a fishery, we had never held a second lease, even though some oysters had remained. In the interview with Mr. Torin, he explained himself on this point, saying that it was by no means his intention to make any further attempts on the banks if the remaining oysters should be few and of no significance, but that his aim was, if after the conclusion of the fishery any oysters of significance should still remain, 968. to use all the tonies and divers to have them fished up and sold for the account of both parties. I told Mr. Torin that if he insisted on this, I would make no difficulty in agreeing to it, although a matter of that nature could not possibly be overseen by us, as we would not be able to watch over the manifold thefts, wherefore I thought that in such a case it would be better to lease out anew the right to fish the remaining oysters on the banks. The location of the pearl banks where the upcoming fishery will be held is so advantageous for easily fishing up the oysters found there and quickly bringing them to shore, that there is not the least probability that the fishery will be able to last a full fifteen days, and much less that after that time oysters of significance would still remain on the banks; and as this will become clearly evident in the course of the fishery, I have agreed with Mr. Torin to postpone this matter until the end of the fishery, and as there is thus time to ask Your Right Honourable's approval on this, I request to obtain the same; while I further have the honour to remain with due high esteem and fidelity. (Underneath stood:) At Kolombo. 969 Secret. Right Honourable, Highly Exalted Lord, Your Right Honourable's humble and faithful servant, (signed:) M: Mekern (in the margin:) Tutu Corijn, the 19th of December 1791. Ever mindful, as faithful and honour-loving servants, to promote the country's welfare and thereby, besides the pleasant satisfaction that the consciousness of performing one's duty gives, also to merit Your Right Honourable's high approval, it has caused us great regret that the memorandum inserted in our secret Resolution of the 14th of February last for the Honourable Acting Dessave Berghuis did not merit Your Right Honourable's high approval; the more so because the intention of the undersigned Commander in drafting the said Memorandum was truly by no means to commit anything to paper that could be displeasing to the innocent or be taken by others as secret slights; the said memorandum was solely drawn up for the guidance of the Honourable Berghuis. Right Honourable, Respected, Highly Exalted Lord! To the Right Honourable, Respected Lord Willem Jacob van de Graaff Ordinary Councillor of Dutch India, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, together with the Council—. Agrees, Hijbrands First Clerk

Dutch transcription

966 en onderhandendeling getreeden met den heer Torin en wij zijn over een gekoomen dat de paarlvesscherij publiek zal worden op gereijl te kolombo en te tutucorijn den 20 Januarij dat te naaddras en tirne villia bie die gingen zullen worden ontfangen bij gezeegelde billetten en dat de heer tori met deeze gezeegelde billetten der eerst fuburiarij te tutucorijn zal koomen en dezelve in mijne presendsie openen en dat die bevonden word het hoogste bod te hebben gebooden het zij bij de ver agting het zij bij gezeegelde billetten als pachters zal worden aangenoo „men de pubilicaatie die ik met den heer Torin in voeger voor schreeven in de fransche taal heb ri gearresteerd voege ik een kopij hier nevens met een afschrijf van de pagt kondietien zoo als die door mij en den heer Torin zijn gearresesteerd en waar bij ten belange van het stellen van borgen is vastgesteld, dat elke partij zal verandwoordelijk wee zen voor de betaaling van zyne onder hoorigen, die mogten pagter worden en dat dus de hollanders zullen te vreede we zen met de verklaaring van de Cercar dat de hoogste aanbiedingen gedaan zijn door een geschikt voorwerp en die genoegzaam zeekerheijd heeft gegeeven Terweijl de Cercar zal te vreeden wee zen met een dergelyke verklaaring van de zyde der hollanders zullende voorts de partij aan wien de pagten onderhoorig is verpligt weezen om de betaaling van den pachter te ontfangen en dezelve twee maanden na het af loopen van de visscherij met de ande re partij te verdeelen Voorts ben ik met den heer Toren overeengekoomen om een acte te teekenen zijn dat dat alle de vooren gem: schikkingen alleenlijk zullen plaats hebben voor de aanstaande paarlrisscherij en dus niet worden ingevolg getrokken in den aanstaande of het mogt gebeuren dat weederscheijdse principaalen daarin geen genoegen mogten neemen. De heer Torin had reedte bij brief van den 29 November, bewilligd om de paard visscherij te houden over een komstier het advis van onze gekommitteerde met 60 tonies en 300 suijkers voor den tijd van 15 daagen eenelijk onder deeze kondietieen dat de oes ters die er dan nog zoude overbleijven zoude worden opgerist voor reekening van beijde partijen welke kondietien ik die rectelijk heb aangenoomen met deeze bijvan „ging dat ik hoopte dat de heer torin dit enkelyk zoude wenschen wanneer er oesters van aanmerking mog ten overbleijven en geenzins in het teegen gestelde geval vermats wij tot nu toe in de verbeelding geweest waaren dat het schaadelijk was voor de banken om al te veel op te schraapen waa rom tot nu toe na eene visscherij nooijd een tweede verpagting hadden gehouden Schoon en ook eenige oesters waaren overgebleeven bij de en bretue met den heer torin ver klaard hij zig hier op zeggende dat het geenzinste zijne meening was om eenig verdere pogingengie op de op de banken te doen wanneer de overbleijvende oesters weijnig en van geen aanmerking mogting weezen maar dat zijn oogmerk was om indien er na het afloo pen van de visserij noch eenige van oesters „ aanmerking mogten wanneer over 968. overbleijven alle de tenies en duijkert en te gebruijken om de zelve te laaten op ris „sen en voor reekening van bij de par„ teijen 't laaten verkoopen ik zij de de heer tozin dat indien hij hier opstond ik geene zwaarigheijd zoude maaken om er in te bewilligen schoon een saak van die natuur door ons onmogelijk zouden kunnen wor den nagegaan wijl wij op de meenig vuldige die verijen niet zoude kunnen letten waarom ik dagte dat het in zulk een geval beeter zoude weezen om op nieue te verpagten heb recht om de overgebleevene ach ters op de banken te vissen de geleegendheijd van de paart danken waar op de aanstaande vissereij zal gehouden worden is zoo voordeelig om de daar op gevondene wordende oesters gemak kelijk op te visschen en spoedig aan de wal te brengen dat er geen de minste waarscheijnlykheyd is dat de vesscherijg volkoomen veijf tien daagen zal kunnen duu„ „ren en veel minder dat er na dien teijd nog oesters van aan mer king op de banken zouden over bleijven en wijl dit in den koop van de nisscherij duijdelijk zal bleijken heb ik met den heer torin vast gesteld om deeze zaak tot op het eijnde van de vissche rij wij testellen en wijl er dus tijd is om hier op uwel Ed groot Achtb: goed vinden te vraagen versoek ik het zelve te moogen Erlangen, der weijl ik voorts de eere heb met 't verschuldigde hoog agting en trouwe te bleyven. /:onderstond:) op Wel Kolombo. 969 Secreet. Wel Edelele Groot Achtb: hoog Gebieden de heer Uwer wel Ededele Groot Achtb: onderdaanige en getrouwe Dienaar /:was geteekend:/ M: Mekern /:in margie„ „n: Clutu Corijn den 19 December 1791. Geduurig bedagt om als trouwe en eerlievende die„ naeren 'slands welvaart te bevorderen en daar door buiten een behalven de aangenaame voldoening die het bewust zijn van pligt betragting geeft ook uwel Ed: Gebtr: Groot Achtb: hooge goedkeurig te verdienen heeft het ons zeer leed gedaan dat de bij onze secreete Resolutie van den 14. februarij J„L: geinsereerde memorie voor de E: waarneemen„ de Dessave Berghuis niet uwel Ed: Gestr: groot Achtb: hooge goedkeuring heeft moogen verdienen, te meer wijl het oogmerk van den ondergeteeken„ „den kommandeur bij het ontwerpen van gedagte Memorie waarlijk geenzints geweest is, om iets ten papieren te brengen, dat den onschuldigen ongevallig konde zijn of door anderen voor gehei„ me vernijtingen genoomen worden, gedagte memorie is alleen opgesteld en den E: Berghuis tot zijne Wel Edele, Gestrenge Groot Achtbaa„ „re Hoog Gebiedende Heer! Aan den Wel Edelen Gestrenge Groot Achtb:=re Heer Willem Jacob van de Graaff Raad ordinair van Nederlands Jndia Gouverneur en Direkteur van het Eiland Ceilon met dies onder„ hoorigheeden, nevens den Raad—. Hijbrands Akkordeert narigt VEgklerk

NL-HaNA_1.04.02_3922_0419 view scan ↗

English

970 instruction was also given, as we trust that he will also have accepted it without—as may be expected from his discretion—sharing its existence, much less its contents, with others, so that it is also certain that none of the inhabitants of Matara can be disturbed or alarmed by it. The undersigned Commander, understanding that in this current condition of Ceilon attention must primarily be paid to promoting peace and quiet and making them steadfast, considered it necessary to give the Honorable Berghuis—who declared himself to be entirely ignorant of everything regarding the state of the Matara Dissavony—as extensive an instruction as possible, in so far as the undersigned Commander views and judges matters; and for that reason he has conferred personally and verbally with the Honorable Berghuis in great detail about one thing and another relating thereto. In addition, the first undersigned thought it necessary to add in writing what his thoughts mainly were regarding the conduct of the Honorable Berghuijs, not only to serve as his Pro Memoria, but also to be able to provide at all times authentic proof of the first undersigned's views and conduct, since through a misunderstanding new troubles could very easily arise, for whose consequences the first undersigned always hopes to be unaccountable by being able to provide proof of his conduct. Upon rereading the aforementioned memorandum delivered to the Honorable Berghuis, we truly find nothing that, in our humble judgment, could be offensive to the innocent and serve as a reproach to others, since the truly innocent are not included in the general pardon, and the guilty, insofar as they wish to be included in it, are covered by the general pardon. The recommendations appearing in the said Memorandum regarding the recent disturbances were solely intended to remove anything that could leave any of the inhabitants of Matara with any doubt about the genuinely good intention of the general pardon. Therefore, it was recommended to the Honorable Dessave Berghuijs to show immediately upon his arrival that he would no longer remember the recent disturbances, nor take them into consideration. We are still in doubt whether in the recent disturbances some 971 of the principal Chiefs did not play their part; thus we thought that speaking much about it might easily give rise to some reflection, since the vindictiveness that seldom sits still might also have been fed too much if the Honorable Berghuis had appeared entirely ignorant, whereby all those could certainly have suffered who may, and may not, have sacrificed themselves as victims of the truth, and may still be ready to subject themselves to the most rigorous investigation. Policy required—as we believed in the beginning after the disturbances, by God's goodness, were quelled—that, although a legal investigation would certainly have discovered to what the true origin of the disturbances is to be attributed and who were the ones that misled Mr. van Angelbeek, no investigations should be made. This policy certainly also caused your Right Honorable Sirs to decide recently to cease all investigations. This does not alter the fact that one must keep in memory what one knows, and as the undersigned Commander thinks he must direct his attention more to some and less to others, he considered himself obliged to forewarn Mr. Berghuis, and indeed in such manner as is noted in the aforementioned Memorandum. This was done primarily to make him active and not too trustful in the service entrusted to him; for the well-intentioned we can be unconcerned, whereas the ill-disposed for the present may think precisely as they have determined in their intentions, and concerning whom we cannot be careful enough. Upon this reasoning rests the Memorandum given to Mr. Berghuis, and the first undersigned Commander therefore humbly requests that if he has conducted himself poorly, this may not be held against him, but rather corrected, in order thereby to correct his thoughts and serve his masters well. We pray, meanwhile, that his inadequate talents may always be regarded with a favorable eye, since he desires nothing more than to improve his shortcomings, to which the favorable remarks of your Right Honorable Sirs regarding his conduct will not contribute little. With the highest sentiments of deep respect, we have the honor to be, below stood, Right Honorable Sirs

Dutch transcription

970 narigt mede gegeeven gelijk wij vertrouwen dat wij dezelve ook zal genoomen hebben zonder, men mag dit van zijn discretie verwagten, aan anderen dies existentie nog minder dies inhoud meede te deelen, wan neer het dan ook zeeker is dat niemand der Matu„ reesche Jngezeetenen. daar over kan gestoord of ontrust zijn, De ondergeteekende kommandeur begrijpende, dat in deeze teids gesteldheid van Ceilon voornament„ lijk gelet moet worden om vreede en rust te be„ vorderen en stand vastig te doen zijn, achte den het noodzaakelijk den E: Berghuis die betuigde nopens den staat der Matureesche Dessavonie geheel onkundig te zijn van alles zo veel moge „lijk eene uitgebreide onderrigting, in zo verre de ondergeteekende kommandeur de zaaken be„ schouwt en beoordeeld te geven en daarom heeft hij den E: Berghuis perzooneel en mondelijk zeer uitgebreid over het een op ander daartoe betreklijk onderhouden, hier bij heeft de eerst geteekende gemeend ook in geschrifte te moeten voegen het geen hoofdzaakelijk zijne gedagten nopens het gedrag van den E: Berghuijs waaren, niet alleen om tot zijn E: Pro Memorie te dienen, maar ook om ten allen teede autentique bewijzen van des Eerst geteekende gevoelen en gedragte kunnen geeven, aangezien door een verkeerd begrip wel ligte„ lijk nieuwe onhielen konden ontstaen, voor welkers gevolgen de Eerstgeteekende door bewijzen van zijn gedrag te kunnen geven altoos hoopt onverand„ woordelijk te zullen zijn. Bij herleesing van meergem: aan den E: Berghuis overgeveene memorie, vinden wij waarlijk niets dat na ons geringe oordeel den onschuldigen onge„ ver vallig kan zijn en anderen tot vijwijting strek„ ken aangezien de waarlijk ontschuldigen niet in het Generaal - Paredon begreepen worden en de schuldigen door het generaal-pardon, in zo ver„ re zij er in begreepen willen wesen, gedekt zijn De aan recommandatie die bij gedagte Memorie betreklijk de laatste onlusten voorkoomen, bedoelden alleen om alles uit de weg te ruimen wat den een op ander Matureesche ingezeetenen eenige twijffel aan de weezentlijke goede intentie van het Generaal= pardon konde over„ laaten, dierhalven is den E: Dessave Berghuijs aangerekommandeerd om dirckt bij zijne komste blijken te geeven dat hij aan de laatste on„ lusten niet meer gedenken nog dezelve in aan„ merking neemen wilde. wij zijn als nog in twijfel of in den laatste onlusten niet eenige geeven der 971 der voornaamste Hoofden Hunne rol gespeeld hebben, dus meenden wij dat veel daar over te spreeken ligt eenig nadenken zoude kunnen baaren, daar de wraakzugt die zelden stil zit moogelijk ook te zeer gevoed zoude zijn geworden indien den E: Berghuis als geheel Jgnorant verscheenen. was, waar door zeekerlijk zouden hebben kunnen lijden alle de zulken die zig mooglijk wel, en moogelijk niet als slagt offers der waerheid opgeofferd hebben, en als nog moogelijk gereed zijn, zig aan het sterkste onderzoek te onder„ werpen. De staatkunde vereischde gelijk wij vermeenden in den beginne na dat de onlusten door Gods goed„ heid gesteld waren reeds om hoewel door een legaal on„ der zoek zeekerlijk ook zoude ondekt zijn waer aan de waere oorsprong der onlusten toeteschrijven is, en wil de geene zijn die den Heer van Angel„ beek misleid hebben, geene navorschingen te doen Deeze staat kunde heeft uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: zeeker ook doen besluiten om nu korte lings alle onderzoeken te staaken Dit neemt niet weg dat men het geen men weet in geheugen moet houden, en wijl de ondergetee„ kende kommandeur op zommigen meer op zommigen minder zijne attentie meend te moeten vestigen; heeft hij zig verpligt geagt den Heer Berghuis te previnieeren en wel zodanig als bij gem: Memorie bekend staat, dit is voornamentlijk geschied om hem in zijn aanvertrouwde dienst werk„ zaam en niet te vertrouwelijk te doen weeze: voor de goede geintentioneerden kunnen wij sorgeloos. zijn, daar kwalijk gezinde voor als nog moo„ gelijk Juist zo zullen denken als dezelve in hunne voorneemens hebben bepaald en waar„ omtrend wij niet sorgelijk genoeg kunnen wezer. op dit resonnement steunt de aan den Heer Berghuis gegeeven Memorie, en den eerst geteekende kom„ mandeur verzoekt dus needrig dat zoo hij zig kwalijk bestierd heeft, hem zulks niet mag gepasseerd maar veel liever verbeeterd wor„ den om daar door zijne gedagten te Corrigeeren en zijne meesters wel te dienen Wij bed in tus„ schen zijne onvoldoende talenten altoos met een gunstig oog te beschouwen, wijl hij niets meer verlangd als zijne gebreeken te verbeeteren, waartoe de gunstige opmerkingen van uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: nopens zijn gedrag niet weinig zullen bijdraagen. —. Met de meeste gevoelens van hoog agting hebben wij de eere te zijn /:onderstond:/ wel Edele Zommigen Gestr:

NL-HaNA_1.04.02_3922_0421 view scan ↗

English

To the same as before. Strict, Highly Honorable, High and Mighty Lord, Your Right Honorable's humble servants, was signed: P: Sluijsken, J: L: Schede, M: van der Spar, L: Atems, E: de Lij, P: de Vos, and C: L: B: van Albedijse. In the margin: Gale, 26 March 1791. Lower: P.S. We hereby present to Your Right Honorable our resolution of the 5th of this month, following a report from the Lieutenant of Artillery La Garde, containing what in his view can be carried out in the course of this year on the newly projected outer works of this fortress for the stipulated sum of ƒ4664:1:8. In order to devise the best measures to carry out Your Right Honorable's order, I have read and reread with all due attention Your Right Honorable's official letter dated the [illegible] of this month regarding the distribution of the Company's cinnamon lands among the cinnamon peelers. In doing so, it has occurred to me that this arrangement, insofar as these lands lie in villages which are mostly inhabited by Wellalas and castes higher than the Chalias, may not be agreeable to the inhabitants of the Corles, given their aversion to the Chalias and the Chalias' usual conduct toward them. I do not consider it necessary to elaborate on this, as it is well known to Your Right Honorable, as it is to everyone. I am therefore apprehensive that this new arrangement, especially at the present time when the minds of the people are generally still uneasy, might occasionally have an adverse effect and agitate the peoples of the Corles, as experience teaches that matters of lesser importance have caused such things. Of this apprehension I consider myself obliged to inform Your Right Honorable, having resolved rather to disclose openly where it belongs everything that occurs to me regarding the Company's and public interests, than to make myself guilty of carelessness and inattention. I also readily confess that Your Right Honorable would particularly oblige me by first beginning and putting into effect the relinquishment and distribution of the Company's cinnamon lands to the Chalias in the Colombo Disavany; if this succeeds well there, this example can then also be followed more easily here in Gale and subsequently in Mature. Your Right Honorable would oblige me all the more thereby because, if you will pardon this frank though respectful declaration, this arrangement does not harmonize with my views, as my submitted papers regarding the cinnamon plantations have clearly demonstrated, and which it would therefore be unnecessary to repeat here. I hope that Your Right Honorable will do me the favor of reflecting somewhat upon the contents of this letter, and I have the honor to call myself with all due respect, underneath stood as before, was signed: Pieter Sluijsken. In the margin: Gale, 21 April 1791. In respectful reply to Your Right Honorable's esteemed separate letters of the 16th and 17th of this month, this serves to state: That I have delivered to Captain Paardekooper the ordinance concerning the Brahmin Sri Saka Sane, who is on board the ship Demerane, and have also repeatedly instructed him, as I had already done upon his arrival, to take care that no one enters into any conversation with him. The Aratchi and Lascarins who came over with this Brahmin will depart from here further onward today or tomorrow. I have also duly received a bundle of papers concerning the investigation conducted in Mature; after taking inspection of them, I shall send them to Mature, to be subsequently kept sealed in the secret archive there in accordance with Your Right Honorable's orders. I have just received a separate letter from the Honorable Acting Disava Berghuis, of which I hereby offer the copy to Your Right Honorable. The matter mentioned therein should, in my humble opinion, be handled more politically than according to the strict requirement of the laws, since such a crime, as far as the Sinhalese on this island are concerned, is for the most part unknown. And, so far as I know the Landraad, I am rather apprehensive that a public and judicial execution of the sinner might possibly arouse as much curiosity and imitation as deterrence. I am also informed that Ensign van Rhamel is a son of one of the prime ministers of the Kingdom of Denmark, the Count of Schmettau, a very meritorious minister who certainly deserves all consideration. It seems to me then, with submission to Your Right Honorable's esteemed pleasure, that it will be best to send the said van Rhamel away from Ceylon, as has also taken place before, with the announcement never to presume to set foot on the Company's territories. I have written to the Honorable Berghuis to send van Rhamel directly to Gale after he has been relieved by Metler; meanwhile, I shall await Your Right Honorable's approval in this regard, having the

Dutch transcription

972 Aan als vooren :Gestrenge, Groot Achtb: Hoog Gebiedende Heer uwel Edele Gestr: Groot: Achtb: onde danige Dienaeren /: was geteekend:/ P: Sluijd J: L: Schede, M: van der Spar, L: Atems, E: de Lij, P: de Vos. en C: L: B: van Albedijse /:in margine:/ Gale den 26=e Maart 1791. /:lager/: P: S: wij bieden uwel Ed: Gestr: Groot Achtb: de deezen aan onse resolutie van den 5. dezer, op ee berigt van den Luijtenant der artellerie La Gar houdende wat naar zijn inzien in den loop van dit Jaar aan de nieuwe geprojekteerde buiten werken deezer vesting voor de bepaalde som van ƒ4664:1:8. zal kunnen gedaen worden. — om de beste maatreegelen ter volbrengen van uwel Ed Gestr: Groot achtb: order te beraamen, heb ik met alle attentie geleesen en herleesen uwel Ed: Gestr: Gr: acht officieele missive in dato den - dezer aangaande het verdeelen der 'sComp=s kanneel gronden, onder de kanneel schillers, waar bij mij te binnen gekoomen is, dat deeze schikking, zo verre deeze gronden in dorpen leggen, welke voor het meeste door wel laales en hoogere kasta dan de saliassen worden bewoond, den kools volkeren aangezien hun af keer voor de sjaliassen, en der sjaliassen gewoo ne handelinge betrekkelijk hun mogelijk niet aangenaam is, en waer over ik niet noodig agte breedvoengte zijn, als bij uwel Ed: Gestr: Groot achtb:, gelijk een ieder, over bekend.— Jk ben dus bedugt, dat deeze nieuwe schikking voorde in den teegenwoordigeteid, daar de gemoederen des volks in 't algemeen nog ontrust zijn, somwijle wel. eene verkeerde uitwerking kond de hebben, en de korls. volkeren in beweeging brengen, gelijk de ondervinding leerd, dat dingen van minder belang zulks voortbragte, en van welke be„ dugting ik wij verpligt achte uw Ed: Gestr: Groot achtb: te onderrigten, als mij bepaald hebbende liever alles wat mij met betrekkinge tot 's komp=s en algemeen belangen voorkomt, waer het behoord open te leggen, als mij aan zorgloos heid en onoplettendheid schuldig te maken: Jk wil ook wel bekennen, dat uwEd: Gestr: Groot achtb: mij in 't bijzonder zal verpligten van, met het afstaan en verdeelen der komp: kanneel. gronden aan de sjaliassen, eerst in de kolombosche Dessavonie te beginnen en werckstellig te maaken, alwaar zulxs wel rcusseerende, dit voorbeeld dan ook gemaklijker hier te Gale en vervolgens. te Mature opgevolgd zal kunnen worden uw Ed: Gestr: Gr: achtb: zoude mij te meer hier door ver„ pligten wijl, neemt mij deeze hertelijke, dog eer„ biedige verklaering niet kwalijk, deeze schik„ king niet met mijne begrijppen haamonieerd, zoo als mijn overgelegde. papieren aangaande de agte kanneel 973 Aan als vooren. kanneel plantagien, duidelijk aangetoond hebben en dus onnoodig zoude zijn hier te herhaalen — Jk hoope dat uw Ed: Gestr: Groot achtb: mij de gum zal bewijsen van op den inhoud deezer, eenige ver„ flactie te slaan, en heb de eere mij met de verschuld digde eerbied tenoemen /:onderstond als vooren :/was geteekend P=r Sluijsken. /:in margine Gale den 21. april 1741: Jn eerbiedig antwoord op uw Ed: Gestr: Groot achtb: g' eerde aparte brieven van den 16. en 17. dezer, diene bij deese Dat ik de ordonnantie, betreklijk den op het schip De„ merane bevindende Bramine Sri saka Sane, aan den Capitain Paardekooper hebbe overhandigd te„ vens bij herhaaling aangekundigd, zo als ik reeds bij zijne aankomst gedaen hebben, dat hij zorga zal dragen, dat niemand in geen gesprek met hem treede. De araatje laskorijns die met deeze Bramini zijn overgekoomen, zullen heeden of morgen van hier naderwaerds vertrekken Ook is bij mij zeer wel ontvangen een bondel papier betreklijk het onderzoek te mature gedaen, zullen de ik dezelve nagenoomen lextura na Matura zenden, om vervolgens in gevolge uwEd: Gestr: Groot achtb: beveelens verzeegeld in de secreete kas aldaer bewaard te worden. —. zoo even ontvangek een aparte brief van den E: waarneemende. Dessave Berghuis, waar van ik uwEd: Gestr: Groot achtb: het afschrift bij deeze aanbieden De zaak daar bij vermeld diend na mijn gering oor„ deel meer staatkundig als na den Eisch der wetten behandeld te worden, aangezien sodams zoude wat de singalees aangaat op dit Eiland voor het grootste gedeelte onbekend zijn, en ik; zoo verre mij de landraad bekend is meer bedugt be„ dat eene publieke en Regterlijke teregtstelling van den Zondaar, moogelijk zo veel nieuws gierde en navolging als afschrik zal verwekken — ook ben ik onderrigt dat den vaandrig van Rhamel een zoon is van een der Eerste staats dienaeren van het koningrijk Deenemarken, den Graa„ ve van Schmettauw, een zeer verdienstig mi„ nister, die zeekerlijk alle Consiratie verdiendt mij dienkt dan niet onderwerping van uw Ed: Gestr: Groot achtb: g'eerde welbehaagen, dat het best zal zijn, gemelde van Rhamel van Ceilon, (:gelijk te vooren ook welplaats gehad heeft:/ weg te zenden, met aankondiging van zig noorh te onderstaen een voet op 'sComp: territtoiren te zetten. —. Jk heb den E: Berghuis aangeschreeven om van Rhamel na dat hij door metler zal af„ gelost zijn, direct na Gale te zenden, in„ tusschen zal ik uw Ed: Gestr: Groot achtb: goed vinden hier omtrend verwagten, hebbende de

NL-HaNA_1.04.02_3922_0423 view scan ↗

English

To the same as before To the same as before. the honour with the dutiful sentiments of high esteem to be. Subscribed and signed as before. In the margin: Gale, the 20th of May 1791. After receipt of Your Right Honourable Grand Respected honoured letter of the 18th of this month, having summoned the Bandare to me and having announced to him that Your Right Honourable Grand Respected, upon his request to have a passport ola to the Kandyan territory tomorrow, had ordered that he should immediately come over to Colombo, he very urgently requested me to be excused from this journey; it being of the greatest importance for him and even for the Honourable Company that he continue his journey directly from here, furthermore relating to me, in order to substantiate his assertion, several things of very great importance, if they are verified, in such a manner that I thought it most prudent to have his accounts repeated before two Members of the Council, the Equipage Master Stams and the Pay Bookkeeper Marthez, who completely understands the Sinhalese language, and to keep a record thereof, as was then done, and even today by way of re-examination the recorded matter was repeated and confirmed by him. I hereby offer Your Right Honourable Grand Respected this record in copy, at the same time respectfully requesting to be informed of Your highest pleasure, whilst in the meantime I have ordered the Bandare to hold himself in readiness upon the first order to Colombo or wherever To the same as before. Your Right Honourable Grand Respected deems advisable to be able to set out on the journey. With the dutiful sentiments of high esteem I have the honour to be. Subscribed and signed as before. In the margin: Gale, the 22nd of September 1791. The copy of a translated complaint ola mentioned in my letter of the 10th of this month having remained behind by an oversight, I take the liberty to transmit the same herewith, whilst I request a favourable excuse. Having asked my Porta Maha Mudaliyar Don Balthazar Dias, who before and already prior to my going to Mature in the past year read almost all the incoming olas that were brought to me, whether he possibly remembered that a few days before the recent gathering in the Mature Dessavony a complaint ola was brought by Don Simon Araatjie and Nialanpittij Arraatje, written in the name of all the people from the Kande Bodde Pattoe, he affirmed to me that he knows of no other such ola than an ola containing several complaints against the late Mohandiram Manamperie that had come in and which was assigned for investigation by the then Commissioner of Schuleren De Vos. As it might sometimes be that the ola indicated by my Mudaliyar is the same one that is requested by Your Right Honourable Grand Respected in Your letter of the 15th of September last, I take the liberty to transmit a copy thereof herewith, although it is not stated therein that Don Simon Araatje and Nialanpittij Araatje are the authors thereof, and I also think I know for certain that this ola was brought here only after the revolt in the Mature Dessavony was already underway. I furthermore have the honour with the dutiful sentiments of high esteem to be. Subscribed and signed as before. In the margin: Gale, the 10th of October 1791. To request 975 To the same as before To the same as before request and have the honour with the dutiful sentiments of high esteem to be. Subscribed and signed as before. In the margin: Gale, the 12th of October 1791. We have the honour, in compliance with Your Right Honourable Grand Respected highly honoured order by letter of the 29th of November last, to let this be accompanied by the papers requested therein and sent to us with Your missive of the 17th of May last concerning the investigation conducted by the Colombo First Sworn Clerk Gijbrands before two Landraad members at Mature regarding the accusations against some prominent To the same as before native chiefs. With the most dutiful sentiments of high esteem, we have for the rest the honour to be. Subscribed as before. Was signed: Pr. Sluijsken, J: L: Scheede, Z: Aems, N: B: Marthez, C: F: W: de Ranita, J: J: D: D: Estendauwe, Pr. de Vos. In the margin: Gale, the 1st of December Anno 1791. We have the honour solely to let this serve to accompany the copies of a letter just received from the Servants at Mature and of the translated Sinhalese unsigned relation ola mentioned therein, and for the rest with all dutiful sentiments of high esteem In compliance with Your Right Honourable Grand Respected order by letter of the 25th of this month, to state what has given cause to repeated complaining with respect to the Mandate ola and the General Pardon according to the Extract sent to me from Their High Mightinesses secret letter dated the 15th of June last, containing literally: That with respect to the Mandate ola of Sluijsken and the General Pardon, it appears not to have been acted in such a manner as its strict content and intention implied, in such a way that Sluijsken is repeatedly complained to be. Subscribed: Right Honourable Grand Respected High Commanding Lord, Your Right Honourable Grand Respected very obedient servants. Was signed: P: Sluijsken, J: L Scheede, M: van der Spal, Z: Armsz, N B Martheze, J: J: D D: Estendau and A: E de Lij. In the margin: Gale, the 8th of December Anno 1791. to be that

Dutch transcription

Aan als vooren Aan als vooren. de eere met de verpligte gevoelen van hoogachting zijn /:onderstond en geteekend als vooren. :/in margine /: Gale den 20. Maij 1791. —. Naden ontvangst van uw Ed: Gestr: Gr: achtb: g'eer letteren van den 18. dezer den Bandare bij mij geroepen en hem aangekondigd hebbende, dat uw Ed: Gestr: Groo achtb: op zijn verzoek om een pas--poort ola na het kandiasche te morgen hebben, gelast hadden dat hij ten eersten na kolombo zoude overkoomen, heeft hij mij zeer instantig verzogt van deeze reise gee cuseert te worden; zijnde voor hem en selfs voor de Ed: komp: van het grootste gewigt dat hij van hier de „rect zijne reise voortzette, mij voorts om zijne voorgeeven te staaven verscheide dingen, van zeer ver belang, zo ze waar gemaakt worden, verhaalende zodanig dat ik voorzigtigst gedagt heb, om zijne veraelingen voor twee Leeden uit den Raad de Equipa giemeester stams en de zoldij boekhouder marthez die het singaleesche volkoomen verstaat, te laaten herhaalen en daar van aanteekening te houden, gelijk dan ook geschied, en nog heden bij wijze van recollement het aangeteekende door hem herhaald en bevestigd is. — Jk biede uw Ed: gestr: Gr: achtb: deeze aanteekening hier nevens in afschrift aan, tevens eerbiedig verzoekende mij van hoog desselfs welbehaagen te willen onderrigten terwijl ik intusschen de Bandare gelast heb om zig gereed te houden op de eerste order na kolombo of waer Aan als vooren. uwEd: Gestr: groot achtb: geraaden vind te kunnen op reijs gaan. met de verpligte gevoelen van hoogagting heb ik de eere te zijn :/ onderstond en geteekend als vooren /:in margine Gale den 22. September 1791:d:— Het bij mijn brief van den 10. dezer vermelde afschrift van een translaat klagt ola, bij verzuijm leggen gebleeven. zijnde, neem ik de vrijheid het zelve bij deeze overte„ zenden, terwijl ik om eene gunstige verschooning Mijnen porta modliaar Don Balthazar Dias, die voor en al eer ik in het gepasseerde Jaar na mature geweest be„ meest alle de aankoomenden olas, die bij mij aangebragt zijn, geleesen heeft, gevraagd hebbende of hij zig mogelijk her„ innerde, dat eenige dagen voor de Jongste zamenrotting in de maturesche Dessavonie eene klagt ola aange„ bragt is door Don Simon araatjie en nialanpittij ar„ raatje uit naam van alle het volk uit de kande bod„ de pattoe geschreeven, heeft mij daar op betuijgd dat hij van geen ander diergelijken ola weet, dan een ola, die verscheide klagten teegen den overleedenen mohandiram manamperie was ingekoomen en die door de toen„ maalige Commissarissen van schuleren De Vos. ter onderzoek was opgedraegen. wijl het zomtijds mogte zijn dat de door mijnen modliaer aangeduijde ola dezelve is, die door uw Ed: Gestr: Groot achtb: bij hoogst derzelvere brief van den 15. Septemb: Jongst: gevraagd word neem ik de vrijheid daer van een afschrift bij deeze overtezenden, hoewel daar bij niet bekent staat, dat Don simon araatje en Nialanpittij araatje de autheurs daar van zijn, en ik ook zeeker meene te weeten, dat deeze ola„ eerste na dat de revolte in de matureesche Dessavonig reeds aan de gang was, hier aangebragt is —. Jk heb voorts de eere met de verplichte gevoelen van hoog„ achting te zijn /:onderstond en geteekend als vooren. /in margine /: Gale den 10:' october 1791. —. Aan verzoeken 975 Aan als vooren Aan als vooren verzoeken ende eere hebbe met de verpligte gevoelen van ho „achting te zijn /:onderstond en geteekend als vooren /:in margine /: Gale den 12:' oktober 1791. Wij hebben de eer in voldoening van uw Ed: Gestr: Groot„ achtb: hoog g'eerde bevel bij brief van den 29. november JoL: deeze te laaten verzelten vande daar bij gevraagde en aan ons bij Hoogst desselfs missive van den 17. may J„o L: toegezondene papieren van het door den kolam„ boschen eerste gezwooren klerk Gijbrands voor twee Landraads leeden te mature gedaan onderzoek weegens de beschuldigingen teegen eenige voornaame Aan als vooren Jnlandsche Hoofden. met de verschuldigste gevoelen van hoogachting, hebben wij voor het overige de eer te zijn /:onderstond als voore:/ :/was geteekend /: P=r sluijsken, J: L: scheede Z: Aems; N: B: marthez, C: F: W: de Ranita, J: J: D: D: Estendauwe P=r de Vos /: in margine :/ Gale den 1. December A:o 179. — wij hebben de eer deeze eenelijk te laaten doenc„ ten gelyde van de afschriften van een zo eeven van de Bedienden te Matuke ont„ fangenen Brief en van het daar bij ver„ meld Translaat sengaleesch ongeteekende Relaas ola en voor het overige met alle verschudigde gevaelen van hoogachting Ter voldoening aan uwel Edele Gestreng Groot Achtb: order bij brieve van den 25. deezer, om op te geeven, wat oorsaak gegeeven heeft, tot herhaald klaagen, ten opzigte van de Mandaat ola en het Generaal Pardon naar volgens het Extract mij toegezon„ den, uit Hun Hoog Edelheeden secreete brief in dato 15. Junij laast leeden, inhou„ dende letterlij Dat ten op zigte van de Mandaat ola van sluijsken en het generaal Pardon, niet zodanig schunt gehandeld te zijn als desselfs stricte in„ houd en in=tentie meede bragt, in dier„ voegen dat sluijsken herhaald klaagd te zijn /:onderstond:/ wel Edele Gestrenge„ Groot Achtbaare Hoog Gebiedende Heer uwel Edele Gestr: Groot Achtb: zeer gehoor„ zaame Dienaeren /:was geteekend:/ P: Sluijs ken, J: L scheede M: van der spal, Z: Armsz: N B Martheze, J: J: D D: Esten„ dau en A: E de lij /:in margiene:/ Gale den 8. December A=o 1791. te zijn dat

NL-HaNA_1.04.02_3922_0425 view scan ↗

English

that if no settlement of the complaints is pursued and the prescribed matters are not complied with under the old system, it would be necessary to set down below a recapitulation of all that has happened since 15 June 1740 regarding the Matara unrest, or else to send copies of most of the letters and papers exchanged back and forth during that time, to which, for the sake of brevity and to avoid a verbose report, I respectfully take the liberty of referring Your Right Honorable, from which series I trust and hope that Your Right Honorable will be sufficiently able to examine my past proposals and complaints from that time; but in case Your Right Honorable should desire a more detailed repetition of all that has occurred in this matter, I very respectfully and urgently request to grant me such a long postponement as I shall need to be able to search for and recall all the relevant papers, in which the secretary of Albedijl, who has now already been in Colombo for more than two months, could be of great assistance to me, as having also been present at everything from the beginning of the unrest at Matara; for which reasons I pray once again and repeatedly that he may be sent back hither, unless Your Right Honorable assumes that in the performance of my official duties and zeal for the master's interests I must be destitute of all confidants and help, and must manage against my will and wishes, among others, with the First Sworn Clerk. I remain with due esteem and respect, underneath was written: as above, was signed: P. Sluijsken, in the margin: Galle, 28 December Anno 1791. Hijbrands, First Clerk. Agreed. Colombo. To as above. To the Right Honorable, High Commanding Lord, Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, alongside the Council. Right Honorable, High Commanding Lord and Gentlemen, Commodore Cornwallis having made a request on the 18th of this month through an officer to be allowed to sail into the inner bay with the warship the Crown, the frigate the Vestal, the sloop-of-war the Atalanta, and the schooner the Attender, in order to be able to bring them to with greater ease, I have, in the hope of Your Right Honorable's approval, granted entry. I have the honor to be, with profound respect, underneath was written: Right Honorable, High Commanding Lord and Gentlemen, Your Right Honorable's humble and obedient servant, was signed: J. G. Troonbauex, in the margin: Trincomalee, 19 July 1791. Commodore Cornwallis having made a request to make some repairs to the frigate the Phoenix in the inner bay, I have granted this in the hope of Your Right Honorable's approval. The gunpowder, which lay in the very damp cellar of Enkhuizen, having required drying, this took place as appears from the accompanying report, and I humbly request permission to write off the lost quantity. Captain-Lieutenant Schreuder requests to be permitted to fire salute shots with powder dust using a charge of half the ball weight, instead of one third. I have, furthermore, the honor to be with profound respect, underneath was written and signed as above: Trincomalee, 16 August 1741. Hijbrands, First Clerk. Agreed. To the Right Honorable Lord, Willem Jacob van de Graaff, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Island of Ceylon with its dependencies, alongside the Council. Right Honorable, High Commanding Lord, We humbly offer Your Right Honorable a copy of our secret resolution of the 22nd of this month, whereby it was decided, subject to the approval of Your Right Honorable, to have written off in the trade ledgers 464½ lb of powder dust, which evaporated during the drying and winnowing of a quantity of 10080½ lb of powder at Mannar; and for the rest we style ourselves, with all due esteem, underneath was written: Right Honorable, High Commanding Lord, Your Right Honorable's humble and obedient servants, was signed: B. J. Raket, C. F. Schreuder, G. Frankenan, J. Nagel, J. B. Sijken, J. van Ebbenhooft, J. C. van Sprang, and J. B. van Wek, in the margin: Jaffnapatnam, 27 January 1791. It appears very incomprehensible to us that the Chief of Mannar had the pearl banks dived with 21 thonies for two months without Your Right Honorable and us being able to learn anything of it, and that the same yielded pearls, whereas these commissioned men who were present at the inspection of the pearl banks... To as above. Various Colombo. 1 Secret.

Dutch transcription

976 dat wien geene afdoening der klagten betragt en het voordschreevene bij die old niet word nagekoomen zoude het nodig weesen eene weeder herhaaling van al het gebeur„ de Zeiderd den 15. Junij 1740. betreklijk de Maturesche onlusten hier onder needer te stellen, of wel Copijen te zenden van de meeste in die teid over en weeder gewisselde brieven en papieren, waar aan ik kortheids halven, en om een wijdlooping berigt te vermijden eerbiedig de vrijheid neeme uwel Edele gestrenge groot achtbaare over te wijzen, uijt welke successive ik vertrouwe en hoope dat uw wel Edele gestrenge Groot Achtbaare genoegsaam mijne gedaane voorstellen en klagten van dien teid zal kunnen nagaan, dog bij aldien uwel Edele Gestrenge Groot Achtbaare eene gedetailjeerder herhaeling van al het gepasseerde in deezen mogte begeeren kegarg zoo versoeke ik zeer eerbiedig en instantelijk mij zoo een lang uit stel te geeven als ik noodig zal hebben om alle de daartoe betreklijke papieren papieren te kunnen opzoeken en herin ne„ ren, waartoe mij den secretaris van Albe„ dijrl die nu reeds al ruim twee maanden zig te Colombo bevind zeer behulpig zoude kunnen weesen, als van den beginne der onlusten op Mature alles meede bij ge„ woond hebbende, om welke reedenen aan ik nog maals en bij herhaaling bidde, dat hij weeder herwaards mooge worden ver„ zonden, ten zij uwel Edele gestrenge Groot Achtb: ver ondersteld, dat ik in de be„ oeffening mijner ampts pligten en ieven voor 's meesters belangen van alle vertrou„ welingen en hulpe moet onblood zijn en mij teegen wil en dank moet behelpen onder andere met de Eerste geswoore klerk quatiaen Ik ben met verschuldigde hoogachting en eerbied /:onderstond:/ als vooren /:was getee„ kend:/ P sluijsken /:in margiene /: Gale den 28. December A=o 1791. — Hijbrands te Akkordeert Ey klerk Kolombo Aan als vooren. Aan den WelEdelen Groot Achtbaaren Hoog Gebiedende Heer Willem Jacob van de Graaff Raad ordinair van Nederlandsch Jndia Gouverneur en Directeur van het Eijland Cijlon met dies onder„ hoorigheeden, nevens den raad. — Wel Edele Groot Achtbaare Hoog Gebiedende Heer en Heeren; De Comodore Cornwallis den 18. Dezer door eene officier vor„ zoek gedaan hebbende, om met het oorlog schip de Caown het fre„ gat de vestal, de oorlogs sloep de athlanta, en de schooner de atten„ „zeijlen der en de binnen baaij te moogen „ ten einde met meerder gemakte kunnen brengen, heb ik in hoop van uw Ed: Gr: achtb: goed„ kering, den ingang toegestaan. Ik heb de eer, met diep ontzach te zijn /:Onderstond:/ wel Edele Groot Achtb Hoog Gebiedende Heer en Heeren, uw Ed: Groot Achtb: Onderdanigen en gehoorzamen Dienaar /:was geteekend:/ I: G: Troonbauex /. in margine:/ frinkonomale den 19. Julyj 1798. De Commodor Cornwallis verzoek hebbende gedaan, aan het fregat de fenix inde binnen baaij eenige reparatien te doen, heb ik zulx en hoop van uw Ed: Gr: Achtb: goedkeuring toegestaan. Het buskruijt, dat in de iels vogtige kelder van Enkhuijsen geleegen. heeft, het droogen nodig gehad hebbende, is zulks blijkens het neffendgaande raport geschied, en ik verzoek needrig de verlooren gegaan hoe veelheid, te moogen laaten afschrijven. Dat salut schooten met stofkruijd, verzoekt de kapitain Luijtenand schreuder met halve koe„ gel zwaarte lading te moogen doen, in steede van een dekde. Ik heb Ik heb voorts: de eer met diep ontzach te zijn (:onder„ „stond en geteekend als voore:/ frinkonomale den 16: Aug:s 1741. Hijbrands Eklerk Akkordeert 978 Aan den wel Edelen Groot achtbaeren Heer Willem Jacob van de Graaff. Raad ordinair van Nederlands Jndien Gouverneur en Directeur des Eilands Ceilon met dies onderhoorigheiden nevens den raad. Wel Edele Groot achtbaare Hoog Gebiedende Heer Wij bieden uwel Edele Groot achtb: in oodmoedaan, kopia onzer secreete resolutie van den 22. dezer waar bij beslooten is, om, op approbatie van uw Ed: Groot achtb: bijde negotie boeken te laaten afschrijven 464½ lb: stof„ kruijt, dat bij 't droogen en wanneer van een quantitijt van 10080:½ lb: kruijt te manaar vervloogen is, en voor 't overige noemen wij ons, met alle verschuldigde hoogachting: /:onderstond /: wel Edele Groot achtb: Hoog Gebiedende Heer uwer wel Edele groot achtb: onderdanige en gehoorzaame Dienaeren / was„ geteekend:/ B: J: Raket, C: F: Schreuder, G: Frankenan, J: Nagel: J B: Sijken, J: van Ebbenhooft, J: C: van Sprang en J: B: van Wek :/in margine:/ Jaffanapatnam den 27. Januarij 1791. Het komt ons zeer onbegrijpelijk voor dat het opper„ hoofd van manaar twee maanden lang met 21. thonies de paarlbanken heeft laaten beduijken zonder dat uwel Edele Groot achtb: en wij iets van hadden kunnen teweeten krijgen en dat dezelve paar„ len gevoeden heeft daar dezen gecommitteerden mannen van een en die bij de visentatie der paarlen banken present geweest waeren ver„ Aan als vooren. scheide lambo. 1 - secreet.

← previousnext →