Inventory 3922
Ceylon · 499 pages · 177 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
703 §89. During the cultivation of the Girreea, one had to struggle with that same difficulty, as can be seen in the posthumous Memoir of Commander De Jong as outgoing Dissave of Mature, where it also appears that for that cultivation the inhabitants of the other corles and Pattoes were not only invited, but even forced. §90. What a blessed province the Girrei currently is, and what benefits it gives to the Honorable Company and to the public, is known to everyone, and if one wishes to be unbiased and unprejudiced, one would have to admit that the Mahampattoe promises quite greater prospects. §91. As proof of this and of what can be made of this landscape if it is properly governed, may serve the revenue from the Nelie crop of the closed financial year 1789/90, which, according to the attached extract from the lease rolls of that financial year under No. 7, amounted to amunam 775. 35¼ or parras 6206 1/32, whereas those of previous years averaged scarcely parras 501. §94. Mr. Sluisken says this nowhere in express words, yet indicates this in more than one place in an intricate manner and brings forward particularly two accusations that deserve closer investigation, of which the first appears in §171 and consists of this: That for some time the punishments §92. And yet it is easy to understand that anything noteworthy for improvement could only have been accomplished there in that short time, and that the increase of these revenues did not derive their origin from any newly laid out fields, but solely from the precaution that the fields already cultivated and cleared with little effort were worked and sown at the proper time, and the Possessors were supported with some minor provisions and seed corn, in order to encourage them to this work and enable them to do so. §93. The second matter that falls to be investigated is: whether I was to blame for the rebellion. §92. punishments 706 inflicted for committed crimes, both for women and men, had not been determined according to the country's ancient customs, and that an equal punishment had been meted out to prominent and lowly persons alike, whereby many respectable families were needlessly dishonored; while the second entails that I did not have sufficient knowledge, or otherwise did not exercise sufficient attentiveness in the governance of the Dissavony. §95. The first charge, which Commander Sluisken further urges and applies to me in his secret report §179½ to §182, I have already fully refuted at the session of 21 August last in the Council of Policy, and on the contrary proved, by means of seven reports from the most prominent chiefs of the Dissavony submitted to the Honorable Commissioners Pretz and Samlant, that not only were my punishments carried out according to the country's customs, but that I also did not impose any greater or heavier punishments than previous Dissaves. §96. These declarations were handed over by the aforementioned commissioners to Commander Sluisken, but His Honor not only paid no heed to them, but further repeated his accusations against me and aggravated them not a little in his secret letter of 20 October last, where in §3 he answers, or rather asks: whether he, if he had wanted to be malicious, could not have presented me in his report as a cruel person and Tyrant, who had mistreated his subordinates in an inhuman manner, about which women and children had complained to him that their blood relatives had died due to mistreatment. §97. Against this I remark, in the first place, that the Commander himself says: that this would be a malicious accusation; in which I do not wish to contradict him, §98. but since this accusation is nevertheless presented in the form of a question, the suspicion could still be raised thereby that I had sometimes been guilty of such cruelty, the more so because the Commander shortly thereafter asks the second question: could I not have sent some inhabitants who had been punished towards Colombo in order to [illegible]
Dutch transcription
703 §89. Bij de bekwaammaaking van de Girreea heeft men met die zelfde zwaarigheid te we „stelen gehad, gelijk zulx te zien is bij de nag alaatone Memorie van den Heer Commandeur De Jong als afgaande Dessave van Mature, alwaar ook blijket, dat tot die bekwaam maaking de in „ge seetenen van de andere korles en Pattoes niet al „leen uitgenodigd, maar zelfs gedwongen zijn. 590. welk een gezeegende provintiie thans de Girrei is en welke voordeelen die aan de Ed: Maalschap en aan het algemeen geeft, met een ieder, en zoo me onbevoordordeeld en onvoeringenoomen wil zijn, z men moeten bekennen, dat de Mahampattoe vrij groot ere voor uitzigten beloofd. 591. Tot een bewijs hier van en wat van dit landscha„ „kan gemaakt worden, zoo het zelve behoorlijk bestierd word, moogen strekken de inkomt van het Nelie gewas van het afgesloo „tene Boekjaar 17 29/90. die, blijkens bijge„ „voegd extract uit de verpagtings volle van dat boekjaar sub No 7. bedraagen hebben amm:s 775. 35¼. of paakas 6206 1/32. ter weil deselven van vrae„ gere Jaaren door den anderen geslae¬ „gen maak parras 501. schaars heb„ „ben bedraagen. §94. De Heer Pluisken, zegd dit nergens met uit gedrukte woorden, dog geeft dit op meer dan eene plaats op eene ingewikkelde wijze te kennen en brengt daar toe inzonder„ „heid twee beschuldigingen ter baan; die naader ondersoek verdienen, waer van de eerste voorkomt bij § 171. en hier in bestaat. Dat men zeederd eenigen teid de straf §92. En echter is het ligt te begrijpen, dat nog iets naam waerdigst ter verbeetering aldaar in dien korten teid heeft kunnen verrigt worden, en dat de vermeerdering van deese inkomsten niet hun„ „ne oorsprong ontleend hebbe uit eenige nieuwe aangelegde velden, maar alleen uit de voorzorge, dat de reets. bekwaam gemaakte en met wei„ „nig moeite gesuiverde velden ter behoorlijker taid bewerfet en besaaid en de Bezitters met eenige geringe leevensmiddelen en zaadkoorn ondersteund waaren, ten einde henl: tot dit werk aantemoedigen en in staat te stellen. 593. Het tweede stuk het welk te onderzoeken volt, is: of ik aan den opstand schuld gehad hebbe. § 92 oefeningen „ 706 oefeningen over begane misdrijven, zoo da vrouwen, als mannen niet had bepaa naar 's lands al oude gebruiken en dat aan voornaamen en geringen een gelijke straffe was toegedeeld, waar door vee fatsoenlijke familien buiten nood zaakelijk „heid onteerd waaren. terweil de tweede behelst dat ik geene toereikende kennis gehad, of anders geene voldoende oplettendheid in het bestier van de Dessavonij beoeffend hebbe §95. De eerste aanklagte die de Heer kommandeu sluisken bij dit zijn geheim rapport 5. 179½. tot 5182. naeder aandringt en op mij toepa heb ik reets ter sessie van den 21. augustus Jongstleden in Raade van Polietie ten volle wederlegd en daar en teegen met zeeven aan de E. gekommitteerden pretz en samlant overgelegde raporten van de aan zienlijkste hoofden der Dessavonij beweesen„ dat niet alleen mijne strafoefeningen volgens 's lands gebruiken geschied, zijn, maer dat ik ook geene meerdere of zwaarder straffen opgelegd hebbe, aan voorige Dessaves 596. Deeze verklaaringen zijn door meermelde gecom„ „mitteerden aan den Heer kommandeur sluijsken ter hand gesteld, dog zijn achtb: heeft daar op niet alleen geen acht gegeeven, maar zijne beschuldigingen teegen mij naeder herhaald en niet weinig verzwaerd bij zijn secreeten brief vanden 20:e oktober Jongstleeden waar hij op 5: 3. ant„ „woort of liever vraagt: of hij, indien hij boosaerdig had willen zijn mij bij zijn raport niet had kunnen voor„ stellen, als een wreedaart en Dwingeland, die zijne ondergeschikte op een onmenschelijke wijse mishandeld had, waar over vrouwen en kinderen bij hem geklaagd hadden, dat hunne bloed vrienden door mithandeling waeren om 't leeven gekoomen §97. Hier teegen merke ik aan, in de eerste plaats, dat de Heer kommandeur zelve zegd: dat dit eene boosaardige beschuldiging zijn zoude. waar in ik hem niet wil teegen spreeken, §98. doch wijl deese beschuldiging niet te min vraa„ „gender wijse word voorgesteld, zoo zoude daar door nochtans het vermoeden kunnen opgewekt worden dat ik mij somteids aan zulke vreed„ „heid had schuldig gemaakt, te meer wijl de Heer kommandeur kort daar na de tweede vraage doed: had ik niet eenige Jngeseetenen, die afgestraft wae„ „ren, kolombo waards hebben kunnen zenden om mitteerden uwel
English
to present Your Right Honourable Mightinesses with evidence of the cruelest treatments! And therefore, against this, I note in the second place: that this accusation is brought without the slightest evidence. Section 99: Since, however, all accusations must be proven by their author; since I had already fully refuted this accusation in the Political Council on the 21st of August and, against the same, had demonstrated with the declarations of the foremost chiefs submitted then, that in the matter of administering punishment, which in itself is necessary, I never exceeded the customs of the land or the bounds of reasonableness; since the Lord Commander was furthermore expressly enjoined by Your Right Honourable Mightinesses by letter of the 17th of September to submit everything he had against me, he was therefore surely obligated in his aforementioned answer to produce a single instance to prove this grievous accusation and to indicate the person, place, time, and cause. Section 100: Because only then would I have been able to defend myself specifically on this, and only then would Your Right Honourable Mightinesses and my distant Masters have been in a position to institute a proper inquiry into it. Section 101: But because it is of the highest importance to me that this matter also be investigated most thoroughly, I therefore request Your Right Honourable Mightinesses once again and further, that the Lord Commander Sluisken be ordered to submit his evidence for this harsh accusation within a specified term and to indicate the persons, time, and place, as well as the reasons, to whom, when, where, and why such punishments were administered. Section 102: The second accusation entails: that I had no knowledge or otherwise insufficient attentiveness in my office; and is repeated by the Lord Commander in various papers and in different places and constantly outlined with some variation, now that I came to the office too young, then that I possessed no knowledge of the land, then again that I allowed myself to be misled by the native chiefs. Section 103: I was thirty years old when I became Dessave, and thus advanced to that age which is deemed qualified for all offices and services. At that age, the Noble Lord Falch of blessed memory was called to be Governor of Ceylon; the Noble Lord De Lij of blessed memory was chosen to be Dessave of Mature. Section 104: When I became Dessave, I had previously held no other service of the land, and could thus have no knowledge of land matters from experience or practice, yet I had already been in the Government for seven years and thus had enough opportunity and time to gain knowledge of land matters, as well through contact with those knowledgeable of the land, as by reading useful secretariat papers that deal with this subject and in which the entire land service is prescribed in detail and clearly. Section 105: Nor is that knowledge as difficult to acquire as many who possess no other merits or abilities well imagine. Section 106: After all, the Lords De Lij, Burnat, De Coste, and Rose were appointed Dessaves one after another within a short space of time, without having previously held any land services. Section 107: But the further decision of the question which concerns my person alone, whether I was competent or incompetent in the office, depends on the inquiry into how I administered the same, and of that the trade books and yearly compendiums may bear witness, and I embolden myself hereby respectfully to request Your Right Honourable Mightinesses, under whose government I held my office, to give such testimony concerning my official performance, zeal, diligence, and fidelity, as well as concerning my entire conduct for my necessary defense before the High Noble Government of the Indies and before the Noble High Honourable Lords Gentlemen Seventeen in the Netherlands, as Their Honours shall in conscience find to be proper. Section 108: But the Lord Commander brings forward evidence of my ignorance or rashness, which therefore deserves a brief examination. Section 109: The first argument, according to Section 52, consists in this: that with sufficient knowledge or attentiveness I would have known how matters stood in the interior of the country; that knowing this, I could have seen to it that the inhabitants were properly treated, whereupon no such great dissatisfaction could have resided among the people without me having been informed thereof before its outbreak. Section 110: This proof is applicable to all provincial regents under whose governance an uprising has arisen, against whose knowledge and attentiveness nothing could be said, and who nevertheless tasted the unpleasantness that under their governance the people entrusted to their care broke out into rebellion.
Dutch transcription
uwelEd: Gestr: Groot Achtb: van de wreedste behandelingen bewijsen voortestellen! en daarom merke ik hier teegen in de tweede pla aan: dat deese beschuldiging zonder het minst bewijs word ingebragt. §: 99: wijl echter alle aanklagten door haare autheur moeten beweesen worden wijl ik deese beschui „diging reets in Raade van Polietsie op den 21:' aug:s volkoomen wederlegd en teegen deselve met de toen ingediende verklaaringen der voornaamste hoofden aangetoond had, dat ik in het stuk de strafoefening, die op sig zelve noodzaakelijk is, nooit de lands gebruiken of paalen van reede „lijkheid te buiten gegaan ben, wijl den Hee kommandeur daar en booven door uwwel Edele Groot achtb: bij brief van den 17. ' Septem „ber uitdruklijk geinjungeerd was, alles in „tebrengen, wat hij ten laste van mij had. zoo was hij dog wel verpligt geweest bij zijn voormelt antwoord een enkeld geval tot bewijs van deese grievende beschul¬ „diging bij te brengen ende persoon, plaats, teid en oorsoek aantewij„ 3100. want als dan eerst zoude ik mij daar op speciaal hebben kunnen verandwoorden, en als dan eerst zouden uw wel Edele Groot § 103. Ik was dertig Jaar oud toen ik Dessave werd en dus tot dien ouderdom gevorderd, die voor achtb: en mijne verdede Gebiellers in staat geweest zijn daar na behoorlijk ondersoek te doen. §10/. Dan deweil 'er mij ten hoogsten aangeleegen ligt, dat ook dit stuk op het grondigste onderzogt worde: zoo versoeke ik uwel Ed: Groot Achtb: andermaal en naeder, dat de Heer kommandeur sluisken gelast worde, om binnen een bepaald, termijn zijne bewijzen van deese harde beschuldiging in te dienen en de persoonen, tijd en plaatse, mitsgaders de ree„ „denen aan tewijsen, aan wie, wanneer, waar en waarom zulke straff oeffening gepleegd zijn„ §102. De tweede beschuldiging behelst. dat ik geene kundigheid of anders geene genoeg „zaame oplettendheid in mijn ampt, ge„ had hebbe: en word door den Heer kommandeur bij ver¬ scheidene papieren, en op verschillende plaatsen gerepoteerd en telkens met eenige variatie afgeschatst, don eens, dat ik te Jong in het ampt gekoomen ben, dan dat ik geene land-kunde beseeten hebbe, dan weer dat ik mij door de inlandsche hoofden heb laaten misleiden. Achtb: alle 16: „sen. alle ampten en bedieningen bequaam geoordeeld word;, Jndien ouderdom werd de Edele Heer Falch /:S: M:/ tot Goeverneur van Ceilon beroepen; de Edele Heer De Lij /:L:M:/ tot Dessave van Mature. verkooren. § 104. Jk had, toen ik Dessave wierd, voor afgeein anderen landdienst bekleed, en kost dees van Land zaa „ken geene kundigheid uit ondervinding of pra tijk hebben, dog ik was reets zeeven Jaar in het Goevernement geweest en had dus geleegent heid en teid genoeg gehad van de Landzaaken ken „nis te krijgen, zoo wel door omgang met land„ kundigen, als door het leesen van nuttige secae „tarij pipieren, die van deese materie handelen en waer bij de heele land dienst omstandig en di „delijk voorgeschreeven word. § 105: ook is die kundigheid zoo moeilijk niet te verkrijgen als meenigen die geen andere merites of bequaam heeden bezitten, zig wel verbeelden. §106. Jmmers de Heeren De Lij, Burnat, de Coste en Rose zijn in een korte leid=bestek agter malkan „der tot Dessaves aangesteld geweest, zonder voor af eenige landdiensten bekleed te hebben. §107. Dog de nadere beslissing van de vraage die mijn persoon alleen betroft, of ik bequaam of onbequaam in het ampt geweest ben, hangd van het ondersoek af, hoedanig ik het zelve bediend hebbe, en daar van moogen de Negootsie boeken en Jaarlijks kompendiums getuigenis geeven, en ik bevrijm §110. Dit bewijs is applikabel op alle Landregenten onder welke bestier een opstand ontstaan is, op welker kundigheid en oplettendheid niet te zeggen viel, en die echter het dies aggrement smaakten dat onder hun bestier het volk aan hunne zorge toe vertrouwd tot opvoer oversloeg. § 109. Het eerste argument bestaat volgens 52. daar in dat ik bij genoegzaame kundigheid of oplettend„ „heid zoude geweeten hebben, hoe het in het binnenste van het land gesteld was; dat ik dit weetende, had kunnen zorgen, dat de ingeteetenen be„ „hoorlijk behandeld wierden, wanneer: geen zoo groote misnoegdheid bij het volk zoude hebben kunnen resideeren, zonder dat ik voor dies uitbraake daar van onderrigt geweest waaren. „dige mij bij deesen uwel edele Groot Achtbaare, on„ „der welker bestier ik mijn ampt bekleed hebbe, eer„ „biedig te versoeken, mij nopens mijne ampts betrag„ „ting, iever, vlijt, en trouwe, mitsgaders nopens mijn geheel gedrag ter mijner noodzaakelijke defensie bij de Hooge Edele Regeering van Jndien en bij de Edele Hoog Achtbaare Heeren Majoreain Nederland zodaanig getuigenis te geeven, als Hoogst deselven in gemoede bevinden zullen te behooren. §108. Dog de Heer kommandeur brengt bewijsen van mijne onkunde of onbezonnenheid ter baan, die dus een kort ezamen verdienen.. iedige 11
English
707 Section 111. This proof is applicable to Commander Maaken himself as cinnamon captain, who, having already held land offices, experienced the unpleasantness in the year 1777 that the chalias revolted under his administration. Section 112. Furthermore, if it is firmly established that anyone who possesses sufficient knowledge of the country and attentiveness is always able to discover the seeds of rebellion among the people and smother it in its infancy, how then does it happen that Commander Sluisken did not discover the rebellion in the Matara Dessavony in time? Indeed, the supervision of that Dessavony constitutes a principal part of his office, and he held it for more than four months before the outbreak of the rebellion, and thus had time enough for its discovery. Section 113. No one, however, will accuse all previous Dessaves under whose administration a rebellion arose, and even less Mr. Sluisken under whom the chalias revolted, of ignorance or neglect in the service, and thus the entire argument proves too much and consequently proves nothing. Section 114. The Commander posits the second proof of my ignorance in this: That I intended to populate a distant wilderness like Baddegierie, while there was still enough to be done in the surrounding lands, which might well have been carried out beforehand. 115. Whether my proposal made for the restoration of the neglected and ruined sow fields and the accompanying indication of the useful means for that purpose in the Mahampattoe was made out of ignorance, or rather with expertise, may be judged by those who have properly examined my detailed memorandum of 31 August 1789 submitted thereon to the Commander and Council of Galle. Section 116. It is not fitting for me to decide this question, but let me be permitted to allege against it: 1. That the aforementioned memorandum was sent to the Commander and Council of Galle of that time, and examined and approved by that assembly, as well as favorably presented to Your Right Honorable Excellencies. 2. That Your Right Honorable Excellencies, after it was circulated for reading among the members and thus after mature consideration, also approved the same and recommended its execution. 3. That Mr. Sluijsken, being present here at that time as the elected Commander of Galle, had this memorandum at his house for reading before it served in the assembly, and had time enough to examine and study it, to which he was all the more obligated since it contained a plan that was to be executed within his command, and that his honor not only attended the assembly of 19 September 1789 when it was deliberated upon, but was also the first of all to give his advice and vote, and approved the memorandum without reserve; and I believe I may derive from this public and official approval a very emphatic argument in my favor and toward the refutation of the ignorance attributed to me. Section 117. But I go further: Mr. Sluijsken arrived as Commander at Galle a good four months before the expedition to Baddegierie was to be undertaken; he was fully informed of this plan; if he therefore knew that this undertaking was not well considered, that it proceeded from ignorance, that it tended to the detriment of the service, that harmful consequences could arise from it, in a word, had he any reasons to disapprove of the undertaking, he would have been obliged by oath and by office to halt that expedition, and meanwhile to present to Your Right Honorable Excellencies the detriment which he foresaw in it. Section 118. Regarding the Commander's addition: that there was still enough to be done in the surrounding lands: I take the liberty further to declare that in the Dessavony of Matara, which I have nevertheless visited diligently and investigated with attentiveness, I know of no region where such substantial improvements could be made with so much prospect of profits for the Company and at so little expense as in the Mahampattoe, where the first beginnings of my labor, which then could only be limited to clearing some old sow fields, have already been blessed with 5812 parras of paddy, whereas the annual revenues before that time scarcely amounted to 500 parras, as I have already had the honor to demonstrate previously and to prove with extracts from the lease rolls. Section 119. It is further alleged as a proof against me: that the discontented declared more than once to Mr. Sluijcken that they would not settle down until I had departed from Matara. Section 120. According to the highly esteemed government letter of 17 September last, Mr. Sluijcken was written to: That it had nowhere appeared to Your Right Honorable Excellencies that this declaration had been made in such a manner that one could attribute it with sufficient reason to the bulk of the people. Section 121. In response to this communication, Mr. Sluijs says
Dutch transcription
707 § 111. Dit bewijs is applikabel op den heer kommandeur Maa „ken zelve als kaneel kappitein, die na reets tee Land diensten bekleed te hebben, in het Jaar 1777. het disaggrement smaakte dat de sjalias onder zijn bestier revolteerden. §112. wijders, indien het vast gaat, dat de geene die genie „zaam land kunde en oplettendheid besit, altijd in staat is, het Raad van oproer onder het volk te ontdekken en in zijne opkomst te smooren hoe komt het dan, dat de Heer Commandeur sluisken den oproer in de Matureesche Dessavon niet teidig ontdent heeft? Jmmers maakt het toezicht over die Dessavonie een voor naam stuk van zijn ampt, uit, en hij heeft het selve ruim vier maanden voor het uitbaasten van het opvoer bekleed en dus tot dies ontdekking teids genoeg gehad. § 113. Niemand zal egter alle voorige Dessares, onder welker bestier een opvroer, ontstaan is, en nog veel minder den Heer Sluisken onder wiende Sjalie gerevolteerd hebben van onkunde of onregt¬ zaamheid in den dienst beschuldigen en dees blijft dat het heele argument te veel en bij gevolg niets bewijst. §114. Het tweede bewijs van mijne onkunde steld de Heer kommandeur daar in. Dat ik eene veraf geleegene woestijne als Baddegierie meende te bevolk planten daar in om= en- bijleggende landen nog genoeg te doen viel, het wel wel vooraf had moogen verrigt worden. 115: Of mijn gedaane voorslag tot het herstellen van de verwaarloosde en vervallene zaaivelden ende bijgevoegde aanwijzing der daartoe dienstige middelen in de Mo„ „hampattoe, uit onkunde, dan wel met kundigheid ge„ „daan zij, moogen de geenen beoordeelen die mijne om„ „standige memorie van den 31: Augustus 1789: daarover aan den Heer Kommandeur en Raad van Gale ingediend behoorlijk onderzogt hebben. §. 116: mij voegd het niet deeze vraag te baslissen, dog het zij mij geoorloofd daar teegen te allegeeren: 1:) Dat voorm: memorie aan den Heer kommandeur en Raad van Gale van dien tijd gezonden, en door die vergaedering geexamineerd en goedgekeurd, midsgaders aan Uwel Edele Groot Achtbaare gunstig voorgedraagen is. 2:) Dat uwEd: Gr: Achtb: dezelve (na dat ze met de bijlaagen onder de Wae„ „ven Leeden vondgeleesen was en dus:/ na rijpe overweeging meede goed„ „gekeurd en de uitvoering daarvan aanbevoolen hebben. 3:) Dat de Haar sluijsken dier tijds als geëligeerd komman„ „deur van Gale hier present zijnde deeze memorie voor dat zij in vergaadering diende ter lecture aan zijn huijs, en tijds genoeg gehad heeft dezelve te ondertoeken en te bestudeeren, waar toe hij te eerder verplicht was, wijl dezelve een ontwarp behelsde het geen in zijn kommandement zoude uitgevoerd worden, en dat zijn achtbaare niet alleen de vergaedering van den 19: september 1789: wanneer daarover gebesoigneerd ward om= bijgewoond bijgewoord, maar ook de eerste van allen zijn advis en votum gegeeven mitsgaders de memorie zonder reserve geapprobeerd heeft, en ik meene van deeze opendlijke en officieele goed keuring een zeer nadriekkelijk argiement ten mijnen voordeele en tot weederlegging van de mij toegeschree„ „vene onkunde te moogen afleiden. S: 117: Dog ik goe verder; De Heer Sluijsken quam als kom„ „mandeur te Gale, wel vier maanden, voor dat de tocht naar Baddegierie zoude ondernoomen worden; hij was van dit ontwerp volkoomen onderricht; wist hij derhalven, dat deeze onder „neeming niet wel overlegd was, dat ze uit onkun„ „de geschiede, dat ze tot nadeel van den dienst strek„ „te, dat 'er schaadelijke gevolgen uit konden voortkoo„ „men met een woord had hij eenige reedenen die onderneeming aftekeuren: zoo was hij eeds — en ampts- halvan verpligt geweest, dien tocht te staaken, en inmiddels het nadeel, het welk hij daar in voorzag, aan uwel Edele Groot Achtbaare voortastellen. §: 118: Omtrend het bijvoegzel van den Heer Kom„ „mandeur: dat in de om=en= bij=liggende landen nog genoeg te doen viel: Gebruijke ik nog de vrijheijdt te verklaaren dat ik in de Dessavonij van Mature, die ik echter vlijtig beveest en met oplettend„ Dat het uwel Edele Groot Achtbaare nergens voorgekoomen was, dat deeze verklaaring gedaan was op eene wijze, dat men die met genoegzaame grond kon stellen op reekening van het gros van het volk. §: 121: Jn antwoord op deeze aanschrijving zegd de Heer §: 120: Volgens veel ge-eerde degeenings brief van den 17: Z=ber jongstz: is den Heer Sluijcken aangeschreeven: heid onderzogt heb, geene landstreek kenne, daar zulke aanzienelijke verbeeteringen, met zoo veel vooruitzicht van winsten voor de Kompenie en met zoo geringe kosten, zouden kunnen gemaakt worden, als in de Mahampattoe waar de eerste be„ „ginteleie van mijnen arbeid, die zig toen, nog maar alleen tot het Zuiveren van eenige oude Zaaivelden kost bepaalen, reets met 5812: parras nelie zijn ge„ „zeegend geweest, in steede dat de jaarlijkse inkom„ „sten voor dien tijd nauwlijx 500: parras bedraegen hebben, zoo als ik reets de eere gehad heb hier voor„ 3 „waards aantetoonen, en met extracten uit de verpachn „tings vollen te bewijzen. §: 119: Nogh word als een bewijs teegen mij geallegeerd: dat de misnoegden meer als eens verklaard hebben niet eerder tot rusten bij den Heer Sluijcken te zullen koomen voor dat ik van mature zoude vertrokken zijn. „heid Sluijs
English
708 Sluijsken at § 14 of the separate secret letter of 20 October: That these statements have occurred to him more than once, in such a manner that he had to attribute them to the general public. § 122: I do not wish to deny that here and there among the mutineers the removal of my person was spoken of. I have already demonstrated this in detail in a Memorial dated 15 June 1790, in which the causes of the continuation of the revolt are indicated, and therein I have frankly stated everything that took place regarding this with my prior knowledge. I attach a copy of this memorial among the appendices hereto under No. 8, behind which is to be found annexed the ola letter of the lesser chiefs of the Belligam Korle and the accompanying report of its deliverers, as well as the report of the Modliaar Jlangakoon concerning his discontinued journey to the Kandebaddepattoe, since these documents are mentioned in that memorial, copies of which were not attached to the original, because the Honorable Fretzen Samlant, to whom it was addressed, had knowledge of the first two documents, and the third document was only delivered to me after the submission of the memorial. § 123: Yet because in that memorial and letter evidence appears that a part of the people did not desire my removal, but on the contrary valued my stay, and the Lord Commander had these documents in hand, one must assume that in composing his complaint he overlooked this circumstance, as otherwise the fairness and justice of a ruler would have required him to allege the same, which served so greatly for my exculpation, just as was done regarding the accusation against me. § 124: It also seems to have slipped from the memory of the Lord Commander that the people of the Maturese Gangebaddepattoe and Wellebaddepattoe, the Baygams, and the Four Gravets appeared before me during the uprising; for otherwise his Honor would not have failed to make known this notable circumstance—whereby the pretext that the dissatisfaction against me had to be attributed to the common people is most clearly refuted by the eloquent deeds of the people themselves—in aid of my reasonable justification; all the more because 709 his Honor himself declares at § 14: to be quite willing to believe that ill-disposed persons have played their part in this among them: § 125: But how the Lord Commander has been able or has dared to allege the resolution of Your Right Honorable to order me to come up to Colombo as a proof of his pretext that the dissatisfaction against me was general, is quite incomprehensible, since Your Right Honorable yourselves declared in the letter written to the Commissioners on 21 June last: that my transfer did not take place because anything in my administration had appeared to Your Right Honorable to my charge, but solely in the assumption of the possibility that the principal ringleaders of the uprising might at times harbor a secret fear that their many and far-reaching outrages, although forgiven, would be less forgotten by a Dessave under whose eyes they were committed, than by a new Dessave to whom their persons are less known, and who was no eyewitness thereto, and consequently in order to remove from them even the semblance of any reason that might hold them back from returning again to their duties. § 126: Now I ought to say a word or two about the three appendices which he produced in his separate secret letter of 20 October as so many proofs of this general desire of the people. § 127: The first two documents consist of two accounts provided by his emissaries, and the third is a translation of a Sinhalese ola letter provided with three illegible signatures, and written to his Honor, as it were, in the name of all the assembled inhabitants, great and small, of the Maturese Dessavony. § 128: From both of the first accounts themselves it appears that the informants mentioned therein went no further than Hakmana, and that consequently what they state can by no means with fairness be attributed to the bulk of the people, but only, the truth of these accounts being fully assumed, as the opinion of those few people who were together there at that time, as it is known, and appears more fully from § 43 of the secret report of
Dutch transcription
708 sluijsken bij S: 14: aparte serreete van den 20: October: Dat deeze verklaaringen hem meer als eens voorge„ „koomen zijn, op eene wijze, dat hij te stellen moest op reekening van het algemeen. §: 122: Jk begeere niet te ontkennen, dat hier en daar onder de muij„ „telingen van de verwijdering van mijn perzoon gesprooken is. Jk heb dit reets bij eene Memorie de dato 15: Junij 1790: waar bij de oorzaaken van de voortduuring van de revolte aangeweezen zijn, in het breede vertoond, en daar bij alles wat daaromtrend met mijn voorwaeten plaats gevonden heeft, onbewimpeld opgeeven. Jk voege een kopij van deeze memorie onder de bijlaagen deetes sub N=o. 8: hiarnevens, waar agter geannex„ „eerd te vinden is de brief ola van de mindere Hoofdene van de Belligam Korle en het daarbij ge„ „hoovend Rapport van de overbrengers derzelve als ook het rapport van den Modliaar Jlangakoon weegens zijne gestaakte reijse na de Randebad„ „depattoe, alzoo van deeze stukken bij die memorie gesprooken worden waarvan geene kopijen bij het ori„ „ginael gevoegd zijn, wijl de E=o fretzen Samlant aan walken te gerigt was, van de twee eerste stukken Men„ „nis hadden en het derde stuk eerst na het overgeeven van de memorie aan mij bezorgd is geworden §: 123: Dan dewijl bij die memorie en brief bewijzen voor„ „koomen, dat een gedealte van het volk mijne verwij„ „dering niet begeerde, maar in teegendeel op mijn verblijf gesteld was en de Heer Kommandeur deete stukken in handen had, zoo moet men ver„ onderstellen, dat hij bij het zaemenstellen zijner klagte deeze omstandigheid over het hoofd gezien heeft, wijl anders de billijkheid en rechtvaardigheid van een Gebieder vereischt zouden hebben dezelve die ter mijner ontschuldiging zoo zeer diende, Zoo wel te allegeeren, als omtrend de beschuldiging teegen mij geschied is. §. 124: Ook schijnt het den Heer kommandeur uit het ge„ „heugen geraakt te zijn, dat de volkeren van de Ma„ „tureesche Gangebaddepattoe en Wellebaddepattoe, de Baijgams en de vier gravetten, staande het opvoer voor mij verscheenen zijn, want anders zoude zijn Achtbaare niet gemankeert hebben, deeze notabele om„ „standigheid waardoor het voorgeeven: dat men het misnoegen teegen mij op reekening van het gemeen moest stellen: Op het duijdelijkste met spreekende daaden van het volk zelve weederlegd word, tot mijne billijke ver„ „schooning meede bekend te stellen; alles te meer 3: 123„ vee wijl 709 wijl zijn Achtbaare bij S: 14: zalve verklaard: wel te willen gelooven, dat quaadgestinde hier onder hunne vol gespeeld hebben: §: 125: maar hoe de Heer kommandeur het besluijt van uw welEdele Groot Achtbaare om mij naar Molombo te laaten opkoomen, heeft kunnen of durven allen „geeven tot een bewijs van zijn voorgeeven: dat het misnoegen teegen mij algemeen geweest zij, is vrij onbegrijplijk, daar uwel Edele Groot Achtbaare zelve bij den brief aan E: gekommitteerden van den 21:' Junij jongste: geschreeven verklaard hebben: dat mijne verplaatsing niet geschiede, omdat uw WelEdele Groot Achtbaare in mijn besftier iets ten mijnen laste was voorgekoomen, maar alleen in ver„ „onderstelling van de mogelijkheid, dat de Hoofd ban „leiders van den opstand, zomtijds een geheime vrees- konden hebben, dat hunne veele en verre gaande baldaadigheeden, schoon vergeeven, minder zouden worden vergeaten bij een Dessave onder wiens oog zij zijn gepleegt, dan bij een nieuwen Des„ „save bij wien hunne perzoonen minder zijn be„ kend, en daar van geen oog=getuijge geweest is, en om mitsdien aan dezelve te beneemen, zelfs den schein van eenige reeden, die hun zoude kunnen §: 127: De twee eerste stukken bestaan in twee relaasen door zijne uitzendelingen verleend, en de derde is een translaat Zingaleese brief ola met drie on„ „leesbaare handteekeningen voorzien, en als het waare uit naam van alle de groote en kleene te zaamen vergaederde inwoonders van de Matureesche Dessavo„ „nij aan zijn Achtbaare geschreeven. §: 128: Uit de beide eerste velaasen zelve blijkt, dat de re„ „latanten daarbij vermeld, niet verder geweest zijn, dan op Wakman, en dat bij gevolg het geen zij verklaaren, geenzints met billijkheid Man ge„ „steld worden op reekening van het gros van het volk, maar alleen /: de waarheid van deeze relaasen ten vollen aangenoomen zijnde :/ als het gevoelen van die weinige meuschen die aldaar toen bij den an¬ „deren geweest zijn, alzoo het bekend is, en nader komt te blijken uit het §: 43: van het geheim rap„ §:o 126: Thans diene ik nog een woord of wat te zeggen van de drie bijlaagen, die hij bij zijnen apparten servee„ „ten van den 20: October als zoo veele bewijzen van deeze algemeene begeerte van het volk produ„ „ceerd heeft. „terug houden om weeder tot hunne plichten te keeren. terug Aan „port van
English
port, that when Mr. Sluijsken arrived in Mature, the peoples of the various provinces remained in their own districts. § 129. The third product is an anonymous writing stamped with three illegible characters, of which it is not known how it came into the world, which therefore cannot serve as an accusation against a man of irreproachable conduct who holds a public office. Regarding the two reports, I only remark that the reporting parties are dependents of those whom Mr. Sluijsken himself declares to know as my enemies. § 130. Of greater weight, I hope, will be found the translated reports and letters that have successively been sent hither from Gale by letters of 13, 17, and 24 December of the past year, as well as 6 and 12 January last, in the number of 15 pieces, whereby the inhabitants of the Mature Gangaboda and Wellaboda Pattu, Baygams, the Lordship of Belligam, all the Chalias and fishers together, the inhabitants of the Four Gravets, of the Adigarship and of the Woutesleep, as well as the most prominent Chiefs of the people, all the craftsmen, the washers and smiths of the Rottal and the Wellaboda, the Naindes of the fortification works, and the head and the lesser chiefs of the Morrua Korle, not only praise my administration in every respect, but also express their desire that I might be appointed anew as their Chief and resume my post as Dessave of Mature. § 131. To the accusation that I had placed too great a trust in some native chiefs, among whom in § 182 are mentioned the Modliaars Tennekoon, Goeneratne, and of the Wellaboda Pattu, and had associated with them too familiarly, as well as that I had not always employed the first Interpreter, the Modeliaar Ilangakoon, I will briefly remark the following. § 132. The Modeliaar Goeneratne was known to me as a drunkard, though otherwise as a person who treated his subordinates well. The Modliaar Tennekoon is too rich to draw from him those services that his skills, which are very great for a native, would otherwise allow. His riches make him lazy, and he must constantly be encouraged to his duties. But the Modeliaar of the Wellaboda Pattu certainly promises to be a perfect chief and has given me much satisfaction in his brief administration of a few months, as he is tireless and knows no pride, yet his abilities had by no means reached that ripeness that one could place any other trust in him than that he executed what was commanded of him with zeal and promptness. § 133. From this sketch of the said chiefs, everyone will naturally be able to understand that concerning them, nothing more than an ordinary trust could have taken place. That trust which Mr. Sluijsken disapproves of, I have placed solely in the Modeliaar de Saram and in the second Interpreter Mohandiram, concerning which two persons I have explained myself at length in my secret letter from Mature to Gale dated 24 April, to be found under No. 9 among the annexes hereto. § 134. And although the Modeliaar de Saram is accused of being one of the main causes of the recent revolt that arose, I must nevertheless testify that he is a man among the natives of exceptional merit, who, from the very beginning when I took over the administration of the Mature Dessavony, has earned esteem both through his conduct and through his zeal and the good order he maintained among his subordinates. § 135. It is also to his help and zeal that I owe my success in my efforts to bring the entire Dessavony, which had fallen into poverty, to a peak of prosperity and happiness that it had never known before; to which the revenues from the paddy crop since my arrival in Mature compared with those of earlier years may bear witness: the highest that they ever yielded, as far as the books reach, was 63,582½ parras in the financial year 1774, and in the last year of my administration they amounted to 102,630½ parras, thus 39,048¼ parras more than ever before. § 136. This indication alone may serve as proof whether this Modeliaar was worthy of my trust or not, and whether I succeeded poorly in my choice by choosing this man above others to consult with him about the Company's and the people's interests, in which, and indeed in nothing else, my trust consisted. § 137. As to what appears in § 184, 185, and 186 concerning the familiar intercourse
Dutch transcription
710 „port, dat toen de Heer Sluijsken op Mature Kwam, de volkeren van de onderscheide provintsien zig in hunne eigene districten ophielden. §: 129: Het derde produkt is een naamloos met drie onlees„ „baare karakters bestempeld geschrift, waar„ „van men niet weet, hoe het in de wareld gekoomen is, het welk dus teegen een man van een onbesprooken ge „drag en die een publiek karakter bekleed, tot geene beschuldiging kan strekken. Nopaus de twee relaasen merke ik eenlijk aan, dat de relatanten afhangen „lingen zijn van hun, die de Heer Sluijsker zelfs ver„ „klaard mijne vijanden te weeten. §: 130: van meer gewigt hoope ik dat ten deeten zullen bevonden worden, de Translaat rapporten en brief olassen die successive van Gale bij brieven van den 13: 17:, an 24: December anno passato, mitsgaders 6: en 12: Janu„ „arij jongstleeden ten getalle van 15: stux her„ „waards gezonden zijn, waarbij de inwoonders van de Matureesche Gange en Willebaddepattoe, Baij„ „gams, de Heerlijkheid van Belligam, de gezaement„ „lijke sijandos en visschers, de jnwoonders van de vier Gravetten, van de Adigarij en van den Woute „sleep, alsmeede de aanzienlijkste Hoofden des volks, de gezaementlijke Ambagtslieden, de Was„ „fers en smeeden van de Rottal= en de Wallebadde de Naindes van de fortificaatsie werken, en het hoofd en de mindere hoofden van de Morrica Korle, niet alleen mijn bestier alzints- prijsen, maar ook hun verlangen daar stellen, dat ik op nieuw tot hun Woofd mogte worden aangesteld en mijn post als Dessave van Matúre herneemen. §: 131: Op de beschuldiging; dat ik een al te groot vertrou„ „wen op eenige inlandsche hoofden, waarvan bij §: 182: genoemd worden de modliaars Tinnekoon Goeneratrie en van de Wellebaddepattoe gesteld had en te familiaar met hen lieden omgegaan was, als meede dat ik den eersten Tolk den Mode„ „liaar Jlangakoon niet altoos geëmploijeerd had, zal ik kort het volgende aanmerken. S: 132: De modeliaar Goeneratne was bij mij bekend voor een dronkaart, hoewal anders voor een mensch die zijne ondergeschikte wel behandelde, De Modlidar Tinnekoon is de rijk, om van hem die diensten te trekken, die anders zijne kundigheeden, die voor een Jnlander zeer groot zijn, zouden toelaaten. zijne rijkdommen maaken hem luij en hij moet gestaan „dig tot zijne pligten aangemoedigd worden. Dog de Modeliaar van de Wellebaddipattoe beloofd zeeker „sers een een volmaakt hoofd en heeft in zijn kort bastier van weinige maanden mij veel genoegen gegeeven, alzoo hij onvermoeid is en geene trotsheid kend, dog zijne geschiktheeden waaren geenzints nog tot die rijpheid gekoomen, dat men in hem eenig ander vertrouwen konde stellen, dan dat hij dat, wat „men hem gebood met iever en promptheid uitvoerde. §: 133: uit deeze schets van gem: hoofden zal een ieder natuurlijk konnen begrijpen, dat omtrend hun geen meer dan een gewoon vertrouwen heeft plaats konnen hebben. Dat vertrouwen, het welk de Weer sluijsken misbillijkt, het ik alleen gesteld in den Modeliaar de Saram en in den tweeden Tolk Mohandiram, over welke twee meuschen ik mij in het breede hebbe verklaard bij mijnen— seiveeten brief van Mature na Gale in dato den 24: April, te vinden onder N=o 9: bij de bijlaagen deezes. §: 134: En ofschoon de modeliaar de Saram als een van de hoofd oorzaaken van de laatste ontstaane revolte be„ schuldigd word, zoo moet ik des niet te min als nog betuijgen, dat hij een man onder dene Jnlander is van bezondere verdiensten, die van den beginne af aan dat ik het bestier van de Matureesche Dessavonie heb overgenoomen, zoo door zijn gedrag als door zijnen iever en de goede order die hij onder zijne ondergeschik„ „te hield, achting verdiend heeft. §: 135: Aan zijne hulpe en iever heb ik het meede te danken dat ik zoo gelukkig geslaagd ben in mijne poogingen om de geheele in armoede vervallene Dessavonie tot— een top van voorspoed en geluk te brangen, die zij voor deeze nimmer gekend heeft; waarvan getuijgen moogen de inkomsten van het nelij gewas zeedert mijne komste te Mature met die van vroegera jaaren ver„ „geleeken: het hoogste wat dezelven ooit opgebragt hebben, zoo verre de boeken rijken is 63582:½ parras — geweest in het boekjaar 1774: en in het laatste jaar van mijn bastier hebben ze 102630:½ parra bedraagen dus 39048:¼: parra meer dan ooit bevoorens. §: 136: Deete aanwijzing alleen mag strakken, tot een bewijs— of deeze modeliaar mijn vertrouwen waardig ge„ „weest is of niet, en of ik kwaalijk in mijne keuse geslaagd ben, met deezen man boven anderen uitte„ v „kiesen, om met hem over 's komp=s en swolks belan„ „gens te raadepleegen, waarin en wel in niets anders mijn vertrouwen bestaan heeft. §: 137: Wat voorkomt bij S: 184: 185: en 186: van de familiaare — overgenoomen ommegang ed
English
intercourse with the native chiefs, is so obscure that one does not really know what ought to be understood by this familiar intercourse with the native chiefs. § 138: From what appears in § 184, one would almost have to assume that this refers solely to the freedom these chiefs had with me to speak to me in private. § 139: For it is hardly possible that Mr. Sluysken would wish or be able to accuse me of having maintained any private intercourse or social gatherings with the chiefs, since it is certain that never could a Dessave have involved himself less with them in this respect, as in my three-year administration I never set foot in the house of any of all the native chiefs, except only at that of the interpreter Mohandiram, on the occasion when he was very ill and wished to speak with me, and the native chiefs were also not received by me except once every year according to ancient custom. § 140: How this conduct now deserves the name of a familiar intercourse, and that through this conduct the chiefs have now become so familiar that they not only refrain from their customary marks of honor to persons of the first rank among the Europeans, but also seem to want to make almost no distinction between their superiors, I very willingly confess not to understand. § 141: For I have never had the slightest indication that the chiefs during my administration have in any respect failed in the respect owed to me or to others; the general and, I dare boldly say, the uncommon zeal which these chiefs, taken on the whole, have shown in their official duties during my administration, is much rather a striking proof of their deference toward me. § 142: By the resolution of the 21st of August last, Your Right Honorable Greatness was pleased to allow that a brief statement of the country's produce and revenues during my administration, compared against what came in during earlier years, might be inserted. This statement alone, and what I have said above regarding the nelie revenues in particular, fully prove that the chiefs, taken on the whole, have fulfilled their duties, and that I therefore had every reason to treat these chiefs with friendliness. § 143: I could here, without exceeding the bounds of discretion, add further and more detailed information, both regarding the work of the plantations and of my actions concerning a large quantity of waste lands which I had made fit and cultivated during my administration, as well as the work regarding dams and watercourses for the promotion of agriculture and other matters besides. I think, however, that the demonstration of the profits which the mature Dessavony has yielded annually to the Government since the arrival of the Noble Lord Governor Falck, which is appended hereto under No. 10, and the statement of the produce collected under my administration to be found under the resolution of the 21st of August and there under the disposition of Your Right Honorable Greatness on page 61 of the aforementioned secret report, will sufficiently defend me in this matter, inasmuch as it appears therefrom that the years of my administration have notably surpassed all preceding ones, and will in the most indisputable manner clear me of ignorance or negligence in the rural administration. § 144: Finally, it is also imputed to me as a fault in my administration: That I did not sufficiently employ the First Interpreter and Mudaliyar Ilangakoon in his office as interpreter. § 145: How the Lord Commander could have made this an item of accusation is almost incomprehensible to me, since His Honor knows so well my natural aversion to people of a dissolute and licentious way of life, and cannot possibly be ignorant that Ilangakoon is a drunkard, concerning which I appeal to all of Matara and Galle where this is notorious, and further to Your Right Honorable Greatness, to whom this must be known from general rumor, and especially to the testimony of the fellow members, the Honorable Messrs. Tolf, Raket, and Samlant, who during their presence in the Dessavony will have experienced this sufficiently. § 146: I now come to the complaints of the Lord Commander against me regarding disrespect and conceived mistrust toward His Honor and the Council at Galle, regarding which I declare beforehand that I never had the intention to insult His Honor. § 147:
Dutch transcription
712 commegang met de inlandsche hoofden, is zoo duijster, dat men niet wel weet, wat eijgendlijk door deeze familiaaren ommegang der inlandsche hoofden moet worden verstaan. §: 138: Uit het geene bij S: 184: voorkomt, zoude men bij naa moeten veronderstallen, dat dit alleen ziet op de vrijheid die deeze hoofden bij mij hadden, om mij in het particulieer te spreeken. §: 139: Want het is niet wel mogelijk dat de Heer slueijsken mij zoude willen nog kunnen beschuldigen eenige par„ „ticulieere ommegang of getelschappen met de hoofden te hebben gehouden, alzoo het zeeker is, dat nimmer een Dessave zig ten deezen minder met hun heeft kunnen bemoeien, alzoo ik in mijn driejaarig be„ „stier bij geene van alle de inlandsche hoofden een voet aan huijs getel heb, dan alleen bij dene tolk Mohandi„ „vam, ter geleegendheid hij zeer ziek was en mij wenschte te spreeken, en de inlandsche hoofden ook bij mij niet ontvangen zijn als alle jaar eens volgens al oud gebruik. §: 140: Hoedaanig nu dit gedrag de naam verdiend van een familiaaren ommegang an dat door dit gedrag de hoof„ „dene thans zoo familiaar geworden zijn, dat ze niet alleen Zig van hunne gewoone eerbewijzen aan per¬ „zoonen van den eersten rang onder de Europeesen ont= „houden, maar ook bij naa geen onderscheid tusschen hunne meerdere schijnen te willen maaken, bekenne ik zeer gaarne niet te begrijpen. §:o 141: Want ik heb nimmer de minste blijk gehad, dat de Hoofden geduurende mijn bestier in eenige opzichten in het aan mij of anderen verschuldigd respect geman„ „keerd hebben, de algemeene en ik durve gerieft zeg„ „gen de ongewoone iever, die deeze hoofden over het geheel genoomen in hunne ampts verrichtingen. geduurende mijn bastier, getoond hebben, is veel meer een spreekend bewijs van hun ontzag voor mij„ §: 142: Bij de rasolutie van den 21: Aug=s jongst: hebben uw wel Edele Groot Achtb: wel willen toestaan, dat eene korte aanwijzing van 'slands produkten en in„ „komsten geduurende mijn bastier, vergeleeken tee= „gees het geen in vroegere jaaren is ingekoomen, mogt werden ginsereerd. Deete aanwijzing alleen en het geene ik hier boven van de nelie inkomsten in het bezonder gezegd hebbe, bewijzen ten vollen, dat de hoofden aan hunne pligten over het geheel genoo„ „men voldaan hebben en dat ik dus alle reedenen had om deete hoofden met vriendelijkheid te behandelen. ^Zoonen §: 143: 2 713 §: 143: Jk zoude hier zonder de paalen van discretie te de buiten te gaan meerdere en naadere aanwijzing kun„ „nen voegen, zoo omtrend het werk der plantagien als van mijne verrichtingen nopens een groote hoeveelheid van woeste landen die ik geduurende mijn bastier heb laaten bekwaam maaken en bebouwen, als meede het werk omtrend dam„ „men en waterleidingen ter bevordering van den landbouw en meer andere zaaken. Jk denkerk„ „ter, dat de aantooning van de winsten die de Ma „tureesche Dessavonij zeedert de komste van den Edelen Heer Gouverneur Palak aan de Regeering jaarlijks heeft opgeworpen, die onder N=o 10: hier„ nevens gevoegd word, en de aanwijzing van de ons „der mijn bestier ingetaemelde produkten bij resolu„ tie van den 21: Augustus en aldaar bij de dispo„ „sietsie van uwel Edele Groot Achtbaare op D: 61:— van het meerm: geheim rapport te vinden, mij ten deeten genoeg zullen verdeedigen, door dien daarbij blijkt, dat de jaaren van mijn bestier alle voorigen merk„ „lijk overtroffen hebben en mij op de onweederspree¬ „kelijkste wijze zullen vrijplijten van onkunde of naalaatigheid in het land baftier. §: 144: Eindelijk word mij ook als een misslag in mijn be„ „stier aangereekend: Dat ik den eersten Tolk en Modliaar Jlan„ „gakoon, niet genoeg in zijn ampt als tolk ge„ „bruijkt heb: §145: Hoe de Heer Kommandeur dit tot een stuk van beschuldiging heeft kunnen maaken, is mij haaft onbegrijplijk, door dien zijn Achtbaare mijnen natuurlij„ „keu afkeer van menschen van een liederlijke en losban„ „dige wijse van leeven zoo wel kend en onmoogelijk ignoreeren kan dat Jlangakoon een dronk„ „aart is, waaromtrend ik mij beroepe op heel ma„ „tiere en Gale daar dit notoir is, en naader op uw wel Edele Groot Achtbaare, aan wien dit uit het algemeene gerucht bekend moet zijn en inzonderheid op het getuijgenis van de meede leeden, dE=s Joth, Raket ƒ en Samlant, die dit geduurende hun aanweezen in de Desjavonij genoeg zullen ondervonden hebben. §:. 146: Thans koome ik op de klagten van den Heer Kom„ „mandeur teegen mij over kleen achting en opgevat mistrouwen teegen zijn Achtb: en den Raad te Gale, waaromtrend ik vooraf verklaere, dat ik nimmer het oogmerk gehad hebbe, zijn Achtb: te beleedigen §. 144:
English
or to withdraw myself from due subordination, and that I am heartily sorry that His Honour has construed several of my actions, entirely contrary to my intention, as proofs of contempt, distrust, and disobedience. § 147: And because I already, at the session of the 12th of August last, brought forward the most necessary points for my defense regarding the particular cases in which, according to His Honour's opinion, I was alleged to have failed, I shall answer them here with the greatest possible brevity. § 148: The first accusation is: Why I declined a commission from the Galle Council. And my answer to this is: because the Commander had left it to my free choice whether I wished to have that commission or not! The extract from the letter of the Commander of the 18th of April 1790 fully proves this with these words: "However, if Your Honour finds this means /:to go in person to the mutineers:/ not advisable, or indeed necessary that I should send a detachment, or else otherwise, according to the custom of former days, a couple of members of the Galle Council, to quiet the mutineers and hear their complaints, then write to me with the utmost speed and I shall come to your assistance in the promised manner." § 149: Could I therefore think that the Commander would take it amiss of me, let alone reckon it as an offense, that I politely declined it in my answer, which was dispatched on that very same day, the more so because I communicated to His Honour the reasons why I declined it and requested a commission from Colombo? § 150: To demonstrate this most clearly, I shall insert the passage from this letter of mine here verbatim. Extract of a letter written from Mature to Galle on the 19th of April 1790: "This rebellion is of an entirely different nature than the previous one, as there are indications that must make me think that these people have been made to believe things by secret enemies of Your Honour and of myself, which refute themselves. It is also for that reason that I request Your Honour, both in my name and in that of my chiefs to whom I made known Your Honour's favorable offer to send a commission from Galle hither, to kindly request in its stead a commission from the venerated Ceylon Government, either from the Honorable Political Council or from the Court of Justice at Colombo, and that their Honours may come hither as soon as will be feasible, and this indeed at the expense of the native chiefs themselves, who request an accurate investigation into this matter, so that it may appear who the causes of this rebellion are and so that the guilty may be punished as an example to others. Herewith I also request that these gentlemen may be ordered to conduct a careful investigation into my conduct during my administration here; to investigate the complaints that might come in against me with all accuracy, conscientiously and most strictly. Likewise, I request that a good interpreter may come with these gentleman commissioners, who has no kinship here at Mature with the native chiefs." § 151: The second accusation is: Which reasons moved me not to accept the Junior Merchants van Schuler and De Vos in the capacity of commissioners of the Galle Council and not to render the obligatory honors. § 152: My answer to this is: According to the just-quoted letter of the 19th of April from the Commander, I could not think that His Honour would send the aforementioned Junior Merchants as commissioners, because he had left this to my free choice and I had declined it. § 153: According to a subsequent letter from Galle of that date, these Junior Merchants were also not sent to Mature, but to Belligam. § 154: However, I did not refuse them at all, but only opposed the unusual pomp with which they marched up to Mature, because this was without precedent and contrary to custom, and I gave notice thereof on that very same day to the Commander and Council by letter of the 20th of April 1790, and explicitly stated therein that this did not occur from any private views and that I was so scrupulous in this matter § 157: been
Dutch transcription
734 of mij van de schuldige subordinatie te onttrekken en dat het mij hartelijk leed doed dat zijn Achtbaare verscheidene mijner verrightingen geheel teegen mijne intensie als bewijzen van minachting mistrouwen en onge„ „hoorzaamheid opgenoomen heeft. §: 147: En wijl ik reets ter sessie van den 12: Aug=s jongst op de bezondere gevallen, waarin ik, volgens het ge„ „voelen van zijn Achtb: gemankeerd zoude hebben, het noodigste tot mijne verantwoording hebbe bijgebragt, „zoo zal ik dezelven, hier met de meest moogelijke be„ „knoptheid beantwoorden. §: 148: De eerste beschuldiging is. Waarom ik voor eece kommissie uit den Gaal„ „schen Raad bedankt heb. en mijn antwoord hierop is, om dat de Heer Komman„ „deur het in mijne vrije keuse gelaaten had, of ik die Commissie wilde hebben of niet ! het ex„ „trakt uit den brief van den Heer Kommandeur van den 18: April 1790: bewijst dit ten vollen met deete woorden: vind uwE: echter dit middel /:om in perzoon bij de muitelingen te gaan :/ niet geraaden, of wel noodig dat ik een kommando zal zenden, dan wel §: 150: Om dit tere klaarsten te doen zien, zal ik de passagie uit deezen mijnen brief hier woor„ „delijk inlijven. Extract brief van Mature naar Gale geschreeven den 19:e April 1790: Deeze opvoer is van een geheel anderen aart, dan de voorige, alzoo er indicien zijn, die mij moeten doen deucken, dat deeze menschen door heemelijke vijanden van UE: achtbaare en van mij, dingen wijs gemaakt zijn, §: 149: kon ik dus denken, dat de Heer kommandeur het mij quaalijk neemen, laat staan tot een verbree„ „keer aanreekenen zoude, dat ik daarvoor beleefde„ „lijk bedankte bij mijn antwoord, het welk dien eigen„ „ften dag nog afgevaardigd wierd, te meer wijl ik zijn Achtbaare de reeden meede deelde, waarom ik daarvoor bedankte en om een kommissie van Mo= „lombo verzogt. anders na gewoonte van vroegere daagen een paar Leeden van den Gaalschen Raad, om de muitelin„ „gen te stillen en hunne klagten aantehooren, daen schrijft mij ten spoedigsten en ik zal U op de be„ ofte wijze te hulp koomen. P anders die 715 die zig zelven te niet doen. Met is ook uit dien hoofde dat ik UE: Achtbaare zoo uit mijn naam, als uit die van mijne Hoofden aan de welke ik UE: Achtb: gunstig aan„ „bod om na herwaards een kommissie van Gale te zenden bekend gemaakt heb, verzoeke van in dies plaatse een kommissie, het zij van den Edelen Politiaken Raad of van de Justitie te Kolombo, bij de gevenereerde Peijn „lonsche Regeering te willen verzoeken, en dat hun E=de naa herwaards zoo spoedig moogen koomen als doenlijk zal zijn, en dit wel op kosten van de inlandsche Hoofden zelfs, die een naauwkeurig onderzoek van deeze zaak verzoeken, ten einde het blijken moge, wie oorzaaken zijn van deeze op voer en op dat de schuldigen tot exemen upel van anderee moogen gestraft worden. Wierbij verzoeke ik tevens, dat aan deeze Heeren mag worden gelast, om een naauwkeurig onderzoek te doen na mijn gedrag geduurende mijn bastier alhier. De klagtens die teegens mij mogten inkoomen met alle naauwkeurigheid, gemoedlijk en op het scherpst te ondertoeken. Jnsgelijks verzoeke ik dat met- deeze Weeren gekommitteerden een goede tolk mag koomen, die geene verwandschap alhier op Mature met de inlandsche Hoofden heeft„ welke reeden mij bewoogen hebbende Onderkooplieden van Schuler en De Vos niet in de qualiteit van kom„ „missarissen van den Gaalschen Raad te accepteeren en het verplichte honeur te bewijzen. §: 152: mijn antwoord hierop is. Volgens even aangehaalden brief van den 19: April van den Heer Kommandeur kon ik niet denken dat zijn Achtb: de voornoemde Onderkooplieden als gekom„ „mitteerden zoude zenden, wijl hij dit in mijne vrije keute gegeeven en ik daarvoor bedankt had. §: 153: Volgens naaderen Gaalschen brief van dien datum, wierden deeze onderkooplieden ook niet naar Mature, maar naar Belligam gezonden. §: 154: Echter heb ik hen lieden geenzints gerefuseerd, maar eenlijk mij geopposeerd teegens de ongewoone staatsie waarmeede dezelven naar Mature op„ „trokken, om dat dit buiten exempel en teegen het ge„ „bruijk wis en ik het daarvan dien eijgensten dag aan den Heer Kommandeur en Raad kennis gegeeven bij brief van den 20: April 1790: en daarbij tevens uit„ „druklijk aangehaald, dat dit uit geene particulieere inzichten geschied en ik in dit stuk zoo stripuleus §: 151: De tweede beschuldiging is. §: 157: geweest
English
716 had been, on the one hand to maintain my authority in the circumstances of that time, and on the other hand because I had received no written instructions regarding the granting of higher honors. Section 155. If I have made a mistake in this regard, it happened solely out of ignorance that Junior Merchants sent on a commission from Gale had to be given commanders' honors, and I hope that I shall be pardoned for this all the sooner because this rule, as far as I know, was previously nowhere established and also nowhere observed, and because, as soon as I received the order the following day by the Gale missive of 21 April: that the said commissioners should have the honor that was due to those whom they represented, I properly obeyed it and ordered the commanders of the militia and artillery to give them commanders' honors during their stay, and upon their departure for the country to call the garrison to arms, form the guard of honor, and salute from the ramparts with the cannon. Section 156. The third accusation concerns the Moor Segoe, who was arrested by me at Mature and subsequently, by order of Your Right Honorable, sent under arrest to Kolombo. Section 157. My answer to this is recorded in detail in the Kolombo resolution of 12 August 1790 on page 16, and from that record it appears that this so-called Moor is a slave boy of an inhabitant at Mature, and I add that he is a vagrant, a drunkard, and a thoroughly wretched subject, and thus I could not possibly think that the Commander would wish to make use of such a most dissolute and vile subject to obtain the necessary information. Section 158. It further appears from the declaration of this Segoe himself, which is cited in the aforementioned resolution and is transmitted among the annexes to this under No. 11, that he was only ordered once by the Commander at the beginning of the disturbances, or properly on 17 April, to go to Mature and see what truth there was in the report that some mutineers had gathered there, but then was unable to get further than Polwatte, and the next day reported this to the Commander, and that when he went to Mature for the last time and was arrested there, he had received no orders from anyone. Section 159. For the rest, this Moor was apprehended by me, not on my own authority, but by order of Your Right Honorable, and sent under arrest to Kolombo, though I readily confess to having given no notice of this to the Commander and Council. Section 160. But this was neglected with no ill intent, but solely caused by a multitude of urgent matters with which I was, as it were, overwhelmed at that time, for which I made my apology in the letter of 20 May, which is to be found among the annexes under No. 12, and I trust that this is all that can be demanded of me in such a case. Section 161. The fourth accusation concerns the titular Mohandiram Daha Naike. This man was a titular mohandiram, was used on occurring occasions for various services and missions, and could thus be of use to me in the disturbances that had arisen. Since he was in Gale, I wrote the following to the Commander and Council in a letter of 19 April: According to what I hear, the titular mohandiram Daha Naike is in Gale, and since I might occasionally have some services from him on this occasion, I request Your Honors, if he is in Gale, to have him depart for here at once. Section 162. The answer the following day was in the postscript: The titular Mohandiram Daha Naike is not known here, unless he is the one who was promoted by Your Honor at the request of the undersigned Commander; this person already departed back there about a month ago. Section 163. I leave it to Your Right Honorable and my further high superiors to judge whether I could conclude from this answer that this man was a favorite of the Commander, and still less that he had been sent by the Commander to inquire into the state of affairs, and whether, on the contrary, this answer was not given.
Dutch transcription
716 geweest was, eensdeels om in de toenmaalige omstan„ „digheeden mijn gezag te doen bewaaren, en anderene deels om dat ik geen aanschrijven omtrend het geeven van meerder honneur ontfangen had. §: 155: Indien ik hier omtrend misgetaft heb, zoo is dit alleen ge„ „schied uit ignorantsie, dat aan Onderkooplieden die van Gale in kommissie gezonden worden, kommandeurs honneur moast gegeeven worden, en ik hoop, dat mij dezelve te eerder zal gepardonneerd worden, om dat deeze reegel voor„ heer, zoo veel ik weet, nergens vastgesteld en ook nergens geobserveerd is, en om dat ik, zoo dra ik daags daaraan bij Gaalsche missive van den 21: April de order ontving: dat gemelde gekommitteerden het honnaur zouden hebben dat de geene toekwam, die zij representeerden. daar aan behoorlijk heb gehoorzaamd, en aan de komman„ „danten van de militie en Artillerij belast, hen ge„ „duurende hun verblijf kommandeurs honneur te geeven, en bij hun vertrek naar het land het Garni„ „zoen in de waapens te trekken, het vanhet te formeeren, van de wallen met het kanon te salueeren. §: 156: De derde beschuldiging betreft den Moor Segoe, die door mij te Mature gearresteerd en vervolgens op order van uw welEdele Groot Achtbaare in arrest naar Kolombo gesonden is. §: 157: mijn antwoord hierop is omstandig aangeteekend bij Ko„ „lombosche resolutie van den 12: Aug=s 1790: op P: 16: en bij die aanteekening blijkt, dat derze zoo genoemde Moor een slaeven jong van een inwoonder te mature is, en ik voege er bij, dat hij een zwarver„ een dronkaart en allerslegst subject is, en ik dus onmoogelijk kost deecken, dat de Heer Komman„ „deur zig van zulk een allerliederlijkst en vuilst subject zoude willen bedienen om het noodige onderricht te bekoomen. §: 158: Wet blijkt verder uit de verklaaring van deezen segve zelve, die bij evengem: resolutie geallegeerd is, en onder de bijlaagen deezes sub N=o 11: overgaat, dat hij alleen een enkeld maal door den Heer Komman„ „deur gelast is in den beginne der onlusten, of- eigendlijk den 17: April naar Mature te gaan en te zien wat 'er waare van de tijding, dat daar eenige muitelingen tezaemen gerot waaren, dog toen niet verder als Polwatte heeft kunnen koomen, en 's anderen daags daarvan aan den Heer die Kommandeur Nt. kommandeur rapport gemaakt heeft, en dat hij toen hij de laatste heer naar mature gegaan en daar gearresteerd is, van niemand eenige last ont„ „vangen heeft. §: 159: voor het overige is deeze moor door mij, niet op eijgen gezag, maar op beval van uw welEdele Groot Achtbaare opgevat en in arrest naar Kolombo gezonden, dog ik bekenne gaarne hiervan aan den Heer Kommandeur en Raad geene kennis te hebben 3: 160: Dan dit is met geen op zet naagelaaten, maar een„ „lijk veroorzaakt door een meenigte dringende beezigheeden, waarmeede ik diertijds als overkropt was, waarover ik bij brief van den 20: Maij die onder de bijlaagen sub N=o 12: te vinden is, mijn exkus gemaakt heb, en ik vertrouwe dat dit alles is, wat in zulk een geval van mij gevergd kan worden. §: 161: De vierde beschuldiging betreft den titulair Mo„ „handiram Daha Naike. Deeze man was titulair mohandiram, wierd bij- voorkoomende geleegendheid, tot deeze en geene dien„ „sten en exploiten gebruijkt, en kon mij dus en de opgekoomene onlusten van nuet zijn. Wijl hij zig te Gale bevond, zoo schraef ik aan den Heer kommandeur en Raad bij brief van den 19: April het volgende: volgens ik hoor bevind zig de tituleir mohan„ „diram Doha Naika te Gale, en vermits ik van hem in deeze geleegendheid zomtijds eenige dien„ „sten zoude kunnen hebben, zoo verzoeke ik U:E: achtb:, hem zoo hij te Gale is, ten eersten na herwaards te doen vertrekken. 3: 162: Het antwoord was 'sdaags daaraan bij het post scripteem. De titulair Mohandiram Daha Naike is hier niet bekend, ten zij het de geene is, die door UwE: op verzoek van den ondergeteekenden komman„ „deur bevorderd is, deeze perzoon is reets voor omtrend een maand na derwaards terug vertrokken. §: 163: Jk laat uw welEdele Groot Achtb: en mijne verde„ „ve hooge Gebieders oordeelen, of ik uit dit antwoord kost besluijten, dat deeze man een gunst„ „ling van den Heer Kommandeur was, en nog veel minder, dat hij door den Heer Kommandeur ge„ zonden was, om zig naar den toestand van zaaken te erkondigen, en of niet in teegendeel dit antwoord gegeeven. hij dat
English
that he had already departed for Gale about a month ago, completely excluded this assumption. Paragraph 164: It was far more natural that this answer from Gale, stating that he had already left for Mature about a month ago, would already bring him under suspicion on account of this absence of his during those days when the insurrection was beginning everywhere. This suspicion was not a little increased by rumors and reports that he had been wandering about everywhere in the korles among the rebels, and since upon his arrival in Mature he was unable to give a satisfactory account of his absence, he was placed under arrest at the Main Guard by me as a suspect person. Paragraph 165: On 27 April, I was subsequently written to from Gale: Your Honor must send the titular Mohandiram Daha Naike here, if he is not needed there and can be spared. Paragraph 166: And since he was then in arrest on account of his suspect conduct, which was to be investigated by the Honorable Commissioners of Your Right Honorable and Most Noble, so I wrote this simply in reply, being unable to think that I would do wrong therein. Yet now this is construed by the Honorable Commander as a deliberate disobedience to his orders, and satisfaction is demanded for it. Paragraph 167: I leave it entirely to the judgment of Your Right Honorable and Most Noble and my further high superiors, whether the letter from Gale with these words: Your Honor must send Daha Naike here, if he is not needed there and can be spared, contains a positive order, or rather that the added clause, if he is no longer needed there and can be spared, had to be taken by me as an authorization to detain him in such a case? And whether I thus not only had the liberty from the Honorable Commander and Council to detain this man if he was needed there, but was even obliged to do so, since his presence was absolutely required for the investigation into his suspect conduct. Paragraph 168: The pardon that followed upon this stopped this investigation; otherwise, it might possibly have come to light that this Daha Naike had fanned the flames of the insurrection not a little, and especially had incited the natives to complain about me, and thus bring about my downfall. Paragraph 169: The fifth accusation: that I had given so little report of the condition of the Dessavony: was investigated by Your Right Honorable and Most Noble in the Council on 20 August, when, upon reviewing the letters, it was found that I had neglected nothing in this matter, wherefore I refer myself to that resolution or marginal disposition on page 14. Paragraph 170: What His Honor says further in this regard in the aforementioned letter of 20 October refers mainly to the Honorable Commissioners Iretz and Samlant, for whom I am not responsible, and it is shown abundantly by my letter written to Gale on 25 May that I gave report of the changes made among the headmen by the said commissioners. Paragraph 171: The sixth accusation contains: that, having been ordered as many as two times to send the Modeliaar of the Wellebaddepattoe up to Gale, I had not complied with this order. Paragraph 172: This case deserves a detailed explanation. The Gale commissioners, the Junior Merchants van Schuler and de Vos, had lodged a complaint against this modeliaar with the Honorable Commander and Council at Gale regarding neglect in the service and alleged little zeal in providing the necessary supplies for the detachment at Gandere, and because he had also not properly received their Honors. This complaint was also made to me, whereupon I corrected the said modeliaar to the satisfaction of the said commissioners. Paragraph 173: In the meantime, I received the following order by letter from Gale of 26 April: The modeliaar of the Wellebaddepattoe, about whom the Honorable van Schuler and de Vos have complained, must immediately be sent over here in a secure manner, and we shall expect this native headman here tomorrow. Paragraph 174: This modeliaar was at that time very useful, or rather indispensable, in his district; he alone kept the subordinates in obedience, tranquility, and peace, Paragraph 175: even after the rebels had been in his Pattoe.
Dutch transcription
718 dat hij reeds voor omtrend eene maand naa Gale vertrokken was, deeze veronderstelling ten eenen „maal exkludeerde. §: 164: Wet was veel meer zeer natuurlijk dat dit antwoord van Gale: dat hij reets voor omtrend een maand naar Mature vertrokken was, hem, weegens deate zijne afweetigheid, in die daagen dat de opvoer overal begon, reets moest in verdeeking bren„ „gen, die niet weinig vermeerderd wierd door ge„ „ruchten en berichten, dat hij over al in de korles bij de rebellen rond getworven had, en wijl hij zig bij zijne aankomst te mature niet voldoende nopens zijne afweetigheid wist te verantwoorden, zoo werd hij als een suppert perzoon door mij aan de Hoofdwagt gezet. §:o 165: Dden 27: April werd mij daarop van Gale aangeschreeven: UwE: moet den titulair Mohandiram Daha Naike, zoo hij daar niet benoodigd is en ge„ „mist kan worden, dit heen zenden. §: 166: En wijl hij toen, in arrast zat over zijn suppert ge„ „drag, het welk door de E: gekommitteerden van UEd Wel Edele Groot Achtbaare moast onderzocht worden, §: 167: Jk laat het geruft aan het oordeel van uw wel Edele Groot Achtb: en mijne verdere hooge gebieders, of het Gaalsche aanschrijven met deeze woorden: uwE: moet Daha=Naike dit heen zenden, zoo hij daar niet benoodigt is en gemist kaer worden. een stellig bevel behelft, of niet veel meer de bijge„ „voegde klausule, zoo hij daar niet meer noodig is en gemist kan worden, door mij moest opgenoomen worden voor een qualificatie, om hem in zulk een val aantehouden? en of ik dus niet slegts vrijheid van den Heer Kommandeur en Raad had om diene man aantehouden, als hij daar noodig was, maar zelve daartoe verpligt was, wijl zijne teegenwoordig„ „heid tot het onderzoek naar zijn suspect gedrag volstrekt vereischt word. §168: Wat daarop gevolgde pardon heeft dit onderzoek ge„ „stuit, anders zoude moogelijk aan den dag gekoomen zijn dat deeze Daha naike het vuur van opvoer zoo schreef ik dit eenvoudig in antwoord, niet kunnende den„ „ken, daarin te zullen misdoen. Doch tans word dit van den Heer Kommandeur als een opzettelijke ongehoor„ „zaamheid aan zijne beveelen uitgelegd, en daarover sa„ „tisfactie ge=eischt. zoo niet 749 niet weijnig aangeblaaten en inzonderheide de Jnlan„ „ders opgestookt heeft over mij te klaagen, en zoo doende mijnen val te bewerken. §: 169: De vijfde beschuldiging dat ik zoo weinig bericht van de gesteldheid der Dessavonij gegeeven had: is door Uw welEdele Groot Achtb: in de Vergade„ „ring op den 20: Augustus onderzocht, wanneer bij het naagaan der brieven bevonden is, dat ik in deezen niets verzuimd heb, weshalven ik mij aan die rasoluitsie of marginaale dispositie op 3: 14: gedraage. §: 170: Het geen zijn Achtb: hier omtrend naader zegt bij seweeten brief van den 20: October, ziet voornaam„ „lijk op de E: gekommitteerdens Jretz en Sam„ „lant, daar ik niet verantwoordelijk voor ben, en ten overvloede blijkt, bij mijn brief van den 25: Maij naar Gale geschreeven, dat ik van de door gem: gekommitteerden gemaakte veranderingen onder de hoofden bericht gegeeven hebbe. §:171: De sesde beschuldiging behelst: dat ik tot twee Meeren toe gelast zijnde den Mode„ „liaar van de Wellebaddepattoe naar Gale op te zonden, aan deeze order niet voldaan had. 172: Dit geval verdiend eene omstandige opheldering De Gaalsche gekommitteerden, de Onderkooplieden van Schuler en de Vos, hadden deezen modeliaar bij den Heer Kommandeur en Raad te Gale verklaagd over verzuimnis in den dienst en beweetene weinige iever in het bezorgen van het noodige voor het detachement te Gandere en over dat dezelve hun Ed=s, ook niet naar behooren onthaald had. Deeze klagte werd ook aan mij ge„ „daan, waarop ik gem: modeliaar tot genoegen van gem: gekommitteerden corrigeerde. §173: middelerwijle ontving ik bij brief van Gale van den 26: April de volgende order De modeliaar van de Wellebaddepattoe waarover de E: van sihulerende Vos zig betwaard hebben, moet ten eersten op een secuure wijze na herwaards worden overgezonden, en zullen wij dit inlandsche Hoofd morgen hier verwachten. 174: Deete modeliaar was diertijds in zijn district zeer nuttig of liever onontbeerlijk, hij alleen hield de onderhoorigen in gehoorzaamheid, rust en vreede §. 175: zelfs, na dat de minitelingen in zijne Pattoe geweest op te zenden waaren
English
had been and had also led the inhabitants to insurrection, he sufficiently knew how to keep all registered inhabitants, save for a very few, in obedience to the Company, thereby preventing the riot from entering that entire province. §: 176: The sending up of this Head to Gale would thus have dragged ruinous consequences in its wake for the country and its people and brought the whole pattoe into rebellion. §: 177: Moreover, the cause for the summons lapsed, because those aforementioned commissioners were satisfied with the obtained satisfaction. §: 178: I therefore wrote the following in reply to Gale: Regarding the Modeliaar of the Wallebaddepattoe, I have the honor to refer both to the letter of the Honorable Commissioners of yesterday, and to the accompanying note of the conference held with the said Commissioners, hoping that, since their Honors are satisfied with the satisfaction given to them by the head (who is one of the most capable men that can be found, of which he today delivers a striking proof through the good order that prevails in his pattoe, notwithstanding that the mutineers have also been there and have sought to incite all registered inhabitants to riot as well, yet all inhabitants, save for an insignificant number, have remained faithful in their duties and, as soon as the mutineers left their district, returned again to their native villages), his sending up to Gale will no longer be required, the more so as his presence in his district is of the highest necessity. 179: While the passage from the conference, to which I appeal in this letter, reads verbatim as follows: Lastly, the Gentlemen Commissioners declared that they had been treated in every respect with the greatest politeness and courtesy by the Lord Dessave and were also very satisfied with the assistance shown in their commission, as well as with the honorable satisfaction which His Honor procured for them by equitably punishing the Wellebaddepattoe Modeliaar for his negligence in the service and shown lack of zeal in having the necessities for the detachment at Gandure and Dirkwille prepared in good time, and moreover for not having properly entertained Their Honors and suite at those places. §: 180: Upon this I received on the 20th the following answer: The conduct of the modeliaar of the Welleboddepattoe is of such a nature that we have resolved to disapprove the manner in which this matter has been settled by Your Honor, as it is hereby disapproved, and this modeliaar must still be sent to this place, unless Your Honor absolutely cannot spare him at this moment, the judgment of which we leave deferred to Your Honor for the present. §: 181: Since I was now in conscience convinced that peace in the Wellebaddepattoe was maintained solely by the authority of this modeliaar, and that sending him up to Gale would cause that province to revolt as well: I was indeed bound in conscience to let him remain in his pattoe, the more so because the order of my Superiors to send him up was accompanied by this clause: unless Your Honor absolutely cannot spare him at this moment, the judgment of which we leave deferred to Your Honor for the present. §: 182: I could therefore never have thought that my retention of this modeliaar out of extreme necessity, thus within the terms of the often-mentioned clause, and in order to safeguard an entire province from the poison of insurrection and preserve it in peace and fidelity for the Company, would be recorded against me as a breach and as an act of disobedience, all the less so since the judgment as to whether the said head could be spared had been left to me. §: 183: That I was, for the rest, not deceived in my judgment regarding the necessity of that man, has been proven most clearly by the outcome, for as long as he was left in his district, the peace and fidelity of the inhabitants were also preserved there, but as soon as he was later removed from his office, the entire province also crossed over into riot. §: 184: I have dealt with this event in such detail, partly because it would be the most important among all accusations if it were well-founded, and partly because Mr. Sluijcken has furthermore derived a new complaint against me from it, namely: §: 185: The seventh accusation: That I had set myself up as a judge over this modeliaar, who, in the persons of the Commissioners van Schieler and de Vos, had insulted the entire Gale Government, and this indeed after notice of this case had already been given to Gale. §: 186: The case itself has just been described in detail. The repeatedly mentioned commissioners made their complaint about it to me, and I corrected the modeliaar for it by condemning him to a fine of Twenty-five rd:s for the poor, and at the same time ordering him to beg the often-mentioned commissioners for excuse, and this to the full satisfaction of the insulted parties, who, as appears from the minutes of the conference, were fully satisfied with this satisfaction. §: 187: I therefore do not understand to this hour how I could have handled this case otherwise
Dutch transcription
720 waaren en gebragt hadden de inwooners meede tot op „voer te brengen, wist hij genoegzaam, alle ingeteekenen op eenige weinigen na, tot gehoorzaamheid aan de Comp=e aante„ „houden, het oproer uit die heele provintie te weeten. §: 176: De opzending van dit Hoofd naar Gale zoude dus voor landen volk verderflijke gevolgen na zig gesleept en de heele pattoe aan het rebelleeren gebragt hebben. §: 177: Daar en boven verviel de oorzaak van het opontbond, door dieie voormelde gecommitteerden met de erlangde satisfar„ „tie voldaan waaren. §: 178: Jk schreef derhalven het volgende in antwoord naar Gale Nopens den Modeliaar van de Wallebaddepattoe heb ik de eer mij te gedraagen zoo aan het schrijv „van van E=e Kommissarissen van gistaree, als aan de nevensgaande aanteekening van de ge„ „houdene conferentie met gee: P: Kommissa„ „rissen, verhoopende ik, dat terwijl hun E: voldaan zijn met de aan hun gegeevene satisfactie door het hoofd (:die een der geschikste menschen is die is ge„ „vonden kan worden, en waarvan hij taag een sprke„ „kend bewijs uitleeverd door de goede order die in zijn pattoe heerscht, ongearht de muitelingen ook al„ „daar geweest zijn, en alle ingeteekender meede tot oproer hebben zoeken te beweegen, echter alle inwoondars op een niet noemwaardig getal na, in hunne plichten ge„ „trouw gebleeven en zoo dra de muntelingen hun district — verlaaten hebben, weeder in hunne woondorpen terug ge„ „koomen zijn:/ desselfs op zending naar Gale niet meer zal vereischeee, te meer zijne presentie in zijn district ten hoogsten noodzaakelijk is. 179: Terwijl de passasie uit de conferentie, waarop ik mij in deezen brief beroepe, woordelijk aldus luidt: Laatstlijk verklaarden de Heeren Kommissarissen door den Heer Dassave in allen opzichte met de meeste politesse en beleefdheid behandeld en ook zeer voldaan te zijn over de assi„ „stentie in hunne kommissie beweeten, als meede over de honorable satisfactie, die zijn Ed: hen heeft bezorgd door den Wellebaddepattoe Modeliaar over zijne verzuim„ „nisse in den dienst en bewaaten weinige iver in het noodige voor het detachement op Gandure en Dirkwille vroegtijdig te laaten in gereedheid brengen en over dat — hij daar en boven hun Ed: en gevolge op die plaat„ „zen niet naa behooren onthaald heeft, na bil„ „lijkheid te straffen. §: 180: Hierop ontving ik den 20: het volgende antwoord: Het gedrag van den modeliaar van de Welleboddepattoe is van dien aart, dat wij beslooten hebben de wijse waarop deeze zaak door UwE: is beslift, te disapprobeeren, gelijk gedisapprobeerd opvoer is 721 is bij deeten, en moet deete modeliaar als nog naar heresaandt worden gezonden, ten zij UE: hem op dit moment volstrekte lijk niet misseve kan, waarvan wij de beoordeeling voor het taegen „woordige aan UE: gedafereerd laaten. §: 181: Wijl ik nu in gemoede overtuigd was, dat de rust in de Wellebad„ „de pattoe alleen door het gezag van deezen modeliaar staande gehouden werd, en dat de opzending van deezelven naar Gale- oorzaak worden Zoude; dat die provintie meede revolteerde: Zoo war ik dog wel ingemoede verpligt denzelven in zijne pattoe te laaten verblijven, te meer, wijl de order van mijne Gebieders om hem opte zenden, verteld ging van deeze klausule: teer zij UE: hem op dit moment volstrekt niet miessen kan waarvanr wij de beoordeeling van het teegenwoordige aan UE: gedefereert laaten. 3: 182: Nimmer had ik dus kunnen den Men, dat mij de aan„ „houding van deezen modeliaar uit hooge nood zaakkelijke „heeden dus in de termen van meerm: klausule en om een heele provincie voor het gift des opvoers te beveiligen en in rusten getrouwigheid voor de komp=e te Bewaar „ven, tot een verbreeken en als eene ongehoorzaamheid zoude aangeteekeerd- worden, alles te minder, wijl de beoordeeling of gem: hoofd gemist kan worden aan mij was overgelaaten. §: 183: Dat ik mij voor 't overige in mijn oordeel over de noodzaakelijk hais van dien man niet bedroogen hebbe, is door de uitkomst op het klaarste beweesen, want zoo lange hij in zijn district gelaaten wierd, bleef daar ook de rust en getrouwigheid der ingezeetenen ge konser„ „veerd, dog zoo dra hij zeder van zijn ampt gedimoveerd wierd, sloeg de heele provincie meede tot oproer over. §: 184: Jk hab va te deeze gebeurtenis zoo omstandig verhandeld, eensdeels wijl zij onder alle beschuldigingen de wigtigste zijn zoude, indien ze gegrond waare, en anderen deels, wijl de Weer sluijcken daarvan daan nog een nieuwe klagte teegen mij afgeleidt heeft; te weeten: §: 185: De seevende beschuldiging: Dat ik mij tot rechter over deezen modeliaar gesteld had, die in de Kommissarissen van Schieler en de Vos de ge„ „heele Gaalsche Regeering beleedigd had, en dit wel naa dat reeds naar Gale van dit geval was kennis gegeeven. §: 186: Wet geval zelve is zoo aanstonds omstandig beschree„ „ven. Meermelde gekommitteerden deeden daarover hun beklag bij mij en ik aorrigeerde den modeliaar daarover door hem in eene boete van Vijfentwintig rd=s aan de armen te condemneeren, en tevens opteleggen meerm: gekommitteerden om erkius te verzoeken, en zulks ten vol„ len genoegen van de beleedigden, die blijkens het aangeteekende bij de konferctsie, met deete satisfactie ten vollen voldaan waaren. §: 187: Jk begrijpe dus tot deeter uure nog niet, hoe ik dit geval van anders -
English
otherwise ought to have treated, or could have treated better. Section 188. Had I dismissed the complaint, one could with reason have accused me of unwillingness to give satisfaction to the committee members. Section 189. But now that I settled the same skillfully to their full satisfaction, and thus not only spared the Council of Gale the trouble of it, but also thereby brought it about that the aforementioned Modliar could remain quietly in his district and maintain peace and quiet therein, I thought I had earned gratitude rather than ingratitude by doing so. Section 190. I hope hereby to have sufficiently refuted the direct accusations, but because in the report there are further remarks regarding the bad condition of the Matura fortifications, which are not directly aimed at me, but which could lead my high Masters in Batavia and in the Netherlands to form the idea as if the same had been neglected by me: I therefore request permission to present the following in that regard. Section 191. In paragraph 60 of the report it is stated: I found twenty-four pieces of ordnance of various calibers, of which eleven were without carriages, lay on the ground, one was unserviceable, and of the remainder almost all carriages were defective. The entire stock of gunpowder consisted of only 1600 lb, and the other ammunition goods were also entirely insufficient; the stock of muskets consisted of only eight pieces; the cash treasury was empty, and in the warehouse nothing was to be found but a parcel of paddy sufficient for four months. Section 192. Anyone reading this and not knowing that the Dessave of Matura submits monthly the short strength of the garrison and the balances of money, gunpowder, and provisions to the Commandeur of Gale, and that already by an advice of Lieutenant Beijer of 12 December 1789 it was reported to the Commandeur and Council at Gale that several ammunition goods and cannons were unserviceable and unnecessary for Matura, among which were nine cannons that had no carriages, must naturally suspect me of negligence. Section 193. In paragraph 6 of the report it is further stated: I went to inspect the redoubt of Eik and found this stronghold entirely overgrown with brushwood and therein only two pieces of swivel cannons lying on the ground without carriages. Section 194. Anyone reading this and not knowing that the bad condition of this stronghold was repeatedly reported to my masters in the compendiums of 1785/6, 1786/7, 1787/8, and 1788/9, could also suspect me of negligence in this regard. Section 195. I am willing to believe that Sluijsken in his report omitted these two circumstances in good faith, because it was addressed to Your Right Honorable, who have knowledge thereof. But since these papers must also come under the eyes of my further Masters in Batavia and in the Netherlands, where these two circumstances cannot be so generally known, I thought it necessary to allege the same here, to prevent the aforementioned remarks from being interpreted to my disadvantage. Section 196. I now respectfully request permission to make some concise remarks against the secret letter of the Commandeur Sluijsken of 20 October last, in so far as it contains accusations against me. Section 197. Your Right Honorable had enjoined him by secret letter of 27 September previously to explain himself further on several items appearing in his secret report, and in particular also to prove his accusations against me. Section 198. Instead of complying with this, His Honor has repeated the previous accusations anew and in still harsher terms, without producing the slightest proof thereof. Section 199. But since the same have already been refuted above, I will, in order to avoid unnecessary repetitions, limit myself only to the following brief indications. Section 200. In his marginal answer to letter E 2, he repeats his accusation of ignorance in country affairs and his previous reasoning that I otherwise could have foreseen and prevented the rebellion. Section 201. This accusation is refuted above in section 102 and following, by demonstrating that under the most capable country regents an insurrection can break out without their being able to know of it beforehand or prevent it, and I have confirmed this with the example of Commandeur Sluijsken himself, to whom this occurred as Head of the Mahabadde in the year 1777. Section 202. To the question: In what did the insult and contempt consist of which he complained, he comes forward with several questions
Dutch transcription
25: 722 anders had moeten of beeter had kunnen behandelen. 3: 188: Wad ik de klagte afgeweesen, zoo zoude men mij met ree„ „den hebben kunnen beschuldigen van onwilligheid, om aan de gekommitteerdens satisfactie te geeven. §:o 189: maar nu ik dezelve knaphandigen teee vollen genoegen af„ „gedaan en dus niet alleen, aan den Gaalschen Raad de moeite daarvan bespaard, maar ook daardoor bewerkt had, dat de maerm: Modeliaar gerust in zijn district blijven en de rust en vreede daarin onderhouden kost, meende ik daardoor eer dank- dan ondank verdiend te hebben. 3: 190: Jke hoope hiermeede de divecte beschuldigingen voldoende weederlegd te hebben, dog wijl bij het berigt nog aanmerkin„ „gen over den slegten toestand vande matureesche forti„ „ficatieu voorkoomen, die wel niet direct teegen mij — gericht zijn, dog die mijne hooge Gebieders te Ba„ „tavia en in neederland zouden kunnen in het- denkbeeld brengen, als of dezelven door mij verwaar„ „looft waaren: zoo verzoeke ik verlof, daar omtrend het volgende te moogen voorstellen. §: 191: Bij h: 60: van het bericht staat. Jk vond vier en twintig stukken geschut van verschillend Maliber, waarvan elf zonder af„ „fuiten, op de grond lagen een onbequaam was en van de overige meest alle affuiten ge„ „brekkig waarenn De heele voorraad van buskruijt be„ „stond slegts in 1600 lb en de overige ammonitie goederen waaren ook gantsch niet toerijkend; de voorraad van geweeren bestond slegts in agt stux; de geld kas was leedig, en in 't pakhuijs niets als een partij nelie voor vier maanden toerijkende te vinden. §: 192: Die dit leest en niet weet dat de Dessave van Mature maan„ „delijks de korte sterkte van het guarnitoen en de restan„ „ten van geld, buskruit en provisien aan den Heer Kom„n „mandeur van Gale opgeeft, en dat reeds bij een addves van den Luitenant Beijer van den 12: December 1789: aan den Heer kommandeur en Raad te Gale opgeeven is, dat verscheidene ammonitie goederen en Kanons onbequaam en voor mature onnoodig waeren, waaronder zig negen kanons bevonden die geene affuiten hadden, moet mij natuurlij„ „ker wijse van onachtzaamheid verdenken §: 193: Bij S: 6: van het bericht staat verder: Jk ging de redoute van Eik bezigtigen en vond deeze sterkte ten eenemaal met vrugtens begroeiden daarin slegts twee stuk keer kanons zonder affuitere ter aarde leggen. §: 194: Wie dit leeften niet weet dat de slagte gesteldheid deezer sterkte bij de kompendums van 178 5/6. 178 5/7: 178 7/8: en 178 2/9: telkens aan mijne gebieders opgegeeven is, zoude mij hier„ „brekkig De A „ omtrend 723 omtrand ook van onachtzaamheid kunnen verdanken. §: 195: Jk wil gaarne gelooven dat de Heer sluijsken deeze twee om„ „standigheeden bij zijn bericht ter goeder trouwe heeft overgeslaagen, om dat het zelve gericht was aan Uwwele Edele Groot Achtb: die daarvan Mennis draager. Doch wijl deeze papieren ook onder 't oog van mijne verdere Gebiedens te Batavia en in neederland koomen moeten, daar deeze twee omstandigheeden zoo algemeen bekend niet kunnen zijn: zoo heb ik gemeend, dezelven hier te moeten allegeeren, tot voorkooming, dat meerm: aanmer„n „kingen niet ten mijnere laste mogten uitgelegd worden. §: 196: thans verzoek ik eerbiedig verlof nog eenige bekropte aanmarkingen te moogen maaken teegen den serveeteu„ brief van den Heer kommandeur sluijcken van den 20: October jongstleeden, voor zoo verre dezelve beschuldigin„ „gen teegen mij behelst. 5: 197: uw wel Edele Groot Achtbaare hadden hem bij sekreete latteren van den 27: september bevoorens geinjungeerd, zich over verscheidene posten bij zijn secreet rapport voorkoomende naader te expliceeren, en inzonderhaid ook zijne beschul„ „degingen teegen mij te bewijsen. §: 198: Jn steede van hier aan te voldoen, heeft zijn Acht„ §: 201: Deete beschuldiging is hier voorwaards 3: 102: et seqg: weederlegd, door te betoogen, dat onder de kun„ „digste Landvegenten een opstand Man uitbarssten, zonder dat zij het vooraf hebben kunnen weeten of beletten, en ik heb dit bevestigd met het voorbeeld van den Heer Kommandeur sluijsken zelven, wien dit als Hoofd der Mahabadde in het jaar 1777: is overgekoomen. §: 202: Op de vraage Waarin de hoon en Aleinachting bestond waarovar hij klaagde, komt hij ter baan met verscheidene „baare de voorige beschuldigingen op het nieuw en in nog hardere bewoording herhaald, zonder het aller„ „minste bewijs daarvan bij te brengen. §: 199: Dan dewijl dezelven hier voorwaards reeds weeder„ „legd zijn, zoo zal ik om nodeloose herhaalingen te vermijden, mij alleen tot de volgende korte aanwijzingen bepaalen. §: 200: Bij zijn marginaal antwoord op E: 2: herhaald bij zijne beschuldiging van onkunde in land zaaken en zijn voorig raisonnement, dat ik anders den opstand had kunnen voorzien en voorkoomen „baare vraagen
English
questions, in which his previous complaints are warmed up, but proven with nothing. §. 203: The first consists in this: that I declined the Galle commission and requested a commission from Colombo, regarding which it has been demonstrated previously in §: 148: et seqq: that his Honour left it to my choice and I thus made use of a liberty that he himself had granted me. §: 204: The second consists in this: that I had refused to allow the Commissioners to enter Mature with beating tom-toms, against which it has already been argued at §: 154: that until that time this was against custom and without precedent, but that as soon as the Lord Commander informed me that commanders' honours had to be shown to these Junior Merchants, I complied with it in obedience. §: 205: The third concerns the modliaar of the Wellebaddepattoe, regarding which it has already been indicated at § 177: that this man had been properly corrected upon the complaints of the commissioners made to me, and the commissioners were fully satisfied with the satisfaction given to them, wherefore the reason for his summons lapsed, and this man was at that time very necessary in his district to keep the inhabitants in check; that the second order to send him to Gale was accompanied by the clause: unless your honour absolutely could not spare him at this moment, the judgment of which we leave for the present to your honour: and that, being convinced in conscience that the entire province would revolt if I removed him from there, by virtue of this clause I not only had the freedom, but was myself obligated to retain him. §: 206: The further complaints concerning the Moor Segoe and titular mohandiram Dahanaik, which have likewise already been answered at §: 156 and §: 161: et seqq: §: 207: I leave it to the judgment of your Right Honourable Greatness and my further high superiors, whether I have not been treated harshly, very harshly, by the Lord Commander Sluisken, who seeks to make me guilty because I declined a commission that was put to my choice by himself, because I gave no commanders' honours to Junior Merchants before this was ordered of me, because I retained a man who was summoned to Gale because it was left to me to judge whether he could be spared, and I was convinced in conscience that his removal would drag the revolt of an entire province in its wake, just as the outcome has subsequently only too well proven this latter point. §: 208: Whereas the Lord Commander, in his secret letter of 5: Augusto 1790: stated that he could have said not only more, but even much more, which could cause no small amount of unpleasantness to me, and a conscientious superior will not use such harsh language against his subordinates in a public report without pressing reasons and without solid proofs: thus by this means the very unfavourable suspicion had naturally to be raised against me that I must indeed have overstepped in my office, or made myself guilty of some excesses or other. §: 209: I was therefore, in order to defend my honour and good name, compelled at the session of 12: Aug=s joc: to request that his Honour might be ordered to state without reserve everything he had or knew to my charge; this was therefore enjoined upon him by your Right Honourable Greatness by letter of 27: September, and to comply with this order, a part of the just-mentioned secret letter was also directed, in which again a multitude of accusations are brought forward against me, regarding which, however, the Lord Commander is much to be praised that he himself immediately in the beginning indicates to what class these accusations belong with these words: surely I could have said more and even much more, if I had wished to be malicious. §: 210: This more or much more is subsequently presented by his Honour in questions, which in fact have the nature of accusations, yet they revolve mostly all around the old things with which his first report was already filled, such as the expedition to Baddegirie, my ignorance in land affairs and cruelty toward the subordinates, the case of the modliaar of the Wellebaddepattoe etc:, without adducing the least further proof, and which have been extensively refuted previously here, wherefore I pass them over in silence and will only answer what is necessary to the following question, which contains a new accusation. could I not have pointed out how the Lord van Angelbeek has brought the Gentlemen Fretz and Samlant into the greatest danger, by rashly letting commandos march out, whereby the inhabitants were brought into unrest and these commissioners, who were at Wakman for the pacification of the people, were brought into the greatest danger. § 211: That case of which the Lord Commander makes mention here is described in detail by the commissioners Fretz and Samlant themselves in their letter of 13: Maij 1790: I can therefore act no more impartially than to let that letter itself speak: Past night at 12: o'clock the mutineers were in uproar and made a great noise, and while that racket continued by screaming, shouting to one another, running, and beating tom-toms, we wished to send some people to have them ascertain what was going on, but no one wanted to go at first, everyone was afraid, but finally our Matara Attepattoo Arraatje and Colombo Rangaan went
Dutch transcription
724 vraaggee, waarin zijne voorige klagten opgewarmd, doch met niets beweeten worden. §. 203: De eerste bestaat daarin, dat ik voor de Gaalsche kommissie bedankt en om eene kommissie van ko„ „lombo verzocht heb, waaromtrand hier voorwaards §: 148: et seqq: aangetoond is, dat zijn Achtbaare het aan mijne verkiering gelaaten en ik dus van eene vrijheid gebruik gemaakt had, die hij zelve mij gegeeven had. §: 204: De tweede bestaat daarin dat ik aan de Gekom„ „mitteerden niet had willen toestaan met slaande tamblijntjes binnen mature te koomen, waar„ „teegen bij S: 154: reets betoogd is, dat dit tot dien tijd toe teegen het gebruik en zonder voorbeeld was, dog dat ik, zoo dra de Heer kommandeur mij bekend maakte, dat aan deeze Onderkooplieden kommandeurs honeur beweesen moest worden, daar aan met gehoorzaamheid voldaan heb. §: 205: De derde betreft den modliaa van de Wellebad„ „depattoe, waaromtrend reets bij § 177: aangewae„ „zen is, dat deeze man op de Klagten van ge„ „kommitteerden aan mij gedaan, behoorlijk gekorrigeerd was en gekommitteerden met de hun gegeevene satisfactie volkoomen voldaan waaren, was halven de reeden van zijn op ontbod verviel, en dee„ „ze man dier tijds in zijn distrikts zeer noodzaak„ „lijk was om de ingezeetenen in toom te houden; dat de tweede order om hem naar Gale te zenden verzeld was met de klausule: ten zij uwz: hem dit mo„ „meet volstrektelijk niet missen kon, waarvan wij de beoordeeling voor 't teegenwoordige aan uiz: overlaaten: en dat ik in gemoede overtuijgd zijnde, dat de heele provincie revolteeren zoude, als ik hem daarvan daan nam, uit hoofde van deeze klausule niet slegts vrijheid had, maar zelve verplicht was hem aantehouden. §: 206: De verdere klagten betreffenden Moor segoe en titulair mohandiram Dahanaik, die meede reeds bij §: 156en 3: 161: et segg: beandwoord zijn. §: 207: Jk laat het aan het oordeel van ud welEdele Gr: Achtb: en mijne verdere hooge gebieders, of ik niet door den Heer kommandeur Sluisken hard, heel, hard behandelt ben, die mij zoekt misdaadig te maaken, om dat ik voor eene kommissie bedankt heb, die door hem zelve aan mijne Reute gesteld— was, om dat ik aan Onderkooplieden geen kommandeurs honneur gegeeven heb, voor dat mij dit bevoolen was, om dat ik een man die naar Gale ontbooden word, aangehouden heb, om dat het aan mij gelaaten was te oordeelen, of hij te mis„ „sen was, en ik in gemoede overtuijgd was dat zijne verwij„ „dering de revolte van eene heele provincie na zig sleepen zoude, zoo als de uitkomst dan ook dit laatste zeeder hun maar 86: maar al te zeer beweeten heeft. §: 208: Wijl de Heer Kommandeur bij zijnen seweetene brief van den 5: Augusto 1790: gesteld had, dat hij niet alleen meer, maar zelfs veel meer zoude hebben kunnen zeggen, het geen niet wijnig onaangenaamheeden aan mij zoude kunnen toebrengen, en een gemoedelijke gebieder zoo een harde taal zonder dringende reedenen en zonder Bondige bewijsen teegen zijnee onderhoorigen in een opan„ „baar bericht niet voeren zal: zoo moest hierdoor natuurlijker wij te teegen mij het zeer ongunstig vermoeden verwekt worden, dat ik mij werklijk in mijn ampt moest te buiten gegaan, of aan deeze of geene excessen schuldig gemaakt hebben. §: 209: Jk was derhalven om mijne eer en goeden naam te verdeesigen, genoodzaakt, ter sessie van den 12: Aug=s joc: te verzoeken, dat zijn Achtbaare mogte gelast worden, alles wat hij ten mijnen laste had of wist zonder reserve optegeeven, dit is hem derhalven door uw wel Edele Groot Achtbaare bij brief van den 27: September geinjungeerd, en om aan dit bevel te voldoen, is een gedeelte van even gem: secreeten brief meede gerigt, waarin weeder om een meenigte beschuldigingen teegen mij ter baan gebragt worden, waaromtrand echter aan den Heer kommandeur zeer te prijsen is, dat hij zelfs strax in den beginne aanwijst, in wat Klasse deeze beschuldigingen tt huijs hooren met deete woorden: zeekerlijk zoude ik meer en zelfs veel meer hebben kunnen „zeggen, indien ik boobaardig had willen zijn. §: 210: Dit meer of veel meer word vervolgens door zijn Achtb: in vraa„ „gen voorgesteld, die in der daad de natuur van beschuldigin„ „gen hebben, doch dehelven dezelven roulleeren meest al¬ „le over de oude dingen, waarmeede zijn eerste beright reeds aangevueld was, als de tocht naar Baddegirie, mijne onkunde in landzaaken en wreedheid teegen de onderhoorigen, het geval van de modliaar van de Wellebaddepattoe enz:, zonder het minst naader bewijs bij te brengen en die hier voorwaards omstandig gerefuteerd zijn, weshalven ik dezelven met stil„ „zwijgen overslaan en alleen het noodige antwoorden zal op de volgende vraag die een nieuwe beschuldiging behelst. zoude ik niet hebben kunnen aanwijzen hoe de Heer van Angelbeek de Heeren fvatz en Samlant in het grootste gevaar heeft gebragt, door onoverlegd kom„ „mandos te laaten uitmarcheeren, waardoor de inge„ „zeetenen in onrust en deeze kommissarissen, die zich ter bevreediging van het volk te Wakman bevonden, in het grootst gevaar zijn gebraght. §211: Wat geval waarvan de Haer Kommandeur hier gewag maakt, is omstandig beschreeven door P: gecommitteerde fretzen samlant zelve bij hunnen brief van den 13: Maij 1790: Jk kandus niet onparthijdiger handelen als dat ik dien brief zalve laat spreeken: Gepasseerde nacht om 12: uure waaren de muiten „lingen in repen voer en maakten een groot ge„ „weld, en wijl dat leeven aanhield door schreeu„ „weer, elkander toeteroepen, te loopen en tamb„ „lijntjes te slaan, zoo wilden wij eenige men„ „schen zenden, om te laaten verneemen wat 'er dog te doen was, maar niemand wilde eerst gaan, alles was bevreeft, dog eindelijk ging onze mater„ „sen attepattoe Arraatje en Kolombosche Rangaan aange¬ den
English
726 down the mountain to ascertain what was going on, and they came to tell us that a detachment of easterners had arrived in the Baaggams, with the second interpreter mohandiram and his father the Mohandiram of the Baijgams, over which the mutineers became violently agitated and shouted at us that the family of the Baddekoralege must be sent under arrest to Gale, or matters would not go well, and so forth. We thereupon resolved to go down the mountain to the plain among the people, but we sent messengers ahead to inform them thereof, with a notice that some headmen might come to us, whereupon a whole party appeared who confirmed what was mentioned herefore, asking whether that was a way of proceeding at a time when we were here, and so forth. We sought to pacify them, but they insisted that the Baddekoralege family be taken into arrest, which we had to promise. Meanwhile, the uproar continued throughout the entire night, and after daybreak we sent word to the Headmen to come to us in order to confer with them about what had occurred. They then came with a party of people and complained strongly and seriously, protesting that they now no longer knew where they stood, since we were present here to provide them with justice and detachments were being sent out from Mature, of which they laid the blame on the second interpreter C. s., and insisted most strongly that they should be taken into arrest and punished, which we indeed had to promise to those furious people. We also embraced this opportunity once again by showing them that if we had been at Mature, we could have prevented such things, and that it was therefore best for us to set out on the journey thither, at which time the olas could also be transported more quickly and even interpreters and writers could come from Gale for that purpose. They admitted the one and the other and promised to provide us with coolies as far as the Baijgams, but not to Mature, because no one wished to go thither. We also immediately sent an open order by an ola that the Headmen who had arrived with easterners in the Baijgams or thereabouts had to depart with the same to Mature immediately. 3: 212. Paragraph 212: It is by no means surprising that the Commander Sluijsken, who had boasted of having more and even much more against me, and now being summoned by Your Right Honorable Worships to produce the same without reserve, could bring forward nothing other than rehashed accusations, eagerly hunted for this letter in order at least to fabricate a new accusation, and to brand me, in the eyes of my high superiors, as a reckless person and a man without prudence and caution. Paragraph 213: From this very letter, however, it clearly appears that the said commissioners, in the case circumstantially described therein, ran no dangers, and especially not the greatest danger, because the raging rebels laid the blame thereof not on them, but on the 2nd interpreter Mohandiram, and demanded revenge from him and his family. Paragraph 214: It is therefore an arbitrary and unfounded conclusion when the Commander says that the commissioners were brought into the greatest danger by me; and thus already in this respect this accusation cannot pass the test of impartiality. Paragraph 215: But there is besides this yet another small circumstance in my favor, which was very Extract of a missive dated 14 May 1790 written by the aforesaid Messieurs of Hakman to the same as before. During this conversation we received a letter from the Honorable Disava van Angelbeek of yesterday's date, accompanied by an attestation granted by the Honorable Captain Baron von Prophalow, whereby we were assured that no detachments had been sent out in this Disavany since our arrival, except for the relief of a corporal and three privates at Bellegam, so that the alarm of the mutineers on account of the arrival of detachments in the Baijgams and the Wellabaddapattoo is false and must probably have been caused by wicked scoundrels, regarding which we shall make inquiry as far as possible, and especially when arriving in the Baijgams we shall inform ourselves thereof, because cautiously passed over with silence by the Commander and thus ought indeed to be cited by me, namely: That there is not a single true word in the whole matter. Paragraph 216: This appears from the further letters of the aforementioned commissioners of the 14th and 16th of that month, from which I request permission likewise to insert the extracts speaking thereof here:
Dutch transcription
726 den berg af, om te verneemen wat er te doen was, en zij kwaemen ons zeggen dat eee kommanda ooster„ „lingen in de Baaggams gekoomen was, met den twee„ „den Toek mohandiram en zijn Vader den Mohandiram der Baijgams, waarover de muitelingen geweldig aangingen, en ons toeschreuwde; dat de haare familie van de Badde kornege naar Gale in arrast moerst gezonden worden, of dat het niet goed gaan zoude, en wat dies al meer zij; wij resolveerden daarop om de berg af naar de vlakte bij het volk te gaan, dog wij zonden boodschappers vooruit om hun daarvan te verwittigen, met waarschouwing dat eenige hoofden mogten bij ons koomen, waarop een heele parthij verscheenen, die het hier voorne vermelde be„ „vastigden, onder het vraegen of dat aen manier van doen was, op een tijd dat wij hier waaren, en wat dies meer „zij: wij zochten hun te bevreedigen, maar zij stondeuur op, dat de Baddekornegeesche familie in arrest genoomen wierden, het geen wa belooven moesten, intusschen kontinuearde het opvoer de geheele nacht door en naa dat het dag was, lieten wij de Hoofden weeten, om bij ons te koomen „ ten einde hun over het voorgevallene te konnen onder„ „houden; zij kwaamen dan ook met een partij volk en „klaagden sterken serieus, onder betuijging dat zij nu „ niet meer wisten, hoe zij het hadden, alzoo wij hier „ present waaren om hun recht te bezorgen en van „ mature kommandoos uitgezonden wierden, waarvan „ zij dan schuld op den tweeden tolk C: s: leiden, en ten „starksten aanhielden, dat zij in arrest genoomen en „gestraft mogten worden, het geen wijl wel aan die woe„ „„dende menschen moesten toezeggen; wij amplecteerden „ook weederom deeze geleegenheid door hun te vertoonen, „ dat wanneer wij te Mature waaren geweest, wij zulks hadden kunnen belatten, en het daarom best was, „ dat wij daar heen op reite gingen, als wanneer de olas ook schielijker konden getransporteerd worden en „daartoe zelfs tolken en schrijvers van Gale koomen „ konden. zij advoueerden het een en ander en beloofden „ ons koalius te zullen bezorgen, tot naar de Baijgams, „ maar niet naar Mature, wijl niemand daar heen „ gaan wilde. Wij zonden ook ten eersten een opere order bij „ een olaaf, dat de Hoofden die met oosterlingen in de Baij= „gams of daarom streeks gekoomen waaren, ten eersten met dezelve naar Matiere moesten vertrekken. „houden 3: 212. §: 212: Het is geenzints te verwonderen, dat de Heer kom„ „mandeur sluijsken, die zigh beroemd had, meer en zelfs veel meer ten mijnen laste te hebben, en nu door Uw EdelEdele Groot Achtb: gesumineerd zijnde, zulx zonder reserve op te geeven niets anders als opge„ „warmde beschuldigingen wist ter baan te brengen, op deezen brief greetig jagt maakte, om ten minsten eene nieuwe beschuldiging te fabriceeren, en mij, in 't oog van mijne hooge gebiedens, als een losbolen een man zonder beleid en voorzichtigheid te brandmerken. §: 213: uit diezen brief zalve blijkt echter klaar, dat gemel„ „de gekommitteerden in het daar bij omstandig beschreevene geval, geen gevaaren vooral niet 't grootst gevaar geloopen hebben, doordien de raatende rebellen- de schuld daarvan niet op henl: maar op dene 2den. tolk Mohan„ „deram legden en van hem eer zijn familie wraak eischtan. §: 214: Hat is derhalven eene wille keurige en ongefundearde gevolg trakking, wanneer de Heer Mommandeur zegd, dat de gekommitteerden door mij in 't grootst gevaar gebracht zijn; en dus kan reets in dit op„ „zigt deeze beschuldiging den toels van onpartij„ „digheid niet veelen. §: 215: Dog daar is buiten des nog een kleene omstandigheid in mijn voordeel, die door den Heer Kommandeur Zeer Extract missive de dato 14: Mei 1790: door evengem: Heeren van Hak„ „manr geschreeven aan als vooren. Onder dit gesprek kreegen wij een brief van den E: Dessave van Angelberk van gisterigen datum verzeld van een attest door den E: kapitein Baron von Prophalow verleend, waarbij wij verzeekerd wierden, dat 'er geen kommandant zeeder onze komst in deeze Dessavonij uitgezonden waaren, dan ter aflossing van een korporaal en drie gemeenen te Bellegam, zoo dat het allarm der muitelingen weegens het aankoomen van Kommandos in de Baije „gams en de Wallebaddapattoe valsch is en waar„ „schijnlijk door quaade schurken. moet veroorzaakt zijn, waarnaa wij zoo veel doenlijk onderzoek zullen doen, inzonderheid zullen wij ons in de Baijgams koomende daarnaa informeeren, wijl voorzichtig met stalzwijgen is overgeslaagen en dus wel door mij diend aangehaald te worden, te weeten: Dat aan het heele geval geen een waar woord is. §: 216: Dit blijkt uit de naadere brieven van voorm: gekom„ „mitteerden van den 14: en 16:' dier maand, waar uit ik verlof verzoeke de daervan spreekende extracten insge„ „lijks hier te insoreeren: voor„ de 1
English
the mutineers were notified by an unsigned ola in the name of an aratchi of the Baygams that a commando had arrived. Regarding that false rumor, we addressed the leaders and lesser persons among the mutineers who were present with us in a fitting manner and recommended to them to no longer believe anything so lightly and take it to heart without complete assurance. They were also somewhat confounded by that matter, and gave virtually no answer other than excusing themselves with the received ola, which they, however, when we demanded it, said was not in their hands. Extract missive dated 16 May 1790 written by the aforesaid Gentlemen of Mature to as before. In the Baygams, we questioned the Aratchi Wiemelle Goeneijegene regarding the ola that the mutineers had received, in which it was stated that said aratchi made known to them that a commando had arrived in the Baygams, but he denied having written such an ola or knowing anything about it, and testified that also no commando, but only the mohandiram of the Baygams had been in that district to collect his nelly as he had heard, but that the mutineers had made him turn back. § 217. In addition, I hereby append an authentic copy of the declaration of the Captain Commandant Baron von Prophalow, who testifies that around that time no commandos were sent out. § 218. And now I respectfully defer it to the impartial judgment of Your Right Honorable Great Worships and my further high Rulers, what is to be thought of this accusation, which is nevertheless the only new one that the Lord Commandeur, who had so fully boasted of having much, even very much against me, has been able to bring forward, after it was enjoined upon him by Your Right Honorable Great Worships to submit everything he knew without reservation. § 219. I therefore also trust that Your Right Honorable Great Worships upon investigation will find that I have never intentionally insulted the Lord Commandeur, and he thus had no reason to complain about me and to ask satisfaction from me, and furthermore that the accusations which his honor has brought against me are unfounded and devoid of all truth, and that I consequently in the final decision of all these frivolous complaints and accusations will be acquitted. I have the honor to be with all respect and high esteem. Below stood: Right Honorable Great Worshipful, High Ruling Lord and Right Honorable Gentlemen, Your Right Honorable Great Worships and Honors' Faithful and Obedient Servant. Was signed: C. van Angelbeek. In the margin: Colombo, the 6 May 1791. And having now proceeded to a careful examination of each item of that defense in particular: it was, with regard to the first chapter of the same concerning the question: Whether the Sinhalese subjects of Mature had reasons for the uprising. remarked by the Meeting that the same is directed against that part of the report in which Mr. Sluijsken has attempted to argue how the Company's subjects for some years past were too heavily oppressed by the planting of cinnamon and other products, and by other new taxes, which statements were already provisionally examined and found groundless at the session of 12 and 21 August 1790, and are now further, and item by item, answered and refuted by the Dessave van Angelbeek, wherein many matters appear that are very notable, such as in paragraphs 9, 10, and 11, the demonstration that the planting of cinnamon, far from serving as a new burden for the inhabitants, becomes much more a means to relieve them and improve their condition, on the one hand because thereby the carrying of cinnamon from distant districts will mostly cease, and on the other hand because, after the plantations have been brought to perfection, they will have no vexations to fear from the chalías, and will at the same time obtain greater freedom for clearing wild plots of land; and furthermore also in § 61 and following, the argument that the manner in which the natives must lodge their complaints is no novelty, but was already introduced in the year 1706 by the Governor Simons, and renewed in the year 1744 by the Governor van Gollenesse, as well as in the year 1784 by the Governor Falck, and that this method, far from serving to the burden or disadvantage of the community, serves much more for their relief; however, it was further remarked that this whole first section actually does not belong to the justification of the said Dessave, since all the accusations which the aforesaid Gentleman
Dutch transcription
728 de muitelingen bij een ongeteekende ola op de naam van een arraetje der baijgams geadverteerd zijn, dat 'er een kommando gekoomen was. Over dat valsche gerugt hebben wij de hoofden en mindere der muitelingen die bij ons present waaren op een gepaste wij ze onderhouden en hun aangerekommandeerd om niets meer zoo ligt te ge„ „looven en ter herte te neemen, zonder volkoomen verzeekering. zij waaren over die zaak ook wat verloegen, en gaeven genoegzaam geen antwoord dan dat zij hun met de ontfangene ola ver„ „schoonden, die zij echter, terwijl wehem requireerden, zeiden, niet in hunne handen te hebben. Extract missive de dato 16: Mei 1790: door voorm: Heeren van Mature geschreeven aan als vooren. In de Baijgamsstelden wij den Arraetje Wie„ „melle Goeneijegene te verden, wegens de ola die de muitelingen ontvangen hadden, en waarbij stond, dat die arraetje hun bekend maakte, dat er een kommando in de Baijgams was gekoomen, dog hij ontkende een dusdaanige ola te hebben geschreeven, of iets daarvan te weeten, en betuigde dat ook geen Kommando maar alleen den mohandiram der Baijgams in dat distrikt zij geweest, om zijn Nelie af„ „tehaalen zoo als hij gehoord had, dog dat de mui„ „telingen hem hadden doen terug keeren. §: 217: Ten overvloede voege ik hier nog bij een authentiek afschrift van de verklaaring van den Kapitein Kommandant Baron von Prophalow, die getuigd, dat om dien tijd geene kommandos uitgezonden zijn. §: 218: En nu laat ik het aan het onpartijdig oordeel van ruwel Edele Groot Achtbaare en mijne verdere hooge Gebieders eerbie„ „dig gedefereerd. Waarvoor deeze beschuldiging te houden zij, die echter de eenigste nieuwe is welke de Heer Commandeur, die zig zoo volmondig beroemd had, nog veel, zelfs heel veel — ten mijnen lasten te hebben, heeft weeten te voorschijn te brengen, naa dat hem door rudw: Gr: Achtb: geingungeerd was, alles wat hij wist zonder raserve op tegeeven. §: 219: Jk vertrouwe derhalven ook dat uwwel Edele Groot Acht„ „baare bij onderzoek bevinden zullen, dat ik den Heer kommandeur nooit met opzet beleedigd hebbe, en hij dus geen reeden gehad heeft over mij te klaagen en van mij satisfactie te vraagen, en voorts dat de beschuldigingen, die zijn achtbaare teegen mij ingebragt heeft ongefuendeerd— en van alle waarheid ontbloot zijn, en dat ik over zulks bij de finaale dezisie van alle deeze frivoole waaten klagten 28„ 720 klagten en beschuldigingen zal vrij verklaard worden. Jk heb de eere met alle eerbied en hoogagting te zijn. :/Onderstond/: WelEdele Groot Achtb: Hoog Gebiedende Heer en WelEdele Heeren, uwer WelEd: Groot Aghtb: en Ed=s Getrouwe en Gehoorzaeme Dienaar. /:was geteekend:/ C: van Angelbeek. /:in margine:/ Molombo den 6: Meij 1791: En als nu getreeden zijnde tot eenaandagtig onderzoek van ieder post van dat verweerschrift in het bezonder: zoo wierd, met opzicht tot het eerste hoofdstuk van het zelve betreffende de vraege: Of de Zingaleesche Onderdaanen van Mature vee„ „denen tot den opstand gehad hebben. bij de Vergaedering aangemerkt, dat het zelve gericht is teegen dat gedeelte van het rapport, waarbij de Heer sluijsken getragt heeft te betoogen, hoe 's komp=s onder„ „daanen zeeder eenige jaaren door het aanplanten van Manneel en andere produkten, en door andere nieuwe belastingen te zwaar gedrukt waeren, welke opgaan „ven reeds provisioneel ter sessie van den 12: en 21: Aug=s 1790: ondertogt en ongegrond bevonden zijn en tans door den P: van Angelbeek nader, en post voor post beant= „woord en gerefuteerd worden, waarbij veele zaaken voorkoomen, die zeer aanmerklijk zijn, als bij h: 9: 10: en 11: de aanwijzing, dat het aanplanten van de kanneel, verre van te strekken tot een nieuuwe last voor de in„ „gezeetenen, veel meer een middel word, om hen lieden te ontlasten, en hunnen staat te verbeeteren, eensdeels, wijl daardoor veel al zal cesseeren het draegen van de kanneel uit afgeleegene landstreeken, en anderen deels, wijl zij lieden na dat de plantagien tot perfectie gebragt zullen zijn, geene veratien van de sjaleas te duchten hebben, en tevens meerdere vrijheid ver„ „krijgen zullen tot het Zuiveren van verwilderde grond stukken, en voorts ook bij S: 61: en volgg: het ver„ walke „toog, dat de wijze op de Jnlanders hunne klagten inbrengen moeten, geene nieuwigheid maar reeds in 't jaar 1706: door den Heer Gouverneur Simons ingevoerd, en in 't jaar 1744: door den Heer Gouverneur van Gollonesse, midsgaders in het jaar 1784: door den Heer Gouverneur falck gerenoveerd is, en dat die met hode, verre van te strekken tot last of nadeel van de gemeente veel meer diend tot haare verligting, doch :/ werd verder aangemerkt (: dat deeze heele eerste afdeeling eij„ „gentlijk niet gehoord tot de verantwoording van gemelde Dessave wijl alle de beschuldigingen die de voor, Heer
English
730 brought forward against him by the Lord Commander, are answered by him in detail in the second chapter concerning the question: Whether he, the Disava, was to blame for the uprising, and it has consequently been approved and understood to limit the deliberations solely to this second chapter, beginning with § 93: Regarding the first accusation, that the Disava had departed from the customs of the country in the execution of punishments, which was considerably exaggerated in the secret letter of 20 October, it was noted by the assembly that the same was proved by the Lord Commander with nothing, and was absolutely denied by the Disava; that the Disava, already at the session of 21 August 1790 in this Assembly, proved with seven reports or certificates from the most prominent headmen of the Disavony that his executions of punishment were not only carried out according to the laws of the country, but also that he practiced no heavier punishment than previous Disavas; that Mr Sluijsken had those reports or declarations in hand, and yet passed over them in deep silence, and notwithstanding repeated his aforementioned accusation with bitter exaggeration in his secret letter, without producing any proof, or naming the persons, time, and place to whom, when, and where that mistreatment had occurred, notwithstanding he was obliged to do so according to the nature of the matter, and had moreover, at the request of the aforementioned Disava, been expressly ordered by letter of 17 September to specify everything he might have to his charge. Furthermore, that the Honorable Disava now in his defense, § 101, once again requests that the Lord Commander shall now be further required to properly prove that accusation, but that in doing so this matter would never end; and that the aforementioned Commander himself, in his secret letter of 20 October 1790, expressly requested: not to ask him for further clarifications that have no relation to the service and the welfare of the inhabitants, because he cannot explain himself more clearly. And it has consequently been approved and understood to reject this accusation, as being devoid of all proof and thus unacceptable, and to hereby declare the Honorable Disava free therefrom. 731 With respect to the second accusation, that the Disava had not had enough knowledge or otherwise attentiveness in his office, it has been taken into consideration that the said Disava, during his administration, has continually given much satisfaction to this Government, and practical tokens of his zeal and capability in the administration of the country, through a remarkable increase of the country's produce in general, and of the rice in particular, as was already cited and fully proved in the resolution of 16 August 1790, with the therein inserted specification of the country's produce that has been collected in the last ten financial years. That the arguments and reasonings with which the Lord Commander seeks to prove that ignorance are very specious and far-fetched, as well as refuted with much conciseness by the Honorable Disava from § 102 to § 118. That in particular the argument of Mr Sluijsken, that a knowledgeable country ruler can discover and prevent an uprising in his district beforehand, cannot stand the test, and is refuted by the very experience of earlier times, as otherwise all country rulers under whose administration a revolt has arisen, without having foreseen or stopped it, would have to be declared incompetent, which would then apply to the Lord Commander himself, who, as Head of the Mahabadde, had the displeasure of seeing an uprising break out among the Chalias, without having known anything about it beforehand. That the second argument of ignorance, that the Disava intended to colonize a remote wilderness, such as Baddegirie, whereas in the surrounding lands there was still plenty to do, was presented with exaggeration by the Commander, because the Disava nowhere indicated that he wished to establish a colony at Baddegirie, but only that he wished to make a number of sowing fields serviceable to be cultivated by volunteers and by a number of idlers and convicts, and as far as the matter itself is concerned is not only in itself groundless, because the report submitted thereof yields many tokens of sound agricultural knowledge, zeal, and faithfulness, but also by the Lord Commander wrongfully
Dutch transcription
730 Heer Mommandeur teegen ham ter baan gebragt heeft, door hem omstandig beantwoord worden in het tweede hoofd= „stuk betraffende de vraage: Of hij Dessave aan den opstand schuld gehad heeft, en is dienvolgende goedgevonden en verstaan, de deli„ „beratien te bepaalen alleen tot dit tweede hoofdstuk beginnende met 5: 93: Nopens de eerste beschuldiging, dat de Dassave in de straf oeffeningen van 'slands gebruiken afgeweeken was, die bij den serreeten brief van den 20: October merk„ „lijk is geexaggereerd, is bij de vergaedering aangemerkt dat dezelve van den Heer Kommandeur met niets beweeten, en door den Dessave volstrakt ontkend is, dat de Dessave reets ter sessie van den 21: Aug=s 1790: in deeze Vergaedering met seeven rapporten of getuigschriften van de aanzienlijkste hoofden der Dessavonij beweeten heeft, dat zijne straf oeffeningen niet alleen na 'slands watten geschied zijn, maar dat hij ook geen zeaarder straffe ge„ „oaffend heeft als voorige Dassaves; dat de Heer sluijcken die rapporten of verklaaringen in han„ „den gehad, en echter met een diep stilzwijgen overge„ „slaagen, en zijne voorm: beschuldiging des niet teegen, „staande bij zijn sekraeten brief met bittere exaggeratie herhaald heeft, zonder eenig bewijs bij te brengen, of de perzoonen, tijd en plaats te benoemen, aan wie, wan„ „neer en waar die mishandeling geschied was, niet teegenstaande hij hiertoe volgens de natuur van de zaak verplicht, en hem daar en boven op het ver„ „zoek van meerm: Dassave bij brief van den 17: septem„ „ber uitdrukkelijk aanbevoolen was, alles op tegeeven wat hij tot desselfs laste mogt hebben. Voorts dat D: E: Dessave thans bij zijn verweerschrift §: 101: andermaal verzoekt, dat den Heer Komman„ „deur nu nader zal opgelegd worden, die beschuldi„ „ging behoorlijk te bewijzen, doch dat zoo doende dees „ze zaak nooit eindigen zoude; en dat meerm: kom„ „mandeur zelve bij zijnen sewreeten brief van den 20: October 1790: uitdruklijk verzogt heeft: hem verder geene ophelderingen aftevraagen, die geene betrekking tot den dienst en het welzijn van de ingeteetenen hebben, wijl hij zich niet duij„ „delijker expliceeren kan. En is dienvolgende goedgevonden en verstaan, deeze beschuldiging, als van alle bewijs ontbloot, en dus onaanneemlijk zijnde te rajerteeren, en den 8: Dessar „slaagen „ve 731 uwe daarvan vrij te kennen bij deezen. met opzicht tot de tweede beschuldiging, dat de Des„ „save, geene kundigheid of anders oplettendheid genoeg in zijn ampt gehad had, is in aanmerking genoomen, dat gem: Dessave, geduurende zijn bestier, aan deeze Regeering steeds veel genoegen, en van zijn iever en bequaam„ „heid in het land bestier daadelijke blijken gegeeven heeft, door eene aanmerkelijke vermeerdering van de land pro„ „dukten in 't algemeen, en van de rijft in het bezonder, zoo als dit reeds bij resolutie van den 16: Aug=s 1790: aange„ „haald, en ten vollen beweeten is, met de daarbij gein„ „sereerde aanwijzing van de landproducten, die in de laat„ afte thien boekjaaren, ingezaemeld zijn. Dat de argumenten en raisonnementen, waarmeede de Heer Kommandeur die onkunde tragt te bewijsen, zeer specieus en vergezogt, mitsgaders door den E: Dassave van §: 102: tot §: 18: met veel bondigheid waaderlegd zijn. Dat inzonderheid het argumaet van den Heer sluijsken dat eene kundig landvegeert eene opstand voor af in zijn district kan ontdekken en voorkoomen, de proef niet kan houden, en door de ondervinding zelve van vroegere tijden weederlegd word, wijl anders alle Landregeniteer onder welker bestier eene revolte ontstaan is, zonder die voorzien of gestuit te hebben, voor onbequaam zouden moeten verklaard worden, het welk als dan den Heer kommandeur zelve zoude treffen, die, als Hoofd der Mahabadde het ongenoegen gehad heeft, van een opstand onder de sijaleas te zien uitbarsten, zonder daarvan vooraf- iets geweeten te hebben. Dat het tweede Argiement van onkunde dat de Dessave eene verafgeleegene woestijne, als Baddegirie, meende te bevoekplanten, daar in de om en bijleggende landen noch genoeg te doen veel. door den kommandeur met vergrooting is voorgesteld door dien de Dessave nergens heeft te kennen gegeeven, dat hij te Baddageirie eene volkplanting wilde stechten, maar eenlijk dat hij een parthij zaaivelden wilde bruikbaar maaken om door vrijwilligers en door een parthij leediggangers en gecondemneerdens bebouwd te worden en voor zoo verre de zaake zelve betraft niet alleen aan eer op zich zelve ongegrond is, door dien het daarvan ingediende rapport veele blijken van— gezonde landkunde, iever en getrouwigheid op lee„ „verd, maar ook door de Heer kommandeur ten on„ revolte „rechten
English
732 rights and is alleged against better knowledge and conscience, just as if this had been undertaken by the Dessave thoughtlessly and on flimsy grounds, whereas on the contrary it appears from the papers that the proposal thereto was made in an ample report, with a precise description of the present condition of that country, and indicating the means and costs that were necessary for its improvement, which report was first examined and approved by the Galle servants, and subsequently sent to this Government, which did not adopt it blindly or prematurely, but first examined it accurately, for which purpose it was first circulated among the members at their homes for perusal, subsequently brought before the Meeting on 19 September 1789 for deliberation, and approved by unanimous vote, as well as sent to the Commander and Council of Galle, with the authorization to empower the Dessave for its execution. That it furthermore appears extremely strange and offensive to this Government meeting how the Lord Commander dares to come forward with this argument, since he himself first had that report at his home for perusal, and thereafter attended the deliberations thereon in this Meeting on 19 September 1789 in person, and thus not only had the opportunity, but was also obliged, in case he judged that the proposal made therein was unserviceable and harmful, to point this out and to advise against its execution, all the more because he voted first of all, and because the execution had to take place in his commandery, whereas on the contrary he was the first of all to give his vote to the resolution then adopted unanimously: that the Galle servants shall be qualified to authorize the Honorable Dessave of Mature to execute his aforesaid plan for the improvement of the Magampattoe as it lies, and furthermore to express to the Dessave van Angelbeek the satisfaction that this Government has taken in the zeal and skill demonstrated by him in this matter for the improvement of the lands placed under his administration, with orders to thank him in the name of this Government. And 733 And consequently it has been resolved and agreed to hereby reject that accusation as completely groundless and contrary to his own opinion and vote. With regard to the assertion of the Lord Commander Sluijsken that the discontent of the Mature inhabitants against the Dessave van Angelbeek had been general, it was noted: That the same is likewise by no means proven, for the clamor of a raging faction of rebels demanding to have another Dessave may at best be regarded as a token of discontent of the few ringleaders of the rebels, to which the wild and ignorant crowd of the agitated populace blindly consents without knowing what or why. That this Government therefore already wrote to the Lord Commander by secret missive of 17 September 1790 that it had nowhere appeared to it that this declaration had been made in such a manner that it could with sufficient reason be attributed to the bulk of the people, and that the Lord Commander was explicitly instructed in that same letter to state unreservedly everything he knew to the charge of the aforesaid Dessave, but that he merely replied thereto by secret letter of 20 October that these declarations had appeared to him more than once in such a manner that he had to attribute them to the common people, without adducing a single iota of proof. That the Lord Commander has, in addition, concealed that a part of the people not only did not specifically desire the removal of the often-mentioned Dessave, but on the contrary had been set upon his continuation. That the Lord Sluijsken has interpreted the resolution of this Meeting to summon the often-mentioned Dessave of Mature, contrary to its intention and also contrary to the clear letter of its instruction to the commissioners Ivets and Samlant, as proof that this had occurred because of the discontent of the people, whereas the contrary thereof expressly appears, and that this intentional distortion of the resolution and instruction clearly enough demonstrates that the bare statement of the Lord Commander that tokens of a general discontent against the often-mentioned Dessave had appeared to him, is not
Dutch transcription
732 „rechten en teegen beeter weeten en geweeten geallegeerd word, eeven als of zulks door den Dessave onbedagtzaam en op losse gronden ondernoomen was, daar in teegen „deel bij de papieren blijkt, dat de voorstel daartoe bij een ampel bericht gedaan is, onder een naauwkeurige beschrijving van den teegenwoordigen toestand van dat land, en onder aanwijzing van de middelen en kosten die tot dies verbeetering noodig waeren, welk be„ „richt eerst door de Gaalsche bedienden g'examineerd en goedgekeurd, en vervolgens aan deeze Regeering ge„ „zonden is, die het zelve niet blindelings of voor„ „baanig overgenoomen, maar eerst naauwkeurig geexa„ „mineerd heeft, tot welke einde het zelve eerst omn„ „der de P. Leeden aan huijs ter lectura rondgezonden, vervolgens op den 19: Sept=br 1789: in Vergaedering ter deli„ „beratie gebragt, en met unanime stemmen goadgekeurd, missgaders aan den kommandeur en Raad van Gale ge„ „zonden is, met qualificatie, om den Dassave tot de uitvoering te authoriseeren. Dat het voorts aan deeze Regeering vergaedering ten uittersten vreemd en aanstootelijk voorkomt, hoe de Heer Kommandeur met dit argument durft uitkoo„ „men, daar hij zelve dat bericht eerst ter lectura aan zijn huijs gehad, en daarnaa de deliberatien daar„ „over in deeze Vergaedering op den 19: September 1789: in perzoon bijgewoond, en dus niet alleen geleegentheid gehad heeft, maar ook verpligt geweest was, en— gevalle hij oordeelde, dat de daarbij gedaane voorstal ondienstig en schaadelijk was, zulks aan„ „tewijzen, en de uitvoering te ontraaden, te meer wijl hij de eerste van alle stemde, en wijl de uit„ „voering in zijn kommandement moest geschieden, waar en teegen hij de eerste van alle zijne Jtem gegeeven heeft, tot het toen met eenpaarigheid genoomen besluit. dat de Gaalsche badiendan zullen worden gequali„ „ficaerd, den E: Dassava van Mature te authori„ „seeren, om zijn voorsz: plan, ter verboetering van de Magampattoe te executeeren, zoo als het legt, en voorts om aan den Dassave van Angelbeek te betuigen het genoegen dat deeze Regeering genoomen heeft in de door hem in deeze batoonde iever en kunde tot verbeetering van de landen, die onder zijn bewind zijn gesteld, met last, om heen uit naam van deeze Regee„ „ring te bedanken. aan En 733 En is dien volgende goedgevonden en verstaan, die beschul„ „diging, als ten eenemaal ongegronde teegen zijn eigen ge„ „voelen en votum strijdende, bij deezen te rejecteeren. mat opzight tot het voorgeeven van den Haer Kommandeur sluijsken, dat het misnoegen van de Matureesche ingezeetenen teegen den Dessave van Angelbeek alge„ „meen geweest was, is aangemerkt. Dat het zelve almeede geenzints beweesen is, want dat het geschreeuw van een vaatende parthij rebellen, om een andere Dessave te willen hebben, op zijn bast gehoudene mag worden voor een blijk van misnoegen van de weinige Hoofd rebellen, waarin de woeste en domme hoop der op¬ „voerig gemaakte gemeente blindelings toestemd, zonder te weeten wat of waarom. Dat deeze Regeering daarom reeds bij serreete missive van den 17: Sept=re 1790: aan den Heer Kommandeur geschree„ „ven heeft, dat haar nergenes was voorgekoomen, dat deeze verklaering gedaan was op eene wijze, dat men die met genoegzaame grond kost stellen op reekening van het gros van het volk, en dat aan den Heer kommandeur bij dienzelvene brief uitdrukkelijk aanbevoolen is, alles onbewimpeld op te geeven, wat hij ten laste van geme: Dassave wist, doch dat hij daarop bij se„ „oreete brief van den 20: October eenlijk geantwoord heeft, dat deeze verklaaringen hem meer als eens voorgekoomen waaren op eene wijze, dat hij te stellen moest op reeke„ „ning van het gemeen, zonder een enkelde jota tot bewijs bij te brengen. Dat de Heer Kommandeur daar en boven vertweegen heeft, dat een gedeelte van het volk de verwijdering van den meerm: Dassave niet alleen niet bepaald begeerd heeft, maar in teegendeel op zijne continuatie gesteld geweest was. Dat de Weer sluijsken het besluijt deeter Vergaedering om meerm: Dassave van Mature te laaten opkoomen, teegen haare intentie en teffens teegen den klaaren letter van haar aanschrijven aan de gekommitteerden J vetz en Samlant, uitgelegt heeft als een bewijs, dat dit wee„ „gens het misnoegen des volks geschied was, daar het tee„ „genedeel van dien uitdrukkelijk blijkt, en dat deeze op zat„ telijke verdraaijing van de rasoc: en aanschrijving duijdelijk genoeg aanwijsft, dat het bloote zeggen van den Heer kommandeur dat hem blijken van een algemeen mionoegen teegen den maerm: Dessave voorgekoomen waaren. aan niet
English
did not deserve to be accepted; and finally, that the contrary is sufficiently proven by the numerous olas and reports received since then from the Matara Dessavony from the most prominent Chiefs, and from entire districts and communities, wherein an express request is made that D: P: van Angelbeek might be reappointed to the Dessavony. And consequently, after mature deliberation, it has been approved and agreed to reject this accusation as unproven. With regard to the next following accusation, that the aforementioned Dessave had placed too much trust in some Chiefs, it was remarked that it is almost impossible to determine and establish on firm grounds the degree of trust that a ruler may and should place in his subordinates, and that the Honorable Dessave has circumstantially refuted this, as well as the related accusation that he had interacted with them too familiarly, from No. 131 to No. 143; and consequently, it has been approved and agreed to be satisfied with this vindication of his. The accusation that he had not sufficiently employed the first interpreter and modliar Ilangakoon, having been properly answered by him at No. 144 and 145, it has likewise been approved and agreed to acquiesce in this vindication. With regard to the complaints of the Commander Sluysken against the former Dessave van Angelbeek on account of disrespect and disobedience, and the accompanying request for public satisfaction because His Honor had declined the Galle commission, it has been taken into consideration that the Commander himself had left it to the choice of the Dessave whether that commission should be sent or not, and thus was by no means offended by the declining of the same. With regard to the second complaint, that the Dessave had refused to accept the Galle commissioners and to pay them the required honors, it has been taken into consideration that the first part of this complaint is refuted by the fact itself, inasmuch as the said commissioners were accepted and recognized in their capacity by the Honorable Dessave, which they themselves admitted during the last conference held at Matara on 27 April 1790, of which the record reads verbatim as follows: Lastly, the Commissioners declared that they were treated by the Dessave in all respects with the utmost politeness and courtesy. Furthermore, that the opposition of the Honorable Dessave to the honors that these junior merchants had arrogated to themselves upon their arrival at Matara was founded upon old custom, and that the assertion of the Commander that the honor due to the Commander himself must be given to commissioned junior merchants from the Galle Council is a novelty that is contrary not only to custom, but also to sound reason; and it has therefore been understood with unanimity that the Honorable van Angelbeek has offended no one by this, and that the complaint formulated thereabout by the Commander is unfounded, and it has therefore been approved and agreed hereby to absolve him of that complaint. And furthermore, with respect to the rule established on this occasion by the Commander and Council of Galle, that the same honors must be shown to the commissioners from their assembly as to the Commander himself, it has been approved and agreed hereby to reject the same as a novelty contrary to sound reason, and to further order to adhere to the old custom in that regard. With regard to the third complaint: concerning the arresting and sending of the Moor Segoe, it has been remarked that this was done by order of the Governor himself, and that this was clearly communicated in writing to the Commander in a separate letter from the Governor to him alone dated 17 May 1790, and in a further letter to him, the Commander, and the Council at Galle of the 18th following; and that the aforementioned Commander therefore had no right to complain against the Dessave about this; that furthermore, the neglect of the Dessave to give immediate notice thereof to the Council of Galle is in itself an insignificant trifle, this Segoe being a slave boy, and moreover a drunkard and vagrant who deserved no attention, and that in addition the former Dessave immediately apologized for this omission, adding that the same had to be attributed solely to a multitude of vexations with which he was at that time surrounded and as if overwhelmed, and which explanation in the prevailing circumstances
Dutch transcription
734 niet verdiend aangenoomen te worden; en eindelijk dat het teegendeel genoeg beweeten word door de zeeder in meenigte ontfangene olas en rapporten uit de matureesche Dassa„ „vonij van de aanzienlijkste Hoofden, en van heele distrik„ „ten en gemeentens, wijl daarbij bij expras verzoek gedaan word, dat D: P: van Angelbeek weeder in de Dessavonij mogt aangesteld worden En is dienvolgende na rijpe deliberatie goedgevonden en verstaan, deeze beschuldiging als onbeweeten te rajecteeren. met opzigt tot de naast volgende beschuldiging dat meermelde Dessave op eenige Hoofden te veel vertrouwen gehad had werd aangemerkt, dat het haaft onmoogelijk is, te be„ „paalen en naar vaste gronden te bestemmen de graad van het vertrouwen, het welk een gebieder in zijne on„ aderhoorige magen moet stellen, en dat de E: Dessave dezelve, en de daarmeede verknogte beschuldiging dat hij met dezelven te familiaar was omgegaan van 3: 131: tot h:o 143: omstandig weederlegd heeft, en is dienvolgende goedgevonden en verstaan, in deeze zijne verantwoording genoegen te neemen. De beschuldiging dat hij den eersten tolk en modliaar flangekoon niet genoeg gebruijkt had„ door hem bij h: 144: en 145: behoorlijk beantwoord zijnde: zoo is goedgevonden en verstaan in deeze verantwoording almeede te berusten. met opzicht tot de klagten van den Haer Kommandeur sluijsken over den geweeten Dassave van Angelbeek weegens kleer achting en ongehoorzaamheid, en het daarbij gedaane verzoek om opentlijke satisfactie, over dat zijn E: voor de Gaalsche kommissie bedankt had, is in aanmerking genoomen, dat de Heer Komman„ „deur zelve het aan de Reuze van den Dessavege„ „laaten had, of die kommissie zoude gezonden worden of niet, en dus door het bedanken voor dezelven geen„ „zins beleedigd is. mat opzicht tot de tweede klagte dat de Dessave geweegerd had de Gaalsche gekom= „mitteerden te accepteeren, en hen het verplich„ „te honneur te bewijzen is in aanmerking genoomen, dat het eerste gedeelte deeter klagte door de daad zelve weederlegd is; doordien gemelde gekommitteerden door D: E: Dessave in hunne qualiteit aangenoomen en erkend zijn het geen zij in de laatste conferentie te mature op den glange, 27: April 735 27: April 1790: gehouden zelve bekend hebben, waar„ „aan de aanteekening woordelijk aldus luijd: Laatstelijk declareerden de Heeren Kommissarissen door den Heer Dassave in allen opzichte met de meeste politesse en beleeftheid behandeld te zijn. Dat voorts de oppositie van den E: Dessave teegen de honneurs, die deeze onderkooplieden zich bij hunne aankomst te mature aangemaatigd hadden, gefun„ „deert geweest is op het oude gebruik, en dat het voor„ „geeven van den Haer kommandeur, dat aan gekommitteerde onderkooplieden uit de Gaalsche Raad moet worden gegeev „ven het honneur van den kommandeur Zelve, eene nieu„ nwrigheid is, die strijdig is met het gebruik niet alleen, maar tevens met de gezonde reeden, en is dierhalven met een paar „righeid begreepen, dat D: E: van Angelbeek hierdoor niemand beleedigd heeft, en dat de daarover geformeerde klagte van den Heer Kommandeur ongefuendeerd is, en is dierhalven goedgevonden en verstaan, hem van die klagte te absolveeren bij deezen. En is voorts ten opzechte van de door den kommandeur en Raad van Gale bij deeze geleegendheid getablisseerde veer „gel, dat aan de gekommitteerden uit hunne vergaedering dezelve honneurs beweeten moet worden, als aan den Heer „mandeur zelve goedgevonden en verstaan dezelve bij deeten als eene nieuwigheid met de gezonde reedene strijdende, te— vejecteeren, en naader te gelasten, om dien aangaande te blij„ „van bij het oude gebruik. met opzicht tot de derde klagte: nopens het arresteeren en zenden van den Moor segoe is aangemerkt, dat zulks geschied is ter order van den Heer Gouverneur zelfs, en dat dit aan de Heer Kommandeur, dui„ „delijk aangeschreeven is bij aparten brief van den Heer Gouverneur aan hem alleen van den 17: Maij 1790:, en bij naader schrijven aan hem kommandeur en Raad te Gale van den 18: daaraan en dat meermelde Haer Mom„ „mandeur dus geen recht gehad heeft, den Dessave daarover aanteklaegen, dat voorts het vertuim van den Dassave om daarvan ten eersten kennis te geeven aan den Raad van Gale op zich zalve eene niets beduidende kleenigheid is, als zijnde deeze segoe aan slaeven ijonge, en daarbij aen dronkaart en Zwerver, die geene attentie verdiend, en dat daar en boven de geweeten Dessave over deeze omissie ten eersten ex kuus verzocht heeft, onder bijvoeging, dat dezelve alleen aan een meenigte veetigheeden, waarmeede hij diertijds omringd en als overstelpd was, moast toegeschreeven worden, en welke verklaaring in de toen plaats hebbende omstandigheeden Kom en
English
and general confusion was very probable and plausible, with which the Lord Commander might well have rested content, and it is consequently approved and understood to absolve the Dissave of this complaint as well. Furthermore, it having been noted by the Lord Governor with respect to this complaint that the Commander, after having been written to twice that His Honour himself had ordered this Segoe to be brought up under arrest, complained about this anew in his secret missive of 20 October, and therein made use of this expression: Was it not a bitter belittlement to me that the Moor Segoe, whom I had caused to be detained at Amblangodde because he was transported by force past this fortress without my prior knowledge, was further to be transported to Colombo, and who furthermore did not shrink from making the very insolent request: that regarding this Moor the following points, appearing in his secret report of 31 July 1790, might be brought forward one by one for the deliberation of this Government and that the decisions taken thereon might be sent to him, namely: 1. Whether His Honour the Dissave van Angelbeek or someone else arrested the Moor Segoe. 2. On what grounds this Moor was arrested. 3. Why no notice of the arrest of this Moor, who is an inhabitant of Galle and thus does not belong under the Matara jurisdiction, was given to him, the Commander, or to the Council of Galle. 4. Why this Moor was sent to Colombo, and no written notice of this dispatch was sent to him, the Commander. 5. What statements this Moor made in Colombo. 6. On what grounds this Moor was subsequently released. and that this complaint was thus directed not against the Dissave, but against him, the Governor himself, and that His Honour reserved the right to explain himself further on this matter, among other grievances, in a separate demonstration of the Commander's insolent conduct toward him; thus it is approved and understood to record this here. With respect to the fourth complaint: that the Dissave had not sent up the titular Mohandiram Daha Naike when he was summoned to Galle, taking into consideration that the Galle order to that effect was framed with the explicit condition: if he was not needed there in Matara and could be spared, and that this Daha Naike was at that time arrested on account of his suspicious wandering among the rebels in order to conduct an investigation thereafter, for which his presence was consequently required, and that the Dissave in this case has done nothing other than what the Galle letter gave him the liberty to do: thus it is approved and understood to declare the Dissave free of this accusation hereby as well. With respect to the fifth complaint: that the Dissave had given so little report of the state of affairs, it is approved and understood to persist in the secret resolution of 20 August 1790 taken concerning this matter, whereby it is clearly demonstrated, and with the dates of the letters, that this complaint was made without foundation and reason. With respect to the sixth complaint: that the Dissave, having been ordered twice to send the Mudaliyar of the Wellaboda Pattu to Galle, had not complied with the order, it is noted from the justification of the Dissave, page 171 and following, that the complaint of the commissioners Schuler and De Vos concerning the Mudaliyar of the Wellaboda Pattu, which constituted the sole reason for this summons, having been settled by the Dissave to the complete satisfaction of the complainants, the Council of Galle ought to have rested content with it, especially since the same only entailed that the said Mudaliyar did not show them enough respect and had provided the detachment only poorly, and in times of insurrection one ought not to insist on such trifles; and furthermore, because in the circumstances of that time it would have been entirely improper to summon a native Chief, who had remained faithful in the midst of the insurrection and kept his district in peace and quiet, out of the same over such trifles, and thereby to give an entire district or considerable province, which was then at peace and quiet, the opportunity to defect from the Company and join the rebels as well; that therefore the Council of Galle acted very incautiously and rashly in summoning this Mudaliyar to Galle for the second time after he had already been punished and the complainants had been satisfied, because in such turbulent times one ought not to take such trifles, as those about which the commissioners had complained, so seriously, and because the complainants themselves had testified that they were satisfied with the satisfaction provided to them, whereby the entire reason for that summons ceased to exist; but primarily because the Dissave in his reply to Galle had circumstantially shown that the removal of this Chief from the district entrusted to him would drag the defection of the entire territory in its wake.
Dutch transcription
736 en algemeene confuisie Zeer waarschijnlijk en aanneemelijk was waarin de Heer Kommandeur dan ook wel had moogen be„ „rusten, en dienvolgende goedgevonden en verstaan den Bassave van die klagte almeede te absolveeren. Voorts door den Heer Gouverneur ten opzichte van deeze klagte aangemerkt zijnde, dat de kommandeur na dat hem tot twee maal toe aangeschreeven was, dat zijn Edele zelve deezen se„ „goe in arrest had laaten opkoomen, daarover op het nieuw bij zijne serreete missive van den 20: 8=ber: gedoleerd, en zich daarbij van deeze expressie bediend had. Was het geen bittere verkleining voor mij, dat de Moor segre, dien ik, om dat hij zonder mijne voor„ „kennis deeze vesting met geweld voorbij getranspor„ „teerd wierd, te amblangedde had laaten aanhouden, verder naar kolombo maast getransporteerd worden en wat verder zig niet ontzien heeft te doen het zeer insolent verzoek dat nopens deezen Moor de ondervolgende pointen, voorkoomende bij zijn geheim rapport van den 31: Julij 1790: een voor een nader mogte worden gebragt— ter deliberatie van deeze Regeering en hem de daarop vallende besluitene mogten worden toegetonden; te weeten 1: of zijn Ed:/ de Dassave van Angelbeek /: dan wel anders wie, den moor segoe gearresteerd heeft. 2: Opwalk fundament deeze moor gearresteerd is. 3: Waarom aan hem Mommandeur of de Gaalsch Raad van het arresteeren van deeten moor, die een inwoonder van Gale is, en dus niet onder de Matureesche Juris dictie gehoord geen Mennis is gegeeven. 4: Waarom deeze moor na Kolombo is gezonden, en hem kommandeur van deeze zending geene aanschrijven is toegezonden. 5: Welke verklaarings deeze moor te kolombo gedaan heeft. 6: Op welke fundament deate moor weerder ontslaagen is. en dat deeze doleance dus niet teegen den Dessave, maar teegen hem Gouverneur Zelve gericht was, en dat zijn Ed: zich voorbehield, zich hierover onder meer andere bezwaarnissen naader te zullen verklaaren bij een aparte aanwijzing van het insolente gedrag van den kommandeur teegen hem: zoo is goedgevonden en verstaan, dit hier aante teekenen. Met opzigt tot de vierde Mlagte dat de Dessave den titulair Mohandiram Daha Naike niet opgetonden had, toen hij naar Gale op ontbooden was, in aanmerking genoomen zijnde, dat de Gaalsche order daartoe vertald geweest is met de uitdruklijke conditie indien hij daar /: te mature:/ niet benoedigd was, en gemist kost worden. 3: en F 737 en dat deeze Daha Naijke diertijds over zijn suspegt— rondzwerven bij de rebellen gearresteerd was, om daarnaa onderzoek te doen, waartoe derhalven zijne presentie ver„ „eischt werd, en dat dus de Dessave in dit geval niets gedaan heeft, dan waartoe het Gaalsche aanschrijven hem vrij„ „heid gaf: zoo is goedgevonden en verstaan, den Dassave ook van deete beschuldiging vrij te kennen bij deezen. Met met opzicht tot de vijfde klagte dat de Dessave zoo weinig bericht van de gesteld„ „heid der zaaken gegeeven had is goedgevonden en verstaan, te parsisteeren bij sekreete resolutie van den 20: Aug=s 1790: over dit stuk genoomen, waar bij duidelijk en met de datums van de brieven aangetoond gedaan. word, dat deeze klagte zonder fundamant en reeden gedft is. Met opzight tot de sesde klagte dat de Dessave tot twee keeren gelast zijnde, den modliaar van de Wellebaddepattoe naar Gale op te zenden, aan de order niet voldaan had. is uit de verantwoording van den Dessave 3: 171: en volge aangemerkt, dat de klagte van de gecommitteerdens van schuler en de Vos over den Modliaar van de Wellebadde pattoe die de eenigste reedere van dit opontbod uitmaakte door den Dessave tot volkoomen genoegen van de klaas „gers afgedaan zijnde, de Raad van Gale daarin had— behooren te barusten, voor al wijl dezelven eenlijk behelsden, dat gem: modliaar hen lieden niet genoeg respect bewaeten, en het detachement maar gebrekkig voorzien had, en men in tijden van opvoer op zulke kleenigheeden niet behoord te staan, en wijders wijl het in die tijds omstandigheid ge„ „heel ongevaadere zoude geweest zijn een inlandsche Hoofd, die in het heelft van den opvoer getrouw gebleeven was, en zijn district in rust en vreede bewaarde, over zulke baga„ „telles uit het zelve opteroepen, en daardoor een heel dis„ „trict of aanzienlijke provintie, die toen in rusten vree„ „de was, geleegentheid te geeven om ook van de Komp=e aftevallen en zich bij de rebellen te voegen, dat der„ „halven de Raad van Gale zeer onvertigtig en onberaaden gehandeld heeft; met voor de tweede heer deezen modliaar na dat hij veets gestraft was, en de klaagers bevreedigd waaren, naar Gale op te ontbieden, om dat men in zulke opvoerige tijden diergelijke kleenigheeden, als waarover die gekommitteerden geklaagd hadden, zoo hoog niet behoord te neemen, en wijl de klaegers zelve betuigd hadden, met de hun bezorgde satisfactie voldaan te zijn, waardoor de heele reeden van dat opontbod kwam te vervallen, doch voornaamlijk wijl de Dassave bij zijn ont„ „woord naar Gale omstandig aangeweeten had, dat de ver„ „wijdering van dit Hoofd, uit het hem toevertrouwde di„ „strict, den afval van het heele landschap na zigh sleepen behooren zoude
English
738 would, that therefore the frequently mentioned Dessave treated this matter very cautiously and wisely, the more so because the order to send up this modliar was accompanied by the express condition, if he could be spared over there, the judgment of which was left to him himself, and consequently it has been approved and understood to declare hereby, that the Lord Commander was therefore in no way offended in this case, and had not the slightest reason to complain about it, all the more so since it was subsequently experienced in fact that the peace and obedience of the subjects in that district had depended on it, because as soon as the said modliar was removed from his district, the whole province also rebelled. And on the foundation of everything dealt with up to now, it has been approved and understood to fully acquit and absolve the frequently mentioned van Angelbeek from the accusations of disobedience and from the complaints of disrespect, which the Lord Commander Sluijsken brought against him in his secret report of 31 July 1790, and repeated in his separate missive of 20 October following without any further proof, just as he is hereby acquitted and absolved thereof, and furthermore regarding the complaints of the Lord Commander about alleged disobedience and contempt to declare that it has fully appeared to this meeting that the said van Angelbeek did not make himself guilty of disobedience or disrespect in any of the cited cases, and the Lord Commander is thus not justified in demanding any satisfaction from him. Furthermore, with respect to the new accusation brought forward in the secret letter of the Commander of 20 October 1790: that the Dessave had brought the commissioners Fretz and Samlant at Hakmana into the greatest danger, by having unconsidered commandos march out, whereby the inhabitants were brought into unrest, and these commissioners, who were at Hakmana to pacify the people, into the greatest danger, it was remarked by the meeting that the same is built upon a sheer untruth, because at that time no commandos were sent out from Mature, and the rebels, who had caused an uproar, acted on false reports, which they themselves admitted with blushing cheeks the following day, and furthermore that the Lord Commander Sluijsken knew this very well, and nevertheless fabricated this accusation, and thus brought it forward in bad faith against better knowledge and conscience, as has been demonstrated most convincingly by the Dessave at paragraph 211 and following, and consequently it has been approved and understood to reject hereby that accusation, as utterly untrue and at the same time as brought forward in bad faith and against better knowledge and conscience. Thus resolved etcetera /:was signed:/ W: J: vande Graaff, M: P: Raket, D: C: van Drieberg, D: F: Fretz, J: Reintous, B: L: van Zitter and A: Samlant Checked F: C: v: Spall. Agrees Corns: Johannes [illegible] sworn The undersigned has the honor, pursuant to your Right Honorable orders, to report that the execution of the proposal made by the Lords Colonels Vaillant, Verheul and Lieutenant Colonel Gravenstein, Commissioners of the military commission, for the browning in the fire of the gun barrels, of which the trial was taken with the arms of three companies here in garrison, was found, after the course of well over six months, to have preserved themselves in such a manner that it would be very useful to introduce this and put it into effect in all garrison places here on the island. Done Colombo, 20 September 1790 /:was signed:/ C: Tilenus Right Honorable High-Commanding Lord! To the Right Honorable High-Commanding Lord Willem Jacob van de Graaff Ordinary Councillor of Dutch India, Governor and Director of the Island Ceylon with its dependencies Agrees Hijbrands First Clerk N 735 740. sent 8 February To the Honorable Dessave Crijtsman, containing orders, because of the new movements among the people in the Beligal Korle, to apprehend not only the Modliar Tinnekoon but also a certain kangan of his, and all others who are found to cause these movements among the inhabitants or to breach the peace, and send them in irons to Galle, to seize their goods, to fill their offices provisionally, and furthermore to devise all expedient measures for the restoration of peace, provided that a report of all his actions is made to the Commander and Council at Galle. 24 ditto To the same, enclosing some translations, ordered to conduct an investigation into the native chiefs who had incited the inhabitants to rebellion, as well as into those who had made themselves guilty of cutting down countless chena lands. 26 ditto To the same, order to make every effort to get hold of certain 6 ringleaders, reported by his Honor to Galle, even if a reward of 50 rixdollars for each should have to be promised for that purpose. 27 ditto To the same, authorized to appoint such other chiefs at the Porta and in the country. Dispatched Secret Letters from here directly to Mature. 14 pieces under the administration of the Honorable Lord Schreuder. Checked Number 6 1758.
Dutch transcription
738 zoude, dat dus meerm: Dassave dit geval zeer voorzigtig en wijslijk behandeld heeft, te meer wijl de order, om deeze mosliaar optezenden, verzeld ging met de expresse voor„ „waarde, indien hij ginter gemist kon worden, waarvan de beoordeeling aan hem zelve werd overgelaaten, en is dien — volgende goedgevonden en verstaan, bij deezen te verklaaren, dat derhalven de Heer Kommandeur in dit geval in geenen deele beleedigd is, en geen de minste reeder gehad heeft, daar over te klaagen, alles te meer, daar men naderhand met der daad heeft moeten ondervinden, dat de rust en gehoorzaam„ „heid der Onderdaanen in dat district daarvan had afge„ „hangen door dien gem: modliaar zoo dra niet uit zijn district verwijderd was, of de heele provintie meede rebelleerde. En is op fuendament van al het tot nu toe verhandelde goedgevonden en verstaan, den meerm: van Angelbeek van de beschuldigingen van ongehoorzaamheid, en van de klagten over kleenachting, die de Heer Kommandeur sluijsken bij zijn geheim rapport van den 31: Julij 1790: teegen hem ingebragt, en bij zijne serraete missive van den 20: October daaraan zonder eenig nader bewijs her„ „haald heeft, volkoomen vrij te spreeken en te absol„ „veeren, zoo als hij daarvan vrijgesprooken en geabsolveerd word bij deezen, en voorts nopens de klagten van den Heer Kommandeur over pretense ongehoorzaamheid en minachting te verklaaren, dat deeze vergoedering ten vollen gebleeken is, dat gem: van Angelbeek zich in geene van de daartoe aangehaalde gevallen aan disobe„ „dientie of kleenachting heeft schuldig gemaakt, en de Heer Kommandeur dus niet gefundeerd is, om van denzelven eenige satisfactie te begeeven. Wijders is met opzicht tot de bij den secreeten brief van den Hommandeur van den 20:' October 1790: ter baan gebrag„ „te nieuwe beschuldiging. dat de Bssaven de gekommitteerden Jretz en Sam„ „lant te Wakman in het grootste gevaar ge„ „bragt. had, door onoverlegd kommandos te laa„ „ten uitmarcheeren, waardoor de ingezeetenen in onrust, en deete gekommitteerden, die zich ter bevraediging van het volk te Wakman be„ „vonden, in het grootste gevaar gebragt waaren, bij de vergaedering aangemerkt, dat dezelve gebouwd is op een loutere onwaarheid, door dien van Mature te dier tijd geen kommandos uitgezonden zijn, en de rebellen, die opschudding gemaakt hebben, op valsche berig„ „ten, het geen zij 'sdaags daaraan zelve met beschaam„ „de kaaken bekend hebben, en voorts dat de Heer Commacdeur Sluijsken dit zeer wel geweeten, en niet te min deeze beschuldiging gefingeerd, en dus ter quaader trouwe teegen beeter weeten en geweeten en Een geop„ 2 geopperd heeft, zoo als dat door den Dassave bij S: 211: en volgg op het overtuigenst is aangeweesen, en is dien vol„ „gende goedgevonden en verstaan die beschuldiging, als vol„ „strekt onwaar en teffens als ter quaader trouwe en teegen beeter weeten en geweeten te berde gebragt, bij deezen te rejecteeren. Aldus Geresolveert etc: /:was geteekend:/ w: J: vande Graaff, M: P: Ratet, D: C: van Drieberg, D: F: Fretr:, J: Reintous, B: L: van Zitten en A: Samlant Nagesien F: C: v: Spall. Ackordeert Corns: Johianns I dé gezakert Den ondergetekenden heeft de Eere Ingevolge uwel Edele groot Achtbaare ordres te berigten dat den oprigten van het voorstel door de Heeren Colonels vaillant, verheul en Luijtenant Colonel Gravenstein Commissarissen van de militairen Com„ missie gedaan tot het in 't vuur Bruijneeren der ge„ weerlopen waar van de Proef is genomen niet gewerk van drie Compagnien alhier in guarnisoen en bevonden dat na verloop van ruijn ses maanden sig deselve soo„ danig hebben geconserveert dat het seer nuttig zoude zijn van zulx in alle de guarnisoens Plaatzen alhier op het Eijland in te voeren en werkstelling te maaken Actum Colombo den 20: September 1790 /:was getekend:/ C: Tilenus Wel Edele Groot Achtbaare Hoog Gebiedende Heer! Aan den wel Edelen groot Achtbaaren Hoog Gebiedende Heer Willem Jacob van de Graaff Raad ordinair van Nederlandsch India gouverneur en Directeur van het Eijland Ceijlon met dies onder Akkordeert Hijbrands EKlerk N hoorigheeden 735 740. stroetde 8:en febr: Aan den E: Dessave Crijtsman houdende ord: om mits de nieuwe beweegingen onder het volk in de Belligamkorle, niet alleen den Modliaar Tinnekoon maar ook zeker kangaan van hem, en alle andere die bevon„ den worden deese bewegingen onder de Jngesetenen te veroorzaaken of vreden te laaten opvatten en in de boeien na Gale te zenden, hunne goederen in verzeke„ „ring te neemen, hunne Ampten bij pro„ visie te vervullen, en voorts alle dienstige maatregelen te beraamen tot herstelling van de rust, mits doende van alle zijne verrigtin„ „gen verslag aan den Commandeur en raad 24. en d=o Aan denzelve onder toezending van eenige Translaaten gelast onderzoek te doen na de Jnlandse hoofden, die de Jnwoonderen tot rebellie hadden opgewekt, zomeede na de geenen, die zich schuldig hadden gemaekt aan het kappen van ontelbaare Chenassen Aan denzelven order, om alle pogingen te doen, ten eijnde zekere 6. roervinken, door zijn E na Gale opgegeven, magtig te worden al s zoude ook daer toe eene premie van 50 rd=s voor elk moeten worden uijtgeloofd Aan denzelve Gequalificeerd zodanige andere hoofden aan de Porta en in 't land 27. d–o 26. d–o Afgegaane Secreete Brieven van hier direkt na Mature. 14. stuks onder de Regeering van den Edelen Heer Schreuder. aantestellen Nageszien e ƒ No: 6 1758. te Gale.
English
741 3 ditto 17 25 September 6 May 23 April 2 March To the same, ordered to investigate the extortions committed by the Mudaliyar De Saram during his presence in Matara; and also to make every effort to have the cinnamon fetched from the King's land in good time and transported to Galle. To the same, a report requested concerning the further unrest occurring in the Weligam Korale, with authorization immediately to employ measures against it and furthermore against all other unrest, in order to counteract gatherings and acts of disobedience. To the same, sent the lists of the valuations made by Mr. Samlant among the native headmen; and ordered to send the delivered cinnamon by sloop to Galle. The Honorable Crijtsman ordered to transport overland to Galle, with Moorish coolies and other low castes, the cinnamon that the sloop might not have been able to take in. 13 April The Honorable Crijtsman ordered, as soon as circumstances allow, to have seized and sent to Galle the two companies of Lascarins of Malimbada and the one company of Kohugoda, with their Mohandirams, Arachchis, and Kanganies, who have excelled in all rebellions, keeping back of them no more than The Honorable Crijtsman authorized, in order to facilitate the execution of the order concerning Rajapakse, to dismiss him first from his post, as a person who has neglected the Company's service. The Honorable Crijtsman ordered to report his actions to Galle and not directly to Colombo, except in matters that brook no delay; approved the appointment of some headmen; ordered to have a certain arrear settled, and to investigate how many chenas have been cleared and whether harm has been done thereby to the cinnamon culture. The Honorable Crijtsman, on the complaint of the head of the Mahabadde, ordered promptly to provide the necessary carriers and vessels for collecting cinnamon from the King's land. 17 October The Honorable Crijtsman ordered quietly to seize the cinnamon peelers of the Ruhunubadde who are in Matara and have not paid their tax, and deliver them to their Mohandiram to bring them here. To the Honorable Disava Leembrugge, reproached concerning the patronizing of the widow and daughter of Rajapakse, and concerning the sending of two native headmen to the Lascarins of Malimbada, who demanded the release of their arrested Arachchi, with orders to consult with the Commander and Council at Galle on important matters that can suffer delay. outside fear can happen, and to act in certain ways with the first Vidane and Hunt and Sowing Master Rajapakse, and all other known troublemakers, in particular those who are specified by name in this letter; approved the arrest of some lesser headmen and ordered to have their goods placed under sequestration; authorized to dismiss the headmen in question and appoint others, and ordered to ensure that the Company is compensated for the arrears of certain headmen, to appoint whom he shall judge to be the most faithful and capable. 1758. outside of 1758. N1 7 ditto 8 ditto 16 May 742 6 ditto 2 July 27 ditto 19 pieces Under the Administration of the Honorable Mr. van Eck 29 March To the Honorable Disava De Lij and Captain van den Borne, ordered to restore the people of Malimbada and Kohugoda to their sold lands, which have not yet been paid for by the buyer. To the same, to have the Moors and inhabitants of the Kalutara District who are in the Matara district move to Kalutara in order to be registered in the tombos. 3 April To the same as above. Understood that no cinnamon is to be bought. To provide the inhabitants who work on the fortification with no rice, but only 1½ stivers a day in common salt. To announce to the headmen who do not provide people for this that they cannot remain in service. To the Honorable Disava De Lij, directly to place the Mohandiram of the Ruhunubadde in possession of his accommodation land, and those who lay claim to it must address themselves by petition to the Governor. 7 ditto. To the same, and Captain van den Borne, stating that the said Captain may cross over for a spring tide. 18 ditto. To the Honorable De Lij, to have the monthly account of Artillery Lieutenant Amabert translated by the bookkeeper von Bergheim, and to assign a clerk to the said Lieutenant for the future. Denied the request of the headmen of the Moors for more pay for their people. To the same as above, accompanying three native acts. To the same as above, coolies requisitioned for the return journey of Captain van den Borne. To the same as above. Denied the request of the head of the cinnamon peelers for certain sowing fields; the request of various persons for diverse posts; to nominate someone for Pediya, the head of the washers, and to grant no posts above the rank of Kangany; and furthermore concerning diverse other domestic matters. To the same, kept under advisement a certain request of the Vidane of Katuwana, Oloboduwa, and Kirama; the Company's authority in the conquered lands. To the same. A Moor appointed as receiver and collector of the Company's revenue on tobacco; a Vidane appointed for Katuwana, Kirama, and Oloboduwa, and a Vidane appointed, as well as the chief surgeon as a member of the Landraad. To the same as above. After investigating the matter, to restore the native physician of the cinnamon peelers to possession of the lands taken from him. 1763. 31 ditto 5 ditto 21 ditto 2 June 21 May 1763. - No. 1
Dutch transcription
741 3: d=o 17 25. Septb=r 6e: Maij 23. April 2:' Maert Aan den zelven gelast onderzoek te doen na de begaane extorsien door den Modliaer De Caram„ bij zijn aanweezen te Mature; en ook alles in 't werk te stellen, om tijdig de kanneel uijt skonings land te laaten ophaalen en na Gale te bezorgen. Aan den zelven berigt gevorderd wegens de nader voorkomende beweegingen in de Belligam Corle„ met qualificatie, om daertegen en voorts tegen alle andere bewegingen, daadelijk middelen in 't werk te stellen tot tegengang van tesamenrottingen en disobediënte akties. Aan den zelven gezonden de Lijsten van de gemaakte warderingen door den heer Samlant onder de Jnlandsche hoofden; en gelast de geleverde kanneel met een sloep na Gale te zenden D'E Crijtsman gelast, de kanneel die de sloep niet mogte hebben kunnen inneemen„ met Moorsche koelies en andere Laage geslagten, over land na Gale te bezorgen 13 April DE Crijtsman gelast de twee randjest Lasforijns van Malimande en het eene randje van Koongelle, met hunne Mohan„ dirams, Arraatjes en kangaens, die bij alle opstonden uijtgemunt hebben zoo dra de omstandigheeden het gedoogen, te doen laij den kop vatten en na Gale zenden daer van niet meer Aanhoudende dan D'E Crijtsman, gequalificeerd om tot faciliteering van van de Executie der order nopens Rajepakse, hem eerst van zijne bediening aftesetten, als een persoon die 'sComp:s dienst heeft verwaerloosd. DE: Crijtsman gelast van zijne verrigtingen verslag te doen na Gale, en niet direkt na kolombo, ten zij in zaaken die geen uijtstel kunnen leiden geapprobeerd de aanstelling van eenige hoofden gelast zeker agter stal te doen vereffenen, en onderzoek te doen hoe veel Chenaser gekapt zijn en of daer door aan de kanneel Culture schade toegebragt is. DE: Crijtsman, op de klagte van het hoofd der Mahabadde, gelast ten eersten de nodige draagers en vaartuijgen tebezorgen, ter afhaal van kanneel uijt 'skonings Land. 17 october DE: Crijtsman gelast de kanneel schillers van de Roenebadde, die zich te Mature bevinden en hun taks niet hebben opgebragt, in stilte te doen opvatten en leeveren aan hun Mohandiram, om dit heen te brengen. Aan den E: Dessave Leembrugge. gereprocheerd ons het patroniceeren van de wed: en dogter buijten bedugting geschieden kan, en in zeker wegen te handelen met den eersten Bitmeraale en Jaag en Zaaijmeester Rajepakse, en alle andere bekende kwaadstokers, in zonder„ „heid die bij deezen brief nominatim worden opgegeven. goedgekeurd het arresteeren van eenige mindere hoofden en gelast hunne goederen in sequestratie te doen neemen ge„ qualificeerd om indagte hoofden af en andere aantestellen, en gelast om te zorgen dat de Comp: schadeloos word gesteld wegens de agterstallen van zekere hoofden. aantestellen als hij de introudste en bekwaar 1758. „ste zal oordeelen buijten van 1758. N1 7:' d=o 8. d=o 16 Maij 742 6. do 2. Julij 27. d=o van Rajepakse, en over het zenden van twee Jnlandsche hoofden aan de lastrorijns van Ma„ limenda, die het ontslag van hun gearresteerde arraatje Eijschten, met last om over aangeleegene zaaken, die uijtstel kunnen vielen met den Comman„ „deur en Raad te Gale te raadpleegen. 19. stuks Onder de Regering van den Edelen Heer van Eck 29. Maart Aan den E Dessave DeLij en den Capitein van den Borne gelast om de volkeren van Malimande en koongelle te herstellen in hunne verkogte Landerijen, die door de koper nog niet zijn betaeld Aan dezelven. De Mooren en Jnwoonders van het kaltureesch Distrikt, die zich in het Matureesch bevinden, te laaten Jntrekken na kaltere om bij de tombo beschreeven te worden. 3: April Aan als Vooren. Verstaen geen kanneel in te koo„ „pen. Aan de Jngezeetenen, die aan de fortificatie arbeiden, geen rijst maer alleen 1½ stv:s 'sdaags in 't gewoone zout te verstrekken. De hoofden, die geen volk daer toe bezorgen aantekondigen dat ze dan niet in dienst kunnen blijven Aan dE Dessave DeLij De Mohandiram van de Roenebadde direkt te stellen en het bezit van zijn akkommodessan, en die daer op pretentie maaken, moeten zich bij requeste aan den heer Gouverneur addresseeren. 7 do. Aan den zelven, en den kapitein van Den Borne„ houdende, dat gem: Capitein voor een springtoof mag overkomen 18. d–o. Aan den E: De Lij. De Maand reekening van den Arthillerie Luijtenant Amabert, door Aan als Vooren ten geleide van drie Jnlandsche acten. Aan als Vooren koelies gerequireerd tot de te rug rijse van den Capitein van den Borne. Aan als even. Het verzoek van het hoofd der geneweis om zekere zaeivelden ontzegd het verzoek van verscheide perzoonen om diversche bedieningen jemand voorte draagen tot Pedia 't hoofd der wassers en geene bedieningen te vergeven, boven de qualiteit van hangaen en voorts over diversche andere huijselijke bestellingen. Aan denzelven zeker verzoek van den Vidae„ van katoene, oedebokke en Kreeme in advies gehouden 'sComp:s gezag in de geconquesteerde Aan den zelven. Een Moor aangesteld tot ontfanger en Collecteur van sComp:s geregtigh=d van de Tabak Een vidaen Aangesteld voor kattoene, kreeme en oedebokke, en Een Bitme„ „raale aangesteld, zoo meede de oppermeester tot Lid van den Landraad. Aan als vooren Den geneesmeester der kan„ neel schillers, na onderzoek van zaak, te herstellen 't bezit van zijne hem ontno„ mene Landerijen den boekhouder von Bergheim te laaten Translaateuren, en aan gem: liutenant voor het vervolg een pennist toetevoegen. Het verzoek van de hoofden der Mooren, om meerder betaaling voor hun volk, ontzegd. den Landen 1763. 31:' d=o 5. d=os. 21. d=o 2. Junij „ 21. Maij 1763. - No. 1