Inventory 3974
Coromandel / Bengal · 1,128 pages · 216 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
247 1350 lbs or 56¼ maunds of cloves cost according to the Company's price at pagodas 26. 6. — per maund or pagodas 176. 18. 108 225 lbs or 9 3/8 maunds of nutmegs, likewise according to Company's price at pagodas 37. 12. per maund, or 357. 13. 40 135 lbs or 5 5/8 maunds of mace at pagodas 50 per maund, 281. 6. – Together, pagodas 2109. 9. - This is according to the two annexed orders dated August 7, 1789, upon an urgent remonstrance made by me to Mr. Iadama at the taking possession of my warehouse, that it was less justifiable to sell the spices according to the proportion specified by Their High Excellencies. 1350 lbs or 56¼ maunds of cloves cost according to the private selling price pagodas 20 per maund or pagodas 1125. —. — 225 lbs or 9 3/8 maunds of nutmegs, likewise according to the private price, pagodas 86. — per maund, or 806. 6. -. 135 lbs or 5 5/8 maunds of mace, ditto, at pagodas 205 per maund, 1153. 3. -. In total, pagodas 3084. 9. -. This is the market price of the months of July and August in Madras, when most ships of the English depart for China; now it must also be noted that the buyer gains 12 percent by the Madras weight. N.B. If one had proceeded according to the proportion and order of the Company, what profits would that not have yielded, as for example on the above-mentioned 1350 lbs of cloves the buyers would have had to receive 450 lbs of nutmegs, and 168¾ lbs of mace. This now calculated according to the just-mentioned market price will yield as is demonstrated here speculatively: 1350 lbs or 56¼ maunds of cloves, pagodas 1125. –. –. 450 lbs or 18¾ maunds of nutmegs, 1612. 12. -. 168¾ lbs or 7 maunds of mace, 1435. —. —. Together, pagodas 4172. 12. — Thus done in Fort Geldria, December 9, 1790. (was signed:) W. N. G. van Bijland. Agreed, A. Formieuk, J. & sw Clercq. 248 V: 1. To the Honorable Jacob Eilbracht, Senior Merchant and Governor of the Coromandel Government and its dependencies, etc., etc. Honorable and Commanding Sir, The humble undersigned having been handed by Your Honor a document entitled Extract from a writing of the merchant Van Bijland serving as his defense, dated December 20, 1790, with orders to answer to it. The same treats of the ocular inspection conducted in the Hospital on September 21, 1789, by the gentlemen Van Bijland, De Raeff, Brouwer, and Bloeme, at that time members of the Coromandel Council, as well as of the report made by the now last-mentioned gentlemen concerning the findings of the commission entrusted to them, which report seems to have been contradicted by the merchant Van Bijland, as he says he has already presented his objections on this to Their High Excellencies by saying: that he was at the head of that commission, and had found a reasonably good house of 5 to 6 pagodas rent, which is entered in the books for 12 pagodas per month. Regarding the superiority which the said merchant Van Bijland presumptuously usurps, the humble petitioner will not enlarge upon it, as this was already with reason disputed with him in the year 1789. But concerning the affair of the house, he finds himself obliged to inform Your Honor that that reasonably good house, which is appraised by the said Van Bijland at 5 to 6 pagodas in monthly rent, costs 8 pagodas in rent, and that the remaining 4 pagodas were granted to the undersigned by the deceased Honorable Mr. Blaaukamer, because he had assigned the chief surgeon's dwelling in the castle to the then pay bookkeeper Simon Duijnevelt, and since the petitioner thus had neither house rent nor a house on the Company's behalf, those remaining 4 pagodas were granted to him as compensation for the heavy house rent amounting to 12 pagodas per month, which he is obliged to pay. Yet he wonders greatly that Mr. Van Bijland shows himself to be such a great zealot for the Honorable Company 249 Company, by carping at such a small sum of 4 pagodas, without thinking of the costs of a line at Nagapatnam in his time as land surveyor, and what he, according to general opinion, likely made on the side there. That there was not, or still is not, a pharmacy in the hospital agrees with the truth, but that this could constitute an article of grievance against the undersigned, as Van Bijland out of ignorance seems to wish to denote, is completely erroneous; a man who imagines himself to be so thoroughly versed in the affairs of the Company, and always wishes to pronounce judgments in other matters, like the merchant Van Bijland, should surely not be ignorant of the fact that the chief surgeon is obliged to purchase the medicines provided in the Company's hospital from the Honorable Company at an advance of 75 percent, and that the pharmacy is therefore not the Company's, but his own private property, and that full direction over it belongs to him, without his being obliged to allow his subordinates to dispose of it at will, as the intention of the merchant Van Bijland, inspired in him by his client, the assistant surgeon Roge, seems to indicate. Notwithstanding these reasons, there was in this hospital no suitable
Dutch transcription
247 1350. l:s of 56:4 mon gatioffel Nagulen kost na de Comp:s . prijs â p a/o 26. 6. —. de mau of pr 176. 18. 108 d=o Nooten muschaaten, meede vol„ 93/3 gens Comp:s prijs à p a/o 37: 12. de Mau, of - - - - - - - - - - - - „ 357. 13. 40 „ foelij of Macis à de Man pag: 50 - _ _ – – – – – – – – „ 281. 6. – Te Zamen. - - - - - - pa„/o 2109. 9. - Dit is volgens de twee geannexeerde ordonnantien in E dato 7. e Aug„s 1789: op een instantelijke remonstrantien door myj aan de heer Iadama gedaan by het aanvaarding van mijn pakhuyjs, dat het minner 't veraatwoorden wes, om volgens de opgegeevene proporatie van Hun„ ne Hoog Edelheedens de speceryen te verkoopen 1350. lb of 56¼. mau garioffel nagulen kost volgens par„ ticuliere verkoops prijs pag: 20. de maie of pa/o 125. —. — „ of 9 3/8 mau nooten muschaaten meede volgens particuliere prijs pra/o 86: — de mau of - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ 806. 6. -. of 5 5/8 Mau foely of macis ad Idem pr/:o 205 de mau - - - - - - - - - - - „ 1153. 3. -. „ In het geheel . - - - - - pag: 3084. 9: -. Dit is de mark prijs van de maand Iulij en Aug=s 135. „ 225. op 703. 3. — Voot . op Madria, wanneer de meeste, scheepen, der Engelschan naar China vertrekken, nu moet nog opgemerkt wor„ den dat den kooper 12. ten hondert bij 't Madras ge„ wigt wint AB: Als men nu te werk gegaan was na de proportie en order van de Compagnie, wat zoude dan de voor„ deelen niet hebben op gegeeven, als per Exempel op de bo„ ven genoemde 1350. lb: Nagulen hadden de koopers moe„ ten ontvangen 450. lb. nooten, en 168¾. lb: foelij. dit nu gesteld volgens de evengemelde marks prijs zal uijtleeveren als speculatief hier aangetoond word. 1350. lb: of 56¼. mau garioffel nagulen. . . . p a/o 1125. –. –. 450. „ „ 18¾ „ Pooten - - - - - - - - „ 1612. 12. -. „ 1435: —. —. foelij - - - - - -- 168. „ Aldus gedaan In het fort Geldria den 9e december 1790. (:was getekend:) W: N: G: van Bij„ land. „Te zamen - - - - - - - - pa/o 4172. 12. — Accordtier d AFormieuk J& sw Clercq. „ 7. . - - „ 248 V: 1. Aan den welEdelen Agtbaren Heer Jacob Eilbracht opperkoopman, en Gezaghebber van het Cormandelsche Gouvernement met den resorte van dien N: &: Wel Edele Achtbaere, en Gebiedende Heer Aan den Eerbiedigen tekenaar door uwel Edele Achtbare ter hand gesteld zijnde, een geschrift getituleerd Extract uijt een geschrift van den koopman van Bijland dienende tot zijne ver„ antwoording, gedtateerd 20. december. 1790. , met last om zig daar op te verantwoorden Het zelve handelt wegens de gedaane occulai„ re Inspectie in het Hospitaal of den 21. Sepptember 1789. door de heeren van Bijland, de Raeff, Brouwer en Bloeme, des tijds lieden van den Chormandelsche raad, mitsgaders wegens het gedane rapport door de nu laastgemelde Heeren, wegens de Bevinding der hun opgedragene Commissie, welk rapport door den koopman van Bijland tegen ge„ sprooken schijnt te zijn, alzoo zij zegt zyne beswaaren steben wot „ ge„ rtie dit zal word. 25. 12. 12. -. 35. —. —. 72. 12. — den 9e: Bij„ Clercq. —. — moe„ bo„ voor La. O beswaaren hier over Hun Hoog Edelheedens reeds te hebben voorgedragen, door te zeggen: dat Hij aan 't hoofd dier commissie was, en bevonden had een reedelijk goed huijs van 5. â 6. pag: huur 't geen 's maands voor 12. pagoden bij de boeken word, opgebracht Belangende de supperioriteijt, welke gemelde koopman van Bijland zig verwaandelijk usurpeerd, zal den submissen vertoonen zig niet elargeeren, al„ zoo hem dit al in het Iaar 1789 met reeden betwist is dan omtrend de affaire van het huijs, vind Hij zig verpligt uwel Edele Achtbare te dienen, dat dat reedelijk goed huijs, 't welk door gemelde van Bij„ land voor 5. â 6. pagoden aan huur 's maands getaxeerd word pp 8. huur doet, en dat de overige pag: 4. den tekenaar zijn, toegevoegd door den over ledene Agtbaren Heer Blaaukamer, also hij des opperchirurgijns wooning in het kasteels hadde toegeweesen aan den dies tijds soldij boekhouder Simon Duijnevelt, en dewijl den vertoonder dut„ geen huijshuur nog huijs Comp:s weegen had, wierden 8 6 hem die overige 4. pag: ter gemoed koming van de swaare huijshuur tot p/o 12. 'smaands, wel„ ke hij verpligt is te betaalen, toegelegt dan hij verwondert zig zeer dat zig de heer van Bijland hier zoo een groot ijveraar voor d'E: Compagnie. I 6 249 Compagnie betoond, door witten op zulk een 6 geringe som van 4. pagoden, zonder te denken op 't kostende van eene Linie te Nagapatnam; 61 in zijn tijd als Landmeeter, en wat hij daar bij na 1 het algemeen gevoelen wel agter om heeft gehaalt. Dat in het hospitaal geen Apotheek is geweest, te of nog is, quadreert met de waarheijd, dog dat dit een articul van beswaar tegens den tekenaar zoude kunnen uijtmaaken, gelijk van Bijland door onkunde schijnt te willen denoteeren, is gansch abusief, een man die zig zoo door kneed verbeeld te zijn in de affaire van de Compagnie, in andere zaaken althoos sententen wil spreeken, gelijk den koopman van Bijland, moestimmers niet on„ kundig zijn, dat de opperchirurgijn de medicijnen, die in sComp:s hospitaal verstrekt werden, verpligt is van d' Ed: Comp:e te koopen met een Advans van 75. p:r C:o, en dat dus de apotheek met 'sComp:s maar particulier in zijn eijgen is, en dus hem daar over de volle directie toekomt, zonder dat hij verpligt kan worden om zijn suppoosten daar over na„ welgevallen te laaten disponeeren, gelijk de in„ tentie van den koopman van Bijland hem door zijn cleent, den ondermeester Roge geinspireerd, schijnd aante toonen, ongelagt deeze reedenen, zoo was 'er in dit Hospitaal geen Convenable. s vo vonden a n , dat wel„ heer. dE.
English
Suitable place for the establishment of a dispensary. Furthermore, the merchant van Bijland sees fit to say that you had neither spices nor anything at hand that could serve for the refreshment of those poor sick people. To this, the humble undersigned has the honor to reply that neither the gentleman van Bijland nor any of the other Gentlemen Inspectors asked for spices on that occasion; nor, in my opinion, was it appropriate, as it is something belonging to the dispensary and the dietary provisions, which is also supplied so sparingly to the Hospital by the Honorable Company that it is insufficient, consisting in all of the following articles for one year: 1 lb nutmeg 1 ½ lb mace ½ lb cloves 12 lb pepper Thus, there are great reasons why spices cannot be wasted in such a manner as the assistant master Rogje would wish to happen, which he nevertheless thought to bring about to his liking through instigation to the merchant van Bijland, because the undersigned watched too carefully to ensure that they were not consumed uselessly. Also, there was [illegible] of van Bijland (provided for refreshment for the sick); this is again a piece of ignorance, of slander or malicious instigation. For if the merchant van Bijland had paid attention with his usual acuity to the answers which some sick persons gave him to the questions posed to them, namely whether they were properly provided with food and medicines, he must have been convinced that they were in no way neglected, since they admitted to receiving more than the Honorable Company allotted to them. And this I need not prove with a great flourish of words; I merely submit for your Honorable Worships' consideration how far 36 jugs of sack wine can reach in a year, and yet the sick have lacked no refreshment, since in the year 1789 I provided them with 160 bottles, and in 1790 with 145 bottles of red wine from my own stock, which the doorkeeper and other servants of the Hospital who carried out the distribution can testify to if required. And to avoid a vexatious remark here, the respectful petitioner finds himself obliged to advance that there were several persons suffering from dysentery in the hospital to whom one could give no sack, over and above that tea [illegible] was brought, who was nevertheless cured and sent to Batavia on the ship Horssen in the past year. The second was the boatswain's mate of the ship Horssen, named Meijdert Sjoerds, who suffered terribly from the contagion and who had no patience until he could be completely cured, which necessity however taught him in due course, so that he also recovered, performed his duty on shore, and departed for Batavia with Horssen in the past year. Furthermore, the merchant van Bijland continues: "I persist in the note that I saw more dead carried out than walking out healthy." A most grievous expression, so damaging to the reputation of the submissive undersigned that he considers it his most bounden duty to refute this absurd, slanderous language with clear proofs to the contrary. According to the Hospital's book, which agrees with the pay books and ship's muster rolls, 22 persons from the ship Horssen were successively brought into the Hospital in the year 1789, of whom one was carried in dead. Of the remaining 21 persons, four passed away, of whom two, being a quartermaster and a sailor, were transferred to the hospital after having suffered severely from diarrhea for 10 days already. They lodged on the beach in the coopers' tent and performed service ashore in the weighing out and carrying up of the cargo of the ship Horssen. When they came into the Hospital, I found from the dreadful pains which those people endured that their intestines (the bowels) were inflamed in the most frightful manner. I employed all humanly possible remedies, but in vain, and these had to pay for it with their lives. Nevertheless, of the 17 who lay sick in the Hospital, the people from the ship Horssen in the year 89 walked out healthier, and 5 dead were carried out, entirely contrary to the assertion of the merchant van Bijland. The private ship de Orange Zaal arrived in the roads here in a desolate condition in the late part of the year 1789, and had 6 sick. The Captain requested to be allowed to lodge and treat these people in the hospital, which being granted, all six walked out healthy, and not one was carried out dead. In the past year 1790, 10 persons were brought ashore from the ship Horssen, of whom two passed away and 8 left in better health. From the two frigates of war, the Hawick and Zephyr, 7 sick were brought into the hospital, all 7 of whom walked out healthy. From what has been cited it is evident that thus, out of 45 sick brought to the Hospital from various ships, no more than 7 have died, including the one who was brought in dead, and that 38 walked out healthy. And by this demonstration the undersigned stands firmly on the grounds of the reasons alleged above, while the merchant van Bijland, to substantiate his position, knows how to produce no other authority than his persistence in the most absurd absurdity. Just as his gibberish has already been demonstrated, of the same value is his appeal to the whole of Palliakatta to claim that no one would place any trust in the undersigned. The undersigned would take this saying very much to heart, were it not that even the witnesses upon whom the gentleman van Bijland relies would not only sign the contrary of his slanderous accusation, but would generally sign that a similar character to his could possibly
Dutch transcription
Convenable plaats tot opsetting van een Apotheek Verders vind den koopman van Bijland goed te zeggen: dat u nog specerijen, nog iets dat tot las„ ving van die armen zieken kon strecken voor han„ den was; Hier op heeft den nedrigen tekenaar de eede te dienen, dat nog de heer van Bijland nog iemand der overige Heeren Inspecteurs bij die gelegenheijd na specerijen gevraagd hebben, ook kwam het /:mijnes bedunkens:/ niet te pas„ als iets, zijnde dat in de Apotheek, en in de Pijsen gehoord, dat ook zoo schaars aan het Hospitaal. door d' E: Comp:e word verstrekt, dat het niet toek rijkende is, bestaande in alles in de volgende Ar„ ticulen voor een Iaar 1. lb: Nooten 1:½. „ foelij —½. „ Nagulen 12. „ Peepper Dus zijn er. groote reeden, dat met de specerijen niet zodanig kan worden gemorst, als de onder„ meester Rogje wel wenschte dat geschieden her het geen hij egter door instigatie aan den koopman van Bijland zodanig na zijn sin dagt te krijgen, alzoo den tekenaar te zorgvuldig gade sloeg, dat zij niet nutteloos verbruijkt wierden Ook was en /:rzigt van Bijland (mits tot laving voor 250 voor de zeiken te vinden, dit is weer een stuk van on„ kunde, van laster of kwaade instigatie, want zoo de koopman van Bijland met zijne gewoone scherp, heijd gelet had op de antwoorden, welke sommige zieken hem gedaan hebben, op de hem voorgestelde vraagen, of namentlijk hun behoorlijk voedzel en medicamenten toegereikt wierden, moesten hij overluijgt zijn ge„ weest, dat hun mergens in te kort gedaan is, alzoo zij bekenden meer te genieten, dan hun de Ed: Comp: toeleij, en dit behoef ik met geen groote omswaai van woorden te bewijsen, enkel. geef ik uwel Edele Achtbare in consideratie, hoe ver 36. kannen secq wijn in een Iaar kunnen toerijken en egter heeft het den zieken aangeen verkwicking ontbrooken, al zoo in het Iaar 1789, 160., en 1790. 145. bottels roo„ de wijn uijt mijn eijgen voorraad aan hun ver„ strekt heb, 't geen de portier en verdere bedien„ dens van het Hospitaal, die de uijtreijking ge„ daan hebben, des gerequireerd werdende kunnen getuijgen . En om hier een Chicaneuse remarque te evitee„ ren, vind den Eerbiedigen vertoonen zig verpligt hier omtrend te avanceeren, dat 'er diverse aan een dijsenterie laboreerende persoonen in het hospitaal bevonden wierden, die men geen 8 secq konde geeven, buijten en behalven dat er thee k d ing gebracht wierd, welke egter geneesen, en na bata„ via met het schip Horssen in het gepasseerde Iaar gezonden is -. de tweede was de bootsmans maat van het schip Horssen in name Meijdert Sjoerds, die op eene geweldige wijse aan de besmetting laboreerde, en die geen geduld hadde tot hij volkomen konde worden geneezen, 't geen de nood hem egter in 't vervolg leerde, zoo dat hij ook hersteld, aan de wal zijn dienst verrigt, en in het gepasseerde Iaar met Hoassen na Batavia vertrokken is- Verder /:gaat den koopman van Bijland „voort:/ blijf ik volharden bij de aanteekening „dat ik en meer dooden heb sien uijtdraagen, als „gezond uijtwandelen Een aller grievenste Eij„ presse soo leederend voor de reputatie van den submissen tekenaar, dat Hij zig in de noodzake„ lijkste verpligting agt deeze absurde lastea taal. met klaare bewijzen van het tegendeel te weder„ leggen. Volgens het Hispitaals boek, dat met de soldij boeken en scheep monster rollen accor„ deert, zijn en in het Iaar 1789. van het schip Horssen in het Hospitaal successive. 22. perzoonen gebragt, waar van 'er Een dood ingedraagen is, van de overige 21. persoonen zijn vier overleeden van 252 van welke twee zijnde een quartiermeester, en een mattroos reets 10. dagen sterk aan den afgang ge„ weest zijnde, in het hospitaal overgebragt zijn, zij logeerden aan het staand in de kuijpers tent, en deu„ den dienst aan de wal bij het uijtweegen en opdragen der lading van het schip Horssen; wanneer zij in het Hospitaal kwamen, bevond ik uijt de ijsse„ lijkste pijnen, die die menschen uijtstonden dat Hunnen Ingewanden /:de darmen:/ op een vree„ selijkste wijze geinflameerd waaren; Ik heb alle mensch mogelijke middelen aangewend, dan te vergeefsch, en deeze hebben het met de dood moeten besuuren, egter zijn er. 17 in het Hospitaal. ziik gelegen, hebben de menschen van het schif Horssen in A:o 89. gezonder uijt gewandelt, en 5. dooden 'er uijt gedraagen gantsch Contrarie het geposeerde van den skoopman van Bijland Het particuliere schip de orange zaal kwam in het laast van het Iaar 1789. in een de solaate toestand alhier ter rheede, en hadden 6. zieken, de Capitein deede verzoek deeze menschen in„ het hospitaal te mogen doen logeeren, en Cu„ reeren, 't welk toegestaan zijnde, zijn zij alle zes gezond en uijtgewandeld, en geen een iser dood uijtgedragen. In het afgelegde Iaar 1790 zijn 10. van het schip bat a„ 1 Jaar land den den schip Horssen 10. persoonen zich aan de wal gebracht waar van twee overleeden, en 8. gezonder uijtge„ gaan zijn Van de twee oorlogs fregatten de Hawick en sephin zijn er 7. zieken in het hospitaal gebragt, welke alle 7. er gezond uijtgewandelt zijn. uijt het g'allegueerde Consteert dat dus van 45. zieken van diverse scheepen in het Pospi„ taal gebragt, niet meer dan 7. zijn gestorven, waar onder nog een die er dood ingebragt is, en dat er. 38. gezond, uijtgewandelt zijn, en bij deeze dimonstra tie blijft de tekenaar volharden uijt hoofde van de daar voor geallegueerde reedenen, terwijl den koopman van Bijland tot staving zijner stelling geen andere authoriteit weet te produceeren dan zijne volharding in de absurdste absurditeit. Gelijk zijn wartael die bereeds is aangetoond alsoo of van dezelve valeur is zijn broeff op ge„ heel Palliakatta, om te beweeren dat niemand in den tekenaar eenig betrouwen zoude stellen. den tekenaar zoude zig dit gezegde. zeer ter harte neemen, waare het niet dat zelfs de getuijgen, waar op de heer van Bijland zig beroept, het tegendeel van zijne lasterlijke accusatie niet alleen, maar generaalijk onderteeken zouden dat een zoort gelijk caracter. als het zijne, zig mogelijk
English
brought possibly only seen on Coromandel. Slandering is one of the basest qualities, and in this Mr. van Bijland spares no one; from the highest to the lowest are indeed infamously disparaged by him, and what would one not have to say about Mr. van Bijland, sketching his character for once. But where is the nobleman not known! And what else is to be inferred from what he says about the undersigned than the hallmark of an utter malice! This malice owes its origin to an illness, from which the undersigned healed the aforementioned merchant van Bijland in the year 1781. At that time he trusted the undersigned, and requested him to cure him as soon as possible, regardless of One Hundred pagodas; having quickly regained his health through a strict diet, he was so unhappily short of memory that he forgot the past illness and the payment. When the undersigned in the year 1782 in Madras (where we all were as prisoners of war) approached him when he was in great need of money, he knocked on a deaf man's door; however, in the same year Mr. van Halm, who was van Bijland's authorized agent, was addressed concerning this, and having submitted a bill, his Honor was so good as to settle it. This payment, completely contrary to the noble character of the merchant van Bijland, whose saying usually is that it must be an honor to his creditor that he was indebted to him, alarmed the covetous Count to such an extent that he threatened to make the petitioner pay dearly for it. To this the undersigned also attributes all these hateful insults in this writing of his, which he calls an apology, so lavishly adorned. The merchant van Bijland further continues in these terms: "Who places confidence in him, Meppen! Not van Bijland! Why? Because he demands to be paid and will not fly from his hand. Who wants to use medicines from him, Meppen! Not van Bijland! Why? Because he, as patron of the assistant surgeon Roge, his client, receives the begged medicines from Meppen for God's sake. These are certainly the political reasons why Meppen is summoned, and his medicines are not used. But by whom? By van Bijland! For the undersigned knows no one here who would know how to use such political tricks, nor could give a reason why anyone would summon him, who is chief surgeon, out of political motives, which is entirely contrary to his profession and nature, as he does not possess in politics, or as Mr. van Bijland actually calls it, that degree of skill, and he hopes that Heaven will also protect him from it all his life. Whether there are examples at hand that the assistant surgeon Roge should have restored anyone who was given up by the petitioner, he testifies not to know; however, he must observe that if any such thing had existed, the merchant van Bijland would certainly have produced the name or names of those sick persons, and not have prattled on so vaguely. That the English doctors in Madras allegedly cried vengeance over the treatment of Mr. Stoffenberg has never reached the ears of the undersigned, nor to his knowledge of anyone of this place; thus one must again place this among the calumnies which the merchant van Bijland usually employs instead of arguments; for if any of the English doctors had spoken anything to the detriment of his treatment, Mr. van Bijland would certainly have cited the name; also, whoever had anything to remark upon the treatment of Mr. Stoffenberg could not be declared free of precipitancy, since everyone is obliged to hear both sides, and the undersigned would then have been in a position to vindicate not only his own treatment, but also that of the surgeon-major of the Hanoverian Regiment named Smith; but since the undersigned does not consider himself bound to write a defense regarding this affair, as the statement of the merchant van Bijland does not at all constitute an accusation, but is an exclamation of a confused brain, dashed down in order to give beauty to his manner of writing in a rhetorical way. Further information (he says) Their High Honors received when he (namely the undersigned) was appointed as chief surgeon by Mr. van Vlissingen, etc. For the elucidation of this laconic statement, the humble petitioner considers himself obliged to advance that upon the demise of the chief surgeon of the castle Kalhoven, various applicants aspired to this office. Mr. van Vlissingen considered the undersigned for it
Dutch transcription
253 gebracht mogelijk maar alleen op Chormandel vertoont. Het lasteren is een der gemeenste hoedanigheeden, en daar in onsiet de heer van Bijland niemand, van de meeste tot de monderste worden immers door hem infaam geblameert, en wat zou men van de heer van Bijland niet moeten zeggen, zijn Caracter eens afschetsende. dog waar is den Edelman niet bekend! en wat is er uijt het geen hij van den ondergetekenden zegt, anders afte leenen dan het merk teeken van eene verre kwaa„ digheijd! deeze kwaadaardigheijd is haren oor„ Aprong verschuldigt aan een ziekk, waar van den tekenaar. gem: koopman van Bijland in het Iaar 1781. geneesen heeft, toen vertrouwde Hij den tekenaar, en verzogte hem om hem dog ten spoedigsten ke geneezen, zonder te zien op Een Hon„ dert pagooden; zijne gezondheijd door een strikte diect spoedig verkreegen hebbende, zoo was hij zoo ongeluckig kort van Memorie dat hij in de gepasseerde ziekte, en de betaling vergat Wanneer den Tekenaar hem in den Iaare 1782. Ie Madras /: alwaar wij alle als krijgsgevangene waren wanneer hij zeer in verlegenheijd was om geld aansprak, klopte hij voor een Toemans deur, egter in het zelfde Iaar de heer van Halm, welke van Bijland sijn gemagtigde was, hier over aangesprooken, en eene ree„ kening 3 tge„ n agt, „ and 2ig tie zouden zig „ kening overgegeeven hebbende, was zijn Edele zoo goed, denzelven te voldoen. deeze betaaling gantsch strijdig tegens het adelijk caracter van den koopman van Bijland, wiens gezegde doorgaans is, dat het zijn crediteur een Eer moet zijn dat hij aan hem schuldig was, alar„ meerde den inhaaligen Graaf zodanig dat hij den vertoonen drijgde stet te zullen betaald setten, hier aan schrijf den Tekenaar dan ook toe, alle deeze haatelijke bleedigingen in dit zijn geschrift, dat hij eene verantwoording noemt, zoo opulent ver„ Maijd De koopman van Bijland vervolgd wijders in deeze termen "wie steld vertrouwen in hem Metpen! van Bijland niet, waaroms! om dat hij zig laat betaalen, en niet van zijne hand wil vliegen. wie wil medicijnen van hem Meppen ge„ bruijken! van Bijland niet ! waarom ! om dat hij als patroon van den ondermeester. Roge zijn client, de gebedelde medicijne van Meppen om gods wil krijgel. dit zijn zeekerlijk de poli„ tieke reedenen, waarom Meppen gerbepen word, en zijne medicijne niet gebruijkt worden, maar door wie. ! door van Bijland, want de Teke„ naar kent hier niemant die zulke politieke streeken zoude weeten te gebruijken nog reeden kunnen. 254 kunnen geeven waarom iemand hem, die opper„ chirurgijn is, uijt politicque insigten zouden ont„ beiden, dat gantsch teegen zijn mitie en Im„ borst is, als bezittende in het politique, of zoo als de heer van Bijland het eijgentlijk noemt, die graad van kundigheijd niet, en hij hooft dat den Hemel. hem 'er ook al zijn leeven voor wil. behoeden- of 'er voorbeelden aanhanden zijn, dat de on„ dermeester Roge iemand zoude hersteld hebben„ die door den vertoonen zoude opgegeeven zijn, be„ tuijgd hij niet te weeten, egter moet hij remarqueeren dat zoo iets diergelijks geexteerd was, den koopman van Bijland de naam of naamen dier sieken, wel zoude geproduceert, en niet in vago soo wat heen gereuteld hebben. Dat de Engelsche doctors in Madras wraak zoude geroepen hebben over de behandeling van den heer Stoffenberg, is nooijt ka voren van den te„ kenaar nog zijnens weetens van iemand deezer plaatse gekoomen; dus men dit weder moet zetten onder Calumnen, waar van den koopman van Bijland zig doorgaans bediend in plaats van Argumenten, want zoo er al iemand van de En„ gelsche doctoren iets ten nadeele zijner behan„ deling mogte gesprooken hebben, zoude de heer van zoo adelijk d t ver„ dat e as R ge- „ ke n van Bijland de naam wel geciteerd hebben, ook zoude die geene welke iets op de behandeling van de heer Stoffenberg, te remarcqueeren had gehad, niet, kan worden vrij gekend van precipitantie, alsoo een ieder verpligt is te hooren en weder hooren, en den teke„ naar als dan in staat zoude geweest zijn, niet alleen zijne behandeling, maar die der chirurgijn majoor van het Hannoviresche Regiment genaamt Smith te wettigen; dan dewijl den tekenaar zig niet gehouden agt over deeze affaire eene verdeediging te schrijven, alsoo het gesegde van den koopman van Bijland net alles een beschuldiging aan„ markt, maar als eene Exclamatie van verwarde Herssenen, ter neder geflenst, om op eene rethori„ sche manier fraaijheijd aan zijne wijze van schrijven te geeven. Nader onderrigting /:zegt hij :/ hebben Hunne Hoog Edelheedens ontvangen toen hij /: den teke„ „ maar namentlijk: als oppermeester door de heer „ van vlissingen aangesteld wierd &:a Tot Elucidatie van dit Laconicq gezegde agt den nedrigen vertoonen zig verpligt te moeten avan„ ceeren, dat door het overlijden van den opper„ chirurgijn van het kasteel kalhoven en diverse sollicitanten deeze bediening Ambieerden De heer vern Vlissingen agtedte de kekenaar daar
English
and also would be the most entitled to it, as he was at that time chief surgeon of the outer city, and had already served for the period of 18 years in the hospital in various capacities, for which reason the subscriber was appointed upon the approval of Their High Nobles, who were pleased to see fit to approve this appointment. The other applicants were simultaneously permitted to address themselves by petition, but with less success than the subscriber, as has just been said. Among the petitions sent over was one paper written in Roman printed letters, containing several slanders against the petitioner, the accompanying letter being signed with the false name N: Drigoor; but Their High Nobles having read this libel with contempt, without returning the same to the Lord of Vlissingen; the instigator, who paid the writer for this service page 50, has already gone down to the grave, but the writer still lives. This is now that weighty argument, this is now that very powerful petition, from which Their High Nobles were supposedly to have obtained further information regarding the person of the subscriber; a nameless and defamatory writing which the merchant Van Bijland seeks to hawk to Your Right Honourable, as proof that the petitioner had supposedly become known in such manner as was described in that writing. Indeed, he who is accustomed to occupy himself with the dissemination of pasquils and libels usually seeks to lend weight to such writings, so that his own may also be regarded as valid. Permit me, Right Honourable Sir, to remark upon all this, that whereas I presume, under correction, to have refuted all his accusations as false and unfounded, it is clear as day from all this that the merchant Van Bijland is an individual who breathes nothing but revenge and slander at the slightest opposition to his system, and that is, to rule arbitrarily over great and small, to call his misdeeds virtues, of which likewise so many have been proven with evidence, and to persecute to the gates of hell, as he says, those who oppose his wicked and hateful schemes. How hard and grievous must it not appear to someone with a pure conscience to see himself burdened, and that by an individual infected with the greatest vices and guilty of various misdeeds, and what is more, to have to defend himself against a web of injustices, which aims at nothing other than to ruin his fellow man and plunge him into misfortune, in which he has already fairly well succeeded, and hopes to succeed even further: the end will bear the burden, and the subscriber will watch with attention how Divine Providence, which after all governs everything and sets the wicked on slippery places, will make all this turn out for the best of the pious. Herewith the respectful petitioner hopes to have answered this paper sufficiently, wherefore, concluding, he has the honour to subscribe himself with all respect, it was undersigned, Right Honourable and Commanding Sir, Your Right Honourable's very humble and obedient servant, was signed, P: DH: Meppen, in the margin, Pallegcatta the 6th of February 1791. Agreed, J Formeuk First Clerk Extract from a letter written to the Coromandel Government by the Chief of Sadras Willem Hendrik van Bijland, dated the 31st of October 1785. I offer herewith to Your Right Honourable 5 sample pieces of bleached and dark blue linens, which are of such assortments according to which, pursuant to the given assurances of the merchants here at the office, a collection for the Honourable Company has always been made. The merchants have stated the usual prices for each assortment, as Your Right Honourable will clearly see, if it pleases you, from the accompanying note. However, the said merchants very humbly petition Your Right Honourable to grant an increase of 3 pagodas on the bleached linens, and 5 pagodas per pack on the dark blue linens, for the reason that Sadras is presently so depopulated, not only because of the unfortunate war but also through great mortality and otherwise, and therefore no washers, beaters, dyers etcetera are to be found in the village, which I do not doubt Your Right Honourable will have already been informed of through received reports, and if a contracting of linens for the Company were to take place here, as
Dutch transcription
255 n, ook daar toe het meest geregtigd k: zijn, alsoo des tijds opperchirurgijn van de buijten stad was, en reeds de tijd van 18. Iaaren in het hospitaal in diverse qualiteijten dienst gedaan had, waarom den teke„ naar op approbatie van Hun Hoog Edelheedens is aangesteld, welke geliefden goed te vinden deeze Aanstelling te approbeeren. De overige sollicitanten wierd teffens vergunt bij request zig te mogen addresseeren, dog met minder succes als den tekenaar, gelijk zoo eeven gezegd is —. Onder de overgezondene requesten was éen met romijnsche gedrukte letters geschreeven papier, inhoudende eenige lasteringen tegens den vertoonder, zijnde de geleijde brief ondergeschree„ ven met de valsche naam N: Drigoor; dan Huw Hoog Edelheedens dit Lebel, met verag„ ting geleezen hebbende, zonder het zelve aan den heer van Vlissingen te rug; de overstellen, die aan den schrijver voor deeze dienst Pag: 50. betaald heeft, is reets ten graave gedaald, dog de schrijver. teeft nog dit is nu dat swaarwigtig Argument, dit is nu dat veel vermogend Request, waar uijt Hun Hoog Edelheedens nader onderrigting om„ terd den perzoon van den Tekenaar zoude gekreegen van 00 ieder de rgijn in't zig deeeliging Koopman g aan„ de hori„ re Hu ne: e agt 7 d kenaar den. se „ van„ den Chiru gekreegen hebben, een naamloos, en eer roovend geschrijf zoekt den koopman van Bijland bij uwelEdele Agtbare uijt te venten, als een bewijs dat den ver„ toonen bekend zoude hebben doen worden zodanig als bij dat geschrift getekend stond. Trouwens die gewoon is zig met het divulgee„ ren van Pasquillen en lasterschriften beezig te hou„ den, zoekt doorgaans dergelijke schriften Caidit bij te zetten, of dat ook de zijne voor valable mogen gehouden worden. Permitteerd mij welEdele Agtbare Heer. /of dit alles nog te mogen remarqueeren, dat daar ik /:onder. Correctie:/ vermeene alle zijne accusatien als valsch en ongefundeert wederlegt te hebben, uijt dit alles middagklaar consteert, dat den koopman van Bijland een subject is, dat niets als wraak, en laster adtemt over de mindste te„ genstant tegen zijn Lijsthema, en dat is, over groot en kleijn eijgendunckelijk te heerschen, zijne ondaden deugden te heiten, waar van Htem soo veele met bewijsen geprobeerd zijn, en die zijne ondeugende en hatelijke projecten tegenstaan tot de poorten der Helle /:zoo als hij zegt:/ te vervolgen.. Hoe hart en grievend moet het imand van een zuijver geweeten dan niet voorkomen, zig belastend te. 256 te zien, en dat van een voorwerf met de grootste on„ deugden besmet, en aan diverse Enveldaaden schul„ dig, en dat meer is, zig te moeten verantwoorden tegen een samenstelsel van ongeregtigheeden, die niets anders tragt, dan zijn meede mensch te ruineeren, en in ongelucken te storten, waar in hij al reedelijk is geslaagd, en nog verder hooft ke slagen: Van het Eijnde zal de Last dragen, en den Tekenaar zal met aandagt letten, hoeda„ 6 nig de Goddelijke voorzienigheijd, die dog alles besteerd, en de goddelooze of gladde plaatsen set, dat alles ten besten der vroomen zal doen gedeijen- Hier meede hooft den Eerbiedigen vertoonen. dit papier genoegdoende te hebben beantwoord, waarom eijndigende, de eere heeft zig met alle Eerbied te onderschrijven /:onderstond:/ wel Edele Agtbare en Gebiedende Heer; uwelEdele Agtb:s Zeer. onder„ „danige en gehoorsame Dienaar /:was getekend:/ P: DH: Meppen /:in margine:/ Pallegcatta den 6. februarij 1791. Accordeerd J Formeuk Seher Clrck geschrijft den zodanig ver„ vulgee„ ig hou¬ ble belastend te 257 Ik biede uwelEdele Achtbare nevens deezen aan 5. stux monsters van gebleke, en bruijn blaauwe lijwaaten, die van So„ danige Portementen zijn, waar na men althoos ingevolge de „gegrevene verseekeringen van de kooplieden hier ten comptoire een insaam voor d'E: Maatschappij gedaan heeft. De kooplieden hebben de gewoone prijsen van ider sor tement opgegeven, gelijk uwel Edele Agtb:s des behagende uijt de hier bij versellende notitie klaarlijk zien zullen - Dog gedagte kooplieden solliciteeren uwel Edele Agtb: zeer nedriglijk om een augmentatie op de gebleekte lijwaaten van„ 3. pagoden, en op de bruijn blaauwe 5. pagoden per pak toe„ te vorgen om reeden der Sadras niet alleen door den onge„ luckigen Oorlog maar ook door groote sterftens als ander„ sints thans sadanig ontvolkt is, en dus geen wasschers, kloppers, verwers &a, in 't dorp te vinden zijn, het geen ik niet en twijffe, le of uwel Edele Agtbares sullen meede door verkreegene raporten hier van reets geinformeert zijn, en wanneer een aanbesteeding van Lijwaaten voor de Compagnie hier plaats mogte hebben, soo Extract uijt een brief geschreven aan de Cormandelsche Regeering door het opper„ hoofd van Sadras Willem Hendrik van Bijland, onder den 31. Oc„ tober 1785. als 3
English
if the merchants together are also inclined to accept the demand that Your Honorable Worships shall see fit to assign to them, they will then be under the necessity of luring back hither a great part of the aforementioned laborers, who at present have settled at Madras and Pondicherry, through great promises of such an increase in the washing, dyeing, and beating wages, and of putting those poor people to their former work. This request which they, the merchants, propose would not be acceptable to me in good times, but since I am convinced in my conscience how badly this place is situated at present, I have had to accept their request to present it to Your Honorable Worships, in the hope and expectation that Your Honorable Worships will approve their petitions in such manner as Your Honorable Worships shall in any case deem best for the Honorable Company, and also for the repopulation of this place. I assure Your Honorable Worships that when this place becomes somewhat more flourishing through trade, one can then devise other measures and bring everything back to the old footing and custom. In the note now being transmitted, Your Honorable Worships will find that the merchants have indeed stated the prices of all sorts, but not the samples of all, as I had indeed expected from them, since several of them are still lacking, which they promise and have also undertaken to provide as soon as practicable; and in order not to keep waiting for them, I have deemed it best to send provisionally that which has been prepared, so that Your Honorable Worships may take a decision thereon as you please. Extract from a letter written to and by the same as before, dated Sadras, the 19th of December 1785. Concerning the samples, with heartfelt pleasure I shall fulfill Your Honorable Worships' intention by making Your Honorable Worships' displeasure known to those bad bargainers in the most meaningful manner. Far from having allowed them to be slipped into my hand, I have chopped them with the greatest indignation, repeatedly asking, has Sadras gained such a great reputation with such rags, as Your Honorable Worships rightly call them; but it was not up to me to pass judgment thereon, and none of us, after all, had been present here at the delivery. Had I been favored with the Company's demand, which I do not yet have, I would apply other measures, especially if they were specified as to how many threads and caals; but on this occasion I take the liberty of bringing to the attention of Your Honorable Worships that nothing better is to be expected from those brokers. Ramalinga Chetti is an old, decrepit man, who leaves it to the word of others, and especially to Narsimhagundur Balu Chetti, regarding whom I have grave misgivings about entrusting that man in due course with Company money; all his possessions belong at Pondicherry, and he is there more than here; he has a share in the mint there. The third is a good man, innocent and incompetent, and dead poor. These are the three delinquents who, for their first trial after the restoration of the place, have sought to deceive this Council in the most infamous manner. Extract from a letter written to and by the same as above, dated 2 September 1788. After all the trouble taken, I finally find myself in a position to be able to present some samples to the table of Your Honorable Worships. I have not been able to obtain the original sample of the Honorable Company concerning the Guineas, but all the experts, both weavers and merchants, assure me that this first sort of unbleached Guinea far surpasses the sample from before the war, and as to the price, I must say impartially that it is very reasonable, only an increase of 8 star pagodas per bale. The second sort, which really is a Company sample from before the war, which I obtained with very great difficulty to compare with an increase of only 2 star pagodas and 7 gold fanams per bale, and finally the third sort of Guinea with an increase of 2 star pagodas on each bale. Further, I bring to the attention of Your Honorable Worships two sorts of salempores, brown blue; having no sample thereof, I request Your Honorable Worships to observe these, as well as the following, with a careful eye, since they are also below the Company's price: the first sort of salempores, brown blue, per bale Star Pagodas 105. 12 fanams, and the Company's price Star Pagodas 107; the other ditto per bale star pagodas 95. –. –. Concerning the Baftas, brown blue, it has been impossible for me to negotiate them so closely, as they, coming from the Nawab's country, have to pay toll and freight, so that they come to cost star pagodas 108: 12 per bale, and the other star pagodas 89: 12. —, so that if Your Honorable Worships should see fit to make this first and second sort, No. 1 and 2 would amount to a sum of Star Pagodas 198, and the first two numbers of the Honorable Company star pagodas 203. 12, which always proves further in the sorting.
Dutch transcription
als de gezamentlijke kooplieden ook getig zijn, den Eijsch, welke uwel Edele Agtb:s goedvinden zullen aan haar optedragen, te acceptee: ren, als dan zij in de noodsaakelijkheijd zijn zullen om een groot gedeeltens van voorschreeven arbeijdslieden, die voor tegenwoordig op: Madras en Pondicherij zig ter woon neder gezet hebben door groote beloften van een sodanige Augmentatie der wasch, verw en kloploonen weder naar herwaarts aante locken en die arme menschen tot hun voorige werk aantevetten. Dit versoek welk zij kooplieden aanleggen sal bij goede tijden bij mij niet aannee„ melijk zijn, maarwijl ik in gemoede overluggt bin, hoe slagt der 3e plaats voor tegenwoordig gesteld is, soo heb ik hun ver„ soek moeten aanneemen, om aan uwelEd Agtbuerens bij de zeer voortedragen, in hoope en verwagting zijnde, dat uwel Edele Agtb:s ten aanszien van hunne Sollicitatien sodanig Approbee ren, als uwel Edele Agtb:s in allen gevalle ten beste van dE: Maatschappij, en ook toe weder bevolking van deeze plaats sul „len gelieven te oordeelen. Ik versekere uwel Edele Agtbares, dat wanneer deeze plaats door den handel eenig sints florisanter word, men als dan andere maatregulen beraamde, alles weder op den ouden voet in Costume brengen kan Bij de thans overgaande Notitie sullen uwel Ed:e Agtb: vinderen, dat de kooplieden wel de prijsen van alle Forte„ mentin opgegeeven, dog niet de monsters van alle, soo als ik van 258 ijsch, welke Extract uijt een brief geschreeven aan; en door als vooren, gedateert Sadras. den 19:e December 1785. Betreffende de monsters, met innerlijke genoegen sal ik uwel„ Edele Agtb:s intentie voldoen, met die slegte marchandeurs op het significatifstae uwel Edele Agtbare wisnoeg te kennen te geeven. wel verre van mij die in de hand te hebben laaten stoppen met de grootste indignatie heb ik dezelve getjapt, met telkens te vraagen, heeft Sadras met diergelijke vodden /: zoo als uwed Agtb„s dezelve met recht noemt :/ 3oo een groote naum be„ koomen; maar het stont aan mij niet om oordeel daar over te vellen, en nieuand onser was immers hier bij de leverantie geweest, was) ik begunstigd geworden met de Compagnies Eijsch die ik nog niet en heb, zoo souw ik andere maat regulen aan„ wenden, voor al als die gespecificeerd wierden van hoe veele draaden en Caalen: maar bij deeze gelegenheijd neen ik de vrijheijd van uwel Edele Agtb: onder van hun wel verwagt heb, geleverd hebben, als ontbreekende nog ver„ scheijte van dien, welk zij belooven, en ook aangenoomen hebben soo. spoedig doenlijk meede te sullen besorgen, en om niet daar na te blijven wagten, soo heb ik best geoordeelt bij provisie, het gee „ne Overtezenden, wat in gereedheijd gebragt is, op dat uwelEdelen Agtb:s daar op kunnen besluijt neemen naar believen. het te acce groot accepten ver A best plaat van voet den Ao 17 ik te het cog te brengen dat van die makelaars niets beter te verwagten is; Ramalinga Chillij is een oud afgeleefen man, die het op anderen taal aankomen, en voor al op Narsima goen doer baal Chittij, daar ik een swaar hoofd in heb om die man in der tijd Compagnies gelderen te vertouwen alle zijne hebbende hoort op Fondicherij te huijs, en portie in de daar is hij meer als hier, hij heeft daar den derden is een goede man onnoosel en on„ munt zijn de drie belinquanten die voor bekwam, en dood arm., haar eerst proef, na de Eerstelling der plaats dene raat op 't aller infaamst heeft soeken te bedriegen. Extract uijt een brief geschrevenden aan en door als boven sub: 2. September 1788. —. Na alle aangevende moeijte vinde ik mij eijndelijk in staat van eenige Monsters ter tafel van uwel Edele Agtb: te kunnen aanbieden. Het eerste monster van d' E: Compagnie heb ik niet kunnen magtig worden, betrefende de guineesen. maar alle des kundige verseekeren mij soo wel weevers als de koop„ lieden, dat dit 1:e zoort ruwe guinees ver het monster overtreft van voor den oorlog en de prijs moet ik onvartijdtig siggee dat die heer redelijk is, slegts een verhooging van 8. sterre Pagoben per pak. het 2:e zoort het welk reul een Compagnies monster 259 monster is van voor de oorlog, het welk ik met seer veel moeijte verkreegen heb om: te biewren met sligts Een verhooging van 2. sterre pagodens, en 7. goude fanums: : per pak. , in Eijn„ delijk het 3:e soort guinas met een verhooging van 2: sterre pagoiden op ijser. pak. Verder brenge. ik onder het oog van uwel Edele Agtbare twee soorten salempoeris. bruijn blaau, daar geen monster van hebbende, versoek ik uwel Edele E Agtb: deeze soo wel als den volgende met de naauwkeurig oog te willen op„ merken. „ aangezien dezelve ook beneeden Comp:s prijs sijn, als 1:e Zoort salene poeris: bruijn blaau het pak. Ht pag: 105. 12. fan: , en, de Compagnies, prijs: 107. H: Pagoden de andere d:o het pak sterre Pagoden. 95. –. –. Betreffende de Baftas bruijn blaauwe, is het mij on„ mogelijk geweest om deselve so naauw te bedingen, alsoo deselve uijt de Nababs. land komende Thol, en vragt moeten betaalen, soo dat deselve hoaren te staan het pak sterre. pag:le 108: 12:, en het andere sterre Pagoo„ der 89: 12. —. soo dat als uwelEdele Agtb: soude goed„ vinden om dit 1:e en 2:e zoort te maaken souder. N:o 1. en 2 bedraagen Eene somma van Starve Pagoden 198, en de 2: eerste nommors van d: E: Compagnies sterre Pago„ 203. 12. het sig altoos bij het vind Sotteeren verder.
English
Furthermore, the bleached salempores, all according to the Company's breadth and length as above, can be delivered, the pack of 80 pieces for Star Pagodas 84. 12. -, while the Company's price is 85. -. Star Pagodas - -. Concerning the bleached perculls, I have not succeeded so well, as the 160 pieces or 1 pack must cost Star Pagodas 82. 12., while the Company's price is Star Pagodas 78. 17. -. Finally, I proceed to the dark blue Guineas, whereby I imagine to earn the approval of Your Right Honourable, as being enclosed the 1st and 2nd sort when dyed and reduced to half pieces, costing the pack No 1 of 80 pieces of half Guineas Star Pagodas 132. -, and No 2 Star Pagodas 129. As before, the 3rd sort is found during sorting. The Company's price of the dark blue Guineas being for the 1st sort the pack Star Pagodas 129. 3., and for the 2nd sort the pack Star Pagodas 126. 3. -, so that with the two numbers of the Company compared with these sent samples there is only an increase of 5¾ Star Pagodas, and judging by all their quality one must believe that it is a better assortment. Your Right Honourable will please compare it with the Porto Novo and other similar deliveries, not to speak of the despised samples currently still at Pallatrattar; so I do not doubt in the least that Your Right Honourable will approve my exerted diligence, if not entirely then in part; my only request is to provide me as soon as possible with Your Right Honourable's respected orders, and also please to return the old samples, or to honour me with an order on how to satisfy those people in that regard. Extract from a letter written to and dated as before at Sadras, the 5th of December 1788. In reply to Your Right Honourable's respected letter of the 29th of November last, together with the Extract of the 25th of September last concerning the sample cloths, I respectfully take the liberty to remind Your Right Honourable that instead of 9 sample pieces, I sent over 11 pieces, and thus 2 pieces concerning which Your Right Honourable have not deliberated. Extract from the Resolutions taken in the Council of Coromandel on the 3rd of December 1785. Exhibited by the Lord Authority to this Council, and seen and inspected by the same with the required accuracy, being the 5 sample pieces sent over by the Chief of Bijland along with his letter of the 31st of October last, consisting of: ½ piece of salempores, ordinary bleached ½ piece of Guineas, ditto ditto ½ piece of ditto, dark blue ½ piece of baftas, ditto ½ piece of salempores, dark blue; which having been found to be by far not of proper quality, it was resolved upon His Honour's proposal to retain these pieces solely for the shaming of the merchants who have dared to produce such rags before the eyes of this assembly, with orders to the Chief to announce to those merchants, in the most significant terms, the utmost indignation of this assembly at their unprecedented effrontery in daring to offer such rejected rags, inducing moreover in him, the Chief, the most inept falsehood, as if the collection at Sadraspatnam had always been done after such worthless rags, whereas we are convinced that never such a piece would have been accepted as fourth or even fifth sort, had they even dared to bring them to the packing house; further ordering him to inform those merchants that people are less surprised that they only asked the old prices for the linens /:when everyone outside of them would gladly make a delivery of such a worthless commodity:/ than that they were not yet shameless enough to demand an increase, and merely content themselves with proposing an enormous augmentation on the washing, bleaching, and dyeing wages of no less than Pagodas 5 on a pack of blue, and Pagodas 3 on a pack of bleached linens. Then, it being needless to express oneself further on this matter at present, because it is impossible /:even if other circumstances permitted an immediate start to be made therewith:/ to make any collection after such samples, since experience has long proved that the delivered linens never equal, much less surpass, the muster pieces, from which one can thus easily infer what worthless goods one has to expect upon delivery after such so-called samples as those sent over, which one does not understand how the Chief could have allowed to be placed in his hands, as in fact no worse linens of this assortment could be made, which would barely serve as dungarees to wrap the packs, and since it would therefore be preferable to collect no linens at all at Sadras than such.
Dutch transcription
Verder de gebleekten Palampoeris alles na de Comp:s breedte en lengte als boven, kunnen geleverd worden het pak van 80. p:s teegens Hterre pagoden 84. 12. - terwijl de Comp:e prijs is 85. -. Hterre Pagoden - - „ Betreffende de parkals gebleekte ben ik soo geluckig niet geslaagen, alsoo de 160„ p:s of 1. pak moet kosten Herre Pagodan : 82.„ 12. : terewijt de Compagnees prijs is st: pag: 78. 17. -. Eijndelijk gaan ik over tot de bruijn blaauwe Guineesen daar ik mij verbeeld een goedkeuring van uwel Edele Agtba„ re bij te verdienen, als zijnde hier nevens de 1:e en 2:e soort wanneer dezelve geverwd, en tot halve stukken ge bragt sijnde, kostende het pak No 1. van 80. p. s halve guineesen Sterre Pagoden 132. . , en W: 2. H: pag:a 129. als vooren vind: sig het 3:e zoort, bij de sorteering. De Comp:s prijs. van de bruijn blaauw geeineesen, als het 1:e Soort het pak sterre. pa/„o 129. . 3. , en het 2:e Zoort 't pak st: pag: 126: 3:-. soo dat met de twee nommars van de Comp:s met deeze toegesondene monsters slegt een ver„ hooging is van 5¾. st: pagoden en na alle des kun gelooven dat het beeter Sorteering is. dugen moet Uwel Edele Agtb: gelieven het te Confronteeren de Portonovose en andere dirgelijke Leverantien, niet niet te spreeken van de veragte monsters tans nog om p 260 op Pallatrattar:; Soo twijfele ik gensints. of UwelEdele Agtbare sullen mijne aangewende vlijt approbeeren, is het dan niet geheerd soo sal het tere deele sijn; alleenlijk is mijn versoek om mij soo spoedig moogelijk met uwel Edele Agtbare gerespecteerde ordres te voorzien, en de oude monsters ook. „gelieven wederom te sinden, of mij te honoreeren met een ordre, hoe die menschen daar omtrent te vreeden te stellen xtract uijt een brief geschree vente Aan, en door als vooren geda„ teerd Sadras den 5. December. 1788. In antwoord op uwel Edel. Agtb: gerespecteerde van den 29: 9ber: Jongstleeden benevens het Extract van den 25: September Iongstleeden, betreffende de monsten, kleeden, nee me ik eerbiedig de vrijheijd, uwelEdele Achtb: te herinneren. dat in steede van 9: p:s monsters ik en 11. p:s overgezon„ den heb, en dus 2: p:s over dewelke uwel Edele Agtbare niet gebesoigneerd hebben Extract uijt de Resolutien geno„ meu in Raade van Cormandel op den 3=e December 1785. . Door den heer gezaghebber aan deeze Raade vertoond, en door denselven met de verEijschte accuratesse gezien, en gevisieerd. 2 gevisiteerd zijnde de door: heten opperhoofd van Bijland ne„ vens, zijnen brief van den 31. 8ber: I„o leeden overgeson„ den 5. stuks monsters bestaande in ½. p:s Salempoeris gem: gebleekt ½. „. - Guinees. - - d:o - - - - d:o ½. „ d:o bruijn blaauw ½. „ baftas - - - - - - - - - - - - - d:o . ½. „ Salempoeris bruijn blaauw: welke tien wijtten stan op deugend bevonden zijnde, is op voorstel van zijn Ed: verstaan deeze stukken alleenlijk aan tehouden tot beschaaming der kooplieden die, sulk vooden i onder het oog deezzere vergadering hebben durven, produceeren met last, dan het opperhoofd om die Marchiandeurs in de Significantsb: termin aante kundigen de uijtterste indig„ natie deezer vergadering over hunne onvoorbeeldige effronterie in sulke vodden van uijtschotten te durven aanbieden, in duceerende daar en boven hem opperhoofd de onbekwaams„ te onwaarheijt, als of na zulke ondeugende lompen altoos de Insaam op Sadraspatnam gedaane waa re, daar hij overtuijgd: zijn, dat nimmer dus danig een stuk vorderde of zelfs voor vierde soort zoude zijn aangenomen. geworden; zoo zij ze al ter pakzaal hadden: durven brengen, hen verder gelastende, die kooplieden kennen te geeven, dat men minder verwondert is 261 Lijwaaten vroegen/ is, dat zij alleen de ouder prijzen voor de ri buijten hen, wel een leverantie van zulk een ieder wanneer zouden willen doen /: daer dat zij nog niet een onduigend goed zijn om een verhooging te vorderen schaamtelros genoeg geweest en zig maar te vreeden houden, om een enorme augmenta„ tie op de wasch bleek en verw: loonen voor te stellen niet minder dan van pag: 5: op een pak blaauwe en pag= 3. op een pak gebleekte Lijwaaten Dan nodeloos zijnde om sig thans hier omtrent ver„ der uijt te laaten, dewijl het onmogelijk is /:zoo andere omstandig heeden al permitteerden aanstonds daar meede een begin te maaken :/ om na diergelijke monsters eenige In„ saam te kunnen doen, alsoo de ondervinding al over lang beweesen heeft, dat de geleverde Lijwaaten nooijt de staak„ stukken evenaaren, veel min surpasseeren, waar uijt men dus faciel kan nagaan, „welke ondeugend goed men diet bij leverantie na sulke, als de overgezondene soo genaam„ de monsters , die men niet bezesd, hoe het opperhoofd z we zig heeft konnene laaten in de hand stoffen te ver„ „wagten heeft, daar in der daad geen slegter Lijwaaten van deeze sorteering kunnen gemaakte worden, welke pas tot dongrijzen om de pakken zouden kunnen dienen, en dewijl het dus verkiesbaar zoude zijn te Sadras in het geheel geene Sijnwaaten in te Samelen dan Sulke
English
such that one is beforehand convinced must yield a loss, wherever they might be delivered, it is resolved to order the chief to announce to the merchants that they shall have to manufacture other samples of the required quality, length, and width, in everything corresponding to those on which they previously undertook the delivery and supplied the sureties, at the same time indicating to them in the most serious manner that in the contrary case, they will be dismissed as unworthy subjects, and we shall make use of other traders; on which they can firmly rely, further demanding that the chief send the new sample pieces to be made to this assembly for approval, being mindful to send over from each sort not a half, but an entire piece, so as to receive back the half as a sample after approval. Extract from the Resolutions taken in Council of Cormandel on the 25th September 1788. Finally, there were also laid on the table such sample cloths as were sent hither by the chief of Sadras under cover of his letter of the 2nd of this month, to be inspected and examined by this Council, whereto having proceeded, it is resolved to accept and take in such sample pieces according to which the delivery for the Honorable Company shall henceforth take place at that office, as were declared good and sound upon the examination thereof formed in the assembly and inserted hereunder, a copy thereof to be transmitted to the chief for his information together with the dispatch of half of these accepted sample pieces, with orders to send over other samples for examination in place of the rejected ones, the said examination being of the following content: Examination of 9 pieces of sample cloths which on the 25th September 1788 were inspected and found by the Right Honorable Mr. Nicolaas Tadama, senior merchant and authority of this coast and its resorts, together with Messrs. M:r Stoffenberg, merchant and head administrator, P:r D: Simons, merchant and elected chief of Sadraspatnam, B:s Brouwer, junior merchant, fiscal, and paymaster, W: B: Bloeme, junior merchant and invoice keeper, and P: S: De Raeff, junior merchant and secretary of police, as appears hereunder: Namely: 1 piece Guineas common raw, first sort, accepted for second sort. ½ ditto ditto ditto, third sort, very good and accepted as such. 1 ditto ditto bleached, second sort. 1 ditto Salempouris bleached, all three unacceptable. 1 ditto Parcalla. 2 ditto Baftas, dark blue, first and second sort. 2 ditto Salempouris, first and second sort, also unacceptable. 9 pieces sample pieces in total, and as mentioned in the heading of this document. Agrees, A Dormieux Deputy Clerk No. 3 To the Right Honorable Ruling Lord Jacob Eilbracht, senior merchant and Commander of the Cormandel Government with the resorts thereof, etc., etc. Right Honorable Ruling Lord, The respectful undersigned, having been handed by Your Right Honorable an extract from a writing of the merchant Willem Hendrik van Bijland serving for his defense, containing that it were to be wished that there were a good equipage master at this main place, together with an accusation that the sloops in the year 1789 were poorly provisioned, which the said merchant van Byland attempts to prove from the loss of an anchor of the Padras and the speedy sending of another rope because that vessel was in danger. The humble petitioner has the honor to serve Your Right Honorable regarding the wish of the merchant van Bijland that it is entirely beneath his way of thinking to boast of his own merits and to weigh or belittle those of another. He can do nothing else in this matter than to appeal to the captains of the ships who since the year 1785 have unloaded and loaded here at this place, and were subsequently piloted outside the bank by the undersigned. He begs Your Right Honorable also to be allowed to appeal to the testimony of the Right Honorable Commissioners on behalf of Their High Mightinesses, who in the past year stayed here in the roads for 13 days, without to his knowledge any complaints being brought against him by anyone, and which gentlemen can better judge of an equipage master, since these are matters of Their Right Honorable profession, than Mr. van Bijland, to whom that judgment does not at all belong. Yet, Right Honorable Lord, the goodness that the said van Bijland requires in an equipage master is that he should deliver the Company's rigging and cordage for the use of Mr. van Bijland's schooner, employ the Company's paint, etc., and sailors for the painting of his private residence, and procure passes for Mr. van Bijland when it pleased him to trade private sugar; if the undersigned had done all this, he would undoubtedly have been a good equipage master, which is why Mr. van Bijland also threatened him that the undersigned would be the first whom he would unseat.
Dutch transcription
sulke die men voor: af overtuijgd is dat verlis moeten. geven zoo is verstaan waar die ook mogten werden aangebragt; ƒ het opperhoofd te gelasten om de kooplieden, aantekundigen dat zij illioo andere monsters zullen hebben te vervaardigen van de verEijschte duuigd, lengte en breedte in alles over„ eenkomende met die, op welke zij bevoorens den Inzaam hebben aangenoomen, en de Sijuireaten geleverd, hen teffens op het aller ernstigste beduijdende dat men bij het Con„ 1 trarie van dien, hen als onwvaardige subjecten zal handelaars bedienen; laaten loopen, en ons van andere waar op zij- vast staat kunne maaken, demandeerende verder het opperhoofd de nieuwe Aantemaakene Staal stuk„ hen deeze vergadering ter approbatie toetesenden, daar bij zijnde om van elke soort niet een half, maar verdagt een geheel stuk over te schikken, om na goedkeure de helft tot een monster te ruig te ontvangen— Extract sijten de Resolutien genomen in Raade van Cormandel op den 25e. September 1788. Eijndelijk wierd, nog ter tavel gelegd, sodanig monster klueden als door het opperhoofd van Sadras onder geleijde van Dij brief van den 2:e deezer herwaards zijn overgezonden, om door dee zere Raade gevisiteerd en bezigtigd te worden, waar toe 262 toe dan getreeden werzende; zoo is verstaan zodanige monster stukken waar na voortaan in zaam voor d' E: Compagnie. daar ten Comptoire geschieden zal te accepteeren, en aanteneemen als voor goed en deugelsaame bekend gesteld zijn bij de bevinding daar van in vergadering geformeerd, en hier beneeden geinsereerd, sul„ lende daar van Copia aan het opperhoofd: tot zijn narigt onder oversending van de helft dese geaccepteerde monster. Stukken voor de afgekeurde staa„ worden toegeschikt, met last om len andere ter Examinatis over te senden, zijnde gemelde Bevinding van de volgende inhoud: Bevinding van 9: p:s Monster kleeden. dewelke op den 25. 7ber: 1788. door den wel Edelen Agtbaren Heer Nicolaas. Tadama opperkoopman. en gezaghebber dee zer. kuste met dies resorte nevens de Heeren M:r Stoffenberg koopman en Hoofd: administrateur, pr D: Simons koopman en geEligeerd oppar„ hoofd van Sadraspatnan, B:s Brouwer„ W: onderkoopman, fiscaal en Soldijhouder, 8: Bloeme onderkoopman en factuurhouder, en P: S: De Raeff: onderkoopman en secre„ taris van politie zijn beligtigd en bevonden, zoo als hier onder komt te blijken Namentlijk geeven. 1a aam genomen p den n zij waar Namentlijk. — 1. p:s guinees gemeen ruw: Eerste Zoort geaccepteerd voor tweede zoort. ½ d:o d:o d:o derde 3oort. zeer goede en als soda„ nig - geaccepteerd d:o d:o Gebleekt tweede zoort. d:o Salempoeris gebleekt - - - - - - - - - alle drie in 1. „ acceptail 1 „ Parcaal - - - - - _ _ - _ 2. „ Bafta, bruijn blaauw: Eerste en tweeden soort 2. . „ Salempoeris Eerste en tweede Zoort almeede in acceptabel. p:s monster stukken te zamen; en als in de hoofde deezes gemeld. Accordeert A Dormieux De p: Clercq: m E 263 N:o 3 Aan den wel Edelen Agtbaren gebiedende Hier Jacob Eilbracht. opperkoopman, en Gezaghebber van het Cormandels Gouvernement met den de sodte van dien N:a &:a Wel Edele Agtbare Gebiedende Heer. Den Eerbiedigen teekenaar door uwel Edele agtb: ter hand gesteld zijnde Een Extract uijt een geschrift van den koopman Willem Hendrik van Bijland, dienende tot zijne verantwoording, behelzende, dat het te wenschen was, dat 'er opr deeze Hoofd-plaats een goede Equipa„ giemeester was, mitsgaders eene beschuldiging dat de chialoupen in het Iaar 1789. slegt voorzien zoude zijn geweest, het welk gem: koopman van Byland tragt te bewijzen uijt het verlies van een anker de Padras, en de. spoedige zending van een ander touw, om dat dat vaarthuijg in gevaar was —. den submissen verthoonen heeft de eer uwelEd:e agtb: aangaande den wensch van den koopman van Bijland te dienen, dat 't gansch beneeden zijne ma-„ nier van denken is, om zijne eijgene verdiensten op te vijzelen, en eens anderen te weegen, ofte verklijnen. Hij kan in deezen niets anders doen, dan dat zig beroeppen. oor da„ : beroepen op de Cappiteins der scheepen, welke zeetert het Iaar 1785. alhier ter plaatse hebben gelost en gelaaden, en door den tekenaar vervolgens buijten de bank zijn geloost. Hij bid uwelEdele Achtb: teffens zig te mogen beroepen op het getuijgenis van de welEdele gestrengen heeren Commissarissen van weegen Hun Hoog mo„ gende, die in a:o pass:o 13. dagen alhier ter rheeden hebben getoeft, zonder dat /:zijns weeten:/ van den een of ander eenige klagten tegen hem zijn ingebragt, en welke Heeren beeter kunnen oordeelen over een Equipagiemeester, alzoo dit affaires zijn van Hun wel Ed: gestr: mitie; dan de heer van Bijland, die dat oordeel daar over ganschelijk niet Competeerd Dan wel Edele Agtbare Heer het goede dat gem: van Bijland in een Equipagiemeester verEijscht is, dat hij 'sComp:s daeg, en trouwerken ten diensten van 's Heer van Bijlands schoener diende aftegeeven, 's Comp: verf &:a, en mattroosen tot 't schilderen van zijn particuliere woonhuijs emploijeeren, en aan de heer van Bijland gelij briefjes bezorgen, als het hem be„ haagde particulier suijker te negotieeren, zoo den teke„ naar dit alles gedaan had zoude hij ongetwijffeld een goed Equipagiemeester zijn geweest, waarom de heer van Bijland hem ook gedreygt heeft dat den tekenaar de eerste zoude zijn, die hij uijt 't zadel.
English
would set sail as soon as he became the commander. Just as the said merchant presumes to pass judgment on the stores and on the Master of the Equipage, the same is the case with the sloops in the year 1789, of which one, namely de Herstelling, lost an anchor at Sadras. And because a letter was sent from there to this place requesting another rope, the gentleman van Bijland concludes that the sloop was in danger, as would certainly have been true if the sloop had had no other rope than that single one. But if the gentleman van Bijland, before he had written or judged about the danger to that sloop, had been pleased to take the trouble to go and inspect the condition of the ropes on that sloop, he would have discovered that on board the said vessel, besides its two Dutch ropes that it brought with it from Batavia, another new ditto rope of 12 inches was supplied to it in September 1788, in addition to another old coir rope. Thus the danger was not as great as was represented, though it could have become greater had the ropes in reserve all broken, which was therefore the reason that the honorable gentleman Commander Iadama ordered the draftsman to send an 11-inch Dutch rope to Sadras, as indeed happened. Consequently, this dispatch was also not done on private authority, as the gentleman van Bijland seems to imply with the words that a messenger was sent by him with what was needed against wind and current. The second argument that merchant van Bijland has thought fit to put forward to prove the poor equipping of the sloops suffers from the same defect as the first, since the sloop de Herstelling, of which he speaks in the year 1789, made two voyages to and from Sadras, two voyages to and from Madras, and one voyage to and from Iaggernaijkppoeram and Bimilipp:r, and thus not merely one, but indeed five, of which the gentleman van Byland, upon reflection, cannot be unaware. That the Company's sloops are unfortunate through the breaking and loss of ropes and anchors is true; this is attested by the four unusable anchors and two grapnels sent to Batavia, which is principally caused at the outer corners of the coast by strong south-southeast and east-southeast winds and heavy swells. But this cannot provide any foundation for the erroneous proposition that those vessels were poorly supplied; rather, the contrary is to be concluded from it. The draftsman hopes herewith to have satisfied the intention of Your Honorable, on which account he takes the liberty to sign this with all respect. Underneath was written: Honorable Ruling Sir, Your Honorable's humble and obedient servant, was signed: A:s van Odijk. In the margin: Pulliakatta, 28 Ianuarij 1791. Agrees, A Dormieux Jecpef Clercq 266. No. 4. List of the following extracts, etc., which were delivered today to the Gentleman Van Bijland; namely: No. 1. Four extracts from the Coromandel Resolution of 21 September 1789, namely: One inserted along with the Gentleman van Bijland's note and protest against the appointment, previously on 21 August, of the gentleman De Raeff as president in the Honorable Court of Justice; One, as above, a writing against the payment of the account of the repatriated minister van der werth; One, likewise inserted, observation concerning the post of Toll Bookkeeper, with the decision taken thereon; One ditto, being a decision for the inspection of the Hospital, following a prior notification by the Gentleman van Bijland of its necessity, and the appointment of regents over the same. No. 2. An extract resolution as above, dated 13 October 1789, being a record of the inspection performed, and the findings regarding the Hospital. 3. Copy of the defense of the gentleman van Bijland as former chief of Sadraspatnam to the question of Their Honors why Sadras was the only place where no collection had been made. No. 4. Copy of the note as above, regarding the servants; ditto, as above, regarding the necessity of the inspection of the Hospital; 6. Ditto, note from the gentleman van Bijland concerning the presidency of the Orphan Chamber and [illegible]; 7. Extract secret letter to the Honorable High Indian Government written by the Government here, dated 10 February of this year, concerning: § 3, 4, 5, 6, and 7. Concerning the declaration of the falsity of the Resolutions; 8. Concerning the inspection of the hospital; 9 and 10. Concerning the defense of the gentleman De Raeff regarding the Resolutions; 11. Concerning the non-collection at Sadras; 12 to 18. Concerning the disputes that arose with the Havildar. 8. Copy of a separate letter written by this Government to the chiefs of Saggernaykpoeram, dated 17 February of last year, containing orders to the outgoing chief, the gentleman van Halm, to continue along with the second in the affairs of the Factory, and forbidding the elected chief, the gentleman van Bijland, to interfere in any of the same until further orders. 9. Extract secret Coromandel Resolution of 12 Maart 1790, being the decision to have the gentleman van Byland arrested at Iaggernayapoeram, and the reasons why. 10. Extract secret letter to the Honorable High Indian Government by
Dutch transcription
264 zaeel zouden ligten, zoo daa hij gezaghebber, wierd. Even gelijk gem: koopman weet te oordeelen over goed en over Equipagiemeester, zoo is het ook gelegen met de Chialoupen in den Iaare. 1789. , waar van een de Herstelling namentlijk, een anker de Sadras ver„ loor, en om dat van daar na herwaarts geschreeven wierd om nog een touw, besluijt de hier van Bijland dat de Chialoup in gevaar was, gelijk zeekerlijk waar zoude zijn geweest, zoo de Chialoup geen ander touw, dan dat eene had gehad, dog zoo de heer van Bijland, een hij over het gevaar van die Chialoup geschreeven, of geoordeeld had, de moeijte had gelie„ ve te laaten neemen, om op die chialoup te gaan nazien, de staat der touwen, zoude hij ontwaard hebben dat aan boord van gem: kielje; behalven zijne twee Hollandsche touwen, die hij van Batavia heeft meede gebragt, nog een nieuw d:o touw van 12. d:m in September 1788. aan het zelve verstrekt waa„ ren, buijten nog een oud Caijertouw, dus het gevaar zoo groot niet was, als 't werd opgegeeven, dog 't zelve kon grooter geworden zyn, indien de in voorraad zijnde touwen alle gebrooken waaren, het geen dus de reeden was, dat den agtbaren heer ge„ zaghebber: Iadama den tekenaar ordonneerde een touw de 11. d:m hollands na Sadaas te zenden, gelijk ook is geschied, weshalven deeze verzending ook t de ook niet door prive autoritate geschied is, gelijk de heer van Bijland scheint te denoteeren met de woorden die sleng wierd door hem met 't noodige tegen wierd en stroom gezonden. Het tweede argument dat den koopman van Bijland heeft goed gevonden, te avanceeren om de slegte voorziening der Chialoupen te probeeren, laboreert aan dezelve quaal als 't eerste, alzoo de chialoup de Herstelling, waar van hij spreekt in het Iaar:s 1789., twee togten na en van Sadras, twee togten na en van Madras, en een togt na- en van Iaggernaijkppoeram en Bimilipp:r en dus niet maar een, maar wel vijf heeft gedaan, gelijk de heer van Byland zig herdenkende niet kan onbewust zijn. Dat 'sComp:s chialoupen ongeluckig zijn, door 't bree„ ken en verlies van touwenden ankers is waar, dit getuijgen de vier na batavia gezondene onbequaame ankers en twee dreggen, dat principaal aan de uijt„ hoeken der kust veroorzaakt word, door sterke Z. Z. O: en O: Z: O. winden en swaare deijningen dog dit kan geen fondament geeven aan de er„ roneuse stellinge dat die vaarthuijgen slegt voor„ zien zoude zijn, maar wel is 't contrarie daar uijt te besluijden. den teekenaar hooft hier meede aan de intentie van uwel Edele Agtbare, te hebben voldaan, 265 voldaan, waarom zig de eere aanmatigd deezen met alle eerbied te onderschrijven /:onderstond:/ wel„ Edele Agtbare gebiedende Heer, uwel Edele Agtbare onderdanige en Gehoorzame dienaar was getekend :/ A:s van Odijk /:in margine:/ Pulliakatta den 28. Ianuarij 1791: : Accordeerd A Dormieux Jecpef Clercq 266. No. 4. Notitie van de volgende Extracten Enst, die heeden aan den Heer Van Bijland werden afgegeaven; te weeten N. o 1. vier Extracten uijt de Cormandelsche Resolutie van den 21. September 1789. ; als Een geinsereerd bij des Heer van Bijlands aantekening en protestatie tegens de benoeming op den 21. Aug=s voor heen van de heer De Raeff tot voorzitter in den Agtbaren Raad van Iustitie Een als eeven, een geschrift tegens de voldoening der Reekening van den gerepatrieerden predikant van der werth Een meede ingeschreeven aanmerking over de post van Tol boekhouder, met het besluijt daar op ge„ vallen Een dito zynde besluijt tot visitatie van 't Bos„ pitaal, op voorgegaane te kennen gave door de Heer van Bijland van dies nood zakelyk heijd, en aanstelling van Regenten over 't zelve. N:o 2. Een Extract resolutie als vooren de dato 13:e october 1789. , zijnde aanteekening van de gedaane visi„ tatie, en bevinding van het Hospitaal. „ 3. Copia verantwoording van de heer van Bijland als geweezen opperhoofd van Sadraspatnam op de vraage van H: H. Ed=s, waarom Sadras de eenigste plaats was, daar geen inzaam was gedaan. No 4 N=o 4. Copia aanteekening van als even, ombrend de Dienaaren do van als eeven, omtrend de noodzakelyk do heijd tot de visitatie van het Hospitaal 6. d:o aanteekening van de heer van 'B Bijland, over het presidium van de weeskamer en H Extract secreete brief aan de Edele Hooge Indiase Ragee„ ring door de Regeering alhier geschreeven in dato 10 februari deezes Iaars, spreekende, § 3. 4. 5. 6. en 7. over de valsch verklaaring der Re„ solutien 8. Over de visitatie van het hospitaal 9. en 10. Over de verantwoording van de heer De Raeff, nopens de Resolutien „ 11. Over de non Inzaam op Sadras, „ 12. tot 18 over de ontstane geschillen met den Haweldhaar 5. 8. Copia apparte brief door deeze Regeering aan de opperhoofden van Saggernaykpoeram gesz: in dato 17. februarij I: l:, behelsende last aan 't afgaande opperhoofd de keer van Halm, om nevens den secunde in de zaaken van 't Comptoir te Continueeren, en opperhoofd de heer van aBij„ aan 't geEligeerd land interdictie, zig met geene derzelve te bemoeijen tot nader order „ 9. Extract secreete Cormandelse Resolutie van den 12. Maart 1790 zynde besluyt om de heer van Byland op Iagger nayapoeram te doen arresteeren, en reedenen waarom „ 10 Extract secrete missive aan de Edele Hooge Indiasche Regeerma door 7.
English
written by the Government here under date 26 March of the past year, speaking entirely of the Jaggernaijkpoeram disputes from 58 to 17 inclusive. Number 11. Six extracts from the general missive of the Right Honorable Superior Authorities written to the Government here, under date 27 April of the current year; as follows: A section 12 containing orders to the Lord van Byland to answer, in accordance with the desire of the Gentlemen Principals, for the acceptance of poor sample linens at Sadras. A section 16 ordering, among other things, the same to give reasons for his suspicion regarding 3 cable ropes supplied to Horsen. A section 25 regarding the meager collection at Jaggernaijkpoeram in the previous year, and none at all in 3 years at Sadras. A section 26 regarding the Lord van Bijland's points of accusation concerning the linen trade, and the precautions which the Superior Authorities have taken for the recovery of damages. A section 28 regarding the price increase. Section 98 regarding the toll bookkeeper's office. Section 99 regarding the inspection of the hospital. Sections 110 to 119 enclosed regarding the servants. Annexed: Extract of an extract of the Homeland missive of 4 December 1788, regarding the acceptance of poor sample linens at Sadras. 1790 Number 12. Note from the Lord van Bijland in protest of his Captain's bill of exchange amounting to 600 rupees and against the sale of his ship Geldria. Extract of the Cochin minute regarding the aforementioned supplied 600 rupees. Number 14. Extract minute from the Right Honorable Superior Authorities dated 29 July of the past year, containing the decision to cause to be provided to the aforementioned Honorable Governor van Angelbeek the requested satisfaction for his complaints about the insult inflicted by the Lord van Bijland. Number 15. Extract letter to the aforementioned Right Honorable Superior Authorities written by the Cochin Government under date 30 April of the past year, containing the aforementioned complaints of insult. 16. Extract missive from the Honorable High Indian Government written to this Government under date 17 August past, containing orders to provide the aforementioned requested satisfaction from the Lord van Bijland to the Honorable, Right Venerable Lord van Angelbeek. Palleakatta in Castle Geldria, 8 November 1790. Was signed: Jan Obdam, First Sworn Clerk. Regarding the affair of the Honorable Lord van Angelbeek. Agrees: Dormieux, First Sworn Clerk. Number 5. 268 Today, 19 October in the year 1790. Appeared before me, Jan Obdam, bookkeeper and First Sworn Clerk at the secretariat of the Coromandel Government, in the presence of the witnesses to be named hereafter, the Honorable and Valiant George Philippus Pas, captain of the Company's ship Horsen lying at anchor in the roads here, who, at the requisition of the Honorable, Venerable Lord Jacob Eilbracht, senior merchant and incoming Commander of this Coromandel Coast, as qualified by the Right Honorable Superior Authorities, the Honorable High Indian Government at Batavia, for the investigation of matters, declared and affirmed to be the genuine truth: that during his presence here in the past year it had been an absolute necessity to fish up his two lost anchors again. That the roads here are not suited for lying with two anchors at the bow, and that this had indeed been the principal reason that had absolutely forced him to the aforementioned lifting of the two lost anchors in the past year. That in lifting these two anchors, the three cable ropes used for that purpose had genuinely broken, just as was stated in the past year. That the Lord van Bijland had then made some remarks upon this statement solely and only because he, the deponent, had refused him, upon inquiry for them, to sell any cordage. That the following had then been proposed to him, the deponent, in this regard by the Lord van Bijland, and had been answered in turn by him, namely: whether he did not have any cordage for sale; that it was now a good opportunity for it, as the English Master Attendant of Madras was now here, and that the latter was greatly in need of cordage; to which it was answered by him, the deponent: that he had no cordage for sale, as if he did so, and put to sea, and came to lack cordage, and any accident occurred because of this, he would never be able to justify himself to the Right Honorable Superior Authorities. That the Lord van Bijland had afterwards put this question to him another 2 to 3 times, and he had always answered it in the same manner. Concluding herewith, the deponent declared this his statement made and testimony given to contain the pure truth, giving as reason of knowledge as in the text, remaining prepared, if required, to confirm the same by solemn oath. 269 Thus done, declared, and attested in Castle Geldria at Palleakatta on the date aforesaid, in the presence of Jan Rousseau and Daniel Hendrik Cantervisscher, clerks at the secretariat aforesaid, as witnesses. The original minute hereof is duly signed. Underneath stood: Which attests. Was signed: Jan Obdam, First Sworn Clerk. Agrees: J. Dormieux, First Sworn Clerk.
Dutch transcription
1267 door de Regeering alhier geschreeven in dato 26. Maart p:l, spreekende in 't geheel over de Jaggernaij kpoeram„ se dispenten van 58. tot 17. inclusive — N. o 11. ses Extracten uyt Haar Hoog Ed.: s gemeene missive aan de Regeering alhier geschreeven, in dato 27. april Jol: als Een 512. behelsd last aan de heer van Byland zig volgens der Heeren Majores begeerte te ver„ antwoorden over de acceptatie van slegte mon„ ster Lywaaten op Sadras. Een § 16. order onder anderen aan denzelven reeden te geeven van zijn verdenking omtrend 3. Ca„ beltouwen aan Horsen verstrekt Een 525. nopens den geringen Inzaam op Iag„ gernaijkpoeram in 't voorige Iaar, en geheel niet in 3. Iaaren op Sadras Een § 26. over des Heer van Bijlands poinc„ ten van beschuldiging omtrend den Lijwaat Handel, en de precautia die Hoog Dezelve tot schaade verhaal genomen hebben Een § 28. Over de prijs verhooging § 98 over het Tol boekhouderschap 199 „ de visitatie van het Hospitaal „ „ 110. tot 119. ingeslooten over de Dienaaren Annex Extract â Extract Patriase missive van den 4=e December 1788;, nopens de acceptatie van slegte monster Lywaaten op Sadras Omtrend taak g waaro regeering rom 1790 N:o 12. Aanteekening van de Heer van Bijland tot protestatie van de wissel van zijn Capitein groot 600. rop:s en teegens de verkoop van zijn schip Geldria Extract Couchimse notul wegens gemelde verstrekte 600. rop:s „ 14. Extract Notul van Haar Hoog Ed„s de dato 29:' Iulij P„o l: behelsende besluijt welm: heer gouverneur van Angelbeek de verzogte satisfactie op zijn klag„ ten over inIurie door den Heer van Bijland aangedaan, te doen bezorgen 13. „ 15. Extract brief aan welm: H: H: Ed:s door de Cochimse Regeering geschreeven in dato 30. April J:o l: behelsend voormelde klagten over injurie 16. Extract missive van de Edele Hooge Indiasche Regeering aan deese Regeering gesz: in dato 17:e Aug:s pass=o, behelsende last om de voorsz: versogte satisfactie van de heer van Eijland, den wel Ed: groot Achtb: heer van Angelbeek te bezorgen Palleakatta in 't Casteel Geldria den 8. November 1790. /:was getekend:/ I:n Obdam E: g: Clercq „Hogt Agtb: Omtrend de affaire van den wel Edele Heer van Angel„ beek Accordeerd Dormieuk eepv: Clerq. No: 5. 268 Op huijden den 19. October A:o. 1790. Compareerde voor mij Ian Obdam boekhouder en Eerste geswooren Clercq ter secretarije van het Cormandels Gouvernement, present de natemeldene getuijgen. den E: Manhafte heer George Philippus Pas capetain op het hier ter rheede leggende Comp:s schip Horsen, dewelke ter requisitie van den E: E: agtbaren Heer Iacob Eilbracht opperkoopman en aan komende gezaghebber deezer Custe Cormandel, als ter onderzoek van zaaken door Hun Hoog Edelhee„ dens de Edele Hooge Indiasche Regeering te Ba„ tavia gequalificeerd, declareerde, en verklaarden de waaragtige waarheijd te weezen. dat het b zijn aanweezen alhier a: f:o absolut noodzaak was geweest zijn twee verlooren ankers weder op te vissen. dat de rheede hier niet gesteld is, om met twee ankers op de boeg te kunnen leggen, en dat zulx wel de voornaamste reeden was geweest, die hem tot het voorsz: ligten der twee verlooren ankers a: p:s absolut genoodzaakt had. Dat bij het ligten deezer twee ankers, de daie daar toe gebruijkte Cabeltouwen, weezentlijk waaren gebrooken, zoo als anno pass:o zulx opgegeeven was, Dat de heer van Bijland op deeze op gave toen No: 40. eenige A g 1 eenige aanmerkingen gemaakt had en kel en alleen om dat hij heer attestant hem geweijgerd had, of vraa„ ge daar om, eenige touw-werken te verkoopen. dat door den heer van Bijland hier omtrend toen het volgende aan hem heer attestant was voorgestelt, en door hem weder beantwoord was geworden, teweeten of hij geen touw werken te koop had! dat het thans een goede gelegendheijd daar toe was, alsoo de Engelsche Equipagiemeester van Madras nu hier was, en dat deeze grootelijks verleegen was om touw werken: welk door hem Heer attestant was beantwoord geworden: dat hij geen touw= werk te koop had, alsoo hij dit doende, en in zeekomende, touw werken qaam te man queeren, en deswegen eenig ongeluk toestoeg hij zig nooijt bij Hun Hoog Edelheeden zou„ de kunnen verantwoorden. dat de heer van Bijland hem daar na nog wel tot 2. â 3. maalen deeze vraage gedaan, en hij ze althoos op dezelve wijze beantwoord hadt. Eijndigende hier meede, verklaarde den heer attestent deeze zijne gedaane declaratie en ge„ gevene getuijgenisse de zuijvere waarheijd te be helsen voor reeden van weetenschap geevende als in den text, bereid blijvende het een en ander des gerequireerd werdende met solem„ neele 1i 269 neele. Eede. te. bevostigen. Aldus Gedaan, gedeclareerd, en geattesteerd In het Casteel Geldria te Palleakatta dato voorsz; ter presentie van Ian Rousseau„ en Daniel Hendrik Cantervisscher clercquen ter secretarije voormeld als getuijgen. de minute deezes is behoorlijk geteekend:/ onder„ stond:/ 'T welk getuijgd /:was getekend:/ J=n obeta mn E: g: clercq. Accordeerd J Dormieux Sepr: Clercq. het ans w 1 o„ wel. Ze -
English
No 4. 1. Copy of the Secretariat's note dated 14 May 1794 concerning the opening and inspection of 1 twenty-guilder chest and two small chests. No 5. 1. Declaration of the Head Peon Konerie Naijker. No 6. 1. Ditto of the burgher Thomas Gilles Helmich. No 7. 1. Ditto of the Assistant Fredrik Erasmus Betger. From all which papers and documents it will, if it please Your Right Honorable Sir, clearly appear that I have done nothing except upon orders, and that I have never (may I be permitted to say this with respect) set foot in the warehouse where the goods of Mr. van Bijland are stored, much less that I would have broken it open, removed the goods, and consumed them; and I am humbly of the opinion that that gentleman ought rather to regard my care in having had his warehouse opened the last time, swept, and the goods that were being eaten by white ants cleaned, as an act of kindness, than to accuse me in an unlawful manner of spoliation of his attached goods, which is now most evidently shown to be entirely beside the truth. I am sorry that the writer Cs. v: Misselaar has passed away, otherwise he too would have been able to testify that Mr. van Bijland has grievously missed the mark in his accusation; meanwhile, if necessary, the former bookkeeper residing there, Matthias Hendrik Salder, can also declare whether I was present at the opening and inspection of the aforementioned three chests, under Note No 4. As regards the further accusation of Mr. van Bijland, that various goods were allegedly unloaded here from the ship Horssen, I pray Your Right Honorable Sir to look into the two accompanying declarations in that regard, namely: No 8. 1. from the Agatti or Head of the chalengeniers, and No 9. 1. from six ordinary chalengeniers or rowers; together with the aforementioned attestation of Assistant Betger under No 7, which plainly and simply expose the untruth of Mr. van Bijland's assertion, and show that no other goods were discharged at this place on that occasion than a few provisions and coconuts to plant in my garden. And in case Your Right Honorable Sir might deem these attestations insufficient, I then humbly insist that the sub-lieutenant of the sloop De Zeerob, Dratzier, and the tindal of the boat De Schildtpadt, Malleappen, upon their arrival at Palleacatte, may be enjoined to declare what they know of it, as having gone on board with me at that time and returned with me. Having herewith satisfactorily refuted, as I flatter myself on good grounds, the far-fetched accusations of Mr. van Bijlandt against me, who have placed nothing in his way, I proceed to answer dutifully regarding the requested reports. That it cannot be denied that the ship Horssen, arriving in the past year from Batavia, called here; but whether that vessel anchored in this roadstead out of necessity or not, the authorities have not made known to me, who would therefore be best able to supply the reasons for it. That I was on board is also true; at that time everything here being in deep peace and quiet, and furthermore the weather being fine and calm, I went to that ship with Sub-lieutenant Dratzier and Assistant Betger, not only to take the sea air, but chiefly to visit as good friends Captain Gas and two Armenian merchants, who also came from Batavia and who formerly had looked after my affairs there, and to hear the news they brought with them; and perhaps Mr. van Bijland, had his honor been in my place, would have done the same on such an occasion. I was treated kindly there, which is apparently the banquet that his honor means. That no other goods were discharged here than a few provisions is, as I trust, satisfactorily shown above. Then why the ship called at this roadstead is, as said, unknown to me, and why I gave no notice thereof to the assembly, I must confess to have been an error on my part, wherefore I request a gracious pardon; but I believe nevertheless (although I cannot say it for certain) that I mentioned to the Head Commander at that time that the said ship had called at this roadstead, and I am humbly of the opinion that in such a case it is the same as if I had written to the Council. I do not doubt that I have completely refuted the accusations of Mr. van Bijland; therefore it is nothing more than fair that his honor should also reimburse the expenses which I had to pay to the writer for stamps and fees, and which I pray Your Right Honorable Sir will have reimbursed by his honor. The land route being unsafe due to the roaming bands that are still wandering about here, I send this by sea via a catamaran, and have otherwise the honor to call myself with the deepest veneration. (Below was written:) Right Honorable Sir, Your Right Honorable Sir's humble and very obedient servant (was signed:) In: d: Simons (in the margin:) Madras the 19th of January 1791. Agreed Dormieux First Sworn Clerk
Dutch transcription
N:o 4. 1. Copia Secretariee lo. aantekening dd: 14. meij 1794. wegens het oppenen en nazien van 1. twintig guldens kist en twee kiftjes. „ 5. 1. Verklaring van den Hooft Pion konerie Naijker. „ 6. 1. _„o „ „ burger. Thomas gilles Helmich „ 7. „. _„o „ Assistent Fredrik Erasmus Betger. uit alle welke papieren en documenten uwel Ed: Gestr:, des behagende, klaar zal tevoren komen, dat ik niets gedaan het als op ordre, en dat ik nimmer /: dit zij mij veroor„ loft in eerbiedt te zeggen:/ mijne voeten gezet heb in het pakhuijs, daar de goederen van den heer van Bijland inleggen, veel min dat ik het zelve zoude opengebroken, de goederen vervoert en verbruikt heb„ ben; En ik ben nedrig van gevoelen, dat dien Heer mijne voorzorge om de laaste reis zijn pakhuis te hebben laten openen, vegen en de goederen, die door de witte mieren wierden opgevreten, te zuiveren, eer als een vriendelijke daad behoort te beschouwen, als mij op een onrechtmatige wijze aante klagen over Apoliatie van zijne gearresteerde goederen, dat nu ten evidensten blijkt allezints bezijden de waarheit te wezen. Het spijt mij dat den scriba. C:s v: Misselaar overleeden is, anders zoude Hij ook hebben kunnen getuigen dat den Heer van Bijland de Bal deerlijk misgeslagen heeft in zijne aanklagte; ondertusschen kan des noods de aldaar zijnde oud boekh: Matthias Hendrik Salder mede verklaren. 271 verklaren, of ik tegenwoordig geweest was bij het oppenen en nazien van voorBz: drie kisten, sub Aantekening N:o 4. wat aanbelangt de verdere accusatie van den heer van Bijland, dat uit het schip Horssen alhier ver„ scheide goederen zoude afgescheept wezen, daar om„ trent bio ik uwelEd: Gestr: de hier nevens leggende twee verklaringen te willen in zeen: teweeten. N: 8. 1. van den Aagattij of Hooft der chalengeniers en „ 9. 1. „ ses gemene Chalengenies of roeijers: zomede de voor„ melte Attestatie van den Assistent Betger sub N:o 7. dewelke naakt en eenvoudig de onwaarheit van des Heeren van Bijlands positie aan den dag leggen, en aantonen dat geen andere goederen bij die oc„ cagie te dezer plaatse ontlost zijn als eenige wij„ nige provisien en klappers om in mijn tuin voort„ te planten: En in dien uwel Ed: Gestr: deze attesten niet toerijkend mogte oordeelen, dan in steer ik nedrig dat de zous Luitenant van de chialoup de zeerob dratzier, en den handel van de Boodt de schildtpadt Mal„ leappen, bij hunne aankomst te Palleak: mogen geingungeert worden te verklaren, wat zij er van wetten, als met mij mede te dier tijdt naar boort ge„ gaan en te rug gekomen zynde. Hier mede de verre gezogte beschuldigingen van den Heer van Bijlandt tegen mij, die hem niets in des aan ede en in de wegh gelegt heb, zo als ik mij of goede gronden vleije, genoegdoende wederlegt hebbend:, geen ik over om over de gevorderde berigten pligtmatig te ant„ woorden.- dat het niet ontkent kan worden dat het schip Hoassen in ao pass=o van Batavia komende, hier is aangeweest; dog of dien bodem uit of buiten noodzaak„ lijkheit op deze rheede ten anker gekomen is, heb„ ben de overheden mij niet te kennen gegeven, die derhalven de reden en van best zoude kunnen suppediteren. Dat ik aan boort geweest ben, is ook waar te dier tijdt hier alles in diepe rust en vrede, en buiten des mooij en bedaart weder zijnde, ben ik niet alleen om een zee lugtje te scheppen, maar voornamelijk om kap: gas, en twe armenische kooplieden, welke mede van Batavia kwamen, en die wel: eer mijne zaken aldaar hadden waargenomen, als goede vrien„ den te bezoeken, en het nieuws dat zij mede bragten te vernemen; met den sousluitenant dratzier en den Assistent Betger, na dat schip gegaan, en misschien zoude den heer van Bijland, indien zijn E. in mijne plaatse waare geweest, bij zo eene gelegentheit het zelfde gedaan hebben. Jk ben daar vriendelijk onthaalt geworden 't welk apparent de gastmaal zal wezen dat ZE: bedoelt. Dat 6 27 272 dat hier geen andere goederen gelost zijn als eenige wijnige provisien, is hier boven, zo als ik vertrouwe, satisfactoir aangewezen dan waarom het schip deze rhede aangedaan heeft, is mij, als gezegt onbewust, en waarom ik daar van geen kennis gegeven hebbe aan„ de vergadering, moet ik bekennen zulks een erreur van mij geweest te zijn, weswegen ik om een gra„ lieuse verschoning verzoeke; dan ik gelove even wel /:schoon ik het niet voor„ vast zeggen kan:/ dat ik toen aan den Heer Hooft gebieden gemelt heb, dat gem: schip hier kr Rhe„ de aangeweest is, en ik ben nedrig van oordeel dat in zo een geval, het eveneens is of ik aan den Raadt geschreven hadde. Ik twijffele niet of ik hebbe de aanklagten van den Heer van Bijland volkomen weeterlegt, derhalven is het niet meer dan billijk dat ZE: ook de onkosten vergoede, welke ik wegens Zegels en salaris aan den scriba. heb moeten uitgeven, en die ik uwelEd: Gestr: bidde voor ZE: te willen laten restitueeren. de Landwegh door de stropende benden, die nog hier tontom swerven onveilig zijnde, zende ik deze over zee per een kattimarauw, en vonden chip en hebbe voor het overige de eere mij met die pper veneratie te noemen. /:onderstond:/ wel Edele Gestrenge Heer, uwel Edele Gestrenge, onder„ danige en zeer gehoorzame dienaar /:was gete„ kend: I:n d: Simons /:in margine:/ Padras den 19. Januarij 1791. —. Accordeerd Dormieux D:e Gr: Clercq
English
273 Sadraspatnam To the Right Honourable Mr. Ioan Daniel Simons Merchant and Chief there Right Honourable Sir From the enclosed order, it will be evident to Your Honour that, at the request of the Junior Merchant Iacobus Simons Cantervisscher, as son and general attorney of Mrs. Carolina Susanna Simons, widow of the late Right Honourable and Worshipful Mr. Tammerus Cantervisscher, we have granted, under certain restrictions, a writ of attachment on the goods of the Chief of Iaggernaijkpoeram, Mr. Willem Hendrik van Bijland, both as found here and at Sadraspatnam; thus we hereby request and authorize Your Honour, if any goods of the said Mr. van Bijland should be found there, to seize the same by virtue of our aforesaid decision, as well as to send us a proper note or list thereof, after which we, if deemed necessary, can take our further measures. No. 1. For the rest, after friendly greetings, we remain with respect, below stood, Right Honourable Sir, Your Honour's humble servant. Even lower, The Honourable Presiding Member and the other Members of the Honourable Court of Justice of this Castle, and in their name, was signed, H: Richard, sworn Clerk. In the margin, Palleakatta. In Castle Geldria, 12 February 1790. Lower, Agrees, signed, P: d: Simons. To the same as before Whereas the Junior Merchant Iacobus Simons Cantervisscher, as son and general attorney of Mrs. Carolina Susanna Simons, widow of the late Right Honourable Mr. Tammerus Cantervisscher, has requested us to have the valuable goods which are among the seized goods of the Merchant Willem Hendrik van Bijland there sent to him, in order to prevent an unexpected theft or otherwise; thus we have consented to that request, and consequently we request and authorize Your Honour to send the same hither in the best and most convenient manner. Wherewith, after friendly greetings, we have the honour to be with all respect, below stood, Right Honourable Sir, Your Honour's humble servants, lower, the Sadraspatnam President 274 President and other Members of the Honourable Court of Justice of this Castle, and in their names, was signed, Jan Jan Hasz, Secretary of Justice. In the margin, Palleakatta, in Castle Geldria, 27 April 1790. Below stood, Agrees, signed, Jan d:o Simons. No. 2. Sadraspatnam To the Merchant Ioan Daniel Simons Chief there. Under flying seal we send Your Honour herewith a letter from the Court of Justice here, whose contents we order Your Honour to comply with. Wherewith, after greetings, we remain, below stood, Your Honour's good friends, was signed, N:n Tadama, Iac:o Sam:l de Raeff, B. Brouwer, F:k W:m Bloeme, and I:n I:n Hass. In the margin, Palleakatta, in Castle Geldria, 13 February 1790. Lower, Agrees, signed, J: V: Simons. Sadraspatnam To the same as before Good Friend This serves to accompany the enclosed letter from the Court of Justice of this Castle, with orders from us to comply with its contents. Wherewith, after greetings, we remain, below stood, Your Honour's good friends, was signed, as before. In the margin, Palleakatta, in Castle Geldria, 30 April 1790. Lower, Agrees, signed, J: d: Simons. To the Right Honourable Gentlemen Jacob Samuel de Raeff Presiding Member, and the other Gentlemen Members of the Honourable and Worshipful Court of Justice of Castle Geldria, Palliakatta Honourable and Worshipful Gentlemen! Upon receipt of Your Honourable and Worshipfuls' much-esteemed letter of 12 February last, I had the sworn clerk of this Office, in the presence of two witnesses, take into custody and subsequently transcribe the goods of the Chief of Iaggernaijkpoeram, Mr. Willem Hendrik van Bijland, which were to be found here, of which I have the honour hereby to present the inventory to Your Honourable and Worshipfuls, and for the rest to subscribe myself with all respect, below stood, Honourable and Worshipful Gentlemen, Your Honourable and Worshipfuls' humble and obedient servant, was signed, P: d: Simons. No. 3. 275 In the margin, Sadraspatnam, 20 March 1790. Below stood, Agrees, signed, P: d: Simons. To the Right Honourable Gentleman Jacob Samuel de Raeff Presiding Member, and the other Gentlemen Members of the Honourable and Worshipful Court of Justice of Castle Geldria, Palleakatta Honourable and Worshipful Gentlemen! Pursuant to Your Honourable and Worshipfuls' desire by letter of 27 April last to send the valuable goods of the Merchant Willem Hendrik van Bijland thither, I now send to Your Honourable and Worshipfuls per the sloop De Zeerob: 1 large chest with books, and 2 small boxes with coloured glass beads, being the only valuable goods found among his seized property here, besides the door and window frames, as well as mast timbers; the first, the Second Lieutenant Dratzier declared he was unable to transport with his small vessel, and the others should be made into a raft and towed thither, for which I request Your Honourable and Worshipfuls' further authorization. I
Dutch transcription
273 Sadraspatnam Aan den wel Edelen heer Ioan Daniel Simons koopman, en opperhoofd aldaar WelEdele Heer uijt het inleggend appoinctement, zal uwel Edele blij„ ken dat wij op verzoek van den onderkoopman Ia„ cobus Simons Cantervisscher, als zoon en gene„ raale gemagtigden van Mejuffrouw Carolina Su Sanna Simons, weduwe wijlen den wel Edelen agtb: Heer Tammerus Cantervissscher, onder zekere restrictie hebben verleend mandement van arrest of de goederen van het opperhoofd van Iaggernaijk„ poeram, den Heer Willem Hendrik van Bijland, zoo hier, als of sadraspatnam te vinden, dus wij uwel Edele bij deezen verzoeken en qualificeeren, om indien zig aldaar eenige goederen van gem: heer van Bijland mogten bevonden, dezelve uijt kragte onser voorsz: besluijt in verzeekering te neemen, mitsgaders daar van aan ons te doen toekomen een behoorlijke notitie of Lijst derzelven, waar„ na wij des noodig oordeelende, onze verdere maat regulen neemen kunnen. Wij N:o 1. Wij blijven voor 't overige na vriendelijke groete met agting /:onderstond: wel Edele Heer uwelEdele d: W: Dienaar. /: nog lager :/ Het E: voorzittend Lid, en de verdere Leeden van den agtbaren Raad van Iustitie deses Casteels, en uijt derzelver naame /:was„ getekend:/ H: Richard g: Clerck /:in margine:/ Pal„ leakatta. In het kasteel Geldria den 12. februarij 1790. /:lager. Accordeerd /:getekend:/ P: d: Simons. Aan als vooren Alzoo den onderkoopman Iacobus Simons Cantervisscher als zoon en generaale gemagtigde van mejuffrouw Carolina Susanna Simons weduwe wijlen den welEdelen Heer Tammerus Cantervisscher, ons verzogt heeft om de goederen van waardij die zich aldaar onder de gearresteerde goederen van den koop„ man willem Hend:k van Bijland bevinden, dit hem te doen over komen, tot voorkoming van een onverhoopte roof ofte anderzints, zoo hebben wij in dat verzoek gecondescendeerd, en dienvolgende ver„ soeken en qualificeeren wij uwelEdele dezelve op de beste, en gevoeglijkste wijze dit heen te zenden. Waar meede de eere hebben na vriendelijke groete met alle agting te zijn /:onderstond:/ wel Edele heer, uwel Edele: E: W: dienaaren /: lager:/ den Sadraspatnam voor Zitter 274 voorzitter, en verdere leeden van den agtbaren raad van Iustitie dezes Casteels en uijt derzelver: naamen /:was getekend:/ J„n I:n Hasz: Sec:s J:s In mar„ gine :/ Palleakatta In het Casteel Geldria den 27: April 1790. /: onderstond:/ Accordeerd /:getd:/ J„n d:o Simons. No: 2. Sadraspatnam Aan den koopman Ioan Daniel Simons opperhoofd aldaar. Onder Cachet: voland laaten wij uwE: in deezen toe„ komen een brief van den raad van Iustitie alhier, aan welkers inhoud wij uw E: gelasten te voldoen Waar meede na groete verblijven /:onderstond:/ uw E: goede vrienden /:was get:d:/ N:n Tadama, Iac:o Sam:l de Raeff, B. Brouwer, f:k w:m Bloeme, en I:n I=n Hass: /:in margine:/ Palleakatta In het Casteel Geleria den 13. febr: 1790. /:Lager. / Accordeerd:/ /getekend:/ J: V: Simons. —. Sadraspatnam Aan als vooren Deeze diend ten geleijde van de inliggende brief Goede Vriend van met ons van de raad van Justitie dezes Casteels, met last aan dies inhoud te voldoen. waar meede na groete blijven /:onderstond:/ uw Ed:e goede vrienden /:was get:d/ Als vooren /:in margine /: Palleakatta In het kasteel Geldria den 30. April 1790. /:Lager. Accordeerd /: /:getekend:/ J: d: Simons. Aan den wel Edelen Heeren Jacob Samuel de Raeff voorzittend Lid, en de verderd. Heeren Leeden van den E: E: Agtbaren Raad van Justitie des kasteels Geldria, Palliakatta Op den ontvangst van uw E: E: Achtb: veel geeerde schrij„ vens van den 12. februarij J:o, heb ik door den gesw: scriba deezes Comptoirs, ten overstaan van twee getuijgen in verzekering laaten neemen, en vervolgens ovschrijven de goederen van het opperhoofd van Iaggernaijkpoeram, den heer willem Hendrik van Bijland, welke alhier te vinden zijn geweest, waar van de Inventaris de eere hebbe uw E. E: Achtb: bij deezen aan te bieden, en voor 't overige mij met allen eerbied te onderschrijven /:onderstond/ E: E: Achtbare Heeren: uw E: E: agtb:s onderdanige en gehoorzame dienaar /:was getekend:/ P: d: Simons E: E: Agtbare Heeren! /:in margine/ No: 3. 275 /:in margine:/ Sadraspatnam den 20. Maart 1790. /:onderstond:/ Accordeerd :/ Getekend:/ P: d: Simons. Aan den wel Edelen Heer Jacob Samuel de Raeff voorzittend Lid, en de verdere Heeren leeden van den E: E: agtb: Raad van Iustitie des kasteels Geldria Palleakatta Ingevolge uw E: E: Achtb: begeerte bij briev: van den 27. April f:o om de goederen van waardlij van den koop„ man willem Hendrik van Bijland derwaarts over„ te zenden: laat ik thans per de chialoup de zeer ob uwE E: Achtb: toekomen. 1. Groote kist met boeken, en 2. kasjes met gecoleurde glaze kralen, zijnde de eenigste goederen van waardij, die onder zijn alhier gearresteerde ^vinden bezitting te zijn, behalven de deur en venster- kozijnen, mitsgaders Masthoutens de Eerste verklaarde den S:l Luitenant dratzier niet met zijn onderhebbende kieltje te kunnen overvoeren, en de andere dient tot een vlot gemaakt, en dat heen geborgteert te worden waar toe ik uw E: E: Achtb: nadere qualificatie versoeke. E: E: Agtbare Heeren! Ik en gines
English
No: 4 I have the honour to be with respect, Honourable, Right Worshipful Sirs, your Honours' humble and obedient servant. Was signed: I: d: Simons. In the margin: Sadras the 24. June 1790. Lower: Agreed. Signed: J: d: Simons. Today, the 14. May Anno 1790. I, Cornelis van Mispelaar, sworn clerk at this Office, assisted by the witnesses named hereafter, on the order of the Chief of this Office, repaired to the warehouse where the seized goods of Mr. Willem Hendrik van Bijland lie, and subsequently opened and inspected: 1. twenty-guilder chest, which was nailed shut and sealed, as also 2. small sealed chests No. 1. and 2., and found in the first various books and papers, and in the other various large and small yellow beads; whereof note is hereby kept for future evidence. Done Sadraspatnam In the Dutch Office, the date aforesaid, in the presence of the bookkeeper Matthias Hendrik Salder, and the free citizen Fredrik Erasmus Betger as witnesses. Was signed: C:s van Mispelaar, sworn Clerk. In the margin: In our presence. Signed: M: H: Salder, and F:r E:s Betger. Lower: Agreed. Signed: A: I: van Veen, sworn Clerk. No: 5. 276 Today, the 15. January Anno 1791. Appeared before me, Anthonij Iohannes van Veen, authorized clerk here, in the presence of the witnesses named hereafter, the under-chief peon Konerie Naijkier of the Wannia caste, aged 45 years, who, at the requisition of the merchant and Chief of this Office, Mr. Joan Daniel Simons, acknowledged and declared, as he does hereby, to be true and truthful: That the former Chief, Mr. van Bijland, at his Honour's departure from here, had entrusted to him, the deponent, the care of his goods left behind here. That of the said goods there had been successively sent away from here, namely: 1. A part shortly after the departure of the said Mr. van Bijland by 2 chelingas to Sadraspatnam; 2. A parcel of household furniture by the Company's sloop the Herstelling; per the abovementioned sloop, another and larger part, such as casks and cases with drinks, etc., which his Honour's writer Dirk etc., arriving here, had caused to be transferred from the warehouse into the house of Thomas de Lange; and finally, per the dhoni of Mr. Jopander to Jaggernaijkpoeram, all the woodwork, in the presence of his Honour's servant Wengadasselam Poele and peon Kistna. That when the remaining goods were seized here, and subsequently inventoried by the deceased clerk Cornelis van Mispelaar and witnesses, he, the deponent, was present by order of the Chief. That to his knowledge nothing was stolen on that occasion, but everything was recorded. That the last time, when the warehouse was opened and the goods were cleaned of white ants, he, the deponent, was likewise present and had seen that the aforesaid clerk van Mispelaar and the assistant Betger had taken some defective chairs and tables for their use, because their furniture had been sent away from here on account of the troubles. That the lock of the aforesaid warehouse, of which no one had the key, was opened each time by the blacksmith and closed again, as well as sealed by the clerk and witnesses. That the present Chief, Mr. Simons, neither at the inventorying nor after that time had been in the warehouse where the goods of Mr. van Bijland were stored, much less had taken or used anything from them, whatever it might be called. 277 Concluding herewith, the deponent declares this his given deposition to contain the pure and sincere truth, giving as reasons for his knowledge those in the text, remaining ready to confirm this further under oath if necessary or required. Thus done and declared in the Dutch Office Sadraspatnam, date as above, in the presence of Sergeant Hendrik Adolph Hoijer and the free citizen Seraphim Nicolao as witnesses. The minute of this is written on a twelve-stuiver stamp, and duly signed by the deponent, me the clerk, and the witnesses. Lower: Which I witness. Signed: A: I: van Veen, sworn Clerk. Today, the 16. January Anno 1791. Appeared before me, Anthonij Iohannes van Veen, authorized clerk at this Office, in the presence of the witnesses named hereafter, the deponent mentioned here above, to whom his aforesaid given declaration being clearly read and explained, he fully persisted therein, without desiring the least alteration therein, remaining ready to confirm this further under oath. No: 6. Thus done and reconfirmed at Sadraspatnam, date as above, in the presence of Sergeant Hendrik Adolph Hoijer and the free citizen Seraphim Nicolao as witnesses. Underneath: In Malabar characters the signature of the deponent. Lower: Known to me. Was signed: A: I: van Veen, sworn Clerk. In the margin: In our presence. Was signed: H: A: Hoijer and S: Nicolao. Today, the 17. January 1791. Appeared before me, Anthonij Iohannes van Veen, authorized clerk here, in the presence of the witnesses named hereafter, Thomas Gilles Helmich, citizen of this place, aged 32 years, who, at the requisition of the merchant and Chief of this Office, Mr. Joan Daniel Simons, declared to be true and truthful: That the deceased clerk Cornelis van Mispelaar had requested the deponent in the month of February of the past year to be a witness at the sealing and inventorying of the goods of Mr. Willem Hendrik, Count of Bijland. That
Dutch transcription
No: 4 Ik heb de eere met redpect te zijn /:onderstond:/ E: E: Achtb: Heeren: uw E: E: Agtb:r onderdanige en gehoorzame dienaar /:was getekend:/ I: d: Simons /:in margine:/ Sadras den 24. Iunij 1790. /:lager:/ Accordeerd /:gete„ kend:/ J: d: Simonsn. Op Heeden den 14. Meij A:o 1790. Heb ik Cornelis van Mispelaar gesw: scriba ten deezen Comptoir geassisteert met de natenoemene getuijgen, of ordre van het opperhoofd deezes Comptoirs, my begeeven na het pakhuijs alwaar de gearresteerde goederen van den Heer Willem Hendrik van Bijland leggen, en vervolgens geopend, en nagezien. 1. twintig guldens kist, die bespeickert en verzegelt was, Zoo meede 2. kleijne verzegelde kistjes N:o 1. en 2. , en bevonden in de eerste, diverse boeken en papieren, en in de andere diverse groote en kleene geele kraalen te weezen; waar van bij deezen aantekening werd gehouden ten blijke in der tijd. Actum Sadraspatnam In't Nederlands Comptoir Dato voorsz: ten bij weezen van den boekhoud:r Matthias Hendrik Salder, en den vrijburger Fredrik Erasmus Betger als getuijgen /:was getekend:/ C:s van Misselaar g: Scriba. /:In margine:/ ons present /:getekend:/ M: A: salder, en J:r E:s Betger. /: lager:/ Accordeert /:getekent/ A: I: van veen gesw:t Scriba. No: 5. 276 Op Huiden den 15. Januarij A:o 1791. ƒ Compareerde voor mij Anthonij Iohannes van veen geauthoriseerde scriba alhier, present de natenoemen getuijgen, den onder hoofd pion konerie Naijkier van de wanniadoe. Nataas kasta 45. Iaaren, dewelke ter re„ quisitie van den koopman en opperhoofd dezes Comptoir de heer Joan Daniel Simons, bekende en verklaar de, gelijk doet bij deezen, waar en waarachtig te weezen. dat het geweezen opperhoofd den heer van Bijland bij zijn E: vertrek van hier, aan hem attestant de sog had opgedlaagen over desselfs alhier agtergelatene goederen. dat van gemelde goederen successive van hier waa„ ren verzonden; als—. 1. / Een gedeelte kort na de afreize van gem: heer van Bij„ land met 2. Chalengen naar Palleakatta 2. / Een parthij Huijsraad met 'sComp:s chialoup de Hers„ telling per boven gem: Chialoup, Een ander en grooter gedeelte, als vaten en kassen met dranken en 13:, welke zijn E:s schrijver Dirk 13: /: hier aankomende :/ uijt het pak„ huijs in het huijs van Thomas de Lange had „doen overbrengen; En of laastelijk per den thonij van de heer Jopan„ der naar Iaggernaijkpoeram alle de houtwer„ ken, No: 5. gete„ ten toias, eerde. and w 4. ken, ten bijweeken van zijn E: dienaar wengadas„ Selam Poele en pion Kistna. — dat toen de overige goederen hier gearresteerd, en vervolgens door den overleden scriba Cornelis van Mitselaar en getuijgen geinventariseert wierden hij attestant op ordre van het opperhoofd er bij tegenwoor„ dig was geweest. Dat zijns wetens bij die gelegendheijd niets ontvreemt geworden maar alles opgeschreeven was —. Dat de laaste reis, wanneer het pakhuijs geoppend„ geweegt, en de goederen van witte mieren gezuijvert wierden, hij attestant insgelijks present geweest was, en gezien hadde, dat den voorm: Scriba van Mispe„ laar, en den assistent Betger eenige defecte stoelen en tafels tot hun gebruijk genomen hadden, wijl hunne meubelen mits de troubles van hier ver„ zouden waaren. —. dat het slot van voorm: pakhuijs /:waar van mengën sleuten hadele. telkens door den smit ge„ opent en weder toegeslooten, mitsg:s door den scriba en getuijgen verzegeld geworden was. —. Dat het tegenwoordig opperhoofd de heer Simons nog bij het inventeriseeren, nog na die tijd in het pakhuijs daar de goederen van den heer van Bij„ land ingeborgen zijn geweest was, veel min iets uijft dezelve, hoe genaamt, genomen of ge„ bruijkt G. 277 27 277 bruijkt hadde. Eyndigende hiermeede verklaart den attestant deeze zijn gegevene attestatie de zuijvere en opregte waarheijd te behelsen, voor reeden van wetenschap geevende als in den text, bereijd blijvende zulks des noods of gerequireerd werdende, nader wet Eede te bevestigen. Aldus gedaan en verklaart in het Nederlandsch Comptoir Sadraspatnam dato voor 13:, ter prezentie van den sergeant Hendrik Adolph Hoijer, en den vrijburger Seraxim Nicolao als getuijgen — de minute, deezes is geschreeven op een Zegel van twaalf stuijvers, en door den Attestant, mij scriba en de getuijgen, behoorlijk ondertekend /: Lager:/ 'T welke getuijgd /:getekend:/ A I: van Vee l g: Seribn. Op Huijden den 10:' Januarij A:o 1791. -. Compareerde voor mij Anthonij Iohannes van veen geauthoriseerde scriba ten deezen Comptoire, prezent de natenoemene getuijgen. den attestant hier boven gem: aan dewelke zijn voorsz: gegeevene verklaring duijdelijk voorgeleezen en te verstaan gegeeven zijnde, bleef hij daar bij ten vollen persisteeren, zonder daar in de minste veran„ dering te begeeren, bereit blijvende zulks na„ der met eede gestand te doch. Aldus gadas„ t No: 6. Aldus gedaan en gerecolleert te Sadaas„ patnam dato voorBz: ter prezentie van den Zergeant Hendrik Adolph Hoijer, en den vrijburger Seraphim Nicolaa als getuijgen /:onderstond:/ in mallabaarse. Carracters de handtee kening van den attestant /:Lager:/ In kennisse van mij /:was getekend:/ A: I: van veen geswoore scriba /:in margine. /:ons present /:was getekend:/ H: A: Hoijer. en S: Nicolai: Op huijden den 17:' Januarij 1791. Compareerde voor mij Anthonij Iohannes van veen geauthoriseerde scriba alhier present de nate„ noemene getuigen Thomas Gilles Helmich, Burger te dezer plaatse, oud 32. Iaaren, dewelke ter requisi„ tie van den koopman en opperhoofd dezes Comptois den Heer Ioan Daniel Simons, verklaarde waar en waaragtig teweezen. . 3 dat den overleden Scriba Cornelis van Mispe laar den Attestant in de maandt februarij des ge„ passeerden Iaars verzogt hadde om getuigen te wezen bij het verzegelen en Inventarisseren de goederen van den Heer Willem Hendrik Graaf van Bijland dat 1: ƒ
English
that the deponent, having accepted this, consequently, together with the assistant Fredrik Erasmus Betger, who at that time was not yet in the Company's service, had been present both at the sealing of the warehouse and at the recording of all the goods of the aforementioned Lord of Bijland; that since then the deponent had been present twice at the opening of the aforementioned warehouse, namely once during the dispatch of one large and two small sealed chests per the sloop De Zeerob to Palliacatta, and once during the opening, sweeping, and cleaning of the warehouse and the goods from white ants; that to his knowledge nothing was stolen therefrom, but everything had been properly recorded; that only on the last occasion the clerk Van Misselaar and the assistant Betger had taken some broken chairs and a table for their own use, because their furniture, due to the troubles, had been sent away from here; that as there was no key to it, the lock of the aforementioned warehouse was opened and closed each time by the blacksmith, and was likewise sealed with the seals of the clerk and the witnesses; that neither at the sealing and inventorying, nor afterwards at the opening of the warehouse, had the Lord Requiring Party ever been inside the same, and that to his knowledge His Honour had also taken nothing whatsoever of those goods, much less made use of them. Ending herewith, the deponent declares this statement of his to contain the pure and unvarnished truth, giving as reasons for his knowledge as stated in the text, remaining ready, if requested, to confirm this further with a solemn oath. Thus done and declared in the Dutch Trading Post of Sadraspatnam, dated as above, 13th, in the presence of Sergeant Hendrik Adolph Hoijer and the burgher Serafim Nicolao as witnesses. The original of this was written on a 12 stuiver stamp, and duly signed by the deponent, me the clerk, and the witnesses. Below stood: Which I attest. Was signed: A. J. van Veen, Clerk. On this day, the 18th of January, in the year 1791, appeared before me, Anthonij Iohannes van Veen, authorized clerk at this trading post, in the presence of the witnesses to be named below, the deponent mentioned above, to whom, his aforesaid given declaration having been distinctly read out, he fully persisted therein, without desiring the least alteration therein, remaining ready to confirm the same further under oath. Thus done and verified at Sadraspatnam, dated as above, in the presence of Sergeant Hendrik Adolph Hoijer and the burgher Serafim Nicolao as witnesses. Was signed: J. G. Helmich. Lower: In my presence, signed: A. J. van Veen. In the margin, also present, signed: H. A. Hoijer and S. Nicolao. On this day, the 17th of January, in the year 1791, appeared before me, Anthonij Iohannes van Veen, authorized clerk here, in the presence of the witnesses to be named below, Fredrik Erasmus Betger, junior assistant in the service of the Honourable Company, aged 28 years, who, at the request of the merchant and head of this trading post, Mr. Joan Daniel Simons, declared it to be true and truthful that in the month of February of the past year, when the deponent had not yet entered the Company's service, the recently deceased clerk Cornelis van Misselaar had requested him, together with the burgher Thomas Gilles Helmich, to be witnesses at the attachment and recording of the goods of Lord Willem Hendrik, Count of Byland; that accordingly the deponent had been present on all occasions that the warehouse, in which the aforesaid goods lie, was opened and closed by the aforementioned clerk, namely four times with the aforementioned Helmich, as follows: 1. at the sealing; 2. at the inventorying; 3. at the dispatch of one large and two small chests to Palliacatta; 4. at the sweeping and cleaning of the warehouse and the goods from white ants; and once with the bookkeeper Matthias Hendrik Salder, when the head ordered an examination to see whether there were any goods of value among them. That on that occasion there were opened and inspected one twenty-guilder chest and two small boxes marked No. 1 and 2, which were all nailed shut and sealed; that in the first there had been French books, and in the others glass beads, according to the note kept thereof on 14 May 1790; that into the above-mentioned first chest nothing further was inspected than the top layer or the books lying on top; that all aforesaid three chests were immediately nailed shut again and sealed with the seals of the clerk and witnesses, without anything having been stolen therefrom, much less from the other attached goods; that the Lord Requiring Party had never come or been into the warehouse where the goods of the Lord of Bijland lie, namely neither at the inventorying nor afterwards when the same was opened; that His Honour had much less taken or used anything whatsoever therefrom; that it was indeed true that on the last occasion, at the opening of the warehouse, the late clerk Van Misselaar had taken a triangular table, three broken chairs, and one ditto lantern, and the deponent a table and a small broken chair for their use, being accounted for as recorded, because they were in want thereof due to the sending away of their own from this place; that because there was no key to the warehouse where the goods lie, the lock of the same was opened and closed each time by the blacksmith, but at the same time was sealed with the seals of the clerk and the witnesses. Furthermore, the deponent declared that in the past year when the Company's ship from Batavia came to this roadstead
Dutch transcription
278 dat den Attestant zuks geaccepteert hebbende, dienvolgens nevens den Assistent Fredrik Caas„ mus Betger: /: die des tijds nog niet in 'sComp:s dienst was /: tegenwoordig was geweest zo wel bij het verzegelen van het Pakhuis, als bij het opschrij„ ven van alle de goederen van gem: Heer van Bijland. dat den Attestant zedert twee reizen present was geweest bij het openen van voorm: Pakhuijs, als Eens bij het verzenden van een grote en twe klene ver„ zegelde kisten per de chialoup de zeerob naar Palliacatta, en Eens bij het oppenen, vegen en Zuive„ ren van het pakhuijsen de goederen van witte mieren dat zijns wetens niets uit dezelve ontvreemt, maar alles behoorlijk opgeschreven was. —. Dat eenelijk de laaste reis den scriba van Mitpelaar en den Assistent Betger eenige defecte stoelen en tafel tot hun gebruik genomen hadden, uit„ hoofde hunne meubelen /:mits de troubelen:/ van hier verzonden waren. dat het slot van het meerm: Pakhuijs als daar toe geen sleutel gehadt hebbende, telkens door den smit geoppert en toegesloten mitsg:s met de Cachet ten van den scribba en getuigen verzegelt gewor„ den was—. dat nog bij het verzegelen en Inventarisseren, nog as„ nog naderhandt bij het oppenen van het pakhuijs den Heer Requirant nimmer in het zelve geweest was, en dat zijns wetens ZE: ook niets, hoe genaamt, van die goederen genomen, veel min Zicher van bedient hadde. Eindigende hiermede verklaart den Attestant deze zijne verklaring de zuivere en oprechte waarheit te behelzen, voor raden van wetenschap gevende als in den text, breidt blijvende zulks, des gerequireert werdende nader met solemneelen Eede te bevestigen- Aldus Gedaan en verklaart in 't Nederlands Comptoir Sadraspatnam, dato voor 13: ter presentie van den sergeant Hendrik Adolph Hoijer en den vrijburger Scraifin Nicolao, als getuigen, de minute dezes is geschreven op een Zegel van 12. Auiv:- en door de Attestant, mij scriba en de ge„ tuigen behoorlijk onder tekent /:onderstond:/ T twelke off tuijgelt :was getekend:/ A: J: van Veen Escribe. Op Huiden den 18. Januarij A:o 1791. G Compareerde voor mij Anthonij Iohannes van veen; geauthoriseerde scriba ten dezen Comp„ toire present de natenoemene getuigen; de Attestant hier boven gem: aan dewelke zijn voorsz: gegevene verklaring 279 2 No: 7. verklaring duidelijk voorgelezen zijnde bleef hij daar bij ten vollen parsisteren, zonder daar in de minste. verandering te begeren, bereit blijvende zulks nader met Eede gestand te doen . Aldus Gedaan en Gerecolleert te Sadras p=m dato voor B: ter presentie van den Sergeant Hendrik Adolph Hoijer, en den vrijburger Serafim Nicolao„ als getuigen /:was getekend:/ I: G: Helmick /:Lager:/ in kennisse van mij /:getekend :/ A: J: van veen /:in mar„ gine ondprezent /:getek:/ H: V: Hoijer en S: Nicolao:s Op Huiden den 17. Januarij A:o 1791. — Compareerde voor mij Anthonij Iohannes van veen g'authoriseerde scriba alhier, prezent de natenoemene getuigen, Fredrik Erasmus Betger, JI:o Assistent in dienst der E: Comp: oudt 28. Iaren, dewelke ter requi„ sitie van den koopman en opperhoofd dezes Comptoirs de Heer Ioan Daniel Simons, verklaarde waar en waarachtig teweezen dat in de maandt februarij des gepasseerden Iaars, toen den Attestant nog niet in 's Comp:s dienst getreden was, den Iongst over„ leden Scriba Cornelis van Misselaar, hem verzogt hadde, nevens den burger- thomas Gilles Helmich getuigen te wezen bij het arresteren en opschrijven & van de goederen van den Heer Willem Hendrik Graaf 1791. Graaf van Byland. dat dien volgens den Attestant tegenwoordig, was geweest, bij alle gelegenheden dat het pakhuijs, waar in de voorsz: goederen leggen, door voorn: scriba geopent en toegemaakt vrieadt, teweeten vier reizen met gem: Helmich; als —. bij het verzegelen „ „ inventariseeren „ „ het verzenden van een grate en twee klene kisten naar Palliakatta bij het vegen en Zuiveren van het Pakhais en de goederen van witte mieren; en Eens met den boekhouder Matthias Hendrik Salder doen het opperhoofd gelaste te onderzoeken, of er eeni„ ge goederen van waardij onder dezelve waaren. Dat bij die occagie geopenten nagezien was Een twintig guldens kist en twee kleene kasjes gem:t N:o 1. sent 2. die alle bespeikert en verzegelt waren. dat in de eerste fransche boeken, en in de andere glaze kralen waren geweest, sub daar van gehou„ dene Aantekening de 14. Meij 1790. -. dat in de boven gem: eerste kist niet verderinge zien was als de bovenste laag of de boven op leg„ gende boeken. Dat alle voorsz: drie kisten direkt weder. toe„ gespeikert en verzegelt waren geworden met de 4 cachetten. 1 2. 280 cachetten van den scriba en getuigen, zonder daar uit iets ontvreemt te wezen, veel min uit de anderen gearresteerde goederen. Dat den Heer Requirant nimmer in het Pakhuijs daar de goederen van den Heer van Bijland in leg„ gen, gekomen of geweest was, teweeten nog bij het Inventariseren nog nader handt toen het zelve gedpendt wierdt-. dat zijn E: veel min iets hoe genaamt er uit geno„ men of gebruikt hadde. dat het wel waar was, dat de laaste reis bij het oppenen van het Pakhuijs, wijlen den scriba van Misspelaar een drie kante tafel, drie defecte. stoelen en Een d:o Lanthaaren, mitsgaders den Attestant Een tafel en Een defecte stoeltje tot hun gebruik genomen hadden /:als opgeschreven wezende weder te verantwoorden, uit hoofde zij er gebrek aan hadden door de verzending der hunne van deeze plaats- dat vermits er geen steutel was van het Pakhuijs daar de goederen in leggen het slot van het zelve telkens door den smit geopent en toegemaakt, dog teffens verzegelt geworden was met de cachetten van den Scriba en de getuigen. Wijders verklaardle den Attestant dat in a:o p:r doo het Comp:s schip van Batavia k. dezer rhede ene de der
English
roadstead, he, alongside the sub-lieutenant Dratzier, had also gone on board in the company of the Requiring Party; that they had indeed eaten there, but no splendid banquet had been given; that except for the one boat with which the Requiring Party went on board with his company and came back to shore, no other had been to that ship, nor had any goods been discharged from that vessel, other than a few provisions consisting of potatoes, cheeses, hams, and coconuts. All of which the Deponent declared to contain the sincere and pure truth, giving as reason for his knowledge that which is stated in the text, remaining prepared, if necessary or if required, to confirm the same further with a solemn oath. Thus done and declared in the Dutch Office of Sadraspatnam, date as aforesaid, in the presence of Sergeant Hendrik Adolph Hoijer and the free burger Serafim Nicolao as witnesses. The minute of this is written on a 12-stiver stamp and properly signed by the Deponent, myself the Clerk, and the witnesses. Beneath stood: Which I witness; was signed: A: J: van Veen, Clerk. over 281 93 No 8. On this day, the 18th of January, Anno 1791, appeared before me, Anthonij Iohannes van Veen, authorized clerk at this Office, present the to-be-named witnesses, the Deponent mentioned above, to whom his aforesaid given deposition having been clearly read out, he fully persisted therein, without desiring the least change therein, remaining prepared to confirm the same further with an oath. Thus done and re-acknowledged at Sadraspatnam, date as aforesaid, in the presence of Sergeant Hendrik Adolph Hoijer and the free burger Serafim Nicolao as witnesses. Was signed: J:k E:s Betger. Lower: In my presence; signed: A: J: van Veen. In the margin: In our presence; was signed: H: A: Hoijer and S: Nicolao. On this day, the 15th of January, Anno 1791, appeared before me, Anthonij Iohannes van Veen, authorized clerk here, present the to-be-named witnesses, Seeg Marcair, Argattij or head of the boatmen here, of the Moorish caste, aged by appearance 50 years, who at the requisition of the merchant and head of this Office, Mr. Ioan Daniel Simons, declared to be true and truthful: that in the past year, when the Company's ship from Batavia came to anchor here in the roadstead, the weather being fine and calm, the head, Mr. Ioan Daniel Simons, went on board with a boat, and with His Honour the assistant Fredrik Erasmus Betger, the sub-lieutenant of the sloop De Zeerob, Dratzier, and the tindal of the boat De Schildpad named Malleappa; that on that occasion the Deponent, according to his duty, had also positioned himself as helmsman on the aforementioned boat; that besides this boat no other had been on board, nor had any goods been brought ashore from the aforesaid ship, other than only two canassers of potatoes, two cheeses, two hams, and some coconuts with husks by the frequently mentioned returning boat of the head. All of which the Deponent declared to contain the pure and sincere truth, giving as reason for his knowledge that which is stated in the text, remaining prepared, if required, to confirm the same further with an oath. Thus done and declared in the Dutch Office of Sadraspatnam, date as aforesaid, in the presence of the assistant Fredrik Erasmus Betger and Sergeant Hendrik Adolph Hoijer as witnesses. The minute of this is written on a 12-stiver stamp and properly signed by the Deponent, myself the Clerk, and the witnesses. Lower: Which I witness; signed: A: J: van Veen, Clerk. On this day, the 18th of January, Anno 1791, appeared before me, Anthonij Iohannes van Veen, authorized clerk at this Office, present the to-be-named witnesses: the Deponent mentioned above, to whom his aforesaid given deposition having been clearly read out and made understandable, he fully persisted therein, without desiring the least change therein, remaining prepared to confirm the same further with an oath. Thus done and re-acknowledged at Sadraspatnam, date as aforesaid, in the presence of Sergeant Hendrik Adolph Hoijer and the burger Thomas Gilles Helmich as witnesses. Beneath stood: the signature of the deponent in Malabar characters. Lower: In my presence; was signed: A: I: van Veen, sworn clerk. In the margin: In our presence; signed: H: A: Hoijer and T: G: Helmich. No 9. On this day, the 15th of January, Anno 1791, appeared before me, Anthonij Iohannes van Veen, authorized clerk here, present the to-be-named witnesses, Maken Markar, aged by appearance 50 years, Jaremierie Markar, 45, and Koene, 40 years, all three of the Moorish caste; Rama, aged also by appearance 30, Moeten, 27, and Tandeweraijen, 30 years, of the Mukkuva caste, all common boatmen, who at the requisition of the merchant and head of this Office, Mr. Ioan Daniel Simons, as with one mouth acknowledged and declared, as they do hereby, to be true and truthful: that in the past year, when the Company's ship from Batavia came to anchor here in the roadstead, the weather being fine and calm, they, with some other boatmen, had rowed the boat with which the above-mentioned head went on board and traveled back to the shore; that with the same boat had also gone the assistant Betger, and the sub-lieutenant of the sloop De Zeerob at that time lying here in the roadstead, as well as the tindal of the boat De Schildpad; that besides this one boat no other had been on board, nor any goods from
Dutch transcription
rhede kwaam, Hij nevens den sout Luitenant Dratzier, mede in gezelschap van den Heer Requi„ rant aan boort gegaan was —. dat men daar wel gebeten hadde, dog gein„ perachtige gastmaal gegeeven was. —. dat buitende eene chaling waar meede den Heer Requirant met zijn geselschap naar boort ging en weder aan de wal kwam, geen ander aan dat schip geweest, nog eenige goederen uit dien bodem ontlost was, als eenige wijnige provisien; bestaande in aar tappelen kazen, hammen en klappers. — Al het welke den Attestant verklaarde de op„ rechte en zuivere waarheit te behelsen, voor reden van wetenschap gevende als in den text bereit blijvende zulks, des noods of gerequireert wer„ dende, nader met solemnelen Eede te bevestigen. Aldus Gedaan & verklaart in het Nederl=d Comptoir Sadaaspatnam dato voorsz:, ter Prezentie van den Zergeant Hendrik Adolph Hoijer, en den vrijburger. Serafim Nicolao, als getuigen, de minutie dezes is gesz: op een Zegel van 12. stuiv:s en door de Attestant, mij Scriba en de getuigen behoorlijk ondertekent /:onderstond:/ 't welk getuigdt /:was geteekent /: A: J: van ven Esschiba. over 281 93 No 8. Op Huiden den 18. ' Januarij A:o 1791. Compareerde voor mij Anthonij Iohannes van Veen geauthoriseerde scriba ten dezen Comptoire, pre„ zent de Aatenoemene getuigen, de Attestant hier boven gem: aan dewelke zijn voorsz: gegevene. n verklaaring duidelijk voorgelezen zijnde bleef hij daar bij ten vollen prasisteren, zonder daar in de minste verandering te begeren, bereit blij„ vende zulks nader met Eede gestandt te doen. —. Aldus Gedaan en Gerecolleert te Sadrat J=n dato voor B: ter prezentie van den Zergeant Hendrik Adolph Hoijer, en den wijburger seratim Nicolao: als getuigen /:was geteekend:/ J:k E:s Betger /:Lager :/ Inkennesse van mij /:geteekend:/ N: J. van Veen /:Jnmargine /: ons„ prezent /:was getekend:/ H: A: Hoijer, en S: Nicolai. —. Op Huiden den 15. Januarij A:o 1791. Compareerde voor mij Anthonij Iohannes van Veen„ geauthoriseerde scriba alhier, prezent de natenoeme„ ne getuigen, seeg Marcair, Argattij of hooft der chalengeniers alhier, van de Moorsch kasta oud naar aanzien 50. Iaren dewelke ter requisitie van den koopman en opperhoofd dezes Comptoirs den Heer Ioan Daniel Simons verklaarden waaren waaragtig teweezen. ij te teweezen. —. dat in A:o passato doen het sComp:s schip van Batavia hier ter rhede ten anker kwam, mooij en bedaart weer zijnde, het opperhoofd den Heer Ioan Daniel Simons met een Chaling naar boort gegaan was, en met zijn Ed: de assistent fredrik Erasmus Betger de Zous Luitenant van de chialoup de zeerob dratzier en Sandel van de boodt De schildtpadt gen:t Malleappa dat bij die gelegenheit den Attestant, volgens zijn verligt, mede zich als roerganger geplaatst hadt op voorm: chaling - Dat behalven deze chaling geen ander aan boort geweest was, nog eenige goederen uit voorsz: schip aan de wal gebragt heldt, als eenlijk twee kanassers aartappelen, twee kasen, twee stammen en eenige klappers met basten per meerm: retournerende chaleng van het opperhoofd. Al het welke den Attestant verklaarde de Zui„ vere en oprechte waarheit te behelsen, voor reden van wetenschap gevende als in den text bereit blijvende zulks, des gerequireert werdende, nader met eede te bevestigen —. Aldus gedaan en verklaard in het Neder„ landsch comptoir Sadraspatnam, dato voorsz: der Prezentie van den Assistent Fredrik Erasmus 2823 Erasmus Betger en den Zergeant Hendrik Adolph Hbijer als getuijgen; de minute dezes is geschreven op een zegel van 12: Av:s en door de Attestant, mij Scakba en de getuigen behoorlijk ondertekent. /:Lager:/ 'T welk Getuigdt /:getek=d/ A: J: van vean GsCriba Op Huiden den 18 ' Januarij A:o 1791. Compareerde voor mij Anthonij Iohannes van Veen geauthoriseerde scriba. ten dezen Comptoire pre„ zent de natenoemene getuigen: den Attestant hier boven gem: aan dewelke zijn voorsz: gegevene verklaring duidelijk voorgelezen en teverstaan gegeven zijnde, bleef hij daar bij ten vollen per„ sisteren, zonder daarin de minste verandering te begeren bereit blijvende zulks nader met eede gestandt te doen. —. Aldus gedaan en gerecolleert de Sadras p:r dato voorsz: ter prezentie van den Zergeant Hen„ drik Adolph Hoijer en den burger Thomas Gilles Helmich als getuigen &/:onderstond:/ in mallabaarse Carracters de handteekening van den attestant /:Lager :/ In kennisse van mij /:was„ getek:d:/ A: I: van Veen geswoorescriba /:in„ margine ontpresent /:getekend:/ H: A: Hoijer en I: G: Helmich. op nader der„ voors: ik N:o 9. Op Huiden den 15. ' Januarij A:o 1791. O Compareerde voor mij Anthonij Iohannes van veen„ geauthoriseerd scriba. alhier, present de natenoemene getuigen Maken Markar oud naar aanzien 50. Jaremierie Markar 45. en koene 40. Iaren, alle drie van de Moorsche kaste, Rama oudt mede naar aanzien 30. „ Moeten 27. en Tandeweraijen 30. Iaren van de Makkawasche kaste, alle gemene chalingeniers, dewelken ter requisitie van den koop„ man en opperhooft dezes Comptoirs den Heer Ioan Daniel Simons, als uit eenen monde bekenden en verklaarden, gelijk doen bij dezen, waar en waaragtig tewezen —. dat in A=o passato toen het sComp:s schip van Ba„ tavia hier ter rhede ten anker kwam, mooijens bedaart weder zijnde, zij met nog eenige an„ dere Chalengeniers de chaleng waarmede het bovengem: opperhoofd naar voortging en weder na de wal voer, geroeit hadden. dat met dezelfde chaleng mede gegaan waren de Assistent Betger, en den Sohs Luite„ nant van den des tijds thier ter rhede leggende chaloup de zeerob, mitsg:s de Tandel van de boodt de schildtpadt- Dat buiten deze eene Chalong geen andere aan boort geweest was, nog eenige goederen int
English
283 were unloaded from the ship, except only with the aforesaid returning masula boat of the chief, two canassers with potatoes, two cheeses, some hams, and coconuts with husks. Ending herewith, the deponents declared this their given attestation to contain the pure and sincere truth, giving as reason of knowledge as in the text, remaining prepared, if required, to further confirm the same by oath. Thus done and declared in the Dutch trading post of Sadraspatnam, date as aforesaid, in the presence of the assistant Fredrik Erasmus Betger, and the sergeant Hendrik Adolph Noijer as witnesses, the minute of this is written on a stamp of 12 stuijvers and duly signed by the deponents, me, the clerk, and the witnesses. Below: Which testifies. Was signed: A: J: van Veen, sworn clerk. Today, the 18th of January Anno 1791. Appeared before me, Anthonij Iohannes van Veen, authorized clerk at this trading post, present the witnesses to be named hereafter, the deponents mentioned hereinabove, to whom their aforesaid given declaration having been clearly read out and made understandable, they fully persist therein, without desiring the least change therein, remaining prepared to further confirm the same by oath. Thus done and reviewed at Sadraspatnam, date as aforesaid, in the presence of the sergeant Hendrik Adolph Hoijer and the burgher Thomas Gilles Helmich as witnesses. Below stood: In Malabar characters the signature of the deponent. Below: Known to me. Was signed: A: J: van Veen, sworn clerk. In the margin, in our presence. Was signed: H: A: Hoijer, and T: G: Helmich. Agrees A: Dorninck Sworn Clerk. 284 You, having been stationed as clerk at Iaggernaykpoeram for some years, and therefore being deemed not to be ignorant of that which is customary and in use there for the well-being of the Honorable Company, item of that which occurred and happened there in the last days of your presence with the former chiefs van Aalm and van Someren on the one side, and the elected chief van Bijland arrested there on the other side, at least since the arrival of the last-mentioned and until the time of your departure hither, even so much so that, according to what appears from the papers, you were employed as mediator in one or another point of dispute; you are hereby ordered, concerning that which may serve me for some elucidation in the inquiry demanded of me in that regard, and from all that your knowledge and acquaintance affords, to draw up and submit to me a pure, sincere, and truthfully drafted report, First Sworn Clerk Ian Obdam Report 1 No. 7 and report, by which I may see what is known to you regarding the possibility or impossibility in question of uniting the Mazulipatnam merchants with the Iaggernaijkpoeram merchants, the taking of costumado monies by the chiefs, the coining of the dubs, the reduction of the value of the same, and how one must understand that obscure matter, showing what damage is suffered thereby by the Company and the public; in a word, of everything which, after inspecting the points of accusation of the one against the other, your memory and awareness in that regard dictates to you, such that, whenever it might be required, you will be able to confirm your report by oath. Pallekatta, the 10th of November 1748. Was signed: Iacob Eilbracht. Agrees J: Dorninck Sworn Clerk 285. No. 8 To the Right Honorable Sir Iacob Eilbracht Senior Merchant and Governor of the Coromandel Government, with the dependencies thereof, etc. etc. Right Honorable Sir, It has pleased Your Right Honorable to order me, as former clerk of Iaggernaijckpoeram, under the favorable presumption of being as such not ignorant of that which is customary and in use there for the well-being of the Honorable Company, item of that which occurred and happened in the last days of my presence there with the former chiefs, the gentlemen van Halm and van Someren on the one side, and the elected chief arrested there, the gentleman van Bijland, on the other side, this since the arrival of the latter until the time of my departure hither, considering regarding this last that it appeared from the papers that I was employed as mediator in one or another point of dispute, by written order dated the 10th of this month, to submit to Your Right Honorable, concerning that which may serve the same for some elucidation in the inquiry demanded in that regard of Your Right Honorable, and from all that my knowledge and acquaintance affords, a pure, sincere, and truthfully drafted report wherein Your Right Honorable can see: Firstly: what is known to me regarding the possibility or impossibility in question of uniting the Masulippatnam merchants with the Iaggernaikpoeram merchants. Secondly: what regarding the taking of customado monies by the chiefs. Thirdly: regarding the coining of the dubs, the reduction of the value of the same, and how that obscure matter must be understood, showing what damage is suffered thereby by the Honorable Company and the public. Fourthly: of everything which, after inspecting the points of accusation of the one against the other, my memory and awareness dictates to me in that regard; all this under the restriction that, whenever it might be required, I shall be able to confirm my report by oath. To comply with this according to requirement and conscience, I consider
Dutch transcription
283 uit het schip ontlost zijn geworden, als eenelijk met de voorsz: rctournerende Chaleng van het opperhoofd twe kanassers met aartafpelen, twe kazen, eenige Hammen en klappers met basten. —. Eindigende hiermede verklaarden de Attestanten deze hunne gegevene attestatie, de zuivere en oprechte waarheit te behelsen, voor reden van wetenschap gevende als in den text bereid blijvende zulks des gerequireert werdende, nader met Eede ge„ standt te doen. —. Aldus Gedaan en verklaart in 't Neder„ landsch comptoir Sadraspatnam, dato voorsz: ter presentie van den Assistent fredrik Erasmus Betger, en den Zergeant Hendrik Adolph Noijer als getuigen, de minute dezes in geschre„ ven op een zegel van 12. stuijv:s en door den Attestanten, mij Scriba: en de getuigen behoor„ lijk ondertekent. /:Lager :/ 'T welk Getuigdt /:was getekend:/ A: J: van veen Gscriba. Op Huiden den 18e Januarij A:o: 1791. Compareerde voor mij Anthonij Iohannes van veen geauthoriseerde scriba ten dezen Comptoire, pae„ sent de na tenoemene getuijgen, de Attestanten hier boven gem: aan dewelke hunne voorsz: gegevene gegevene verklaring duidelijk voorgelezen en te bleven verstaan gegeven zijnde, zij daar bij ten vollen persisteren, zonder daar inde minste verandering te begeren bereit blijvende zulks nader mit eede gestand te doen Aldus Gedaan en Gerecolleert te Sadras„ patnam dato voorsz: ter presentie van den ser„ geant Hendrik Adolph Hoijer en den bur„ ger. Thomas Gilles. Helmich als getuigen /:on„ der stond :/ In mallabaars Carracters de handsee„ kening van den attestante /:Lager:/ Inkennisse van mij /:was getekend:/ A: J: van Veen, ge„ swoore scriba /:Jn margine onspresent /:was ge„ tekend:/ H: A: Hbijer,/ en J: G: Holmish. Accordeerd e A Dornieuk Seswe Clercq. 284 UE:, als scriba eenige Iaaren te Iaggernayk poeram zynde bescheijden geweest, en oversulks geoordeelt wordende niet onkundig te zijn in het geen aldaar tot wel zijn van de E: Compagnie gebruijkelijk, en in utantie is, item van het geen 'er in de laaste dagen van U aan zijn, aldaar is voorgevallen en gepasseerd met de geweezene opperhoofden van Aalm en van Someren ter eenre, en het aldaar gearresteerde geeligeert opperhoofd van Bijland ter andere zijde, immers sedert des laast gemelde aankomst, en tot de tijd van U vertrek het„ waarts, zoo zelfs dat UE:, na het geen bij de pa„ pieren blikt in een of ander point van verschil geemploijeert zijt geworden als mediateur; word mits deeze gelast, van het geen mij dienen kan tot eenige Elucidatie in de mij gedemandeerde enqueste derwegen, en van al wat uw kennis en kundschep opleevert, optemaaken, en aan mij interichten een zuijver, opregt, en na waarheijd ingestelt Eerste Geswooren klerk Ian Obdam bericht 1 No. 7 ende bericht, waar bij ik kan zien, wat UE: bekend is no„ pens de in questi zynde mogelijk= of onmogelik„ heijd tot het vereenigen van de Mazulipatnam, sche met de Iaggernaijk poeramsche kooplieden, het neemen van Costumado penningen door de opperhoofden, het munten der Daboesen, verminderen der waarde van dezelve, en hoedanig men die duijste„ re zaak moet begrijpen, onder vertooning welke schaade daar door bij de Comp:e, en de gemeente word geleeden; in een woord, van alles, wat, na het inzien der pointen van beschuldiging van den een tegen den anderen, u geheugen en bewustheijd derweegen U dicteert sodanig dat UE: wanneer het mogt worden gerequireert, U bericht met Eede zult kunnen bevestigen Pallekatta den 10 November 1748: /:was /getekend:/ Iacob Eilbracht/./ Accorbeerd J Dorniink Jopep= lercq 285. No. 8 ƒ Aan den wel Edelen Agtbaeren Heer acob Eilbracht opperkoopman en Gesaghebber van 't Cormandels Gouverne„ ment, met den Resorte van dien Etc: Etc: Wel Edele Agtbaren Heer Het heeft uwel Edele agtb: behaagd mij, als ge„ weesen scriba van Iaggernaij Apoeram in gunstige voor onderstelling als soodanig niet onkundig te sijn van het geene, aldaar tot wel zijn van dE: Compagnie gebruijkelijk en in usantie is, Item van het geene in de laaste daagen van mijn aan zijn aldaar is voor gevallen en gepasseerd met de geweesen opperhoofden, de Heeren van Halm en van someren ter eenne, en het aldaar gearresteerd g'eligeerd opperhoofd de Heer van Bijland ter andere zeijde, dit sedert des laastens aankomst tot de tijd van mijn vertrek herwaards, aangemerkt omtrend dit laaste, dat bij de papieren bleek, dat ik in een of ander poinct van verschil gelmploi„ eerd eerd ben geworden als mediateur, bij schriftelijke ordonnantie de dato 10. deeser te gelasten, van het geene wel deselve dienen kan tot eenige Elu„ cidatie in de aan uw welEdele agtb: derweegen gedemandeerde enqueste, en van al wat mijn ken„ nis en kundschap opleverd, aan wel deselve in„ terighten een suijver, oprecht en nawaarheid in gesteld bericht bij uwel Edele agtb: kan sein. — Voor Eerst: wat mij bekend is nopens de inquesti sijnde mogelijkheid of onmogelijkheid tot het ver„ eenigen van de Masulippatnamse met de Iagger„ „naikpoeramse kooplieden Ten Tweeden: wat van het neemen van Custumada pen„ ningen door de opperhoofden Ten derden: van het munten der dabboesen vermin„ deren der waarde van deselve, en hoedanig die duij„ stere saak moet begreepen worden. onder vertooning welke schaade daardoor bij d E: Comp: en de gemeente. word geleeden Ten vierden, van alles wat, na het insiender Poinc„ ten van beschildiging den een teegenden anderen, mijn geheugen en bewustheid derswegen dicteerd dit alles onder restrictie, dat ik, wanneer het mogt werden gerequireerd, mijn Bericht met Eede sal kunnen bevestigen. Hier aan na verEijsch en gemoede te voldaan con„ sidereere
English
I consider, and I hoped that your Honourable Worship, after inspecting this Report, would also graciously be pleased to do so with me, a very delicate matter, which must absolutely expose me to the state and persecution of one or the other of the disputing parties and interested persons herein; yet considering the obedience which I, following my recently taken oath of obedience, owe to your Honourable Worship as my lawful master, and the loyalty which I am obliged to my Lords and masters, both requirements which absolutely demand the setting aside of all private interests, and especially the fear of discovering the truth, so I shall strive according to my ability to comply with his aforementioned highly esteemed order, nevertheless respectfully invoking beforehand the capable protection of your Honourable Worship, if in time any persecutions should be inflicted upon me on this account, directly or indirectly. Article 1. Concerning what is known to me regarding the questioned possibility or impossibility of uniting the Masulipatnam merchants with the Iaggernaijkpoeram merchants, I testify: That the Iaggernaijkpoeram merchants, after the arrival of Mr. van Bijland, meeting his Honour and speaking about the trade, made their complaint regarding the losses that they presently suffered therein, both on the Inzaam and on merchandise received on advance, and that they had no means, due to the dearness of white piece-goods, to get the losses on their trade reimbursed, as did the dealer in patterned goods, whose purchasing was not situated so badly, since these ordinarily remained at the old prices, that is, as they were before the war, because the Company, in the assortments it demands thereof, does not have such fellow traders as in the white piece-goods. That his Honour, recounting this to me, and at the same time his opinion that the complaints of these people seemed reasonable to him, and that a middle way ought to be found in this regard which brought both teams to an equal expectation of profit and loss, remarked: that a proportionate distribution of disadvantageous merchandise to these traders, who were suffering losses even on the Inzaam, alongside the merchants drawing profit therefrom, was improper and partial. That his Honour, consulting me about this and about what expedient might be devised to remove this difference, I, calling to mind the letter written by the late Honourable Commander Blaaukamer to the gentlemen chiefs at the beginning of the restoration of the trade, namely to try on a suitable occasion to unite both teams, brought this up and proposed it to his Honour as a middle way in this matter; and as a second, if the first could not succeed, to give preference to the Iaggernaijkpoeram merchants with advances in cash, especially in proportion to the coarse piece-goods they had to deliver, because on these they have a substantial loss at the present time. The proposal of unification appearing most suitable to his Honour, his Honour requested me to provide further explanation regarding Mr. Blaaukamer's intention. At the time I had the administration of the gentlemen chiefs, I also had this letter in the separate correspondence file with the Commander in my possession; and making my reflections and committing to paper by way of a memorandum whatever could serve the benefit of the Honourable Company there at the factory, I had also treated this matter very fully therein, with the insertion of an extract of that letter insofar as it pertained to this matter. This now being opportune, I spoke with Mr. van Bijland about this in great detail, and his Honour requesting a copy of this extract from me, I had the same copied into his secret memorandum or plan of administration, which I myself, at his Honour's request and based on the information gathered by his Honour, put into writing, not suspecting that by providing this disclosure to an incoming chief who consulted me on the Company's affairs, I violated any confidence of the outgoing gentlemen chiefs, and also being firmly convinced that Mr. van Bijland, as soon as he had some light on the matters, would indeed address himself to Mr. van Halm to ask to what extent attempts had been made to fulfill Mr. Blaaukamer's desire in this regard, and why this had not succeeded with the onset of the trade; and just as I firmly believed, this also happened, and Mr. van Halm, speaking to me afterwards about the unification, again brought up this writing, though I do not know whether Mr. van Bijland received inspection, a copy, or an extract thereof; and seeing in hindsight that they did not come forward with it, I had second thoughts about my delivery of the extract, namely whether Mr. van Halm might have reasons not to bring up this matter, and might take this amiss of me upon discovery.
Dutch transcription
286 sidereere ik, en hoofde ik dat uwel Edele agtb: na insiening van dit Bericht, met mij sulks ook wel gunstiglijk sal gelieven te doen, een seer teedere zaak, die mij absolut aan de staat en vervolgsugt van den een of ander der twistende. parthijen, en hier bij belang hebbende persoonen moet blootstellen; dan overwegende de obedientie die ik, na nog Jongst gedaane Eed van gehoorsaam„ heid uwelEdele agtb: als mijnen, wettigen gebee„ der verschuldig, en de Trouwe welke ik aan mijne Heeren en meesters verplicht ben, beide requisiten die absolut vorderen ter seijde stelling van alle particuliere insigten, en wel voor al. vreese om de waarheid te ontdeeken, soo sal ik na ver„ moogen tragten aan voorsz: Hoog desselfs geerd bevel te voldoen, onder Eerbiedige inroeping egter voor af vermoogende Protexie van uwelEdele agtb: soo in der tijd eenige vervolgingen mij desweegen t direct of indirect mogten dverden aangedaan. Art: 1. wat mij bekend is nopens de inquesti. sijn de mogelijkheed of onmogelijkheijd tot het vereenigen van de Masulipatnamse met de Iaggernaijkpoe„ ramse kooplieden betuijge ik Dat de Iaggernaikpoeramse kooplieden na des Heer van Bijlands arrive sijn Edele ontmoe„ tende en spreekende over den Handel, hun beklag deeden con„ deeden weegens deschaadens die sij daar in voor het tegenwoordige leeden, soo op den Inzaam als Coopmanschappen die op verstrekking kreegen, en dat Te wegens de duurte der witte Lywaaten geen weg hadden om de nadeelen op de handelw haaren vergoed te krijgen, soo als de handelaar der gesaaijde goederen met welkers inkoop het 300. slegt niet geleegen was, alsoo die ordinair op de oude prijsen bleeven, dat is als ze voor den oorlog waaren, uijt hoofde de Comp:e in de sortementen die Te daar van vorderd, soo geen meede handelaars heeft, als in de witte Lywaaten Dat syn Edele mij dit verhaalende, en tevens desselfs gevoelen dat de klagten van deeze menschen hem redelijk voorquamen, en dat hier omtrend een middel weg dien„ de gevonden te werden, die de beijde ploegen op eene ƒ egaale verwagting van winst en schaade bragt remarqueerende: dat eene evenreedige verstrek„ king van nadeelige koopmanschappen aan deeze op den Inzaam selfs nadeel leijdende handelaars met de daar in winst trekkende kooplieden oneijgen en parciaal was Dat sijn Edele mij daar over Consulteerende en wel welk Expectient tot wegneeming van dit ver„ schil soude uijt te denken weezen, ik, mij daar op te binnen 287 binnen brengende het schryven door wylen den Agtbaren Heer Gezaghebber Blaaukamer aan de Heere opperhoofden in 't begin van het herstel der handel, om namelyk bij goede gelegenheijd te trachten de beide prloegen te ver„ eenigen, haalde dit op, en stelde sijn Edele sulx voor als een middel weg in deezen, en tot een tweede, soo de eerste niet lukken konde, om de Iaggernaij kpoeramse kooplieden bij verstrekking in kontant te preffereeren voor al na maate sij groove Lijwaalen moesten leveren want op deese hebben se een wesentlijk verlies in de te„ genwoordig tijd. Het voorstel van vereeniging zyn Edele het Convena„ belst voorkomende, verzogt zijn E:d: mij hier omtrend meerder uijtlegging van des heer Blaaukamers Inten„ tie te geeven Ten tijde ik de beschryving der Heeren opperhoofden had, had ik ook deeze brief in de apparte Correspon„ dentie bondel met den Heer gezaghebber onder mij, en mijn reflexietien wel maakende, en bij wijse van memorie ten papiere brengende, wat al tot nut van d'E: Com„ pagnie daar ten Comptoire konde strekken, soo had ik deeze zaak daar in ook zeer ampel verhandeld, met insertie van Extract dier brief, voor zoo verbe sulx deeze zaak aanging, dit nu te passe komende, sprak ik met de heer van Bijland hier over zeer omstandig, en sijn Edele mij van dit Extract afschrift verzoekende liet lief ik het selve uijt kopieeren in desselfs geheime me„ morie of plan van regeering, die ik op sijn Edele ver„ soek en opgave van bij sijn Edele genomene informa„ tien, selve heb in geschrift gebragt, niet vermoedende dat ik met deeze opening te geeven aan een aankomend opperhoofd, die mij in 's Comp:s zaaken Consulteerde eenig vertrouwen der Heeren afgaande opperhoofden schond, en ook vast stellende dat de Heer van Bij„ land sig desweegen, soo dra eenig ligt van zaaken had, wel by de Heer van Halm addresseeren zoude niet te vraagen in hoe verre getragt was des Heer Blaau kamers begeerte daar in te voldoen, en waarom dit met den aandang van den Handel met gelukt was; en even soo als ik vast stelde, is dit ook geschied, en heeft de heer van Halm daar na mij spreekende over de vereeniging, nog dit schrijven opgehaald, dog ik weet niet dat de Heer van Bijland daar visie, Copia, of Extract van ge kreegen heeft, en ik van agteren siende dat men daar meede niet te voorschijn quam, kreeg na denken over mijn afgave van Extract, en wel, of de Heer van Halm reeden mogende hebben om deeze zaak niet optehaalen, mij dit bij ontdekking qualijk mogte
English
might take, as I also realized all too well afterwards. Regarding now the possibility or impossibility of this union, I judged, and so did the Lord van Bijland understand it at the time, that it was the precise opportunity to bring this about, seeing that the Mazulipatnam merchants had such great arrears, and the Iaggernaijkpoeram ones none of importance, so his Honour's intention was to propose this to the Mazulipatnam merchants, and in case of unwillingness, to cause their debt to be counted into the cash box properly, alongside the Iaggernaijkpoeram merchants, before any trade was begun with them. Upon this, his Honour said he would let them deliberate for a while, and see what could be worked out in such a manner; it was also his Honour's intention, if this came to a conclusion, to make them all bind themselves jointly in solidum for the arrears, to which burden he would have tried to bring the Iaggernaijkpoeram merchants, considering the greater arrears of the Mazulipatnam ones, under the representation of the greater profits which they, sharing in the sown goods, would have to expect, in comparison with the collection only of the white linens. Thus around the middle of January his Honour began this undertaking, probing first Batjoe Truvengalom, who is virtually the head of the faction of the sown goods; he gave a refusing answer with all sorts of pretexts, of which the principal ones were that it had never been thus, and that it would be very strange that the one should lay claim to the other's profits because they had losses. This merchant came to me once during that time of negotiation, and speaking of various matters, he asked me whether it was the Lord van Bijland's positive intention to unite the two factions. Whereupon I, in order to give the matter some weight, gave him as answer that it appeared so, and he asking me further whether his Honour had orders to that effect, I said I did not know this, but certainly that this had already previously been the desire of the government: to which he said in turn that he would take good care that this should happen, for he would oppose it with all his might, with which this conversation also ended. — The Lord van Bijland continuing his negotiation with Trievengalom, this merchant finally said that it was not his business alone, but that his Honour should be pleased to negotiate with the merchants jointly about it. The Lord van Bijland requested, or had the Lord van Halm requested by a message, to give orders that the merchants should come to him jointly, in order to negotiate with them. The merchants then also came to his Honour's house, and his Honour negotiated with the Masulipatnam ones jointly concerning the union; this happened on the 1st of February. After the negotiation, the Lord van Bijland came over to me, and told me that he had very good expectations of succeeding in his intention, that the merchants had indeed raised the trifling difficulties, that such had never been a custom, that another had no right to claim to share in their profits because they suffered losses, and such more, but that they would come the day after tomorrow to state what they might still have to object, and that they would then sign the agreement. After these words to me, his Honour went directly to the Lord van Halm, and did not stay there long. While the aforesaid negotiation took place at the house of the Lord van Bijland, I was with the Lord van Halm, and his Honour speaking to me about it again, said then quite expressly: I am well content that it be concluded, I shall not be against it, nor meddle with it; whereupon I said that it would be a great security for his Honour himself regarding the important arrears, if both factions came to bind themselves jointly in solidum for the whole. In the same manner I also spoke about it with the Lord van Someren, who also said that he was well content with it. But when I came to the Lord van Bijland towards the evening, his Honour told me that matters stood completely awry, that the Mazulipatnam merchants, after he had been with the Lord van Halm, had been there and had made their complaint that the Lord van Bijland sought to persuade them against their will to unite with the Iaggernaijkpoeram merchants, that they had now escaped this with a promise to consider it, and to bring a decision the day after tomorrow, since tomorrow was not a good day, and that they had simultaneously declared to the Lord van Halm that they had made no promise to sign the agreement, and that they would not proceed to do so either. I thereupon pointing out to the Lord van Byland that it might easily be that his Honour had misunderstood the people, his Honour gave me assurance that it was not so, repeating their Portuguese words to me, and let his servant come in, who confirmed this, and promised himself to gather further certainty thereof that evening. I met the Lord van Halm the next day, and his Honour then recounted to me that the Lord van Bijland had come yesterday, and had said that the Mazulipatnam merchants had given their word to the union, but that on the contrary these merchants had met his Honour afterwards and had said that it was not so, his Honour also saying that this union would not take place as long as he was at the post, for he did not want any revolt or desertion at the post, which, however, he greatly feared from such a manner of dealing with novelties by the Lord van Bijland. The
Dutch transcription
288 mogte neemen, soo als ik dit daar na ook maar al te wel ontwaarde Belangende nu de mogelykheijd of ommogelykheyd tot deeze vereeniging oordeelde ik, en soo bevatede den Heer van Bijland het ook het toen de Iuyste gelegendheyd om dit te bewerken, gemerkt de Mazulipatnam sche kooplieden soo groote agterstallen hadden, en de Paggernaijk„ poeramse geene van aanbelang, des was sijn Edele voorneemen de Mazulipatnamsche kooplieden dit voor te stellen, en bij onwilligheijd om hun schuld als behoord, nevens de Iaggernaijkpoeramse kooplieden in Cas te doen tellen, voor met hun eenige handel begon. Hier op seijde sijn Edele se wat te sullen laaten delibereeren, en sien wat 'er op so„ danig een wijse uijt te werken was; ook was zijn Edele voorneemen soo dit tot Conclusie quam se alle te samen voor de agter stallen in solli„ duin te doen verbinden tot welke beswaar hij de Iaggernaijkpderamsche kooplieden gemerkt de meerdere agterstallen der Mazuli„ patnamse soude getragt hebben te brengen onder voorhouding van de meerdere voordeelen die sij in de gezaaij de goederen deelende, souden te wagten hebben hebben, bij vergelijk van den Inzaam enkel der witte Lywaaten Zoo omtrend medio Ianuarij begon zyn Edele met poesende Eerst Batjoe Truven„ deeze onderneeming galomn, die soo goed als hoofd van het Complot der ge„ saaijde goederen is, deeze gaf onder aller hande uijt„ vlugten waar van de principaalste waaren dat dit nooijt soo geweest was, en dat het seer vreemd soude weesen, dat den eenen regt op des anders voordeelen soude maaken, om dat sij schaaden hadden, een afslaand antwoord. Deeze koopman quam in die tijd van onderhande„ ling, eens bij mij, en over differente saaken affreekende, vroeg hij mij of de heer van Bijland positief voor„ neemen soude weezen, de beyde verloegen te vereenigen. waar op ik, om de saak eenig klem te geeven, hem ten antwoord gaf, dat het soo scheen, en mij ver„ der vraagende of zijn Edele daar toe order zoude hebben! seyde ik, sulx niet te weeten, maar wel dat dit al van voor heen de begeerte der regeering was: daar hij weder op zeide, dat hij wel oppassen soude, dat sulks geschiede, want dat hij 'er sig met al sijn vermo„ gen tegen versetten soude waar meede dit gesprek ook 289 ook eijndigde. — De Heer van Byjland sijn onderhandeling met Trieven gal om voortsettende, seide deeze koopman eijndelijk, dat het sijn saak niet alleen was, maar dat zijn Edele met de kooplieden gesamentlyk daar over geliefde te handelen. De Heer van Bijland versogt, of liet door een boodschap de Heer van Halm versoeken, order te geeven dat de kooplieden gesamentlijk bij hem quamen, om met hun te handelen. De kooplieden sijn daar op dan ook bij sijn Edele aan huijs gekomen, en sijn Edele heeft met de Masulipatnam se gesamentlyk over de vereeniging gehandeld, dit gebeurde den 1:e februarij Na de onderhandeling quam de Heer vann Bij„ land bij mijn over, en seijde mij dat seer goede ver„ wagting hadde in sijn voorneemen te sullen slaagen, dat de kooplieden wel de beuselagtig swarigheeden geoppeerd hadden, dat sulke nooijt een gebruyk was geweest, dat een ander geen regt had te preten„ deeken in hunne voordeelen te deelen, om dat sy schaaden leeden, en dergelijke meer, dog dat se over„ morgen komen soude, om te seggen, wat se nog souden hebben in te brengen, en dat ze dan de overeen„ „ komst komst tekenen soude. Na dit gesegde aan my ging zijn Ed: direct na de heer van Halm, en bleef daar niet lang Terwijl voormelde onderhandeling ten huijse van de heer van Byland voorviel was ik bij de heer van Halm, en syn Edele mij weder daar over spreekende, seijde toen nog wel uijtdrukkelijk: Ik mog wel leijden dat ik zal er niet tegen weezen, nog Te Concludeeren my meede bemoeijen, waar op ik zeijde, dat het voor zyn Edele zelve een groote seekerheyt soude weezen om„ trend de importante agterstallen, soo beijde ploegen hun gesamentlijk voor het geheel in solidum quamen te verbinden. Op deselve wijse heb ik met de heer van someren daar over meede gesprooken, die ook seijde dat hij het wel heijden mogt. Dan ik tegen den avond bij de Heer van Bijland koomende, seijde syn Edele mij dat de saaken gansch verkeert saten, dat de Mazulipatnamsche kooplieden, na hij bij de heer van Halm geweest was, daar geweest waaren, en haar beklag hadden gedaan dat de Heer van Bij„ land hen sogt te persuadeeren tegen haar sin tE vereenigen met de Iaggernaykpoeramsche kooplieden, dat Te dit nu ontgaan waaren met belofte van haar te sullen bedenken, en overmorgen, uijl 't morgen geen goede 290 goede dag was, uijtsluijtsel te brengen, dat ze tevens aan de Heer van Halm gedeclareerd hadden geen toe segging van teekening der overeenkomst gedaan te heb„ ben, en dat ze daar ook niet toe souden overgaan Ik daar op de heer van Byland voorhoudende dat het gemakkelijk weezen konde dat zyn Edele de menschen qualijk verstaan hadde, deed sijn Edele mijn verseekering van neen; seggende mij haare por„ 1 ƒ tugeesche woorden na, en liet desselfs dienaar binnen komen, die dit bevestigde, en beloofde self dien avond nog meerder verseekering daar van op te haalen. Ik ontmoete des anderen daags de heer van Halm, en sijn Edele verhaalde mij toen, dat de Heer van Eyland gister gekomen was, en gesegd had dat de Mazulipatnamsche kooplieden hun woord tot vereeniging gegeeven hadden, dog dat daar en teegen 8 deeze kooplieden sijn Edele daar na ontmoet en gesegd hadden dat sulks soo niet was, zeggende sijn Edel tevens dat deeze vereeniging soo lange hij op „ niet de plaats was geschieden soude, want dat geen op„ stand of uijtwijking op de plaats wilde hebben voor welt egter, door soo een handelwijze met nieuwigheeden van de Heer van Bijland seer vreesde. De
English
The day having arrived, being 3 February, on which the lord van Bijland expected the merchants for further negotiation, I well know that the interpreter and brahmin were at his Honour's house for that purpose, that his Honour had drafted an act of agreement, which he had the Company's interpreter or brahmin write in the Gentoo language, and that the merchants did not come, but I have no knowledge of the sending of peons and chobdars. However, Daatje Truvengelom, who always had 5, 6, and more peons armed with swords around, before, and behind his palanquin, arrived that morning with an unusually larger guard, and went directly to the lord van Halm, from where he returned around noon, and entered the village through the street of the merchants. Shortly thereafter, I saw the merchants together, that is, the Masulipatnam ones, going to the lord van Halm with a strong guard of such armed peons on both sides, who, having been there for a short time, came back again. On the morning of the 4th it was already whispered that the merchants would flee, and towards evening one also heard that they had indeed fled. On the afternoon of the 5th I was summoned to the lord van Halm, and arriving there found the lord van Someren, secretary van Hoet, the Company's interpreter, and brahmin, and Baatjoe Truvengalom, and the lord van Halm ordered me to draw up a letter by way of a protest to the lord van Bijland, which I then put into writing according to the statement of his Honour and the intention of the lord van Someren. This is all that I can recall at present regarding the incident at the attempted union of the merchants by the lord van Byland, and as far as the possibility or impossibility of it is concerned, I must testify in good conscience that I had great expectations of it, if Baatje Trievengalom, head of the faction of the Masulipatnam merchants, had not found so much direct protection with the lord van Halm, with whom he was also virtually the chief servant, in his stated objection, but rather a cooperation to bring the matter about, considering the importance of the arrears of these merchants, who were nevertheless unable to count out the same in cash, as the order dictates, and thus, if the matter had been pressed with some seriousness, would have proceeded to embrace this as the readiest means for making a transfer, and also because of the compliant nature of most of those merchants, with the exception primarily of the aforesaid Baatje Truvengalom, who is a man obstinate, stubborn in his intentions, and of a very enterprising nature. On the second requisition, namely, what I know of the taking of Costumado moneys by the chiefs, this serves: that from conversations with the merchants, and others having knowledge of these matters, I know very well that Costumado moneys have been demanded; that it is customary of old for the merchants to contribute something of the kind to the lords chiefs and other persons cooperating therein for their admission. That the merchants complained about this this time, considering the more disadvantageous condition of the times than before, and especially against the contribution of this offering within too short a specified time, but that I dare not estimate the amount of the total, and of each of the interested parties in particular, preferring to leave this to 12 merchants the givers, 12 kanakapillais who keep their accounts separately, and 8 kanakapillais who keep their accounts by shifts, as well as the Company's interpreter and brahmin, that is 28 people, who I presume know this thoroughly, and upon separate inquiry cannot fail to bring the reality of this to light. On the third article of the ordinance, that is, of the minting of the dubs, the reduction of their value, and how that obscure matter must be understood, showing what damage is suffered thereby by the Honourable Company and the community. The minting of the dubs was introduced at Jagannathapuram in 1752 or 53, and the price was set at the still current 168 pieces per Negapatnam pagoda; the Madras three-swami pagoda, which throughout the entire north, alongside rupees, is the sole circulating coin, was then exchanged for 190 dubs, and thereafter at that time the price regulation of 168 per Negapatnam pagoda, which is fully 17½ per cent less in value than the aforesaid Madras three-swami pagodas, was established by the Honourable Company, so that the servants upon the disbursement of dubs: Madras three-swami pagodas calculated at 17½ per cent comes to . . . . . . . Dubs 197. — and the exchange rate thereof is - - - - „ 270 —. so the lesser subtracted from the greater results in a loss for the servants and cashier on each Madras 3-swami pagoda of - - - - Dubs 73 —. — Concerning now the reduction of their value, this I know has taken place, beginning with June or July 1788, and running to May or June 1789, and the reduction took place gradually from 3 or 4 to finally 10 to 12 per cent, more or less equal with the dubs coming in from outside and circulating. Notwithstanding this reduction in the value of the dubs, the Honourable Company retained the old profit on the minting, and it has never appeared to me that it benefited from the additional dubs that thus came out of a bhar of copper, but the servants lost by it again, though not of great consequence, only that whereas they received the Company's dubs, which for wages etc. maintained the previous weight, they spent them, upon exchange into pagodas, at 4 to 5 dubs less per Madras 3-swami pagoda than the circulating light dubs, so
Dutch transcription
De dag gekomen weesende, sijnde den 3. februarij dat de heer van Bijland de Kooplieden tot nader onderhandeling verwagte, weet ik wel dat de tolk en bramine daar toe bij zijn Edele aan huijs sijn ge„ weest, dat sijn Edele een vereenigings acte geconci„ pieerd had, die door sComp:s toek of bramine in 't sentiefsch heeft laaten schrijven, en dat de koop„ leeden niet syn gekomen, dog van het senden van pions en sjobdaars heb ik geen kennis. Maar Daatje Truvengelom die altoos 5; 6, en meer pions met swaarden gewapend, om, voor en agter sijn palenquin had, quam dien morgen met ongemeen meer wagt over, en ging sodanig direct na de heer van Halm, van waar hij omstreeks mid„ dag weder te rug quam, en het dorpinging door de straat, der kooplieden. kort daar na sag ik de gesamentlijke koop„ lieden /. de Mazulipatnamsche / met een sterke wagt van sodanig gewapende pions aan weers sijde na de Heer van Halm gaan, die daar een korte poos geweest zijnde weder te rug quamen Den 4. e voormiddag wierd bereeds gemompeld P. ƒ dat de kooplieden uijtwijken souden, en sagtermid„ dags hoorden men ook, dat se wesentlijk uijtgeweeken waaren 291 waaren Den 5:e snamiddags wierd ik by de heer van Halm ontboden, en vond daar komende de Heer van someren, scriba van Hoet, 's comp„s Tolk, en bra„ mine, en Baatjoe Truvengalom, en ordonneerde de Heer van Halm mij een brief bij wijse van Pro„ test te vervaardigen aan den Heer van Bijland die ik dan ook na opgave van sijn Edele, en de Heer van Somerens intentie in schrift bragt. Dit is alles wat ik mij thans kan te binnen brengen nopens het voorval bij de ondernomene ver„ eeniging der kooplieden door de heer van Byland en wat belangd de mogelykheijd of onmogelykheyd daar toe, soo moet ik in gemoede betuijgen dat ik 'er groote verwagting van had, soo Baatje Trievengal om hoofd van het Complot der Mazuli„ patnamsche kooplieden, bij de heer van Halm bij wien hij ook soo goed als hoofd dienaar was, in sijn opgegeven beswaar, direct niet soo veel protexie gevonden had, maar wel een meede wer„ king om de saak tot stand te krijgen, gemerkt de Importantie der agterstallen van deeze Mar„ chiandeur, die tog onvermogen waaren dezelve in Cas te tellen, als de order dicteerd, en dus wel, soo de de saak met wat ernst aangedrongen wierd, over„ gegaan souden hebben, dit als het gereedste middel voor het doen van Transport, te amplecteeren, en ook om de meede gevende in borst van de meeste dier koop„ lieden hier van voor al uijtgesonderd, voorsz: Baatje Truvengalom, dat een man is, eijgensinnig, steijfhoof dig in syn voorneemens, en van een seer onderneemende aard Op het Tweede requisit, te weeten: wat ik weet van het neemen van Costumado penningen door de opper hoofden diend: dat ik uijt Conversatien met de kooplieden, en andere van deeze saaken kennisse hebbende, seer wel weet, dat Costumado penningen gevorderd sijn; dat het van ouds het gebruyk is dat de kooplieden voor hun admissie soo iets aan de heeren opperhoofden en andere hier toe meede wer„ kende persoonen opbrengen. Dat de kooplieden deeze keer hier over gemort hebben, gemerkt - de meer nadeelige gesteldheijd van tijden als voor heen en wel voornamelijk tegen het op brenger deezer offerte in te kort bepaalde tijd, dog dat ik de hoe veel heijd van het generaal, en van ieder der belang hebbers in 't bijzonder niet durf begrooten, laatende dit lie„ ver over aan 12. kooplieden de geevers, 12. kanna „ kappels 292 kappels, die hunne reekeningen afzonderlijk en & Cannacappels die hunne reekeningen by ploegen hou„ den, mitsgaders 's Comp:s Toek en bramine, dat zijn 28: menschen, die ik voor onder stel dat dit gron„ dig weeten, en by afsonderlijk informatie niet kunnen missen het weezentlijke hier van te voor„ schijn te brengen Op het derde Lid der ordonnantie, dat is, van het munten der daboesen, verminderen der waarde van dezelve, en hoedanig die duijstere saak moet begreepen werden onder vertooning welke schaade E daar door bij d'E: Compagnie en de gemeente word geleeden. Het Munten der dabboesen is geintroduceerd op Iaggernaijk poeram 1752. of 53. , en de prijs gesteld op de nog voortloopende 168: stuks per Nagapat„ namsche Pagood, de Madras drie beeldige pagood die over de geheele noord, nevens ropijen enkel de roulleerende munt is, wierd toen gewisselt tegens 190 daboesen, en daar na is te dier tijd de prijs reguleering van 168. p:r nagapatnamse Pagood die 17½. prC.:to ruijm minder in waarde is, als voorsz: Madras 36. pagoden bij d'E: Compagnie gedaan, des de dienaaken bij de verstrekking van dabboesen Madraschie drie beeldige pagoden gereekend tegen 17½. prCento komt op. . . . . . . . Dabb 197. — en de wissel kours daar van is - - - - „ 270 —. des het mindere van het meerdere getrokken komt verlies voor de dienaaren en kassier op ider Mad:te 3. beeldige pagood - - - - Dabboesen 73 —. — Belangende het verminderen nu der waarde van dezelve Dit weet ik heeft plaats gehad, aanvang neemende met Iunij of Iulij 1788:, en loopende tot Meij of Iunij 1789. , en de vermindering is geschied gaande weg van 3. of 4. tot laastelik 10 â 12. prC:to min of meer„ egaal met de van buijten inkomende en roulleerende daboesen. Ongeagt deeze vermindering van waarde der daboesen, bleef d'E: Compagnie bij het oude voor„ deel op de vermunting, en is mij nooijt gebleeken dat 3e bevoordeeld wierd voor de meerdere daboe„ sen, die sodanig uijt een bhaar koper quamen, dan de dienaarden verlooren daar bij weder, dog niet van groot aanbelang, en kel dat daar ze de Compagnies daboesen die voor gage ensz: kreegen toen die de voorige swaarte hielden, die uijtgaven bij verwis seling tot pagoden, 4 â 5. dabboes minder per madras 3. b: pagood, als de roulleerende ligte dabboesen, soo
English
so they subsequently had to exchange or spend the depreciated Company's daboeses with this loss, that is, at the same rate as the circulating ones coming in from outside. That was the loss on the one hand regarding this lesser value of the Company's daboeses; but on the other hand, the servants and the community in general suffered losses when purchasing provisions, etc. in retail. For everything was weighed out there at retail sale by daboeses, and the order upon the shopkeepers reads to do this with the Company's daboeses, that is, 64 pieces per cheer. Since these daboeses were now so much lighter, 64 pieces of such daboeses were consequently so much percent lighter than an old or real cheer, and one thus received that much less in goods purchased for the household, which was then a profit for the shopkeeper or storekeeper. However, the servants and others who were able to do so protected themselves against this by saving old daboeses, or by obliging the shopkeeper to bring them when provisions were purchased; but the common man, who had to buy his daily necessities in small quantities at the bazaar, was not covered against this. This, Honorable Right Venerable Sir, is the damage that the servants and the community came to suffer from the lesser value of the Company's daboeses. Now, in order to report to the Honorable Right Venerable regarding the fourth requisite ordinance of everything that, after inspecting the points of accusation, the one says against the other, as my memory and consciousness dictate to me in this regard, I insert, so as to proceed herein as regulated and defined as is possible for me, the points of accusation of the one against the other as they were prescribed for inquiry by the Coromandel Government to the gentleman commissioners, the chiefs at Jaggernaikpuram, by Memorandum of the 27th of February, and answer them according to my best knowledge of matters, namely: Points of the Heer van Bijland against the Heeren Chiefs van Halm and van Someren: That the Heer van Halm refused to hand over authority is fully known to me, for His Honor himself said to me when speaking of these matters that, even though he had already made the transfer, he would hold the authority until he stepped into the palanquin or went out of the village, since this pertained to him as the superior in rank. I cannot testify whether this proceeded from such a precaution as is stated here, but I can testify that it was murmured by this and that person that they could not get their money from His Honor. First: that the outgoing chief van Halm had refused to hand over the authority to the incoming chief, in order to prevent the inhabitants from coming to complain about him, and that he would not be forced to pay his debts. Regarding the plot of the Jaggernaikpuram people, I cannot say what was sought in the last days of my stay, for in the latter part of January they were arrested before my eyes in the gallery before his house within the garden. The first day and night I know that they remained there under a strict guard, without being allowed to go eat, but subsequently they received permission to do this pair by pair with two peons, always remaining, however, in their detention at night. This continued still when I departed, which was the 3rd of March. As the reason for this arrest, the chiefs gave that they did not want to sign their final account. The merchants said on the contrary that they were not credited in the final account for the textiles which the Heeren chiefs had taken from the Company's assortment for their own use, item cash and spices by order to the Heer van Halm under Triwengalom, and that their accounts on the contrary were burdened with entries that they were not obliged to pay then. Among these they said were the so-called costumados. That tyrannical rule is exercised over the Company's merchants by extorting the so-called costumados for him, the chief, and others who have drawn from them, and that the account of the merchants is also burdened therewith to the prejudice of the Honorable Company. Regarding the scolding, they never complained to me about the Heer van Halm; they did say that His Honor became angry quickly. But they did complain about the Heer van Someren, that he did this at the slightest displeasure. Regarding the arrest that appears in this article, I have given my testimony on article 1, and concerning the final account, I know very well that they, the merchants, closed it with a debt of between 7 and 800 pagodas, for at their request I once examined it myself. The chiefs, on the contrary, balanced it with fully 4000 pagodas. That the chief scolded the merchants, and arrested them without eating or drinking in the interpreter's gallery, because they had refused to sign the final accounts drawn up by the chiefs, as the same was not in conformity with that of the merchants, whereby it was shown that they, after deducting the further delivered goods, their outcasts, and the remainder among the washers, are still indebted for: Pagodas 2835. 22. 30. From which is still to be deducted that which both chiefs are in their debt to the amount of: Pagodas 1922. 21. 60. The remainder is: Pagodas 13. 1. 10. Also two of these merchants, named Bolla Prezadoe, Wenkela Narsoe, and Kala Raijappa, complain that on their accounts was placed the debt of: Pagodas 1413. ƒ 10. Carried forward.
Dutch transcription
294 soo moesten se de verminderde 'sComp. s daboesen na„ derhand met dit verlies trouqueeren of uytgeeven dat is gelijk met de roulleerende van buijten inko„ mende, dat was het verlies aan de eene kant bij deeze mindere waarde van 's Comp. s daboesen, maar over een andere boeg verlooren de dienaaren en de gemeente, daar bij in 't generaal bij inkoop van provisien ensz: in 't klijn. want alles werd daar ter plaatse bij verkoop in 't klijn toegewogen bij daboesen, en de order op de boutikiers luijd, van dit met 'sComp:s daboesen te doen, dat is 64. stux p„r cheer, dan deeze daboesen nu soo veel ligter weesende, waaren gevolgelijk 64. stuks sulke daboesen soo veel p=r C:t ligter als een oud of weezen„ lijk Cheer, en kreeg men dus soo veel minder aan whaaren die men voor de huijshouding in kogt, dat dan een winst voor den boutekier of winkelier was, egter de dienaaren en andere die het doen konden roede hun daar voor, met oude dabboesen te bewaaren, of den boutikeer te verpligten die te brengen wanneer men provisie inkogt, maar de gemeene man, die dagelijks bij kleijn zij benodigdheid op de basaar moest inkoo„ „pen Dat de heer van Halm geweijgerd heeft „pen, was daar voor niet gedekt. Dit is de schaade wel Edele Agtbare Heer, die de dienaaren en de gemeente bij de mindere waarde van sComp:s daboesen quamen te leijden Om nu wel Edele Achtb: bericht te geeven op de ordonnantie Vierde requisit van alles wat, na het insien der pointen van beschuldiging, den een tegen den anderen sagt mijn geheugen en bewustheijd mij derweegen dicteerd; zoo zeggen om 't laast insereere ik om hier in soo gereguleerd en bepaald te sjandezij nagt sonderte gaan als mij mogelijk is, de Poincten van beschul„ permissie blijvende diging van den een tegen den ander soo als die door de Continuae EMaart Cormandelsche Regeering de Heeren gecommitteerdens hoofden wilde te Saggernaija poeram bij Memorie van den 27 ste niet die de gebruijk februarij ter ondersoek zijn voorgeschreeven, en be„ Cerijen Tiwer antwoord die na mijn beste kundschap van en teegen verpligt zaaken; namelyk se dat Omtrend klaagt syn Ed. heer tit die slo schuld kening op artic Poincten van de heer van Bij„ land tegen de Heeren opperhoof der van Halm en van Someren het gezag overtegeeven is mij volkomen be„ Eerstelijk: dat het afgaande opperhoogfd kend, want dit heeft syn Ed: mij over de saaken spreekende selfs gezagd, dat kan niet quam gemom wijl hem tot dat geld van Schoon van zelfs op schoon gen in dit op soldeer 295 schoon al transport deed, het gezag soude houden tot dat in de sleng stapte, of het dorp uijtging wijl hem als meerder in qualiteit sulx toequam. Ik gemompeld wierd door deeze en geene, dat ze hun kan niet betuijgen of dit uijt sodanig een voorzorg voort„ quam als hier opgegeeven werd, maar wel, dat 'er geld van zijn Edele niet krijgen konden. van Halm aan hem aankomend opperhoofd geweijgerd had, het gezag overtegeeven, om te preveni„ eeren dat de inwoonders over hem soude komen klagen, en dat hij niet zoude werden gedwongen ter betaaling zijner Schulden dat over 'sComp:s kooplieden de sogt kan ik in de laaste dagen van mijn verblijf niet zeggen omtrent het complot der Paggernaijkpoeramse, want in tiranicque regeering word geEx„ 't laast van Ianuarij zyn ze voor mijn oogen gearresteerd in de sjaaderij voor zijn bas: huijs binnen de thuijn de Eerste dag en nagt weet ik dat ze daar bleeven - onder een strikte wagt, cerceerd door het afpersen der sonder te mogen gaan eelen, maar vervolgens kreegen se blijvende egter altoos 'snagts in hunne detentie, dit 1 soo genaamde Costumados voor permissie dit te doen paar aan paar met twee prons Continueerde nog toen ik vertrok, welke was den 3:e hoofden op dat ze hunne afrekening niet tekenen hem opperhoofd, en andere, die Maart. Voor reeden van dit arrest gaven de opper„ wilde — de kooplieden zeijde deiar en teegen dat haar daar van getrokken hebben, en dat niet in afreekening wierd goed gedaan de lijwaaten die de Heeren opperhoofden uijt 's Comp„s sorteering tot de reekening der kooplieden daar „gebruijk genomen hadden, item contanten en spe„ cerijen op ordre aan de heer van Haalm onder Triwengalom, en dat hunne reekeningen daar en teegen beswaard waaren met posten, die ze niet meede is beswaard tot prejuditie verpligt waaren toen te betaalen. hier onder heijden van d E: Compagnie se dat Costumados waaren Dat het opperhoofd de kooplieden Omtrend het uijtschelden hebben se my nooijt ge„I. klaagt over de Heer van Halm; sij zeijden wel dat heeft uijtgescholden, en sonder Eeten sijn Ed: spoedig drift wierd. maar wel over de heer van someren, dat deeze op 't minste ongenoe„ of drinken in de touterwals sjau„ gen dit deed. Belangende de arresteering die in dit articul voorkomt, heb ik mijn betuijging op articul 1. gedaan, en Conserneerende de afree„ kening, waat ik seer wel dat zij kooplieden bij hun derie gearresteerd, om dat zij die slooten met tusschen de 7. en 800 pagoden geweijgerd hadden de door de schuld, want op hun versoek heb ik ze eens zelfs opgenomen. De opperhoofden daar en teegen soldeerden die met 4000. pagode, ruijm opperhoofden 0 „ hoogd opperhoofden geformeerde afreekenin„ gen te tekenen, alsoo dezelve niet Conform die der kooplieden was, waar bij aangetoond werd dat zij na aftrek van het nader geleverde haare uijtschotten en restant onder de wassers nog schuldig sijn. . . . . . . . . Pag: 2835. 22. 30. waar van nog de„ trakeeren het geene de beijde opperhoofden aan hun debet zijn ten emport van - - - „ 1922. 21. 60. des rest . . . p. 13. 1 . 10. Ook klaagen twee dier marchiandeurs in na„ me Bolla pregadoe wenkela narsoe ker den en kala raijappa pres ram dat er op hunne reeke„ ningen gesteld was, de schuld pa/o 1413. ƒ 10: Transporteere da Soo
English
296 Debt of the suppliers Dewarpa Camaija and Sjekka Wenkaija, in whose place they had succeeded as merchants, to the sum of 134. 7. 20., although they had been assured in writing of the contrary. Wherefore, deducting the same, they should not owe more than p a/o 778. 17. 78. While according to the statement given by the chiefs to van Bijland, those merchants are still indebted to the Company for Pag: 3122. 2 7/8. 4th. That the merchants actually serving are not merchants, but that those appearing on the books are children. Regarding some, this is so. For of those of the sown goods, Baatje Wengadasselam is the actual merchant; this is certainly a youth who is big and old enough to carry on trade, yet his father Cabelnaboedoe appears mostly in the trade. Baatje Balaramaija is a merchant, big and old enough to trade, but his brother Truvengalom appears mostly. Mamedie Enketa Kistna is a merchant. This man resides at Palikol; his younger brother Mamedie Souraija conducts the trade. Wenketa Bagie Riddij is a merchant; this is a little boy of 10 to 12 years or slightly more; his father or uncle Iunoerie Sarasoe conducts the trade. Sjoendoekie Kistnaija is a merchant, but not capable of trading, being somewhat confused in mind; his affairs are managed by his brother Daaserie Aija. Of the white linens: Pondoprool Wenketerayjtloe is a merchant. This is a youth over 20 years old; his brother, the Pollapalam renter Pindaprool Ramaija, conducted the trade for him for a long time, but in the latter period of my stay, he traded himself. Bolla Peggada Enketa Narsoe trades himself; Kalraij Appa also; Sodda Medla Mangaija likewise. Bandaar Wiereesje is a child; his father, who was formerly a merchant and had now only had the trade registered in his son's name, manages the affairs. Kokka Riddij manages his affairs himself. Yet regarding this, it should be noted that it is an old custom for the father to have his son, and an older brother to have his younger brother, registered as a merchant, in order not to be obligated to a new admission upon the death of the eldest. And living in community of property, the one is liable for the other. Brought forward: pa/o 1113. 1. 10. 5th. That Baatje Balaramaija had to pay richly for his appointment, to whom and how much, and that he has neither house nor yard on the Company's territory, but resides with his brother Baatje Triwengalom, who is renter and regent of Kakinada. Of this extraordinary payment I know nothing. I also do not know whether he has a separate house or yard on Iaggernaijkpoeram territory, but I know very well that he does not reside there, but rather with his brother Triwengalom at Kakinada. 6th. That the merchants have been forced to take over private goods, such as corals etc., from van Halm, so that his speculative trade might turn out well, and that he takes the cash for them from the Company's treasury, just as if they had been advanced to the merchants. That the merchants received corals from Mr. van Halm, I know, and this was to supply linens on a contract entered into with the French. But I do not know that such was given as an advance for the Company's delivery. I do know, however, that some of the merchants took these corals reluctantly out of anticipation of loss. 7th. That a trading venture of 80 bhars of copper was to take place under false names, which, for the sake of a speculative trade to Jaffanapatnam, is in great danger due to the passing of the monsoon. These 80 bhars of copper were supplied to Baatje Triwengalom; whether directly for his or another's account, I do not know. And Baatje Tewangalom also delivered rice to Messrs. van Halm and van Someren, which was partly sold there and partly sent to Jaffanapatnam with a thonij and Mr. van Halm's sloop. The first departed late in January, when the winds already began to blow variably, and the latter around mid-February, which also had a long voyage. 297 8th. You will need to inquire into the state of the accounts of the Masulipatnam merchants, as van Bijland accuses the chiefs that their private accounts are mixed in there as well, and that it is framed in the same manner as that of the Iaggernaijkpoeram merchants, of which mention was made previously under No. 3. I had little conference with the Masulipatnam merchants, and thus do not know how they stood with their accounts; but that customs duties were deducted from them as well as from the Iaggernaijkpoeram merchants, I know by common rumor and manifold complaints made by some who occasionally came to me and spoke about the disadvantageous state of the trade. 9th. The incoming chief complains that he is kept in the dark about everything, so that he is not even called to the sorting of the goods. Mr. van Bijland arrived on 28 December and asked Mr. van Halm that very day when he would receive the transfer. His Honour promised this within a few days, because due to the delayed trade work of Mr. De Ravallet, Mr. van Someren could not yet proceed, as he had no proper remnants from August. These days having passed, Mr. van Halm himself requested me to persuade Mr. van Bijland to exercise a little more patience, which I did, and it had a good effect. The first disclosure that Mr. van Bijland received, to my knowledge, was on 25 January, for I then handed him the merchants' account in Mr. van Halm's name, asking whether he was inclined to take upon himself, together with Mr. van Someren, the arrears of pag: 11732. r:m. 10th.
Dutch transcription
296 Schuld der Leveranciers Dewarpa Camaija, en Sjekka Wenkaija, in welkers plaats zij als kooplieden waaren gesuc„ cedeerd ter somma van „ 134. 7. 20. schoon hun schriftelijk ver„ sekerd was van het tegendeel. Weshalven sij dezelve de trahee„ rende niet meer schuldig sou„ den zijn dan - - - - - - - - - p a/o 778. 17. 78 va Terwijl volgens opgave door de opperhoofden aan van Bij„ land die marchiandeur aan de Compagnie nog schul„ „dig zijn - - - - - - - _ - Pag: 3122. 2 7/8 Dat de werkelijk dienst doende 4 kooplieden geen kooplieden maar Omtrend eenige is dit zoo. want van die o der gezaaijde goederen is Baatje wenga„ dat die bij de boeken loopen, kin„ dasselam de wezentlijke koopman dit is zee„ ker een Iongeling die groot en oud genoeg is om den handel te drijven, egter zijn vader Cabelnaboe deren zijn. presenteerd meest in den handel - Baatje Bala ramaija is koopman, groot, en oud genoeg om te handelen, dog zijn broeder Iruvengalom 1 3 Mamedie Enketa kistua is koopman. deeze is woonagtig op Palikol- sijn Ionger broeder presenteerd meest. Mamedie Souraija neemt den handel waar Wenketa Bagie Riddij is koopman; deeze is een Iongetje van 10 â 12. Iaaren of iets meer„ zij vader of Oom Iunoerie Sarasoe neemt den haddel waar Sjoendoekie kistnaija is koopman, dog niet in staat tot den handel, als weezende wat verward van sinnen, sijn saaken worden gederigeerd door zijn broeder Daaserie Aija van de witte Lywaaten Pondoprool wenkete rayjtloe is koopman. Dit is een Iongeling over de 20 Iaaren„ P„r Transport pa/o 1113. 1. 10. zyn 10: ƒ zijn broeder den Pollapalamse pagter Pinda prool Ramaija heeft lange tijd voor hem den handel waargenoomen, dog in de laaste tijd van msijn verblijf, vareerde hy selver Bolla Peggada Enketa Narsoe. Deez handeld selver kala raij appa ook„ Sodda medla Mangaija meede. Bandaar Wiereesje is een kind; syn vader die voor heen koopman was, en nu den handel maar op zijn soons naam had laaten inschrijven, neemt de zaaken waar Kokka riddij neemt zyn zaaken zelfs waar. Dog hier omtrent dient aangemerkt te werden, dat het een oude uzantie is, dat de vader zijn zoon, en ouder zyn Ionger broeder als koopman laat inschrijven, om bij overlijden van de oudste tot geen nieuwe admissie verpligt te wezen. en sa in gemeenschap van boedel levende is den een voor den ander aanspreekelijk 5:e Dat Baatje Bala ramaija voor van dit buijten gemeen dokken, weet ik niets. Ik weet ook niet of hij op Saggernaijk„ sijn Aanstelling rijkelijk heeft moeten dok„ poerams territoir afsonderlijk huijs of hof ken. aan wie! en hoe veel?, en dat hy heeft, maar weet zeer wel dat hij daar niet nog huijs nog hof op 's Comp:s territoir woonagtig is, maar wel bij sijn broeder Tri„ wengalom op kakinara. heeft maar bij sijn broeder Baatje Tri„ wengalom, die pagter en regent van Kakanara is, inwoond. Dat de kooplieden Coraalen van de heer, 6:e Dat de kooplieden gedwongen zyn van Halm gekreegen hebben, weet ik, en dit geweest, om particuliere goederen, als was om Lijwaaten te leveren op contract met Francen aangegaan. Maar ik weet niet, dat Coraalen ensz: van van Halm over te„ zoo iets gegeeven is op verstrekking van Comp:s neemen, op dat zijn wind negotie wel mogt uijtvallen, en dat hij de Contanten ning van schaade met tegen sin namen daar voor uijt Comp:s Cas neemt, even eens als of ze aan de kooplieden ver strekt waaren leverantie. Ik weet egter wel dat eenige der kooplieden deeze Ooraalen, uijt voor sie„ Deeze 80. bhaaren koper sijn aan Baatjoe Triwengalom verstrekt, direct voor zij of een anders reekening weet ik niet, en Baatje Tewangal om heeft ook aan de Heeren van 7:' Dat'er een negotiatie van 80. Bharen en koper onder verkeerde namen soude plaats hebben, welke om de wille van een wind Halm negotie de h dat Cu l die de spr de al 2 hee 297 negotie na Iaffenapatnam seer Halm en van Someren rijst geleverd, 3 die gedeeltelijk daar verkogt, ten gedeeltelijk na Iafferapatnam met een Thonij, en des gevaarlik staat wegens het verloo„ Heer van Halms sloep versonden is. de per der mousson Eerste vertrok laat in Ianuarij, wanneer de winden al varriabel begonnen te waaijen en de laaste met medio februarij, die ook een lange reijs gehad heeft.—. 8:e zullen UE: dienen te inquiree„ Ik had wijnig Converentie met de mazuli„ ren hoedanig de reekeningen der ma„ patnamsche kooplieden, en weet dus niet hoedanig sij met hunne reekening stonden, dan sulipatnamsche Cooplieden geci„ dat hun als de Paggernaijkpoeramsche tueerd zijn, alzoo van Bijland Custumado wierden afgestrokken weet ik bij algemeen gerucht, en menigvuldige klagten die sommige somtijds bij mij komende, en over de opperthoofden beschuldigd dat daar meede hunne particuliere reekenin„ de nadeelige gesteldheyd van den handel spreekende derweegen deeden gen vermengd is, en dat dezelve is geschoeyd op dezelve leest als die der Iaggernaijkpoeramse, waar van bevoorens onder N„o 3. is gewag ge„ maakt. 9=e klaagt het aankomend opper„ De Heer van Bijland arriveerde den hoofd dat hij in alles word blind 28. December, vroeg dien dag self de Heer van Halm wanneer Transport gehouden, zoo dat hij selfs bij het sor„ zoude krijgen. zijn Edele beloofde dit binnen teeren der goederen, niet geroepen is, eenige klagen, om reeden door het veragterde negotie werk van de heer De Ravallet de Heer van Someren nog niet vorderen konde, al zoo geen regte restanten van Augustus had. Deeze dagen verloopen weezende, heeft de heer van Halm mij zelver verzogt, de heer van Bijland te beweegen dat nog wat geduld oeffende, welke ik gedaan heb en van een goed Effect geweest is. De eerste opening die de Heer van Bijland mijnes weetens gekreegen heeft, is geweest den 25. e Ianuarij, went toen heb ik zijn Ed: uijt des Heer van Halms naam der kooplieden reekening ter hand gesteld, met vraage of genegen was, de agterstallen van pag: 11732. r:m met de Heer van Someren op zig te naamen 10=e