VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3974

Coromandel / Bengal · 1,128 pages · 216 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3974_0606 view scan ↗

English

Mr. van Bijland told me on a certain day, while negotiating with Triwengalam regarding the union, that such an offer had been made to him, but it does not clearly stand before me whether it came through Truwvengalom himself, or in his name through another, though in any case it originated from him. 10th. You are instructed to carry out the strictest investigation as to what unheard-of customados, mess, and concoctions are committed, whereby the mercantile trade from the warehouses is delayed. To article 2 and 8 I have already given my testimony regarding the customados. Concerning mess and concoctions in the warehouses, I cannot say with certainty. To this I know nothing to answer. 13th. Who the person or persons are who attempted to corrupt the incoming chief van Bijland with 1500 pagodas to leave everything on the old footing, and merely take over the transfer as it was. 11th. As also in what manner thousands have gone amiss to the real damage of the Honorable Company, an important sum circulating from which the chief, Triwengalom, and the merchants enjoy the benefit and advantage, while they make the Company whistle on its thumb. 12th. How one must understand the accusation that there is an important... This I understand to refer to the 80 bahars of copper mentioned in article 7. 298 those who have debts run away, and no one cares about it. However we are treated, we will not run away, but wait for the time that we become fortunate enough to obtain justice. 14th. In how far the said van Bijland his accusation against van Halm accords with the truth, whether he out of jealousy had incited the Mazulipatnam merchants to prevent them from uniting with the Jaggernaijkpoeram ones, this also being a principal object of what was demanded by us, since the cause of the departure of the Mazulipatnam merchants would then have to be attributed to this, which however is ascribed to van Bijland. Concerning the truth or untruth of this accusation, I can make no further testimony than I have given on the first article of the ordinance forward, and I can only add this, that Kabbelnaboe, father and surety of Wengadassalam, being with me one or two days after the departure, conveyed to me his displeasure about this step, saying that his son had gone without his prior knowledge, that he would otherwise have prevented this, for he did not approve of it. That Senhor van Bijland, on the day they negotiated with His Honour, had said nor done anything evil, that if they did not wish to unite, they only had to refuse, and that the gentleman could do nothing to them on that account. Finally, 15th. both chiefs are accused of irresponsible negligence, in that they have neither arrested nor secured the goods of the departed merchants, nor their surety Baatje Triwengalam. Nothing of this certainly occurred; on the contrary, Triewengalam came and went just as freely every day from Kakanara to Mr. van Halm, and back to Kakanara. Meanwhile the Jaggernaijkpoeram merchants said, they arrest us who have no debts, and the Mazulipatnam merchants—now is Trewengalam's time. Points of the chiefs against Mr. van Bijland. First, that he in a brutal and violent manner attempted to force the Mazulipatnam merchants to unite with the Jaggernaykpoeram merchants without having any qualification thereto. Concerning this, I refer to my testimony forward on article 11 of the ordinance. 2nd. That through this perforce manner of acting, together with the sending of 4 peons to fetch the Mazulipatnam merchants by force out of the house where they were together, those merchants had departed to Sjappara, whereby the Honorable Company runs the danger that... On this point, I can only say that I refer to my answer to article 14 of van Bijland against the chiefs, and that I have no knowledge of any perforce manner of acting, just as I also said on article 1 of the ordinance, having no knowledge of the peons and chobdar sent to fetch the merchants.

Dutch transcription

De Heer van Bijland heeft mij op seeker 10:e word UE: gerecommandeert ten op articul 2. en 8: heb ik noppens de Costu„ mados bereets mijn betuijging gedaan. Van scherpsten ondersoek te doen welke ongehoorde Costumados gemors en gebrouw er gepleegd word, waar door de koop handel uijt de pakhuysen word vertraagt gemors en gebrouw in de pakhuijsen kan ik niet met zeekerheijd zeggen Hier op weet ik niets te antwoorden 13:e welke de persoon of persoonen dag, terwijl met Triwengalam over de ver„ zijn die het aankomende opper„ eeniging in onderhandeling was, gezegt, dat hoofd van Bijland met 1500. pa„ sulk een aanbod hem gedaan was, dan mijn staat niet regt, voor, of door Truwvenga„ goden hebben soeken te Corrum„ lom selver, of uijt sij naam door een ander feeren om alles off den ouden voet dan in allen geval het quam van hem. te laaten, en het transport maar overteneemen zoo als het was. k de bok da 11:e Als meede op hoedanige wyjze er „duijzende zijn te leur gegaan ten reele Schaade van d'E. Comp apnie tante Som roulleerd, waar van het opperhoofd, Triwengalom en de A kooplieden het genot en voordeel van hebben, terwijl Ie de Compi op den duijm doen fluyten Dit begrijp ik dat sin speelt op de 12:e Hoedanig men moet verstaan 80. bhaaren koper gemeld bij art: 7. . de beschuldiging dat 'er een impor„ 14 hand dat de die daar wij wij 298 die schulden hebben loopen weg, en men stoort sig daar niet aan. Hoe wij ook behandeld worden, wij zullen niet wegloopen, maar de tijd afwagten, dat wij geluckig genoeg worden, om regt te krijgen. het is 14=e In hoe verre gemelde van Bijland Omtrend de waarheijt of onwaarheijt van syn accusatie tegen van Halm deeze accusatie kan ik geen betuijging verdere met de waarheijd quadreerd, als doen, dan ik gedaan heb op het Eerste articul der Ordonnantie voorwaards, en kel kan ik of hij uijt Jalousie de Mazuli„ dit nog zeggen dat kabbelnaboe vader en borg van Wengadas salam een â twee patnamse kooplieden soude hebben dagen na de uijtweijking bij mij weezende opgestookt om te beletten dat sij mij sijn misnoegen over deeze uijtstap te kennen gaf, seggende dat zijn zolon gegaan was sonder zij voorkennis, dat hij anders sig niet soude Conjungeeren dit wel zoude voorgekomen hebben, want dat hij dit niet goedkeurde. Dat senhor van met de Iaggernaijk poeramse des meede een voornaam object Bijland dien dag dat zij met zijn Edele handelde, geen quaad gezegd nog gedaan had. dat men soo men niet wilde vereenigen, van het door ons gedemandeerde maar had te weijgeren, en dat dien heer haar alsoo hier aan als dan de oor„ desweegen niets doen konde saak der uijtwijking der Ma„ sulipatnam sche Marchiandeurs geattribeerd soude moeten wor„ den het geen egter van Bij„ land word toegeschreeven Eyndelijk 15:e worden de beide opperhoof„ den beschuldigd van ouverant woordelijke nalatigheijd, dat zij nog de goederen der uijtgewekene Niets van dit is zeeker geschied in tegendeel quam, en ging Triewengalam even vrij alle dagen van Kakanara bij de Heer van Halm, en weder na kakanara. Ondertusschen seijde de Iagger„ naijkpoeramsche kooplieden, men tarresteerd ous thans Trewengalams tijd— dit geen schulden hebben, en de Mazulipatnamsche kooplieden tuijging voorwaards op Art: 11. van de or„ donnantie der gezonden om aftehaale op deeze pos=t kan ik niet anders zeggen dan kooplieden nog hunne borg Baatje „Triwengalam hebben gearresteerd en gesecureerd Joincten van de Opper„ hoofden tegen de Heer van Bijland. „ geweldige wijse heeft, getragt de Mazulipatnamsche kooplieden te dwingen om sig met de Pagjer nayk poeramsche kooplieden te vereeni„ gen sonder daar toe eenige qualifica„ tie te hebben Hier ontrend refereere ik mij aan mij be„ Voor Eerst dat hij op een brutale, en 2:e Dat door deeze pervorce handel„ wij ze, mitsgaders het senden van art: 14. van van Bijland teegen de opper„ hoofden, en dat ik van geen per vorce han„ 4. pions om de mazulipatnam del wijze kennisse hebbe, soo als ik op art: 1. van de ordonnantie ook gesegd heb, gaen kennisse te hebben van de Rions en Sjobdaar, de kooplie„ sche kooplieden met geweld uijt het huijs, waar sij te samen waaren te haalen, die marchiandeurs waa„ ke ren uijtgeweeken na sjappara waar door d'E Comp:e gevaar loopt dat ik mij gedraag aan mij antwoord op een

NL-HaNA_1.04.02_3974_0609 view scan ↗

English

299 3rd. That he refused to take over the transfer before and prior to those two factions of merchants uniting, whereby was now caused the failure to dispatch the documents of ultimo August, which were awaited with distress at the main office for drafting the general report, about which late dispatch the Right Honorable Gentlemen so frequently complain, over which he will have to justify himself satisfactorily. Mr. van Bijland was always in a hurry to obtain the transfer, as I attested regarding article 9. Forward on January 25, the first document relating to the transfer came to light, namely the Statement of the Merchants' Arrears, and I recall that then, or thereabouts, Mr. van Byland was offered to make a start with taking over the warehouses, on the condition that, because the August documents were not yet ready and sales had taken place progressively, the goods sold were to be deducted, and with this, I believe a start was made, though I do not know for certain. In regard to the uniting of the merchants before the transfer, I well know that Mr. van Bijland reasoned that this had to reach a conclusion before making the transfer. For the arrears having been handed over, even if he, Mr. van Bijland, signed with an exception, there would then be no more compelling reasons against the merchants to bring them to unite, and that it was also his business to ensure obtaining a clean and secure transfer; furthermore, that this was a middle course for Mr. van Halm to either be cleared of the considerable arrears, or at least to become secure. Fourthly: the Chiefs write that there is a considerable sum of pa/o 13204.4.70 to lose, which the Chiefs through their protest have left to his account. Passion, and even less impetuosity, have I, who was Mr. van Eijland's neighbor and came to him daily, not seen in the negotiation of affairs, but I have indeed found his Honor passionate now and then when he saw that the Masulipatnam merchants received so much protection from Mr. van Halm, whereby all negotiation was broken off at once, and thereafter upon the received letters of the Government all in favor of the gentlemen Chiefs, and to his detriment, without any answer to his own. Mr. van Bijland certainly wanted to know nothing of concluding a contract before the arrears were settled on a secure footing and the transfer was made upon that. The trade was certainly at a standstill, but this did not come to pass because of Mr. van Bijland, but rather because the merchants, who were merely the buyers of the merchandise, were still glutted in recent months with the trade goods received on credit and could take no more, if one did not wish to increase the arrears. 5th. That he has written various impertinent and affronting letters to the Chief. 6th. That he made severe threats against the Secunde van Someren. Never when I was present; on the contrary, I must myself attest that Mr. van Eijland sought to work for Mr. van Someren's best interest, but that with Mr. van Someren, because of his hot-tempered nature, one could not negotiate, and that he therefore sought to have matters made clear to Mr. van Someren with composure through his Honor's eldest son Pieter Willem, of whom Mr. van Bijland was very fond and with whom he could get along well. 7th. That he refused to accept the cloths already in stock and, according to the written bond of the merchants of ultimo July, still to be delivered, in satisfaction of their debts to the Honorable Company. The account of the merchants, which I presented to Mr. van Bijland on January 25 on behalf of Mr. van Halm, closed with over 11,000 pagodas in arrears. Here were not included the remaining cloths in the warehouse, with the washers, etc. When Mr. van Eijland examined the merchants on this account, they reported this stock, whereupon Mr. van Bijland became displeased with Mr. van Someren over this withholding. Since the production of documents must decide this, there is nothing for me to attest here. 300 This document I do not know... Mr. van Bijland said, what do the arrears of the merchants made by the Chiefs concern me? They can make the merchants pay them in cash, or do so themselves as the order dictates; I must have a clean transfer, and so also for the new collection that I must make, their remainders do not concern me, unless I sort and accept them, for the new collection shall and must run for my account. 8th. That through this arbitrary manner of proceeding, in the first place the Honorable Company would be deprived of the considerable debt of the merchants, and the Chiefs utterly ruined, as well as the credit of the merchants destroyed. This requiring a decision rather than an attestation, there is nothing for me to say on this. 9th. That he did all this by usurping the authority that was not yet lawfully transferred to him, but boasted of a certain authority which he claimed to have, which he will thus have to demonstrate. 10th. You must in the strictest manner [illegible]

Dutch transcription

299 3„o Dat hij geweijgert heeft trans„ De heer van Bijland heeft althoos om het tran„ port overteneemen voor en al eer sport te krijgen haast gemaakt zoo als ik be„ tuijgt heb op art: 9: voorwaards den 25: Ianuarij die twee ploegen kooplieden sig quam het eerste papier dat tot het transport Connexie had, namelijk Aantooning der kooplieden Agterstal, in 't ligt, en mij staat voor dat toen, souden vereenigd hebben, daar of daar omtrend de heer van Byland gepre„ hier door nu veroorzaakt is, senteerd is een begin te maaken met de pakhuij„ sen overteneemen, onder Conditie, wijl de Augus„ het niet afzenden der papieren „ tues papieren nog niet klaar waaren, en 'er van ultimo Augustus waar na successive vertier gedaan was, het vertierde aftetrekken, en waar meede ik geloof dat een op het hoofd komptoir met smerte begin gemaakt is, dog niet seeker weet. In opsigt van het vereenigen der kooplieden voor het transport, waet ik wel, dat de heer gewagt werd, ter Coucheering van van Bijland redeneerde, dat sulks tot Conclussie moest komen voor het doen van het generaal verslag, over welke Transport, want de agterstallen overgegeeven laate afzending A: A: Edelhee„ weezende, schoon hij Heer van Bijland, al met een Exceptie teekende, 'er tegen de kooplie„ den soo dikwils doleeren, sal den dan geen drang reedenen meer soude weezen om se tot vereenigen te brengen, en dat hij sig hier over salis factoir het ook zyn zaak was te sorgen, om een schoon, en seeker transport te krijgen, mits „dienen te verantwoorden gaders, dat dit een middelweg was voor de heer van Halm, om van de aanzienelij„ ke agterstallen, of ontslagen, of ten minsten zeeker te raaken Ten vierde:, schrijven de opperhoof„ Drift, en nog minder onstuijmigheijd heb ik, die # de Heer van Eijlands tuurman was, en den aan zyn draftigen en ontstuijmi„ een aanzienelyke som van pa/o 13204. 4. 70. te verliesen het welk de over„ perhoofden door hun Protest voor sijn reekening hebben gelaaten dagelyks „ ge -s n ge aard toe, dat er nog geen nieuw dagelijks bij hem quam, in onderhandeling van zaaker niet gezien, maar wel heb ik zyn, Contract met de kooplieden is gesloo„ Ed: driftig gevonden nu en dan, toen hij zag dat de Mazulipatnamsche kooplieden zoo veel ten, en dat alle handel en vertier protexie bij de heer van Halm kreegen, waar doot alle onderhandeling met eens afgebrooken wierd, en stil staat tot groote prejuditie daar na op de ingekomen brieven der Regeering alle in faveur der Heeren opperhoofden, en sijn nadeel sonder der E: Compagnie selve antwoord op de zijne van Contract sluijten wilde de heer van Byjland seeker niet weeten, vooor de agterstallen op seekerte voet geregelt, en daar op Transport gedaan was. Den vertier stond seeker stil; dan dit quam niet bij de Heer van Bijland te deas, maar wel door dien de kooplieden, die enkel de opkoopers der koopmanschappen thans door verstrekking sij nog overkropt waaren met de op verstrekking genotene handel whaaren, in de laaste maanden, en geen meerder neemen konde, wilde men de agterstallen niet vergrooten 5:e Dat hij verscheijdene Imperti„ nente en affrontieuse brieven aan het opperhooft heeft geschreeven 6:e Dat hij den secunde van Someren Dit nooijt dat ik 'er bij geweest ben, in tegen„ sterke drijgementen heeft gedaan deel moet ik selver betuijgen dat de heer van Eijland des Heer van Somerens bast„ heeft tragten te bewerken, maar dat met de heer van somerens, door zijne oploopendheijd niet konde handelen, en dat zelve daar om getragt heeft de Heer van Someren de zaaken met bedaardheijd te doen verstaan geeven door zijn Ed: oudste soon Pieter Willem, daar de heer van Bijland seer veel van houden, en wel meede konde overeenkomen 7„e Dat hij geweijgert heeft de De Reekening der kooplieden, die ik de heer bereeds in voorraad zynde, en van Bijland uijt des Heer van Halms naam den 25. Ianuarij presenteerde, sloot volgens schriftelijke verbinte„ met over de 11000. pagoden agterstal, hier waaren niet by genomen de restant Lijwaaten ns der kooplieden onder Ultimo in 't pakhuijs, bij de wassers enst: de heer van Eijland de kooplieden op deeze ree„ Iuly nog te leeverene Lijwaaten kening Examineerende, gaven se deeze in voldoening hunner schulden voorraad op, waar op de Heer van Bij„ land, mis noegd wierd op de heer van So„ aan d'E: Compagnie, te accepteeren, meren over deeze agterhouding. Bij De productie dit moetende decideeren valt door mij hier of niets te betuijgen deeze maar de koo als 300 zeggen. Dit requireerd meede geen betuijging Dit geschrift weet ik niet dat bij mijn derz: gelijndhegd zijde de Heer van Bijland, wat maar deselve sig toeeijgenen, evens raaken mij de agterstallen der kooplieden door de opperhoofden gemaakt, die kunnen zij de eens of ze in sijn tijd in gesameld kooplieden in cas doen tellen, of dit selfs doen waaren. als de ordre luijd, ik moet een suijver trans„ nieuwen Insaam, die ik moet doen, hun restanten niet aan, ten waare ik ze Forteere port hebben, en soo gaan mijn ook voor den en accepteere, want den nieuwen insaam sal, en moet voor mijn reekening loopen: 8:e Dat door deeze Eijgendunkelyjke Dit meer een decisie als betuijging handelwijse in de eerste plaatse vorderende, valt voor mij hier op niets te d'E: Compagnie van de aansienlij„ ke debet der Cooplieden soude wer„ den verstooken, en de opper hoofden in de grond gerwineerd mitsgaders het Crediet der mar„ chiandeurs den Bodem ingesla„ gen. 9:e Dat hij dit alles heeft ge„ daan door het usurpeeren van het gezag dat hem nog niet wettig was getransporteerd, maar sig beroemd op een seekere authori„ teijd, welke hij gepretendeerd heeft te hebben, dat hij dus zal moeten vertoonen 10:e dienen UE: op het scherpste vertrek te meren om 1„

NL-HaNA_1.04.02_3974_0612 view scan ↗

English

No declaration is required on my part regarding this. No one other than the Lord van Bijland himself is concerned with answering this. to investigate who had handed over to van Bijland a certain seditious writing containing a warning that Triewengalom and the Mazulipatnam merchants would attempt, by means of 10,000 ropias, to corrupt the First Signatory, the departed Lord Ruler Padawa, in order to recall him, van Bijland. was known before the departure still at Paggernaykpoeram, but certainly the story of the 10000 ropia. This became known on a certain morning when a letter was brought by post to the lord van Halm, whereupon Baatje Truvengalom was summoned early to His Honour and came; shortly thereafter arose the rumour that Triewengalom had let Cabelnaboe know that they had won, that the lord van Halm would continue and van Byland go away again. A little later, I believe around 9 hours, the combined Mazulipatnam merchants went to the lord van Halm, and after they came away from there again, the story of the 10,000 Rop:s became known with these details: that they had to be paid directly from the provision of silver that was to be brought by the sloop, and that the merchants had had words over this with Truvengalom, as they were unwilling to participate in it through his offer without their prior knowledge and consent. 11: which is the Council of the Wicked! If he can do that, he must also know the writer, as otherwise he is held to be the manufacturer of that libelous writing. 12. You must ask van Bijland, etc. End. 301 With this marginal reply, hoping to have satisfied the fourth or last Requirement of the Ordinance, I return with kind permission to the Introduction of the ordinance, namely to the reasons that moved Your Honorable Worships to assign the making of this Report to me, namely: A. A favourable presumption that I, on account of having held my Post of scribe at Iaggernaijkpoeram, would not be ignorant of what is customary and in usage there for the welfare of the Honorable Company, and B: that I would also have knowledge of what occurred between the Lords chiefs there and the Lord van Bijland, considering it appeared from the papers that I was employed as a mediator in some point of dispute. Regarding A, or that which my slight knowledge and observation offer concerning that which is customary and in usage, or properly ought to be, at Iaggernaykpoeram for the welfare of the Honorable Company, it appears to me in the first place necessary for the preservation of a good peace, besides that, a good understanding with the neighbouring Regents, by punctually handing over to them, at the time appointed for that purpose, the gifts due to them according to Firmans, parwannas, and ancient Customs; for in lack thereof, they sometimes assume an authority that is injurious both to the Honorable Company and to the chiefs. And doing all this not out of fear of the chief, if he is a man with whom they can gain nothing by insolence, they ordinarily obstruct under the most trifling pretexts the delivery of Linens that must pass through their country, which consequently remain lying there for days on end, exposed to rains that overtake them, to the great detriment of the collection, especially when this occurs as the collection is drawing to a close, and the linens are absolutely needed promptly to balance the trade and dispatch the bales, against which arising hindrance nothing can be done on our side due to our narrowly defined Jurisdiction other than addressing ourselves with complaints to the English Government at Mazulipatnam, which however is ordinarily of little 302 little or no effect, as these regents are mostly protected as much as possible, as the events for Jaggernaijpoeram, especially from the latest case across the River, have taught all too keenly. These surrounding Regents also have the custom, merely to obtain what they can from the Honorable Company, of announcing visits, particularly when they come to bathe in the sea near Iaggernayk poeram at one or another important full or new moon, upon which occasion it is customary to present them, along with the lesser persons they bring with them, with extra gifts; but such civilities are ordinarily, and as the orders also prescribe, declined with as much courtesy as possible; with as much courtesy as possible, I say, because these people, on the least offensive or unsatisfactory terms, are immediately offended and inclined to revenge, which they then seek to recover again in the aforesaid indirect manner. This, Right Honorable Honorable Lord! must above all be observed with the Regent of Pittapour, in whose district Iaggernaykpoeram lies. With the said Regent, since the re-establishment of the place, they have been in dispute nearly all the time regarding the River between Kakanara and Iaggernayk poeram on account of the levying of tolls by us on everything that passes the mouth, that is, whatever was unloaded and loaded to and from Kakanara as well as Iaggernaijkpoeram. This dispute principally arose through the English doctor of Samerlacotta, Roxburg, who has a trading house at Kakanara next to the River, directly opposite Iaggernaijkpoeram, which had much import and export. He claimed to be toll-free with us because he lived on the regent's territory; through pressing letters from the Lord Blaaukamer he bound himself in December 1785 or January 1786 by written agreement to the chiefs to pay a certain sum for an entire Year, as was already the case then with Baatje Trewengalom, who at that time was the Renter of Kakanara.

Dutch transcription

Hier op valt geen betuijging voor mijn Hier van gaat niemand als de Heer van Bijland selver de beantwoor ding aan. te ondersoeken, wie aan van Bij vertrek nog op Paggernaykpoeram is be„ kend geweest, maar wel de Historie van land heeft geintrageerd seeker 10000 ropia - Deeze wierd rugtbaar op Zee„ sentiefs geschrift inhoudende een ker morgen dat er een brief per post was aangebragt bij de heer van Halm, waar op waarschouwing, dat Triewen galom Baatje Truvengalom vroeg byj zyn Edele ontboden wierd, en quam; zort daar en de Mazulipatnamse koop„ op quam het gerugt dat Triewengalom heden door 10'000. ropias zoude Cabelnaboe, had laaten weeten dat Ie het tragten den Eerste tekenaar / den gewonnen hadden, dat de heer van Halm soude kontinueeren, en van Byland weder weg gaan. wat laater, ik geloof om 9. nu„ afgegaane Heer gezaghebber Pada„ ren gingen de gezamentlijke Mazuli„ wa / te Conrumpeeren om hem patnamse kooplieden na de heer van Halm. en na die weder van daar qua„ van Bijland opteroepen. men wierd de Historie van 10'000 Rop:s rugtbaar met deeze omstandigheeden dat 3e moesten direct betaald werden uijt de verstrekking van het zilver dat met de sloep stond aangebragt te werden, en dat de kooplieden daar over woorden gehad hadden met Truvengalom, als niet gewillig om door zijn aanbod, sonder haar voor kennis en toestemming, daar in te deelen 11:/ welk de Raad der Boosen is! zoo hij die kand moet hij ook den schrijver weeten, alsoo men anders hem houd voor de fabri„ ceur van dat laster schrift Moeten UE: van Bij„ 12. g land afvraagen enss. Eijnde. Det 301 Met deeze marginale antwoord hoopende aan het vierde of laaste Requisit der Ordonnantie vol daan te hebben, keere ik met gunstig verlof te rug tot de Inleijding der ordonnantie, en wel tot de ree„ denen, die uwel Edele Achtbare gemoveerd hebben my het doen van dit Bericht of te draagen, namelyk . Eene gunstige voor onderstelling dat ik, uijt hoofde van mijn gehad hebbende Post te Iaggernaijkpoe„ „ram van scriba, niet onkundig soude zijn van het geene aldaar tot wel sijn van d'E: Compagnie gebruijkelijk en in uzantie is, en B: dat ik ook kennisse soude hebben van het voor„ gevallene tusschen de Heeren opperhoofden daar en de Heer van Bijland, aangemerkt uijt de papieren bleek dat de ik in eenig poinct van geschil geEmploijeerd ben geworden als mediateur Belangende X of het geene myne geringe kennisse en op merksaamheyd opleeverd omtrend dat welk op Iaggernaijkpoeram tot wel zijn van d'E: Compagnie gebruijkelijk en in usantie is, ofte eijgentlijk behoord te zijn komt mij in de eerste plaats voor de Conservatie van een goede vreede buijten buijten dat is goede verstandhouding met de nabuuri„ ge Regenten, door hen stiptelijk, op de daar toe bepaal„ de tyd, de hun volgens Firmans, parwannas, en oude Costuma aftelangen, Competeerende geschenken want bij mangel van dien matigen zij hun som„ tijds wel een authoriteijt aan, die Leederende, en voor dE: Compagnie, en voor de opperhoofden is, en dit al niet doende uijt vreese voor het opperhoofd, in dien dit een man is, waar bij zij met brutaliteiten „stremmen se onder de nie„ niets winnen kunnen tigste voorwendsels ordinair den aanbreng van Lijwaaten, die hun land passeeren moeten, welke daar door den dagen lang, geExponeerd aan reegen die se beloopen, blyven leggen, tot veel nadeel van den Inzaam, voor al als dit voorvalt als den Insaam op het laast loopt, en de lijwaaten absolut spoedig benodigd worden om den handel te verevenen, en de pakken te versenden, en tegen welke hindernis die opkomende, aan onse seijde niets te doen is door ons nauw bepaalde Iurisdictie, dan ons met klag„ ten aan de Engelsche Regeering te Mazulipat„ nam te addresseeren, dat egter ordinair van weijnig 302 weynig of geen Effect is, alzoo deeze regenten wel meest ten minsten soo veel maar mogelyk is, geprotigeerd werden, soo als de voorvallen dit voor Jaggernaij & poeram; voor al uijt laaste geval over de Revier maar al te gevoelig geleerd hebben Deeze omleggende Regenten hebben ook wel het gebruijk, om maar van d'E: Compagnie des kunnende te haalen, visite aan te dienen, bij„ sonder wanneer se na bij Iaggernayk poeram in zee komen wassen met de Een of andere voor„ name volle of nieuwe maan, bij welke ontmoeting het gebruijkelyk is, haar met de mindere die se Extra te beschenken, dog sodanige meede brengen beleefd heedens wor den ordinair, en soo als de ordres ook leggen met soo veel heusheijd mogelyk afge„ slagen; met soo veel heusheijd mogelijk seg ik uijt hoofde dat dit volkje op de minst aan stootelyke of hun niet voldoende termen, al aanstonds geraakt en tot wraaksugt genee gen is, dat ze dan alweeder soeken te verhaalen op voorsz: indirecte manier. Dit wel Edele Achtbare Achtbare Heer.! diend voor al in agt gehouden te worden met den Regent van Pitta pour, in wiens district Iaggernay kpoeram legt. Met gemelde Regent heeft men sedert het herstel der plaats bij na over hoop geleegen omtrend de Revier tusschen kakanara en Iaggernayk poeram wegen het steffen van tollen bij ons van al wat de mond passeerd, dat is, soo wel wat van en op ka„ kanara als Iaggernaijkpoeram gelost en geladen wierd. dit disput is principaal ont„ staan door de Engelsche doctor van Samerla cotta Roxburg, die op Kakanara naast de Revier, regt tegen Iaggernayk poeram over een negotie huijs heeft welk veel in - en uijtvoer had. Deeze pretendeerde tol vrij bij ons te wee„ zen, om dat op des regents territoir woonde, door dringende brieven van de Heer Blaaukamer verbond hij sig in 1785. December of 17626. Jamua„ rij bij schriftelijk verband aan de opperhoofden om voor een geheel Iaar een seeker tantum te be„ taalen, soo als toen bereeds plaats had met Baatje Trewengalom, die in die tijd Pagter van kakanara was

NL-HaNA_1.04.02_3974_0617 view scan ↗

English

was; but he did not do this except with reluctance, and apparently with the intention to evade this subjection if possible, just as he, having joined with the paymaster of Samarlakota, Mr. Floyer, who further up the river also established a commercial house, also succeeded in doing in April 1787, when the government of Masulipatnam at once forbade him, Roxburg, and all others who did not live under our authority, to pay any more toll to us for everything that, being loaded and unloaded on the other side, namely at Kakinada, passed the mouth of the river. This matter has been described in detail by the resident chiefs to the government, and the latter has been in negotiations about it with the government of Madraspatnam, but everything without effect to this day. Thereafter, or in the year 1789, the people of Kakinada went further in claims upon this river, refusing to tolerate that our fishermen should come with their nets further than halfway across the width of the river. These disputes rose very high and are, as far as I know, not yet finally settled. Concerning the washermen's village of the Honorable Company, Gollapalam, disputes ordinarily occur over the large washing tank that lies between our boundaries and those of a regent. These disputes arise because the regent's people also arrogate to themselves a right over this tank and come to fish in it when our washermen are washing the woven goods that are always prepared there, whereby they then disturb the water and compel our washermen to halt their washing work. The right to fish at all times does not belong to the regent's people, however, for the village and the tank were ceded to us by express Parwana in perpetual lease for the washing work against 150 pagodas annually, although by ancient custom they fish together with our inhabitants and share the fish. Furthermore, our boundaries run on the other side of the tank directly opposite Gollapalam, but the inhabitants of the village situated there have extended their fences right up to the edge of the tank, so that in some places there is scarcely passing room left, and by this advanced proximity they also arrogate to themselves more and more right to the tank. On the occasion that the disputes over this rose rather high in the past year, and the lessee brought his complaints to the chief, I was sent there by His Honor in the month of August to investigate matters, and I also found this encroachment by the regent's people to be as stated, based on information gathered from old inhabitants and inspection made thereupon, as I also reported accordingly to the resident chiefs under date of 21 August. A letter was also written to Masulipatnam about this matter, but nothing came of it except an order to the regent to leave Gollapalam in peace, and a promise that they would send a person to inspect, investigate, and negotiate with one from our side, with which matter it also rested; meanwhile those disputes still continue. The lessee of this village is ordinarily the present Peda Prool Venkata Ramayya. He is the lawful Mirasdar or Kanakkappillai of the village by succession from his ancestors. The lease is, as the orders dictate, publicly auctioned every 5 years, but the chiefs always direct it in such a manner that he continues in it, and this in order to maintain peace and tranquility both inside and outside the village, in which the Company has a great interest because of the considerable capital of woven goods that ordinarily rests in this open settlement, so distant from Jagannathapuram, during the washing season. For if another comes into this leasehold, great disputes ordinarily occur, both between the lessee and the inhabitants of the village, and with the inhabitants of the adjacent villages. The latest example of this occurred in the beginning of 1781, when the second-in-command's Brahmin, one Bolla Preggada Kamayya, who through the protection of his master, Mr. De Ravallet, who at that time also acted as chief due to the absence of Mr. Blaaukamer, managed to oust the old lessee, father of the present one, in the middle of his lease term itself, and obtained the lease for himself. The disputes then rose so high in only a few days that Mr. De Ravallet, for the security of the village, was compelled to send armed men to quell the uprising, which however accomplished little, and could not prevent that among the quarreling parties wounded fell, and even a corpse; which however had never happened under the old lessees and their ancestors, as they, through the custom of dealing with the inhabitants and the latter again with them, and the respect that this family has among the surrounding country regents, have the ability to stifle many such arising disputes, or at least to prevent them from rising to such a height, and the village and the Company's goods becoming exposed through an uprising to the robbery and vengefulness of the brawling parties there, where, on account of the remoteness of that place from Jagannathapuram, something can easily occur before one receives news of the uprising or can devise and employ means to provide for it, so that security always urgently demands that the same be entrusted to a person there

Dutch transcription

303 was; dan dit deed hij niet als met tegensin; en oog scheijnelijke met voorneemen om sig deeze onderwerping soo doenelijk was te onttrekken soo als hij, sig daar na voegende met de Paij mees„ ter van Pamerlacotta de heer floijer, die wat hoger de revier op, meede een Commercie huijs aanleijde, ook daar in geslaagd is in april 1787 wanneer de Regeering van Masuli„ patnam hem Roxburg, en alle andere die niet onder ons gezag woonden met eens verbood, eenige tol meer aan ons te betaalen, voor al het geene aan de oversijde, teweeten te kakanara in - en on„ scheept wordende, de mond der revier passeerde, Deeze zaak is in 't breede door de Heeren opper„ hoofden aan de Regeering beschreeven, en deeze, is daar over in onderhandeling geweest met de Re„ geering van Madraspatnam, dog alles sonder Effect tot heeden Daar na of in 't Iaar 1789 is het volk van Kakanara verder gegaan in pretentien op deeze revier, willende niet dulden dat onze visschers met hunne netten verder soude komen dan half de breeke der der revier, deeze disputen reesen seer hoog, en syn soo verre ik weet, nog niet finaal beslist Omtrend het wassers dorp van d'E: Compagnie hol„ lopalum valt ordinair disput voor over de groote wastank die tusschen ons en een regents limiten legt, Deeze disputen ontstaan hier door, dat des Regents volk hun ook een regt over deeze tank aanmatigen, en daar in komen vissen als onse wassers met de gesraijde goederen, die altoos daar vervaardigt worden aan 't wassen sijn, waar door se dan het water troubleeren en onse wasschers verpligten. het wasch werk te staaken. het regt om altoos te vissen komt egter des regents volk niet toe, want het dorp en de Tank is ons bij Parwanna Experes tot het waswerk in eeuwige pagt afgestaan tegen 150. fagoden 'sjaars, aar bij oude Costu„ me vissen se gelijk met onse Inwooners en deelen de vis. Onze limiten buijten des, loopen aan de overseijden van de tank regt teegen Gollopa„ lum over, dog de Inwooners van het daar ge„ leegen dorp hebben hunne Paggers uijtgeset tot op de boord van de tank soo dat 'er op sommige plaatsen 304 plaatsen nauwelyks passeer plaats meer is, en door deeze gevorderde nabijheijd, eijgene Ie hun ook meer en meer regt op de tank toe; Bij gelegendheyd dat de verschillen hier over in Anno pass:o wat hoog reesen, en de pagter sijn klagten bij het opperhoofd bragt, ben ik door zyn Edele in de maand Augustus daar gezonden tot on„ dersoek van saaken, en heb dit uijtsetten van des regents volk ook sodanig bevonden bij ingewon nen Informatie van oude Inwooners, en daar op genomene inspectie soo als ik desweegen ook gediend heb van Rapport aan de Heeren opper„ hoofden in dato 21. Augustus. Over deeze zaak is meede na Mazulipat„ nam geschreeven, dan daar is niets van gekomen als een order aan de Regent, Gollopalum met rust te laaten en belofte dat ze een persoon soude senden om met een van onse seijde in spec„ „tie te neemen, te ondersoeken, en daar over te han„ delen, waar bij het ook gebleeven is; Ondertusschen Continueeren die dispecten nog. Pagter van dit dorp is ordinair den presente Penda munns Senda prool wenkata ramaija, deeze is wettige Miraasjedaar of Cannecappel van het dorp bij suc„ cessie van sijne voor Ouders. De pagt word soo als de orders luijden om de 5. Iaaren publicq opgeveijld, dog de opperhoofden derigeeren het Valthoos sodanig dat hij daar in Continueerd, en dit om rust en vreede soo in als buijten 't dorp te houden, daar de Compagnie veel aangeleegen legt om het aanzienelijk Ca„ pitaal van gezaaijde goederen dat in dit open vlek, soo afgeleegen van Saggernaijkpoeram in de was tijd ordinair berust, want een ander in dit pagterschap komende, vallen 'er ordinair groote disputen voor, soo tusschen den pagter en Inwooners van 't dorp, als met de Inwooners van de naast leggende dorpen, het Iongste voorbeeld hier van is geExteerd in de beginne van 1781, wanneer des secundes bramine eene Bolla Preggada Camaija, die door de protexie van zyn meester de Heer De Ravallet, welke toen tevens mits absentie van de heer Blaaukamer het opper„ hoofdij schap waarnam, den oude Pagter, vader van de presente in 't midden van sijn pagt tijd sel„ ve, daar wist uijt te bonsen, en de Pagt aan hem kreeg. . de questien reesen toen in maar korte daagen 305 daagen soo hoog, dat de Heer De Ravallet tot see„ kerheyd van 't dorp verplicht wierd gewapend volk tot het stillen der opstand aftesenden, dat egter weijnig uijtvoerden, en niet konde beletten dat 'er onder de twistende parthijen gequesten vielen, en selve een lijk; het geen egter nooijt bij de oude peragters en hunne voor onder gebeurd was, alzoo die door de gewoonte om met de Inwooners te handelen, en die weder met hem, en de agting die die familie bij de om leggende land regenten heeft; het vermogen heeft veele sulke op komende geschillen, te smooren of ten minsten voortekomen dat se tot die hoogte niet reijsen, en het dorp, en 's Compagnies goederen door een opstand geExponeerd raakt aan de roof en wraaksugt van de krakkeelende Parthyen daar, mits de afgelegenheyd dier plaats van Iaggernaijk poeram gemakkelijk iets geExteerd kan weezen eer men naracht van den opstand krijgt of middelen beraamt, en te werk stel„ len kan, om daar in te voorsien, soo dat de seekerheijd altoos ten hoogsten vorderd dat het selve aan betrouwd word aan een persoon daar

NL-HaNA_1.04.02_3974_0622 view scan ↗

English

as can be gathered from experience. But since farming out the lease in such a manner is certainly indirect, provision ought to be made here through new arrangements, whether by auctioning the lease according to the order, as is proper, to the highest bidder, or else, for the reasons existing for it, revoking that order and having the actual income that a tenant of Gollapalum derives from the respective leases there recorded in the village itself, and granting the lease firmly in proportion to the outcome thereof to such a man who is more to be trusted in this than others, in which case he would be spared from all underselling, and the chiefs from much headache, and the peace of the village would be assured. The lease at Jaggernaikpoeram for the levying of sea import and export duties is in nearly the same situation. This is also auctioned off every year, but granted to the same persons, for experience has likewise taught that a stranger entering therein causes great disputes and disorder. This has, as far as I know, proceeded in this manner from the time that a certain Jan Steens held this lease, I believe in 1770 or 71, who, on account of serious disputes with the inhabitants, was removed from it first by the chiefs, and thereafter by the Government, before his lease term had expired. The persons to whom that lease now falls according to the lease conditions are subordinate to the chiefs, who keep a watchful eye on the accounts and have the tolls collected accordingly, in order to be certain of the money. In regard to the Outlet or sale. This depends, as your Honorable worship knows only too well, on the peace or unrest in the upper lands. In good times, and still at the beginning of my arrival there in 1779 until 1781, when the place passed over to the English, the Arendaals or merchants from the upper lands came in person to the chiefs with their cash for merchandise, but after the war this, to my knowledge, took place no longer. All that was sold was the supply to the merchants on delivery contracts; these then keep those trade goods among themselves until buyers present themselves, and this supply is precisely what in my humble opinion for the greatest part causes the arrears of the merchants, not to speak of the pretexts and excuses that these traders draw from the low selling price thereof, for they receive these trade articles into their possession, and the Arindaals always come to them first, so they make purchases directly with these people and receive the cash from them. The Company knows nothing of this, and the reputation remains that the merchants are burdened with trade goods instead of having received cash for the procurement. However, from this coming down of these upper-landers to our merchants, it is evident enough that there is a market, although certainly not as strong as in earlier years, in the upper lands; thus, if the merchants did not have these trade goods in their possession, these newcomers would be obliged as before to come directly to the Company, or our merchants themselves, in order to earn something as brokers or if only to get the cash into their hands, would come to the chiefs to request such articles and quantities as were demanded, whereby the complaints about forced acceptance would be immediately taken away from them. However, at present, with this forced acceptance that has come into practice, these merchants are themselves mostly spoilers of the price of the trade goods, and the ones who cause their arrears; for with little cash they obtain a large quantity of merchandise. In order now to make the procurement in time, for which, if it is in earnest with them, they require three-quarters of the capital of the supply to begin with, a merchant who is short of cash is compelled to seek an outlet for his merchandise; they then pawn it, and along with the unfavorable sale thereafter, they still bear the burden of interest; yet upon that pawning they do not receive the whole amount they need for the procurement, since the pawnbroker always secures himself only too well for his capital and interest by supplying below the value of the pawned goods, which then causes, and must absolutely result in, their falling into arrears to the Company for the lesser amount received if the merchandise is not sold quickly, and if it is sold, at least for the loss on the trade goods and the accumulated interest on the pawn. Others again who cannot manage by pawning, go ahead when necessity presses them and simply sell them for whatever they can get for them, for which buyers always present themselves, who, in order to have a small profit upon the arrival of the upper-country merchants, store them until the arrival of these people; but such trade normally goes below the market price, and thus they are likewise price spoilers. All this could and would not take place if the contracting were done in proportion to the cash the Company had for it, and the merchants were willing to take trade goods voluntarily. Regarding this article, it is further to be remarked that the most discerning merchants there at the factory, as far as I have spoken with them about it, do not deem a price reduction on cloves advisable, giving as reason that it is always sufficiently known to the upper-landers at what price they, the merchants, obtain the trade goods from the Honorable Company, and that these upper-landers, in proportion as the Company lowered its price, would in turn demand that they, the merchants, lower theirs, whereby the Company's price reduction would not serve them as the least compensation for their loss, and meanwhile the

Dutch transcription

daar bij ondervinding staat optemaaken is. Dan de verpagting op soo een wijse seeker indirect weezende diende hier in wel voorsien ted werden met nieuwe schikkingen, het sij de pagt na de order op veilende, soo als 't dan be„ hoord aan de meest biedende aftestaan, dan wel om de daar voor syjnde reedenen, die order inte trekken het weezentlijk inkomen dat een pagter van Golla„ palum op de respective pagten daar, heeft, in het dorp selve te doen, opneemen, en na rato van dies uijt komst, de Pagt aan soo een man die dit meer als andere te betrouwen is voor vast aftestaan als wanneer hij voor alle onderkruijpingen, en de opper„ hoofden voor veel hoofdbreeken daar meede soude be„ vrijd, en van des dorps rust zeeker weesen Met de Pagt op Iaggernaijkpoeram van het tot heffen van uijt en in voer ter zee is het bij na in selver voege geleegen, deeze word meede dog alle Iaaren opgeveijld, maar aan dezelve persoonen afgestaan, want een vreemd persoon daar in komende, heeft meede de ondervinding geleerd, dat groote dis„ puten en dis order veroorzaakt; dit heeft voor soo 306 soo verre ik weet sodanig geloopen van de tijd dat seekere Ian Steens in dit pagter-schap geweest is ik geloof in 1770. of 71. , die om de Hooge twisten met de Inwooners; eerst door de Heeren opperhoof„ den, en daar na door de Regeering daar uijt geset is voor zijn pagt tijd nog om was. De persoonen aan wien die pagt volgens pagt Conditie nu komt staan onder de Heeren opperhoofden, die een wa„ kend oog houden op de reekening, en laaten Conform dien de tollen Collecteeren, om zeeker van de gelden te weezen In opsigt van den Vertier of verkoop. deese dependeerd als uwel Edele Achtbare maar al te wel weet van de rust of ontust in de boven landen. bij goede teijden en nog in de beginne van mijn komst daar in 1779. tot 1781. dat de plaats aan de Engelsche overging quamen de Arendaals of boven landsche kooplieden selver bij de Heeren opperhoofden met hunne kon„ tanten om koopmanschappen, maar na den oorlog heeft dit mijnes weetens geen plaats meer gehad, alles wat vertierd wierd was de verstrek king aan de kooplieden op leverancie, deeze houden dan dan dien handel whaaren onder hen tot 'er sig kooplieden toe opdoen, en deeze verstrekking is Iuijst welk na mijn gering-oordeel voor het grootste gedeelte de agterstallen der kooplieden te weeg brengt, geswee„ gen van de pretexten en uijtvlugten die die hande„ laars uijt de laage verkoops prijs van dien trek„ ken, want sij krijgen deeze negotie articulen onder hen, en de Arindaals komen altoos by hun eerst aan, des maken sij direct koop met deeze menschen en ontfangen de contanten van hen, hier weet de compagnie niet van, en de maam blyft dat de kooplieden beswaard sijn met handel whaaren in steede dat s' Contanten voor den Inzaam moesten ontfangen. Uijt dit afkomen egter van deeze bo„ ven landers by onse kooplieden, blykt dan genoeg dat er vertier, schoon seeker niet soo sterk als in vroegere Iaaren, in de boven landen is, des de koop„ lieden deeze handel whaaren niet in huijs hebbende soude deeze afkomers wel verpligt weesen als voor heen bij de compagnie ten opper te komen, of soude onse kooplieden selver, om als makelaars wat te gewinnen of al was 't maar, om de kontanten in handen te krijgen, wel bij de opperhoofden komen, om sulke 307 sulke articulen en quantiteijten, als verEijscht wvier„ den te versoeken, wanneer hun direct de klagten over opdrang benoomen wierden Dan tegenwoordig met deeze in utantie geraekte opdrang; zijn deeze kooplieden meest al selver en prijs„ bederder van de handeliexkaaren, en de geene die hun agterstallen veroorsaaken; want met weijnig kontan„ zij een groote quantiteijt koopmanschappen, ten krijgen om nu den Insaam tijdig te doen, daar sij, soo het aanst met hun is, het Capitaal van de verstrek king. voor drie quart om te beginnen toe benoodigen, moet een niet bij cas weezend koopman wel een uijtweg met zijn koopmanschappen soeken, deeze verpanden ze dan, en draagen bij de nadeeligen verkoop „ daar na, nog de last van Intressen, dog bij die verpanding ontfangen sij niet het geheel dat zij tot den Inzaam benodigen, alsoo den in pand neemer altoos door verstrekking beneeden de waarde van het pand goed sig maar al te wel voor sijn Capitaal, en rkenten verseekerd, waar door dan causeerd, en absolut volgen moet, dat ze beijde Compagnie voor het minder ontfangene soo de Coopmanschappen, niet spoedig verkogt raaken, en geschiedt dit al ten minsten voor de schaade op de handelwhaaren en verlopene Intressen op het pandschap, agterstallig raaken raaken Andere weeder dien met verpanding niet kunnen schrap komen, gaan heen als de nood aan de man komt en verkoopen ze maar, voor het geene zij 'er voor krijgen kunnen, waar toe zig althoos koopers opdoen, die, om een voordeeltje te hebben bij het afkomen der boven„ landsche kooplieden se opleggen tot de komst deeser menschen, dan soo een handel gaat ordinair benee„ den de markt, en dusdanig zijn tevens zij prijs be„ Dit alles konde en soude geen plaats heb„ derers ben, soo de aanbesteeding gedaan wierd na rato de Compagnie kontanten daar toe had, en de koop„ lieden vrijwillig handel whaaren neemen wilden- Nog valt omtrend dit articul te remarqueeren dat de doorsigtigste kooplieden daar ten komptoire, voor soo verre ik met hen daar over gesprooken heb niet raadzaam oordeelen eene prijs verminde„ ring der nagulen, voor reeden geevende, dat het de boven landers althoos genoeg bekent is, tegen welke prijks zij kooplieden de handelwhaaren van d' EComp: krijgen, dat deeze bovenlanders na mate de Compagnie daalde, weeder souden begeeren, dat zij kooplieden daalden; waar door dan sComp:s diminutie hen tot geen de minste schaade vergoeding strekken, en intusschen de

NL-HaNA_1.04.02_3974_0627 view scan ↗

English

the price of this article in the upper lands would gradually decrease, so that, upon improvement of times, it would be difficult to bring this back to the old price. But this they say considering that the Honourable Company has an exclusive trade in this. However, with copper the situation is entirely different; in this, especially there to the north, the Company has a multitude of competitors; the Danes, English, and French, both Companies and private traders, import this in abundance, so that in order to dispose of that belonging to the Honourable Company, the price must be suited to the market, taking into account ours being so much higher as it is preferable in quality above that of the aforementioned competitors. Regarding the purchase or collection, how difficult that currently is, especially in white linens to obtain sound goods, and this principally concerning the coarse assortments, is too well known to Your Right Honourable for me to consider it necessary to provide any description thereof, and the letters of the Gentlemen Chiefs are also interspersed with complaints and grievances concerning this, so departing from this, departing from this, I proceed to the merchants. The present Mazulipatnam ones or those of the stamped goods and the recently dismissed Jaggernaijkpoeram ones or those of the white linens were admitted on the recommendation of the Gentlemen Chiefs by letter of 19 July 1730, in which they are recorded in great detail by name and qualifications. Before the war there were over 20 of them; but the government had already ordered the reduction of this body, not admitting or nominating any others for those who happened to pass away. In respect of those who were still in existence upon the restoration of the place, the Honourable Mr. Blaankamer, then commander, wrote in his separate correspondence with the chiefs concerning the Company's interest as to who among these, following inquiries during His Honour's presence there, were admissible and who were not; and subsequently, according to the reliance that the chiefs had on the present merchants as suppliers, the choice and nomination by the Gentlemen Chiefs also took place and approval followed. The body of the Jaggernaijkpoeram merchants has has no arrears, for after settling the aforementioned disputes with the chiefs, they directly cleared their small debit, and how matters stand with that of the Mazulipatnam ones, Your Right Honourable knows only too well for me to need to say anything about it. However, of special note for Your Right Honourable I still consider the matter, not yet brought to a decision, of the transport of stamped goods by sea with two thonijs, versus overland from the collection place Moetapillij to Jagernaijkpoeram. A demonstration concerning this sent to the government by the Gentlemen Chiefs under date of the last of June 1789 indicates that this transport by sea with two thonijs taken on average over four consecutive years costs the Honourable Company more annually than the transport overland for 450 pagodas each year by pagodas 153. 20. 25; yet if from this demonstration there were removed an item of sea charges of 900. -. - pagodas entered herein to enlarge the maritime expenses for interest on a capital calculated for the thonijs, thonijs, which in my humble judgment (subject to better) is very improper there, since this capital yields its interest through the service rendered by the thonijs, then this demonstration would directly make a balance in favor of the sea route of pagodas 71. 2. 75 instead of the 153. 20. 25 pagodas to its disadvantage. The government, however, taking no satisfaction with this demonstration, ordered the payment of this transport overland to be made in proportion to the payment in the year 1787, when on a sum of 15782 pagodas, pagodas 249. 16½ was paid, with orders to provide a further demonstration regarding this. Following this was the chiefs' presentation of the prices of this transport overland per coolie-load and bale by letter of 10 February of this year, which came out per bale as follows: Various roomals of 1¼ at the bale . . . Pagodas 3. —. —. Ditto ditto 1 1/8 . . . 2½. —. —. Ditto ditto 1 . . . 2. —. —. Bettilles . . . 4. —. —. Chelas . . . 2. —. —. The 5 assortments of these stamped goods amount to . . . pagodas 13½. And these taken on average per bale, consequently P pagodas 2. 16 64. The aforementioned payment in 1787 of 249. 16½ pagodas was made on these calculated coolie wages paid at that time by the merchants for the conveyance, proposed by the chiefs, and approved by the government. However, if one now takes the calculation made in the aforementioned demonstration of the Gentlemen Chiefs of the last of June of the past year (the remarked 900 pagodas excepted), namely: consequently at - - - - - - - - - - - 638 bales were transported in 4 years out of the bay to Jaggernaijkpoeram by two thonijs, and cost the Honourable Company in expenses on the thonijs during that time the amount of . . . pagodas 2226. 3. 22. From which deduct the services that these thonijs, according to the aforementioned demonstration, still rendered for the Honourable Company in the said four years, outside of the said conveyance, which by freight valuation amount to . . . pagodas 710. 18. —. Thus there remains the charge on these 638 bales for freight or transport money by sea . . . pagodas 1515. 9. 22. Or per bale . . . pagodas 2. 9 ½. Thus less than overland per bale . . . pagodas —. 7. 63½.

Dutch transcription

308 de prijs van dit articubrin de bovenlanden gaande weg verminderen zoude, soo dat het bij betering van tyden moeijelijk zoude vallen, dit weeder op de oude prijs te Dog dit zeggen zij, geconsidereerd d'E brengen Compagnie eene Exclusive handel hier in heeft Maar met het koper is het daar en teegen weder geheel anders gelegen, hier in heeft de Compagnie voor al daar om de noord een meenigte van Compediteu ren, de Deenen, Engelsen en francen soo Com pagnien als particuliere handelaars, brengen dit in meenigte aan, des, om dat van d'E Comp=e omgeset „de prijs, wel na de markt diend geschikt te krijgen te werden, in agt neemende het onse soo veel hooger als het in soort preferabler is, boven dat van de boven genoemde meede dingers. Belangende den Inkoop of In zaam, hoe bezwaarlyk die thans is, voor al in de witte lijwaaten om aan deugd„ saam goed, en dit principaal omtrend de groove sorteerings te komen is uwel Edele Achtb: meede te over bekend, dan dat ik nodig soude agter der„ weegen eenig omschrijven te doen, en de brieven der Heeren Opperhoofden sijn ook doorsaaijd met klagten en beswaarnisse hier over, des hier van afstappende afstappende gaan ik over tot de kooplieden. De pre„ „sente Mazulipatnamse of die der gezaagde goederen en de nu Iongst afgezette Iaggernaijk poeramse of die der witte lijwaaten zijn geadmitteerd op voorschrijvens p2 der Heeren opperhoofden bij brief van den 19e Julij 1730 waar in se met namen en hoedanigheeden seer om„ standig bekend staan. voor den Oorlog, waaren 'er wel over de 20. ; dan de Regeering had toen al de vermindering van dit Com„ plot geordonneerd., met voor de geene die quamen te ƒƒ overleijden geen andere te admitteeren of voortedra„ gen In op sigt van die welke bij herstel der plaats hier van nog in weezen waaren, schreef den Achtbaren Heer Blaankamer toen gezaghebber, in sijn apparte Correspondentie met de opperhoofden over 'sComp:s wie van deeze, na Informatie bij zijn belang Achtb: aanweezen daar, admissibel waaren, en „ wie niet, en daar na, en na de vertoeve die sy opperhoofden van de presente Cooplieden als leven„ ranciers hadden is ook de keuse en voordragt der Heeren opperhoofden geschied en approbatie ge„ volgt. Het Complot: der Doiggermnan A poeramnse „ heeft 309 heeft geen agterstallen, want na het afmaaken der hier vooren gemelde disputen met de opperhoof„ den, hebben sij hunnen geringen debet direct af„ gemaakt, en hoedanig het niet dat der Mazuli„ patnamse gesteld is, weet uwel Edele Agtbare maar al te wel, dan dat ik soude nodig hebben daar van iets te seggen Dog van byzondere aanmerking agte ik voor uwel Edele Agtbare nog; de nog niet tot decisie gekomen zaak van het Transport van gezaaijde goe„ deren over zee met twee thonijs, dan wel over land van de ansamel plaats Moeta, pillij na Iagernaijk„ poerain Een door de Heeren opperhoofden derweegen aan de Regeering, gezondene aantooning onder dato laaste Iunij 1789. duijd aan, dat dit transport over Zee met twee thonijs vier agter een volgende Iaaren door den anderen genomen sjaars d'E Compagnie meer„ der komt te staan dan het transport over land voor 450: pagoden ider Iaar pagoden 153. 20. 25. , dog soo uijt deeze aantooning, post van beswaar ter Zee genoomen werden pagoden 900. –. –. hier in gebragt om de lasten ter zee te vergrooten voor Intressen op een bij Calculatie genomen Capitaal voor de thonijs thonijs, welk na mijn gering oordeel (:met onderwerping aan beeter :/ daar seer oeggen is, uijt hoofde dit Capitaal syn rhenten opbrengt met het dienst doen der thonijs, zoo zoude deeze aantooning ditert een slot ten voordeel over zee maaken van - - - p a/o 71. 2. 75. in steede van de pag: 153. 20. 25: ten nadeele De Regeering egter met deeze aantooning geen genoegen neemende heeft geordonneerd de betaaling van dit transport over land te doen na pro portie van de betaaling in a:o 1787. wanneer op een som van pagoden 15782. betaald is pa/o 249. 16½. , met last een nadere demonstratie derweegen te doen Hier op is gevolgt der opperhoofde. vertooning van de prijsen van dit transport over land per Cauwer en pak bij bij brief van den 10:' februarij deezes Iaars, wel„ ke uijtquam per pak als volgt Roemaals diverse van 1¼. @ 't pak. . . - . Pag: 3. —. —. „ „ - - - - – – „ 2½ — — _„o _ „ 1 1/8 „ _:o — „ 1 - - - - „ „ „ - - - - - „ 2: —: — _ o Bethilles —- - - - - - - - - - „ „ - - - - - „ 4. —. — Chelassen - - - - - - - - - - „ „ - - - - - „ 2. —. —. komt de 5. Sorteerings deezer gezaang de goederen op. . . . . . - . . . . . . . - paij 13½. J En deeze door den anderen genoomen het pak gevolgelijk 310 P fo. 2. 16 64 de voorsz: betaaling in 1787. van pa„ goden 249. 16½. is geschied op deeze bereekende koely gelden toen ter tyd door de kooplieden betaald voor den over„ breng, voorgedragen door de opperhoof„ den, en geapprobeerd door de Regeering Dog soo men nu neemd de gemaakt bereekening bij voorsz: aantooning der Wee„ ren opperhoofden van den laaste Iunij anno passato /. de geremarqueerde 900: Pagode uijtgenomen :/ namelijk gevolgelyk op - - - - - - - - - - - 638. pakken sijn in 4. Iaaren uijt de bogt na Paggernaijkpoeram door twee thonijs vervoerd, en sijn dE: Comp:s wegens ongelden op de thonijs in die tijd, te staan gekomen op. . . . . - - - - - - - - - pag 2226. 3. 22. waar van detraheere de diensten die deeze thonijs volgens voorsz: aantooning voor dE: Compagnie in gemelde vier Iaaren nog ge„ daan hebben, buijten gemelde overbreng, die bij vragt avardee„ ring komen op - - - - - - - - - - - „ 710. 18. —. soo rest het beswaar ten laste van deeze pakken 638. voor vragt of trans„ port geld over Zee- - - - - - - - - p ƒ1515. 9. 22. dan wel per pak - - – - – - - - - - - - - - - „ 2. 9 -½ dus minder als overland p:r pak. . - pag:s — buijten ping van en . 7. 63½

NL-HaNA_1.04.02_3974_0632 view scan ↗

English

Apart from this difference per bale, which benefits the Company by sea with two thonys, it should also be taken into consideration for the present that the main settlement is closer to Zaggernaij apoeram than previously when they were at Nagapatnam, namely, that the main settlement is now in the middle of the stations, whereby more benefit can currently be derived from these thonys than previously, except for the questionable transport of the unbleached goods. For these thonys, overwintering at Iaggernaykpoeram as previously occurred, arrive here early in January with the bales that are then stored at Iaggernaijk poeram, both from that station and Palikol, and even one of the two, not receiving their full cargo at Iaggernaykpoeram, can easily make a trip in late December or early January, when the winds usually begin to blow somewhat easterly and south of that, to Bimilipatnam, to collect the stock from there as well, whereupon 3 from here can be sent directly via Sadras and Portonovo to Nagapatnam; with merchandise and necessities for all the southern stations, to deliver them where appropriate, and then remain at Nagapatnam until the southerly winds blow straight through, with which they then come here from Nagapatnam, Portonoir and Sadraspatnam with the stock of bales there, and having unloaded those here they depart for the bay to collect the unbleached goods; here they remain, the one until the end of July, and the other until the middle or at the latest the end of August, when the unbleached goods must be ready to be transported to Iaggernaijkpoeram, so that by the first of September one has the two thonys there. Easily then one, and just as well both, can make the journey to Bimilipatnam to bring the stock of bales from there to Daggernayk poeram to be transshipped into the sloops, in which case the sloops in the autumn need go no further than Iaggernaijkpoeram. By now transporting the bales in January with these thonys, the sloops would not find their cargo ready at these northern stations earlier than in June or July, and they could be held here until that time or until the arrival of the Batavia ship, and be employed for the southern stations, as they would still have the wind behind them northward, whereby the danger of losing anchors and ropes on a voyage from the north in April, May, and June would be prevented, the more so as these sloops, as experience has sufficiently taught, did not return from that voyage earlier than August, when the winds become somewhat variable and the currents begin somewhat to cease. The only difficulty in this would merely be to bring the stock of bales stored from the southern stations since the last collection by the sloops from there here before the ship arrives, with the vessels currently on hand; but the question would be whether this would cost the Honorable Company, by chartering private vessels as long as one does not have more of the Company's on hand, as much as the transport of the unbleached goods overland to Iaggernaijkpoeram, I mean an important collection as before the war; and this being equal or less, as the latter may well be assumed, the danger of losing anchors and ropes would still always be avoided or prevented. In addition to this, there is another principal point to the detriment and prejudice of the Company in the overland transport of the unbleached goods, which consists in this: that the merchants, always having the road open overland, take little or at least less care to have the goods ready in time for transport than otherwise, to which they are indeed compelled to pay attention by the fixed departure of the thonys, if they do not wish to expose their goods to the dangers that the change of the monsoon can entail, thinking that overland there is always time enough to have them transported; but in the meantime the rainy monsoon sets in, and the freshets come down, which then obstruct the transport, so that the goods, even if ready, cannot come down as quickly as required, and if not ready, the merchants can nevertheless advance this hindrance to cover their fault; at least that this obstacle, and a second one, I mean the detention of the goods en route by tax farmers demanding tolls, has occurred, or has been pretexted, since the transport has taken place overland, as can be shown by the complaints of the Lords Chiefs in this regard in letters, as far as I know, of 21 July and 8 October 1789; which caused unbleached goods still to arrive on the collection for 1788/9 in January, indeed I believe even in February 1790, which then still had to go to the washing place Gollepalum, whereas the delivery by thonys, as stated, is fixed for the end of July, and I believe the last at the latest by the middle of August, which must also be so in order to have the goods, which then arrive in such great quantities at first in the raw state, ready in time to be packed in the bale for dispatch by late September. This is all, Right Honorable Sir, that my slight knowledge and experience at Iaggernaykpoeram regarding the custom there provides for the present to the well-being of the Honorable Company, and I shall therefore lastly proceed to answer the second motive of Your Honor in what was requested of me, namely: B: That I also was said to have knowledge of what occurred between the Lords Chiefs and the Lord van Byland, noted from the papers

Dutch transcription

Buyten dit verschil sodanig per pak, dat de Comspagnie ten voordeele komt over zee met twee Thonijs, soo diend hier nog voor het tegenwoordige by in aanmerking genomen te werden, de meerdere nabijheijd van de Hoofdplaats bij Zaggernaij apoeram dan bevoorens toen men op Nagapatnam was, en wel, dat de Hoofdplaats nu in 't midden van de Comptoiren legt, waar door men thans meerder nut van deeze thonijs kan hebben, dan voor heen, uijtgenomen het questieuse transport der gesaaijde goederen. want deeze thonijs overwinterende op Iaggernaykpoeram, als bevoorens plaats had„ soo komen ze vroeg in Ianuarij hier met de pakken die dan op Iaggernaijk poeram opgelegd zijn, zoo van dat Comptoir als Palikol, en kan selfs een van de twee, hun laading beide op Iag„ gernaykpoeram niet krijgende wel een togtje met het laast van December of begin van Ianuarij wanneer de winden ordinair al wat oostelijk en daar besuijden beginnen te loopen na Bimilipatnam doen, om den voorraad ook van daar aftehaalen, als wanneer 3 van hier over Sadras en Portonovo, direct kunnen versonden werden na Nagapatnam; met koopman schappen en benodigdheeden voor al al de zuijder Comptoire 311 Comptoiren, die Te aflangen daar 't behoord, en dan op Nagapatnam leggen blyven tot de zuijde winden regt door komen, waar meede ze dan van Nagapat„ nam, Portonoir en Sadraspatnam met den voor„ raad van pakken daar, dit heen komen, en die hier ontscheept hebbende vertrekken se na de bogt ter afhaal der gesaaijde goederen; hier blijven zij leggen, de eene tot ultimo Iulij, en andere tot medio of uijter„ lijk ultimo Augustus, wanneer de gezaaijde goede„ ten moeten klaar weesen om te vervoeren na Iag gernaijkpoeram, des men met primo september de twee thonijs daar heeft. Gemakkelijk kan dan een, en even goed beijde, de reijse na Bimilipat„ nam doen om de voorraad pakken van daar op Daggernayk poeram te brengen om in de sloepen te werden overgescheept, als wanneer de sloepen in 't na Iaar niet verder behoeven te gaan dan Door het vervoer nu van de Iaggernaijkpoeram. pakken in Ianuarij met deeze Thonijs, soude de sloepen niet eerder dan in Iunij of Iulij hun lading op deeze noorder Comptoiren gereed vinden en konden die tot soo lange of wel tot de komst van het Bataviase schip hier aangehouden, en voor de suijder Comptoiren geEmploijeerd werden, als r als houdende dan nog voor de wind noordwaards, waar meede het gevaar van ankers en touwen te verliesen in een reijse van de noord in april, meij, en Iunij soude voorgekomen werden, te meer daar deeze sloepen van die reijse, als de ondervinding genoeg geleerd heeft, al niet vroeger reverteerden als in Au„ gustus, wanneer de winden wat variabel worden, en de stroomen eenigsints beginnen te cesseeren De eenigste swarigheijd soude hier in maar weezen om dan met de tegenwoordig aan handen synde vaarthuijgen, de voorraad van pakken van de suijder Comptoiren sedert de laaste afhaal met de sloepen opgelegd, van daar voor het schip hier te krijgen, dog de vraage zoude vallen, of dit d'E: Compagnie met inhuur van particuliere vaar„ tuijgen, soo lange men geen meerder 's Comp=s aan handen heeft, wel soo veel soude te staan komen als het transport van de gezaaijde goederen overland na Iaggernaijkpoeram, ik meen een importe Insaam als voor den oorlog en dit ge„ lijk of minder weesende, als dit laaste wel te voor onderstellen is, soude tog altoos het gevaar van ankers en touwen te verliesen uijtgewonnen of 312 Hier bij komt buijten dit of voorgekomen weesen. nog een voornaam poinct ten nadeele en in preju„ ditie van de Compagnie bij het Transport over land van de gezaaijde goederen, dat hier in be„ staat, dat de kooplieden de weg over land altoos open hebbende, hun weijnig of ten minsten min der bekrennen om de goederen tijdig gereed te hebben tot vervoer als anders, waar toe sij door het bepaald vertrek van de thonys wel gedwongen sijn opte passen, willen sij hunne goederen met Ex poneeren aan de gevaaren die het verloopen der mous„ son kan ten gevolge hebbe, denkende zij dat het over land-altoos tijd genoeg is om se te doen over„ brengen, dog intusschen schiet de reegen mousson in, en komt het opperwater af, welk dan den overbreng stremd, soo dat de goederen al gereed weesende niet kunnen afkoomen, soo spoe„ dig als benodigd werden, en niet gereed weezende kunnen zij kooplieden egter wel deeze hindernisse tot dekking van hun fout voorwenden, ten minsten dat dat obstakel, en een tweede, ik meen het op„ houden der goederen onder weg door Pagters die pagt vorderen, plaats gehad heeft, of voorgewend is, sedert de vervoer overland is geschied, kunnen aantoonen de en de klagten der Heeren opperhoofden derweegen bij brieven voor soo verre ik weet van den 21. Iulij, en 8e October 1789;, waar door veroorsaakt is dat op den In„ saam voor 178 /9. in Ianuarij, Ia ik geloof zelf in februarij 1790: nog gezaaijde goederen inquaamen, die„ dan nog na de wasch plaats Gollepalum moesten daar egter den aanbreng met thonijs als gezegd bepaald is met ultimo Iulij, en ik geloof de laaste met uijtterlijk medio Augustus, het geen ook soo wee„ sen moet, om de goederen, die dan in soo groote quantiteijt eerst ruw aankomen, tijdig klaar te heb„ ben om met het laast van september ter versending in de band gereed te weesen Dit is alles wel Edele Achtbare Heer! wat mijn geringe kennisse en ondervinding op Iagger, naykpoeram nopens het gebruijkelijke daar, tot wel zijn van de E: Compagnie voor het tegenwoordig opleeverd, en ik zal derhalven laastelijk overgaan tot het beantwoorden van de tweede beweeg reeden van Hoog Dezelve in het gedemandeerde aan mij, na„ melijk B: Dat ik ook kennisse soude hebben van het voorge„ vallene tusschen de Heeren Opperhoofden, en de Heer van Byland, aangemerkt uijt de papieren

NL-HaNA_1.04.02_3974_0637 view scan ↗

English

it appeared that I was employed as a mediator in some matter of dispute. With merely making a declaration according to the truth on this remark, I find that I can suffice with this, and consequently declare: That Mr. van Halm fell into great enmity with Mr. van Bijland in September 1788, regarding the occurrences at Jaggernaijkpoeram with and concerning Mr. van Byland's ship Geldria, and I, who previously had no, or at least very little acquaintance with Mr. van Byland, on the contrary being on good terms of friendship. That Mr. van Halm, when shortly thereafter the change happened such that Mr. van Bijland was His Honour's successor, testified to me that he very gladly wished to see that I remained until Mr. van Bijland's arrival, in order, if possible, to settle everything amicably. That when I found a very good opportunity with an Englishman known to me at the beginning of December, to cross over free of transport with my family by mid-December or somewhat later, Mr. van Halm proposed to me to at least personally forgo that and remain, so as to depart at the same time as His Honour or at least after Mr. van Bijland's arrival, proposing that I settle with Mr. van Biland a claim which he, Mr. van Halm, said he had on the collective merchants, as far as I best recall, around or over 2000 pagodas, and this on the condition that Mr. van Bijland would take over that claim as his own, and account for half of it to Mr. van Halm, leaving the other half for Mr. van Bijland for this takeover, promising me 150 pagodas for letting this opportunity pass and for my trouble in this. 4. That I embraced this offer in consideration of the fact that the Company's sloop suitable for my transport had not yet appeared, and I still had so much time. 5. That Mr. van Byland arriving in the latter part of December, I carried out this mediation in January to the satisfaction of Mr. van Halm, and that Mr. van Halm, after I had informed His Honour that Mr. van Byland was inclined to the acceptance, also delivered or sent to Mr. van Bijland the account of his claim on the merchants, written, as I recall, by His Honour's own hand, with which my agreed mediation being accomplished, I also debited His Honour for the promised 150 pagodas with me. 6. That in the meantime, and afterwards, disputes arising, Mr. van Halm requested me each time to mediate them, as I also succeeded quite happily therein, especially regarding the takeover of the chief's house, a matter to which Mr. van Bijland was so strongly opposed, until finally all negotiation suddenly broke off due to the arrest of the merchants of the white linens, and the protecting of those of the sown goods, regarding the intended union of the two teams. Affirming that I remain at all times ready, if required, to confirm this my report with a solemn oath, as being drawn up upright, pure, truthful, and to the best of my knowledge and memory, I hope herewith to have complied with Your Right Honourable's respected orders, and take the particular honour to subscribe with deep respect, at foot was written, Right Honourable Sir, Your Right Honourable's humble and obedient servant, signed, J. Obdam, in the margin, Pallakatta the 2nd December 1790. Agreed, A. Dormieux First Clerk. Copy No. 9 To the Right Honourable Sir Jacob Eilbracht Senior Merchant and Governor of the Coromandel Government and dependencies thereof, etc., etc. Right Honourable Sir Pursuant to Your Right Honourable's very esteemed order, I have the honour to inform Your Right Honourable: That the Honourable Company has from old times minted dabboes, according to the model of Golconda dabboes, of which dabboes there were exchanged on the bazaar for an old Nagapatnam pagoda: 168 dabboes. And for a Madras three-image pagoda: 197 dabboes. Which gave a difference of only: 29 dabboes between an old Nagapatnam and a Madras three-image pagoda. But presently, or since 1786, the price of copper has fallen to such an extent that on the bazaar one can have for a Madras three-image pagoda: 280 dabboes, and for an old Nagapatnam pagoda: 222¾ dabboes. Thus according to the bazaar exchange rate there would only be a loss of: 57¼ dabboes. But

Dutch transcription

313 pasieren bleek dat ik in eenig poinct van geschil geEmploijeerd ben geworden als mediateur Met enkel op deeze aanmerking betuijging na waar„ heydt te doen, vinde ik hier inne te kunnen volstaan, en verklaare dien volgende Dat de Heer van Halm met de Heer van Bij„ land in groote vijandschap geraakt is in September 1788. ter zaake der voorvallen op Jaggernaijkpoe„ ram met en omtrend des Heer van Bylands schip Geldria, en ik die voor heen geen, of ten minsten maar seer weynig kennis aan de Heer van Byland had, in tegendeel in goede vriens„ schap Dat de heer van Halm toen de verschansing kort daar op sodanig quam dat de Heer van Bij S:C: land zyn Edele vervanger was, mij betuijgde zeer gaarn te sien dat ik bleef tot des Heer van Bij„ lands komst; om des mogelijk alles in der min„ ne te schikken. o Dat ik met een mij bekende Engelsch man een zeer goede gelegendheijd treffende in het begin van December, om met medio of wat laater transport vrij nevens familie overtevaaren, de heer van Halm Mij by ng 2. mij voorstelde daar van ten minsten voor mijn per soon aftezien en te blijven, om met zyn Edele te gelijk of ten minsten na des Heer van Bijlands komst te vertrekken, proponeerende mij om met de heer van „ Biland te schikken een pretentie die hij heer „van Halm seijde op de gesamentelijke Cooplieden bij - of over „ te hebben, soo mijn best voorstaat van Conditie, dat „de 2000. pagoden, en dit op sodanige „ de heer van Bijland die vordering zoude overnee„ „men als de zijne, en daar van de heer van Halm „verantwoorden de helft, blyvende dan de andere „helft voor de heer van Bijland voor deeze „overneem, beloovende mijn voor het laaten ver„ „loopen van deeze gelegenheijt, en mijne moeijte „hier in 150. Pagoden 4. Dat ik dit aanbod uijt aanmerking dat 'sComp=s sloep tot mijn transport geschikt nog niet was op„ gedaagd, en ik nog, zoo lang tijd had, geamplecteerd heb Dat de heer van Byland in 't laast van december komende, ik in Ianuarij deeze media„ tie tot genoegen van de heer van Halm volvoerd 5. heb 314 heb, en dat de heer van Halm, na ik zyn Edele kennisse gegeeven had, dat de Heer van Byland tot de acceptatie geneegen was, ook de Reekening van zyn vordering op de kooplieden, soo myn voor staat door zijn Ed: eijgenhandig geschreeven, aan de heer van Bijland afgegeeven of gezonden heeft, waarmeede mijn besprooken mediatie vol„ voerd weezende, ik sijn Edele ook voor de beloofde 150. pagoden bij mijn gedebiteerd heb: 6. Dat intusschen, en daar na verschillen opko„ mende, de heer van Halm mij ieder keer verzogt die te bemiddelen, soo als ik daar in ook nog al geluckig slaagde, voor al omtrend het overneemen end van het opperhoofds huijs, een zaak daar de Heer van Bijland soo hart teegen was, tot dat eijndelyk alle onderhandeling eens klaps afbrak voor het arresteeren der kooplieden van de witte lijnwaa„ ten, en het protegeeren van die der gezaaijde goederen Omtrend de voorgenomen vereeniging der beide ploegen Onder betuijging dat ik ten allen tijde bereijd blijve, dit min bericht, als opregt, suijver, na waarheijd, en beste kennisse en geheugenisse ingericht, des gevorderd dere Compe of ecteerd an gevorderd werdende met solemneele Eede te bevestigen hoope ik aan Uwel Edele Achtbare gerespecteerde beveelen hier meede voldaan te hebben, en matige„ mij de byjzonder eere aan, met diep ontsag te onder„ schrijven /:onderstond:/ wel Edele Achtbare Heer, uwel Edele Agtb:s onderdanigen en Gehoorzamen Dienaar /:was getekend:/ J=n Pallakatta Obdam /: in margine. den 2. December 1790 Accordeerd. ADormieuk ese Clercq. Copia opie 315 Aan den wel Edelen Achtbaren Heer No. 9 Jacob Eilbracht Opperkoopman en gezaghebber van het Cormandelsch gouvernement en resorte van dien & &a Wel Edele Achtbare Heer Ingevolgen uwel Edele Achtbare zeer g'eerde ordre heb ik Dat d'E: Compagnioe de eere Uwel Edele Achtbare te melden; heeft van oude tyden af dabboesen geslaagen, volgens model van Golcondase dabboesen, en van welke dabboesen voor een oude Nagapatnamse pagood ingewisseld wierd op de Bazaar. . . . . . . . . . . . . . . . . _ Dabb: 168. —. x En voor een Madras drie beeldige pag: - - - - „ 197. —. Ton 't welk een verschil alleen gaf van - - - - - . . 29. dabboesen tusschen een oude Nagapatnamse en madras drie beeldige pagood maar thans of zedert 1786. is de prijs van het kooper zodanig gedaalt dat men op de bazaar voor een Madras driebeeldige pagood kan hebben - - - - - - - 280. dabboesen en voor een Nagapatnamse oude Pagood - - - - - - 222¾. _o „222¾. _ Dus volgens de bazaars Cours maar een verlies zoude zy van. . . . . . . - - - - - - - - - - 57¼. dabb: maar 1 tgen onder„ en

NL-HaNA_1.04.02_3974_0642 view scan ↗

English

but the Company, which knows nothing of all this increase and decrease of the bazaar, provides no more than customary for an old Nagapatnam pagoda 168 dabbus, whereas everyone on the bazaar, according to the exchange rate for an old Nagapatnam pagoda, thus the poor Company servants must lose on a pagoda, above the 33 percent that the Company deducts from their monthly salaries, an amount of 54¾ dabbus on a pagoda. If the Company servants now wish to buy their provisions on the bazaar, they must have a Madras three-swami pagoda, because the Nagapatnam pagoda is currently not to be found, thus according to the bazaar rate pay to a moneychanger for a Madras three-swami pagoda 280 dabbus, sometimes more or less, and the Company gives no more than 168 for a pagoda, thus from their own pocket they must add 112 dabbus. As regards the minting of the underweight dabbus, the Company has for many years minted for 5 bhaars of copper 80070 dabbus. But since 1 June 1788 dabbus have been minted 6 percent lighter, which yields an increase of 4804 dabbus, thus the Honorable Company according to all right must have, according to this calculation for 5 bhaars, 84874 dabbus, and for one pagoda one would receive 222¾ dabbus, after deduction of all charges, which lasted until the arrival of the new second-in-command Van Someren, which was 1 October 1788; since which time again, as I have heard, the dabbus have been minted smaller, up to 14 percent less than the old Golconda dabbus, thus for 5 bhaars of copper the Company must have 91279 dabbus, after deduction of all charges, but how long this lasted, or that those underweight dabbus were minted, is unknown to me, because with the arrival of the second-in-command Van Someren I did not have the administration of the books. These underweight dabbus were minted according to the Bimlipatnam model, and which perhaps will differ more from the old heavy dabbus than the Jaggernaijkpoeram ones, besides which, the chiefs of Jaggernaijkpoeram did not mint light dabbus without the foreknowledge and consent of the Palicol chiefs, from which Jaggernaijkpoeram had to obtain their necessary expenses. The charges of the mint are 4 pagodas on 430 lb of copper. Herewith I hope to have satisfied your Honorable Worshipful's esteemed intention, and have the honor to sign with deep respect, beneath stood, Honorable Worshipful Sir, your Honorable Worshipful's humble and very obedient servant, was signed, S. I. De Bruyn. Palleakatte, 24 November 1791. In the margin stood: Jehu Clercq A Dormeuk A corbart Today, 8 January 1791. Articles whereupon, by virtue of and in compliance with the commission demanded by the Honorable High Indies Government in separate letters dated 11 May, 2 July, and 17 August 1790 of the undersigned chief and governor Jacob Eilbracht, heard, and in each other's presence must be interrogated the Honorable Worshipful Nicolaas Tadama, senior merchant and former governor of the Coromandel government, alongside Messrs. Paul Engelbert van Halm as former outgoing, and Willem Hendrik, Count of Byland, as former chosen and arrested chief of the factory Jaggernaijkpoeram, and to which upon my requisition and presence, the answers, and the appearance expressly convened for that purpose, shall be recorded beside each article by the first sworn clerk of police, Jan Obdam. By order of, and upon convocation by, the Honorable Worshipful Jacob Eilbracht, senior merchant and governor of the Coromandel government, a meeting was held, and in the same appeared Messrs. Paul Engelbert van Halm and Willem Hendrik, Count of Byland, mentioned more fully in the heading of the articles set to the side; the Honorable Worshipful Nicolaas Tadama, not having appeared due to illness, and therefore requested separately to answer them at home; whilst the appearing gentlemen in the presence of the said governor, and in the presence of me, Jan Obdam, first sworn clerk of police, have answered in such manner as is recorded beside each article, together with that given by the aforesaid Mr. Tadama on the 10th of this month. No. 10. Acknowledging receipt Van Halm and Van Byland, and are ready to answer. Introduction. Firstly: I request and exhort the gentlemen to answer sincerely according to the truth to every question to be put, without importuning each other with particulars or straying from the subject, thus only that person is requested to speak to whom the question is put. Secondly, I ask whether the gentlemen acknowledge the receipt of my advance notice of this appearance sent on the 22nd of the past month, with the documents annexed thereto separately for each, and whether they are ready to answer. Article 1. To Mr. van Byland. Do you acknowledge the bundle of letters that is shown to you here as yours, and which letter is it that you name by the name of the general report. Mr. van Byland acknowledges the bundle shown as his, and names the letters of 3 and 6 February, the first separately to the Worshipful Mr. Tadama, and the latter to his Worship and the council. Article 2. Was it not, as you state, on 26 January 1790 that the Jaggernaijkpoeram trade books and papers of 1788/9 were not yet in order, and did one not on that day desire of you that you, according to a sent note, see article 9 of your

Dutch transcription

maar de Compagnie die van alle deeze vermeerdering en vermindering van de bazaar niet weet, verstrekt niet meer als na gewoonte voor oude Nagapatnam se pagood 168. Rabb: daar ider een op de Bazaar volgens de Cours van verwisseling voor een oude Nagapatnamsche pa„ Dus de arme Comp. s dienaaren moeten verliesen op een pag: boven de 33. prCento die de Comp=e van hunne maandgelden aftrekken een bedragen 54¾. dab: op een pagood willen de Compagnies Dienaaren nu hunne provisien op de bazaar koopen, moeten zij een madras drie beeldige pagoden hebben, want de Nagapatnamsche pag: is thans niet te vinden, dus volgens de basaers Cours aan een boute kier betaalen voor een madras drie beeldige pag: 280. dabb: somtijds meer of minder en dE Comp:e geeft niet meer 168: _o om voor een pagood, dus uijt hunne zak moet byleggen. . . . . . . . . . . . . . . . . . 112. dabb=te Wat aan belangd 't slaan van de minwigtige dabboesen end de Compagnie heeft zeedert veele Iaaren geslaagen voor 5. bhaar kooper - - - - - - - - - - - - - - - - 80070. Dabb: Maar Zedert P=mo Iunij 1788. zijn dabboesen 6. per Cento minder geslagen, 't welk een . . 4804. _:o meerderheijd geeft van - - - - - - - - - - - me dus d'E: Comp:e volgens alle recht moet hebben vol„ gens deeze bereekening voor 5. Baaren - - - - 84874. dabboesen: p good zoude krijgen - - - - - - - - - - - - - - - . 222. ¾. d. o na 316 2.¾. d:o na aftrek van alle ongelden 't welk geduurt heeft tot de komst van de nieuwe secunde van Someren 't welk geweest is P=mo October 1788. zeedert welke tijd weder (. zoo als ik ge„ hoord heb :/ de dabboesen kleijnder zijn geslagen tot 14: op het hondert minder als de oude golcondase Dabboesen dus voor 5. bhaaren kooper de Compagnie moet hebben 91279 Dabboesen, na aftrek van alle ongelden, maar hoe lang dat dit geduurt heeft, ofte dat die minwigtige 7. dabboesen geslaagen sijn, is mij onbekend, want met de komst van de Secunde van someren heb ik de beheering van de boeken niet gehad„ Deeze minwigtige datboesen zijn, volgens bimili„ patnamsche model geslagen, en die misschien meer zullen verschillen met de oude gewigtige dabboesen als de Iaggernaijkpoeramse, behalven nog dat, de opperhoofden van Iaggernaijkpoeram geen ligte dabboesen hebben geslaagen sonder voorkennis en in stemming van de Palicolsche opperhoofden, die van Paggernaijkpoeram hunne benodigde ongelden moest hebben. de ongelden van de munt is 4. pagoden op de 430. lb: kooper Hier meede hoope ik aan uwel Edele Achtbare geeerde intentie voldaan te hebben, en hebbe de eere met een dirp ontzag te ondertekenen /:onderstond/ wel Edele # Agtbare Heer, uwel Edele Achtbare Heer onderdanige en heer Gehoorzame dienaar /:was getekend:/ S: I: De Bruyn en meer Rabb: 54¾. dab: en 2 - dasboesken Palleakatte den 24. November rdruijn /:in wargine Jehu Clercq A Dormeuk A corbart. 1791. tettond 317 Op Heeden den 8. Januarij 1791.— Norticulen waar op uijt kragte, en ter vol„ Is op ordre, en bij een roeping door den E. E. Agtbaren Heer Iacob Eilbracht opper„ doening van de door de Edele Koopman en gezaghebber des Cormandelschen gou„ Hooge Indische Regeering bij vernement, bij een komst gehouden, en in dezelve gecompareert de Heeren Paul Engelbert van aparte brieven de datis 11. Meij. E Halm, en Willem Hendrik Graaf van 2. Iulij, en 17. augustus 1790. Byland in hoofde van de ter zyde gestelde den ondergetekende opperhoof Articulen breeder gemelt; zijnde de E: E agtb heer Nicolaas Tadama mits ziekte niet man en gezaghebber Iacob verscheenen, en oversulx apart verzogt aan huyjs op de zelve te antwoorden; terwijl de heere Eilbracht gedemandeerde Com„ Comparanten ten overstaan van gem: heer ge„ missie, gehoord, en in elkan„ Pachhebber, en in tegenwoordigheijd van mij ders tegenwoordigheijd onder Ian Obdam Eersten geswooren klerk van politie, zodanig hebben geantwoord, als met vraagt moeten worden de wel Edele dat van opgemelde Heer Padama gegeeven den 10:e deezer, ter zijde van ieder articul opge„ Achtbare Heer Nicolaas Ta„ tekend staat. dama opperkoopman en geweezen gezachhebber van het Cormandelsch gouvernement, nevens de Heeren Paul Engelbert van Halm als geweezen afgaande, en Willem Hendrik Graaff van Eijland als Clrrp No. 10 Erkennende ontfangst van Halm en van Bijland, en zijn bereid te antwoorden. als geweezen geeligeert en gearresteerd opperhoofd van het kantoor Iagger„ naijkpoeram, en op dewelke ter mij„ ner requisitie en overstaan, de ant woorden, en de daar toe Expres aan„ gelegde Comparitie door den Eersten gezwooren klerk van politie Ian Obdam ter zijde van ieder arti„ cul zullen worden opgetekend Inleijding Eerstelijk: verzoeke en vermaane ik de Heeren om, na waarheyd opregtelijk te antwoorden op ieder te doene vraag, zonder elkander met particulariteiten te impor„ tuneeren of van het stuk afte brengen, dus enkel die geene gelieve te spreeken, aan wien de vraag gedaan word. Ten anderen vraage ik of de Heeren erkennen de ontvangst van mijne 318 zegt Za. myne sub 22. der voorleeden maand afgezondene pre advertentie van deeze Comparitie met de voor ieder afzonderlyk daar bij gevoegde stuk„ ken, en of zij bereit zijn te ant„ woorden Art: 1. Aan de heer van Bijland. de heer van Byland erkond de vertoonde bondel voor Erkent uw Edele de bandel met brieven welke uw E: hier word vertoond voor de zyne, en noemt de brieven van den 3. en 6. feb: „p:lo het generaal verslag de Eerste afzonderlyk aan de uuwe, en welke brief is het die den Agtbaren Heer Tadama, en de laatste aan zijn UE: noemt met den naam van Agtb: en den raad. het generaal verslag. A:o 2. was het niet zoo als uE: opgeeft den 26. Januarij 1790. dat de Iag„ gernaijkpoeramsche Negorie boeken en papieren van 178 /9 nog niet in order waaren, en heeft men ten dien dage niet van UE begeert dat UE: het na eene gezon„ dene Notisie /:vide arth: 9. van VE: resteerd ger arti„ kond. ane „ af ieve aa

NL-HaNA_1.04.02_3974_0648 view scan ↗

English

The original letter having been shown by Mr. van Byland to Mr. van Halm, he acknowledges it to be his, with the note of remainders of the last of August 1789 signed by van Someren, on account of the books of 1785/8 and 1787/8 not yet being ready due to errors, which are rectified in those of the following financial year, your Honor written, but would take over, since regarding the remainders, the turnover, and what was consumed during five months of the new financial year, it would be easily settled at the transfer. To Mr. van Halm. Article 4. Does your Honor acknowledge having written such a note on the aforementioned date to Mr. van Byland, and having sent such a list of the Company remainders to his Honor, as is now shown to your Honor in copy? Article 3. What was the reason that on the aforesaid date of 26 January 1790, the Company books were not yet closed and in order? Number 5. Upon the letter from the government of 27 February, but primarily because of the departure of the merchants. Mr. van Halm says that Blandau is the man who reported it to his Honor; says that Mr. Blandau is a bad petitioner, whose animosity toward his Honor, he having seized his ship, is very well known to Mr. van Halm. In reply to Number 1 of the questions put to your Honor at Jaggernaikpoeram, testifying that urgent reasons had forced you to refuse to execute the transfer and the surrender of the office, what were those urgent reasons? Number 6. The answer to Number 2 of the aforesaid question points contains neither yes nor no. Your Honor cites in recrimination against Mr. van Byland instances of cruel and harsh proceedings with respect to two foreigners; with what does your Honor prove the same? Number 7. To Mr. van Byland. Article 2 having been read to Mr. van Byland: What does your Honor have to say or to object to that which was imputed to your Honor in the aforementioned answer by Mr. van Halm? Mr. van Byland says: Regarding Mombie, having sent him with a letter to Madras to the town major, and concerning Macklau, never having known nor seen him; that there were never any complaints about the merchants of Sadras, and that regarding the punishment of one of the same with slippers before the counter-warden, the sentence at Sadras is to be found in the protocol. Mr. van Halm says, on account of their testimony of losses that they had suffered with the Company, referring further to the declaration of the Company interpreter and Brahmin. Says that they claimed to have money to demand from his Honor, although they had made no previous demand for it, and which claim to the amount of new pagodas 548.– has been paid by his Honor in four years' time to the committee for the merchants' account in the Company treasury. Number 8. To Mr. van Halm. In Article 3 of the above-mentioned answered questions, your Honor says that the arrest of the Jaggernaikpoeram merchants took place because they had declared in the presence of the schiba of Hoet, the Company interpreter and Brahmin, that they no longer wished to serve the Company. Why, or on what basis was this refusal grounded? Article 9. What reason do they give for refusing to sign their settlement? Mr. van Byland says: I asked the Jaggernaikpoeram merchants in the presence of van Someren and my clerk Dirksz how much they owed the Company, and whether the Company account was genuine, yes or no; whereupon they fully declared no, claiming that the private accounts of the chiefs were mixed up in it. Mr. van Halm declares that he considers the claim charged to him in the translation of the Gentoo document of pagodas 1304. 5 1/4 to be false, and that he paid no more as the balance of the account of both Pindaprool Ramaya and other merchants than pagodas 548.–. Number 10. To Mr. van Byland. Since according to the answer of the former Jaggernaikpoeram chiefs van Halm and van Someren to the questions put to them, Number 4 shows that their debts to the merchants amounted to no more than pagodas 807. 21, and that they have paid the same, whence arises your statement that the merchants had to pay no more than 7 to 800 pagodas to the Company, and that the rest of the debts were incumbent upon the chiefs to reimburse? Article 11. To Mr. van Halm. How can your answer to Article 4 of the aforementioned question points be reconciled with the signed Gentoo document Number 3 sent here by Mr. van Byland to the council of police, of which a copy translation by the sworn translator has been delivered to you? Article 12. Says that it has always been a custom to take the linens that one privately needs for the household from the merchants on account. Article 13. Says: It must be proven to me. Article 14. Says: In reality, since that which they claimed from me has been paid. Article 15. Says: Yes, and I refer to the answered question points of the merchants. Article 12. Must your Honor not admit by your answer to Number 5 of the question points that your private accounts were mixed with those of the Company merchants? Number 13. Is your Honor not therefore the cause of the disagreement that arose concerning the surrender of the office? Number 14. Is it in appearance, or in reality, that the differences which your Honor had with the Company merchants over your account have been settled? Number 15. Does your Honor still consider it a false accusation that the corals sold to the Jaggernaikpoeram merchants served instead of cash from the Company treasury?

Dutch transcription

de origineel brief door den heer van Byland aan den heer van Halm vertoond zynde, erkend die voor de zijne met de notitie van restanten van ult.:o aug=s 1789 door van someren geteekend uijt hoofde de boeken van 178 5/8., en 178 7/8 wegens de Erreuren nog niet klaar waaren, en geredrisseerd zyn bij die van het volgende boekjaar uE: geschrigt :/ maar zoude over„ neemen, dewijl het zig aangaande de restanten, den vertier, en het verbruijkte geduurende vijf maanden van het nieuw boekIaar wel zoude schikken bij het Trans„ port. Aan de heer van Halm. Erkent UE: dergelijk een briefje of gemelde datum aan den heer van Bijland geschreeven, en eene sodanige notisie van 'sComp=s restanten aan zijn Edele gezon„ den te hebben- als UE: nu in Copia vertoond word. Art: 4. Wat was de reeden dat op voorsz: datum van 26. Januarij 1790. Com„ pagnies boeken nog niet geslooten, en in ordre waaren. Art 3. N o 5. wieus het 319 Nol 5. Op de brief van de regeering van 27. feb:., dog eerst uijt hoofde van de uijtwijking van de kooplieden de heer van Halm Tegt dat Blandau de man is, die Ie aan zijn E. heeft opgegeeven zegt, dat de heer Blandau een slegt supp:t is, Bij antwoord op A:o 1. van de te Iaggernaijkppoeram uEd. gedaane 1 vraagen, betuijgende dat dringende reeden u hadden genoodzaakt om het doen van Transport, en de overgave van het kantoor te weijgeren, wat waaren dat voor dringende reedenen! A:o 6. Het antwoord op A=o 2. van voorsz vraagpointen behelst nog Ia„ nog Eveen. UE: haalt daar bij tot recriminatie tegen den heer van Bijland aan staaltjes van wreede, en harde procedures ten opzigte van twee vreemdelingen, waar meede bewijst UE. dezelve! A o 7. Aan den Heer van Bijland. 2n haer van Eijland het art: 2. voorgeleeken zijnde Wat heeft uw Edele te zeggen ofte intebrengen op het geen bij wiene animositeijt tegens zijn Ed:, als hebbende hem het gem: antwoord door den het schip ontnomen, de heer van Halm zeer wel bekend) heet 2 over„ d aar voor ooten heer van Halm Uw Ed„e word bekend is. Betreffende Mombie die te hebben opge„ zouden met een brief na Madras aan den town majoor, ten lasten gelegt. en belangende Macklau die nooijt gekent nog gezien te hebben, dat er over de kooplieden van Sadrad nimmer eenige klagten geweest zi, en dat wegens het kastijden van een van deselve niet muijlen voor, de Conterwaal de sententie op Sadras in 't protocol is te vinden. De Heer van Halm zegt uijt hoofden van hunne be„ tuyging van verliezen die ze bij de Compagnie hebben geleeden beroepende zig overigens op de verklaaring van sComps Tolk en bramine. l. 9. Wat geeven zij voor reeden van zegt dat zo voorgaven geld van zy Ed: te hebben te verrie„ tendeeren, schoon dat ze te vooren daar om geen weijgering tot het ondertekenen aanmaning hadden gedaan, en welke pretentie ten bedragen van n: pa/o 548. –. in vier Iaaren tijd van haare afreekening door zijn Ed: aan de gecommitt: voor den kooplieden reekening in 'sComp:s kassa voldaan is. De heer van Bijland Iagt. ik heb de Iaggernaijkpoe ramsche kooplieden ten overstaan van van Someren en mijn schrijver Dirksz: afgevraagt hoe veel No. 10. Aan den heer van Bijland Daar volgens antwoord der A o 8. Aan de heer van Halm Bij art:l 3. van boven gem: beant woorde vraagen Tegt UE: dat het arresteeren der Jaggernaijk poeramsche kooplieden is ge schiet, om dat zij in presentie van den schiba van Hoet 'sComp=s Tolk en bramine hadden ver klaart, de Compagnie niet langer te willen dienen. Waarom! of op wat fundament stemde deeze weijgering geweeze s 320 waaren ticuliere reekeningen der opperhoofden daaar in vermengd, De heer van Halm verklaard dat hij de pretentie ten zynen laste bij het Translaat van het Ientiefsch geschrift van- pa/o 1304. 5¼. voor valsch houd, en dat hij niet meer per saldo van de reekening soo wel van Pinda prool ramaya als andere Coopliaeden betaald heeft, als pr /o 548. — z aan de Compagnie schuldig waaren, en of de Comp:s reekening egt was Ia of neen! waar op ze volmondig hadden gedeclareerd van Neen; voorgeevende dat de par„ geweeze Iaggernaijk poeramsche opperhoofden van Halm, en van someren op de aan hun ge„ daane vraagen N:o 4 aangetoond word dat hunne schulden aan de kooplieden niet meer dan pag: 807. 21. bedragen, en dat zij dezelve hebben voldaan, waar tuijt spruijt dan uwe opgaven dat de kooplieden niet meet dan 7. â 800. pagoden aan de Compagnie hadden te betaalen, en dat de rest van de schulden de opperhoofden incumbeerden te ver„ goeden. Aan de heer van Halm. Hoe kan u antwoord op art: 4. van voorm: vraag pointen worden over een gebracht met het getekende Ientiefsch geschrift N. o 3. door den heer van Bijland alhier aan de vergadering van politie gezonden; waar van Copia Tran„ slaat van den geswooren Transla„ teur aan u is ter hand gesteld. A:l 11: Ao 12 van land zegt dat het althoos een gebruijk geweest is om de lywaaten die men in 't particulier tot de huijshouding benodigd, van de Cooplieden op reekoning te neemen Tegt het moet mij beweezen worden Tegt in wezenlykheyd, dewijl het geen ze van mij heb„ ben gepretendeerd betaald is Tegt Ia, en beroep mij op de beantwoorde vraag„ poincten van de Cooplieden Moet UE: niet door U antwoord op a:o 5. van de vraag pointen be„ kennen, dat uwe particuliere reekeningen met die van Comp=s kooplieden zijn vermengt ge„ weest. Is UE: dus niet de oorzaak van de ontstaane onEenigheijd om de overgave van het kantoor. a:o 14. Is het in schijn, of in weezenlijk„ heyd dat de verschillen, welke UE: met 's Comp:s kooplieden over uwe reekening gehad heeft, afgedaan zijn. ao 15 Goud UE. het nog voor een val„ sche accusatie dat de aan de Pag„ gerndijkspoeramsche kooplieden verkogte Coraalen gediend hebben in den 2„ steede van Contanten uijt Comp:s assa. Art: 12. A:o 13. A:o 16 van

NL-HaNA_1.04.02_3974_0653 view scan ↗

English

321 Number 16. Mr. van Bijland says that it appears from the translation of the Gentoo writing or letter of complaint to Mr. Tadama, that it also further appears from the commission report of the commissioners in the Jaggernaikpur factory, whereby it appears that Mr. van Halm took the value for those delivered corals out of the Company's treasury for himself. He says, besides the debts that the merchants already had, they, or the chiefs, proceeded to the supply of 23 bahars of copper, which can be further demonstrated by Pinteprool Ramaiya; the 80 bahars having already been supplied in the previous year. To Mr. van Bijland. Is it not as well on account of these corals, and other mixed matters of private trade with that of the Company, and especially the enormous stated debts of the merchants up to 24000 pagodas, among which were goods on the new demand, which caused Your Honour to make difficulties about taking over everything on that footing? Number 18. How must one understand your expression, under which, namely among those private transactions, 23 bahars of Japan copper, besides also those 80 bahars of that metal, which altogether makes a mix no better for settlement than the preceding? To Mr. van Halm, Was Your Honour qualified by the council of policy to sell the 80 bahars of copper mentioned in number 7 of the aforesaid query points on credit? Number 20. When must the payment take place, and at what interest? Number 21. How does the matter stand with those other 23 bahars of copper? Mr. van Halm says, by separate private letter from the Honourable Mr. Tadama, not from the council, and indeed upon my previously submitted request to His Honour. Says, it is sold on one year's credit, and paid under the last of August past, without interest. Says, I know of no other copper than that which is for His Honour's accounting by the merchants. Says that Mr. van Bijland should then state in which matters he kept His Honour in the dark; acknowledges it to be true that he did not call His Honour to the last packing warehouse, or the sorting of linens, but that this was done partly to prevent disputes, and partly because those linens were deliverable on the demand of 1790. Number 19. Must Your Honour not admit that your answer to number 8 of the query points contains a confession of that about which Mr. van Bijland complains, namely that after his arrival there he was kept in the dark in the Company's affairs, and was not, as was proper, dealt with communicatively concerning that which, after his arrival, belonged as well to his as to your knowledge; and is that keeping in the dark not a reproach against yourself for not having been able to stand firm against the dispersal stated by Your Honour, that the linens accepted in reduction of the merchants' debts were nothing but rags? Number 23. Your Honour says in your previously given answer to number 9, that no unheard-of customs were taken from the merchants, or that any mess or deceit was committed. Were there then heard-of or, to call it thus, permissible customs taken? What do they consist of, and what did Your Honour draw from the merchants under this or similar designation? 321 Says, firstly, at the admission of merchants I acknowledge that there are permissible customs, and secondly, ordinance moneys at the rental of trade goods were 2 percent for the chief, and 1 percent for the second, besides which none of that which the merchants give to the servants and to their pagodas. Says, Mr. van Bijland is aware upon the arrival of a new chief, as also takes place on birthdays of the chief's wife and children, consisting of 3 to 4 pieces of red linens, and 2 to 3 pieces of white guinees; otherwise I have enjoyed no customs from the merchants other than those I have already stated. The original was shown, and upon collation found to agree with a copy, except for the note beneath it. Number 24. What does Your Honour have to bring against the statement in that regard by Mr. van Bijland in a memorandum sent to me by the Honourable High Indian Government, a copy of which I sent to Your Honour on 22 December past? To Mr. van Bijland. Please show the handwritten paper that Mr. van Halm caused to be handed to Your Honour, in order to claim, or take in, the customs from the merchants made known thereby. Number 25.

Dutch transcription

321 N:o: 16. De heer van Bijland zegt dat het blijket bij het Trans„ laat van het Ientiefsch geschrift of klagtschrift aan de heer Iadama, dat het ook nog blijkt bij het Commissie. Iagt Za„ Tegt, behalven de schulden, die de kooplieden rees habden, zy zij, of de opperhoofden overgegaan tot de verstrekking van 23. baaren koper, 't welk nader kan aangetoond wer„ den door Pinte prool Ramaija. de 80. bhaar a. zij reets in het Jaar te vooren verstrekt Aan de heer van Bijland. van Halm voor die afgeleverde Coraalen, de waarde uijt Comp=s Cassa na Zich heeft genomen! rapport, van de gecommitteerden in de Iaggermaij kp=se waar bij blykt het dat de heer Is het niet zoo wel uijt hoofde van deeze Coraalen, en andere gemengde zaaken van particu„ liere Negocie met die van- de Compagnie, en inzonderheijd de en orme opgegeven schulden der kooplieden tot 24000. pagoden waar onder goederen waaren op den nieuwen Eysch, welke UE: zwaarigheijd hebben doen maaken van op dien voet het, een en ander overteneemen. N:o 18. Hoe moet men verstaan uwe uijtdrukking, daar onder /: tewee„ ten onder die particuliere ver„ handelingen :/ 23. Bhaar Iappans A:o 17. staat oord in De heer van Halm zegt bij apparte particuliere brief van den agtbaren Heer Tadama, niet van de vergadering en wel op myn voor afgedaan verzoek aan zijn Agtb: zegt, het is op een saar Credict verkogt, en betaald onder ult:o Aug:s I:o leeden sonder Intrest. zegt, Ik weet van geen ander kopper als dat de kooplieden ten zyn Ed: verantwoording. — staat koper, behalven nog die 8o bhaaren van dat metaal, dat alles maakt een potnot uijt niet beter ter voldoening als de voor„ gaande. Aan de heer van Halm, is uEd. e door de vergadering van politie gequalificeert geweest om de 80. bhaaren koper vermelt bij a:o 7. van de voorzeide vraag pointan, op krediet, te verkoo„ pen. a:o 20. wanneer moet de betaaling ge schieden, en tegen welke interest Ao 21. Hoe is het met die andere 23. baeren koper gelegen zegt dat d her van Eyeland dan op tgeven in welke zaaken Moet UE: niet bekennen dat U hij zijn Ed: heeft blind gehouden: erkend waar te zij van zijn Ed: bij de laaste pakzaal, of 't zorteeren van Lywaaten niet antwoord op a:o 8: van de vraag„ geroepen te hebben, maar dat dit is geschied eensdeels om dis„ pointen in sluijt eene Confessie feuten voor te komen, en ten andere om dat die Lywaaten waare op levetanie geroten hebben op den Eysks van 1790. a:o: 19 van a: 22. 321 zegt voor eerst by de admissie van Coopleeden orken ik dat 'er geoorloofde Custumados zijn, en ten anderen, ordonnantie gelden by den verhier van handel whaaren 2 percento voor het opperhoofd, en 1. perc:t voor de secunde, buijten diet geen van dat geen, waar over den heer van Byland klaagt, namelijk dat men hem na zijn aankomst ginter in 'sComp:s zaaken blint gehouden, en niet, gelijk behoorde Communicative wet hem gehandelt heeft, over het geen, na zijn aan„ komst zoo wel ter zijner, als ter uwer kennisse behoorde, en is die blindhouding net een ver„ wijt tegen U zelve van niet schrap te hebben konnen staan tegen het door UE: opgegeven spargement, dat de in minde„ ring der schulden van de koop„ lieden aangenomene Lijwaaten, niet dan vodden waaken A: 23. UE: Tegt bij u te vooren gegeeven antwoord a:o 9. dat van de kooplieden genomen zijn, of dat 'er eenige gemors of ge„ de Cooflieden aan de denaeten geeven, en aan hunne pergoden er geen ongehoorde Costumados „brou 11 zegt, mijn Haer van Bijland is bekend bij de aankomst van een nieuw opperhoofd, gelijk ook meede plaats heeft bij geboorte dagen van opperhoofds vrouw en kinderen, bestaande in 3 â 4. stukken roode lynwaaten, en 2 â 3. stukken wit guinees, anders heb ik geen Custumados van de kooplieden genooten, als die ik bereeds opgegeeven heb. — Het origineel is vertoond, en bij collatie Accoord bevonden met Een Copij, buijten de nota onder dezelve. brou gepleegd is: zyn er dan gehoorde of, om het dus eens te noemen, geoorloofde Costumados genomen! Waar in bestaan ze en wat heeft UE: onder deeze ofte dergelijke benaming van de kooplieden getrokken! a:o 24. wat heeft UE: in te brengen tegen de opgave door de heer van Bijland derweegen bij een door de Edele Hooge Indische re„ geering mij toegezonden Memorie welkers Copij ik UE: den 22. december I:o leeden hebbe toege„ zouden Aan de heer van Bijland. Vertoon, als het U gelieft, het eijgenhandig papier, dat de heer van Halm UE: heeft laa„ ten ter hand stellen, om de daar bij bekend gestelde Costumados van de kooplieden te vorderen, ofte in te A:o 25. „ palmen

NL-HaNA_1.04.02_3974_0657 view scan ↗

English

322 to pocket. Mr. van Byland says: I refer in that regard to what I made known in my Memorial. After the exhibition and presentation to Mr. van Halm: Do you acknowledge this paper written in your own hand and sent to Mr. van Byland for the aforementioned purpose? Mr. van Halm acknowledges the presented paper as his own, and also to have sent it to Mr. van Byland, for the collection of the Costumado stated therein, who also accepted this and promised him that the half would be paid by bill of exchange by Thomas de Lange at Madras, and that the other half was seized by Mr. van Byland. That the Costumado has already been a custom since the time of the establishment of the office, or the year 1737. He requests to be permitted to submit a separate defense on the matter, and says in short that there was never any leasing of salt pans, that he had the salt pans made at his own expense to the amount of pagodas 2500, as he believes in the year 1789, whereby the Company in the book year 1788/9 profited 130 pagodas by the increase of the leases. In the aforementioned memorial of demanded unlawful Costumados, also showing a monopoly in salt, it is asked: How do you come by that, if it is true that things proceed properly with the leasing of the salt pans? No. 28 To Mr. van Byland: What proof is there that with this monopoly by the aforementioned van Halm and the former second in command van Someren, things went so coarsely that, during the war, the inhabitants of Jaggernaikpoeram eagerly abandoned the salt cultivation, by which more salt could be purchased for one daboe than now for six? Article 27. No. 26. More. Says: I shall state the name further. After the closing of this on the 13th, the following statement was made by Mr. van Byland by note to me, First Sworn Clerk, namely: Sir! Here I offer Your Honor, according to promise in the meeting of the 8th of this month, the name of the Cannecappel who was used by van Halm in the selling of the salt Athor Candi, and sold by the chief boutique-keeper Cothe Checana. What is the name of that black clerk who in the evening came to render account with the blood of the inhabitants to his master Mr. van Halm? Byland: Says: Understands by this not to take any Costumados and to give everyone free access to the lease, further stated as answer to article 29, it is known, namely: please also add after the answer that the leases will yield more if the Costumado were abolished; for example, on the small lease of Gollapalum of 250 pagodas, the lessee pays 100 pagodas to Mr. van Halm, and 50 pagodas to the second in command van Someren, besides defraying expenses when the chiefs come to such a place, as the gentlemen kept them to it. What do you understand by the raising of the prices to the half, and no more, and what do you show thereof as proof? Are you aware of the statements of your arrested servant with regard to the salt pans, if that work were continued by Bolla Pregada Ramaija, namely: That you were provided with loaded pistols and a good sabre, as if to enforce your desires therewith? Says that the three witnesses of 26 February are suspect creatures, both of Mr. van Halm and of Truvengalom, and that they were interrogated illegally, and were never in my house to inspect what was advanced; moreover, that I was No. 31. folio 30. No. 29. more 323 says that he was not a servant of His Honor, but indeed a cook of his servant, who by day was in the choultry, and by night was locked up with a murderer, torturing him in that manner, also with the promise of 100 pagodas if he would declare to have written the brief note of 10000 rupees promised to Mr. Tadama. How is that matter regarding the inhumane criminal arrest of your servant actually situated, and by what does it appear that the same was put together in a hole at night with a murderer? No. 32. says: the talk of the common people, and the treatment by Mr. Tadama in general. What proof, or appearance of proof, is there that the former Governor Nicolaas Tadama would have allowed himself to be corrupted for ten thousand rupees, in order to remove you from your post of chief? No. 33. says: by Truvengalom, great dubash of Mr. van Halm. By whom would this sum have been offered to His Honorable? No. 34. Article 35. Where does the truth of this accusation appear? refers to the Memorials and attestations that are to come in. says: as soon as Ramaija and the interpreter come, and more other witnesses who will be cited, such will appear. No. 36. You state elsewhere that these ten thousand rupees were promised to Mr. Tadama by the former chief servant of Mr. van Halm, in the name of Truvengalam, and that His Honor, on those promises, would have sent that much less in uncoined silver to Jaggernaikpoeram to have Truvengalam account for that amount there in the Company's treasury; if that is true, where does one find the proof thereof? No. 37. In your Memorial of extorted Costumados, you indicate that the probability of the receipt of the 10,000 rupees by Mr. Tadama shone forth therein, namely that: Mr. van Byland says that this was told to him by Mr. van Halm first, in the presence of van Someren, with the request to pocket the arrears for him, Mr. van Halm, as having already been settled with him and Mr. Tadama; refers further to the memorial in which Obdam and all the merchants are cited as witnesses. Says,

Dutch transcription

322 „ palmen de heer van Byland, zegt ik refereer mij daar omtrent aan het geen ik bij mijn Memorie heb bekend gesteld. na de Exhibitie en vertooning, aan De heer van Halm erkend het vertoonde papier voor den heer van Halm, Erkent uE 't zijne, en het ook aan den heer van Byland gezon„ den te hebben, ter invordering van de daar bij gestelde dit papier eijgenhandig geschreeven Costumado, die dit ook aangenoomen, en hem beloofd heeft dat per wissel te weeten de heeft door Thomas en ten voorsz eynde aan den heer de Lange op madras te zullen worden betaald, en dat de andere heeft door de heer van Cdyjland gearcesteerd van Byland gezonden te heb„ is. dat de Custumado al een gebruijk is van de tijd ben. van de ovrrichting van het kantoor of het Iaar 1737. Bij de voorsz: memorie van ge„ versoekt daar over een apparte vierantwoording te mogen indienen, en zegt in 't kort dat 'er nooijt vorder de ongeoorloofde Costumados geen verpachting van hout pannen geweest is, dat hij de Gouts panne voor zijn eijge reekening ten bedragen ook blijkende een monopolium in vain pag: 2500, zo hij meent in het Iaar 1789, seefs heeft „laaten aanmaaken, waar door de Comp:e in 't boekjaar Gout, word gevraagd, hoe komt 178 8/9. pa/o 130. geprofiteerd heeft, door 't verhoogen UE: daar aan, indien het waar van de perachten. is, dat het richtig toegaat met de verpagting der zout pannen.- No. 28 Aan den Heer van Bijland. welk bewijs is er dat het met dit Monoppolium door gem: van Halm en den geweezene secunde van someren zoo grof is toegegaan dat, in den oorlog door de Iagger„ naijk poeramsche ingezetenen A:l 27. N:o 26. Meer greetig afgezien heb van de Pout Cultuur, die de zegt. Ik zal de naam nader opgeeven Hoe is de naam van dien zwarte Na het afsluijten deezes op den 13. en is door de schrijver, die 's avonds met het heer van Bijland de volgende opgave gedaan by briefje aan mij Eerste geswooren clercq namelijk: bloet der ingezetenen reeken MynHeer ! hier biede ik uw Ed:e aan, volgens belofte in de besoigne van den 8. deezer de naam der schap quam doen aan zijn Cannecappel, die gebruijkt wierd door van Halm by het verkoopen van het sout Athor Candi, en meester de heer van Halm verkogt door de hoofd boutequis Cothe Checana Aijlane: Eegt. verstaat hier door geen Custumados te neemen Wat verstaat uE: door het en ieder vrije toegang tot de pagt te geeven vader opgegeeven als antwoord art: 29 bekent verhoogen der prijzen tot de staat: teweeten: gelieft ook te voegen agter het antwoord dat de pagten meerder zullen opbrengen helft, en niet meer, en wat als de Custumado afgeschaft wierden Par Exem„ pel, op de geringe pagt van gollapalum van toont UE: daar van tot be„ 250. pag: zoo betaald den pagter aan de heer van Halm 100. Pagoden, en 50. pag: aan den secunde van someren, behalven defroijeeren wan„ neer de opperhoofden op zoo een plaats komen, wijs zijn UE: bekend de gezegdens Teet dat de drie getuijgen van 26 feb: suspacta Cre„ van uwe gearresteerde bediende met tuuren zijn, zoo van de heer van Halm, als van Tuuwengalom, en dat zij illigaal verhoord zijn, opzigt tot de zout pannen, indien en nimmer in mij huijs geweest zij om visie van het geavanceerde te neemen, daar en, boven dat ik dat werk wierd voortgezet door Bolla Pregada Ramaija name„ lijk Dat UE: voorzien was van „ gelaaden pistoolen en een goede Zabel te heeren aan hun gehouden hebben. N:o 31. fol. 30. N:o 29. meer zout voor een daboe, kan worden ingekogt, dan nu voor zes„ als refek 323 zegt dat geen bediende van zyn Ed:, maar wel een kok derie, en 'snagts met een moordenaar opgeslooten ge„ papiertje van 10000 ropijen aan de heer Tadama be„ zegt, het gezegde van het gemeen, en de behandeling van wat bewijs, of schijn van be„ de heer Iadama in 't generaal. zegt door Truvengalom, groot doubasie van de heer van Halm: staan in te komen. weest is hem tortureerende op die wijze ook met belofte looft, geschreeven te hebben. van 100. pag: als hij declareeren wilde van het sentiefse No 33. wijs is er dat de heer geweeze gezachhebber Nicolaas Sadama zich zou hebben laaten Corrumpee„ ren voor tien duijzend Ropijen, om uE: uijt uwe post van opper„ hoofd te ligten N:o 34. Door wie zoude deeze som aan zijn E: Agtbare geoffereert zijn! Art: 35. Waar blikt de waarheijd van refereert zig aan de Memorien en attesten, die Hoe is eijgenlijk met die zaak arrest van uwe bediende gele„ gen, en waar bij blijkt het dat dezelve 's nagts in een gat met een moordenaar te zamen gezet is. van zyn dienaar geweest is, dewelke des daags in de sjau„ en het Onmenschelijk Crimineel N:o 32. als ware het, om daar meede uwe begeerten te doen opvolgen. deeze m t in door me„ van Zabel ƒ : zegt, zoo dra Ramaija en de tolk koomt, en meer andere getuijgen, die Te Citeeren zullen zulx te zullen blijken memorie waar bij obdam, en alle de Cooplieden als getuijgen zijn geciteerd: N:o: 36. UE: Tegt elders dat deeze tien duijzend Ropijen door den geweezen hoofd- dienaar van den heer van Halm, in naame Truvengalam den heer Tadama belooft waaren en dat zijn Edele op die beloften af zoo veel minder baar zilver naar Iaggernaijk poeram zou hebben gezonden om Truvengalam dat bedra„ gen ginter in 'sComp=s Cassa te doen verantwoorden, zoo dat waar is waar vind men daar van het bewijs. No 37. Bij Uwe Memorie van afge„ de heer van Bijland Tegt, dat dit hem gezegt is door de heer van Halm eerst, ten over„ perste Costumados geeft UE: te staan van van someren, met verzoek om de kennen dat de waarschijnlijkheijt van agterstallen voor hem heer van Halm inte palmen, als zynde reets met hem, en de heer het genot der 10'000. Ropijen bij den Iadama verreekend, refereerd zig verder aan de Heer Iadama, daar in door straalde namelijk: dat deeze beschuldiging. Sp i p Zigt,

NL-HaNA_1.04.02_3974_0661 view scan ↗

English

324 the honorable Mr. Tadama, that these are false accusations, and that he looks forward with impatience to the promised proofs. Mr. van Halm: such a disclosure concerning Mr. Tadama does not come to my mind, and the remainder has already been answered previously. Must you not admit that the Honorable gentleman shared in the unlawful customados to an amount of three thousand pagodas; be so good as to explain that in somewhat more detail, name the person who told you that, or produce proof thereof. No. 38. To Mr. Tadama! What does Your Honor have to bring against the aforementioned accusation? No. 39. To Mr. van Halm. made such a disclosure to van Bijland, and proposed to him to share in the collection of still unpaid customados up to P. 2052. 13: No. 40. are the French gentlemen, to whom he refers, probably Mr. Sonnerat, but not for certain. says he has no testimony from Their Honors. says no, but that he does not doubt that His Honor will give such if required. Mr. van Bijland says that this certificate is as absurd as it is ridiculous, referring to the letters from the Council of Paleacatte to Their Noble Excellencies, when the English Commissioners at the surrender of the place wished to arrest me until the satisfaction of the Company's suppliers, when I You refer in your answer to Article 10 of the Jagannathapuram points of inquiry regarding the statement made by Mr. van Bijland on account of benefits enjoyed in the service as surveyor at Nagapattinam in the period of 5 to 6 months, still alive? No. 41. Can you produce testimony from the same? You also refer in that regard to the former second-in-command De Ravallet; did he not give you a declaration or testimony of the truth? No. 43. To Mr. van Bijland. What do you have to remark on the answer to the aforementioned question? No. 42. 325 negotiated the funds for that purpose, and in the year 1784 was pressed so hard by the moneylenders, that the Noble Mr. Falck, by resolution in council, had me assisted from the Company's treasury with 4000 rixdollars. says, cash funds and the debts of the Masulipatnam merchants. says, by that he meant first Mr. van Halm, saying a lump of sugar will be given to you to leave everything on the old footing, and regarding the 1500 pagodas, that this was a debt to Trivengalam, which he wanted to settle with this. points of inquiry No. 10, and the comparison made therein of the likelihood for the Company's interest with the profit of sixteen thousand pagodas in the service as surveyor in the period of 5 to 6 months? No. 44. What kind of funds are they that you state to be in circulation, from which the former chief van Halm, his head servant Trivengalam, and the merchants have the enjoyment, while they left the Company to whistle on its thumb? Who, or which persons do you mean, who sought to corrupt you with 1500 pagodas to leave everything on the same footing and to take over the transfer of the Jagannathapuram chiefdom just as it was? No. 45. says, this I fully maintain. says, that all these certificates are false fabrications, and refers regarding that to his letters and memorandum. Did you maintain that the departure of the Masulipatnam merchants occurred by arrangement of the former chief van Halm, and to prevent them from uniting with the Jagannathapuram merchants? No. 47. What do you have to say then both to what was advanced by those people in answer to the questions put to them under Articles 10, 11, and 12, and the declarations granted at Jagannathapuram by the Company's interpreter Adaballa Appayya and Brahmin Sedarasu Ramayya, and sent to you in copy? Article 46. No. 48. 326 No. 48. says, that if those people were summoned it would appear that they all testified and signed as such out of fear and compulsion. says, for the security of the Honorable Company as insolvent merchants. says no. What are the grounds of your opinion regarding the sustained necessity of having the goods arrested of the merchants who withdrew, and of their guarantor Trivengalam? To Mr. van Halm. Is that retreat or departure of the Masulipatnam merchants not merely an invented feint to frighten the obliged chief, and to make him abandon his designs to unite them with the Jagannathapuram merchants? No. 50. No. 49. Can you prove that the mentioned people gave the declarations through necessity and compulsion, and that they are in fact false? says yes, on condition of not forcing the merchants, if they should not be inclined to cross over thereto voluntarily. says, because it was impossible, as the Jagannathapuram merchants at that time, that is in 1786, were not inclined thereto. says: that Mr. van Bijland held a meeting and excluded him from it; that he, namely Mr. van Halm, did indeed send the merchants to van Bijland's questions, but that a conference was held without him, in the presence of Mr. van Someren. Must you not confess that this union was most strongly recommended to you by the late Governor Blaaukamer as a most wholesome matter, and recommended to be promoted? No. 52. What were your objections against it at the time of the said Mr. Blaaukamer? No. 53. Why was no conference held about this with your successor, Mr. van Bijland? And if your views should not agree, why were they then not made known in a jointly combined report of affairs? No. 51.

Dutch transcription

324 den agtb: heer Iadama, dat het valsche beschuldi„ gingen zij, zullende de beloofde bewyzen met ongeduld te gemoed Zien De heer van Halm, zodanig een openbaaring omtrend de heer Padama staat mijn niet voor, en het overige Moet UE: niet erkennen den heer is vooren bereets beantwoord. zijn Achtbare in de ongeoorloofde Costum ados deelde tot een bedragen van drie duijsend pagoden; weest zoo goet, texpliceer dat wat nader, noem de geen die UE dat gezegt heeft, of toon der wegen bewijs. No 38. Aan den Heer Tadama! Wat heeft UE: Achtbare in te brengen tegen de voorsz be„ Schuldiging No 39. Aan de heer van Halm. van Bijland eene dusdanige openbaaring gedaan, en hem ge proponeert te hebben om voor de invordering van noch onbe„ taalde Costumados tot P: 2052. 13. te zullen deelen: N o 40. zijn de fransche Neeren, waar op zigt, denkelijk de hoer Sonnerat nog maar niet voor : zeeker uE: 5. daar fge„ daar is zegt geen getuijgenis van hun Ed:s te hebben Iagt, neen, maar dat niet twiffeld of zijn Ed: zal zulx gevorderd wordende, geeven de heer van Bijland. Jegt dat dit attest alsoo overgave der plaats mij arresteeren wilden tot de zeeker te weten of monheu De Mars nog UE: zig bij u antwoord op A:lo 10. van de Paggernayk poeremnsche vraag pointen beroept aangaande de opgaave door den heer van Pij„ land wegens genotene voordeelen bij den dienst als Landmeeter te Nagapatnam in den tijd van 5. â 6. maanden, nog in weezen. N:o 41. kan uE: van dezelve getuijgenis produceeren UE: beroept zig, derwagen ook op den geweezen secunde De Raval„ let, heeft hij u geen verklaaring ofte van de waarheijd getuijgenis gegeeven. No. 43. Aan de Heer van Bijland, absurt als redicuel is, beroepende zig op de brieven van de palleakatsen raad aan A: A Edelheeden, wanneer de Engelsche Commissarissen bij de Wat heeft UE: te remarcqueeren voldoening der leveranciers van de Compagnie, wanneer op het antwoord der voorsz: N:o 42. vraag ik meede dit voet 325 ik de gelden daar toe genegotieerd heb, en in het Jaar 1784. soo hard gevallen wierd door de geltschieters, uijt 'sComps Cas liet assisteeren not 4000. rijxd=s. zigt, Cas gelden en de schulden der Mazulipat„ namsche Cooplieden. legt, daar meede Eerst te bedoelen de heer van Halm, zeggende daar zal uw een klontje zuijker gegeeven worden om alles op den ouden voet te laaten, en betreffende de 1500. pag: dat dit een schuld was aan Trivengalom, die deeze daar meede wilde vereevenen. vraag poincten N:o 10, en de aldaar moedelijkheyjd voor 'sComp:s belang met de winst van zestien duij„ hand pagoden bij den dienst als Landmeeter in den tijd van 5. â 6. maanden dat de Edelen heer falck bij besluijt in raade mij illio gemaakte vergelijking der ge„ No 44. wat zijn het voor gelden, die UE: opgeeft te rouleeren van de„ welke het geweezene opperhoofd van Halm, zyn hoofd dienaar Trievengalam met de kooplieden het genot hebben, terwijl zij de Compagnie op den duijm lieten f fluijten. Wie, ofte welke perzoonen bedoelt UE., die UE: met 1500. pagoden hebben zoeken te Corrumpeeren om alles op den voet te laaten en het transport van de Iagger„ N:o 45: naij klc=l che n. e nis enis zegt, dit houde ik volmondig staande. zegt, dat alle deeze attesten valsche ver„ digtsels zij, en refereerd zig dien aangaande aan zijne brieven, en memorie— naykpoeramsche opperhoofdij maar zoo als het was over te neemen stond uE: staande dat de uijt„ wijking der Mazulipatnam sche kooplieden geschiet is door bestelling van het geweezen opper„ hoofd van Halm, en om te beletten dat zij zig niet met de Iaggernaijkpoeramsche zouden ver eenigen N:o 47. Wat heeft UE: dan te zeggen W zoo op het geadvanceerde door die lieden bij antwoord op de hun voorgehoudene vraagen a:o 10. 11. en 12. , en de door 'sComp:s tolk Ada„ balla Appaija, en bramine Se„ darasoe Ramaija te sagger naijkpoeram verleende, en UE: in Copia gezondene verklaringen. Art: 46. No. 48 326 No. 48. zegt, dat zoo die lieden geciteerd werden te zullen blyken dat ze alle uijt vrees en ge„ dworgen zodanig getuijgd, en geteekend hebben zegt, tot securiteuit van d' E: Comp:e als insolvente Cooplieden zegt Neen Wat zijn de gronden van uE: gevoelen, wegens de gesustineerde noodzakelykheyd van het doen arresteeren der goederen van de kooplieden, welke zig retireer„ den, en van hunne borg Truven„ galam Aan de heer van Halm. is die retracte ofte uijtwijking der Mazulipatnamsche Kooplieden niet maar enkel een bedagte fint om het gebligeert opperhoofd ver„ vaart te maaken, en te doen afzien van zijne desseinen tot vereeniging van dezelve met de No 50. No. 49. Aan UE bewysen dat de gemelde lieden door nood en dwang de verklaaringen verleent hebben en dat Te effectief valsch zijn. te Iaggernaykp=lo 6 maer wa - zegt Ia, met Conditie de kooplieden niet te for„ ceeren, indien zo niet geneegen mogten zijn 2 daar toe vrijwillig overtegaan zegt, wijl het onnogelijk was, alzoo de sagger„ Iaggernay k poeramscre Moet uE: niet bekennen dat deeze verEeniging U, door wijlen de heer gezaghebber Blaaukamer, als een aller heil Baamste zaak, ter sterkste is aangeverreesen, en te bevorderen gerecommandeert geworden No. 52. wat waaren, ten tyde van gem: heer Blaaukamer uwe bedenkingen 1786. daar toe niet geneegen waaren. daar tegen! Nayhpoeramsche Cooplieden in die tijd, dat is Tegt: dat de heer van Byland bij een. komst gehouden, en hem 'er buijten geslooten heeft, dat hij teweeten de heer van Halm wel de kooplieden op van Bijlands vraagen gesonden heeft, maar dat 't Een conferentie de heer van Someren—. buijten hem gehouden is, in bij weezen van No: 53. Waarom is hier over met uwe opvolger den heer van Bijland geen Conferentie gehouden. En zoo uE: de begrippen niet eens zonden worden, waarom dan die niet bekent gemaakt bij een te samen gevoegt verslag van zaaken Toonde N:o 51. 1 :

NL-HaNA_1.04.02_3974_0667 view scan ↗

English

327 foreseen because of the considerable difficulty that was observed, after opening and exhibition No. 54. Did not the course of affairs show you, as if by itself, the necessity of convening a meeting to discuss the mutual differences, and thus, through the non-attendance thereof by the Secunde and the Scriba, of committing the discrepancies to paper in the form of a resolution, recording everyone's opinion and the declaration of the merchants after they had been heard, and then, after resumption, approval, and signature of such an act or result of deliberations, transmitting it together and requesting orders from this main office? Answers, that if calmness had prevailed, there would indeed have been an opportunity to meet, and that it was neglected. No. 55. After exhibiting a sealed package and opening it before Mr. van Coijland: Answers, I intended to write a letter to the Honorable Gentlemen alongside it, in order to make them note the difference in weight by ocular inspection. Regarding the weight, I refer to the submitted report and calculation. Did you not send the dabboeses deposited herein to Batavia to the Honorable High Government of the Indies? Answers yes. To what end, or what is to be gathered and deduced from that? No. 57. In what does the actual alteration or debasement of this coin species consist, and what loss does the Company suffer thereby? No. 58. To Mr. van Halm. In reply to art. 20 of the Jaggernaikpoeram interrogatories, you acknowledge having had an alteration made in that coin species; is that so? Answers yes. No. 59. You state in the aforementioned reply that in making that alteration you observed the value of the dabboeses of foreign nations; what necessity was there for that? Answers, in order not to bring the mint to a complete standstill, 328 and to promote the vent of copper and to put an end to the considerable losses that the merchants suffered upon the sale of the copper, which diminished dabboeses, having been sent inland, had the effect that a considerable quantity was sold. Which kind of dabboeses were better, those of the Company or those of the foreigners? Answers, those of the Company. No. 61. Does the secret of too-lightly minted dabboeses not simply consist in this: that upon the delivery of copper to the minters, the quantity required for a Bahar was not provided, or that more dabboeses were demanded from them in coin than one Bahar of copper yields? Answers, he believes according to best recollection that the reduction was 12 percent, and that in fact just so many more dabboeses were delivered from a bahar of copper. No. 62. To Mr. van Bijland. Was your calculation, handed to me on the 3rd of this month, of the loss which the Company suffers by this debasement, not made according to that kind of dabboeses which were sent by you to Batavia? Answers yes, upon re-weighing 50 and 100 pieces. No. 63. Did you not find in the month of February 1790 that the dabboeses were even worse, and did good Jaggernaikpoeram dabboeses, compared with the bad ones, not show a difference of 14 percent? Answers, I did it as a trial, for the reason that I did not want to propose a matter without first investigating whether it could pass. No. 64. To Mr. van Halm. Is it not irresponsible on your own authority to make an alteration in the exchange rate of a coin species, the loss of which is otherwise so hard and oppressive for the Company's servants, as you yourself have been forced to propose here to the Council of Policy? Answers, unknown. 329 Mr. van Halm says, it is considerable, but was done with no evil intent, since I would otherwise have done it from the very beginning. No. 65. How long did this alteration last? Answers, by estimation, three months. No. 66. The following dabboeses were weighed in the affairs of the government by the Assayer Engelbert de Vries, and as appeared therein, and received from Batavia out of the opened package: 8 pieces old Jagganaickpoeram coin weigh 3 1/4 ounces 8 pieces new ditto ditto weigh 3 3/16 ounces 6 pieces Bimlipatam weigh 2 3/8 ounces From Jaggernaikpoeram, received on the Company's account, three bundles, to wit: 25 pieces old Jaggernaikpoeram coin weigh 10 7/8 ounces 25 ditto new ditto weigh 9 1/2 ounces 25 diverse foreign coins mixed together weigh 10 7/8 ounces From Jaggernaikpoeram, privately ordered dabboeses, three bundles, as: 5 pieces in bundle No. 1, new Jaggernaikpoeram coin weigh 2 5/16 ounces 5 ditto in bundle No. 2, old Jaggernaikpoeram coin weigh 2 1/16 ounces 10 ditto in bundle No. 3, Bimlipatam ditto weigh 4 3/8 ounces And if, upon re-weighing these bundles of dabboeses in everyone's presence, a difference in weight is found, it shall then be recorded in the margin of this article. No. 67. How many foreign dabboeses go to a Seer Bazaar? Mr. van Halm says that he cannot say this, and Mr. van Bijland likewise that he is unaware of this. No. 68. And further to ask Mr. van Halm whether this difference is not considerable?

Dutch transcription

327 voor zag om de Conssiderable moeijelijkheijd die men Iagt, na oppening en vertooning Ia N:o 54. —. Toonde den loop van Zaaken u zegjt, dat zoo er bedaardheijd plaats gehad had, niet als van zelfs de nood zakelyk„ dat er dan mogelijkheijd zoude geweest zijn tot by aenkomst, en dat men het nagelaaten heeft heijd om over de onderlinge ver„ schillen, vergadering te beleggen dus, niet bywooning derzelve van den secunde en Scriba, de discrepantien bij forma van resolutie, ten papiere te brengen, ieders gevoelen, en de verklaring der kooplieden na dat zij ge hoord zouden zijn, daar bij op„ te tekenen, en dan, na resump„ tie approbatie, en ondertekening na van zodanig een acte of resultaat van besoigne, onder overzending van dien, met elkanderen ordre van dit hoofd kantoor te ver„ Ioeken. No. 55. Na vertooning van een verzegeld pakje, en opening van het zelve aan de heer van Coijland. Heeft dat deeze heer heer en gem: een . de zegt, Ik dagt een brief daar bij aan H: H: Ed„s te schrijven, om door eijge occulaire inspectie het ouderscheijd van het gewigt te doen opmer„ zigt daar omtrend refereer ik mij aan het ingediend bericht, en de bereekening. Tegt Ja: Tot wat eijnde, ofte wat is daar ƒ uijt afteneemen, en oftemaaken! N=o 57. Waar in bestaat de eijgenlijke verandering of vervalsching dezer geld specie, en welk nadeel lijd dE: Compagnie daar door No 58. Aan de heer van Halm. Bij antwoord op art: 20. van de Paggernaijk poeramsche vraag„ pointen erkent UE: eene veran„ dering in die munt specie te hebben laaten maaken, is dat 300 No. 59. UE: Tegt in het gem: antwoord zegt, om de munt niet geheel stil te doen staan, No. 56. Heeft uw Edele de hier in afgelegde daboesen niet gezonden naar Ba„ tavia aan de Edele Hooge Indische Regeering. J6 ken. en s Togt sijn viel de zegd m Ze lijk wee e 328 „en om den vertier van het kopper te doen bevorderen en te doen cesseerent de considerable schaade die de Cooplieden bij verkoop van 't koper leeden, welk verminderde dabboesen landwaards in gezonden weezende, van Effect geweest is dat ir een aanzien„ lijke quantiteit is vertierd geworden. zegt, die van d dering geweest is 12. pC: Togt Za welk soort van dabboesen waaren grooteta beter die van de Compagnie, ofte die der vreemden N:o 61. Bestaat het geheim van te ligt geslagen dabboes niet simpel hier in, dat bij de afgave van kopper aan de vermunters de tot een Baer verEijschte quantiteit niet verstrekt is, ofte in specie van hen meer dabboes gevorderd zijn, dan een Bhaar koper opleevert No 62. Aan de heer van Bijland. - is Uwe op den 3. ' deezer mij ter hand gestelde bereekening van het na„ deel dat de Compagnie bij zegd vermeend na best onthoud dat te vermin„ en dat eijgentlyk en zoo veel meer dabboesen uijt een baar koper geleverd bij die verandering in acht te heb„ ben genomen de waarde der dabboesen van de vreemde natien, wat nood„ zaakelykheijd was daar voor! N:o 60. deeze de dische zer zijn de woord 3o gt Ia bij na weeging ven 50: en: 100: stux de konnen doorgaan Jegt: Ik: heb het gedaan tot een proef noeming om reeden dat ik een zaak niet wilde propo„ ment Heeft UE: in de maand februari 1790: niet bevonden dat de dal„ bevon „ boesen, nog slegter waaren, en gaf het toen na goede Iaggernaijkpoe„ deltjes et ramsche Dabboei geteekent, met de 25. stuks 25. slegte, niet een verschil van 14. 25. per Cento Ja De neeren, zonder eerst te ondersoeken of die Iou„ N:o 64. Aan de Heer van Halm Is het niet onverantwoordelijk op eijge gezach verandering te maaken. in de Cours van eene geld specie welkers ver lies buijten des 3oo hart en drukkent is voor 'sComp:s dienaa„ ren als UE: zelf genoodzaakt geweest zijt alhier aan Raade Onbew Tegt na Ao 63. deeze vervalsching lijd, niet geschiet na die soort van daboesen ; welke door U. E: naar Batavia zyn gezonden van de 329 bevonden als de Heer van Halm zegt, het is aanmerkelijk, maar is met geen quaad inzigt gedaan, dewijl in het dan van den beginne af aan gedaan zoude hebben N=o 65: Hoe lang heeft deeze verande„ ring geduurt A:o 66. De volgende da boesen zijn ain de zaak van het gouverne„ ment gewoogen door den Essaijeur Engelbert de Vries, en zoo er in vertoonde, en de van van Batavia ontvangen uijt het geopende pakje Fo 8. stuks oude munt Iaggernaykp:s wegen onc: 3¼: s:t Iaggernaijkpoeram ontbodene - - „ 3 /16 8. _o' nieuwe d:o - - d:o - - - „ 2 3/8. P: 6 - _„o Bimilipatname - - - - - - - „ - van saggern aijkboeran, 's comp:s wegen ontvangn die bon„ dabboesen bij naweeging in aller deltjes, te weeten 25. stuk, onde saggerraijkp:t munt wijs oud: 10. 7/8. r=m tegenwoordigheijd verschil 25. d. o nieuwe _o ½. „ 25: „ diverse uijt buijten landse munten door elk anderen weegen - - - - - - „ 10 7/8. voorkomt, dat dan ter n van Paggermaij Rp:r particulier ontbodene da bboe„ sen drie bondeltjes; als zijde van dit Articul ofte e 5. stuks en 't bondelje N:o 1. nieuwe ZaggermagkJ —2 oud: 2 5/16. r:m munt 5: do in 't bondeltje N:o 2. oude Pagg: munt tekenen „ 2 1/16. r 10 „ „ _ „ 3: 3 binele p=s _:o „ 4 3/8 s:s N:o 67. om De Heer van Halm zegt, dat dit niet kan zeggen, En de Heer van Bijland meede dat hem dit onbewust is. Hoe veel vreemde dabboesen gaan er op een Ceer Bajaars No 68. En verder aan den Heer van Halm te vraagen of dit different niet aan mer„ kelyk is. Tegt na gissing drie maanden 33 van Politie voor te dragen gewigt hiet

NL-HaNA_1.04.02_3974_0672 view scan ↗

English

Says yes. Says that the dabboeses themselves yielded the weight up to 14 per cento was followed To van Byland. Did your Honour not state elsewhere that weights and measures during the administration of Mr. Van Halm were false, and that they had not been calibrated for a considerable time what influence did that indeed have on the weight of the dabboeses made, and from light to heavy a loss No 71. To van Halm this Mr. van Halm, that therein the old custom Why is there no clear account to be found in the Company books of the minting of the copper furnished for that purpose by the Company N 70 A:o 69 weight, and how many dabboeses of the Company make a seer A:o 72 Says Superior 336 Ao 72. says he will look into this and report further said that there never was a mint account of the copper at Jaggernaijkpoeram. the Honourable Mr. Tadama, that this mess with the dabboeses has never been known to me, and no one has complained about it as above. to leave to superiors. said as stated 16014 pieces of dabboeses Ao. 74 1 why was it concealed, or kept hidden in the Company books A o 75. To the Honourable Mr. Padema. why did your Honour tolerate this mess with the dabboeses. Ao 76. since when has it been known to your Honour. A:o 77. What does your Honour think that he deserves who is guilty of so far-reaching an offence the judgement hereof I prefer to leave to our High Superiors. in what do the expenses of the minting consist! What does a bhaar of copper yield in Dubboeses, after deduction of losses and expenses N:o 73. A:o 75 28. ƒ A:o 78. To Mr. van Byland. place says not at all, because already his dismissal was requested from the Honourable Mr. Tadama in the month of January. Mr. van Bijland says I had no other armed men in service than 10 peons from Daatscherom, a Hollander With what purpose did your Honour provide yourself with armed men after your arrival at Jaggernaykpoeram Was it, as Mr. van Halm has reported and presented, to have the transfer of the office made to yourself by force, and to compel the departed Masulipatnam merchants to comply with your desire for unification with the Jaggernaijkpoeram merchants N:o 20. Did your Honour not complain about Triwengalam, with the prior knowledge of his master the former chief, having stationed men on the roads not to dispatch letters to Their High Excellencies, and further used those men for arresting and constraining the Jaggernaykpoeram merchants to make them sign, which will be testified by Ramaija, the interpreter, and Head peon, and that Mr. van Halm had provided himself with armed men to foil your purposes and disturb the public. No. 79. Says yes 331 says yes A:o 81. were your hired peons not arrested on the order of Mr. van Halm! No. 82 To both one by one. Did these measures not arouse an uncommon confusion and consternation among the public, and was this the proper way to promote the Company interest, or to achieve the true and actual objective Mr. van Halm says: I was not the first instigator of the hiring of peons Mr. van Byland. These people the 10 peons were not yet actually in service, but caused a great commotion because the men of Triwengalam were sent to arrest the same. No. 83 was on the contrary this alarm, and the extremities pushed to the uttermost, not the cause that the merchants became frightened, and the Company service and interest brought into the utmost hazard and danger Mr. van Halm acknowledges yes and says that the one who is the cause of it must answer for it Mr. van Byland says: I believe no, and that the commotion brought infinitely greater danger to the Company interests with the arresting of the Jaggernaykpoeram merchants, through which each and every one trembled, fearing further tyranny that would be exercised on the inhabitants by Triwengalam No 84 To A:o 84. To Mr. Sadama And hence arose the order, that, considering the chosen chief van Bijland was still without authority, he was to await the outcome patiently. In my opinion no: for at his request Commissioners were appointed for investigation, and the outcome thereof he should have awaited patiently. Does your Honour not acknowledge, having understood it thus with the Council by resolution on the 17 February 1790, that such commotions and further feared extremities would be very detrimental to the Company interest. No 85. The Honourable Mr. Tadama. I understood what was the motive of the order given by you and the Council that Mr. van Byland, the chosen chief, should not interfere directly or indirectly with Company affairs until further notice not to interfere directly or indirectly with any affairs until further notice Do not all the circumstances show that this was the means to deprive van Byland of the possibility to prove his charges of misconduct made against the previous chiefs A:o 86. Precisely Because This

Dutch transcription

Tegt Ia. Tegt, dat de dabboesen zelve het gewigt uijt geeft tot 14. p„r Conto is gevolgt Aan van Byland. Tegt UE: niet elders dat maeten gewigten, geduurende het bestier„ van de heer Van Halm valsch geweest, en dat dezelve een geruij met „tijd niet zijn geikt geworden den welke inflruenties, heeft dat bre : heeft wel gehad op het gewigt der dabboesen maakten, en van ligte tot swaare een verlies N=o 71. Aan van Halm desenr van Halm, dat daar in het oude gebruijk Waarom is 'er bij 'sComp:s hoe„ ken geen zuijvere reekening te vinden van de vermunting van het kopper daar toe = door de Com„ Cm„ pagnie verstrekt wordende N 70 A:o 69 gewigt, en hoe veel dabboesen van de Compagnie maaken een seer uijt A:o 72 Zegt beoor Seperie 336 Ao 72. zegt dit te zullen na zien, en nader opgeeven zagt dat 'er van 't koper nooijt een munt rekening op Iaggernaijkpoeram 'tgeweest is. den Agtb: heer Tadama, dae ze mousserij met de dab„ heeft daar over teklaagt dls even. siperieuren overtelaaten. zagt zoo voor staat 16014. stux dabboesen Ao. 74 1 waar om is die verborgen, ofte bij 's Comp„s boeken bedekt gebleeven A o 75. Aan den Agtbaren Heer Padema. waarom heeft uwelEdele deeze mors„ serij met de dabboesen getollereert. Ao 76. sedert wanneer is ze U Achtba„ „re bekent geweest. A:o 77. Wat denkt UE Achtb: dat de geen verdient die zich aan eene zoo vere gaande vergrijvinig schuldig s maakt de broordelig hier van verkies ik aan onse Hooge„ bressen is mij nooijt bekend geweest, en niemand waar in bestaan de ongelden van de vermunting! Wat leevert een bhaar kopper aan Dubboesen uijt, na aftrek van verliesen en ongelden N:o 73. A:o 75 28. „ ƒ A:o 78. Aan den Heer van Byland. sche plaats zegt in geenen deelen, vermits reets zyn ont„ dama in de maand Ianuarij. De heer van Bijland zegt ik heb geen ander gewapen d volk in dienst gehad als Met wat oogmerk heeft UE: zig 10. pion van Daatscherom, een Holland voorzien gehad van gewapent volk na uwe aankomst op Saggernayk poeram Was het, zoo als de Heer van om u zelve, met gewelt, Transporte aan van het kantoor te laaten doen, en men om de afgeweeken Mazulipat„ 3 ave namsche kooplieden te nood zaken groot Careng om uwe begeerte ter verEeniging resteeren met de Iaggernaijkpoeramsche te doen opvolgen slag verzogt heeft van de Achtbare Heer Ta„ Halm heeft bedeelt en overgegeeven N:o 20. De Heer Heeft UE: niet gedoleert over dat zegtt zegt van Ia in het besetten der weegen om de daar Triwengalam met voorkennis van brieven aan Haar Hoog Edelheeden niet afte„ De Hee vaardigen, en verder dat volk gebruykt heeft van ee zijn meester het geweezen opperhoofd tot arresteering en Constringeering om de Pagger„ gevaar nay Appoeramsche kooplieden te doen tekenen, van Halmn zig voorzien had van met het 't welk door Ramaija, de tolk, en Hoofd-pion„ lieden, getuijgd zal worden gewapende manschap om uwe vreezende gelam den No. 79. Oogmerken Legt 331 zegt Ia „oogmerken te verijdelen, en de gemeen„ ten te ontrusten. Al 81. sijn uwe in dienst genomene pions niet op ordre van de Heer van Halm in arrest genomen! No. 82 Aan beiden een voor een Verwek de Heer van Halm Tegt: Ik ben de Eerste deeze maat regelen met een te aanlegger niet geweest tot het in dienst nee„ men van pious de heer van Byjland. dee„ Confusie en Consterna„ ongemeene Ze lieden /:de 10. pions :/ waaren nog niet tie onder de gemeenten, en waaren werklijk in dienst, maar maakten een „ de groote opschudding door dien het volk van Tri„ het regte wil, om 's Comp„s belang wengalam gesonden wierd om het zelve te ar„ te bevorderen, of het waare en zy„ resteeren. genlyke oogmerk te bereiken No. 83 was in tegendeel dit alaam, en de De Heer van Halm erkend van Ia en t zegt dat den geen die 'er oorzaak van is tot het uijtterste toe gepousseerde daar voor moet verantwoorden Extrimiteeten, niet oorzaak dat De Heer van Byland Tegt. . Ik vermeen van Been, en dat de opschudding oneijndig grooter gevaar aan 'sComp:s belangens hebben toegebragt de kooplieden zijn beveest geraakt, met het arrasteeren der Saggernaykpoeram koop„ en 's Comp:s dienst en belang in het lieden, waar door elk en een ider gebeeft heeft, vreezende voor verdere tirannij, die door Tierwen„ uijtterste hahard en gevaar is ge„ „gelam op de ingezetene zoude geExerceerd wor„ bracht geworden den N:ol 84 A an A:o 84. Aan de Heer Sadama En hier uijt sproot de ordre, om, ingezien. het geEligeerd opperhoofd van Bijland nog buijten het gezag was, sig direct of indirect met moeten afwagten. Mijns bedunkens neen: want op sijn ver„ soek heeft men Commissarissen tot onderzoek benoemt, en den uijtslag daar van had hij geduldig Erkent u Achtbaare niet; het met den Raad dat dusdanige opschud„ dusdanig met den Raad te hebben dingen, en nog verdere gevreesde Extre„ miteeten voor s Compagnies belang seer begreepen bij besluijt op den 17 februarij 1790. No 85. Dd Agtb heer Tadama . Ik begreef nadeelig zouden zij. wat was het motif van uwer en den Raad gegeevene ordre dat geene zaaken te bemoeijen tot nadere aanschrijven de heer van Byland geëligeert opperhoofd, zich direct of te van haff 0 ne ch indirect niet meer met 's Comp:s Commis soeken zaaken zoude hebben te bemoeijen middelen tot nader aan schrijven hand te houdene len te Toonen alle de omstandigheeden niet aan dat dit het middel was om van Byland te beneemen. de mogelijkheijd om zijne tot „laste van de voorige opperhooff„ den op gegeeven wan bedrijven A:o 86. drief hebb aan nader H Iuyst Om dat Dit lasive -

NL-HaNA_1.04.02_3974_0677 view scan ↗

English

2 332 This is shown even better by his accusations, so slanderous and unproven regarding my person. Because the Council prevented van Bijland from inflicting harm, having sought nothing else than to ruin me. A:o 87. Did Mr. van Bijland before that time not show Your Honourable all due respect? A:o 88. Do not his letters written pro dato show that he, through the help or authority of Your Honourable maintained, attempted to take the most natural path and to request to be placed in authority, in order to verify and make good all the reported unlawful and irresponsible dealings of the aforesaid former chiefs, One never prevented van Bijland from verifying his accusations; the Commissioners were instructed in writing to investigate everything, and to hear both sides, giving him all means to account for himself, as shown by the letters sent to them, but he did not wish to speak with them. No. 89. Why did Your Honourable believe that the choice of Commissioners for the investigation of the accusations was not needed to bring the matter further to light and confirm it with proofs, Mr. van Bijland did not need to make his accusations good, and matters had already reached that point that it could cause nothing but detrimental consequences for the interests of the Company to leave a man to exercise authority there, who before receiving the transfer, through his turbulent disposition and acts of violence, had already made himself feared and hated among the inhabitants, as shown by the original letters of all the principal inhabitants resting here. and that Your Honourable should make no reflection on this, and give contrary orders? Did Mr. van Bijland not propose to Your Honourable as commissioners to investigate matters the present First Clerk Obdam with the Palikol Secunde Schliephaken? No. 91. What could prevent Your Honourable from choosing Obdam, who was present there, performing service as First Sworn Clerk and Secretary of Justice, and choosing instead the Bimilipatnam Chief Heshusius? The choice of commissioners did not belong to van Bijland, but to the Council; also Obdam was needed here. No. 92. Could this consultation, even though strengthened with the advice of the Sadras Chief Simons, have anything other than a wrong and unpleasant effect? Until today I cannot find that any wrong and unpleasant effect was to be expected from this consultation. No. 90 333 Did this also not clearly appear from what was noted in the separate resolution of 12 March 1790, when matters took such an extreme turn that, following Your Honourable's proposal, it was resolved to have the aforementioned Mr. van Bijland taken into arrest? The arresting of van Bijland did not originate from the choice of those Commissioners, but indeed from his letters of 26 February and 2 March 1790, in which he attacks me and the Council with abusive words, considers us corrupt, absurd, and unworthy to manage the Company's interests. I ask what a servant deserves who despises the orders of his lawful superiors with rejection of the submission he owes them according to oath and duty? No. 94. Does Your Honourable not acknowledge that the stipulation which that arrest includes, namely to prevent him access to all kinds of people, except one or two slaves for his attendance, belongs rather to the criminal, thus to the judicial, and not to the political? Because of the strangeness of the case, of which there has possibly been no example in India, an error in formalities may indeed have taken place. No. 93. What necessity was there to add to that: to take care that he should not embezzle any of his goods or papers? This occurred at the request of the Fiscal Brouwer, who was ordered by the Council to take legal action against him. A:o 96. To Mr. van Bijland. Must you not acknowledge that your letter of 26 February 1790, which is read to you, contains the utmost offensive and exceedingly insulting expressions? Mr. van Bijland says, and requests that the contents of that letter may be considered as the true zeal for the Company's interests, after having previously taken all gentle paths. A:o 97. Do you abide by the written terms, and do you refer here to this letter, and those which are cited in No. 20 of your latest address under dates of 3, 5, 6, 13, 17, 20, 26, and 27 February 1790? He says: I must refer to it, because the outcome will show how far they have tried to ruin the Company's interests all at once with a conspiracy. No. 95. 10. 334 since 25 February? No. 98. Is it not in your letter of 2 March of this year to Mr. Tadama, that you fully say that from that moment you can withdraw yourself from all obedience and respect, which you owe a governor, and do you not add to that that you feel neither respect nor esteem anymore for His Honourable? He says fully yes, and again that it is a private letter, and that I could consider myself as finally dismissed from the service. No. 99. Must you not confess that these expressions are highly grievous, and that the entire content of your letter of 2 March is full of insults? He says yes, but not without Mr. Tadama having fully merited this expression, and that it should be noted there the little word can withdraw. Being able to and doing are very different. No. 100 of

Dutch transcription

2 332 Dit toonen zynen voor mijn per zoon zoo lasive en onbeweezene beschuldigingen beeter Om dat de raad voorquam dat van Bijland ff driel aante doen aan, hebbende niet anders getragt als mij ver„ A:o 87. Heeft de Heer van Bijland voor die tijd UE: Achtbare niet alle verschuldigt respect be„ weezen A:o 88. WijBen zijn pro dato geschreevene men heeft van Bijland nooijt verhinderd Tij„ brieven niet uijt dat hij, door ne beschuldigingen te verifieeren, het is behulp, ofte het gezag van UE Commissarissen aangeschreeven alles te onder„ soeken, en over en weder te hooren, hem alle middelen om zig te verantwoorden aan de Achtbare gemaintineerd, getracht hand te geeven, uijtwijzens de aan hun ge„ heeft de natuurlykste weg in te zoudene brieven, dan hij heeft hun niet wil„ ef len te woord staan. slaan en te verzoeken om item in het gezag- te doen stellen, ten eijnde alle de opgegeevene ongeoor„ loofde en onverantwoordelyke gedoenten van voorsz: geweezen opperhoofden te verificeeren en goet te maaken No. 89. waar om vermeende UE: Iuijst het gelach niet nodig had om zijne nader aan het dag ligt te stellen en met preuves te bevestigen beschuldiginge Achtb: en Tegt Ia„ De verkiesing van Commissarisen ter onder zoek beschuldigingen goed te maaken, en de zaaken reets tot dat point gekomen waaren, dat het voor het belang der Maatschappije niet als nadeelige gevolgen kon veroor„ zaaken, een man aldaar te laaten gezag voeren, die Achtb: hier op geen reflexie te moeten zig voor 't ontvangen van transport, door zij roerzieke inborst en geweldenaryen bij de Ingezetenen reets ge„ slaan, en Contratie ordres te gee„ vreest, en gehaat had gemaakt uijtwijzens de Origineele hier berustende brieven der gezamentlike ver voornaamste ingezetenen BEijland Heeft de Heer van Het arres aan uw E: Achtbare tot gecommit„ kelyk spron teerden ter onderzoek van Zaa„ maat Een 2. woor scheld ken niet voorgeslaagen den tegen houd s woordige Eerste klerk Obdam te beheeren ordres zyn met den palikols secunde schliep„ verwerping haken No. 91. wat konde U Achtbare weder stond niet aan van Bijland, maar aan„ houden om Obdam; die al„ den Raad; Ook was obdam hier nodig tot dienst presteering als Eerst geswooren klerk daar aanweezig was, niet, en daar en teegen het Bimilipat„ namsch opperhoofd Heshu„ sius te verkiezen. en secretaris van Iustitie No 92. Tot heeden toe kan ik niet vinden dat uijt dit overleg eenige verkeerde en onaangenaame konde dit overleg, schoon ook uijtwerking te verwagten waaren gesterkt om dez India ik wel een No. 90 333 Het arresteeren van van Bijland is niet ook„ Is zulks ook niet klaarlijk ge„ spronkelijk uijt de verkiesing dier Commissaris„ sen, maat wel van zinen brief van den 26. feb:,en bleeken door het aangetekende bij 2. maart 1790: waar bij hij mij en den Raad met aparte resolutie van den 12. Maart scheldwoorden aanrand, voor gecorrumpeerd houd absurd en onwaardig 'sComp:s belangen te beheeren. Ik vraage wat een dienaar die de N790. , wanneer de saaken tot dat ordres zyner wettige supperieuren veragt met uijtterste oversloegen dat 'er verwerping van dies omissie die hij volgens bed en plicht hun verschuldigd is, verdiend? navolgens U Achtbares voor„ stel geresolveert is om voormelde Heer van Bijland in arrest te laaten neemen N„o 94. Erkent UE: Achtbare niet, dat de Om de vreemdheijt van 't geval, waar van in bepaling welke dat arrest inclu„ India mogelijk geen voorbeeld is geweest, kan ik wel een in formalia hebben plaats gehad. deert, namelijk om hem den toe„ gang van allerleij soort van men„ schen te beletten, uijtgenomen Een â twee slaaven tot zyne oppassing, veel eer tot het Crimineele, dus tot het N=o 93. gesterkt met advies van het sadras opperhoofd Simons, wel iets anders dan verkeerde en onaangenaame uijtwerking hebben Justitieele Dit is op verzoek van den fiscaal Brouwer ge„ in rechten te ageeren De Heer van Bijland zagt, dat versoekt dat de inhoud van dien brief geconsidereerd mag worden als de Juijste ijver voor 'sComp:s be„ te hebben ingeslaagen wat noodzakelijkheijd was 'er schied, die door den Raad gelast was tegens hen om daar nog bij te voegen: van „zorge te draagen dat hij geene van „zijne goederen ofte papieren quame „te verduijsteren A. o 96. Aan de Heer van Bijland. Moet UE: niet erkennen dat langens, naar alvoorens alle sagte weegen Uwe brief van 26. februarij 1790. die UE word voorgeleezen ten aller uijtterste aanstootelyke, en verregaande beleedigende uijt drukkingen inhout A:o 97. Blijft UE: bij de geschreevene segt; ik moet er mij aan refereeren, wijl de termen, en refereert UE: zig alhier uijtkomst toonen zal, hoe verre zij sComp=s belangens met een Complot op eens den bodem aan deeze brief, en die welke A„o hebben zoeken in te slaan No. 95. Iustitieele, en niet tot het politike behoort 20 10 10. 334 zedert den 25. februarij Tigt da volmondig, en te weer dat het een Tegt Ia, maar niet sonder dat de Heer Padama deeze uijtdrukking ten vollen meriteerde, en dat aldaar dient opgemerkt te werden het woordje kan ontrekken. kun„ nen en doen is zeer verschillend reeren als finaal buyten den dienst gesteld particuliere brief is, en mij konde Conside„ Is het niet bij uwe brief van den 2. e Maart deezes Iaars aan de Heer Tadama, dat uE: vol„ mondig zegt zich van dat oogen„ „blek te kunnen onttrekken alle „gehoorzaamheijd en Respect, die „ UE: een gouverneur verschuldigt „ is, en voegt UE: daar niet bij van „ nog agting nog Estiem meer „ voor zijn Achtbare te gevoelen No 99. Moet UE: niet bekennen dat deeze uijtdrukkingen ten hoog „ sten greevend zijn, en dat de geheele inhoud van Uwr brief van den 2. Maart vol injurie is No 98. 20. van U. Iongste Adres aangehaalt staan in datis 3. 5, 6, 13. , 17, 20, 26. , en 27. februarij 1790. No. 100 van

NL-HaNA_1.04.02_3974_0682 view scan ↗

English

No. 100 States that he will continue to persist therein until those gentlemen who then comprised the Council shall have produced proof that they have not deserved it. States he arrived at that opinion through the completed extract making up the defense. States it is injurious, but to the utmost extent truthful. As to the conclusion, wherein your Honour says: "I consider you all the Council afore- mentioned to be corrupted, absurd, not worthy to manage the Company's interests, this I sign, and was signed: W H Count of Bijland. Is this, I ask, not injurious in the highest degree?" No. 101. Does your Honour persist in these opinions? No. 102. In what respect is the letter of 2 March falsified, written under a note from Messrs. Heshusius and Schliephaken dated 8 April, and which one? And what difference is there in that which States that I can do evil, but I do your Honour states to be able to do good. and actually did? No. 104. States, in the most violent manner, and refers further How did the matter of the arrest to what is described in the third chapter of the defense. No. 103. of your person and goods at Jaggernaijkpoeram take place? Is that which is mentioned regarding it in the report of the commissioners Heshusius and Schliephaken not in accordance with the truth? No. 105. States no, being that he was criminally imprisoned. Mr. van Halm states that he cannot now recall them, No. 106. Did your Honour persist in your objections States yes, with the request to submit further those and protests? protests, which I shall deem to belong thereto. No. 107. To the Honourable Mr. Tadama. The Honourable Mr. Tadama: when the accuser first has proven his alleged crimes against him and his Council, instead of those who at that time comprised the Council, What does your Honour have to bring in against the protests according to the statement of van Bijlland, having to give proof and claimed damages? that they did not deserve his accusation and treatment (for one indeed expects proofs from the accuser, but not from the accused); then it will be time to bring in the interests against his protests and claimed damages. Mr. van Halm states: not for the present. No. 108 To Mr. van Halm: have any points of defense also occurred to your Honour? No. 109. To all three: are there, to the matter of Jaggernaijkpoeram, any other but reserves the right to state them later. Mr. van Byland declares that he is able to point out and prove on the spot more than twenty objections and the malversation of the resident heads, twenty or more particulars to advance and bring forward, whether for offense or defense? The Honourable Mr. Tadama: I know nothing to bring forward, neither for nor against that matter. No. 110 Does your Honour herewith consider this part of the complaints upon and against each other, regarding what happened at Jaggernaijkpoeram, to be concluded? Mr. van Byland believes that the action against the resident heads at the time of the flood provides the most special proof of all of how the Company's goods were dealt with, and has already given up the witnesses thereof. The Honourable Mr. Tadama: as on Art. 109. No. 111. And has everyone herewith answered Mr. van Halm says: as far as concerns me, yes. truthfully to each article according to their conscience? Mr. van Bijland: as far as concerns me, the upright truth. The Honourable Mr. Tadama, having answered according to his conscience, requests a copy of these answered interrogatories. No. 112. Do your Honours also each in particular, Mr. van Halm requests a copy. for your examination thereof and, if necessary, Mr. van Byland states that he refers himself fully further defense, desire a copy of these answered without a copy. interrogatories? The Honourable Mr. Tadama: copy as on Art. 111. Thus drawn up by order as in the heading hereof at Palleakatta, in Fort Geldria, on the day as in the heading hereof. Was signed: P: E: van Halm N:s Tadama and W: A: G: van Byland Was signed: Jacob Eilbracht Lower: In my presence, signed: J:n Obdam, First Sworn Clerk. Agrees: A. Dormieux, Second Sworn Clerk. Copy To the Right Honourable Mr. Jacob Eilbracht, Senior Merchant and Governor of the Coromandel Government with the resorts thereof, etc., etc. Right Honourable Sir! Pursuant to your Right Honourable's honoured order, I betook myself to the Honourable Mr. Tadama to take down his Honour's answers to the articles drafted by your Right Honourable for his Honour and Messrs. van Halm and van Byland for the investigation of matters regarding the latter, in so far as this concerned the Honourable Mr. Tadama. His Honour having now answered and signed the same, I have the honour to present them to your Right Honourable and at the same time to report that the Honourable Mr. Tadama, after the signing, requested me to say to your Right Honourable: that he hoped that this will be the last with which his Honour is troubled in this matter, for his Honour currently finds meddling with business, and especially the paperwork, to be exceedingly difficult, partly because of a kind of paralysis in the right arm, and partly because of the weak condition in which his Honour currently finds himself, caused by a small stroke by which he was afflicted recently. Herewith hoping to have fulfilled your Right Honourable's honoured order, I take the high honour, with deep respect, to subscribe myself. Underneath: Right Honourable Sir, Your Right Honourable's humble and obedient servant. Was signed: J:n Obdam. In the margin: Palleakatta, 10 January 1791. Agrees: A. Dormieux, Sworn Clerk.

Dutch transcription

Ao. 100 Tegt daar in te blyven volharden tot dat die Heeren„ welke toen den Raad uijtmaakten, blijken zullen ge„ „geeven hebben, dat ze het niet hebben gemeriteerd zegt in dat gevoelen gekomen, te zij door het ge„ volleedigt Extract uijtmaakt woording. Tegt. het is in Iurieus, maar ten uyttersten waaragtig As het slot, waar bij UE: zigt Houde u alle de Raad bevoorens „gemeld voor gecorrumpeerd, absuad „ niet waardig 'sComp:s belangen te „ beheeren, dit onderteekend ik, en „ „was getekend :/ W H Graaff van „ Bijland. Is dit, vraag ik net ten uijtersten injurieus. Ao 101. Bift UE: bij deeze gevoelens vol„ harden A„o 102: In welk op zigt is de brief van den 2. Maart vervalscht schreevene bij een briefje van de Heeren Heshusius en schliephaaken in dato 8. april, en welk geen. En wat onderscheijd is er in het Tegt. dat ik kan quaad doen, maar ik doen geen UE. Tegt te konnen doen goed. en werkelijk gedaan hebt. A=o 104. Tijt, op de alen vrolamste wis, en reperen mij wader voedanig heeft het zig met het aan 't beschreven in't derde Hooft deel der werent„ A:o 103. dan arresteeren pel dig moet hebb van 3355 zegt nein, als zijnde Crimineel gevangen geweest De Heer van Nalm Tegt zig die nu niet te kunnen rop„ Ao. 106. stond UE: zig aan uwe bezwaa„ zegt Ia met verzoek van nader die ren en Protesten. protesten intedienen, die ik zal meenen te behooren Ao 107. Tadama. Aan den Achtbaren Heer Den Agtbaren Haer Iadama. wanneer den beschul„ deger eerst zijn opgalegde crimen tegen hem en zijnen raad heeft beweezen, in steede dat die welke toen ter tijd den wat heeft uw E: tegen de protesten Raad, uijtmaakten volgens zeggen van van Bijlland blijken, moet geeven, zijne beschildingh en behandeling niet te en begeerde schade vergoedingen hebben gemeriteerd /:want men verwagt immers bewijsen van den beschuldiger, maar niet van den beschuldigde:/ in te brengen. dan zal het tijd zij om op protesten van hem, en be„ geerde schaade vergoeding de belangens inte brengen de Heer van Halm Tegt voor als nog niet. A:o 108 Aan de Heer van Halm; zijn UE. ook nog eenige pointen van ver„ deediging te binnen gekomen! Ao. 109. zijn er tot de zaak Aan alle drie, van Iaggernaij Kfoeram eenige andere pelleeren, maar reserveerd zig die nader op tegeeven. De Heer van Byland declareerd van in loco meer als Is het geen dat derweegen vermelt staat in het Rapport van de gecommit„ teerden Aeshusius en Schliepha„ ken niet met de waarheijd overeen„ komstig N:o. 105. arresteeren van U persoon en goederen te Saggernaijk poeram toegedragen. twintig of te kunnen aantoonen en bewijzen. De Heer van Halm zegt voor zoo verre als hij na bekomen Copij en nader overweeging bevinden mogten niet meer nodig te zij. ste waarheijd. twintig beswaaren en de malversatie der opperhoofden of meerdere by sonderheeden te avan„ Den Agtbare Heer Iadama. Ik weete over die zaak nog voor, nog tegen iets in te brengen. ceeren en bij te brengen het zij tot offensie, ofte defensie! No 110 Houde UE: hier meede dit gedeelte der klagten op-en tegen elkanderen De Heer van sEijland vermeend dat de actie tegen de opper„ wegens het gebeurde op Jaggernaijk„ hoofden ten leijde der watervloed een aller Epersieelst bewijs uijtleeverd hoe met 'sComp:s goederen gehandelt is, poeram, voor afgehandelt Den Agtb: her Tadama, als op Art: 109. en reets de getuijgen daar van opgegeeven A:o 111. En is hier meede een ieder in het De Heer van Halm segt wat mij aanbelangd Ia. Dekker van Bijland, wat mij aanbelangt, de opregt, zijne na waarheijd op ieder Arti„ Den Agtb: Heer Iadama na gemoede geantwoord heb„ cul geantwoord bende, versoeke copia van deeze beantwoorde Inter„ Begeeren UE. ook ieder in 't Copij. De Heer van Halm versoekt De Heer van Byland, Tegt zig ten vollen te bij zonder ter uwer speculatie der har„ refereeren sonder Copij, ge, en des noods nadere verantwoor„ Den agtbare Heer Tadama Copij als of ding, Copia van deeze beantwoorde aat 111. interrogatorias Aldus uijt Last als in Aldus gedaan gevraagt en hoofde deezes ter neder beantwoord te Palleakatta A:o: 112. in „gesteld rogalohia 336 „gesteld te Palleakatta in in het fort Geldria ten dage als in het fort Geldria der vierden den Hoofde deezes /:was getekend:/ P: E: van Halm Ianuarij 1791. /:onderstond:/ Bij mij N„s Tadama en W: A. G: van Byland - /was getekend:/ Iacob Eilbracht /:lager. /. In kennisse van mij /:getekend/ J„n Obdam E: g: Clercq Accurdar A Dormieux Gew t Clercq. 2 de 337 Copia Aan den wel Edelen Agtbaren Heer worg Jacob Eilbracht opperkoopman en gezaghebber van het Cormandels gouvernement met den re„ soute van dien &. & Wel Edele Achtbare Heer! Ingevolge uwel Edele Achtbare geerde last, heb ik mij begeeven bij den Agtberen Heer Iadama om opteneemen zijn Achtb antwoorden op de articuelen voor zijn Achtbare, en de Heeren van Halm en van Byland door uwel Edele Agtb: onderzoek van zaaken wegens den laasten ontworpen ƒ voor zo verre dit den Agtbaren Neer Tadama Conser„ ƒ zijn Agt die nu beantwoord en geteekend hebbende neerde . heb ik de eer dezelve uwel Edele Agtbare aantebieden en tevens, te berichten, dat den Agtbaren Heer Iadama na de onderteekening mij verzogt heeft uwel Edele Agtbare te zeggen „ dat hoopte dat dit het laaste „zal weezen, waar meede zijn Achtbare in deeze zaak „vermoeijelijkt werd, want dat zijn Agtbare het bemoeijen „met zaaken, en voor al het schrijfwerk tans ten uijtersten „lastig valt, eensdeels door een soort van verlamming aan No 11. en ten anderen door de swakke gesteld aan de regter arm Agtbare zig tegenwoordig bevind, ver„ „heijd, waar in zijn „ oorzaakt door een kleijne beroerte waar van nog onlangs is aangetast geworden. Hier meede verhoopende uwel Edele Achtbare geeerde last volbracht te hebben, matige ik mij de hooge eere aan, met diep ontzag te onderschrijven. /:onderstond/ wel Edele Achtbare Heer Uwel Edele Achtbare onderdanige en gehoorzame dienaar /:was getekend:/ I:n Obdam /:in margine :/ Palleakatta den 10. Januarij 1791. — Accordeerd A Formieux Jeswe Clacq „ e Clercq

NL-HaNA_1.04.02_3974_0691 view scan ↗

English

Copy 333 To the Right Honourable Lord Jacob Eilbracht No. 12 Senior Merchant and Governor of the Coromandel Government with the dependencies thereof etc. etc. Right Honourable Lord The undersigned, having been instructed by Your Right Honour to report on the extract of the defence of Lord Willem Hendrik Count of Bijland dated 30 December 1790 delivered to them for that purpose, concerning the matter of the dabboes or their depreciation at Iaggernaykpoeram, have the honour hereby to offer their knowledge therein to Your Honour. The first humble undersigned takes the liberty to do so, offering the extract report submitted in general to Your Right Honour on 2 December of the past year regarding the questioned Iaggernaijkpoeram matters, declaring that he does not consider himself able to provide any closer or further explanation concerning them, and The second says that he can in no way understand the meaning of the Lord of Bijland when he says that the Company's servants suffered a loss upon receiving their wages and board money, for he knows very well that in the monthly distribution of wages and board money to the Company's servants, during the period of three years that he was there, not half a dabboe was shorted to them. That, as regards the damage they are alleged to have suffered through the minting of light dabboes, he must testify regarding this that it is very slight, since in the beginning of his arrival at Iaggernaijkpoeram in the spring of 1786, when no other than properly heavy dabboes were yet minted by the Company, he himself made a test of the difference between these and the light dabboes circulating and coming in from outside, and found that the latter were exchanged at no more than one and a half percent cheaper, which on a month's salary and board money of a bookkeeper amounting to 1056 dabboes yields no more difference than barely 17 pieces of dabboes. That this difference, however, did not last long, since through the reduction of the price of copper the dabboes also became cheaper pro rata from time to time. That he otherwise also refers to his report submitted to Your Right Honour on this subject under the date of 24 November 1790. 339 Regarding the Brahmin Bolla pregada Sjelemaija cited in the extract of the Lord of Bijland, the first undersigned testifies that he has full knowledge of his arrest and his escape therefrom by night, leaving behind in the choultry a writing to the debit of the Lord of Halm and Truvengalam, and that the gold farm was the cause of his arrest; that this Brahmin, after his escape, also wrote several letters to the first undersigned about his dispute, and that he, deeming it outside his station to meddle therewith, delivered them to the Chief, the Lord of Halm. The last undersigned states that he has no knowledge of this matter. Hoping hereby to have fulfilled Your Right Honour's esteemed orders, we assume the particular honour to subscribe ourselves with awe, Right Honourable Lord, Your Right Honour's humble, obedient servants, Was signed: S. I. De Bruijn In the margin: Palleakatta, the 31st of January, Anno 1791. Extract On the third article of the ordinance, that is, of the minting of the dabboes, the depreciation of their value, and how these obscure matters must be understood, demonstrating what damage is suffered thereby by the Honourable Company and the community. The minting of dabboes was introduced at Iaggernaykpoeram in the year 1752 or 1753, and the price was fixed at the still ongoing 168 pieces per Nagapatnam pagoda. The Madras three-figure pagoda, which throughout the entire north alongside rupees is the sole circulating coin, was then exchanged against 190 dabboes, and thereafter at that time the price regulation of 168 per Nagapatnam pagoda (which is more than 17½ percent less in value than the aforementioned Madras three-figure pagoda) was established by the Honourable Company, so that the servants incurred no loss in the provision of dabboes at that time for their salary etc. But Extract report of the undersigned regarding the questioned matters of Iaggernaijkpoeram submitted to the Right Honourable Governor Jacob Eilbracht under date of 2 December 1790: this 340 this is now completely different, for the dabboes have gradually decreased in value at the exchange rate, and now lately, upon my departure around the first of March last, have reached about 270 pieces more or less per Madras three-figure pagoda. A difference solely on this pagoda of 80 pieces, whereas the price at the Company nevertheless remains fixed at 168 pieces per Nagapatnam pagoda; and that pagoda, which is no longer in existence in the north, should now be worth well over 220 dabboes, whereby the servants currently lose over 50 dabboes per Nagapatnam pagoda at the exchange rate upon the provision of their salary etc. From this arise the continual complaints of the servants about the loss in this disbursement. Yet notwithstanding this price drop of the dabboes, which results from the multitude of mints currently in the north, and the lesser value of the dabboes minted therein, together with the heavy supply of all sorts of copper and its current cheapness, the Honourable Company continues to retain the same profit through the regulated price of 168 pieces per Nagapatnam pagoda, because this is not an article of trade for the Honourable Company, but solely arranged for disbursements. The profit of the Honourable Company on this, above the sale of the bhaar of copper, is as follows: The Honourable Company obtains from one bhaar of copper from the mint net, that is, after deducting the minters' expenses, 16014 pieces of dabboes, and at the determined price of 168 per

Dutch transcription

Copie 333 Aan den wel Edlen Achtbaren Heer Jacob Eilbracht No. 12 opperkoopman, en gezaghebber van het Cormandels gouvernement met den resorte van dien etc:s etc:a Wel Edele Achtbare Heer De ondergetekendens door uwel Edele Achtbare ge„ last weezende te dienen van bericht op het hun daar toe ter hand gestelde Extract verantwoording van den Heer Willem Hendrik Graaff van Bijland gedateerd 30. de„ cember 1790. betreffende de zaak der dabboesen of dies waarde vermindering te Iaggernaykpoeram, hebbende de eere Hoog Dezelve hun kundschap daar inne bij deeze aantebieden Den Eerste nedrige tekenaar vervrijmoedigd zig zulx te doen, onder aanbod van Extract bericht uwel Edele Agtb wegens de Iaggernaijkpoeramsche zaaken in questi, in 't generaal overgegeeven onder dato 2:e december A:o p:o, onder verklaaring dat hij zig niet in staat bedind eenige na„ deze of verdere Explicatie derwegen te doen, en Den tweeden Tegt, dat hij in geene deele kan begrijken„ de de meening van de heer van Bdijland, als hy zagt det'sComp=s dienaaren verlooren hebben bij het ontvangen hunner ga„ gie en kostgeld, want dat hy zeer wel weet dat Comp:s dienaaren bij het uijt deelen van gagie en kostgeld 'smaan, delyks, geduurende de tijd van drie Iaaren dat hij daar wea, geen halve dabboe daar op te kort gedaan is. Dat, wat belangt de schaade, die zij zoude geleeden hebben door het slaan van ligte dabboesen, hij hier om„ trend betuijgen moet, dat die zeer gering is, alsoo hij in 't begin van zijn komst op Saggerway apoeram in het voor Iaar 1786. wanneer bij de Compagnie nog geen andere als behoorlijk gewichtige dabboesen geslagen wierden, zel„ ver een verroef genoomen hebbende van het different tusschen deeze, en de van buijten inkoomende roulleerende lig te dabboesen, bevonden had, dat de laaste niet meer dan een en Een half per Cent goed kopper ingewisselt wierden, welke op een maand gagie en kostgeld van een boek,„ houder beloopende dabboesen 1056. geen meer verschil geeft, dan 17. stux dabboesen schaars Dat dit different egter niet lang geduurt heeft, alzoo door de verlaaging van de prijs van het koper de dab„ boesen pro rato van tijd tot, tijd ook goed koopen zijn geworden Dat hij zig overigens meede gedraagd aan zijn dee Tent 339 des Tint: weegen onder dato 24. November 1790: aan auwel„ Edele Agtbare overgegeeven betecht Belangende de in het Extract van de heer van Bij„ land aangehaalde bramine Bolla pregada Sjelemaija betuijgd den Eerst getekenden dat hij volkomen kennis heeft van zijn arrest, ootvligting daar uijt bij nagt, met agter„ laating in de sjandery van een geschrift ten laste van de heer van Halm, en Truvengalam, en dat de Gout pagterij oorzaak van zijne arresteering was, dat deeze bramine na zin ontvlugting ook verscheijdene brieven aan hem eerst getekenden over zijn disput geschreeven, en hij, als het buijten zyn post reeekenende zig daar meede intelaaten, die aan het opperhoofd de heer van Halm afgegeeven heeft Den laast getekende zigt van deeze zaake geen kennisse te hebben Hoopende hier meede aan uwel Edele Achtbare geeerde s beveelen voldaan te hebben matigen wij ons de bij zondere eere aan, met ontsag te onder.„ die Edele Agtbare Heer " mnwel„ wel schrijven /:onderstond gehoorzame Dienaa„ Edele Achtbares onder S. I. De Bruijn ren /: was getekend /in margine:/ Palleakatta den 31: Ianuarij Anno 1791 Extract Op het derde lid der ordonnantie, dat is van het munten der dabboesen, vermindeken der waarde van de zelve en hoedanig die duystere zaaken moet begreepen werden onder vertooning welke schaade daar door bij d'E: Comp:e en de gemeente wordn geleeden Het munten der deboesen is geintroduceerd, op dag gernaykpoeram in anno 1752. of 1753. , en de prijs ge„ steld op de nog: voortloopende 168: stux per Naga, patnamsch pagood, de madras deriebeeldige pagood, die over de geheele noord nevens ropijen enkel de roulleerende munt is, wierd toen gewisselt tegens 190. daboesen, en daar na is te dier tijd de prijs re„ guleering van 168. per Nagapatnamsche pagood /:die 17½. p:r C„to ruijm minder in waarde is, als voorsz Madras 3. b:o pagoden /: bij d'E: Compagnae gedaan des de dienaaren bij de verstrekking van daboesen toen voor hun gage ensz: geen schaade hadden. Dan Extract bericht van den ondergetekende „nopens de questieuze zaaken van Iaggernaijk poeram overgegeeven aan den wel Edelen agtbaren Heer gezag hebber Iacob Eilbracht in dato 2. December 1790: dit 340 dit is nu geheel anders, want de dabboesen syn bij wassel Cours successive in waarde gedaalt, en nu laastelyk bij mijn vertrek met primo Maart Iongstleeden gekomen tot ov 270: stux min of meer per Madras driebeeldige pagood. , Een verschil enkel op deeze pagood van 80. stuks, daar Egter de prijs bij de Compagnie behaalst blift op 168: stux per Nagapatnamse pagood, en die pagood die om de noord, nu niet meer in weezen is, nu wel soude moeten gelden 220. dabboesen ruijm, waar door dus de dienaaren op de verstrekking van hun gage ensz:, thans verliesen per Nagapatnamsche pagood bij wissel Cours over de 50. daboesen, hier uijt spruijten voort de geduurige klagten der dienaaren over schade bij deeze verstrekking Dog niet tegenstaande deeze prijs daaling der dab„ er boesen, die voortkomt uijt de meenigte munten thans om de noord, en het min valeur der dabboesen, die daar in geslaagen worden, mitsgaders den sterken aan voer van allerhande kooper, en dies goedkoopheijd thans blyft d'E: Compagnie het zelfde voor deel behouden door de gereguleerde prijs van 168. stux per Nagapatnamse pagood, want dit is geen negotie articul voor d'E: Com„ pagnie, maar enkel voor de uijtgaves geschikt. De winst van dE: Compagnie hier op boven de verkoop van het bhaar koper komt als volgt. dE: Compagnie krijgt van een bhaar koper uijt de munt suijver, dat is de munters ongelden afgetrokken 16014. stux dabboesen, en tegen de bepaalde prijs van 168. per

NL-HaNA_1.04.02_3974_0696 view scan ↗

English

Number pro 95. 7. 1/7 per Nagapatnam pagoda, thus -- And the bhaar of copper the Honorable Company sells the bhaar against. . . . . . . . . . . . 89. 20. —. whereby it at the minting gains more than at sale per bhaar- . - 5: 11 1/7. And because the dabboes serve solely for disbursement to the servants, and expenditures out of the petty cash for daily expenses, thus the servants and the cashier bear the burden of this profit, the cashier in so far as he must make payment for diverse purchases and gift moneys in three-figure pagodas or rupees, for outside the Company servant no one cares about the Company price regulation, but they demand payment according to exchange rate, the Nagapatnam pagoda against its agio, and rupees calculated four per Madras three-figure pagoda, however the cashier may not disburse more than the fixed 168. per pagoda, whereby the Madras three-figure pagoda calculated against 17½. per cent comes in dabboes to - - - - - - - - - 197. — and the exchange rate thereof is - - - - - ditto - - - - - - - 270. —. Thus the lesser subtracted from the greater comes to a loss for the servants and cashier on each Madras three-figure pagoda of. Dabboes 73. —. Concerning now the reduction of the value of the same 341 the same This I know has taken place, beginning with June or July 1788, and running until May or June 1789, and the reduction happened gradually from 3 or 4. up to finally 10. or 12. per Cent more or less equal with the circulating dabboes coming in from outside. Notwithstanding this reduction in value of the dabboes the Honorable Company retained the old profit on the minting, and it has never appeared to me that it was benefited for the additional dabboes that came in such manner out of a bhaar of copper; but the servants lost thereby again, though not of great importance, and only that whereas they, the Company dabboes that they received for wages and so forth when those maintained the former weight, spent them in exchange at pagoda 4. to 5. dabboes less per three-figure pagoda than the circulating light dabboes, so they had to truck or spend the reduced Company dabboes afterwards with this loss, that is equal with the circulating ones coming from outside; this was the loss on the one hand with this lower value of Company dabboes, but on the other hand the servants and the public in general lost thereby in the purchase of provisions and so forth in retail, for 29 for everything is weighed out there locally in retail by dabboes, and the order to the boutique-keepers reads to do this with Company dabboes, that is 64. pieces per cheer, but these dabboes now being so much lighter, consequently 64 such dabboes were so much per Cent lighter than an old or actual cheer, and one thus received so much less in goods that one bought for the household, which was then a profit for the boutique-keeper or shopkeeper, yet the servants and others who were able to do so guarded themselves against that by keeping old dabboes, or obliging the boutique-keeper to bring them when one bought provisions, but the common man, who daily had to buy his necessities at the bazaar in small amounts, was not protected against that. This is the damage, Right Honorable Sir, that the servants and the public came to suffer with the lower value of Company dabboes. Underneath stood: Agreed. Was signed: Jan Obdam A Dormieux Agreed Desve Clercq over 342 Number 13. To the Right Honorable Sir Jacob Eilbracht, senior merchant and governor of the Coromandel government with the dependencies thereof, and so forth, and so forth. Right Honorable Sir, In order, pursuant to your Right Honorable esteemed order, to serve with a report on the Extract of justification of the gentleman Willem Hendrik Count van Bijland dated 30 December 1790 handed to me for that purpose, I take the humble liberty to answer the same by inserting it herein before the statement of my knowledge in the matters mentioned therein in the margin. — 41 Extract from a writing of the merchant Willem Hendrik van Bijland, serving for his justification, dated the 30th of December 1790. — Under Letter C second section I have concerning the still outstanding customado moneys. with the

Dutch transcription

N: pr o 95. 7. /7 per Nagapatnamse pagood dus -- En het bhaar kooper verkoopt d'E: Comp: de bhaar tegens. . . . . . . . . . . . „ „ 89. 20. —. 7 waar door Te bi vermunting meerder als bij verkoop per bhaar wint- . - 5: 11 1/7. En door dien de dabboesen enkel dienen tot verstrek„ king aan de dienaaren, en uijtgaves uijt de kleene kas tot dagelykse ongelden, soo draagen de dienaaren, en den kassier de last van deeze winst, den kassier voor soo verre hij betaaling moet zoon wegens diverse inkoop en schenkagie gelden in drie beeldige pagoden of ropijen, want buijten 'sComp:s dienaar stoord sig wiemand aan 'sComp:s prijs reguleering, maar vorderen betaaling na wissel koers, de Nagapatnamse pagood tegens dies agio, en ropijen vier per madras drie beeldige pagoden bereekend, 't egter mag de kassier niet meer op brengen als de bepaalde 168. per pagood, waar door de Ma„ dras drie beeldige pagood gereekend tegens 17½. per cent komt op dabboesen - - - - - - - - - 197. — en de wissel kours daar van is - - - - - do - - - - - - - 270. —. Des het minder van het meerdere getrok„ ken komt verlies voor de dienaaren en kassier op ieder M: drie beeldige pagood. Dabb: 73. —. Belangende het verminderen nu der waarde van dezelve 341 de Zelve Dit weet ik heeft plaats gehad, aanvang neemende met Iuny of Iulij 1788, en loopende tot Maij of Iuny 1789, en de vermindering is geschied gaande weg van 3 of 4. tot laastelijk 10. of 12. pro Cent min of meer egaal met de van buijten inkomende en roulleerende dab„ boesen. Ongragt deeze vermindering van waarde der daboe„ sen bleef d'E: Compagnie bij het oude voordeel op de vermunting, en is mij nooijt gebleeken dat Te bevoor„ deeld wierd voor de meerdere daboesen, die sodanig uijt een bhaar koper quamen; dan de dienaaren verlooren daar bij weeder, dog niet van groot aan„ belang, en kel dat daar Ie de 'sComp=s dabboesen die voor gagie &a kreegen toen die de voorige swaarte hielden, die uijtgaven bij verwisseling tot pag: 4. â 5. daboes minder per drie beeldige pagood, als de roul„ leerende ligte dabboesen, zoo moesten ze de vermin„ derde 'sComp=s dabboesen naderhand met dit ver„ lies trouqueeren of uijtgeeven, dat is gelyk met de roulleerende van buijten inkomende, dit was het verlies aan de eene kant bij deeze minder waarde van 'sComp.:s dabboesen. 1, maar over een ander boeg verlooren de dienaaren en de gemeente daar bij in 't generaal bij inkoop van provisien ensz: in 't klijn want 29 want alles word daar ter plaatse bij verkoop in 't klijn toegewogen bij dabboesen, en de order op de boute„ kiers luijd van dit met 's Comp=s dabboeden te doen dat is 64. stuks per cheer, dan deeze dabboesen nu soo veel ligter weezende, waaren gevolglijk 64: sulke dabboesen soo veel per Cento ligter als een oud of weezentlijk cheer, en kreeg men dus soo veel minder aan waaren die men voor de huijshouding inkogt, dat dan een winst voor den boutekier of winkelier was, egter de dienaaken, en andere die het doen konde, hoede hun daar voor, met oude dabboesen te bewaaren, of den boutekier te verpligten die te brengen, wanneer men provisie inkogt, maar den gemeene man, die dage„ lijks bij kleijn zijn benodigdheijcdk op de bazaar moest in-koopen, was daar voor niet gedekt. Dit is de schaade Wel Edele Achtbare Heer! die de dienaaren en gemeente bij de mindere waarde van sComp„s dabboe„ sen quamen te lijden /:onderstond:/ Accordeerd:/ was getekend :/ I:n Obdam - A Dormieuk Accordeerd Desve Clercq over 342 N:o 13. Aan den wel Edelen Agtbaren Heer Jacob Eilbracht. opperkoopman, en gezaghebber van het Cormandelsch gouvernement met den resorte van dien. & & Wel Edele Agtbare Heer, Om ingevolge uwel Edele Agtbare geeerde ordre te die„ nen van bericht op het mij ten dien eijnde ter hand gestelde Extract verantwoording van de heer Willem Hendrik Graaf van Bijland gedateerd 30. December 1790. , gebruijk ik de onderdanige vrijheijd het zelve by insereering hier inne voor op„ gave van mijn kundschap in de daar bij vermelde dZaaken: in margine te beantwoorden. — 41 Extrart uijt een geschrift van den koopman Willem Hendrik van Bijland, dienende tot zijn ver„ antwoording, gedateerd den 30. december 1790. — Onder L:a C: tweede hoofdel heb ik over de nog uijtstaande constumado gelden. bij de

NL-HaNA_1.04.02_3974_0700 view scan ↗

English

the honor to offer Your Right Honorable. An autograph text of van Halm entitled Statement of what the Company's merchants and suppliers of the sorted cloths must pay, to which I refer fully, as being able to present nothing clearer and more distinct. These moneys were still outstanding in part and, on account of a dispute between De Ravallet and the arriving secunde van Someren, it was decided between them that van Someren would collect those costumados for De Ravallet, and that he would have a portion thereof. For that reason, it appears that van Halm also had such a proposal made to me. Firstly through Mr. Obdam, who was involved in all those matters. I also asked Mr. Obdam what those 700 pagodas were that I still had to collect from the merchants, the share of the secunde. Upon the arrival of Mr. van Someren, a misunderstanding arose between him and Mr. De Ravallet, as the former made a claim to it because in the future he had to be responsible for the collection; and this I know, that this was settled in the division of the outstanding amount between the two of them. That the Honorable Mr. Tadama charged Mr. van Halm 700 or 750 pagodas in account on account of what His Honor was to have from the merchants on costumado moneys, I know very well from what Mr. van Halm said to me. But the question put on this by Mr. van Bijland, and my answer, I do not recall; for I know very well that I always, with great care in my conversations with His Honor, avoided the name and affairs of His aforesaid Honor, because of the dissension of which I had knowledge between both of them. Mr. van Halm himself, if he is willing to bear witness to the truth, will have to testify that when His Honor consulted me, speaking about this money, I said that it was not advisable to do so. However, I remember that Mr. van Bijland told me afterwards that Mr. van Halm had complained to His Honor about this matter concerning the Honorable Mr. Tadama's self-interested manner of acting, wondering at that time at His Honor's great imprudence, considering, as said, the estrangement between these gentlemen, of which Mr. van Halm was so fully aware. During this conversation it may have been that I expressed myself so far as to say that these 700 pagodas did not belong under the coustumado money, and that the Honorable Mr. Tadama had his separately; but whether this was exactly 1000, I cannot positively determine. But on the contrary, it occurs to me that when the disputes arose, of the whole no more had been collected than, on the aforesaid 500 pagodas, about half or two-thirds, which I also am uncertain about. And the fixing of the costumado for the Honorable Commander before the admission of the merchants had already been a settled matter during the lifetime of the Honorable Mr. Blaaukamer; this is known to Mr. van Halm as well as to me. This itself is a continuation of the customs of previous Governors, according to the common reports that I have received of these beacons at Jaggernaikpoeram. Besides the above-mentioned, for Mr. Tadama, or rather for Mr. van Halm, while Mr. van Halm several days before declared to me in a complaining manner: Firstly: that those moneys which I asked for a servant of the widow Hofbenberg, he had already remitted months ago to Mr. Tadama, without that servant having received that money. Secondly: said he, van Halm, that Mr. Tadama was very self-interested; that he had charged him in account 700 pagodas costumados which the merchants were still in arrears on the frequently mentioned 3000 pagodas, adding thereto: I hope that you will be of assistance to me in collecting those moneys, so that the merchants make no disputes about it. This took place in the presence of van Someren, who thereupon said: that presents no difficulty. There was also present a certain Patriot Lutoriche, who urged the matter more strongly, although the conversation took place in Dutch. Since that time ten months have passed without my having heard anything more about it. But regarding the costumados in general, I will mention those who also told me about it. Firstly, Mr. Obdam, when I asked him: must those 700 pagodas be deducted from those 6157? "No," said he, "the said Mr. Tadama has enjoyed 3000 for his share alone." Further extract from the mentioned writing: Here I must ask another question, which I request that Your Right Honorable please look into most seriously: that on the 3rd of March Mr. Jan Obdam departed by land from Jaggernaikpoeram. How did I not beg and plead with him to declare this whole matter according to the sincere truth to Mr. Tadama, both as a friend and as an attorney. Secondly, the regent of Carpa. Mr. van Bijland certainly requested me very much at my departure to give the Honorable Commander upon my arrival a detailed and truthful account of the state of affairs. And regarding the native of whom His Honor speaks, who is a former regent of a nearby place, a very wealthy man who bears a special affection for the said Ramaija, renter of Gollapallum, even with the declaration that he would spare neither money nor goods to obtain justice for Ramaija, and that I could regulate myself accordingly; I promised both that upon arriving at Palleakatta, and His Honor speaking to me about the matters, I would not fail in this.

Dutch transcription

bij de kooplieden, aandeel van den secunde de eer uwel Edele gestrenge aantebieden. ontstond bij de komst van de heer van so„ een eijgen handschoift van van Halm d mereen misverstand tusschen hem en de heer getituleerd Aanwijzing het geen Com„ De Ravallet, als maakende den eerste om dat pagnies Cooplieden, en leveranciers der in 't vervolg voor den Inzaam instaan moest, daar pretentie op, en dit weet ik, dat geschinkt gecattoereerde deeken voldoen moeten, is bij de verdeeling van het uijtstaande on daar ik mij ten vollen aan referiere, als bragt der hun beijde. ~. Dat de agtbare Heer Tadama de heer van Halmkennende niets klaarder en duijdelijker op„ pag: 700. of 750 heeft in reekening gesteld we„ gens het geene zijn agtbare op Costumabo geeven. deeze penningen stonden nog uijt gelden van de kooplieden moest hebben, weet ik zeer wel uit het gezegde door de heer voor een gedeelte en uijt hoofde van een van Halm aan mij dan de hier op gegeeven disput tusschen De Kavallet, en den vraag door de heer van Bijland, en mijne antwoord; staat mij niet voor, want ik weet aankomende secunde van Someren, wierd zeer wel althoos met zeer veel vorgvuldigheijd in onder hun beslooten dat van Some mijn gesprekken met zijn Ed:, de naam en zaaken van zijn agtb: voormeld gemeide. ren die tostumados voor De. Raval„ hebben om de oneenigheijd, waar van ik het inpalmen soude, en dat hij daar kennisse had tusschen beijde, zelver dan portie in hebben zou uijt dien zal de heer van Halm de waarheid ge lievende gestund te doen, moeten be hoofde komt het voor dat mij van „Halm ook dusdanige propositie liet voorslaan. Eerstelijk door de heer aan de heer van Bijland daar van op Obdam, die in alle die zaaken mij gaum spreeken, wegens de heer van Halm om alle opstacilen te planneeren, ook vroeg ik aan de had, want ik ver heer Obdam wat dat was die 700: pa„ ten, als considererende zulks voor een goden, die ik nog moest in palmen buij„ tuijgen, dat zijn Edele mij raad plee =gende over dit geld spreekende, ik Begd. heb, dat het niet raadzaam was ening te doen, egter geheugd mij dat de heer van Bijland mij daar, na gezegd heeft dat de heer van Halm zig bij zijn Edele wegens deeze zaak over des agtb: wondende mij desweegen toen ten hoog heer Sadams intressante manier van han ten d of heb on do a zegd groote onvoorzigtigheijd, gemerkt als ge delen zeer beklangd 343 Zegd de verweijdining tusschen deeze Heeren, daarde ten de boven gemelde voor de heer Fa„ heer van Halm, zoo volkomen kennisse van had„ de bij dit gesprek kan het geweest zij, dat ik dama, of liever voor de heer van Halm, mij zoo verre heb uijtgelaaten dat deeze 700. pag niet behoorde onder het Coustumado geld, terwijl de heer Aan Halm mij eenige de heer van Halm en dat de agtb: heer Padama het zijne appart had, dan of dit net 1000 dagen te vooren klagender wijze decla„ was, kan ik niet posetief, bepaalen dog mijn staat daar en teegen voor dat toen de disputen reerde. Eerstelijk: dat die gelden, die ofquamen, van het geheel nog niet meerder opge ik vroeg voor een dienaar van de wed: Hof„ als bragt weas, als op voorsz soo pagoden na de helft of twee derde daar ik meede op„ onzeker in den en het bepaalen van Costume benberg, dat hij die reets maanden ge„ ij do voor den agtb: Heer gezaghebber voor de uijt admissie der Cooplieden is bereets een gedaan leeden aan de heer Iadama hadde over„ zaak geweest bij het leeven, van den agtb: heer, gemaakt, zonder dat die dienaar dat Blaaukamer, dit is de heer van Halm soo wel als mij bekend; zelve is dit, een opvol „geld ontfangen had. Tweedens zeijde hij ging van gewoontens van voorige Gouver neurs volgens de gemeene berigten die ik van Halm, dat de heer Iadama zeer van deeze Baaken op Iaggernaijkpoeram geinteresseerd was, dat hij hem op reeke„ gekreegen heb. —. ning gesteld had 700. pagoden Costu„ mados die de Cooplieden nog ten agte„ ren stonden van de meergemelde 3000. pagoden, voegende daar bij ik hoop dat uw tot het inpalmen van die gelden. mij behulpzaam. zult zijn dat de kooplieden daar over geen desputen maakt, dit passeerde ten overstaan van van someren, die daar op seijde dat heeft geene swaarigheijd, Ook stond daar bij eenen Paltiot Lutoriche, die die zaak sterker aandrong, hoe wel de. een Conversatie tebieden. Halm Co„ der , n ierd Conversatie in het Hollands geschiede, zedert die tijd zijn er thien maanden ver„ loopen zonder dat ik daar iets medd ek van gehoord hebbe, maar omtrend de Costumados in 't generaal zal ik opnoe„ men, die geene die 't mij ook nog ge„ zegd hebbe. Eerstelijk de heer Obdam„ wanneer ik hem vroeg, moeten die 700 pagoden uijt die 6157 getrokken worden; Men zeijde hij, d:o heer Tadama heeft alleen voor zijn aandeel 3000 genooten. Nader Extract uijt ge melde geschrift. —. Hier moet ik nog een vraag doen die De heer van Bijland heeft mijn seeker bij mijn vertrek zeer veel verzogt den agtb Heer ik verzoek dat uwel Edele gestr: aller gezaghebber bij mijn aankomst omstandig en na waarheijd verhaal te doen van de serieust gelieve inte zien dat op den „gesteldheijd van zaaken, En den Inlander daar zijn Edele van spreekt, dat een ge 3 Maart de heer Jan Obdam van weezen regent is van een na bij leggende Saggernaijkpoeram over den Landweg plaats, een zeer vermogend man die den genoemde Ramaija /:pagter van gollapa „ vertrokken is, hoe heb ik hem niet lum / bijzondere genegendheijd toedraagd gebeeden en gesmeekt van deeze geheele ook en zelf onder betuijging dat hij geld nog goed zoude ontvien om ramaijo zaak na de opregte waarheijd te regt te bezorgen, en dat ik mij daar willen declareeren aan de heer Pada„ na reguleeren korder aanbeide heb ik beloofd dat ik op palleakatta komen ma, zoo wel als vriend, ook wel als de, en zijn Agtb: mij over de zaaken spreekende, hier niet in manqueeren volmagt. Tweeders de regent van zoude. Dan Carpa O „

← previousnext →